Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Ik zochtH1245 des nachtsH3915 opH5921 mijn legerH4904 Hem, Dien mijn zielH5315 liefheeftH157; ik zochtH1245 Hem, maar ik vondH4672 Hem nietH3808; ik zeide:
Ik zocht des nachts op mijn leger Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet; ik zeide:
KJV
By night3
on my bed2
I sought4
him whom my soul7
loveth:6
I sought8
him, but I found
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Ik zal nu opstaanH6965, en in de stadH5892 omgaanH5437, in de wijkenH7339 en in de stratenH7784; ik zal Hem zoekenH1245, Dien mijn zielH5315 liefheeftH157; ik zochtH1245 Hem, maar ik vondH4672 Hem nietH3808.
Ik zal nu opstaan, en in de stad omgaan, in de wijken en in de straten; ik zal Hem zoeken, Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet.
KJV
I will rise1
now, and go about3
the city4
in the streets,5
and in the broad ways6
I will seek7
him whom my soul10
loveth:9
I sought11
him, but I found
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
De wachtersH8104, die in de stadH5892 omgingenH5437, vondenH4672 mij: ik zeide: Hebt gij Dien gezienH7200, Dien mijn zielH5315 liefheeftH157?
De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij: ik zeide: Hebt gij Dien gezien, Dien mijn ziel liefheeft?
KJV
The watchmen2
that go about3
the city4
found1
me: to whom I said, Saw8
ye him whom my soul7
loveth?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Toen ik een weinigjeH4592 van hen weggegaanH5674 was, vondH4672 ik Hem, Dien mijn zielH5315 liefheeftH157; ik hield Hem vastH270, en lietH7503 Hem nietH3808 gaan, totdatH5704 ik Hem in mijner moedersH517 huisH1004 gebrachtH935 had, en in de binnenste kamerH2315 van degene, die mij gebaardH2029 heeft.
Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik hield Hem vast, en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijner moeders huis gebracht had, en in de binnenste kamer van degene, die mij gebaard heeft.
KJV
It was but a little1
that I passed2
from them, but I found5
him whom my soul8
loveth:7
I held9
him, and would not let him go,11
until I had brought13
him into my mother's16
house,15
and into the chamber18
of her that conceived
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Ik bezweerH7650 u, gij dochterenH1323 van JeruzalemH3389! die bij de reeenH6643 of bij de hindenH355 des veldsH7704 zijt, dat gij de liefdeH160 niet opwektH5782, noch wakker maaktH5782, totdatH5704 het haar lusteH2654!
Ik bezweer u, gij dochteren van Jeruzalem! die bij de reeen of bij de hinden des velds zijt, dat gij de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het haar luste!
KJV
I charge1
you, O ye daughters3
of Jerusalem,4
by the roes,5
and6
by the hinds7
of the field,8
that ye stir not up,10
nor awake12
my love,14
till he please.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
WieH4310 is zij, die daar opkomtH5927 uitH4480 de woestijnH4057, als rookpilarenH8490, berooktH6999 met mirreH4753 en wierookH3828, en met allerleiH3605 poederH81 des kruideniersH7402?
Wie is zij, die daar opkomt uit de woestijn, als rookpilaren, berookt met mirre en wierook, en met allerlei poeder des kruideniers?
KJV
Who is this that cometh3
out of the wilderness5
like pillars6
of smoke,7
perfumed8
with myrrh9
and frankincense,10
with all powders12
of the merchant?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
ZietH2009, het bedH4296, dat SalomoH8010 heeft, daar zijn zestigH8346 heldenH1368 rondomH5439 van de heldenH1368 van IsraelH3478;
Ziet, het bed, dat Salomo heeft, daar zijn zestig helden rondom van de helden van Israel;
KJV
Behold his bed,2
which is Solomon's;3
threescore4
valiant5
men are about6
it, of the valiant8
of Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Die altemaal zwaardenH2719 houdenH270, geleerdH3925 ten oorlogH4421, elk hebbende zijn zwaardH2719 aanH5921 zijn heupH3409, vanwege den schrikH6343 des nachtsH3915.
Die altemaal zwaarden houden, geleerd ten oorlog, elk hebbende zijn zwaard aan zijn heup, vanwege den schrik des nachts.
KJV
They all hold2
swords,3
being expert4
in war:5
every man6
hath his sword7
upon his thigh9
because of fear10
in the night.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
De koningH4428 SalomoH8010 heeft zich een koetsH668 gemaaktH6213 van het houtH6086 van LibanonH3844.
De koning Salomo heeft zich een koets gemaakt van het hout van Libanon.
KJV
King4
Solomon5
made2
himself a chariot1
of the wood6
of Lebanon.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
De pilarenH5982 derzelve maakteH6213 hij van zilverH3701, haar vloerH7507 van goudH2091, haar gehemelteH4817 van purperH713; het binnensteH8432 was bespreidH7528 met de liefdeH160 van de dochterenH1323 van JeruzalemH3389.
De pilaren derzelve maakte hij van zilver, haar vloer van goud, haar gehemelte van purper; het binnenste was bespreid met de liefde van de dochteren van Jeruzalem.
KJV
He made2
the pillars1
thereof of silver,3
the bottom4
thereof of gold,5
the covering6
of it of purple,7
the midst8
thereof being paved9
with love,10
for the daughters11
of Jerusalem.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Gaat uit, en aanschouwtH7200, gij, dochterenH1323 van SionH6726! den koningH4428 SalomoH8010, met de kroonH5850, waarmede Hem Zijn moederH517 kroondeH5849 op den dagH3117 Zijner bruiloftH2861, en op den dagH3117 der vreugdeH8057 Zijns hartenH3820.
Gaat uit, en aanschouwt, gij, dochteren van Sion! den koning Salomo, met de kroon, waarmede Hem Zijn moeder kroonde op den dag Zijner bruiloft, en op den dag der vreugde Zijns harten.
KJV
Go forth,1
O ye daughters3
of Zion,4
and behold2
king5
Solomon6
with the crown7
wherewith his mother10
crowned8
him in the day11
of his espousals,12
and in the day13
of the gladness14
of his heart.
des nachts
Hebreeuws, in de nachten. Hierdoor worden te kennen gegeven de grote aanvechtingen en bekoringen der kerk, gelijk Jes. 21:12 , en Jes. 26:9 ; Am. 5:18 . En tegelijk wordt hier aangewezen dat de kerk ten tijde van aanvechting en vervolging, als het schijnt dat zij verlaten is, Christus zoekt door het gebed. Zie Deut. 4:29 ; Jer. 50:4 ; Hos. 3:5 , en Hos. 5:15 ; Sef. 2:3 ; Matt. 7:7 .
Hertaald:
des nachts
Hebreeuws: in de nachten. Hiermee worden de grote aanvechtingen en beproevingen van de kerk te kennen gegeven, zoals in Jes. 21:12, Jes. 26:9 en Amos 5:18. Tegelijk wordt hier aangewezen dat de kerk in de tijd van aanvechting en vervolging, wanneer het lijkt alsof zij verlaten is, Christus zoekt door het gebed. Zie Deut. 4:29, Jer. 50:4, Hos. 3:5, Hos. 5:15, Zef. 2:3 en Matth. 7:7.
Dien
Te weten mijnen Bruidegom Jezus Christus, zijne genade en goedertierenheid, die van ons gevonden wordt als wij zijne genade in ons hart gevoelen tot onze vertroosting.
Hertaald:
Dien
Namelijk: mijn Bruidegom Jezus Christus, Zijn genade en goedertierenheid, die door ons gevonden worden wanneer wij Zijn genade in ons hart voelen tot onze vertroosting.
ik vond Hem niet;
Dit strijdt niet tegen de belofte van Christus, Matt. 7:7 ; want die stelt geen juisten tijd van vinden, maar die staat alleen in Gods hand; Hij alleen weet den bekwamen tijd tot hulp, Hebr. 4:16 . Onder, vs.4, staat dat de Bruid, na een weinig tijds, haren liefste gevonden heeft.
Hertaald:
ik vond Hem niet;
Dit is niet in strijd met de belofte van Christus in Matth. 7:7; want die stelt geen vast tijdstip van vinden, maar dat ligt alleen in Gods hand. Hij alleen weet de geschikte tijd om te helpen, Hebr. 4:16. Hieronder in vers 4 staat dat de Bruid na korte tijd haar liefste gevonden heeft.
in de stad
Dat is, in de gemeente Gods, Ps. 87:3 ; of in het geestelijke Jeruzalem; zie Hebr. 12:22 .
Hertaald:
in de stad
Dat is: in de gemeente van God, Ps. 87:3; of in het geestelijke Jeruzalem, zie Hebr. 12:22.
wijken
Of, markten, brede plaatsen. Zie Luc. 14:21-23 .
Hertaald:
wijken
Of: markten, brede pleinen. Zie Luk. 14:21-23.
De wachters,
Versta hier onder den naam van wachters zodanige leraars, gelijk die waren, van wie Jesaja zegt, Jes. 56:10 :Zij zijn stomme honden, zij kunnen niet bassen, of, men kan hier door de wachters verstaan de groten en wijzen dezer wereld, die, ofschoon men hun vraagt waar Christus te vinden is, zulks niet weten te zeggen. Zie Matt. 2:3-4 . Vergelijk onder, Hoogl. 5:7 .
Hertaald:
De wachters,
Versta hier onder de naam wachters zulke leraars als die waarvan Jesaja in Jes. 56:10 zegt: zij zijn stomme honden, zij kunnen niet blaffen. Of men kan hier onder de wachters de groten en wijzen van deze wereld verstaan, die, ook al vraagt men het hun, niet weten te zeggen waar Christus te vinden is. Zie Matth. 2:3-4. Vergelijk hieronder Hoogl. 5:7.
Hebt gij Dien
De zin is: Weet gij mij mijnen vriend of Bruidegom niet te wijzen?
Hertaald:
Hebt gij Dien
De betekenis is: weet u mij mijn vriend of Bruidegom niet aan te wijzen?
een weinigje
Te weten een weinig tijds, of plaats. Hebreeuws, een weinig dat ik van hen was voorbijgegaan, totdat ik vond, enz.
Hertaald:
een weinigje
Namelijk: een kleine tijd, of een klein stuk weg. Hebreeuws: een weinig dat ik van hen was voorbijgegaan, totdat ik vond, enzovoort.
vond ik Hem,
Hier is vervuld de belofte onzes Heeren Jezus Christus, Matt. 7:7 :Zoekt en gij zult vinden, enz.
Hertaald:
vond ik Hem,
Hier is de belofte van onze Heere Jezus Christus vervuld, Matth. 7:7: zoekt en gij zult vinden, enzovoort.
ik hield
Te weten met de hand des geloofs. Zie Spr. 4:13 ; Ef. 3:17 ; Kol. 1:23 . Zie ook Gen. 32:26 .
Hertaald:
ik hield
Namelijk: met de hand van het geloof. Zie Spr. 4:13, Ef. 3:17 en Kol. 1:23. Zie ook Gen. 32:26.
totdat
De kerk geeft hier te kennen dat zij, de genade van Christus weder gevoelende, in zijne gemeenschap volstandiglijk wil blijven.
Hertaald:
totdat
De kerk geeft hier te kennen dat zij, nu zij de genade van Christus weer voelt, standvastig in Zijn gemeenschap wil blijven.
die mij gebaard
Of, die mij ontvangen heeft.
Hertaald:
die mij gebaard
Of: die mij ontvangen heeft.
Ik bezweer u,
Dit gehele vers is verklaard Hoogl. 2:7 .
Hertaald:
Ik bezweer u,
Dit hele vers is verklaard bij Hoogl. 2:7.
Wie is zij,
Dit is ene verwondering der zwakgelovigen, sprekende van de kerk, als van het volk Israël, dat uit de woestijn opging naar het beloofde land, zich verwonderende over de vrijmoedigheid en heerlijkheid der kerk, nadat zij ontworsteld was uit de verdrukking en zware aanvechting, waarvan boven, Son 2 gesproken is, alsook in het begin van dit hfdst.
Hertaald:
Wie is zij,
Dit is een uitroep van verwondering van de zwakgelovigen, die over de kerk spreken als over het volk Israël dat uit de woestijn optrok naar het beloofde land. Zij verwonderen zich over de vrijmoedigheid en heerlijkheid van de kerk, nadat zij zich losgeworsteld had uit de verdrukking en zware aanvechting waarover hierboven in Hoogl. 2 gesproken is, en ook aan het begin van dit hoofdstuk.
de woestijn,
Bij de woestijn wordt hier verstaan de verwoesting van de uiterlijke gedaante der kerk, zo door tirannie als door ketterij, scheuring en zware ergernissen; gelijk het woord woestijn ook genomen wordt Jes. 32:15 ; Openb. 12:6 .
Hertaald:
de woestijn,
Onder de woestijn wordt hier de verwoesting van de uiterlijke gedaante van de kerk verstaan, zowel door tirannie als door ketterij, scheuring en zware ergernissen; zoals het woord woestijn ook genomen wordt in Jes. 32:15 en Openb. 12:6.
als rookpilaren,
Als een sterke rook, die recht opgaat, gelijk een pilaar, of palmboom, welke betekenis het Hebreeuwse woord ook heeft. Dit betekent de vrijmoedigheid der kerk in het oefenen van den waren godsdienst, zonder dien na te laten uit vrees der boze mensen, of andere inzichten; Hebr. 12:1 .
Hertaald:
als rookpilaren,
Als een dichte rook die recht omhoog gaat als een pilaar, of als een palmboom — die betekenis heeft het Hebreeuwse woord ook. Dit betekent de vrijmoedigheid van de kerk in het beoefenen van de ware godsdienst, zonder die na te laten uit vrees voor boze mensen of om andere overwegingen; Hebr. 12:1.
mirre
Door mirre en wierook moet men verstaan de verdiensten van Jezus Christus, die God den Vader een welriekende reuk zijn, Ef. 5:2 ; Openb. 8:3-5 .
Hertaald:
mirre
Onder mirre en wierook moet men de verdiensten van Jezus Christus verstaan, die voor God de Vader een welriekende geur zijn, Ef. 5:2, Openb. 8:3-5.
poeder
Men kan bij dit poeder verstaan de vruchten der wedergeboorte, alsook, en inzonderheid, de gebeden en dankzeggingen der gelovigen; Mal. 1:11 .
Hertaald:
poeder
Onder dit poeder kan men de vruchten van de wedergeboorte verstaan, en in het bijzonder de gebeden en dankzeggingen van de gelovigen; Mal. 1:11.
des kruideniers?
Of, der drogisten. Anders: der apothekers, der parfumeriebereiders.
Hertaald:
des kruideniers?
Of: van de drogisten. Anders: van de apothekers, van de parfumbereiders.
Ziet,
Dit schijnen woorden van de Bruid te zijn.
Hertaald:
Ziet,
Dit lijken woorden van de Bruid te zijn.
het bed,
Anders: zijn bed is als het bed van Salomo.
Hertaald:
het bed,
Anders: zijn bed is als het bed van Salomo.
dat Sálomo
Hierdoor wordt afgebeeld dat de kerk Gods van Christus bewaard wordt, maar nog veel beter en voortreffelijker dan de koning Salomo door al zijne trawanten is bewaard geworden. Want de engelen Gods, die dienstbare geesten zijn, worden van Christus uitgezonden om hen te beschutten en te beschermen. Zie Hebr. 1:14 . De gelovigen kinderen Gods, aldus bewaard en bewaakt zijnde, vrezen niet voor den schrik van den nacht, noch voor den pijl die des daags vliegt; Ps. 91:5 . Hierbij kan men ook verstaan de herders en leraars, die de kerk Gods moeten bewaken en bewaren.
Hertaald:
dat Sálomo
Hiermee wordt afgebeeld dat de kerk van God door Christus bewaard wordt, en nog veel beter en voortreffelijker dan koning Salomo door al zijn lijfwachten bewaard werd. Want de engelen van God, die dienende geesten zijn, worden door Christus uitgezonden om hen te beschutten en te beschermen. Zie Hebr. 1:14. De gelovige kinderen van God, die zo bewaard en bewaakt worden, vrezen niet voor de schrik van de nacht, noch voor de pijl die overdag vliegt; Ps. 91:5. Men kan hierbij ook denken aan de herders en leraars, die de kerk van God moeten bewaken en bewaren.
van de helden
Wat al kloeke dappere helden er in Israël geweest zijn, is te zien 1 Kron. 11:10-11 tot 1 Kron. 11:47 en 1 Kron. 12:1-2 , tot 1 Kron. 12:38 .
Hertaald:
van de helden
Wat een flinke, dappere helden er in Israël geweest zijn, is te zien in 1 Kron. 11:10-11 tot 1 Kron. 11:47 en 1 Kron. 12:1-2 tot 1 Kron. 12:38.
Die altemaal
Alzo zijn ook de heilige engelen gewapend met Gods rechtvaardige wraak, als met zwaarden om de goeden te beschermen en om de kwaden te straffen; 1 Kron. 21:16 . Alle getrouwe herders der kerk zijn gewapend met het Woord Gods en de Christelijke tucht, hebbende beide wraak tegen alle ongehoorzaamheid; 2 Kor. 10:6 ; Ps. 149:7 . Hoewel ook anderszins alle Christenen gewapend zijn met het zwaard des Geestes; Ef. 6:17 .
Hertaald:
Die altemaal
Zo zijn ook de heilige engelen gewapend met Gods rechtvaardige wraak, als met zwaarden, om de goeden te beschermen en de kwaden te straffen; 1 Kron. 21:16. Alle getrouwe herders van de kerk zijn gewapend met het Woord van God en met de christelijke tucht, die beide wraak bevatten tegen alle ongehoorzaamheid; 2 Kor. 10:6, Ps. 149:7. Hoewel overigens alle christenen gewapend zijn met het zwaard van de Geest; Ef. 6:17.
geleerd
Te weten van God, die de handen zijns volks leert strijden; 2 Sam. 22:35 ; en zijnen engelen en leraars kracht geeft om de kerk te bewaken en te bewaren. Anders: ervaren, geschikt, geoefend.
Hertaald:
geleerd
Namelijk: door God, Die de handen van Zijn volk leert strijden, 2 Sam. 22:35, en Die Zijn engelen en leraars kracht geeft om de kerk te bewaken en te bewaren. Anders: ervaren, geschikt, geoefend.
hebbende
Te weten gereed en vaardig staande om te vechten; gelijk Ex. 32:27 .
Hertaald:
hebbende
Namelijk: gereed en bereid staande om te vechten, zoals in Ex. 32:27.
vanwege
Des nachts is men aan meer gevaren onderworpen dan des daags, hetzij van dieverij, moorderij, verraderij, of dergelijk ongemak, hetwelk meest bij nacht geschiedt; zodat men alsdan goede wacht moet houden, Matt. 24:43-44 . Alzo moet elk Christelijk ridder gewapend staan, gelijk de apostel ons leert Ef. 6:12-14 ; inzonderheid ten tijde van vervolging.
Hertaald:
vanwege
's Nachts loopt men meer gevaar dan overdag, hetzij door diefstal, moord, verraad of dergelijk onheil, wat meestal 's nachts gebeurt; daarom moet men dan goede wacht houden, Matth. 24:43-44. Zo moet elke christelijke ridder gewapend staan, zoals de apostel ons leert in Ef. 6:12-14, en vooral in tijden van vervolging.
koets
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk ene bruidkoets of bedstede. Doch het betekent ook een koetswagen. Het schijnt dat hier gesproken wordt van dien triomfwagen, waarvan Ps. 45:5 geschreven staat, waar bij den wagen verstaan wordt het woord der waarheid, of de predikatie van het heilig Evangelie. Anderen verstaan door het Hebreeuwse woord een sierlijk gebouw.
Hertaald:
koets
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een bruidskoets of bedstede. Maar het betekent ook een koetswagen. Het lijkt dat hier gesproken wordt over die triomfwagen waarover in Ps. 45:5 geschreven staat, waar onder de wagen het woord van de waarheid of de prediking van het heilig Evangelie verstaan wordt. Anderen verstaan onder het Hebreeuwse woord een sierlijk gebouw.
het hout
Dat is van cederhout, hetwelk op den berg Libanon overvloediglijk pleegt te wassen. Zie de aantekening Richt. 9:15 . Dit hout verrot niet. Zodat de leer van het heilige Evangelie bekwamelijk bij hetzelve mag vergeleken worden. Want het is een eeuwige Evangelie, Openb. 14:6 . Zie Hoogl. 1:17 .
Hertaald:
het hout
Dat is: van cederhout, dat op de berg Libanon overvloedig pleegt te groeien. Zie de aantekening bij Richt. 9:15. Dit hout verrot niet, zodat de leer van het heilig Evangelie er goed mee vergeleken kan worden. Want het is een eeuwig Evangelie, Openb. 14:6. Zie Hoogl. 1:17.
De pilaren
Door de pilaren of kolommen wordt de standvastigheid betekend, Openb. 3:12 , en door de pilaren van zilver kan men hier verstaan de getrouwe herders der kerk, doch inzonderheid de profeten en apostelen. Zie Gal. 2:9 .
Hertaald:
De pilaren
Door de pilaren of kolommen wordt de standvastigheid aangeduid, Openb. 3:12; en onder de pilaren van zilver kan men hier de getrouwe herders van de kerk verstaan, maar in het bijzonder de profeten en apostelen. Zie Gal. 2:9.
vloer
Of, bodem, grond, onderlaag; anders: stoel; te weten, waarop Salomo zat in zijne koets. Christus, die de grondslag of het fondament zijner kerk is, wordt terecht bij goud vergeleken, maar de pilaren bij zilver. Zie 1 Kor. 3:11 ; Openb. 21:21 .
Hertaald:
vloer
Of: bodem, grond, onderlaag; anders: zetel, namelijk waarop Salomo in zijn koets zat. Christus, Die de grondslag of het fundament van Zijn kerk is, wordt terecht met goud vergeleken, maar de pilaren met zilver. Zie 1 Kor. 3:11 en Openb. 21:21.
gehemelte
Versta bij dit gehemelte de koninklijke bescherming Gods over zijne kerk.
Hertaald:
gehemelte
Versta onder dit gehemelte de koninklijke bescherming van God over Zijn kerk.
bespreid
Of, geplaveid, gevloerd, of bezet met lieflijkheid, of geplaveid met liefde; dat is, lieflijk gewrocht, te weten, met lieflijke beelden of schone figuren geborduurd, of kunstiglijk met de naald gewrocht van de dochteren van Jeruzalem. Anders: ontstoken. Naar de geestelijke beduiding kan men hier door de liefde verstaan die innerlijke liefde, die God zijnen kinderen toedraagt, gevende zijnen Zoon voor het leven derzelve, mitsgaders die liefde, die wij God en onzen naasten toedragen; want wij kunnen God niet liefhebben, of Hij moet ons eerst zijne liefde bewijzen; 1 Joh. 4:10 . Sommigen verstaan vs.9,10 als ene beschrijving van de hemelse heerlijkheid.
Hertaald:
bespreid
Of: geplaveid, gevloerd, of bezet met lieflijkheid, of geplaveid met liefde — dat is: lieflijk bewerkt, namelijk met lieflijke afbeeldingen of schone figuren geborduurd, of kunstig met de naald bewerkt door de dochters van Jeruzalem. Anders: ontstoken. Naar de geestelijke betekenis kan men hier onder de liefde die innerlijke liefde verstaan die God Zijn kinderen toedraagt, doordat Hij Zijn Zoon geeft voor hun leven, en ook die liefde die wij God en onze naaste toedragen; want wij kunnen God niet liefhebben of Hij moet ons eerst Zijn liefde bewijzen; 1 Joh. 4:10. Sommigen vatten vers 9 en 10 op als een beschrijving van de hemelse heerlijkheid.
Gaat uit,
In vs.11 wordt onder den naam en de heerlijkheid van Salomo, die een voorbeeld op Christus geweest is, beschreven de glorie, die alle kinderen Gods zullen aanschouwen op de bruiloft des Lams, die voor de uitverkoren kinderen Gods bereid is. Als wij vermaand worden uit te gaan, daarmede wordt te kennen gegeven dat het de moeite waard is dat men wat moeite daarom doe, gelijk men doet om een koning in zijn triomf te aanschouwen.
Hertaald:
Gaat uit,
In vers 11 wordt onder de naam en de heerlijkheid van Salomo, die een voorafbeelding van Christus geweest is, de glorie beschreven die alle kinderen van God zullen aanschouwen op de bruiloft van het Lam, die voor de uitverkoren kinderen van God bereid is. Dat wij vermaand worden uit te gaan, geeft te kennen dat het de moeite waard is er wat moeite voor te doen, zoals men dat doet om een koning in zijn triomf te zien.
Gij, dochteren
De dochteren Zions betekenen hier de Christenen, of de kerk van Christus, gelijk Jes. 49:14 , Jes. 49:22 . Dezen worden hier vermaand dat zij Christus [den rechten Salomo] zullen aanschouwen en aannemen met zijne kroon, dat is in glorie en heerlijkheid. Zie Ps. 149:2 ; Matt. 21:5 ; Openb. 6:1 , Openb. 6:3 , Openb. 6:5 , Openb. 6:7 .
Hertaald:
Gij, dochteren
De dochters van Sion betekenen hier de christenen, of de kerk van Christus, zoals in Jes. 49:14 en Jes. 49:22. Zij worden hier vermaand Christus — de rechte Salomo — te aanschouwen en aan te nemen met Zijn kroon, dat is: in glorie en heerlijkheid. Zie Ps. 149:2, Matth. 21:5, Openb. 6:1, Openb. 6:3, Openb. 6:5 en Openb. 6:7.
waarmede Hem
Het schijnt uit deze woorden dat Bathseba haren zoon Salomo met een schone en sierlijke kroon vereerd heeft op zijn bruiloftsdag, en door deze kroon wordt afgebeeld de heerlijkheid van Christus, waartoe Hij verheven is door zijne hemelvaart en die Hij zijne kerk zal laten aanschouwen in den hemel. Zie Luc. 24:26 ; Joh. 17:24 ; Fil. 2:9 .
Hertaald:
waarmede Hem
Uit deze woorden lijkt het dat Bathseba haar zoon Salomo op zijn bruiloftsdag met een schone en sierlijke kroon vereerd heeft. Door deze kroon wordt de heerlijkheid van Christus afgebeeld, waartoe Hij door Zijn hemelvaart verhoogd is en die Hij Zijn kerk in de hemel zal laten aanschouwen. Zie Luk. 24:26, Joh. 17:24 en Filipp. 2:9.
Zijner bruiloft,
Anders: zijner ondertrouw; te weten toen Salomo trouwde met zijne bruid. Geestelijkerwijze mag men hier verstaan het huwelijk van Christus met zijne kerk, hetwelk geschiedt als zij de predikatie van het heilige Evangelie met waar geloof aanneemt, alsdan wordt zij gezegd aan Christus te huwelijken; 2 Kor. 11:2 . Gelijk zich een bruidegom over zijne bruid verheugt, alzo verheugt zich God over zijn volk; zie Jes. 62:1 , Jes. 62:5 .
Hertaald:
Zijner bruiloft,
Anders: van zijn ondertrouw, namelijk toen Salomo met zijn bruid trouwde. Geestelijk mag men hier het huwelijk van Christus met Zijn kerk verstaan, dat tot stand komt wanneer zij de prediking van het heilig Evangelie met waar geloof aanneemt; dan wordt van haar gezegd dat zij aan Christus uitgehuwelijkt wordt, 2 Kor. 11:2. Zoals een bruidegom zich over zijn bruid verheugt, zo verheugt God Zich over Zijn volk; zie Jes. 62:1 en Jes. 62:5. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Naast de bruid en de Bruidegom klinkt in dit boek een derde stem. De bruid spreekt hen voor het eerst aan wanneer zij over zichzelf spreekt: "Ik ben zwart, doch liefelijk (gij dochteren van Jeruzalem!)" (Hoogl. 1:5). Driemaal legt zij hun een bezwering op om de liefde haar eigen tijd te laten (Hoogl. 2:7; Hoogl. 3:5; Hoogl. 8:4, reeds behandeld). In het vijfde hoofdstuk bezweert zij hen anders: als zij haar Liefste vinden, moeten zij Hem aanzeggen: "Dat ik krank ben van liefde" (Hoogl. 5:8). Daarop stellen zij hun eigen vraag: "Wat is uw Liefste meer dan een ander liefste, o gij schoonste onder de vrouwen?" (Hoogl. 5:9). Die vraag geeft haar de gelegenheid tot de lofzang waarin zij Hem van het hoofd tot de voeten beschrijft (Hoogl. 5:10-16, reeds behandeld). En dan volgt de wending die deze groep haar plaats geeft: "Waar is uw Liefste heengegaan, o gij schoonste onder de vrouwen? Waarheen heeft uw Liefste het aangezicht gewend, opdat wij Hem met u zoeken?" (Hoogl. 6:1). Bijbelse betekenis: Deze stem doet in het lied iets wat de bruid alleen niet kan. Zij vraagt, en door haar vraag komt eruit wat anders binnen zou blijven. Wie zich afvraagt waarom de lofzang op de Bruidegom juist daar staat, vindt het antwoord bij Hoogl. 5:9: er werd naar gevraagd. Zo werkt het ook in de gemeente. Belijden begint vaak bij iemand die vraagt wat het bijzondere is aan Hem. Let daarnaast op de beweging die deze groep maakt. Zij begint als toehoorster, wordt dan vraagster, en eindigt als medezoekster (Hoogl. 6:1). Dat is de weg die het getuigenis van één gelovige met anderen gaan kan: niet overtuigd door een betoog, maar meegenomen door wat zij hoorde. En let ten slotte op de inhoud van de bezwering. De bruid vraagt hun niets te forceren. Ook in geestelijke dingen laat zich de liefde niet opwekken vóór haar tijd; dat is de terughoudendheid die dit boek telkens oplegt. Typologie: Het Evangelie kent dezelfde beweging van horen naar zelf zoeken. De Samaritaanse vrouw riep de mensen van haar stad, en er staat dat velen in Hem geloofden om haar woord (Joh. 4:39). Later maakten zij haar duidelijk dat hun geloof niet meer op haar woord rustte, want zij hadden Hem nu zelf gehoord (Joh. 4:42). Zo blijft ook hier de vraag van de dochteren van Jeruzalem niet bij het antwoord van een ander staan: zij gaan zelf mee zoeken. Hoogl. 1:5; Hoogl. 2:7; Hoogl. 3:5; Hoogl. 5:8-9; Hoogl. 5:10-16; Hoogl. 6:1; Hoogl. 8:4; Joh. 4:39; Joh. 4:42 "Ik bezweer u, gij, dochteren van Jeruzalem! die bij de reeen, of bij de hinden des velds zijt, dat gij die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het dezelve luste!" (Hoogl. 2:7). De bruid spreekt hier niet tot de bruidegom maar tot de meisjes om haar heen. Dezelfde woorden staan een hoofdstuk verder bijna letterlijk (Hoogl. 3:5), en zij keren later in het boek nog een keer terug. De reeën en hinden in de bezwering zijn schuwe dieren, die wegspringen zodra men ze opjaagt. Bijbelse betekenis: Er wordt gewaarschuwd tegen het forceren van iets wat alleen vanzelf goed komt. Liefde die opgewekt en wakker gemaakt wordt voordat haar tijd er is, wordt niet sterker maar bedorven. Dat is nuchtere raad voor jonge mensen, en het is opmerkelijk dat zij midden in een liefdeslied staat: juist wie de liefde prijst, zegt hier dat zij niet gehaast mag worden. Merk op dat het driemaal gezegd wordt. Wat in dit boek herhaald wordt, is met nadruk gezegd. En let op wie er aangesproken worden. Niet de bruidegom en niet de bruid maar de omstanders; het zijn vaak anderen die drijven. Typologie: Prediker zegt in het algemeen wat hier van de liefde geldt: "Alles heeft een bestemden tijd" (Pred. 3:1). Hoogl. 2:7; Hoogl. 3:5; Pred. 3:1 "Ik zocht des nachts op mijn leger Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet" (Hoogl. 3:1). Zij blijft niet liggen: "Ik zal nu opstaan, en in de stad omgaan, in de wijken en in de straten" (Hoogl. 3:2). En ook daar staat dezelfde zin achter. Dan komen de wachters haar tegen, en zij vraagt hun één ding: "Hebt gij Dien gezien, Dien mijn ziel liefheeft?" (Hoogl. 3:3). Vlak daarna vindt zij Hem: "Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem" (Hoogl. 3:4). Zij houdt Hem vast en laat Hem niet gaan. Het gedeelte eindigt met dezelfde bezwering als eerder (Hoogl. 3:5, reeds behandeld bij Hoogl. 2:7). Bijbelse betekenis: De volgorde in dit gedeelte is het onderwijs. Op haar bed vindt zij Hem niet; zij moet opstaan en de straat op. Wie Hem mist, wordt hier dus niet naar binnen gewezen maar naar buiten, naar de plaatsen waar Hij zich laat vinden. Merk op dat de wachters haar niets kunnen zeggen. Zij vraagt het aan wie in de stad de ronde doen, en het antwoord komt niet van hen; kort daarna vindt zij Hem toch. Dat is een eerlijke tekening van hoe het gaat. Anderen kunnen meezoeken en de vondst niet geven. Let ten slotte op het vasthouden. Zij laat Hem niet gaan voordat zij Hem binnengebracht heeft — het gemis maakt haar niet losser maar vaster. Typologie: Maria Magdalena zocht zo bij het graf, en op haar vraag waar Hij gelegd was volgde geen uitleg maar haar naam: "Jezus zeide tot haar: Maria!" (Joh. 20:16). Hoogl. 3:1-5; Hoogl. 2:7; Joh. 20:16 "Wie is zij, die daar opkomt uit de woestijn, als rookpilaren, berookt met mirre en wierook?" (Hoogl. 3:6). Wat volgt is een beschrijving van de stoet van Salomo: zestig helden rondom, allen met het zwaard aan de heup vanwege de schrik van de nacht (Hoogl. 3:7-8). De koning heeft zich een koets laten maken van hout van de Libanon, met pilaren van zilver, een vloer van goud en een gehemelte van purper (Hoogl. 3:9-10). En dan volgt de uitnodiging om te komen kijken: "Gaat uit, en aanschouwt, gij, dochteren van Sion! den koning Salomo, met de kroon, waarmede Hem Zijn moeder kroonde op den dag Zijner bruiloft, en op den dag der vreugde Zijns harten" (Hoogl. 3:11). Bijbelse betekenis: Het gedeelte is één en al staatsie: wierook, wapens, zilver, goud en purper. Toch loopt het niet uit op de rijkdom maar op de vreugde van het hart van de koning. Merk op dat de kroon in dit vers geen regeringskroon is. Het is een bruiloftskrans, en niet zijn vader maar zijn moeder heeft die opgezet; het gaat om een dag van blijdschap en niet om een troonsbestijging. Let ook op de bewaking (Hoogl. 3:7-8). De bruid wordt door de woestijn geleid met zestig gewapende mannen om zich heen; zij komt niet vanzelf en zij komt niet onbeschermd. Wie in dit boek de lijn naar Christus volgt, leest daarin de weg van de gemeente door de woestijn naar de bruiloft. Typologie: Het Nieuwe Testament noemt die dag met zoveel woorden: "de bruiloft des Lams is gekomen, en Zijn vrouw heeft zichzelve bereid" (Op. 19:7). Hoogl. 3:6-11; Op. 19:7 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas God bij Zijn volk niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst uitwerking Het Hooglied is een liefdeslied tussen een bruid en haar bruidegom. In dit korte gedeelte vertelt de bruid over een nacht waarin zij Hem kwijt was. Zij ging de stad in om Hem te zoeken, en vond Hem, vlak nadat zij de wachters gepasseerd was. Een vrouw zoekt in het donker naar wie zij liefheeft, vindt Hem niet, vraagt het aan de wachters, en vindt Hem dan alsnog. Het gedeelte is opgebouwd uit vier korte stappen, en elke stap is herkenbaar. Eerst het zoeken op de plaats waar Hij zou moeten zijn: “Ik zocht des nachts op mijn leger Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet.” Dan het opstaan en verder zoeken, in de wijken en in de straten — en dezelfde zin nog een keer: ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet. Twee keer hetzelfde, en dat is niet uit slordigheid herhaald. Dan komen de wachters haar tegen, en zij stelt hun de vraag die zij zelf niet beantwoorden kunnen: “Hebt gij Dien gezien, Dien mijn ziel liefheeft?” En dan, opmerkelijk genoeg, gebeurt het pas nádat zij bij hen weg is: toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem, Dien mijn ziel liefheeft. Zij houdt Hem vast en laat Hem niet gaan. Het Hooglied gaat over een bruid en een bruidegom, en het is verstandig het daar eerst te laten. Maar de kerk heeft er van oudsher meer in gelezen: het huwelijk is in de Schrift een vast beeld voor de verhouding tussen God en Zijn volk, en tussen Christus en Zijn gemeente. Dat het lied ook zo gelezen mag worden is geen uitvinding van een enkele uitlegger. Maar dat het zó bedoeld is staat er niet met zoveel woorden, en deze post gaat daarom niet verder dan een mogelijke toepassing. En juist als toepassing raakt dit gedeelte precies wat er in dit register gebeurt. Wie hoort dat Christus op iedere bladzijde van het Oude Testament te vinden is, en dan zelf gaat zitten lezen en Hem niet ziet, kan de woorden van de bruid overnemen: ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet. Dat is geen ongeloof en geen luiheid. Het probleem is meestal eenvoudiger: men weet niet waar te kijken, of waarnaar. Daarvoor zijn de wachters er. Zij konden haar niet geven wat zij zocht, maar zij waren wel op straat en zij hadden gezien wat er te zien was. Zo werkt onderwijs uit de Schrift: het brengt niemand bij Christus, maar het wijst wel de straat aan. En het vinden zelf gebeurde toen zij alweer verder gelopen was. Het slot van het gedeelte is het mooiste, want het is geen bezinning maar een greep: ik hield Hem vast, en liet Hem niet gaan. Dat is dezelfde beweging als bij de vrouw die de zoom van Zijn kleed aanraakte. En als bij Jakob aan de Jabbok, die zei dat hij niet laten zou gaan tenzij Hij hem zegende. In het Nieuwe Testament: Johannes 20:11-16; Mattheüs 7:7-8; Efeze 5:31-32; Openbaring 19:7; Genesis 32:26 Hoever dit reikt: Dit is een mogelijke toepassing en niet meer. Het Hooglied gaat over een bruid en een bruidegom, en het Nieuwe Testament haalt dit gedeelte nergens aan. Dat het huwelijk in de Schrift ook staat voor de verhouding tussen Christus en Zijn gemeente is zeker; Efeze 5 zegt het met zoveel woorden. Maar daaruit volgt niet dat elk vers van dit lied over Hem gaat. Wie hier meer van maakt, doet het op eigen gezag.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Ik kan op dit ogenblik aan veel redenen denken waarom ik de Christus van Golgotha zou liefhebben, maar ik kan aan geen enkele reden denken waarom ik Hem niet zou liefhebben. Ik ben geneigd tot mijn hart te zeggen: sla nooit meer, als u niet trouw aan Hem slaat. Een preek uitgesproken op zondagmorgen 8 maart 1863, door C.H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington. U hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid; daarom heeft Uw God U… Toen ik een beetje van hen weggegaan was, vond ik hem, die mijn ziel liefheeft; ik hield hem vast en liet hem niet gaan, totdat ik hem in… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet. Hooglied 3 vers 1 Vertel mij waar je de gemeenschap met Christus verloren… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Ik vond Hem, die mijn ziel liefheeft; ik hield Hem vast en liet Hem niet gaan. Hooglied 3:4 Wil Christus ons ontvangen,… Het binnenste was bespreid met de liefde van de dochters Jeruzalems. Hooglied 3:10 In het gedeelte van het Hooglied, waaraan onze tekst is ontleend, wordt de koninklijke Bruidegom voorgesteld… Wie is deze, die daar opkomt uit de woestijn als rookpilaren, berookt met mirre en wierook en met allerlei poeder des kruideniers? Zie, het bed, dat Salomo heeft, daar zijn zestig… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Hooglied 3
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet — 3:1-5
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
De vreugde van de Man van smarten
Hoogl. 3:4 - De Geliefde vastgehouden
Ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet
Als een ring aan Zijn vinger met Hem verbonden
Bespreid met liefde
Het koninklijk paar in de fraaie koets


Hooglied 3
Hooglied 3:1.KruisverwijzingenHooglied 5:6→Jesaja 26:9→Hooglied 1:7→Psalmen 6:6→Job 23:8→Johannes 21:17→1 Petrus 1:8→Psalmen 4:4→
— Ik zocht des nachts op mijn leger Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet; ik zeide:
Wij bemerken dat de bruid op het ene ogenblik zo gelukkig is dat zij uitroept dat men haar met flessen moet ondersteunen en met appelen verkwikken, want zij is ziek van liefde — en dat zij op het andere ogenblik haar Liefste zoekt en Hem niet vinden kan, en treurt om de duisternis en om de hardheid van de wachters die de stad omgingen.
Hooglied 3:4.KruisverwijzingenSpreuken 8:17→Spreuken 4:13→Hooglied 8:2→Jesaja 49:14→Hooglied 6:12→Klaagliederen 3:25→Openbaring 3:11→Hooglied 7:5→
— Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik hield Hem vast, en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijner moeders huis gebracht had, en in de binnenste kamer van degene, die mij gebaard heeft.
Als ik zie op wat ik in dit gezegende boek over Hem lees, dan doet dat alles mij Hem liefhebben. Als ik terugdenk aan wat ik van Zijn genade in mijn hart ondervonden heb, dan doet dat alles mij Hem liefhebben. Wanneer ik bedenk wat Hij is, wat Hij gedaan heeft, wat Hij nu doet en wat Hij nog doen zal — dan doet dat alles mij Hem liefhebben!
Het zou mij beter geweest zijn dat ik nooit geboren was, dan dat ik Hem niet zou liefhebben die zo onbedenkelijk liefelijk is — die inderdaad de volmaaktheid zelf is.
Maar wat betekent het Christus te brengen in het huis van mijn moeder en in de binnenkamer van haar die mij gebaard heeft? Ik geloof niet in enige verering van louter stenen gebouwen, maar ik heb grote eerbied voor de ware gemeente van de levende God. De gemeente is het huis van God en de moeder van onze ziel; onder de dienst van het Woord zijn de meesten van ons voor God geboren.
Maar hoe kunnen wij Christus tot Zijn gemeente brengen? Ten dele door onze geestelijke gestalte: ik weet van sommigen dat zij bij Jezus geweest zijn, want er hangt een geur van heiligheid om hen heen. Hebben wij Christus werkelijk gevonden en brengen wij Hem met ons mee in de vergadering, dan zullen wij niet degenen zijn die vitten en de fout zoeken en met hun naaste kibbelen omdat hij hun niet genoeg ruimte in de bank geeft; wij zullen op anderen bedacht zijn.
Het zal ook een gelukkige zaak zijn wanneer wij over onze Heere kunnen spréken, want dan brengen wij Hem met onze woorden tot de gemeente. Ieder van ons kan, naar zijn vermogen, tot zijn broeder en zuster zeggen: ik heb Hem gevonden die mijn ziel liefheeft.
Hooglied 3:9.KruisverwijzingenHooglied 3:7→2 Samuël 23:5→Openbaring 14:6→
— De koning Salomo heeft zich een koets gemaakt van het hout van Libanon.
Grote vorsten in het oosten plachten te reizen in prachtige draagkoetsen, die tegelijk wagen en bed waren. Wie erin lag was door gordijnen aan het oog van de menigte onttrokken; een lijfwacht beschermde hem tegen rovers, en brandende toortsen verlichtten het pad waarlangs de reizigers voorttrokken.
Koning Salomo beschrijft in dit lied de gemeente van Christus en Christus zelf als reizend door de wereld in zo’n draagkoets.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Ik zocht, 1) toen ik eens des nachts dromend op mijn leger lag, hem, dien mijne ziel lief heeft, ik zocht hem aan alle plaatsen, die de droom mij voortoverde, maar ik vond hem niet;
ik zei:
Daar de Hebreewse grondtekst woordelijk aldus luidt: “Op mijn leger in de nachten. Ik zocht hem, enz.” en alzo het zoeken door een sterk scheidingsteken duidelijk van het voorgaande wordt gescheiden, kan ene verbinding tussen de eerste en de tweede zinsnede voor geheel onmogelijk worden gehouden. Ook zou ene zedelijke aanstotelijkheid liggen in den zin: “Ik zocht hem, dien mijne ziele liefheeft des nachts op mijn leger,” terwijl Sulamith toch nog bruid is, en overal zulk ene hoogte van zielekuisheid vertoont. De eerste zinsnede is slechts bestemd om aan te duiden, wanneer en hoe zij Salomo gezocht heeft, namelijk des nachts in den droom.
Heeft Sulamith in het voorgaande gemeld, wat zij wakende heeft ervaren als Salomo tot haar kwam, hier beschrijft zij een anderen toestand, dien zij in den nacht als in een droom doorleefd heeft, ervaren tengevolge het smachten harer ziele naar de liefde van haar Bruidegom.
Grote genietingen, buitengewone gestalten, ongemene ontdekkingen Gods aan Zijne kinderen duren niet altijd. Gelijk in de natuur de dag en de nacht, licht en duisternis, zomer en winter, warmte en koude, zonneschijn en wolkige tijden, gedurig verwisselen met elkaar, zo gaat het ook in de genade. Zelden is het voor des Heeren volk lang mooi weer. Zijn hare gestalten eens in de hoogte, zij zakken welhaast wederom eens in de laagte. Is het eens zeer licht in de ziel het wordt wel wederom eens duister. Is Jezus eens nabij, hij staat ook wel eens van ver.
Velen zijn van oordeel dat de Bruid hier veeleer leefde in den zorgelozen toestand, dat zij op het bed van zorgeloosheid lag uitgestrekt. Dit is echter niet te bewijzen. Het is toch de ervaring, dat de Heere niet zelden zich aan de zijnen met Zijne gevoelige aandoeningen onttrekt, opdat straks des te meer naar Zijne nabijheid zou gewenst worden, opdat er alzo een sterk verlangen naar Zijne komst zou worden gewekt. En zo moeten we ons ook hier de bruid voorstellen. De Bruidegom is weggegaan, opdat de bruid het wel zou verstaan, dat zonder Hem het leven geen wezenlijke waarde heeft.
Ik zal nu opstaan, zei ik tot mijzelve in den droom, in den angst mijner ziel, om hem, den geliefden man, te verliezen, en ik zal in de stad omgaan, in de wijken (juister: markten), en in de straten 1) der Koningsstad; ik zal hem zoeken, dien mijne ziel liefheeft: 2) ik zocht hem overal, maar ik vond hem niet. 3)
Als ene dromende en in den krachtigen drang der liefde bedacht zij natuurlijk niet hoe ongepast voor ene zedige jonkvrouw een nachtelijk rondwandelen in de straten was.
De bruid toont hier dat zij weet waar zij haren bruidegom vinden moet: niet in het veld maar in de stad. Daar zal zij hem straks ook vinden. Zo ook: wil de gelovige ziele Jezus vinden, dan heeft zij Hem te zoeken in Zijne woning en in Zijne instellingen, binnen de Kerk.
Al vond zij zich hier nu onder gemis, Jezus blijft echter dien hare ziele liefheeft, het grote voorwerp harer achting, harer begeerte, harer vergenoeging, harer gedienstigheid. Al raakt de ziele in nog zulk een lage gestalte, de oprechte liefde blijft echter altijd op den grond van het hart. Jezus blijft evenwel in keuze dierbaar boven alles. Ja niet zelden wordt de keuze door gemis sterker en zij verwacht Hem daardoor des meer.
Zocht zij Hem dan niet van ganser harte? Zocht zij hem dan niet, zoals het behoorde? Nooit was er vuriger, inniger gezocht. Nooit was er meer op de rechte wijze gezocht. Maar de Bruidegom liet zich nog niet vinden, opdat het verlangen nog sterker, het gevoel van gemis nog hartgrondiger zou worden. De Heere laat zich vinden door dengenen, die Hem zoeken, maar op Zijn tijd, en die tijd is de tijd des welbehagens.
De wachters, die des nachts in de straten der stad omgingen, vonden mij. Ik zei, haastig en beangstigd riep ik hun toe: Hebt gij dien niet gezien, dien mijne ziel liefheeft?
Toen ik, zonder een antwoord van hen gekregen te hebben, nauwelijks een weinigje van hen weggegaan was, daar vond ik hem, dien mijne ziel liefheeft; ik hield hem vast en liet hem niet gaan, totdat ik hem in mijner moeders huis, d.i. in mijne ouderlijke woning gebracht had, en in de binnenste kamer, in het vrouwenvertrek van degene, die mij gebaard heeft, opdat hij daar in vereniging met haar, die ik nevens hem liefheb, mijne moeder, altijd bij mij bleve. Duidelijk staat haar nog dat angstvolle en toch zo zalige ogenblik van haar vroeger verkeer met den koninklijken beminde voor ogen, dien zij, wel is waar in den droom, maar toch met hartroerende kracht beleed, dat zij zonder hem niet meer kon leven, dat zij geen ogenblik van hem gescheiden kon zijn, zonder het smartelijkst verlangen naar hem te gevoelen, en dat dit minnend uitzien en verlangen van nu af niet meer zou ophouden, tenzij dan dat zij hem mocht verkrijgen en behouden en dat zij geheel en voor altijd met hem verenigd mocht worden. De laatste woorden van het verhaal uit den mond van Sulamith: “Ik hield hem vast en liet hem niet gaan, totdat ik hem bracht” zijn tegelijkertijd van hare tegenwoordige zielsgesteldheid, weshalve zij ook in de opvatting, alsof zij hier in het tegenwoordige spreekt hun recht behouden. Gelijk in de woorden (Hoofdstuk 2: 16): “Mijn liefste is mijn en ik ben de zijne” zo verkrijgt ook in deze woorden de uitdrukking van het verlangen en van de liefde haars harten haar hoogste toppunt. -Het is de uitdrukking der voleindigde liefde tussen Christus en Zijne Gemeente, dier liefde, die sterker is dan de dood. Dien God, dien ik met de handen des geloofs heb aangegrepen, wil ik niet meer loslaten, totdat Hij in mijne binnenkamer in mijn eigen hart gekomen zij. Dit zal echter eerst dan geschieden, wanneer het tot dien toestand is teruggekeerd, waarin het van den aanvang was. Zij wijst hiermede aan haren onveranderlijken toeleg om met een voornemen des harten bij den Heere te blijven. Hare aanhoudendheid in het aankleven aan en achter den Heere Jezus. Hare volstandigheid bij Hem, met hare meditatiën, met hare belijdenis, met hare aanklevende liefde, met haar nabijleven. Gaan lokaas van de wereld, geen moeilijkheid van den weg achter Jezus, hadden haar ooit kunnen doen besluiten een haarbreed van achter Jezus af te wijken en zijne gemeenschap op te zeggen.
Zo droomde ik destijds; maar wanneer zal het eindelijk daartoe komen, dat ik eeuwig ongescheiden met hem verenigd worde? O, ik bezweer u, gij dochteren van Jeruzalem, die bij de lieflijke reeën of bij de hinden des velds zijt, de zinnebeelden van ware liefde, dat gij de liefde niet opwekt, noch wakker maakt; maar stil wacht, totdat het haar luste. (Hoofdstuk 2:
.
Ook hier wederom als bij Hoofdstuk 2: 7 hebben de Staten-Overzetters, die en zijt, er bij gevoegd. Het wil echter zeggen, zoals zij ook zelf aantekenen: Zo lief als u de reeën of hinden des velds zijn.
Deze waarschuwing, gericht tot de haar in den geest voor ogen staande vrouwen, drukt zij des te liever in dezelfde woorden uit, die zij destijds voor de eerste maal gebruikte, toen deze waarlijk tegenwoordig waren, daar zij zo even aan enen droom uit dien tijd had gedacht. Als met een refrein sluit zich hiermede de tweede even als de eerste akte. De grondgedachte van de gehele akte, gelijk zij zich bijzonder in de dubbele betuiging: “Mijn liefste is mijn en ik ben de zijne” en “Ik hield hem vast en liet hem niet gaan” uitgesproken werd, ligt duidelijk in de tot in den dood getrouwe liefde, die niet kan rusten, totdat haar verlangen naar voller en blijvende vereniging met den geliefde gestild is, in het trouwe vasthouden der bruid aan den vriend harer ziel ook gedurende ene langere scheiding, waarin zij dag noch nacht, wakend noch dromend, hare gedachten van haren Uitverkorene van zich kan verwijderen. Voor den Christen betekent het minnend verlangen ener bruid, die zonder haren bruidegom niet meer kan leven, die zich geheel de zijne weet, gelijk hij de hare is, en die zich eerst dan bevredigd gevoelt als zijn huis het hare en haar huis het zijne geworden is, -zulk een bruidsverlangen betekent voor den Christen niets anders dan ene krachtige vermaning om naar voller en blijvender vereniging met den Heiland, als den waren Zielebruidegom te trachten en Hem niet los te laten, totdat Hij met de volheid Zijner hemelse gaven in het huis gelijk in het hart Zijnen intrek genomen hebbe. De Christen worde niet moede naar de komst des Heeren in zijn hart te verlangen en daarom te bidden, totdat hij als Zijn eigendom geworden, kan zeggen: “Mijn liefste is mijn, en ik ben de Zijne,” en totdat hij zijne ziel met Hem verloofd wete, gelijk de bruid met haren bruidegom (Joh. 14: 23; 17: 21 vv). En gelijk de Kerk, in zover zij de rechte en ware Bruid des Heeren is, niet kan ophouden naar Zijne heerlijke verschijning te verlangen, waardoor zij eeuwiglijk één vlees met Hem zijn zal (Ef. 5: 32. 2 Kor. 11: 2. 5.32 2Co 11.2 Openb. 22: 17) zo moet ook de enkele Christenziel ten alle tijde met vurig gebed van teder verlangende liefde tot haren hemelsen Bruidegom spreken: “Kom, Heere Jezus, ja kom haastelijk!” 6. C. In de derde akte (vs. 6-Hoofdst 5: 1) wordt Sulamiths smachtend wachtend vervuld en wordt het feestelijk binnenhalen der bruid door Salomo en de bruiloft te Jeruzalem voorgesteld. Wederom moet men zich ene lange tijdruimte als verstreken denken van dien tijd af, toen Sulamith in de tweede akte met reikhalzend verlangen de komst van haren bruidegom verwachtte. Eindelijk verschijnt hij met een eervol geleide naar Oud-testamentische bruiloftsgewoonte (1 Makk. 9: 37,39) in het huis van Sulamiths moeder, om zijne bruid naar Jeruzalem af te halen en haar daar tot koningin en tot zijne boven alle andere bevoorrechte echtgenoot te verheffen. De akte wordt dien ten gevolge verdeeld in twee tonelen, waarvan het eerste (vs. 6-11) den feestelijken intocht van het bruidspaar in Jeruzalem, het tweede (Hoofdst 3: 1-5: 1) den bruiloftsmaaltijd in het koninklijk paleis voorstelt.
I. Vs. 6-11.KruisverwijzingenHooglied 8:5→Jesaja 62:5→Hooglied 1:13→Psalmen 45:3→Hooglied 4:6→Psalmen 91:5→Jesaja 4:4→Jeremia 2:2→
— Wie is zij, die daar opkomt uit de woestijn, als rookpilaren, berookt met mirre en wierook, en met allerlei poeder des kruideniers? Ziet, het bed, dat Salomo heeft, daar zijn zestig helden rondom van de helden van Israel; Die altemaal zwaarden houden, geleerd ten oorlog, elk hebbende zijn zwaard aan zijn heup, vanwege den schrik des nachts. De koning Salomo heeft zich een koets gemaakt van het hout van Libanon. De pilaren derzelve maakte hij van zilver, haar vloer van goud, haar gehemelte van purper; het binnenste was bespreid met de liefde van de dochteren van Jeruzalem. Gaat uit, en aanschouwt, gij, dochteren van Sion! den koning Salomo, met de kroon, waarmede Hem Zijn moeder kroonde op den dag Zijner bruiloft, en op den dag der vreugde Zijns harten.
Wij vinden ons hier verplaatst aan ene openbare plaats bij ene der poorten van Jeruzalem, van waar men de noord-oostelijk zich naar Jericho uitstrekkende woeste landstreek overziet. In de verte ziet men een feestelijken talrijken stoet uit die streek zich naar Jeruzalem bewegen op den gewonen groten weg, die uit het noorden des lands door de Jordaanvlakte over Jericho naar Jeruzalem voert. Het is een bruiloftstoet van zo verbazende pracht, dat het voor de poort verzamelde koor van Salomo’s hofvrouwen, die de gezamenlijke bewoners, of althans alle vrouwen van Jeruzalem vertegenwoordigen, telkenmale opnieuw hare bewondering in jubelende kreten uiten. Door deze horen wij den stoet beschrijven. Wolken van kostelijk reukwerk gaan reeds op verren afstand voor en kondigen de nabijheid aan der heerlijke, schoon versierde bruid. In het midden van den stoet is een prachtig draagbed te zien, omgeven en beschermd door 60 uitgelezen helden, waarin de glansrijke bruidegom is gezeten, thans niet met ene koningskroon, maar het hoofd met een feestelijken krans versierd, immers het is heden zijn bruilofstdag. Nevens hem zit de beminnelijke bruid. Voor en achter deze gaat de menigte van het heden bijzonder rijk versierde koninklijk gevolg. Als de stoet nabij komt, beschrijven anderen uit het vrouwenkoor bij de poort de wonderbare heerlijkheid van het koninklijke draagbed, dat Salomo voor dezen dag tot eer der bruid heeft laten vervaardigen, en dat door de dochteren van Jeruzalem uit liefde tot hem met haar handwerk is versierd geworden. Eindelijk beweegt de stoet zich langzaam door de poort, en het gehele koor der vrouwen jubelt nog eenmaal het bruidspaar tegemoet, alle vrouwen oproepende om den heerlijken opgetooiden koning en zijne lieflijke bruid te bewonderen. -Ofschoon in dit toneel alleen het staande koor der dochteren Jeruzalems spreekt, terwijl alle andere personen slechts gezien worden, en wederom in het volgende toneel alleen het bruidspaar in gesprekken met elkaar verdiept is, zo munten toch beide tonelen boven al de andere in aanschouwelijkheid en levendigheid van schildering uit, hetgeen vooral hiermede in verband staat, dat de handeling van het Hooglied in deze bedrijven haar middel- en hoogtepunt bereikt.
Enige uit het koor der dochteren Jeruzalems (Hoofdstuk 1: 3 ), die aan de poort staan en met verwondering en verbazen wijzen op den uit de verte naderenden feeststoet, voornamelijk op de boven allen uitmuntende glansrijke bruid: a) Wie is zij, die daar zo heerlijk en prachtig versierd naar de stad opkomt uit de woestijn, daar onder aan gene zijde van den Olijfberg 1) statig en met kostbaar reukwerk omgeven als rookpilaren, hoog zich verheffend, den slanken palmboom voorbij strevend, berookt met mirre en wierook, en met allerlei welriekende poeder des kruideniers 1)?
Hoogl. 8: 5.
De naaste omgeving van Jeruzalem was wel is waar rijk aan tuinen en plantsoen, maar verder aan de andere zijde van Bethanië op den weg naar Jericho breidde zich ene stille, onbewoonbare woestijn met doorngewas en steenhopen uit. Toen eenmaal de kinderen Israëls uit de woestijn optrokken, en met Jozua, den zoon van Nun, den Jordaan doortraden, toen vroegen de volkeren der aarde: Welk is dat uitverkoren volk, dat uit de woestijn opkomt, welriekend van geur des wierooks, gesterkt door Gods arm, om der verdiensten wille van Abraham, die God gehoorzaamde en op den berg Moria tot hem smeekte; glanzend van heilige zalfolie om der gerechtigheids wille van Izak, die gebonden werd op den berg des heiligdoms; begeleid van wonderen, om der barmhartigheids wille van Jacob, die met den Heere worstelde tot den dageraad en hen overmocht en alzo zelf te zamen met zijn twaalf stammen verlost werd? Evenzo zal eenmaal de tweede Jozua, Jezus Christus met Zijn heerlijken bruiloftstoet uittrekken, om Zijne dan reine en heerlijke bruid, door Hem zelven met alle goud en zilver overtreffende deugden versierd, uit hare aardse woonplaats tot de bruiloft en eeuwige zalige gemeenschap der koninklijke heerlijkheid met Hem af te halen, en uit de woestijn en zonnehitte der aanvechtingen dezes levens op te voeren naar het nieuwe Jeruzalem. Dan zal ook hare schoonheid en heerlijkheid openbaar worden voor alle volkeren op aarde en door hen met verstomming bewonderd worden, als de glans en de majesteit van haren verheerlijkten Heere en Bruidegom haar weer van het aangezicht zal stralen. En gelijk Sulamith in hare schoonheid en haar van Salomo geschonken sieraad staat in tegenoverstelling van de woestijn, zodat de vrouwen in verbazing vragen: Hoe is het mogelijk, dat zulke schoonheid uit de woestijn opkomt, zo ook zullen eenmaal de volken der aarde niet begrijpen en zich verwonderen dat de nederige, door hen zo verachte, mishandelde en vervolgde bruid des Heeren zulk ene verheven schoonheid, zulk een glans der eeuwigheid bezit, en dat zij uit ellende en droefheid des levens in de woestijn der wereld zulke heerlijkheid meebrengt. Want uit de woestijn (Openb. 12: 6) zal haar Bruidegom haar halen en toch zal zij in wit, rein lijnwaad gekleed zijn. (Openb. 19: 8; 21: 2).
In het Oosten was het ene geliefkoosde gewoonte om bij feestelijke optochten, zo als bij ene bruiloft, niet slechts de klederen enz. met hartverkwikkende reukwerken te vervullen maar ook vóór den stoet uit edel reukwerk te branden, gelijk het ook aan het Turkse hof te Konstantinopel vroeger nog de gewoonte was om bij de geestelijke ontvangst van vreemde gezantschappen aloë en wierook in gloeiende zilveren schalen te branden. Deze gewoonte, als ook de omstandigheid, dat zowel Salomo als Sulamith hier en reeds vroeger altijd met welriekende geuren rijkelijk omgeven zijn, heeft ene diepe zin. Elke onaangename reuk is het zinnebeeld van zonde, dood, verrotting, eeuwig verderf; de welriekende geuren daarentegen zijn het zinnebeeld van de verwijdering van zonde, schuld, dood en verderf, en van de vervulling met reinheid en gerechtigheid, met vergankelijk, eeuwig leven, waarop de dood geen macht meer heeft. De Bruid des Heeren, Zijn eigen heilig lichaam, zal ook geheel doordrongen en omgeven zijn van alle welriekende geuren der eeuwige heerlijkheid, en zij, die haar in hare heerlijkheid aan de hand haars Verlossers zullen zien opgaan ter bruiloftsmaal, zullen ook reeds uit de verte een gevoel en ene duidelijke ervaring hebben van de stromen des eeuwigen levens, dat zijn geur uit haar verspreidt. -Thans leeft de begenadigde ziel (gelijk de gehele gemeente van Christus) nog in de woestijn, in den vreemde temidden van wilde gedierten en duivelen. Ofschoon zij nu hier geheel van haren Bruidegom verlaten is, wordt zij toch, zolang zij nog in het vlees leeft, nog niet tot het volkomen aanschouwen van Hem toegelaten, maar wordt door Hem door woeste streken en verzoekingen geleid. Ja zo lang zij nog niet met Hem heerst, schijnt zij van Hem verlaten te zijn. Daarom tobt zij voortdurend om tot Hem uit te gaan, opdat hoe langer hoe meer bemerke hoe lief zij hem heeft. Als de Bruid hier wordt voorgesteld als komende uit de woestijn, en de verwondering daarover gegeven wordt, dan is ook de woestijn typisch op te vatten als beeld van verdrukking en onvruchtbaarheid en knechtschap, en het opkomen uit de woestijn, als een komen tot de vrijheid. Van de woestijn is geen verwachting. Maar daarom wordt ook duidelijk te kennen gegeven, dat al wat de bruid is en heeft, zij al dat heeft door en van haar bruidegom.
Andere vrouwen uit hetzelfde koor aan de poort, bij het aanschouwen van het statiebed in het midden van den optocht, als hij reeds gans in de nabijheid gekomen is: Ziet, het bed, dat Salomo heeft! 1) en welk een glansrijke omgeving! daar zijn als erewacht zestig krijgshelden rondom, van de 600 helden van Israël, 2) welke David reeds als staande eregarde uit de kern van het leger zich als de edelste en getrouwste zijner dienaren uitverkoren had (2 (Samuel 15: 18 ; (2 Samuel 16: 6; 20: 7; 23: 8 vv).
Is het wonder, dat het geestelijk huwelijk tussen de Kerk en Jezus, hetwelk alle de volmaaktheden van menselijke huwelijken oneindig overklimt, ook niet ontzet zij van deze zo passende evenmatigheid? Het is waar, in zichzelve is zijne Bruid van een lagen, verachten, armen, walgelijken staat en gestalte. Maar als zij nu door de genade Hem tot ene Bruid wordt opgesierd, zo komt er ook ene koninklijke luister, ene Geest der heerlijkheid op haar, en zo wordt zij ook een weluitgedoste Bruid. Bij zulk ene Bruid past niet minder een Bruidegom veel schoner dan de mensenkinderen met majesteit en heerlijkheid (Psalm 45: 3,4,10,14).
Zij, die de rust in Christus vinden, hebben niet alleen alle gemak en gerustheid, maar zij wonen ook in alle veiligheid en zekerheid en hun heilige onbekommerdheid steunt op een heilige en onverwinlijke hoede en bescherming.
Dit duidt aan de zekerheid en veiligheid van de Kerk van Christus. Kon Elisa zeggen: die bij ons zijn, zijn meer, dan die bij hen zijn, dit geldt te allen tijde ten opzichte van de zaligheid der gelovigen. Dat de wachters daar stonden was niet om den Bruidegom, maar om de Bruid, d.w.z. opdat zij gerust en veilig zich zou weten.
Die allemaal zwaarden houden gewapend met zwaarden ten oorlog, geoefend in den krijg, elk hebbende zijn zwaard aan zijne heup, 1) van wege den schrik des nachts, 2) waarmee zij op den langen tocht door woeste streken alle storing en verschrikking van de slapenden in den nacht verre moesten houden.
Altegaarder omschrijvingen van enen recht toegerusten, enen recht geoefenden, enen rechtvaardigen, enen recht onverschrokken held.
De duistere tijden, waarin gij leeft, tijden van zo vele zonden, van zo vele doorbrekende dwalingen, van zo vele zorgeloosheden roepen ons te meer, om met het zwaard in de hand voor ‘s konings belangen uit te komen. Nachten van verschrikkingen, van verzoekingen, van rampspoeden, die u zelfs overkomen, vereisen wel, dat hij wel gewapend en wel ten oorlog geleerd zijn. Hoe zult gij anders staande blijven in den bozen dag?. Daar de reis van Sunem tot Jeruzalem, in rechtstreeksen afstand, 12 mijlen bedraagt, en alzo minstens eens, zo niet twee malen, overnachten noodzakelijk maakte, en dat wel in een wild eenzaam oord, zo was een dergelijk militair geleide geenszins overtollig. Ook stelt Sulamith later, als zij tot terugkeer naar hare geboorteplaats opwekt (Hoofdstuk 7: 11,12) op den weg derwaarts een herhaald overnachten in de dorpen voor. -Gelijk Salomo zijne uitverkorene bruid in een pracht-rustbank, omgeven van 60 krijgshelden, naar het huis haalt, zo zal de Heere, als Hij Zijne gemeente verlossen en ter bruiloft zal afhalen, zelf met grote heerlijkheid verschijnen, en omringd zijn door de schare van alle heilige engelen, de sterke helden, die Zijn woord doen, en die wel bij machte zijn om de verschrikking van de macht des satans en van het gezamenlijk rijk der duisternis af te houden van de Bruid des Lams, om ze daarna voor altijd te vernietigen.
Wederom andere vrouwen uit het koor: De koning Salomo heeft zich, en voor Sulamith op dezen zijnen bruiloftsdag ene bijzondere prachtige koets, een statiebed (vs. 7) gemaakt, laten maken van allerlei kostbaar hout van het hout van Libanon, als ceder- en cipressehout. De wagen betekent het Verbond der genade, het plan der verlossing, gelijk het in den eeuwigen raad Gods is besloten en ons in de Schrift is geopenbaard. Het is het werk van Christus zelven, waarin de heerlijkheid van Zijne liefde en genade zich op het uitnemendst vertoont, en dat Hem in de ogen der gelovigen beminnelijk bewonderingswaardig maakt. In dit verbond worden zij in de volkomenheid der goddelijke liefde gedragen en rijden zij als het ware in triomf. Wonderbaar schoon is het ontworpen en daargesteld, zo tot ere van Christus als tot troost voor de gelovigen. Het is in alles wel geordineerd en bewaard, 2 Samuel 23: 5 23.5 Zijne pilaren kunnen noch wankelen noch buigen. Het is gemaakt van het hout van den Libanon, dat niet verrot. Het voetstuk er van was goud, het duurzaamst metaal. Het bloed des verbonds, dat heerlijk purper, is het bedeksel van dien wagen, waarin de gelovigen beveiligd zijn voor den wind en de stormen van den toorn Gods en voor de smarten dezer wereld. Maar het binnenst er van en wat er het alles in allen van uitmaakt, is de liefde, de liefde van Christus, die alle verstand te boven gaat, welker uitgestrektheid onmetelijk is. Dat is het, waarom gelovigen hebben te rusten.
De 1) sierlijke pilaren van deze, waarmee zij versierd is, maakte hij van zilver, haren vloer, (beter: hare leuning) van goud, haar gehemelte of: haar peluw van purper, het binnenste was gespreid met de liefde van de dochteren van Jeruzalem 2) (juister: was fijn gestikt door de liefde van de dochteren van Jeruzalem) die het den koning als geschenk hadden aangeboden.
De nauwkeurige beschrijving van de pracht der reiskoets moet duidelijk dienen om aan te tonen, dat Salomo zijne geliefde bruid thans uit de nederigheid van een eenvoudig, onbekend landmeisje tot de hoogheid en majesteit van een volkomen koninginnestaat had verheven. In de bijzondere kostbare delen van den draagstoel moet de heerlijkheid der bruid alzo voor allen openbaar worden. Men kan derhalve de verschillende delen en stoffen er van, niet nog in het bijzonder verklaren, gelijk de allegorische uitleggers doen. Het is daarenboven een voldoend verhevene gedachte, dat even als Sulamith, zo ook de gemeente Gods, in het Oude Testament uit de dienstbaarheid en vernedering in Egypte tot de heerlijkheid van een volk van koningen en priesters is verheven, en in het nieuwe Testament uit de armoede van een arm zondaarsvolk, dat in Bethlehems stal het eerst zijn Bruidegom aanbad, is opgevoerd tot de hoogheid van ene door het geloof en Gods woord de wereld overwinnende en beheersende koningin en eenmaal in deze thans nog onder kruis en knechtsgestalte verborgene heerlijkheid ook den vijanden zal openbaar worden.
Dit zal willen zeggen, dat de verheerlijkte Koning in zijnen zaligen ruststaat, op zijn glansrijke koetse evenwel is en blijft het grote voorwerp van de liefde der gelovigen, dat die hem daarop als gedurig bespreiden, overdekken, overstromen met hun liefde, dat die ook zijn binnenste, zijn hart in die zijne erekoets nog gedurig doen branden en ontsteken door hun liefde, welke zij op aarde tot Hem hebben, en zo door die hun liefde ook gedurig ontsteken en brandende houden. Maar gelijk ik liefst wil, past men het op de liefde van den Heere Jezus tot Jeruzalem’s dochters, dan vertoont ons dit het hart van Jezus in den hemel tot Zijn volk hier op aarde, dat Zijne liefde op Zijn koetse van eer niet is verminderd noch ophoudt, maar dat die Zijne koetse nog rondom als bespreid is en tot haar binnenste geheim heeft ene overklimmende liefde van Jezus tot de zijnen.
Wij hebben de opvatting van Henry (vs. 9) en Dächsel laten staan, hoewel wij van mening zijn, dat hier niet van een draagstoel, maar van een bed, van een statiebed sprake is. Bij een draagkoets behoren toch handbomen en bij een reiswagen paarden. En hier is van geen van beide sprake. Van oude tijden af zijn dan ook de gevoelens verschillend. De een vertaalt door koets, de ander door bed. Wij zijn van oordeel, dat hier van het zelfde bed sprake is als waarvan vs. 7 meldt. Werd daar echter gewezen in hoofdzaak op de wacht, die het bed omringde, hier wordt het bed zelf beschreven en daarmee de hoedanigheden van het bed. Geestelijk opgevat wordt hier de heerlijkheid van den meerdere dan Salomo beschreven, de glans van Zijne heerlijkheid in den hemel ten behoeve van Zijne gemeente. Alles aan dit pronkbed is koninklijk en geeft tevens aan een rustigen koninklijken staat. Welnu, Christus Jezus is den hemel ingegaan, om in koninklijke heerlijkheid, rustende van de overwinning over alle zijne vijanden, toch al de Zijnen die heerlijkheid deelachtig te maken. Want gelijk Salomo dit bed had gemaakt, om het te delen met zijne uitverkorene bruid, alzo heeft de meerdere dan Salomo, de Christus der heerlijkheid, Zijne overwinning gehaald, opdat geheel Zijne Kerk in al die heerlijkheid zou delen.
Het gezamenlijke koor der vrouwen, luide jubelend, terwijl de stoet zelf de stad binnentrekt: zo gaat nu uit, uit de stad, en aanschouwt, gij dochteren van Zion! den koning Salomo, met de kroon (juister: (den bruiloftskrans) waarmee hem zijne moeder Bathseba kroonde op den huidigen dag zijner bruiloft, en op den dag der vreugde zijns harten. Dat juist Salomo’s moeder hem dezen krans heeft opgezet, zal wel te verklaren zijn uit ene bijzondere bruiloftsgewoonte, waarbij de moeder, tot teken van hare goedkeuring der door haren zoon gesloten echtverbintenis, hem eigenhandig met een feestkroon versierde. In ene doornenkroon, het teken des vloeks, heeft de Heere Zijne Bruid, de verlorene wereld, opgezocht; in ene glansrijke kroon der heerlijkheid met het opschrift “Getrouw en Waarachtig” zal Hij ze wederhalen.
Worden in vs. 10 de vrouwen van Jeruzalem genoemd in onderscheiding van de Galilese vrouwen, hier wordt gesproken van de dochteren van Zion, de gewone erenaam voor de Jeruzalemse vrouwen. Vragen we nu, wat we onder kroon hebben te verstaan. dan is geen andere uitlegging mogelijk, dan Zijne koninklijke heerschappij aan ‘s Vaders rechterhand, Zijne koninklijke heerlijkheid, welke de Vader Hem heeft gegeven, nadat Hij Zijne ziele tot een schuldoffer had gesteld. De heerlijkheid van een koning toch blonk veel meer uit door zijn kroon. Niet een prachtig paleis, niet een prachtig kleed stempelde hem tot koning, maar in de eerste plaats de kroon. De kroon, waarmee zijne moeder, wat het vlees betrof, d.i. Israël, hem kroonde, was een kroon van doornen, was lijden en smart, maar de kroon, welke de Vader Hem op het hoofd heeft gezet, was eeuwige eer en heerlijkheid. –
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel