Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En de hogepriesterG749 zeideG2036: Zijn dan dezeG3778 dingen alzoG3779?
En de hogepriester zeide: Zijn dan deze dingen alzo?
KJV
Then2
said
the high priest,4
Are5
these things
so?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En hij zeideG5346: Gij mannenG435 broedersG80 en vadersG3962, hoortG191 toe: de GodG2316 der heerlijkheidG1391 verscheenG3700 onzen vaderG3962 AbrahamG11, nog zijnde inG1722 MesopotamieG3318, eerG4250 hijG846 woondeG2730 inG1722 CharranG5488;
En hij zeide: Gij mannen broeders en vaders, hoort toe: de God der heerlijkheid verscheen onzen vader Abraham, nog zijnde in Mesopotamie, eer hij woonde in Charran;
KJV
And2
he said,3
Men,4
brethren,5
and6
fathers,7
hearken;8
The God10
of glory12
appeared
unto our
father15
Abraham,17
when he was
in19
Mesopotamia,21
before22
he25
dwelt24
in26
Charran,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En zeideG2036 totG4314 hemG846: Ga uitG1537 uw landG1093 enG2532 uitG1537 uw maagschapG4772, enG2532 komG1204 inG1519 een landG1093, datG3739 Ik uG4771 wijzenG302 zal.
En zeide tot hem: Ga uit uw land en uit uw maagschap, en kom in een land, dat Ik u wijzen zal.
KJV
And1
said
unto3
him,4
Get thee5
out of6
thy
country,8
and10
from11
thy
kindred,13
and15
come16
into17
the land18
which19
I shall shew22
thee.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Toen ging hij uitG1537 het landG1093 der ChaldeenG5466, en woondeG2730 in CharranG5488. En van daar, nadatG3326 zijn vaderG3962 gestorvenG599 was, brachtG3351 HijG846 hem over in ditG3778 landG1093, daar gijG4771 nu in woontG2730.
Toen ging hij uit het land der Chaldeen, en woonde in Charran. En van daar, nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem over in dit land, daar gij nu in woont.
KJV
Then1
came he2
out of3
the land4
of the Chaldaeans,5
and dwelt6
in7
Charran:8
and from thence,9
when10
his15
father14
was dead,12
he removed16
him17
into18
this
land,20
wherein22
ye
now25
dwell.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En Hij gafG1325 hem geen erfdeelG2817 in hetzelve, ook niet een voetstapG4228; enG2532 beloofdeG1861, dat Hij hem het zelveG846 totG1519 een bezittingG2697 gevenG1325 zou, enG2532 zijnG1510 zadeG4690 naG3326 hem, als hij nog geenG3756 kindG5043 had.
En Hij gaf hem geen erfdeel in hetzelve, ook niet een voetstap; en beloofde, dat Hij hem het zelve tot een bezitting geven zou, en zijn zade na hem, als hij nog geen kind had.
KJV
And1
he gave3
him4
none2
inheritance5
in6
it,7
no, not8
so much as to set9
his foot10
on:
yet11
he promised12
that he would give14
it13
to him17
for15
a possession,16
and18
to his21
seed20
after22
him,23
when as yet he26
had
no24
child.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En GodG2316 sprakG2980 alzoG3779, datG3754 zijnG1510 zaadG4690 vreemdelingG3941 zijn zoude inG1722 een vreemdG245 landG1093, en dat zij het zouden dienstbaarG1402 maken, en kwalijkG2559 handelen, vierhonderdG5071 jarenG2094.
En God sprak alzo, dat zijn zaad vreemdeling zijn zoude in een vreemd land, en dat zij het zouden dienstbaar maken, en kwalijk handelen, vierhonderd jaren.
KJV
And2
God5
spake1
on this wise,3
That6
his10
seed9
should
sojourn11
in12
a strange14
land;13
and15
that they should bring16
them17
into bondage,
and18
entreat them evil19
four hundred21
years.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
EnG2532 het volkG1484, dat zij dienen zullen, zal IkG1473 oordelenG2919, sprakG2036 GodG2316; enG2532 daarna zullen zij uitgaanG1831, enG2532 zij zullen MijG1473 dienen inG1722 dezeG3778 plaatsG5117.
En het volk, dat zij dienen zullen, zal Ik oordelen, sprak God; en daarna zullen zij uitgaan, en zij zullen Mij dienen in deze plaats.
Ook in dit vers
dienenG1398
dienenG3000
KJV
And1
the nation3
to whom4
they shall be in bondage6
will7
I8
judge,
said
God:11
and12
after13
that
shall they come forth,15
and16
serve17
me
in19
this
place.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En Hij gafG1325 hem het verbondG1242 der besnijdenisG4061; enG2532 alzoG3779 gewonG1080 hij IzakG2464, enG2532 besneedG4059 hemG846 op den achtstenG3590 dagG2250; enG2532 IzakG2464 gewon JakobG2384, enG2532 JakobG2384 de twaalfG1427 patriarchenG3966.
En Hij gaf hem het verbond der besnijdenis; en alzo gewon hij Izak, en besneed hem op den achtsten dag; en Izak gewon Jakob, en Jakob de twaalf patriarchen.
KJV
And1
he gave2
him3
the covenant4
of circumcision:5
and6
so7
Abraham begat8
Isaac,10
and11
circumcised12
him13
the eighth17
day;15
and18
Isaac20
begat Jacob;22
and23
Jacob25
begat the twelve27
patriarchs.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
EnG2532 de patriarchenG3966, nijdigG2206 zijnde, verkochtenG591 JozefG2501, omG1519 naar EgypteG125 gebracht te worden; enG2532 GodG2316 wasG1510 metG3326 hemG846,
En de patriarchen, nijdig zijnde, verkochten Jozef, om naar Egypte gebracht te worden; en God was met hem,
KJV
And1
the patriarchs,3
moved with envy,4
sold7
Joseph6
into8
Egypt:9
but10
God13
was
with14
him,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
EnG2532 verlosteG1807 hemG846 uitG1537 alG3956 zijn verdrukkingenG2347, enG2532 gafG1325 hemG846 genadeG5485 enG2532 wijsheidG4678 voor FaraoG5328, den koningG935 van EgyptelandG125; enG2532 hijG846 steldeG2525 hemG846 tot een oversteG2233 overG1909 EgypteG125, enG2532 zijn gehele huisG3624.
En verloste hem uit al zijn verdrukkingen, en gaf hem genade en wijsheid voor Farao, den koning van Egypteland; en hij stelde hem tot een overste over Egypte, en zijn gehele huis.
KJV
And1
delivered2
him3
out of4
all5
his8
afflictions,7
and9
gave10
him11
favour12
and13
wisdom14
in the sight15
of Pharaoh16
king17
of Egypt;18
and19
he made20
him21
governor22
over23
Egypt24
and25
all26
his29
house.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En er kwamG2064 een hongersnoodG3042 overG1909 het gehele landG1093 van EgypteG125 en KanaanG5477, en groteG3173 benauwdheidG2347; en onze vadersG3962 vondenG2147 geenG3756 spijsG5527.
En er kwam een hongersnood over het gehele land van Egypte en Kanaan, en grote benauwdheid; en onze vaders vonden geen spijs.
KJV
Now2
there came1
a dearth3
over4
all5
the land7
of Egypt8
and9
Chanaan,10
and11
great13
affliction:12
and14
our
fathers19
found16
no15
sustenance.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
MaarG1161 als JakobG2384 hoordeG191, dat inG1722 EgypteG125 korenG4621 wasG1510, zondG1821 hij onze vadersG3962 de eerste maalG4412 uit.
Maar als Jakob hoorde, dat in Egypte koren was, zond hij onze vaders de eerste maal uit.
KJV
But2
when Jacob3
heard1
that there was
corn5
in6
Egypt,7
he sent out8
our
fathers10
first.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
EnG2532 inG1722 de tweedeG1208 reize werd JozefG2501 zijn broederenG80 bekendG319; enG2532 het geslachtG1085 van JozefG2501 werdG1096 aan FaraoG5328 openbaarG5318.
En in de tweede reize werd Jozef zijn broederen bekend; en het geslacht van Jozef werd aan Farao openbaar.
KJV
And1
at2
the second4
time Joseph6
was made known5
to his9
brethren;8
and10
Joseph's18
kindred16
was made12
known11
unto Pharaoh.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
En JozefG2501 zondG649 heen, en ontboodG3333 zijn vaderG3962 JakobG2384, en alG3956 zijn geslachtG4772, bestaande inG1722 vijfG4002 en zeventigG1440 zielenG5590.
En Jozef zond heen, en ontbood zijn vader Jakob, en al zijn geslacht, bestaande in vijf en zeventig zielen.
KJV
Then2
sent1
Joseph,3
and called4
his7
father6
Jacob8
to him, and9
all10
his13
kindred,12
threescore16
and fifteen17
souls.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
En JakobG2384 kwam af inG1519 EgypteG125, en stierfG5053, hijzelfG846 en onze vadersG3962.
En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, hijzelf en onze vaders.
KJV
So2
Jacob3
went down1
into4
Egypt,5
and6
died,7
he,8
and9
our
fathers,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En zij werden overgebrachtG3346 naarG1519 SichemG4966, enG2532 gelegdG5087 in het grafG3418, hetwelkG3739 AbrahamG11 gekochtG5608 had voor een somG5092 geldsG694, van de zonenG5207 van EmmorG1697, den vader van SichemG4966.
En zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, hetwelk Abraham gekocht had voor een som gelds, van de zonen van Emmor, den vader van Sichem.
KJV
And1
were carried over2
into3
Sychem,8
and9
laid10
in11
the sepulchre13
that14
Abraham16
bought15
for a sum17
of money18
of19
the sons21
of Emmor26
the father12
of Sychem.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Maar als nu de tijdG5550 der belofteG1860, dieG3739 GodG2316 aan AbrahamG11 gezworenG3660 had, genaakteG1448, wiesG837 het volkG2992 en vermenigvuldigdeG4129 inG1722 EgypteG125;
Maar als nu de tijd der belofte, die God aan Abraham gezworen had, genaakte, wies het volk en vermenigvuldigde in Egypte;
KJV
But2
when1
the time5
of the promise7
drew nigh,3
which8
God11
had sworn9
to Abraham,13
the people16
grew14
and17
multiplied18
in19
Egypt,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Totdat een anderG2087 koningG935 opstondG450, dieG3739 JozefG2501 nietG3756 gekendG1492 had.
Totdat een ander koning opstond, die Jozef niet gekend had.
KJV
Till1
another5
king4
arose,3
which2
knew8
not7
Joseph.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
DezeG3778 gebruikte listigheidG2686 tegen ons geslachtG1085, en handelde kwalijkG2559 met onze vaderenG3962, zodat zij hun jonge kinderenG1025 moesten wegwerpenG1570, opdat zij nietG3361 zouden voorttelenG2225.
Deze gebruikte listigheid tegen ons geslacht, en handelde kwalijk met onze vaderen, zodat zij hun jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij niet zouden voorttelen.
KJV
The same1
dealt subtilly2
with our
kindred,4
and evil entreated6
our
fathers,8
so that11
they cast out12
their15
young children,14
to the end16
they might19
not18
live.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
InG1722 welkenG3739 tijdG2540 MozesG3475 werd geborenG1080, enG2532 wasG1510 uitnemendG2316 schoonG791; welkeG3739 drieG5140 maandenG3376 opgevoedG397 werd inG1722 het huisG3624 zijns vadersG3962.
In welken tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in het huis zijns vaders.
KJV
In1
which2
time3
Moses5
was born,4
and6
was
exceeding10
fair,8
and11
nourished up12
in15
his20
father's19
house17
three14
months:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
En als hij weggeworpenG1620 was, namG337 hemG846 de dochterG2364 van FaraoG5328 op, en voeddeG397 hemG846 voor zichzelveG1438 op tot een zoonG5207.
En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en voedde hem voor zichzelve op tot een zoon.
KJV
And2
when he3
was cast out,1
Pharaoh's8
daughter7
took4
him5
up,
and9
nourished10
him11
for13
her own12
son.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
En MozesG3475 werd onderwezenG3811 in alleG3956 wijsheidG4678 der EgyptenarenG124; en wasG1510 machtigG1415 inG1722 woordenG3056 en inG1722 werkenG2041.
En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren; en was machtig in woorden en in werken.
KJV
And1
Moses3
was learned2
in all4
the wisdom5
of the Egyptians,6
and8
was
mighty9
in10
words11
and12
in13
deeds.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
AlsG5613 hem nuG1161 de tijdG5550 van veertig jarenG5063 vervuldG4137 was, kwam hem in zijn hartG2588, zijn broedersG80, de kinderenG5207 IsraelsG2474, te bezoekenG1980.
Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijn broeders, de kinderen Israels, te bezoeken.
KJV
And2
when1
he4
was full3
forty years5
old,6
it came7
into8
his11
heart10
to visit12
his15
brethren14
the children17
of Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
En ziendeG1492 een, die onrecht leedG91, beschermdeG292 hij hem, enG2532 wreekteG1557 dengene, dien overlastG2669 geschiedde, en versloegG3960 den EgyptenaarG124.
En ziende een, die onrecht leed, beschermde hij hem, en wreekte dengene, dien overlast geschiedde, en versloeg den Egyptenaar.
KJV
And1
seeing
one3
of them suffer wrong,4
he defended5
him, and6
avenged8
him that was oppressed,10
and smote11
the Egyptian:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
En hij meendeG3543, dat zijn broedersG80 zouden verstaanG4920, dat GodG2316 doorG1223 zijn handG5495 hunG846 verlossingG4991 gevenG1325 zou; maarG1161 zij hebben het nietG3756 verstaanG4920.
En hij meende, dat zijn broeders zouden verstaan, dat God door zijn hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan.
KJV
For2
he supposed1
his6
brethren5
would have understood3
how7
that God9
by10
his12
hand11
would deliver13
them:14
but17
they understood19
not.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
En den volgendenG1966 dagG2250 werd hij van hen gezienG3708, daar zij vochtenG3164; en hijG846 drongG4900 ze totG1519 vredeG1515, zeggendeG2036: MannenG435, gij zijtG1510 broedersG80; waaromG5101 doet gijG4771 elkanderG240 ongelijkG91?
En den volgenden dag werd hij van hen gezien, daar zij vochten; en hij drong ze tot vrede, zeggende: Mannen, gij zijt broeders; waarom doet gij elkander ongelijk?
KJV
And3
the next7
day8
he shewed himself
unto them10
as they strove,11
and12
would have set13
them14
at15
one again,16
saying,
Sirs,18
ye
are
brethren;19
why
do ye wrong24
one to another?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
En die zijn naasteG4139 ongelijkG91 deed, verstietG683 hemG846, zeggendeG2036: WieG5101 heeft uG4771 tot een oversteG758 en rechterG1348 overG1909 ons gesteldG2525?
En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?
KJV
But2
he that did3
his neighbour5
wrong
thrust6
him7
away,
saying,
Who9
made11
thee
a ruler12
and13
a judge14
over15
us?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
WiltG2309 gijG4771 mijG1473 ook ombrengenG337, gelijkerwijsG3739 gij gisterenG5504 den EgyptenaarG124 omgebrachtG337 hebt?
Wilt gij mij ook ombrengen, gelijkerwijs gij gisteren den Egyptenaar omgebracht hebt?
KJV
Wilt1
thou4
kill2
me,
as6
thou diddest8
the Egyptian11
yesterday?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
En MozesG3475 vluchtteG5343 opG1722 datG3778 woordG3056 en werdG1096 een vreemdelingG3941 inG1722 het landG1093 MadiamG3099, waar hij tweeG1417 zonenG5207 gewonG1080.
En Mozes vluchtte op dat woord en werd een vreemdeling in het land Madiam, waar hij twee zonen gewon.
KJV
Then2
fled1
Moses3
at4
this
saying,6
and8
was9
a stranger10
in11
the land12
of Madian,13
where14
he begat15
two17
sons.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
EnG2532 als veertigG5062 jarenG2094 vervuldG4137 waren, verscheenG3700 hemG846 de EngelG32 des HeerenG2962, in de woestijnG2048 van den bergG3735 SinaiG4614, in een vlammigG5395 vuurG4442 van het doornenbosG942.
En als veertig jaren vervuld waren, verscheen hem de Engel des Heeren, in de woestijn van den berg Sinai, in een vlammig vuur van het doornenbos.
KJV
And1
when forty4
years3
were expired,2
there appeared
to him6
in7
the wilderness9
of mount11
Sina12
an angel13
of the Lord14
in15
a flame16
of fire17
in a bush.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
MozesG3475 nuG1161, dat ziendeG1492, verwonderdeG2296 zich over het gezichtG3705; enG1161 als hij derwaarts ging, om dat te bezienG2657, zo geschieddeG1096 een stemG5456 des HeerenG2962 totG4314 hemG846,
Mozes nu, dat ziende, verwonderde zich over het gezicht; en als hij derwaarts ging, om dat te bezien, zo geschiedde een stem des Heeren tot hem,
KJV
When2
Moses3
saw
it, he wondered5
at the sight:7
and9
as he10
drew near8
to behold11
it, the voice13
of the Lord14
came12
unto15
him,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
Zeggende: IkG1473 ben de GodG2316 uwer vaderenG3962, de GodG2316 AbrahamsG11, en de GodG2316 IzaksG2464, en de GodG2316 JakobsG2384. En MozesG3475 werdG1096 zeer bevendeG1790, en durfdeG5111 het nietG3756 bezienG2657.
Zeggende: Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs. En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bezien.
KJV
Saying, I1
am the God3
of thy
fathers,5
the God8
of Abraham,9
and10
the God12
of Isaac,13
and14
the God16
of Jacob.17
Then19
Moses21
trembled,20
and durst23
not22
behold.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
EnG1161 de HeereG2962 zeideG2036 tot hemG846: OntbindG3089 de schoenenG5266 van uw voetenG4228; wantG1063 de plaatsG5117 inG1722 welkeG3739 gijG4771 staatG2476, isG1510 heiligG40 landG1093.
En de Heere zeide tot hem: Ontbind de schoenen van uw voeten; want de plaats in welke gij staat, is heilig land.
KJV
Then2
said
the Lord5
to him,3
Put off6
thy shoes8
from thy
feet:10
for13
the place14
where15
thou standest17
is
holy19
ground.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
Ik heb merkelijkG1492 gezienG3708 de mishandelingG2561 Mijns volksG2992, dat in EgypteG125 is, enG2532 Ik heb hunG846 zuchtenG4726 gehoordG191 enG2532 ben nedergekomenG2597, om henG846 daaruit te verlossenG1807; enG2532 nu, komG1204 herwaarts, Ik zal uG4771 naarG1519 EgypteG125 zendenG649.
Ik heb merkelijk gezien de mishandeling Mijns volks, dat in Egypte is, en Ik heb hun zuchten gehoord en ben nedergekomen, om hen daaruit te verlossen; en nu, kom herwaarts, Ik zal u naar Egypte zenden.
KJV
I have seen,
I have seen
the affliction4
of my
people6
which3
is in9
Egypt,10
and11
I have heard15
their14
groaning,13
and16
am come down17
to deliver18
them.19
And20
now21
come,22
I will send23
thee
into25
Egypt.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
DezenG5126 MozesG3475, welkenG3739 zij verloochendG720 hadden, zeggendeG2036: Wie heeft uG4771 tot een oversteG758 enG2532 rechterG1348 gesteldG2525? dezenG5126, zegG3004 ik, heeft GodG2316 tot een oversteG758 enG2532 verlosserG3086 gezondenG649, doorG1722 de handG5495 des EngelsG32, Die hemG846 verschenenG3700 was inG1722 het doornenbosG942.
Dezen Mozes, welken zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? dezen, zeg ik, heeft God tot een overste en verlosser gezonden, door de hand des Engels, Die hem verschenen was in het doornenbos.
KJV
This
Moses3
whom4
they refused,5
saying,
Who7
made9
thee
a ruler10
and11
a judge?12
the same
did God15
send19
to be a ruler16
and17
a deliverer18
by20
the hand21
of the angel22
which2
appeared
to him25
in26
the bush.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
DezeG3778 heeft henG846 uitgeleidG1806, doendeG4160 wonderenG5059 enG2532 tekenenG4592 inG1722 het landG1093 van EgypteG125, enG2532 inG1722 de RodeG2063 zeeG2281, enG2532 inG1722 de woestijnG2048, veertigG5062 jarenG2094.
Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en tekenen in het land van Egypte, en in de Rode zee, en in de woestijn, veertig jaren.
KJV
He1
brought2
them3
out,
after that he had shewed4
wonders5
and6
signs7
in8
the land9
of Egypt,10
and11
in12
the Red13
sea,14
and15
in16
the wilderness18
forty20
years.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
Deze isG1510 de MozesG3475, die tot de kinderenG5207 IsraelsG2474 gezegdG2036 heeft: De HeereG2962, uw GodG2316, zal uG4771 een ProfeetG4396 verwekkenG450 uitG1537 uw broederenG80, gelijkG5613 mijG1473; Dien zult gijG4771 horenG191.
Deze is de Mozes, die tot de kinderen Israels gezegd heeft: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken uit uw broederen, gelijk mij; Dien zult gij horen.
KJV
This1
is
that Moses,4
which3
said
unto the children8
of Israel,9
A prophet10
shall12
the Lord13
your
God15
raise up
unto you
of17
your
brethren,19
like21
unto me;
him23
shall ye hear.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38
DezeG3778 isG1510 het, die inG1722 de vergaderingG1577 des volks in de woestijnG2048 was metG3326 den EngelG32, Die tot hemG846 sprakG2980 op den bergG3735 SinaiG4614, enG2532 met onze vaderenG3962; welkeG3739 de levendeG2198 woordenG3051 ontvingG1209, om ons die te gevenG1325.
Deze is het, die in de vergadering des volks in de woestijn was met den Engel, Die tot hem sprak op den berg Sinai, en met onze vaderen; welke de levende woorden ontving, om ons die te geven.
KJV
This1
is he,
that was4
in5
the church7
in8
the wilderness10
with11
the angel13
which3
spake15
to him16
in17
the mount19
Sina,20
and21
with our
fathers:23
who25
received26
the lively28
oracles27
to give29
unto us:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39
Denwelken onze vadersG3962 nietG3756 wildenG2309 gehoorzaamG5255 zijn, maarG235 verwierpenG683 hem, enG2532 keerdenG4762 met hun hartenG2588 weder naarG1519 EgypteG125;
Denwelken onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen hem, en keerden met hun harten weder naar Egypte;
KJV
To whom1
our
fathers7
would3
not2
obey,5
but9
thrust him from them,10
and11
in their15
hearts14
turned back again12
into16
Egypt,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
40
ZeggendeG2036 tot AaronG2: MaakG4160 ons godenG2316, dieG3739 voor ons heengaanG4313; wantG1063 wat dezenG3778 MozesG3475 aangaat, die ons uitG1537 het landG1093 van EgypteG125 geleidG1806 heeft, wij wetenG1492 nietG3756, watG5101 hemG846 geschiedG1096 is.
Zeggende tot Aaron: Maak ons goden, die voor ons heengaan; want wat dezen Mozes aangaat, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet, wat hem geschied is.
KJV
Saying
unto Aaron,3
Make4
us
gods6
to7
go before8
us:
for11
as for this13
Moses,12
which14
brought15
us
out of17
the land18
of Egypt,19
we wot21
not20
what22
is become23
of him.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
41
En zijG846 maakten een kalf inG1722 dieG1565 dagenG2250, enG2532 brachtenG321 offerandeG2378 tot den afgodG1497, enG2532 verheugdenG2165 zich inG1722 de werkenG2041 hunner handenG5495.
En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande tot den afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen.
Ook in dit vers
maakten kalfG3447
KJV
And1
they made a calf2
in3
those6
days,5
and7
offered8
sacrifice9
unto the idol,11
and12
rejoiced13
in14
the works16
of their own19
hands.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
42
En GodG2316 keerdeG4762 Zich, en gaf hen over, dat zij het heirG4756 des hemelsG3772 diendenG3000, gelijk geschrevenG1125 is inG1722 het boekG976 der profetenG4396: Hebt gij ookG2532 slachtofferenG4968 en offerandenG2378 MijG1473 opgeofferdG4374, veertigG5062 jarenG2094 inG1722 de woestijnG2048, gij huisG3624 IsraelsG2474?
En God keerde Zich, en gaf hen over, dat zij het heir des hemels dienden, gelijk geschreven is in het boek der profeten: Hebt gij ook slachtofferen en offeranden Mij opgeofferd, veertig jaren in de woestijn, gij huis Israels?
KJV
Then2
God4
turned,1
and5
gave6
them7
up
to worship8
the host10
of heaven;12
as it13
is written14
in15
the book16
of the prophets,18
O ye house30
of Israel,31
have ye offered19
to me
slain beasts20
and21
sacrifices22
by the space of forty26
years25
in27
the wilderness?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
43
Ja, gij hebt opgenomenG353 den tabernakelG4633 van MolochG3434, enG2532 het gesternteG798 van uw godG2316 RemfanG4481, de afbeeldingenG5179, dieG3739 gij gemaaktG4160 hebt, om die te aanbiddenG4352; enG2532 Ik zal uG4771 overvoerenG3351 op geneG1900 zijde van BabylonG897.
Ja, gij hebt opgenomen den tabernakel van Moloch, en het gesternte van uw god Remfan, de afbeeldingen, die gij gemaakt hebt, om die te aanbidden; en Ik zal u overvoeren op gene zijde van Babylon.
KJV
Yea,1
ye took up2
the tabernacle4
of Moloch,6
and7
the star9
of your
god11
Remphan,13
figures15
which16
ye made17
to worship18
them:19
and20
I will carry21
you
away
beyond23
Babylon.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
44
De tabernakelG4633 der getuigenisG3142 wasG1510 onderG1722 onze vaderenG3962 inG1722 de woestijnG2048, gelijk geordineerdG1299 had Hij, Die tot MozesG3475 zeideG2980, dat hij denzelven makenG4160 zou naarG2596 de afbeeldingG5179, dieG3739 hij gezienG3708 had;
De tabernakel der getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk geordineerd had Hij, Die tot Mozes zeide, dat hij denzelven maken zou naar de afbeelding, die hij gezien had;
KJV
Our
fathers11
had
the tabernacle2
of witness4
in7
the wilderness,15
as16
he had appointed,17
speaking19
unto Moses,21
that he should make22
it23
according24
to the fashion26
that27
he had seen.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
45
Welken ookG2532 onze vadersG3962 ontvangenG1237 hebbende, met JozuaG2424 gebrachtG1521 hebben inG1722 het land, dat de heidenenG1484 bezatenG2697, dieG3739 GodG2316 verdrevenG1856 heeft vanG575 het aangezichtG4383 onzer vaderenG3962, tot de dagenG2250 van DavidG1138 toe;
Welken ook onze vaders ontvangen hebbende, met Jozua gebracht hebben in het land, dat de heidenen bezaten, die God verdreven heeft van het aangezicht onzer vaderen, tot de dagen van David toe;
KJV
Which1
also2
our
fathers6
that came4
after brought in3
with8
Jesus9
into10
the possession12
of the Gentiles,14
whom15
God18
drave out16
before19
the face20
of our
fathers,22
unto24
the days26
of David;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
46
Dewelke voor GodG2316 genadeG5485 gevondenG2147 heeft, enG2532 begeerdG154 heeft te vindenG2147 een woonstedeG4638 voor den GodG2316 JakobsG2384.
Dewelke voor God genade gevonden heeft, en begeerd heeft te vinden een woonstede voor den God Jakobs.
KJV
Who1
found2
favour3
before4
God,6
and7
desired8
to find9
a tabernacle10
for the God12
of Jacob.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
47
EnG1161 SalomoG4672 bouwdeG3618 HemG846 een huisG3624.
En Salomo bouwde Hem een huis.
KJV
But2
Solomon1
built3
him4
an house.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
48
MaarG235 de AllerhoogsteG5310 woontG2730 nietG3756 inG1722 tempelenG3485 met handenG5499 gemaakt; gelijk de profeetG4396 zegtG3004:
Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt; gelijk de profeet zegt:
KJV
Howbeit1
the most High4
dwelleth8
not2
in5
temples7
made with hands;6
as9
saith12
the prophet,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
49
De hemelG3772 is MijG1473 een troonG2362, enG1161 de aardeG1093 een voetbankG5286 Mijner voetenG4228. HoedanigG4169 huisG3624 zult gij MijG1473 bouwenG3618, zegtG3004 de HeereG2962, ofG2228 welkeG5101 is de plaatsG5117 Mijner rusteG2663?
De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Mijner voeten. Hoedanig huis zult gij Mij bouwen, zegt de Heere, of welke is de plaats Mijner ruste?
KJV
Heaven2
is my
throne,4
and6
earth7
is my
footstool:10
what12
house13
will ye build14
me?
saith16
the Lord:17
or18
what19
is the place20
of my
rest?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
50
Heeft niet Mijn handG5495 alG3956 dezeG3778 dingen gemaaktG4160?
Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?
KJV
Hath5
not1
my
hand3
made
all7
these things?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
51
GijG4771 hardnekkigenG4644 enG2532 onbesnedenenG564 van hartG2588 enG2532 orenG3775, gijG4771 wederstaatG496 altijdG104 den HeiligenG40 GeestG4151; gelijkG5613 uw vadersG3962, alzo ookG2532 gijG4771.
Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd den Heiligen Geest; gelijk uw vaders, alzo ook gij.
KJV
Ye stiffnecked1
and2
uncircumcised3
in heart5
and6
ears,8
ye
do15
always10
resist
the Holy14
Ghost:12
as16
your
fathers18
did, so20
do ye.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
52
Wien van de profetenG4396 hebben uw vadersG3962 nietG3756 vervolgdG1377? EnG2532 zij hebben gedoodG615 degenen, die te voren verkondigd hebben de komstG1660 des RechtvaardigenG1342, van WelkenG3739 gijliedenG4771 nu verradersG4273 enG2532 moordenaarsG5406 gewordenG1096 zijt.
Wien van de profeten hebben uw vaders niet vervolgd? En zij hebben gedood degenen, die te voren verkondigd hebben de komst des Rechtvaardigen, van Welken gijlieden nu verraders en moordenaars geworden zijt.
Ook in dit vers
tevoren verkondigdG4293
KJV
Which1
of the prophets3
have5
not4
your
fathers7
persecuted?
and9
they have slain10
them which2
shewed before12
of13
the coming15
of the Just One;17
of whom18
ye
have been24
now19
the betrayers21
and22
murderers:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
53
Gij, die de wetG3551 ontvangenG2983 hebt door bestellingenG1296 der engelenG32, enG2532 hebt ze nietG3756 gehouden!
Gij, die de wet ontvangen hebt door bestellingen der engelen, en hebt ze niet gehouden!
KJV
Who1
have received2
the law4
by5
the disposition6
of angels,7
and8
have10
not9
kept
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
54
Als zij nuG1161 ditG3778 hoordenG191, bersttenG1282 hun hartenG2588, en zij knerstenG1031 de tandenG3599 tegenG1909 hem.
Als zij nu dit hoorden, berstten hun harten, en zij knersten de tanden tegen hem.
KJV
When2
they heard1
these things,
they were cut4
to the heart,6
and8
they gnashed9
on12
him7
with their teeth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
55
MaarG1161 hij, volG4134 zijnde des HeiligenG40 GeestesG4151, en de ogen houdendeG816 naarG1519 den hemelG3772, zagG1492 de heerlijkheidG1391 GodsG2316, en JezusG2424, staandeG2476 ter rechterG1188 hand GodsG2316.
Maar hij, vol zijnde des Heiligen Geestes, en de ogen houdende naar den hemel, zag de heerlijkheid Gods, en Jezus, staande ter rechter hand Gods.
Ook in dit vers
uit/metG1537
KJV
But2
he, being1
full3
of the Holy5
Ghost,4
looked up stedfastly6
into7
heaven,9
and saw
the glory11
of God,12
and13
Jesus14
standing15
on16
the right hand17
of God,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
56
En hij zeideG2036: ZietG3708, ik zieG2334 de hemelenG3772 geopendG455, enG2532 den ZoonG5207 des mensenG444, staandeG2476 ter rechterG1188 hand GodsG2316.
En hij zeide: Ziet, ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des mensen, staande ter rechter hand Gods.
Ook in dit vers
uit/metG1537
KJV
And1
said,
Behold,
I see4
the heavens6
opened,7
and8
the Son10
of man12
standing15
on13
the right hand14
of God.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
57
MaarG1161 zij, roependeG2896 met groteG3173 stemmeG5456, stoptenG4912 hunG846 orenG3775, en vielenG3729 eendrachtelijkG3661 op hemG846 aan;
Maar zij, roepende met grote stemme, stopten hun oren, en vielen eendrachtelijk op hem aan;
KJV
Then2
they cried out1
with a loud4
voice,3
and stopped5
their8
ears,7
and9
ran10
upon12
him13
with one accord,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
58
EnG2532 wierpenG1544 hem ter stadG4172 uit, en stenigdenG3036 hem; en de getuigenG3144 legdenG659 hunG846 klederenG2440 af aan de voetenG4228 eens jongelingsG3494, genaamdG2564 SaulusG4569.
En wierpen hem ter stad uit, en stenigden hem; en de getuigen legden hun klederen af aan de voeten eens jongelings, genaamd Saulus.
KJV
And1
cast2
him out of3
the city,5
and stoned6
him: and7
the witnesses9
laid down10
their13
clothes12
at14
a young man's17
feet,16
whose name was18
Saul.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
59
En zij stenigdenG3036 StefanusG4736, aanroependeG1941 enG2532 zeggendeG3004: HeereG2962 JezusG2424, ontvangG1209 mijn geestG4151.
En zij stenigden Stefanus, aanroepende en zeggende: Heere Jezus, ontvang mijn geest.
KJV
And1
they stoned2
Stephen,4
calling upon5
God, and6
saying,7
Lord8
Jesus,9
receive10
my
spirit.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
60
En vallendeG5087 op de knieenG1119, riepG2896 hij met groteG3173 stemG5456: HeereG2962, rekenG2476 hunG846 deze zondeG266 nietG3361 toe! En als hij datG3778 gezegdG2036 had, ontsliepG2837 hij.
En vallende op de knieen, riep hij met grote stem: Heere, reken hun deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had, ontsliep hij.
KJV
And2
he kneeled down,1
and cried5
with a loud7
voice,6
Lord,8
lay10
not9
this
sin13
to their11
charge. And15
when he had said
this,
he fell asleep.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
deze dingen alzo?
Namelijk waarvan gij beschuldigd wordt.
Hertaald:
deze dingen alzo?
Namelijk waarvan u beschuldigd wordt.
broeders en vaders,
Zo noemt hij hen omdat zij van een geslacht waren; die van gelijken ouderdom onder hen waren, noemende broeders, en die ouder of in enig ambt waren, vaders.
Hertaald:
broeders en vaders,
Zo noemt hij hen omdat zij van hetzelfde geslacht waren: wie van gelijke leeftijd waren noemt hij broeders, en wie ouder waren of een ambt bekleedden vaders.
onzen vader Abraham,
Dat is, van welken wij Joden afkomstig zijn, en waarover wij altijd roemen; Joh. 8:39 .
Hertaald:
onzen vader Abraham,
Dat is: van wie wij Joden afstammen en op wie wij ons altijd beroemen; Joh. 8:39.
Mesopotámië,
Zo wordt in het Grieks genaamd het land, dat midden ligt tussen de rivieren Tigris en Eufraat, in het Hebreeuws genaamd Aram Naharaïm; dat is, Syrië tussen de rivieren, Gen. 24:10 , tot hetwelk ook gerekend werd het land van Babylonië, waar Chaldea een deel van was; Gen. 11:31 . Zie ook Plinius lib. 6, en cap.9:16.
Hertaald:
Mesopotámië,
Zo wordt in het Grieks het land genoemd dat midden tussen de rivieren de Tigris en de Eufraat ligt; in het Hebreeuws heet het Aram Naharaïm, dat is: Syrië tussen de rivieren (Gen. 24:10). Daartoe werd ook het land Babylonië gerekend, waarvan Chaldea een deel was; Gen. 11:31. Zie ook Plinius, boek 6, hoofdstuk 9 en 16.
eer hij woonde
Namelijk als hij nog woonde in Ur, ene stad van Chaldea; Gen. 11:31 , en Gen. 15:7 .
Hertaald:
eer hij woonde
Namelijk toen hij nog woonde in Ur, een stad in Chaldea; Gen. 11:31 en Gen. 15:7.
Charran;
Dit was ene stad van Mesopotamië, over de rivier Eufraat, Gen. 11:31 , en Gen. 28:10 , en Gen. 29:4 ; Joz. 24:2 , anders genaamd Charrhae, waar eertijds de Romeinse veldoverste M. Crassus van de Parthen is verslagen.
Hertaald:
Charran;
Dit was een stad in Mesopotamië, aan de overzijde van de Eufraat (Gen. 11:31, Gen. 28:10 en Gen. 29:4; Joz. 24:2), ook wel Charrhae genoemd, waar vroeger de Romeinse veldheer Marcus Crassus door de Parthen verslagen is.
in een land,
Dit was het land Kanaän, hetwelk God hem in het eerst niet noemde, om zijn geloof en gehoorzaamheid te beter te beproeven en tevoorschijn te brengen; Gen. 12:1 .
Hertaald:
in een land,
Dit was het land Kanaän, dat God hem eerst niet met name noemde, om zijn geloof en gehoorzaamheid des te beter te beproeven en aan het licht te brengen; Gen. 12:1.
niet een voetstap;
Dat is, niet zoveel eigendom, dat hij zijn voet daarop kon stellen. Zie Deut. 2:5 . Daarna heeft hij daarin een akker met ene spelonk gekocht, en dat niet om daar te wonen, maar om zijne doden daarin te begraven; Gen. 23:9 .
Hertaald:
niet een voetstap;
Dat is: niet zoveel eigendom dat hij er zijn voet op kon zetten. Zie Deut. 2:5. Later heeft hij daar een akker met een spelonk gekocht, en dat niet om er te wonen, maar om zijn doden erin te begraven; Gen. 23:9.
en beloofde, dat
Dat is, hoewel Hij het beloofd had. Of, maar Hij beloofde.
Hertaald:
en beloofde, dat
Dat is: hoewel Hij het beloofd had. Of: maar Hij beloofde.
zade na hem,
Dat is, nakomelingen.
Hertaald:
zade na hem,
Dat is: nakomelingen.
vreemdeling
Grieks Paroikos; dat is een inwoner of bijwoner, die niet in zijn eigen, maar in eens anders huis of land woont.
Hertaald:
vreemdeling
Grieks: paroikos; dat is: een inwonende of bijwonende, die niet in zijn eigen huis of land woont maar in dat van een ander.
in een vreemd
Namelijk het land van Egypte.
Hertaald:
in een vreemd
Namelijk het land Egypte.
zij het zouden
Namelijk de Egyptenaren.
Hertaald:
zij het zouden
Namelijk de Egyptenaren.
dienstbaar maken,
Door deze dienstbaarheid wordt ook verstaan al hunne ballingschap en vreemdelingschap, en niet alleen die harde dienstbaarheid, die de Israëlieten in Egypte eerst onderworpen zijn geweest na den dood van Jozef, Ex. 1:6 , Ex. 1:10-11 , want die heeft geen vierhonderd jaren geduurd.
Hertaald:
dienstbaar maken,
Onder deze dienstbaarheid wordt ook heel hun ballingschap en vreemdelingschap verstaan, en niet alleen die harde dienstbaarheid waaraan de Israëlieten in Egypte pas na de dood van Jozef onderworpen zijn geweest (Ex. 1:6, Ex. 1:10-11), want die heeft geen vierhonderd jaar geduurd.
vierhonderd jaren
Die gerekend moeten worden van den tijd, dat Abraham na deze belofte zaad heeft gekregen, en Izak hem geboren is, of als Izak gespeend werd, Gen. 21:2 , Gen. 21:8 ; doch wat aangaat de vierhonderd en dertig jaren, waarvan gesproken wordt Ex. 12:40 , en Gal. 3:17 , zie de aantekeningen daarvan op dezelfde plaatsen, Gen. 12:1 , tussen welken tijd en het spenen van Izak dertig jaren zijn. Zie Gen. 15:13 , op welke plaats Stefanus hier ziet.
Hertaald:
vierhonderd jaren
Die gerekend moeten worden vanaf de tijd dat Abraham na deze belofte nageslacht kreeg en Izak hem geboren werd, of vanaf het spenen van Izak (Gen. 21:2, Gen. 21:8). Wat de vierhonderddertig jaar betreft waarover gesproken wordt in Ex. 12:40 en Gal. 3:17: zie de aantekeningen daarop bij die plaatsen en bij Gen. 12:1; tussen die tijd en het spenen van Izak liggen dertig jaar. Zie Gen. 15:13, de plaats waarop Stefanus hier ziet.
En het volk,
Of, maar.
Hertaald:
En het volk,
Of: maar.
oordelen, sprak
Dat is, straffen naar mijn rechtvaardig oordeel, 1 Kor. 11:31 ; Hebr. 13:4 , hetwelk ook voornamelijk geschied is als Farao met zijn ganse heir in de Rode zee verdronken is.
Hertaald:
oordelen, sprak
Dat is: straffen naar Mijn rechtvaardig oordeel (1 Kor. 11:31; Hebr. 13:4), wat vooral gebeurd is toen Farao met heel zijn leger in de Rode Zee verdronk.
hem
Namelijk Abraham.
Hertaald:
hem
Namelijk Abraham.
het verbond
Dat is, de besnijdenis, die een teken en zegel des verbonds was. Zie Gen. 17:10 ; Rom. 4:11 .
Hertaald:
het verbond
Dat is: de besnijdenis, die een teken en zegel van het verbond was. Zie Gen. 17:10; Rom. 4:11.
en alzo gewon
Of, en deze.
Hertaald:
en alzo gewon
Of: en deze.
was met hem,
Namelijk met zijn bijzondere gunst, genade en zegening.
Hertaald:
was met hem,
Namelijk met Zijn bijzondere gunst, genade en zegen.
genade en
Dat is, aangenaamheid, dat hem Farao gunstig was.
Hertaald:
genade en
Dat is: welgevallen, zodat Farao hem gunstig gezind was.
overste over
Grieks voorganger.
Hertaald:
overste over
Grieks: voorganger.
geen spijs
Namelijk voor hen en voor hun vee. Of, niet om hen te verzadigen.
Hertaald:
geen spijs
Namelijk voor henzelf en voor hun vee. Of: niet genoeg om hen te verzadigen.
onze vaders de
Dat is, zijne zonen, van wie wij afkomstig zijn.
Hertaald:
onze vaders de
Dat is: zijn zonen, van wie wij afstammen.
reize werd
Dat is, wederkomst in Egypte.
Hertaald:
reize werd
Dat is: bij hun terugkomst in Egypte.
geslacht, bestaande
Of, maagschap.
Hertaald:
geslacht, bestaande
Of: verwantschap.
vijf en zeventig
In den Hebreeuwsen tekst Gen. 46:27 ; Ex. 1:5 en Deut. 10:22 , wordt maar van zeventig zielen vermeld; maar in de Griekse overzetting staat Gen. 46:27 , en Ex. 1:5 , van vijf en zeventig, welke overzetting sommigen menen, dat Lukas hier heeft gevolgd. Zie dergelijke Luc. 3:36 . Anderen menen dat Stefanus boven de zeventig nog zou gerekend hebben de vier huisvrouwen van Jakob, en de twee zonen van Juda in Kanaän gestorven, zonder Jakob zelf mede te rekenen.
Hertaald:
vijf en zeventig
In de Hebreeuwse tekst van Gen. 46:27, Ex. 1:5 en Deut. 10:22 worden maar zeventig zielen genoemd; maar in de Griekse vertaling staat in Gen. 46:27 en Ex. 1:5 vijfenzeventig, en sommigen menen dat Lukas hier die vertaling gevolgd heeft. Zie iets dergelijks in Luk. 3:36. Anderen menen dat Stefanus boven de zeventig ook nog de vier vrouwen van Jakob en de twee in Kanaän gestorven zonen van Juda meegerekend zou hebben, zonder Jakob zelf mee te tellen.
zij werden
Dat is, hun gebeente.
Hertaald:
zij werden
Dat is: hun gebeente.
naar Sichem,
Dit was ene stad in het land van Samaria, Gen. 33:19 , anders ook Sichar genaamd, Joh. 4:5 , bij welke de beenderen van Jozef begraven zijn, in dat stuk velds, hetwelk Jakob kocht van de kinderen van Hemor, den vader van Sichem, Joz. 24:32 , en het is gelofelijk dat van enigen de beenderen der andere voorvaders ook daar gebracht zijn.
Hertaald:
naar Sichem,
Dit was een stad in het land Samaria (Gen. 33:19), ook wel Sichar genoemd (Joh. 4:5), waar de beenderen van Jozef begraven zijn, op dat stuk land dat Jakob gekocht had van de kinderen van Hemor, de vader van Sichem (Joz. 24:32). Het is aannemelijk dat door sommigen ook de beenderen van de andere voorvaders daarheen gebracht zijn.
Abraham gekocht
gen. 33:19, en Joz. 24:32 wordt uitdrukkelijk gezegd dat Jakob van de kinderen van Emmor, den vader van Sichem, een stuk lands gekocht heeft; waarom sommigen menen dat het woord Jakob uit vs.15 moet herhaald worden, en dat het woord Abraham eertijds in den tekst niet heeft gestaan. Doch anderen menen dat het woord Abraham in den tekst wel mag behouden worden, alzo ook Abraham te Hebron ene spelonk gekocht heeft van Efron den zoon Zoar, tot begraving zijner doden, Gen. 23:16 , in welke ook Jakob heeft willen begraven zijn, Gen. 49:29-30 , en waarheen ook schijnt dat de gebeenten van enige andere voorvaders uit Sichem overgebracht zijn. En dezen zetten den tekst hier aldus over: benevens hetgeen; dat is, benevens het graf, dat van deze zonen van Emmor, den vader van Sichem; namelijk door Jakob gekocht was; Gen. 33:19 .
Hertaald:
Abraham gekocht
In Gen. 33:19 en Joz. 24:32 wordt uitdrukkelijk gezegd dat Jakob van de kinderen van Hemor, de vader van Sichem, een stuk land gekocht heeft. Daarom menen sommigen dat het woord Jakob uit vers 15 herhaald moet worden en dat het woord Abraham vroeger niet in de tekst gestaan heeft. Anderen menen echter dat het woord Abraham hier gerust in de tekst kan blijven, aangezien ook Abraham in Hebron een spelonk gekocht heeft van Efron, de zoon van Zohar, om zijn doden te begraven (Gen. 23:16), waarin ook Jakob begraven wilde worden (Gen. 49:29-30) en waarheen naar het schijnt ook de beenderen van enkele andere voorvaders uit Sichem overgebracht zijn. Dezen vertalen de tekst hier zo: naast wat, dat is: naast het graf dat van deze zonen van Hemor, de vader van Sichem, namelijk door Jakob gekocht was; Gen. 33:19.
een som gelds,
Grieks voor prijs van zilver.
Hertaald:
een som gelds,
Grieks: voor een prijs van zilver.
den vader van
Zie Gen. 33:19 .
Hertaald:
den vader van
Zie Gen. 33:19.
de tijd der
Namelijk aan Abraham gedaan, dat zijne nakomelingen uit het vreemde land en de dienstbaarheid verlost zouden worden, vs.7; of van de vermenigvuldiging zijns zaads; Gen. 22:16-17 .
Hertaald:
de tijd der
Namelijk de belofte die aan Abraham gedaan was, dat zijn nakomelingen uit het vreemde land en uit de dienstbaarheid verlost zouden worden (vers 7); of de belofte van de vermenigvuldiging van zijn zaad (Gen. 22:16-17).
die Jozef niet
Namelijk hoeveel goeds hij aan Egypte gedaan had; en daarom den Hebreën niet gunstig was.
Hertaald:
die Jozef niet
Namelijk die niet wist hoeveel goeds hij voor Egypte gedaan had, en die daarom de Hebreeën niet gunstig gezind was.
gebruikte listigheid
Dat is, onderdrukte hen met listen. Door den zwaren arbeid hen tenonder houdende en zijn voordeel doende; en hun mannelijke kinderen dodende, opdat zij niet meer zouden vermenigvuldigen. Zie Ex. 1:10 .
Hertaald:
gebruikte listigheid
Dat is: hij onderdrukte hen met listen: door hen met zware arbeid eronder te houden en daar zijn voordeel mee te doen, en door hun jongetjes te doden opdat zij zich niet verder zouden vermenigvuldigen. Zie Ex. 1:10.
voorttelen
Of, in het leven blijven.
Hertaald:
voorttelen
Of: in leven blijven.
uitnemend schoon;
Grieks Gode schoon; dat is, goddelijk of uitnemend, Ex. 2:2 ; alzo wordt Nineve genaamd ene stad Gode groot, dat is uitnemend groot. God had hem die grote schoonheid gegeven om daardoor de dochter van Farao te bewegen, hem bij het leven te behouden en voor haren zoon aan te nemen; Ex. 2:10 .
Hertaald:
uitnemend schoon;
Grieks: schoon voor God; dat is: goddelijk of uitnemend schoon (Ex. 2:2). Zo wordt Ninevé een stad genoemd die groot was voor God, dat is: uitnemend groot. God had hem die grote schoonheid gegeven om daardoor de dochter van Farao te bewegen hem in leven te laten en als haar zoon aan te nemen; Ex. 2:10.
tot een zoon
Dat is, hem tot een zoon aangenomen of geadopteerd hebbende; Hebr. 11:24 .
Hertaald:
tot een zoon
Dat is: doordat zij hem tot zoon aannam of adopteerde; Hebr. 11:24.
veertig jaren
Namelijk die hij in het hof van Farao geleefd had.
Hertaald:
veertig jaren
Namelijk de veertig jaar die hij aan het hof van Farao geleefd had.
zijn broeders,
Dat is, die van zijn volk en geslacht waren.
Hertaald:
zijn broeders,
Dat is: zij die tot zijn volk en geslacht behoorden.
een, die onrecht
Namelijk Israëliet.
Hertaald:
een, die onrecht
Namelijk een Israëliet.
verstaan, dat
Namelijk uit deze zijne daad.
Hertaald:
verstaan, dat
Namelijk uit deze daad van hem.
door zijn hand
Dat is, door zijn dienst. Hebreën.
Hertaald:
door zijn hand
Dat is: door zijn dienst — een Hebreeuwse uitdrukking.
verlossing geven
Grieks behoudenis; namelijk uit de slavernij van Egypte.
Hertaald:
verlossing geven
Grieks: behoudenis; namelijk uit de slavernij van Egypte.
niet verstaan
Namelijk uit onachtzaamheid of halsstarrigheid, welk gebrek altijd bij dit volk geweest is. Zie vs.35.
Hertaald:
niet verstaan
Namelijk uit onachtzaamheid of halsstarrigheid, een gebrek dat dit volk altijd gehad heeft. Zie vers 35.
drong ze tot
Namelijk met ernstige vermaningen.
Hertaald:
drong ze tot
Namelijk met ernstige vermaningen.
op dat woord
Grieks in dat woord; dat is, zo haast dat gesproken was; omdat hij daaruit verstond dat zijne daad niet verborgen was, gelijk hij gemeend had.
Hertaald:
op dat woord
Grieks: in dat woord; dat is: zodra dat gezegd was, omdat hij daaruit begreep dat zijn daad niet verborgen gebleven was, zoals hij gemeend had.
veertig jaren
Namelijk die hij na de vlucht uit Egypte in Midian doorgebracht had; zodat hij nu tachtig jaren oud was; zie vs.33.
Hertaald:
veertig jaren
Namelijk de veertig jaar die hij na zijn vlucht uit Egypte in Midian doorgebracht had; hij was nu dus tachtig jaar oud; zie vers 33.
de Engel des
Namelijk de eeuwige Zoon Gods, de Heere zelf, gelijk men ziet in vs.31,32 en Ex. 3:4-5 , en Ex. 23:21 ; 1 Kor. 10:9 .
Hertaald:
de Engel des
Namelijk de eeuwige Zoon van God, de Heere Zelf, zoals blijkt uit vers 31 en 32 en uit Ex. 3:4-5 en Ex. 23:21; 1 Kor. 10:9.
in een vlammig
Grieks in een vlam vuurs.
Hertaald:
in een vlammig
Grieks: in een vlam van vuur.
te bezien, zo
Of, te bemerken.
Hertaald:
te bezien, zo
Of: op te merken.
het niet
Of, hem; namelijk den engel.
Hertaald:
het niet
Of: hem, namelijk de engel.
bezien
Of, bemerken.
Hertaald:
bezien
Of: op te merken.
de schoenen van
Het Griekse woord betekent zolen, die onder aan de voeten met banden aangebonden werden.
Hertaald:
de schoenen van
Het Griekse woord betekent zolen, die met banden onder de voeten gebonden werden.
heilig land
Namelijk om de goddelijke verschijning, die daar geschiedde.
Hertaald:
heilig land
Namelijk vanwege de goddelijke verschijning die daar plaatsvond.
merkelijk gezien
Grieks ziende gezien. Hebreën, dat is, wel terdege gezien, en ernstig daarop gelet, hoe mijn volk in Egypte mishandeld wordt.
Hertaald:
merkelijk gezien
Grieks: ziende gezien — een Hebreeuwse uitdrukking; dat is: terdege gezien en er nauwlettend op gelet hoe Mijn volk in Egypte mishandeld wordt.
nedergekomen,
Namelijk van den hemel; hetwelk verstaan moet worden menselijkerwijze gesproken, dat God nu bereid was om zijn volk te verlossen en hunne vijanden te straffen. Want anderszins vervult God hemel en aarde; Jer. 23:24 .
Hertaald:
nedergekomen,
Namelijk uit de hemel. Dat moet op menselijke wijze verstaan worden: dat God nu gereed was om Zijn volk te verlossen en hun vijanden te straffen. Want anders vervult God hemel en aarde; Jer. 23:24.
door de hand
Dat is, door de besturing. Hebreën.
Hertaald:
door de hand
Dat is: door het bestuur — een Hebreeuwse uitdrukking.
een Profeet
Namelijk den Christus of Messias. Hier toont Stefanus dat hij tegen Mozes niet leert als hij Jezus Christus predikt, dewijl Mozes zelf van Hem geprofeteerd heeft.
Hertaald:
een Profeet
Namelijk de Christus of Messias. Hier toont Stefanus aan dat hij niet tegen Mozes ingaat wanneer hij Jezus Christus predikt, aangezien Mozes zelf over Hem geprofeteerd heeft.
vergadering des volks
Of, gemeente. Dit is de vergadering des volks geweest, die beschreven wordt Exo 19 , en in enige volgende hoofdstukken.
Hertaald:
vergadering des volks
Of: gemeente. Dit is de vergadering van het volk geweest die beschreven wordt in Ex. 19 en enkele volgende hoofdstukken.
den Engel,
Namelijk de Zoon Gods, vs.30.
Hertaald:
den Engel,
Namelijk de Zoon van God, vers 30.
levende
Dat is, den weg ten leven aanwijzende.
Hertaald:
levende
Dat is: die de weg tot het leven wijzen.
woorden ontving,
Dat is, uitspraken of aanspraken Gods, waarmede Hij zijnen wil verklaarde.
Hertaald:
woorden ontving,
Dat is: uitspraken of aanspraken van God, waarmee Hij Zijn wil bekendmaakte.
maar verwierpen
Namelijk Mozes en God door Mozes hun zijn levende woorden voorhoudende.
Hertaald:
maar verwierpen
Namelijk Mozes, en God, Die hun door Mozes Zijn levende woorden voorhield.
naar Egypte;
Namelijk verlangende weder naar dat land, of naar de bijgelovigheden van Egypte.
Hertaald:
naar Egypte;
Namelijk verlangend naar dat land terug, of naar de bijgelovigheden van Egypte.
tot den afgod,
Of, tot het beeld, waar zij afgoderij mede bedreven; namelijk tot het kalf.
Hertaald:
tot den afgod,
Of: tot het beeld waarmee zij afgoderij bedreven, namelijk het kalf.
verheugden zich
Namelijk met eten, drinken en spelen; Ex. 32:6 ; 1 Kor. 10:7 .
Hertaald:
verheugden zich
Namelijk met eten, drinken en spelen; Ex. 32:6; 1 Kor. 10:7.
werken hunner handen
Dat is, in het gouden kalf, dat zij zelf met hun eigen handen gemaakt hadden. Zo worden de afgoden dikwijls genaamd om hunne nietigheid en der afgodendienaars dwaasheid aan te wijzen; Ps. 115:4 .
Hertaald:
werken hunner handen
Dat is: in het gouden kalf, dat zij zelf met hun eigen handen gemaakt hadden. Zo worden de afgoden vaak genoemd, om hun nietigheid en de dwaasheid van de afgodendienaars aan te wijzen; Ps. 115:4.
keerde Zich,
Dat is, werd toornig over hen, daar Hij tevoren hun gunstig was geweest en weldeed. Of, keerde zich van hen af.
Hertaald:
keerde Zich,
Dat is: Hij werd toornig op hen, terwijl Hij hun tevoren gunstig gezind geweest was en goedgedaan had. Of: Hij keerde Zich van hen af.
gaf hen over,
Namelijk als een rechtvaardig Rechter aan hunne begeerlijkheden en in een verkeerden in; Rom. 1:24 , Rom. 1:28 .
Hertaald:
gaf hen over,
Namelijk als een rechtvaardig Rechter, aan hun begeerten en aan een verkeerd verstand; Rom. 1:24, Rom. 1:28.
het heir des
Dat is, de zon, maan en andere gesternten. Zie Deut. 17:3 ; 2 Kon. 17:16 ; Jes. 40:26 ; Jer. 19:13 .
Hertaald:
het heir des
Dat is: de zon, de maan en de andere sterren. Zie Deut. 17:3; 2 Kon. 17:16; Jes. 40:26; Jer. 19:13.
in het boek
Namelijk der kleine profeten, die in een boek tezamen bijeengesteld waren. Dit staat bij den profeet Amos, Am. 5:25 .
Hertaald:
in het boek
Namelijk het boek van de kleine profeten, die in één boek samengebracht waren. Dit staat bij de profeet Amos, Amos 5:25.
Hebt gij ook
Met dit vragen wil Hij zeggen dat zij hem niet hebben geofferd naar behoren, noch met een oprecht hart; Am. 5:21 .
Hertaald:
Hebt gij ook
Met deze vraag wil Hij zeggen dat zij Hem niet naar behoren en niet met een oprecht hart geofferd hebben; Amos 5:21.
opgenomen den
Namelijk op uwe schouders, om die om te dragen.
Hertaald:
opgenomen den
Namelijk op uw schouders, om die rond te dragen.
van Moloch, en
Deze Moloch was een afgod der Ammonieten, Lev. 18:21 ; 1 Kon. 11:7 ; Jer. 32:35 , en komt deze naam van het Hebreeuwse woord Mesech, dat is koning, gelijk ook Milkom; 1 Kon. 11:5 .
Hertaald:
van Moloch, en
Deze Moloch was een afgod van de Ammonieten (Lev. 18:21; 1 Kon. 11:7; Jer. 32:35). Deze naam komt van het Hebreeuwse woord melech, dat is: koning, zoals ook Milkom; 1 Kon. 11:5.
het gesternte
Zie hiervan Am. 5:26 , en dergelijke ook Jer. 7:18 , en Jer. 44:25 .
Hertaald:
het gesternte
Zie hierover Amos 5:26, en iets dergelijks ook Jer. 7:18 en Jer. 44:25.
Remfan
In den Hebreeuwsen tekst staat Chijun, waardoor sommigen verstaan den afgod Hercules, omdat de Egyptenaren, welker afgoderij de Israëlieten veel volgden, dien Chon noemden; anderen den afgod Saturnus, die van de Egyptenaren ook Refan genoemd werd, welk woord, doch veranderd in Raiphan, in de Griekse overzetting door Chijun gesteld is, die hier van Lukas gevolgd wordt, alzo dezelve in den grond met den Hebreeuwsen tekst overeenkomt. Maar in de Griekse overzetting, die Stefanus volgt, staat Raifan, hetwelk daarin in Remfan veranderd is. De Hebreën noemen een reus Refa, waarvan sommigen menen dit woord gekomen te zijn, en dat de afgod Hercules, die in eens reuzen gedaante geëerd placht te worden, daarmede betekend wordt.
Hertaald:
Remfan
In de Hebreeuwse tekst staat Chijun. Sommigen verstaan daaronder de afgod Hercules, omdat de Egyptenaren — wier afgoderij de Israëlieten veel navolgden — hem Chon noemden. Anderen denken aan de afgod Saturnus, die door de Egyptenaren ook Refan genoemd werd; dat woord is, veranderd in Raiphan, in de Griekse vertaling voor Chijun gezet, en die vertaling wordt hier door Lukas gevolgd, aangezien zij in wezen met de Hebreeuwse tekst overeenkomt. Maar in de Griekse vertaling die Stefanus volgt staat Raifan, wat daarin in Remfan veranderd is. De Hebreeën noemen een reus refa, waarvan sommigen menen dat dit woord komt, en dat daarmee de afgod Hercules bedoeld wordt, die in de gedaante van een reus vereerd placht te worden.
afbeeldingen,
Grieks uitdrukselen.
Hertaald:
afbeeldingen,
Grieks: afdruksels.
Babylon
In het Hebreeuws staat Damaskus, gelijk ook in de Griekse overzetting. Doch Stefanus heeft meer op den zin dan op de woorden gezien, alzo de geschiedenis leert dat zij overgevoerd zijn, niet alleen aan gene zijde van Damaskus, maar ook verder aan gene zijde van Babylonië, in Perzië en Medenland. Zie 2 Kon. 17:6 , en JosEf. Antiq. lib.9, cap.14.
Hertaald:
Babylon
In het Hebreeuws staat Damascus, evenals in de Griekse vertaling. Maar Stefanus heeft meer op de betekenis dan op de woorden gelet, omdat de geschiedenis leert dat zij niet alleen tot aan de andere zijde van Damascus zijn weggevoerd, maar ook verder, aan de andere zijde van Babylonië, naar Perzië en Medië. Zie 2 Kon. 17:6 en Josefus, Oudheden, boek 9, hoofdstuk 14.
der getuigenis
Alzo genaamd omdat de tafelen der wet, die de getuigenis des Heeren genaamd wordt, daarin bewaard werden, en God daaruit getuigenis en antwoord gaf van Zijnen wil, Ex. 25:22 ; 2 Kon. 11:12 ; 2 Kron. 23:11 , en was anders genaamd des bescheids, of der samenkomst, omdat het volk, als zij vergaderen zouden, daar bescheiden werd om bijeen te komen. Zie Ex. 40:2 , vergelijk met Ex. 33:7 .
Hertaald:
der getuigenis
Zo genoemd omdat de tafelen van de wet, die de getuigenis van de HEERE genoemd worden, daarin bewaard werden en God daaruit getuigenis en antwoord over Zijn wil gaf (Ex. 25:22; 2 Kon. 11:12; 2 Kron. 23:11). Zij werd ook wel de tent van de samenkomst genoemd, omdat het volk daar ontboden werd wanneer het bijeen moest komen. Zie Ex. 40:2, vergeleken met Ex. 33:7.
ontvangen hebbende,
Namelijk als van hand tot hand van hunne voorouders.
Hertaald:
ontvangen hebbende,
Namelijk als van hand tot hand van hun voorouders.
Jozua gebracht
Dat is, Jozua den zoon van Nun. Waaruit men ziet dat de namen Jozua en Jezus enerlei namen zijn. Zie ook Hebr. 4:8 .
Hertaald:
Jozua gebracht
Dat is: Jozua, de zoon van Nun. Daaruit blijkt dat de namen Jozua en Jezus dezelfde naam zijn. Zie ook Hebr. 4:8.
in het land,
Grieks in de bezitting der heidenen, of als zij het bezit der heidenen innamen.
Hertaald:
in het land,
Grieks: in de bezitting van de heidenen, of: toen zij het bezit van de heidenen innamen.
van het aangezicht
Dat is, voor hen heen; of alzo dat zij het aangezicht onzer vaderen niet konden verdragen; Ex. 23:28 ; Joz. 24:12 ; Ps. 44:4 .
Hertaald:
van het aangezicht
Dat is: voor hen uit; of zo dat zij het aangezicht van onze vaderen niet konden verdragen; Ex. 23:28; Joz. 24:12; Ps. 44:4.
genade gevonden
Zie Luc. 1:30 .
Hertaald:
genade gevonden
Zie Luk. 1:30.
te vinden een
Dat is, te verkrijgen of te bouwen.
Hertaald:
te vinden een
Dat is: te verkrijgen of te bouwen.
een huis
Dat is, een vast en staand gebouw, een tempel, om niet langer in een hut of tabernakel, maar in een vast huis te wonen; Ps. 132:3-5 .
Hertaald:
een huis
Dat is: een vast en blijvend gebouw, een tempel, om niet langer in een tent of tabernakel maar in een vast huis te wonen; Ps. 132:3-5.
woont niet in
Namelijk alsof Hij daarin gesloten, of daaraan gebonden is, gelijk de Joden zich inbeelden; Jer. 7:4 .
Hertaald:
woont niet in
Namelijk alsof Hij daarin opgesloten of daaraan gebonden is, zoals de Joden zich inbeelden; Jer. 7:4.
onbesnedenen
Dat is, hoewel gij uiterlijk besneden zijt naar het vlees, zo hebt gij nochtans niet de inwendige besnijdenis des harten, die zonder handen geschiedt, Deut. 10:16 , en Deut. 30:6 ; Jer. 4:4 , zonder welke de uiterlijke niet nut is; Rom. 2:28 .
Hertaald:
onbesnedenen
Dat is: hoewel u uiterlijk naar het vlees besneden bent, hebt u toch niet de innerlijke besnijdenis van het hart, die zonder handen gebeurt (Deut. 10:16 en Deut. 30:6; Jer. 4:4) en zonder welke de uiterlijke geen nut heeft; Rom. 2:28.
wederstaat altijd
Grieks altijd valt gij tegen den Heiligen Geest; namelijk die u door zijn woord overtuigt dat de leer van Christus de rechte zaligmakende leer is, en evenwel staat gij dezelve altijd tegen.
Hertaald:
wederstaat altijd
Grieks: altijd valt u de Heilige Geest aan; namelijk Die u door Zijn Woord overtuigt dat de leer van Christus de ware zaligmakende leer is — en toch weerstaat u die altijd.
gelijk uw vaders,
Zie Ps. 78:8 .
Hertaald:
gelijk uw vaders,
Zie Ps. 78:8.
des Rechtvaardigen,
Namelijk Jezus Christus. Zie Jes. 53:11 ; Hand. 3:14 ; 1 Joh. 2:1 .
Hertaald:
des Rechtvaardigen,
Namelijk Jezus Christus. Zie Jes. 53:11; Hand. 3:14; 1 Joh. 2:1.
verraders en
Namelijk door Judas.
Hertaald:
verraders en
Namelijk door Judas.
moordenaars
Namelijk door de Romeinse soldaten, hem, daar hij onschuldig was, ter dood veroordeeld hebbende.
Hertaald:
moordenaars
Namelijk door de Romeinse soldaten, nadat zij Hem ter dood veroordeeld hadden terwijl Hij onschuldig was.
door bestellingen
Of, ordinantiën, dat is, beschikkingen en dienst. Zie Gal. 3:19 .
Hertaald:
door bestellingen
Of: verordeningen; dat is: beschikkingen en dienst. Zie Gal. 3:19.
niet gehouden
Grieks bewaard.
Hertaald:
niet gehouden
Grieks: bewaard.
berstten hun harten,
Grieks werden doorzaagd in hunne harten; namelijk van spijt en toorn. Zie Hand. 5:33 .
Hertaald:
berstten hun harten,
Grieks: werden in hun harten doorgezaagd; namelijk van spijt en toorn. Zie Hand. 5:33.
de heerlijkheid
Dat is, den heerlijken God; of een goddelijke heerlijkheid, Luc. 2:9 ; namelijk zover dezelve met mensenogen kan gezien worden.
Hertaald:
de heerlijkheid
Dat is: de heerlijke God; of een goddelijke heerlijkheid (Luk. 2:9), voor zover die met menselijke ogen gezien kan worden.
staande
Dat is, zijnde, 1 Petr. 3:22 ; anders wordt Hij ook gezegd te zitten ter rechterhand Gods; Marc. 16:19 .
Hertaald:
staande
Dat is: zijnde (1 Petr. 3:22); elders wordt ook gezegd dat Hij zit aan de rechterhand van God; Mark. 16:19.
ter rechter- hand
Daardoor wordt verstaan de hoogste heerlijkheid en macht.
Hertaald:
ter rechter- hand
Daarmee wordt de hoogste heerlijkheid en macht bedoeld.
geopend,
Zie dergelijke Matt. 3:16 .
Hertaald:
geopend,
Zie iets dergelijks in Matth. 3:16.
den Zoon des mensen,
Dat is, Jezus Christus.
Hertaald:
den Zoon des mensen,
Dat is: Jezus Christus.
En wierpen hem
Willende daarin de wet volgen; Lev. 24:14 .
Hertaald:
En wierpen hem
Namelijk omdat zij daarin de wet wilden volgen; Lev. 24:14.
getuigen legden
Die naar de wet het stenigen moesten beginnen; Deut. 17:7 .
Hertaald:
getuigen legden
Namelijk zij die volgens de wet met het stenigen moesten beginnen; Deut. 17:7.
klederen af
Namelijk hunne opperklederen of mantels, opdat zij te beter met stenen zouden kunnen werpen.
Hertaald:
klederen af
Namelijk hun bovenkleren of mantels, om beter met stenen te kunnen werpen.
Saulus
Wiens bekering beschreven wordt in Hand. 9.
Hertaald:
Saulus
Zijn bekering wordt beschreven in Hand. 9.
geest
Dat is, ziel. Zie dergelijke Luc. 23:46 .
Hertaald:
geest
Dat is: ziel. Zie iets dergelijks in Luk. 23:46.
met grote stem
Zie dergelijke Matt. 27:50 .
Hertaald:
met grote stem
Zie iets dergelijks in Matth. 27:50.
reken hun deze
Grieks stel hun deze zonde niet; dat is, wil die niet staande of blijvende houden, om hen daarover te straffen naar verdienste. Zie dergelijke Luc. 23:34 .
Hertaald:
reken hun deze
Grieks: stel hun deze zonde niet; dat is: houd die niet staande om hen daarvoor naar verdienste te straffen. Zie iets dergelijks in Luk. 23:34.
ontsliep hij
Dat is, is gestorven; want de dood der gelovigen wordt een slaap genaamd om de zalige opstanding uit de doden, waardoor zij als uit een slaap wederom zullen opgewekt worden ten eeuwigen leven. Zie Matt. 9:24 ; Joh. 11:11 ; 1 Kor. 15:6 , 1 Kor. 15:18 , 1 Kor. 15:20 ; 1 Thess. 4:13 .
Hertaald:
ontsliep hij
Dat is: is gestorven; want de dood van de gelovigen wordt een slaap genoemd vanwege de zalige opstanding uit de doden, waardoor zij als uit een slaap weer opgewekt zullen worden tot het eeuwige leven. Zie Matth. 9:24; Joh. 11:11; 1 Kor. 15:6, 1 Kor. 15:18, 1 Kor. 15:20; 1 Thess. 4:13. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een van de zeven mannen die door de gemeente gekozen werden om de dagelijkse bediening (verzorging van de weduwen) te verzorgen, vol geloof en Heilige Geest; hij deed grote wonderen en tekenen, maar werd door tegenstanders vals beschuldigd van godslastering en voor de Hoge Raad gebracht. Zijn verdedigingsrede eindigde in een visioen van de heerlijkheid Gods; hij werd daarop buiten de stad gestenigd, als eerste martelaar van de gemeente, terwijl hij voor zijn belagers bad (Hand. 6-7). Een jongeman uit Tarsen, aan wiens voeten de getuigen bij de steniging van Stefanus hun klederen legden; hij haalde welbehagen in diens dood en verwoestte daarna de gemeente, mannen en vrouwen gevangen nemend. Op weg naar Damaskus om ook daar christenen te vervolgen, verscheen hem de verhoogde Jezus in een fel licht; drie dagen blind, werd hij door Ananias genezen en gedoopt, en werd van vervolger een krachtig verkondiger dat Jezus de Christus is (Hand. 7:58; 8:1-3; 9:1-30); later bekend als de apostel Paulus. Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Wanneer de raad de rede van Stefanus gehoord heeft, bersten hun harten en zij knersen de tanden tegen hem (Hand. 7:54). Op dat ogenblik krijgt hij te zien wat zij niet zien: vol van de Heilige Geest ziet hij de heerlijkheid Gods, en Jezus staande ter rechterhand Gods (Hand. 7:55). Als hij dat uitspreekt, stoppen zij hun oren en werpen hem de stad uit (Hand. 7:57-58). Het bericht noemt daarbij en passant de jongeman aan wiens voeten de getuigen hun kleren neerleggen: Saulus (Hand. 7:58). Onder de steniging spreekt Stefanus twee keer. Eerst: "Heere Jezus, ontvang mijn geest" (Hand. 7:59). Daarna, geknield en met grote stem: "Heere, reken hun deze zonde niet toe!" (Hand. 7:60). Het slot van dat vers gebruikt geen zwaar woord: hij ontsliep. Bijbelse betekenis: Drie dingen vallen op, en zij horen bij elkaar. Het eerste is wat Stefanus ziet. De Zoon des mensen staat aan Gods rechterhand, terwijl Hij elders zit; wie dat wil, mag daarin lezen dat de Rechter opstaat voor Zijn getuige. Het tweede is de volgorde van zijn twee gebeden: eerst geeft hij zichzelf over, dan bidt hij voor zijn moordenaars. Er is geen woord van verwijt bij. Het derde is het slotwoord van de geschiedenis. Hier sterft de eerste die om de Naam gedood wordt, en de Schrift noemt dat sterven een inslapen. Dat maakt het lijden niet lichter, maar het zegt waar het op uitloopt. Typologie: De twee gebeden van Stefanus zijn de twee gebeden van zijn Heere. Aan het kruis bad Christus: "Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen" (Luk. 23:34), en even later: "Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest" (Luk. 23:46). Stefanus bidt beide, maar richt het tweede tot Christus Zelf. En de verhoogde Christus spreekt de vervolgde gemeente aan met een belofte die hier al waar wordt: "Zijt getrouw tot den dood, en Ik zal u geven de kroon des levens" (Op. 2:10). Het gebed van de martelaren wordt zichtbaar bij Op. 6:9-11, reeds behandeld. Hand. 7:54-60; Luk. 23:34; Luk. 23:46; Op. 2:10; Op. 6:9-11 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De Engel des HEEREN niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Stefanus staat voor de raad, beschuldigd van lastering tegen Mozes en tegen de tempel. Zijn verdediging bestaat uit het navertellen van de geschiedenis van Israël — en juist in dat verhaal wijst hij aan Wie er telkens bij was. Drie keer in enkele verzen noemt Stefanus de Engel: Hij verschijnt in het braambos, Hij zendt Mozes, en Hij spreekt op de Sinaï tot de gemeente in de woestijn. Stefanus begint bij Abraham en werkt de eeuwen af. Bij Mozes wordt hij uitvoerig, en daar vallen de zinnen die dit hoofdstuk voor deze lijn zo belangrijk maken. Eerst het braambos: “verscheen hem de Engel des Heeren, in de woestijn van den berg Sinai, in een vlammig vuur van het doornenbos.” En wat die Engel dan zegt, zegt niemand die minder is dan God: “Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs.” Mozes moet zijn schoenen uitdoen, want de grond is heilig. Dan de zending: God zond Mozes tot een overste en verlosser, en Stefanus zegt hoe — “door de hand des Engels, Die hem verschenen was in het doornenbos.” En ten slotte de Sinaï: “Deze is het, die in de vergadering des volks in de woestijn was met den Engel.” Bij dat vers laat de kanttekening geen ruimte voor twijfel over wie zij daarin leest: namelijk de Zone Gods. Dat is de kern van deze lijn. Er verschijnt in het Oude Testament telkens Iemand Die Engel heet en toch God genoemd wordt. Hij spreekt met het gezag van God en mag aanbeden worden, en toch wordt Hij van God onderscheiden. Stefanus zet Hem hier midden in de woestijnreis: niet één keer, maar heel de weg door. Paulus zou later hetzelfde over die reis zeggen, in andere beelden: zij dronken uit de geestelijke steenrots die volgde, en de steenrots was Christus. Er zit nog een tweede draad in dezelfde alinea. Stefanus haalt namelijk ook Mozes zelf aan: “De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken uit uw broederen, gelijk mij.” De kanttekening merkt op wat hij daarmee doet: hij toont aan dat hij niet tegen Mozes leert wanneer hij Christus predikt, want Mozes heeft zelf van Hem geprofeteerd. Dat is zijn hele verdediging in één zin. De raad wil er niets van horen, en het loopt af zoals het met de profeten voor hem afliep — dat verwijt maakt hij hun nog. Maar het merkwaardigste komt aan het eind. Stefanus ziet de hemel open en zegt: “den Zoon des mensen, staande ter rechter hand Gods.” Dat Hij daar is, was al beleden. Dat Hij staat is opvallend, want elders heet het dat Hij gezeten is. De kanttekening houdt het nuchter en leest het als: zijnde. Maar wie het hoort terwijl er stenen worden opgeraapt, hoort het toch: de eerste die om Zijn Naam sterft, ziet Hem niet zitten maar staan. Zo sluit deze rede een cirkel. De Engel Die eens in het vuur verscheen en met het volk meetrok, wordt aan het einde van dit hoofdstuk gezien als de Zoon des mensen in de hemel. Het is dezelfde. In het Nieuwe Testament: Exodus 3:2-6; Deuteronomium 18:15; 1 Korinthiers 10:4; Daniël 7:13; Psalm 110:1 Hoever dit reikt: Dat de Engel in het braambos de Zoon van God is, is de uitleg van de kanttekening bij vers 38. Stefanus zelf zegt alleen dat het de Engel des Heeren was, en dat Hij sprak als God. Aan het staan tegenover het zitten aan Gods rechterhand wordt hier geen leer verbonden: de kanttekening leest staande eenvoudig als zijnde, en de Schrift zegt op andere plaatsen dat Hij gezeten is.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Maar hij, vol van de Heilige Geest, hield zijn ogen naar de hemel gericht en zag de heerlijkheid van God, en Jezus, staande aan de rechterhand van God.… De getuigen leidden hun kleren af aan de voeten van een jongeling, genaamd Saulus. Hand. 7:58 De Heilige Geest verhaalt het martelaarschap van Stéfanus, maar treedt niet in bijzonderheden… En in de tweede reis werd Jozef voor zijn broeders bekend. Hand. 7:13 Er is een duidelijke parallel tussen Jozef en Jezus, Jozefs broeders en ons. Sommige ware zoekenden… En zij stenigden Stefanus, aanroepende en zeggende: Heere Jezus, ontvang mijn geest. En vallende op de knieen, riep hij met grote stem: Heere, reken hun deze zonde niet toe!… Maar hij, vol zijnde des Heiligen Geestes, en de ogen houdende naar de hemel, zag de heerlijkheid Gods, en Jezus, staande ter rechterhand Gods. Handelingen 7:55 De heerlijkheid Gods!… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Handelingen 7
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De Engel Die tot hem sprak op den berg Sinaï — 7:30-38, 51-56
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Het martelaarschap van Stefanus
Hand. 7:58 - Stéfanus en Saulus
Hand. 7:13 - De tweede reis
De tederen van hart
De heerlijkheid Gods


Handelingen 7
Handelingen 7:14-17
KruisverwijzingenJozua 24:32→Deuteronomium 10:22→Exodus 1:6→Genesis 49:33→Genesis 46:26→Exodus 13:19→Genesis 23:16→Exodus 1:5→— En Jozef zond heen, en ontbood zijn vader Jakob, en al zijn geslacht, bestaande in vijf en zeventig zielen. En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, hijzelf en onze vaders. En zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, hetwelk Abraham gekocht had voor een som gelds, van de zonen van Emmor, den vader van Sichem. Maar als nu de tijd der belofte, die God aan Abraham gezworen had, genaakte, wies het volk en vermenigvuldigde in Egypte;
Merk op die woorden, “de tijd der belofte”, en bedenk dat elke belofte haar vaste tijd van vervulling heeft. Er is een tijd van belofte voor al Gods uitverkoren volk, wanneer Hij hen zeker zal uitleiden uit de slavernij, tot de heerlijke vrijheid van de kinderen van God.
Handelingen 7:18-20
KruisverwijzingenHebreeën 11:23→Exodus 1:8→Exodus 1:9→Psalmen 105:25→Openbaring 12:4→Psalmen 83:4→Psalmen 129:1→1 Samuël 16:12→— Totdat een ander koning opstond, die Jozef niet gekend had. Deze gebruikte listigheid tegen ons geslacht, en handelde kwalijk met onze vaderen, zodat zij hun jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij niet zouden voorttelen. In welken tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in het huis zijns vaders.
In de donkerste nacht van Israëls slavernij in Egypte, ging haar ster van hoop op: “Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon” — met een schoonheid die meer dan menselijk was.
Handelingen 7:21-22
KruisverwijzingenJesaja 19:11→Daniël 1:4→Lukas 24:19→Deuteronomium 32:26→Exodus 2:2→Hebreeën 11:24→2 Kronieken 9:22→Daniël 1:17→— En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en voedde hem voor zichzelve op tot een zoon. En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren; en was machtig in woorden en in werken.
Hij was goed toegerust voor het werk waartoe God hem geroepen had. Maar hoeveel volmaakter is die grote Profeet, aan Mozes gelijk, Die God in deze laatste dagen heeft opgewekt tot behoud van de mensen: Jezus Christus, Zijn Zoon! Hij kent meer dan alle geleerdheid en wijsheid van de Egyptenaren; Hij kent meer dan de sluwheid van de duivel. Zo kan Hij ons verlossen van al zijn listige lagen.
Handelingen 7:23-25
KruisverwijzingenHebreeën 11:24→Exodus 2:11→Exodus 35:29→1 Kronieken 29:17→Spreuken 21:1→2 Kronieken 30:12→Exodus 35:21→Filippenzen 2:12→— Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijn broeders, de kinderen Israels, te bezoeken. En ziende een, die onrecht leed, beschermde hij hem, en wreekte dengene, dien overlast geschiedde, en versloeg den Egyptenaar. En hij meende, dat zijn broeders zouden verstaan, dat God door zijn hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan.
Helaas, het is nu net zo met Israël. De Heere Jezus kwam tot het Zijne, en, naar een van Zijn gelijkenissen, zei de Vader van Hem: “Zij zullen Mijn Zoon ontzien.” Maar zij deden niets van dien aard; zij zeiden: “Deze is de Erfgenaam; komt, laat ons Hem doden, en de erfenis zal de onze zijn.” En, helaas, hoevelen bootsen tegenwoordig hun boze voorbeeld na! Zij zeggen: “Wij willen niet dat deze Mens over ons regeert”; zij weigeren zich te onderwerpen aan de heerschappij van de Heere Jezus Christus.
Handelingen 7:26-30
KruisverwijzingenHandelingen 7:35→Exodus 3:1→Exodus 2:13→Lukas 12:14→Jesaja 63:9→Johannes 15:17→Genesis 45:24→Filippenzen 2:1→— En den volgenden dag werd hij van hen gezien, daar zij vochten; en hij drong ze tot vrede, zeggende: Mannen, gij zijt broeders; waarom doet gij elkander ongelijk? En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld? Wilt gij mij ook ombrengen, gelijkerwijs gij gisteren den Egyptenaar omgebracht hebt? En Mozes vluchtte op dat woord en werd een vreemdeling in het land Madiam, waar hij twee zonen gewon. En als veertig jaren vervuld waren, verscheen hem de Engel des Heeren, in de woestijn van den berg Sinai, in een vlammig vuur van het doornenbos.
Hij was dus tachtig jaar oud, toen hij werkelijk aan zijn grote levenswerk begon. Misschien wordt, in de regel, het grootste deel van onze tijd besteed aan de voorbereiding op het werk. Toch, als wij een werk mogen verrichten dat zo goed is als dat van Mozes, dan zal het ons ruimschoots belonen voor een lang seizoen van voorbereiding.
Handelingen 7:31-34
KruisverwijzingenExodus 3:6→Jozua 5:15→Exodus 3:5→Exodus 3:3→Mattheüs 22:32→Exodus 3:7→Jesaja 6:1→Genesis 28:13→— Mozes nu, dat ziende, verwonderde zich over het gezicht; en als hij derwaarts ging, om dat te bezien, zo geschiedde een stem des Heeren tot hem, Zeggende: Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs. En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bezien. En de Heere zeide tot hem: Ontbind de schoenen van uw voeten; want de plaats in welke gij staat, is heilig land. Ik heb merkelijk gezien de mishandeling Mijns volks, dat in Egypte is, en Ik heb hun zuchten gehoord en ben nedergekomen, om hen daaruit te verlossen; en nu, kom herwaarts, Ik zal u naar Egypte zenden.
Dit alles moet zeer aangenaam geklonken hebben in het oor van Mozes; het was plechtig, en toch buitengewoon zoet. Maar merk op wat er nu volgt:
Handelingen 7:34
KruisverwijzingenExodus 3:7→Exodus 3:14→Genesis 11:5→Psalmen 105:26→Johannes 3:13→Nehemia 9:9→Genesis 18:21→Genesis 11:7→— Ik heb merkelijk gezien de mishandeling Mijns volks, dat in Egypte is, en Ik heb hun zuchten gehoord en ben nedergekomen, om hen daaruit te verlossen; en nu, kom herwaarts, Ik zal u naar Egypte zenden.
Ach, wat een verandering lijkt er in deze woorden te zitten! God zegt eerst: “Ik heb merkelijk gezien de mishandeling Mijns volks… en ben nedergekomen, om hen daaruit te verlossen.” En dan voegt Hij eraan toe: “Kom herwaarts, Ik zal u naar Egypte zenden.” Ja, waarlijk, van de grootsheid van het goddelijke werk af te dalen tot de onbeduidendheid van ons eigen werktuig zijn, is een geweldige nederbuiging. Toch zegt dezelfde God, Die zegt: “Ik zal zondaren zalig maken door Mijn genade; niemand dan Ik alleen kan hen zalig maken”, ook tegen mij: “Ga heen, en predik hun het evangelie.”
Diezelfde Heere Die zegt: “Ik zal het hart van steen veranderen in een hart van vlees, en een wonder van barmhartigheid werken door hen die dood zijn in zonden en misdaden, te vernieuwen”, zegt ook tegen u: “Spreek tot de mensen die naast u zitten in de kerkbank, en probeer hen op de Zaligmaker te wijzen.” Het is een wonderlijke nederbuiging, maar het is de neerbuigende gunst van almachtige genade. Zij brengt grote eer aan de arme, bevende, onwaardige persoon aan wie de boodschap gericht wordt.
Mozes achtte zichzelf zeer ongeschikt voor de taak Israël te bevrijden, en hij zou, als hij het gedurfd had, zich van die taak onttrokken hebben. Maar God zei tot hem: “Kom nu, Ik zal u naar Egypte zenden.” Ach, broeders, wat een ander man werd Mozes toen! Toen hij op eigen houtje uitging, zonder enige opdracht, was hij ongeduldig om aan het werk te gaan. Hij sloeg een Egyptenaar dood, en moest daarom uit het land vluchten. Maar toen hij in Gods Naam gezonden werd, toen de Heere tot hem zei: “Kom nu, Ik zal u zenden”, toen werd het werk volbracht.
O broeders, zoek in uw dienst voor de Zaligmaker altijd naar kracht van omhoog! Vraag door God gezonden te worden, en bid uw Meester met u mee te gaan; dan zult u slagen in de taak die Hij u toevertrouwt.
Handelingen 7:35
KruisverwijzingenNumeri 20:16→Exodus 14:19→Psalmen 75:7→Psalmen 118:22→Psalmen 113:7→Lukas 19:14→Handelingen 2:36→Nehemia 9:10→— Dezen Mozes, welken zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? dezen, zeg ik, heeft God tot een overste en verlosser gezonden, door de hand des Engels, Die hem verschenen was in het doornenbos.
Is dat niet een schaduw van die grotere waarheid: “De Steen, Die de bouwlieden verworpen hebben, deze is tot een Hoofd des Hoeks geworden”?
Handelingen 7:36-37
KruisverwijzingenExodus 12:41→Exodus 33:1→Exodus 14:21→Deuteronomium 18:15→Lukas 9:30→Mattheüs 17:3→Exodus 16:35→Psalmen 105:27→— Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en tekenen in het land van Egypte, en in de Rode zee, en in de woestijn, veertig jaren. Deze is de Mozes, die tot de kinderen Israels gezegd heeft: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken uit uw broederen, gelijk mij; Dien zult gij horen.
Nu ziet u dat Mozes zo een type van Christus was. God geve dat wij Christus niet verwerpen, zoals de Israëlieten Mozes verwierpen; maar dat wij bereid zijn dat Hij ons Rechter en onze Verlosser zal zijn!
Handelingen 7:38-39
KruisverwijzingenRomeinen 3:2→1 Petrus 4:11→Hebreeën 5:12→Handelingen 7:53→Numeri 14:3→Johannes 1:17→Deuteronomium 33:4→Deuteronomium 32:46→— Deze is het, die in de vergadering des volks in de woestijn was met den Engel, Die tot hem sprak op den berg Sinai, en met onze vaderen; welke de levende woorden ontving, om ons die te geven. Denwelken onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen hem, en keerden met hun harten weder naar Egypte;
Al had Mozes hen uit Egypte geleid, zij waren hem niet gehoorzaam, en wilden terug naar het land van slavernij. Ach, broeders, dit is de grote misdaad van deze tijd, de misdaad van de mensheid in het algemeen. Na alles wat Jezus gedaan heeft, is er in zovelen nog steeds het boze hart van ongeloof, dat afwijkt van de levende God.
Handelingen 7:40-41
KruisverwijzingenExodus 32:1→Exodus 32:23→Exodus 32:17→Openbaring 9:20→Hosea 9:1→Habakuk 2:18→Exodus 32:2→Nehemia 9:18→— Zeggende tot Aaron: Maak ons goden, die voor ons heengaan; want wat dezen Mozes aangaat, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet, wat hem geschied is. En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande tot den afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen.
Dit is weer een van de manieren waarop mensen proberen een afgod te maken van iets dat zij kunnen zien. Zij verheugen zich in wat zij zelf doen, in plaats van te vertrouwen op wat de Heere Jezus gedaan heeft.
Handelingen 7:42-43
KruisverwijzingenJeremia 19:13→Ezechiël 20:39→Jozua 24:20→Jesaja 63:10→2 Koningen 17:16→Amos 5:25→2 Koningen 21:3→Deuteronomium 4:19→— En God keerde Zich, en gaf hen over, dat zij het heir des hemels dienden, gelijk geschreven is in het boek der profeten: Hebt gij ook slachtofferen en offeranden Mij opgeofferd, veertig jaren in de woestijn, gij huis Israels? Ja, gij hebt opgenomen den tabernakel van Moloch, en het gesternte van uw god Remfan, de afbeeldingen, die gij gemaakt hebt, om die te aanbidden; en Ik zal u overvoeren op gene zijde van Babylon.
Er was nog afgoderij in hun hart, en Mozes werd door hen verworpen. God geve dat wij geen afgodendienaars zijn, en zo de Profeet, aan Mozes gelijk, Die de Heere ons gezonden heeft, niet verwerpen! Amen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
En de hogepriester, die dat was in naam van de overheid d. i. Annas (hoofdstuk 4: 6; 5: 17), verbrak de stilte die in de raad had geheerst en gaf de aangeklaagde het woord, teneinde zich te verantwoorden en zei: Zijn dan deze dingen alzo, gelijk deze tegen u zeggen (vs. 14)?
En hij zei: Gij mannen broeders en vaders! hoort toe, want ik kan op de vraag, mij voorgelegd, niet antwoorden alleen met een ja of nee, maar moet integendeel een langere rede tot u houden (Hand. 22: 1; 1 Petrus 3: 15v.
Het zwijgen van de raadsheren, die allen op Stefanus’ verhelderd aangezicht zagen, drukte de hogepriester te zwaar. Hij dacht aan het pijnlijk ogenblik een einde te maken door de vraag: “is het alzo? ” en deze vraag is er een die voor een kort ja of nee is ingericht. Stefanus kon echter noch het ene noch het andere zeggen, maar moest beide zeggen en daarom beide rechtvaardigen.
Als een waar geloofsgetuige toont hij zich bereid ter verantwoording! “Mannen broeders en vaders! ” zo spreekt hij ze vriendelijk en eerbiedig aan, zonder enige vleselijke ijver of geestelijke trots, hoewel zij een slechte broeder- of vaderliefde jegens hem betonen.
De rede die nu volgt (vs. 2-50) is voor het grootste deel een overzicht van de geschiedenis van Israël, van Abrahams roeping tot de Mozaïsche wetgeving en vandaar tot de opbouwing van de Salomonische tempel, waarop hij nog een woord van Jesaja tegen het vleselijk bijgeloof van de Joden aanhaalt, alsof de Allerhoogste in een gebouw van mensenhanden was ingesloten. Door aldus de heilige geschiedenis te herinneren, wilde Stefanus zijn geloof aan de openbaring van het Oude Testament verzekeren en de beschuldiging dat hij Mozes en de tempel had gelasterd, door ontwikkeling van haar ware betekenis weerleggen. Hij wilde het bewijs geven dat het gedrag van de Joden omtrent Gods genade steeds zeer verkeerd was geweest, daar zij, naarmate zijn weldaden groter waren, zich des te ondankbaarder en weerspanniger jegens Hem en zijn gezanten, vooral ook tegenover Mozes hadden betoond. Hij hield zijn aanklagers het verleden als een getrouwe spiegel voor, waarin zij hun eigen gedrag tegenover de Messias en diens aanhangers moesten zien. Niet zelden is het dan ook alsof hij de geschiedenis van Jezus onder veranderde namen verhaalt (vgl. de jaloersheid van Jozefs broeder, het gedrag tegenover Mozes voor en na zijn vlucht naar Midian, het gedrag tegenover de goddelijke leidingen in de woestijn). Tevens stelt hij de leidingen van God uit een bepaald gezichtspunt als een theocratisch plan voor, dat steeds verder wijst en in de Messias zijn einde vindt. Reeds Mozes voorspelde een profeet die na hem zou komen, derhalve wijst de wet verder dan haarzelf en op iets hogers. De tempel van Salomo was slechts met mensenhanden gemaakt, het voorbeeld van een andere tempel, van de verering van God in geest en in waarheid. Waarschijnlijk wilde hij de derde periode, de Messiaanse voorzeggingen van de profeten en hun strijd tegen vleselijke gezindheid, het vastkleven aan uiterlijkheden, de ondankbaarheid en halsstarrigheid van de Joden nog nader schilderen; maar hij werd door de kwaadaardigsten van de vertoornde toehoorders, die de polemische pijl van de zo-even voorgestelde geschiedenis wel voelden, in de rede gevallen. Daarom ging hij van de bedaarde toon van verhalen in de pathos van een ernstige boetpredikatie over met het ontzettend bestraffend woord in vs. 51-53 Daarin legde hij zijn aanklagers en moordenaars, als de getrouwe zonen van de profeten-moordenaars, het verraad en de moord van de onschuldige en rechtvaardige Messias als het toppunt van hun ondankbaarheid en van hun wetsovertreding op het hart en wierp het gedane verwijt van goddeloosheid op hen terug.
De rede wordt tot een eigenlijke aanklacht van de hoge raad van medekruisiging van de Messias; zij voert het proces van de door de Joden en hun gehele geschiedenis verworpen Christus, zoals deze verwerping in de kruisiging van de historische Christus vervuld is, voor de hoge raad zelf en wel van hun eigen oudtestamentisch theocratisch standpunt, opdat aan het Sanhedrin geen verontschuldiging zou overblijven en het zou gedrongen worden tot beslissing. Daarom wijst ook Stefanus’ verwerping het tijdstip aan waarop de nieuwe en eind-verstoktheid van de Joodse natie als zodanig na de opstanding beslist is.
Wanneer men vraagt wie deze zo wijs ingerichte en gecompliceerde rede zo nauwkeurig heeft kunnen onthouden, dan moeten wij niet zozeer heen wijzen naar die gelovig geworden priesters in hoofdstuk 6: 7, maar meer naar die jongeling Paulus, in wie, hoe krampachtiger hij tegen de inwendige geestelijke macht van het evangelie streed, des te sterker ieder woord van Stefanus als een pijl in de ziel en in het geheugen bleef steken, waarna hij zich moest aftobben, totdat de verschijning van de Opgestane de weerstand verbrak van de wil die een betere erkentenis tegenstreefde. De gehele Paulinische theologie was ook later niets dan een ontwikkeling van de kiemen, die in de rede van Stefanus lag opgesloten. In zo verre vormt deze rede eigenlijk het middelpunt van de Handelingen van de apostelen.
2 b) De God van de heerlijkheid 1) (Ex. 24: 16 Jes. 6: 3) verscheen aan onze vader Abraham nog zijnde te Ur in Mesopotamië, voordat hij woonde in Charran (Gen. 15: 7 Neh. 9: 7).
Dat Stefanus zijn rede opent met God zo te noemen, heeft een goede reden. Niet alleen wil hij hiermee tegenover de uitgestrooide laster dat hij God zou hebben gelasterd (hoofdstuk 6: 11) en de waan dat het de christenen aan eerbied jegens God zou ontbreken, zijn diepe eerbied voor God betuigen en God de eer geven, die Hem toekwam, maar hij heeft ook positieve grond om de heerlijkheid van God op de voorgrond te stellen. Hij stelt reeds hier, evenals in het volgende deel van zijn rede, de onbegrensde grootheid, volmacht en alleenheerschappij van God voor ogen, volgens welke God zelf aan niets gebonden is en Zich kan openbaren aan wie en zoals en waar Hij wil. In verband met het woord “verscheen” geplaatst, brengt de uitdrukking de verheven en verheffende lichtglans in herinnering, waarin de openbaringen en verschijningen van God pleegden te geschieden.
Dit is de hoogste benaming die aan God gegeven kan worden. Het denkbeeld van heerlijkheid sluit alles wat goddelijk is in. Daarom wordt ook de Zoon, als één wezen met de Vader “de Heere van de heerlijkheid” en de Heilige Geest eveneens “de Geest van de heerlijkheid” genoemd (1 Kor. 2: 8; 1 Petrus 4: 14). Eigenaardig is deze benaming van God in de mond van Stefanus, op wiens gelaat de heerlijkheid van God afstraalde. Ook weerlegt hij, door bij het gevoel van de diepste eerbied deze hoogheilige naam te gebruiken, de beschuldiging dat hij woorden gesproken zou hebben tegen God.
En zei tot hem: Ga uit uw land en uit uw maagschap en kom in een land dat Ik u wijzen zal (Gen. 12: 1).
Toen ging hij onder geleide van zijn vader Therach (Gen. 11: 31) uit het land van de Chaldeeën en woonde in Charran. En vandaar, nadat zijn vader in het jaar 2083 na de wereldschepping, of 1922 voor Christus gestorven was, bracht hij hem, door zijn bevel daaromtrent te vernieuwen (Gen. 11: 4vv.), over in het land waar gij nu in woont.
En hij gaf hem gedurende de tijd van zijn reis tot aan zijn dood geen erfdeel daarin, ook niet een voetstap, zodat hij voor Sara en voor zichzelf een erfbegrafenis moest kopen van de Hethieten (Gen. 23: 13vv.) en beloofde dat Hij hem dit tot een bezitting geven zou en zijn zaad na hem, hoewel hij nog geen kind had (Gen. 12: 7; 13: 14v; 15: 18vv.).
En God sprak, toen Hij hem voor de derde maal de belofte gaf (Gen. 15: 13v.) en later aan Mozes in de brandende braambos verscheen (Ex. 3: 12), alzo dat zijn zaad vreemdeling zijn zou in een vreemd land en dat zij het zouden dienstbaar maken en kwalijk handelen a) vierhonderd jaar lang (“Ge 15: 13” en “Ex 12: 40).
Gal. 3: 17
En het volk dat zij dienen zullen, zal Ik, de Almachtige (Rom. 12: 19), oordelen, sprak God; en daarna zullen zij uitgaan en zullen Mij dienen in deze plaats, in het beloofde land.
In Gen. 15: 14 volgen op het woord “uittrekken” de woorden: “met grote have”. De reden voor deze uitrusting was, zoals wij bij Ex. 3: 22 gezien hebben, dat de kinderen van Israël voor hun zware dienst, die zij zo vele jaren de Egyptenaars gegeven hadden, ook een loon hadden verdiend; dit geeft God door zijn leiding van de gebeurtenissen hun bij de uittocht (Wijsh. 10: 17), maar het doel van die grote gave was iets anders, namelijk de godsdienst die moest worden ingesteld en die wel bij de Horeb in de daar gebouwde tabernakel begon, doch pas in het land Kanaän in haar geheel kon worden uitgeoefend. Met het oog daarop gaat Stefanus niet voort op die wijze “met grote have, ” maar gaat hij dadelijk over tot hetgeen aan Mozes werd gezegd. Hij geeft echter aan het woord een uitgebreidere zin dan het in de eerste plaats had. Hij zegt daardoor niet meer dan de waarheid, zodat hij de eigenlijke zin van de woorden zou hebben vervalst, maar hij ontwikkelt slechts die waarheid, die verborgen lag achter de eerste betekenis. Hij blijft niet staan bij het tussenstation van de Horeb, waarop het Mozes vooral aankwam, maar vat integendeel het einddoel in het oog, waarop God zelf dadelijk van het begin heeft gedoeld.
En Hij gaf hem het verbond van de besnijdenis, het verbond waarvan de besnijdenis het teken is (Gen. 17: 1vv.); en alzo verwekte hij later, toen hij dat verbond reeds had ontvangen en dus reeds in de nieuwe betrekking tot God stond (Gen. 21: 1vv.) Izaak en besneed hem op de achtste dag (Gen. 21: 4)en Izaak verwekte en besneed op de achtste dag Jakob en Jakob de twaalf patriarchen of aartsvaders (Gen. 25: 26; 29: 31; 30: 24; 35: 16vv.).
Bij Abraham begon Israël’s eigenlijke geschiedenis als uitverkoren volk van God. Doch door Abraham was de wet niet gegeven, maar aan en door Abraham was de belofte, die (zoals Paulus het in later tijd in de brief aan de Galaten deed opmerken), van vierhonderddertig jaar vroeger dateert dan de wet van Mozes (Gal. 3: 15vv.). En wat was nu het Evangelie, dat Stefanus gepredikt had, anders dan de vervulling van die belofte, die bij de Joden met al hun ijveren zonder verstand voor Mozes, ja, met al hun roemen op hun kindschap van Abraham, in geen aanmerking kwam? Het vergrijp van de edele getuige van Jezus lag dan, zo ver de wet betreft, in niets anders dan in hetgeen ook vanouds Israël’s profeten hadden verkondigd van een nieuw verbond, gegrondvest in de aloude belofte aan Abraham. De verandering van zeden, d. i. van bedeling, moest het noodwendig gevolg van dat nieuwe nu in Christus daargestelde verbond zijn. Hier was dus geen lastering, maar bevestiging zowel van Mozes als van de profeten. Gelijksoortig is de verdediging met betrekking tot de tempel als die in orde van tijd, zowel als van heiligheid beneden de belofte staat. Tegen een overdreven of liever ongeestelijke ingenomenheid met de tempel, als stoffelijk gebouw, had de stichter zelf, koning Salomo en (na hem) de profeet gewaarschuwd (vs. 47-49 1 Kon. 6: 27 Jes. 66: 1 a) Maar opnieuw toont zich hier de prikkelbaarheid van het volk, zoals dikwijls wanneer het dat zichtbare tempelgebouw van Jeruzalem betreft. Het werd reeds opgemerkt dat bij deze laatste woorden van de getuige van Jezus, hoezeer ook ontleend aan de profeet Jesaja, de verontwaardiging van de toehoorders zich niet meer weerhouden kan en de uitwerkselen hiervan de spreker noodzaken, zijn rede met een krachtige samentrekking van al het reeds gezegde en verder bedoelde, ijlings te besluiten. De slotsom is als volgt (vs. 51, 52) : “Gij weerstaat altijd de Heilige Geest! Wat uw vaders aan de profeten deden, dat hebt gij nu gedaan aan de door u overgeleverde en vermoorde Heilige en Rechtvaardige, Wiens komst door hen tevoren verkondigd was. ” Tot het einde toe behoudt in deze verdedigingsrede van de aangeklaagde evangelieverkondiger de bestraffing door de nieuwtestamentische profeet de boventoon. Beschuldigd van lastering van de wet, besluit hij zijn afwering van die aantijging met de uitroep (vs. 53): “Gij hebt die wet niet gehouden! ” Opmerkelijk beleid, volgens de belofte aan de getrouwe belijder van de Heere in zijn verantwoording hier voor de Joodse Raad en geheel een vijandig gehoor geschonken! In zijn rede wordt de naam van Jezus, de Nazarener nergens genoemd en toch gepredikt. Het is de gehele gewijde geschiedenis van Abraham af, die Hem in deze hoogmerkwaardige apologie van de bloedgetuige verkondigt -het zijn Abraham, Jozef, Mozes, David, Salomo, Jesaja, Amos (vs. 42, 43), die in de rede van Stefanus tegen het volk dat zijn Messias verwierp en ter dood voerde, optreden. Met en tussen deze grote trekken uit de geschiedenis en de profetie van het Oude Testament worden tevens allerlei wenken, op een zelfde hoofdoogmerk uitkomende, als in het voorbijgaan gegeven en niet weinige bijzonderheden uit Gods bedelingen met het volk van Abraham vanouds aan de dag gebracht. Merk op met wat een nadruk aan Abraham herinnerd wordt, hoe God hem overbracht in een land, hem vreemd en onbekend, (vs. 4) “waar gij nu in woont! ” Hoe anders dan, uit kracht van een belofte van Gods wege, aanvaard door geloof van de zijde van de begenadigden – alzo niet uit de wet of haar werken? Geen mindere klem heeft (vs. 8) de treffende herinnering hoe aan Abraham en zijn zaad het land gegeven was, toen hij nog geen kind had. Wederom dus van die kant een aanprijzing, tegenover alle wettische verdienste of gerechtigheid van het geloof!
En de patriarchen, Ruben, Simeon, Levi, Dan, Juda enz., nijdig zijnde a) verkochten Jozef, om naar Egypte gebracht te worden (Gen. 37: 1vv.); en God was met hem.
Ps. 105: 17
En verloste hem uit al zijn verdrukkingen en gaf hem genade en wijsheid voor Farao, de koning van Egypte en hij stelde hem tot een overste over Egypte en zijn gehele huis (Gen. 41: 1vv.).
Zeker heeft Stefanus, als hij zegt “nijdig zijnde, ” reeds de overeenkomende boosaardige gezindheid van zijn rechters tegenover Jezus op het oog, zodat hij in de mishandelde Jozef, evenals later ook in de verworpen Mozes, die beide toch de redders van het volk waren, geschiedkundige voorbeelden van Christus ziet.
De zeer geprezen stamvaders van het volk waren het, die zich zo zwaar bezondigden; doch God was niet met hen, maar met Jozef, die zij aan de heidenen verkochten.
a) En er kwam een hongersnood over het hele land van Egypte en Kanaän en grote benauwdheid; en onze vaders vonden geen spijs voor hun talrijke kinderen.
Ps. 105: 16
Hiermede herinnerde Stefanus aan de voor de Joden zo ergerlijke waarheid dat God door Jozef de heidenen zegende, alvorens Israël gezegend werd. Hoe dit kwam, is duidelijk: God is heilig en hadden de broeders van Jozef deze uitgeworpen, God stelde de patriarchen ook nu achter de heidenen. Was het Jozef niet reeds gedurende zeven jaren van overvloed en van zijn regering onder Farao de lichtste zaak ter wereld geweest om zijn vader en broeders een bode toe te zenden met het bericht: uw Jozef leeft en is onderkoning van Egypteland – komt tot mij voordat de jaren van de honger komen? Maar nee, zij die zelf kinderen van de Voorzienigheid zijn, willen niet in haar plaats treden om te voorzien, waar God alleen voorzien wil. De goddelijke wijsheid, die Jozef deelachtig werd, leerde hem ook deze zaak aan God over te laten. En zo had geheel Egypteland brood en bij Jakob was gebrek.
Maar toen Jakob hoorde dat in Egypte koren was, zond hij onze vaders de eerste maal uit (Gen. 42: 1vv.).
Wederom een treffende overeenkomst met de zaak van de Heere. De zonen van Jakob zagen Jozef, maar zij herkenden hem niet en Jozef maakte zich ook niet aan hen bekend. Waarom niet? Omdat zij nog dezelfde hooghartige lieden waren als tevoren. De misdaad aan hem, Jozef gepleegd, had geen spoor van berouw en verootmoediging bij hen achtergelaten. Zij kwamen als rijke vreemdelingen, met overvloedig geld in hun handen om koren te kopen. Het gericht van God was nog niet over hen heengegaan: en dat moest over hen heengaan, zou Jozef zich als hun broeder aan hen bekend maken.
En bij de tweede reis maakte Jozef zich aan zijn broers bekend; en het geslacht van Jozef werd aan Farao openbaar (Gen. 43: 1-45: 20).
En Jozef zond heen en ontbood zijn vader Jakob en heel zijn geslacht, bestaande uit vijfenzeventig Ge 46: 27 zielen (Gen. 45: 21-46: 27).
Grote ellende en geestelijke hongersnood, wil Stefanus zeggen, zal ook over hen komen, maar eindelijk zult gij de door u verworpene erkennen, die intussen aan de versmachtende heidenwereld levensspijze geschonken heeft. Hij zal Zich over het volk van Israël vriendelijk ontfermen en daaraan een plaats in Zijn rijk geven. Wij vinden dus hier een opening van de laatste lotgevallen van het Joodse volk, evenals Paulus die in hoofdstuk 11 van zijn brief aan de Romeinen als een mysterie mededeelt.
En Jakob kwam naar Egypte en stierf, hijzelf en onze vaders (Gen. 49: 13-50: 26)
Jakob zelf werd in de spelonk te Hebron begraven (Gen. 49: 29vv. ; 50: 12vv.) en zij werden overgebracht naar Sichem (Gen. 50: 24vv. Ex. 13: 19 Joz. 24: 32 Joh. 4: 5v.) en gelegd in het graf, dat Abraham (deze naam is waarschijnlijk door een afschrijver in de tekst gebracht, terwijl er oorspronkelijk slechts stond “hij” namelijk Jakob Gen. 33: 18v.) gekocht had voor een som geld van de zonen van Emmor, de vader van Sichem.
Wil men aannemen, dat het woord “Abraham” toch oorspronkelijk in de tekst heeft gestaan, dan moet men het woord voor een samentrekking houden van verschillende zinnen tot één: “Abraham koopt een graf, waarin Jakob begraven werd, Jakob een akker, waarin Jozef begraven werd. ” In plaats van nu te zeggen, zij begroeven hen, Jakob in de spelonk die Abraham had gekocht, Jozef in de akker die Jakob van Emmor had gekocht, voegt de redenaar beide tezamen en zegt hij: zij werden begraven in het graf dat Abram van de zonen van Emmor gekocht had. Zo’n wijze van spreken was geheel naar de smaak van de Rabbijnen en verstaanbaar voor de toehoorders.
Dat van Jozefs broeders wordt gesproken, over wier begrafenis in Kanaän het Oude Testament niet positief afwijkend bericht, maar alleen zwijgt, is waarschijnlijk het gevolg van een overlevering die toen reeds bestond bij Josefus en later bij de kerkvaders wordt gevonden en die Stefanus reeds kende.
Maar toen nu de tijd van de belofte die God aan Abraham gezworen had (vs. 6v.), naderde a), groeide het volk en vermenigvuldigde in Egypte.
Ex. 1: 7 Ps. 105: 24
Totdat een andere koning opstond, die Jozef niet gekend had.
Deze gebruikte listigheid tegen ons geslacht en handelde kwalijk met onze vaderen, zodat zij hun jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij zich niet zouden voortplanten (Ex. 1: 6vv.).
a) In deze tijd, toen de goddelijke belofte geheel scheen vergeten te zijn, werd Mozes geboren en deze was uitnemend schoon, zodat hij geheel geschikt was om tot voorbeeld van de toekomstige Heiland te worden gekozen (Ps. 45: 3 Hebr. 7: 26), die drie maanden opgevoed werd in het huis van zijn vader (Hebr. 11: 23).
Ex. 6: 19 Num. 26: 59; 1 Kron. 23: 13
En toen hij weggeworpen was, te vondeling was gelegd, omdat men hem niet langer durfde te verbergen, nam hem de dochter van Farao op en voedde hem voor zichzelf op tot een zoon (Ex. 2: 1-10).
En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid van de Egyptenaren, als natuur- en sterrenkunde, wis-, genees- en staatkunde (Jes. 19: 12); en was machtig in woorden en in werken Ex 2: 10.
Toen hij nu de leeftijd van veertig jaar bereikt had, kwam hem in zijn hart zijn broeders, de kinderen van Israël, te bezoeken, van wie hij tot hiertoe, levende inde hogere kringen van de Egyptenaren, was gescheiden geweest en van wie hij, daar hij ze liefhad, graag wilde weten hoe het hun ging (Ex. 2: 11).
En ziende één die onrecht leed van een Egyptenaar, beschermde hij hem en wreekte degene die overlast geschiedde en versloeg de Egyptenaar.
En hij meende dat zijn broeders zouden verstaan dat God door zijn hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan.
a) En de volgende dag werd hij door hen gezien, daar zij, de ene Israëliet met de andere vochten; en hij drong ze tot vrede, zeggende: Mannen, gij zijt broeders, waarom doet gij elkaar ongelijk?
Ex. 2: 13
En hij die zijn naaste ongelijk deed, stootte hem van zich, zeggende: a) Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld.
Ex. 2: 14 MATTHEUS. 21: 23 Hand. 4: 7; 7: 35
Wilt gij mij ook ombrengen, zoals gij gisteren de Egyptenaar omgebracht hebt?
Dit woord van Stefanus was opnieuw een pijl met een scherpe punt, afgeschoten op het hart van zijn rechters. Wat zei hij er mee? dit: Mozes, op wie gij na zijn dood zo hogelijk roemt, hebt gij bij zijn leven even kwalijk gehandeld als gij Jezus gedaan hebt. Altijd hebt gij uw verlossers verworpen, opdat zij u niet zouden verlossen en hebt ze, terwijl zij u toch verlosten, met ondank vergolden. En hiermee is u de profetie gegeven geworden, hoe gij met Jezus, met uw Messias, de grote Verlosser, als Hij kwam, handelen zoudt en gehandeld hebt. De overeenkomst van hun handelwijze met Jezus en die van de goddeloze Israëlitische twister en vechter was dan ook meer dan klaar, was schitterend helder.
En Mozes vluchtte op dat woord, dat hem deed vrezen en bezorgd zijn voor zijn leven en werd een vreemdeling in het land Madiam, of Midian in Petraeïsch Arabië, waar hij twee zonen verwekte (Ex. 2: 11-22).
Stefanus vertoeft het langst bij de geschiedenis van Mozes, zonder twijfel omdat zich zijn tegenstanders het meest en het liefst op Mozes beriepen en hem daarentegen van lastering van Mozes beschuldigden. Hij stelt hem echter niet zozeer voor als wetgever, maar meer in zijn werkzaamheid als verlosser en aanvoerder.
Wanneer nu hier in deze eerste afdeling de geboorte van Mozes in de tijd van de zwaarste verdrukking, zijn eerste poging om de onderdrukten ten redder te worden, de snode afwijzing die hij ondervond en zijn vlucht in de veertigjarige afzondering wordt meegedeeld, ligt voor elk van deze feiten het tegenbeeld in de geschiedenis van Christus zo voor de hand, dat aanwijzing verder nauwelijks nodig is. Christus wordt geboren in een tijd, waarin de heidense onderdrukker aan het volk van God door invoering van de volkstelling het teken van gehele onderwerping indrukt en waarin de Idumeeër Herodes het vermoorden van de kinderen beveelt om de hoop van Israël te vernietigen. Tot een man gerijpt biedt hij zich zijn volk ten redder aan, doch wordt versmaad en heeft zich een lange tijd aan de ogen van de Joden onttrokken (hoofdstuk 3: 20v.).
Evenals de Israëliet Mozes de vraag toewerpt: “wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld is” zo hebben de Synedristen ook dan Jezus gevraagd (MATTHEUS. 21: 23 Luk. 20:2): “wie heeft u daartoe volmacht gegeven? ” De goddelijke volmacht wordt betwijfeld, omdat de menselijke legitimatie niet duidelijk voor ogen ligt; met andere woorden: men stelt zich onwillekeurig God voor als in Zijn bestuur aan menselijke vormen en grenzen gebonden en verloochent daarmee de onvoorwaardelijke volmacht en heerschappij van God.
En toen na zijn eerste optreden (vs. 23vv.) veertig jaren vervuld waren, zodat hij nu tachtig jaar oud was (Ex. 7: 7) verscheen hem de Engel van de Heere in de woestijn van de berg Sinaï ineen vlammig vuur van de doornenbos.
Mozes nu, dat ziende, verwonderde zich over het gezicht en toen hij daarheen ging om dat te bezien, zo geschiedde een stem van de Heere tot hem,
Zeggende: a) Ik ben de God van uw vaderen, de God van Abraham en Izaak en Jakob. En Mozes werd zeer bevende en durfde het niet bezien.
Ex. 3: 6 MATTHEUS. 22: 32 Hebr. 11: 16
En de Heere zei tot hem: a) Ontbind de schoenen van uw voeten; want de plaats, waarop gij staat, is heilig land.
Joz. 5: 15
Ik heb de mishandeling van Mijn volk in Egypte zeker wel gezien en Ik heb hun zuchten gehoord en ben van de hemel, waar Ik Mijn troon heb gevestigd (Jes. 66: 1, MATTHEUS. 5: 34) neergedaald om hen daaruit te verlossen en nu, kom herwaarts, Ik zal u naar Egypte zenden (Ex. 2: 23-4: 17).
Deze Mozes, die zij als hun heer en redder verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? (vs. 27) deze, zeg ik, heeft God tot een overste en verlosser gezonden door de hand, doorbemiddeling van de Engel, die hem verschenen was in de doornenbos.
a) Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en tekenen in het land van Egypte en in de Rode zee b) en in de woestijn veertig jaren.
Ex. 7-14 b) Ex. 16: 1 Deut. 1: 3
Deze is die Mozes, die tot de kinderen van Israël gezegd heeft: a) de Heere uw God, zal u een profeet verwekken uit uw broederen gelijk mij, b) die zult gij horen (hoofdstuk 3: 22 Deut. 18: 15).
Joh. 1: 46 Hand. 3: 22 b) MATTHEUS. 17: 5
Deze is het, die in de vergadering van het volk, die tot bekendmaking van de wet werd gehouden (Ex. 19: 1vv.) in de woestijn was a) met de Engel, die tot hem sprak op de berg Sinaï en met onze vaderen, die de levende woorden van de wet (Rom. 7: 12, 14) ontving, om ons die te geven (Ex. 19: 3-31: 18).
Gal. 3: 19
Onze vaders wilden hem niet gehoorzaam zijn, maar verwierpen hem en keerden met hun harten terug naar Egypte om de afgodendienst daar geleerd weer te beginnen (Ezechiël. 20: 7v., 24).
Zeggende tot Aäron: Maak ons goden die voor ons heengaan, als zinnebeelden van de HEERE, om die voor ons uit te dragen op onze tocht; want wat deze Mozes aangaat, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet wat met hem geschied is, zodat wij behoefte hebben aan een andere leiding die in de plaats van God treedt.
En zij maakten een kalf in die dagen en brachten offerande tot de afgod en verheugden zich in de werken van hun handen (Ex. 32: 1vv.).
En God keerde Zich van hen af, Hij onttrok hun zijn genadige tegenwoordigheid en gaf hen over aan hun straf (Rom. 1: 24), dat zij de hemellichamen dienden (Ezechiël. 20: 25v.), zoals geschreven is in het boek van de profeten en wel in Amos 5: 25-27 : Hebt gij ook slachtoffers en offeranden Mij opgeofferd veertig jaren in de woestijn, gij huis van Israël?
Ja, gij hebt opgenomen de tabernakel van Moloch en de ster van uw god Remfan, de afbeeldingen die gij gemaakt hebt om die te aanbidden en Ik zal u tot straf daarvoor wegvoeren naar de andere zijde van Babylon (bij Amos staat: ver boven Damascus heen of liever aan gene zijde van Damascus. De bedreiging, die daar op het rijk van de tien stammen ziet, past Stefanus hier toe op Juda, waarom hij de daarmee overeenkomende uitdrukking in de plaats stelt).
De wijze waarop Mozes voor zijn volk moest optreden, is een geheel eigenaardige en vreemde. Hij wordt uit het midden van zijn volk genomen, aan het heidense hof als een zoon van koninklijke stam opgevoed en in de Egyptische wijsheid onderwezen. Als zodanig staat hij voor de eerste keer (vs. 21-29) als redder voor het volk van Israël. De tweede keer wordt hij eveneens in de verte en in den vreemde geroepen. De HEERE verschijnt aan hem in een zichtbaar teken, maar niet te Hebron of Berseba of een andere geheiligde plaats van het land van de belofte, maar in de woestijn (vs. 30vv.). Duidelijk is dus de hand van God zichtbaar in de toerusting en in de voorbereiding van de verlossing van Zijn volk, als noch aan nationaliteit noch aan lokaliteit gebonden, het berust geheel en alleen op Zijn vrijmachtig welbehagen. Daarnaast openbaart zich in diezelfde geschiedenis even zo duidelijk de aard van het volk van Israël. Als Mozes de eerste keer zich voor het volk plaatst in zijn verlossende en bevrijdende werkzaamheid, erkent het volstrekt zijn roeping niet, zodat hij zich aan zijn volk door de vlucht moet onttrekken. De tweede maal, als Mozes komt, toegerust met tekenen en wonderen, vindt hij geloof en leidt hij Israël uit en geeft hij het wetten en instellingen. Toch ontbreekt er nog veel aan dat die goede verhouding van Israël tot zijn Verlosser en Leidsman voortdurend zou zijn gebleven. Er vertoont zich integendeel in de tijd van de heerlijkste openbaringen van de HEERE een zo diep en algemeen verval, dat de HEERE van die tijd Zijn volk loslaat en aan de heidense afgodendienst overgeeft. Met nadruk stelt nu Stefanus op de voorgrond dat Hij, die Mozes riep en begeleidde, de Engel van de Heere geweest is. Wat wil nu deze bepaalde aanwijzing zeggen, als het niet een aanwijzing is dat wij hier slechts een voorlopige openbaring van de HEERE hebben te zien en dat een latere openbaring zou volgen, waarin de HEERE Zich openbaart niet door een ander, maar door Zichzelf? Inderdaad wordt dan ook op een zodanige herhaling van de roeping en zending van Mozes door een uitdrukkelijk woord van deze (vs. 37) gewezen. Het is derhalve niet twijfelachtig of Stefanus meent dat deze profetie van Mozes in Jezus van Nazareth is vervuld. Werkelijk is ook Israël’s tegenwoordige toestand zeer gelijk aan die van zijn vaderen onder Mozes; reeds eenmaal is de nieuwtestamentische profeet door Israël verworpen; Hij staat nu opnieuw met Zijn woord en zijn Geest voor Zijn volk en dit is op het punt Hem nogmaals van zich te wijzen.
Wat nu het laatste punt van de goddelijke belofte in vs. 6 aangevoerd, het “Mij dienen in deze plaats” aangaat, dit moest evenzeer vervuld worden als de beide andere in vs. 9-16 en 17-43 De tabernakel van de getuigenis, waarin de ark van het verbond met de cherubs was, waardoor Hij getuigde (Ex. 25: 22; 29: 42; 30: 6 Num. 1: 53), was onder onze vaderen in de woestijn, zoals Hij het geboden had die tot Mozes zei dat hij die maken zou a) naar de afbeelding die hij gezien had (Ex. 25: 8v., 40; 26: 30).
Hebr. 8: 5
a) Die ook onze vaders ontvangen hebbende, met Jezus of Jozua gebracht hebben in het land dat de heidenen bezaten, die God verdreven heeft van het aangezicht van onze vaderen en zij behielden het, hoewel het heiligdom als op twee plaatsen verdeeld was, tot de dagen van David toe Jos 18: 1.
Joz. 3: 14
a) Die voor God genade gevonden heeft en in dankbaarheid voor deze genade en in vertrouwen op verdere ervaring daarvan b) begeerd heeft te vinden een vaste en met de nieuwe toestand overeenkomstige woonstede voor de God van Jakob (2 Sam. 7: 1vv. Ps. 132: 1vv.).
1 Sam. 16: 1 Ps. 89: 21 Hand. 13: 22 b) 1 Kron. 17: 1
a) En aan Salomo werd vergund wat zijn vader had gebeden (1 Kon. 8: 15v.). Deze bouwde Hem een huis in de tempel te Jeruzalem, die hij op de berg Moria oprichtte.
1 Kon. 6: 1; 1 Kron. 17: 12
a) Maar hij bouwde het volgens zijn eigen woord (1 Kon. 8: 27) niet, alsof dat de werkelijke en uitsluitende woonstede van God was, waaraan nu zijn tegenwoordigheid en openbaring bepaald verbonden waren; want de Allerhoogste woont niet in een tempel met handen gemaakt, zoals de profeet (Jes. 66: 1v.) zegt:
Hand. 17: 24
a) De hemel is Mij een troon en de aarde een voetbank voor Mijn voeten. Wat voor huis zult gij Mij bouwen? zegt de Heere; of wat is de plaats voor Mijn rust?
2 Kron. 6: 33 Jes. 66: 1 MATTHEUS. 5: 34; 23: 22
a) Heeft niet Mijn hand al deze dingen die er zijn, gemaakt?
Gen. 1: 4
Dat was van het begin het door God gegeven uitzicht voor Israël geweest, in het bezit te komen van het beloofde land en in dat land de HEERE te dienen. Het verkrijgen van het heilige land nu wordt door Jozua begonnen, de heilige dienst komt echter tot vastheid en volkomenheid door de tempelbouw. In deze afdeling wordt hoofdzakelijk het oog op het heiligdom gericht; want de vermelding van de tabernakel in vs. 44 verbindt deze afdeling met de vorige en de tempel, die Salomo bouwt (vs. 47), is de meer waardige, de juistere vorm van de tabernakel. Maar juist in dit bereik van de vorm van het heiligdom, in dit middelpunt van de periode die voltooit en besluit, openbaart zich weer de absolute zelfstandigheid van de HEERE. Het wordt op de voorgrond gezet dat de tabernakel, de grondslag voor de tempel, volgens goddelijke voorschriften en niet naar menselijke gedachten, ja naar een hemels voorbeeld en niet naar een aards voorbeeld gemaakt is. Vervolgens wordt opgemerkt dat David er wel naar trachtte de juiste vorm van het heiligdom te maken, hoewel hem dit niet werd toegestaan, maar voor Salomo bewaard bleef, zo is dit weer een teken dat niet eens de beste gedachten en wensen van de uitverkorenen op dit gebied iets vermogen, maar de HEERE de eerste en de laatste is, die hier bestuurt en regelt. En eindelijk als het hoogste bereikt is, als de tempel voltooid is, moet een profeet als de mond van God uitspreken, dat ook deze meest volkomen vorm van een woning van God op verre na niet geschikt is om Gods oneindigheid te omvatten, evenals vóór deze Salomo zelf, toen hij het heiligdom wilde inwijden, het gevoel van de oneindige hoogheid van de HEERE heeft uitgesproken, die niet eens op aarde, laat staan dan in een door mensen gebouwd huis wonen kon. Hoezeer nu kon het van de idolatrische (afgodische) verering van de tempel, aan de zijde van de ongelovige Joden tot beschaming dienen, nu Stefanus in de gehele oudtestamentische ontwikkeling, die de lokalisering van de goddelijke tegenwoordigheid in Israël van de oprichting van de tabernakel tot aan de tempelbouw, aanwijst, hoe de HEERE op iedere trap zijn absolute Majesteit bevestigt, hoe Hij zijn oneindige tegenwoordigheid voor geen enkele zaak heeft prijsgegeven.
a) Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren! zoals de Schrift u van het begin tot het einde noemt, gij weerstaat altijd de Heilige Geest in alles wat Hij te horen en te ondervinden geeft; zoals uw vaders gedaan hebben, alzo doet ook gij, het tegenwoordige boze geslacht.
Neh. 9: 16, 17 Jer. 6: 10
Wie van de profeten, om de gehele tijd van David en Salomo tot aan het einde van de oudtestamentische openbaring in een beeld samen te vatten, hebben uw vaders niet vervolgd? En zij hebben zelfs in grote getale gedood (Hebr. 11: 36v.) hen die tevoren verkondigd hebben de komst (1 Makk. 11: 44) van de Rechtvaardige, namelijk van de Heere Jezus (hoofdstuk 3: 14; 22: 14; 1 Petrus 3: 18; 1 Joh. 2: 1), van Wie gij nu verraders en moordenaars geworden zijt (2 Kron. 36: 16 MATTHEUS. 23: 29v.).
a) Gij, die de wet ontvangen hebt door tussenkomst van engelen, die bij de openbaarmaking daarvan mede werkzaam waren (Gal. 3: 19 Hebr. 2: 2), moest deze als een heilige, maar tastbare levensregel erkennen. Gij hebt ze dan ook aangenomen en toch hebt gij ze niet gehouden.
Ex. 19: 3; 24: 3
Volgens dat profetisch woord, waarmee Stefanus in de vorige afdeling eindigde, spreekt de Heere door Jesaja 66: 2): “Op deze zal ik zien, op de arme en verslagene van geest en die voor Mijn woord beeft. ” Maar zo zijn de Farizeeën en de overige leden van de hoge raad niet! “Gij hardnekkigen” met die oude naam van de bestraffing (Ex. 32: 9; 33: 3 en 6) spreekt Stefanus de weerspannigen aan, die hun hals niet wilden buigen onder het zachte juk van Christus, omdat zij niet arm, vermoeid en belast waren; en dat waren zij niet, omdat zij het harde juk van Mozes gemaakt hadden tot een poel van vleselijke lusten. “Onbesnedenen” noemt hij Abrahams kinderen, die zo trots waren op de besnijdenis; alzo loochent hij dat zij Abrahams ware kinderen waren. Zij zijn onbesneden van hart, want de snede van het levend woord van God weerden zij van zich af en onbesneden zijn zij “van oren, ” want voor de genadige roepstem van God tot de zaligheid in de naam van de Heiland bleven zij doof. “Al de heidenen hebben de voorhuid, maar het ganse huis van Israël heeft de voorhuid van het hart. ” Tot wie zal Ik spreken en betuigen dat zij het horen? Zie, hun oor is onbesneden, dat zij niet kunnen toeluisteren; zie, het woord van de Heere is hun tot een smaad, zij hebben geen lust daartoe. ” Dit woord van de profeet Jeremia (9: 26; 6: 10) brandde in Stefanus’ heilige ziel, daarom is hij ook als deze (Jer. 6: 11) zo vol van de grimmigheid van de Heere, dat hij die niet inhouden kan. De tijd van Jezus’ tweede omwandelen te Jeruzalem vol van blijde zegen (hoofdstuk 3: 26) liep ten einde, dat voelde hij. Nu wordt ook de weeklacht van de Heere over Jeruzalem (MATTHEUS. 23: 37) in zijn mond weer nieuw.
Eerst had God door Petrus op goedaardige en zachte wijze tot het volk gesproken en zelfs voor de oversten hadden de apostelen de waarheid alleen nadrukkelijk beleden zonder hen zelf aan te tasten (hoofdstuk 2: 22vv. ; 3: 13vv. ; 4: 8vv. ; 5: 30vv.). Nu kwam echter de tijd dat de zonde die zij niet wilden erkennen, hun duidelijk en krachtig in het aangezicht werd gezegd en het gebouw van hun bijgelovige stellingen moedig moest worden aangetast. Daarbij zien wij echter ook in Stefanus ondanks zijn vurige ijver de gerustheid en de heilige liefde van een echte getuige van Jezus.
Men kan er over in twijfel zijn of de rede van Stefanus, wat de voorzin aangaat, met vs. 53 geëindigd was, of dat zij door de toorn van zijn vijanden was afgebroken. In elk geval was zij naar de wil van God ten einde en aan haar werd door de wonderbare leiding van de Heere, aan Wie ook de vijanden onderworpen zijn een schoner regeling en een dieper ingrijpend slot gegeven, dan Stefanus zich zou hebben kunnen uitdrukken. Als slotwoord van zijn rede, als het amen daarvan mogen wij niet aanmerken het woord: “gij, die de wet ontvangen hebt door tussenkomt van engelen en hebt ze niet gehouden! ” maar moeten integendeel dit woord beschouwen als inleiding tot het treffendst gedeelte van de gehele prediking, waarvan het slot in vs. 59 luidt: “Heere! reken hun deze zonde niet toe, ” en waarvan het amen was een zacht inslapen in Jezus’ arm en schoot – een slot en een amen van zo’n uitwerking, dat het uitspreken daarvan beslissende invloed had op de jongeling die de kleren van de getuigen bewaarde (vs. 57). Tevergeefs probeerde deze de angst, die eens in zijn hart was geworpen, weer kwijt te raken; tevergeefs die te vernietigen door een des te luidruchtiger vreugde over Stefanus’ dood en door des te woedender snuiven en moorden tegen de discipelen van de Heere. De angel maakte een wond, die steeds dieper gaapte, tot uit het gewonde Paulus-hart het woord uitbrak: “Heere! wat wilt Gij dat ik doen zal? ” en het gevolg van dit woord de vergadering was van de heidenen tot die God, die Israël niet wilde gehoorzamen.
Tot aan het einde blijft de Heilige Geest voortgaan om hen te onderwijzen uit hun eigen profeten. Doch nu vragen wij: Moest er geen evangelieprediking bij? Moest dan alles aflopen zonder de verkondiging van Jezus als de Zoon van God en de waarachtige Messias? Geduld! straks zal Hij de naam Jezus zelfs noemen als de heerlijkste kroon op zijn rede.
Toen zij, de leden van de hoge raad, nu dit hoorden, deze in vs. 51-53 uitgesproken verwijten, barstten hun harten als met vernietigend geweld (hoofdst. 5: 33) en zij knersten van woede en boosheid de tanden tegen hem (Job 16: 9 Ps. 35: 16; 37: 12; 112: 10), alhoewel zij zich ook nog een ogenblik van openlijk geweld terughielden.
Maar hij, vol van de Heilige Geest en de ogen op de hemel gericht, zag de heerlijkheid van God en Jezus, staande ter rechterhand van God.
En hij zei: Ziet, ik zie de hemelen geopend en de Zoon van de mensen Uit 16: 16, staande ter rechterhand van God, als was Hij reeds gereed om mij bij Hem te ontvangen.
De rede van Stefanus had het binnenste van de Joden getroffen, zij ging hun door het hart, maar niet, zoals de mannen op het Pinksterfeest bij de prediking van Petrus (hoofdstuk 2: 37), als een heilzame slag, die “de harde bast van de harten doorbrak en voor de tranen van berouw de deur opende”, die een goddelijke droefheid werkte, een berouw dat niemand berouwt en voor de troost van de genade in hun zielen de weg baande, maar als een doodssteek ging het hun door hun trots en verhard hart, waartegen hun gehele binnenste in opstand kwam waardoor hun aangezicht in toorn en schrik verbleekte en nu in lang teruggehouden boosheid te voorschijn trad. Zij vertoonden zich als een boze hond, die degene bijt, die hem van de ketting wil losmaken. Van woede knersten zij met de tanden over Stefanus, die dit wel opmerkte, maar tegenover de woeste toorn geduldig en gelovig het oog hemelwaarts wendde, waar hij tot zijn versterking Jezus zag staande ter rechterhand van God. Juist nu al de grimmigheid van de Joden op het punt is om los te barsten wordt zijn ziel in een bijzondere mate met de Heilige Geest vervuld en levendiger dan ooit voelt hij diens tegenwoordigheid in zijn hart. Die Heilige Geest richt dan ook, evenals het inwendig oog van zijn geloof, zo ook het oog van zijn lichaam naar boven op Jezus, wiens bijstand hij nu, terwijl vervolging en dood hem wacht, zeer verlangend begeert en wenst; deze geeft aan zijn oog op buitengewone wijze kracht om door de gewone grenzen van de gezichtskring door te breken en te zien wat anders het lichamelijk oog niet kan zien, namelijk de hemelse lichtglans, waarin God zelf verschijnt en Jezus staande ter rechterhand van God.
Hoe hartstochtelijker de zielen van zijn toehoorders gestemd en vervuld werden met een vleselijke ijver, ja met een geest uit de afgrond, des te meer werd door Gods genade de ziel van de getrouwe getuige vervuld met hemels vuur, met de Heilige Geest van boven. In plaats van de mensen voor zich aan te zien, die met hun toenemende vijandschap en woede hem bange vrees of vleselijke ijver hadden kunnen geven, heft hij zijn blikken omhoog en ziet hij naar de hemel met een verlangenden blik vol geloof en hoop. Hij ziet in de geest, in verrukking, wat het lichamelijk oog niet kan zien en ook niemand anders op dat ogenblik en op diezelfde plaats gezien heeft en wat hij ziet, dat spreekt hij dadelijk uit als vrijmoedig belijder.
Eigenaardig is het tweemaal herhaalde “staan ter rechterhand van God, ” terwijl gewoonlijk van het zitten ter rechterhand gesproken wordt. De juiste verklaring heeft zonder twijfel reeds Gregorius de Grote gegeven: zitten is de zaak van de Rechter en Heerser, staan van de Strijder en Helper.
Op het ogenblik dat de gemeente van Christus die lijdensstrijd van het martelaarschap begint, haar eerste martelaar door Israël valt, Israël de Opgestane verwerpt, staat deze op tot de strijd voor Zijn vervolgde gemeente, ten strijd tegen het afvallige Israël.
Maar zij, roepende met luide stem, om het verder spreken onmogelijk te maken, stopten hun oren toe om tenminste niet te horen als hij nog iets meer zei en vielen eendrachtig op hem aan.
a) En wierpen hem door de zogenaamde Stefanuspoort Mt 21: 11 de stad uit en stenigden hem vóór de poort in het dal van Kedron; daar ging men over tot de volvoering van het vonnis en de getuigen die volgens de wet (hoofdst. 6: 13v.) de eerste stenen op hem moesten werpen (Joh. 8: 7 Deut. 17: 7) legden hun mantels af, opdat deze hun bij het werpen niet hinderlijk zouden zijn, aan de voeten van een jongelings, genaamd Saulus, die waarschijnlijk als afgevaardigde van de Joodse raad de voltrekking van het vonnis van een hogere standplaats bijwoonde (hoofdst. 22: 20).
1 Kon. 21: 13 Luk. 4: 29
En zij stenigden Stefanus, die de naam van zijn Heiland aanriep, zeggende: Heere Jezus! ontvang mijn geest (Luk. 23: 46 Ps. 31: 6).
De woorden van Stefanus, die de Joden zijn blik in de hemel en zijn zien van de verhoogde Jezus betuigen, doen hun hartstocht klimmen. Dat die Jezus, die hun haat aan het kruis heeft gebracht, ter rechterhand van God zou verhoogd zijn, doet hun woede uitbarsten. Eerst schreeuwen zij luid om zijn getuigenis te verdoven en houden de oren toe, alsof zij dergelijke godslasterlijke taal niet konden aanhoren, maar dan varen zij tegen Stefanus uit; zij wachten dus het einde van de gerechtelijke handeling en het vonnis niet af, maar verwekken een oproer en oploop, waaronder zij met dringen en stoten hem voor de stad brengen (Lev. 24: 14) en ter steniging overgeven.
Daar de Romeinen aan de Joden het recht over leven en dood hadden ontnomen (Joh. 18: 31), moet de terdoodbrenging van Stefanus voor een oproerige worden gehouden; om elke botsing met de Romeinse macht te vermijden, wilde men geen formeel vonnis, maar liet de terdoodbrenging toe, die enige fanatieken volbrachten.
De verblinden menen het recht van de ijvering te volbrengen, waarop eens de roemvolle daad van Pinehas (Num. 25: 7vv.) zich grondde, terwijl zij de gewaande lasteraar door een oproerige handeling ter dood brachten.
Gij ziet hier de volkomen eenswezenheid van de Zoon en de Vader door de Heilige Geest (die door Stefanus sprak) uitgesproken. De Zoon beval zijn Geest de Vader aan, Stefanus beval die Jezus aan. Zo is dan wat de Vader is voor de Zoon, de Zoon voor diens discipel. Hier is één goddelijkheid. Wie toch zal zijn geest stellen in de handen van een mindere dan God. Nu was de Heere Jezus op dit ogenblik voor Stefanus de meest naaste persoon in de Godheid, immers de Heere stond op om Hem te ontvangen. Nog eens, Stefanus zag de heerlijkheid van de Vader, en daarnaast de Zoon, staande aan de rechterhand van de Vader en toch roept hij de naam van de Zoon alleen aan. Waarom? Het is duidelijk waarom de Heilige Geest hem leerde dit te doen, opdat de naam die de Jood zelfs tot op deze dag niet kan verdragen totdat hij bekeerd is en die Stefanus niet genoemd had dan als Jozua, ook nu in dit beslissend ogenblik nog zou worden uitgeroepen, als de enige Naam door de Vader onder de hemel gegeven, waardoor zondaren zalig worden. De Zoon had de Vader verheerlijkt en nu zou de Heilige Geest de Zoon verheerlijken (Joh. 16: 14). Ja, de bij zijn stenigers en rechters zo gehate naam van Jezus moest door de eerste stervende uit de gemeente van Christus worden gebezigd tot bevestiging van het woord van de Schrift, nog onlangs (Hand. 2: 21) door Petrus in herinnering gebracht (Joël 2: 32): “Een ieder, die de naam van de Heere zal aanroepen, zal zalig worden.
Die Naam, boven alle namen zalig en heilig, van Jezus, wordt nu, in het uur van de dood, nadat hij die in de hele loop van zijn verhoor onophoudelijk gepredikt en beleden, maar nooit letterlijk uitgesproken heeft, met de kracht van een overwinnaar over dood en graf aan- en uitgeroepen (vs. 59): Heere Jezus! ontvang mijn geest. Zo belijdt hij in die stervensuitroep met de naam dan ook de wezenlijke en waarachtige Godheid van de Heere. Aan wie anders toch dan aan God mag of kan de gelovige zijn geest in handen geven, zich voor de eeuwigheid der eeuwigheden overgeven? Het is tevergeefs dat de bestrijders van die hoogheerlijke en zalige waarheid hier een willekeurig onderscheid zoeken tussen de aanroeping van één, die men tegenwoordig voor ogen heeft, of aan wie men ongezien dergelijke hulde betoont. Het onderscheid vindt in elk geval hier ter plaatse geen toepassing in de zin van die bestrijders. Immers op het moment waarop Stefanus onder het vallen de naam van de Heere Jezus aanroept, is het ogenblikkelijk gericht, dat hem, nog voor de raad van de Joden staande, te beurt viel, reeds lang geweken. Men heeft hem sedert gegrepen, de stad uitgesleurd en het ongerechtige volksgericht aan hem begonnen. Hem die hij alzo stervende aanroept is een Ongeziene, die hij wel eertijds zien zal, maar pas na de vallei van de schaduw van de dood in het geloof te zijn ingetreden.
Toen werd hij door zoveel stenen getroffen, dat hij het ogenblik van zijn sterven nabij voelde en al zijn kracht tot een laatste daad verzamelde en vallende op de knieën riep hij met luide stem: Heere! reken hun deze zonde niet toe a) (Luk. 23: 34). 1) En toen hij dat gezegd had, ontsliep hij. 2)
Matth. 5: 44; 1 Kor. 4: 12
Het “riep hij met luide stem” is de gehele, laatste en krachtige openbaring van de liefde, waarvan de drang zich ook in het buigen van de knieën openbaart.
O hoe veel inniger is hem dit gebed geworden door zijn gebed voor zichzelf! Hoe moet zijn hart ontbrand geweest zijn, hoe zullen hem zijn ogen zijn overgelopen en zijn gehele lichaam bewogen zijn geworden over de ellende, die hij bij zijn vijanden had gezien.
Het offer van het gebed van Zijn heilige is dierbaar geworden voor de Heere. Stefanus wist het niet, dat zijn voorbede in de rijkste mate zou worden verhoord omtrent de jongeling Paulus, die hem mede stenigde door de handen van anderen – in de hemel heeft hij het vernomen.
Had de heilige Stefanus niet zo gebeden, dan had de kerk geen Paulus. Daarom werd een Paulus opgericht, omdat de nederknielende Stefanus werd verhoord.
Lukas noemt Stefanus’ einde opzettelijk met een woord dat volstrekt niet schijnt te passen bij een gewelddadige, bloedige dood. Duidelijk wil hij daarmee zeggen dat het einde van de edele discipel toch zacht is geweest, namelijk door de godskracht, die ook de bloedige dood overwint en de genade van zijn Verlosser, die ook zijn geest ontvangt. Door het ruw geweld en de beestachtige woede van de vijanden, die door de hel zijn ontstoken, overweldigd en vermoord, heeft Stefanus toch in zijn bezwijken heerlijk gezegevierd door zijn standvastig geloof, zijn vergevende vijandsliefde en zijn geduld.
Wie als Stefanus stervende zijn geest de Heere aanbeveelt, die verzoend met God en de wereld in geloof zijn ogen sluit, om ze daarboven weer te openen tot zalig aanschouwen, die sterft niet, maar hij ontslaapt.
Deze is een niettoerekening van de schuld aan de zondaar, omdat ze toegerekend is aan de Middelaar en Borg Jezus Christus. En nu, waar God niet meer toerekent, moeten wij ook niet meer toerekenen. Ook bad Stefanus niet om vergeving van eigen zonden, want zijn geloof gaf hem de verzekering dat zijn zonden vergeven waren. Hij bad voor anderen. Hier zien wij dan ook zo duidelijk als het te zien is, dat zoals de Zoon het afschijnsel van de heerlijkheid van de Vaders is, de christen het afschijnsel is van de heerlijkheid van Christus. Tot zulke mensen van God maakt de Heilige Geest zondaren, die anders het onrecht indrinken als water. Was de Heere enkel liefde zonder alle toorn (hoe heilig ook) toen Hij aan het kruishout hing, zo ook Stefanus, terwijl hij onder de steniging was. Hij bad voor zijn vijanden, voor zijn moordenaars, hij bad voor hen om vrijspraak van straf en om genade. Hij bad niet bepaald voor iemand, maar omvatte allen, het aan God overlatend wie te kiezen. En wie werd nu door God gekozen? O wonderbare raad van Gods ontferming! De ergste van al de vervolgers van Stefanus. Voorzeker, als wij uit al die vijanden van God één ter keuze van Gods begenadiging hadden mogen aanbieden, we zouden de verbitterde, bloeddorstige Saulus zijn voorbijgegaan. Doch Gods keuze is altijd tegen die van de mens. Hij vraagt niet aan ons en ook niet aan de hoogste van de engelen, wie te zaligen, maar Hij vraagt het alleen aan Zichzelf. En nu werd de grootste van de zondaren, naar diens eigen getuigenis, tot de grootste apostel door God gesteld, opdat God in deze man als in een voorbeeld en toonbeeld al zijn ontferming zou betonen. En zo werd dan Stefanus verhoord. Niet terstond, nee, veel meer vermeerderde de woede van de vervolger tot op Gods tijd. Nochtans, God verhoorde het gebed van Stefanus op goddelijke wijze. Trouwens op zo’n vraag als die van Stefanus, die uit God, uit de Heilige Geest is, kan ook geen ander dan een goddelijk antwoord volgen. Nee de verhoring van het gebed is geen verhoring op slag, maar op tijd.
Daar staat hij te midden van de opgeruide menigte. Daar werpen de valse getuigen de eerste steen op hem. Een hagelbui van stenen volgt, kwetst zijn hoofd, kneust zijn borst, verbrijzelt zijn schouders. maar smoort de geloofskreet niet, die opstijgt uit zijn hart: “Heere Jezus, ontvang mijn geest! ” Nu valt hij op de knieën; nu ziet hij nog eenmaal rond in deze woedende kring, op deze misleide menigte. Golgotha komt voor zijn geest; liefde is zijn laatste gedachte: “Heere, reken hun deze zonde niet toe! “. Daar treft de dodelijke worp. De martelaar zinkt ineen; het is gedaan; het is geleden. Wis nu ook het bloed van dit voorhoofd af en aanschouw dit gelaat. Hoe kalm, hoe vreedzaam is het! Stefanus, onze vriend slaapt. -Stefanus, een man vol van het geloof en van de Heilige Geest: deze weinige woorden behelzen het geheim van zijn voortreffelijkheid, wij voegen erbij: en van zijn uitnemende eer en van zijn uitnemend geluk. Voorzeker! want het geloof is een kracht tot liefde, dienende, ijverende, geduldige, vergevende liefde; het geloof is een kracht tot doen en lijden van al wat opgelegd wordt; een kracht tot moedbetoon, een kracht tot volharding, een kracht in de dood. En het is de Heilige Geest, het zijn zijn werkingen, zijn invloeden, zijn krachten, die het geloof opwekken, onderhouden, sterken, van kracht tot kracht, van vrucht tot vrucht doen voortgaan, het pasgeboren kind doen opgroeien tot een man en de geloofsman maken tot een geloofsheld. Stefanus, een man vol van het geloof en van de Heilige Geest, ligt in deze woorden het geheim van de voortreffelijkheid van deze man vol kracht en wijsheid, van deze uitnemende diaken, van deze getrouwe getuige, van deze heilige martelaar? Zo kan ook een ieder belijder tot deze voortreffelijkheid geraken. Want die Jezus, die hij kent, is waardig dat hij in Hem gelooft; en de Heilige Geest zal “God niet weigeren aan degenen die Hem bidden”. Doch hierop komt het aan.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel