Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Daarom, nalatendeG863 het beginselG746 der leerG3056 van ChristusG5547, laat ons totG1909 de volmaaktheidG5047 voortvarenG5342; nietG3361 wederomG3825 leggendeG2598 het fondamentG2310 van de bekeringG3341 vanG575 dodeG3498 werkenG2041, enG2532 van het geloofG4102 in GodG2316,
Daarom, nalatende het beginsel der leer van Christus, laat ons tot de volmaaktheid voortvaren; niet wederom leggende het fondament van de bekering van dode werken, en van het geloof in God,
KJV
Therefore1
leaving2
the principles5
of the doctrine8
of Christ,7
let us go on12
unto9
perfection;11
not13
laying16
again14
the foundation15
of repentance17
from18
dead19
works,20
and21
of faith22
toward23
God,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Van de leerG1322 der dopenG909, en van de opleggingG1936 der handenG5495, en van de opstandingG386 der dodenG3498, enG2532 van het eeuwigG166 oordeelG2917.
Van de leer der dopen, en van de oplegging der handen, en van de opstanding der doden, en van het eeuwig oordeel.
KJV
Of the doctrine2
of baptisms,1
and4
of laying on3
of hands,5
and7
of resurrection6
of the dead,8
and9
of eternal11
judgment.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En ditG3778 zullen wij ook doenG4160, indien het GodG2316 toelaatG2010.
En dit zullen wij ook doen, indien het God toelaat.
KJV
And1
this
will we do,3
if
God7
permit.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
WantG1063 het is onmogelijkG102, degenen, die eens verlichtG5461 geweest zijn, en de hemelseG2032 gaveG1431 gesmaaktG1089 hebben, enG2532 des HeiligenG40 GeestesG4151 deelachtigG3353 gewordenG1096 zijn,
Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn,
KJV
For2
it is impossible1
for those who were once4
enlightened,5
and7
have tasted6
of the heavenly11
gift,9
and12
were made14
partakers13
of the Holy16
Ghost,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En gesmaaktG1089 hebben het goedeG2570 woordG4487 GodsG2316, en de krachtenG1411 der toekomendeG3195 eeuwG165,
En gesmaakt hebben het goede woord Gods, en de krachten der toekomende eeuw,
KJV
And1
have tasted3
the good2
word5
of God,4
and7
the powers6
of the world9
to come,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
EnG2532 afvalligG3895 worden, die, zeg ik, wederomG3825 te vernieuwenG340 totG1519 bekeringG3341, als welke zichzelvenG1438 den ZoonG5207 van GodG2316 wederom kruisigenG388 enG2532 openlijk te schande maken.
En afvallig worden, die, zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekering, als welke zichzelven den Zoon van God wederom kruisigen en openlijk te schande maken.
Ook in dit vers
openlijk schandeG3856
KJV
If1
they shall fall away,2
to renew them4
again3
unto5
repentance;6
seeing they crucify7
to themselves8
the Son10
of God12
afresh,
and13
put him to an open shame.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
WantG1063 de aardeG1093, die den regenG5205, menigmaalG4178 opG1909 haarG846 komendeG2064, indrinktG4095, enG2532 bekwaamG2111 kruidG1008 voortbrengtG5088 voor degenen, doorG1223 welkeG3739 zij ookG2532 gebouwdG1090 wordt, die ontvangtG3335 zegenG2129 vanG575 GodG2316;
Want de aarde, die den regen, menigmaal op haar komende, indrinkt, en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen, door welke zij ook gebouwd wordt, die ontvangt zegen van God;
KJV
For2
the earth1
which3
drinketh in4
the rain10
that cometh9
oft8
upon6
it,7
and11
bringeth forth12
herbs13
meet14
for them15
by16
whom17
it is dressed,19
receiveth20
blessing21
from22
God:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
MaarG1161 die doornenG173 en distelenG5146 draagtG1627, die is verwerpelijkG96, en nabijG1451 de vervloekingG2671, welker eindeG5056 is totG1519 verbrandingG2740.
Maar die doornen en distelen draagt, die is verwerpelijk, en nabij de vervloeking, welker einde is tot verbranding.
KJV
But2
that which beareth1
thorns3
and4
briers5
is rejected,6
and7
is nigh9
unto cursing;8
whose10
end12
is to13
be burned.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
MaarG1161, geliefdenG27! wij verzekerenG3982 ons vanG4012 uG4771 betereG2909 dingen, en met de zaligheidG4991 gevoegdG2192, hoewelG1499 wij alzoG3779 sprekenG2980.
Maar, geliefden! wij verzekeren ons van u betere dingen, en met de zaligheid gevoegd, hoewel wij alzo spreken.
KJV
But,2
beloved,5
we are persuaded1
better things7
of3
you,
and8
things that accompany9
salvation,10
though
we14
thus13
speak.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
WantG1063 GodG2316 is nietG3756 onrechtvaardigG94 dat HijG846 uw werkG2041 zou vergetenG1950, enG2532 den arbeidG2873 der liefdeG26, dieG3739 gijG4771 aanG1519 Zijn NaamG3686 bewezenG1731 hebt, als die de heiligenG40 gediendG1247 hebt enG2532 nog dientG1247.
Want God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk zou vergeten, en den arbeid der liefde, die gij aan Zijn Naam bewezen hebt, als die de heiligen gediend hebt en nog dient.
KJV
For2
God5
is not1
unrighteous3
to forget6
your
work8
and10
labour12
of love,14
which15
ye have shewed17
toward21
his24
name,23
in that ye have ministered25
to the saints,27
and28
do minister.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
MaarG1161 wij begerenG1937, dat een iegelijkG1538 van uG4771 dezelfde naarstigheidG4710 bewijzeG1731, totG4314 de volle verzekerdheidG4136 der hoopG1680, tot het eindeG5056 toe;
Maar wij begeren, dat een iegelijk van u dezelfde naarstigheid bewijze, tot de volle verzekerdheid der hoop, tot het einde toe;
KJV
And2
we desire1
that every one3
of you
do shew7
the same6
diligence8
to9
the full assurance11
of hope13
unto14
the end:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
OpdatG2443 gij nietG3361 traagG3576 wordtG1096, maarG1161 navolgersG3402 zijt dergenen, die doorG1223 geloofG4102 en lankmoedigheidG3115 de beloftenissenG1860 beervenG2816.
Opdat gij niet traag wordt, maar navolgers zijt dergenen, die door geloof en lankmoedigheid de beloftenissen beerven.
KJV
That
ye be4
not
slothful,3
but6
followers5
of them who through8
faith9
and10
patience11
inherit12
the promises.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
WantG1063 als GodG2316 aan AbrahamG11 de belofteG1861 deed, dewijl Hij bij niemandG3762, die meerderG3187 was, hadG2192 te zwerenG3660, zo zwoerG3660 Hij bij ZichzelvenG1438,
Want als God aan Abraham de belofte deed, dewijl Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelven,
KJV
For2
when God6
made promise4
to Abraham,3
because7
he could10
swear12
by8
no9
greater,
he sware13
by14
himself,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
ZeggendeG3004: WaarlijkG2229, zegenendeG2127 zal Ik u zegenenG2127, enG2532 vermenigvuldigendeG4129 zal Ik uG4771 vermenigvuldigenG4129.
Zeggende: Waarlijk, zegenende zal Ik u zegenen, en vermenigvuldigende zal Ik u vermenigvuldigen.
KJV
Saying,1
Surely2
blessing4
I will bless5
thee,
and7
multiplying8
I will multiply9
thee.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
EnG2532 alzoG3779, lankmoediglijk verwachtG3114 hebbende, heeft hij de belofteG1860 verkregenG2013.
En alzo, lankmoediglijk verwacht hebbende, heeft hij de belofte verkregen.
KJV
And1
so,2
after he had patiently endured,3
he obtained4
the promise.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
WantG1063 de mensenG444 zwerenG3660 wel bij den meerdereG3187 dan zij zijn, enG2532 de eedG3727 totG1519 bevestigingG951 is denzelvenG846 een eindeG4009 van alleG3956 tegensprekenG485;
Want de mensen zweren wel bij den meerdere dan zij zijn, en de eed tot bevestiging is denzelven een einde van alle tegenspreken;
KJV
For3
men1
verily2
swear7
by4
the greater:
and8
an oath16
for13
confirmation14
is to them10
an end12
of all9
strife.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Waarin GodG2316, willendeG1014 den erfgenamenG2818 der beloftenisG1860 overvloedigerG4054 bewijzenG1925 de onveranderlijkheidG276 van Zijn raadG1012, metG1722 een eedG3727 daartussenG3315 is gekomen;
Waarin God, willende den erfgenamen der beloftenis overvloediger bewijzen de onveranderlijkheid van Zijn raad, met een eed daartussen is gekomen;
KJV
Wherein1
God,6
willing4
more abundantly
to shew7
unto the heirs9
of promise11
the immutability13
of his16
counsel,15
confirmed17
it by an oath:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
OpdatG2443 wij, door tweeG1417 onveranderlijkeG276 dingen, inG1722 welkeG3739 het onmogelijkG102 is dat GodG2316 liegeG5574, een sterkeG2478 vertroostingG3874 zouden hebbenG2192, wij namelijk, die de toevlucht genomenG2703 hebben, omG1223 de voorgesteldeG4295 hoopG1680 vast te houdenG2902;
Opdat wij, door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben, wij namelijk, die de toevlucht genomen hebben, om de voorgestelde hoop vast te houden;
KJV
That1
by2
two3
immutable5
things,4
in6
which7
it was impossible8
for God10
to lie,9
we might have13
a strong11
consolation,12
who14
have fled for refuge15
to lay hold16
upon the hope19
set before us:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Welke wij hebbenG2192 alsG5613 een ankerG45 der zielG5590, hetwelk zekerG804 enG2532 vastG949 is, enG2532 ingaatG1525 inG1519 het binnensteG2082 van het voorhangselG2665;
Welke wij hebben als een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is, en ingaat in het binnenste van het voorhangsel;
KJV
Which1
hope we have4
as2
an anchor3
of the soul,6
both8
sure7
and9
stedfast,10
and11
which entereth12
into13
that within15
the veil;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Daar de VoorloperG4274 voor ons is ingegaanG1525, namelijk JezusG2424, naar de ordeningG5010 van MelchizedekG3198, een HogepriesterG749 gewordenG1096 zijnde inG1519 der eeuwigheidG165.
Daar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizedek, een Hogepriester geworden zijnde in der eeuwigheid.
KJV
Whither1
the forerunner2
is5
for3
us
entered,
even Jesus,6
made12
an high priest11
for13
ever15
after7
the order9
of Melchisedec.
het beginsel der leer
Grieks het woord des beginsels van Christus; dat is, waardoor wij in het beginsel tot Christus' ledematen worden aangenomen, en als de kinderleer is van de eerst aankomenden; Hebr. 5:12.
Hertaald:
het beginsel der leer
Grieks: het woord van het begin van Christus; dat is: de leer waardoor wij in het begin tot leden van Christus aangenomen worden en die als de kinderleer voor de eerst aankomenden is; Hebr. 5:12.
tot de volmaaktheid voortvaren;
Dat is, tot de volkomene kennis der leer van Christus voortgaan, Ef. 4:13.
Hertaald:
tot de volmaaktheid voortvaren;
Dat is: voortgaan tot de volkomen kennis van de leer van Christus, Ef. 4:13.
het fondament van de bekering
Of, eersten grond, waarvan hier zes hoofdstukken worden verhaald.
Hertaald:
het fondament van de bekering
Of: de eerste grondslag, waarvan hier zes hoofdpunten genoemd worden.
van dode werken,
Dat is, van zondige of vleselijke werken, waarvan het einde de dood is, Rom. 6:23; welker kennis inzonderheid door de wet komt, Rom. 3:20.
Hertaald:
van dode werken,
Dat is: van zondige of vleselijke werken, waarvan het einde de dood is, Rom. 6:23; de kennis daarvan komt in het bijzonder door de wet, Rom. 3:20.
in God,
Namelijk Vader, Zoon en Heiligen Geest, waarvan de somma in de twaalf artikelen des geloofs is begrepen.
Hertaald:
in God,
Namelijk in God: Vader, Zoon en Heilige Geest, waarvan de samenvatting in de twaalf artikelen van het geloof begrepen is.
der dopen,
Dat is, van de natuur, instelling en gebruik van den doop en der Sacramenten waardoor het geloof en de bekering in ons wordt versterkt. Het woord dopen wordt hier in het meervoud gesteld, niet omdat er meer dan een doop is, Ef. 4:5, maar òf om den uitwendigen en inwendigen doop te betekenen 1 Petr. 3:21; òf, omdat in de eerste Kerk de volwassenen, die tot Christus bekeerd, en nu een tijdlang in den Christelijken godsdienst onderwezen waren, dikmaals tezamen in een aanmerkelijk getal werden gedoopt, zodat er vele dopen op enen dag schenen gepleegd te worden.
Hertaald:
der dopen,
Dat is: van de aard, de instelling en het gebruik van de doop en van de sacramenten, waardoor het geloof en de bekering in ons versterkt worden. Het woord dopen wordt hier in het meervoud gesteld, niet omdat er meer dan één doop is, Ef. 4:5, maar óf om de uiterlijke en de innerlijke doop aan te duiden, 1 Petr. 3:21, óf omdat in de eerste kerk de volwassenen die tot Christus bekeerd waren en al een tijdlang in de christelijke godsdienst onderwezen waren dikwijls samen in een aanzienlijk aantal gedoopt werden, zodat er op één dag veel dopen leken te gebeuren.
van de oplegging der handen,
Dat is, van de gaven des Heiligen Geestes, die door de oplegging der handen in de Kerk den gelovigen in het algemeen plachten medegedeelt te worden, Hand. 8:16-17, en bijzonder in het instellen der kerkedienaars, 1 Tim. 4:14.
Hertaald:
van de oplegging der handen,
Dat is: van de gaven van de Heilige Geest, die door de oplegging van de handen in de kerk gewoonlijk aan de gelovigen in het algemeen meegedeeld werden, Hand. 8:16-17, en in het bijzonder bij het aanstellen van de kerkelijke dienaars, 1 Tim. 4:14.
van de opstanding der doden,
Van welk artikel degenen, die tot de gemeenschap der kerk van Christus toegelaten werden, bijzonder rekenschap moesten geven, omdat niet alleen de heidenen daarmede spotten, Hand. 17:32, maar ook de Sadduceën onder de Joden, Matt. 22:23, en vele ketters onder de Christenen deze loochenden; 2 Tim. 2:18.
Hertaald:
van de opstanding der doden,
Van dat artikel moesten zij die tot de gemeenschap van de kerk van Christus toegelaten werden in het bijzonder rekenschap geven, omdat niet alleen de heidenen daarmee spotten, Hand. 17:32, maar ook de sadduceeën onder de Joden, Matth. 22:23, en omdat veel ketters onder de christenen dit loochenden; 2 Tim. 2:18.
van het eeuwig oordeel
Namelijk over levenden en over doden, over de ongelovigen ten eeuwigen dood, en over de gelovigen ten eeuwigen leven. Dit zijn dan de zes hoofdstukken van de beginselen of fondamenten der christelijke religie, die den aankomenden door vragen en antwoorden voorgesteld werden, die ook in onze catechismussen merendeels worden behandeld.
Hertaald:
van het eeuwig oordeel
Namelijk het oordeel over levenden en doden: over de ongelovigen tot de eeuwige dood en over de gelovigen tot het eeuwige leven. Dit zijn dan de zes hoofdpunten van de beginselen of de fundamenten van de christelijke religie, die aan de aankomenden door vragen en antwoorden voorgehouden werden en die ook in onze catechismussen grotendeels behandeld worden.
dit zullen wij [ook] doen,
Namelijk het leggen van de eerste fondamenten der Christelijke religie, die Paulus nu wel voorbijgaat, omdat hij hen ook tot meer volkomen kennis van andere leerstukken wilde brengen, maar evenwel belooft bij andere gelegenheden deze te behandelen, indien het de Heere toeliet, gelijk hij ook elders in zijne zendbrieven doet. Anderen verstaan dit van de verklaring der meer volmaakte leer, die hij zal gaan voorstellen.
Hertaald:
dit zullen wij [ook] doen,
Namelijk het leggen van de eerste fundamenten van de christelijke religie. Paulus gaat die nu wel voorbij, omdat hij hen ook tot een meer volkomen kennis van andere leerstukken wilde brengen, maar hij belooft toch die bij andere gelegenheden te behandelen, als de Heere het toelaat, zoals hij ook elders in zijn brieven doet. Anderen verstaan dit van de verklaring van de meer volmaakte leer die hij zal gaan voorstellen.
het is onmogelijk,
Namelijk ten aanzien van Gods rechtvaardig oordeel over zulke ondankbare mensen, naar de verklaring die Christus zelf gedaan heeft van degenen die tegen den Heiligen Geest zondigen, Matt. 12:31-32; gelijk de volgende verzen ook aantonen dat hier, gelijk ook hierna, Hebr. 10:26, van die zonde wordt gesproken. Waarom de apostel Johannes, 1 Joh. 5:16, gebiedt, dat men voor zulken niet zal bidden. Zie dergelijke wijze van spreken Joh. 12:39-40.
Hertaald:
het is onmogelijk,
Namelijk onmogelijk met het oog op Gods rechtvaardige oordeel over zulke ondankbare mensen, naar de verklaring die Christus Zelf gegeven heeft over hen die tegen de Heilige Geest zondigen, Matth. 12:31-32. De volgende verzen tonen ook aan dat hier, zoals ook hierna in Hebr. 10:26, over die zonde gesproken wordt. Daarom gebiedt de apostel Johannes in 1 Joh. 5:16 dat men voor zulke mensen niet zal bidden. Zie een dergelijke manier van spreken in Joh. 12:39-40.
die eens verlicht geweest zijn,
Namelijk in het verstand door de prediking des Evangelies.
Hertaald:
die eens verlicht geweest zijn,
Namelijk verlicht in het verstand door de prediking van het Evangelie.
de hemelse gave gesmaakt hebben,
Dat is, het geloof, hetwelk hier gezegd wordt, dat zij gesmaakt hebben, niet omdat zij het in zijn rechte wezen immer zouden ontvangen hebben, maar omdat zij een klein begin en gelijkenis of schijn daarvan gevoeld hebben, gelijk het woord smaken ook tegen innemen gesteld wordt, Matt. 27:34; welk smaken Christus in de gelijkenis van den zaaier, Matt. 13:20-21, noemt een ontvangen des woords met blijdschap; hetwelk nochtans geen wortel, dat is, geen recht vertrouwen op Christus heeft, en geen behoorlijke vruchten in volstandigheid geeft, dewijl het op steenachtige aarde, dat is, in een hart, dat niet behoorlijk voor God is vernederd, noch bereid, gevallen is. En dat dit hier ook de mening is, blijkt uit vs.7 en elders, waar deze vergeleken worden met aarde, die den regen niet indrinkt, en derhalve in plaats van goed kruid, doornen en distelen voortbrengt.
Hertaald:
de hemelse gave gesmaakt hebben,
Dat is: het geloof. Van hen wordt hier gezegd dat zij dat gesmaakt hebben, niet omdat zij het ooit in zijn eigenlijke wezen ontvangen zouden hebben, maar omdat zij een klein begin en een gelijkenis of schijn daarvan gevoeld hebben. Zo wordt het woord smaken ook tegenover innemen gesteld, Matth. 27:34. Dat smaken noemt Christus in de gelijkenis van de zaaier, Matth. 13:20-21, een ontvangen van het Woord met blijdschap; maar dat heeft geen wortel, dat is: geen waar vertrouwen op Christus, en het geeft geen behoorlijke vruchten in standvastigheid, omdat het op steenachtige grond gevallen is, dat is: in een hart dat niet behoorlijk voor God vernederd en niet bereid is. Dat dit hier ook de bedoeling is, blijkt uit vers 7 en elders, waar deze mensen vergeleken worden met aarde die de regen niet indrinkt en die daarom in plaats van goed gewas doornen en distels voortbrengt.
des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn,
Dat is, enige gaven des Heiligen Geestes, die God in de eerste Kerk den discipelen mededeelde. Zie hiervan 1 Kor. 12:14.
Hertaald:
des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn,
Dat is: enige gaven van de Heilige Geest, die God in de eerste kerk aan de discipelen meedeelde. Zie hierover 1 Kor. 12:14.
het goede woord Gods,
Dat is, de beloften des evangelies, waar dezen ook enigen smaak van ontvangen hebben, gelijk van het woord van Johannes den Doper in sommige Joden gezegd wordt, Joh. 5:35, dat zij in zijn licht zich voor een korten tijd hebben willen verheugen.
Hertaald:
het goede woord Gods,
Dat is: de beloften van het Evangelie, waarvan ook deze mensen enige smaak ontvangen hebben, zoals van het woord van Johannes de Doper in sommige Joden gezegd wordt, Joh. 5:35, dat zij zich voor een korte tijd in zijn licht hebben willen verheugen.
de krachten der toekomende eeuw,
Dit kan geschikt van de krachten des eeuwigen levens verstaan worden, waarvan deze mensen ook somwijlen een kleinen smaak hebben, doordien zij dit woord met blijdschap ontvangen, en zich in de beloften van hetzelve een tijdlang verheugen, gelijk hiervoor vs.4 is aangewezen; en het woord smaken komt hiermede wel overeen.
Hertaald:
de krachten der toekomende eeuw,
Dit kan terecht verstaan worden van de krachten van het eeuwige leven, waarvan deze mensen ook soms een kleine smaak hebben, doordat zij dit woord met blijdschap ontvangen en zich een tijdlang in de beloften daarvan verheugen, zoals hiervoor bij vers 4 aangewezen is; en het woord smaken komt hiermee goed overeen.
afvallig worden,
Of vervallen, waardoor niet allerlei zonden worden verstaan, waarin de ware gelovigen ook somwijlen vervallen, gelijk David, Petrus, enz., die daarna tot bekering komen; maar een geheel vervallen of afval van den Christelijken godsdienst, en die moedwillig geschiedt, gelijk Hebr. 10:26, wordt uitgedrukt, en met lastering derzelve, tegen de getuigenis des Heiligen Geestes in hun gemoed, gevoed is, gelijk Christus betuigt Matt. 12:31.
Hertaald:
afvallig worden,
Of: vervallen. Daaronder worden niet allerlei zonden verstaan waarin ook de ware gelovigen soms vervallen, zoals David, Petrus, enzovoort, die daarna tot bekering komen. Het gaat om een geheel vervallen of een afval van de christelijke godsdienst, die moedwillig gebeurt, zoals in Hebr. 10:26 uitgedrukt wordt, en die gepaard gaat met lastering daarvan, tegen het getuigenis van de Heilige Geest in hun gemoed in, zoals Christus betuigt in Matth. 12:31.
[die, zeg ik]
Dit ziet op het voorgaande woord onmogelijk, vs.4. Het is dan onmogelijk die wederom te vernieuwen; welke onmogelijkheid niet alleen van de leraars te verstaan is, die tevergeefs zouden arbeiden om die te vernieuwen, of tot bekering te brengen, maar ook ten aanzien van Gods waarheid zelf, die eens dit rechtvaardig oordeel tegen hen heeft geveld, en niet veranderlijk is, en zich niet laat bespotten, Gal. 6:7; ja ook ten aanzien van Christus' verdienste, die deze moedwillig verzaken en verwerpen, gelijk volgt. Waarom ook Hebr. 10:26, gezegd wordt dat er geen offerande voor de zonde van zodanigen meer over is.
Hertaald:
[die, zeg ik]
Dit ziet op het voorgaande woord onmogelijk, vers 4. Het is dan onmogelijk hen weer te vernieuwen. Die onmogelijkheid moet niet alleen verstaan worden van de leraars, die tevergeefs zouden arbeiden om hen te vernieuwen of tot bekering te brengen, maar ook met het oog op Gods waarheid zelf, Die eenmaal dit rechtvaardige oordeel over hen geveld heeft en Die niet veranderlijk is en Zich niet laat bespotten, Gal. 6:7; ja ook met het oog op de verdienste van Christus, die zij moedwillig verzaken en verwerpen, zoals volgt. Daarom wordt in Hebr. 10:26 ook gezegd dat er voor de zonde van zulke mensen geen offer meer overblijft.
wederom te vernieuwen
Dit woord wederom ziet op den staat waaruit zij vervallen zijn, welke staat een begin was van de vernieuwing, zo zij daarin gebleven en behoorlijk voortgegaan hadden, tot welken stand zij zelfs niet kunnen wedergebracht worden. Anderen nemen deze woorden wederom vernieuwen, bloot voor: vernieuwd worden, gelijk het Griekse woord palin, dat is, wederom, door een oneigenlijke wijze van spreken Pleonasinus genoemd, dikwijls overschiet. Zie een voorbeeld Joh. 4:54, en Joh. 13:12; Hand. 18:21, en wordt alleen daar bijgevoegd om de zaak krachtiger te betuigen.
Hertaald:
wederom te vernieuwen
Dit woord weer ziet op de staat waaruit zij vervallen zijn. Die staat was een begin van de vernieuwing, als zij daarin gebleven waren en behoorlijk waren voortgegaan; en zelfs tot die staat kunnen zij niet teruggebracht worden. Anderen vatten deze woorden weer vernieuwen enkel op als: vernieuwd worden, omdat het Griekse woord palin, dat is: weer, dikwijls overtollig is door een oneigenlijke manier van spreken die pleonasme genoemd wordt. Zie een voorbeeld in Joh. 4:54 en Joh. 13:12; Hand. 18:21; het wordt daar alleen toegevoegd om de zaak krachtiger te betuigen.
als welke zichzelven
In deze woorden wordt nog een reden gegeven, waarom zulke afvalligen niet kunnen vernieuwd worden tot bekering, namelijk omdat zij Christus, dien de Vader tot een verzoening voor onze zonden heeft gegeven, zichzelf, dat is, zoveel in hen is, gelijk de Joden en heidenen tevoren aan Christus uiterlijk eens gedaan hadden, nieuwen smaad aandoen, en tegen hun gemoed tentoonstellen, of te schande te maken voor de gehele wereld, en tot hun verderf, hetwelk God niet ongewroken wil laten, gelijk dit Griekse woord paradeigmatizein ook betekent, Matt. 1:19, voor welk woord, Marc. 3:29, het woord blasphemein gebruikt wordt.
Hertaald:
als welke zichzelven
In deze woorden wordt nog een reden gegeven waarom zulke afvalligen niet tot bekering vernieuwd kunnen worden, namelijk omdat zij Christus, Die de Vader tot een verzoening voor onze zonden gegeven heeft, voor zichzelf — dat is: voor zover het in hen is, zoals de Joden en de heidenen dat eerder uiterlijk eenmaal aan Christus gedaan hadden — opnieuw smaad aandoen. Zij stellen Hem tegen hun gemoed in ten toon, of maken Hem te schande voor de hele wereld en tot hun eigen verderf; en dat wil God niet ongewroken laten, zoals dit Griekse woord paradeigmatizein ook betekent, Matth. 1:19, waarvoor in Mark. 3:29 het woord blasfèmein gebruikt wordt.
Want de aarde,
Door deze gelijkenis toont de apostel de billijkheid van dit zwaar oordeel Gods over zulke mensen, dewijl dergelijke zelfs onder de mensen over zulke aarde placht te geschieden.
Hertaald:
Want de aarde,
Met deze vergelijking laat de apostel de billijkheid van dit zware oordeel van God over zulke mensen zien, omdat iets dergelijks zelfs onder de mensen met zulke aarde gewoonlijk gebeurt.
ontvangt zegen van God;
Of, wordt de zegen van God deelachtig; dat is, wordt van God meer en meer bekwaam gemaakt om meer vruchten voort te brengen.
Hertaald:
ontvangt zegen van God;
Of: krijgt deel aan de zegen van God; dat is: wordt door God meer en meer geschikt gemaakt om meer vruchten voort te brengen.
nabij de vervloeking,
Dat is, om geheel verlaten, en als ene vervloekte zaak tot den brand over gegeven te worden.
Hertaald:
nabij de vervloeking,
Dat is: om geheel verlaten en als een vervloekte zaak aan de brand overgegeven te worden.
Maar, geliefden
Met deze woorden verzacht de apostel het voorgaande dreigement en verklaart in het vervolg waarom hij de zware straf der afvalligen hun voorgedragen heeft, namelijk niet omdat hij hen voor zodanigen zou houden, maar om hen te waarschuwen en tot vasthouden aan de leer des evangelies en Gods beloften te vermanen.
Hertaald:
Maar, geliefden
Met deze woorden verzacht de apostel de voorgaande dreiging. In het vervolg verklaart hij waarom hij hun de zware straf van de afvalligen voorgehouden heeft. Dat was niet omdat hij hen voor zulke mensen zou houden, maar om hen te waarschuwen en aan te sporen om vast te houden aan de leer van het Evangelie en aan Gods beloften.
met de zaligheid gevoegd,
Of, de zaligheid aanklevende.
Hertaald:
met de zaligheid gevoegd,
Of: die de zaligheid aanhangen.
alzo spreken
Dat is, zulk een zwaar oordeel uitspreken tegen de afvalligen.
Hertaald:
alzo spreken
Dat is: zulk een zwaar oordeel uitspreken over de afvalligen.
onrechtvaardig,
Dat is, ontrouw, of onstandvastig in het volbrengen van zijn beloften, gelijk Gods waarheid en standvastigheid in deze ook de rechtvaardigheid Gods doorgaans genoemd wordt; zie Ps. 143:1; 1 Joh. 1:9.
Hertaald:
onrechtvaardig,
Dat is: ontrouw, of onstandvastig in het volbrengen van Zijn beloften. Zo wordt Gods waarheid en standvastigheid hierin telkens ook de rechtvaardigheid van God genoemd; zie Ps. 143:1; 1 Joh. 1:9.
uw werk zou
Namelijk het ware geloof, dat hij in u reeds heeft gewrocht, Fil. 1:29.
Hertaald:
uw werk zou
Namelijk het ware geloof, dat Hij al in u gewerkt heeft, Filipp. 1:29.
vergeten,
Namelijk dat hij het, volgens zijne belofte, tot het einde toe in u niet zou volbrengen, Fil. 1:6, en hier namaals niet genadig zou belonen.
Hertaald:
vergeten,
Namelijk dat Hij het naar Zijn belofte niet tot het einde toe in u zou volbrengen, Filipp. 1:6, en dat Hij het hierna niet genadig zou belonen.
aan Zijn Naam bewezen hebt,
Of, in zijnen naam, dat is, niet alleen uit enige menselijke beweging tegen de armen en verdrukten, maar omdat zij om den naam Gods, en om de belijdenis van Christus leden, hetwelk een eigenschap is des waren geloofs en der ware liefde, die Christus niet onbeloond laat; zie Matt. 10:41-42, en Matt. 25:40; Marc. 9:41.
Hertaald:
aan Zijn Naam bewezen hebt,
Of: in Zijn naam; dat is: niet alleen uit enige menselijke ontroering tegenover de armen en de verdrukten, maar omdat zij om de naam van God en om de belijdenis van Christus leden. Dat is een eigenschap van het ware geloof en van de ware liefde, die Christus niet onbeloond laat; zie Matth. 10:41-42 en Matth. 25:40; Mark. 9:41.
tot de volle verzekerdheid der hoop,
Want gelijk de hoop der zaligheid uit het geloof voortkomt, alzo wordt deze hoop ook meer en meer gesterkt door de ware vruchten des geloofs. Zie 2 Petr. 1:10.
Hertaald:
tot de volle verzekerdheid der hoop,
Want zoals de hoop op de zaligheid uit het geloof voortkomt, zo wordt deze hoop ook meer en meer gesterkt door de ware vruchten van het geloof. Zie 2 Petr. 1:10.
tot het einde toe;
Namelijk van uw leven, want die volstandig blijft tot het einde, die zal zalig worden; Matt. 10:22.
Hertaald:
tot het einde toe;
Namelijk het einde van uw leven. Want wie standvastig blijft tot het einde, die zal zalig worden; Matth. 10:22.
lankmoedigheid
Dat is, lijdzame verwachting van de volbrenging van Gods belofte, gelijk hij daarna met het voorbeeld van Abraham en van alle ware gelovigen bewijst.
Hertaald:
lankmoedigheid
Dat is: geduldige verwachting van de vervulling van Gods belofte, zoals hij daarna met het voorbeeld van Abraham en van alle ware gelovigen bewijst.
de beloftenissen beërven
Dat is, de beloofde erve in den hemel nu genieten.
Hertaald:
de beloftenissen beërven
Dat is: de beloofde erfenis in de hemel nu genieten.
als God aan Abraham
De apostel bewijst met het voorbeeld van Abraham, den vader aller gelovigen, hetgeen hij in vs.12 van al de gelovige voorvaders had betuigd.
Hertaald:
als God aan Abraham
De apostel bewijst met het voorbeeld van Abraham, de vader van alle gelovigen, wat hij in vers 12 over alle gelovige voorvaders betuigd had.
de belofte deed,
Namelijk Gen. 22:16, wanneer Abraham zijn zoon had geofferd, in welke beloften alle lichamelijke en geestelijke beloften zijn begrepen, namelijk van het beloofde zaad, en van de vermenigvuldiging van zijn zaad als van den vader van alle gelovigen, waarvan zie nadere verklaring Rom. 4:16; Gal. 3:14, enz.
Hertaald:
de belofte deed,
Namelijk in Gen. 22:16, toen Abraham zijn zoon geofferd had. In die belofte zijn alle lichamelijke en geestelijke beloften begrepen, namelijk die van het beloofde zaad en die van de vermeerdering van zijn zaad als van de vader van alle gelovigen; zie daarover de nadere verklaring bij Rom. 4:16; Gal. 3:14, enzovoort.
Waarlijk,
Dit woord staat wel in den Hebreeuwschen tekst niet, mar wordt uit de Grieksen overzetting van Paulus daarbij verhaald, daat het in den zin zelf begrepen is. Anderen houden dat het woord ki, hetwelk in den Hebreeuwsen tekst staat, somwijlen ook waarlijk betekent; Job 8:6; Spr. 30:2.
Hertaald:
Waarlijk,
Dit woord staat wel niet in de Hebreeuwse tekst, maar het wordt door Paulus uit de Griekse vertaling daarbij aangehaald, omdat het in de betekenis zelf begrepen is. Anderen houden het ervoor dat het woord ki, dat in de Hebreeuwse tekst staat, soms ook waarlijk betekent; Job 8:6; Spr. 30:2.
zegenende zal Ik u zegenen,
Dat is, zeer overvloedig en gedurig zegenen en zeer vermenigvuldigen.
Hertaald:
zegenende zal Ik u zegenen,
Dat is: zeer overvloedig en voortdurend zegenen en zeer vermeerderen.
lankmoediglijk verwacht hebbende,
Grieks lankmoedigheid geweest zijnde.
Hertaald:
lankmoediglijk verwacht hebbende,
Grieks: lankmoedig geweest zijnde.
de belofte verkregen
Dat is, hetgeen God beloofd had; gelijk vs.12.
Hertaald:
de belofte verkregen
Dat is: wat God beloofd had, zoals in vers 12.
bij den meerdere
Namelijk bij God. Want andere eden worden in Gods woord veroordeeld. Zie Deut. 6:13; Jer. 4:2, en Jer. 5:7. De reden is, omdat God alleen de harten der mensen kent, en alle mensen, hoe groot zij zijn, kan straffen, zo zij vals zweren.
Hertaald:
bij den meerdere
Namelijk bij God. Want andere eden worden in Gods Woord veroordeeld. Zie Deut. 6:13; Jer. 4:2 en Jer. 5:7. De reden is dat God alleen de harten van de mensen kent en dat Hij alle mensen, hoe groot zij ook zijn, kan straffen als zij valselijk zweren.
eed
Dat is, de wettelijke en behoorlijke eed van mensen, op welke niets te zeggen valt.
Hertaald:
eed
Dat is: de wettige en behoorlijke eed van mensen, waarop niets te zeggen valt.
tot bevestiging
Namelijk van de beloften die aan iemand gedaan worden. Want alzo er tweeërlei soort van eed is, een van zaken die geschied zijn, om de waarheid daarvan te betuigen, en een van hetgeen beloofd wordt, om van de toekomende onderhouding anderen te verzekeren, spreekt Paulus hier inzonderheid van de laatste soort des eeds.
Hertaald:
tot bevestiging
Namelijk tot bevestiging van de beloften die aan iemand gedaan worden. Want er zijn twee soorten eden: één over zaken die gebeurd zijn, om de waarheid daarvan te betuigen, en één over wat beloofd wordt, om anderen te verzekeren dat het in de toekomst nagekomen wordt. Paulus spreekt hier in het bijzonder over die laatste soort eed.
daartussen is gekomen;
Of heeft door een eed gemiddeld; dat is, het middel van een eed gebruikt.
Hertaald:
daartussen is gekomen;
Of: heeft door een eed daartussen gekomen; dat is: heeft het middel van een eed gebruikt.
door twee onveranderlijke dingen,
Dat is, zijn beloften en zijn eed, die beide onveranderlijk zijn.
Hertaald:
door twee onveranderlijke dingen,
Dat is: Zijn beloften en Zijn eed, die beide onveranderlijk zijn.
de voorgestelde hoop
Dat is, de lijdzame verwachting van de vervulling der beloften door het geloof van ons aangenomen, Rom. 8:24-25, zo, dat het woord hoop alhier in zijn eigen betekenis wordt genomen.
Hertaald:
de voorgestelde hoop
Dat is: de geduldige verwachting van de vervulling van de beloften die wij door het geloof aangenomen hebben, Rom. 8:24-25; zo wordt het woord hoop hier in zijn eigenlijke betekenis gebruikt.
Welke wij hebben
Namelijk hoop wij gelovigen hebben, enz.
Hertaald:
Welke wij hebben
Namelijk welke hoop wij gelovigen hebben, enzovoort.
als een anker der ziel,
Dat is, waar de ziel zich mede vasthoudt aan Gods beloften, tegen alle bewegingen en stormen der wereld; gelijk een schip met zijn anker in zee tegen alle stormen.
Hertaald:
als een anker der ziel,
Dat is: waarmee de ziel zich aan Gods beloften vasthoudt, tegen alle bewegingen en stormen van de wereld, zoals een schip zich met zijn anker in de zee tegen alle stormen vasthoudt.
in het binnenste van het voorhangsel;
Dat is, den hemel, waar Christus is zittende ter rechterhand Gods en voor ons bidt; hetwelk door den ingang des hogepriesters in het heilige der heiligen beduid werd, gelijk hierna verklaard wordt, Hebr. 9:24.
Hertaald:
in het binnenste van het voorhangsel;
Dat is: de hemel, waar Christus is, terwijl Hij aan de rechterhand van God zit en voor ons bidt. Dat werd aangeduid door het ingaan van de hogepriester in het heilige der heiligen, zoals hierna verklaard wordt, Hebr. 9:24.
de Voorloper voor ons is ingegaan,
Namelijk die voor ons daarin gegaan is, om ons een plaats te bereiden, Joh. 14:2-3.
Hertaald:
de Voorloper voor ons is ingegaan,
Namelijk Die voor ons daarin gegaan is om voor ons een plaats te bereiden, Joh. 14:2-3.
Melchizédek,
Dit voegt de apostel daarbij, om alzo weder te keren tot de verklaring van het koninklijk priesterdom van Christus, hetwelk hij had afgebroken, Hebr. 5:11, enz.; en herneemt die weder in het Hebr. 7.
Hertaald:
Melchizédek,
Dit voegt de apostel eraan toe om zo weer terug te keren tot de verklaring van het koninklijke priesterschap van Christus, die hij afgebroken had, Hebr. 5:11, enzovoort; hij neemt die weer op in hoofdstuk 7. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, en gesmaakt hebben het goede woord Gods, en de krachten der toekomende eeuw, en afvallig worden, die, zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekering, als welke zichzelven den Zoon van God wederom kruisigen en openlijk te schande maken" (Hebr. 6:4-6). Het hoofdstuk sluit echter niet bij deze dreiging, maar bij een sterke, blijvende troost: God heeft Zijn belofte met een eed bekrachtigd, "opdat wij, door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben" (Hebr. 6:17-18), een hoop "als een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is" (Hebr. 6:19). Bijbelse betekenis: De opgesomde ervaringen — verlicht, gesmaakt hebben, deelachtig geworden — beschrijven een reële, waarneembare betrokkenheid bij het Evangelie en zijn gaven, maar niet noodzakelijk de innerlijke, wedergenererende genade zelf. De tekst is een ernstige waarschuwing tegen het opzettelijk en definitief verwerpen van wat men uiterlijk gesmaakt heeft. Het is geen leerstuk dat een waarachtig wedergeboren gelovige alsnog voor eeuwig verloren zou kunnen gaan. Deze lezing sluit aan bij wat in dit register al is vastgehouden bij Wijnstok en ranken (Joh. 15): het onderscheid tussen een levende, vruchtdragende verbondenheid en een louter uiterlijke, die weer wegvalt. Vlak na deze waarschuwing volgt overigens Gods eigen, onwankelbare trouw als het echte fundament van de zekerheid van de ware gelovige. Typologie: Ditzelfde gevaar van een vreugdevolle, maar wortelloze ontvangst van het Woord tekent de Heere Jezus in de gelijkenis van de zaaier: "die in steenachtige plaatsen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort, en dat terstond met vreugde ontvangt; Doch hij heeft geen wortel in zichzelven, maar is voor een tijd; en als verdrukking of vervolging komt, om des Woords wil, zo wordt hij terstond geergerd" (Matt. 13:20-21). Hebr. 6:4-6,17-19 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het beloofde Zaad niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe De brief heeft ernstig gewaarschuwd tegen afvallen, en de lezers zijn moe. Dan schakelt de schrijver over op iets dat vaststaat, en hij gaat daarvoor terug naar de berg Moria. God deed er bij Zijn belofte een eed bij, en de brief zegt waarom: opdat wij houvast zouden hebben. **Waar hij begint.** Bij Abraham, en bij het ogenblik na de berg: zekerlijk zal Ik u zegenen, en vermenigvuldigende zal Ik u vermenigvuldigen. Die woorden vielen toen de hand met het mes al opgeheven was geweest. En dan: “En alzo, lankmoediglijk verwacht hebbende, heeft hij de belofte verkregen.” Vijfentwintig jaar tussen de belofte en Izak. **Wat er zo bijzonder aan is.** Mensen zweren bij iemand die groter is dan zijzelf, en daarmee houdt de tegenspraak op. Maar God heeft niemand boven Zich. Hij zwoer dus bij Zichzelf. “Waarin God, willende den erfgenamen der beloftenis overvloediger bewijzen de onveranderlijkheid van Zijn raad, met een eed daartussen is gekomen.” Hij hoefde het niet te doen. Zijn woord was genoeg. De eed is er niet omdat Hij anders niet te vertrouwen zou zijn, maar omdat wij het anders niet zouden geloven. **De twee onveranderlijke dingen.** Het woord en de eed: “Opdat wij, door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben.” **Het beeld.** “Welke wij hebben als een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is, en ingaat in het binnenste van het voorhangsel.” Een anker gaat naar beneden, in duister water dat niemand ziet. Dit gaat naar binnen, achter het voorhangsel — de plaats waar één man één keer per jaar mocht komen. Het houvast van de gelovige ligt dus op de enige plek waar hij zelf niet kan komen. **En wie er ligt.** “Daar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus.” Een voorloper is iemand die vast vooruitgaat waar de anderen komen zullen. Dat woord kon van de hogepriester nooit gezegd worden: hij ging naar binnen en kwam er weer uit, en niemand ging achter hem aan. **Waarom dit bij de zaadlijn hoort.** De eed van Moria ging over het zaad: in uw zaad zullen alle volken der aarde gezegend worden. De brief zegt hier dat wij de erfgenamen van diezelfde belofte zijn. En de zekerheid ervan hangt niet aan ons, maar aan een eed die God bij Zichzelf gezworen heeft. In het Nieuwe Testament: Genesis 22:16-18; Genesis 21:5; Leviticus 16:2; Hebreeën 9:12; Galaten 3:29; Hebreeën 7:25 Hoever dit reikt: De brief haalt Genesis 22 uitdrukkelijk aan; daarop rust het niveau. Wat het anker en de voorloper betekenen wordt hier in beeld gezegd; de brief werkt het in hoofdstuk negen uit met het ingaan door Zijn eigen bloed. Dat het lange wachten van Abraham vijfentwintig jaar duurde, volgt uit Genesis 12 en 21 en staat hier niet.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas “Maar,” zegt iemand, “als christenen niet kunnen afvallen, waarom staat deze tekst er dan in om ons bang te maken voor een gevaar dat niet werkelijk bestaat?” Als God deze tekst in Zijn Woord heeft opgenomen, heeft Hij dat gedaan met wijze redenen en goede bedoelingen. De waarschuwing is juist bedoeld om ons ervoor te bewaren dat wij afvallen. God bewaart Zijn kinderen, maar Hij doet dat door middelen te gebruiken. Eén van die middelen is dat Hij ons laat zien wat er zou gebeuren als wij van Hem zouden afvallen. Er is een steile afgrond. Wat is de beste manier om iemand ervan te weerhouden daar te dicht bij te komen? Door hem te waarschuwen dat hij, als hij erin zou vallen, onvermijdelijk te pletter zou slaan. Juist doordat hem de verschrikkelijke gevolgen worden voorgehouden, wordt hij ervan weerhouden in de buurt van de afgrond te komen. Een vriend zet een beker met arsenicum weg en zegt: “Als je dit drinkt, zal het je doden.” Denkt hij dan ook maar een ogenblik dat wij het werkelijk zullen drinken? Nee. Hij houdt ons de gevolgen voor en vertrouwt erop dat deze waarschuwing ons ervan zal weerhouden het te doen. Zo zegt God als het ware: “Mijn kind, als je over deze afgrond valt, zul je te pletter slaan.” En wat doet het kind? Het zegt: “Vader, bewaar mij. Houd mij vast, dan zal ik veilig zijn.” Zo brengt Gods waarschuwing de gelovige tot een grotere afhankelijkheid van Hem, tot heilige vrees en geestelijke voorzichtigheid. Juist deze heilige vrees wordt door God gebruikt om de christen ervoor te bewaren dat hij van Hem afvalt. Een preek uitgesproken op zondagmorgen 20 april 1856, door C.H. Spurgeon, in The New Park Street Chapel, Southwark. Want het is onmogelijk voor hen die ooit verlicht zijn… Waarin God, willende den erfgenamen der beloftenis overvloediger bewijzen de onveranderlijkheid van Zijn raad, met een eed daar is tussengekomen; Opdat wij door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Hebreeën 6
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Een eed daartussen gekomen — 6:13-20
Wat betekenen de niveaus?
Ter overdenking
Verdiepende artikelen
Volharding tot het einde
Het Anker


Hebreeën 6
Hebreeën 6:1
KruisverwijzingenHebreeën 5:12→Hebreeën 9:14→2 Korinthe 7:10→Ezechiël 18:30→Markus 1:1→Zacharia 12:10→Galaten 5:19→Hebreeën 11:6→— Daarom, nalatende het beginsel der leer van Christus, laat ons tot de volmaaktheid voortvaren; niet wederom leggende het fondament van de bekering van dode werken, en van het geloof in God,
Laten wij van de school naar de universiteit gaan, laten wij onze eerste spelboekjes achter ons laten, en voortgaan naar de hogere klassieken van het koninkrijk. Laten wij ervoor zorgen dat het fundament gelegd is, maar laten wij het niet telkens opnieuw hoeven te leggen. Laten wij voortgaan met geloven en met boete doen, zoals wij gedaan hebben; maar laten wij niet opnieuw hoeven te beginnen met geloven en met boete doen. Laten wij voortgaan naar iets voorbij dat stadium van ervaring.
Hebreeën 6:2-3
KruisverwijzingenHandelingen 17:31→Handelingen 6:6→Handelingen 18:21→Handelingen 17:18→1 Korinthe 16:7→Kolossenzen 2:12→Lukas 14:14→Romeinen 6:3→— Van de leer der dopen, en van de oplegging der handen, en van de opstanding der doden, en van het eeuwig oordeel. En dit zullen wij ook doen, indien het God toelaat.
Laten wij deze dingen als vaststaand aannemen, en er nooit meer over redetwisten, maar voortgaan naar nog hogere zaken. Wij moeten blijven voortgaan; er bestaat in het christelijke leven niet zoiets als stilstaan, en wij mogen ons niet omkeren.
Hebreeën 6:4-6
Kruisverwijzingen2 Petrus 2:20→Hebreeën 10:29→Hebreeën 10:32→Hebreeën 10:26→Jesaja 1:28→Hebreeën 6:4→2 Petrus 2:21→Mattheüs 5:13→— Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, En gesmaakt hebben het goede woord Gods, en de krachten der toekomende eeuw, En afvallig worden, die, zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekering, als welke zichzelven den Zoon van God wederom kruisigen en openlijk te schande maken.
Er is een groot verschil tussen vallen en afvallig worden. Een gelovige kan wel eens afdwalen; maar bekeert hij zich, dan is er barmhartigheid voor hem. Afvallig worden zou zijn, dat de Heilige Geest een mens geheel zou verlaten, dat Zijn genade geheel zou ophouden. Er wordt hier dan ook niet gesproken over incidenteel struikelen, maar over “afvallig worden”: het ophouden van de godsdienst die zij beleden hebben om nog enige kracht over hen te hebben. Dan zal het onmogelijk zijn. Als bij enige belijders al de processen van de genade zouden falen, wat is er dan nog te doen? Stel dat de genade van God hen niet in staat stelt de wereld te overwinnen. Stel dat het bloed van Christus hen niet reinigt van de zonde: wat kan er dan nog meer gedaan worden? In die veronderstelling zou Gods uiterste beproefd zijn, en gefaald hebben. Merk op dat Paulus niet zegt dat dit ooit werkelijk zou kunnen gebeuren. Maar als het kon, zou de betrokken persoon zijn als een stuk grond dat niets anders voortbrengt dan doornen en distelen.
Hebreeën 6:7-8
KruisverwijzingenGenesis 3:17→Maleachi 4:1→Deuteronomium 29:28→Jeremia 44:22→Lukas 13:7→Jesaja 5:1→Johannes 15:6→Jesaja 44:3→— Want de aarde, die den regen, menigmaal op haar komende, indrinkt, en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen, door welke zij ook gebouwd wordt, die ontvangt zegen van God; Maar die doornen en distelen draagt, die is verwerpelijk, en nabij de vervloeking, welker einde is tot verbranding.
Is er, na het ploegen van deze grond en het zaaien ervan, en nadat zij besproeid is door de dauw en de regen van de hemel, nooit een goede oogst uit voortgekomen? Dan zou elke wijze man ophouden haar te bewerken. Hij zou zeggen: “Al mijn arbeid is verspild aan zo’n stuk grond; er kan niets meer mee gedaan worden, want na al mijn inspanning brengt zij niets dan onkruid voort, dus nu moet zij aan zichzelf overgelaten worden.” Ziet u, dierbare hoorders, was het mogelijk dat het werk van de genade in uw ziel vergeefs zou zijn, dan kon er niets meer voor u gedaan worden. Gods uiterste inspanning is dan al aan u besteed, en er blijft geen andere weg tot zaligheid voor u over.
Hebreeën 6:9
KruisverwijzingenHebreeën 6:4→2 Korinthe 7:10→Handelingen 20:21→Mattheüs 5:3→Titus 2:11→1 Thessalonicenzen 1:3→Hebreeën 5:9→Hebreeën 10:34→— Maar, geliefden! wij verzekeren ons van u betere dingen, en met de zaligheid gevoegd, hoewel wij alzo spreken.
Hoe hard de woorden van de apostel ook mogen klinken, zij zijn niet bedoeld voor u die werkelijk in Christus gelooft. Zij zijn niet bedoeld voor wie de Heilige Geest een volkomen verandering van hart en leven gewerkt heeft. Paulus spreekt niet over zulken.
Hebreeën 6:10
KruisverwijzingenMattheüs 10:42→1 Thessalonicenzen 1:3→Spreuken 14:31→Handelingen 10:4→Hebreeën 13:16→Mattheüs 25:35→Kolossenzen 3:17→Filemon 1:5→— Want God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk zou vergeten, en den arbeid der liefde, die gij aan Zijn Naam bewezen hebt, als die de heiligen gediend hebt en nog dient.
Hebt u door uw werken bewezen dat de genade van God in u is, dan zal God u niet vergeten. Hij zal u niet verlaten, Hij zal u niet verstoten.
Hebreeën 6:11
KruisverwijzingenHebreeën 3:6→Hebreeën 3:14→1 Korinthe 15:58→Hebreeën 10:22→Romeinen 5:2→1 Johannes 3:14→Romeinen 8:24→Filippenzen 3:15→— Maar wij begeren, dat een iegelijk van u dezelfde naarstigheid bewijze, tot de volle verzekerdheid der hoop, tot het einde toe;
Houd het vol; wees vandaag even ernstig als twintig jaar geleden, toen u gedoopt werd en zich bij de gemeente voegde: “dezelfde naarstigheid bewijze, tot de volle verzekerdheid der hoop, tot het einde toe.”
Hebreeën 6:12-15
KruisverwijzingenHebreeën 13:7→Hebreeën 10:36→Spreuken 24:30→Lukas 1:73→Jeremia 6:16→Spreuken 18:9→Hebreeën 5:11→1 Johannes 2:25→— Opdat gij niet traag wordt, maar navolgers zijt dergenen, die door geloof en lankmoedigheid de beloftenissen beerven. Want als God aan Abraham de belofte deed, dewijl Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelven, Zeggende: Waarlijk, zegenende zal Ik u zegenen, en vermenigvuldigende zal Ik u vermenigvuldigen. En alzo, lankmoediglijk verwacht hebbende, heeft hij de belofte verkregen.
Daarom, broeders, moeten ook u en ik geduldig volharden, standhouden tot het einde toe, en Gods zekere belofte zal ons nooit ontbreken.
Hebreeën 6:16-18
KruisverwijzingenTitus 1:2→Numeri 23:19→Hebreeën 11:9→Exodus 22:11→Spreuken 19:21→Hebreeën 6:18→1 Samuël 15:29→Jesaja 27:5→— Want de mensen zweren wel bij den meerdere dan zij zijn, en de eed tot bevestiging is denzelven een einde van alle tegenspreken; Waarin God, willende den erfgenamen der beloftenis overvloediger bewijzen de onveranderlijkheid van Zijn raad, met een eed daartussen is gekomen; Opdat wij, door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben, wij namelijk, die de toevlucht genomen hebben, om de voorgestelde hoop vast te houden;
Het lijkt een grote verandering in dit hoofdstuk, van de droeve toon aan het begin naar de blijde klank aan het einde. Maar er is inderdaad geen tegenspraak tussen beide. Paulus geeft ons slechts twee kanten van de waarheid, allebei even waar: de ene nodig voor onze waarschuwing, de andere heerlijk tot onze vertroosting. God zal u niet verlaten, broeders; Hij heeft Zich door een verbond aan u verbonden, en Hij heeft een eed gegeven dat Zijn verbond zal standhouden.
Hebreeën 6:19-20
KruisverwijzingenHebreeën 4:14→Romeinen 8:28→Hebreeën 9:3→Leviticus 16:2→Hebreeën 9:7→Leviticus 16:15→Hebreeën 5:6→Psalmen 43:5→— Welke wij hebben als een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is, en ingaat in het binnenste van het voorhangsel; Daar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizedek, een Hogepriester geworden zijnde in der eeuwigheid.
Zeelieden werpen hun ankers naar beneden; wij werpen het onze naar boven. Hun anker gaat door het voorhangsel van de wateren, naar de diepten van de zee. Het onze gaat door het voorhangsel van de heerlijkheid, naar de hoogten van de hemel, waar Jezus zit aan de rechterhand van God.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Laten wij ons daarom richten op de volmaaktheid, omdat het met de lange tijd dat gij christen zijt, beter overeenkomt u vast voedsel dan melk te geven en laten we het beginsel van de leer van Christus, de christelijke leer in haar eerste beginselen, die melk voor de onervarenen (hoofst. 5: 12v.), laten rusten. Laat ons zonder verder omhaal van woorden overgaan tot een zaak die alleen met de volwassenen (hoofst. 5: 14) kan worden behandeld. Wij willen dat doen, niet weer (hoofst. 5: 11) alsof gij nog ongeoefend was, door het fundament van de bekering van dode werken en van het geloof in God te leggen. Daarvan zouden wij moeten spreken als wij mensen voor ons hadden die nog bekeerd moesten worden van farizese werkheiligheid en die nog zonder het levend geloof in God zijn gebleven (hoofst. 9: 14 Jak. 2: 19).
De apostel schijnt in deze woorden te zinspelen op het bouwen van een huis. Hij wil zeggen dat wie hierin eerst een goed en zeker fundament leggen, doch daar niet bij blijven, maar voortvaren in het gebouw op te trekken. Zo is het ook niet genoeg en voldoende, niet verder in de christelijke godsdienst te komen dan tot de kennis van de eerste beginselen daarvan; maar men moet trachten en zich inspannen om een volmaaktere trap en mate van kennis in de verborgenheden van het evangelie te verkrijgen. De mening van de apostel is niet dat wij de beginselen van Christus’ leer zo zullen nalaten dat wij ze terzijde zullen stellen, maar wij moeten ze daar laten om vandaar uit verder te gaan en te vorderen in de kennis van de christelijke leer.
Geloof en bekering kunnen nooit van elkaar gescheiden worden: de boetvaardige zondaar verlaat zijn zonden en wendt zich door bekering af van zijn zonden en tot die God, in wie hij gelooft. Het geloof in God betekent hier niet het geloof in het wezen en de volmaaktheden van God, dit leert zelfs het licht van de natuur, maar er wordt iets meer vereist in het geloof van de christen. Gij gelooft in God, zegt Christus, gelooft ook in Mij. Het betekent hier dus een geloof in God, als vervulling van de grote belofte, aan Abraham gedaan, om Christus, om Jezus Christus de Messias te zenden en vergeving van de zonden door Hem te schenken. Dus wanneer deze twee leerstukken, die zo dikwijls samengevoegd zijn in de heilige Schrift, geloof en bekering, door de apostel Paulus gemeld worden, verkondigt hij zowel aan Joden als aan Grieken de bekering tot God en het geloof in onze Heere Jezus Christus. En als wij de redevoering van Petrus inzien, waardoor als het ware het fundament gelegd wordt onder de Hebreeërs, zullen wij vinden dat het geloof, dat hij hun leerde, een geloof in God was, als vervulling van Zijn beloften.
Evenmin willen wij weer spreken over de leer van de doop, de doop in de naam van Christus (Hand. 2: 38) in tegenstelling tot het dopen van de mozaïsme (hoofst. 9: 10 b) en van de johanneïsche doop (1 Joh. 5: 6), waaromtrent de dopelingen worden onderricht (Hand. 2: 42) en over de oplegging van handen, die bij de doop plaats heeft en waarbij de Heilige Geest wordt toegedeeld (Hand. 8: 17; 19: 6)en over de opstanding van de doden en het eeuwig oordeel, die voor het christelijk leven zo belangrijke artikelen van het geloof en van de hoop (Hand. 24: 15v., 25; 26: 23; 17: 31).
Het meervoudig “dopen” duidt hier misschien niet meer aan dan het enkelvoudig “doop” of “doop bij uitnemendheid. ” Er was toch bij de Joden ook een doop van de proselieten bekend; en misschien eisten wel de Joodse christenen in Palestina dat een heiden die tot het christendom overging, eerst de doop van de proselieten aan zich liet bedienen, voor hij de christelijke doop ontving. Wellicht wordt ook op de doop van Johannes en die van Christus gedoeld. (V. D. PALM).
En dit, wat wij voor het ogenblik nog nalaten, zullen wij echter niet geheel voorbijzien, maar dat ook later doen en u dus de eerste gronden nog eens herinneren, a) indien God het toelaat en u bewaart voor afval van Christus; want als u afvallig wordt, dan zullen wij u moeten opgeven en niets meer tot uw vernieuwing kunnen doen.
Hand. 18: 21; 1 Kor. 4: 19
Als datgene waaruit het beginsel zou bestaan, noemt de schrijver in de eerste plaats bekering of verandering van gezindheid, zodat men zich van dode werken afkeert en geloof, dat zich tot God keert. Hij noemt niet de leerstukken die hierover handelen, maar dit zelf, dat men van andere gezindheid en gelovig wordt; want het gebouw, waarvan de grondlegging niet opnieuw geschieden moet, is het herstel van een christelijke staat en niet het oprichten van een gebouw van leerstellingen. De uitdrukking “de dode werken” omvat alle werken waarin het leven van God niet woont. De schrijver gebruikt die uitdrukking om onder hetgeen waarvan de christen zich in de eerste plaats moet afkeren, ook alle werken van de wet, zoals de natuurlijke mens die doet, te vatten; het zich afwenden van alle werken van de natuurlijke mens, hetzij wetsovertreding of wetsvervulling, is tevens een zich gelovig wenden tot God, een teken dat men tot Hem, de levende, ook graag in een levende relatie zou willen treden (Hand. 2: 37; 9: 6; 16: 30 en beiden tezamen, dat afkeren en dit zich toekeren, leidt tot op de drempel van het christendom. In de vertaling van Luther vinden wij, misschien niet ten onrechte, in plaats van “leer van de dopen”, “van de dopen, van de leer”, zodat wij een zevental stukken vinden die ons aan de Handelingen van de apostelen doen denken. De drieduizend op de dag van het Pinksterfeest lieten zich dopen, waren volhardend in de leer van de apostelen, hadden onder handoplegging de Heilige Geest ontvangen en wachtten nu, zoals ook Paulus, eveneens een christen uit de Joden, van zichzelf betuigt, op de opstanding van de doden in het toekomende oordeel; in die hoop oefenden zij zich dan om een onbevlekt geweten te hebben, zowel voor God als voor mensen, waartoe zij aanleiding vonden in de wet van Mozes. Daarom gingen zij in de Joodse synagogen nog elke sabbatdag luisteren naar de lezing (Hand. 15: 21), terwijl zij die nu niet meer verstonden naar de stellingen van de ouden, maar volgens Christus’ uitleg in de bergrede (MATTHEUS. 6: 20vv.), omdat zij toch van de dode werken bekeerd waren en in God gelovig waren geworden. Op deze wijze heeft Jakobus II de rechtvaardige hen geleerd, zoals zijn brief dat bewijst. Ook de schrijver van onze brief wil hen weer in dit grondbeginsel van hun christendom leiden, als het hem met dit schrijven lukt hen voor afval van Christus en terugkeren tot het Jodendom te bewaren. Een zwaar oordeel zou hen treffen als zij afvielen en tot het oude terugkeerden: dat is het waarop hij hen in vs. 4-8 wijst. Hij heeft echter, zoals hij in vs. 9-20 te kennen geeft, een goed vertrouwen in hen en belooft daarom in hoofst. 13: 19 en 23 dat hij spoedig met Timotheus tot hen zal komen. Die belofte heeft hij, nadat hij eerst, zoals wij aannemen te Antiochië in Syrië met de apostel Johannes een samenkomst heeft gehad en deze volgens opdracht van de nu heengegane Paulus tot verhuizing naar Efeze bewogen heeft, te zijner tijd ook vervuld. Hij heeft toen zo’n invloed op de gemeente uitgeoefend dat hij haar later, toen in oktober van het jaar 66 het uur voor haar was gekomen om naar aanwijzing van de Heere Jeruzalem en het Joodse land te verlaten (Luk. 21: 20vv.), haar vandaar kunnen uitleiden en naar Pella, de plaats van zijn eigen woning, in veiligheid kunnen brengen. Wij houden, zoals reeds meermalen door ons is te kennen gegeven en ook in het woord van Origenes, dat wij boven deze brief als motto hebben geplaatst, Lukas voor de schrijver van de brief. In hem heeft de school van Paulus door hetgeen de brief over Christus’ persoon en ambt leert, aan de in vs. 1v. op juiste wijze voorgestelde, vooral door Jakobus II ontwikkelde christelijke staat van de Hebreeuwse gemeenten, die echter nog niet voldoende was om het Jodendom te overwinnen en zich daarvan te emanciperen, toegevoegd wat nog ontbrak (vgl. Rom. 1: 11).
a) Want het is onmogelijk degenen, die eens verlicht geweest zijn, op wie eenmaal het licht van het evangelie heeft geschenen (hoofst. 10: 26, 32) en de hemelse gave van vrede en rust in hun hart gesmaakt hebben (Hand. 2: 38 Rom. 5: 1 Fil. 4: 7) en deel hebben gekregen aan de Heilige Geest,
MATTHEUS 12: 31; 1 Joh. 5: 16
en die het goede woord van God in de troostvolle en heerlijke beloften, die het in zich sluit (Joz. 21: 45 Jer. 29: 10) geproefd hebben, evenals de krachten van de toekomende eeuw, waarmee wij reeds hier beneden worden toegerust om een godzalig leven te leiden en bekwaam te worden voor de erfenis van de heiligen in het licht (2 Petrus 1: 3vv.),
en, ondanks dat, afvallig worden, zodat zij niet alleen de zedelijke uitwerkingen van de christelijke waarheid zich in sommige gevallen onttrekken, maar in geen opzicht meer daarvan willen weten, die zeg ik weer te vernieuwen tot bekering, daar toch een menselijk leraar geen ander middel tot bekering heeft dan de prediking van Hem die zij van zich hebben gestoten (hoofst. 10: 2v.). Dat is onmogelijk bij zulke mensen, die als het ware zelf de Zoon van God opnieuw kruisigen, daar ook zij roepen “weg met Hem, Hij moet gekruisigd worden” (Joh. 19: 15) en Hem zo openlijk te schande maken (1 Tim. 1: 15), daar zij Hem nu lasteren met de ongelovige Joden, aan wier zijde zij zich hebben gesteld.
Men vergelijke hierbij 1 Joh. 2: 19; 5: 16v. daarbij gevoegde aanmerkingen 1Jo 2: 19.
Twee vragen treden bij deze woorden de lezers voor de geest: in hoeverre is het mogelijk dat waarlijk verlichte, met de Heilige Geest vervulde mensen kunnen afvallen? En in hoeverre is het onmogelijk dat afgevallenen zich weer bekeren? Een door God tot zaligheid uitverkoren mens kan zeker niet verloren gaan, maar of iemand uitverkoren is, daarvan kan en moet hij, door het geloof in Christus, door het getuigenis van de Heilige Geest verzekerd worden. Onze verkiezing, onze volharding aan het einde, is een geloofspunt, evenals de genade van Christus in het algemeen. Deze zekerheid, door God verkoren te zijn, sluit echter de ware blijvende bekering van het hart en de volhardende trouw aan het verbond in. Immers iemand verkrijgt niet het getuigenis van de Geest dat hij uitverkoren is, hij moge zijn en doen wat hij wil, wanneer hij bekering en geloof verzaakt. Verder, zoals deze zekerheid ontstaan is, zo alleen kan zij ook bewaard blijven. Of ik ze gisteren zonder zelfmisleiding bezat, kan ik heden niet enkel uit herinnering weten, zij moet nog heden onder dezelfde voorwaarden van ware boete en levendig geloof worden vernieuwd, ja steeds nieuw en levendig bewaard blijven. Bedenkt men dus deze waarheid in haar volle omvang en samenhang, dan is een misbruik van de leer van de verkiezing en van de zekerheid van de eeuwige zaligheid onmogelijk. Maar daaruit volgt ook dat die zekerheid die de mensen ervan menen te hebben die later afvielen, een zelfbedrog was. Zij konden verlicht zijn, de hemelse gave van de Heilige Geest kon hun verleend zijn (dit is, zij konden deel hebben gekregen aan de Heilige Geest) en het goede (Gr. “heerlijke Woord van God en de krachten van de toekomende eeuw (d. i. de vernieuwende werkingen van de Geest, die ons hier beneden bij voorbaat verplaatsen in het eeuwige rijk van de heerlijkheid) kunnen zij misschien geproefd hebben; dit zijn grote genadetekenen van God, die aan de ware, blijvende bekering kunnen voorafgaan, zonder dat in de mens de laatste en geduchtste tegenstand overwonnen is. Vallen nu zulke mensen af, die deze grootste bewijzen van Gods genade ontvangen hebben, dan verklaart de schrijver hun vernieuwing tot boete voor “onmogelijk. ” Het is niet te ontkennen dat ook Christus de redding van de rijken, door de gelijkenis van de kameel en het oog van de naald, voor een onmogelijke zaak verklaart, maar ze toch heeft verklaard als mogelijk bij God. Men zou dus dit woord nog geen geweld aandoen, wanneer men het zo uitlegde als in de regel onmogelijk, zonder dat daarmee de uitzonderingen werden uitgesloten door een machtig, geheel uitzonderlijk ingrijpen van God. Maar er is hier toch wel meer gezegd. Duidelijk wordt hier gewezen op de zwaarste zonde, de lastering van de Heilige Geest, wanneer de mens de verlichtende en vernieuwende kracht van het evangelie aan geest en hart als een goddelijke werking ondervonden heeft en haar niettemin lasteren en smaden kan. De Zoon van God weer kruisigen en bespotten heet dan zoveel als, voor zoverre in onze macht staat, Hem weer aan de smadelijke dood prijsgeven en, wat onze gezindheid betreft, Hem aandoen wat Zijn vijanden Hem deden lijden, toen zij Hem aan het kruis brachten. De lastering van God geschiedt in het algemeen door mensen die Hem in Zijn openbaring nog niet kennen, aan wie God Zich wel in Christus geopenbaard heeft, maar door wie Christus nog iets buiten hen gebleven is, die nooit iets anders dan het historisch geloof gekend hebben; de lastering van de Heilige Geest kan slechts door hen geschieden aan wie de Vader en de Zoon Zich innerlijk door die Geest geopenbaard hebben. Van zulke mensen is hier dan ook sprake. Overigens zegt de schrijver hier niet, evenmin als Christus, dat zij tot wie hier gesproken werd, deze zonde reeds werkelijk begaan hadden. De ene mens zal dit zeker nooit van de andere kunnen zeggen, maar hij waarschuwt er ernstig voor dat elke verkoeling jegens de erkende waarheid een stap is tot volledige afval en algehele verharding.
De schrijver zegt wel dat zij verlicht zijn geweest, doch de discipel van de Heere moet zelf een licht zijn. Een huis kan van buiten verlicht zijn, terwijl het innerlijk nog donker is. Van het woord “smaken” zeggen de Statenvertalers terecht “niet omdat zij de hemelse gave in het wezen ooit zouden ontvangen hebben, maar omdat zij een klein begin, gelijkenis of schijn ervan gevoeld hebben, zoals het woord “smaken” tegenover “innemen, ” “drinken” gesteld wordt in MATTHEUS. 27: 14 waar Christus in de gelijkenis van de zaaier smaken (MATTHEUS. 13: 20, 21) noemt “een ontvangen van het woord met blijdschap, ” dat nochtans geen wortel d. i. geen recht vertrouwen op Christus heeft, noch behoorlijke vruchten geeft, omdat het op steenachtige plaatsen, d. i. in een hart dat niet behoorlijk voor God vernederd en bereid is, gevallen is. Het woord “smaken, ” “proeven” geeft geenszins een eten, een drinken, een verzadigd worden te kennen, terwijl toch hij die van het water, dat Christus geeft, drinkt, nooit meer dorst zal hebben en wie Zijn vlees eet, het eeuwige leven heeft. Smaken is een proef nemen om daarna te beslissen of men zich daaraan verzadigen wil. Zo geeft het woord “deelachtig” ook geenszins te kennen een vervuld worden met de Geest, een vernieuwd worden door de Geest, een wedergeboren worden door de Geest, maar geeft slechts enig verband te kennen, net als het zelfstandig naamwoord “mededeel” in 2 Kor. 6: 14 Ook Saul werd door de Geest een ogenblik meegevoerd en van de zeventig mannen, op wie de Geest gelegd was in Mozes’ dagen, bleven alleen Eldad en Medad over, op wie de Geest ook verder rustte. Met zorg zijn dus wel de woorden gekozen, zodat geen enkel woord hartgrondige bekering, innerlijk genadewerk of verkiezing van God aanduidt en dat mensen bij wie dit niet het geval is, na een tijd lang meegegaan te zijn, weer tot de wenteling in het slijk terugkeren, is de voortdurende ervaring.
Uw traagheid in het onderzoeken van de meer verheven waarheden van het evangelie zou de weg banen kunnen tot afval van het christendom. Laat mij u tegen dat afval ernstig waarschuwen, laat mij u de slechtheid en de vreselijke gevolgen van dat afval onder het oog brengen; te weten, het is onmogelijk voor mij en alle predikers, die alle mogelijke middelen gehad hebben om hen van de waarheid van het christendom te overtuigen, hen die ondanks dit alles het christendom verzaken, opnieuw terecht te brengen, aangezien zij zich openbaar maken als mensen die voor geen overtuiging vatbaar zijn; het is menselijk gezien ten ene male ondoenlijk om zulke mensen, die eens grondig in de waarheden van het evangelie zijn onderwezen en door de kracht van beslissende bewijzen van de waarheid van het christendom zijn overtuigd, die door oplegging van de handen, bij hun doop, de buitengewone gaven van de Heilige Geest ontvangen hebben, die de voortreffelijkheid van de evangelieleer erkend hebben en de verbazende wonderen, waarmee de waarheid van het evangelie bevestigd is, aanschouwd hebben, die dus alle mogelijke middelen gehad hebben om volkomen van de waarheid van het christendom verzekerd te zijn, het is, zeg ik, voor mensen ten ene male onmogelijk om zulke, wanneer zij, ondanks al deze middelen van overtuiging, het christendom verzaken, weer terecht te brengen; aan zulke leden is, van de kant van de mensen, niets meer te doen. Deze verklaring, menen wij, beantwoordt volkomen, èn aan de kracht van de woorden èn aan het verband van zaken èn aan het doel van de apostel. Men kan dus uit deze tekst geen bewijs afleiden tegen de standvastigheid van de heiligen, er wordt geheel niet gesproken van mensen die de zaligmakende gave van het geloof ontvangen hebben. Ook heeft de apostel geheel niet gedacht aan de zonde tegen de Heilige Geest, die alleen plaats had bij de hardnekkige Farizeeën, toen de Heiland wonderen verrichtte door de oneindige kracht van Zijn godheid. Evenmin wordt er geleerd dat mensen die, hoewel zij alle middelen van overtuiging hebben ontvangen, het christendom verzaken, door Gods genade niet kunnen bekeerd worden, maar alleen dat het voor de predikers van het evangelie geheel onmogelijk is om zulke mensen terecht te brengen, omdat zij alle middelen van overtuiging links laten liggen. Er konden geen krachtiger bewijzen van de waarheid van het christendom gegeven worden dan die zij gezien hadden.
Uit al hetgeen de apostel zegt, is geen bewijs te halen dat het onmogelijk was bij God om hen terug te roepen en weer te vernieuwen tot bekering; het zij door zijn verschrikkingen in hun geweten of door enige grote straffen of door de kracht van Zijn Geest in hun harten; nog veel minder bewijst het dat als zij zich bekeerden, zij echter geen vergiffenis konden krijgen. De apostel gebruikt hier slechts dezelfde wijze van spreken als gebruikt wordt van een geneesheer die zijn lijder opgeeft, die niet geregeld zijn geneesmiddelen wil gebruiken; of van een vader die een onverbeterlijke zoon opgeeft en zegt: ik wil hem geen voorschriften meer geven; of ik wil hem niet meer vermanen, maar wil mijn lessen aan mijn andere kinderen geven, die daardoor verbeterd worden, want ik kan geen andere geven dan die ik reeds gegeven heb; het is onmogelijk enig goed aan hem te doen. Noch de vader, noch de geneesheer denken dat het onmogelijk is voor God hen te herstellen. De profeten hebben veel van zulke gezegden: waarom zou men meer geslagen worden?
Deze dingen hebben plaats in de harten en het geweten van mensen die onwedergeboren voortgaan. Zij hebben kennis, overtuiging, hoop en vrees en tijden wanneer zij ernstig blijken, maar zij zijn niet werkelijk verootmoedigd, niet geestelijk gezind; de godsdienst is hun vermaak niet; zij ontvangen Christus niet van harte in al Zijn ambten, noch beminnen oprecht Zijn schikkingen en bevelen. De oude natuur, de grond van zelfzucht is onderdrukt of tevreden gesteld, maar een nieuwe natuur is niet teweeggebracht, daarom vallen zij in tijd van beproeving. Zoveel zij konden, kruisigden zij de Zoon van God opnieuw en brachten Hem tot openbare schande door Zijn godsdienst te verloochenen en Zijn naam te lasteren, zich te verbinden met Zijn vijanden en kwaad te doen aan Zijn discipelen. Zulke mensen moeten als verharden worden beschouwd; maar juist de woorden van deze tekst bewijzen dat allen die door berouw vernieuwd zijn, vergeving zullen ontvangen, zodat de nederige zondaar, die schuld bekent en om genade roept, geen grond kan hebben om door deze tekst ontmoedigd te worden, waarvan zijn geweten hem ook moge beschuldigen. Dit bewijst niet dat iemand die een nieuw schepsel in Christus is, ooit geheel en al van Hem afvalt. Het doel en de macht van God, het offer en het gebed van Christus, de beloften van het evangelie, het eeuwigdurend verbond dat God met hem gemaakt heeft, vastgelegd in alle dingen en zeker de inwoning van de Geest en het onsterfelijke zaad van het Woord, dat zijn de zekerheden van oprecht gelovigen; maar de boom die deze wortels niet heeft, zal niet blijven staan.
Want de aarde (Mal. 4: 6 Openbaring 6: 4), die de regen, die er telkens opvalt, indrinkt en bekwaam, nuttig kruid voortbrengt voor degenen door wie zij ook bebouwd wordt, die ontvangt zegen van God tot toenemende vruchtbaarheid (MATTHEUS. 13: 12 Joh. 15: 2).
Deze mensen nu, die zo afvallig geworden zijn, is het onmogelijk, volgens onze schrijver, te vernieuwen tot bekering. Er bestaat geen enkele reden om de uitdrukking van de schrijver te beperken en niet als een volstrekte onmogelijkheid te beschouwen. Alleen, wat noemt hij onmogelijk? De afvalligen te vernieuwen tot bekering, niet dat de afvalligen tot bekering vernieuwd worden. In hoeverre men dit laatste mag toelaten, is een vraag die bij de behandeling van dit schriftwoord niet te pas komt en die afhangt van de wijze hoe men zich overigens de genadewerkingen van God voorstelt. Hier wordt gesproken van hetgeen in de gemeente geschiedt. Of er buiten de gemeente, buiten de middelen en krachten die in de gemeente bestaan en werken, een weg tot zaligheid, d. i. een weg om tot de gemeente terug te komen voor hen aanwezig is, is een vraag die buiten alle openbaring ligt en die de in de openbaring gelovende zich nauwelijks durft stellen, laat staan er enig bevestigend antwoord op te geven. Genoeg: hier wordt gesproken van hetgeen de gemeente mag hopen. Buiten haar genademiddelen heeft zij niets te hopen. Waar deze tekortschieten, wat zal daar toereikend bevonden worden? Hen tot bekering te vernieuwen, die eenmaal het nieuwe leven van de Geest bij ervaring gekend hebben en nu afvallig worden, de gemeente moet die hoop opgeven. Ja, dit is haar gesteld in de wereld tot beproeving en loutering. Dit is haar kruis in de tegenwoordige eeuw. Zij moet weten dat zij tot aan haar voleindiging, totdat de toekomende eeuw in haar heerlijkheid zal worden geopenbaard, in haar eigen boezem hen zal omdragen die afvallig geworden zijn, dode leden, van Christus afgestorven, ongevoelig en onverschillig voor al de genadewerkingen, waaruit zij bestaat, voor al de krachten van de Heilige Geest die in haar leven. Niet het feit dat zij vijanden telt bij miljoenen, dat zij een wereld om zich heen ziet die in het boze ligt, is haar grootste lijden, maar dit, dat zij haar eigen onmacht moet ervaren bij velen die schijnbaar haar toebehoren, dat zij niets ziet rijpen want wat rijp is geworden behoort haar niet meer toe maar zo vele, vele bloesems ziet verwelken. Niet dat er miljoenen heidenen zijn die nog het Woord van de waarheid niet vernomen hebben. Vol trotse moed zendt zij haar handvol zendelingen uit om de ongelijke Gideonstrijd te wagen met de legermacht van de duisternis; niet dat zij alle natuurlijke krachten van wetenschap en kunst, alle maatschappelijke milieus de doop van de Geest, die in haar is, ziet verachten, voordat de ervaring van teleurstelling en onmacht die doop doet zoeken. geduldig wacht zij die ervaring af, houdt haar woord gereed om het wegstervende te redden, waar het ineenzinkt; niet dat in iedere nieuwe spruit, die in haar heilige tuin oprijst, haar een nieuwe wereld gegeven wordt te overwinnen, te doordringen, te heiligen; gelovig sprenkelt zij het water van de doop op het voorhoofd van de zuigeling en houdt haar handen geopend om de zegen te leggen op het hoofd van het toetredende lid, niet in dit alles bestaat haar kruis, ligt haar grote verzoeking. Maar dat er zijn uit de aard van haar verschijning blijkt het velen wellicht velen, voor wie deze dingen zijn geweest waarheid, innerlijke waarheid, voor wie het een heilige zaak was lid te zijn van de gemeente van Jezus Christus, een ernstige zaak de goede strijd te aanvaarden, een waarheid de verbondsbelofte aan de Heer in de tekenen van Zijn gebroken lichaam en vergoten bloed af te leggen en voor wie dit alles geen waarheid meer is, geen ernst, geen heilige zaak: vorm, schijn, overlevering, gewoonte, ach, wie siddert niet bij de gedachte aan de werkelijkheid van deze toestand? Dat is het kruis van de gemeente, dat is haar bitterste lijden, haar angstvol Gethsémané, tot aan het uiterste van de dagen! Over zulke mensen heeft zij toch geen macht: haar zout is voor hen geen zout meer, haar tooi is voor hen geen vertoning, haar lijden een fantasie, haar liefde waanzin. Zij staan boven al deze dingen; zij zijn onvruchtbaar geworden, tweemaal verstorven, ontworteld.
Maar als de grond doornen en distels draagt, is zij verwerpelijk; zij toont, daar zij de regelmatige verwachtingen teleurstelt, de verdere behandeling als akkerland onwaardig te zijn (Luk. 13: 7 Hos. 10: 8) en daar vruchten van de vloek (Gen. 3: 18) worden voortgebracht, is die aarde dichtbij de vervloeking, waarvan de volvoering dan ook niet lang op zich zal laten wachten. Haar einde is de verbranding (Exod. 22: 6 Jes. 5: 24 MATTHEUS. 22: 7).
Evenals in de gelijkenissen van Jesaja (hoofst. 5: 1-6; 28: 23vv.) en van de evangeliën, zo is het ook hier. Wat afgebeeld wordt, verraadt zich reeds door de uitdrukkingen die uit de kring van het natuurlijke tot die van het ethische overslaan. De akker, waarop de schrijver doelt, is de christelijke gemeente. Zij die deze bebouwen, zijn de predikers van het Woord en de dienaren van de verborgenheden van het Koninkrijk van de hemelen. Degenen voor wie zij die akker verzorgen, zijn God en diens Zoon, die Zijn erfgenaam is (hoofst. 3: 9; 1 Kor. 3: 9 1Co). De regen van boven is een beeld van de velerlei genadebetoningen van God, die in vs. 4v. zijn voorgesteld en waarvan het innerlijk levend maken voorgesteld wordt met de uitdrukking “de regen indrinken.” En dat de regen telkens op de akker neerdaalt wil zeggen dat de goddelijke genade iets is wat aan de gemeente in het algemeen nu en dan wordt toegedeeld. Is nu met deze genade van God en die arbeid van Zijn dienstknechten de levensvatbaarheid van de gemeente in overeenstemming, dan blijft zij gezegend en wordt het meer en meer. In het tegengestelde geval is zij rijp voor het oordeel, dat haar onbruikbaarheid verdiend heeft. Het is mogelijk dat bij het woord “nabij de vervloeking” profetisch het nabijzijnd oordeel van het vuur over Jeruzalem voor ogen zweeft, dat met de ongelovige Joodse volksmassa, die het “kruisig Hem” schreeuwde, tevens de christenen uit de Joden, die zich eerst bij de christenen hadden geschaard, maar afgevallen waren, mee zou wegslepen.
In vs. 8 moet bij de woorden “maar” uit het vorige vers worden gedacht “die de regen, die telkens op haar valt, indrinkt. ” Het lijkt ons daarom een toespeling op het nabij zijnde oordeel over Jeruzalem. Daardoor is alleen de eigenaardige uitdrukking aan het slot verklaarbaar “waarvan einde is de verbranding. ” Is echter met de tegenstelling in vs. 8 op het ongelovig gebleven verbondsvolk van het Oude Testament gezinspeeld, dan kan de akker, waarop vs. 7 wijst, als op een grond die bekwaam kruid voortbrengt voor degenen die haar bebouwen en zegen van God ontvangen, niet de christelijke gemeente te Jeruzalem zijn, tenminste niet in haar toenmalige toestand, toen zij op het punt stond zich onbekwaam te betonen. Wel zal het wijzen op die christenen die naar het Woord van de Heere in MATTHEUS. 21: 41 en 43 de toekomst voor zich hebben, de christelijke kerk uit de heidenen. Tot hiertoe had de Jeruzalemse gemeente zich zeer terughoudend, ja zelfs afkerig ten opzichte van hen gehouden Heb 1: 4. Had zij, in plaats van al te zeer met hun broeders naar het vlees te sympatiseren, zich beter verenigd gehouden met de christelijke broeders in de heidenwereld, dan zou zij nu niet zo wankelen, maar weten bij wie zij zich moest aansluiten. De schrijver dringt nu bij haar op die aansluiting aan: zij moest het daar zoeken, waar het aan de Joden ontnomen rijk van God nu was heengegaan en waar men reeds vruchten droeg.
Indien dit door de apostel wordt aangevoerd om de Hebreeuwse christenen te doen zien waartoe onkunde, vooroordeel en verleiding hen zouden kunnen vervoeren en hoe rampzalig dan ook uiteindelijk hun afval en einde zou moeten zijn, indien hij hen daardoor ten zeerste waarschuwt en bij hen aandringt en hen opmerkzaam maakt op de noodzaak van een heldere en gegronde kennis van een waarachtig en vruchtbaar geloof en de voortzetting daarvan, dan moet dit ook ons ervan overtuigen dat noch kennis, noch een historisch geloof, wat inderdaad geen geloof is, noch uiterlijke zedigheid voor ons voldoende zijn, dat wij gewaarschuwd behoren te zijn tegen de verleidingen tot afval, die er te allen tijde gevonden worden en dat moedwillige afval de allerergste, gevaarlijkste en strafwaardigste misdaad is, waaraan een mens zich schuldig kan maken. Inderdaad, indien één stuk van de ernstige overweging voor onze dagen geldt, dan is het voorzeker dit, niet alleen om de grote mate van onkunde die er overal heerst en waardoor vele belijders gemakkelijk tot allerlei dwaalbegrippen te brengen zijn, noch ook vanwege de onverschilligheid voor de godsdienst, waarmee een zeer groot aantal besmet is en waardoor men de godsdienst als een weinig betekenende bijzaak behandelt, maar vooral omdat er onder de christelijke naam zeer velen gevonden worden die in niets geloven, tenminste in geen Bijbel of evangelie, noch ook in de waarheid van het christendom, die aan de leer van de Heilige Schrift een vijandig hart toedragen en die waar zij kunnen bespottelijk maken, verachten en tegenwerken. Deze zijn het, die de Zoon van God een tweede maal kruisigen, het bloed van het Nieuwe Testament onrein achten en de geest van de genade smaad aandoen. Laten wij ons wapenen in de kracht van God tegen zo’n afval, opdat wij ons niet uiteindelijk storten zouden in een eindeloze en jammervolle rampzaligheid, waarin men zijn eigen moedwil en dwaasheid onherroepelijk en onherstelbaar beklagen moet.
Aan de zon en de regen in de natuur beantwoordt een zon en een regen in de geestelijke wereld, een zon van de waarheid die over allen opgaat, een regen van liefde, die zich over allen uitstroomt. Maar zijn er die de waarheid verwerpen en zich tegen de liefde verharden, bozen, onrechtvaardigen, zij vinden hun voorbeeld in de onvruchtbare akker, waarover de zon tevergeefs schijnt, waarop de regen tevergeefs neerdaalt. Zijn er in de natuur twee soorten akkers, zo ook in de mens. En wat de op natuurlijke akker gebeurt, gebeurt ook de op geestelijke. Drinkt de akker de regen in en ontwikkelt hij de verborgen kiemen en zaden, zodat de heer van de akker zijn akker als een rentegevend goed kan beschouwen, dan vermenigvuldigt de rijkdom van de akker de zorg en de zorg vermenigvuldigt de rijkdom. Hier is geen uitputting te vrezen. De ontvangen zegen brengt nieuwe zegen mee. De vruchtbaarheid stijgt met het voortbrengen van de vruchten. Al het harde, ondoordringbare, onvruchtbare wordt van lieverlee overwonnen en in vruchtbaarheid veranderd. Iedere oogst bereidt een nieuw zaad. Zo ook in het geestelijke. Hoe meer de zon van de waarheid haar licht, de regen van de liefde zijn kracht in het hart heeft ontwikkelt en het hart die waarheid en die liefde heeft teruggegeven in bekwaam kruid, in eigen vorm, persoonlijke werkzaamheid, des te ontvankelijker wordt dat hart voor de zegen; des te meer ontvangt het van God, des te krachtiger is de werkzaamheid van de Heilige Geest in de geest van de mensen. Maar blijft daarentegen het hart onder de verlichtende en bevruchtende werkzaamheid van de Geest tenslotte werkeloos en onvruchtbaar en brengt het niets anders voort dan wat uit de eigen boze, ongoddelijke natuur ontstaan kan, doornen en distels, vruchten zonder zaad, werken zonder zegen, daden waarin niets goddelijks zich openbaart, dan toont daarmee het hart zijn verwerpelijkheid. Het blijkt onvatbaar te zijn om het leven van God te ontvangen. Die akker is verwerpelijk. Nog is wel, zolang de zon hem beschijnt en de regen op hem neerdruppelt, die akker niet vervloekt: zolang de mens nog leeft midden onder de genadewerkingen en genadebezoekingen van God, is de vloek over die mens niet vervuld. Maar hoe meer hij lijdelijk verkeert tegenover al die gaven van God, hoe meer hij zijn hart innerlijk verstokt tegen de genade, des te meer trekt hij de vloek tot zich aan, is hij de vervloeking nabij, bereidt hij zich een einde buiten de gemeente, buiten de gemeenschap van de Heilige Geest; een einde dus in de buitenste duisternis, waar de zon van de genade niet meer schijnt, de regen van de Geest niet meer neervalt. Zoals het einde van de onvruchtbare akkers is, dat zijn doornen en distels verbrand worden en dat hij aan de invloed van zon en regen onttrokken wordt en aan eigen verschroeiing ten prooi gegeven, omdat de landman wanhoopt uit die akker vrucht te trekken, zo is het met de mens tot wie Gods genade tevergeefs gekomen is. Hij heeft het doel van zijn leven gemist; hij is als verloren te beschouwen. Het was voor die mens beter niet geboren te zijn.
Om tegenstrijdigheid te vinden tussen de overtuiging, die in de aangehaalde belofte van de Heere haar beste steun vindt, van de volharding van de heiligen en de mogelijkheid van volkomen afval van hen wier zedelijke toestand en trap van ontwikkeling ten opzichte van het evangelie van Christus in de door ons behandelde tekst aan de Hebreeën beschreven is, zou moeten blijken dat ons ook hier de schets gegeven wordt van mensen waarvan gezegd kan worden dat zij schapen zijn, die niet slechts de stem van de goede Herder gehoord hebben, maar die ook de goede Herder volgen, dat is van hoorders en behartigers van het woord, die ook daders van het woord geworden zijn; van heiligen, die uit de heiligmaking, ik zeg niet de volmaaktheid en de kracht van hun geloof, maar de waarheid en wezenlijkheid ervan begonnen hebben te bewijzen. Is dit het geval? Geenszins. Van kennis wordt gesproken, van innerlijke gewaarwordingen eveneens; van beoefening geen woord. Zij zijn verlicht, zij hebben deel gekregen aan de Heilige Geest, zij hebben gezien, zij hebben geproefd, maar wat hebben zij gedaan? Veel is voor en in hen gebeurd; maar wat is van hen uitgegaan? Hieromtrent wordt het stilzwijgen bewaard. Een zekere verandering in de geest van hun gemoed heeft plaatsgehad; maar waar blijft de toepassing op het leven? Er is licht opgegaan, er is warmte gevoeld; maar waar is de vruchtbaarheid? Zelfs de vrucht is niet gezien, die de schrijver bij zijn eerste lezers, de Hebreeën, betere, met de zaligheid in verband staande dingen doet veronderstellen: arbeid van de liefde, praktische gemeenschap der heiligen. Aan bewerking door de hemelse Landman, aan regen uit de hemel heeft het niet ontbroken, dikwijls en bij toestemming is hij neergedaald op de akker van hun hart; ook aan het indrinken van die regen ontbrak het niet; maar tot het voortbrengen van bekwaam kruid is het niet gekomen. Ontzaglijk is de les van mensen- en hartenkennis, die wij hier ontvangen. Het beslissend ogenblik in de bekering van de mens is nog geenszins daar waar de duisternis wijkt voor het licht; niet daar waar hetgeen vlees en bloed ingeven, zwijgt voor het onderricht van de Heilige Geest; niet daar waar het geweten ontwaakt en de ziel tot bewustheid komt van haar diepste behoefte en van deze vervulling in Christus; niet daar, als een nieuw inzicht al het tot hiertoe gekende in een ander licht leert zien, een nieuwe neiging alle gevoelens in beweging brengt en een nieuwe hoop het hart vervult maar dan en daar waar het de vraag is of dat nieuwe inzicht, die nieuwe neiging, die nieuwe hoop al of niet naar buiten zal treden in het leven en handelend worden in plaats van beschouwend en genietend. En deze vraag wordt pas beslist en gunstig beslist wanneer de nieuwe inzichten, nieuwe behoefte, nieuwe neiging, nieuwe hoop, een zodanige invloed hebben op het geweten dat de wil wordt omgezet. Waar dit niet plaats heeft daar kunnen de nieuwe inzichten, neigingen, behoeften en verwachtingen slechts ten goede zijn van een leven van gevoel en verbeelding, niet ten bate van het werkelijke leven. En wat tot het werkelijke leven niet doordringt, heeft bij alle levendigheid, toch geen leven in zichzelf. Niet in het voorhof van het, meer dan men doorgaans meent, afhankelijk verstand, niet in het heiligdom van de indrukken en het gevoel, maar in het verborgene, heilige der heiligen van de wil, waar zich alle geheimen tussen Gods Geest en de geest van de mensen onnaspeurlijk verenigen en de tegenstrijdigste waarheden haar verborgen punt van evenwicht vinden, waar het kostelijk onderpand van de vrijheid van de mensen bewaard wordt, maar waar hij ook de wet van zijn verantwoordelijkheid in onuitwisbare letters leest, is het dat alle grote levensvragen beslist worden. Daar en daar alleen wordt de mens een persoon; daar en daar alleen kan hij ook een heilige worden. Daar en pas daar wordt de geestelijke spijs voedsel, het voedsel kracht, de kracht daad, daad, die steeds nieuwe kracht, nieuw voedsel, nieuwe spijs nodig maakt en zoeken doet. En het zelfstandige leven, dat zich vandaar uit openbaren zal, verschilt van het vorige leven, zoals het leven van het geboren kind, dat nu zelf adem haalt en zich keert tot de borst van de moeder, van het leven verschilt dat de vrucht in haar schoot geleid heeft. De heilige is nooit volmaakt, maar hij is zelfs niet voldragen zolang zijn geloof zich nog niet openbaart in de nieuwe wil.
Maar geliefden, wat u betreft zijn wij overtuigd van iets beters dan dat het met u zo’n verschrikkelijk einde zou nemen als in vs. 8 werd genoemd en dat u bij de zaligheid blijft, dat gij u aan de leer van de zaligheid houden zult en naar uw behoud langs de weg u aangewezen zult streven, hoewel wij zo spreken als in vs. 3, waar wij van een reddeloze toestand spraken, die ons zou kunnen verhinderen weer bij u de grondslag te leggen.
a) Want God is niet onrechtvaardig, dat Hij uw werk zou vergeten, dat gij door standvastig te blijven gedurende een lange tijd hebt verricht en de arbeid van de liefde die gij voor Zijn naam betoond hebt, door de diensten die gij de heiligen, die de naam van de Heere dragen (Hand. 15: 17) in hun noden bewezen hebt met hulpbetoon van allerlei aard (“Ro 12: 8” en “1Co 12: 6 en nog bewijst (hoofst. 10: 32vv.). Hij zal u integendeel lonen met de kracht van het geloof en u in de strijd geven wat u op de weg van de zaligheid houden en bevestigen kan (MATTHEUS. 10: 42).
Spr. 14: 31 MATTHEUS. 25: 40 Mark. 9: 41 Joh. 13: 20
De aanspraak, die bij Paulus veelvoudig voorkomt, “geliefden” wordt in deze brief alleen op deze plaats gevonden, nadat tevoren zijn berisping zeer ernstig is geweest, zijn hoopvolle liefde doorbreekt en hij met de woorden “wij verzekeren ons wat u betreft van betere dingen” met nadruk zijn overtuiging uitspreekt dat het met de lezers niet tot dat ontzettende zal komen dat hij zo-even heeft voorgesteld. Deze overtuiging is bij hem gevestigd op Gods gerechtigheid, d. i. op een handelen dat met zijn trouw in volstrekte overeenstemming is (1 Joh. 1: 9), een trouw die het als onmogelijk doet voorkomen dat Hij Zijn genadige hulp zou onthouden aan hen die in hun leven, wandel en gedrag, de waarheid en kracht van hun geloof en de ernst van hun bediening reeds geopenbaard hebben en nog openbaren.
God betoont Zich als rechtvaardig, niet alleen als Hij vloek en straf brengt over hen die ondanks de ontvangen genadegiften, kwade vruchten voortbrengen, maar ook als Hij hen die goede vruchten hebben voortgebracht, verder zegent. Hij kan niet vergeten dat de Hebreeën, aan wie de brief gericht is, hun geloof met een godzalig handelen en vooral in werken van liefde betoond hebben, want Hij is niet onrechtvaardig. Volgens een noodzakelijkheid, die in Zijn wezen en Zijn wil gelegen is, moet Hij die daad ermee belonen dat Hij ook verder het Zijne doet om hen in het bezit van de zaligheid te bewaren. De zekere verwachting dat God naar Zijn gerechtigheid de beloner zal zijn van hen die Hem zoeken, beschouwt de schrijver in hoofst. 11: 6 en 26 als een werkelijk moment van het geloof in God. Maar van welke aard het gedrag van de Hebreeërs is geweest, waaraan God naar Zijn gerechtigheid hun ten goede zal denken, zien wij in hoofst. 10: 32vv., volgens welke tekst zij werkelijk reeds schone bewijzen gegeven hebben van een geloof, dat in de vervolgingen staande blijft en in de liefde werkzaam is.
Uit de woorden “die de heiligen gediend hebt en nog dient” heeft men, daar “de heiligen” in zo’n verband alleen benaming zijn kan van de Palestijnse en in het bijzonder van de Jeruzalemse christenen (“Heb 13: 14” en “Phm 1: 7, geconcludeerd dat de brief niet aan Palestijnse christenen, noch in het bijzonder aan de christenen te Jeruzalem gericht kon zijn. Die gevolgtrekking is echter zonder waarde, want de christenen te Jeruzalem waren niet allen arm (Rom. 15: 26) en de geschiedenis van de kerk begint met het heerlijkste voorbeeld van offervaardigheid dat de Jeruzalemse gemeente voor haar armen in haar eigen midden gaf (Hand. 4: 32vv.). Voor het overige waren de broeders die ondersteuning behoefden, door heel Judea verstrooid (Hand. 11: 29), zodat de diaconie een ruim veld geopend vond.
Maar wij begeren, opdat ook werkelijkheid mag worden wat wij omtrent u vertrouwen, dat een ieder van u dezelfde ijver in alle opzichten zal betonen, die gij in de betoning van de liefde hebt laten zien tot de volle verwezenlijking van de hoop tot het einde toe (hoofst. 3: 6, 14);
opdat gij niet traag wordt te midden van deze tegenwoordige moeilijke omstandigheden. Laat u er niet door ontmoedigen dat u nog zo ver bent van de rijke, heerlijke inhoud van hetgeen God bereid heeft voor degenen die Hem liefhebben, hetgeen zo gemakkelijk een verslapping en afmatting van de hoop kan teweegbrengen. Ik hoop dat niet, maar dat gij navolgers zijt van degenen onder de christenen die door geloof en geduld (Kol. 1: 11 Jak. 5: 7v.) de beloften beërven (Fil. 3: 17).
Aan hetgeen hij omtrent de lezers hoopt, verbindt nu de schrijver wat hij door hen wenst betoond te zien. Het “een ieder van” is nadrukkelijker en sterker dan alleen “gij”. Daarmee wordt aan de ene zijde te kennen gegeven dat de innige deelneming, die de schrijver voor de lezers voelt, zich tot ieder in het bijzonder uitstrekt; aan de andere zijde ligt echter daarin dat, als ook soms enkelen onder de lezers aan de hier uitgesproken eis mochten voldoen, het er toch op aankomt dat ieder van hen zo handelen zal, als gezegd is.
Er wordt gevraagd van hen en wel van ieder in het bijzonder, dezelfde ijver niet alleen in de liefde, maar ook in de hoop te bewijzen. Zij moeten ernaar streven om in de hoop vol van zekerheid te worden en in deze ijver tot het einde toe volharden, zolang de tijd van wachten duurt, anders zouden zij slap worden, terwijl alleen de inspanning van het gemoed, waarmee zij trachten verzekerd te worden in de hoop, ervoor bewaart dat de kracht verlamt om onder alle aanvechtingen te volharden. Als de schrijver hen vervolgens aanmaant om zich toe te leggen op navolging van hen die door geloof en geduld de beloften beërven, dan moeten de voorbeelden die zij navolgen, onder de medechristenen worden gezocht. Er word gedoeld op christenen wier geloof en geduld (het geloof dat van het beloofde verzekerd is en het geduld dat in het wachten op de vervulling niet moe wordt) tot de tegenwoordige tijd behoren.
Daarvoor is vooral nodig dat gij opmerkt hoe zeker deze beloften zijn en gij u dus door niets, hoe bedenkelijk het u ook mag voorkomen, in de hoop daarop aan het wankelen laat brengen. Want toen God aan Abraham de belofte deed, zwoer Hij, omdat Hij bij niemand die meer was, kon zweren, bij Zichzelf.
En Hij zei: a) “voorzeker zal Ik u zegenen (Gen. 22: 15vv.) en waarlijk u vermenigvuldigen. Ik zal u zegenen door u in de eerste plaats een talrijk nakomelingschap te geven”
Gen. 12: 3 Ps. 105: 9 Luk. 1: 73
En zo, op grond van het feit dat God hem op zo zekere wijze de belofte had gewaarborgd, heeft hij geduld getoond en de belofte verkregen, daar hij tenminste het begin van de vervulling beleefde en de dag van Christus reeds in de geest aanschouwde (hoofst. 11: 12 Joh. 8: 56).
De schrijver verbindt zijn rede aan de belangrijkste daad in Abrahams leven, aan de geschiedenis van Isaak’s offer. Reeds eerder had Abraham Gods belofte gekregen (Gen. 12: 2v. ; 15: 5; 17: 4vv. ; 18: 18 maar al deze beloften van God schijnen vernietigd te zijn door het bevel: “neem uw enige Zoon Izaak, die gij lief hebt en ga heen in het land Moria en offer hem daar tot een brandoffer op één van de bergen, die Ik u zeggen zal”. Abraham is bereid om te doen wat de Heere wil en hoopt toch. Nu ontvangt hij, behalve de beloften van God die hij reeds had, ook nog de eed van God (vgl. vs. 18) en zo, namelijk met Gods belofte en Gods eed achter zich, was Abraham geduldig, hij hield zich vol moed vast aan hetgeen God hem toegezegd en gezworen had. Op deze weg verkreeg hij werkelijk, deels reeds in dit leven, deels in het volgende leven, wat de inhoud van de belofte was.
Nadat hij de zoon van de belofte als uit de dood weer ontvangen had, beleefde Abraham de vervulling van het: “Ik zal u zegenen en vermeerderen” in de beginselen; want Hij beleefde zowel de geboorte van Jakob Israël (Gen. 25: 19vv.) als de vermenigvuldiging van Ismaël en van de zonen van Ketura (Gen. 25: 12vv.). Volgens zijn woord in hoofst. 11: 12vv. b) denkt echter de schrijver nog meer aan het feit dat het 175e levensjaar, waarin Abraham stierf, niet het einde van zijn leven was, zoals hij ons ook in hoofst. 11 een zo diepe blik laat slaan in het verlangen van de patriarchen en de bevrediging daarvan aan de andere zijde van het graf. Geschiedkundig is de belofte eerst vervuld in het feit dat Abraham door de zoon van de belofte de vader van Israël, het volk van de belofte geworden is en verder daarin, dat deze oudtestamentische gemeente van God in het Nieuwe Testament door de inlijving van de gelovigen uit alle volken zo zeer toeneemt dat Abraham niet slechts voorvader van Israël, maar als zodanig tegelijk, zoals de belofte zegt (Gen. 17: 5) de vader van vele volken of, daar niet zozeer over de voortplanting van zijn vlees als wel over zijn zegen gesproken wordt, vader van vele gelovigen is (Rom. 4: 9vv.). De nieuwtestamentische algemene en waarachtige zaligheid echter is de vreugde van de oudtestamentische patriarchen aan de andere zijde van het graf, terwijl hij als voorvader van de uit Israël voortgekomen en uit alle volken aangegroeide en steeds aangroeiende gemeente van God zich nu in het bezit weet van het beloofde, in het bezit van het loon voor zijn hier betoonde lankmoedigheid.
Want de mensen zweren wel bij wie hoger is dan zij en a) de eed tot bevestiging van enige bewering of belofte is voor hen een einde van alle tegenspraak, zodat een herroepen van het bezworen woord of een terugnemen van de bezworen toezegging geen plaats meer heeft.
Exod. 22: 11
Daarom heeft God, hoewel Hij eigenlijk niet kan zweren naar de wijze van de mensen (vs. 16) daar Hij geen hogere boven Zich heeft (vs. 13), omdat Hij in neerbuigende liefde tot de menselijke zwakheid de erfgenamen van de belofte, van wie in vs. 12 sprake was, overvloediger wilde bewijzen, nog nadrukkelijker dan door het woord van de belofte reeds geschied was, hen doen weten dat Zijn raad onveranderlijk was, bij Zichzelf gezworen. Hij heeft Zich willen aansluiten bij de wijze van de mensen, om door middel van de eed een belofte boven alle twijfel te verheffen (vs. 16 b) en als het ware tot Zichzelf opziend, zowel in Ps. 110: 4 als tevoren in Gen. 22: 16, heeft Hij zo’n verzekering gegeven dat Hij met een eed daartussen is gekomen, dat Hij nog een eed gevoegd heeft bij het woord van de belofte daar gesproken, alsof dit woord alleen nog niet voldoende was, maar nog eerst tot zekerheid het aanroepen van de Getuige in de hemel nodig had.
Aandoenlijk teder en tevens hoog verheven is deze vermenselijking van God, deze eedzwering van God, deze daad waarmee God Zich onderscheidt van Zichzelf, Zich als partij van Abraham, samen met hem plaatst onder Zijn eigen recht en wet. God is jegens Abraham bij ede verplicht om hem de zegen, de zegen, die eeuwig is, te geven, bij Zijn eigen waarachtigheid en trouw. Het verbond met Abraham is in Zijn eigen wezen gegrond en niet als de belofte van de wet, voorwaardelijk, een nog in de toekomst te vervullen voorwaarde stellend, waarvan het onzeker is of zij al of niet zal vervuld worden, maar op grond van een reeds in Abrahams verbondsbetrekking vervulde voorwaarde. Het geloof van Abraham is het teken dat het verbond van God waarachtig, onveranderlijk, eeuwig is. Abraham is als de eerste spruit van het waarachtige en eeuwige verbond, de Vader van de gelovigen.
Hij heeft dat gedaan, opdat wij door twee onveranderlijke dingen, enerzijds door het gegeven woord en aan de andere zijde door de gedane eed, die geen van beiden kunnen wankelen en waarin het onmogelijk is dat God zou liegen, niet in Zijn woord, laat staan als Hij Zijn woord bezweert (Tit. 1: 2), een sterke troost zouden hebben. God wilde toch dat wij kracht zouden ontvangen tegen alle wankeling en vrees en smart, die de afstand die er is tussen het moeilijke heden en de inhoud van de belofte, veroorzaakt, wij namelijk die de toevlucht genomen hebben om de voorgestelde hoop vast te houden (Kol. 1: 15), die ons met alle kracht aan de beloften van God gelovig vastklemmen.
Gods raad bestaat uit deze twee delen: de behandeling van God naar buiten en zijn innerlijk wezen, of zo men wil belofte en recht. In beide is God onveranderlijk. Niets in Zijn bestuur is willekeur. Al Zijn handelingen staan met elkaar in verband. Lossen nu al die handelingen zich op in verbondsbeloften, is dit eenheid en middelpunt van die handelingen, dan blijkt die belofte eeuwig en onveranderlijk te zijn. Doch zij is het doordat zij de uitdrukking is van Gods wezen, dat geen verandering noch schaduw van omkering toelaat. Door deze twee onveranderlijke dingen, die zich in de eedzwering onderscheiden, de belofte, die bezworen, het recht, waarbij bezworen wordt, beiden even onveranderlijk, omdat zij even goddelijk zijn, de ene de éénheid van Gods daden, het andere de uitdrukking van Zijn wezen, blijkt de onveranderlijkheid van Zijn raad, van dat bestel waardoor zij die geloven zalig zijn en hebben wij dus een sterke aansporing tot volharding, tot de lankmoedigheid van het geloof, wij namelijk die de toevlucht genomen hebben om de voorgestelde hoop vast te houden. Dat geloof, dat zich in de lankmoedigheid van de hoop openbaart, heeft een begin. Het begint met een toevlucht nemen tot hetgeen voorgesteld is. Niemand nu zoekt een toevlucht dan wie zich in gevaar bevindt. Zolang de mens de ellende, het onbevredigende, het dodende van het wereldse leven niet voelt en het gevaar niet inziet om daarin te blijven, heeft hij geen oog om de voorgestelde hoop te zien, d. i. die onzichtbare goederen die als zodanig toekomstig zijn, maar die door het woord van de belofte reeds tot het heden behoren. Hij ziet ze niet, want hij zoekt ze niet; het woord dat ze voorstelt, is voor hem een lastige overtolligheid, waaraan in de werkelijkheid van zijn leven niets beantwoordt. Maar ook, zodra de mens ontwaakt is uit het schijnleven van de wereld, gaan zijn ogen open voor de waarachtigheid en heerlijkheid van de toekomstige wereld. Ja de openbaring van die waarachtigheid en heerlijkheid gaat onafscheidelijk samen met de ontdekking van de ellende van deze voorbijgaande wereld. Eenzelfde licht gaat voor hem op over het tegenwoordige en toekomstige, het zichtbare en onzichtbare, om beiden aan zijn oog te ontdekken. Doch nu moet dat ontdekkend licht worden tot een daad, tot een vrij aangrijpen van het voorgestelde, tot een vluchten uit de dood, een toevlucht nemen als voor de vervolgende vijand tot het zekere heiligdom, zoals de misdadiger, door de wet van de mensen vervolgd, vlucht naar de tempel om zich aan de hoornen van het altaar vast te klemmen en door de goddelijke genade beschermd te zijn tegen de menselijke gerechtigheid, zo is het door een meer dan schijnbare overeenstemming met het leven van het geloof. Het geloven is ook als een ontvluchten aan de dreigende dood die, wat hier trouwens niet gezegd wordt, een rechtvaardige straf voor de zonde is, om in het binnenste heiligdom van de genade een zekere schuilplaats te vinden.
En het zijn heerlijke verzekeringen die wij hebben als een anker voor de ziel, dat zeker en vast is, waaraan zij zich vast kan houden in de stormen van het aardse leven en waardoor zij als met een touw, waaraan zij bevestigd is, ingaat in het binnenste van het voorhangsel, in het allerheilige van de hemel, dat zich achter dat voorhangsel bevindt (hoofst. 9: 3, 24).
Het hoofdgebruik van een anker bestaat erin dat een schip door dit middel vast ligt en beveiligd wordt van door de vloed en stormen weg te drijven of tegen strand of klippen verbrijzeld te worden. Zo is het ook met de hoop van de christenen. Zij zijn in deze wereld als op een zee, waarover zij reizen naar de haven van een beter vaderland; op deze zee zijn zij blootgesteld aan stormwinden van allerlei verzoekingen; bijzonder mochten de vervolgingen, waaraan de Hebreeuwse christenen blootstonden, als zoveel golven en stormen beschouwd worden; maar onder al dat gevaar is de voorgestelde hoop voor een christen een anker voor de ziel en het vooruitzicht van de hemelse gelukzaligheid is zeer geschikt om zijn ziel gerust te stellen onder alle stormwinden van verzoekingen. Op dit anker kan hij zich altijd en in alle gevallen veilig verlaten, het is zeker en vast. Het gebeurt de schepelingen wel eens dat het ene anker na het andere hen begeeft en dat zij tenslotte een prooi van de woeste golven worden. Maar dit kan een christen nooit gebeuren, het anker van zijn ziel is zeker en vast: het is onmogelijk dat hij die zaligheid niet verlangen zou, waarop hij hoopt. Deze zekerheid heeft haar grond in die twee onveranderlijke dingen, Gods beloften en eed, waarvan in vs. 8 Heb gesproken is.
De voorloper (hoofst. 12: 2 Joh. 14: 2v. ; 12: 26) is daar voor ons ingegaan (hoofst. 4: 14), namelijk Jezus, volgens de woorden in hoofst. 5: 10 naar de ordening van Melchizedek a) een hogepriester geworden in eeuwigheid.
Hebr. 3: 1; 8: 1; 9: 11
Dat de schrijver vanaf vs. 16 niet meer spreekt van het feit dat in vs. 13-15 op de voorgrond gesteld is, het feit van de aan Abraham gegeven en door hem ervaren belofte, maar daarentegen tot de vermaning in vs. 12 terugkeert en deze versterkt door het resultaat uit vs. 13-15 verkregen, blijkt reeds uit het weer opvatten van ongeveer dezelfde uitdrukking, die hij daar gebruikt had, als hij in vs. 17 spreekt van “erfgenamen van de belofte”; verder uit het feit dat hij niet meer spreekt van één, maar van vele erfgenamen en in vs. 18, 19 en 20 een “wij” en “ons” toevoegt.
Hij zegt dat God het zweren van de mensen en het feit dat zij in de eed een bevestiging zien die alle tegenspraak uitsluit, heeft willen gebruiken om de erfgenamen van de belofte, die hij hier op het oog heeft, het onveranderlijke van Zijn wil nog rijker dan anders het geval zou zijn, te tonen en Zich daarom met een eed borgstelt voor Zijn belofte. Zoals de mensen, als zij elkaar iets beloven en het bij God bezweren, Hem tussen zich als in het midden laten treden (Gen. 31: 50), zo is Hij tussen Zichzelf, die belooft en de erfgenamen van de belofte met een eed in het midden getreden. Dat is echter niet de eed, waarmee God aan Abraham de belofte hem gegeven en die, vooral zoals de schrijver die aanvoert, alleen op hem persoonlijk slaat (vs. 13v.), bekrachtigd heeft, zoals dan ook deze belofte alleen aan hem en aan niemand anders kon worden vervuld en volgens vs. 15 ook werkelijk reeds aan hem vervuld is; maar er is van een eed sprake die een belofte betreft aan de gelovigen van het Nieuwe Testament gegeven; en daar nu God door zo’n eed heeft gedaan wat Hij aan Abraham deed, namelijk Zijn belofte met een eed te bekrachtigen, zo moeten ook zij doen als Abraham heeft gedaan, op die bekrachtiging met ede geduldig wachten totdat zij de belofte verkrijgen.
De belofte, aan Abraham gegeven, waarvan de vervulling in de tijd dat deze brief werd geschreven, in volle gang was, was het niet waarvan de waarborging bij ede aan de Hebreeën herinnerd hoefde te worden. De schrijver denkt integendeel aan een ander evenzo bezworen woord van God (vgl. hoofst. 7: 20vv.), dat hij, toen hij tot deze episodische bestraffing, waarschuwing en vermaning overging, op de lippen had (hoofst. 5: 10). Dat wil hij de lezers voorhouden om hun kleinmoedige verslappende hoop op te heffen en stuurt dan hier met volle zeilen naar het door een goddelijke eed bekrachtigd woord van God over het priesterschap van Christus.
Met de woorden “die de toevlucht genomen hebben om de voorgestelde hoop vast te houden”, die in tegenstelling staan tot het “wij” aan het begin van het vers (“opdat wij door twee onveranderlijke dingen een sterke troost zouden hebben, herhaalt de schrijver nog eens de voorwaarde waarop men subjectief deel krijgt aan de belofte, die objectief zeker is. Hij wil daarmee de lezers eraan herinneren dat zij alle valse Judaïstische steun van hun hoop als verzoekingen en verleidingen moeten ontvluchten en hun blik alleen op het onzichtbare doel van de in Christus beloofde toekomstige heerlijkheid moeten richten.
De christenen hebben erkend dat zij zich in de grootste nood en in gevaar bevonden en er geen ogenblik van verzekerd waren dat zij niet ten prooi zouden vallen aan het verderf; maar zij hebben ook het redmiddel erkend dat God de mens biedt, opdat die het zou aangrijpen en daardoor in deze wereld van gevaren en verdrukkingen gerustgesteld worden omtrent zijn lot, verzekerd tegen de ondergang en volkomen en voor altijd gered uit alle nood. Dit redmiddel is de hoop door Gods belofte aan de mens gegeven. De christenen hebben er hun toevlucht toe genomen door die vast te grijpen. Hoe zouden zij die toevlucht weer verlaten om opnieuw aan het gevaar van het verderf prijs gegeven te zijn, vooral daar zij in de bezworen belofte van God een dubbele waarborg hadden voor het feit dat hun hoop hen niet kon bedriegen! Van deze christelijke hoop zegt de schrijver hierop, om haar onschatbare waarde voor tijd en eeuwigheid aan zijn lezers nog meer te doen voelen, dat wij daarin een betrouwbaar en vast anker voor de ziel hebben, dat in het binnenste van het voorhangsel, dat is, in het hemels heiligdom binnendringt, waarheen Jezus de hogepriester van het Nieuwe Testament als voorloper voor ons is ingegaan. Aan de christelijke hoop hebben wij het te danken dat onze ziel in de gevaren en moeiten van dit aardse leven niet heen en weer wordt geslingerd, niet door zorg en angst in voortdurende onrust wordt rondgedreven, niet in troosteloze wanhoop verzinken en daarin omkomen kan. Zij is een sterk, betrouwbaar anker, dat ons scheepje op de golvende zee van het leven zo vasthoudt dat de storm er geen macht over heeft, dat de golven ertegen moeten breken en dat het tegen alle gevaar van schipbreuk verzekerd is, een anker dat niet is neergezonken in de verborgen diepten van de zee, maar reikt tot de verborgen diepten van het allerheiligste van de hemel. Onze ziel heeft het anker van haar hoop opwaarts geworpen, in het land dat in onveranderlijke rust hoog boven de golvende zee van het aardse leven ligt, in de heilige en zalige woonplaats van God, waar de troon van de genade staat en waar onze trouwe en barmhartige Hogepriester met Zijn voorbede voor God staat en ons als overste Leidsman tot de zaligheid ons eeuwig heil voor altijd verzekerd heeft.
In vs. 18 en 19v. zijn twee beelden, het ene van de zee, het andere van de tempel, met elkaar verbonden. Het anker (vgl. Hand. 27: 29v., 40) wordt dikwijls bij klassieke schrijvers en op munten uit de oudheid als symbool van de hoop gevonden.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel