Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
VerblijdH8055 u nietH408, o IsraelH3478! totH413 opspringensH1524 toe, gelijk de volkenH5971; wantH3588 gij hoereertH2181 van uw GodH430 af; gij hebt hoerenloonH868 liefH157, opH5921 alleH3605 dorsvloerenH1637 des korensH1715.
Verblijd u niet, o Israel! tot opspringens toe, gelijk de volken; want gij hoereert van uw God af; gij hebt hoerenloon lief, op alle dorsvloeren des korens.
KJV
Rejoice2
not, O Israel,3
for joy,5
as other people:6
for thou hast gone a whoring8
from thy God,10
thou hast loved11
a reward12
upon every cornfloor.15
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
De dors vloerH1637 en de wijnkuipH3342 zal henlieden nietH3808 voedenH7462; en de mostH8492 zal hun liegenH3584.
De dors vloer en de wijnkuip zal henlieden niet voeden; en de most zal hun liegen.
KJV
The floor1
and the winepress2
shall not feed4
them, and the new wine5
shall fail
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Zij zullen in des HEERENH3068 landH776 nietH3808 blijven; maar EfraimH669 zal weder tot EgypteH4714 kerenH7725, en zij zullen in AssyrieH804 het onreineH2931 etenH398.
Zij zullen in des HEEREN land niet blijven; maar Efraim zal weder tot Egypte keren, en zij zullen in Assyrie het onreine eten.
KJV
They shall not dwell2
in the LORD'S4
land;3
but Ephraim6
shall return5
to Egypt,7
and they shall eat10
unclean9
things in Assyria.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Zij zullen den HEEREH3068 geenH3808 drankofferenH5258 doen van wijnH3196, ook zouden zij Hem nietH3808 zoetH6149 zijn, hun offerandenH2077 zouden hun zijn als treurbroodH205; allenH3605, die dat zouden etenH398, zouden onreinH2930 worden; wantH3588 hun broodH3899 zal voor hun zielH5315 zijn, het zal in des HEERENH3068 huisH1004 nietH3808 komenH935.
Zij zullen den HEERE geen drankofferen doen van wijn, ook zouden zij Hem niet zoet zijn, hun offeranden zouden hun zijn als treurbrood; allen, die dat zouden eten, zouden onrein worden; want hun brood zal voor hun ziel zijn, het zal in des HEEREN huis niet komen.
KJV
They shall not offer2
wine4
offerings to the LORD,3
neither shall they be pleasing
unto him: their sacrifices8
shall be unto them as the bread9
of mourners;10
all that eat13
thereof shall be polluted:14
for their bread16
for their soul17
shall not come19
into the house20
of the LORD.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WatH4100 zult gijlieden dan doenH6213 op een gezettenH4150 hoogtijdsdagH3117, en op een feestdagH2282 des HEERENH3068?
Wat zult gijlieden dan doen op een gezetten hoogtijdsdag, en op een feestdag des HEEREN?
KJV
What will ye do2
in the solemn4
day,3
and in the day5
of the feast6
of the LORD?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
WantH3588 zietH2009, zij gaanH1980 daarhenen vanwege de verstoringH7701; EgypteH4714 zal ze verzamelenH6908, MofH4644 zal ze begravenH6912; begeerteH4261 zal er zijn naar hun zilverH3701, netelenH7057 zullen hen erfelijkH3423 bezitten, doornenH2336 zullen in hun tentenH168 zijn.
Want ziet, zij gaan daarhenen vanwege de verstoring; Egypte zal ze verzamelen, Mof zal ze begraven; begeerte zal er zijn naar hun zilver, netelen zullen hen erfelijk bezitten, doornen zullen in hun tenten zijn.
KJV
For, lo, they are gone3
because of destruction:4
Egypt5
shall gather them up,6
Memphis7
shall bury8
them: the pleasant9
places for their silver,10
nettles11
shall possess12
them: thorns13
shall be in their tabernacles.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
De dagenH3117 der bezoekingH6486 zijn gekomenH935, de dagenH3117 der vergeldingH7966 zijn gekomen; die van IsraelH3478 zullen het gewaarH3045 worden; de profeetH5030 is een dwaasH191, de manH376 des geestesH7307 is onzinnigH7696; om de grootheidH7230 uwer ongerechtigheidH5771 is de haatH4895 ook grootH7227.
De dagen der bezoeking zijn gekomen, de dagen der vergelding zijn gekomen; die van Israel zullen het gewaar worden; de profeet is een dwaas, de man des geestes is onzinnig; om de grootheid uwer ongerechtigheid is de haat ook groot.
KJV
The days2
of visitation3
are come,1
the days5
of recompence6
are come;4
Israel8
shall know7
it: the prophet10
is a fool,9
the spiritual13
man12
is mad,11
for the multitude15
of thine iniquity,16
and the great17
hatred.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
De wachterH6822 van EfraimH669 is metH5973 mijn GodH430, maar de profeetH5030 is een vogelvangersstrikH6341, opH5921 alH3605 zijn wegenH1870, een haatH4895 in het huisH1004 zijns GodsH430.
De wachter van Efraim is met mijn God, maar de profeet is een vogelvangersstrik, op al zijn wegen, een haat in het huis zijns Gods.
KJV
The watchman1
of Ephraim2
was with my God:4
but the prophet5
is a snare6
of a fowler7
in all his ways,10
and hatred11
in the house12
of his God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Zij hebben zich zeer diepH6009 verdorvenH7843, als in de dagenH3117 van GibeaH1390; Hij zal hunner ongerechtigheidH5771 gedenkenH2142, Hij zal hun zondenH2403 bezoekenH6485.
Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gibea; Hij zal hunner ongerechtigheid gedenken, Hij zal hun zonden bezoeken.
KJV
They have deeply1
corrupted2
themselves, as in the days3
of Gibeah:4
therefore he will remember5
their iniquity,6
he will visit7
their sins.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Ik vondH4672 IsraelH3478 als druivenH6025 in de woestijnH4057, Ik zagH7200 uw vaderenH1 als de eerste vruchtH1063 aan den vijgeboomH8384 in haar beginselH7225; maar zij gingenH935 in tot Baal-PeorH1187, en zonderdenH5144 zich af tot die schaamteH1322, en werdenH1961 gans verfoeilijkH8251 naar hun boelerijH157.
Ik vond Israel als druiven in de woestijn, Ik zag uw vaderen als de eerste vrucht aan den vijgeboom in haar beginsel; maar zij gingen in tot Baal-Peor, en zonderden zich af tot die schaamte, en werden gans verfoeilijk naar hun boelerij.
KJV
I found3
Israel4
like grapes1
in the wilderness;2
I saw8
your fathers9
as the firstripe5
in the fig tree6
at her first time:7
but they went11
to Baalpeor,12
and separated14
themselves unto that shame;15
and their abominations17
were according as they loved.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Aangaande EfraimH669, hunlieder heerlijkheidH3519 zal wegvliedenH5774 als een vogelH5775; van de geboorteH3205, en van moeders buikH990, en van de ontvangenisH2032 af.
Aangaande Efraim, hunlieder heerlijkheid zal wegvlieden als een vogel; van de geboorte, en van moeders buik, en van de ontvangenis af.
KJV
As for Ephraim,1
their glory4
shall fly away3
like a bird,2
from the birth,5
and from the womb,6
and from the conception.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Ofschoon zij hun kinderenH1121 mochtenH1431 groot maken, Ik zal er hen toch van berovenH7921, dat zij onder de mensenH120 niet zullen zijn; want ookH1571, weeH188 hun, als Ik van hen zal gewekenH5493 zijn!
Ofschoon zij hun kinderen mochten groot maken, Ik zal er hen toch van beroven, dat zij onder de mensen niet zullen zijn; want ook, wee hun, als Ik van hen zal geweken zijn!
KJV
Though they bring up3
their children,5
yet will I bereave6
them, that there shall not be a man7
left: yea, woe10
also to them when I depart
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
EfraimH669 is, gelijk als Ik TyrusH6865 aanzagH7200, dieH834 geplantH8362 is in een liefelijke woonplaatsH5116; maar EfraimH669 zal zijn kinderenH1121 moeten uitbrengenH3318 totH413 den doodslagerH2026.
Efraim is, gelijk als Ik Tyrus aanzag, die geplant is in een liefelijke woonplaats; maar Efraim zal zijn kinderen moeten uitbrengen tot den doodslager.
KJV
Ephraim,1
as I saw3
Tyrus,4
is planted5
in a pleasant place:6
but Ephraim7
shall bring forth8
his children11
to the murderer.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
GeefH5414 hun, HEEREH3068! WatH4100 zult Gij geven? GeefH5414 hun een misdragendeH7921 baarmoederH7358, en uitdrogendeH6784 borstenH7699.
Geef hun, HEERE! Wat zult Gij geven? Geef hun een misdragende baarmoeder, en uitdrogende borsten.
KJV
Give1
them, O LORD:3
what wilt thou give?5
give6
them a miscarrying9
womb8
and dry11
breasts.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
AlH3605 hun boosheid is te GilgalH1537, wantH3588 daarH8033 heb Ik ze gehaatH8130, om de boosheid van hun handelingenH4611; Ik zal ze uit Mijn huisH1004 uitdrijvenH1644, Ik zal ze voortaanH3254 nietH3808 meer liefhebbenH160; alH3605 hun vorstenH8269 zijn afvalligenH5637.
Al hun boosheid is te Gilgal, want daar heb Ik ze gehaat, om de boosheid van hun handelingen; Ik zal ze uit Mijn huis uitdrijven, Ik zal ze voortaan niet meer liefhebben; al hun vorsten zijn afvalligen.
Ook in dit vers
boosheidH7451
boosheidH7455
KJV
All their wickedness2
is in Gilgal:3
for there I hated6
them: for the wickedness8
of their doings9
I will drive them out11
of mine house,10
I will love14
them no more:13
all their princes16
are revolters.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
EfraimH669 is geslagenH5221, hunlieder wortelH8328 is verdordH3001, zij zullen geen vruchtH6529 voortbrengenH6213; jaH1571, ofschoon zij genereerdenH3205, zo zal Ik toch de gewensteH4261 vruchten van hun buikH990 dodenH4191.
Efraim is geslagen, hunlieder wortel is verdord, zij zullen geen vrucht voortbrengen; ja, ofschoon zij genereerden, zo zal Ik toch de gewenste vruchten van hun buik doden.
KJV
Ephraim2
is smitten,1
their root3
is dried up,4
they shall bear7
no fruit:5
yea, though they bring forth,10
yet will I slay11
even the beloved12
fruit of their womb.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Mijn GodH430 zal ze verwerpenH3988, omdatH3588 zij naar Hem nietH3808 horenH8085; en zijH1961 zullen omzwervendeH5074 zijn onder de heidenenH1471.
Mijn God zal ze verwerpen, omdat zij naar Hem niet horen; en zij zullen omzwervende zijn onder de heidenen.
KJV
My God2
will cast them away,1
because they did not hearken5
unto him: and they shall be wanderers8
among the nations.
opspringens toe,
Of, tot verheugens toe, tot vrolijkheid toe; zie dezelfde manier van spreken Job 3:22 . Het Hebreeuwse woord ziet op de uiterlijke gebaren en bewijs van vreugde.
Hertaald:
opspringens toe,
Of: tot verheugens toe, tot vrolijkheid toe; zie dezelfde manier van spreken in Job 3:22. Het Hebreeuwse woord ziet op de uiterlijke gebaren en betuigingen van vreugde.
volken;
Die ten tijde van een goeden oogst gewoon waren grote vreugde te bedrijven ter ere hunner afgoden, die zij hielden voor de bewerkers van dien; vergelijk Ps. 4:8 , en hier het volgende; idem Joël 1:12 .
Hertaald:
volken;
Die in de tijd van een goede oogst gewoonlijk grote vreugdefeesten hielden ter ere van hun afgoden, die zij voor de bewerkers daarvan hielden; vergelijk Ps. 4:8 en het vervolg hier, en ook Joël 1:12.
hoerenloon lief,
Dat is, gij verheugt u over den oogst als over een beloning, die uwe boelen, de afgoden, u zouden hebben gegeven vanwege uw geestelijke hoererij, dat is afgoderij; en op alle plaatsen, waar gij koren stapelt en dorst en waar gij den wijn perst, dankt gij uwe afgoden voor hetgeen Ik u gegeven heb. Vergelijk boven Hos. 2:4 , Hos. 2:7-8 , Hos. 2:11 .
Hertaald:
hoerenloon lief,
Dat is: u verheugt u over de oogst als over een beloning die uw minnaars, de afgoden, u gegeven zouden hebben voor uw geestelijke hoererij, dat is: afgoderij; en op elke plaats waar u koren opstapelt en dorst en waar u de wijn perst, dankt u uw afgoden voor wat Ik u gegeven heb. Vergelijk Hos. 2:5, Hos. 2:8-9, Hos. 2:12.
niet voeden;
Hoewel zij zichzelven ander beloven.
Hertaald:
niet voeden;
Hoewel zij zichzelf iets anders beloven.
hun
Of, tegen haar, onder haar; te weten, deze hoer, of overspeelster; of Efraïm, Israël.
Hertaald:
hun
Of: tegen haar, onder haar; namelijk deze hoer of overspelige vrouw, of Efraïm, Israël.
liegen
Dat is, hunne hoop, die zij daarvan hebben, zal feilen en hen bedriegen, zij zullen niet genieten, het zal voor den vijand zijn, en zij moeten het land uit, gelijk volgt. Vergelijk boven Hos. 8:7 , en de manier van spreken met Hab. 3:17 ; Jes. 52:11 , en Job 40:28 , en zie de aantekening aldaar.
Hertaald:
liegen
Dat is: hun hoop daarop zal falen en hen bedriegen; zij zullen er niet van genieten, het zal voor de vijand zijn en zij moeten het land uit, zoals volgt. Vergelijk Hos. 8:7, en de manier van spreken met Hab. 3:17; Jes. 52:11 en Job 40:28, en zie de aantekening daar.
land niet blijven;
Namelijk Kanaän, dat Gods land en erfenis dikwijls genoemd wordt; zie Ps. 68:10 , en Joël 1:6 , en Joël 3:2 , enz.
Hertaald:
land niet blijven;
Namelijk Kanaän, dat vaak Gods land en erfenis genoemd wordt; zie Ps. 68:10, Joël 1:6 en Joël 3:2, enzovoort.
Egypte keren,
Zie boven Hos. 8:13 .
Hertaald:
Egypte keren,
Zie Hos. 8:13.
en zij zullen
Of, maar; indien men het verstaat van hulp in Egypte te zoeken tegen den Assyriër. Alsof God zeide: Zij mogen naar Egypte lopen zoveel zij willen, zij zullen evenwel naar Assyrië moeten.
Hertaald:
en zij zullen
Of: maar — als men het opvat als het zoeken van hulp in Egypte tegen de Assyriër. Alsof God zei: zij mogen naar Egypte lopen zoveel zij willen, zij zullen toch naar Assyrië moeten.
Assyrië
Waarheen zij gevankelijk zullen worden weggevoerd.
Hertaald:
Assyrië
Waarheen zij gevankelijk weggevoerd zullen worden.
onreine eten
Dat God in zijne wet verboden had te eten, en waarvan zij etende, naar de wet der ceremoniën onrein werden. Vergelijk Ezech. 4:12-13 ; Dan. 1:8 , en hier vs.4.
Hertaald:
onreine eten
Wat God in Zijn wet verboden had te eten, en waarvan zij naar de ceremoniële wet onrein werden wanneer zij het aten. Vergelijk Ezech. 4:12-13; Dan. 1:8, en hier vers 4.
zullen
Wanneer zij in Assyrië zullen zijn weggevoerd en eten wat onrein is, van welken ellendigen toestand der Israëlieten in het voorgaande en vs.5 gesproken wordt.
Hertaald:
zullen
Wanneer zij naar Assyrië weggevoerd zullen zijn en zullen eten wat onrein is; over die ellendige toestand van de Israëlieten spreekt het voorgaande en vers 5.
den HEERE
Als zijnde buiten zijn land en plaats, enz., die God tot offeren verordineerd had, en voorts geen gelegenheid of middel hebbende om den Heere wat reins te offeren, gelijk blijkt uit de voorgaande en volgende woorden.
Hertaald:
den HEERE
Omdat zij dan buiten Zijn land en buiten de plaats zijn die God voor het offeren bestemd had, en omdat zij ook geen gelegenheid of middel hebben om de HEERE iets reins te offeren, zoals uit de voorgaande en volgende woorden blijkt.
drankofferen doen van wijn,
Hebreeuws, uitstorten, uitgieten, of uitspreiden van wijn; dat is, drankoffers van wijn offeren. Zie Ps. 16:4 .
Hertaald:
drankofferen doen van wijn,
Hebreeuws: uitstorten, uitgieten of uitspreiden van wijn; dat is: drankoffers van wijn offeren. Zie Ps. 16:4.
zoet zijn,
Dat is, aangenaam of behagelijk, gelijk Jer. 6:20 ; Mal. 3:4 .
Hertaald:
zoet zijn,
Dat is: aangenaam of welgevallig, zoals Jer. 6:20; Mal. 3:4.
treurbrood;
Hebreeuws, brood der treurenden, of rouwenden; dat is, leedspijs, die men eet in sterfhuizen; zulks alles was naar de wet der ceremoniën onrein. Zie Lev. 21:1 , enz. en Lev. 22:4 , enz.; Num. 19:14 ; Deut. 26:14 , enz. Ook waren zij gehouden te offeren met vreugde, Deut. 12:6-7 ; waarom sommigen door brood of spijs de offeranden verstaan; zie Lev. 3:11 , en Lev. 21:6 ; Num. 28:2 ; Ezech. 44:7 .
Hertaald:
treurbrood;
Hebreeuws: brood van de treurenden of rouwenden; dat is: rouwspijs die men in sterfhuizen eet. Dat alles was naar de ceremoniële wet onrein. Zie Lev. 21:1, enzovoort, en Lev. 22:4, enzovoort; Num. 19:14; Deut. 26:14, enzovoort. Ook waren zij verplicht met vreugde te offeren (Deut. 12:6-7); daarom verstaan sommigen onder brood of spijs de offeranden; zie Lev. 3:11 en Lev. 21:6; Num. 28:2; Ezech. 44:7.
ziel zijn,
Dat is, hunne spijs, hun eten en drinken, hunne maaltijden, zullen alsdan, in hunne ballingschap, wezen over hunne doden, die zij verloren hebben, of als over hunne doden, [vergelijk Ezech. 24:17 ,] dewijl zij in gedurigen rouw zullen leven, en overzulks onrein zijn. Alzo wordt het woord ziel genomen voor een dood lichaam of een dode, Ps. 16:10 ; Lev. 19:28 ; zie de aantekening aldaar. Anders: voor hun eigen personen, of voor henzelven; [gelijk het Hebreeuwse word ook genomen wordt] dat is, zij eten en drinken voor zichzelven, maar niet mij ter ere [gelijk boven Hos. 8:13 ] ; dewijl enigen verstaan dat in vs.4 niet gesproken wordt van den staat der ballingschap, maar van hetgeen de Israëlieten nu deden en tot de ballingschap toe doen zouden. Vergelijk Zach. 7:5-6 .
Hertaald:
ziel zijn,
Dat is: hun spijs, hun eten en drinken, hun maaltijden zullen dan in hun ballingschap zijn over hun doden die zij verloren hebben, of als over hun doden (vergelijk Ezech. 24:17), omdat zij in voortdurende rouw zullen leven en daardoor onrein zijn. Zo wordt het woord ziel gebruikt voor een dood lichaam of een dode; Ps. 16:10; Lev. 19:28; zie de aantekening daar. Anders: voor hun eigen personen, of voor henzelf — zoals het Hebreeuwse woord ook opgevat wordt — dat is: zij eten en drinken voor zichzelf en niet Mij ter ere (zoals Hos. 8:13). Sommigen menen namelijk dat vers 4 niet over de toestand in de ballingschap spreekt, maar over wat de Israëlieten nu deden en tot de ballingschap toe zouden blijven doen. Vergelijk Zach. 7:5-6.
niet komen
Dat is, zulks, als zijnde onrein, mag men in Gods huis niet brengen, noch daarvan offeren.
Hertaald:
niet komen
Dat is: zoiets mag men, omdat het onrein is, niet in Gods huis brengen en er niet van offeren.
gezetten hoogtijdsdag,
Wanneer men naar mijn gebod voor mij moest offeren met vreugde, daar gij zonder offer en in rouw zult zitten buiten uw land; zie Num. 10:10 , en Deut. 12:12 , enz., en vergelijk boven Hos. 3:4 , en de aantekening op vs.4.
Hertaald:
gezetten hoogtijdsdag,
Wanneer u naar Mijn gebod met vreugde voor Mij zou moeten offeren, terwijl u dan zonder offer en in rouw buiten uw land zult zitten; zie Num. 10:10 en Deut. 12:12, enzovoort, en vergelijk Hos. 3:4 en de aantekening bij vers 4.
gaan daarhenen
Dat is, zullen voorzeker uit hun land moeten weggaan; of zij gaan heen, dat is zij gaan verloren, of verdwijnen.
Hertaald:
gaan daarhenen
Dat is: zij zullen zeker uit hun land weg moeten; of: zij gaan heen, dat is: zij gaan verloren, zij verdwijnen.
verstoring;
Die de Assyriër zou aanrichten.
Hertaald:
verstoring;
Die de Assyriër zou aanrichten.
Egypte zal ze verzamelen,
Uit deze woorden schijnt afgenomen te kunnen worden dat er een gedeelte van Israël voor den Assyriër zou vluchten naar Egypte, menende aldaar wel ontvangen en geholpen te zullen worden, omdat zij den Assyriër verlatende met den koning van Egypte gehandeld hadden; zie boven Hos. 8:13 , maar hoe zij daarover zouden varen, wordt hun hier geprofeteerd. Sommigen gissen dat zij eerst tot die van Juda, daarna met hen naar Egypte getogen zijn.
Hertaald:
Egypte zal ze verzamelen,
Uit deze woorden lijkt afgeleid te kunnen worden dat een deel van Israël voor de Assyriër naar Egypte zou vluchten, in de mening daar goed ontvangen en geholpen te worden, omdat zij de Assyriër verlaten hadden en met de koning van Egypte onderhandeld hadden; zie Hos. 8:13. Maar hoe het hun daar zou vergaan, wordt hun hier geprofeteerd. Sommigen vermoeden dat zij eerst naar Juda getrokken zijn en daarna met hen naar Egypte.
Mof zal
De stad Memfis in Egypte, anders [naar sommiger gevoelen] ook genoemd Nof, Jes. 19:13 ; zie de aantekening aldaar.
Hertaald:
Mof zal
De stad Memfis in Egypte, die volgens sommigen ook Nof genoemd wordt, Jes. 19:13; zie de aantekening daar.
begraven;
En vervolgens zullen zij in hun land niet wederkeren, maar in ballingschap omkomen.
Hertaald:
begraven;
En daardoor zullen zij niet in hun land terugkeren, maar in de ballingschap omkomen.
begeerte zal er zijn naar hun zilver,
Men zal hun geld zoeken en roven. Of, de pleizierige [plaatsen], of gewenste [schatten] van hun zilver, die zal de netel erfelijk bezitten; begeerte voor begeerlijke dingen, die uit zilver waren, of met zilver sieraad gepronkt.
Hertaald:
begeerte zal er zijn naar hun zilver,
Men zal hun geld zoeken en roven. Of: de begeerlijke plaatsen of gewenste schatten van hun zilver zullen door de netel in bezit genomen worden; begeerte staat hier voor begeerlijke dingen die van zilver waren of met zilveren sieraad gepronkt.
netelen zullen hen erfelijk bezitten,
Hebreeuws, netel; dat is, hun land en woonplaatsen zullen lang woest liggen en onbewoond blijven. Vergelijk Jes. 32:13 , en Jes. 34:13 , en onder Hos. 10:8 . Door de mensen versta, hun land of plaatsen waar zij gewoond hebben; zie Richt. 11:23 ; Jer. 49:1 met de aantekening.
Hertaald:
netelen zullen hen erfelijk bezitten,
Hebreeuws: netel; dat is: hun land en woonplaatsen zullen lang woest liggen en onbewoond blijven. Vergelijk Jes. 32:13 en Jes. 34:13, en Hos. 10:8. Onder de mensen versta hun land of de plaatsen waar zij gewoond hebben; zie Richt. 11:23; Jer. 49:1 met de aantekening.
doornen
Hebreeuws, doorn, of distel; vergelijk Job 31:40 ; Jes. 5:6 , en Jes. 7:24 .
Hertaald:
doornen
Hebreeuws: doorn of distel; vergelijk Job 31:40; Jes. 5:6 en Jes. 7:24.
tenten zijn
Ter plaatse waar hun heerlijke woningen zullen geweest zijn.
Hertaald:
tenten zijn
Op de plaats waar hun heerlijke woningen gestaan zullen hebben.
gewaar worden;
Of, weten, bekennen; dat is, alsdan daaraan gedenken en bevinden dat hun de waarheid gezegd is en dat hun valse profeten hen bedrogen hebben. Waarvan in het volgende.
Hertaald:
gewaar worden;
Of: weten, erkennen; dat is: dan zullen zij eraan denken en ondervinden dat hun de waarheid gezegd is en dat hun valse profeten hen bedrogen hebben. Daarover gaat het vervolg.
profeet is een dwaas,
De valse profeten, die aan het volk vrede en voorspoed profeteren.
Hertaald:
profeet is een dwaas,
De valse profeten, die het volk vrede en voorspoed profeteren.
man des geestes is onzinnig;
De profeet, die zich valselijk beroemt van Gods Geest gedreven te worden, of geestelijke gezichten en openbaringen van God te hebben; vergelijk Ezech. 13:3 . Hier zegt God zelf van de valse profeten hetgeen de verleiders en wereldse mensen ten onrechte plegen te zeggen van God ware profeten; zie 2 Kon. 9:11 , en Jer. 29:26 , enz. Anders: de man des winds; dat is, die met ijdelheid en leugen omgaat. Vergelijk Mi. 2:11 .
Hertaald:
man des geestes is onzinnig;
De profeet die zich er ten onrechte op beroemt door Gods Geest gedreven te worden of geestelijke gezichten en openbaringen van God te hebben; vergelijk Ezech. 13:3. Hier zegt God Zelf van de valse profeten wat de verleiders en wereldse mensen ten onrechte van Gods ware profeten plegen te zeggen; zie 2 Kon. 9:11 en Jer. 29:26, enzovoort. Anders: de man van de wind, dat is: die met ijdelheid en leugen omgaat. Vergelijk Micha 2:11.
haat ook groot
Dit kan men verstaan van Efraïms groten haat of wederstand, wreveligheid, wederspannigheid tegen God en zijn heilig woord, of van Gods haat, die tegen Efraïm groot is, dien Hij betonen zal in de voorgemelde dagen der bezoeking en vergelding, en waaruit ook voortkomt dat Hij hen straft door valse profeten.
Hertaald:
haat ook groot
Dit kan men verstaan van Efraïms grote haat, verzet, wrevel en weerspannigheid tegen God en Zijn heilig Woord; of van Gods haat, die groot is tegen Efraïm en die Hij zal tonen in de genoemde dagen van de bezoeking en de vergelding — waaruit ook voortkomt dat Hij hen door valse profeten straft.
De wachter van Efraïm
De ware profeten, die God onder de tien stammen heeft verwekt, houden bestendiglijk en vast aan mijnen God en zijn reinen dienst; gelijk Elia, Elisa en anderen gedaan hebben, en ik ook doe. Zie van dezen titel der profeten Ezech. 3:17 , en vergelijk wijders Jer. 12:3 , en onder Hos. 12:1 ; idem de manier van spreken, met God te wandelen, Gen. 5:22 . Zie de aantekening aldaar. Anders: Is er een wachter Efraïms met mijnen God, de profeet is een vogelvangers strik op al deszelfs wegen. Anders: Efraïms wachter [behoorde] met mijnen God [te zijn], maar, enz. Anders: hij [de valse profeet, waarvan in vs.7] houdt wacht tegen Efraïm [die] met mijnen God [is]; dat is, hij loert op de Israëlieten, die het met God en zijn reinen godsdienst nog houden. Zie 1 Kon. 19:18 , waarop het volgende ook niet kwalijk past. Vergelijk boven Hos. 5:1-2 en de aantekening aldaar.
Hertaald:
De wachter van Efraïm
De ware profeten die God onder de tien stammen verwekt heeft, houden standvastig vast aan mijn God en Zijn zuivere dienst, zoals Elia, Elisa en anderen gedaan hebben, en zoals ik ook doe. Zie over deze titel van de profeten Ezech. 3:17, en vergelijk verder Jer. 12:3 en Hos. 12:1; en over de manier van spreken met God wandelen Gen. 5:22 met de aantekening daar. Anders: is er een wachter van Efraïm bij mijn God, de profeet is een vogelvangersstrik op al zijn wegen. Anders: de wachter van Efraïm behoorde bij mijn God te zijn, maar, enzovoort. Anders: hij — de valse profeet uit vers 7 — houdt de wacht tegen Efraïm dat met mijn God is; dat is: hij loert op de Israëlieten die het nog met God en Zijn zuivere godsdienst houden. Zie 1 Kon. 19:18, waar het volgende ook goed bij past. Vergelijk Hos. 5:1-2 met de aantekening daar.
profeet
Versta, de valse profeten, waarvan in het voorgaande is gesproken.
Hertaald:
profeet
Versta: de valse profeten, over wie hierboven gesproken is.
vogelvangersstrik,
Dit kan men duiden op het geestelijk vangen en verstrikken der zielen, en van het lichamelijk loeren, betrappen, vangen en moorden der vromen, gelijk in de voorgaande aantekening is vermeld.
Hertaald:
vogelvangersstrik,
Dit kan men betrekken op het geestelijk vangen en verstrikken van de zielen, en op het lichamelijk loeren, betrappen, vangen en vermoorden van de vromen, zoals in de vorige aantekening vermeld is.
zijn wegen,
Op alle straten en wegen in Israël; of, in al zijn eigen doen en handel is de valse profeet niets anders dan een strik, enz.
Hertaald:
zijn wegen,
Op alle straten en wegen in Israël; of: in al zijn eigen doen en handel is de valse profeet niets anders dan een strik, enzovoort.
haat
Die met recht van God en alle vromen gehaat is, en niet dan Gods haat tegen Israël [boven Hos. 8:1 , genoemd des Heeren huis ] door al zijne verleiding en goddelozen handel verwekt en veroorzaakt.
Hertaald:
haat
Die met recht door God en alle vromen gehaat wordt, en die door al zijn verleiding en goddeloze handel niets anders opwekt dan Gods haat tegen Israël — dat in Hos. 8:1 het huis van de HEERE genoemd wordt.
zijns Gods
Efraïm, of des getrouwen wachters, van wien in het begin van vs.8 gesproken is.
Hertaald:
zijns Gods
Namelijk van Efraïm, of van de trouwe wachter over wie aan het begin van vers 8 gesproken is.
zeer diep verdorven,
Hebreeuws, zij hebben verdiept, zij hebben verdorven; zie van zulke samenvoeging van twee woorden Ps. 45:5 , en van het Hebreeuwse woord boven Hos. 5:2 .
Hertaald:
zeer diep verdorven,
Hebreeuws: zij hebben verdiept, zij hebben verdorven; zie over zo'n samenvoeging van twee woorden Ps. 45:5, en over het Hebreeuwse woord Hos. 5:2.
Gibea;
Gelijk die van Benjamin te Gibea tot gruwelijke boosheid vervallen waren, en een iegelijk in Israël deed wat hij wilde; zie de historie, Jdg 19 , en vergelijk onder Hos. 10:9 .
Hertaald:
Gibea;
Zoals die van Benjamin in Gibea tot gruwelijke boosheid vervallen waren, en ieder in Israël deed wat hij wilde; zie de geschiedenis in Richt. 19, en vergelijk Hos. 10:9.
gedenken,
Gelijk boven Hos. 8:13 , zie aldaar.
Hertaald:
gedenken,
Zoals Hos. 8:13; zie daar.
druiven in de woestijn,
Dat is, toen Ik Israël eerst tot mijn volk aannam, waren zij mij zo aangenaam als een wandelaar druiven zijn, die hij vindt in een woestijn, en zo zoet als de eerste rijpe vijgen aan den vijgeboom; vergelijk Mi. 7:1 .
Hertaald:
druiven in de woestijn,
Dat is: toen Ik Israël voor het eerst als Mijn volk aannam, waren zij Mij zo aangenaam als druiven voor een reiziger die ze in een woestijn vindt, en zo zoet als de eerste rijpe vijgen aan de vijgenboom; vergelijk Micha 7:1.
Baäl-peor,
Der Moabieten afgod, om met hem geestelijk overspel of hoererij te bedrijven, waarop de lichamelijke ontucht gevolgd is. Zie Num. 25:1-3 , enz. en de navolging van dit voorbeeld hunner voorvaders; 1 Kon. 18:31-32 , enz.
Hertaald:
Baäl-peor,
De afgod van de Moabieten, om met hem geestelijk overspel of hoererij te bedrijven, waarop de lichamelijke ontucht gevolgd is. Zie Num. 25:1-3, enzovoort, en de navolging van dit voorbeeld van hun voorvaders in 1 Kon. 18:31-32, enzovoort.
zonderden zich af
Met een bijzondere afgodische voorbereiding tot den religieusen dienst van dezen afgod. Het Hebreeuwse woord is hetzelfde, waarvan de nazireërs, dat is de afgezonderden, hun naam hadden; zie Num. 6:2 , enz.
Hertaald:
zonderden zich af
Met een bijzondere afgodische voorbereiding op de godsdienstige verering van deze afgod. Het Hebreeuwse woord is hetzelfde waaraan de nazireeërs, dat is: de afgezonderden, hun naam ontleenden; zie Num. 6:2, enzovoort.
schaamte,
Dien schandelijken afgod Baäl; zie Jer. 3:24-25 .
Hertaald:
schaamte,
Die schandelijke afgod Baäl; zie Jer. 3:24-25.
gans verfoeilijk naar hun boelerij
Hebreeuws, verfoeiselen, of verfoeilijkheden. Anders: daar waren verfoeilijkheden naar hunne begeerte. Alle verfoeilijkheden gingen daar in zwang, naar hunnen wil en lust, naar dat hun vuile lust en wens opgaf. Sommigen nemen het alsof God tegen elkander stelde, dat zij bij Hem daardoor zo verfoeilijk werden als Hij hen tevoren zeer bemind had.
Hertaald:
gans verfoeilijk naar hun boelerij
Hebreeuws: verfoeiselen of verfoeilijkheden. Anders: daar waren verfoeilijkheden naar hun begeerte. Alle gruwelen gingen daar in zwang, naar hun wil en lust, naar wat hun vuile begeerte ingaf. Sommigen vatten het op alsof God twee dingen tegenover elkaar stelt: dat zij daardoor bij Hem even verfoeilijk werden als Hij hen tevoren zeer bemind had.
heerlijkheid
Dat is, hun koninkrijk, gezegende staat, en voornamelijk de menigte hunner kinderen, waarmede zij versierd en verheerlijkt zijn, gelijk in het volgende verklaard wordt. Zie Ps. 127:5 ; Spr. 17:6 .
Hertaald:
heerlijkheid
Dat is: hun koninkrijk, hun gezegende staat, en vooral de menigte van hun kinderen, waarmee zij versierd en verheerlijkt zijn, zoals in het vervolg verklaard wordt. Zie Ps. 127:5; Spr. 17:6.
wegvlieden als een vogel;
Dat is, zij zullen snellijk daarvan beroofd worden, en dezelve zo weinig weder kunnen verkrijgen als een ontvlogen vogel.
Hertaald:
wegvlieden als een vogel;
Dat is: zij zullen daarvan snel beroofd worden, en die even weinig kunnen terugkrijgen als een weggevlogen vogel.
van de geboorte,
Dat is, zo haast zij zullen geboren zijn, of terwijl zij gedragen worden, of zo haast zij zullen ontvangen zijn.
Hertaald:
van de geboorte,
Dat is: zodra zij geboren zullen zijn, of terwijl zij gedragen worden, of zodra zij ontvangen zijn.
moeders buik,
Van de invoeging van dit woord, zie Richt. 13:5 , en Job 3:10 .
Hertaald:
moeders buik,
Over het invoegen van dit woord, zie Richt. 13:5 en Job 3:10.
dat zij onder de mensen
Of, dat zij geen mensen zullen zijn, of dat hun geen mens overblijve. Vergelijk Spr. 30:14 .
Hertaald:
dat zij onder de mensen
Of: dat zij geen mensen meer zullen zijn, of dat hun geen mens overblijft. Vergelijk Spr. 30:14.
Tyrus aanzag,
Hebreeuws, Tsor; zie van deze stad Joz. 19:29 , en 1 Kon. 5:1 ; Jer 23 , Eze 27 .
Hertaald:
Tyrus aanzag,
Hebreeuws: Tsor; zie over deze stad Joz. 19:29 en 1 Kon. 5:1; Jer. 23, Ezech. 27.
geplant is in een liefelijke woonplaats;
Dit schijnt te zien op de vastigheid, lieflijkheid en voorspoed in deze beide vergeleken plaatsen.
Hertaald:
geplant is in een liefelijke woonplaats;
Dit lijkt te zien op de vastheid, liefelijkheid en voorspoed van deze twee met elkaar vergeleken plaatsen.
moeten uitbrengen
Hebreeuws, alsof men zeide: [Is, of is gesteld, geschikt gereed] om uit te brengen, [vergelijk Jes. 38:20 met de aantekening]; dat is, zal ze uit zijn schone woonplaatsen zelf moeten uitbrengen, enz.
Hertaald:
moeten uitbrengen
Hebreeuws alsof men zei: is gesteld of gereedgemaakt om uit te brengen (vergelijk Jes. 38:20 met de aantekening); dat is: zal ze zelf uit zijn mooie woonplaatsen naar buiten moeten brengen, enzovoort.
doodslager
De Assyriërs, hunne vijanden; vergelijk Deut. 28:41 , en Job 27:14 .
Hertaald:
doodslager
De Assyriërs, hun vijanden; vergelijk Deut. 28:41 en Job 27:14.
Geef hun, HEERE
De profeet, zeer ontsteld en benauwd zijnde over deze verschrikkelijke aanstaande ellenden van het volk, weet niets anders van den Heere te begeren dan dat zij liever geen kinderen mochten hebben, dan dat die, groot gemaakt zijnde, van den vijand zouden vermoord worden. Vergelijk Luc. 23:29 . Anders: geef hun wat Gij geven zult; dat is, zulks als hunne zonden verdienen en uwe gerechtigheid vereist.
Hertaald:
Geef hun, HEERE
De profeet, die zeer ontsteld en benauwd is over de verschrikkelijke ellende die het volk te wachten staat, weet niets anders van de HEERE te vragen dan dat zij liever geen kinderen mogen hebben dan dat die, groot geworden, door de vijand vermoord zouden worden. Vergelijk Luk. 23:29. Anders: geef hun wat U geven zult, dat is: zoals hun zonden verdienen en Uw gerechtigheid eist.
misdragende baarmoeder,
Hebreeuws, van kinderen berovende.
Hertaald:
misdragende baarmoeder,
Hebreeuws: van kinderen berovende.
Al hun boosheid is te Gilgal,
Dat is, de voornaamste afgoderij wordt aldaar bedreven, of, wat er overal van afgoderij in het land is, brengen zij daar tezamen; daar integendeel de gedachtenis der weldaden, die hun God eenmaal in deze plaats bewezen had, hen van alle afgoderij behoorde af te schrikken; zie boven Hos. 4:15 , en onder Hos. 12:12 .
Hertaald:
Al hun boosheid is te Gilgal,
Dat is: de voornaamste afgoderij wordt daar bedreven; of: wat er overal in het land aan afgoderij is, brengen zij daar bijeen. En dat terwijl juist de herinnering aan de weldaden die hun God hun eens op deze plaats bewezen had, hen van alle afgoderij had moeten afschrikken; zie Hos. 4:15 en Hos. 12:12.
want daar heb Ik ze gehaat,
Of, gewisselijk.
Hertaald:
want daar heb Ik ze gehaat,
Of: zeker.
huis uitdrijven,
Dat is, uit mijn land, of uit mijn huisgezin, dat zij niet meer mijne kinderen noch knechten zullen zijn.
Hertaald:
huis uitdrijven,
Dat is: uit Mijn land, of uit Mijn huisgezin, zodat zij niet langer Mijn kinderen of knechten zullen zijn.
voortaan niet meer liefhebben;
Hebreeuws, niet toedoen, of voortvaren hen lief te hebben; dat is, Ik zal hun niet langer weldoen.
Hertaald:
voortaan niet meer liefhebben;
Hebreeuws: niet toedoen of voortgaan hen lief te hebben; dat is: Ik zal hun niet langer weldoen.
afvalligen
Of, wederstrevig, onbandig.
Hertaald:
afvalligen
Of: weerspannig, onbandig.
geslagen,
Gelijk een kruid van de hitte der zon gelijk als geslagen of anderszins gekwetst wordt, dat het niet kan groeien noch bloeien; [vergelijk Ps. 102:5 ] , alzo is Efraïm van boven [van God] geslagen, dat zijn wortel onder verdord is. Vergelijk Job 18:16 ; Am. 2:9 ; Jona 4:7 , en zie het tegendeel Job 29:19 .
Hertaald:
geslagen,
Zoals een kruid door de hitte van de zon als het ware geslagen of anderszins beschadigd wordt, zodat het niet kan groeien of bloeien (vergelijk Ps. 102:5), zo is Efraïm van boven, door God, geslagen, zodat zijn wortel beneden verdord is. Vergelijk Job 18:16; Amos 2:9; Jona 4:7, en zie het tegendeel in Job 29:19.
voortbrengen;
Hebreeuws, maken, gelijk boven Hos. 8:7 ; zie aldaar.
Hertaald:
voortbrengen;
Hebreeuws: maken, zoals Hos. 8:7; zie daar.
gewenste vruchten
Hebreeuws, de begeerten van hun buik; dat is, hun gewenste lijfsvruchten.
Hertaald:
gewenste vruchten
Hebreeuws: de begeerten van hun buik; dat is: hun gewenste lijfsvruchten.
Mijn God zal ze verwerpen,
Wien ik dien, en aan wien ik mij houd, gelijk boven vs.8.
Hertaald:
Mijn God zal ze verwerpen,
Die ik dien en aan Wie ik mij houd, zoals vers 8.
omzwervende zijn onder de heidenen
Vergelijk Gen. 4:12 , Gen. 4:14 ; 1 Kon. 14:15 ; Spr. 27:8 , en boven Hos. 7:13 .
Hertaald:
omzwervende zijn onder de heidenen
Vergelijk Gen. 4:12, Gen. 4:14; 1 Kon. 14:15; Spr. 27:8, en Hos. 7:13. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Ik vond Israel als druiven in de woestijn, Ik zag uw vaderen als de eerste vrucht aan den vijgeboom in haar beginsel; maar zij gingen in tot Baal-Peor, en zonderden zich af tot die schaamte, en werden gans verfoeilijk naar hun boelerij" (Hos. 9:10). Bijbelse betekenis: Merk op de twee beelden waarmee het vers begint: druiven in de woestijn en de eerste vrucht aan de vijgeboom. Beide zijn zeldzaam en kostbaar juist omdat zij onverwacht zijn — een vondst in dorre grond, het allereerste van de oogst. Zo zag God Zijn volk toen Hij het vond. Let vervolgens op het woordje maar. Er wordt geen lange geschiedenis verteld tussen de vondst en de val; het ene volgt vrijwel meteen op het andere. Let ten slotte op de plaats Baal-Peor. Dat is de gebeurtenis uit Numeri waar Israël zich met de dochters van Moab inliet en hun goden diende (reeds behandeld bij Num. 25:1-3) — vlak vóór de intocht in het beloofde land, op het hoogtepunt van de vondst zelf. Typologie: Wat hier over Israël gezegd wordt, herhaalt de Heere Jezus over de gemeente te Efeze: "Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde hebt verlaten" (Op. 2:4). Ontrouw begint zelden bij het begin; zij begint bij het vergeten van het begin. Hos. 9:10; Num. 25:1-3; Op. 2:4 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Hosea 9
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen


Hosea 9
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Verblijd u niet, o Israël! met vrolijk gejubel (Jes. 9:3) tot opspringens toe, over den verkregen oogst als ene gave van Gods genade, gelijk de heidense volken, die, wanneer zij hun afgoden toejuichen als degenen, die den zegen schenken, dit doen in onwetendheid des harten. Zij, voor wie de Gever van al ‘t goede een onbekende God is, met wie de Heere geen verbond gemaakt heeft, dat zij nu zouden breken, bezondigen zich niet zo zwaar (Hand. 14:16 vv.). Maar wanneer gij u op dezelfde wijze verheugt en u beroemt, als zij, zo is dit ene zware zonde, die Mij straffen dwingt; want gij hoereert door zulken dank den afgoden te geven, van uwen God af; gij ontneemt Hem de ere, en geeft die aan vreemden (Hoofdst. 2:8. (Jer. 2:25), gij hebt hoerenloon lief; gij beeldt u in, dat de vreemde goden u daarvoor des te meer erkentelijkheid zullen bewijzen, en u rijkeren oogst in volgende jaren zullen geven, zodat op alle dorsvloeren des korens1), overvloed zijn zal (Hoofdst. 2:12).
Dit vers behelst den grondslag van alle de volgende bedreigingen. Omdat Israël van wege den voorspoed trots en verwaand was in de zonden, zo dacht het zich te houden in de afgoderij, gelijk de Heidense volken. Daar het minder grond had om te denken dat het voorspoedig zijn zou, dan enig ander volk, omdat hun afgoderij, waarin zij volhardden vanwege hun voorspoed, veel zwaarder was dan de afgoderij van anderen, als zijnde een verbreking van het huwelijkverbond tussen God en hen, en gelijk aan de gedragslijn van een onbeschaamde hoer, die haar lichaam overal om loon ten beste geeft, waar haar maar gelegenheid wordt gegeven. Alzo volgde het ook de afgoden, opdat het voorspoed hebben mocht, gelijk de heidenen, en het versterkte zich in de afgoderij, opdat het voorspoed genoot.
Dewijl de gaven van Mijnen oogst bij u slechts dienen, om u te dieper in de hoererij van den afgodendienst te verstrikken, in plaats dat Mijne goedheid u tot bekering zou leiden (Rom. 2:4), is dit Mijn besluit: de dorsvloer met hare menigte koren en de wijnkuip(2 Kon. 6:27) zal hunlieden niet voeden; en de most zal hun liegen (Hoofdst. 2:9), zal hun verwachting teleurstellen.
Deze is de wijze, waarop Ik koren, olie en most van het zo schandelijk van Mij afgevallen volk zal wegnemen; zij zullen in des HEEREN land niet blijven; want dat land, waarin zij wonen en dat hen door zijne vruchtbaarheid voedt, is het Mijne, en zij zijn slechts gasten en vreemdelingen voor Mij (Lev. 25:23); maar Efraïm, dat Mijn land zozeer verontreinigt en Mijne erve Mij tot een gruwel heeft gemaakt (Jer. 2:7), zal weer in Egypte 1) keren, zij zullen even als de vaderen in ouder tijd, in een diensthuis, in een ijzeren oven zijn (Ex. 13:3. (Deut. 4:20), en zij zullen in Assyrië, (Hoofdst. 8:13) het onreine eten.
Ook op andere wijze, dan wij in den tekst deden, wordt het verklaard; zo Pocock: “wij vinden in de geschiedenissen geen uitdrukkelijk gewag gemaakt, dat vele van de tien stammen op ‘t naderen der Assyriërs zich naar Egypte begaven. Van de inwoners van Jeruzalem en de twee stammen vindt men het aangetekend (2 Kon. 25:26. Jer. 43:7). Doch men mag uit deze en dergelijke voorzeggingen en uit de handelwijze der twee stammen wel besluiten, dat de Israëlieten hetzelfde gedaan hebben. ” Egypte is hier het land der verdrukking. Voor Israël was de herinnering aan de verdrukking in Egypte een zeer bittere. Aan dit land hechtte zich de gedachte aan al wat bitter, ellendig en droevig was. Daarom wordt het hier symbolisch genomen voor het land der ballingschap.
Zij zullen, daar zij verre verwijderd zijn van de plaats, waar Hij Zijnen naam ene gedachtenis heeft gesticht, waaraan Hij Zijne bijzondere tegenwoordigheid heeft toegezegd (Ex. 20:24), den HEERE gene drankofferen doen van wijn, ook zouden zij Hem niet zoet zijn, indien men zich verstoutte den Heere plengofferen te brengen; hun offeranden zouden hun zijn als treurbrood, als de spijze, welke tot den liefdemaaltijd bij de begrafenis wordt gebruikt (Deut. 26:14. 2 Sam. 3:31); allen, die dat zouden eten, zouden onrein worden, omdat het op enen dode betrekking heeft (Num. 19:14 vv); hun offeranden zullen den Heere zozeer mishagen, dat zij zichzelven er slechts des te meer mede verontreinigen; want hun brood zal alleen voor hun ziel, tot onderhouding van dit tijdelijk leven zijn, maar niet tot gemeenschapsoefening met God; het zal in des HEEREN huis niet komen, waardoor de gehele spijze zou geheiligd worden (Rom. 11:16). In het land der ballingschap zal elke offerande ophouden; zij zal den Heere zijn als treurbrood, dat onrein is. Zij wilden den Heere geen offer brengen, toen zij konden, zij zullen het nu ook voortaan niet meer mogen. Hoe treurig wanneer Gods gaven alleen dienen, om het lichaam te vullen, en zij in het heiligdom des heren niet meer mogen komen. Voor het fijnere godsdienstig gevoel is het een zeer hard woord, dat het brood alleen voor hen is, om hun lichaam te voeden, maar niet in het huis van Jehova mag komen, niet tot het geestelijke, het heilige mag werden aangewend. Dat is zo veel als dat alle vroegere verbintenis en gemeenschap wordt opgezegd, als wanneer men heden zei: het zal nooit meer zo ver komen, dat gij in ene kerk komt, of een woord Gods hoort, of het Avondmaal zult genieten.
Wat zult gijlieden dan, als gij geen tempel en genen godsdienst meer zult hebben, doen op enen gezetten hoogtijdsdag, op den jaarlijks terugkerenden feestdag, dien gij als ene heilige vergadering moest vieren (Lev. 23:1 vv.), en op enen feestdag des HEEREN, op Paasch-, Pinkster- en Loofhuttenfeest (Lev. 22:4 vv. Ex. 34:18 vv.)? Hoe treurig zal het u te moede zijn, zo dikwijls deze tijden van vrolijk feesthouden voor het aangezicht des Heeren, en het houden van onderlinge gemeenschap wederkeren; die tijden van genot zijn dan uit uw leven weggenomen!
Want ziet dit is het beeld der troosteloze toekomst, die ten opzichte van u als reeds aanwezig Mij voor den geest staat, zij gaan daarhenen uit het land des Heeren, dat zij zo weinig hebben geacht (Dan. 8:9), zij gaan henen vanwege de verstoring, de verwoesting, Egypte, een tweede land der verdrukking (vs. 3), zal ze verzamelen, om ze voor altijd in zijne armen vast te houden, en Mof, een tweede Memfis (Gen. 41:14), zal ze begraven 1), zij zullen daar allen hun graf vinden; begeerte zal er zijn naar hun zilver, om het weg te roven: netelen zullen hen erfelijk bezitten, zullen de gewenste plaatsen van hun land innemen, doornen zullen in hun tenten zijn (Jes. 34:13), zullen groeien, waar vroeger hun woonplaatsen waren.
Ook hier wordt weer van het land der ellende gesproken. Aan allen voorspoed, aan alle blijdschap en verheuging zal een einde komen. Het volk zal als volk ophouden te bestaan, en waar eenmaal Israëls groten zich in hun voorspoed tegen God verhardden, daar zal voortaan niets anders zijn dan ellende vanwege de vijanden.
Het Hebr. woord machmad van den wortel chamad = begeren, kan vertaald worden door “begeerte, ” doch beter door “vermakelijke plaatsen, ” “lusthuizen, ” “paleizen, ” zodat wij liever zouden vertalen: “de begeerlijke plaatsen, die zij voor hun zilver verkregen, zullen de netelen erfelijk bezitten, enz. “
De dagen der bezoeking van hun zonden (Jer. 46:21; 50:27) zijn gekomen, de dagen der vergeldingvan Gods zijde zijn gekomen; die van Israël zullen het gewaar worden, hoe weinig zij ook thans nog van zulk ene vergelding willen weten, en al laten zij zich door valse profeten voorhouden, dat er vrede is en geen gevaar, dat geen ongeluk komen kan (Ezech. 13:10. Micha 3:11): de Profeet, die alzo spreekt, is een dwaas, de man des geestes, die zich bij zijne leugenprediking op buitengewone openbaringen des Heiligen Geestes beroept, is onzinnig. Dat zult gij, o Israël! nog eens leren, wanneer de tijd der vergelding gekomen is; om de grootheid uwer ongerechtigheid, waarin gij zo zware schuld op u hebt geladen, is de haat ook groot, want even als uwe afgoderij uit vijandschap tegen den Heere is voortgekomen, zo heeft zij u ook tot bittere vijandschap tegen Zijne getrouwe dienaars en ware Profeten gebracht. Zij zullen dan weten, dat de voorgevers van Profetieën, die hen vleiden in hun zonden en hen in slaap wiegden in hun zekerheid, en hun zeiden, dat zij vrede zouden hebben, hoewel zij voortgingen in de afgoderij en zonde, hoezeer zij voorgeven geestelijke mannen te zijn, gelijk Achab’s profeten deden, zotte, en zinneloze mensen waren en geen ware profeten, maar zij bedrogen zichzelve en degenen, tot welke zij profeteerden. Doch waarom zou God verdragen, dat Zijn volk bedrogen zou worden door deze valse Profeten? Hij antwoordt: het is om de menigte uwer ongerechtigheden, waarin gij, met verachting der Goddelijke wet, volhard hebt, en om den groten haat tegen de ware Profeten, die u daarover in Gods Naam bestraften. Dit is een van de verschrikkelijke gerichten; daarvoor, dat zij de liefde tot de waarheid niet hebben aangenomen, zal God hun krachtige dwalingen zenden, dat zij de leugen geloven.
De wachter, (Ezech. 3:17) van Efraïm is met mijnen God; {1} maar de Profeet, die in Efraïm zijne stem laat horen, is een vogelvangersstrik op al zijne wegen, om daar in zielen te vangen, een haat in het huis zijns Gods; in zijne afgoderij, waaraan hij al zijne krachten wijdt (Amos 7:10 vv.), is hij een voorwerp van den haat, den toorn Gods. De woorden van dit vers zijn duister. Niet ten onrechte neemt R. Tanetum de eerste woorden op als ene vraag: “Is Efraïms wachter niet mijnen God?” . Letterlijk: Een wachter is Efraïm nevens mijn God. Dit vers is zeer moeilijk te verklaren, maar wij verenigen ons met hen, die van oordeel zijn, dat hier bedoeld wordt, dat Efraïm nevens God wachters had, waarop het vertrouwde, gelijk afgoden nevens God, waaraan het offerde. De wachter, die hier bedoeld wordt, is dan ook niet de ware Profeet, maar de valse, van wien in het volgende gedeelte gezegd wordt, dat hij een strik is des vogelvangers.
Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gibea; bij hun afgoderij zijn nog zeer vele gruwelen gevoegd, gelijk aan die toen het bijwijf van den Leviet werd geschonden, tengevolge waarvan de stam van Benjamin bijna geheel werd uitgeroeid (Richt. 19 en 20); Hij zal hunner ongerechtigheid gedenken, daar op gelijke zonde ook gelijke straf moet volgen, Hij, de Heere, die toen het vonnis over Benjamin liet volvoeren, zal nu ook hun zonden, Efraïms misdaad, bezoeken, door hen uit te roeien uit het land. Wanneer een volk diep in de goddeloosheid verzonken is, dan brengt het vele valse Profeten voort, die op hun beurt wederom het volk bederven. Die ingevingen voorwenden (“de bezielden” Hebr. “de mannen des geestes”) worden, gelijk Luther zegt, tot sectengeesten, die het volk met nieuwe goddeloze leringen bedwelmen. ” Wanneer God zegt, dat Hij de zonden niet zal gedenken, zo betekent dat ene belofte van kwijtschelding, en wanneer Hij dreigt ze gedachtig te zullen zijn, zo is het ene bedreiging van niet te zullen vergeven. 10. De tweede hoofdafdeling van het tweede deel van ons Boek begint met het volgende vers, en gaat voort tot Hoofdst. 11:11. Daarin wordt voorgesteld, dat Israël van oude tijden af de betoningen van Goddelijke liefde en genade slechts vergolden heeft met afval van God, met afgodendienst, en dat nu de maat is vol geworden, de Heere het ontrouwe volk met gehele verwoesting van zijn rijk en met verbanning naar Assyrië moet straffen. Drie malen (Hoofdst. 9:10; 10:1; 11:1 grijpt de strafrede, moeilijk door haren rijkdom aan toespelingen en door hare korte uitdrukkingen, terug in de tijden van het ontstaan des volks door de wonderdaden Gods. Vervolgens komt zij terug op de ontaarding en de afgoderij van den tegenwoordigen tijd, om daarna de bijzondere zonden te bestraffen, en het gericht aan te kondigen. Ten slotte wijst de Profeet, even als in Hoofdst. 6:1 vv. op de bekering des volks, welke op de straffen zal volgen. De barmhartigheid des Heeren zal het volk niet geheel verdelgen, maar het eindelijk weer uit de verstrooiing vergaderen en in zijne huizen plaatsen.
Ik vond Israël, toen Ik het na de uitleiding uit Egypte tot Mijn eigendom verkoos, en aan den Sinaï een verbond met hen sloot (Ex. 19 en 20), als druiven in de woestijn (Deut. 32:10), en deze, die men in zulk ene onvruchtbare woeste streek niet zou verwachten, zijn daarom dubbel welkom; Ik zag uwe vaderen met een zelfde welgevallen aan als de eerste vrucht aan den vijgeboom in haar beginsel wordt aangezien door hem, die dien geplant heeft. Men mocht grote verwachtingen koesteren, maar zij gingen in tot a) Baäl-Peor, den afgod der Moabieten (Num. 25:3); en zonderden zich af, hoewel zij toch Mijne verloofden waren (Ex. 19:6. (Num. 6:21), tot die schaamte, tot die afgoderij, welke van schandelijke ontucht vergezeld is, en werden ganselijk verfoeilijk na hun boelerij, even verfoeilijk als hun boelen zelf (Num. 25:1 vv.).
Ps. 106:28. De Profeet noemt van al den opstand tegen Jehova alleen den afgodendienst met Baäl-Peor, omdat de hoofdzonde van Israël grove en fijne Baäl-dienst was; want dat hij dezen op het oog heeft, en den afval der tien stammen als ene voortzetting van den afgodendienst beschouwt, toont ons de straf aan, welke, gelijk het volgende vers aanwijst, Efraïm daarvoor zal treffen.
Aangaande Efraïm, hunlieder heerlijkheid, de grote menigte van het volk, waarop het zich beroemt, zal wegvliegen als een vogel, zodat daarvan niets meer zal te zien zijn; van de geboorte, en van moeders buik, en van de ontvangenis af. 1)
In het Hebr. Milledah oemibbèten oemeherajoon. Beter: er zal geen geboorte, geen zwangerschap, geen ontvangen meer zijn. De ontuchtige dienst van de afgoden zal ten gevolge hebben de straf Gods, dat er geen geslacht meer zal voortkomen. Zelfs, zoals in het volgende vers wordt gedreigd, zullen de kinderen, die geboren zijn, niet tot vollen wasdom komen. De Heere dreigt hier met volkomene uitsterving.
Ofschoon zij hun kinderen mochten groot maken, al mocht hun dat ook gelukken, Ik zal er hen toch van beroven, daar Ik de opgewassen zonen en dochters zal doen omkomen (Deut. 32:25), dat zij onder de mensen niet zullen zijn; want ook, wee hun voor hun personen, als Ik van hen zal geweken zijn! Wat zullen zij dan beginnen? Hoe zullen zij in leven blijven? Wanneer God in genade tegenwoordig is, dan is Hij voor ons licht, leven, liefde, troost, vreugde, herder, geneesmeester, bruidegom, vader en moeder; wanneer Hij dus van ons wijkt, zo ontvlucht ons ook dit alles, even als wanneer de zon ondergaat de duisternis ook alles vervult. (J. SCHMIDT).
Efraïm is gelijk als Ik Tyrus aanzag, de rijke en heerlijke stad, die geplant is in ene liefelijke woonplaats, het was in het bezit van al wat men heerlijks in de natuur heeft, en daarbij veilig en onaangerand als op ene rots; maar Efraïm zal ten straffe voor zijnen afval van Mij zijne kinderen moeten uitbrengen tot den doodslager; zijne oorlogen tegen den naderenden vijand zullen niets anders zijn, dan of men zijne jonge mannen den beul tegemoet voert.
Geef hun HEERE! zo roep thans ik, de Profeet, in het gericht, dat hiermede begonnen is, geef hun, wat Gij in het raadsbesluit Uwer gerechtigheid hun hebt toegedacht. Wat zult Gij geven? Ik weet het reeds uit de openbaring (vs. 11), die mij ten deel werd. De zegen van borst en schoot aan Jozef beloofd (Gen. 49:25) zal in een vloek (Deut. 28:10) veranderen. Alzo spreek ik mijne oproeping aan God meer bepaald uit: Geef hun ene a) misdragende baarmoeder, en uitdrogende borsten 1), zodat zij gene kinderen meer kunnen voortbrengen in het land, waar alles moet zijn weggevoerd.
Luk. 23:29.
Hier bereikt de aangekondigde straf, of liever de dreiging, haar hoogste punt. De Profeet treedt niet als voorbidder van het volk op, maar keurt de straf goed, vanwege zo veel zonde en afval van zijn volk. Calvijn is van mening: dat de Profeet hier zo spreekt om daarmee nog van den Heere af te bidden, dat er geen nakomelingschap meer zal komen, waar zulk een harde straf zal moeten worden voltrokken, opdat al wat nog geboren wordt niet in de handen der wrede vijanden valle.
Al hun boosheid, zo antwoordde mij de Heere, het recht tot zulk ene bede aanwijzende, en de vervulling daarvan in hare gevolgen blootleggende, al hun boosheid is te a) Gilgal 1), heeft haar toppunt in den gruwelijken afgodendienst, zo als te Gilgal wordt gedaan (Hoofdst. 4:15), want daar heb ik ze gehaat, omdat zij daar juist ten toppunt klom, is Mijn haat ontzettend geworden, om de boosheid hunner handelingen, Ik zal ze even als een man zijne vrouw, die hij niet langer kan dulden, uit Mijn huis uitdrijven: zij zal niet langer tot Mijne gemeente behoren of aandeel aan Mijne genadegoederen hebben; Ik zal ze voortaan niet meer liefhebben; al hun b) vorsten zijn afvalligen; sedert het begin van dat koninkrijk is er niet een, die den kalverendienst niet aanhing, en het volk in het afvallen van Mij niet sterkte.
(Hos. 12:12. b) Jes. 1:23.
Grotius vermoedt, dat hier een verborgen zin is. Golgotha is in het Syrisch hetzelfde als Gilgal in ‘t Hebreeuws. Daarom denkt hij, dat hier wordt gedoeld op Christus sterven op Golgotha, welke de grootste zonde was der Joodse natie, en waarvan waarlijk mag gezegd worden, dat al hun goddeloosheid in deze ééne daad was verenigd. .
Efraïm is geslagen, hij is gelijk een gewas dat door de zonnesteek is getroffen (Ps. 121:6), of door een worm is gestoken (Jon. 4:7); hunlieder wortel is verdord; zij zullen gene vrucht voortbrengen, maar afgehouwen en in het vuur geworpen (Matth. 3:10); zo blijft het niet bij hetgeen gij in uwe bede (vs. 14) uit Mijn vonnis (vs. 11) hebt herhaald, maar ook het in vs. 12 gezegde zal aan hen worden volbracht; ja, ofschoon zij genereerden, zo zal Ik toch de gewenste vruchten van hunnen buik, die zij met moeite groot brachten, en als bijzondere schat beschouwden, doden. Wanneer aan enen boom de takken verdorren, zo heeft men hoop, dat hij nog weer zal uitlopen, maar waar de wortel verdort, is alle hoop verdwenen. Het moet aantonen, dat de tien stammen niet weer in het rijk zouden komen en een eigen koninkrijk worden. (J. SCHMIDT). Dat mag wel genoemd worden zijn ambt al zuchtende waarnemen, wanneer men ten laatste zijne toehoorders, die nooit wilden horen noch gehoorzamen, zo aan het rechtvaardig oordeel Gods moet overlaten, dat God met hen handelde, zo als zij te voren met Zijn woord hebben gehandeld. Wel den knecht, die bij zo weinig goeds, dat hij kon te weeg brengen, toch het vrijmoedig toegaan en de blijde aanspraak “mijn God” niet verliest.
Mijn God, dien ik, de Profeet, bijna alleen nog dien onder dit verdraaid en krom geslacht (vs. 8), zal ze verwerpen, dit is het treurig einde van de rede, die in vs. 10 over Efraïm begon, Hij zal ze verwerpen, omdat zij naar Hem niet horen 1) noch naar hetgeen Hij door Zijn Profeten laat bekend maken; en zij zullen na die verwerping omzwervende zijn onder de Heidenen, onder welke zij verbannen zijn, gekweld door hun boos geweten (Deut. 28:65).
Altijd verdedigen de Profeten de rechtvaardigheid Gods, tegen de goddeloze klachten der mensen, die murmureren, indien God hen enigszins hard straft, en jammeren, dat Hij wreed is en geen maat houdt. De Profeten sluiten derhalve den mond aan de goddelozen, opdat zij hun lasteringen niet tegen God uitbraken, en tot dit gedeelte der onderwijzing is de Profeet nu gevorderd. Zolang de Heere zich verwaardigde Zijn zorg te koesteren jegens Zijn volk, bleef het nog op zijn plaats staan, maar nu zegt hij dat de Heere het geheel verworpen heeft. Wat bleef er dan over dan dat het geheel verloren ging.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel