Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
De bazuinH7782 aan uw mondH2441; hij komt als een arendH5404 tegen het huisH1004 des HEERENH3068; omdat zij Mijn verbondH1285 hebben overtredenH5674, en zijn tegen Mijn wetH8451 afvalligH6586 geworden.
De bazuin aan uw mond; hij komt als een arend tegen het huis des HEEREN; omdat zij Mijn verbond hebben overtreden, en zijn tegen Mijn wet afvallig geworden.
KJV
Set the trumpet3
to thy mouth.2
He shall come as an eagle4
against the house6
of the LORD,7
because they have transgressed9
my covenant,10
and trespassed13
against my law.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Dan zullen zij tot Mij roepenH2199: Mijn GodH430! wij, IsraelH3478, kennenH3045 U.
Dan zullen zij tot Mij roepen: Mijn God! wij, Israel, kennen U.
KJV
Israel5
shall cry2
unto me, My God,3
we know
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
IsraelH3478 heeft het goedeH2896 verstotenH2186; de vijandH341 zal hem vervolgenH7291.
Israel heeft het goede verstoten; de vijand zal hem vervolgen.
KJV
Israel2
hath cast off1
the thing that is good:3
the enemy4
shall pursue
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Zij hebben koningenH4427 gemaakt, maar nietH3808 uitH4480 Mij; zij hebben vorstenH7786 gesteld, maar Ik heb het nietH3808 gekendH3045; van hun zilverH3701 en hun goudH2091 hebben zij voor zichzelven afgodenH6091 gemaaktH6213, opdatH4616 zij uitgeroeidH3772 worden.
Zij hebben koningen gemaakt, maar niet uit Mij; zij hebben vorsten gesteld, maar Ik heb het niet gekend; van hun zilver en hun goud hebben zij voor zichzelven afgoden gemaakt, opdat zij uitgeroeid worden.
KJV
They have set up kings,2
but not by me: they have made princes,
and I knew7
it not: of their silver8
and their gold9
have they made10
them idols,12
that they may be cut off.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Uw kalfH5695, o SamariaH8111! heeft u verstotenH2186; Mijn toornH639 is tegen hen ontstokenH2734; hoe langH4970 zullen zij de reinigheid niet verdragen?
Uw kalf, o Samaria! heeft u verstoten; Mijn toorn is tegen hen ontstoken; hoe lang zullen zij de reinigheid niet verdragen?
KJV
Thy calf,2
O Samaria,3
hath cast1
thee off; mine anger5
is kindled4
against them: how long will it be ere9
they attain10
to innocency?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Want dat is ook uit IsraelH3478; een werkmeesterH2796 heeft het gemaaktH6213, en het is geenH3808 GodH430, maarH3588 hetH1931 zal tot stukkenH7616 worden, het kalfH5695 van SamariaH8111.
Want dat is ook uit Israel; een werkmeester heeft het gemaakt, en het is geen God, maar het zal tot stukken worden, het kalf van Samaria.
KJV
For from Israel2
was it also: the workman4
made5
it; therefore it is not God:7
but the calf12
of Samaria13
shall be broken in pieces.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
WantH3588 zij hebben windH7307 gezaaidH2232, en zullen een wervelwindH5492 maaienH7114; het zal geen staande korenH7054 hebben, het uitspruitselH6780 zal geen meelH7058 makenH6213; of het misschien maakteH6213, vreemdenH2114 zullen het verslindenH1104.
Want zij hebben wind gezaaid, en zullen een wervelwind maaien; het zal geen staande koren hebben, het uitspruitsel zal geen meel maken; of het misschien maakte, vreemden zullen het verslinden.
KJV
For they have sown3
the wind,2
and they shall reap5
the whirlwind:4
it hath no stalk:6
the bud9
shall yield11
no meal:12
if13
so be it yield,14
the strangers15
shall swallow it up.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
IsraelH3478 is verslondenH1104; nuH6258 zijn zijH1961 onder de heidenenH1471 geworden, gelijk een vatH3627, waar men geenH369 lustH2656 toe heeft.
Israel is verslonden; nu zijn zij onder de heidenen geworden, gelijk een vat, waar men geen lust toe heeft.
KJV
Israel2
is swallowed up:1
now shall they be among the Gentiles5
as a vessel6
wherein is no pleasure.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
WantH3588 zij zijn opgetogenH5927 naar AssurH804, een woudezelH6501, die alleen voor zichzelven is; die van EfraimH669 hebben boelenH158 om hoerenloon gehuurdH8566.
Want zij zijn opgetogen naar Assur, een woudezel, die alleen voor zichzelven is; die van Efraim hebben boelen om hoerenloon gehuurd.
KJV
For they are gone up3
to Assyria,4
a wild ass5
alone6
by himself: Ephraim8
hath hired9
lovers.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
DewijlH3588 zij dan onder de heidenenH1471 boelen om hoerenloon gehuurdH8566 hebben, zo zal Ik die nu ook verzamelenH6908; ja, zij hebben al een weinigH4592 begonnenH2490, vanwege den lastH4853 van den koningH4428 der vorstenH8269.
Dewijl zij dan onder de heidenen boelen om hoerenloon gehuurd hebben, zo zal Ik die nu ook verzamelen; ja, zij hebben al een weinig begonnen, vanwege den last van den koning der vorsten.
KJV
Yea, though they have hired3
among the nations,4
now will I gather6
them, and they shall sorrow7
a little8
for the burden9
of the king10
of princes.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
OmdatH3588 EfraimH669 de altarenH4196 vermenigvuldigdH7235 heeft tot zondigenH2398, zo zijnH1961 hem de altarenH4196 geworden tot zondigenH2398.
Omdat Efraim de altaren vermenigvuldigd heeft tot zondigen, zo zijn hem de altaren geworden tot zondigen.
KJV
Because Ephraim3
hath made many2
altars4
to sin,5
altars8
shall be unto him to sin.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Ik schrijfH3789 hem de voortreffelijkhedenH7230 Mijner wetH8451 voor; maar die zijn geachtH2803 als wat vreemdsH2114.
Ik schrijf hem de voortreffelijkheden Mijner wet voor; maar die zijn geacht als wat vreemds.
KJV
I have written1
to him the great things3
of my law,4
but they were counted7
as a strange thing.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Aangaande de offerandenH2076 Mijner gavenH1320, zij offeren vleesH1320, en etenH398 het, maar de HEEREH3068 heeft aan hen geenH3808 welgevallenH7521. NuH6258 zal Hij hunner ongerechtigheidH5771 gedenkenH2142, en hun zondenH2403 bezoekenH6485; zijH1992 zullen weder in EgypteH4714 kerenH7725.
Aangaande de offeranden Mijner gaven, zij offeren vlees, en eten het, maar de HEERE heeft aan hen geen welgevallen. Nu zal Hij hunner ongerechtigheid gedenken, en hun zonden bezoeken; zij zullen weder in Egypte keren.
KJV
They sacrifice3
flesh4
for the sacrifices1
of mine offerings,2
and eat5
it; but the LORD6
accepteth8
them not; now will he remember10
their iniquity,11
and visit12
their sins:13
they shall return16
to Egypt.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Want IsraelH3478 heeft zijn MakerH6213 vergetenH7911, en tempelenH1964 gebouwdH1129, en JudaH3063 heeft vasteH1219 stedenH5892 vermenigvuldigdH7235; maar Ik zal een vuurH784 zendenH7971 in zijn stedenH5892, dat zal haar paleizenH759 verterenH398.
Want Israel heeft zijn Maker vergeten, en tempelen gebouwd, en Juda heeft vaste steden vermenigvuldigd; maar Ik zal een vuur zenden in zijn steden, dat zal haar paleizen verteren.
KJV
For Israel2
hath forgotten1
his Maker,4
and buildeth5
temples;6
and Judah7
hath multiplied8
fenced10
cities:9
but I will send11
a fire12
upon his cities,13
and it shall devour14
the palaces
bazuin aan uw
Dit is een haastige en onvolkomen manier van spreken, die men pleegt te gebruiken in een onvoorzienen haastigen overval. Men kan dit nemen als woorden Gods tot den profeet, dien Hij gebiedt zijne stem als een bazuin te verheffen, vermits de ongevoeligheid en hardnekkigheid van het volk, gelijk Jes. 58:1 , enz. Of, als ene afbeelding van den aanstaanden nood en aankomst van den vijand, wanneer men gewoon is alarm te maken; zie boven Hos. 5:8 .
Hertaald:
bazuin aan uw
Dit is een gehaaste en onvolledige manier van spreken, zoals men die gebruikt bij een onverwachte, plotselinge overval. Men kan dit opvatten als woorden van God tot de profeet, die Hij beveelt zijn stem als een bazuin te verheffen vanwege de ongevoeligheid en hardnekkigheid van het volk, zoals Jes. 58:1, enzovoort. Of als een schildering van de dreigende nood en de komst van de vijand, waarbij men gewoonlijk alarm slaat; zie Hos. 5:8.
mond;
Hebreeuws, gehemelte.
Hertaald:
mond;
Hebreeuws: gehemelte.
hij komt
Te weten, de vijand, de koning van Assyrië.
Hertaald:
hij komt
Namelijk de vijand, de koning van Assyrië.
arend tegen
Vergelijk Jer. 48:40 , met de aantekening.
Hertaald:
arend tegen
Vergelijk Jer. 48:40 met de aantekening.
huis des HEEREN;
Te weten, Israël, of de tien stammen, [gelijk het volgende uitwijst] die dien naam mede voerden, en Gods volk wilden geacht zijn. Sommigen menen dat God hier van Juda spreekt, en verstaan den tempel van Jeruzalem, en door den vijand Nebukadnezar.
Hertaald:
huis des HEEREN;
Namelijk Israël, of de tien stammen, zoals het vervolg uitwijst, die deze naam ook droegen en voor Gods volk wilden doorgaan. Sommigen menen dat God hier over Juda spreekt en verstaan de tempel in Jeruzalem, en onder de vijand Nebukadnezar.
afvallig geworden
Zie boven Hos. 7:13 .
Hertaald:
afvallig geworden
Zie Hos. 7:13.
zij tot Mij
Te weten, die van Israël, gelijk het volgende verklaart.
Hertaald:
zij tot Mij
Namelijk die van Israël, zoals het vervolg verklaart.
roepen
Mijn God! Niet uit geloof en bekering, maar alleenlijk uit gevoel van de voorzegde en gedreigde ellende.
Hertaald:
roepen
Mijn God! Niet uit geloof en bekering, maar alleen uit gevoel van de voorzegde en gedreigde ellende.
wij, Israël, kennen U
Wij voeren immers den naam van uw volk Israël, en hebben uw woord gehoord en doen belijdenis van uwen dienst; vergelijk Matt. 7:21-22 ; Luc. 13:26-27 . Anderen aldus: Wij kennen U, [wij zijn] Israël; in een zin.
Hertaald:
wij, Israël, kennen U
Wij dragen toch de naam van Uw volk Israël, wij hebben Uw woord gehoord en belijden Uw dienst; vergelijk Matth. 7:21-22; Luk. 13:26-27. Anderen aldus: wij, Israël, kennen U — in dezelfde betekenis.
goede verstoten;
Al mijn heilzame leringen en vermaningen, welker navolging hun geestelijke en lichamelijke behoudenis zou geweest zijn.
Hertaald:
goede verstoten;
Al Mijn heilzame leringen en vermaningen, waarvan het navolgen hun geestelijke en lichamelijke behoud geweest zou zijn.
vijand zal hem vervolgen
Van wien vs.1 gesproken is.
Hertaald:
vijand zal hem vervolgen
Over wie in vers 1 gesproken is.
uit Mij;
Dat is, zonder mij in het opwerpen en maken van hunne koningen raad te vragen, of mijn bevel te verwachten; alhoewel anderszins de scheiding der tien stammen van Juda niet zonder Gods rechtvaardig bestuur en regering geschied is; zie 1 Kon. 11:31 , enz.; onder Hos. 13:11 , en vergelijk Jes. 30:1 , en Jes. 54:15 .
Hertaald:
uit Mij;
Dat is: zonder Mij bij het opwerpen en aanstellen van hun koningen om raad te vragen of Mijn bevel af te wachten — hoewel de scheiding van de tien stammen van Juda overigens niet zonder Gods rechtvaardige bestuur en regering gebeurd is; zie 1 Kon. 11:31, enzovoort, en Hos. 13:11, en vergelijk Jes. 30:1 en Jes. 54:15.
vorsten gesteld,
De woorden koningen en vorsten, worden hier verwisseld, gelijk boven Hos. 7:7 , Hos. 7:16 .
Hertaald:
vorsten gesteld,
De woorden koningen en vorsten worden hier afgewisseld, zoals Hos. 7:7, Hos. 7:16.
niet gekend;
Niet dat den alwetenden God dit enigszins onbekend zou geweest zijn, maar deze manier van spreken wil zeggen dat God hun maken van koningen niet voor goed heeft gekend. Vergelijk Ps. 1:6 , met de aantekening.
Hertaald:
niet gekend;
Niet dat dit de alwetende God enigszins onbekend zou zijn geweest, maar deze manier van spreken wil zeggen dat God hun maken van koningen niet als goed erkend heeft. Vergelijk Ps. 1:6 met de aantekening.
afgoden gemaakt,
Zie van het Hebreeuwse woord 2 Sam. 5:21 , en versta hier, de gouden kalven te Dan en Bethel en andere afgodische beelden, gelijk onder Hos. 13:2 , en Hos. 14:9 .
Hertaald:
afgoden gemaakt,
Zie over het Hebreeuwse woord 2 Sam. 5:21, en versta hier de gouden kalveren in Dan en Bethel en andere afgodsbeelden, zoals Hos. 13:2 en Hos. 14:9.
opdat zij uitgeroeid worden
Hebreeuws, opdat hij uitgeroeid werd; dat is, elkeen van hen, of Israël. de zin is dat zij door deze afgoderij hun eigen verderf hebben veroorzaakt. Vergelijk Jer. 18:16 ; Mi. 6:16 , met de aantekening.
Hertaald:
opdat zij uitgeroeid worden
Hebreeuws: opdat hij uitgeroeid werd; dat is: ieder van hen, of Israël. De betekenis is dat zij door deze afgoderij hun eigen verderf veroorzaakt hebben. Vergelijk Jer. 18:16; Micha 6:16 met de aantekening.
kalf, o Samaria
Uw afgodische kalverdienst, die uwe koningen, o Samaria [die binnen u hun hof houden] gesticht en gevoed hebben.
Hertaald:
kalf, o Samaria
Uw afgodische kalverdienst, die uw koningen — die in u hun hof houden, o Samaria — gesticht en gevoed hebben.
u verstoten;
Te weten gij Israëlieten. De zin is, gelijk zij het goede van zich verstoten hebben, [boven vs.3,] zo zal het kwaad, dat zij verkoren hebben, te weten de afgoderij, hun uit hun land verstoten; dat is, de oorzaak daarvan zijn. Anders: uw kalf heeft [u] verlaten. Moetende zelf als in gevangenschap het land uitgevoerd worden. Zie onder Hos. 10:6 . Of aldus, Hij [de Heere] heeft uw kalf, o Samaria, verstoten, gelijk gij zijn goed verstoten hebt, alzo verstoot Hij uw kwaad.
Hertaald:
u verstoten;
Namelijk u, Israëlieten. De betekenis is: zoals zij het goede van zich verstoten hebben (vers 3), zo zal het kwaad dat zij verkozen hebben, namelijk de afgoderij, hen uit hun land verstoten, dat is: daarvan de oorzaak zijn. Anders: uw kalf heeft u verlaten, omdat het zelf als in gevangenschap het land uitgevoerd moet worden. Zie Hos. 10:6. Of aldus: Hij, de HEERE, heeft uw kalf verstoten, o Samaria; zoals u Zijn goed verstoten hebt, zo verstoot Hij uw kwaad.
reinigheid
Vergelijk Jer. 13:27 .
Hertaald:
reinigheid
Vergelijk Jer. 13:27.
verdragen?
Of, vermogen. Het kan ook een afgebroken rede zijn, uit verdriet en toornigheid, aldus: Hoelang zullen zij gene reinheid kennen; te weten bekomen, doen, plegen?
Hertaald:
verdragen?
Of: vermogen. Het kan ook een afgebroken uitroep zijn, uit verdriet en toorn: hoelang zullen zij geen reinheid kennen, namelijk verkrijgen, doen, betrachten?
dat is ook uit Israël;
Te weten, gouden kalf, [in het begin van het voorgaande en in het einde van dit vs. vermeld] is van Israël afgekomen, zij hebben het van mij niet geleerd, maar het is een vond en werk van hun eigen goddeloosheid, gelijk eertijds het kalf in de woestijn een vond geweest is van hunne voorvaders.
Hertaald:
dat is ook uit Israël;
Namelijk het gouden kalf, dat aan het begin van het vorige vers en aan het einde van dit vers genoemd wordt, is uit Israël voortgekomen; zij hebben het niet van Mij geleerd, maar het is een vondst en werk van hun eigen goddeloosheid, zoals vroeger het kalf in de woestijn een vondst van hun voorvaders was.
stukken worden,
Of, klein schaafsel, gruis, morsel. Dit schijnt te zien op de vermaling van het gouden kalf, Ex. 32:20 , alsof God zeide: Wat een fijne god is dat, die zichzelven niet beter kan behouden.
Hertaald:
stukken worden,
Of: klein schaafsel, gruis, kruimels. Dit lijkt te zien op het vermalen van het gouden kalf in Ex. 32:20, alsof God zei: wat een fijne god is dat, die zichzelf niet beter kan bewaren.
wind gezaaid,
Dat is, afgoderij en heidense verbonden hebben zij nagejaagd, dies zullen zij de vrucht hunner werken genieten; zodanig hun doen is, zodanige straf zal er op volgen. Vergelijk Job 4:8 , met de aantekening en onder Hos. 12:2 .
Hertaald:
wind gezaaid,
Dat is: zij hebben afgoderij en heidense verbonden nagejaagd; daarom zullen zij de vrucht van hun werken genieten. Zoals hun doen is, zo zal de straf erop volgen. Vergelijk Job 4:8 met de aantekening en Hos. 12:2.
wervelwind maaien;
Dat is, Gods schrikkelijke en onvermijdelijke lagen. Zie Job 9:17 ; Ps. 83:16 ; Spr. 1:27 ; Jer. 4:13 ; Am. 1:14 , met de aantekening.
Hertaald:
wervelwind maaien;
Dat is: Gods verschrikkelijke en onontkoombare aanslagen. Zie Job 9:17; Ps. 83:16; Spr. 1:27; Jer. 4:13; Amos 1:14 met de aantekening.
het zal geen staande koren hebben,
Te weten zaad, of hij, te weten Israël. Gelijk zij met ijdelheid hebben omgegaan, alzo zal al hun arbeid ijdel zijn, of niets voortbrengen; of, wat er van moge voortkomen, zal voor den vijand zijn.
Hertaald:
het zal geen staande koren hebben,
Namelijk het zaad, of: hij, namelijk Israël. Zoals zij met ijdelheid zijn omgegaan, zo zal al hun arbeid ijdel zijn en niets voortbrengen; of wat er van komt, zal voor de vijand zijn.
uitspruitsel
Of, gewas, zonder iets van voortkomt.
Hertaald:
uitspruitsel
Of: gewas, zonder dat er iets uit voortkomt.
maken;
Dat is, geven, daar zal geen meel van komen, en zo in het volgende, en onder Hos. 9:16 ; zie Ps. 1:3 .
Hertaald:
maken;
Dat is: geven; er zal geen meel van komen, en zo ook in het vervolg en in Hos. 9:16; zie Ps. 1:3.
vreemden
Of, uitlandse, dat is heidense vijanden.
Hertaald:
vreemden
Of: buitenlandse, dat is: heidense vijanden.
verslinden
Dat is, zal zekerlijk van de vijanden verteerd worden, waarvan de beginselen klaar zijn.
Hertaald:
verslinden
Dat is: zal zeker door de vijanden verteerd worden, waarvan het begin al duidelijk zichtbaar is.
nu zijn zij onder de heidenen geworden,
Zij zijn alrede veracht bij de omliggende heidenen, en zullen het al haast nog meer worden. Vergelijk vs.10.
Hertaald:
nu zijn zij onder de heidenen geworden,
Zij worden nu al door de omliggende heidenen veracht, en zullen dat spoedig nog veel meer worden. Vergelijk vers 10.
vat,
Gelijk Jer. 22:28 . Zie aldaar; idem Ps. 31:13 , en vergelijk Jes. 30:14 .
Hertaald:
vat,
Zoals Jer. 22:28; zie daar, en ook Ps. 31:13, en vergelijk Jes. 30:14.
Assur,
Om hun staat door gunst en hulp van den koning van Assyrië te bevestigen. Zie 2 Kon. 15:19-20 .
Hertaald:
Assur,
Om hun staat te bevestigen door de gunst en hulp van de koning van Assyrië. Zie 2 Kon. 15:19-20.
woudezel,
Dat is, wilden, wreden en onbeleefden, rovende voor zichzelven, niet zoekende dan zijn eigen voordeel, om een ander zich niet bekommerende; zie Job 24:5 , en Job 39:8 . Sommigen duiden het op Israël, overal om hulp en verbond lopende, als een onbetemde wilde woudezel, die overal op de lucht gaat en dommelijk voeder zoekt, doch dikwijls niet vindt, en zelf anderen ten roof wordt. Vergelijk Jer. 2:24 .
Hertaald:
woudezel,
Dat is: wild, wreed en onbeschaafd, rovend voor zichzelf, alleen zijn eigen voordeel zoekend en zich niet om een ander bekommerend; zie Job 24:5 en Job 39:8. Sommigen betrekken het op Israël, dat overal om hulp en verbond rondloopt als een ontemde wilde woudezel, die overal in het wilde weg rondzwerft en dom voedsel zoekt, dat vaak niet vindt en zelf een prooi voor anderen wordt. Vergelijk Jer. 2:24.
boelen om hoerenloon gehuurd
Dat is, helpers en bondgenoten, verlatende hun rechten man, Heere en bondgenoot, namelijk God. Hebreeuws, liefden, minnen, of boelerijen; dat is, boelen, minnaars; zie Job 35:13 , en Jer. 27:9 .
Hertaald:
boelen om hoerenloon gehuurd
Dat is: helpers en bondgenoten, waarbij zij hun wettige man, Heere en bondgenoot verlaten, namelijk God. Hebreeuws: liefdes of boelerijen; dat is: minnaars; zie Job 35:13 en Jer. 27:9.
Dewijl zij dan
Of, schoon zij, hoewel zij, maar ofschoon zij, enz., zo zal Ik hen [toch] verzamelen, enz., gelijk de Hebreeuwse woorden genomen zijn, onder Hos. 9:16 . Alsof de Heere zeide: Zij mogen zoveel helpers huren als zij willen, het zal hun toch niet helpen.
Hertaald:
Dewijl zij dan
Of: hoewel zij, maar al zouden zij, enzovoort — dan zal Ik hen toch verzamelen, enzovoort, zoals de Hebreeuwse woorden ook in Hos. 9:16 opgevat worden. Alsof de HEERE zei: zij mogen zoveel helpers huren als zij willen, het zal hun toch niet baten.
die nu ook verzamelen;
Die heidense helpers, die zij gehuurd hebben, zal Ik tegen henzelven verzamelen om inplaats van hulp, hen te bederven; vergelijk Ezech. 16:37 . Anders: Ik zal hen [de Israëlieten] verzamelen, te weten om hun den vijanden over te geven en het land uit te drijven, gelijk dit woord somtijds ook voor verzamelen ter straf gebruikt wordt; zie Ps. 26:9 .
Hertaald:
die nu ook verzamelen;
Die heidense helpers die zij gehuurd hebben, zal Ik tegen henzelf verzamelen, om hen in plaats van te helpen te verderven; vergelijk Ezech. 16:37. Anders: Ik zal hen — de Israëlieten — verzamelen, namelijk om hen aan de vijanden over te geven en het land uit te drijven, zoals dit woord soms ook gebruikt wordt voor verzamelen ter straffe; zie Ps. 26:9.
zij hebben al een weinig begonnen,
De boelen, die zij gezocht en gehuurd hebben, tot hunne hulp, hebben hen al begonnen te plagen, doch dat is maar een weinig ten aanzien van de rest, die volgen zal. Anders: dat zij weinig smart zullen hebben van, enz.; dat is, het volgende lijden zal zo groot zijn, dat zij weinig gedenken zullen aan dezen last.
Hertaald:
zij hebben al een weinig begonnen,
De minnaars die zij tot hun hulp gezocht en gehuurd hebben, zijn hen al beginnen te plagen; maar dat is nog maar weinig vergeleken bij de rest die volgen zal. Anders: zodat zij weinig smart zullen hebben van, enzovoort; dat is: het lijden dat nog komt zal zo groot zijn dat zij nauwelijks nog aan deze last zullen denken.
last van den koning
Dat is, de belasting, die de koning van Assyrië Israël had opgelegd; zie 2 Kon. 15:19-20 , en 2 Kon. 17:3 .
Hertaald:
last van den koning
Dat is: de belasting die de koning van Assyrië Israël opgelegd had; zie 2 Kon. 15:19-20 en 2 Kon. 17:3.
der vorsten
Van den groten koning van Assyrië, die vele vorsten en prinsen onder zich heeft; vergelijk 2 Kon. 18:19 , 2 Kon. 18:24 ; Jes. 10:8 ; Eze 31 .
Hertaald:
der vorsten
Namelijk van de grote koning van Assyrië, die veel vorsten en prinsen onder zich heeft; vergelijk 2 Kon. 18:19, 2 Kon. 18:24; Jes. 10:8; Ezech. 31.
vermenigvuldigd heeft tot zondigen,
Dewijl zij enkel de gruwelijke zonde der afgoderij hebben willen bedrijven, zonder maat en einde, zo zal Ik hen ook daarin laten voortgaan, en alzo zonde op zonde doen hopen, tot hun rechtvaardige straf; of, Ik zal hen onder de heidenen wegvoeren, waar zij dan de afgodische altaren genoeg of de volheid zullen hebben, en tot allerlei afgoderij gedwongen worden. Zie Jer. 5:19 , en onder Hos. 9:3 , en van het woord zonde, in zake van afgoderij, 1 Kon. 12:30 , en 1 Kon. 13:34 met de aantekening en 1 Kon. 14:16 , en 1 Kon. 15:30 , 1 Kon. 15:34 , en 1 Kon. 16:2 .
Hertaald:
vermenigvuldigd heeft tot zondigen,
Omdat zij niets anders dan de gruwelijke zonde van de afgoderij hebben willen bedrijven, zonder maat of einde, zal Ik hen daarin ook laten voortgaan en zo zonde op zonde laten stapelen, tot hun rechtvaardige straf. Of: Ik zal hen onder de heidenen wegvoeren, waar zij dan afgodische altaren genoeg zullen hebben en tot allerlei afgoderij gedwongen zullen worden. Zie Jer. 5:19 en Hos. 9:3, en over het woord zonde in verband met afgoderij 1 Kon. 12:30 en 1 Kon. 13:34 met de aantekening, en 1 Kon. 14:16, 1 Kon. 15:30, 1 Kon. 15:34 en 1 Kon. 16:2.
voortreffelijkheden
Dat is, de uitnemende, grote, heerlijke en voortreffelijke leringen van mijn woord heb Ik hun niet alleen mondelijk, maar ook schriftelijk in overvloed laten voordragen, door onderhouding van welke zij groot en machtig zouden worden. Vergelijk Jes. 42:21 .
Hertaald:
voortreffelijkheden
Dat is: de uitnemende, grote en heerlijke leringen van Mijn Woord heb Ik hun niet alleen mondeling maar ook schriftelijk in overvloed laten voorhouden; door die te onderhouden zouden zij groot en machtig worden. Vergelijk Jes. 42:21.
wet voor;
Of, leer; zie Ps. 1:2 .
Hertaald:
wet voor;
Of: leer; zie Ps. 1:2.
die zijn geacht
Voortreffelijke leringen van mijn woord.
Hertaald:
die zijn geacht
De voortreffelijke leringen van Mijn Woord.
vreemds
Zij verwerpen ze, alsof al mijne leringen hen in het minst niet aangingen, of zij daarmede niet te doen hadden; wat hunzelven lust, wat zij zelf verzinnen en bedenken, of van de heidenen aannemen, dat alleen behaagt hun.
Hertaald:
vreemds
Zij verwerpen ze alsof al Mijn leringen hen in het geheel niet aangaan of alsof zij daar niets mee te maken hebben; alleen wat henzelf bevalt, wat zij zelf verzinnen of van de heidenen overnemen, staat hun aan.
Mijner gaven,
Dat is, de vrijwillige dankoffers, die zij mij menen te offeren [van de gaven, die Ik hun in der waarheid gegeven heb,] om kwanswijs te betonen dat zij immers naar mij nog vragen en mij niet verachten.
Hertaald:
Mijner gaven,
Dat is: de vrijwillige dankoffers die zij Mij menen te offeren — van de gaven die Ik hun in werkelijkheid gegeven heb — om zogenaamd te tonen dat zij toch nog naar Mij vragen en Mij niet verachten.
maar de HEERE
Veranderende mijne offeranden in onheilige mestbanketten, zij zijn niet tot mijn dienst, maar voor hun mond en buik; vergelijk Jer. 7:21 .
Hertaald:
maar de HEERE
Doordat zij Mijn offeranden veranderen in onheilige vetpartijen; die zijn niet voor Mijn dienst, maar voor hun mond en buik; vergelijk Jer. 7:21.
aan hen geen
Te weten, aan de offeraars, welker boosheid Hij gedenken wil, gelijk volgt. Anders: daaraan, of aan die; te weten offeranden. Vergelijk Ezech. 20:40 , en Ezech. 43:27 ; Am. 5:22 .
Hertaald:
aan hen geen
Namelijk aan de offeraars, van wie Hij de boosheid wil gedenken, zoals volgt. Anders: daaraan, of: aan die, namelijk de offeranden. Vergelijk Ezech. 20:40 en Ezech. 43:27; Amos 5:22.
welgevallen
Want zij offeren niet ter plaatse, die van God daartoe is verordineerd, te weten binnen Jeruzalem in den tempel, maar tegen Gods gebod, waar het hun belieft, tot verachting Gods, en voorts zonder geloof en bekering.
Hertaald:
welgevallen
Want zij offeren niet op de plaats die God daarvoor bestemd heeft, namelijk in Jeruzalem in de tempel, maar tegen Gods gebod in waar het hun belieft, tot verachting van God, en bovendien zonder geloof en bekering.
gedenken,
Betonende zulks door straffen. Alzo Jer. 14:10 , en onder Hos. 9:9 ; zie Gen. 8:1 , en zie het tegendeel Ps. 79:8 ; Jer. 31:34 ; Ezech. 18:22 , enz.
Hertaald:
gedenken,
Door dat met straffen te tonen. Zo ook Jer. 14:10 en Hos. 9:9; zie Gen. 8:1, en zie het tegendeel in Ps. 79:8; Jer. 31:34; Ezech. 18:22, enzovoort.
bezoeken;
Te weten met straffen; zie Gen. 21:1 .
Hertaald:
bezoeken;
Namelijk met straffen; zie Gen. 21:1.
Egypte keren
Dat is, in Assyrië, waar zij behandeld zullen worden gelijk voormaals in Egypte, zij zullen weder gevoerd worden in een nieuw Egypte; vergelijk onder Hos. 9:3 , naar Egypte, om met den Egyptenaar te handelen, verlatende den koning van Assyrië, die daarover verstoord zijnde, hen verderven zal. Zie 2 Kon. 17:3-5 ; [aldus zou men door hunne ongerechtigheid verstaan de meinedigheid en trouweloosheid begaan tegen den Assyriër; vergelijk Ezech. 21:23 , en Ezech. 29:16 ,] dan zullen er sommigen naar Egypte trekken om de verwoesting der Assyriërs te ontgaan; zie onder Hos. 9:6 .
Hertaald:
Egypte keren
Dat is: naar Assyrië, waar zij behandeld zullen worden zoals vroeger in Egypte; zij zullen opnieuw naar een nieuw Egypte gevoerd worden; vergelijk Hos. 9:3. Of: naar Egypte, om met de Egyptenaar te onderhandelen en de koning van Assyrië te verlaten, die daarover verstoord hen zal verderven. Zie 2 Kon. 17:3-5; in dat geval zou men onder hun ongerechtigheid de meineed en trouweloosheid tegenover de Assyriër verstaan; vergelijk Ezech. 21:23 en Ezech. 29:16. Dan zullen sommigen naar Egypte trekken om de verwoesting door de Assyriërs te ontgaan; zie Hos. 9:6.
Maker vergeten,
Te weten God, die hen niet alleen geschapen, maar ook tot zijn volk gemaakt, bereid en alzo grootgemaakt heeft; zie Job 8:17 , en Ps. 100:3 ; Jes. 51:13 , en Jes. 54:5 .
Hertaald:
Maker vergeten,
Namelijk God, Die hen niet alleen geschapen heeft, maar ook tot Zijn volk gemaakt, toebereid en zo groot gemaakt heeft; zie Job 8:17 en Ps. 100:3; Jes. 51:13 en Jes. 54:5.
tempelen gebouwd,
Afgodische tempelen, tot den kalvendienst, te Dan en Bethel en elders, om daardoor zijnen staat vast te maken, het volk van Gods tempel te Jeruzalem af te houden, en te naderen tot de vriendschap en gemeenschap met de afgodische heidenen; vergelijk Ezech. 20:32 . Anders: paleizen; zie Jes. 9:9 .
Hertaald:
tempelen gebouwd,
Afgodische tempels voor de kalverdienst, in Dan en Bethel en elders, om daardoor zijn staat vast te zetten, het volk van Gods tempel in Jeruzalem af te houden en dichter bij de vriendschap en gemeenschap met de afgodische heidenen te komen; vergelijk Ezech. 20:32. Anders: paleizen; zie Jes. 9:9.
vaste steden vermenigvuldigd;
Om zich daardoor te verzekeren tegen des vijands aankomst, waarvan de profeten zoveel spraken; zie Jes. 22:8-9 , enz.
Hertaald:
vaste steden vermenigvuldigd;
Om zich daardoor te beveiligen tegen de komst van de vijand, waarover de profeten zoveel spraken; zie Jes. 22:8-9, enzovoort.
vuur zenden in zijn steden,
Dat is, vijandelijken oorlog, met de gevolgen van dien, allerlei plagen en ellenden; zie Job 15:34 , en Am. 1:4 , enz.
Hertaald:
vuur zenden in zijn steden,
Dat is: een vijandelijke oorlog met alle gevolgen daarvan: allerlei plagen en ellenden; zie Job 15:34 en Amos 1:4, enzovoort.
paleizen verteren
In elk der steden van het land van Juda. In het Hebreeuws staat, hare, in het enkelvoudig getal en het vrouwelijk geslacht, ziende op het land, of elke stad.
Hertaald:
paleizen verteren
In elk van de steden van het land Juda. In het Hebreeuws staat haar, in het enkelvoud en het vrouwelijk geslacht, ziend op het land of op elke stad. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Want zij hebben wind gezaaid, en zullen een wervelwind maaien; het zal geen staande koren hebben, het uitspruitsel zal geen meel maken; of het misschien maakte, vreemden zullen het verslinden" (Hos. 8:7). Het staat in een hoofdstuk dat gaat over koningen die zonder Gods goedkeuring gemaakt zijn en afgoden die van zilver en goud gegoten zijn (Hos. 8:4). Bijbelse betekenis: Merk op wat er wordt gezaaid: wind, iets zonder gewicht en zonder vrucht. En merk op wat er geoogst wordt: niet weer wind, maar een wervelwind — het kwaad komt vermenigvuldigd terug. Let vervolgens op wat er tussenin ontbreekt: er wordt geen koren genoemd dat groeit en rijpt. De hele gewone weg van zaaien naar oogsten wordt overgeslagen; wat gezaaid is zonder wortel, kan ook niet vruchtdragend geoogst worden. Let ten slotte op het laatste zinnetje: zou het toch iets opbrengen, dan eten vreemden het op. Zelfs de kleine uitzondering die men zou kunnen hopen, wordt hier al weerlegd. Typologie: Paulus vat hetzelfde principe samen in een korte spreuk: "God laat Zich niet bespotten; want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien" (Gal. 6:7). Hij werkt het verder uit: wie in zijn eigen vlees zaait, maait verderf; wie in de Geest zaait, maait het eeuwige leven (Gal. 6:8). Hos. 8:4,7; Gal. 6:7-8 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Wij zaaien allemaal; wij kunnen er niets aan doen. Niemand gaat in de morgen uit zonder een zaaikorf. En omdat wij allen zaaien, is de grote vraag die wij te overwegen hebben deze: wat zal de oogst zijn? Een preek uitgesproken op zondagavond 18 maart 1855, door C.H. Spurgeon, in Exeter Hall, Srand. Ik heb hem de grote dingen van Mijn wet geschreven, maar zij werden… Want zij hebben wind gezaaid en zullen een wervelwind maaien; het zal geen staande koren hebben, het uitspruitsel zal geen meel maken: of het misschien maakte, vreemden zullen… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Hosea 8
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Spurgeon Citaten
Ter overdenking
Verdiepende artikelen
De Bijbel
Hos. 8:7 - Wat Zal de oogst wezen?


Hosea 8
Hosea 8:7.KruisverwijzingenSpreuken 22:8→Job 4:8→Hosea 7:9→Galaten 6:7→2 Koningen 15:29→2 Koningen 13:3→Hosea 10:12→Deuteronomium 28:33→
— Want zij hebben wind gezaaid, en zullen een wervelwind maaien; het zal geen staande koren hebben, het uitspruitsel zal geen meel maken; of het misschien maakte, vreemden zullen het verslinden.
“Want zij hebben wind gezaaid, en zullen een wervelwind maaien; het zal geen staande koren hebben, het uitspruitsel zal geen meel maken; of het misschien maakte, vreemden zullen het verslinden.”
Verstandige mensen kijken vooruit om de uitkomst van hun daden te zien. Hun ogen reiken verder dan het heden, tot in de toekomst. Zij kijken voordat zij springen. Alleen de dwaas gaat blindelings voort, totdat hij ten slotte struikelt en een wanhopige en waarschijnlijk dodelijke val maakt. Ieder wijs mens zal die vraag stellen.
Ik mag weinig gezaaid hebben op mijn kleine akkertje, of ik mag ver gelopen hebben en het zaad uitgestrooid hebben over het bredere veld dat aan mijn zorg is toevertrouwd. Maar wát heb ik gezaaid, en wat zal ik maaien? Welke schoven zal ik in de oogst binnenhalen? Schoven van vuur, die tot in eeuwigheid in mijn ziel branden zullen? Of schoven van heerlijkheid, die ik met gejuich zal binnendragen op de laatste grote dag?
Hebben wij in Christus geloofd en door het geloof in Hem het eeuwige leven ontvangen, en trachten wij voor Hem te arbeiden, dan zaaien wij gezegend zaad. En al komt het vandaag niet op, en morgen niet, toch verzekert de goddelijke genade ons een oogst die wij op een van deze dagen binnenhalen zullen. Daarom mogen wij bemoedigd worden om door te arbeiden.
De landman wacht op de kostbare vrucht van de aarde. Hij wacht heel de lange en droeve winter door, door de wisselvallige dagen van de lente, door de maartse winden en de aprilse buien. Hij wacht totdat ten slotte de gouden oogst hem voor al zijn zwoegen beloont. Wat wij zaaien, zullen wij ook maaien. Onze Heere heeft het ons gezegd.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
In de nu volgende afdeling tot Hoofdst. 9:9 (vgl. de Inl. tot Hoofdst. 6:4 vv.) kondigt de Profeet het gericht der verwoesting van het Noordelijke rijk nog duidelijker. Daarbij telt hij weer de bijzondere verkeerdheden van het volk op, wijst aan, hoe de staat zich weer begint op te lossen, en waarschuwt hij voor den waan, dat aardse voorspoed van volken tegen den ondergang zekerheid geeft.
De bazuin, spreekt de Heere tot Mij, Zijnen Profeet, de bazuin, waarin de wachter blaast, wanneer de vijand nadert, aan uwen mond, om den volke het begin van Gods gerichten te melden. Zegt: hij komt als een arend, die zich met bliksemsnelheid op zijn buit werpt (Deut. 28:49), tegen het huis des HEEREN, want daartoe behoort volgens zijne roeping het rijk der Tien stammen (Hoofdst. 9:8, 14); omdat zij Mijn verbond hebben overtreden, en zijn tegen Mijne wet afvallig geworden (vs. 4).
Hierin komen de uitleggers overeen, dat de Profeet hier niet het rijk van Israël, maar dat van Juda bedreigt, dewijl hij het huis Gods noemt, wat zij dan voor den tempel opvatten. Ik geef wel toe dat reeds op twee plaatsen de Profeet heeft gesproken van het huis van Juda, maar als het ware in het voorbijgaan. Hij vlecht er de enige waarschuwing en dreiging tussen in, maar zo, dat het onderscheid duidelijk was. Nu echter zien wij niet, dat hij verder doorgaat op het rijk van Juda, maar in het tweede vers Israël noemt en eindelijk zijn strafaankondiging verheft. Hier geldt dus de rede weer de tien stammen. En zeker, ik verwonder er mij over dat de uitleggers zich inderdaad hebben vergist, dewijl het huis Gods zowel van den tempel als van geheel het volk wordt gebruikt. Zeer juist merkt Calvijn hier op, dat onder “huis Gods” verstaan wordt zowel de tempel als het volk zelf. En in de brede betekenis moet het hier worden opgevat. Dewijl het vanwege zijne afzondering uit alle andere volken en de verbondsluiting bij Sinaï een heilig volk was, stond onder de onmiddellijke regering van den Heere God, daarom wordt het hier een huis Gods genoemd. Israël meende, dat, dewijl het het huis Gods was, door God aangenomen, het niet zou wegzinken in verderf en ondergang, dat God zijn volk niet zou overgeven aan de heidenen. Het zondigde dus op de conditie, die er tussen hen en God bestond, maar daarom zegt de Heere dat Hij zal komen als een arend, snel en vlug, gelijk een arend zijn prooi grijpt.
Dan zullen zij tot Mij roepen in hunnen nood, ieder in ‘t bijzonder: Mijn God! wij, Israël, kennen U, want Gij hebt ons en onzen vaderen geopenbaard, dat wij Uw volk, Uw bijzonder eigendom zijn.
Doch hun uitwendig weten van Mij en Mijne verbondsbetrekking met Israël zal hen niet helpen, maar Ik zal tot hen zeggen: Israëlverlangt slechts naar aardse gelukzaligheid, het heeft het goede verstoten, den eeuwigen zegen, de gerechtigheid en zaligheid, welke Ik beloofd heb dengenen, die Mijn verbond houden (Ps. 103:18); de vijand, die Mijne gerichten zal volvoeren, zal hem vervolgen. “Gij zijt mijn God” is anders de hoofdinhoud van alle waar gebed. De huichelaars trekken uit de Schrift een boekje van complimenten. Wanneer zij enige uitdrukkingen vinden, die daarin geroemd worden, zo verbergen zij zich daarachter, terwijl zij verre blijven van de kracht daarvan. Waar men zich het vertrouwelijkst wil houden, als daar: “Wij Israël, kennen U. ” en zich veel gemeenschap met God aanmatigt, mag men er wel op letten, of men daarvoor wel goeden grond heeft.
Zij 1) hebben koningen gemaakt, maar niet uit Mij; terwijl Ik toch het eerste en beslissende woord had te spreken, vragen zij naar Mijnen wil niet; Zij hebben vorsten aangesteld, maar Ik heb het niet gekend; zij zijn daarin geheel naar eigen mening te werk gegaan; van hun zilver en hun goud, dat Ik hun eerst heb gegeven, en dat zij in Mijnen dienst moesten gebruiken, hebben zij voor zich zelven afgoden gemaakt, in de beide gouden kalveren te Bethel en Dan, en zij stellen voor dien dienst van de geringsten des volks aan, die zij met geld onderhouden. Zo leven zij, opdat zij uitgeroeid worden, want een ander gevolg dan dit kan zulk ene afgoderij niet hebben (Deut. 8:19 v.).
Hier tekent de Profeet twee voorbeelden aan, waarin hij de trouweloosheid en de goddeloze verstoktheid van het volk zamenvat, dat zij als het ware tegen Gods wil een nieuwen godsdienst zich hadden gefabriceerd, en ook een nieuw koningschap hadden ingesteld. Wij weten toch dat het heil van dat volk was geweest, als het ware gefundeerd in het koningschap en het priesterschap. En op die twee wijzen had God getuigd, dat Hij de kinderen Abrahams nabij was geweest. Wij weten nu, waarin het geluk der vromen in gelegen is, nl. in Christus. Doch Christus is daarom voor ons de volheid van het gelukzalige leven, dewijl Hij is Koning en Priester. Daarom heb ik gezegd, dat in het rijk en in het priesterschap de genade Gods jegens Zijn volk heeft geschitterd. Waar nu de Israëlieten de regering, welke God door de Godsspraak had ingesteld, hadden omgekeerd, waar zij ook het priesterschap hadden bedorven en verontreinigd, blusten zij zelf niet moedwillig de genade Gods uit en beproefden zij nu niet tot niets terug te brengen, wat tot hun heil was? Dit nu wijst de Profeet aan, n. l. dat in het veranderen van de regering en het Priesterschap de Israëlieten de gehele orde Gods hadden verbroken en openlijk aangetoond, dat zij niet door God had willen geregeerd worden, dewijl zij nooit hadden moeten wagen van de regering van David zelfs het minste af te wijken. Nooit ook hadden zij het moeten dulden een nieuw en overspelig priesterschap op te richten, indien enige smaak voor de vreze Gods in hun gemoederen was aanwezig geweest. De verheffing van Jerobeam I op den troon en van hen, die ene nieuwe dynastie in het rijk der tien stammen stichtten, wordt als een afval des volks van den Heere, als een niet naar Hem vragen, als een voorbijgaan van Zijne goddelijke autoriteit voorgesteld. Daarentegen laat de Heere in 1 Kon. 11:30 vv. door den profeet Ahia aan Jerobeam de heerschappij over de tien stammen verzekeren, desgelijks wordt Jehu in 2 Kon. 9 door enen Profeet, van Elisa gezonden, tot koning gezalfd. Dit eerst geenszins, gelijk van menige zijde is beweerd, ene tegenspraak. Wat de koningen aangaat, zo heeft Jerobeam later niet op Gods kregen, maar door een zelf aangestookten en op goddeloze wijze gedreven opstand de heerschappij verkregen, en Jehu, al handelde hij eerst ook in ‘t volle bewustzijn, dat hij slechts het zwaard in ‘s Heeren hand was, geraakte toch spoedig op een verkeerden weg. (2 Kon. 10:27). Het komt hier echter minder op de koningen zelf, dan op het volk aan; dat heeft noch hier noch daar, noch ooit bij de troonsverheffing van een eigen koning, of bij verandering van dynastieën naar God gevraagd en Zijnen wil uitgevorst, maar is bij de eerste koningskeuze geheel eigenmachtig te werk gegaan (1 Kon. 12:20). Het heeft later bij den val van het ene koningshuis zowel als van het andere, zonder bedenking den koningsmoordenaar en troonrover tot nieuwen koning aangenomen, en elke zamenzwering goed geheten, zodra die eens gelukt was. En toch ware het voor Israël meer den voor enig volk plicht geweest in ene zo gewichtige zaak met God te raadplegen, en Hem te laten beslissen even als geschied was bij de verheffing van Saul, David en Salomo tot den troon (1 Sam. 10:18 vv. 2 Sam. 2:4; 5:1 vv. 1 Kon. 1:48 vv. 1 Kron. 29:20 vv. 1Ki 1Ch). Israëls eigenlijke koning was toch de Heere zelf, en Hij in de eerste plaats, en Hij voor alle anderen moest het nader aanwijzen, wie over Zijn volk koning zou zijn. In de beide gevallen, die boven zijn aangegeven ten opzichte van Jerobeam I en van Jehu, heeft de Heere wel twee malen de initiatieven genomen, en Zich zelven het voorrecht om te beginnen voorbehouden, maar Hij heeft het slechts in stilte kunnen doen, het volk heeft Hem gene gelegenheid gegeven, om Zich luide te verklaren; voor het bewustzijn des volks waren daarom beide koningen evenzeer eigengemaakte, of zonder keus aangenomene koningen als alle andere.
Uw gouden kalf te Bethel, waaraan gij ‘t meest uwen godsdienst bewijst, o Samaria! heeft u verstoten 1), is de oorzaak geworden van uw verstoten door God; Mijn toorn is tegen hen. die daar niets dan afgoderij bedrijven, ontstoken; hoe lang zullen zij de reinigheid niet verdragen, hoe lang zal het duren eer zij van dien gruwel verlangen verlost te worden?
In het Hebr. Zabach egleek Sjomroon. Beter: Uw gouden kalf, o Samaria! is een walg, n. l. in Mijne ogen. Het gouden kalf stond wel niet in Samaria maar te Bethel, maar de hoofdstad wordt hier genomen voor het gehele land. De Heere God wijst hiermee de oorzaak aan, waarom het verderf over Israël komt.
Want dat kalf, waarvan zij zoveel werk maken, is ook uit Israël, het verkeerde volk, afkomstig; een werkmeester heeft het gemaakt, even als de afgoden der heidenen door menselijke kunstenaars geformeerd zijn, en het is, zo als het gezond verstand duidelijk zegt, geen God, maar het zal tot stukken worden, opdat het blijke welk een nietig, ellendig werk het is; het kalf van Samaria zal even als dat, hetwelk Aäron bij den Sinaï maakte, tot stof worden verbrand (Ex. 32:27. Deut. 9:21).
Even als hun kalf zal het ook henzelven gaan; want zij hebben wind gezaaid met hun goddeloos handelen, en zij zullenvan hun zaaien de daarmee overeenkomstige vrucht, namelijk enen wervelwind, storm en vernietiging maaien (Hoofdst. 10:13; 12:2. 1 Job. 3:7. Spr. 22:8. Gal. 6:7 v.); het zaad in den eigenlijken zin, dat op het veld is uitgestrooid, zal niet opkomen, zal geen staande koren hebben, het uitspruitsel, zo het al daartoe komt, zal het meel makenin de aren, die het gewas mocht voortbrengen; of het misschien al vruchten maakte, zo zullen zij het toch niet genieten; vreemden zullen het verslinden. Koren en meel vormen in ‘t Hebr. een woordenspel: zemach-kemach. Dat hier niet alleen van misgewas en vernietiging van den oogst in den eigenlijken zin gesproken wordt, maar, hetgeen van ‘t zaad en ‘t uitspruitsel gezegd is, weer een beeld is van het nutteloze en vruchteloze van al wat Israël beproeft, toont het volgende vers.
Ja Israël is, zo als de toestanden nu zijn geworden, reeds door de vreemden verslonden; nu zijn zij reeds ten voorteken van hetgeen zij hun nog verder zullen aandoen, onder de Heidenen geworden, gelijk een vat, waar men genen lust toe heeft, dat tot niets deugt, dan om weggeworpen te worden (Jer. 22:28).
Dit is ene goddeloze vergelding voor hun zonde, want zij, die toch Gods kudde zijn, en alzo enen Herder hebben, die hun van alles wil verzorgen, wat zij nodig hebben en het best kan leiden en beschermen, zijnvan hunnen Herder weggegaan en opgetogen naar Assur, enen woudezel, die alleen voor zichzelven is, enen wilden, wreden rover, die op niets dan eigen, oordeel bedacht is; die van Efraïm hebben boelen om hoerenloon gehuurd, zij geven den Assyriërs rijke geschenken. De eigenschappen van enen woudezel, die hier in aanmerking komen tot opheldering der tekstwoorden, zijn, dat hij de eenzame wildernissen bemint (Job 39:5. Jes. 32:14. Jer 2:24), en dat hij zeer wild, onhandelbaar en bij uitstek hardnekkig is. De Arabieren noemen een eigenzinnig en koppig man een woudezelsveulen (vgl. Job 11:12). De woorden “die alleen voor of op zich zelven is” kunnen zien op de gewoonte van dit dier, om zich in eenzame plaatsen op te houden, en dan doen de woorden “voor zich zelven” eigenlijk niets tot den zin, gelijk dat woord in ‘t Hebr. meermalen overvloedig is. Anderen menen, dat die woorden zulk een woudezel te kennen geven, die niet alleen de woestijnen bemint; maar zich ook van zijne mededieren afzondert, en zonder enig verstand eigenzinnig zich alleen begeeft, waardoor hij zich dwaselijk ten prooi maakt voor andere wrede dieren. Verder komt in aanmerking, wie hier bij een woudezel vergeleken wordt, of Israël of Assur, want uit de woordschikking is dat niet op te maken. Velen passen de vergelijking op Israël toe; zo de Chaldeeuwse uitbreider: “daarom zijn zij in de gevangenis gegaan, dewijl zij gedaan hebben naar ‘t welbehagen hunner harten, gelijk een eigenzinnige woudezel. ” Dit volgen de meeste Hebr uitleggers, ook de LXX. Anderen (gelijk onze Nederduitse overzetters) menen dat het Assur is, die bij enen woudezel wordt vergeleken, ter oorzake van zijn onhandelbaren, eigenzinnigen en trotsen aard, verzorgende alleen zijn eigen voordeel, Zo bleek ook de dwaasheid van Israël, welke bij hem om hulp ging. Neemt men de vergelijking ten opzichte van Israël, dan is de zin, dat zij eigenzinnig en onbuigzaam, naar Gods wet en raad niet luisterende, volgens hun eigen goeddunken naar Assyrië dwaselijk waren gelopen om hulp.
Dewijl zij dan onder de Heidenen, met welke zij verbintenissen wensten aan te knopen, boelen om hoerenloon gehuurd hebben, menende, dat hun welvaart nu verzekerd was, zo zal Ik die heidenen nu ook verzamelen, om met hen naar hun begeerte te doen, opdat zij ondervinden, hoe zij toch van Mijne macht niet los komen, al beproeven zij ook nog zozeer, om zich aan Mijne heerschappij te onttrekken. Zij zullen weten, dat hun juist ten verderve moet worden, datgene waarvan zij geluk verwachten; ja zij hebben al een weinig begonnen 1) die boelen, die zij gehuurd hebben zijn reeds begonnen hen te plagen, maar ‘t is weinig bij ‘t geen volgen zal, reeds wordt het zwaar te dragen van wege den last van den koning der vorsten, den koning van Assyrië, die reeds alle vorsten onder zijn juk heeft gebracht.
De staat van cijnsbaarheid is gewoonlijk de voorbode van ondergang; de schatting wordt eerst lastig, daarna ondraagbaar. Men weigert ze, men rebelleert, en haalt zich enen oorlog op den hals, waarin men voor de overmacht bezwijken moet. Dat is de vrucht van zich voor geschenk en cijns onder de bescherming van machtige naburen te bergen. Zowel dit als het vorige vers zijn van zo duistere en onzekere uitlegging, dat men bijkans wanhopen moet ooit den waren zin van deze met zekerheid te zullen bepalen. In het Hebr. Wajacheeloe me’at. Beter: Zij beginnen moede te worden. De hulp, die zij verzochten van de vreemde volken, zal hen niet helpen, maar tot schande worden, dewijl niets hen kan redden uit de hand des Heeren, indien zij niet zich bekeren tot den levenden God.
Omdat Efraïm tegen Mijn uitdrukkelijk verbod (Deut. 12:1 vv.) de altaren vermenigvuldigd heeft, en alzo de verleiding tot zondigen door den valsen godsdienst heeft doen toenemen, zo zijn hem de altaren geworden tot zondigen 1), zo zal de straf vermeerderd worden naar de vermeerderde menigte van altaren.
Dewijl zij in de gevangenis zouden genoodzaakt worden de Assyrische afgoden te dienen; of dewijl God hen volgens een rechtvaardig oordeel zou overgeven aan hun moedwillige blindheid en hun afgodisch hart (Openb. 22:11), of de altaren zullen de gelegenheid zijn tot groter zonden en alzo tot zwaarder straf.
Israël kon toch wel weten wat het door die afgoderij doet, maar het wil het niet weten, het wil naar Mijn woord niet luisteren. Ik schrijf hem de voortreffelijkheden Mijner wet voor, opdat duidelijk zij, wat goed is, wat de Heere, zijn God van hem eist (Micha 6:8), maar die geboden zijn geacht als wat vreemds 1), als iets, dat niemand aangaat, en waarover niemand zich behoeft te bekommeren.
Het tweede deel van de beschuldiging is, dat zij in hun afwijkingen, en inzonderheid in deze zonde van den godsdienst te bederven, de Wet of het Woord van God versmaden, achtende deszelfs bestieringen van weinig belang en als in het minst hun niet rakende. Het is de grote doch gewone zonde van de zichtbare kerk, dat zij als vervreemd leeft van het Woord van God en weinig met hetzelve verkeert, dat zij deszelfs bestiering aanziet als van weinig aangelegenheid. Och, lieve Heer! hoe is deze vreselijke uitspraak zo bewaarheid onder Uwe Christenen! Hoe vele huisvaders zijn er, die in hun huis nog geen Bijbel hebben, terwijl toch God dien in onzen tijd zo overvloedig in elke taal heeft gegeven, dat men er Hem niet genoeg voor kan danken. Andere boeken kan men lezen, andere bezigheden kan men verrichten, en daarmee dag en nacht bezig zijn, maar een uurtje besteden aan het woord van God, dat is dien gerusten mensen te zwaar. Het schijnt ene vreemde leer voor de ogen der wereld, het ene gedeelte noemt Gods woord ketterij, het andere veracht en bespot het als een vertelsel en fabel. (N. SELNECKER).
Aangaande de offerande Mijner gaven, daar men voorgeeft Mij, Jehova, onder het beeld dier gouden kalveren te dienen, zij, offeren vlees, als slachtoffers, en eten het bij de offermaaltijden, maar de HEERE heeft aan hen en hun offeranden geen welgevallen; want het is niets meer dan vlees ten spijze, het zijn gene offers, gelijk zij in de wet zijn bevolen, en waaraan de belofte van vergeving der zonden verbonden is. Nu zal Hij hunner ongerechtigheid, die door zulke offeranden niet is bedekt (Lev. 1:4), gedenken, en hun onverzoende zonden bezoeken (Jes. 27:1), zij zullen weer in Egypte keren, weer knechten zijn in een vreemd land, even als zij het in Egypte waren (Hoofdst. 9:3. Deut. 28:68). “Gaan naar Egypte, ” was een gewoon spreekwoord om de zwaarste ellende uit te drukken (zie Zach. 5:11). Wij hebben hier dezelfde beschrijving als die wij zo dikwijls bij Jesaja aantroffen. De Heere God veroordeelt hier niet de offeranden op zichzelve, maar die welke bij de gouden kalven werden gebracht. De offeranden van een eigenwilligen godsdienst waren Hem een gruwel. Deze lustte Hij niet. Het hart hield men verre van Hem, en daarom zou de Heere komen met Zijne bezoekingen.
Want Israël en dit is de wortel van alle zijne zonden-heeftden Heere, zijnen Maker, dien het vroeger door de verlossing uit Egypte tot Zijn volk gemaakt heeft (Deut. 32:6, 15. Ps. 9:6), vergeten, en tempelen ter ere der afgoden (2 Kon. 10:23) gebouwd (volgens andere verklaring paleizen, om eigene macht en grootheid te verheerlijken), en Juda heeft, als moest het altijd dezelfde zonde van Godvergeten en zelfvergoding deelachtig zijn, vaste steden vermenigvuldigd, waarop het zijn vertrouwen zou kunnen zetten; maar Ik zal een vuur der verwoesting (Jer. 17:27) zenden in zijne steden, de steden zowel van Israël als van Juda, dat zal hare paleizen in het gehele land verteren. Te gelijk met den godsdienst, de godzaligheid en eerbaarheid onder een volk valt ook alle uiterlijke welvaart. Wanneer men echter het verval in den ouden godsdienst nog ene poos door geesteloos medewaarnemen van het uitwendige wil doen blijven, zo heeft men nog meer bedrieglijke middelen, om het verval in de burgerlijke welvaart te verbergen en aan de zaak ene gedaante te geven, alsof er vooruitgang ware. Maar hoe spoedig kan God zulk menschenwerk vernietigen, gelijk ten laatste de gehele wereld in haar vuur zal te niet gaan.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel