Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Het woordH1697 des HEERENH3068, datH834 geschiedH1961 is totH413 HoseaH1954, den zoonH1121 van BeeriH882, in de dagenH3117 van UzziaH5818, JothamH3147, AchazH271, HizkiaH3169, koningenH4428 van JudaH3063, en in de dagenH3117 van JerobeamH3379, zoonH1121 van JoasH3101, koningH4428 van IsraelH3478.
Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Hosea, den zoon van Beeri, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkia, koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israel.
KJV
The word1
of the LORD2
that came unto Hosea,6
the son7
of Beeri,8
in the days9
of Uzziah,10
Jotham,11
Ahaz,12
and Hezekiah,
kings14
of Judah,15
and in the days16
of Jeroboam17
the son18
of Joash,19
king20
of Israel.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Het beginH8462 van het woordH1696 des HEERENH3068 door HoseaH1954. De HEEREH3068 dan zeideH559 totH413 Hosea: GaH3212 henen, neemH3947 u een vrouwH802 der hoererijenH2183, en kinderenH3206 der hoererijenH2183; wantH3588 het landH776 hoereertH2181 ganselijkH2181 van achterH310 den HEEREH3068.
Het begin van het woord des HEEREN door Hosea. De HEERE dan zeide tot Hosea: Ga henen, neem u een vrouw der hoererijen, en kinderen der hoererijen; want het land hoereert ganselijk van achter den HEERE.
KJV
The beginning1
of the word2
of the LORD3
by Hosea.4
And the LORD6
said5
to Hosea,8
Go,9
take10
unto thee a wife12
of whoredoms13
and children14
of whoredoms:15
for the land19
hath committed great17
whoredom,18
departing from20
the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Zo gingH3212 hij henen, en namH3947 GomerH1586, een dochterH1323 van DiblaimH1691; en zij ontvingH2029; en baardeH3205 hem een zoonH1121.
Zo ging hij henen, en nam Gomer, een dochter van Diblaim; en zij ontving; en baarde hem een zoon.
KJV
So he went1
and took2
Gomer4
the daughter5
of Diblaim;6
which conceived,7
and bare8
him a son.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En de HEEREH3068 zeideH559 totH413 hem: NoemH7121 zijn naamH8034 JizreelH3157, wantH3588 nogH5750 een weinigH4592 tijds, zo zal Ik de bloedschuldenH1818 van JizreelH3157 bezoekenH6485 overH5921 het huisH1004 van JehuH3058, en zal het koninkrijkH4468 van het huisH1004 van IsraelH3478 doen ophoudenH7673.
En de HEERE zeide tot hem: Noem zijn naam Jizreel, want nog een weinig tijds, zo zal Ik de bloedschulden van Jizreel bezoeken over het huis van Jehu, en zal het koninkrijk van het huis van Israel doen ophouden.
KJV
And the LORD2
said1
unto him, Call4
his name5
Jezreel;6
for yet a little9
while, and I will avenge10
the blood12
of Jezreel13
upon the house15
of Jehu,16
and will cause to cease17
the kingdom18
of the house19
of Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En het zal te dien dageH3117 geschiedenH1961, datH1931 Ik IsraelsH3478 boogH7198 verbrekenH7665 zal, in het dalH6010 van JizreelH3157.
En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Israels boog verbreken zal, in het dal van Jizreel.
KJV
And it shall come to pass at that day,2
that I will break4
the bow6
of Israel7
in the valley8
of Jezreel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En zij ontvingH2029 wederomH5750, en baardeH3205 een dochterH1323; en Hij zeideH559 tot hem: NoemH7121 haar naamH8034 Lo-RuchamaH3819; wantH3588 Ik zal Mij voortaanH3254 nietH3808 meerH5750 ontfermenH7355 over het huisH1004 IsraelsH3478, maarH3588 Ik zal ze zekerlijkH5375 wegvoerenH5375.
En zij ontving wederom, en baarde een dochter; en Hij zeide tot hem: Noem haar naam Lo-Ruchama; want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis Israels, maar Ik zal ze zekerlijk wegvoeren.
KJV
And she conceived again,1
and bare3
a daughter.4
And God said5
unto him, Call7
her name8
Loruhamah:9
for I will no more13
have mercy15
upon the house17
of Israel;18
but I will utterly20
take them away.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Maar over het huisH1004 van JudaH3063 zal Ik Mij ontfermenH7355, en zal ze verlossenH3467 door den HEEREH3068, hun GodH430, en Ik zal ze nietH3808 verlossenH3467 door boogH7198, noch door zwaardH2719, noch door krijgH4421, door paardenH5483 noch door ruiterenH6571.
Maar over het huis van Juda zal Ik Mij ontfermen, en zal ze verlossen door den HEERE, hun God, en Ik zal ze niet verlossen door boog, noch door zwaard, noch door krijg, door paarden noch door ruiteren.
KJV
But I will have mercy4
upon the house2
of Judah,3
and will save5
them by the LORD6
their God,7
and will not save9
them by bow,10
nor by sword,11
nor by battle,12
by horses,13
nor by horsemen.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Als zij nu Lo-RuchamaH3819 gespeendH1580 had, ontvingH2029 zij, en baardeH3205 een zoonH1121.
Als zij nu Lo-Ruchama gespeend had, ontving zij, en baarde een zoon.
KJV
Now when she had weaned1
Loruhamah,3
she conceived,5
and bare6
a son.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En Hij zeideH559: NoemH7121 zijn naamH8034 Lo-AmmiH8034; wantH3588 gijliedenH859 zijt Mijn volkH5971 nietH3808, zo zal IkH595 ook de uwe nietH3808 zijn.
En Hij zeide: Noem zijn naam Lo-Ammi; want gijlieden zijt Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uwe niet zijn.
KJV
Then said1
God, Call2
his name3
Loammi:4
for ye are not my people,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Nochtans zal het getalH4557 der kinderenH1121 IsraelsH3478 zijn als het zandH2344 der zeeH3220, dat niet gemetenH4058 noch geteldH5608 kan worden; en het zal geschieden, dat ter plaatseH4725, waar tot hen gezegdH559 zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volkH5971 niet; tot hen gezegdH559 zal worden: Gij zijt kinderenH1121 des levendenH2416 GodsH410.
Nochtans zal het getal der kinderen Israels zijn als het zand der zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden; en het zal geschieden, dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden Gods.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En de kinderenH1121 van JudaH3063, en de kinderenH1121 IsraelsH3478 zullen samenvergaderdH6908 worden, en zich een enigH259 hoofdH7218 stellenH7760, en uit het landH776 optrekkenH5927; want de dagH3117 van JizreelH3157 zal groot zijn.
En de kinderen van Juda, en de kinderen Israels zullen samenvergaderd worden, en zich een enig hoofd stellen, en uit het land optrekken; want de dag van Jizreel zal groot zijn.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Zegt tot uw broederen: Ammi, en tot uw zusteren: Ruchama.
Hosea, den zoon van Beëri,
In het Nieuwe Testament, in het Grieks genoemd Osee, Rom. 9:25 . Denzelfden naam had ook eerst Jozua, Num. 13:16 ; idem de laatste koning van Israël, 2 Kon. 17:1 , 2 Kon. 17:6 .
Hertaald:
Hosea, den zoon van Beëri,
In het Nieuwe Testament in het Grieks Osee genoemd, Rom. 9:25. Dezelfde naam droeg eerst ook Jozua (Num. 13:16) en de laatste koning van Israël (2 Kon. 17:1, 2 Kon. 17:6).
koningen van Juda,
Hieruit blijkt dat deze profeet een zeer langen tijd, te weten tenminste, naar sommiger gevoelen, omtrent drie en veertig jaren geprofeteerd heeft. En of hij wel onder de andere koningen, die in Israël dezen Jerobeam [niet den zoon van Nebat maar van Joas, een kindskind van Jehu] gevolgd zijn, ook geprofeteerd heeft, zo wordt nochtans deze alleen hier genoemd, omdat hij een en veertig jaar geregeerd heeft, en om te tonen dat de goddelijkheid dezer profetie, als welke al geschied is ten tijde als het koninkrijk der tien stammen nog in bloei was. Zie 2 Kon. 14:25 , en voorts de historiën van de regering dezer koningen van Juda, 2Ki 15 tot 2Ki 21 , en 2Ch 26 tot 2Ch 33 , en vergelijk Am. 1:1 .
Hertaald:
koningen van Juda,
Hieruit blijkt dat deze profeet zeer lang geprofeteerd heeft, volgens sommigen minstens ongeveer drieënveertig jaar. En hoewel hij waarschijnlijk ook geprofeteerd heeft onder de andere koningen die in Israël op deze Jerobeam volgden — niet de zoon van Nebat maar die van Joas, een kleinzoon van Jehu — wordt hier alleen deze genoemd, omdat hij eenenveertig jaar geregeerd heeft, en om te tonen dat deze profetie van God komt, aangezien zij al gegeven is toen het koninkrijk van de tien stammen nog in bloei stond. Zie 2 Kon. 14:25, en verder de geschiedenis van de regering van deze koningen van Juda in 2 Kon. 15 tot 21 en 2 Kron. 26 tot 33, en vergelijk Amos 1:1.
van het woord des HEEREN door Hosea
Of, van het spreken, van de spraak; dat is, als de Heere eerst met, door en tot Hosea begon te spreken, sprak Hij dit tot hem, en door hem tot het volk. Anders: in Hosea; [en alzo elders] om nader te tonen dat het volgende niet geschied is inderdaad, maar door een gezicht in den geest, inwendiglijk, bij manier van parabel of gelijkenis, den profeet van God is geopenbaard, en naderhand het volk alzo, als een profetisch gezicht voorgedragen. Zie van zulke profetische gezichten, Gen. 15:1 , en vergelijk onder Hos. 3:1 , enz.; idem Ezech. 4:4 , en Ezech. 8:2 , en Ezech. 11:24-25 , enz.
Hertaald:
van het woord des HEEREN door Hosea
Of: van het spreken; dat is: toen de HEERE voor het eerst met, door en tot Hosea begon te spreken, sprak Hij dit tot hem en door hem tot het volk. Anders: in Hosea — zo ook elders — om duidelijker te maken dat het volgende niet werkelijk gebeurd is, maar de profeet door God in een gezicht in de geest, innerlijk, bij wijze van gelijkenis geopenbaard is en daarna zo als een profetisch gezicht aan het volk voorgehouden is. Zie over zulke profetische gezichten Gen. 15:1, en vergelijk Hos. 3:1, enzovoort; ook Ezech. 4:4, Ezech. 8:2 en Ezech. 11:24-25, enzovoort.
hoererijen, en
Dat is, ganselijk tot hoererij begeven. Vergelijk de manier van spreken met Ps. 5:7 .
Hertaald:
hoererijen, en
Dat is: volkomen aan hoererij overgegeven. Vergelijk de manier van spreken met Ps. 5:7.
kinderen der hoererijen;
Omdat hier gezegd wordt: Neem ene hoer met hoerenkinderen, en daarna dat de profeet die kinderen bij die hoer gewonnen heeft, daaruit blijkt dat het niet alzo inderdaad geschied is.
Hertaald:
kinderen der hoererijen;
Doordat hier gezegd wordt: neem een hoer met hoerenkinderen, en daarna dat de profeet die kinderen bij die hoer verwekt heeft, blijkt dat het niet werkelijk zo gebeurd is.
ganselijk
Hebreeuws, hoererende hoereert; dat is, doet doorgaans niets anders. Zie van geestelijke hoererij Lev. 17:7 .
Hertaald:
ganselijk
Hebreeuws: hoererende hoereert; dat is: doet doorlopend niets anders. Zie over geestelijke hoererij Lev. 17:7.
van achter den HEERE
Dat is, alzo dat de inwoners des lands den Heere niet meer navolgen, maar van Hem afwijken, en de afgoden onzinnig nalopen; vergelijk onder Hos. 4:12 .
Hertaald:
van achter den HEERE
Dat is: zodat de inwoners van het land de HEERE niet meer navolgen, maar van Hem afwijken en de afgoden razend achternalopen; vergelijk Hos. 4:12.
ging hij henen,
Dit alles is den profeet in een gezicht vertoond, en het volk [gelijk op vs.2 is aangetekend] voorgesteld, tot een spiegel en levendige afbeelding van hun goddeloos wezen, in vs.2 vermeld.
Hertaald:
ging hij henen,
Dit alles is de profeet in een gezicht getoond en aan het volk voorgehouden, zoals bij vers 2 aangetekend is, als een spiegel en levendige afbeelding van hun goddeloze toestand die in vers 2 genoemd wordt.
Gomer,
Gelijk Gomer in het Hebreeuws somtijds de betekenis heeft van volheid, of volmaaktheid, somtijds van vertering; alzo had God dit volk alles goeds gedaan, maar zij verteerden alles, en ook zichzelven, door afgoderij en andere zonden, waarom zij eindelijk door Gods plagen zouden verteerd worden.
Hertaald:
Gomer,
Gomer heeft in het Hebreeuws soms de betekenis van volheid of volmaaktheid, soms van vertering. Zo had God dit volk alles goeds gedaan, maar zij verteerden alles, en ook zichzelf, door afgoderij en andere zonden — waarom zij ten slotte door Gods plagen verteerd zouden worden.
Diblaïm;
Sommigen nemen dit voor een mansnaam, anderen voor de geboorteplaats. Het woord betekent twee klompen vijgen, waardoor beduid kan worden de geilheid, wellustigheid en dartelheid van het volk. Eenigen menen dat deze naam ziet op de woestijn Dibla, vermeld Ezech. 6:14 , [zie de aantekening aldaar] om te tonen de genade, die God zijn volk bewezen heeft, hen voerende uit de woestijn in Kanaän. [Vergelijk Ezech. 16:5 , Ezech. 16:7 ; Hoogl. 3:6 ] ; Num. 33:46 , wordt vermeld Diblathaim. Zie wijders Jer. 2:2 , Jer. 2:6 .
Hertaald:
Diblaïm;
Sommigen vatten dit op als een mansnaam, anderen als de geboorteplaats. Het woord betekent twee klompen vijgen, waarmee de geilheid, wellustigheid en dartelheid van het volk aangeduid kan worden. Sommigen menen dat deze naam ziet op de woestijn Dibla die in Ezech. 6:14 genoemd wordt — zie de aantekening daar — om de genade te tonen die God Zijn volk bewezen heeft door hen uit de woestijn naar Kanaän te voeren. Vergelijk Ezech. 16:5, Ezech. 16:7; Hoogl. 3:6. In Num. 33:46 wordt Diblathaïm genoemd. Zie verder Jer. 2:2, Jer. 2:6.
hem
Hosea.
Hertaald:
hem
Hosea.
Jizreël,
Deze naam moet onderscheiden worden van Israël, en dit ziet op de plaats Jizreël. Zie het volgende en wijders Hos. 2:21-22 , met de aantekening.
Hertaald:
Jizreël,
Deze naam moet onderscheiden worden van Israël; hij ziet op de plaats Jizreël. Zie het vervolg en verder Hos. 2:21-22 met de aantekening.
bloedschulden van Jizreël
Hebreeuws, bloeden; dat is, bloedschulden, doodslagen, moorderijen, [zie Gen. 37:26 ] , die aldaar opgelegd en bedreven zijn.
Hertaald:
bloedschulden van Jizreël
Hebreeuws: bloeden; dat is: bloedschulden, doodslagen, moorden (zie Gen. 37:26) die daar begaan zijn.
bezoeken over het huis
Met straffen; zie Gen. 21:1 .
Hertaald:
bezoeken over het huis
Met straffen; zie Gen. 21:1.
Jehu,
Die veel bloed vergoten had in het dal Jizreël, op het bevel des Heeren, maar niet uit een oprecht hart om Achabs afgoderij uit te roeien, gelijk hem God bevolen had [alzo hij zelf 2 Kon. 10:28-29 , 2 Kon. 10:31 wordt gezegd aangehangen te hebben de afgoderij van Jerobeam, en niet gewandeld te hebben in de wet des Heeren met zijn ganse hart] maar om het koninkrijk. Waarom God zulks houdt voor een moorderij; vergelijk het voorbeeld van Baesa, 1 Kon. 15:29 , en 1 Kon. 16:7 , die Jerobeams huis, naar Gods woord verdelgde, maar niet uit vroomheid.
Hertaald:
Jehu,
Hij had veel bloed vergoten in het dal Jizreël, op bevel van de HEERE, maar niet uit een oprecht hart om de afgoderij van Achab uit te roeien zoals God hem bevolen had. Van hemzelf wordt namelijk in 2 Kon. 10:28-29 en 2 Kon. 10:31 gezegd dat hij de afgoderij van Jerobeam aanhing en niet met zijn hele hart in de wet van de HEERE wandelde; hij deed het om het koninkrijk. Daarom rekent God het hem als moord aan. Vergelijk het voorbeeld van Baësa (1 Kon. 15:29 en 1 Kon. 16:7), die het huis van Jerobeam naar Gods woord verdelgde, maar niet uit vroomheid.
boog verbreken zal,
Dat is, de macht der schutterij, of de krijgsmacht; vergelijk Ps. 78:9 ; dienvolgens zal Israël den vijand ten roof moeten worden. Zie 2 Sam. 1:18 ; Jer. 49:35 met de aantekening.
Hertaald:
boog verbreken zal,
Dat is: de macht van de boogschutters, of de krijgsmacht; vergelijk Ps. 78:9. Daardoor zal Israël de vijand ten prooi vallen. Zie 2 Sam. 1:18; Jer. 49:35 met de aantekening.
dal van Jizreël
Zie van dit dal Richt. 6:33 . Het schijnt dat Israël hier een grote nederlaag gehad heeft, ten tijde als Salmanassar tegen hen optoog. Zie 2 Kon. 17:4 , enz. Anders: om het dal Jizreëls; dat is, om de moorderij aldaar bedreven.
Hertaald:
dal van Jizreël
Zie over dit dal Richt. 6:33. Het lijkt erop dat Israël hier een grote nederlaag geleden heeft, in de tijd waarin Salmanassar tegen hen optrok. Zie 2 Kon. 17:4, enzovoort. Anders: om het dal van Jizreël, dat is: om de moord die daar begaan is.
Hij zeide tot hem
De Heere tot Hosea.
Hertaald:
Hij zeide tot hem
De HEERE tot Hosea.
Lo-rucháma;
Dat is, niet ontfermde.
Hertaald:
Lo-rucháma;
Dat is: niet-ontfermde.
zekerlijk wegvoeren
Hebreeuws, wegvoerende, of opnemende, [dat is, opnemende en wegvoerende] wegvoeren; vergelijk onder Hos. 5:14 . Deze woorden worden verscheidenlijk overgezet, vermits de verscheidene betekenissen van het Hebreeuwse woord, dat niet alleen opnemen, wegnemen, wegvoeren, enz., maar ook vergeven betekent. [Zie Ps. 25:18 ; Jes. 2:9 ] . Dit is vervuld, eerst door Tiglath-Pilezer, daarna door Salmanassar, koningen van Assyrië.
Hertaald:
zekerlijk wegvoeren
Hebreeuws: wegvoerende — dat is: opnemend en wegvoerend — wegvoeren; vergelijk Hos. 5:14. Deze woorden worden verschillend vertaald vanwege de verschillende betekenissen van het Hebreeuwse woord, dat niet alleen opnemen, wegnemen en wegvoeren betekent, maar ook vergeven (zie Ps. 25:18; Jes. 2:9). Dit is vervuld, eerst door Tiglath-Pileser en daarna door Salmanassar, koningen van Assyrië.
Juda zal Ik Mij ontfermen,
Dat is, mijne kerk, of mijn volk, hier bijzonderlijk afgebeeld door Juda, als hebbende den rechten godsdienst, en niet door Israël, die den waren godsdienst verlaten hadden; waarom in het volgende ook van het huis van Juda gezegd wordt, den Heere hunnen God. Vergelijk onder vs.9, en Hos. 12:1 ; anderszins worden Juda en Israël [tezamen afbeeldende de algemene kerk uit Joden en heidenen] samengevoegd. Zie onder vs.11, enz.; idem Hos. 3:5 .
Hertaald:
Juda zal Ik Mij ontfermen,
Dat is: over Mijn kerk of Mijn volk, hier in het bijzonder afgebeeld door Juda, dat de rechte godsdienst had, en niet door Israël, dat de ware godsdienst verlaten had. Daarom wordt van het huis van Juda in het vervolg ook gezegd: de HEERE, hun God. Vergelijk vers 9 en Hos. 12:1. Elders worden Juda en Israël — die samen de algemene kerk uit Joden en heidenen afbeelden — juist samengevoegd. Zie vers 11, enzovoort, en ook Hos. 3:5.
HEERE, hun God,
Dat is, door mijn eeuwigen eniggeboren Zoon Jezus Christus, dien Ik tot een Heiland, Behouder, Zaligmaker, Hoofd en Koning van zijn volk verordineerd heb; vergelijk Gen. 19:24 ; Jes. 10:27 , en Jer. 23:4-5 , enz. Anders: door den HEERE hunnen God; dat is, door mijzelven, Ik zal het zelf doen, te weten hen lichamelijk verlossen uit Babel, en geestelijk door den Messias, uit de gevangenis des duivels, enz.
Hertaald:
HEERE, hun God,
Dat is: door Mijn eeuwige eniggeboren Zoon Jezus Christus, Die Ik tot Heiland, Behouder, Zaligmaker, Hoofd en Koning van Zijn volk bestemd heb; vergelijk Gen. 19:24; Jes. 10:27 en Jer. 23:4-5, enzovoort. Anders: door de HEERE, hun God, dat is: door Mijzelf; Ik zal het Zelf doen, namelijk hen lichamelijk verlossen uit Babel en geestelijk door de Messias uit de gevangenschap van de duivel, enzovoort.
boog, noch door zwaard,
Gelijk de verlossing van Juda uit de Babylonische gevangenschap door mijn zonderlinge genade en regering beschikt en bestuurd zal worden, en niet door menselijk geweld, alzo zal de verlossing door Christus een gans hemels en geestelijk heil zijn, waarvoor zij niemand dan mij zullen hebben te danken. Vergelijk Mi. 5:9 , met de aantekening. Sommigen duiden het ook op de wonderlijke regering van God, door welke Hij Juda heeft verlost van de twee koningen, Pekah, koning van Israël, en Rezin, koning van Syrië. Zie Jes. 7:1 ,enz.; 2 Kon. 15:29-30 , en 2 Kon. 16:9 .
Hertaald:
boog, noch door zwaard,
Zoals de verlossing van Juda uit de Babylonische gevangenschap door Mijn bijzondere genade en bestuur beschikt zal worden en niet door menselijk geweld, zo zal ook de verlossing door Christus een geheel hemels en geestelijk heil zijn, waarvoor zij niemand dan Mij te danken zullen hebben. Vergelijk Micha 5:9 met de aantekening. Sommigen betrekken het ook op de wonderlijke regering van God, waardoor Hij Juda verlost heeft van de twee koningen Pekah, koning van Israël, en Rezin, koning van Syrië. Zie Jes. 7:1, enzovoort; 2 Kon. 15:29-30 en 2 Kon. 16:9.
Hij zeide
De Heere.
Hertaald:
Hij zeide
De HEERE.
de uwe niet zijn
Dat is, Ik zal ulieder God niet zijn, gelijk dit sommigen aldus aanvullen: zo zal Ik [ook] ulieder [God] niet zijn, gelijk God elders dikwijls spreekt. Vergelijk boven vs.7 met de aantekening, en zie Gen. 17:7 , en Deut. 7:6 . Door de geboorte van deze drie kinderen menen sommigen afgebeeld te zijn drieërlei staat van het volk van Israël, telkens meer vervallende in zonden en zwaarder van God gestraft.
Hertaald:
de uwe niet zijn
Dat is: Ik zal uw God niet zijn, zoals sommigen dit aanvullen: zo zal Ik ook uw God niet zijn — zoals God elders vaak spreekt. Vergelijk vers 7 met de aantekening, en zie Gen. 17:7 en Deut. 7:6. Sommigen menen dat met de geboorte van deze drie kinderen drie opeenvolgende toestanden van het volk Israël afgebeeld worden, waarbij het telkens dieper in zonde vervalt en zwaarder door God gestraft wordt.
kinderen Israëls zijn als het zand der zee,
Wien Ik in toekomenden tijden zal genadig zijn. Hier spreekt God van het genade werk, dat Hij voorhad aan zijn volk te bewijzen bij den tijd van het Nieuwe Testament, te weten aan Joden en heidenen, het Israël Gods; zie Rom. 9:24 , Rom. 9:26 ; Gal. 3:28-29 , en Gal. 6:16 ; want nu het vleselijk Israël, zowel als de heidenen, Gods volk niet meer waren, zo moesten zij beiden door loutere en vrije genade aangenomen worden, welke God hier hun beiden toezegt.
Hertaald:
kinderen Israëls zijn als het zand der zee,
Namelijk zij aan wie Ik in toekomende tijden genadig zal zijn. Hier spreekt God over het genadewerk dat Hij van plan was aan Zijn volk te bewijzen in de tijd van het Nieuwe Testament, namelijk aan Joden en heidenen, het Israël van God; zie Rom. 9:24, Rom. 9:26; Gal. 3:28-29 en Gal. 6:16. Want nu het vleselijke Israël evenmin als de heidenen nog Gods volk was, moesten zij allebei door louter vrije genade aangenomen worden, en die zegt God hun hier allebei toe.
En de kinderen van Juda,
Hoewel sommigen dit enigszins verstaan van de verlossing uit de Babylonische gevangenschap, wanneer de verstrooide en overgebleven vrome Israëlieten, door al de geleden plagen bijkans teniet geworden zijnde, zich zeer gaarne zouden voegen bij de optrekkende Joden, zo ziet het nochtans eigenlijk op de verzamelingen der kerk van het Nieuwe Testament uit Joden en heidenen, onder een Hoofd Jezus Christus door geloof en ware bekering. Vergelijk Jer. 23:6 , enz., en Jer. 31:5-6 , Jer. 31:9 , en Jer. 50:4 , enz.
Hertaald:
En de kinderen van Juda,
Hoewel sommigen dit tot op zekere hoogte verstaan van de verlossing uit de Babylonische gevangenschap — wanneer de verstrooide en overgebleven vrome Israëlieten, die door alle geleden plagen bijna verdwenen waren, zich graag zouden voegen bij de optrekkende Joden — ziet het toch eigenlijk op de vergadering van de kerk van het Nieuwe Testament uit Joden en heidenen, onder één Hoofd Jezus Christus, door geloof en ware bekering. Vergelijk Jer. 23:6, enzovoort, Jer. 31:5-6, Jer. 31:9 en Jer. 50:4, enzovoort.
land optrekken;
Van hun lichamelijke gevangenschap, en eigenlijk uit de geestelijke gevangenschap zich begeven tot Gods kerk.
Hertaald:
land optrekken;
Uit hun lichamelijke gevangenschap, en eigenlijk: zich uit de geestelijke gevangenschap begeven tot Gods kerk.
want de dag van Jizreël zal groot zijn
Of, omdat de dag van Jizreël groot zal geweest zijn. Versta, Israëls nederlaag en verwoesting, waarvan boven vs.5. De zin is dat dit oordeel Gods en al de volgende of gevolgde straffen hen daartoe zullen bewegen. Sommigen verstaan door Jizreëls dag den dag van Israëls verlossing, die heerlijk zal zijn, gesteld tegen den dag hunner nederlaag in Jizreël, en daarom ook genoemd Jizreëls dag; dat is Israëls dag. Vergelijk onder Hos. 2:21 . Deze verklaring komt met het voorgaande wel overeen. Alzo wordt iemands dag in de Schriftuur genoemd, de tijd in welken iemand iets bijzonders goeds of kwaads van God naar zijn bestemden raad wordt toegeschikt.
Hertaald:
want de dag van Jizreël zal groot zijn
Of: omdat de dag van Jizreël groot geweest zal zijn. Versta: de nederlaag en verwoesting van Israël, waarover vers 5. De betekenis is dat dit oordeel van God en alle straffen die erop volgen hen daartoe zullen bewegen. Sommigen verstaan onder de dag van Jizreël de dag van Israëls verlossing, die heerlijk zal zijn, gesteld tegenover de dag van hun nederlaag in Jizreël en daarom ook de dag van Jizreël genoemd, dat is: de dag van Israël. Vergelijk Hos. 2:21. Deze verklaring komt goed overeen met het voorgaande. Zo wordt in de Schrift iemands dag genoemd: de tijd waarin iemand door God naar Zijn vaste raad iets bijzonders aan goed of kwaad toebedeeld krijgt. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Zoon van Beëri, een profeet in Israël in de dagen van de koningen Uzzia tot Hizkia van Juda en Jerobeam II van Israël. Op Gods bevel huwde hij Gomer, een vrouw der hoererijen, wier ontrouw en de namen van hun kinderen als een levend beeld dienden van Israëls afval van de HEERE en van Gods trouw die daarop zou volgen (Hos. 1-14). Dochter van Diblaim; op Gods bevel door Hosea tot vrouw genomen als beeld van Israëls geestelijke hoererij. Zij baarde hem drie kinderen met symbolische namen: Jizreel, Lo-Ruchama en Lo-Ammi (Hos. 1:3-9). Eerste zoon van Hosea en Gomer; zijn naam was een profetisch teken van het oordeel over het huis van Jehu vanwege het bloed van Jizreel, en van het einde van het koninkrijk van Israël (Hos. 1:4-5). Dochter van Hosea en Gomer; haar naam was een teken dat de HEERE Zich niet meer over het huis van Israël zou ontfermen. Later beloofde de HEERE echter dat zij "Ruchama" (ontfermd) genoemd zou worden (Hos. 1:6-7; 2:1, 23). Tweede zoon van Hosea en Gomer; zijn naam was een teken dat Israël niet langer Gods volk zou zijn. Later beloofde de HEERE echter dat hij "Ammi" (Mijn volk) genoemd zou worden (Hos. 1:9-10; 2:1, 23). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Het boek opent met een tijdsbepaling: "in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkia, koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israel" (Hos. 1:1). Hosea profeteerde dus over een lange periode en tegen twee rijken tegelijk. Dan volgt het eerste woord: "Ga henen, neem u een vrouw der hoererijen, en kinderen der hoererijen; want het land hoereert ganselijk van achter den HEERE" (Hos. 1:2). Bijbelse betekenis: Merk op waarmee dit boek begint: niet met een gezicht en niet met een droom, maar met een opdracht die het eigen leven van de profeet raakt. Wat er verderop in het boek gezegd wordt, wordt eerst aan hemzelf voltrokken. Let vervolgens op de reden die er direct bij staat: het land hoereert. De opdracht is geen willekeurige beproeving; zij is een spiegel van wat er in Israël gaande is. Let ten slotte op de lange tijdspanne in Hos. 1:1. Vier koningen van Juda worden genoemd tegenover één van Israël; het noordelijke rijk had in die jaren veel snellere troonwisselingen, en dat verschil in stabiliteit tekent zich al in het opschrift af. Typologie: Andere profeten kregen een woord te spreken; Hosea kreeg een leven te leiden dat zelf een woord werd. Dat is dezelfde soort tekenhandeling als bij Jesaja, die drie jaar naakt en op blote voeten ging (reeds behandeld bij Jes. 20:2-4), en bij Jeremia, die niet mocht trouwen (reeds behandeld bij Jer. 16:1-9). Hos. 1:1-2; Jes. 20:2-4; Jer. 16:1-9 Hosea neemt Gomer, en zij baart hem een zoon (Hos. 1:3). De eerste naam is een oordeel: "Noem zijn naam Jizreel; want nog een weinig tijds, zo zal Ik de bloedschulden van Jizreel bezoeken over het huis van Jehu" (Hos. 1:4). De tweede naam volgt bij een dochter: "Noem haar naam Lo-Ruchama; want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis Israels" (Hos. 1:6). Over Juda wordt in datzelfde vers iets anders gezegd: daarover zal God Zich wél ontfermen. De derde naam komt bij een tweede zoon: "Noem zijn naam Lo-Ammi; want gijlieden zijt Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uwe niet zijn" (Hos. 1:9). Bijbelse betekenis: Merk op wat deze namen voor de kinderen zelf betekenden. Iedere dag dat hun naam geroepen werd — Niet-Ontfermd, Niet-Mijn-Volk — hoorde heel het dorp het oordeel over Israël opnieuw. Een profetie die je alleen leest, vergeet je; een naam die je dagelijks draagt, vergeet niemand. Let vervolgens op het onderscheid tussen Israël en Juda in Hos. 1:6-7. Het noordelijke rijk krijgt het zwaarste woord, en Juda wordt gespaard — niet omdat het beter was, maar omdat God dat zo besluit. Let ten slotte op de derde naam. Lo-Ammi is het zwaarste van de drie: niet meer Mijn volk. Daarmee wordt het hart van het verbond zelf opgezegd, want dat verbond luidde altijd dat God hun tot een God zou zijn en zij Hem tot een volk. Typologie: Deze drie namen worden in het Nieuwe Testament omgekeerd. Petrus schrijft aan de gemeente: "Gij, die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden" (1 Petr. 2:10). Wat bij Hosea een oordeel was, wordt daar de beschrijving van genade voor wie eerst geen volk was. Hos. 1:3-9; 1 Petr. 2:10 Na de drie zware namen volgt een tegenbeweging: "Nochtans zal het getal der kinderen Israels zijn als het zand der zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden; en het zal geschieden, dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden Gods" (Hos. 1:10). Daarna komen Juda en Israël weer samen: "de kinderen van Juda, en de kinderen Israels zullen samenvergaderd worden, en zich een enig hoofd stellen" (Hos. 1:11). Aan het slot van hetzelfde vers wordt de omkering met zoveel woorden opgedragen: "Zegt tot uw broederen: Ammi, en tot uw zusteren: Ruchama" (Hos. 1:11) — Mijn volk, Ontfermd, precies de tegenovergestelde namen. Bijbelse betekenis: Merk op dat de belofte niet ergens anders begint dan het oordeel. Er staat: ter plaatse waar gezegd is "Gijlieden zijt Mijn volk niet" — op diezelfde plaats klinkt straks het tegendeel. God maakt geen nieuw begin ergens buiten de puinhoop; Hij spreekt het leven juist daar waar het oordeel gevallen is. Let vervolgens op het beeld van het zand der zee. Dat is dezelfde belofte als aan Abraham (reeds behandeld bij Gen. 22:17); wat aan de aartsvader gezworen werd, wordt hier op een verstrooid en gestraft volk toegepast. Let ten slotte op de eenheid van Juda en Israël in Hos. 1:11. De twee rijken die eeuwenlang gescheiden waren, komen hier samen onder één hoofd. Typologie: Paulus haalt dit woord letterlijk aan om te laten zien dat Gods roeping zich ook tot de heidenen uitstrekt: "Ik zal hetgeen Mijn volk niet was, Mijn volk noemen, en die niet bemind was, Mijn beminde" (Rom. 9:25). In het vers erna citeert hij het slot: "aldaar zullen zij kinderen des levenden Gods genaamd worden" (Rom. 9:26). Hos. 1:10-11; Gen. 22:17; Rom. 9:25-26 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas En het zal geschieden dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden… Maar over het huis van Juda zal Ik Mij ontfermen, en zal ze verlossen door den Heere, hun God, en Ik zal ze niet verlossen door boog, noch… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Hosea 1
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
Het bereik van de Almachtige Genade
Overwinning zonder strijd


Hosea 1
Hosea 1:7.KruisverwijzingenZacharia 4:6→2 Koningen 19:35→Hosea 11:12→Zacharia 9:9→Psalmen 44:3→Psalmen 33:16→Jesaja 7:14→Mattheüs 1:21→
— Maar over het huis van Juda zal Ik Mij ontfermen, en zal ze verlossen door den HEERE, hun God, en Ik zal ze niet verlossen door boog, noch door zwaard, noch door krijg, door paarden noch door ruiteren.
“Maar over het huis van Juda zal Ik Mij ontfermen, en zal ze verlossen door den HEERE, hun God, en Ik zal ze niet verlossen door boog, noch door zwaard, noch door krijg, door paarden noch door ruiteren.”
Deze tekst laat zien dat het geduld van God een grens heeft. Hij liet Hosea in het vorige vers zeggen: Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis Israëls. Lang had Hij dat schuldige volk verdragen en hun stoutmoedige misdaden door de vingers gezien. Maar nu zou Hij dat niet langer doen; Hij zou hen overgeven aan de vijand, die hen zo ver zou wegvoeren dat Israël als een afzonderlijk koninkrijk ophield te bestaan.
Dit herinnert ons eraan dat God genadig is, maar dat Zijn Geest niet altijd met ons twisten zal. Nog een weinig zonde, en wij kunnen over de grens zijn en God kan ons overgeven.
De HEERE maakt ook onderscheid tussen schuldige mensen, naar de soevereiniteit van Zijn genade. Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis Israëls — maar over het huis van Juda zal Ik Mij ontfermen. Had Juda dan niet ook gezondigd? Had de HEERE ook Juda niet mogen overgeven? Dat had Hij rechtvaardig kunnen doen, maar Hij heeft lust aan goedertierenheid.
Velen zondigen en brengen terecht over zichzelf de straf die op de zonde staat; zij verwerpen Christus en sterven in hun zonden. Maar God ontfermt Zich, naar de grootheid van Zijn hart, over menigten die op geen enkele andere grond behouden konden worden dan op die van onverdiende barmhartigheid. Hij maakt aanspraak op Zijn koninklijk recht en zegt: “Ik zal Mij ontfermen, diens Ik Mij ontferm, en zal barmhartig zijn, dien Ik barmhartig ben.”
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Ook hier, even als bij Jesaja en Jeremia, gaat een opschrift vooraf, dat den persoon des Profeten noemt, en den tijd van zijne profetische werkzaamheid bepaalt.
Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Hosea (= hulp), want door hem, enen burger van het noordelijk rijk (2 Kon. 14:29) wilde de Heere Zijn afgevallen volk in dit rijk nog helpen, den zoon van Beëri (= put van levend water), in de dagen van Uzzia, (810-758), Jotham (758-742), Achaz (742-727), Hizkia(727-698 v. Chr.), koningen van het zuidelijke rijk, van Juda, waarin toen nog alleen het wettige koningschap werkelijk bestond, en in de dagen van Jerobeam II (824-783 v. Chr.), zoon van Joas, uit het huis van Jehu, koning van het noordelijke, van David afgevallene huis, van Israël. Deze was de laatste koning van dat rijk, door wien de Heere nog eens hulp en redding liet aanbieden, terwijl de overigen slechts getuigen waren van de reeds aangevangene straf. Door het noemen van Jerobeam II, als het begin zijner 65-jarige werkzaamheid (790-725 v. C.), die aan het huis van Jehu en het gehele noordelijke rijk verderf aankondigde, toont de Profeet aanstonds, dat de Heere Zijnen knecht de toekomstige dingen openbaart, eer zij uitspruiten (Jes. 42:9), want juist de tijd van dezen koning was een tijd van groten bloei en van uitwendigen glans. Deze tijd wordt ons beschreven in 2 Kon. 14:23-29; de regering van de gelijktijdige koningen van Juda en de gebeurtenissen onder zijne opvolgers in het rijk van Israël lezen wij in 2 Kon. 15:1; 18:12. Nu is het van het grootste gewicht, dat men voor het lezen van de Profeten den tijd, waarin zij werkten, grondig kenne; want voor hem, die zich met de geschiedenis der koningen heeft vertrouwd gemaakt, zijn de Profeten, wat de hoofdzaak aangaat, helder en duidelijk, even als omgekeerd over de geschiedenis der koningen een geheel ander geestelijk licht opgaat, wanneer men den fakkel van het profetisch woord aansteekt (Jes. 1:1). Wij stellen hier nog eens kortelijk het karakter van dien tijd voor. De regering van Jerobeam II was, zo als vroeger gezegd is, een tijd van groten aardsen bloei. Reeds zijn vader Joas had de Syriërs onder Benhadad, in wier hand de Heere Israël om de zonden van Jehu en Joahaz had gegeven, terug gedrongen. Nog meer deed Jerobeam II. Zo als de Heere hem door den profeet Jona (2 Kon. 14:25 vv.) beloofd had, mocht hij de oude grenzen van het rijk herstellen, zo als die onder David en Salomo waren geweest, zodat hij het gehele land ten oosten van den Jordaan, van Hamath en Damascus tot aan de Dode zee weer veroverde. Des te strafbaarder was deze koning, dien de Heere aan Zijn volk gezonden had als enen laatsten redder uit uitwendigen druk, dat hij toch niet afliet van de zonden van den eersten Jerobeam, van den afval van den waren godsdienst en van het huis van David. Noch de kastijding onder Jehu en Joahaz, noch de genadebetoningen onder Joas en Jerobeam II bewerkten onder het volk en bij den vorst ene omkering. Juist die laatste betoning van genade toonde de rijpheid van het volk voor het gericht aan. De zonde van Jerobeam, de stierendienst te Bethel en Dan, hoewel men Jehova onder dat beeld wilde vereren, hield reeds in zich een formele afval van Jehova, den waarachtigen God, en van Zijn verbond met Israël, het leidde noodzakelijk tot afgodendienst. Want door de voorstelling van den onzichtbaren, oneindigen God onder een zichtbaar, aards symbool, werd de heerlijkheid van den alleen waren God tot het eindige verlaagd, en de God van Israël met de afgoden der heidenen gelijk gesteld. Die uitwendige gelijkstelling veroorzaakte onvermijdelijk, dat het inwendige veranderde. Uitwendig bleef de dienst van Jehova, maar inwendig kwam de afgodendienst bijna tot alleenheerschappij. Waren eerst de grenzen tussen beide godsdiensten opgeheven, zo moest, wat den geest aangaat, diegene zich het sterkst openbaren, welke het meest naar het hart des volks was. Dit was volgens den verdorven toestand der menselijke natuur met den strengen godsdienst van Jehova, die door God gegeven zijn, God niet tot het menselijke vernederde, maar verlangde dat de mens zich tot Zijne hoogte zou verheffen, die de heerlijkheid Gods in het middelpunt plaatste en daarop den eis van heiligheid aan hare belijders richtte-dit was de wekelijke zinnelijke afgodendienst, zo bekoorlijk voor het menselijk verderf, omdat zij daaruit was voortgekomen. Wel had Jehu als verderver van het huis van Achab en Izébel de uitwendige heerschappij van den Baäldienst gebroken, maar daar ook hij de kracht niet had, om de Jerobeam’s zonde, den stierendienst van zich te doen, liet hij de oudere verleiding tot afval van den Heere bestaan. Men maakte nu van Jehova zelven enen Baäl, bracht Hem uitwendig de offeranden naar de wet, vierde de feesten en noemde Hem “zijnen Baäl. ” Deze huichelachtige toestand van de harten onder het volk moest natuurlijk alle liefde, alle trouw, alle kennis van God in het land vernietigen, zodat moord, echtbreuk en diefstal aan de orde van den dag waren (vgl. Hoofdst. 4:1 en 2). Daartoe moest het noodzakelijk komen; want, had bijv. Jehu, zich van ganser harte tot den Heere bekeerd, en de Jerobeams-zonde van zich gedaan; zo had hij, zo niet de kroon moeten nederleggen en aan den Davidischen koning teruggeven, toch minstens door wegneming van den godsdienstigen scheidsmuur en aansluiting aan den tempel te Jeruzalem de exclusieve houding, die het noordelijk rijk tot hiertoe had aangenomen, moeten opgeven. Doch juist de lange en gelukkige regering van Jerobeam II moest het inwendig verderf voltooien, omdat het volk het uitwendig geluk, den rijkdom, den glans der omstandigheden als onderpand der genade Gods, waarvan het toch was afgevallen en zich inwendig steeds meer afkeerde, aanzag, als de valse profeten hem onophoudelijk voorspiegelden. Zo moest dan bij den dood van Jerobeam II het gericht van God, die zo veel en zo dikwijls met ontfermende liefde het volk tot bekering geroepen had, over het huis van Jehu uitbreken, en den ondergang van het noordelijke rijk beginnen. Eerst na ene anarchie van elf jaren kon Zacharia, de zoon van Jerobeam II den troon beklimmen en reeds na zes maanden werd bij door Sallum vermoord. Met hem ging het huis van Jehu te niet. Sallum werd na de regering van ééne maand door Menahem gedood, die tien jaren te Samaria regeerde. Onder dezen trok reeds de Assyrische koning Pul tegen het land op, en liet zich door ene zware schatting tot den aftocht bewegen. Op Menahem volgde zijn zoon Pekahia in het vijftigste jaar van Uzzia; na ene regering van nauwelijks twee jaren werd hij door zijnen hoofdman Pekah, den zoon van Remalia, vermoord, die zich twintig jaren op den troon staande hield, maar door zijne verbintenis met den koning van Syrië tegen het broederrijk Juda (Jes. 7) slechts den ondergang van zijn rijk bespoedigde. Want de koning Achaz, zeer benauwd door Pekah en de Syriërs, riep den Assyrischen koning Tiglat-Pilezer te hulp, die niet alleen Damascus veroverde en het Syrische rijk verwoestte, maar ook een gedeelte van het rijk van Israël, het gehele land ten oosten van den Jordaan innam, en zijne bewoners in ballingschap wegvoerde (2 Kon. 15:29). Tegen Pekah vormde Hosea, den zoon van Ela, ene zamenzwering en doodde hem in het vierde jaar van Achaz, waarop weer ene anarchie van meer dan acht jaren het land verwoestte, zodat Hosea eerst in het twaalfde jaar van Achaz aan de regering kwam, maar zeer spoedig aan den Assyrischen koning Salmanassar onderdanig en schatplichtig werd. Toen hij echter vertrouwende op de hulp van Egypte aan den Assyrischen koning ontrouw werd, kwam Salmanassar weer, veroverde het gehele land met de hoofdstad, en voerde Israël in ballingschap naar Assyrië. Het is wel zonder twijfel, dat Hosea dezen ondergang van het rijk zelf niet meer beleefd heeft, maar enige jaren te voren is opgeroepen. Daaromtrent, dat hij in een zo treurigen tijd onder zulk een volk meer den 60 jaren gearbeid heeft, merkt een oud uitlegger op: “Wanneer God ook maar 20 of 30 jaren onzen arbeid behoeft, is ons dat reeds te veel, en als wij het met goddeloze mensen te doen hebben, die zich niet gaarne laten gezeggen of die ons weerstaan, zouden wij wel gaarne dadelijk verlost en van den dienst ontheven willen zijn, dan moge zulk een Profeet, die het zo lang moet uithouden, ons een voorbeeld van volharding zijn, zodat wij den moed niet verliezen, al wil de Heere ons ook den last niet dadelijk ontnemen. De straf-, boete- en troostprediking, die op enen zo donkeren geschiedkundigen grond rust, als wij hierboven beschreven, is in twee delen verdeeld. welke ons niet de woordelijke en werkelijk door Hosea gehoudene redenen in ‘t bijzonder, maar de kern van zijne profetische werkzaamheid wedergeven in een kort overzicht van den inhoud. In het eerste deel (Hoofdst. 1-3) vinden wij die korter, in Hoofdst. 4-14 uitvoeriger. Volgens andere uitleggers daarentegen zouden wij daar een overzicht over Hosea’s werkzaamheden onder Jerobeam hebben, en hier over zijne latere werkzaamheid van den dood van dezen koning af. In het eerste, kortere deel worden in 3 afdelingen aan het volk in ene zinnebeeldige handeling zijne geestelijke echtbreuk, d. i. zijn afval van den Verbondsgod en de gevolgen daarvan, de verstoting onder de heidenen, maar ook zijne latere bekering en wederaanneming tot volk van God voor de ogen geschilderd. Vervolgens worden de straffen getekend, door welke het volk tot erkentenis van zijne zonden moet komen, alsmede de bewijzen van genade, door welke de Heere het volk tot verootmoediging en tot bekering zal leiden; eindelijk wordt dit werken des Heeren nog eens zinnebeeldig voorgesteld.
I. Vs. 2-2 KruisverwijzingenHosea 3:1→Deuteronomium 31:16→Hosea 2:4→Jeremia 3:9→Hosea 5:3→Exodus 34:15→Ezechiël 6:9→Openbaring 17:1→
— Het begin van het woord des HEEREN door Hosea. De HEERE dan zeide tot Hosea: Ga henen, neem u een vrouw der hoererijen, en kinderen der hoererijen; want het land hoereert ganselijk van achter den HEERE.
:1. De Heere beveelt den Profeet ene hoer met hoerenkinderen te huwen, en geeft aan de kinderen, welke de Profeet bij deze vrouw verwekt, namen, waardoor van het volk de vruchten van zijnen afgodendienst, namelijk de verwerping en verbanning van het aangezicht des Heeren worden voorgesteld. Toch voegt Hij er de belofte bij, dat het verstoten volk eindelijk weer tot genade zal worden aangenomen.
Het begin van het woord des HEEREN, ongeveer in het jaar 790, in de tweede helft der regering van Jerobeam II door (liever met of in zie Num. 12:6, 8. Deut. 18:22 1 Sam. 10:10) Hosea. De HEERE dan zei tot Hosea: Ga henen, neem u ene vrouw der hoererijen, ene, die tot hiertoe in ontucht geleefd heeft als uwe vrouw, en kinderen der hoererijen. Hierdoor moet gij in uwen persoon Mij, den Heere, en in de vrouw en hare kinderen het van Mij afgevallen, en in afgodendienst verzonken rijk van Israël afbeelden; want het land, de moeder met hare kinderen, hoereert ganselijk op geestelijke wijze van achter den HEERE door ook met lichamelijke hoererij verbonden afgodendienst. Terwijl vs. 1 het opschrift was van het gehele Boek, vormt het begin van vs. 2 het opschrift voor het eerste deel, Hoofdst. 1-3. Het leidt het feit in, dat in het begin van de profetische werkzaamheid van Hosea staat, op welke zijne gehele werkzaamheid gegrond is, zodat zij die slechts uit elkaar vouwt. Het bevel des Heeren aan Hosea, om ene vrouw te huwen, en de voorstelling van het noordelijk rijk en zijne leden als ene hoer en hoerenkinderen rust op de voorstelling van de betrekking des Heeren tot Zijn, door Hem verkoren volk als ene echtverbintenis, welke wij door de gehele Schrift heen vinden (Exod. 34:15 vv. Lev. 17:7; 20:5 vv. Deut. 32:16, 21. Ps.
Hooglied. (Efeze. 5:30 vv. (Openb. 21:2)). “Het geheim van den menselijken echt bestaat in het welgevallen, uitsluitend in één persoon, in de gehele aanneming van dezen enen persoon, in de gehele bevrediging in haar, die lichaam en ziel vervult. Gelijk nu alle betrekkingen van het menselijk leven beelden van het Goddelijk leven zijn, zo is ook het menselijk echtverbond een afbeeldsel van de van eeuwigheid bestaande en ook in de triomferende kerk zich nog openbarende betrekking Gods tot den mens, of tot Zijn volk. De richting van het gehele volk op enen enigen, de onveranderlijke trouw omtrent dezen, vinden even als in de betrekking tot God, zo ook in de betrekking tot den echtgenoot, plaats, zodat, wie jegens den Heere ontrouw is, ook ontrouw is omtrent den echtgenoot, en omgekeerd; en eveneens de menselijke getrouwheid des lichaams tevens goddelijk geloof der ziel is. In de jegens enen mens bewezene volle trouw en liefde, moet de mens de trouw en liefde jegens den Heere leren. Daarom juist, omdat het verbond tussen God en den mens, en het menselijk huwelijk, als voorbeeld en afbeeldsel tot elkaar staan, en als het ware ene en dezelfde zaak zijn, zo zijn hoererij, echtbreuk en de menigte van onnatuurlijke zonden van ontucht (Rom. 1), met den heidensen afgodendienst op het nauwst verbonden, en vertonen zich ook in onze dagen van algemenen afval van God weer met bijzondere stoutheid. Israël is de echtgenoot des Heeren (Openb. 12:1), met welke Hij in liefde Zich verbindt, maar dat ontrouw den echt heeft gebroken, en andere mannen, de afgoden, is nagelopen. en daarvoor des Heeren ijverzucht opwekt (Deut. 32:16). Geen beeld is sprekender dan dat van den echt. Even als de vrouw in een onverbreekbaar heilig verbond met haren man verenigd is, en de ware man op de ontrouwe wel vertoornt, haar straft, of zelfs een tijd lang verstoot, maar toch in waarheid nooit kan ophouden haar te beminnen, zo heeft wel de oude gemeente, de moeder der thans levende, in hare ontrouw jegens Jehova tegenstrevende kinderen gebaard, en toch wijkt van deze nooit de liefde van Jehova, hoewel Hij Zich vertoornt en straft. Met een recht begrijpen van Hosea is het nodig deze diepe ons heiden-Christenen vreemde gedachte der Heilige Schrift voor ogen te houden en in het hart te overdenken. Hier en bij de overeenkomstige plaats in Hoofdst. 3 komt ons de vraag voor: Beveelt dan de Heere den Profeet een werkelijk, uiterlijk te voltrekken huwelijk met ene ontuchtige vrouw te sluiten? Of is het slechts ene inwendige ervaring van Hosea’s verkeer met den Heere, dat enkel in zijne geestelijke beschouwing heeft plaats gevonden, dat hij daarna aan het volk verhaald heeft, en dus ene zuiver visionaire gebeurtenis is? Een derde opvatting, volgens welke hier niet aan ene werkelijke gebeurtenis, noch aan ene uitwendige, noch aan ene inwendige, maar alleen aan ene voorstelling en gelijkenis van de werkelijk ontstane betrekking van God tot Zijn volk te denken is, laten wij geheel ter zijde, als strijdende met den eenvoudigen klank der woorden zowel hier als in Hoofdst. 3. Aan een uitwendig voltrokken echt van den Profeet te denken, kan vooreerst de plaats: Lev. 21:7, waar den priesters verboden wordt ene hoer te huwen, niet verhinderen; want wat den priesters aanging, had niet dadelijk betrekking op de Profeten. Terwijl bij de eersten het verbod van zulk een echt ene van de fijne trekken dier heilige instelling is, door welke de wet van Mozes den priesterstand zedelijk tracht te verheffen, hebben de Profeten een geheel ander doel en ene andere roeping, zo als dit reeds in de bij 1 Kon. 20:42 is voorgesteld. Nu wordt den Profeet iets geboden, dat vreselijk zwaar en hard, maar nog niet slecht is, hij moet niet in ene ontuchtige betrekking tot de vrouw treden, maar hij moet haar huwen; meermalen komt het ook voor, dat een onberispelijk man ene gevallene huwt en vader wordt van de ongelukkige kinderen, die zij hem aanbrengt (vgl. Joz. 6:25). Zeker is het een stuitend gebod, ene hoer te huwen; en wanneer zij nu zelf in den echt op nieuw de trouw verbreekt, ook dan nog onverbrekelijke liefde voor haar te gevoelen (Hoofdst. 3:1 vv.), dat schijnt te veel geëist, daartegen komt ons binnenste op. Wij moeten echter bedenken, hoe wij zelven zijn in de ogen van onzen God, wij bevlekte zondaars voor den levenden en heiligen God- zou het Hem niet met duizendmaal meer recht stuitend zijn, Zich over ons te ontfermen, en na alle trouwbreuk ons nog altijd met onuitputtelijke liefde lief te hebben? Toch versmaadt Hij ons niet, en wordt Hij niet moede, ons altijd weer tot Zich te lokken en naar ons hart te spreken. Welke de prediking door deze daad van Hosea was, welke Hosea in zijn eigen persoon aan de tijdgenoten in gelijkenis voor ogen moest stellen, horen wij in Hoofdst. 11:8 vv. 14:5. Verder kan het aannemen van een uitwendig voltrokken echt niet daardoor worden tegengehouden, dat toch door zulk een echt dadelijk bij het aanvaarden van zijn ambt ene gezegende werkzaamheid zelf onmogelijk zou gemaakt hebben. De Profeet toch had, gelijk wij ons daarvan zo even overtuigden, met de vrouw slechts hetzelfde gedaan, wat Gods ontfermende liefde met iederen zondaar doet; hij heeft haar zoeken te redden en is daardoor voor het ganse volk ene dagelijkse prediking door de daad geworden van Gods opzoekende liefde voor Zijn volk. “De raad Gods, die in den smaad van Golgotha zijn toppunt doet aanschouwen, heeft van den beginne af op enen anderen weg, dan de mensen gewoon zijn, de knechten des Heeren gevormd. Als de gesmaden en verachten, die een voetwis zijn van alle mensen, als die klein zijn in eigen ogen en ellendig in de ogen der wereld, werken zij hun werk. Zo komt het er weinig op aan, wat de mensen spreken en oordelen van enen knecht Gods (1 Kor. 4:3 vv.); want zij, die den kinderen op de markt gelijken en uitvluchten zoeken (Matth. 11:16 vv.), kunnen toch altijd tegenspreken. Staat iemand op verren afstand van hen, zo zeggen zij: hij heeft goed spreken, hij weet niet hoe het met ons is; staat er een midden onder hen, zo is het: “wat wil hij zeggen, hij is zelf niet anders dan andere mensen. Maar de wijsheid wordt gerechtvaardigd van degenen, die hare ware kinderen zijn. Hield zich de Profeet op enen weg, dien hij niet eigenmachtig, maar naar Gods gebod had ingeslagen, te midden van de dagelijkse aanraking met de bozen persoonlijk onbevlekt daarvan, zo ontbrak hem ook zeker de hulpe Gods niet. Maar de diepe blikken in het verderf, de dagelijkse nood, die het hem persoonlijk veroorzaakte, de zielesmart over zijne naasten, hoe moest dit alles hem dringen tot erkentenis van zijne onmacht en daardoor tot voorbede. De echt, welken de Profeet zal aangaan, zal slechts de reeds tussen Israël en Jehova bestaande verhouding symboliseren, maar niet tegelijk den aard en de wijze, hoe deze verhouding is gekomen. De vrouw der hoererijen stelt niet het volk Israëls in zijn maagdelijken toestand bij de bondssluiting bij Sinaï voor, maar het volk der tien stammen in zijn verhouding tegenover Jehova, ten tijde van den Profeet, wanneer het volk als één geheel beschouwd een hoer was geworden en in zijn enkele leden hoerekinderen geleek. De vermelding der hoerekinderen nevens de vrouw der hoererijen duidt zonder twijfel reeds apriori aan, dat het goddelijk bevel niet een werkelijken, uiterlijken echt bedoelde, maar slechts een symbolische uiteenzetting der verhouding, waarin de afgodische Israëlieten zich tot den Heere God bevonden. Ik versta het liever zinnebeeldig; én dat den Profeet onder dit zinnebeeld geboden werd, om de grote afgoderij van het land en des volks afval van God deswege aan te tonen, én om te verklaren dat de natie zodanig was voor God, even alsof hij een vrouw genomen hebbende, zij, hoererij bedreven had, en dat de bijzondere personen zodanig waren, alsof de kinderen zijner vrouw, kinderen der hoererijen waren, dat is, die gehouden werden voor bastaarden, zijnde uit zulk een moeder geboren, schoon zij onder zijn naam doorgingen, of die tot hoererij geneigd waren in navolging van hun moeder. De mening van hen, die van oordeel zijn dat de Profeet een zodanige vrouw genomen heeft, zoals hier beschreven wordt, is niet goed te keuren. Tegen dit gevoelen staat ook nog een andere reden over die geheel niet is op te lossen. Den Profeet wordt hier niet alleen bevolen een vrouw der hoererijen te trouwen, maar ook kinderen der hoererijen en uit hoererij geboren. Daaruit zou dus volgen dat hij zelf had gehoereerd. Want indien wij zeggen dat hij een vrouw getrouwd heeft, die kort te voren edel en rein zich had gedragen, deze verontschuldiging is bespottelijk. Want er wordt hier niet alleen over de vrouw, maar ook over de kinderen gehandeld. God wil dat geheel het kroost echtbreukig is, doch dit kan niet geschieden in een wettig huwelijk. Waaruit volgt, dat dit als een zinnebeeld aan het volk is voorgesteld geworden. Met opzet hebben wij de verschillende gevoelens over deze woorden meegedeeld. We zouden er nog kunnen bijvoegen dat o. a. Henry zich aansluit bij hen, die van mening zijn dat Hosea werkelijk, inderdaad zulk een huwelijk gesloten heeft. Wij voor ons sluiten ons aan bij hen, die het opvatten als in een gezicht, als een visioen, zoals Calvijn het uitdrukt, en dit te meer, omdat zulk een huwelijk niet alleen voor den Profeet onduldbaar zou zijn geweest, maar ook hoe langen tijd moest er niet verlopen, aleer de kinderen waren geboren en gespeend? terwijl niet moet worden voorbijgezien, dat aan den Profeet later weer zulk iets wordt geboden. Het was een gezicht, waarin de diep treurige toestand van het volk wordt afgebeeld, hetwelk geestelijke echtbreuk had bedreven ten opzichte van den Heere God, doordat het het verbond had verbroken.
Zo ging hij henen 1), overeenkomstig, en nam tot ene vrouw Gomer, d. i. de volkomene, die in hare hoererij tot het uiterste was voortgegaan (Jak. 1:15), ene dochter van Diblaïm 2), d. i. der vijgenkoeken, ene, die geheel aan den zinnelijken lust is overgegeven 3); en zij ontving, en baarde hem enen zoon. Dit is ene profetische handeling, zo als wij die nog vele vinden. Het zijn handelingen van zinnebeeldige betekenis, gelijkenissen, welke de profeten doen, om ook voor de ogen te prediken; een ernstig aangrijpend onderricht door de aanschouwing. Zo verscheurt Ahia van Silo zijnen mantel voor Jerobeam in 12 stukken, en beveelt hem 10 daarvan te nemen (1 (Kon. 11:30), zo verbreekt Jeremia voor de oudsten des volks een aarden kruik, het beeld van volk en stad, die eveneens zullen worden verbroken (Jer. 19:1 vv.). zo maakt dezelfde Profeet (Hoofdst. 27) een houten juk en hangt hij het om zijnen hals, om aan te tonen, dat het juk van Nebukadnezar het volk Israëls en zijnen buren zal worden opgelegd. nadat Hananja dat heeft gebroken, ontvangt Jeremia het bevel voor die valse Profeten. Zo spreekt de Heere: “houten jukken hebt gij verbroken, nu zult gij in plaats van die ijzeren jukken maken” (Jer. 38: 10,
. Zo moest Ezechiël (5:1 vv.) zijne haren scheren, die in drie delen verdelen, het ene met vuur verbranden, het andere met het zwaard slaan, het derde in den wind verstrooien en slechts een weinig daarvan ter bewaring in den slip van zijnen mantel binden. “Dit is Jeruzalem, ” zegt de Heere. Dezelfde Ezechiël (24:15 vv.) verkreeg, toen zijne vrouw plotseling stierf, het gebod van God, dat hij alleen in ‘t verborgen mocht zuchten, maar volstrekt gene rouwklacht mocht aanheffen, hij moest zijn versiersel als gewoonlijk aandoen. En als het volk hem nu vraagt: “wilt gij ons den niet aantonen, wat het betekent, dat gij doet? dan verkrijgt het ten antwoord, dat Ezechiël hun ten teken gesteld is; zo zullen ook zij bij het bericht van de verwoesting der stad en van den ondergang der hunnen moeten verstommen, en in het land van hun onderdrukkers niet mogen klagen. Reeds hier is ene ervaring, die in het familieleven van den Profeet diep insnijdt, en verder zijn gedrag in deze droefenis tot ene gelijkenis heeft gemaakt voor het volk. Nog meer komt het met Hosea overeen, wanneer Jesaja aan zijne zonen namen van bijzondere betekenis geeft, den enen Schear Jaschub; het overblijfsel zal zich bekeren (Jes. 7:3), den anderen Maher-Schalal Chas-Baz: Roof spoedig, ijl buit (Jes. 8:1 vv.), waarop den zijn woord (Jes. 8:18) doelt; “Ziet ik en de kinderen, die de Heere mij gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israël. ” .
Dat nu de Profeet Gomer, de dochter van Diblaïm neemt, zulks geeft te kennen, dat hij haar geval, onder zulk een zinnebeeld predikt. En de namen, die hier gebruikt worden, kunnen of eigenlijk genomen, worden, van den naam van een beruchte hoer in dien tijd, welke de dochter was van zulk enen, die de onreinigheid van Israël bekwamelijk verbeelden kon, of zij kunnen oneigenlijk genomen worden. Beide namen drukken uit, dat de zonde van Israël haar hoogste punt had bereikt. Immers Gomer betekent, volmaaktheid en Diblaïm, vijgekoeken. En nu zijn vijgen en vijgekoeken beelden van de wellust en van de zondige vermaken der wellust.
De vijgenkoeken waren uit bij elkaar gelegde gedroogde vijgen bereid, ene zoete spijs, even als de rozijnenkoeken zeer bemind (1 Sam. 25:18).
En de HEERE zei tot hem: Geef aan uwe kinderen even als aan uwen echt namen, die goddelijke tekenen voor het afgodische volk zijn: Noem zijnen naam Jizreël, naar die vruchtbare vlakte aan den rechter oever van den Kison (Deut. 11:31. (Joz. 17:16); want deze is de eerste vrucht van den afval, waaraan het door de hoer voorgestelde volk zich tegenover Mij heeft schuldig gemaakt; nog een weinig tijds, ongeveer 19 jaren tot aan den dood van Zacharia, den laatsten koning uit Jehu’s huis, zo zal Ik, nadat de tijd Mijner genade en lankmoedigheid, en van Mijne belofte aan Jehu (2 (Kon. 10:30; 15:12) vervuld is, de bloedschulden van Jizreël 1), welke Achab door het vermoorden en beroven van Naboth, en Jehu door het volvoeren van het gericht aan het gehele huis van Achab, zonder zich met zijn ganse hart tot Mij te wenden, op zich hebben geladen (2 Kon. 10:31), bezoeken over het huis van Jehu; Ik zal dat uitroeien, omdat noch Jehu, noch zijn vier opvolgers, Joas, Joahaz, Jerobeam en Zacharia Mij hebben erkend, noch den valsen godsdienst in Bethel en Dan met de afgoderij geheel hebben uitgedelgd; en ik zal door het ombrengen van Zacharia het koninkrijk van het huis van Israël) doen ophouden, daar toch de opvolgers van Zacharia tot aan Samaria’s belegering niet anders dan dieven, rovers en tyrannen zullen zijn, den naam van koningen onwaardig.
De bloedschulden in Jizreël zijn hier in de eerste plaats de snode daad van Achab aan Naboth in Jizreël, waardoor hij de maat zijner zonden heeft volgemaakt, en God tot straffen genoodzaakt (1 Kon. 21:19 vv.); vervolgens de bloedige volvoering van het gericht door Jehu aan Joram (2 Kon. 8:21-26), Izébel, de 70 zonen van Achab en alle overigen van Achabs huis (2 Kon. 9:30-10 :7), waardoor hij door den Heere geprezen werd en de belofte ontving, dat vier geslachten van zijn huis op den troon van Israël zouden zitten. Maar wat God wilde en beval, kan den volbrenger tot ene misdaad worden, wanneer hij daarbij niet als knecht Gods den wil des Heeren volbrengt, doch zich door slechte, zelfzuchtige beweegredenen laat drijven, wanneer hij het Goddelijk bevel tot een dekmantel der lusten van zijn boze hart misbruikt. Dat Jehu door zulke drijfveren bewogen werd, blijkt duidelijk uit het oordeel van den geschiedschrijver. Wat deed Jehu, toen hij het gericht volvoerde? Hij vergenoegde zich met den buit. Nadat hij de heerschappij tot zich had genomen, bevestigde hij eerst recht den kalverdienst, en welke afgoderij verder plaats had, en wendde zo zijn werk niet ter ere Gods aan. Diensvolgens waren die bloedige daden voor Jehu daden van moord, maar voor God een rechtvaardig gericht. Vgl. 2 Kon. 10:25
Tegelijk met den ondergang van Jehu’s huis, was ook de kracht van het rijk van Israël gebroken. Het koninkrijk van Israël was van dien tijd af, een levend lijk. De val van Jehu’s huis was het begin van het einde, het begin der vernietiging.
Te vergeefs zal men zich dan op zijn zwaard en zijne sterkte verlaten. En het zal te dien dage, wanneer Ik aan het rijk een einde maak, geschieden, dat Ik Israëls boog, het zinnebeeld van zijne macht en sterkte 1), door de Assyriërs verbreken zal in het dal van Jizreël
op dezelfde plaats, waar het volk en zijne koningen de zwaarste zonden op zich hebben geladen, en Ik zal Israël verstrooien, zo als de naam Jizreël aanduidt.
Juist ten tijde van Jerobeam II scheen het rijk volgens zijn uitwendigen toestand van macht en bloei, verre van alle gevaar van ondergang. Nu roept de Profeet hen toe: “Gij zijt hoogmoedig en opgeblazen, gij stelt u tegenover God, omdat gij een overvloed van wapenen en krijgsmacht hebt; gij meent dat God niets vermag, omdat gij krijgslieden zijt, en toch zullen uwe bogen Zijne hand niet verhinderen u te verderven.
Het blijft onzeker, of de beslissende slag tussen Salmanassar en den laatsten koning Hosea in de vlakte van Jizreël heeft plaats gehad, omdat de geschiedboeken niet daarvan vermelden: zie 2 Kon. 17:4 vv. Van ouds af werden echter alle grote slagen om het bezit van dat land in deze vlakte geslagen. Joden, Heidenen, Saracenen, Christelijke kruisvaarders en anti-Christelijke Fransen, Egyptenaren, Perzen, Drusen, Turken en Arabieren, krijgslieden uit alle volken onder den hemel, hebben hun tenten in de vlakte van Esdrelom (Jizreël) opgeslagen, en zagen hun banieren nat gemaakt door den dauw van Thabor en Hermon.
En zij ontving wederom, en baarde ene dochter 1); en Hij, de Heere, zei tot hem: Noem haren naam Lo-Ruchama (= niet begenadigde); wanter is gene hoop meer, dat het gericht van den ondergang nog eenmaal zou worden afgewend, Ik zal mij voortaan niet meer ontfermen over het huis Israëls, gelijk Ik nog steeds, ook onder Jerobeam II gedaan heb (2 (Kon. 13:23), maar Ik zal ze zeker wegvoeren, zonder hun zonden te vergeven.
De vrouw baart zonen en dochteren, opdat daarin het geheel des volks, mannen en vrouwen, als rijp voor het gericht worde voorgesteld. Wat ook Gods voorrecht van vrije genade is in het verlossen van wien en wanneer Hij wil en wat ook Zijne ontferming moge zijn, omtrent Zijne eigene kinderen, die tot Hem roepen, onder de verdrukking daarin zij rechtvaardig zijn gebracht, zo mogen nochthans dezulken, die in de zonden blijven volharden, nadat de Heere hen geslagen heeft, vrijelijk verwachten, dat hun ellenden, de zonden niet verzoenen zullen, maar dat God hun met slag op slag zal achtervolgen. Hierom is het dat schoon Israël te voren geplaagd en gebroken was, dewijl zij nochthans in hun afwijking van den waren Godsdienst bleven volharden en in hun afscheiding van het huis Davids zij te meer rijp werden voor een nieuwe geboorte van oordelen. In dit vers toont de Profeet aan dat de zaken in het rijk Israëls meer en meer op een einde lopen, zodat zij geen maat in het zondigen hielden, totdat zij tot het uiterste der goddeloosheid geraakten. Reeds van den beginne heeft hij geleerd, dat zij verworpen en ontzenuwd waren; toen Hij hen noemde Jizreël, alsof hij wilde zeggen: Uwe oorsprong houdt niets in, wat lofwaardig is. Hij meent uit te munten, dewijl gij uw geslacht afleidt van den heiligen Jakob, maar gij zijt kinderen der hoererijen, geboren uit een hoer. Het hoerenhuis is niet het huis Abrahams, noch is het huis van Abraham een hoerenhuis. Gijlieden zijt derhalve uit een schanddaad voortgekomen. Maar nu gaat hij verder, omdat zij als het ware in verloop van tijd altijd tot erger waren vervallen. Want deze naam is nog schandelijker Lo-Ruchama dan Jizreël. Vervolgens kondigt de Heere het vonnis veel meer openbaar aan als Hij zegt: Ik zal Hij voortaan niet meer ontfermen over het huis Israëls. Derhalve, wanneer de dochter Lo-Ruchama wordt genoemd, dan zegt God daarmee aan, dat Zijn gunst van dit volk is weggenomen. Wij weten dat het volk uit vrije gunst was uitverkoren. Indien er een oorzaak van aanneming wordt gevraagd, dan is het geweest de vrije ontferming en goedheid Gods. Nu spreekt God verwijtend tot het volk: Gij zijt gelijk aan een dochter, welke de vader verwerpt en waarvan hij afstand doet, dewijl zij zijn gunst niet waardig was.
Maar over het huis van Juda, hoewel het nu als hulpeloos door allen wordt veracht en zonder enigen bijstand van mensen is, zal Ik Mij ontfermen, terwijl Ik Israël zonder erbarming van Mij stotend Mijn genadeverbond daarmee ophef; en Ik zal ze ten tijde van het gericht over Israël door de Assyriërs op wonderbare wijze verlossenzonder enig toedoen van hun zijde, zonder hun kracht, verdienste of heiligheid, alleen door Mij-zelven, den HEERE, hunnen 1) God en Heiland 2), op wien zij vertrouwen, die daarom ook hun God zal blijven, wanneer Israël reeds lang is verstoten. En Ik zal ze niet verlossen door boog, noch door zwaard, noch door krijg, door paarden, noch door ruiteren, waarop Israël zo groot vertrouwen stelt, maar daardoor, dat ik Mijnen engel uitzend, opdat die hun vijanden voor Jeruzalem door de pest ombrenge (2 Kon. 18. Jes. 37), en vooral daardoor, dat Ik zelf aan het kruis hunnen dood dode.
Dat juist is de reden, waarom Israël gene ontferming vindt, dat de Heere zijn God niet is. Er is hier ene tegenstelling tussen de valse goden en Jehova, die de God van Juda’s huis was, op te merken. Het is namelijk alsof de Profeet zei: Gij bouwt ook wel op den naam van God, maar gij vereert den duivel en niet God; want gij hebt geen deel aan Jehova. Hij woont in Zijnen tempel.
In deze woorden ligt een heerlijk getuigenis omtrent de eeuwige Godheid van Christus verborgen. Want wanneer ook deze belofte in de eerste plaats vervuld is door de wonderbare redding van het rijk Gods, en is in de hoogste mate vervuld in de menswording Gods, in welke de genade en de ontfermende liefde Gods in ‘t helderste licht straalde. Dat is de heerlijke belofte, beide van de ware geestelijke en eeuwige redding, uit het rijk en de macht der zonden, van dood en duivel, en ene onderwijzing omtrent het ambt van Christus en het nieuwe, eeuwige koninkrijk van Christus, dat geen wereldlijk rijk zou zijn, hetwelk door boog, zwaard, krijg, paard en ruiter bevestigd en in stand gehouden zou worden, maar het is een rijk, dat door de genadige hand van God bekrachtigd wordt. Hoe dit is geschied en vervuld, toont ons de gehele geschiedenis van de menswording, van het lijden, sterven en opstaan des Heeren Christus, waarin wij zien en opmerken onze ellende door de zonde en tevens de onuitsprekelijke liefde Gods jegens ons. (NIC. SELNECCER). In deze woorden ligt niet opgesloten dat in Juda gene zonden werden gevonden. De Profeten, welke tot Juda werden gezonden hebben aan dit Rijk Zijne zonden aangezegd, maar het is gesproken om Israël te bepalen bij zijn ondergang en aanstaand verderf, om dit volk dieper te wonden. Het was om het dit volk te doen gevoelen, dat de Heere een jaloers God is, die Zijn eer aan geen anderen geeft. Want toch bij al zijn zonde en Godverlating, had Juda nimmer geheel den tempeldienst, de verering van Jehova afgeschaft. Bij Israël werd er niet anders gevonden dan de verering van den kalverdienst, bij Juda was er nog immer een Zion, al was dat Zion nog klein, dat zich vasthield aan de verering van den levenden God.
Als zij nu Lo-Ruchama gespeend had, ontving zij spoedig weer, en zij baarde enen zoon; zo zullen ook de slagen over Israël zich spoedig opeenhopen.
En Hij zei: Noem zijnen naam Lo-Ammi (= niet Mijn volk) wantdeze is de laatste verschrikkelijke vrucht der zonde; gijlieden zijt Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uwe, uw Vader en ontfermer, niet zijn, 1) maar Ik zal u onder de heidenen verstoten.
God nu verwerpt het verbond, hetwelk Hij met de heilige vaderen had opgericht, opdat zij zouden ophouden boven anderen uit te munten. Zo werden zij dus beperkt tot den rang van Israëlieten, zodat zij in niets verschilden van de profane volken. God had hen alzo geheel en al verworpen. De breuke is aan des mensen zijde: Gij zijt Mijn volk niet, en daarom zal Ik uw God niet zijn. Indien God iemand haat, is het omdat zij eerst Hem gehaat hebben. Zij waren Gods volk niet meer, want zij hadden Zijn kennis en Zijn dienst verlaten, gene Profeten werden tot hen gezonden, gene beloften werden hen gedaan. Zij waren niet langer een volk, maar zoals het schijnt, vermengd met de volken, onder welke zij weggevoerd waren en waren derhalve verloren. De drie namen vormen ene opklimming: 1) Jizreël doelt op de straf, die op Jehu’s konings geslacht op het gehele koninkrijk overgaat; 2) Lo-Ruchama op de volkomene hulpeloosheid, waarin de Heere Israël in den laatsten nood zal laten; 3) Lo-Ammi op de gehele oplossing van het volk, door de wegvoering in de Assyrische ballingschap. Maar daarmee kan het profetische woord niet sluiten. Het gericht moet toch slechts de bedoelingen der eeuwige ontferming volvoeren aan allen, die van erbarming willen leven; daarom breekt door de donkere onweerswolken op eens de bliksemstraal der genade te voorschijn.
Nochtans zal door uwe trouweloosheid Gods trouw en zijne belofte aan Abraham niet worden opgeheven (Num. 23:19. (Rom. 3:3), integendeel zal eens de tijd komen, dat het getal der nu door Mij verworpene kinderen Israëls van het noordelijk rijk zijn zal als het zand der zee (Gen. 22:17; 32:13), dat niet gemeten noch geteld kan worden. Alzo zal in Israël nog in anderen zin, dan dien der verstrooiing (vs. 5) een Jizreël zijn, als het namelijk een zaad van God zal geworden zijn en de vloek in zegen is veranderd a); en het zal geschieden, dat ter plaatsehunner verbanning onder de heidenen, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet Lo-Ammi, tot hen zal gezegd worden, nadat ze zich tot hunnen God en hunnen Messias zullen bekeerd hebben: Gij zijt kinderen des levenden Gods; 1) gij zijt niet meer diegene, die de dode afgoden dezer wereld aanhangt, maar waarlijk Ammi, Mijn volk geworden, waartoe gij van den beginne waart geroepen (Ex. 4:22. (Deut. 14:1).
Rom. 9:25, 26.
De voorrechten van het volk Gods, onder het Evangelium en het betere Verbond zijn voortreflijker, dan die welke het genoot onder de Wet; ook zijn de voorrechten van de ware godzaligen, veel uitnemender dan die van enige zichtbare kerk, hoe ook genoemd. Hierin wordt in tegenstelling van Gods volk niet te zijn, alhier beloofd, dat zij niet alleen Zijn volk, maar kinderen zouden zijn. Dit wordt alzo uitgedrukt, ten dele, omdat, schoon het verbond onder het Oude en Nieuwe Testament hetzelfde in wezen is, de voorrechten onder het Nieuwe Testament nochthans meer uitgebreid, klaar en onderscheiden zijn, als onder het Oude. Want schoon Zijn volk toenmaals kinderen waren, zo wierden zij nochthans onder de conditie van een dienstknecht gehouden, dewijl hun kindschap nu veel klaarder is en ten dele, omdat de uitwendige staat en de voorrechten van het volk Israëls veel te kortschieten bij de waardigheden van het Israël naar den Geest, hetwelk niet alleen een volk is en onderdanen zijn, maar ook kinderen uit kracht van wedergeboorte en aanneming.
En de kinderen van Juda, wien later mede het vonnis der verbanning zal treffen, en de kinderen Israëls, die vroeger zijn weggevoerd, zullen a) zamenvergaderd worden, zich weer tot één waarachtig volk van God verenigen, en zij zullen zich een enig hoofd stellen, zij zullen éénen God en éénen Koning, namelijk den Zoon van David, hunnen Heiland en Verlosser gelovig erkennen, en zij zullen uit het land, het tweede Egypte, waarin zij beide door den Heere moesten worden heengevoerd (Hoofdst. 7:13; 9:3. (Deut. 28:68) door de woestijn (Hoofdst. 2:14) optrekkennaar het alsdan ook van allen vloek verloste land des Heeren, waar zij alle genadegoed in rijken overvloed zullen genieten; want de bloedige gerichtsdag van Jizreël, waarop Ik aan het huis en koninkrijk van Israël een einde zal maken (Hoofdst. 1:4) zal groot zijn, die dag zal niet alleen gericht, maar ook bekering, verlossing en rijken zegen als een kiem in zich bevatten, want in Jizreël zal de Heere goddelijk zaad (Hoofdst. 2:22) zaaien.
Jes. 11:13. Jer. 3:18. Ezech. 37:16, 22. Efeze. 2:14-16. Even als David over geheel Israël regeerde, zo zou ook Christus het enige hoofd Zijner kerk zijn, en niemand nevens Zich hebben-Christus wordt daarom het hoofd genoemd, terwijl de Christelijke Kerk Zijn lichaam is, dat Hij voedt en onderhoudt, regeert en verheerlijkt. Deze vereniging van Juda en Israël, deze twee koninkrijken, die nu zozeer vaneen gescheiden waren, die elkaar verbeten en verteerden, wordt alleen gemeld als een bewijs, of voorbeeld van de gelukkige uitwerkingen der oprichting van Christus Koninkrijk, om den vrede te brengen voor diegenen, welke de grootste vijandschap tegen elkaar gevoerd hadden, tot goed verstand onder elkaar en tot ene goede genegenheid voor elkaar. Hiermede wordt duidelijker de zegen der Nieuwe Bedeling aangekondigd. Niet een vereniging weer tot een burgerlijk koninkrijk onder één lichamelijken koning, gelijk sommigen menen, maar de geestelijke vereniging van allen, die tot het geestelijk Israël behoren, onder het geestelijk Hoofd Jezus Christus. Niet een plaatselijke beweging wordt hier aangeduid, maar een geestelijke verandering, een geestelijk komen tot Christus Jezus.
Zegt dan in naam des Heeren, die dit aan u doen zal, tot uwe weer begenadigde, verloste broederen: Ammi, Mijn uitverkoren, geliefd volk, en tot uwe bekeerde zusteren: Ruchama, ontferming, gij zijt in genade aangenomen. Gods kinderen wachten biddend, wakend en werkend op Gods tijd. Met zulk een heerlijk uitzicht wordt dit Godswoord besloten, en stellen wij ons nu deze gehele familie van den Profeet voor ogen, zo was zij wel een veel beduidend teken voor het gehele volk. De moeder toonde den jammer van het tegenwoordige op schrikwekkende wijze aan; de kinderen stelden de gehele toekomst voor ogen, zo als die te wachten was en vreselijk genoeg luidde die drievoudige bedreiging. Maar de Profeet zelf was ook nog aanwezig, deze Hulp, en rijk genoeg in vertroosting, schitterde in de verste toekomst, na een langen droevigen nacht, de zaligheid, waarvan Hosea zelf het onderpand was. Dit woord Gods is een ernstig woord, dat alle gerustheid en vermetelheid moest vernietigen, en toch ook weer genoeg vertroosting aanbood voor alle heilbegerige, troostbehoevende harten. Dat deze grote belofte van de begenadiging en wederopname van Israël, tot volk van den levenden God, en de daarmee verbondene toezegging van de talloze vermeerdering des volks niet in het terugkeren der tien stammen uit de ballingschap naar Palestina vervuld Is, ligt voor de hand. Het kunnen slechts zeer weinigen geweest zijn, die zich aan de onder Zerubbabel en Jozua terugkerende Judeërs hebben aangesloten, zodat de geschiedboeken niets van hen melden. Het terugkeren uit de ballingschap en de vereniging van degenen, die uit het noordelijk, en van hen, die uit het zuidelijk rijk afstamden onder het ene hoofd Zerubbabel, was slechts een zwak begin der vervulling. Ook in de bekering der Apostelen en der overige gelovigen uit Israël tot Christus, is slechts een verder begin der vervulling van deze profetie aanwezig. De volkomene vervulling hebben wij nog te wachten, wanneer de volheid der heidenen zal zijn ingegaan, wanneer dan ook geheel Israël zich tot den levenden God zich zal bekeerd hebben en één hoofd, namelijk den Heere Jezus Christus, zich tot Koning zal hebben verkoren (Rom. 11:25 vv.). Dan zal het volk ten derden male uit Egypte, waarin het verstoten is, door de woestijn, in welke de Heere Zich over hen ontfermt (Openb. 12:6 optrekken in het heilige land, het hemelse Kanaän, waar het Lam Gods en de Leeuw uit Juda eeuwig hun koning zal zijn. De drie stations; Egypte, woestijn en Kanaän blijven eeuwig aanwezig, maar het gaat van het ene tot het andere alleen met de voeten des Geestes, niet, zo als onder het Oude Verbond, tevens met de voeten des lichaams. Ook in de bekering der heidenen wordt deze voorspelling vervuld, want ieder bekeerd Christen is in waarheid Abrahams zaad, en behoort tot de menigte der kinderen Israëls, die als het zand aan de zee zullen worden. Wat Israël zelf betreft, zo is de vervulling der profetie ene voortgaande, die niet eer stilstaat, voordat het gehele verlossingsplan van God volbracht is. Zij begon te Babel, zij ging voort bij de verschijning van Christus, dien velen uit Juda en Israël zich tot een hoofd, tot gemeenschappelijk leidsman naar Kanaän stelden, zij wordt nog dagelijks verwezenlijkt in iederen Israëliet, die hun voorbeeld volgt, zij zal eens hare gehele vervulling verkrijgen en het laatste en grootste bewijs der getrouwheid van God omtrent Israël, die door het Nieuwe Testament even zo gewaarborgd is, als door het Oude. Wanneer Paulus en Petrus (Rom. 9:25. 1 Petr. 2:10 deze profetie van Israël’s wederaanneming aanvoeren, ten bewijze voor de roeping der heidenen tot het kindschap van God en Christus, zo is dit niet slechts een overbrengen van hetgeen oorspronkelijk Israël geldt, op de heidenen, maar het is een bewijs, dat consequent uit de hoofdgedachte onzer profetie voortkomt. Israël was door zijnen afval den heidenen gelijk geworden, uit het genadeverbond der Heeren vervallen. Alzo was de wederaanneming der Israëlieten tot kinderen Gods, een feitelijk bewijs daarvoor, dat God ook de heidenwereld tot Zijne kinderen aanneemt.
Het woord des HEEREN, dat geschied is (Deut. 18:22) tot Joël (= de Heere is God) 1), den zoon van Pethuël (= eenvoudigheid van God), enen man te Jeruzalem, waarschijnlijk uit een priesterlijk geslacht, ons overigens onbekend.
Door dezen naam is de bijzondere roeping van dezen Profeet aangewezen. Even als de Profeet Elia onder Achab het volk door zijn profetisch woord tot den Heere terugbracht, zodat al het volk riep: de Heere is God, de Heere is God! (1 (Kon. 18:39), desgelijks heeft ook onze Profeet gedaan. Hij moest het volk tot den Heere, zijnen God leiden, en even als bij Elia, is ook: de roepstem van Joël gelukt. Volgens den inhoud van het volgende profetische boek is het ontwijfelbaar, dat Joël alleen geleefd en geprofeteerd heeft in het rijk van Juda. Daar echter het opschrift niet, als bij Hosea (Hoofdst. 1:1) de koningen noemt, onder welke de Profeet geleefd heeft, zo zijn van oude tijden af de meningen over zijn leeftijd zeer uit elkaar gelopen. Amos begint zijne profetie met een woord van Joël (Amos 1:2. Vgl. (Joël 3:21) en sluit met gelijke beloften (Amos. 9:13. Vgl. Joël 3:18). Daaruit besluiten de meesten, dat hij mede behoort onder de oudsten der kleine Profeten. Tegenwoordig zijn er voornamelijk twee gedachten. De eersten (volgens welke wij ook in de bij 2 Kon. 14:22 enz. ons hebben gericht) plaatsen, daar zij de op elkaar volging der kleine Profeten voor tijdrekenkundig houden, Joël in den tijd der regering van den koning Uzza, en dus ongeveer gelijktijdig met Amos en Hosea. De anderen daarentegen redeneren aldus: Er staan den Profeet Joël twee feiten voor ogen als onlangs geschied; vooreerst de grote overwinning van Josafat over de verbondene vijandelijke legers, die als in een ogenblik Jeruzalem wilden veroveren, en reeds tot op weinige uren voor de stad stonden (2 Kron. 20. Vgl. Joël 3:7), en vervolgens de zware bezoeking onder Josafats zoon, Joram, toen verbondene vijandelijke legers Jeruzalem veroverden, uitplunderden en troepen gevangenen wegsleepten (2 Kron. 21:16 vv. vgl. Joël 3:8-11). Door deze beide gebeurtenissen hebben wij ene vaste grens, over welke Joël niet mag worden geplaatst. Daarentegen horen wij in de profetie geen woord van die latere katastrofe aan het einde van Joas’ regering, toen Hazaël, de koning van Syrië, de hoofdstad van het land aanviel, en Joas, zwaar gewond, met alle zijne schatten nauwelijks ene plundering kon voorkomen, terwijl reeds Amos (Hoofdst. 1:3 vv.), om deze daad van geweld aan het Syrische rijk den ondergang aankondigt. Bovendien kent Joël alleen Tyrus en Sidon, de Filistijnen en Edomieten, maar nog geen machtig Syrisch rijk, noch een Assyrisch wereldrijk als vijanden van Gods volk. Diensvolgens heeft Joël na dat ongeluk onder Joram en voor de nederlaag onder Joas geprofeteerd. Bedenkt men echter, hoe onder Joram, zijnen zoon Ahazia en diens verschrikkelijke gemalin Athalia, de Baälsdienst in het rijk heerste, en de dienst des Heeren bijna geheel werd uitgeroeid, terwijl Joël in zijn Boek ene wel ingerichte tempeldienst des Heeren veronderstelt, en gene klacht over afgodendienst of dergelijke gruwelen en zonden heeft, integendeel op zijne eerste vermaning en waarschuwing aanstonds gehoor en gehoorzaamheid bij het volk vindt, zo blijft voor de werkzaamheid van den Profeet alleen de tijd na Athalia’s val en de eerste helft der regering van Joas over, toen onder den Hogepriester Jojada een nieuwe tijd onder het volk in aantocht scheen te zijn, en de ontferming des Heeren het volk tot bekering scheen geleid te hebben. ” De tijd, uit welken diensvolgens de profetie van Joël zou afkomstig zijn, de eerste 30 jaren van Joas (van 877-847 v. C.), was volgens 2 Kon. 11 en 2 Kron. 23 een tijd, die zich onderscheidde door ijver voor den Heere bij koning en volk. De heerschappij van Athalia was gevallen, en haar Baälsdienst met al hare priesters en afgodsbeelden uitgeroeid. Daarentegen was de tempel des Heeren en Zijn dienst weer volkomen hersteld, en de koning Joas onder de leiding van zijnen vaderlijken vriend, den Hogepriester Jojada, wien hij leven, troon en rijk te danken had, bracht er alles toe bij, om de ware godsvrucht onder het volk weer levend te maken. Onder het volk had het woord van God nog enige kracht. Want toen de Heere, die dieper zag, en zowel het wankelmoedig hart van den koning als de halfheid van het volk kende, en wist, dat het na Jojada’s regering wel anders zou worden, met Zijne kastijdingen in vreselijke verwoestingen door sprinkhanen en aanhoudende droogte over het land kwam, toen vond de boetprediking van den Profeet aanstonds gehoor en gehoorzaamheid, zodat den Heere de dubbele ramp berouwde, en Hij aan het volk de belofte gaf, dat eens de Heilige Geest over alle vlees zou worden uitgestort tot herschepping der harten. 2. In de hier volgende verklaring gaan wij nu ongeveer 60-70 jaren verder terug in de geschiedenis der koningen van Juda, dan in 2 Kon. 14:22 voor onzen Profeet werd aangenomen. Wij nemen nu ons standpunt bij de afdeling in 2 Kon. 12:1-16 en 2 Kron 24:1-16. Diensvolgens verdelen wij het Boek zijner profetieën in twee delen of redenen, die in de nauwste betrekking tot elkaar staan: 1) de vermaning van den Profeet tot bekering (Hoofdst. 1:2-2 :17) en 2) zijne belofte na de bekering (Hoofdst. 2:19-3 :21). Tussen beide staat de mededeling van het gevolg der bekering des volks (Hoofdst. 2:18). Dat vers toch is, gelijk nu alle uitleggers erkennen, gene belofte van de toekomst, gelijk Luther vertaalt, maar mededeling van de verhoring der gebeden door den Heere. In het eerste dezer drie delen (Hoofdst. 1:2-2 :17) schildert de Profeet ene voorbeeldeloze verwoesting van het land van Juda door verscheidene op elkaar volgende zwermen van sprinkhanen, welke alle zaad-, velden tuinvruchten, alle planten en bomen verwoesten, waarmee nog daarenboven een verzengende gloed was verbonden. Over dit godsgericht zonder voorbeeld verheft hij luide weeklachten, en roept hij alle standen des volks op het dringenst op, onder vasten, treuren en geween in den tempel des Heeren om afwending van dit gericht te bidden. Zonder twijfel is deze rede wel gedurende de verwoesting der sprinkhanen door den Profeet gehouden. Hoofdst. 1:2-20. nadat de Profeet in ‘t algemeen heeft opgewekt, om de verwoesting door zwermen sprinkhanen, die over het land is gekomen, ter harte te nemen, roept hij de verschillende standen en delen des volks op, om over dit ongeluk te weeklagen. Hij vermaant de rijken en welvarenden, die het gewas van den wijnstok gebruiken, dat zij ontwaken uit hun leven der vreugde; vervolgens de gehele gemeente, dat zij tot ene algemene boete oproepen; eindelijk de priesters. dat zij zich voor den Heere nederwerpen, en Zijne ontferming zouden inroepen. Bij elke vermaning schildert hij de verwoesting van ene andere zijde, die met het voorval overeenkomt. Eindelijk wendt hij zich met zuchten en gebeden om redding van het land tot den Heere.
Hoort dit, wat ik u nu zal voorbehouden, gij oudstenof grijsaards, wier geheugen tot in verste tijden reikt! en neemt ter oven, alle inwoners des lands van Juda! Is dit langs natuurlijken weg geschied in uwe dagen? of ook in de dagen uwer vaderen? En wanneer gij geen voorbeeld vindt, zo erkent toch, dat het Gods hand is, en een door Hem bepaald gericht. Dit “hoort” moet dikwijls tot inleiding dienen voor de toespraak der Profeten (vgl. Am. 3:1; 2:1; 5:1 Hier wijst het op de vermelding van iets ongehoords, van een strafgericht zonder weerga. Iets nieuws en ongehoords te scheppen, komt Gode, den Schepper, toe: nieuws te verkondigen, is de roeping eens Profeten (vgl. Hab. 1:5. Num. 16:30. Jes. 42:9).
Vertelt uwen kinderen daarvan, en laat het uwe kinderen hunnen kinderen vertellen, en dezelver kinderen weer aan een ander geslacht 1), opdat alzo Gods daden, zijn ze tot redding of ten gerichte, worden levendig gehouden, en der nawereld tot lering of tot waarschuwing mogen dienen (Ex. 12:26 v. Ps 78:3 vv. 1 Kor. 10:11 Want zekere en nauwkeurige overlevering der daden Gods is steeds het hoofddoel der familie.
Het is de plicht der ouders om gewone en geestelijke onderwijzingen mede te delen aan hun kinderen, ook is het de plicht van het tegenwoordig geslacht, om de waarheid van God en hetgeen zij in hun tijd van Hem hebben ondervonden, over te handigen aan de nakomelingschap, en om tot dit einde de gedachtenis daarvan veel hun kinderen in te stampen, opdat zij zulks ook mogen doen aan hun nakomelingen.
Wat de rups van planten en kruid heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten, want de ene zwerm sprinkhanen na de andere is in het land gevallen en heeft zijn gewas geheel verteerd. Het is niet te bewijzen, dat onder de hier voorkomende vier namen van sprinkhanen (Hebr. gasam, arbe, jelek, chasil) welke hier door de rups, sprinkhaan, kever en kruidworm worden overgezet, om vier verschillende soorten van ongedierte aan te wijzen, vier verschillende soorten of trappen van ontwikkeling der sprinkhanen worden aangeduid. Waar elders deze namen in de Heilige Schrift voorkomen, worden zij gebruikt als met elkaar van gelijke betekenis; het kwam ook hier niet op nauwkeurige geschiedkundige optelling aan. Alle vier namen betekenen in ‘t algemeen de sprinkhanen, maar naar vier verschillende schadelijke zijden. Gasan (= knager) noemt hij ze, omdat zij den wijnstok, vijgeboom en olijfboom kaal vreet, wanneer kruid en veldvruchten te voren reeds vernietigd zijn (Amos 4:9); arbe (van rabah = veelvuldig zijn), omdat zij steeds in talloze menigte verschijnt; jelek, omdat zijn alles kaal maakt; chasil (van chasal = afwenden), omdat zij veld- en boomvruchten afvreet. De Profeet gebruikt, om den jammer der verwoesting door de sprinkhanen recht duidelijk voor ogen te schilderen, vier woorden voor sprinkhanen, wier verwoestende eigenschappen hij wil schilderen. Ook is het niet noodzakelijk aan te nemen, dat juist vier zwermen achter elkaar het land verwoest hebben, integendeel moet door het betekenisvolle getal 4 worden gezegd, dat het gericht over Juda naar alle zijden is uitgebreid. Over de in het Oosten van ouds af zo vreselijke plaag der zwermen van sprinkhanen, lees Ex. 17:12 Wanneer meerdere sprinkhanenzwermen achter elkaar een en hetzelfde land bezoeken, zo is dit zeker altijd een zeer bijzonder gericht van God. Dat wij nu in de geschiedboeken in ‘t geheel geen nader bericht vinden over de hier door Joël geschilderde plaag van sprinkhanen, heeft zeker daarin zijn grond, dat al kan ook ene sprinkhanenramp voor het ogenblik veel meer verwoesting aanrichten, en veel verschrikkelijker zijn dan oorlog, of bijna elk ander ongeluk, zij toch in hare werkingen spoedig voorbijgaat. Zij behoort waarschijnlijk onder hetgeen Amos (4:9) bedoelt.
Daarom waakt op 1) en wordt nuchteren, gij dronkenen!gij rijken en welvarenden, die het voortbrengsel van den wijnstok overdadig gebruikt, en weent, en huilt, alle gij wijnzuipers! om den nieuwen wijn, dewijl hij door vernietiging der wijnstokken van uwen mond is afgesneden.
Het eerste, dat geschieden moet, opdat de mens in zijn godvergetende lichtzinnigheid op den weg der bekering wordt geleid, is, dat hij den nood van het aardse leven ondervinde, en zo uit zijne zinnelijke bedwelming in den niet genoeg te prijzen toestand van nuchterheid gerake. Dan moet hij wenen en weeklagen. Mag de natuurlijke mens eerst tranen storten van aardse smart, daar de most der bedwelming aan zijnen mond is ontnomen, spoedig vlieten ook de wateren van goddelijke droefheid over de inwendige armoede en geestelijken nood. De Joden waren geweldig aan de dronkenschap overgegeven, gelijk uit de menigvuldige en strenge bestraffingen blijkt, die de Profeten hun daarover doen (Jes. 5:11, 12, 22; 56:12. 11, Mich. 2:11. Amos 4:1. Hab. 2:15). De uitwerking van veel wijn is domheid en slaperigheid. Daarom waarschuwt de Profeet deze dronkaards, dat zij eerlang van de gelegenheid hunner gulzigheid en dwaasheid zouden beroofd, en tot den ellendigsten staat gebracht worden door de sprinkhanen.
Want een volk is opgekomen over Mijn land, dat de Heere mij en het gehele volk van God heeft gegeven; een machtig krijgsvolk 1), en zonder getal, namelijk dat volk van sprinkhanen (Spr. 30:25 v.) zijne tanden zijn zo verslindende als leeuwentanden, en het heeft baktanden eens ouden leeuws. Het is ene oude twistvraag, of de sprinkhanen, die hier in het volgende (vooral Hoofdst. 2) zijn voorgesteld als een machtig talrijk krijgsvolk, niet misschien slechts zinnebeelden zijn van latere vijandelijke legers der heidenen. Reeds in de oudheid vatte men de gehele schildering van den Profeet op als ene profetie van toekomstige gebeurtenissen, en in ‘t bijzonder de vier namen der sprinkhanen als doelende op de vier wereldrijken, het Assyrische, Chaldeeuwse, Medo-Perzische en Grieksch-Macedonische. Deze allegorische opvatting der schilderingen van onzen Profeet daarop, dat de beschrijving van de verwoesting te bovengaat wat van sprinkhanenzwermen zou kunnen gezegd worden. Men bedenkt echter niet, dat de taal der Profeten, inzonderheid die van Joël, steeds ene hoog-poëtische is; want de Geest van God verheft den geest der mensen op de hoogten, van welke hij het gewoel der mensen in het licht der waarheid en de latere ontwikkeling van het Godsrijk, zowel als van het rijk der duisternis als voor zich ziet, op welke hem dan ook steeds de hoogste trap van uitdrukking de natuurlijkste wijze van spreken is. De taal Gods is de hoogste poëzie, gelijk ook de ware, natuurlijke poëzie ene profetische, goddelijke zijde heeft. Neemt men van de beschrijving der spraakkunst af wat poëtische wijze van uitdrukking is, zo stemt, gelijk wij zullen aantonen (Hoofdst. 2:4) de schildering van den Profeet geheel overeen met hetgeen reizigers en natuurkundigen van alle tijden over zulke verwoestingen verhalen. Verder steunt de onderstelling dat de sprinkhanen slechts beelden van vijandelijke krijgslegers zouden zijn, daarop, dat de Profeet en de verwoesting, die aanwezig is, den dag des Heeren, d. i. het wereldgericht, ziet naderen, en dit, zowel als de volmaking der gewoonte Gods door uitstorting des Heiligen Geestes aan het tegenwoordige toneel van het gericht door sprinkhanen aansluit. Maar ieder Profeet, zo als ieder, die de dingen, in de wereld aanziet met ogen, welke door Gods Geest verlicht zijn, beschouwt de natuur en de gebeurtenissen in haar niet als iets zelfstandigs, naar eigen wetten levende en bestuurd, maar hij weet, dat alle gebeurtenissen in de natuur komen uit de hand van Hem, die rechtvaardig en heilig, barmhartig en genadig jegens den zondaar is, en dat dus de gehele natuurlijke wereld met alle gebeurtenissen een gevolg is van genade en van gericht, of met deze verbonden is. Diensvolgens ziet Joël in de sprinkhanenramp een bijzonder gericht van God, dat het volk tot bekering aanmaant, en het begin van den laatsten groten gerichtsdag, op welken alle bijzondere gerichtsdagen van dezen tijd uitlopen. Dewijl echter elk strafgericht van God over Zijn volk een voorbeeld is, en ene aankondiging van nog toekomstige gerichten, zo is ook de schildering van de sprinkhanenramp zo voorgesteld, dat zij niet alleen duidelijk als tegenwoordig gericht van God, maar ook als beeld der toekomstige straffen, in ‘t bijzonder van het laatste gericht voorkomt. Moesten de sprinkhanen volgens de bedoeling van den Profeet alleen als beelden van toekomstige gebeurtenissen worden opgevat, zo ware dit zeker ergens aangeduid. Maar aanstonds wordt het begin van de gehele schildering (Hoofdst. 1:2 vv.) voor ieder, die het onbevooroordeeld leest, als beschrijving van een eigenlijke, aanwezige verwoesting door sprinkhanen verstaan. Ook Calvijn is met de meeste uitleggers van lateren tijd tegen de allegorische en voor de voorafbeeldende opvatting.
Het heeft Mijnen wijnstok gesteld tot ene verwoesting, en Mijnen vijgeboom tot schuim, zodat alleen takken zijn overgebleven; het heeft hem ganselijk ontbloot door het afknagen van den bast, en nedergeworpen; zijne ranken zijn wit geworden 1) en zullen spoedig verdord zijn. De Heere spreekt van Zijnen wijnstok en van Zijnen vijgeboom, gelijk vs. 6 van Zijn land; want het land Kanaän en al zijn gewas is des Heeren (wijnstok en vijgeboom zijn als de edelste voortbrengselen van het land (Hos. 2:14) alleen genoemd), en Hij heeft het aan Zijn volk slechts tot vruchtgebruik gegeven, zonder Zijn eeuwig eigendomsrecht op te geven. Voor het overige schemert ook hier de typische betekenis door, naar welken Gods land, Gods wijnstok, Gods vijgeboom Zijn uitverkoren volk is (vgl. (Hos. 9:11. Ez. 19:10-14. Luk. 13:6-9).
Aan de Joden wordt het hier weer duidelijk geleerd dat al wat het bezit van den Heere is. De wijnstokken de vijgeboom, alles is van den Heere. Juda, Zijn volk, heeft op niets aanspraak, omdat het in zich zelven niets bezit. En daarom, waar Juda zich tegen den Heere heeft gesteld, neemt de Heere, want dit ligt hierin, niet den wijnstok weg en roeit den vijgeboom niet uit, maar Hij maakt ze vruchteloos. Hij zendt de sprinkhanen en een droogte, zodat geen tros druiven te zien is en er geen vijg te genieten is. Het was opdat Juda zich weer tot den Heere zou bekeren.
Kermt, als ene jonkvrouw, die allerbitterst weent en meteen treurkleed, enen zak (Gen. 37:34) omgord is vanwege den man harer jeugd, den bruidegom dien zij heeft verloren (Jes. 44:6).
Het dagelijkse morgen- en avond spijsoffer (Ex. 29:37 vv.), en drankoffer, waardoor het volk Gods Zijne gemeenschap met den Heere bewaart, is van het huis des HEEREN afgesneden; tengevolge der vernietiging van koren, most en olie (vs. 10) zijn zij onmogelijk geworden; de priesters des HEEREN dienaars, treuren over deze verstoring van het verbond met den Heere. Een groter ongeluk dan de wegneming van het dagelijks offer kon niet over Israël komen, want dit was ene factische opheffing der verbonds-betrekking, een teken, dat God Zijn volk verworpen had. Daarom werd zelfs bij de laatste belegering van Jeruzalem door de Romeinen de offerdienst eerst ingesteld, toen het op ‘t hoogste gekomen was, en wel uit gebrek aan offeraars, niet aan offermateriaal.
Want het veld is verwoest, het land treurt; want het koren, dat men zou oogsten, is verwoest, de most is verdroogd, de olie is flauw, verwelkt; wijnstokken en olijfbomen, wier opbrengst men in den herfst tegen het Loofhuttenfeest zou oogsten; zijn door de sprinkhanen verwoest of verwelkt, en kunnen gene vruchten dragen, zodat de oogst van het gehele jaar verloren is.
De akkerlieden zijn beschaamd van wege de teleurstelling, de wijngaardeniers huilen, om de tarwe en om de gerst; want de oogst des velds is vergaan.
De wijnstok is verdord, de vijgeboom is flauw, staat beklagenswaardig, beiden zijn ze verdorven en verwelkt; bovendien alle edele ooftbomen, de granaatappelboom (Ex. 29:34), ook de palmboom, die anders zelden door de sprinkhanen beschadigd worden, omdat zij noch een groenen frissen bast, noch zachte, sappige bladeren hebben, en de appelboom 1); alle bomen des velds zijn verdord; ja de vrolijkheid, de vreugde is met al het gewas verdord van de mensenkinderen.
De appelboom was in het oude Palestina niet zeldzaam; ook nu nog wordt hij daar gekweekt. De appelen zijn daar van zeer voortreffelijke soort zo als over ‘t algemeen in zuidelijke streken; hun geur is zo lieflijk, dat in het Hooglied de adem van Sulamith er mede vergeleken wordt (Hoogl. 2:3; 8:5; 7:9. 25:11).
Maar met de weeklacht over het ongeluk en het gebrek aan levensbehoeften is het alleen niet genoeg; alleen boete en smeking tot den Heere kan verandering baren. Omgordt U met rouwklederen, en rouwklaagt tot den Heere over dezen nood, gij priesters! huilt, gij dienaars des altaars! gaat in den tempel, vernacht in zakken (Gen. 37:34); weest dag en nacht onafgebroken in ‘t smeken (Hoofdst. 2:17), gij dienaars mijns Gods, van wien ik, Zijn Profeet, u zekere verhoring toezeg; want spijsoffer en drankoffer is geweerd van het huis uws Gods (vs. 9). Hoe gezegend zijn de wakkerroepende oordelen Gods, om Zijn volk te doen ontwaken, en het hart tot Christus terug te brengen en tot Zijn heil. Heere! laat ene roepstem horen in het hart van ieder Uwer gekochten. Wek vooral Uwe dienaren op, om luide te roepen tot bevrijding van Uw volk.
Heiligt verder een vasten, roept op ‘t plechtigst een algemenen vast-, boet- en bededag, een verbodsdag, uit, verzamelt de oudsten en alle inwoners dezes lands, ten huize des HEEREN, uws Gods, en roept, met ernstige gebeden tot den HEERE. Gij priesters, dienaars van mijnen God! zondert één of meer dagen af, bestemt den tijd, en verbiedt alle werk en vermaken; doet alles wat gij kunt, ter bereiding van zulk een noodzakelijk werk, het houden van een vasten, waarin gij u vernedert, uwe zonden bekent, u daarvan bekeert en tot God wederkeert, opdat Hij uwe tegenwoordige ellenden afwere, en de toekomende verhindere. Roept zulk enen dag uit, opdat ieder het wete, en allen hun dagelijks werk nalatende, den Heere plechtig komen zoeken. 0
Want reeds zie ik in den geest in dit tegenwoordig strafgericht grotere en verschrikkelijker rampen naderen. Ach dienvreselijken dag, dien wij zo even beleefd hebben! Want de dag des HEEREN, op welken Hij, de almachtige en rechtvaardige Heere der wereld, al het ongoddelijke volkomen zal vergelden, en door verdelging van alle Zijne vijanden Zijn rijk zal volmaken, is nabij. Reeds hoor ik uit dezen door ons beleefden ontzettenden dag des gerichts het rollen van Zijnen donder, en die dag zal niet alleen met tijdelijke straffen en aardsen nood, maar als ene verwoesting komen van den Almachtige, wien niets zondigs, dat onverzoend is, zal ontgaan (Jes. 13:16; 2:12-21) De bekende uitspraak: “de wereldgeschiedenis is het wereldgericht” geeft, juist verstaan, te kennen, dat elk strafgericht, waarmee de Heere in den loop der tijden of Zijn volk om hunner zonden wil bezoekt, of Zijne vijanden vernietigt, een deel en ene voorbode van het laatste grote gericht vormt, waarin God alles, “wat door den stroom des tijds ongericht en ongewroken tot de eeuwigheid leidt, ten laatste zal rechten en beslechten. Ook de verwoestingen en plagen, die over ons komen door de krachten der natuur, en die het ongeloof zo gaarne beschouwt als slechts op natuurlijken weg, “door de onveranderlijke natuurwetten” ontstaan, zijn kastijdingen en straffen in de hand van God, die de wetten der natuur niet alleen geschapen heeft, maar ook ieder ogenblik daarin kan grijpen, zonder dat daardoor ene storing in het natuur-mechanismus ontstaat. De natuur leeft het leven der mensen mede, en de door haar gewerkte plagen zijn de antwoorden op de zonde, die de heilige ordening Gods verstoort. Wij zullen er ons dus niet van laten af brengen, om overeenkomstig het ware geloof elke zogenaamde natuurlijke gebeurtenis, die ons geluk verstoort, zij die klein of groot, als ene onmiddellijke Goddelijke straf voor de zonde van ons en van onze tijdgenoten aan te zien, en, even als Joël, daarin het naderen van den laatsten en verschrikkelijken dag des Heeren op te merken. De Heere, die almachtig is, kan niet alleen ene gehele verwoesting aanbrengen, wanneer het Hem behaagt, zodat geen schepsels hulpe dezelve zal kunnen afweren, maar Zijn zondig volk mag inzonderheid ook verwachten, dat zijn oordeel hen onwederstandelijk verwoesten zal. De gedachten hieraan moesten bij tijds tot bekering opwekken, want dit wordt hier als een drangreden gebruikt. Gods almachtigheid en gestrengheid hen voor ogen stellende, dat die als een verwoesting komen zal van den Almachtige.
Is niet door de sprinkhanen-plaag, als wij reeds van den oogst ons zeker waanden, de spijze voor onze ogen afgesneden? blijdschap en verheuging (Deut. 12:6 v. 16:10 v.) van het huis onzes Gods, wien nu gene eerstelingen, gene dankoffers worden gebracht, voor wien gene vrolijke offermaaltijden kunnen gevierd worden?
Bij al die verwoesting komt nog ene aanhoudende, ontzettende droogte. De granen, die door het geven van een goeden oogst ons ongeluk hadden kunnen verzachten, hebben hun kracht tot ontkiemen in den grond verloren, en zijn onder hun kluiten verrot (liever “verdroogd”); de schathuizen waarin het koren, voordat het gedorst is, wordt geborgen, zijn verwoest, de schuren zijn afgebroken, staan vervallen, omdat er aan gene verbetering behoefte is, want het koren is verdord.
O hoe zucht het vee in dien alles verzengenden gloed! de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben gene weide meer; ook zijn de schaapskudden verwoest. Zo moet ook het redeloos gedierte onder de gevolgen onzer zonden lijden.
Tot U, o HEERE! die toch zo gaarne mensen en vee helpt (Ps. 36:7) roep ik, 1) Uw Profeet voor Uw volk en Uw erfdeel; want een vuur, de gloed der zon, heeft de weiden der woestijn verteerd, verbrand, en ene vlam, de aanhoudende hitte, heeft al de bomen des velds aangestoken. De Profeet treedt hier op als voorbidder voor zijn volk. De nood van land en volk drijft hem uit, om niet alleen te wijzen op de ellende, maar ook tot den Heere de toevlucht te nemen, om afwending van de plagen, om redding en verlossing voor Zijn volk. De Heere die slaat moet ook weer genezen. Hij is de God, die alleen redden kan.
Ook schreeuwt elk beest des velds 1) tot U, die aan al het vee zijn voeder geeft, den jongen raven, als zij tot U roepen; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur der zon heeft de weiden der woestijn verteerd.
De wildere soort van dieren, die wijd en zijd hun nooddruft gaan roven, kunnen thans geen voedsel vinden; zij zien naar U en schreeuwen tot U. Schoon zij, beter dan andere dieren, voor zich zelven konden toezien, het kan hun nu niet baten, zij uiten hun klachten met hun akelig gekrijs en geschreeuw. Zij roepen tot U, die Uwe hand kunt openen en hen verzadigen. Leert dit, onredelijke mensen! Ziet ook op den Heere, en roept tot Hem. En wederom zij roepen tot U, o God! heb mededogen met Uwe onzondige schepselen, waarvan er velen vergaan; hoor hen, schoon Gij de zondige mensen al niet wilt horen. Het vee geeft zijn gebrek aan voedsel door treurig geluid te kennen, dat hun natuurlijk is, om U hunnen nood te kennen te geven (vgl. Ps. 104:21. Job. 38:41.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel