Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
IsraelH3478 is een uitgeledigdeH1238 wijnstokH1612, hij brengtH7737 weder vruchtH6529 voor zich; maar naar de veelheidH7230 zijner vruchtH6529 heeft hij de altarenH4196 vermenigvuldigdH7235; naar de goedheidH2896 zijns landsH776, hebben zij de opgerichte beeldenH4676 goedH2895 gemaakt.
Israel is een uitgeledigde wijnstok, hij brengt weder vrucht voor zich; maar naar de veelheid zijner vrucht heeft hij de altaren vermenigvuldigd; naar de goedheid zijns lands, hebben zij de opgerichte beelden goed gemaakt.
KJV
Israel3
is an empty2
vine,1
he bringeth forth5
fruit4
unto himself: according to the multitude7
of his fruit8
he hath increased9
the altars;10
according to the goodness11
of his land12
they have made goodly
images.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Hij heeft hun hartH3820 verdeeldH2505, nuH6258 zullen zij verwoestH816 worden; HijH1931 zal hun altarenH4196 doorhouwenH6202, Hij zal hun opgerichte beeldenH4676 verstorenH7703.
Hij heeft hun hart verdeeld, nu zullen zij verwoest worden; Hij zal hun altaren doorhouwen, Hij zal hun opgerichte beelden verstoren.
KJV
Their heart2
is divided;1
now shall they be found faulty:4
he shall break down6
their altars,7
he shall spoil8
their images.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Want nuH6258 zullen zij zeggenH559: Wij hebben geen koningH4428; wantH3588 wij hebben den HEEREH3068 niet gevreesdH3372; watH4100 zou ons dan een koningH4428 doenH6213?
Want nu zullen zij zeggen: Wij hebben geen koning; want wij hebben den HEERE niet gevreesd; wat zou ons dan een koning doen?
KJV
For now they shall say,3
We have no king,5
because we feared9
not the LORD;11
what then should a king12
do
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Zij hebben woordenH1697 gesprokenH1696, valselijkH7723 zwerendeH422 in het verbondH1285 maken; daarom zal het oordeelH4941 als een vergiftig kruidH7219 groenenH6524, opH5921 de vorenH8525 der veldenH7704.
Zij hebben woorden gesproken, valselijk zwerende in het verbond maken; daarom zal het oordeel als een vergiftig kruid groenen, op de voren der velden.
KJV
They have spoken1
words,2
swearing3
falsely4
in making5
a covenant:6
thus judgment9
springeth up7
as hemlock8
in the furrows11
of the field.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
De inwonersH7934 van SamariaH8111 zullen verschriktH1481 zijn over het kalfH5697 van Beth-AvenH1007; wantH3588 zijn volkH5971 zal overH5921 hetzelve treurenH56, mitsgaders zijn ChemarimH3649 (die zich overH5921 hetzelve verheugden), overH5921 zijn heerlijkheidH3519, omdatH3588 zij vanH4480 hetzelve is weggevarenH1540.
De inwoners van Samaria zullen verschrikt zijn over het kalf van Beth-Aven; want zijn volk zal over hetzelve treuren, mitsgaders zijn Chemarim (die zich over hetzelve verheugden), over zijn heerlijkheid, omdat zij van hetzelve is weggevaren.
KJV
The inhabitants5
of Samaria6
shall fear4
because of the calves1
of Bethaven:2
for the people10
thereof shall mourn8
over it, and the priests11
thereof that rejoiced13
on it, for the glory15
thereof, because it is departed
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
JaH1571, datzelve zal naar AssurH804 gevoerdH2986 worden, tot een geschenkH4503 voor den koningH4428 JarebH3377; EfraimH669 zal schaamteH1317 behalen, en IsraelH3478 zal beschaamdH954 worden vanwege zijn raadslagH6098.
Ja, datzelve zal naar Assur gevoerd worden, tot een geschenk voor den koning Jareb; Efraim zal schaamte behalen, en Israel zal beschaamd worden vanwege zijn raadslag.
KJV
It shall be also carried4
unto Assyria3
for a present5
to king6
Jareb:7
Ephraim9
shall receive10
shame,8
and Israel12
shall be ashamed11
of his own counsel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
De koningH4428 van SamariaH8111 is afgehouwenH1820, als schuimH7110 opH5921 het waterH4325.
De koning van Samaria is afgehouwen, als schuim op het water.
KJV
As for Samaria,2
her king3
is cut off1
as the foam4
upon6
the water.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En de hoogtenH1116 van AvenH206, IsraelsH3478 zondeH2403, zullen verdelgdH8045 worden; doornenH6975 en distelenH1863 zullen opH5921 hunlieder altarenH4196 opkomenH5927; en zij zullen zeggenH559 tot de bergenH2022: BedektH3680 ons! en tot de heuvelenH1389: ValtH5307 opH5921 ons!
En de hoogten van Aven, Israels zonde, zullen verdelgd worden; doornen en distelen zullen op hunlieder altaren opkomen; en zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons! en tot de heuvelen: Valt op ons!
KJV
The high places2
also of Aven,
the sin4
of Israel,5
shall be destroyed:1
the thorn6
and the thistle7
shall come up8
on their altars;10
and they shall say11
to the mountains,12
Cover13
us; and to the hills,14
Fall
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Sinds de dagenH3117 van GibeaH1390, hebt gij gezondigdH2398, o IsraelH3478; daarH8033 zijn zij staande geblevenH5975; de strijdH4421 te GibeaH1390, tegenH5921 de kinderenH1121 der verkeerdheidH5932, zal ze nietH3808 aangrijpenH5381.
Sinds de dagen van Gibea, hebt gij gezondigd, o Israel; daar zijn zij staande gebleven; de strijd te Gibea, tegen de kinderen der verkeerdheid, zal ze niet aangrijpen.
KJV
O Israel,4
thou hast sinned3
from the days1
of Gibeah:2
there they stood:6
the battle10
in Gibeah9
against the children12
of iniquity13
did not overtake
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Het is in Mijn lustH185, dat Ik ze zal binden; en volkenH5971 zullen tegenH5921 henlieden verzameldH622 worden, als Ik ze binden zal in hun tweeH8147 vorenH5869.
Het is in Mijn lust, dat Ik ze zal binden; en volken zullen tegen henlieden verzameld worden, als Ik ze binden zal in hun twee voren.
Ook in dit vers
bindenH631
KJV
It is in my desire1
that I should chastise2
them; and the people5
shall be gathered3
against them, when they shall bind6
themselves in their two7
furrows.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Dewijl EfraimH669 een vaarsH5697 is, gewendH3925 gaarneH157 te dorsenH1758, zo ben Ik overH5921 de schoonheidH2898 van haar halsH6677 overgegaanH5674; Ik zal EfraimH669 berijdenH7392, JudaH3063 zal ploegenH2790, JakobH3290 zal voor zich eggenH7702.
Dewijl Efraim een vaars is, gewend gaarne te dorsen, zo ben Ik over de schoonheid van haar hals overgegaan; Ik zal Efraim berijden, Juda zal ploegen, Jakob zal voor zich eggen.
KJV
And Ephraim1
is as an heifer2
that is taught,3
and loveth4
to tread out5
the corn; but I passed over7
upon her fair9
neck:
I will make Ephraim12
to ride;11
Judah14
shall plow,13
and Jacob17
shall break his clods.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
ZaaitH2232 u tot gerechtigheid, maaitH7114 tot weldadigheidH2617; braaktH5214 u een braaklandH5215; dewijl het tijdH6256 is den HEEREH3068 te zoekenH1875, totdatH5704 Hij komeH935, en over u de gerechtigheid regeneH3384.
Zaait u tot gerechtigheid, maait tot weldadigheid; braakt u een braakland; dewijl het tijd is den HEERE te zoeken, totdat Hij kome, en over u de gerechtigheid regene.
Ook in dit vers
gerechtigheidH6664
gerechtigheidH6666
KJV
Sow1
to yourselves in righteousness,3
reap4
in5
mercy;6
break up7
your fallow ground:9
for it is time10
to seek11
the LORD,13
till he come15
and rain16
righteousness
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Gij hebt goddeloosheidH7562 geploegdH2790, verkeerdheidH5766 gemaaidH7114, en de vruchtH6529 der leugenH3585 gegetenH398; wantH3588 gij hebt vertrouwdH982 op uw wegH1870, op de veelheidH7230 uwer heldenH1368.
Gij hebt goddeloosheid geploegd, verkeerdheid gemaaid, en de vrucht der leugen gegeten; want gij hebt vertrouwd op uw weg, op de veelheid uwer helden.
KJV
Ye have plowed1
wickedness,2
ye have reaped4
iniquity;3
ye have eaten5
the fruit6
of lies:7
because thou didst trust9
in thy way,10
in the multitude11
of thy mighty men.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Daarom zal er een groot gedruisH7588 ontstaanH6965 onder uw volkenH5971, en alH3605 uw vestingenH4013 zullen verstoordH7703 worden, gelijk SalmanH8020 Beth-ArbelH1009 verstoordeH7701 ten dageH3117 des krijgsH4421; de moederH517 werd er verpletterdH7376 met de zonenH1121.
Daarom zal er een groot gedruis ontstaan onder uw volken, en al uw vestingen zullen verstoord worden, gelijk Salman Beth-Arbel verstoorde ten dage des krijgs; de moeder werd er verpletterd met de zonen.
KJV
Therefore shall a tumult2
arise1
among thy people,3
and all thy fortresses5
shall be spoiled,6
as Shalman8
spoiled7
Betharbel9
in the day11
of battle:12
the mother13
was dashed in pieces16
upon her children.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Alzo heeft Beth-ElH1008 ulieden gedaanH6213, vanwegeH6440 de boosheidH7451 uwer boosheidH7451; IsraelsH4378 koningH4428 is in den dageraadH7837 ten enenmaleH1820 uitgeroeidH1820.
Alzo heeft Beth-El ulieden gedaan, vanwege de boosheid uwer boosheid; Israels koning is in den dageraad ten enenmale uitgeroeid.
KJV
So1
shall Bethel4
do2
unto you because6
of your great7
wickedness:8
in a morning9
shall the king12
of Israel13
utterly10
be cut off.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
is een uitgeledigde wijnstok,
Of, was, te weten door de schatting van den koning Menahem, die duizend talenten zilver van zijne onderdanen genomen heeft voor den koning van Assyrië, Pul, zie 2 Kon. 15:19-20 , waarop sommigen dit duiden. Vergelijk boven Hos. 7:9 . Anderen verstaan het van de onzinnige verkwisting hunner middelen in allerlei afgoderij, [waarvan in het volgende] en zetten het aldus over [menende de eigenschap der Hebreeuwse woorden wat nader te komen]: Israël is een wijnstok, uitledigende de vrucht [die] hij voor zich brengt, of weglegt; dat is, die zichzelven door zijne afgoderij berooft van hetgeen hij door mijn zegen ontvangt. Of, nader aldus: Israël ledigt den wijnstok uit, hij legt de vrucht voor zich weg; te weten tot afgodisch gebruik.
Hertaald:
is een uitgeledigde wijnstok,
Of: was, namelijk door de schatting van koning Menahem, die duizend talenten zilver van zijn onderdanen genomen heeft voor Pul, de koning van Assyrië; zie 2 Kon. 15:19-20, waarop sommigen dit betrekken. Vergelijk Hos. 7:9. Anderen verstaan het van de dwaze verkwisting van hun middelen aan allerlei afgoderij, waarover het vervolg gaat, en vertalen het zo — omdat zij menen daarmee de eigenaard van de Hebreeuwse woorden dichter te benaderen: Israël is een wijnstok die de vrucht uitledigt die hij voortbrengt of wegbergt; dat is: die zichzelf door zijn afgoderij berooft van wat hij door Mijn zegen ontvangt. Of nog dichterbij: Israël ledigt de wijnstok uit, hij legt de vrucht voor zichzelf weg, namelijk voor afgodisch gebruik.
hij brengt weder vrucht voor zich;
Dat is, hij begint weder te bekomen, door mijn zegen, dien hij nochtans schandelijk misbruikt. Anders: hij maakt de vrucht zichzelven gelijk, de vrucht is gelijk de boom, gelijk hij van anderen wordt beroofd en uitgeput, alzo put hij zichzelven ook uit van zijn eigen middelen.
Hertaald:
hij brengt weder vrucht voor zich;
Dat is: hij begint weer op te komen door Mijn zegen, die hij toch schandelijk misbruikt. Anders: hij maakt de vrucht aan zichzelf gelijk — de vrucht is als de boom; zoals hij door anderen beroofd en uitgeput wordt, zo put hij ook zichzelf uit van zijn eigen middelen.
goedheid zijns lands,
Dat is vruchtbaarheid, goede inkomst, die Ik hun genadiglijk verleen.
Hertaald:
goedheid zijns lands,
Dat is: de vruchtbaarheid en goede opbrengst die Ik hun genadig verleen.
goed gemaakt
Dat is schoon en kostelijk; hoe meer Ik hen zegen, hoe darteler en weelderiger zij in afgoderij worden, waaraan zij hun vermogen ten koste leggen. Vergelijk boven Hos. 2:7 , en Hos. 4:7 .
Hertaald:
goed gemaakt
Dat is: mooi en kostbaar. Hoe meer Ik hen zegen, hoe uitgelatener en weelderiger zij in de afgoderij worden, waaraan zij hun vermogen besteden. Vergelijk Hos. 2:8 en Hos. 4:7.
Hij heeft hun hart
Namelijk God, van wien in het volgende klaarlijk gesproken wordt. Dit schijnt het eenvoudigste te wezen.
Hertaald:
Hij heeft hun hart
Namelijk God, over Wie in het vervolg duidelijk gesproken wordt. Dit lijkt de eenvoudigste opvatting.
verdeeld,
Door den geest van den twist en de tweedracht, waardoor zij elkander vernielen; zie boven Hos. 7:7 , en vergelijk Richt. 9:23 , en de aantekening aldaar.
Hertaald:
verdeeld,
Door de geest van twist en tweedracht, waardoor zij elkaar vernietigen; zie Hos. 7:7, en vergelijk Richt. 9:23 met de aantekening daar.
verwoest worden;
Dit wordt in het volgende verklaard. Anders: schuldig bevonden worden.
Hertaald:
verwoest worden;
Dit wordt in het vervolg verklaard. Anders: schuldig bevonden worden.
doorhouwen,
Gelijk men enen misdadiger den nek doorhouwt, of onthalst.
Hertaald:
doorhouwen,
Zoals men een misdadiger de nek doorhouwt of hem onthoofdt.
nu zullen zij zeggen
Dat is, al haast, binnen korten tijd [gelijk in vs.2 en boven Hos. 2:9 , en Hos. 4:16 en Hos. 8:10 , Hos. 8:13 ; Jes. 49:19 ; Jer. 14:10 ; Am. 6:7 ; Mi. 4:10 , en Mi. 7:10 ] als hun land, koninkrijk en koning verwoest zullen zijn, dan zullen zij, gevoelende de waarheid van Gods dreigementen, en overtuigd zijnde van hun moedwillige boosheid, zichzelven moeten veroordelen. Vergelijk onder Hos. 13:10 .
Hertaald:
nu zullen zij zeggen
Dat is: heel spoedig, binnen korte tijd — zoals in vers 2 en Hos. 2:10, Hos. 4:16, Hos. 8:10 en Hos. 8:13; Jes. 49:19; Jer. 14:10; Amos 6:7; Micha 4:10 en Micha 7:10. Wanneer hun land, koninkrijk en koning verwoest zullen zijn, zullen zij de waarheid van Gods dreigementen voelen, van hun moedwillige boosheid overtuigd worden en zichzelf moeten veroordelen. Vergelijk Hos. 13:10.
geen koning;
Vergelijk onder vs.7, 15.
Hertaald:
geen koning;
Vergelijk vers 7 en 15.
doen?
Al hebben wij een koning, wat hulp of voordeel zouden wij van hem kunnen verwachten, daar God onze tegenpartij geworden is? Zij willen zeggen, nietmetal.
Hertaald:
doen?
Al hebben wij een koning, welke hulp of welk voordeel zouden wij van hem kunnen verwachten, nu God onze tegenpartij geworden is? Zij bedoelen: helemaal geen.
woorden gesproken,
Dit kan men verstaan van hoge, bittere en trotse woorden van den een tegen den ander in hun onderlinge samenzweringen, òf, tegen God en zijne profeten. [Vergelijk boven Hos. 7:16 , en de aantekening; idem Mal. 3:13 ] , òf, van hunne menigerlei samensprekingen en beraadslagingen [gelijk woorden ook voor raadslagen genomen worden. Zie 1 Kon. 1:7 ; Ezech. 38:10 met de aantekening] tot stijving hunner afgoderij en van hun staat tegen God, door handelingen met heidense koningen en verbonden, die zich lichtelijk met hoge woorden bezwoeren, en ze weder lichtelijk braken, waarop de volgende woorden zien.
Hertaald:
woorden gesproken,
Dit kan men verstaan van hoogmoedige, bittere en trotse woorden van de een tegen de ander in hun onderlinge samenzweringen, of tegen God en Zijn profeten (vergelijk Hos. 7:16 met de aantekening, en ook Mal. 3:13); of van hun vele besprekingen en beraadslagingen — want woorden worden ook opgevat als raadslagen, zie 1 Kon. 1:7; Ezech. 38:10 met de aantekening — om hun afgoderij en hun staat tegen God te versterken door onderhandelingen met heidense koningen en verbonden, die zij lichtvaardig met hoge woorden bezwoeren en weer even lichtvaardig verbraken. Daarop zien de volgende woorden.
valselijk zwerende
Gelijk zij zonder twijfel gedaan hebben, als zij zich aan den koning van Assyrië verbonden, en kort daarna weder van hem afvielen tot den koning van Egypte; 2 Kon. 17:3-4 . Anders: ijdellijk, of tevergeefs vloekende, zichzelven verzwerende, gelijk goddeloze mensen plegen te doen; zie boven Hos. 4:2 .
Hertaald:
valselijk zwerende
Zoals zij ongetwijfeld gedaan hebben toen zij zich aan de koning van Assyrië verbonden en kort daarna weer van hem afvielen naar de koning van Egypte; 2 Kon. 17:3-4. Anders: ijdel of tevergeefs vloekend, zichzelf verzwerend, zoals goddeloze mensen plegen te doen; zie Hos. 4:2.
oordeel
Dat is, hunne straf, mijn oordeel over hen; zie Jer. 48:21 , en boven Hos. 6:5 .
Hertaald:
oordeel
Dat is: hun straf, Mijn oordeel over hen; zie Jer. 48:21 en Hos. 6:5.
vergiftig kruid
Zie Ps. 69:22 .
Hertaald:
vergiftig kruid
Zie Ps. 69:22.
groenen,
De straffen zullen zo overvloedig komen en toenemen als een boos onkruid wast in het veld.
Hertaald:
groenen,
De straffen zullen zo overvloedig komen en toenemen als een boos onkruid dat in het veld opschiet.
inwoners van Samaria
Hebreeuws, de inwoners zullen verschrikt worden over, of vrezen voor, enz.; dat is, elkeen der Samaritaanse inwoners zal verbaasd en ontzet zijn.
Hertaald:
inwoners van Samaria
Hebreeuws: de inwoners zullen verschrikt worden over of vrezen voor, enzovoort; dat is: ieder van de inwoners van Samaria zal verbijsterd en ontzet zijn.
kalf
Versta, het gouden kalf van Bethel. Hebreeuws, kalven, of vaarskalven; dat is, dat grote kalf, gelijk behemoth; beesten, dat is, een groot beest gelijk een olifant, enz., want in het volgende wordt van dit kalf gesproken in het enkelvoud, en hetwelk op het kostelijkste moet gemaakt en versierd zijn geweest, omdat zij er zozeer over verschrikt en bedroefd zijn geweest, en dat het tot een geschenk voor den koning van Assyrië is weggevoerd. Anders zou dit kalf door verachting vaarskalven kunnen genoemd zijn of, omdat zij er meer dan een mogen gemaakt hebben, het ene van tijd tot tijd kostelijker en schoner dan het andere, uit vs.1.
Hertaald:
kalf
Versta: het gouden kalf van Bethel. Hebreeuws: kalveren of vaarskalveren; dat is: dat grote kalf — zoals behemoth beesten betekent, dat is: een groot beest als een olifant, enzovoort. Want in het vervolg wordt over dit kalf in het enkelvoud gesproken. Het moet op het kostbaarst gemaakt en versierd geweest zijn, omdat zij er zo van schrokken en er zo bedroefd over waren, en omdat het als geschenk voor de koning van Assyrië weggevoerd is. Anders zou dit kalf uit verachting vaarskalveren genoemd kunnen zijn; of omdat zij er misschien meer dan één gemaakt hebben, het ene na het andere telkens kostbaarder en mooier, zie vers 1.
Beth-aven;
Dat is, Bethel, gelijk onder vs.15. Zie boven Hos. 4:15 .
Hertaald:
Beth-aven;
Dat is: Bethel, zoals vers 15. Zie Hos. 4:15.
zijn volk
Het volk van het kalf, dat is, dat het kalf als een god eerde en aanhing. Vergelijk Jer. 48:7 , en Jer. 49:3 .
Hertaald:
zijn volk
Het volk van het kalf, dat is: dat het kalf als een god eerde en aanhing. Vergelijk Jer. 48:7 en Jer. 49:3.
zal over hetzelve treuren,
Hebreeuws, heeft getreurd, of treurt; dat is zal treuren, uit het voorgaande en volgende.
Hertaald:
zal over hetzelve treuren,
Hebreeuws: heeft getreurd, of treurt; dat is: zal treuren, zoals uit het voorgaande en het volgende blijkt.
Chemárim
Versta, des kalfs afgodische papen of priesters; van deze chemarim, zie 2 Kon. 23:5 .
Hertaald:
Chemárim
Versta: de afgodische papen of priesters van het kalf; over deze chemarim, zie 2 Kon. 23:5.
omdat zij van hetzelve is weggevaren
Omdat zijne [des kalfs] heerlijkheid van hem weggevaren is; of, zij treuren over zijne [des kalfs] heerlijkheid, omdat het [kalf] is weggevaren in gevangenschap, gelijk volgt. Vergelijk Jer. 48:7 .
Hertaald:
omdat zij van hetzelve is weggevaren
Omdat de heerlijkheid van het kalf ervan weggevaren is; of: zij treuren over de heerlijkheid van het kalf, omdat het in gevangenschap weggevoerd is, zoals volgt. Vergelijk Jer. 48:7.
datzelve zal naar Assur gevoerd worden,
Te weten kalf.
Hertaald:
datzelve zal naar Assur gevoerd worden,
Namelijk het kalf.
Jareb;
Zie boven Hos. 5:13 .
Hertaald:
Jareb;
Zie Hos. 5:13.
raadslag
Dat hij zich met Egypte heeft menen te sterken tegen den Assyriër, of, in het algemeen, vanwege al zijn afgodische vonden en vleselijke handelingen, waardoor hij zich meende als tegen Gods dank [om alzo te spreken] op de benen te houden, en in het bijzonder, den raad van Jerobeam van de twee kalven, welke afgoderij hij tot bevestiging van zijnen staat uitgedacht had; 1 Kon. 12:27-29 , en 2 Kon. 17:21 .
Hertaald:
raadslag
Dat hij zich met Egypte meende te versterken tegen de Assyriër; of in het algemeen om al zijn afgodische vondsten en vleselijke onderhandelingen, waarmee hij zich als tegen Gods wil in — om zo te spreken — meende staande te houden; en in het bijzonder de raad van Jerobeam over de twee kalveren, welke afgoderij hij bedacht had om zijn positie te bevestigen; 1 Kon. 12:27-29 en 2 Kon. 17:21.
Samaria is afgehouwen,
Of, aangaande Samaria, hun koning is afgehouwen, afgesneden, uitgeroeid, of vergaan; dat is, zal zekerlijk uitgeroeid worden. Zie 2 Kon. 17:4 , en onder vs.15.
Hertaald:
Samaria is afgehouwen,
Of: wat Samaria betreft: hun koning is afgehouwen, afgesneden, uitgeroeid of vergaan; dat is: zal zeker uitgeroeid worden. Zie 2 Kon. 17:4 en vers 15.
schuim op het water
Dat in het bruisen en zieden der wateren zich opdoet en verheft, alsof het iets ware, zijnde toch nietig en haast verdwijnende; alzo zal de koning met al zijn pracht en hoogmoed vergaan, en zeer veil en verachtelijk in gevangenschap worden weggestoken, alsof hij voor de ogen van zijn volk, gelijk een schuim, verdwenen was, en meteen het vertrouwen, dat Samaria op hunnen koning had.
Hertaald:
schuim op het water
Dat bij het bruisen en zieden van het water opkomt en zich verheft alsof het iets was, terwijl het toch nietig is en snel verdwijnt. Zo zal de koning met al zijn praal en hoogmoed vergaan en heel goedkoop en verachtelijk in gevangenschap weggevoerd worden, alsof hij voor de ogen van zijn volk als schuim verdwenen was — en daarmee ook het vertrouwen dat Samaria op zijn koning stelde.
Aven,
Dat is, Beth-Aven, boven vs.5. Dat is, Bethel.
Hertaald:
Aven,
Dat is: Beth-Aven, zoals vers 5; dat is: Bethel.
zonde,
Dat is, welke hoogten de voornaamste stof, idem ene aanleiding of aanritsing zijn van Israëls gruwelijke afgoderij en allerlei andere zonden, die zij aldaar in hunne tempels bij hunne altaren, idem onder al de groene bomen en in bossen, bedrijven. Vergelijk Deut. 9:21 ; Jes. 27:9 , en zie boven Hos. 4:13 ; Lev. 26:30 ; Ezech. 6:13 , en Ezech. 20:29 met de aantekening.
Hertaald:
zonde,
Dat is: die hoogten zijn de voornaamste aanleiding en prikkel tot Israëls gruwelijke afgoderij en allerlei andere zonden, die zij daar bedrijven in hun tempels bij hun altaren, en ook onder alle groene bomen en in de bossen. Vergelijk Deut. 9:21; Jes. 27:9, en zie Hos. 4:13; Lev. 26:30; Ezech. 6:13 en Ezech. 20:29 met de aantekening.
doornen en distelen
Vergelijk boven Hos. 9:6 .
Hertaald:
doornen en distelen
Vergelijk Hos. 9:6.
Bedekt ons
Woorden van wanhopende mensen, die vanwege het gevoel en den schrik der tegenwoordige en toekomende oordelen Gods, mitsgaders het oordeel hunner eigen conscientiën, verbaasd en troosteloos zijnde, niet anders wensen dan maar al evenveel hoe, dood, of uit den weg te zijn, hoewel tevergeefs. Vergelijk Jes. 2:19 ; Luc. 23:30 ; Openb. 6:16 .
Hertaald:
Bedekt ons
Woorden van wanhopende mensen die door het gevoel en de schrik van Gods tegenwoordige en toekomende oordelen, en door het oordeel van hun eigen geweten, verbijsterd en troosteloos zijn en niets anders wensen dan hoe dan ook dood of uit de weg te zijn — hoewel tevergeefs. Vergelijk Jes. 2:19; Luk. 23:30; Openb. 6:16.
Sinds de dagen van Gibea,
Of, meer dan [in] de dagen van Gibea. Zie boven Hos. 9:9 met de aantekening.
Hertaald:
Sinds de dagen van Gibea,
Of: meer dan in de dagen van Gibea. Zie Hos. 9:9 met de aantekening.
staande gebleven;
Of slechtelijk, daar hebben zij gestaan. Men kan dit verstaan van de verschrikkelijke hardnekkigheid der Gibeanieten en de anderen van Benjamins stam, die in hunne goddeloosheid onbeschaamd bleven staan, stelden zich ten krijg als mannen [zo zij meenden] tegen hunne broeders, maar werden ten laatste bijkans ten enenmale uitgeroeid; of men kan het alzo nemen [hetwelk Israël in het algemeen aangaat, en met de volgende woorden het eenvoudigst schijnt overeen te komen] dat zij te dien tijde door Gods genade nog overeind zijn gebleven, en niet gans uitgeroeid, hoewel zij van beide zijden in gevaar waren van door elkander geheel vernield te worden.
Hertaald:
staande gebleven;
Of eenvoudig: daar hebben zij gestaan. Men kan dit verstaan van de verschrikkelijke hardnekkigheid van de Gibeanieten en de anderen uit de stam van Benjamin, die onbeschaamd in hun goddeloosheid bleven staan en zich als mannen — zoals zij meenden — ten strijde stelden tegen hun broeders, maar ten slotte bijna geheel uitgeroeid werden. Of men kan het zo opvatten, wat Israël in het algemeen betreft en het best bij de volgende woorden lijkt te passen, dat zij in die tijd door Gods genade nog overeind gebleven zijn en niet geheel uitgeroeid, hoewel zij van beide kanten gevaar liepen door elkaar volledig vernietigd te worden.
kinderen der verkeerdheid,
Zie 2 Sam. 3:34 , en versta, de Gibeanieten met alle andere Benjaminieten.
Hertaald:
kinderen der verkeerdheid,
Zie 2 Sam. 3:34, en versta: de Gibeanieten met alle andere Benjaminieten.
niet aangrijpen
Dat is, zij zullen het nu zo goed niet hebben, hunne straf zal nu veel zwaarder vallen, zij zullen nu niet blijven staan, gelijk te dien tijde.
Hertaald:
niet aangrijpen
Dat is: zij zullen het nu niet zo goed treffen; hun straf zal nu veel zwaarder uitvallen. Zij zullen nu niet blijven staan zoals toen.
Het is in Mijn lust,
Dat is, Ik heb het besloten en heb lust of begeerte dat Ik het uitvoer, en zal het ook doen. Vergelijk Deut. 28:63 ; Jes. 1:24 , en zie een gelijke manier van spreken Job 10:7 .
Hertaald:
Het is in Mijn lust,
Dat is: Ik heb het besloten en heb er lust of begeerte toe dat Ik het uitvoer, en Ik zal het ook doen. Vergelijk Deut. 28:63; Jes. 1:24, en zie een soortgelijke manier van spreken in Job 10:7.
binden;
Alsof de Heere zeide: Dewijl zij zich onder mijn juk niet wilden buigen, noch aan mijne wetten gebonden, noch van mij gedwongen zijn tot hun best, zo zal Ik hen nu door vreemde volken, als misdadigers ter straf, of als ossen, samenbinden en onder een vreemd juk brengen. Zie wijders op vs.11. Anders, tuchtigen.
Hertaald:
binden;
Alsof de HEERE zei: omdat zij zich niet onder Mijn juk wilden buigen, zich niet aan Mijn wetten wilden binden en zich door Mij niet lieten dwingen tot hun eigen bestwil, zal Ik hen nu door vreemde volken samenbinden als misdadigers ter straffe, of als ossen, en hen onder een vreemd juk brengen. Zie verder bij vers 11. Anders: tuchtigen.
als Ik ze binden zal
Of, als men hen binden zal, of met, mits, hen te binden, of hen bindende; dat is, deze volken zullen hen binden, door mijn rechtvaardig oordeel.
Hertaald:
als Ik ze binden zal
Of: wanneer men hen binden zal, of: door hen te binden; dat is: deze volken zullen hen binden, door Mijn rechtvaardig oordeel.
voren
Gelijk Efraïm en Juda zich samengekoppeld hebben als een paar ossen, gaande nevens elkander onder hun eigen juk in gelijke voren der afgoderij en andere zonden, zo zal Ik hen ook door hunne vijanden samenkoppelen ter straf, om onder een ander juk te gaan ploegen, enz. Anders, in hunne beide woningen, te weten Efraïm en Juda. Of, om hunne twee ongerechtigheden, ziende op de kalven van Dan en Bethel.
Hertaald:
voren
Zoals Efraïm en Juda zich als een span ossen aan elkaar gekoppeld hebben en naast elkaar onder hun eigen juk in dezelfde voren van afgoderij en andere zonden lopen, zo zal Ik hen ook door hun vijanden aan elkaar koppelen ter straffe, om onder een ander juk te gaan ploegen, enzovoort. Anders: in hun beide woningen, namelijk Efraïm en Juda. Of: om hun twee ongerechtigheden, ziend op de kalveren van Dan en Bethel.
vaars is,
Dat is, gelijk een jonge, dartele, weelderige koe, die liever het koren treedt [gelijk in het dorsen gebruikelijk was; zie Deut. 25:4 ] , en daarvan eet, dan dat zij onder het juk zou gaan ploegen en hijgen; alzo [wil God zeggen] is Efraïm genegen om in weelde te leven naar zijn eigen lust en begeerte, maar niet onder mijn bedwang.
Hertaald:
vaars is,
Dat is: als een jonge, dartele, weelderige koe die liever het koren treedt — zoals bij het dorsen gebruikelijk was, zie Deut. 25:4 — en daarvan eet, dan dat zij onder het juk zou ploegen en zwoegen. Zo, wil God zeggen, is Efraïm geneigd in weelde te leven naar zijn eigen lust en begeerte, maar niet onder Mijn bedwang.
gewend gaarne te dorsen,
Hebreeuws, geleerd [zie Jer. 2:24 ] liefhebbende te dorsen. Zie een gelijke samenvoeging van twee woorden, boven Hos. 9:9 . Anders aldus: Zo Efraïm ene vaars gewend ware geweest mij liefhebbende, om te dorsen, toen Ik nevens zijn schonen hals ging, zo zou Ik Efraïm hebben doen rijden, enz., zie het einde van de volgende aantekening.
Hertaald:
gewend gaarne te dorsen,
Hebreeuws: geleerd (zie Jer. 2:24) liefhebbend te dorsen. Zie een soortgelijke samenvoeging van twee woorden in Hos. 9:9. Anders aldus: als Efraïm een vaars geweest was die gewend was Mij lief te hebben om te dorsen, toen Ik langs zijn mooie hals ging, dan zou Ik Efraïm hebben doen rijden, enzovoort; zie het slot van de volgende aantekening.
schoonheid van haar hals overgegaan;
Dat is, zijnen [des kalfs] schonen, vetten, gladden hals. Hebreeuws, goedheid; dat is, Ik zal hem onder het juk brengen, dat hem die vettigheid en schoonheid van den hals wel vergaan zal gelijk de ploegende ossen. Anderen nemen het alzo, dat God Efraïms schonen hals een langen tijd is als voorbijgegaan, heeft overgezien en verschoond, maar dat Hij nu aan hem zal doen gelijk volgt. Sommigen nemen ook wijders het volgende: Ik heb Efraïm doen rijden, Juda ploegen, Jakob eggen, enz.; alsof God hem verhaalde zijne weldaden aan hem bewezen.
Hertaald:
schoonheid van haar hals overgegaan;
Dat is: over zijn mooie, vette, gladde hals. Hebreeuws: goedheid; dat is: Ik zal hem onder het juk brengen, waardoor die vettigheid en schoonheid van de hals hem wel zal vergaan, zoals bij ploegossen. Anderen vatten het zo op dat God Efraïms mooie hals lange tijd als het ware voorbijgegaan is, hem heeft aangezien en gespaard, maar dat Hij hem nu zal doen wat volgt. Sommigen vatten ook het vervolg zo op: Ik heb Efraïm doen rijden, Juda doen ploegen, Jakob doen eggen, enzovoort, alsof God hem de weldaden opsomt die Hij hem bewezen heeft.
berijden,
Dat is, Ik zal hen altemaal straffen, genoeg bedwingen en betemmen, maar Efraïm zal het kwaadste hebben, Juda en de rest van het volk ook kwaad genoeg, maar dragelijker dan de tien stammen, gelijk voor de beesten ploegen en eggen [dat is, de kluiten breken] wel lastig is, maar daarenboven den akkerman op den rug te hebben, of van een straffen ruiter bereden te worden, veel harder is.
Hertaald:
berijden,
Dat is: Ik zal hen allemaal straffen, voldoende bedwingen en temmen; maar Efraïm zal het zwaarst getroffen worden, en Juda en de rest van het volk zwaar genoeg, maar draaglijker dan de tien stammen. Zoals ploegen en eggen — dat is: de kluiten breken — voor de dieren wel zwaar is, maar daarbovenop de akkerman op de rug te hebben of door een strenge ruiter bereden te worden veel harder is.
hem eggen
Dat is, zoveel als slechts eggen, zijnde het woordje hem, of voor hem, of zich, als een overtollig bijvoegsel naar het gebruik der Hebreeuwse taal, gelijk ook dikwijls in de onze. Anders, hem, te weten Juda; verstaande dat Efraïm, als de machtigste, Juda nu en dan overmeesterd en bedwongen heeft; zie 2 Kon. 14:13 ; 2 Kron. 28:6 , en boven Hos. 6:11 , met de aantekening. Of, [gelijk sommigen] Jakob [dat is, Israël of Efraïm] zal hem [Juda] de kluiten moeten breken.
Hertaald:
hem eggen
Dat is: eenvoudig eggen, waarbij het woordje hem — of: voor hem, of: zich — een overtollige toevoeging is naar het gebruik van de Hebreeuwse taal, zoals ook vaak in de onze. Anders: hem, namelijk Juda, waarbij men verstaat dat Efraïm als de machtigste Juda af en toe overmeesterd en bedwongen heeft; zie 2 Kon. 14:13; 2 Kron. 28:6 en Hos. 6:11 met de aantekening. Volgens sommigen: Jakob — dat is: Israël of Efraïm — zal voor hem, Juda, de kluiten moeten breken.
Zaait u
Versta hierop: Dat is het, dat Ik u steeds door mijne profeten heb laten voordragen. Vergelijk 2 Kon. 17:13 . Aangaande de manieren van spreken, van zaaien en maaien, vergelijk boven Hos. 8:7 , en zie Job 4:8 . De zin is: Tracht naar ware bekering, naar een oprecht geloof en ongeveinsde liefde, opdat het u naar ziel en lichaam welga.
Hertaald:
Zaait u
Vul hierbij aan: dat is wat Ik u voortdurend door Mijn profeten heb laten voorhouden. Vergelijk 2 Kon. 17:13. Over de manieren van spreken van zaaien en maaien, vergelijk Hos. 8:7 en zie Job 4:8. De betekenis is: streef naar ware bekering, naar een oprecht geloof en ongeveinsde liefde, opdat het u naar ziel en lichaam goed gaat.
tot gerechtigheid,
Of, in.
Hertaald:
tot gerechtigheid,
Of: in.
tot weldadigheid;
Anders, naar.
Hertaald:
tot weldadigheid;
Anders: naar.
braakt u een braakland;
Zie Jer. 4:3 .
Hertaald:
braakt u een braakland;
Zie Jer. 4:3.
gerechtigheid
Dat is, de vrucht der gerechtigheid; u overvloediglijk begenadigende met zijn tijdelijken en eeuwigen verbondszegen, dien Hij beloofd heeft dengenen, die in geloof en liefde wandelen. Vergelijk Ps. 24:5 ; Ezech. 18:20 , en de aantekening aldaar. Tenware dat men dit eenvoudig moch duiden op den genadetijd van den Messias die onze gerechtigheid is voor God. Vergelijk Jer. 23:6 ; Dan. 9:24 , enz. en boven Hos. 2:18 .
Hertaald:
gerechtigheid
Dat is: de vrucht van de gerechtigheid, waarbij Hij u overvloedig begenadigt met Zijn tijdelijke en eeuwige verbondszegen, die Hij beloofd heeft aan hen die in geloof en liefde wandelen. Vergelijk Ps. 24:5; Ezech. 18:20 met de aantekening daar. Tenzij men dit eenvoudig zou betrekken op de genadetijd van de Messias, Die onze gerechtigheid voor God is. Vergelijk Jer. 23:6; Dan. 9:24, enzovoort, en Hos. 2:19.
regene
Anders: leer. Vergelijk Joël 2:23 .
Hertaald:
regene
Anders: leer. Vergelijk Joël 2:23.
Gij hebt goddeloosheid geploegd,
De Heere wil zeggen dat al zijne vermaningen en bevelen van hen veracht zijn, en dat zij regelrecht daartegen zijn aangegaan.
Hertaald:
Gij hebt goddeloosheid geploegd,
De HEERE wil zeggen dat zij al Zijn vermaningen en geboden veracht hebben en er regelrecht tegenin gegaan zijn.
verkeerdheid gemaaid,
Het Hebreeuwse woord, dat verkeerdheid, of onrechtvaardigheid, schalkheid, ondeugd betekent, heeft hier een letter meer dan gewoon, dat hier van sommigen met het woord enkel wordt uitgedrukt; vergelijk Ps. 3:3 . Men kan hierdoor verstaan de straf der verkeerdheid, als ongerechtigheid voor straf der ongerechtigheid, Lev. 5:1 ; Ps. 31:11 ; zonde voor straf der zonde, Zach. 14:19 , enz. Of door het maaien hier en in vs.12 verstaan, den aanwas, het vervolg of de voortduring en gestadigen voortgang in het kwaad en goed.
Hertaald:
verkeerdheid gemaaid,
Het Hebreeuwse woord dat verkeerdheid, onrechtvaardigheid, schalksheid of ondeugd betekent, heeft hier een letter meer dan gewoonlijk, wat sommigen hier met het woord enkel weergeven; vergelijk Ps. 3:3. Men kan hieronder de straf voor de verkeerdheid verstaan, zoals ongerechtigheid staat voor de straf op de ongerechtigheid (Lev. 5:1; Ps. 31:11) en zonde voor de straf op de zonde (Zach. 14:19, enzovoort). Of men verstaat onder het maaien hier en in vers 12 de aanwas, het vervolg of het gestage voortgaan in het kwade en het goede.
vrucht der leugen gegeten;
Dewijl gij met leugens hebt omgegaan, en u daarop verlaten, zo ontvangt gij daarvan de rechtvaardige straf en beloning, als een vrucht uwer werken, der afgoderij en heidense verbonden; of gij eet leugenvrucht; dat is, gij komt bedrogen uit, gij bekomt niet wat gij verwacht hebt, uw arbeid of vertrouwen liegt u. Vergelijk boven Hos. 9:2 .
Hertaald:
vrucht der leugen gegeten;
Omdat u met leugens omgegaan bent en zich daarop verlaten hebt, ontvangt u daarvan de rechtvaardige straf en beloning, als een vrucht van uw werken, van de afgoderij en de heidense verbonden. Of: u eet leugenvrucht, dat is: u komt bedrogen uit, u krijgt niet wat u verwacht hebt, uw arbeid of vertrouwen liegt tegen u. Vergelijk Hos. 9:2.
weg,
Dien gij ingegaan zijt om uw rijk te bevestigen, te weten afgoderij, met allerlei goddeloosheid en vleselijk vertrouwen op uzelven en de verbonden met uwe boelen.
Hertaald:
weg,
De weg die u ingeslagen bent om uw rijk te bevestigen, namelijk afgoderij met allerlei goddeloosheid en vleselijk vertrouwen op uzelf en op de verbonden met uw minnaars.
gedruis ontstaan
Of, rumoer, oproer, gekraak, groot geroep, als in tijden van groten overval des vijands placht te geschieden.
Hertaald:
gedruis ontstaan
Of: rumoer, oproer, gekraak, groot geroep, zoals gewoonlijk gebeurt bij een grote overval van de vijand.
volken,
Der tien stammen.
Hertaald:
volken,
Van de tien stammen.
zullen verstoord worden,
Hebreeuws, zal verstoord worden; dat is, elk in het bijzonder.
Hertaald:
zullen verstoord worden,
Hebreeuws: zal verstoord worden; dat is: ieder afzonderlijk.
Salman
Anders genaamd Salmaneser, of Salmanasser, die wrede en trotse tiran van Assyrië; zie 2 Kon. 17:3 , enz. en 2 Kon. 18:9 , 2 Kon. 18:34-35 , en 2 Kon. 19:11-13 .
Hertaald:
Salman
Ook wel Salmaneser of Salmanassar genoemd, die wrede en trotse tiran van Assyrië; zie 2 Kon. 17:3, enzovoort, en 2 Kon. 18:9, 2 Kon. 18:34-35, en 2 Kon. 19:11-13.
Beth-arbel
Het is onzeker waar deze plaats is gelegen geweest. Sommigen houden het voor een stad in Israël over de Jordaan. Josef. lib. Antiq 12, cap.18, en lib.14, cap.32, maakt melding van ene stad Arbela, gelegen in Galilea, die mede schijnt vermeld te zijn 1 Mach.9:2; anderen voor een landschap in Assyrië, hebbende den naam van de stad Arbela, waaromtrent Alexander de Grote den Perzischen koning Darius overwon, en de Perzische monarchie eindigde. Deze historie van Salman en Betharbel is te dien tijde zonder twijfel onder het volk zeer bekend geweest.
Hertaald:
Beth-arbel
Het is onzeker waar deze plaats gelegen heeft. Sommigen houden het voor een stad in Israël aan de overzijde van de Jordaan. Josefus maakt in zijn Oudheden, boek 12, hoofdstuk 18, en boek 14, hoofdstuk 32, melding van een stad Arbela in Galilea, die ook genoemd lijkt te worden in 1 Makk. 9:2. Anderen houden het voor een landstreek in Assyrië, genoemd naar de stad Arbela, waar Alexander de Grote de Perzische koning Darius overwon en de Perzische monarchie eindigde. Deze geschiedenis van Salman en Beth-Arbel is in die tijd ongetwijfeld bij het volk zeer bekend geweest.
krijgs;
In dien tocht, waarvan kortelijk gesproken wordt 2 Kon. 17:3-4 , enz. en 2 Kon. 19:13 , gelijk enigen menen.
Hertaald:
krijgs;
In die veldtocht waarover kort gesproken wordt in 2 Kon. 17:3-4, enzovoort, en 2 Kon. 19:13, zoals sommigen menen.
moeder werd er verpletterd
Zie Gen. 32:11 .
Hertaald:
moeder werd er verpletterd
Zie Gen. 32:11.
Bethel ulieden gedaan,
Dat is, al die gruwelijke afgoderij met andere zonden, te Bethel, of Beth aven [gelijk boven vs.5, of Aven, vs.8] bedreven, zijn de oorzaak van deze uwe plagen.
Hertaald:
Bethel ulieden gedaan,
Dat is: al die gruwelijke afgoderij met andere zonden, in Bethel of Beth-Aven bedreven (zoals vers 5, of Aven, vers 8), zijn de oorzaak van deze plagen over u.
boosheid uwer boosheid;
Dat is, omdat uwe boosheid zo veelvoudig en verschrikkelijk groot is.
Hertaald:
boosheid uwer boosheid;
Dat is: omdat uw boosheid zo veelvoudig en verschrikkelijk groot is.
koning
Op wien zij vertrouwen; zie boven vs.7, en de aantekening.
Hertaald:
koning
Op wie zij vertrouwen; zie vers 7 met de aantekening.
dageraad
Dat is, vroeg, of haastiglijk, gelijk de dageraad of morgenrood met het rijzen van de zon vergaat, of onvoorziens, gelijk wanneer iemand in den morgenstond overvallen wordt; dit kan men ook vergelijken met Ezech. 7:7 , Ezech. 7:10 ; zie de aantekening aldaar.
Hertaald:
dageraad
Dat is: vroeg of haastig, zoals de dageraad of het morgenrood bij het opgaan van de zon verdwijnt; of onverwacht, zoals wanneer iemand in de vroege morgen overvallen wordt. Dit kan men ook vergelijken met Ezech. 7:7, Ezech. 7:10; zie de aantekening daar.
ten enenmale uitgeroeid
Hebreeuws, uitgeroeid, of afgehouwen, afgesneden wordende, is hij uitgeroeid, enz. dat is, zal zekerlijk, enz.
Hertaald:
ten enenmale uitgeroeid
Hebreeuws: uitgeroeid — of afgehouwen, afgesneden zijnde — is hij uitgeroeid, enzovoort; dat is: zal zeker, enzovoort. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een aanduiding voor een koning van Assyrië tot wie Efraïm (Israël) zijn toevlucht zocht in zijn nood, zonder baat, en aan wie het volk uiteindelijk als schatting werd weggevoerd (Hos. 5:13; 10:6); de identiteit is onder geleerden onzeker. Een veroveraar die Beth-Arbel verwoestte op een wijze die als schrikbeeld voor Israël wordt aangehaald; mogelijk dezelfde als koning Salmaneser van Assyrië, al is dit onder geleerden niet zeker (Hos. 10:14). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas "En de hoogten van Aven, Israels zonde, zullen verdelgd worden; doornen en distelen zullen op hunlieder altaren opkomen; en zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons! en tot de heuvelen: Valt op ons!" (Hos. 10:8). Het staat in een hoofdstuk waarin de altaren die Israël vermenigvuldigd had (Hos. 10:1) juist het voorwerp van het oordeel worden. Bijbelse betekenis: Merk op waar de doornen en distelen opkomen: op de altaren zelf. Wat met de grootste zorg was opgericht, wordt overwoekerd; het oordeel treft niet iets ernaast maar precies datgene waarin men zijn vertrouwen had gesteld. Let vervolgens op wat er geroepen wordt. Het is geen bede om vergeving en geen roep tot God, maar een verlangen om bedolven te worden. Er wordt liever om vernietiging gevraagd dan om ontferming. Let ten slotte op het woord Aven. Dat betekent ongerechtigheid of ijdelheid, en het is de spotnaam voor Beth-El — huis van God — dat door het kalf van Jerobeam een huis van niets geworden was (reeds behandeld bij 1 Kon. 12:28-30). Typologie: De Heere Jezus legt deze woorden op de lippen van de vrouwen van Jeruzalem: "Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons; en tot de heuvelen: Bedekt ons" (Luk. 23:30). En in het laatste boek keert de roep terug bij het openen van het zesde zegel: "Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen, Die op den troon zit" (Op. 6:16). Hos. 10:1,8; 1 Kon. 12:28-30; Luk. 23:30; Op. 6:16 "Zaait u tot gerechtigheid, maait tot weldadigheid; braakt u een braakland; dewijl het tijd is den HEERE te zoeken, totdat Hij kome, en over u de gerechtigheid regene" (Hos. 10:12). Het vers erna zegt wat er in werkelijkheid gebeurde: "Gij hebt goddeloosheid geploegd, verkeerdheid gemaaid, en de vrucht der leugen gegeten; want gij hebt vertrouwd op uw weg, op de veelheid uwer helden" (Hos. 10:13). Bijbelse betekenis: Merk op dat dit dezelfde beeldspraak is als het zaaien van wind en het maaien van een wervelwind (reeds behandeld bij Hos. 8:7), maar nu van de andere kant: daar het oordeel, hier de oproep. Wie zaait wat recht is, oogst wat goed is. Let vervolgens op het braakland. Braken is de harde grond openbreken vóór het zaaien; het beeld is elders in het register al behandeld (reeds behandeld bij Jer. 4:3), en hier staat het tussen zaaien en maaien in — de akker moet eerst geopend worden. Let ten slotte op het laatste deel van Hos. 10:12: totdat Hij kome, en over u de gerechtigheid regene. Wat men zelf zaait en braakt is nodig, maar de regen komt van boven. De oogst hangt niet aan de arbeid alleen. Typologie: Paulus zegt hetzelfde over het werk van Apollos en zichzelf: "Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft den wasdom gegeven" (1 Kor. 3:6). Het planten wordt niet overbodig, maar het beslist niet. Hos. 10:12-13; Hos. 8:7; Jer. 4:3; 1 Kor. 3:6 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Zaait u tot gerechtigheid, maait tot weldadigheid; braakt u een braakland: omdat het tijd is de Heere te zoeken; totdat Hij komt en over u de gerechtigheid regene.… Hij heeft hun hart verdeeld, nu zullen zij verwoest worden. Hosea 10:2 Als volk was Israel verdeeld in zijn trouw tussen Jehovah en Baal en aldus waren zij tot… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Dewijl het tijd is de Heere te zoeken Hosea 10:12 Men zegt dat de maand april zijn naam ontleent aan het latijnse… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Hosea 10
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
Hos. 10:12 - De klokslag
Hos. 10:2 - Hartkrankheid
Dewijl het tijd is de Heere te zoeken


Hosea 10
Hosea 10:1.KruisverwijzingenHosea 8:11→Jesaja 5:1→Hosea 12:11→1 Koningen 14:23→Leviticus 26:1→Jeremia 2:28→Ezechiël 15:1→Johannes 15:1→
— Israel is een uitgeledigde wijnstok, hij brengt weder vrucht voor zich; maar naar de veelheid zijner vrucht heeft hij de altaren vermenigvuldigd; naar de goedheid zijns lands, hebben zij de opgerichte beelden goed gemaakt.
Vrucht voor zichzelf, niet voor zijn God. Het doet er niet toe hoeveel vrucht wij dragen: is zij voor onszelf, dan zijn wij in werkelijkheid vruchteloos. Iets wat op zichzelf goed is, kan al zijn goedheid verliezen omdat het door een zelfzuchtige beweegreden bevlekt is. Wij moeten voor God leven, en wij moeten daar altijd op letten. Anders kan het gebeuren dat wij veel doen en toch niets doen.
Het is zeer droevig wanneer mensen des te meer zondigen naarmate zij meer van God ontvangen. Maar juist naar de mate waarin het land van Israël vet en vruchtbaar was, richtten zij altaren op voor valse goden. Zo tergden zij de ware God, Die hun deze weldaden gegeven had. Het is een kwaad ding wanneer mensen rijk worden en hun eigen ijdelheid offers brengen. Of wanneer zij geleerdheid vergaren en die alleen gebruiken om tegen de eenvoudige leringen van God te twisten. Of wanneer zij ophouden God te zegenen juist op het ogenblik dat Hij hén zegent.
Hosea 10:2.KruisverwijzingenMicha 5:13→1 Koningen 18:21→Sefanja 1:5→Hosea 13:16→Hosea 8:5→1 Samuël 5:4→Zacharia 13:2→Hosea 7:8→
— Hij heeft hun hart verdeeld, nu zullen zij verwoest worden; Hij zal hun altaren doorhouwen, Hij zal hun opgerichte beelden verstoren.
Een half hart is helemaal geen hart. En wanneer mensen God schijnen na te gaan en tegelijk hun afgoden nagaan, dan gaan zij God niet na. Hun godsdienst is ijdel. De goede kant is enkel schijn; de kwade kant is het werkelijke.
Laten wij er dan op letten, lieve vrienden, dat wij niets tot een afgod maken. De kortste weg om het dierbaarste voorwerp van onze genegenheid te verliezen, is er een afgod van te maken. Soms doorhouwt God de altaren en verstoort Hij de beelden uit grote barmhartigheid jegens Zijn volk. Er is immers geen groter kwaad dan dat een hart gelukkig is in de afgoderij. Soms doet Hij het als een oordeel over de goddelozen. Zij willen de ware God niet hebben, en dan zal de valse god vals aan hen zijn.
Hosea 10:3.KruisverwijzingenHosea 10:15→Hosea 10:7→Hosea 13:11→Micha 4:9→Hosea 3:4→Genesis 49:10→Johannes 19:15→Hosea 11:5→
— Want nu zullen zij zeggen: Wij hebben geen koning; want wij hebben den HEERE niet gevreesd; wat zou ons dan een koning doen?
Hun koning was gedood; maar wat zou hij voor goeds gehad hebben als hij geleefd had, zonder God? Wat is enige tijdelijke zegen waard als God er niet in is? Het is de bolster zonder de kern. En zijn wij in staat van die bolster te genieten, dan lijkt het erop dat wij zwijnen zijn, en zwijnen worden vetgemest voor de slacht. Wat hebben wij aan iets wat wij bezitten, als God ervan gescheiden is? Ik stel de vraag nog eens. Bent u een waar kind van God, dan kan al het koren en al de wijn van de wereld u niet voeden. Uw brood moet uit de hemel komen.
Hosea 10:4.KruisverwijzingenAmos 6:12→Amos 5:7→Hosea 4:2→Ezechiël 17:13→2 Koningen 17:3→Handelingen 8:23→2 Timotheüs 3:3→Jesaja 59:13→
— Zij hebben woorden gesproken, valselijk zwerende in het verbond maken; daarom zal het oordeel als een vergiftig kruid groenen, op de voren der velden.
Wat zij spraken, was geen waarheid. Wij kunnen niet spreken zonder woorden, maar het is een kwaad ding wanneer onze spraak niets dan woorden is. Woorden, woorden, woorden — geen hart, geen waarheid.
God beware ons voor onwaarachtigheid, en vooral voor een gebrek aan waarheid jegens Hemzelf. Denkt u niet dat er dikwijls, in het gebed zowel als in de lofzang, gezegd zou kunnen worden: zij hebben woorden gesproken, en niets meer? Dan is er een leugen geweest in de plechtigste handeling jegens God. Wee u, lieve vrienden, als dat het geval blijkt te zijn. U mag uw medemensen bedriegen als u daar het hart voor hebt, maar u zult uw God nooit kunnen bedriegen. Hij laat Zich niet bespotten. Zij hebben woorden gesproken, zegt Hij.
Hosea 10:5.KruisverwijzingenHosea 8:5→Hosea 9:11→Hosea 4:15→Hosea 5:8→2 Koningen 23:5→1 Samuël 4:21→Hosea 13:2→2 Kronieken 13:8→
— De inwoners van Samaria zullen verschrikt zijn over het kalf van Beth-Aven; want zijn volk zal over hetzelve treuren, mitsgaders zijn Chemarim (die zich over hetzelve verheugden), over zijn heerlijkheid, omdat zij van hetzelve is weggevaren.
Die kalveren waren immers hun vertrouwen. Zij verlieten zich op die beelden van valse goden, die zij in de plaats van de ware God gesteld hadden. Zij deden alsof zij Hém daarmee aanbaden, en zij vertrouwden op deze dingen. En nu zullen die tot hun schrik worden. Wie een vertrouwen wil hebben buiten God om, zal zijn vertrouwen binnenkort in vrees zien verzuren. Uw grootste grond van benauwdheid zal juist datgene zijn waarop u zich eens buiten God om verliet.
Hosea 10:6.KruisverwijzingenHosea 5:13→Jesaja 30:3→Daniël 11:8→Jeremia 7:24→Jeremia 3:24→Jesaja 46:1→Hosea 11:5→Job 18:7→
— Ja, datzelve zal naar Assur gevoerd worden, tot een geschenk voor den koning Jareb; Efraim zal schaamte behalen, en Israel zal beschaamd worden vanwege zijn raadslag.
Deze gouden kalveren prikkelden de begeerten van de koning van Assur, en hij voerde ze weg. Deze goden waren lokaas voor hun vijanden in plaats van een grondslag voor hun vertrouwen. Zij werden met het volk gevankelijk weggevoerd — hun god gevangen, hun god omgesmolten om er beelden van te maken of geld voor de koning van Assur!
Ach, wat een schande stortte God over de afgodendienaars uit! En wat een schande zal Hij over ons uitstorten als wij enig vertrouwen hebben buiten de onzienlijke God! Als wij ergens anders op steunen dan op het eeuwige verbond van Zijn onveranderlijke genade. Och, broeders en zusters, laten wij trachten weg te vluchten van wat zo verleidelijk is voor de zinnen: het vertrouwen op een arm van vlees. Laat ons enige en alleen vertrouwen zijn op Hem Die de hemelen en de aarde gemaakt heeft, en op Zijn Zoon, Jezus Christus.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Israël, het rijk der tien stammen, is in zijn tegenwoordigen toestand te Samaria een uitgeledigde 1) wijnstok, hij brengt weer vrucht voor zich; hij begon door Mijne zegen enigzins ranken te schieten, maar naar de veelheid zijner vrucht heeft hij de 1) altaren vermenigvuldigd; hoe meer Ik zegen, hoe meer zij zich in de afgoderij verdiepen en daaraan te koste leggen; naar de goedheid den goeden toestandzijns lands hebben zij de opgerichte beelden voor den dienst der Baäls en Astheroths (Deut. 16:21) goed gemaakt, opgericht, versierd en gediend (1 (Kon. 14:23). Hoe meer Israël zich onder Gods zegen uitbreidde in het goede land (Ex. 3:8), tot welvaart, rijkdom en macht kwam, des te meer vergat het zijnen God en verviel het in afgoderij.
In het Hebr. Bokeek. Niet: uitgeledigd, (want het is het tegenwoordige deelwoord) maar: zich uitbreidende, dat is ene rankende. De Profeet beschrijft hier den toestand van Efraïm, waarin God hem geplaatst heeft, om daarmee te wijzen op de reden, die God had om dit rijk te verstoten.
Hij heeft en dit is de reden, waarom het alzo geschied is-hun hart verdeeld 1), van den beginne af heeft het zich slechts naar den uitwendigen schijn den Heere overgegeven; maar zich inwendig, tot de afgoden gewend; nu zullen zij daarvoor moeten boeten en verwoest worden; Hij zal hun altaren, die zij zich zo vele gemaakt hebben, doorhouwen, Hij zal hun opgerichte beelden (vs. 1) verstoren(Amos 3:14).
In het Hebr. Cholak libbaam. Nu kan het eerste woord wel betekenen: verdeeld zijn, maar de eerste betekenis is, vloeiend zijn, beweeglijk zijn, en die moeten wij hier hebben. Van Efraïm wordt hier gezegd, dat het een beweeglijk hart had, een vloeiend hart, zodat het zich spoedig tot de afgoden liet vervoeren.
Want nu, als de straf begint ten uitvoer gelegd te worden (2 Kon. 17:3 vv.), zullen zij zeggen, hoewel het nu te laat is: Wij hebben genen koning meer, maar zij u met ons gehele rijk aan den ondergang prijs gegeven; want wij hebben den HEERE, die alleen ons kon redden, niet gevreesd, wat zou ons dan een koning doen?hoe zou hij, die zelf mede in den ondergang besloten is, en dien aan zichzelven ‘t eerst ondervindt, dien kunnen tegenhouden (Hoofdst. 13:10)?
Duidelijk is de verdeeldheid van hun hart (vs. 2) ook in hun gehele volksleven openbaar geworden. Zij hebben woorden gesproken, die niets waren dan woorden, daar alle waarheid en trouw er aan ontbrak, valselijk zwerende, 1) in het verbond maken; zij sloten onder zulke woorden en valse eden allerlei verbintenissen zo als met de Assyriërs, die zij slechts zo lang hielden, als zij er voordeel van meenden te trekken; daarom zal het oordeel, dat recht en gerechtigheid tot het tegendeel verdraait (Amos 6:12) in al hun denken, spreken en handelen, als een vergiftig kruid) groenen, welig opschietenop de voren der velden 3).
Het is altijd eer treurig teken van een ongelovigen tijd, wanneer het ijdele woord tot heerschappij gekomen is; het is de tijd van zinneloosheid en gewetenloosheid. Dan verdwijnt de heiligheid van den eed. Ieder in ‘t bijzonder heeft den bodem van het recht verloren, en men zoekt bescherming en hulp in verbonden en verenigingen, die zonder God uit onhoudbare menschenwijsheid worden gesloten. De lust, om ledige woorden, zonder inhoud, die met den adem vervliegen, voort te brengen, is ene zonde van den “lust der ogen, ” en plaatst den mens in onmiddellijke gemeenschap met hem, die de leugenaar van den beginne is. Want ook de leugen is niets anders dan de nietigheid van het woord. Het menselijke woord moet een afbeeldsel zijn van het goddelijke, waardoor God de wereld geschapen heeft, dat een woord is van macht en wijsheid. Zo moet het woord des mensen van goddelijken inhoud zijn, niet een schijn zonder wezen, iets zonder betekenis. Maar met den wasdom der zonde, het gemis van goddelijk leven, vormt zich ene phraseologie (verzameling van spreekwijzen), ene reeks gelijke termen, zodat men ten laatste geheel iets andere uitspreekt, dan men meent. In dien zin zegt Talleyrand, dat de taal er toe dient, om de gedachten der mensen te verbergen. Deze is de eerste trap van de leugen. Waar de lust bestaat om onophoudelijk niets betekenende woorden uit te stoten, daar is de ziel des mensen gelijk aan een uitgeblazen ei; zij is van de goddelijke stoffen ontledigd, en ongeschikt om zich daarmee weer te laten vullen. Door zulke ijdele woorden worden de zwakken verleid, en die in de zonde reeds staan, nog bevestigd. Onze tijd is vooral door die zonde van ijdel, met leugen gelijkstaand woordenspel overheerst, en heeft in ‘t verdraaien en vernietigen der diepste begrippen als recht, waarheid, trouw, geweten, getrouwheid aan overtuiging, verdraagzaamheid, beschaving, enz. ongehoorde dingen gedaan. Zich van hare phraseologie niet te bedienen, haar niet te gehoorzamen in de verwarring van begrippen, misschien geheel tegen te spreken, houdt zij voor waanzinnigheid, voor ene misdaad aan de mensheid. De heerschappij dezer zonde is steeds een duidelijk teken van den groten afval van den God der gerechtigheid, der trouw en der waarheid.
Het Hebr. woord “Roosch” komt wel voor in de betekenis van vergif, zo als Deut. 32:33; wij hebben hier echter te verstaan het lolium temulentum, dat ten onrechte voor vergiftig wordt gehouden. Het groeit in het Oosten zeer menigvuldig onder haver en tarwe, en heeft met dit laatste veel overeenkomst. De korrels zijn echter zwartachtig, langwerpig, aan het ene einde iets dikker, dikwijls harig.
De reden, waarom de Profeet van de voren des lands en niet van ‘t land in ‘t algemeen spreekt, is volgens sommigen, omdat in beploegd en bebouwd land het onkruid weliger kan groeien, zodat de Profeet dus de menigte der oordelen of ondeugden des te duidelijker zou te kennen geven. Anderen menen, dat hij er een land door verstaat, dat in vroeger tijd geploegd zijnde, nu onbebouwd lag, en waarin derhalve het schandelijk onkruid bij menigte der oordelen of ongerechtigheden, wordt dus te kennen gegeven.
En hoe gedraagt men zich, nu Gods oordelen reeds in vollen aantocht zijn? De inwoners van Samaria zullen verschrikt zijn, even als wanneer zij vrezen de grootste schatten te zullen verliezen, over het kalf, het gouden beeld, van Beth-Aven, het huis te Bethel, dat tot een huis der misdaad is geworden (Hoofdst. 4:15), want zijn volk, het volk van dien afgod, dat toch geroepen was het volk des Heeren te heten, zal over hetzelve kalf treuren, dat het naar Assyrië zal worden weggevoerd, mitsgaders zijne Chemarim, de tot zijn dienst aangestelde priesters (2 Kon. 23:5. Zef. 1:4) (die zich over hetzelve verheugden), zullen treuren over zijne heerlijkheid, omdat zij van hetzelve is weggevaren, en nu openbaar is bij de wegvoering (Jes. 46:1 vv.) welk een erbarmelijk iets die gehele kalverdienst is. De Profeten spreken meermalen hetgeen de Heere hun als iets toekomstigs te zien heeft gegeven, zo uit, alsof het reeds tot werkelijkheid was geworden, om de onbetwijfelbare zekerheid daarvan uit te drukken.
Ja, datzelve, kalf te Beth-Aven zal naar Assur gevoerd worden; tot een geschenk voor den koning Jareb (Hoofdst. 5:13), zo weinig heeft het zichzelven kunnen helpen, laat staan dat het zijne dienaars zou kunnen redden; Efraïm zal schaamte behalen ten gevolge van zijne dwaasheid, en Israël zal beschaamd worden van wege zijnen raadslag, daar het de heerlijkheid van een afgod boven de heerlijkheid van den onvergankelijken God heeft gewild.
Tegelijk met den kalverdienst gaat ook het gehele koninkrijk te niet. De koning van Samaria is afgehouwen, en zo spoorloos verdwenen als schuim op het water, hetwelk de vloed onophoudelijk wegspoelt, zodat er spoedig niet meer van te zien is.
En de hoogten van Beth-Aven, de tempels, altaren en alles wat tot den beeldendienst daar behoort, Israëls zonde, want daar was de hoofdzetel van den dienst, zullen verdelgd worden; doornen en distelen zullen op hunlieder altaren opkomen, op de plaatsen, waar die stonden, als op vervloekte plaatsen (Gen. 3:17 vv.): en zij, die de gerichten Gods, door welke die gehele verwoesting wordt veroorzaakt, in hun verschrikkelijkheid ondervinden, zullen in het vernietigend gevoel der wanhoop, in den angst van hun zwaar gedrukt geweten a) zeggen tot de bergen: Bedekt ons! en tot de heuvelen: Valt op ons!
Jes. 2:19. Openb. 9:6. Wanneer in Luk. 23:30 en Openb. 6:15 hun, wien het gericht Gods bij de verwoesting van Jezuzalem en het tegenbeeld daarvan, het laatste oordeel zal treffen, hetzelfde woord in den mond gelegd wordt, zo ligt hierin aangewezen, dat het gericht, hetwelk over Samaria en zijn koninkrijk kwam, een voorbeeld van die gerichten Gods geweest is. Die tot de bergen zeggen: “valt op ons”, en tot de heuvelen: “bedekt ons”, schrijft de heilige Bernhard, wat willen zij anders, dan den (eeuwigen) dood door de weldaad van den (tijdelijken) dood eindigen of dien ontgaan? “Ik vrees den knagenden worm en den levenden dood; ik schrik er voor om in de handen van den levenden dood en van het steeds stervend leven te vallen. Wie wil zulk enen geven eens te sterven, opdat zij niet eeuwig sterven?” Wanneer de gewetensangst tot zijn toppunt komt, tot het volle bewustzijn van de goddelooscheid van eigen toestand, en van de onbekwaamheid, om zich te bevrijden uit de engte, waarin de zonde geleid heeft, dan wordt hij tot wanhoop, het volle en zekere gevoel van niet gered te kunnen worden uit de ellende van zijn bestaan, het gevoel dat men van God verlaten is, hetwelk noodzakelijk tot den wens naar vernietiging van zijn eigen aanzijn, tot zelfmoord leidt (2 Kor. 7:10).
Sinds de dagen van Gibea, van den tijd af, welke ons beschreven is in de geschiedenis van Richt. 17-21, dus spoedig na Jozua’s dood, hebt gij gezondigd, o Israël! die geestelijke hoererij, die in Richt. 17 en 18 wordt beschreven, is zowel als die gruweldaad van vleselijke ontucht (Richt. 19) bij de stammen van het noordelijke rijk. Daar zijn zij staande gebleven; in die zonde van geestelijke hoererij, of afgoderij aan de ene, en van ontzettende gruwelen van vleselijke gezindheid aan de andere zijde zijn zij, de tien stammen, gebleven; de strijd te Gibea, de vernietigingskrijg, die in Richt. 20 en 21 beschreven wordt, waarbij echter nog 600 man gered werden, en deze nog later bijzonder van vrouwen werden voorzien, opdat niet één stam in Israël zou worden uitgedelgd, die strijd tegen de kinderen der verkeerdheid, zal ze niet aangrijpen; een veel zwaarder oordeel nog zal over hen komen. In den regel denkt men hier even als in Hoofdst. 9:8 bij “de dagen van Gibea” alleen aan den gruwel, welken de mannen van de stad Gibea aan het bijwijf van enen Leviet pleegden (Richt.
. Dan wordt het echter geenszins duidelijk, hoe de Profeet kon zeggen, dat Israëls zonde, welke eerst in de tweede plaats in vleselijke ontucht, maar in de eerste in geestelijke hoererij bestond, met die afzonderlijk staande misdaad der bewoners ener enkele stad een begin heeft genomen. Ook zijn het hier slechts die van Benjamins stam, die de misdaad in bescherming namen en zich aan de zijde van de misdadigers stelden, terwijl de overige stammen zich als een enig man daartegen verhieven. Dat past niet op Efraïm, die bij den Profeet als vertegenwoordiger van Israëls zonde en de voornaamste drager van straf voorkomt. Daarentegen wordt alles helder en duidelijk, wanneer wij, gelijk boven in de uitlegging geschied is, bij “de dagen van Gibea” aan alles denken, wat in het gehele aanhangsel aan het boek der Richteren wordt verhaald. Deze vijf Hoofdstukken (21-26) vormen een bij elkaar behorend geheel, al staan de daarin medegedeelde gebeurtenissen noch historisch, noch plaatselijk met elkaar in verband; chronologisch zowel als pragmatisch zijn zij echter nauw aan elkaar verbonden. Zij tonen aan, dat het juist het gebied der noordelijke stammen geweest is waar beeldendienst en losmaking van het gemeenschappelijk heiligdom, verval van den Levietenstand en de gruwelen van regeringloosheid begonnen zijn. Dat alles ontwikkelde zich verder in het noordelijk rijk. In Openb. 7:4 vv. ontbreekt de naam Dan, omdat hij het begin van den afval maakte; zijn naam is als uitgedelgd uit het boek des levens.
Het is in Mijn lust, dat Ik ze zal binden naar de gehele gestrengheid van Mijne gerechtigheid, die gene verschoning meer gedoogt; en volken zullen tegen henlieden verzameld worden, hen geheel en al uit te roeien, als Ik ze binden zal in hun twee voren 1).
Gelijk Efraïm en Juda zich te zamen gekoppeld hebben als een paar ossen gaande nevens elkaar, onder hun eigen juk, in gelijke voren der afgoderij en andere zonden, zo zal Ik ze ook door hun vijanden te zamen koppelen ter straf, om onder een ander juk te gaan ploegen. Anders “in hun beide woningen; namelijk van Efraïm en Juda, ” of: “om hun twee ongerechtigheden, ” ziende op de kalveren van Dan en Bethel. In het Hebr. Lisjtee oonothaam. Beter: aan hun twee zonden. In verband met Hoofdst. 3:5 hebben wij hieronder te verstaan de dubbele zonde van afval van den Heere en van het huis van David. In Hoofdst. 3:5 wordt toch de bekering van Efraïm gesteld in het weer zoeken van den Heere en van den koning David.
Dewijl Efraïm in zijne neiging tot een ongebonden leven vol genot gelijk aan ene vaars is, gewend geleerd gaarne te dorsen1), ene jonge koe slechts tot lichteren arbeid gebruikt, maar nog niet aan het juk gewoon, wel om zich naar hartelust te verzadigen (Deut. 25:4), waarvan het vet en geil is geworden (Deut. 22:15), zo ben Ik over de schoonheid van haren hals overgegaan, en heb er een juk van vreemde dienstbaarheid overgelegd, daar Mijn zegen er slechts toe diende om overmoedig te maken en God te doen vergeten Ik zal Efraïm berijden of inspannen, het door enen over hem geplaatsten gebieder onder dienstbaarheid en druk brengen; Juda, waarvan het gericht ook niet verre meer is (Hoofdst. 8:14), zal ploegen; Jakob, het volk der tien stammen, dat den erenaam van Israël zich heeft aangematigd, maar alleen des aartsvaders onheiligen naam (Gen. 32:27 v. verdient, zal voor zich eggen, zodat het gehele volk, geroepen tot de heerlijkste vrijheid, tot onterende slavernij zal worden verlaagd.
Gelijk ene jonge, dartele, weelderige koe, die liever het koren treedt (gelijk in het dorsen gebruikelijk was) en daarvan eet, dan dat zij onder het juk zou gaan ploegen en hijgen, alzo (wil God zeggen) is Efraïm genegen om in weelde te leven naar zijn eigen lust, maar niet onder mijn bedwang.
Wanneer nog enig woord van vermaning u van den weg tot zulk een verderf kan afbrengen, zo roep Ik u toe: Zaait u tot gerechtigheid1), strooit door uwen verderen levenswandel een zaad uit, waarvan de gerechtigheid kan opgaan, maait tot vrucht weldadigheid, ene verhouding van God tot u, zo als die overeenkomstig aan Zijne liefde en genade is; braakt u, opdat gij op deze wijze zult kunnen zaaien en oogsten, een braakland 1). Maakt geheel en al een einde aan uwe handelswijze en begint de geestelijke werkzaamheid van den beminne af door vernieuwing in den geest uws gemoeds (Jer. 4:3. (Efez. 4:23 .). Haast u, dewijl het tijd is den HEERE te zoeken 3) met berouw over het vorige leven en gelovig keren van het hart tot Hem, totdat Hij kome, Hij ook van Zijne zijde Zich tot u wende (Jes. 55:5 v. (Jer. 29:13 v.), en over u de gerechtigheid regene, in de uitstorting van Zijnen Geest, die vruchten der gerechtigheid voortbrengt (Jes. 44:3 v. 45:8). Gij moet een geestelijk landman zijn: zaai, wat u tot nut is, een goed zaad in het hart der weduwen en wezen. Wanneer de aarde u overvloediger vruchten oplevert dan zij ontving, hoeveel meer barmhartigheid zal u geschonken worden door de vergelding die veel rijkelijker geeft, dan gij gegeven hebt.
Er kan op enen akker vol onkruid en doornen niets naar goddelijke inzetting worden uitgezaaid, want dan wassen onkruid en doornen mede op, en verderven het goede zaad. Het goede zaad moet op enen nieuwen, goed ontgonnen, zorgvuldig geploegden akker vallen, om goede vrucht voort te brengen. Zo moet het voornemen tot goede werken uit een nieuw, door bekering tot den Heere geheel gezuiverd hart voortkomen, anders geeft het gene goede vruchten.
Op iederen leeftijd is de verlossing onwaardeerbaar; maar o! vroeg gered te zijn, heeft ene dubbele waarde. Jongelingen en jonge dochters het is de tijd den Heere te zoeken, want gij kunt sterven vóór uwe lente ten einde is. En gij, die de eerste tekenen van verval bespeurt, verhaast uwe schreden, die holle hoest, die teringachtige blos, zijn waarschuwingen, die gij niet in den wind moet slaan; voor u is het in waarheid tijd den Heere te zoeken. Komt er een grijze tint op uwe eens zo weelderige lokken? De jaren gaan zachtkens voorbij, de dood komt nader met rasse schreden, laat elke terugkerende lente u opwekken uw huis te bereiden. Lieve lezer! zijt gij op reeds gevorderden leeftijd, laat mij u smeken en bidden, stel niet langer uit. Nog is het voor u de dag der zaligheid-wees daar dankbaar voor, maar het duurt nog slechts kort, en de tijd krimpt met elk ogenblik in. Hier spreek ik tot u met zoveel aandrang als mij mogelijk is, door papier en inkt, en uit het diepst mijner ziel leg ik, als Gods dienstknecht, u deze waarschuwing voor: “Het is de tijd den Heere te zoeken. ” Laat dit woord niet onopgemerkt voor u voorbijgaan, het kon de laatste waarschuwing zijn, die tot u komt vóór den dood, het laatste woord uit den mond der genade.
Het werk der vernieuwing is wel een werk van den mens, zijn hand moet vlijtig den grond omwerken, den ploeg besturen, alles in orde brengen en zaaien, maar bovenal moet hij zijn oog naar boven richten, dat de hemel zich opene en de zachte regen van Goddelijken zegen nedervloeie tot ontkieming en wasdom van het zaad. Nog meer, elke arbeid is den mens onmogelijk, zo God gene gezondheid en kracht, tijd en gelegenheid schenkt.
Ja alles moet van den beginne af vernieuwd worden, want gij hebt door uwe handelwijze goddeloosheid geploegd, daar gij door uwe afgoderij op den akker der ongerechtigheid zaait; gij hebt verkeerdheid gemaaid, daar zonde zonde voortbrengt, en de vrucht der leugen gegeten, want in plaats van welvaart en volksbestaan te verzekeren, gelijk gij meendet, hebt gij verval en ondergang veroorzaakt; want gij hebt vertrouwd op uwen weg, in plaats van ook maar van verre aan een omkeren van uwe wegen te denken; op de veelheid uwer helden 1) hebt gij gesteund, alsof gij met een talrijk en geoefend leger sterk genoeg waart om de gerichten des Heeren te trotseren. (Amos 6:13).
De zonde is een zeer vruchtbaar onkruid onder de handen der mensen; zij die daarop gezet zijn, zullen welhaast hun volle begeerte daarvan bekomen. Ook zal God diegenen, die daar naarstig in zijn, overgeven tot een hoogte van ongerechtigheid als een straf. Want op hun ploegen van goddeloosheid volgt: gij hebt verkeerdheid gemaaid, waardoor wij niet te verstaan hebben, dat God hun de mocht der zonde doet maaien of rapen in Zijne oordelen, (schoon dit ook waar is en in de bedreiging volgt), maar dat hun invloed in de zonde tot een rijken oogst van volwassen verkeerdheid en ongerechtigheid gekomen was.
Daarom zal er van het zuiden af een groot krijgsgedruisch ontstaan onder uwe volken, en de menigte uwer helden, waarop gij vertrouwt, zal spoedig nedergeworpen zijn, en al uwe vestingen, die gij in het land hebt aangelegd, zullen verstoord worden, gelijk Salman, die ten wreker over Zijn volk door God uitverkorene Assyrische koning Salmanassar, onlangs de stad Beth Arbel 1) (= huis der hinderlaag van God), ten westen van het meer Gennesareth (1 (Makk. 9:2) verstoorde ten dage des krijgs, die zich tegen den koning Hosea dadelijk in de eerste jaren zijner regering verhief (2 Kon. 17:3); de moeder werd er verpletterd met de zonen
.
De ligging van deze stad wordt aangewezen door de tegenwoordige ruïnen Kulat Ibm Mâan; daar vormt een kalkberg met vele holen ene natuurlijke vesting, wier belegering ook voor soldaten van Herodes den Grote zeer langdurig en moeilijk was. Daar heeft waarschijnlijk bij den eersten inval van Salmanassar in het Iraëlietische rijk ene zeer wrede verwoesting plaats gehad, welke gebeurtenis echter nergens in de Schrift vermeld staat. Er is echter meer geschied, dan in de Schrift beschreven is, zo als hetgeen Judas in zijnen brief (Juda 1:9) omtrent Michaël en Satan zegt. Uit de vermelding van zulk ene gebeurtenis, die ongeveer in het jaar 730 of 728 valt. blijkt overigens, dat dit deel van Hosea’s profetie eerst onder den laatsten koning van Israël, die denzelfden naam als onze Profeet draagt, kan geschreven zijn.
Deze uitdrukking is ene spreekwoordelijke voor menselijke wreedheid (Gen. 32:12. 2 Kon. 8:12 deze heeft echter niet enkel betrekking op de handelwijze van Salmanassar tegen Beth-Arbel of Abbella, maar wijst duidelijk tevens op het lot dat het gehele rijk bedreigde.
Alzo heeft Beth-El, de hoofdzetel van den afgodendienst, van waar zij zich over het gehele land verspreid heeft, ulieden gedaan, Bethels afgoderij is de oorzaak van al die ellende. Dat vrouwen en kinderen op de wreedste wijze worden omgebracht, dat hebt gij aan uw gouden kalf te danken, dat is u overkomen van wege de boosheid uwer boosheid1), waarmee gij u tegen den Heere hebt verzondigd; en het einde des rijks zal geen ander zijn dan dit: Israëls koning, en met hem het gehele koninkrijk der tien stammen is in den dageraad 2), vroeg in den morgen, juist op een tijd, dat gij meent den dag van uw nieuw geluk te zien aanbreken (2 (Kon. 17:4), ten enemaal uitgeroeid 3). De Hebreën herhalen het woord, wanneer zij de bijzondere grootheid daarvan willen te kennen geven; het betekent dus hier “van wege uwe zeer grote boosheid. ” De Hebr. uitdrukking “in den dageraad” geeft te kennen, dat het spoedig, zonder uitstel zal gedaan worden. Zo lezen wij in Ps. 46:6 : God zal ze helpen in ‘t aanbreken des morgenstonds; zie verder Ps. 80:14; 144:8. Hetzelfde wordt elders uitgedrukt door “vroeg op zijnde” Jer. 7:18; 35:15. De uitdrukking is misschien ene zinspeling op de ondergang van Faraö en zijn leger, wanneer de morgenstond naakte. (Ex. 14:27). Hoe lang houdt zich het menselijke hart ook bij ondervondene bitterheid der zonde toch af van de gehele verandering van zin en wezen, wanneer het nog altijd meent, het zal nog op andere wijze geholpen worden, zich herstellen, tot vorige welvaart komen; daardoor verzuimt het allen tijd, om zijnen God tegen te gaan, en wordt midden in zijne vergeefse bemoeiingen om zich te helpen zo voortgesleurd, dat er geen redden mogelijk is. Welke ramp ook onder ons zij, het is de zonde, die ze veroorzaakt. Het is de zonde, die ziel, lichaam, die alles verwoest. Zo zal Bethel onder u doen. Het is uwe eigene boosheid, die u tuchtigt, en uw afval, die u verwerpt. Welke ellende brengt de zonde den mens aan, reeds in deze wereld. Dat wij dan zien op het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. .
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel