Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Mijn broedersG80, hebtG2192 nietG3361 het geloofG4102 van onzen HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547, den Heere der heerlijkheidG1391, metG1722 aanneming des persoons.
Mijn broeders, hebt niet het geloof van onzen Heere Jezus Christus, den Heere der heerlijkheid, met aanneming des persoons.
Ook in dit vers
aanneming persoonsG4382
KJV
My
brethren,1
have6
not3
the faith8
of our
Lord10
Jesus12
Christ,13
the Lord of glory,15
with4
respect of persons.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
WantG1063 zoG1437 inG1519 uw vergaderingG4864 kwam een manG435 met een gouden ringG5554 aan den vingerG1722, in een sierlijkeG2986 kledingG2066, en er kwam ookG2532 een arm manG4434 in met een slechteG4508 kledingG2066;
Want zo in uw vergadering kwam een man met een gouden ring aan den vinger, in een sierlijke kleding, en er kwam ook een arm man in met een slechte kleding;
KJV
For2
if1
there come3
unto4
your
assembly6
a man8
with a gold ring,9
in10
goodly12
apparel,11
and14
there come in13
also15
a poor man16
in17
vile18
raiment;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
EnG2532 gij zoudt aanzienG1914 dengene, die de sierlijkeG2986 kledingG2066 draagtG5409, enG2532 tot hemG846 zeggenG2036: ZitG2521 gijG4771 hier op een eerlijke plaatsG2573; enG2532 zoudt zeggenG2036 tot den armeG4434: StaG2476 gijG4771 daar; ofG2228: ZitG2521 hier onderG5259 mijn voetbankG5286;
En gij zoudt aanzien dengene, die de sierlijke kleding draagt, en tot hem zeggen: Zit gij hier op een eerlijke plaats; en zoudt zeggen tot den arme: Sta gij daar; of: Zit hier onder mijn voetbank;
KJV
And1
ye have respect2
to3
him that weareth5
the gay9
clothing,7
and10
say
unto him,12
Sit14
thou13
here15
in a good place;16
and17
say
to the poor,19
Stand22
thou21
there,23
or24
sit25
here26
under27
my
footstool:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Hebt gij dan nietG3756 inG1722 uzelven een onderscheidG1252 gemaakt, enG2532 zijt rechtersG2923 gewordenG1096 van kwadeG4190 overleggingenG1261?
Hebt gij dan niet in uzelven een onderscheid gemaakt, en zijt rechters geworden van kwade overleggingen?
KJV
Are ye3
not2
then1
partial
in4
yourselves,5
and6
are become7
judges8
of evil10
thoughts?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
HoortG191, mijn geliefdeG27 broedersG80, heeft GodG2316 nietG3756 uitverkorenG1586 de armenG4434 dezer wereldG2889, om rijkG4145 te zijn inG1722 het geloofG4102, enG2532 erfgenamenG2818 des KoninkrijksG932, hetwelkG3739 Hij belooftG1861 dengenen, die HemG846 liefhebbenG25?
Hoort, mijn geliefde broeders, heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld, om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen des Koninkrijks, hetwelk Hij belooft dengenen, die Hem liefhebben?
KJV
Hearken,1
my
beloved4
brethren,2
Hath8
not5
God7
chosen
the poor10
of this
world12
rich14
in15
faith,16
and17
heirs18
of the kingdom20
which21
he hath promised22
to them that love24
him?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
MaarG1161 gij hebt den armenG4434 oneer aangedaanG818. OverweldigenG2616 uG4771 niet de rijkenG4145, en trekkenG1670 zijG846 uG4771 niet totG1519 de rechterstoelenG2922?
Maar gij hebt den armen oneer aangedaan. Overweldigen u niet de rijken, en trekken zij u niet tot de rechterstoelen?
KJV
But2
ye
have despised3
the poor.5
Do9
not6
rich men8
oppress
you,
and11
draw12
you
before15
the judgment seats?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
LasterenG987 zijG846 nietG3756 den goedenG2570 naamG3686, die overG1909 uG4771 aangeroepenG1941 is?
Lasteren zij niet den goeden naam, die over u aangeroepen is?
KJV
Do3
not1
they2
blaspheme
that worthy5
name6
by9
the which ye
are called?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Indien gij dan de koninklijkeG937 wetG3551 volbrengtG5055, naarG2596 de SchriftG1124: Gij zult uw naasteG4139 liefhebbenG25 alsG5613 uzelven, zo doetG4160 gij wel;
Indien gij dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven, zo doet gij wel;
KJV
If1
ye fulfil4
the royal5
law3
according to6
the scripture,8
Thou shalt love9
thy
neighbour11
as13
thyself,14
ye do16
well:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Maar indien gij den persoon aanneemtG4380, zo doet gij zondeG266, en wordt vanG5259 de wetG3551 bestraftG1651 alsG5613 overtredersG3848.
Maar indien gij den persoon aanneemt, zo doet gij zonde, en wordt van de wet bestraft als overtreders.
KJV
But2
if1
ye have respect to persons,3
ye commit5
sin,4
and are convinced6
of7
the law9
as10
transgressors.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
WantG1063 wie de gehele wetG3551 zal houdenG5083, enG1161 inG1722 eenG1520 zal struikelenG4417, die is schuldigG1777 gewordenG1096 aan alle.
Want wie de gehele wet zal houden, en in een zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle.
KJV
For2
whosoever1
shall keep6
the whole3
law,5
and yet8
offend7
in9
one10
point, he is11
guilty13
of all.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
WantG1063 Die gezegdG2036 heeft: Gij zult geen overspelG3431 doen, Die heeft ookG2532 gezegdG2036: Gij zult niet dodenG5407. IndienG1487 gij nuG1161 geen overspelG3431 zult doen, maarG1161 zult dodenG5407, zo zijt gij een overtrederG3848 der wetG3551 gewordenG1096.
Want Die gezegd heeft: Gij zult geen overspel doen, Die heeft ook gezegd: Gij zult niet doden. Indien gij nu geen overspel zult doen, maar zult doden, zo zijt gij een overtreder der wet geworden.
KJV
For2
he that said,
Do5
not4
commit adultery,13
said
also,7
Do9
not8
kill.14
Now11
if10
thou commit
no12
adultery,
yet if15
thou kill,
thou art become16
a transgressor17
of the law.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
SpreektG2980 alzoG3779, enG2532 doetG4160 alzoG3779, alsG5613 die doorG1223 de wetG3551 der vrijheidG1657 zult geoordeeldG3195 worden.
Spreekt alzo, en doet alzo, als die door de wet der vrijheid zult geoordeeld worden.
KJV
So1
speak ye,2
and3
so4
do,5
as6
they that shall be10
judged11
by7
the law8
of liberty.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
WantG1063 een onbarmhartigG448 oordeelG2920 zal gaan over dengene, die geenG3361 barmhartigheidG1656 gedaanG4160 heeft; enG2532 de barmhartigheidG1656 roemtG2620 tegen het oordeelG2920.
Want een onbarmhartig oordeel zal gaan over dengene, die geen barmhartigheid gedaan heeft; en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel.
KJV
For2
he shall have judgment3
without mercy,4
that hath shewed7
no6
mercy;8
and9
mercy11
rejoiceth against10
judgment.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
WatG5101 nuttigheidG3786 is het, mijn broedersG80, indienG1437 iemandG5100 zegtG3004, dat hij het geloofG4102 heeftG2192, enG1161 hij heeftG2192 de werkenG2041 nietG3361? KanG1410 dat geloofG4102 hemG846 zaligmakenG4982?
Wat nuttigheid is het, mijn broeders, indien iemand zegt, dat hij het geloof heeft, en hij heeft de werken niet? Kan dat geloof hem zaligmaken?
KJV
What1
doth it profit,3
my
brethren,4
though6
a man9
say8
he hath10
faith,7
and12
have14
not13
works?11
can16
faith18
save19
him?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
IndienG1437 er nuG1161 een broederG80 ofG2228 zusterG79 naaktG1131 zouden zijnG1510, en gebrekG3007 zouden hebben aan dagelijksG2184 voedselG5160;
Indien er nu een broeder of zuster naakt zouden zijn, en gebrek zouden hebben aan dagelijks voedsel;
KJV
If1
a brother3
or4
sister5
be7
naked,6
and8
destitute9
of daily12
food,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En iemandG5100 vanG1537 uG4771 tot henG846 zou zeggenG2036: Gaat henen inG1722 vredeG1515, wordt warmG2328, en wordt verzadigdG5526; en gijlieden zoudt hunG846 nietG3361 gevenG1325 de nooddruftighedenG2006 des lichaamsG4983, watG5101 nuttigheidG3786 is dat?
En iemand van u tot hen zou zeggen: Gaat henen in vrede, wordt warm, en wordt verzadigd; en gijlieden zoudt hun niet geven de nooddruftigheden des lichaams, wat nuttigheid is dat?
KJV
And2
one3
of5
you
say
unto them,4
Depart7
in8
peace,9
be ye warmed10
and11
filled;12
notwithstanding15
ye give14
them16
not13
those things which are needful18
to the body;20
what21
doth it profit?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
AlzoG3779 ookG2532 het geloofG4102, indienG1437 het de werkenG2041 nietG3361 heeftG2192, isG1510 bij zichzelvenG1438 doodG3498.
Alzo ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelven dood.
KJV
Even2
so1
faith,4
if
it hath8
not
works,7
is
dead,9
being alone.11
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
MaarG235, zal iemandG5100 zeggenG2046: GijG4771 hebtG2192 het geloofG4102, en ikG1473 hebG2192 de werkenG2041. ToonG1166 mijG1473 uw geloofG4102 uitG1537 uw werkenG2041, en ikG1473 zal uG4771 uitG1537 mijn werkenG2041 mijn geloofG4102 tonenG1166.
Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt het geloof, en ik heb de werken. Toon mij uw geloof uit uw werken, en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen.
KJV
Yea,1
a man3
may say,2
Thou4
hast6
faith,5
and I7
have9
works:8
shew10
me
thy
faith13
without16
thy
works,21
and I23
will shew24
thee
my
faith31
by26
my
works.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
GijG4771 gelooftG4100, datG3754 GodG2316 een enigG1520 God isG1510; gij doetG4160 wel; de duivelenG1140 gelovenG4100 het ook, en zij sidderenG5425.
Gij gelooft, dat God een enig God is; gij doet wel; de duivelen geloven het ook, en zij sidderen.
KJV
Thou1
believest2
that3
there is
one6
God;5
thou doest9
well:8
the devils12
also10
believe,13
and14
tremble.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
MaarG1161 wiltG2309 gij wetenG1097, o ijdelG2756 mensG444, datG3754 het geloofG4102 zonder de werkenG2041 doodG3498 isG1510?
Maar wilt gij weten, o ijdel mens, dat het geloof zonder de werken dood is?
KJV
But2
wilt1
thou know,3
O4
vain6
man,5
that7
faith9
without10
works12
is
dead?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
AbrahamG11, onze vaderG3962, is hij nietG3756 uitG1537 de werkenG2041 gerechtvaardigdG1344, als hij IzakG2464, zijn zoonG5207, geofferdG399 heeft opG1909 het altaarG2379?
Abraham, onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij Izak, zijn zoon, geofferd heeft op het altaar?
KJV
Was8
not5
Abraham1
our
father3
justified
by6
works,7
when he had offered9
Isaac10
his13
son12
upon14
the altar?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Ziet gij wel, datG3754 het geloofG4102 mede gewrochtG4903 heeft met zijn werkenG2041, enG2532 het geloofG4102 volmaaktG5048 is geweest uitG1537 de werkenG2041?
Ziet gij wel, dat het geloof mede gewrocht heeft met zijn werken, en het geloof volmaakt is geweest uit de werken?
KJV
Seest thou1
how2
faith4
wrought5
with his8
works,7
and9
by10
works12
was15
faith14
made perfect?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
En de SchriftG1124 is vervuldG4137 geworden, die daar zegtG3004: En AbrahamG11 geloofdeG4100 GodG2316, en het is hem totG1519 rechtvaardigheidG1343 gerekendG3049, en hij is een vriendG5384 van GodG2316 genaamdG2564 geweest.
En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend van God genaamd geweest.
KJV
And1
the scripture4
was fulfilled2
which saith,6
Abraham9
believed7
God,11
and12
it was imputed13
unto him14
for15
righteousness:16
and17
he was called20
the Friend18
of God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
ZietG3708 gij dan nu, datG3754 een mensG444 uitG1537 de werkenG2041 gerechtvaardigdG1344 wordt, enG2532 nietG3756 alleenlijk uitG1537 het geloofG4102?
Ziet gij dan nu, dat een mens uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleenlijk uit het geloof?
KJV
Ye see1
then3
how that4
by5
works6
a man8
is justified,7
and9
not10
by11
faith12
only.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
En desgelijks ookG2532 RachabG4460, de hoerG4204, is zij nietG3756 uitG1537 de werkenG2041 gerechtvaardigdG1344 geweest, als zij de gezondenenG32 heeft ontvangenG5264, en door een anderen wegG3598 uitgelatenG1544?
En desgelijks ook Rachab, de hoer, is zij niet uit de werken gerechtvaardigd geweest, als zij de gezondenen heeft ontvangen, en door een anderen weg uitgelaten?
KJV
Likewise1
also3
was10
not7
Rahab4
the harlot6
justified
by8
works,9
when she had received11
the messengers,13
and14
had sent them out17
another15
way?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
WantG1063 gelijk het lichaamG4983 zonder geestG4151 doodG3498 isG1510, alzoG3779 isG1510 ookG2532 het geloofG4102 zonder de werkenG2041 doodG3498.
Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzo is ook het geloof zonder de werken dood.
KJV
For2
as1
the body4
without5
the spirit6
is
dead,7
so9
faith12
without13
works15
is
dead16
also.
het geloof van onzen
Dat is, het christengeloof, waarvan Christus het fundament is; 1 Kor. 3:11.
Hertaald:
het geloof van onzen
Dat is: het christelijke geloof, waarvan Christus het fundament is; 1 Kor. 3:11.
den Heere der heerlijkheid,
Hiermede wordt aangewezen de waardigheid van het christengeloof, als dat niet alleen ziet op Christus voor ons gekruisigd, 1 Kor. 2:2; maar ook die van eeuwigheid God is, en nu in heerlijkheid zit aan de rechterhand van God in de hoogste plaats. Zie 1 Kor. 2:8; Hebr. 1:3; 1 Petr. 3:22. Anderen voegen dit woord der heerlijkheid bij het woord het geloof; omdat het geloof vooral daarop ziet, dat Christus door Zijn lijden ingegaan is in Zijn heerlijkheid, en alle gelovigen in deze ook zal inbrengen en deze deelachtig maken.
Hertaald:
den Heere der heerlijkheid,
Hiermee wordt de waardigheid van het christelijke geloof aangewezen: dat het niet alleen ziet op Christus Die voor ons gekruisigd is, 1 Kor. 2:2, maar ook op Hem Die van eeuwigheid God is en Die nu in heerlijkheid aan de rechterhand van God op de hoogste plaats zit. Zie 1 Kor. 2:8; Hebr. 1:3; 1 Petr. 3:22. Anderen voegen het woord der heerlijkheid bij het woord het geloof, omdat het geloof vooral daarop ziet dat Christus door Zijn lijden in Zijn heerlijkheid ingegaan is en dat Hij alle gelovigen daar ook zal binnenbrengen en daaraan deel zal geven.
met aanneming des persoons
Dat is, van de uiterlijke gelegenheid des mensen, die tot de zaak niets doet, gelijk rijkdom, macht, enz.; zie hiervan de aantekeningen Hand. 10:34; Rom. 2:11.
Hertaald:
met aanneming des persoons
Dat is: met aanneming van de uiterlijke omstandigheden van de mens, die met de zaak niets te maken hebben, zoals rijkdom, macht, enzovoort; zie hierover de aantekeningen bij Hand. 10:34; Rom. 2:11.
vergadering kwam
Grieks synagoge; waardoor verstaan worden niet de Joodse scholen of synagogen, waar de christenen niet meer kwamen om hun godsdienst te oefenen, maar allerlei plaatsen, waar de christenen bijeen kwamen om den godsdienst te plegen.
Hertaald:
vergadering kwam
Grieks: synagōgè. Daaronder worden niet de Joodse scholen of synagogen verstaan, waar de christenen niet meer kwamen om hun godsdienst te beoefenen, maar allerlei plaatsen waar de christenen bijeenkwamen om de godsdienst te beoefenen.
een man met een gouden
Dat is, rijke lieden die vanwege hun rijkdom of pracht voorgetrokken worden, waaronder dikwijls worden gevonden zodanigen als beschreven worden Jak. 1:6-7.
Hertaald:
een man met een gouden
Dat is: rijke mensen die vanwege hun rijkdom of hun pracht voorgetrokken worden. Onder hen worden dikwijls mensen gevonden zoals die beschreven worden in Jak. 1:6-7.
sierlijke kleding,
Grieks blinkende.
Hertaald:
sierlijke kleding,
Grieks: glanzende.
een arm man in
Namelijk hoewel hij vroom en gelovig is.
Hertaald:
een arm man in
Namelijk hoewel hij vroom en gelovig is.
met een slechte kleding;
Grieks in een vuile kleding.
Hertaald:
met een slechte kleding;
Grieks: in een vuile kleding.
aanzien dengene,
Dat is, uwe ogen allen tezamen op hem slaan met eerbied.
Hertaald:
aanzien dengene,
Dat is: uw ogen allen samen met eerbied op hem richten.
op een eerlijke plaats;
Grieks wel, of eerlijk.
Hertaald:
op een eerlijke plaats;
Grieks: goed, of: eerbaar.
den arme
Sta Namelijk die in de vergadering komt. Zie vs.2.
Hertaald:
den arme
Namelijk de arme die in de bijeenkomst komt. Zie vers 2.
Hebt gij dan
Of zijt gij niet in uzelf veroordeeld? Dat is, in uw conscientie overtuigd, dat gij daar kwalijk aan doet.
Hertaald:
Hebt gij dan
Of: bent u niet in uzelf veroordeeld? Dat is: in uw geweten ervan overtuigd dat u daar verkeerd aan doet.
rechters geworden
Dat is, gij hebt geoordeeld dat uw kwade overleggingen in dit aannemen des persoons goed en behoorlijk waren. Of rechters die kwade overleggingen hebben; dat is, verkeerde rechters.
Hertaald:
rechters geworden
Dat is: u hebt geoordeeld dat uw verkeerde overwegingen bij dit aanzien van de persoon goed en gepast waren. Of: rechters die verkeerde overwegingen hebben, dat is: onrechtvaardige rechters.
heeft God niet
Dat is, hebt gij niet gelezen, of geleerd, verstaan, dat God, enz.
Hertaald:
heeft God niet
Dat is: hebt u niet gelezen, of geleerd en begrepen, dat God, enzovoort.
uitverkoren
Namelijk van eeuwigheid voor de grondlegging der wereld, Ef. 1:4, en in den tijd geroepen.
Hertaald:
uitverkoren
Namelijk van eeuwigheid uitverkoren, vóór de grondlegging van de wereld, Ef. 1:4, en in de tijd geroepen.
de armen dezer
Niet allen, maar meer armen dan rijken; 1 Kor. 1:26.
Hertaald:
de armen dezer
Niet alle armen, maar meer armen dan rijken; 1 Kor. 1:26.
om rijk te zijn
Of om te worden rijk in het geloof, enz. Zie dergelijke wijze van spreken Rom. 8:29; gelijk de volgende woorden deze zin noodzakelijk vereisen.
Hertaald:
om rijk te zijn
Of: om rijk te worden in het geloof, enzovoort. Zie een dergelijke manier van spreken in Rom. 8:29; de volgende woorden vragen deze betekenis noodzakelijk.
des Koninkrijks,
Namelijk der hemelen, en van alle hemelse goederen, hoewel zij de goederen dezer wereld niet hebben.
Hertaald:
des Koninkrijks,
Namelijk het Koninkrijk van de hemel en van alle hemelse goederen, hoewel zij de goederen van deze wereld niet hebben.
die Hem liefhebben?
Namelijk hetzij armen of rijken; hetwelk hij daarbij doet, opdat de rijken niet zouden menen van de verkiezing en dit koninkrijk ten enenmale uitgesloten te wezen.
Hertaald:
die Hem liefhebben?
Namelijk hetzij armen, hetzij rijken. Dat voegt hij eraan toe, opdat de rijken niet zouden menen dat zij van de verkiezing en van dit koninkrijk volkomen uitgesloten zijn.
oneer aangedaan
Namelijk daarmede, dat gij een zodanigen rijke meer eer aandoet, als een gelovigen arme, dien gij veracht.
Hertaald:
oneer aangedaan
Namelijk doordat u zo'n rijke meer eer aandoet dan een gelovige arme, die u veracht.
Overweldigen u
Hij bewijst dat zodanige rijken zulke eer niet waardig zijn, om hunner boosheid wil, dewijl zij de gelovigen geweldig onderdrukken.
Hertaald:
Overweldigen u
Hij bewijst dat zulke rijken die eer niet waardig zijn, vanwege hun boosheid, omdat zij de gelovigen met geweld onderdrukken.
tot de rechterstoelen?
Namelijk om aldaar door schijn van recht, de gelovigen vals te beschuldigen en onbarmhartig te doen veroordelen. Zie Matt. 10:17.
Hertaald:
tot de rechterstoelen?
Namelijk om daar onder de schijn van recht de gelovigen valselijk aan te klagen en onbarmhartig te laten veroordelen. Zie Matth. 10:17.
den goeden naam,
Nnamelijk van den Heere Jezus Christus, den Zoon Gods.
Hertaald:
den goeden naam,
Namelijk de naam van de Heere Jezus Christus, de Zoon van God.
die over u aangeroepen is?
Namelijk als gij in Zijn naam gedoopt zijt. Of naar welken gij toegenaamd zijt, namelijk Christenen; een Hebreeuwse wijze van spreken. Zie dergelijke Gen. 48:16; Jes. 4:1.
Hertaald:
die over u aangeroepen is?
Namelijk toen u in Zijn naam gedoopt bent. Of: naar Wie u genoemd bent, namelijk christenen; dit is een Hebreeuwse manier van spreken. Zie iets dergelijks in Gen. 48:16; Jes. 4:1.
de koninklijke wet
Dat is, de voornaamste en algemene wet, waaronder alle anderen zijn begrepen, gelijk ook een algemene heirbaan een koninklijke weg genoemd wordt, Num. 21:22. Of die God, een Heer en koning over allen, ons voorgeschreven en geboden heeft.
Hertaald:
de koninklijke wet
Dat is: de belangrijkste en algemene wet, waaronder alle andere begrepen zijn, zoals ook een algemene heirbaan een koninklijke weg genoemd wordt, Num. 21:22. Of: de wet die God, een Heer en Koning over allen, ons voorgeschreven en geboden heeft.
volbrengt, naar
Of onderhoudt. Want gesteld zijnde, dat iemand de ganse wet van de liefde des naasten onderhield, en hij den persoon aannam, gelijk gezegd is, zo is hij een overtreder derzelfde wet; daar de liefde van den naaste geen plaats kan hebben, waar de naaste veracht wordt; gelijk in vs.9 verklaard wordt.
Hertaald:
volbrengt, naar
Of: onderhoudt. Want gesteld dat iemand de hele wet van de liefde tot de naaste onderhield en dat hij toch de persoon aanzag zoals gezegd is, dan is hij een overtreder van diezelfde wet. Want de liefde tot de naaste kan geen plaats hebben waar de naaste veracht wordt, zoals in vers 9 verklaard wordt.
den persoon aanneemt,
Namelijk gelijk tevoren is verklaard vs.1,2, enz.
Hertaald:
den persoon aanneemt,
Namelijk zoals eerder verklaard is in vers 1 en 2, enzovoort.
doet gij zonde,
Grieks werkt; dat is, doet een werk dat zonde is, als strijdende tegen de liefde van den naaste.
Hertaald:
doet gij zonde,
Grieks: werkt; dat is: doet een werk dat zonde is, omdat het strijdt met de liefde tot de naaste.
de wet bestraft
Namelijk in vs.8 vermeld.
Hertaald:
de wet bestraft
Namelijk de wet die in vers 8 genoemd is.
wie
Niet dat iemand de gehele wet volmaakt kan onderhouden, maar dit wordt gezegd onder voorwaarde, zo daar iemand ware, of zo iemand daarin roemt, gelijk de jongeling, Matt. 19:20.
Hertaald:
wie
Niet dat iemand de hele wet volmaakt kan onderhouden, maar dit wordt onder voorwaarde gezegd: als er iemand zou zijn die dat deed, of als iemand daarin roemt, zoals de jongeman in Matth. 19:20.
de gehele wet
Namelijk uitgenomen dit ene, waarin hij mistreedt.
Hertaald:
de gehele wet
Namelijk met uitzondering van dat ene punt waarin hij misstapt.
struikelen, die
Dat is, zondigen; een gelijkenis, genomen van degenen, die onder het wandelen of lopen hun voet stoten en vallen; zie hierna Jak. 3:2.
Hertaald:
struikelen, die
Dat is: zondigen. Dit is een vergelijking, genomen van mensen die bij het wandelen of lopen hun voet stoten en vallen; zie hierna Jak. 3:2.
is schuldig
Dat is, heeft zich schuldig gemaakt aan de straf, die de wet tegen de overtreders uitspreekt, Deut. 27:26. Vervloekt is hij, die niet blijft in al, enz. Want die den wetgever durft verachten in het ene, die durft hem ook verachten in het andere; en die één lid van het lichaam kwetst, wordt gezegd het gehele lichaam gekwetst te hebben.
Hertaald:
is schuldig
Dat is: hij heeft zich schuldig gemaakt aan de straf die de wet over de overtreders uitspreekt, Deut. 27:26: vervloekt is hij die niet blijft in alles, enzovoort. Want wie de Wetgever in het ene durft te verachten, durft Hem ook in het andere te verachten; en van wie één lid van het lichaam verwondt, wordt gezegd dat hij het hele lichaam verwond heeft.
Die heeft ook gezegd
Dat is, het is één en dezelfde wetgever, die zo wel het ene heeft verboden als het andere.
Hertaald:
Die heeft ook gezegd
Dat is: het is één en dezelfde Wetgever, Die zowel het ene als het andere verboden heeft.
Spreekt alzo,
Namelijk zonder aanneming van den persoon.
Hertaald:
Spreekt alzo,
Namelijk zonder aanneming van de persoon.
de wet der vrijheid
Dat is, door het Evangelie, waardoor verkondigd wordt, dat wij door Christus vrijgemaakt zijn van de strengheid der wet. Zie tevoren Jak. 1:25, en dies te zwaarder oordeel zullen hebben te verwachten, zo wij deze genade tot onbarmhartigheid misbruiken. Anderen zetten het over: Als die door de wet der vrijheid, dat is, naar de leer van het Evangelie, voortaan uwe broeders zult oordelen, zonder aanneming van den persoon.
Hertaald:
de wet der vrijheid
Dat is: door het Evangelie, waarin verkondigd wordt dat wij door Christus vrijgemaakt zijn van de strengheid van de wet. Zie hiervoor Jak. 1:25. En wij zullen des te zwaarder oordeel te verwachten hebben als wij deze genade tot onbarmhartigheid misbruiken. Anderen vertalen het: als mensen die voortaan door de wet van de vrijheid, dat is: naar de leer van het Evangelie, uw broeders zult beoordelen, zonder aanneming van de persoon.
een onbarmhartig
Dat is, hetwelk niet is verzacht of getemperd met barmhartigheid, of genade van vergeving.
Hertaald:
een onbarmhartig
Dat is: een oordeel dat niet verzacht of getemperd is met barmhartigheid of met de genade van de vergeving.
die geen barmhartigheid
Dat is, die geen liefde tegen zijn naasten zal gepleegd of betoond hebben, waaronder ook zijn degenen, die uit aanneming van den persoon de armen verachten. Zie Mat 25.
Hertaald:
die geen barmhartigheid
Dat is: wie geen liefde tegenover zijn naasten betoond of bewezen zal hebben. Daaronder vallen ook zij die uit aanneming van de persoon de armen verachten. Zie Matth. 25.
de barmhartigheid roemt
Dit verstaan sommigen van de barmhartigheid van God, die tegen het strenge oordeel der wet roemt, als het overwonnen en weggenomen hebbende van alle gelovigen door Christus. Maar de voorgaande woorden schijnen te eisen, dat het verstaan worde van de barmhartigheid des mensen, die hij aan zijn naasten heeft gedaan. Deze roemt, dat is, doet den mens, die ze gedaan heeft, in Christus roemen en zich verblijden, tegen het oordeel der verdoemenis, dat het over hem niet komen zal; daar het zeker is, dat het niet komen zal over de ware gelovigen, Joh. 5:24; Rom. 8:1; 1 Kor. 15:55, en hij door de werken der barmhartigheid en liefde van de waarheid en oprechtheid van zijn geloof is verzekerd; Matt. 25:35; Gal. 5:6.
Hertaald:
de barmhartigheid roemt
Sommigen verstaan dit van de barmhartigheid van God, die roemt tegen het strenge oordeel van de wet, omdat zij dat voor alle gelovigen door Christus overwonnen en weggenomen heeft. Maar de voorgaande woorden lijken te vragen dat het verstaan wordt van de barmhartigheid van de mens, die hij aan zijn naasten bewezen heeft. Die roemt, dat is: zij doet de mens die haar bewezen heeft in Christus roemen en zich verheugen tegenover het oordeel van de verdoemenis: dat het niet over hem zal komen. Want het is zeker dat het niet zal komen over de ware gelovigen, Joh. 5:24; Rom. 8:1; 1 Kor. 15:55; en hij wordt door de werken van barmhartigheid en liefde verzekerd van de waarheid en de oprechtheid van zijn geloof; Matth. 25:35; Gal. 5:6.
Wat nuttigheid is
Namelijk tot des mensen troost en zaligheid.
Hertaald:
Wat nuttigheid is
Namelijk tot troost en zaligheid van de mens.
zegt, dat hij het
Dat is, uiterlijk belijdt en roemt, daar hij inderdaad geen waar geloof heeft.
Hertaald:
zegt, dat hij het
Dat is: uiterlijk belijdt en daarin roemt, terwijl hij in werkelijkheid geen waar geloof heeft.
dat geloof hem
Dat is, zulk een geloof dat zonder de werken is.
Hertaald:
dat geloof hem
Dat is: zulk een geloof dat zonder de werken is.
zalig maken?
Dat is, rechtvaardigen voor God? Hij wil zeggen: Geenszins.
Hertaald:
zalig maken?
Dat is: rechtvaardigen voor God? Hij wil zeggen: volstrekt niet.
zou zeggen
Dat is, de liefde aan hen zou tonen alleen met woorden.
Hertaald:
zou zeggen
Dat is: de liefde aan hen alleen met woorden zou tonen.
wat nuttigheid is dat?
Hij wil zeggen: Gene; noch voor den arme, noch voor dengene die alleen met woorden liefheeft.
Hertaald:
wat nuttigheid is dat?
Hij wil zeggen: geen enkel nut, niet voor de arme en niet voor hem die alleen met woorden liefheeft.
is bij zichzelven dood
Of in zichzelf; dat is, heeft geen nuttigheid tot rechtvaardigmaking; en geen kracht om zalig te maken, niet meer dan een dood lichaam zonder ziel kracht heeft om enige werkingen des levens voort te brengen. Zie vs.26.
Hertaald:
is bij zichzelven dood
Of: in zichzelf; dat is: het heeft geen nut voor de rechtvaardigmaking en geen kracht om zalig te maken, niet meer dan een dood lichaam zonder ziel kracht heeft om enige werkingen van het leven voort te brengen. Zie vers 26.
iemand
Namelijk die het ware en levend geloof heeft, dat werkzaam is door goede werken.
Hertaald:
iemand
Namelijk iemand die het ware en levende geloof heeft, dat werkzaam is door goede werken.
zeggen
Namelijk tot een huichelaar, die zich beroemt in het geloof, en geen goede werken voortbrengt.
Hertaald:
zeggen
Namelijk tegen een huichelaar die zich op het geloof beroemt en die geen goede werken voortbrengt.
Gij hebt het geloof,
Namelijk een geloof dat zonder de goede werken is. Of gij zegt dat gij het geloof hebt. Laat het zo zijn.
Hertaald:
Gij hebt het geloof,
Namelijk een geloof dat zonder de goede werken is. Of: u zegt dat u het geloof hebt; laat dat zo zijn.
ik heb de werken
Dat is, een geloof met de werken, of werkzaam door de goede werken.
Hertaald:
ik heb de werken
Dat is: een geloof met de werken, of een geloof dat werkzaam is door de goede werken.
Toon mij uw geloof
Dat is, welaan, indien gij een waar geloof hebt, gelijk gij roemt en u inbeeldt, toon het door de werken, gelijk een boom door de goede vruchten toont, dat hij een goede boom is; Matt. 7:17-18.
Hertaald:
Toon mij uw geloof
Dat is: welnu, als u een waar geloof hebt zoals u roemt en u inbeeldt, toon dat dan door de werken, zoals een boom door de goede vruchten toont dat hij een goede boom is; Matth. 7:17-18.
uit uw werken, en
Anderen lezen: zonder uwe werken; hetwelk ook een goeden zin heeft. Doch de meeste Griekse boeken hebben uit uwe werken.
Hertaald:
uit uw werken, en
Anderen lezen: zonder uw werken; dat geeft ook een goede betekenis. Maar de meeste Griekse handschriften hebben: uit uw werken.
uit mijn werken
Namelijk als uit de vruchten van een waar geloof en een zeker bewijs daarvan.
Hertaald:
uit mijn werken
Namelijk als uit de vruchten van een waar geloof en als een zeker bewijs daarvan.
mijn geloof tonen
Namelijk dat het een oprecht en waar geloof is.
Hertaald:
mijn geloof tonen
Namelijk tonen dat het een oprecht en waar geloof is.
dat God een enig
Dat is, gij gelooft niet, gelijk de heidenen, dat er vele goden zijn, maar dat er maar één God is, die zich in Zijn Woord geopenbaard heeft; Deut. 6:4; 1 Kor. 8:6.
Hertaald:
dat God een enig
Dat is: u gelooft niet zoals de heidenen dat er veel goden zijn, maar dat er maar één God is, Die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft; Deut. 6:4; 1 Kor. 8:6.
gij doet wel;
Namelijk zo verre, dat gij dit artikel gelooft waarachtig te zijn, gelijk het ook is; maar zodanige kennis en toestemming van de artikelen des geloofs is niet genoeg tot een oprecht en waar geloof. Het bewijs volgt.
Hertaald:
gij doet wel;
Namelijk in zoverre dat u dit artikel voor waar houdt, zoals het ook is. Maar zulke kennis en zulke toestemming met de geloofsartikelen is niet genoeg voor een oprecht en waar geloof. Het bewijs volgt.
geloven het ook,
Dat is, weten en toestemmen ook, dat er maar één God is; en hebben daarom nochtans geen waar geloof.
Hertaald:
geloven het ook,
Dat is: zij weten en stemmen ook toe dat er maar één God is, en toch hebben zij daarom nog geen waar geloof.
zij sidderen
Of beven; namelijk voor het schrikkelijk oordeel van God, waartoe zij bewaard worden, 2 Petr. 2:4; en vertrouwen niet op de genade van God, en zoeken Hem niet als hunnen Vader te dienen.
Hertaald:
zij sidderen
Of: beven; namelijk voor het verschrikkelijke oordeel van God, waarvoor zij bewaard worden, 2 Petr. 2:4. Zij vertrouwen niet op de genade van God en zij zoeken Hem niet als hun Vader te dienen.
wilt gij weten,
Dat is, wilt gij nog klaarder onderwezen worden in dit stuk, ik zal het u nog klaarder bewijzen met de voorbeelden van Abraham en RacHab.
Hertaald:
wilt gij weten,
Dat is: wilt u in dit punt nog duidelijker onderwezen worden? Ik zal het u nog duidelijker bewijzen met de voorbeelden van Abraham en Rachab.
o ijdel mens,
Dat is, gij geveinsde mens, die ijdelijk van het geloof roemt, zonder het met de werken te betonen.
Hertaald:
o ijdel mens,
Dat is: geveinsde mens, die zonder grond op het geloof roemt zonder het met de werken te betonen.
zonder de werken dood is?
Dat is, zo het zonder goede werken is, gelijk vs.17.
Hertaald:
zonder de werken dood is?
Dat is: als het zonder goede werken is, zoals in vers 17.
onze vader,
Dat is, die een Vader is van alle ware gelovigen, Rom. 4:1, Rom. 4:11, Rom. 4:16, wiens geestelijke kinderen derhalve door geen ander geloof gerechtvaardigd worden, dan waardoor Abraham gerechtvaardigd is.
Hertaald:
onze vader,
Dat is: hij die een vader is van alle ware gelovigen, Rom. 4:1, Rom. 4:11, Rom. 4:16, en wier geestelijke kinderen daarom door geen ander geloof gerechtvaardigd worden dan het geloof waardoor Abraham gerechtvaardigd is.
is hij niet uit
Dit schijnt te strijden met hetgeen Paulus zegt Rom 4, en Gal 3; waar hij leert en bewijst, dat Abraham gerechtvaardigd is, niet uit de werken maar door het geloof; hetwelk sommigen zelfs ook van de oude leraars heeft doen twijfelen, of deze zendbrief van Jakobus ook behoort voor Heilige Schrift erkend te worden. Doch als men de zaak wel inziet, zo is er gans geen strijd. Want het oogmerk van Paulus is, te leren tegen de valse apostelen, dat de mens voor God niet wordt gerechtvaardigd door Zijn eigene gerechtigheid, bestaande uit de werken der wet, die wij gedaan hebben, maar alleen door het geloof, dat is, door de gerechtigheid van Christus met het ware geloof aangenomen, Rom. 3:28; Gal. 2:16; Fil. 3:9; Tit. 3:4-5; Hebr. 10:38; en dit bewijst hij met het exempel van Abraham, Rom 4; maar het oogmerk van Jakobus is te leren tegen de mond-christenen, dat het geloof, waardoor wij voor God gerechtvaardigd worden, niet is alleen een kennis met toestemming, of een uiterlijke belijdenis van de artikelen des geloofs, maar ook een vast vertrouwen des harten op de genade Gods in
Hertaald:
is hij niet uit
Dit lijkt te strijden met wat Paulus zegt in Rom. 4 en Gal. 3, waar hij leert en bewijst dat Abraham niet uit de werken, maar door het geloof gerechtvaardigd is. Daardoor hebben zelfs sommige oude leraars getwijfeld of deze brief van Jakobus wel als Heilige Schrift erkend behoort te worden. Maar wanneer men de zaak goed bekijkt, is er helemaal geen strijd. Want het doel van Paulus is om tegen de valse apostelen te leren dat de mens voor God niet gerechtvaardigd wordt door zijn eigen gerechtigheid, die uit de werken van de wet bestaat die wij gedaan hebben, maar alleen door het geloof, dat is: door de gerechtigheid van Christus die met het ware geloof aangenomen wordt, Rom. 3:28; Gal. 2:16; Filipp. 3:9; Tit. 3:4-5; Hebr. 10:38; en dat bewijst hij met het voorbeeld van Abraham, Rom. 4. Maar het doel van Jakobus is anders. Hij leert tegen de mondchristenen dat het geloof waardoor wij voor God gerechtvaardigd worden niet alleen een kennis met toestemming of een uiterlijke belijdenis van de geloofsartikelen is, maar ook een vast vertrouwen van het hart op de genade van God in
is hij niet uit
Christus, hetwelk in de ware gelovigen verwekt en voortbrengt de goede werken, waardoor zij verzekerd worden en voor anderen betonen, dat zij het ware zaligmakende geloof hebben en voor God gerechtvaardigd zijn; en daartoe brengt hij ook hier voor het exempel van Abraham, en bewijst dat zijn geloof, waardoor hij voor God gerechtvaardigd is, zodanig geloof is geweest, en dat zulks vooral blijkt uit dat grote werk des geloofs, als hij zijn zoon Izak heeft willen opofferen. Beide deze leringen zo van Paulus als van Jakobus zijn waarachtig en schriftmatig en strijden geenszins. Daarom, als Jakobus hier zegt dat Abraham gerechtvaardigd is uit de werken, dat is, gelijk hijzelf verklaart, uit dat werk als hij Izak heeft opgeofferd, zo verstaat hij door deze woorden uit de werken, dat Abraham met zijne werken betoond heeft, dat hij een waar en levend geloof had, en dat hij door de goede werken als vruchten daarvan voor God en de mensen betoond heeft, dat hij waarlijk voor God gerechtvaardigd was. Zodat Jakobus het woord gerechtvaardigd niet neemt in die betekenis, gelijk Paulus, als hij spreekt
Hertaald:
is hij niet uit
Christus, dat in de ware gelovigen de goede werken opwekt en voortbrengt. Daardoor worden zij verzekerd en tonen zij aan anderen dat zij het ware zaligmakende geloof hebben en voor God gerechtvaardigd zijn. Daartoe voert ook hij hier het voorbeeld van Abraham aan, en hij bewijst dat het geloof waardoor Abraham voor God gerechtvaardigd is zulk een geloof geweest is en dat het vooral blijkt uit dat grote werk van het geloof, toen hij zijn zoon Izak wilde offeren. Deze beide leringen, zowel die van Paulus als die van Jakobus, zijn waar en schriftuurlijk en zij strijden volstrekt niet met elkaar. Daarom bedoelt Jakobus, wanneer hij hier zegt dat Abraham uit de werken gerechtvaardigd is — dat is, zoals hij zelf verklaart, uit dat werk toen hij Izak offerde — met deze woorden uit de werken dat Abraham met zijn werken betoond heeft dat hij een waar en levend geloof had, en dat hij door de goede werken als de vruchten daarvan voor God en de mensen betoond heeft dat hij werkelijk voor God gerechtvaardigd was. Zo gebruikt Jakobus het woord gerechtvaardigd niet in de betekenis die Paulus eraan geeft wanneer die spreekt
is hij niet uit
van de rechtvaardigmaking des mensen voor God, maar voor een betoning dezer rechtvaardigmaking voor God en de mensen; gelijk hij ook door het woord geloof, als hij ontkent dat wij daardoor alleen gerechtvaardigd worden, vs.24, verstaat een blote toestemming en belijdenis van het christengeloof, dat niet is vergezeld met vertrouwen noch met goede werken, gelijk het ware zaligmakende geloof. Want dat Abraham eigenlijk te spreken, uit dat werk niet voor God is gerechtvaardigd, blijkt klaar uit Gen. 15:6, waar gezegd wordt dat Abraham al enige jaren tevoren, eer hij zijn zoon opofferde, als hij de belofte van dezen zoon geloofde, door het geloof door God gerechtvaardigd is, gelijk hier ook Jakobus betuigt, vs.23.
Hertaald:
is hij niet uit
over de rechtvaardigmaking van de mens voor God, maar voor een betoning van die rechtvaardigmaking voor God en de mensen. Zo bedoelt hij ook met het woord geloof, wanneer hij ontkent dat wij daardoor alleen gerechtvaardigd worden, vers 24, een enkele toestemming met en belijdenis van het christelijke geloof, die niet gepaard gaat met vertrouwen en ook niet met goede werken, zoals het ware zaligmakende geloof dat wel doet. Dat Abraham namelijk, strikt gesproken, niet door dat werk voor God gerechtvaardigd is, blijkt duidelijk uit Gen. 15:6, waar gezegd wordt dat Abraham al enkele jaren voordat hij zijn zoon offerde door het geloof door God gerechtvaardigd is, toen hij de belofte van deze zoon geloofde; zoals Jakobus hier ook betuigt in vers 23.
geofferd heeft
Dat is, heeft willen offeren of bezig was om hem te offeren; welk werk een klaar bewijs was van een oprecht en zeer sterk geloof; Rom. 4:18-20.
Hertaald:
geofferd heeft
Dat is: hem wilde offeren, of ermee bezig was hem te offeren. Dat werk was een duidelijk bewijs van een oprecht en zeer sterk geloof; Rom. 4:18-20.
Ziet gij wel,
Of gij ziet Dan.
Hertaald:
Ziet gij wel,
Of: u ziet dan.
mede gewrocht heeft
Namelijk om krachtig te bewijzen en te betuigen door de goede werken, dat hij voor God gerechtvaardigd was.
Hertaald:
mede gewrocht heeft
Namelijk meegewerkt heeft om door de goede werken krachtig te bewijzen en te betuigen dat hij voor God gerechtvaardigd was.
volmaakt is
Dat is, verklaart en betoont een geloof te zijn, dat al zijn delen had, en volmaakt of oprecht was. Gelijk dit woord volmaakt worden, ook gebruikt wordt voor, volmaakt te zijn bewezen worden; 2 Kor. 12:9.
Hertaald:
volmaakt is
Dat is: het blijkt en wordt betoond een geloof te zijn dat al zijn delen had en dat volmaakt of oprecht was. Zo wordt dit woord volmaakt worden ook gebruikt voor: bewezen worden volmaakt te zijn; 2 Kor. 12:9.
de Schrift is
Dat is, door dat werk heeft hij betoond waarachtig te zijn, hetgeen de Schrift van hem zegt, dat hij door het geloof gerechtvaardigd was, daar uit dit werk blijkt, dat hij het ware rechtvaardigmakende geloof had, en door het geloof voor God gerechtvaardigd is; en hier blijkt ook, dat Jakobus de rechtvaardigmaking voor God eigenlijk niet aan de werken maar aan het geloof, dat door de werken zich betoont, toeschrijft.
Hertaald:
de Schrift is
Dat is: door dat werk heeft hij betoond dat waar is wat de Schrift van hem zegt: dat hij door het geloof gerechtvaardigd was. Want uit dit werk blijkt dat hij het ware, rechtvaardigmakende geloof had en dat hij door het geloof voor God gerechtvaardigd is. Hier blijkt ook dat Jakobus de rechtvaardigmaking voor God eigenlijk niet aan de werken toeschrijft, maar aan het geloof dat zich door de werken betoont.
het is hem tot
Zie de verklaring hiervan Rom. 4:3.
Hertaald:
het is hem tot
Zie de verklaring hiervan bij Rom. 4:3.
hij is een vriend
Deze woorden worden Gen 15, niet gevonden maar de zaak kan genomen worden uit hetgeen gezegd wordt Gen. 22:12, Gen. 22:16, Gen. 22:18, en wordt zo genoemd, 2 Kron. 20:7; Jes. 41:8.
Hertaald:
hij is een vriend
Deze woorden zijn in Gen. 15 niet te vinden, maar de zaak kan opgemaakt worden uit wat gezegd wordt in Gen. 22:12, Gen. 22:16, Gen. 22:18; en zo wordt hij genoemd in 2 Kron. 20:7; Jes. 41:8.
Ziet gij dan nu,
Of gij ziet nu dan; gelijk vs.22.
Hertaald:
Ziet gij dan nu,
Of: u ziet nu dan, zoals in vers 22.
uit de werken gerechtvaardigd
Dat is, gerechtvaardigd te zijn betuigd en bewezen wordt door de goede werken.
Hertaald:
uit de werken gerechtvaardigd
Dat is: dat betuigd en bewezen wordt door de goede werken dat men gerechtvaardigd is.
alleenlijk uit het geloof?
Dat is, niet door zulk een geloof, dat zonder goede werken is, of dat geen goede werken meteen voortbrengt.
Hertaald:
alleenlijk uit het geloof?
Dat is: niet door zulk een geloof dat zonder goede werken is of dat niet tegelijk goede werken voortbrengt.
de hoer,
Zie van dit woord Hebr. 11:31.
Hertaald:
de hoer,
Zie over dit woord Hebr. 11:31.
uit de werken gerechtvaardigd
Zie de verklaring vs.21, en blijkt ook hieruit, daar zij door dit ééne goede werk voor God niet eigenlijk heeft kunnen gerechtvaardigd worden, dat daarom deze woorden oneigenlijk moeten verstaan worden, namelijk dat zij met dit werk betoond heeft dat haar geloof een waar en rechtvaardigmakend geloof was. Zie Hebr. 11:31.
Hertaald:
uit de werken gerechtvaardigd
Zie de verklaring bij vers 21. Ook hieruit blijkt het, omdat zij door dit ene goede werk niet in eigenlijke zin voor God gerechtvaardigd kon worden; deze woorden moeten daarom in oneigenlijke zin verstaan worden, namelijk dat zij met dit werk betoond heeft dat haar geloof een waar en rechtvaardigmakend geloof was. Zie Hebr. 11:31.
de gezondenen
Of boden; namelijk die gezonden waren om het land Kanaän te bespieden.
Hertaald:
de gezondenen
Of: boden; namelijk zij die gezonden waren om het land Kanaän te verkennen.
heeft ontvangen,
Namelijk met vrede, Hebr. 11:31; zonder hen te melden of aan te brengen, maar alle hulp bewijzende.
Hertaald:
heeft ontvangen,
Namelijk met vrede ontvangen, Hebr. 11:31, zonder hen aan te geven of over te leveren, maar door hun alle hulp te bewijzen.
door een anderen weg
Namelijk om het gevaar te ontkomen. Zie Jos 2.
Hertaald:
door een anderen weg
Namelijk om het gevaar te ontkomen. Zie Joz. 2.
zonder geest dood
Dat is, zonder de levendmakende ziel, die het beweegt en werken des levens voortbrengt, gelijk Ps. 104:29; Jes. 2:22; dat is, zonder adem of beweging.
Hertaald:
zonder geest dood
Dat is: zonder de levendmakende ziel, die het beweegt en werkingen van het leven voortbrengt, zoals in Ps. 104:29; Jes. 2:22; dat is: zonder adem of beweging.
het geloof
Dat is, de kennis en toestemming der artikelen des geloofs; of de uiterlijke belijdenis daarvan.
Hertaald:
het geloof
Dat is: de kennis van en de toestemming met de geloofsartikelen, of de uiterlijke belijdenis daarvan.
zonder de werken dood
Dat is, als die niet vergezeld is met de goede werken. Zie vs.17, 20.
Hertaald:
zonder de werken dood
Dat is: wanneer het niet gepaard gaat met de goede werken. Zie vers 17 en 20. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Jakobus stelt de vraag scherp: "wat nuttigheid is het, mijn broeders, indien iemand zegt, dat hij het geloof heeft, en hij heeft de werken niet? Kan dat geloof hem zaligmaken?" (Jak. 2:14). Zelfs de duivelen geloven dat God één is, "en zij sidderen" (Jak. 2:19) — een louter verstandelijk, vruchteloos aannemen van waarheden zonder gehoorzaamheid is dus geen zaligmakend geloof. Als bewijs haalt Jakobus Abraham aan: "is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij Izak, zijn zoon, geofferd heeft op het altaar? Ziet gij wel, dat het geloof mede gewrocht heeft met zijn werken, en het geloof volmaakt is geweest uit de werken? En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend" (Jak. 2:21-23, met Gen. 15:6, reeds behandeld). Conclusie: "een mens uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleenlijk uit het geloof" (Jak. 2:24). Bijbelse betekenis: Dit staat niet tegenover Paulus' leer dat de mens door het geloof alleen, zonder de werken der wet, gerechtvaardigd wordt (Rom. 4:5, reeds behandeld) — beide apostelen gebruiken het woord rechtvaardigen in een andere betekenis. Paulus spreekt over hoe een zondaar vóór God gerechtvaardigd wordt: alleen door het geloof, zonder enig eigen werk als grond. Jakobus spreekt over hoe dat geloof zich bewíjst, vóór mensen en zelfs voor de gelovige zelf. Een écht, levend geloof kan niet zonder vrucht blijven; het toont zich in werken. Zo maakte Abrahams gehoorzaamheid zijn reeds bestaande geloof zichtbaar en "volmaakt", maar zij legde de grond ervan niet. De reformatorisch-baptistische lijn leest dit dus niet als tegenspraak, maar als het onderscheid tussen de wortel en de vrucht. Het geloof rechtvaardigt vóór God; de werken bewijzen dat geloof vóór mensen. Een geloof dat nooit vrucht draagt, was nooit het reddende geloof waarover Paulus spreekt. Typologie: Paulus zelf trekt dezelfde twee zaken samen in één zin: "in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende" (Gal. 5:6, reeds behandeld) — geloof dat werkelijk redt, wérkt altijd door de liefde. Jak. 2:14,17-26; Gen. 15:6; Rom. 4:5; Gal. 5:6 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het koninkrijk niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen uitwerking Jakobus schrijft aan gemeenten waar zich iets afspeelt dat men overal ziet: er komt een rijke binnen en er komt een arme binnen, en men weet meteen wie waar mag zitten. Hij noemt Christus de Heere der heerlijkheid, en zet dat naast twee stoelen in een vergaderzaal. **De titel.** Het hoofdstuk opent met een naam die alles bepaalt: “Mijn broeders, hebt niet het geloof van onzen Heere Jezus Christus, den Heere der heerlijkheid, met aanneming des persoons.” De heerlijkheid — dat is het woord van de wolk boven de tabernakel, van het huis dat vervuld werd, van wat Ezechiël zag vertrekken. Jakobus hangt die naam aan Hem, en gebruikt hem meteen als maatstaf voor de manier waarop men elkaar behandelt. **Het tafereel.** Een man met een gouden ring en een sierlijk kleed, en een arme in slechte kleding. En dan de zitplaatsen: zit gij hier op een eerlijke plaats — sta gij daar, of zit hier onder mijn voetbank. Jakobus noemt dat geen onhandigheid maar rechtspraak: “Hebt gij dan niet in uzelven een onderscheid gemaakt, en zijt rechters geworden van kwade overleggingen?” **De omkering.** “Heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld, om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen des Koninkrijks?” Dat is dezelfde omkering die door de hele koningslijn loopt. De koning werd niet uit het paleis gehaald maar uit het veld. De ereplaatsen in dit koninkrijk gaan niet naar wie ze kan betalen. **De wet die er hoort.** “Indien gij dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven, zo doet gij wel.” Zij heet koninklijk omdat zij van de Koning komt. In een koninkrijk gelden de wetten van de troon, ook in een zaaltje waar men stoelen toewijst. **Waar dit op uitloopt.** Jakobus laat het niet bij een houding. Hij zegt dat geloof zonder werken dood is — en dit hoofdstuk laat zien waar dat begint: niet bij grote daden, maar bij de vraag wie er mag zitten. In het Nieuwe Testament: Leviticus 19:18; 1 Samuël 16:7; Lukas 6:20; Deuteronomium 10:17; Mattheüs 22:39; Exodus 40:34 Hoever dit reikt: De titel Heere der heerlijkheid staat er zelf. Dat het woord heerlijkheid naar de tegenwoordigheid van God in het Oude Testament wijst, is een gevolgtrekking; Jakobus werkt dat niet uit. De koninklijke wet wordt door hem aangewezen als het gebod uit Leviticus 19.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jakobus 2
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De Heere der heerlijkheid en de koninklijke wet — 2:1-5, 8
Wat betekenen de niveaus?


Jakobus 2
Jakobus 2:17. KruisverwijzingenJakobus 2:26→Jakobus 2:19→1 Timotheüs 1:5→Jakobus 2:14→2 Petrus 1:5→1 Korinthe 13:13→1 Korinthe 13:3→1 Thessalonicenzen 1:3→
— Alzo ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelven dood.
Wedergeboorte is het oude nieuw maken. Het is het inbrengen van een nieuwe natuur in een mens. De nieuwe geboorte maakt de mens tot een nieuw schepsel in Christus Jezus. Maar kan een nieuw schepsel zonder bekering, goede werken, persoonlijk gebed, liefdadigheid, of enige vorm van heiligheid zijn? De nieuwe geboorte zou een belachelijke zaak zijn, als zij niet werkelijk een haat tegen de zonde en een liefde tot de heiligheid voortbracht.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
II. Vs. 1-26.KruisverwijzingenMattheüs 5:3→Leviticus 19:18→Johannes 7:24→Lukas 12:21→Spreuken 24:23→Leviticus 19:15→2 Korinthe 8:9→Jakobus 1:12→
— Mijn broeders, hebt niet het geloof van onzen Heere Jezus Christus, den Heere der heerlijkheid, met aanneming des persoons. Want zo in uw vergadering kwam een man met een gouden ring aan den vinger, in een sierlijke kleding, en er kwam ook een arm man in met een slechte kleding; En gij zoudt aanzien dengene, die de sierlijke kleding draagt, en tot hem zeggen: Zit gij hier op een eerlijke plaats; en zoudt zeggen tot den arme: Sta gij daar; of: Zit hier onder mijn voetbank; Hebt gij dan niet in uzelven een onderscheid gemaakt, en zijt rechters geworden van kwade overleggingen? Hoort, mijn geliefde broeders, heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld, om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen des Koninkrijks, hetwelk Hij belooft dengenen, die Hem liefhebben? Maar gij hebt den armen oneer aangedaan. Overweldigen u niet de rijken, en trekken zij u niet tot de rechterstoelen? Lasteren zij niet den goeden naam, die over u aangeroepen is? Indien gij dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven, zo doet gij wel; Maar indien gij den persoon aanneemt, zo doet gij zonde, en wordt van de wet bestraft als overtreders. Want wie de gehele wet zal houden, en in een zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle.
Terechtwijzing van de lezers, hoe zij kunnen menen geloof te bezitten, terwijl zij aan de ene zijde waarde hechten aan uiterlijke kenmerken van mensen en aan de andere zijde zich geheel ontslaan van de werken van het geloof. Aan het einde van het vorige hoofdstuk had de apostel vermaand zich onbesmet te bewaren van de wereld, als datgene waarin de onbevlekte godsdienst bestond. In aansluiting daarop spreekt hij nu hier over een besmetting van de godsdienst, die de gemeenten aan wie hij schrijft, in praktijk brengen. Zij behandelen toch hun Joodse volksgenoten, wanneer deze als gasten hun godsdienstige vergaderingen bezoeken, op zeer verschillende wijze al naar gelang de persoon, daar zij de rijken geen eer genoeg weten te bewijzen en daarentegen de armen zo minachtend en terugstotend mogelijk behandelen. Zij bedenken in het geheel niet dat zij door hun vleierijen de eersten niet voor het koninkrijk van God zullen winnen en de anderen, die er niet ver meer van zijn, wegdrijven. Door dat aanzien des persoons bezondigen zij zich tegen de wet van God, in plaats van, zoals hun plicht was, het koninklijk gebod van liefde jegens de naaste te volbrengen, zodat zij zich aan de ene zijde schuldig maken ten opzichte van de hele wet en aan de andere zijde het onbarmhartige oordeel van de wet over zich heen halen, dat bestemd is voor degenen die geen barmhartigheid hebben gedaan Zo is de apostel weer gekomen op de barmhartigheid, waarvan hij zegt dat die tegen het oordeel roemt. Zo heeft hij een aansluiting gevonden bij dat gedeelte van zijn vermaning aan het slot van het vorige hoofdstuk, waarin hij als zuivere godsdienst heeft genoemd het bezoeken van weduwen en wezen in hun verdrukking. Ook in dit opzicht was het zeer kwalijk gesteld met de bedoelde gemeenten; onder de moeilijkste omstandigheden zond men de armen en nooddruftigen heen met vrome woorden, in plaats van zich hulpvaardig over hen te ontfermen. Men vertrouwde op een dood geloof zonder er aan te denken dat een dood, werkeloos geloof niet tot zaligheid kon leiden. Men beroemde zich op het abstracte monotheïsme tegenover de heidenen, zelfs tegenover hen aan wie God bekering had gegeven ten leven en die zich nu vruchtbaar betoonden in goede werken. Daarom was het noodzakelijk dat Jakobus juist de stelling waaraan Luther zich zo zeer geërgerd heeft en waarom hij zijn brief een strooien brief heeft genoemd, met nadruk uitsprak: “de mens wordt door de werken, niet door het geloof alleen rechtvaardig” (vs. 14-26).
Mijn broeders, houdt het geloof in onze Heere Jezus Christus, de Heere van de heerlijkheid (1 Kor. 2: 8) vrij van aanzien des persoons, want geloven en aanzien des persoons hebben, gaat niet elkaar gepaard. a)
Lev. 19: 15 Deut. 16: 19 Spr. 24: 23 MATTHEUS. 22: 16
Wat in de vorige afdeling werd besproken had zijn aanleiding in hetgeen de christenen uiterlijk overkomt; nu volgt eerst een vermaning die het gedrag betreft jegens mensen die van buiten tot hen komen. Hoe de christen het eerste moet dragen was daar, hoe hij dit moet beschouwen, is hier de inhoud van de vermaning; onafgebroken geduld eist hij daar, onpartijdige liefde hier.
“Zichzelf onbesmet bewaren van de wereld, ” was het einde van het vorige gedeelte; iets van wereldsgezindheid nu is het aanzien des persoons, d. i. de waardering van een persoon naar zijn aardse bezit, tijdelijke macht en daaruit voortvloeienden invloed. De wereld schat dat hoog en men begrijpt wel dat en waarom zij de rijke hoger schat dan de arme, de machtige hoger dan de machteloze; maar men begrijpt niet hoe zij, die de Heere Jezus Christus, die door armoede en nederigheid tot heerlijkheid werd verheven, tot grond, inhoud en doel van hun leven hebben gemaakt, zich in dit opzicht aan de wereld gelijk kunnen stellen en toch gebeurt het en niemand onder ons kan zich van deze besmetting met wereldsgezindheid vrijpleiten. Vgl. Luk. 14: 12-14
Want, om u hier een geval voor te houden waarvan ik wel weet dat het bij voorkomende gelegenheden de regel van uw gedrag is, stel dat in uw godsdienstige vergadering, om die te bezoeken, een man binnenkwam met een gouden ring aan de vinger, in sierlijke, schitterende kleding en er kwam ook als gast om aan uw godsdienstoefening deel te nemen en te horen wat er gepredikt wordt, een arm man binnen in schamele kleding, die van behoefte en gebrek getuigt (Luk. 14: 21 en 23).
En gij zoudt opzien tegen degene die de sierlijke kleding draagt, uw blikken vol belangstelling op hem richten en tot hem zeggen: “gij zijt ons een hoogst welkom persoon, ga hier op een goede plaats zitten, hier vooraan. ” En gij zoudt zeggen tot de arme, alsof hij voor u een onbelangrijk persoon was en gij hem zo verachtelijk mogelijk behandelen wilde om hem niet te laten terugkomen: “ga gij daar achterin staan” of “wilt gij werkelijk dichtbij ons zitten, neem dan hier plaats onder mijn voetbank, want een andere plaats hebben wij voor u niet. “
Als gij zo handelt, hebt gij dan niet in tegenspraak met Gods Woord een onderscheid gemaakt onder elkaar, daar toch voor Hem allen gelijk zijn en zijt gij niet, in plaats van uzelf te laten oordelen door Gods Woord (vs. 12) rechters geworden die zich door kwade overwegingen laten leiden?
Het geval dat Jakobus in vs. 2v. beschrijft, is wat de zaak betreft niet een hypothese, maar een feit, niet een bijzonder feit dat slechts eens is voorgekomen, maar het gewone gedrag van hen aan wie hij schrijft. De hele voorstelling, zowel het “als in uw vergadering kwam” als ook van het aanwijzen van zit- en staanplaatsen getuigt ervan dat met vergadering hier de vergaderplaats bedoeld is waar de christelijke gemeente voor de godsdienstoefening samenkwam. In de grondtekst gebruikte de apostel daarvoor het woord (synagoge), waarmee ook de godshuizen van de Joden werden aangeduid Lu 4: 15, omdat hij sprak over de joods-christelijke gemeenten in de verstrooiing, die hun godsdienstige instellingen vormden naar het voorbeeld van de joodse diaspora en zo op gelijke wijze het verband met hun volk vasthielden als de Jeruzalemse gemeente door het bezoeken van de tempel naast hun bijzondere vergaderingen in verschillende huizen Ac 2: 43. Zonder twijfel was het centrale punt van deze gemeenten in de verstrooiing de stad Antiochië in Syrië. Daar had zich spoedig na de vervolging die na de dood van Stefanus de gemeente te Jeruzalem trof, een christelijke gemeente gevormd en deze, hoewel daarnaast ook een gemeente uit de Grieken ontstond en tengevolge daar van de naam christen in gebruik kwam (Hand. 11: 19vv.), zag zich genoodzaakt een eigen synagoge op te richten, waartoe zij echter de Joden vrije toegang vergunde. In haar godsdienstige samenkomsten kwamen dan net als te Efeze enz. (1 Kor. 14: 23) nog volksgenoten die buiten de gemeente stonden, in het voor ons liggend geval dus nog onbekeerde Joden, deels om te spioneren en het een of ander op te vangen, om het christelijk geloof te smaden en te lasteren (ongelovigen zoals Paulus ze in de eerder aangehaalde tekst noemt), deels om dit geloof, waartoe zij reeds een zekere begeerte voelden, verder te leren kennen en zich tenslotte daarbij aan te sluiten. Uit vs. 5-7 blijkt dat het laatste vrij zeker als bedoeling bij de armen, het eerste daarentegen bij de rijken moest worden verondersteld. Maar “met echt Joods respect voor het geld” behandelde men juist de laatsten met bijzondere zorg, terwijl de eersten met minachting werden behandeld. Jakobus beschrijft een situatie waarin de arme en de rijke op hetzelfde moment de vergadering zijn binnengekomen; maar alleen de laatste met zijn gouden ringen en zijn kleding die van welvaart getuigde, heeft de aandacht getrokken. Men heeft de rijke vooraan een geschikte zitplaats aangeboden, de arme daarentegen heeft de persoon die de rijke zo ontving, slechts de keuze gelaten of hij in een afgelegen hoek, waar ruimte is, staan wil of dat hij, indien hij er de voorkeur aan geeft in de nabijheid te blijven en te zitten, aan de voetbank van hem die hem ontvangt, op de grond wil gaan zitten. Dit is de geschetste situatie, die niet gebaseerd is op fantasie, maar ontleend is aan de werkelijkheid. In vs. 4 volgt dan zonder twijfel de nazin, waarbij echter de woorden van de grondtekst (terwijl er verschil van mening over bestaat of het “en” aan het begin van het vers mede in de tekst hoort of niet) aan de uitleggers nogal wat moeilijkheden geven. De apostel wil zijn lezers erover laten nadenken dat de Joden wel in hun synagogen zo’n onderscheid maken tussen rijken en armen, voornamen en geringen (MATTHEUS. 23: 6), maar dat voor de christenen allen even dierbaar moeten zijn, dat zij hen zo mogelijk voor de Heere moeten winnen. Wij oordelen volgens verkeerde gedachten als de bekering van een rijke ons belangrijker lijkt dan die van een arme. Wij redeneren dan op de wijze van de wereld en zullen tenslotte de hele zaak bederven. De rijke die wij vleien, zal met moeite het koninkrijk van de hemelen binnengaan (MATTHEUS. 19: 23vv.), maar voor de arme die wilde binnengaan, sluiten wij het door onze minachtende en terugstotende behandeling moedwillig toe (MATTHEUS. 23: 13).
a) Hoort, mijn geliefde broeders! Heeft God niet de armen van deze wereld uitverkoren om rijk te zijn (Luk. 12: 21; 2 Kor. 8: 9 in het geloof, in goederen die men in geloof bezit (1 Kor. 1: 5) Efeze. 1: 3vv.) en erfgenamen te zijn van de toekomstige heerlijkheid van het koninkrijk (Luk. 22: 29), dat Hij b) belooft aan degenen die Hem liefhebben? (hoofdstuk 1: 9, 12; 1 Kor. 1: 26v.
Joh. 7: 48 b) Ex. 20: 6: 1 Sam. 2: 30 Spr. 8: 17 MATTHEUS. 5: 3
Maar gij hebt door het gedrag dat ik zojuist heb beschreven, de armen smadelijk behandeld (1 Kor. 11: 22). Overweldigen u daarentegen niet de rijken, van wie ternauwernood een enkele het rijk van God binnengaat en trekken zij u niet, zoals de tegenwoordige omstandigheden u doen zien, voor de rechtbank, juist omdat gij belijders zijt van Jezus Christus? (hoofdstuk 5: 1vv. Ezechiël. 18: 16 Wijsh. 2: 10 MATTHEUS. 18: 28vv.).
Lasteren zij niet als ongelovigen en spotters, als vijanden en tegenstanders (Luk. 16: 14; 1 Kor. 12: 3; 1 Tim. 1: 13; 1 Petrus 4: 14 en 16; 2: 12; 3: 16), de goede naam (Fil. 2: 9v. Hand. 4: 12) die over u aangeroepen is, de naam van onze Heere Jezus Christus, de Heere van de heerlijkheid? (vs. 1 Hand. 11: 26).
Later (vs. 8vv.) zal de apostel de lezers doen bedenken dat zij zich bezondigen door hun gedrag, als zij armen, omdat zij arm zijn, met minachting behandelen en rijken, omdat zij rijk zijn, voortrekken (“gij hebt in uzelf onderscheid gemaakt en zijt rechters geworden met kwade overleggingen” vs. 4). In de eerste plaats geeft hij hen te bedenken wat hen van zo’n gedrag moest afhouden; hij berispt hen dus om het feit dat zij onbedachtzaam handelen en dat brengt hij hen onder het oog door hen even vriendelijk als ernstig toe te roepen: “hoort, mijn geliefde broeders! “
Deze gemeenten bestonden grotendeels uit armen, die door de rijke en aanzienlijke Joden (onder wie zij woonden en van wie zij in het maatschappelijk leven afhankelijk waren) onderdrukt werden. Toch kan hier niet gedacht worden aan eigenlijke
godsdienstvervolgingen, maar aan verdrukkingen en afpersingen van andere aard (in die overigens reeds moeilijke tijd). Aan de andere kant was de toestand van deze gemeenten van dien aard dat bij velen het christendom alleen in de erkenning van Jezus als Messias bestond en in de bijzondere zedenwetten, die zij als de volmaking van de wet beschouwden. Meegesleept door de indruk die de predikers en het hele werk van de verkondigers van het evangelie op hen maakten, aangetrokken ook door de hoop dat Jezus spoedig zou terugkomen en een rijk van heerlijkheid op aarde zou stichten, waarvan zij de gelukzaligheid op hun wijze schilderden, beleden velen het christendom zonder dat een wezenlijke verandering in hen had plaatsgehad.
Indien gij dan werkelijk in uw gedrag ten opzichte van hen die buiten zijn (Kol. 4: 5; 1 Thessalonicenzen. 4: 12 wet volbrengt, die alle geboden van de tweede tafel in zich bevat (Gal. 5: 14 Rom. 13: 8vv.), naar de schrift, naar het woord in Lev. 19: 18 : a) “Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf, ” dan doet gij goed. Wanneer gij werkelijk zo handelde jegens allen, zoals men uit uw gedrag (vs. 2v.) zou kunnen opmaken; als men ziet hoe voorkomend gij sommige bezoekers van uw vergaderingen behandelt en troost, hoe gij tot hen zegt: “zit gij hier op een goede plaats, ” dan hoeft gij ook de vijanden en tegenstanders daarvan niet uit te sluiten (MATTHEUS. 5: 44v.).
MATTHEUS. 22: 39 Mark. 12: 21 Efeziers 5: 2
Maar indien gij met aanzien des persoons handelt, zoals dat is wanneer gij u zo ten opzichte van de rijken gedraagt en om hun rijkdom, die u in de ogen steekt, daarentegen jegens de armen des te onbeleefder zijt, dan doet gij zonde en wordt door de wet bestraft als overtreders. Gij wordt dan behandeld als overtreders, omdat de wet toch uitdrukkelijk het aanzien des persoons verbiedt (Lev. 19: 15 Deut. 1: 17 en 16: 19.
Ik druk mij niet te sterk uit als ik u voorstel als overtreders, zonder er op te letten dat hier slechts van overtreding van één enkel gebod sprake was. a) Want wie de hele wet houdt (gesteld dat dit inderdaad eens het geval was en niet slechts in een inbeelding, hoewel bij nauwkeuriger beschouwing nog wel menig ander gebrek zou worden gevonden) (Mark. 10: 20), maar in één van de vele geboden struikelt, die is schuldig geworden aan allen; ook tegen alle overige geboden heeft hij door overtreding van het ene misdaan.
Deut. 27: 26 MATTHEUS. 5: 19 Gal. 3: 10
Want Hij die, volgens de opeenvolging van de geboden, zoals de Griekse vertaling van het Oude Testament die rangschikt (Mark. 10: 19 Rom. 13: 9), in de eerste plaats gezegd heeft: a) “gij zult geen overspel plegen, ” die heeft ook onmiddellijk daarop gezegd: “gij zult niet doden. ” Indien gij nu geen overspel pleegt en dus dat eerste gebod houdt, maar wel doodt en zo dat tweede gebod overtreedt, dan zijt gij een overtreder, niet slechts van een enkel gebod, maar van de hele wet geworden.
Ex. 20: 14 MATTHEUS. 5: 27
Zoals er slechts één Wetgever is, van wie elk bijzonder gebod is uitgegaan, de levende God, zo is in Hem ook de hele wet één. Wie een steen van het gebouw afbreekt, werkt mee aan het verval van het geheel. Wie dus zondigt tegen één gebod, overtreedt zowel dit als de wet zelf. Overal waar, ook in de christelijke kerk, een farizese denkwijze is aangenomen, daar ontstaat steeds de neiging om de eenheid en ondeelbaarheid van de goddelijke wet in de kleinste geboden te miskennen. Door dode werkheiligheid, door een overspannen onderhouden van willekeurige menselijke instellingen meent men zich te kunnen ontslaan van zwaardere, gewichtigere geboden (Vgl. MATTHEUS. 23: 23). Daarom moeten wij van de apostel leren ook dergelijke gering schijnende overtredingen als de hier berispte te beschouwen als een kwetsing van het koninklijke hoofdgebod van de liefde. Zo wordt dan alle roem voor God te schande, die wij zo graag willen bouwen op het onderhouden van zo vele enkele plichten.
De wet is als het ware een kleed dat geheel gescheurd wordt, als gij er één stuk uitneemt; het is als de harmonie van de muziek, die geheel bedorven wordt als slechts één stem vals klinkt.
Wie één deel van de wet overtreedt, bezondigt zich tegen Hem die de hele wet gegeven heeft als uitdrukking van Zijn wil en hij wordt dus een misdadiger tegen de wet in het algemeen. Zo ernstig moeten de lezers de zonde beschouwen, die zij begaan doordat zij op onrechtvaardige wijze alleen om uiterlijke voorrechten de één boven de ander stellen en zij mogen het niet licht opnemen als een enkele zaak, die bij hen die verder aan de wet voldoen weinig te betekenen heeft.
Spreekt zo en doet zo niet alleen in dit hier aangehaalde bijzondere geval, maar in het algemeen in alle omstandigheden en toestanden van uw leven (Kol. 3: 17), namelijk als mensen die (1 Kor. 9: 26) door de wet van de vrijheid zullen geoordeeld worden (hoofdstuk 1: 25) en die daarom deze wet zo nauwkeurig mogelijk willen waarnemen.
a) Want en bedenkt dat wel, om in het vervolg nooit meer een dergelijk gedrag als gij jegens de arme had (vs. 6), te betonen, een onbarmhartig oordeel, een oordeel dat de barmhartigheid niet meer laat gelden, waardoor men toch alleen voor het verderf kan bewaard blijven, zal gaan over degene die geen barmhartigheid gedaan heeft (MATTHEUS. 9: 3; 12: 7; 18: 35; 25: 41vv.) en dat, nogmaals, de barmhartigheid roemt
tegen het oordeel. Waar men deze in het hart heeft en in het leven beoefent, hoeft men niet bang te zijn voor de veelbetekenende beslissing van de jongste dag, maar kan men die met goed vertrouwen tegemoet zien (MATTHEUS. 5: 7; 1 Kor. 4: 3v. Tob. 4: 12)
MATTHEUS. 6: 15 Mark. 11: 25 Luk. 16: 25
Een christen die de wet van de vrijheid, d. i. de wet in haar nieuwe, boven het “moeten” verheffende macht, door Zijn van God geschonken kracht kent, die het innerlijke van het hart omkeert, de liefde tot hartslag en levenspols heeft en die weet en bedenkt dat hij daarnaar eens zal worden geoordeeld, die weet ook tevens welke eis hieruit voor zijn hele gedrag voortvloeit. Zo iemand kan zich nu niet tevreden stellen met een gedeeltelijk vervullen van de wet, die zal zijn overtreden niet proberen te verontschuldigen, maar hij moet ernaar streven dat de wet van de vrijheid, die hem een vrij leven geeft door de wedergeboorte (hoofdstuk 1: 18), de ziel van zijn handelen wordt.
Hoe grotere vrijheid deze wet geeft, hoe strenger en nauwkeuriger die ter harte moet worden genomen.
Van een zoon die groot geworden is en vrijheid heeft verkregen, eist men meer dan van een jong kind; in spreken en handelen ziet men minder door de vingers. Zo is het ook als men tot de staat van de genade is gekomen, dat men zich door het gebod van de liefde, door de wet van Christus, die alle aanzien des persoons wegneemt, moet laten leiden. Een beker koud water, aan een arme gegeven omdat hij Christus toebehoort, kan volgens de wet van de vrijheid rijke vergelding verkrijgen en een verzuim in het geringste kan bij hen die in Christus geloven treurige gevolgen hebben. De schuld van 10. 000 ponden is het niet die een knecht zo’n oordeel berokkent, maar wel het verzuim dat hij niet de ontferming heeft betoond die hij had ondervonden, maar dat hij op zijn recht bleef staan. Het hoeven juist niet ten hemel schreiende onbarmhartigheden te zijn waarmee men zich een onbarmhartig oordeel op de hals haalt, maar ook zo’n staan op zijn recht, waarbij men zich niet de handelwijze van God tot richtsnoer stelt, zoals hij zich over ons heeft ontfermd, kan ons reeds in het oordeel van de onbarmhartigheid storten.
De liefde van het geloof verleent hem die ze in zich heeft en overal betoont, het bewustzijn dat Hij vanuit de dood in het leven is overgegaan (1 Joh. 3: 14).
Waar de kracht van de goddelijke genade en ontferming een mensenhart heeft aangegrepen en naar haar eigen wezen heeft gevormd, waar een mensenhart zich doordrongen voelt van het wezen van de eeuwige liefde, daar vervallen alle verschrikkingen van het oordeel. De Vader ziet Zijn beeld in het kind, Zijn werk in de verloste en Zijn beeld en Zijn werk kan en wil Hij niet verwerpen en al willen ook nog vele gebreken en verkeerdheden aanklagend tegen hem optreden, zij worden in de schaduw geplaatst door de grondtrek van het vernieuwde wezen.
Wat baat het, mijn broeders, indien iemand zegt, van zichzelf beweert of voorgeeft dat hij het geloof heeft in God (vs. 19) en Zijn woord voor waar en voor de enige weg van de zaligheid houdt (Rom. 2: 17vv.) en hij heeft toch de werken niet waardoor het zich als levend en krachtig moet betonen (MATTHEUS. 7: 26vv. Joh. 7: 17)? Kan dat geloof, als het zo blijft en onvruchtbaar blijkt te zijn, hem zalig maken, zodat hij zich veilig voelen mag voor het oordeel van God (vs. 13) en hem dus baten?
De apostel heeft in het vorige gedeelte gewaarschuwd tegen een voortrekken van de rijke en een minder achten van de arme, dat met het geloof in de heerlijkheid van Christus geenszins overeenstemt en daaraan maakten gelovigen zich in hun vergaderingen ten opzichte van niet-christenen die hun vergadering kwamen bijwonen, schuldig, zonder te bedenken dat zij zich daardoor bezondigden tegen de wet die in het gebod van de liefde lag opgesloten en hierdoor onder het oordeel van de wetgever vielen, voor wie alleen de barmhartige liefde veilig is. Als hij nu verder gaat: “wat baat het, mijn broeders” dan ziet men dadelijk na deze woorden dat hij over iets zal spreken dat in tegenstelling tot de barmhartige liefde niet beveiligt tegen het oordeel.
Jakobus heeft hiervoor het aanzien des persoons bestraft en de daaruit voortvloeiende liefdeloze achterplaatsing van de arme. Hij wijst er nu op dat de geloofsroem zonder de werken van het geloof, die in de liefde zijn opgesloten, een ijdele, nietige, vruchteloze roem is: “Wat baat het”, zo begint hij hier, “indien iemand zegt dat hij het geloof heeft en hij heeft de werken niet? Kan dat geloof hem zalig maken? Het geloof dat iemand voorgeeft te bezitten, is natuurlijk het ware, echte geloof, want niemand zal zich op een vals, onecht geloof beroemen; als de apostel nu zegt dat het geloof geen redding brengt aan hem die zich op zijn geloof beroemt, dan spreekt vanzelf dat hij daarmee het echte geloof bedoelt, dat iemand voorgeeft te bezitten, maar toch niet in werkelijkheid bezit. Daarin ligt opgesloten dat het ware, echte geloof de zaligheid zeker teweegbrengt, maar dat dit zich in werken moet openbaren. Zo is tevens in de ontkenning in dit eerste vers van ons gedeelte, die schijnbaar met Gal. 2 en 3 Rom. 3 en 4 tegenspraak is, namelijk dat de belijdenis van het geloof niet voldoende is tot behoud, tevens indirect de Paulinische leer ingesloten, dat het werkelijk bezitten van het geloof tot zaligheid voldoende is, maar dat voor het werkelijk aanwezig zijn ervan de werken als getuigenis vereist worden.
a) Indien nu, om u verder te doen zien hoe het geloof zonder werken ook voor anderen niet nuttig is, indien een broeder of zuster geen kleding zou hebben, onvoldoende bekleed (Luk. 3: 11) zou zijn en gebrek zou hebben aan dagelijks voedsel (MATTHEUS. 6: 11 Luk. 11: 3),
1 Joh. 3: 17
en iemand van u tot hen zou zeggen, als zij hem om hulp in hun nood vragen, zoals dan ook werkelijk dergelijke voorbeelden van hulpbehoevende geloofsgenoten in deze zo moeilijke tijd Jas 1: 2 bij u worden gevonden: “gaat heen in vrede, ontvangt mijn beste wensen op uw verdere weg (Hand. 16: 36 Richt. 18: 6), wordt warm en wordt verzadigd, want God zal raad geven, zodat gij middelen en wegen daartoe vindt” en gij zoudt hun niet van het nodige voor het lichaam voorzien, wat baat dat? (1 Joh. 3: 17v. Rom. 12: 13).
Zo is het ook met het geloof, indien het de werken niet heeft, is op zichzelf dood; het is wat zijn innerlijk wezen aangaat slechts mondgeloof en niets dan schijngeloof, dat zichzelf logenstraft en de erenaam niet waardig is, die het zichzelf geeft.
Jakobus heeft hier een mens op het oog die uiterlijk met het woord van de waarheid instemt, die er daarom aanspraak op maakt gelovig te zijn en op grond daarvan zich de rechten van een gelovige aanmatigt, maar wiens leven geen spoor van innerlijke vernieuwing vertoont, die de werken uit de wet van de vrijheid nalaat-wij zouden zeggen een dode orthodoxe. Wat hij nu over zijn geloof denkt, wijst hij hun aan door een treffende parallel. Hij waardeert het evenveel als een liefde, die tegenover de nood geen feitelijke hulp, maar alleen vriendelijke woorden heeft. Een liefde, die alleen woorden heeft en geen daden, is zonder leven; van een geloof dat alleen woorden heeft en geen werken is hetzelfde waar, het is zonder leven. Waar geloof grijpt het leven van God aan, christelijk geloof de zaligheid en het leven van God in Christus. Waar dit leven woont, ontwikkelt het zich naar buiten; waar zich geen leven vertoont, daar is ook geen leven. Dit vermeende geloof is geen geloof, omdat het dood is.
Als de apostel zo het geloof, waaraan de werken ontbreken, dood noemt, dan kon het zeker zijn bedoeling niet zijn dat de werken die het openbaren, die de bewijzen ervan zijn, dat geloof pas levend zouden maken, dat in deze het leven van het geloof zou bestaan, maar hij moest veronderstellen dat het ware geloof het leven reeds vanzelf in zich bezit, het levensprincipe reeds in zich heeft, waaruit dan de werken moesten voortkomen en dat dit in de werken te zien is. Het ontbreken van de werken was voor hen zo een bewijs van gebrek aan leven in het geloof en daarom noemt hij dit een dood geloof.
Maar zoals het in zichzelf dood is, zo is ook het geloof als het geen werken heeft, voor anderen van zeer twijfelachtige aard. Zo zal misschien iemand zeggen tot u, die op het geloof roemt en op hen die gij niet als uw gelijken beschouwt met een zekere minachting neerziet: “gij hebt het geloof dat als een zaak van het hart in het binnenste verborgen is en ik, die gij voor een ongelovige houdt, heb de werken, duidelijk zichtbaar voor ieders oog. Toon mij nu, zodat ik het als werkelijk aanwezig zal erkennen en niet als voorgewend zal beschouwen, uw geloof uit uw werken, want alleen daardoor wordt het voor mij kenbaar en ik zal u uit mijn werken mijn geloof, waarvan gij het aanwezig zijn ontkent, tonen, zodat gij voortaan zult moeten erkennen dat ik geen ongelovige ben.
En evenals het bestaan van uw geloof zonder de werken voor anderen zeer twijfelachtig is, zo is uw geloof zonder werken voor uzelf tevens van zeer twijfelachtige waarde. Gij gelooft dat God een enig God is en zijt als jood tegenover de heidenen trots op zo’n geloof (Rom. 2: 17). Gij doet daar goed aan, want dat is de grond van alle ware godsdienst in onderscheid van het heidens bijgeloof (Deut. 6: 4; 1 Kor. 8: 4 ; de duivelen (1 Kor. 10: 20) geloven het echter ook en zij sidderen voor het oordeel van God, waaraan zij zijn overgegeven. Hun geloof maakte dus zo weinig zalig dat het integendeel voor hen die bron van ontzaglijke pijn is.
Geven deze beide verzen voor een juist verstaan geen geringe bezwaren, voor de uitleg worden de moeilijkheden nog groter door het onderscheid van lezing in de grondtekst, daar de tweede helft van vers 18 naar andere handschriften zou luiden: “toon mij uw geloof zonder de werken (hoe wilt gij dat doen)? dan zal ik u uit mijn werken het geloof tonen (dat gij in mij niet wilt erkennen)”. Het lijkt ons dat onder “iemand” niet de eerste de beste moet worden verstaan, maar een zekere vertegenwoordiger van de christenen uit de heidenen, te midden van wie de lezers zich bevonden en die zij om hun vroeger heidendom minachtten en niet wilden erkennen als gelijk aan hen die vanaf hun jeugd monotheïsten waren. Toch werden bij de heidenen, nadat zij in God waren gaan geloven, goede werken gevonden (Tit. 3: 8). Zij ontfermden zich vooral in die tijd van nood, toen vele van de christenen uit de Joden de lijdende broeders met vrome woorden wegzonden (vs. 14vv.), over de behoeften van de heiligen (Hand. 11: 29v.) en Paulus en Barnabas konden ook in andere opzichten over hun godzalige wandel roemen (Hand. 15: 3, 12). Jakobus verwijst later bij zijn uiteenzettingen nog uitdrukkelijk naar de christenen uit de heidenen, als hij in vs. 25 nog het voorbeeld van de hoer Rachab aanhaalt; hij geeft dus tegenover hen reeds hier zijn mening, die wij hem enige jaren later op het apostolisch concilie zien uiteenzetten (Hand. 15: 13vv.). Ja, in vergelijking met de heidenen die tot Christus waren bekeerd, van wie God de harten door het geloof heeft gereinigd (Hand. 15: 9), hebben de nog ongelovige Joden volgens zijn woorden zo weinig reden om nog verder op hun monotheïsme te pochen dat zij integendeel reden zouden hebben om voor die God te sidderen, in wie zij zeggen te geloven. Dit geeft hij hen te bedenken in hetgeen hij in vs. 19 zegt; want hij noemt hier een zuiver joodse geloofstelling, zonder daaraan in het minst een christelijke kleur te geven. Bij hoofdstuk 5 zullen wij nader behandelen hoe hij ertoe kom, ook de nog ongelovige Joden meerdere malen in zijn brief aan te spreken. Daardoor wordt zijn brief tot een zendingsrede aan de Joden in een tijd, waarin met de stichting van een bijzondere christelijke kerk uit de heidenen te Antiochië en met de uitzending van Paulus en Barnabas tot het werk waartoe de Heere hen geroepen heeft, het rijk van God nu reeds zeer beslissende stappen deed om zich van de Joden tot de heidenen te wenden. Nemen wij aan, zoals de laatste tijd de meeste uitleggers doen, dat onze brief van Jakobus aan de christelijke gemeenten uit de Joden te Antiochië, Syrië en Cilicië en nog in de eerste jaren van de apostolische tijd Jas 1: 1 geschreven is, dan blijkt uit onze tekst in verband met hetgeen wij bij vs. 4 hebben uiteengezet, dat de christelijke gemeente te Antiochië, die uit Grieken bestond, wel dadelijk in het begin een zelfstandige plaats innam ten opzichte van die die uit de Joden was ontstaan. Dat is ook zeer natuurlijk als men van de heidenen, die zich tot Christus bekeerden, niet eens verlangde dat zij eerst proselieten van de poort, laat staan van de rechtvaardigheid Le 17: 9 werden. Het laatste nu eisten later de Judaïsten uit Jeruzalem, Jakobus bracht het echter op het apostolische concilie in het jaar 50 zover dat alleen iets overeenkomstig het eerste de bekeerde heidenen in die gemeenten werd opgelegd (Hand. 15: 1vv.). Evenals hij daar samen met de overige apostelen en oudsten van Jeruzalem “de broeders uit de heidenen die te Antiochië en Syrië en Cicilië zijn, heil wenst, zo doet hij het hier aan de twaalf stammen die in de verstrooiing zijn” (hoofdstuk 1: 1) in dezelfde woorden en met dezelfde uitdrukking in de grondtekst (cairein), waaruit wij kunnen opmaken dat de christenen zich daar werkelijk in twee gemeenten splitsten, waarvan de ene bestond uit christenen uit de Joden, die op Joodse wijze leefden en de andere uit christenen uit de heidenen, die, zoals Paulus in Gal. 2: 4 zich uitdrukt, op heidense wijze leefden. Die anderen nu onderscheidden zich door hun werken, die zij in geloof volbrachten, daar zij niet alleen de collecte, in Hand. 11: 29v. vermeld, tot stand brachten, maar ook in moeilijke tijden het zendingswerk trouw verrichtten. De eersten daarentegen pochten op het joods monotheïsme en stelden zich tevreden met een dood geloof zonder werken, waarover Jakobus hen bestraft, niet zonder duidelijk te wijzen op het voorbeeld van de andere door hen gering geachte gemeente.
Maar wilt gij weten, o ijdel mens, die u op uw geloof beroemt zonder toch de daaruit voortkomende werken in uw leven te kunnen aanwijzen (vs. 18), dat het geloof zonder de werken dood is? Welaan, dan zal ik u van deze in vs. 17 uitgesproken waarheid uit de Schrift overtuigen.
Is Abraham, onze vader, (Rom. 4: 1) niet uit de werken gerechtvaardigd, is hij niet door de daad bewezen (Gen. 44: 16) een rechtvaardige te zijn, waarvoor God hem om zijn geloof had verklaard (Gen. 15: 6), toen hij Izaak, zijn zoon, geofferd heeft op het altaar? (Gen. 22: 9-12).
Ziet gij wel dat zijn geloof samenwerkte met zijn werken, daar dit hem ertoe dreef en ertoe bekwaam maakte en het geloof bij hem volmaakt is geworden door de werken, tot volmaking is gekomen, zodat nu van geloof in de volle betekenis van het woord sprake kan zijn? (1 Joh. 2: 5).
En het schriftwoord werd ook door de werken vervuld, zodat haar getuigenis als volkomen overeenkomstig de waarheid moet worden erkend, namelijk het schriftwoord dat daar zegt (Gen. 15: 6): “En Abraham geloofde God en dit geloof, waarvan is bewezen dat het als het erop aan kwam ook de zwaarste proef niet te zwaar zou achten, is hem tot rechtvaardigheid gerekend” (Rom. 4: 3 Gal. 3: 6) en hij werd, toen hij later de zwaarste geloofstest feitelijk had doorstaan, een vriend, een geliefde van God genoemd (2 Kron. 20: 7 Jes. 41: 8).
Met “o ijdel mens” spreekt de apostel in vs. 20 in verstoordheid hem aan die zegt dat hij geloof heeft, maar geen werken heeft en stelt hem daarmee voor als een mens, aan wie ontbreekt wat hij moest hebben als hij zijn mocht waarvoor hij wilde worden gehouden, want dit betekent het woord dat voor “ijdel” in de grondtekst is gebruikt, zowel waar het van personen als waar het van zaken gezegd wordt. Hij geeft er zich voor uit dat hij in zijn geloof heeft wat een mens moet hebben om voor God te bestaan en toch heeft hij het niet en daarvan moet hij nu, zoals de vraag “wilt gij weten? ” zegt, als hij bewijs verlangt, overtuigd worden. Het moet hem worden bewezen dat het geloof zonder werken dood, zonder vruchten (2 Petrus 1: 8) is.
Deze stelling nu en geen andere moet in hetgeen volgt worden bewezen, zoals ook blijkt uit het feit dat deze stelling, na in vs. 21-25 door het voorbeeld van Abraham en Rachab bewezen te zijn, in vs. 26 terugkeert als nu bewezen en als afsluiting van de hele deductie nogmaals wordt genoemd. Wij zullen dus al dadelijk geen ander bewijs kunnen verwachten dan dit: dat Abraham, de vader van de gelovigen, bij wie toch het ware wezen van het geloof zichtbaar worden moest door zijn werken, niet maar een dood schijngeloof, maar een waarachtig, levend geloof betoond heeft. Geeft Abraham het bewijs dat alleen het geloof dat met werken gepaard gaat het ware, levende geloof is, dan is daardoor omgekeerd ook bewezen dat het geloof zonder werken in zichzelf dood is. Juist ten opzichte van Abraham was er een woord van de Schrift of een godsspraak, dat de tegenstanders die op het geloof zonder werken steunden, voor zich zouden aanhalen, namelijk dat hem zijn geloof tot rechtvaardigheid was gerekend. Jakobus erkent dit in vs. 23 zelf: het beste bewijs dat hij in de leer van de rechtvaardiging alleen door het geloof (Rom. 3: 28) met Paulus overeenstemt. Hij moest echter de tegenstanders tonen dat dit geloof van Abraham, waardoor alleen de rechtvaardiging zijn deel was geworden en hij dus ook zalig geworden was, geen dood schijngeloof, niet slechts theoretische kennis en instemming, maar waar, levend geloof was. Dus moest het wezen van het geloof van Abraham nader worden aangewezen, hetgeen in vs. 21 en 22 geschiedt. Het moest worden voorgesteld als een geloof dat zich werkzaam betoonde, waaruit echter geenszins volgt dat het hem om deze werkzaamheid heeft gerechtvaardigd.
“Ziet gij wel dat zijn geloof samenwerkte met zijn werken. ” Waaraan samenwerkte? Misschien aan de rechtvaardiging voor God, zodat Abraham pas na de werken volbracht te hebben een rechtvaardige voor God zou zijn geweest? Had Jakobus dat bedoeld, dan had hij moeten veronderstellen dat God de mens slechts zo kent als hij zich in het uiterlijke betoont. Hij had dan niet de alwetendheid van een God, die in het binnenste ziet, die de gezindheid kent, voordat deze zich openbaart, kunnen aannemen. Maar even zeker als hij dit deed, zo zeker moest hij er ook van overtuigd zijn dat voor het oog van God het geloof dat zich in zulke werken van zelfverloochening betoonde, reeds als het ware, rechtvaardigende voorkwam. Daar hij echter van het standpunt van het menselijk bewustzijn sprak, er slechts op lette hoe de zaak zich openbaart, drukte hij zich zo uit, namelijk met de woorden dat geloof en werken tot rechtvaardiging moesten samenwerken. Zo ook, als hij zegt, dat in de werken het geloof “volmaakt is geweest, ” dan kon hij niet bedoelen dat de werken het geloof volmaakten, maar alleen dat het geloof zich als volkomen in de werken openbaarde.
Terwille van de duidelijkheid kan de zin “en de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt enz. ” negatief zo worden omgekeerd: indien Abraham zijn geloof niet metterdaad had bevestigd, dan zou dat woord van de Schrift niet zijn vervuld, dat dan zoveel is als: zijn geloof zou hem niet tot rechtvaardigheid zijn gerekend, als het niet van zo’n aard was geweest, als het zich later heeft betoond.
Voor Abraham dus nog iets welbehagelijks voor God volbracht had, werd hem zijn geloof tot gerechtigheid gerekend, zoals Jakobus hier eenstemmig met Paulus leert. Maar zijn geloof was daarom niet dat dode voor waar houden, dat zich in strijd met ons hart als met geweld aan ons opdringt, het was veelmeer een geloof dat zich in kinderlijk vertrouwen en zelfverloochenende liefde jegens God werkzaam betoont. Hij gaf zijn zoon over nadat hij reeds aangaande hem de belofte ontvangen had. In dit en in andere werken werd zijn geloof bewezen en voltooid. Het geloof werkte daarin mee, d. i. het zette Abraham aan; het bezielde hem bij deze werken; in dit werk bleek dat het geloof alleen hem reeds tot gerechtigheid kan gerekend worden, omdat het namelijk de bron van alle goede daden is.
Het geloof waarmee Abraham de belofte van God aannam, wijst reeds op de latere gehoorzaamheid (vgl. Hebr. 12: 25 en 19) en de goddelijke toerekening van zijn geloof tot gerechtigheid wijst op de rechtvaardigverklaring, die hem later door God na het betonen van zijn gehoorzaamheid is gegeven (vs. 21 Gen. 22: 16).
Ziet gij dan nu dat, zoals in vs. 21 in de eerste plaats ten opzichte van Abraham werd gezegd, een mens uit de werken gerechtvaardigd wordt en niet, zoals velen onder u menen, alleen uit het geloof, zodat het voldoende zou zijn dit te hebben en men de werken dan zou kunnen nalaten? (vs. 18).
En evenzo ook, om hier nog bij te voegen waarom ik het zo-even van Abraham gezegde tot de mensen in het algemeen uitbreid, Rachab, de hoer, die onder deze naam in onderscheid van Abraham onze vader (vs. 21) een roemvolle plaats in de heilige geschiedenis inneemt (Hebr. 11: 31), is zij niet uit de werken gerechtvaardigd en gered van het verderf, dat alle anderen trof (Joz. 6: 25), toen zij de boodschappers ontving en langs een andere weg liet weggaan als waarlangs zij in haar huis waren gekomen? (Joz. 2: 1vv.).
Want zoals het lichaam zonder geest, zonder adem, dat kenteken van het aanwezig zijn van leven (Gen. 6: 17 Openbaring 11: 11; 13: 15), dood is, zo is ook het geloof zonder de daarmee overeenkomende werken dood; alleen door de werken kan blijken dat het werkelijk aanwezig is (vs. 20).
De apostel heeft hiervoor bewezen wat hij wilde bewijzen aan hem die zei dat hij geloof had, zonder dat hij werken had; hij verlaat hem nu, zoals hij zich ook pas in de loop van zijn uiteenzetting tot hem heeft gericht en wendt zich in vs. 24 weer tot zijn lezers in het algemeen, voor wie hij in vs. 14 de uiteenzetting is begonnen; want zij moeten weten hoe het met zo’n geloof gesteld is, opdat zij niet zouden denken dat dat enige betekenis heeft.
In vs. 25 stelt hij naast het voorbeeld van Abraham dat van Rachab. Tegenover het verkeerde joodse standpunt dat de heidin alleen door een leeg geloof in de enige God liet rechtvaardig worden, stelt hij op de voorgrond dat dit geloof zich moest openbaren door werken die voortkwamen uit een gezindheid die omwille van Gods eer alle wereldse berekeningen verachtte.
Als hij in vs. 26 zijn uiteenzetting besluit met de woorden “zoals het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder de werken dood, ” dan kan het woord dat in de grondtekst voor “geest” staat, eigenlijk niet “geest” betekenen, omdat het beeld onjuist zou zijn; want de geest is wat het lichaam levend maakt, maar de werken zijn niet wat geloof bevordert, maar omgekeerd, zij worden door het geloof levend gemaakt. Wel is het ademen het kenteken van het levend zijn van het lichaam, evenals de werken als het ware als de ademhaling van het geloof het kenteken zijn van het levend zijn van het geloof.
Onze tekst toont aan dat in de gemeenten, waaraan de apostel schrijft, een farizees pochen op het geloof in de zin van enkel rechtzinnigheid veelvuldig aanwezig was, evenals, overeenkomstig dat Joods vertrouwen op het kindschap van Abraham (Joh. 8: 33), een toepassing van de waarheid van de rechtvaardiging die de lezers uit Gen. 15: 6 en Habakuk. 2: 4 wel bekend was en zoals die met de farizese gezindheid overeenkwam. Deze legde aan de ene kant de nadruk op werken, d. i. zekere uiterlijke vrome verrichtingen en aan de andere kant nog meer op de rechtzinnigheid, waarbij de waarlijk goede werken, de vervulling van Gods geboden, vooral van de hoogste wet van de liefde, achterbleef. Zoals Paulus nu aanleiding had om tegen die eerstgenoemde kant van het farizeïsme te strijden, zo streed Jakobus tegen die tweede. Uit niets blijkt dat het de paulinische leer van de rechtvaardiging of het misbruik ervan is, waartegen onze schrijver zich hier wendt. Het is bovendien ook moeilijk voor te stellen dat deze leer van de apostel uit de heidenen juist in christelijke gemeenten uit de Joden vroeg weerklank had gevonden. Alles wijst veel meer op de joods-christelijke toestanden, die in de vroegste tijd vóór het optreden van Paulus waren ontstaan als echt joodse gewassen in deze gemeenten.
Degenen die de schrijver als zijn tegenstanders zag, waren christenen uit de Joden, die, evenals zij enkele minder belangrijke geboden gering achtten en hun overtreding daarvan voor onverschillig hielden, zo ook tegenover de heidenen zich beroemden op hun geloof in één God en door dat voorrecht hun gemis aan werkdadige liefde wilden bedekken. Het één en het ander werd bij de Farizeeën aangetroffen, zoals in het bijzonder blijkt uit MATTHEUS. 5: 17 en Rom. 2: 17 Daarentegen heeft Jakobus geen leerlingen van Paulus op het oog, zelfs niet hen die hem verkeerd zouden begrepen hebben en ook niet hen aan wie Paulus de woorden in de mond legt: zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneme? Zo gewoon voor Jakobus de leer was van Gods vrije genade (hoofdstuk 1: 18; 2: 5), zo vreemd was haar juiste gebruik en ook haar misbruik voor zijn farizese tegenstanders en de tot hen overhellende christenen. Het geloof dus dat hij hier als niet zaligmakend beschrijft, is niet het vertrouwen op Christus’ verdienste, op Gods genade in Hem; het is een ijdele, krachteloze verstandsovertuiging dat er één God is, een geloof waarop de ongelovige Joden van die tijd zich tegenover de heidenen zo beroemden. Het christendom had de aandacht van allen, ook van de Joden, op de vraag van het toekomstig oordeel gevestigd en op die van de rechtvaardiging voor God in het gericht. Hier nu ontkent Jakobus dat zo’n geloof als dat van de Farizeeën voor God rechtvaardigen kan. Voor God rechtvaardig en zalig maken kan slechts een geloof dat zich ontwikkelt en voltooit in werken van liefde en vertrouwen op God. Wat hij geloof noemt zonder werken is eigenlijk in het geheel geen geloof, evenmin als een liefde die zich niet in liefdesbetuigingen openbaart, liefde is. De kern van de leer van de apostel in dit gedeelte zou men dus als volgt kunnen samenvatten: is er waarachtig geloof in het hart van de mens, dan blijkt dit uit de werken van vertrouwen en liefde jegens God. Deze werken zijn voor het geloof noodzakelijk om zich daardoor als waarachtig geloof te betonen en zich te onderscheiden van schijngeloof. In deze werken komt het geloof pas geheel tot leven en voltooiing. Een geloof dus dat niet tot daad wordt, een geloof dat zonder naar die gehoorzaamheid te streven als louter verstandsinzicht waarde voor God wil hebben, is in zichzelf dood. Maar onjuist is het wanneer men de apostel de leer zou willen toedichten dat de goede werken uit een andere bron voortkomen dan het geloof, namelijk uit de liefde en dat door de werken het geloof, hoezeer dood in zichzelf, pas waarlijk levend zou worden. Veeleer is de verhouding tussen geloof en werken een omgekeerde, net zoals die tussen lust en zonde (hoofdstuk 1: 14, 15). De leerwijze van Jakobus is daarom wel verschillend van die van Paulus, maar zij is daarmee niet in strijd. Paulus leert dat het geloof alleen rechtvaardig maakt voor God, zonder de werken van de wet, die naast of boven het geloof de mens voor God verdienstelijk zouden kunnen maken. En datzelfde leert ook Jakobus wanneer hij aantoont dat het geloof uit de werken moet blijken en zich levend openbaren, omdat toch alleen het geloof deze werken doet. Wat daarom in de werken leeft en wat ze bezielt, is alleen het geloof. De werken zijn werken van het geloof. Zonder geloof zouden zij zelf dood zijn. Worden wij door de werken gerechtvaardigd (vs. 21, 25), dan geschiedt dit niet om de werken, waar omwille van het geloof dat ze voortbrengt. Zelfs die leer kan men dus niet aan Jakobus toeschrijven, dat het geloof niet rechtvaardig maakt, maar de uit het geloof volbrachte werken; want een geloof dat in zichzelf dood is, is in het geheel geen geloof. Maar Paulus bestrijdt een dode werkheiligheid, Jakobus de farizese naam, die op enkel verstandsbegrippen steunt.
Maar is Jakobus hier niet in strijd met Paulus? Dat meende de grote kerkhervormer Luther en daarom verwierp hij deze brief. Dat menen ook anderen. En zij menen het niet zonder schijn van reden. Jakobus toch verklaart hier uitdrukkelijk dat het geloof zonder werken ons niet kan zalig maken, dat het op zichzelf zonder werken dood is, dat Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, dat het geloof meewerkte met zijn werken, dat het uit de werken volmaakt werd, dat zijn voorbeeld duidelijk leert dat een mens uit de werken gerechtvaardigd wordt en dat wij hetzelfde bij Rachab zien, terwijl Paulus even stellig zegt dat uit de werken van de wet geen vlees voor God zal gerechtvaardigd worden, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken van de wet, dat Abraham niet uit de werken, maar uit het geloof gerechtvaardigd is, dat hij, namelijk Paulus en zijn medegelovigen, in de wetenschap dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken van de wet, maar door het geloof van Jezus Christus, in Christus Jezus geloofd hadden, opdat zij zouden gerechtvaardigd worden door het geloof in Christus en niet uit de werken van de wet, omdat uit de werken van de wet geen vlees gerechtvaardigd zal worden, dat allen die uit de werken van de wet zijn, onder de vloek zijn. Is het niet alsof Jakobus de leer van Paulus, althans het misbruik dat sommigen van haar zullen gemaakt hebben, opzettelijk bestrijdt? Noch het een, noch het ander hoeven wij aan te nemen: het eerste niet omdat hij zeer goed wist dat Paulus, evengoed als hij op vruchten van het geloof, op heiligmaking en liefde aandrong en zijn geloof in zijn werken overvloedig openbaarde; en ook het laatste niet, omdat wij hiervoor niet voldoende grond in zijn onderwijs vinden en de verderfelijke dwaling die hij bestrijdt werkelijk niet uit misverstand of misbruik van Paulus’ leer hoeft verklaard te worden, maar uit de aard van hen aan wie hij schreef, kan zijn voortgesproten. Doch het gaat hier slechts om een verschil in de vorm en de wijze van voorstelling, dat zich gemakkelijk laat verklaren, deels uit het karakter en de vorming van Jakobus en Paulus, deels en vooral uit de denkwijze van hen aan wie zij schreven en uit het doel van hun schrijven. Paulus had te doen met Joden en joodsgezinde christenen, die door de werken van de wet geheel of gedeeltelijk voor God gerechtvaardigd wilden worden, zodat er voor het geloof geen of slechts een kleine plaats overbleef en het evangelie al zijn waarde verloor; Jakobus daarentegen met christenen die met hun zogenaamd geloof tevreden waren en zich om de beoefening van het christendom in hun wandel niet bekommerden. Daarom stelt de eerste de noodzaak van het geloof en de laatste die van de werken in helder licht. Als Paulus beweert dat wij niet uit de werken van de wet, maar door het geloof gerechtvaardigd worden, dan bedoelt hij de werken die aan het geloof voorafgaan en het overtollig maken en het geloof dat leven in zich heeft, dat al de vermogens en krachten van de mens in werking brengt, zijn wil ten goede ombuigt, het leven dat het in zich heeft, naar buiten openbaart en door de liefde ijverig is in alle goede werk; en als Jakobus het tegendeel schijnt te beweren, dan spreekt hij van werken die op het geloof moeten volgen, eruit moeten voortvloeien en de echtheid van het geloof openbaren en dan bedoelt hij, overeenkomstig de dwaling van hen die hij bestrijdt, een geloof dat in zichzelf dood is en de naam van geloof niet verdient te dragen, dat slechts in het hoofd, niet in het hart woont en, daar het geen leven in zich heeft, ook geen leven naar buiten openbaart. Paulus ijvert tegen werken zonder geloof, Jakobus tegen geloof zonder werken; Paulus tegen werkheiligheid, Jakobus tegen werkeloosheid; Paulus tegen het streven van de mens om door werken de zaligheid te verdienen, Jakobus tegen het waanidee dat geloven zonder werken voldoende zou zijn om voor God gerechtvaardigd te worden. Hij kende net als Paulus een geloof dat leeft en het leven, dat het in zich heeft, naar buiten openbaart, zoals ook blijkt uit het feit dat hij tegen een dood geloof waarschuwt en als hij te doen had gehad met hen tegen wie Paulus schreef, dan zou hij, evenzeer als deze apostel, de ontoereikendheid van de werken voor de zaligheid aangewezen en op geloof in Jezus Christus aangedrongen hebben, terwijl Paulus, als hij het wanbegrip waartegen Jakobus waarschuwt, had moeten bestrijden, evenzeer als de broeder van de Heere, hoewel misschien in een andere vorm, het onvoldoende karakter van zo’n geloof in het licht gesteld en tot het voortbrengen van vruchten van het geloof ten krachtigste aangespoord hebben, zoals hij dit laatste ook doet in al zijn brieven. Er is dus geen strijd tussen de een en de ander. Beiden hebben zich door wijsheid laten besturen in de voorstelling van de waarheid, overeenkomstig de verschillende behoeften van hun lezers. Laten wij ons daarom houden aan het onderwijs van beiden en vaststaan in de overtuiging dat wij door onze werken de zaligheid niet kunnen verdienen; maar ook dat wij zonder werken voor het genot van de zaligheid geen vatbaarheid hebben; dat wij zalig worden uit Gods genade door het geloof in Jezus Christus, maar ook dat hij die in Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, noodzakelijk vruchten van dankbaarheid voortbrengt! En laat ons daarnaar handelen!
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel