Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Terwijl Ik IsraelH3478 geneesH7495, zo wordt EfraimsH669 ongerechtigheidH5771 ontdektH1540, mitsgaders de booshedenH7451 van SamariaH8111; wantH3588 zij werkenH6466 valsheidH8267; en de diefH4590 gaat er in, de bendeH1416 der straatschenders strooptH6584 daar buitenH2351.
Terwijl Ik Israel genees, zo wordt Efraims ongerechtigheid ontdekt, mitsgaders de boosheden van Samaria; want zij werken valsheid; en de dief gaat er in, de bende der straatschenders stroopt daar buiten.
KJV
When I would have healed1
Israel,2
then the iniquity4
of Ephraim5
was discovered,3
and the wickedness6
of Samaria:7
for they commit9
falsehood;10
and the thief11
cometh in,12
and the troop14
of robbers spoileth13
without.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En zij zeggenH559 niet in hun hartH3824, dat Ik alH3605 hunner boosheidH7451 gedachtigH2142 ben; nuH6258 omsingelenH5437 hen hun handelingenH4611, zij zijn voor Mijn aangezichtH6440.
En zij zeggen niet in hun hart, dat Ik al hunner boosheid gedachtig ben; nu omsingelen hen hun handelingen, zij zijn voor Mijn aangezicht.
KJV
And they consider2
not in their hearts3
that I remember6
all their wickedness:5
now their own doings9
have beset them about;8
they are before my face.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Zij verblijdenH8055 den koningH4428 met hun boosheidH7451, en de vorstenH8269 met hun leugenenH3585.
Zij verblijden den koning met hun boosheid, en de vorsten met hun leugenen.
KJV
They make the king3
glad2
with their wickedness,1
and the princes5
with their lies.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Zij bedrijven al te zamen overspelH5003, zij zijn gelijk een bakovenH8574, die heetH1197 gemaakt is van den bakkerH644; die ophoudtH7673 van wakkerH5782 te zijn, nadat hij het deegH1217 heeft gekneedH3888, totdatH5704 het doorgezuurdH2556 zij.
Zij bedrijven al te zamen overspel, zij zijn gelijk een bakoven, die heet gemaakt is van den bakker; die ophoudt van wakker te zijn, nadat hij het deeg heeft gekneed, totdat het doorgezuurd zij.
KJV
They are all adulterers,2
as an oven4
heated5
by the baker,6
who ceaseth7
from raising8
after he hath kneaded9
the dough,10
until it be leavened.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Het is de dagH3117 onzes koningsH4428; de vorstenH8269 maken hem krankH2470 door verhittingH2534 van den wijnH3196; hij strektH4900 zijn handH3027 voort metH854 de spottersH3945.
Het is de dag onzes konings; de vorsten maken hem krank door verhitting van den wijn; hij strekt zijn hand voort met de spotters.
KJV
In the day1
of our king2
the princes4
have made him sick3
with bottles5
of wine;6
he stretched out7
his hand8
with scorners.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Want zij voerenH7126 hun hartH3820 aan, als een bakovenH8574, tot hun lagenH693; hunlieder bakkerH644 slaaptH3463 den gansenH3605 nachtH3915; 's morgensH1242 brandtH1197 hijH1931 als een vlammendH3852 vuurH784.
Want zij voeren hun hart aan, als een bakoven, tot hun lagen; hunlieder bakker slaapt den gansen nacht; 's morgens brandt hij als een vlammend vuur.
KJV
For they have made ready2
their heart4
like an oven,3
whiles they lie in wait:5
their baker9
sleepeth8
all the night;7
in the morning10
it burneth12
as a flaming14
fire.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Zij zijn allen te zamen verhitH2552 als een bakovenH8574, en zij verterenH398 hun rechtersH8199; alH3605 hun koningenH4428 vallenH5307; er is niemandH369 onder hen, die totH413 Mij roeptH7121.
Zij zijn allen te zamen verhit als een bakoven, en zij verteren hun rechters; al hun koningen vallen; er is niemand onder hen, die tot Mij roept.
KJV
They are all hot2
as an oven,3
and have devoured4
their judges;6
all their kings8
are fallen:9
there is none among them that calleth
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
EfraimH669, die verwartH1101 zich met de volkenH5971; EfraimH669 isH1961 een koek, die niet is omgekeerdH2015;
Efraim, die verwart zich met de volken; Efraim is een koek, die niet is omgekeerd;
KJV
Ephraim,1
he hath mixed4
himself among the people;2
Ephraim5
is a cake7
not turned.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
VreemdenH2114 verterenH398 zijn krachtH3581, en hijH1931 merktH3045 het nietH3808; ookH1571 is de grauwigheidH7872 op hem verspreidH2236, en hij merktH3045 het nietH3808.
Vreemden verteren zijn kracht, en hij merkt het niet; ook is de grauwigheid op hem verspreid, en hij merkt het niet.
KJV
Strangers2
have devoured1
his strength,3
and he knoweth6
it not: yea, gray hairs8
are here and there9
upon him, yet he knoweth
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Dies zal de hovaardijH1347 van IsraelH3478 in zijn aangezichtH6440 getuigenH6030; dewijl zij zich nietH3808 bekerenH7725 totH413 den HEEREH3068, hun GodH430, nochH3808 Hem zoekenH1245 in alleH3605 dezeH2063.
Dies zal de hovaardij van Israel in zijn aangezicht getuigen; dewijl zij zich niet bekeren tot den HEERE, hun God, noch Hem zoeken in alle deze.
KJV
And the pride2
of Israel3
testifieth1
to his face:4
and they do not return6
to the LORD8
their God,9
nor seek
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Want EfraimH669 isH1961 als een botteH6601 duifH3123, zonderH369 hartH3820; zij roepenH7121 EgypteH4714 aan, zij gaanH1980 henen tot AssurH804.
Want Efraim is als een botte duif, zonder hart; zij roepen Egypte aan, zij gaan henen tot Assur.
KJV
Ephraim2
also is like a silly4
dove3
without heart:6
they call8
to Egypt,7
they go10
to Assyria.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Wanneer zij zullen henengaanH3212, zal Ik Mijn netH7568 overH5921 hen uitspreidenH6566, Ik zal ze als vogelenH5775 des hemelsH8064 doen nederdalenH3381. Ik zal ze tuchtigenH3256, gelijk gehoordH8088 is in hun vergaderingH5712.
Wanneer zij zullen henengaan, zal Ik Mijn net over hen uitspreiden, Ik zal ze als vogelen des hemels doen nederdalen. Ik zal ze tuchtigen, gelijk gehoord is in hun vergadering.
KJV
When they shall go,2
I will spread3
my net5
upon them; I will bring them down8
as the fowls6
of the heaven;7
I will chastise9
them, as their congregation11
hath heard.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
WeeH188 hen, wantH3588 zij zijn vanH4480 Mij afgezworvenH5074; verstoringH7701 over hen, wantH3588 zij hebben tegen Mij overtredenH6586! IkH595 zou hen wel verlossenH6299, maar zijH1992 sprekenH1696 leugenenH3577 tegenH5921 Mij.
Wee hen, want zij zijn van Mij afgezworven; verstoring over hen, want zij hebben tegen Mij overtreden! Ik zou hen wel verlossen, maar zij spreken leugenen tegen Mij.
KJV
Woe1
unto them! for they have fled4
from me: destruction6
unto them! because they have transgressed9
against me: though I have redeemed12
them, yet they have spoken14
lies
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Zij roepenH2199 ook nietH3808 totH413 Mij met hun hartH3820, wanneer zij huilenH3213 opH5921 hun legersH4904; om korenH1715 en mostH8492 verzamelenH1481 zij zich, maarH3588 zij wederstrevenH5493 tegen Mij.
Zij roepen ook niet tot Mij met hun hart, wanneer zij huilen op hun legers; om koren en most verzamelen zij zich, maar zij wederstreven tegen Mij.
KJV
And they have not cried2
unto me with their heart,4
when they howled6
upon their beds:8
they assemble12
themselves for corn10
and wine,11
and they rebel
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
IkH589 heb hen wel getuchtigdH3256, en hunlieder armenH2220 gesterktH2388; maar zij denkenH2803 kwaadH7451 tegenH413 Mij.
Ik heb hen wel getuchtigd, en hunlieder armen gesterkt; maar zij denken kwaad tegen Mij.
KJV
Though I have bound2
and strengthened3
their arms,4
yet do they imagine6
mischief
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Zij kerenH7725 zich, maar nietH3808 tot den AllerhoogsteH5920, zij zijn als een bedrieglijke boogH7198; hun vorstenH8269 vallenH5307 door het zwaardH2719; vanwege de gramschapH2195 hunner tongH3956; dat is hunlieder bespottingH3933 in EgyptelandH776.
Zij keren zich, maar niet tot den Allerhoogste, zij zijn als een bedrieglijke boog; hun vorsten vallen door het zwaard; vanwege de gramschap hunner tong; dat is hunlieder bespotting in Egypteland.
Ook in dit vers
bedriegelijkeH7423
KJV
They return,1
but not to the most High:3
they are like a deceitful6
bow:5
their princes9
shall fall7
by the sword8
for the rage10
of their tongue:11
this12
shall be their derision13
in the land14
of Egypt.
genees,
Dat is, bezig ben door mijne profeten om de tien stammen tot bekering te vermanen, en hen tot geestelijken en lichamelijken welstand te brengen. Zie Ps. 30:3 , en onder Hos. 11:3 .
Hertaald:
genees,
Dat is: bezig ben door Mijn profeten om de tien stammen tot bekering te vermanen en hen tot geestelijke en lichamelijke welstand te brengen. Zie Ps. 30:3 en Hos. 11:3.
ontdekt,
Dat is, zo bevindt zich, dat de wortel en oorsprong aller boosheid en ongebondenheid tegen de eerste en tweede tafel, is in den stam van Efraïm, en voornamelijk in des konings hof te Samaria. Of, hunne boosheid wordt ontdekt, door hunne wederstrevigheid tegen al mijne vermaningen, zulks dat zij zich ongeneeslijk tonen.
Hertaald:
ontdekt,
Dat is: dan blijkt dat de wortel en oorsprong van alle boosheid en ongebondenheid tegen de eerste en de tweede tafel in de stam van Efraïm ligt, en vooral in het hof van de koning in Samaria. Of: hun boosheid wordt aan het licht gebracht door hun weerspannigheid tegen al Mijn vermaningen, waardoor zij zich ongeneeslijk tonen.
Samaria;
Zie 1 Kon. 16:24 .
Hertaald:
Samaria;
Zie 1 Kon. 16:24.
valsheid;
Dat is, allerlei afgoderij en huichelarij, zijnde enkel bedrog en valsheid, waardoor zij het verbond met mj breken; zie Ps. 44:18 , Ps. 44:21 ; handelende insgelijks valselijk met den naaste; zie Lev. 19:11 .
Hertaald:
valsheid;
Dat is: allerlei afgoderij en huichelarij, die enkel bedrog en valsheid is, waarmee zij het verbond met Mij breken; zie Ps. 44:18, Ps. 44:21. Zij handelen even vals met hun naaste; zie Lev. 19:11.
gaat er in,
Stelen, roven en moorden is binnen en buiten vrij, en heeft de overhand, zodat beide tafelen van Gods wet verbroken zijn.
Hertaald:
gaat er in,
Stelen, roven en moorden gebeurt binnen en buiten vrijelijk en heeft de overhand, zodat beide tafelen van Gods wet verbroken zijn.
bende der straatschenders
Zie boven Hos. 5:1-2 .
Hertaald:
bende der straatschenders
Zie Hos. 5:1-2.
zij zeggen niet in hun hart,
Dat is, zij denken niet eens dat Ik zulks alles zie en zoeken zal.
Hertaald:
zij zeggen niet in hun hart,
Dat is: zij bedenken niet eens dat Ik dit alles zie en zal onderzoeken.
omsingelen hen hun handelingen,
Als touwen, hen benauwende en verstrikkende, zodat zij niet zullen kunnen ontkomen, of als dienaars van justitie, om hen als misdadigers te vangen en voor het gericht te stellen, waarvan zij nu [dat is, al haast] de waarheid zullen bevinden.
Hertaald:
omsingelen hen hun handelingen,
Als touwen die hen benauwen en verstrikken, zodat zij niet zullen kunnen ontkomen; of als gerechtsdienaars die hen als misdadigers grijpen en voor het gericht stellen — waarvan zij nu, dat is: heel spoedig, de waarheid zullen ondervinden.
voor Mijn aangezicht
Naakt en bloot, zij zijn mij alle bekend, en Ik zal ze ter hand nemen, om daarop te letten en recht te doen.
Hertaald:
voor Mijn aangezicht
Naakt en bloot; zij zijn Mij allemaal bekend, en Ik zal ze ter hand nemen om erop te letten en recht te doen.
verblijden den koning met hun boosheid,
De goddeloosheid van den koning en zijne vorsten was zo groot, dat zij vreugde en vermaak namen in de gruwelijke boosheid der priesters en van het volk, als dienende tot stijving der afgoderij, waarin zij de vastigheid van hunnen staat stelden; zulks het volk wetende, maakten het zo, gelijk hun koning het gaarne had, hoe erger hoe liever.
Hertaald:
verblijden den koning met hun boosheid,
De goddeloosheid van de koning en zijn vorsten was zo groot dat zij vreugde en vermaak schepten in de gruwelijke boosheid van de priesters en van het volk, omdat die de afgoderij versterkte, waarin zij de vastheid van hun staat zochten. Omdat het volk dat wist, deden zij het zo als hun koning het graag zag: hoe erger, hoe liever.
bakoven,
Zij zijn zo verhit in de afgoderij en de aanklevende zonden, als een brandende of gloeiende oven, en evenwel zo ongevoelig en zo zorgeloos daarover, als de slapende bakker. Zie vs.6.
Hertaald:
bakoven,
Zij zijn in de afgoderij en de daarbij horende zonden zo verhit als een brandende of gloeiende oven, en toch zo ongevoelig en zorgeloos daarover als de slapende bakker. Zie vers 6.
zijn,
Of, wakker te maken; dat is, hij slaapt zelf, en laat alles slapen en in rust, totdat men het brood in den oven zal steken, wanneer het deeg genoeg gerezen en doorzuurd is. Alzo laten zij den zuurdesem der boosheid voortgaan en den oven der afgoderij heet worden, totdat alles naar hunnen zin, op het allerergste gesteld is. Vergelijk Matt. 16:12 ; Luc. 12:1 . Anderen aldus: Die heet gemaakt wordt van den bakker als hij ophoudt van op te wekken; [te weten, degenen die bakken zullen] nadat men het deeg heeft gekneed, totdat het doorzuurd is.
Hertaald:
zijn,
Of: wakker te maken; dat is: hij slaapt zelf en laat alles slapen en rusten totdat men het brood in de oven zal schuiven, wanneer het deeg genoeg gerezen en doorzuurd is. Zo laten zij het zuurdeeg van de boosheid voortwerken en de oven van de afgoderij heet worden, totdat alles naar hun zin op het allerergst staat. Vergelijk Matth. 16:12; Luk. 12:1. Anderen aldus: die door de bakker heet gemaakt wordt wanneer hij ophoudt te wekken — namelijk hen die zullen bakken — nadat men het deeg gekneed heeft, totdat het doorzuurd is.
Het is de dag onzes konings;
Dit kan men nemen als woorden der vorsten en hovelingen. Anders: [op] den dag van onzen koning, maken de vorsten hem krank. Door den dag van den koning kan men verstaan den dag zijner geboorte, gelijk Gen. 40:20 , of kroning, of een feestdag van hem aangesteld tot den dienst der kalven; zie 1 Kon. 12:32-33 , en vergelijk Joh. 1:4 met de aantekening, Matt. 14:6 .
Hertaald:
Het is de dag onzes konings;
Dit kan men opvatten als woorden van de vorsten en hovelingen. Anders: op de dag van onze koning maken de vorsten hem ziek. Onder de dag van de koning kan men zijn geboortedag verstaan (zoals Gen. 40:20), of zijn kroning, of een feestdag die hij ingesteld had voor de kalverdienst; zie 1 Kon. 12:32-33, en vergelijk Joh. 1:4 met de aantekening en Matth. 14:6.
hem krank
Den koning; uit het voorgaande en volgende. Anders: maken zichzelven krank.
Hertaald:
hem krank
De koning, zoals uit het voorgaande en het volgende blijkt. Anders: maken zichzelf ziek.
door verhitting van den wijn;
Dat is, door hete wijnteugen, of door het zuipen van heten wijn. Anders: [met] flessen van wijn.
Hertaald:
door verhitting van den wijn;
Dat is: door hete wijnteugen, of door het zuipen van hete wijn. Anders: met flessen wijn.
strekt zijn hand voort met de spotters
Als hij krank is van den wijn, dan slaat hij op met spotters en pretmakers, die hem den tijd en de wijnkrankte zullen verdrijven; of wanneer hij dronken is, zo doet hij zulks, zodat het hof vol van ijdelheid en goddeloosheid is. Van spotters, zie Ps. 1:1 ; Spr. 1:22 , en Spr. 9:7 , enz.
Hertaald:
strekt zijn hand voort met de spotters
Wanneer hij ziek is van de wijn, laat hij zich in met spotters en pretmakers die hem de tijd en de wijnkwaal moeten verdrijven; of: wanneer hij dronken is doet hij dat, zodat het hof vol ijdelheid en goddeloosheid is. Over spotters, zie Ps. 1:1; Spr. 1:22 en Spr. 9:7, enzovoort.
Want
Of, zekerlijk, gewisselijk.
Hertaald:
Want
Of: zeker, voorzeker.
voeren hun hart aan,
Hebreeuws eigenlijk, doen hun hart naderen; dat is, zij geven zich daarop, drijven, vieren, stoken en hitsen, zichzelven aan, om in het heimelijke lagen te leggen dengenen, die hen tegen zijn, en die door streken in lijden, verdriet en om het leven te brengen, hetzij dat zij hunne goddeloosheid niet toestaan, of anderszins enen haat op hen hebben.
Hertaald:
voeren hun hart aan,
Hebreeuws eigenlijk: doen hun hart naderen; dat is: zij geven zich eraan over, drijven en stoken zichzelf aan om in het geheim hinderlagen te leggen voor hen die tegen hen zijn, en die met listen in lijden en verdriet te brengen en om het leven te helpen — hetzij omdat zij hun goddeloosheid niet toestaan, hetzij omdat zij hen om een andere reden haten.
bakker slaapt den gansen nacht;
Hierdoor verstaan sommigen den koning, die het beleid en bestuur van alle boze vonden zijnen vorsten en raadsheren beveelt, en als hij de uitvoering daarvan in vollen zwang ziet, zijn pleizier en lust daarin schept; of, terwijl hij slaapt, zo zijn zijne vorsten met hunne helpers doende, om tegen hem samen te spannen; [waarvan in vs.7] en eer de koning daarop denkt, zulks in het werk stellen, zettende alles [om zo te spreken] in vuur en vlam.
Hertaald:
bakker slaapt den gansen nacht;
Hieronder verstaan sommigen de koning, die het beleid van alle boze plannen aan zijn vorsten en raadsheren overlaat en er zijn plezier en lust in schept wanneer hij de uitvoering ervan in volle gang ziet. Of: terwijl hij slaapt, zijn de vorsten met hun helpers bezig om tegen hem samen te spannen — waarover vers 7 — en zetten zij dat in werking voordat de koning eraan denkt, waarbij zij alles, om zo te zeggen, in vuur en vlam zetten.
verhit als een bakoven,
In boosheid en goddeloosheid.
Hertaald:
verhit als een bakoven,
In boosheid en goddeloosheid.
rechters;
Dat is, hunne koningen, vorsten en regenten, gelijk de volgende woorden verklaren, en onder vs.16; vergelijk Richt. 2:16 .
Hertaald:
rechters;
Dat is: hun koningen, vorsten en bestuurders, zoals de volgende woorden verklaren, en vers 16; vergelijk Richt. 2:16.
vallen;
Dat is, worden om het leven gebracht, de een zweert samen tegen den ander, en slaat hem dood; zie Gen. 14:10 , en de historie hiervan 2 Kon. 15:8 , enz. tot 2 Kon. 15:32 , alzo onder vs.16.
Hertaald:
vallen;
Dat is: worden om het leven gebracht; de een spant samen tegen de ander en slaat hem dood. Zie Gen. 14:10, en de geschiedenis hiervan in 2 Kon. 15:8, enzovoort, tot 2 Kon. 15:32; zo ook vers 16.
roept
Die mij kent, en om genade en hulp aanzoekt; vergelijk onder vs.10, 13,14.
Hertaald:
roept
Die Mij kent en om genade en hulp vraagt; vergelijk vers 10, 13 en 14.
verwart zich met de volken;
Door heidense huwelijken, gemeenschap van afgoderij en andere zonden, idem ongeoorloofde verbonden. Zie boven Hos. 5:7 , Hos. 5:13 , en onder vs.11, enz.
Hertaald:
verwart zich met de volken;
Door heidense huwelijken, door gemeenschap in afgoderij en andere zonden, en door ongeoorloofde verbonden. Zie Hos. 5:7, Hos. 5:13, en vers 11, enzovoort.
is een
Dat is, gelijk een koek.
Hertaald:
is een
Dat is: als een koek.
koek,
Zie van het Hebreeuwse woord Gen. 18:6 .
Hertaald:
koek,
Zie over het Hebreeuwse woord Gen. 18:6.
niet is omgekeerd;
En derhalve half gaar, die de hongerige Assyriërs evenwel zullen verslinden; of aan de ene zijde verbrand, aan de andere rauw of ongaar, en dus onsmakelijk en bedorven, niet veel deugende [gelijk men zegt] noch om te houden, noch om weg te werpen, gelijk een koek moet worden, wanneer zij op het vuur of de kolen verzuimd en niet waargenomen wordt. Deze gelijkenis wordt verscheidenlijk verklaard, en op Efraïm gepast. Uit het voorgaande en navolgende schijnt dat God wil zeggen: Efraïm heeft zijn eigen geestelijke en lichamelijke welvaart verwaarloosd, en naar buiten tot de afgodische heidenen lopende, om bij hen zijne behoudenis te zoeken, is hij door hunne gemeenschap zo bedorven, dat hij nauwelijks enig fatsoen, of reuk en smaak [gelijk men zegt] meer had, als een koek die half rauw, half verbrand, of geheel doorbrand en verschrokt is. Sommigen duiden het op de onbekeerlijkheid, niettegenstaande Gods straffen, waarvan vs.10.
Hertaald:
niet is omgekeerd;
En dus half gaar, die de hongerige Assyriërs toch zullen verslinden; of aan de ene kant verbrand en aan de andere kant rauw, en dus onsmakelijk en bedorven, zodat hij — zoals men zegt — niet deugt om te bewaren en niet om weg te werpen; zoals een koek wordt wanneer men hem op het vuur of de kolen verwaarloost en er niet naar omkijkt. Deze vergelijking wordt op verschillende manieren verklaard en op Efraïm toegepast. Uit het voorgaande en het volgende lijkt God te willen zeggen: Efraïm heeft zijn eigen geestelijke en lichamelijke welvaart verwaarloosd en is naar buiten, naar de afgodische heidenen gelopen om bij hen zijn behoud te zoeken; door hun gemeenschap is hij zo bedorven geraakt dat hij nauwelijks nog vorm, reuk of smaak had, als een koek die half rauw en half verbrand is. Sommigen betrekken het op de onbekeerlijkheid ondanks Gods straffen, waarover vers 10.
Vreemden verteren
Zie voorbeelden 2 Kon. 15:19-20 ; idem aldaar 2 Kon. 15:29 .
Hertaald:
Vreemden verteren
Zie voorbeelden in 2 Kon. 15:19-20 en 2 Kon. 15:29.
zijn kracht,
Van Efraïm.
Hertaald:
zijn kracht,
Namelijk van Efraïm.
grauwigheid op hem verspreid,
Dat is, hij wordt zwak en machteloos, en heeft er geen gevoel van, gelijk oude lieden die overal grauwe haren krijgen; nochtans blijft hij even stout en hardnekkig, gelijk volgt.
Hertaald:
grauwigheid op hem verspreid,
Dat is: hij wordt zwak en machteloos en merkt het niet, zoals oude mensen die overal grijze haren krijgen; en toch blijft hij even brutaal en hardnekkig, zoals volgt.
hovaardij van Israël
Omdat zij in dezen hun ellendigen toestand nog zo ongevoelig, opgeblazen en stout tegen mij zijn. Zie boven Hos. 5:5 , met de aantekening.
Hertaald:
hovaardij van Israël
Omdat zij in hun ellendige toestand nog zo ongevoelig, opgeblazen en brutaal tegen Mij zijn. Zie Hos. 5:5 met de aantekening.
botte duif,
Dat is, domme, slechte, simpele duiven, omdat men ze verlokken, verleiden en bepraten kan gelijk men wil, stellende zich alleszins tot een spot. Dit wordt in het volgende verklaard.
Hertaald:
botte duif,
Dat is: domme, eenvoudige, argeloze duiven, omdat men ze naar believen kan lokken, verleiden en ompraten, zodat zij zich in alles tot een bespotting maken. Dit wordt in het vervolg verklaard.
hart;
Dat is, verstand. Zie Job 9:4 .
Hertaald:
hart;
Dat is: verstand. Zie Job 9:4.
Egypte aan,
Zie 2 Kon. 17:3-4 , en boven Hos. 5:13 , en onder Hos. 8:9 , en Hos. 12:2 .
Hertaald:
Egypte aan,
Zie 2 Kon. 17:3-4 en Hos. 5:13, en Hos. 8:9 en Hos. 12:2.
Assur
Dat is, Assyrië, of den koning van Assyrië.
Hertaald:
Assur
Dat is: Assyrië, of de koning van Assyrië.
net over hen uitspreiden,
Dat is, Ik zal hen vangen, verstrikken en vernietigen door hunne tractaten of handelingen met Egypte en Assur, gelijk men de vogels beslaat, vangt en verstrikt door het net. Vergelijk Job 19:6 ; Ezech. 12:13 , en Ezech. 17:20 en Ezech. 19:8 en Ezech. 32:3 , met de aantekening.
Hertaald:
net over hen uitspreiden,
Dat is: Ik zal hen vangen, verstrikken en vernietigen door hun verdragen en onderhandelingen met Egypte en Assur, zoals men de vogels met het net overdekt, vangt en verstrikt. Vergelijk Job 19:6; Ezech. 12:13, Ezech. 17:20, Ezech. 19:8 en Ezech. 32:3 met de aantekening.
nederdalen
Daar zij omhoog menen te vliegen.
Hertaald:
nederdalen
Terwijl zij menen omhoog te vliegen.
tuchtigen,
Met straffen en plagen; zie Spr. 7:22 .
Hertaald:
tuchtigen,
Met straffen en plagen; zie Spr. 7:22.
gelijk gehoord is in hun vergadering
Hebreeuws, naar de horing, of het gehoor van, of aan, in hunne vergadering; dat is, gelijk Ik hun openlijk in mijne wet en door mijne profeten in hunne bijeenkomsten voor de gemeente heb aangezegd en gedreigd, zie 2 Kon. 17:13 .
Hertaald:
gelijk gehoord is in hun vergadering
Hebreeuws: naar het horen in hun vergadering; dat is: zoals Ik het hun openlijk in Mijn wet en door Mijn profeten in hun bijeenkomsten voor de gemeente heb aangezegd en gedreigd; zie 2 Kon. 17:13.
afgezworven;
Hier en daar afgodische en vleselijke hulp zoekende, zwervende als een verbijsterde vogel, die nergens rust vindt.
Hertaald:
afgezworven;
Terwijl zij hier en daar afgodische en vleselijke hulp zoeken, zwervend als een verbijsterde vogel die nergens rust vindt.
tegen Mij overtreden
Of, zijn van mij afgevallen, zie 1 Kon. 8:50 , en 1 Kon. 12:19 ; idem Jer. 2:8 , Jer. 2:29 , en vergelijk onder Hos. 8:1 , en Hos. 14:10 .
Hertaald:
tegen Mij overtreden
Of: zijn van Mij afgevallen; zie 1 Kon. 8:50 en 1 Kon. 12:19; ook Jer. 2:8, Jer. 2:29, en vergelijk Hos. 8:1 en Hos. 14:10.
zou hen wel verlossen,
Of, Ik heb hen wel verlost, of Ik verlos hen wel, of als Ik hen verlos, enz., zo, enz. Zie 2 Kon. 14:25-28 .
Hertaald:
zou hen wel verlossen,
Of: Ik heb hen wel verlost, of: Ik verlos hen wel, of: wanneer Ik hen verlos, enzovoort. Zie 2 Kon. 14:25-28.
leugens tegen Mij
Wat hun goeds van mij geschiedt, daarvan geven zij valselijk hunnen afgoden de eer; of zij beloven wel bekering en dankbaarheid, maar denken het niet.
Hertaald:
leugens tegen Mij
Het goede dat hun van Mij overkomt, schrijven zij ten onrechte aan hun afgoden toe; of zij beloven wel bekering en dankbaarheid, maar zij menen het niet.
hart,
Hun bidden en kermen tot mij is enkel huichelarij; het is maar een gehuil, uit verdriet, murmurering en ongeduldigheid, zonder geloof en bekering. Sommigen menen dat het volgende woord legeren of bedden, ziet op plaatsen [gelijk hoogten, tempels, enz.] hunner afgoderij, die een geestelijk overspel is; zie Jes. 57:7-8 , met de aantekening, waarop het volgende woord verzamelen, niet kwalijk past; vergelijk ook Ezech. 23:41 .
Hertaald:
hart,
Hun bidden en kermen tot Mij is enkel huichelarij; het is niet meer dan gehuil uit verdriet, gemopper en ongeduld, zonder geloof en bekering. Sommigen menen dat het volgende woord legers of bedden ziet op de plaatsen van hun afgoderij, zoals hoogten en tempels — die een geestelijk overspel is; zie Jes. 57:7-8 met de aantekening, waarbij het volgende woord verzamelen goed past; vergelijk ook Ezech. 23:41.
om koren en most
Anders: [wanneer] zij zich om koren en most verzamelen [en] tot mij keren.
Hertaald:
om koren en most
Anders: wanneer zij zich om koren en most verzamelen en zich tot Mij keren.
verzamelen zij zich,
Om zulks van mij te verkrijgen, maar metterdaad bewijzen zij allen wederspannigheid tegen mij. Anders: maken zij zichzelven insnijdingen, te weten in hun vlees, naar de wijze der heidenen en afgodendienaars; zie 1 Kon. 18:28 met de aantekening.
Hertaald:
verzamelen zij zich,
Om dat van Mij te verkrijgen, terwijl zij in werkelijkheid allemaal weerspannigheid tegen Mij bewijzen. Anders: zij snijden zichzelf insnijdingen, namelijk in hun vlees, naar de gewoonte van de heidenen en afgodendienaars; zie 1 Kon. 18:28 met de aantekening.
wederstreven tegen Mij
Anders: zij wijken van mij af, of, wijken af tegen mij, te weten rebellerende, dewijl zij evenzeer blijven hangen aan hunn afgoderij, zelfs wanneer zij koren en most van mij kwanswijs verzoeken.
Hertaald:
wederstreven tegen Mij
Anders: zij wijken van Mij af, of: wijken af tegen Mij, namelijk in opstand, omdat zij even sterk aan hun afgoderij blijven hangen, zelfs wanneer zij zogenaamd koren en most van Mij vragen.
heb hen wel getuchtigd,
Met woorden en slagen. Anders: Ik bind en sterk hunne armen, te weten gelijk een goed chirurgijn en medicijnmeester pleegt te doen; vergelijk vs.1.
Hertaald:
heb hen wel getuchtigd,
Met woorden en met slagen. Anders: Ik bind en sterk hun armen, namelijk zoals een goede chirurgijn en arts pleegt te doen; vergelijk vers 1.
gesterkt;
Dat is, matiglijk gekastijd, gevende hun nog kracht om de kastijding te verdragen, of alzo: dat Ik hen niet verteerde; of, als Ik bezig was om hen te genezen door mijn heilzame tucht, zo voegde Ik mij naar hun vermogen, ondersteunende hen met nodige krachten, en hunne zwakheden dragende; of, Ik kastijdde hen wel, maar onderhield hunnen staat, dat zij niet te gronde gingen.
Hertaald:
gesterkt;
Dat is: met mate gekastijd, terwijl Ik hun nog kracht gaf om de kastijding te dragen; of: zodat Ik hen niet verteerde; of: terwijl Ik bezig was hen te genezen door Mijn heilzame tucht, voegde Ik Mij naar hun vermogen, ondersteunde hen met de nodige krachten en droeg hun zwakheden; of: Ik kastijdde hen wel, maar hield hun staat in stand, zodat zij niet te gronde gingen.
kwaad tegen Mij
Mijn goeddoen vergelden zij mij, [in plaats van met dankbaarheid] met kwade handelingen tegen mij; overdenkende hoe zij hun bouwvalligen staat, zonder mij en tegen al mijne waarschuwingen en dreigementen, evenwel, als tot mijn hoon en spijt, nog zouden mogen vastmaken door afgodische, vleselijke en heidense hulp, daar zij mij schuldig waren te danken voor al hetgeen dat er nog van hunnen staat overig en behouden is. Waarop het volgende mede ziet.
Hertaald:
kwaad tegen Mij
Mijn weldoen vergelden zij Mij, in plaats van met dankbaarheid, met kwade handelingen tegen Mij. Zij bedenken hoe zij hun bouwvallige staat zonder Mij en tegen al Mijn waarschuwingen en dreigementen in — als tot Mijn hoon en spijt — toch nog zouden kunnen vastzetten door afgodische, vleselijke en heidense hulp, terwijl zij Mij juist dank verschuldigd waren voor alles wat er van hun staat nog over en behouden is. Daarop ziet ook het volgende.
keren zich,
Zij lopen vast overal, hier en daar, maar tot mij, bij wien hun heil te zoeken is, komen zij niet; vergelijk onder Hos. 11:7 . Of, zij tonen somtijds een schijn van bekering, maar zij bekeren zich niet inderdaad; vergelijk boven Hos. 6:4 , met de aantekening. Anders: eenvoudig aldus: Zij bekeren zich niet tot den Allerhoogste.
Hertaald:
keren zich,
Zij lopen overal heen, hier en daar, maar tot Mij, bij Wie hun heil te vinden is, komen zij niet; vergelijk Hos. 11:7. Of: zij tonen soms een schijn van bekering, maar zij bekeren zich niet werkelijk; vergelijk Hos. 6:4 met de aantekening. Anders eenvoudig: zij bekeren zich niet tot de Allerhoogste.
bedriegelijke boog;
Hebreeuws, boog des bedrogs; zie Ps. 78:57 met de aantekening. De zin is: Daar zij zich tot mij behoorden te bekeren, gaan zij geheel andere wegen; daarom varen zij ook, gelijk volgt.
Hertaald:
bedriegelijke boog;
Hebreeuws: boog van het bedrog; zie Ps. 78:57 met de aantekening. De betekenis is: terwijl zij zich tot Mij behoorden te bekeren, gaan zij heel andere wegen; daarom vergaat het hun ook zoals volgt.
vorsten vallen door het zwaard;
Zie boven vs.7.
Hertaald:
vorsten vallen door het zwaard;
Zie vers 7.
gramschap hunner tong;
Dat is, omdat zij mijne profeten, en vervolgens mijzelf, met bitterheid en toornigheid bejegenen; vergelijk Ps. 73:9 , of, omdat zij elkander schelden, bitter en scherp toespreken, zo spant samen de een tegen den ander, en brengen zij elkander om hals, gelijk boven vs.7.
Hertaald:
gramschap hunner tong;
Dat is: omdat zij Mijn profeten, en daarmee Mijzelf, met bitterheid en toorn bejegenen; vergelijk Ps. 73:9. Of: omdat zij elkaar uitschelden en bitter en scherp toespreken, spant de een tegen de ander samen en brengen zij elkaar om het leven, zoals vers 7.
bespotting
Dat is, de oorzaak hunner bespotting.
Hertaald:
bespotting
Dat is: de oorzaak van hun bespotting.
Egypteland
Waar zij hulp zoeken en groot vertrouwen menen te hebben.
Hertaald:
Egypteland
Waar zij hulp zoeken en groot vertrouwen menen te vinden. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Efraim, die verwart zich met de volken; Efraim is een koek, die niet is omgekeerd" (Hos. 7:8). Het beeld wordt in het vers erna verder uitgewerkt: "Vreemden verteren zijn kracht, en hij merkt het niet; ook is de grauwigheid op hem verspreid, en hij merkt het niet" (Hos. 7:9). Bijbelse betekenis: Merk op wat een niet-omgekeerde koek is: aan de ene kant verbrand, aan de andere kant nog rauw — aan geen van beide kanten goed. Zo tekent dit vers Israël: het is niet zuiver het volk van de HEERE gebleven, en het is ook niet werkelijk als de heidenen geworden; het is een mislukking naar twee kanten tegelijk. Let vervolgens op Hos. 7:9: "hij merkt het niet." Tot tweemaal toe staat dat erbij. Het verval gaat zo geleidelijk dat het niet opgemerkt wordt, zoals grijze haren die niemand zelf eerst ziet. Let ten slotte op het woord verwart in Hos. 7:8. Efraim vermengt zich met de volken in plaats van zich ervan te onderscheiden, en juist die vermenging maakt het tot een half gebakken koek. Typologie: De Heere Jezus waarschuwt tegen dezelfde soort halfheid wanneer Hij zegt: "Niemand kan twee heren dienen" (Matt. 6:24). En in het laatste boek klinkt hetzelfde oordeel over lauwheid: "och, of gij koud waart, of heet!" (Op. 3:15). In het vers erna volgt de reden: "omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen" (Op. 3:16). Hos. 7:8-9; Matt. 6:24; Op. 3:15-16 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Hosea 7
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen


Hosea 7
Hosea 7:9.KruisverwijzingenHosea 8:7→2 Koningen 13:22→Jesaja 1:7→Jesaja 42:22→Jesaja 57:1→Spreuken 23:35→2 Koningen 13:3→2 Koningen 15:19→
— Vreemden verteren zijn kracht, en hij merkt het niet; ook is de grauwigheid op hem verspreid, en hij merkt het niet.
“Vreemden verteren zijn kracht, en hij merkt het niet; ook is de grauwigheid op hem verspreid, en hij merkt het niet.”
De profeet getuigt hier dat het koninkrijk Israël de weg van de omringende volken geleerd had en zich met hun ondeugden bezoedeld had. Daardoor was de kracht van het koninkrijk vervallen. Hij verklaart dat hij de tekenen van dat verval kon onderscheiden — tekenen zo duidelijk en zo zeker als de grauwe haren die de neergang van het leven aanwijzen. En toch hadden de inwoners van het rijk van Israël hun eigen achteruitgang niet opgemerkt. Zij hadden op hun kracht geroemd terwijl die hen al die tijd verliet.
Velen zien hun grauwe haren niet omdat zij niet in de spiegel kijken. Wij kunnen geen grauwe haren waarnemen zonder een spiegel, en onze zonden niet zonder de spiegel van het Woord van God. Die verwaarloosde, ongelezen Bijbels — hoe roepen zij tegen ons! Wat een snelle getuigen zullen zij tegen ons zijn op de laatste, hartdoorzoekende dag!
Geeft God ons een meetlat om onszelf mee te meten, en zullen wij die niet gebruiken? Zendt Hij ons deze verklikkers waarmee wij kunnen ontdekken of het wel goed met ons is, en zullen wij onze ogen sluiten en weigeren te zien? Sterven wij en gaan wij volstrekt verloren, dan moet ons bloed zeker op ons eigen hoofd zijn. Wie zich de moeite niet getroost in de spiegel te kijken, zal niemand hebben om iets te verwijten wanneer het onontdekte kwaad hem in bittere ellende en onherstelbaar onheil brengt.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Terwijl Ik Israël van zijne ziekte door de boetprediking der Profeten genees 1), zo wordt Efraïms ongerechtigheid in hare gehele grootte ontdekt, even als het gevaarlijke ener lichamelijke wonde dikwijls eerst bij het onderzoek van den geneesheer openbaar wordt, mitsgaders de boosheden in hare bodemloze diepte van Samaria, dien hoofdzetel van alle zedenbederf; want zij werken valsheid zowel tegenover mensen als tegenover God, en daarbij bedrijven zij hun schanddaden met ongehoorde gerustheid; en de dief gaat er in, zodat hun huizen onveilig zijn, de bende der straatschenders stroopt daarbuiten 2), zodat de wegen gevaarlijk zijn.
Gelijk de Heere alleen Zijn volk kan genezen, alzo is Hij ook gewillig, om Zijne hulpe aan te bieden en om tot dit einde middelen in het werk te stellen, eer Hij hetzelve overgeeft, want Hij wilde Israël genezen. Dit heeft de Heere gedaan en doet het in alle eeuwen aan Zijn volk; soms door Zijn Woord uit te zenden, om ze af te brengen van de zonde, gelijk God zo vele Profeten tot Israël had gezonden. Soms door hen verademingen van voorspoed te schenken, soms door hen minder verdrukkingen toe te zenden, als medicijnen om de zonde uit te zuiveren, en om de droevige gevolgen van dezelve voor te komen. Soms ook door enige voorname aanvallen van den afval en de zonde weg te nemen en dus gelegenheid te geven tot ene reformatie, indien dit anders op hen enige werking doen kan. Hoe meer de waarheid gepredikt wordt, des te erger wordt de wereld. Het geestelijk verderf van een volk en van ene stad wordt eerst dan in zijne grootte gezien, wanneer Gods woord krachtig wordt verkondigd en de gedachten des harten daaraan openbaar moeten worden.
En zij zeggen niet in hun hart, zij denken er zelfs in de verte niet aan, dat Ik al hunner boosheid gedachtig ben, en hen zeker zal straffen; nu omsingelen hen hun handelingen 1), van alle zijden zijn zij door misdaden omringd, zodat Ik wel blind moest zijn, zo Ik hun boosheid niet opmerkte; zij zijn voor Mijn aangezicht 2).
Het beeld is ontleend aan den heelmeester, die bij het helen van de wonde ontdekt, dat de kwaal veel dieper zit, dan hij dacht. Alzo was het ook met Israël. Als de Heere Zijne Profeten zendt en Zijne strafredenen laat horen, om het volk van den weg der ongerechtigheid af te brengen, wordt het openbaar, dat Israël tegen alle vermaningen ingaat en zich niet wil laten genezen. Integendeel de valsheid, het bedrog in hun daden zowel tegen God als de mensen wordt hoe langer hoe meer openbaar.
Mochten wij hieruit leren, dat niets meer te vrezen is, dan dat satan onze harten zo betovert, dat wij menen, dat God in den hemel werkeloos is. Daarom is er niets, dat ons meer tot waakzaamheid dringt, dan wanneer wij God in Zijne almacht vereren, en daarvan doordrongen zijn, dat Hij de rechter der wereld is, wanneer wij als voor Zijn aangezicht wandelen en weten, dat onze zonden niet in vergetelheid kunnen komen, behalve wanneer Hij ze door vergeving begraaft.
Zij, die goddeloze onderdanen, verblijden den koning met hun boosheid, en de vorsten met hun leugenen 1), daar deze hierdoor een geschikt middel hebben tot volvoering van hun eigene boze voornemens (Rom. 1:32).
Hiermede wordt het uiterste der goddeloosheid getekend. Niet alleen, dat het volk in allerlei goddeloosheid uitbreekt, maar ook de vorsten, zij, die recht en gerechtigheid hebben te handhaven, vinden vermaak in de goddeloosheid des volks. Dit is een voorteken, dat het met het volk op het eind loopt.
Zij bedrijven al te zamen, vorsten zowel als onderdanen, overspel, geestelijke hoererij, door hunnen afgodendienst; zij zijn gelijk een bakoven, die heet gemaakt is van den bakker, die ophoudt van wakker te zijn, van de wacht te houden dat de oven niet koud wordt, nadat hij het deeg heeft gekneed, totdat het doorgezuurd zij 1).
Schoon goddeloze mensen niet altijd in dadelijke goddeloosheid uitbreken, zo zijn zij daarom niet te minder schuldig; want hun geest is door de zonde besmet en als gejaagd, schoon zij dezelve niet uitwerken; gelijk een bakoven heet wordt en het deeg doorzuurt, schoon de bakker er anderen slapen moge. Het is niet uit hen, dat zij de zonde niet bedrijven, maar alleen uit gebrek van ene gelegenheid of van ene verzoeking tot dezelve, gelijk een heet gemaakte bakoven ophoudt van brood te bakken, en de bakker van het daarin te doen, totdat het gerezen en doorgezuurd zij. De hitte van hun begeerlijkheid is niet uitgeblust, noch zij arbeiden niet om dezelve te doden, maar zij blijft gedurig rusteloos woelen, totdat ze voldaan zijn, gelijk een bakoven gedurig heet en brandende is, totdat het brood gezuurd en daarin gelegd is.
Het is, zeggen zij, heden de geboorte of kronings-dag (Matth. 14:6) onzes konings; de vorsten beginnen het feest met drinkgelagen en maken hem ziek door verhitting van den wijn; hij, de koning, strekt, door alzo voor te gaan, zijne hand voort met de spotters, zij verenigen zich alzo met hem, want de wijn is een spotter (Spr. 20:1).
Ja spotters zijn zij, zowel in woorden als in gebaren, zelfs bij de godsdienstviering, die aan de feestelijkheid voorafgaat; want zij voeren hun hart aan als enen bakoven, tot hun lagen, zij hebben dien volgestopt met allerlei ongerechtigheid, met allerlei boze plannen; hunlieder bakker, die het deeg den vorigen dag heeft gekneed, en het daarna laat verzuren en rijzen (vs.
, slaapt den gansen nacht; hij houdt zich verre van hetgeen aan het hof voorvalt, totdat voor hem het ogenblik is gekomen om te handelen; ’ s morgens, als het bakken van het nu gereed geworden deeg beginnen zal, brandt hij als een vlammend vuur, en volbrengt hij met verzengenden gloed zijn werk.
Zij zijn al te zamen verhit als een bakoven, en zij verteren hun rechters, zij verslinden hun overheden; al hun koningen vallen, de een na den ander wordt omgebracht; en toch boezemt hun dit geen schrik in; er is niemand onder hen, die tot Mij roept: niemand grijpt Mijne hand om het verderf te ontkomen, en zij leven voort als ware er niets te vrezen. Na den dood van Jerobeam II verviel Israëls rijk hoe langer hoe meer. Toen de hand van den krachtigen veldheer den scepter niet meer hield, ging alle orde te niet. Van de zes laatste koningen is slechts één, Menahem, in ‘t bezit van zijne heerschappij, enen natuurlijken dood gestorven. Hier behoeft geen Profeet, gelijk de vorige koningshuizen, de vorsten met den ondergang te bedreigen, de vernietiging is duidelijk genoeg nabij. Hosea schildert hier meesterlijk, hoe het verraad in het duistere voortsluipt en koningsmoord uitbroedt. De Profeet voert ons in den kring, die het volk in het goede moest voorgaan, aan het hof van den koning en zijne geweldigen-en hoe is het daar? Daar zijn de koning en zijne vorsten, en om hen verzameld zijn de andere groten van het rijk, de voornaamsten in het gehele land; zij zoeken het koninklijk hof in slaap te wiegen (vs. 3). Het ontbreekt niet aan schone woorden en toch is alles leugen; want het zijn echtbrekers, trouweloos jegens hunnen God zowel als jegens hunnen koning, een afgevallen volk zonder trouw en geloof, dat het slechts te doen is om zamenzwering en omwenteling. Omdat in deze zaamgezworenen zulk een wild, onstuimig vuur brandt, door enkelen aangeblazen, onderhouden door den wederkerigen gloed, tot eindelijk alles helder ontvlamt, vergelijkt de Profeet de zaamgezworenen bij enen sterk gestookten oven. Bovenaan staat het hoofd der zaamgezworenen, die het gehele plan heeft uitgedacht; dat is de bakker, die het deeg heeft gekneed, en nadat dit geschied is, het deeg laat doorzuren en rijzen, d. i. het bedachte plan, nadat het den zaamgezworenen is meegedeeld, nu ook laat rijp worden (vs. 4). Zulk een wild vuur heeft deze zaamgezworenen, dat zij aan enen oven gelijken, die sterk verhit is; hoe nu alles wordt volvoerd, zien wij in ‘t volgende. Er is een koningsdag, enige feestelijke jaardag in ‘t koninklijk paleis; een algemeen feestgelag brengt al de zaamgezworenen, die mede tot de groten des lands behoren, aan het koninklijk hof. Daar heerst algemeen overdaad; de wijn maakt des konings gerustheid nog groter, hij zelf trekt de zaamgezworenen steeds nader tot zich; hij meent zich geheel aan het genot te kunnen overgeven, en zij bespotten hem slechts in hun hart (vs. 5). Nu komt het uur der volvoering; het is tijd om te offeren; daartoe verzamelt alles zich in den morgen. De koning gaat vooraan, de zaamgezworenen vol godsdienstigheid en het is toch slechts bedriegerij, want geheel andere gedachten vervullen de harten der groten. Het hoofd der zaamgezworenen-het is de bakker, die dien vreselijken gloed heeft verwekt-heeft zich den gehelen nacht stil gehouden, nu vindt hij op ‘t afgesproken uur alles in gereedheid (vs. 6). Nog schijnt de godsdienstigheid algemeen te zijn bij het offerfeest; daar breekt de storm, die gedreigd heeft, los, en de koning valt met zijne rechters; alles, wat zich verzet, wordt nedergehouwen, de koningsmoord met de algehele omwenteling is geschied. Onder het ganse volk heeft niemand een afkeer van zulk schanddaden, niemand wendt zich naar boven, dat de rechtvaardige God zulke gruwelen moge doen eindigen. (vs. 7). Dit is het profetische beeld van den jammerlijken toestand in Israël. Deze zinnebeeldige voorstelling schijnt te zinspelen op de zamenzwering van Pekah tegen Pekahia (2 Kon. 15:25), en wel met nauwkeurige kennis van de omstandigheden. Dagen van openbare vrolijkheid zijn maar al te zeer vervuld met veel goddeloosheid, en gevolgd door veel kwaad. Zij, die anderen tot dronkenschap aanzetten, kunnen nooit hun vrienden zijn, en berokkenen hun dikwijls den ondergang. Zo volvoeren mensen aan elkaar de goddelijke wraak, maar hoe zelden roepen zij, die aan zulke gevaren zijn blootgesteld, tot God, die alleen voor den ondergang kan bewaren? De dag komt, wanneer zij, die zich een vurigen oven gelijk maken door hun eigene lage begeerten, indien dat vuur niet door Gods genade is uitgeblust, zullen gemaakt worden tot een vurigen oven door Goddelijke wraak (Ps. 21:8), wanneer de dag komt, die zal branden als een oven (Mal. 4:1). .
Efraïm, hetwelk toch behoort tot het volk, dat Ik Mij van het overige volk heb afgezonderd, opdat het Mij een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk zou zijn (Ex. 19:5 v. Lev. 20:24,
, die vergeet geheel en al zijne heilige roeping en verwart zich met de volken, daar het de werken der heidenen leert, de afgoden der heidenen dient, en naar verbintenissen met de heidenen streeft (Hoofdst. 12:2. Ps. 106:35 v.); Efraïm is, omdat het in zijne aan ‘t heidendom verwante natuur volhardt, en zich niet door de hand van zijnen God wil laten verzorgen en opvoeden (Jer. 48:11), als een koek, die op heet zand gebakken, niet is omgekeerd, en daarom van boven niet gaar wordt. Een koek, die niet is omgekeerd, is ongaar aan de ene zijde, en zo was Efraïm, in verscheidene opzichten, onaangeroerd door de Goddelijk genade; ofschoon er ene gedeeltelijke gehoorzaamheid bestond, was er veel opstand overgebleven. O, mijne ziel! ik bid u, zie toe of dit niet uw toestand zij. Zijt gij geheel in de dingen Gods? Is de genade tot in het diepste van uwe ziel doorgedrongen, zodat hare goddelijke werkingen in al uwe krachten, daden, woorden en gedachten ondervonden worden? Het moet uw streven en uw gebed zijn om in geest, ziel en lichaam geheiligd te worden; en hoewel er nog in genen dele volkomen heiligmaking in u zij, moet zij toch in al uwe daden gezien worden; en mag hier geen schijn van heiligheid zijn, terwijl elders de zonde heerst, anders zijt gij ook een koek, die niet is omgekeerd. Een koek, die niet is omgekeerd, verbrandt licht aan den kant, die het dichtst bij het vuur is, en ofschoon niemand te veel godsdienst hebben kan, zijn er sommigen, die zwart verbrand schijnen door dweepzuchtigen ijver voor dat deel der waarheid, dat zij ontvingen, of die verschroeid zijn tot ene dove kool, door ene ijdele Farizese vertoning van die godsdienstige verrichtingen, welke met hun gezindheid stroken. De aangematigde schijn van hogere heiligheid gaat meestal zamen met een volkomen gemis aan alle levende godzaligheid. De heilige in het openbaar is een duivel in het verborgen. Hij handelt in meel bij dag, en in roet bij nacht. Een koek, die aan ene zijde verbrand is, is aan de andere zijde deeg. Indien dit mijn toestand is, o Heere, keer mij om, keer mijne ongeheiligde natuur voor het vuur uwer liefde, en doe haar den heiligen gloed ondervinden, opdat mijne verbrande zijde een weinig moge opkoelen, terwijl ik mijne eigene zwakheid en mijn gemis aan gloed lere verstaan, wanneer ik van uwe hemelse vlam ben afgekeerd. Dat ik niet bevonden worde een dubbelhartig mens te zijn, maar geheel onder den krachtigen invloed der heersende genade; want dit weet ik, dat indien ik als een koek, die niet is omgekeerd, gelijk, en niet aan beide zijden het voorwerp uwer genade ben, ik voor eeuwig in het vuur, dat niet uitgeblust wordt, zal branden.
Even als nu zulk een niet omgekeerde koek van onderen verbrandt, zo gaat het ook Efraïm, vreemden verteren, even als de verderfelijke hitte, zijne kracht, van binnen door het heiligdom, van buiten door verwoestende oorlogen, en hij, dit zo verblinde en verstokte Efraïm, merkt het niet, dat diegene aan welke hij als aan vrienden en weldoeners zich hecht, zijne ergste vijanden en verdervers zijn, en hem tot enen vóór den tijd afgeleefden, voor het graf rijpenden man maken; ook is de grauwigheid op hem verspreid, zijne haren zijn grijs geworden, en hij merkt het niet, noch hoever het reeds met hem is gekomen, noch welke toekomst hem wacht. Uit de afdeling vs. 4-7 bleek, dat men ten tijde der koningen reeds bakovens had van dezelfde soort als de onze; dit was ten minste het geval in de koninklijke residentie; te Jeruzalem was ene bijzondere bakkerstraat (Jer. 37:21), terwijl de gewone huishoudingen zich waarschijnlijk nog wel van bakkruiken bedienden. (Ex. 16:24). Van deze wijze van bakken is in Lev. 2:5 en 7 de andere te onderscheiden, daar men of het deeg op ene ijzeren plaat (Machabath. Ezech. 4:3) uitspreidde, dit op enige stenen legde en daaronder vuur maakte, of het deeg, dat tot ene soort van pannekoek gevormd was, in ene met een de deksel voorzienen ketel (Marcheseth) bakte. In de voor ons liggende afdeling komt nog een derde manier van bakken voor: men maakte of ene ronde groeve in de aarde, legde daarin eerst keistenen, waarop het vuur werd aangestoken, ruimde het laatste weg, wanneer de stenen genoeg verwarmd waren en legde nu het deeg op de stenen; of men maakte het vuur op het zand aan, en als dit genoeg verhit was, ruimde men het vuur weg, en legde het deeg op het hete zand, keerde het na enigen tijd om, en dekte het van boven met het hete zand en met as toe. Hierdoor verkreeg men de zogenaamde askoeken, die wel tamelijk zwart uitvielen, maar toch een goeden smaak hadden. Ook bij het bakken in de groeve was het gedurig omkeren ene wezenlijke noodzakelijkheid, wanneer het baksel niet zou mislukken.
Dies zal de hovaardij van Israël in zijn aangezicht getuigen, zodat het duidelijk is geworden, waartoe de heidense godsdienst het gebracht heeft (Hoofdst. 5:5); dewijl zij zich niet bekeren tot den HEERE, hunnen God, die hen toch alleen redding en hulp kon aanbrengen, noch Hem zoeken in alle dezen, hoewel de ziekelijkheid van hun staatsinrichtingen zo openbaar wordt; maar zij wenden zich om hulp tot degenen, die toch hun vijanden zijn.
Deze onboetvaardigheid draagt dan ook hare onzalige vruchten; want Efraïm is als een botte, ene domme duif, die het niet moeilijk is in strik of net te lokken; het is zonder hart, zonder verstand; zij roepen Egypte aan om hulp tegen Assur (2 Kon. 17:4); en dan is het weer: zij gaan henen tot Assur, zij zoeken het vriendschappelijk te stemmen, en door vleierijen te verzoenen, en zij bemerken niet, dat zij juist daardoor in het net des verderfs, in de macht van Assur geraken. Wat is erbarmelijker, dan de andere, die zich over zichzelven niet erbarmt. O, ontvlied den schorpioen, wiens prikkel gij kent, ontvlucht de slang, wier verderf gij hebt leren kennen. Wie ten tweeden male op denzelfden steen stoot is òf blind òf zinneloos. (EPHRAIM, DE SYRIER).
Wanneer zij, in plaats van zich boetvaardig tot Mij te wenden, tot mensenhulp en menschengunst zullen henengaan, zal Ik zelf als vogelvanger Mijn net over hen, tot straf uitspreiden, en hen uit de vrijheid tot de gevangenis brengen; Ik zal ze als vogelen des hemels doen nederdalen, Ik zal ze tuchtigen met gevangenschap in de macht van Assur, met wien zij nu boeleren en waarvoor zij straks vrezen (Ezech. 12:13), gelijk gehoord is in hun vergadering 1) (Jes. 3:24), in hun gemeente, zowel uit de plaatsen der wet (Lev. 26:14 vv. (Deut. 28:15 vv.), als van de Profeten.
Hiermede dreigt de Heere met Zijne straffen. Straffen, die niet ongewaarschuwd kunnen overkomen, dewijl de Heere door de Wet en de Profeten had gewaarschuwd, en gezegd, welke straffen op het verlaten van Hem, op het afhoereren van Hem, waren gesteld. Helaas, Efraïm heeft zich niet laten waarschuwen, maar was als een botte duif, die niet eens ziet welk gewaar hem wacht.
Wee hen, want zij zijn als vluchtende vogels, van Mij afgezworven; verstoring over hen, want zij hebben tegen Mij overtreden; Ik zou hen wel willen verlossen, maar zij spreken, nu met den mond, dan door hun daden (vs. 11), leugenen tegen Mij, alsof Ik hen niet kon verlossen.
De Heere God spreekt hier uit dat er wel bij Hem nog raad is, nog lust tot genade en hulp, maar zij spreken leugenen tegen Hem, d. i. zij zeggen het met hun mond en tonen het met hun daad, dat Hij niet kan verlossen, dewijl zij hulpe zoeken bij de Assyriërs.
Zij roepen ook niet tot Mij met hun hart, al is het ook dat hun lippen om redding schreeuwen, wanneer zij in ongelovigen wanhoop over den nood, waarin zij geraakt zijn, huilen op hun legers; om koren en most verzamelen zij zich, alleen om hunnen buik te vullen en hunnen lust te bevredigen, brengen zij huichelachtige offers en houden zij vergaderingen tot gebed (Num. 11:4), maar zij wederstreven tegen Mij, dewijl zij volstrekt geen acht slaan op het doel, dat Ik bij Mijne kastijding voor ogen heb.
Alle plechtige godsdienst wordt ook recht verworpen, wanneer de mensen hun weerspannige en afkerige gedachten en handelingen tegen God niet afleggen. Want dewijl hun roepen tot Hem hen verbinden moest tegen de zonde te strijden, daar liepen zij, wat zij ook in hun onmiddelijken godsdienst schenen te zijn, terstond wederom tot hun oude gangen en hun gewone handelingen en verstening. En wanneer zij te eniger tijd hun verzoek van God verkregen, zo versmaden zij hem terstond, alsof zij niet neer met Hem te doen hadden. Deze plaats is opmerkelijk, omdat wij daaruit zien, dat onze gebeden voor God een gruwel zijn, wanneer wij beginnen met brood en wijn en niet met het rijk van God, d. i. wanneer wij Zijne verheerlijking niet zoeken en onze harten niet alzo richten, dat wij onder een verzoenden God leven. Wanneer wij daarom niet naar de bron van den Goddelijken zegen zelf streven, maar alleen wensen ene voldoende menigte van zijne goederen voor den mond te verkrijgen, dan zijn alle onze gebeden een gruwel voor Hem en dat met recht. Wij moeten niet de gaven van den Heere, maar den Heere der gaven zoeken. De mening van dit vers is deze: wanneer zij ter oorzake van enige rampspoed droevige klachten maken, en hun smarten met onredelijk geschreeuw uiten, gelijk een die op zijn ziekbed pijnlijk ligt, zo roepen zij met gene oprechte harten tot God; ja wanneer zij zich vergaderen uit vreze van schaarsheid en hongersnood om overvloed af te bidden dan zelfs laten zij niet na weerspannig te zijn tegen God.
Ik heb hen wel getuchtigd (of onderwezen), en hunlieder armen gesterkt, hun dikwijls de overwinning over machtige vijanden verleend, als bijv. onder Achab (1 Kon. 20:1 vv.) en Jerobeam II (1 Kon. 14:26 vv.); maar zij denken kwaad tegen Mij, zij denken er altijd over, om van Mij af te vallen, en de Mij toekomende eer aan hun kalveren en afgoden te schenken.
Zij keren zich op hun wegen wel menigmaal om (Hoofdst. 5:6), maar niet tot der Allerhoogst. 1), zij zijn als een bedrieglijke boog 2), waarvan de pees niet deugt (Ps. 78:57), en die nu zijne pijlen, al zijn ze naar boven gericht, toch zijdelings afschiet; hun vorsten, de bewerkers van den afval en van al de ellende, waarin het volk gekomen is, vallen door het zwaard, van wege de gramschap hunner tong 3), van wege hun vermetele taal tegen God (vs.
; dit is hunlieder bespotting in Egypteland, waarop zij zoveel hoop vestigen, daar verheugt men zich in hunnen val en bespot men hen van wege hun dwaasheid (Jes. 60:3, 5).
Ieder kan het wel gevoelen of zijn hart recht is voor den Heere of niet. Het openbaart zich bijzonder in de bestendigheid en oprechtheid van zin. Beproeve zich een ieder, en late hij zich door God beproeven hoe hij het meent. Hoe dikwijls belooft men, door den nood gedreven, verbetering of zoekt naar redding door huichelachtige belofte! Hoe velen leggen ook wel de ene of andere grove zonde af, waardoor zij geschandvlekt werden, of als zij bemerken, dat zij er schade door lijden aan lichaam en in goederen; maar zij behouden toch zekere boezemzonden of nemen nog wel ergere gewoonten aan, of behouden den lust daartoe in het hart, en strijden daartegen niet met den rechten ernst.
Even als een valse boog den schutter zelven dikwijls wondt, en hem den pijl in ‘t aangezicht drijft, zo deden zij zich door hun huichelarij de grootste schade aan.
Eigenlijk “speeksel uitwerpen, ” gelijk wanneer men spreekt, in ene vreemde taal die vele lispelende woorden en klanken heeft. De Semietische talen worden uit de borst en keel uitgesproken; hiervan verschilde de Egyptische geheel. Egyptisch spreken is hier hetzelfde als het te houden met de Egyptenaars “Grimmige woede der tong, ” gelijk men elders vertalen moest, is ene al te vreemde en hier weinig gepaste spreekwijs. Men vertale: “dat is de vrucht van het lispelen hunner tong, van hun bastaard-taal spreken in Egypteland. Het woord “zaäm” betekent vloeiing, verachting, woede, gramschap trotsheid, grootspreken. Volgens deze verschillende betekenissen wordt het onderscheiden uitgelegd. De gevoegelijkste uitlegging schijnt deze: dat zij omkwamen om hun trotse, vermetele en woedende taal tegen God, Zijne wetten en Profeten, terwijl zij steunden op hun eigene kracht en op die dergenen, aan wie zij om hulp zonden, zodat zij zeiden, dat God hen niet kon of niet wilde helpen, dat Hij hun den Assyriër toezond, zij bij den Egyptenaar wel hulp kouden vinden; of in deze taal, dat zij van hun kalveren en andere afgoden zeiden, dat die goden waren (Vgl vs. 13). Sommigen nemen de woorden in een geheel anderen zin, dat de vorsten omkwamen door de woedende, lasterlijke, verachtende en oproerige tongen des volks, door die oproerigheden, welke aangekweekt werden door de vorsten, om elkaar af te maken. Deze zin schijnt ook niet te verwerpen. Hoe blind zijn wij voor ons zelven, zodat noch volken noch kerken, noch bijzondere personen in zich zelven de verschijnselen van verval opmerken, welke voor allen in het rond zichtbaar zijn. De hoogmoed, die leidt tot het verbreken van Gods wet, leidt tot die zelfverblinding. Gods goedertierenheid en genade zijn de enige toevlucht, en de zondaren denken er nooit over om tot Hem te vluchten. Zij mogen naderen tot Hem, Israëls Verlosser, den beheerser der zondaren, en al wie in zijne zonden vergaat, spreekt leugen tegen Hem, wanneer hij zijn ondergang wil wijten aan de weigering om genade te vinden. Doch zij mogen in den vorm van gebeden hun verschrikkingen uitbrengen, zelden roepen zij met hun harten tot God. Hun gebeden om tijdelijke giften, zoeken alleen vervulling hunner lusten. Hun keren van de ene secte, mening, vorm of verkeerdheid tot de andere laten hen verre van Christus en van heiligheid. Wanneer zij spreken in vreze is hun belijdenis bedrieglijk, zodanig is de voortgang en het einde der verkeerdheid. Schep in ons een rein hart o Heere! en vernieuw in ons een vasten Geest. .
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel