Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
PetrusG4074 nuG1161 en JohannesG2491 gingenG305 te zamenG846 op naarG1519 den tempelG2411, omtrent de ureG5610 des gebedsG4335, zijnde de negendeG1766 ure;
Petrus nu en Johannes gingen te zamen op naar den tempel, omtrent de ure des gebeds, zijnde de negende ure;
KJV
Now4
Peter5
and6
John7
went up8
together1
into9
the temple11
at the hour14
of prayer,16
being the ninth
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
EnG2532 een zekerG5100 manG435, die kreupelG5560 was vanG1537 zijner moedersG3384 lijfG2836, werd gedragenG941, welkenG3739 zijG846 dagelijksG2250 zettenG5087 aanG4314 de deurG2374 des tempelsG2411, genaamdG3004 de SchoneG5611, om een aalmoesG1654 te begerenG154 van degenen, die inG1519 den tempelG2411 gingenG1531;
En een zeker man, die kreupel was van zijner moeders lijf, werd gedragen, welken zij dagelijks zetten aan de deur des tempels, genaamd de Schone, om een aalmoes te begeren van degenen, die in den tempel gingen;
KJV
And1
a certain2
man3
lame9
from5
his8
mother's7
womb6
was carried,10
whom11
they laid12
daily14
at15
the gate17
of the temple19
which16
is called21
Beautiful,22
to ask24
alms25
of26
them that entered28
into29
the temple;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
WelkeG3739, PetrusG4074 enG2532 JohannesG2491 ziendeG1492, als zij inG1519 den tempelG2411 zouden ingaanG1524, badG2065, dat hij een aalmoesG1654 mocht ontvangenG2983.
Welke, Petrus en Johannes ziende, als zij in den tempel zouden ingaan, bad, dat hij een aalmoes mocht ontvangen.
KJV
Who1
seeing
Peter3
and4
John5
about6
to go7
into8
the temple10
asked11
an alms.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
EnG1161 PetrusG4074, sterkG816 opG1519 hemG846 ziendeG816, met JohannesG2491, zeideG2036: ZieG991 opG1519 ons.
En Petrus, sterk op hem ziende, met Johannes, zeide: Zie op ons.
KJV
And2
Peter,3
fastening his eyes1
upon4
him5
with6
John,8
said,
Look10
on11
us.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
EnG1161 hij hieldG1907 de ogen op henG846, verwachtendeG4328, dat hij ietsG5100 van henG846 zou ontvangenG2983.
En hij hield de ogen op hen, verwachtende, dat hij iets van hen zou ontvangen.
KJV
And2
he gave heed3
unto them,4
expecting5
to receive9
something6
of7
them.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En PetrusG4074 zeideG2036: ZilverG694 en goudG5553 heb ik nietG3756, maarG1161 hetgeenG3739 ik hebG2192, dat geveG1325 ik uG4771; inG1722 den NaamG3686 van JezusG2424 ChristusG5547, den NazarenerG3480, staG1453 op en wandelG4043!
En Petrus zeide: Zilver en goud heb ik niet, maar hetgeen ik heb, dat geve ik u; in den Naam van Jezus Christus, den Nazarener, sta op en wandel!
KJV
Then2
Peter3
said,
Silver4
and5
gold6
have8
I
none;7
but11
such as10
I have12
give I15
thee:
In16
the name18
of Jesus19
Christ20
of Nazareth22
rise up23
and24
walk.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En hem grijpendeG4084 bij de rechterhandG1188 richtteG1453 hij hem op, en terstondG3916 werden zijn voetenG939 en enkelenG4974 vastG4732.
En hem grijpende bij de rechterhand richtte hij hem op, en terstond werden zijn voeten en enkelen vast.
KJV
And1
he took2
him3
by the right5
hand,6
and lifted him up:7
and9
immediately8
his11
feet13
and14
ankle bones16
received strength.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En hij, opspringendeG1814, stondG2476 enG2532 wandeldeG4043, enG2532 ging met henG846 inG1519 den tempelG2411, wandelendeG4043 enG2532 springendeG242, enG2532 lovendeG134 GodG2316.
En hij, opspringende, stond en wandelde, en ging met hen in den tempel, wandelende en springende, en lovende God.
KJV
And1
he leaping up2
stood,3
and4
walked,5
and6
entered7
with8
them9
into10
the temple,12
walking,13
and14
leaping,15
and16
praising17
God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En alG3956 het volkG2992 zagG1492 hemG846 wandelenG4043 enG2532 GodG2316 lovenG134.
En al het volk zag hem wandelen en God loven.
KJV
And1
all4
the people6
saw
him3
walking7
and8
praising9
God:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
En zij kendenG1921 hem, dat hij dieG3778 wasG1510, die om een aalmoesG1654 gezetenG2521 had aanG1909 de SchoneG5611 poortG4439 des tempelsG2411; enG2532 zij werden vervuldG4130 met verbaasdheidG2285 enG2532 ontzettingG1611 overG1909 hetgeen hemG846 geschiedG4819 was.
En zij kenden hem, dat hij die was, die om een aalmoes gezeten had aan de Schone poort des tempels; en zij werden vervuld met verbaasdheid en ontzetting over hetgeen hem geschied was.
Ook in dit vers
totG4314
KJV
And2
they knew1
that4
it3
was
he5
which7
sat11
for8
alms10
at12
the Beautiful14
gate15
of the temple:17
and18
they were filled19
with wonder20
and21
amazement22
at23
that which had happened25
unto him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En als de kreupeleG5560, die gezondG2390 gemaakt was, aanG1909 PetrusG4074 en JohannesG2491 vasthieldG2902, liepG4936 alG3956 het volkG2992 gezamenlijkG4936 totG4314 henG846 in het voorhofG4745, hetwelk SalomoG4672's voorhof genaamdG2564 wordt, verbaasdG1569 zijnde.
En als de kreupele, die gezond gemaakt was, aan Petrus en Johannes vasthield, liep al het volk gezamenlijk tot hen in het voorhof, hetwelk Salomo's voorhof genaamd wordt, verbaasd zijnde.
KJV
And2
as the lame man5
which was healed4
held1
Peter7
and8
John,9
all13
the people15
ran together10
unto11
them12
in16
the porch18
that is called20
Solomon's,21
greatly wondering.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
EnG1161 PetrusG4074, dat ziendeG1492, antwoorddeG611 totG4314 het volkG2992: Gij IsraelietischeG2475 mannenG435, watG5101 verwondertG2296 gij u overG1909 ditG3778, ofG2228 watG5101 zietG3708 gij zo sterkG816 op ons, alsofG5613 wij door onze eigenG2398 krachtG1411 ofG2228 godzaligheidG2150 dezenG846 hadden doenG4160 wandelenG4043?
En Petrus, dat ziende, antwoordde tot het volk: Gij Israelietische mannen, wat verwondert gij u over dit, of wat ziet gij zo sterk op ons, alsof wij door onze eigen kracht of godzaligheid dezen hadden doen wandelen?
KJV
And2
when Peter3
saw
it, he answered4
unto5
the people,7
Ye men8
of Israel,9
why10
marvel ye11
at12
this?
or14
why16
look ye so earnestly17
on us,
as though18
by our own19
power20
or21
holiness22
we had made23
this man26
to walk?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
De GodG2316 AbrahamsG11, enG2532 IzaksG2464, enG2532 JakobsG2384, de GodG2316 onzer vaderenG3962, heeft Zijn KindG3816 JezusG2424 verheerlijktG1392, WelkenG3739 gijG4771 overgeleverdG3860 hebt, enG2532 hebt Hem verloochendG720, voor het aangezichtG4383 van PilatusG4091, als hij oordeeldeG2919, dat men HemG1565 zoude loslatenG630.
De God Abrahams, en Izaks, en Jakobs, de God onzer vaderen, heeft Zijn Kind Jezus verheerlijkt, Welken gij overgeleverd hebt, en hebt Hem verloochend, voor het aangezicht van Pilatus, als hij oordeelde, dat men Hem zoude loslaten.
KJV
The God2
of Abraham,3
and4
of Isaac,5
and6
of Jacob,7
the God9
of our
fathers,11
hath glorified13
his16
Son15
Jesus;17
whom18
ye
delivered up,20
and21
denied22
him23
in24
the presence25
of Pilate,26
when he was determined27
to let29
him28
go.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
MaarG1161 gijG4771 hebt den HeiligeG40 en RechtvaardigeG1342 verloochendG720, en hebt begeerdG154, dat uG4771 een manG435, die een doodslagerG5406 was, zou geschonkenG5483 worden;
Maar gij hebt den Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt begeerd, dat u een man, die een doodslager was, zou geschonken worden;
KJV
But2
ye
denied7
the Holy One4
and5
the Just,6
and8
desired9
a murderer11
to be granted12
unto you;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
EnG1161 den VorstG747 des levensG2222 hebt gij gedoodG615, WelkenG3739 GodG2316 opgewektG1453 heeft uitG1537 de dodenG3498; waarvan wij getuigenG3144 zijnG1510.
En den Vorst des levens hebt gij gedood, Welken God opgewekt heeft uit de doden; waarvan wij getuigen zijn.
KJV
And2
killed6
the Prince3
of life,5
whom7
God9
hath raised10
from11
the dead;12
whereof13
we
are
witnesses.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
EnG2532 door het geloofG4102 in Zijn NaamG3686 heeft Zijn NaamG3686 dezenG5026 gesterktG4732, dienG3739 gijG4771 ziet en kentG1492; en het geloofG4102, dat doorG1223 Hem is, heeft hem dezeG3778 volmaakte gezondheidG3647 gegevenG1325, in uw allerG3956 tegenwoordigheidG561.
En door het geloof in Zijn Naam heeft Zijn Naam dezen gesterkt, dien gij ziet en kent; en het geloof, dat door Hem is, heeft hem deze volmaakte gezondheid gegeven, in uw aller tegenwoordigheid.
KJV
And1
his7
name6
through2
faith4
in his16
name15
hath made13
this man
strong,
whom9
ye see10
and11
know:12
yea,17
the faith19
which is23
by21
him22
hath given
him24
this
perfect soundness26
in the presence28
of you
all.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
EnG2532 nu, broedersG80, ik weetG1492, datG3754 gijG4771 het doorG2596 onwetendheidG52 gedaan hebt, gelijk als ookG2532 uw overstenG758.
En nu, broeders, ik weet, dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk als ook uw oversten.
KJV
And1
now,2
brethren,3
I wot4
that5
through6
ignorance7
ye did8
it, as9
did also10
your
rulers.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
MaarG1161 GodG2316 heeft alzoG3779 vervuldG4137, hetgeenG3739 HijG846 doorG1223 den mondG4750 van alG3956 Zijn profetenG4396 te voren verkondigd had, dat de ChristusG5547 lijdenG3958 zou.
Maar God heeft alzo vervuld, hetgeen Hij door den mond van al Zijn profeten te voren verkondigd had, dat de Christus lijden zou.
Ook in dit vers
tevoren verkondigdG4293
KJV
But2
those things, which4
God3
before had shewed5
by6
the mouth7
of all8
his11
prophets,10
that Christ14
should suffer,12
he hath15
so16
fulfilled.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
BetertG3340 u danG3767, enG2532 bekeertG1994 u, opdat uw zondenG266 mogen uitgewistG1813 worden; wanneer de tijdenG2540 der verkoelingG403 zullen gekomenG2064 zijn vanG575 het aangezichtG4383 des HeerenG2962,
Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden; wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren,
KJV
Repent ye1
therefore,2
and3
be converted,4
that5
your
sins10
may be blotted out,7
when11
the times14
of refreshing15
shall come12
from16
the presence17
of the Lord;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
EnG2532 Hij gezondenG649 zal hebben JezusG2424 ChristusG5547, Die uG4771 tevoren geprediktG4296 is;
En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u tevoren gepredikt is;
KJV
And1
he shall send2
Jesus6
Christ,7
which before was preached4
unto you:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
WelkenG3739 de hemelG3772 moetG1163 ontvangenG1209 tot de tijdenG5550 der wederoprichtingG605 allerG3956 dingen, dieG3739 GodG2316 gesprokenG2980 heeft doorG1223 den mondG4750 van al Zijn heiligeG40 profetenG4396 vanG575 alle eeuwG165.
Welken de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door den mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw.
KJV
Whom1
the heaven3
must2
receive5
until6
the times7
of restitution8
of all things,9
which10
God13
hath spoken11
by14
the mouth15
of all16
his18
holy17
prophets19
since20
the world began.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Want MozesG3475 heeft totG4314 de vaderenG3962 gezegdG2036: De HeereG2962, uw GodG2316, zal uG4771 een ProfeetG4396 verwekkenG450, uitG1537 uw broederenG80, gelijkG5613 mijG1473; Dien zult gij horenG191, in allesG3956, wat HijG846 totG4314 uG4771 sprekenG2980 zal.
Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken, uit uw broederen, gelijk mij; Dien zult gij horen, in alles, wat Hij tot u spreken zal.
KJV
For3
Moses1
truly2
said
unto4
the fathers,6
A prophet9
shall11
the Lord12
your
God14
raise up
unto you
of16
your
brethren,18
like20
unto me;
him22
shall ye hear23
in24
all things25
whatsoever26
he shall say28
unto29
you.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
EnG1161 het zal geschiedenG2071, dat alleG3956 zielG5590, die dezenG1565 ProfeetG4396 nietG3361 zal gehoordG191 hebben, uitgeroeidG1842 zal worden uitG1537 den volkeG2992.
En het zal geschieden, dat alle ziel, die dezen Profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit den volke.
KJV
And2
it shall come to pass,
that every3
soul,4
which5
will8
not7
hear
that11
prophet,10
shall be destroyed12
from among13
the people.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
En ookG2532 alG3956 de profetenG4396, vanG575 SamuelG4545 aan, en die daarna gevolgd zijn, zovelenG3745 als er hebben gesprokenG2980, die hebben ookG2532 dezeG3778 dagenG2250 te voren verkondigd.
En ook al de profeten, van Samuel aan, en die daarna gevolgd zijn, zovelen als er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen te voren verkondigd.
Ook in dit vers
tevoren verkondigdG4293
KJV
Yea,1
and3
all2
the prophets5
from6
Samuel7
and8
those that follow after,10
as many as11
have spoken,12
have14
likewise13
foretold
of these
days.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
GijliedenG4771 zijtG1510 kinderenG5207 der profetenG4396, enG2532 des verbondsG1242, hetwelkG3739 GodG2316 met onze vaderenG3962 opgerichtG1303 heeft, zeggendeG3004 totG4314 AbrahamG11: EnG2532 in uw zadeG4690 zullen alleG3956 geslachtenG3965 der aardeG1093 gezegendG1757 worden.
Gijlieden zijt kinderen der profeten, en des verbonds, hetwelk God met onze vaderen opgericht heeft, zeggende tot Abraham: En in uw zade zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.
Ook in dit vers
totG4314
KJV
Ye
are
the children3
of the prophets,5
and6
of the covenant8
which9
God12
made10
with13
our
fathers,15
saying17
unto18
Abraham,19
And20
in thy
seed22
shall24
all25
the kindreds27
of the earth29
be blessed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
GodG2316, opgewektG450 hebbende Zijn KindG3816 JezusG2424, heeft Denzelven eerstG4412 tot uG4771 gezondenG649, dat HijG846 ulieden zegenenG2127 zou, daarin dat Hij een iegelijkG1538 van uG4771 afkereG654 vanG575 uw booshedenG4189.
God, opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Denzelven eerst tot u gezonden, dat Hij ulieden zegenen zou, daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van uw boosheden.
KJV
Unto you
first2
God,4
having raised up5
his8
Son7
Jesus,9
sent10
him11
to bless12
you,
in14
turning away16
every one17
of you
from18
his iniquities.
de ure des
Namelijk op welke, benevens de gebeden, ook het dagelijks avondoffer opgeofferd werd. Zie Ex. 29:38-39 .
Hertaald:
de ure des
Namelijk het uur waarop naast de gebeden ook het dagelijkse avondoffer geofferd werd. Zie Ex. 29:38-39.
de negende ure ;
Namelijk na den opgang der zon, te weten als die ure nu geëindigd was; overeenkomende met onze derde ure na den middag. Zie Hand. 2:15 ; Joh. 11:9 .
Hertaald:
de negende ure ;
Namelijk na zonsopgang, en wel toen dat uur al voorbij was; dat komt overeen met ons drie uur in de middag. Zie Hand. 2:15; Joh. 11:9.
man, die
Namelijk van over de veertig jaren; Hand. 4:22 .
Hertaald:
man, die
Namelijk een man van boven de veertig jaar; Hand. 4:22.
de Schone,
Deze was een van de poorten des voorhofs, en zo het schijnt de grote poort, die tegen het oosten stond, alzo genaamd om hare schoonheid en kostelijkheid. Zie Josef. Antiq. lib. 15, cap. 14.
Hertaald:
de Schone,
Dit was een van de poorten van het voorhof, en naar het schijnt de grote poort die op het oosten stond, zo genoemd vanwege haar schoonheid en kostbaarheid. Zie Josefus, Oudheden, boek 15, hoofdstuk 14.
aalmoes te
De armen te laten bedelen was van God verboden onder zijn volk, Deut. 15:4 , zodat dit ook een teken was, dat toen onder de Joden de wetten Gods zeer vervallen waren.
Hertaald:
aalmoes te
God had onder Zijn volk verboden de armen te laten bedelen (Deut. 15:4), zodat dit ook een teken was dat de wetten van God toen onder de Joden zeer vervallen waren.
iets van hen
Dat is, enige aalmoes.
Hertaald:
iets van hen
Dat is: een of andere aalmoes.
in den Naam
Dat is, door Christus' bevel en kracht; of vertrouwende op de beloften en kracht van Christus.
Hertaald:
in den Naam
Dat is: door het bevel en de kracht van Christus; of: vertrouwend op de beloften en de kracht van Christus.
den Nazarener,
Zie Matt. 2:23 .
Hertaald:
den Nazarener,
Zie Matth. 2:23.
voeten en enkelen
Grieks baseis; dat is fondamenten. Want de voeten zijn als het fondament, waarop het lichaam rust, staat en gedragen wordt.
Hertaald:
voeten en enkelen
Grieks: baseis, dat is: fundamenten. Want de voeten zijn als het fundament waarop het lichaam rust, staat en gedragen wordt.
opspringende,
Dat is, niet alleen opstaande, maar tot een teken van volkomen genezing en van blijdschap opspringende. Zie Jes. 35:6 , en Hand. 14:10 .
Hertaald:
opspringende,
Dat is: niet alleen opstaande, maar als teken van volkomen genezing en van blijdschap opspringend. Zie Jes. 35:6 en Hand. 14:10.
vasthield, liep
Dat is, zich vast omtrent hen hield, zonder van hen te wijken.
Hertaald:
vasthield, liep
Dat is: zich stevig aan hen vasthield, zonder van hen te wijken.
Sálomo's
Dat is, die eerst door Salomo om den tempel gebouwd was, en daarna, met den tempel verwoest zijnde, wederom op dezelfde plaats opgebouwd was, en daarom den naam van Salomo had behouden. Zie 1 Kon. 6:3 ; Joh. 10:23 ; Hand. 5:12 .
Hertaald:
Sálomo's
Dat is: de galerij die eerst door Salomo bij de tempel gebouwd was en die daarna, toen zij met de tempel verwoest was, weer op dezelfde plaats opgebouwd is en daarom de naam van Salomo behouden had. Zie 1 Kon. 6:3; Joh. 10:23; Hand. 5:12.
antwoordde tot
Dat is, sprak.
Hertaald:
antwoordde tot
Dat is: sprak.
godzaligheid
Namelijk alsof wij door dezelfde dit zouden verdiend hebben.
Hertaald:
godzaligheid
Namelijk alsof wij dit daarmee verdiend zouden hebben.
De God Abrahams,
Dat is, de ware God, die zich aan deze patriarchen en voorvaders geopenbaard, met hen en hunne nakomelingen een verbond gemaakt heeft, en die van hen is gekend en gediend geweest. Zie Hand. 5:30 ; Fil. 2:9 .
Hertaald:
De God Abrahams,
Dat is: de ware God, Die Zich aan deze aartsvaders en voorvaders geopenbaard heeft, met hen en hun nakomelingen een verbond gemaakt heeft en door hen gekend en gediend is. Zie Hand. 5:30; Filipp. 2:9.
Kind Jezus
Of, knecht, dienaar. Zie Jes. 53:11 , en, vs.26, en Hand. 4:27 .
Hertaald:
Kind Jezus
Of: Knecht, Dienaar. Zie Jes. 53:11, en vers 26 en Hand. 4:27.
verheerlijkt,
Namelijk Hem van de doden opgewekt en in den hemel tot de hoogste eer opgenomen hebbende, en door onzen dienst dusdanige wonderen doende.
Hertaald:
verheerlijkt,
Namelijk doordat Hij Hem uit de doden opgewekt heeft en in de hemel tot de hoogste eer heeft opgenomen, en doordat Hij door onze dienst zulke wonderen doet.
verloochend,
Namelijk dat Hij uw koning was; Joh. 19:15 .
Hertaald:
verloochend,
Namelijk dat Hij uw koning was; Joh. 19:15.
den Heilige
Zie Hand. 2:27 .
Hertaald:
den Heilige
Zie Hand. 2:27.
een man, die
Namelijk Bar-Abbas. Zie Marc. 15:7 .
Hertaald:
een man, die
Namelijk Bar-Abbas. Zie Mark. 15:7.
den Vorst des
Dat is, die enige leidsman is, om de mensen door zijn verdiensten en krachtige werkingen tot het eeuwige leven te brengen. Zie Hand. 4:12 .
Hertaald:
den Vorst des
Dat is: Die de enige Leidsman is om de mensen door Zijn verdiensten en krachtige werkingen tot het eeuwige leven te brengen. Zie Hand. 4:12.
waarvan wij getuigen
Dat is, van welke zaak, of van welken Christus.
Hertaald:
waarvan wij getuigen
Dat is: van welke zaak, of van welke Christus.
in Zijn Naam
Grieks zijns naams; dat is, dewijl hij in den naam van Christus geloofd heeft, gelijk in het volgende verklaard wordt. Zie Marc. 11:22 ; Rom. 3:22 .
Hertaald:
in Zijn Naam
Grieks: van Zijn naam; dat is: omdat hij in de naam van Christus geloofd heeft, zoals in het vervolg verklaard wordt. Zie Mark. 11:22; Rom. 3:22.
Zijn Naam dezen
Dat is, deze Jezus Christus zelf, in wiens naam en door wiens kracht dit wonder geschied is.
Hertaald:
Zijn Naam dezen
Dat is: deze Jezus Christus Zelf, in Wiens naam en door Wiens kracht dit wonder gebeurd is.
gesterkt, dien
Dat is, zijne voeten vastgemaakt, dat hij nu op dezelfde staan en gaan kan.
Hertaald:
gesterkt, dien
Dat is: zijn voeten stevig gemaakt, zodat hij er nu op kan staan en gaan.
door Hem is,
Of, in Hem.
Hertaald:
door Hem is,
Of: in Hem.
volmaakte gezondheid
Namelijk van al Zijn leden, die Hij nu ten volle kan gebruiken.
Hertaald:
volmaakte gezondheid
Namelijk van al zijn ledematen, die hij nu ten volle kan gebruiken.
onwetendheid
Dit zegt hij om hen te troosten met de hoop van vergeving, alzo zij niet tegen de Heiligen Geest gezondigd hadden. Zie Luc. 23:34 ; Joh. 16:3 ; 1 Kor. 2:8 ; 1 Tim. 1:13 .
Hertaald:
onwetendheid
Dit zegt hij om hen te troosten met de hoop op vergeving, aangezien zij niet tegen de Heilige Geest gezondigd hadden. Zie Luk. 23:34; Joh. 16:3; 1 Kor. 2:8; 1 Tim. 1:13.
oversten
Dit moet verstaan worden van sommigen derzelven, van welken de apostel spreekt 1 Kor. 2:8 ; want van sommigen getuigt Christus dat zij tegen den Heiligen Geest gezondigd hebben; Matt. 12:30-32 .
Hertaald:
oversten
Dit moet verstaan worden van sommigen van hen, over wie de apostel spreekt in 1 Kor. 2:8; want van sommigen getuigt Christus dat zij tegen de Heilige Geest gezondigd hebben; Matth. 12:30-32.
der verkoeling
Dat is, der verkwikking van de gelovigen, die de hitte der vervolgingen in deze wereld onderworpen zijn; Ps. 66:12 ; Jes. 28:12 ; Jer. 6:16 .
Hertaald:
der verkoeling
Dat is: van de verkwikking van de gelovigen, die in deze wereld aan de hitte van de vervolgingen onderworpen zijn; Ps. 66:12; Jes. 28:12; Jer. 6:16.
gezonden zal
Namelijk voor de tweede reis, of in zijn tweede toekomst ten oordeel.
Hertaald:
gezonden zal
Namelijk voor de tweede maal, of bij Zijn tweede komst ten oordeel.
tevoren gepredikt
Anders, tevoren besteld, geschikt, geordineerd.
Hertaald:
tevoren gepredikt
Anders: tevoren bestemd, beschikt, verordend.
ontvangen
Dat is, ontvangen hebbende, behouden.
Hertaald:
ontvangen
Dat is: ontvangen hebbende, behouden.
tot de tijden
Dat is, tot den dag des algemenen oordeels, op welken alle dingen, dienu om der zonden wil der ijdelheid onderworpen zijn, weder terecht zullen gebracht en hersteld worden; Rom. 8:20 ; 2 Petr. 3:13 , of, totdat alles volkomen zal vervuld zijn, wat door de profeten is voorzegd geweest.
Hertaald:
tot de tijden
Dat is: tot de dag van het algemene oordeel, waarop alle dingen die nu om de zonde aan de vergankelijkheid onderworpen zijn weer terechtgebracht en hersteld zullen worden; Rom. 8:20; 2 Petr. 3:13. Of: totdat alles volkomen vervuld zal zijn wat door de profeten voorzegd is.
van alle eeuw
Dat is, eertijds in voortijden; of van het begin der eeuwen; Joh. 9:32 . Onder dezen is ook geweest Enoch; Jud. 1:14 .
Hertaald:
van alle eeuw
Dat is: vroeger, in voorbije tijden; of: vanaf het begin van de eeuwen; Joh. 9:32. Onder hen is ook Henoch geweest; Judas 1:14.
een Profeet
Dat is, een uitnemend leraar, op een bijzondere wijze van God gezonden.
Hertaald:
een Profeet
Dat is: een uitnemend leraar, op een bijzondere wijze door God gezonden.
gelijk mij;
Dat is, mij gelijk zijnde naar de menselijke natuur, en in uitnemendheid van bijzondere zending, getrouwheid en wonderen; doch hem in veel ook teboven gaande. Zie Deut. 18:15 ; Hebr. 3:2-5 .
Hertaald:
gelijk mij;
Dat is: mij gelijk naar de menselijke natuur, en in uitnemendheid van bijzondere zending, trouw en wonderen; maar Hij gaat hem in veel opzichten ook te boven. Zie Deut. 18:15; Hebr. 3:2-5.
in alles, wat
Of, naar alles.
Hertaald:
in alles, wat
Of: naar alles.
uitgeroeid zal
Of, verdelgd, vernield; Mozes zegt, Deut. 18:19 , van dien wil ik het eisen; dat is, ik zal hem straffen, namelijk gelijk hier verklaard wordt, met uitroeiing uit mijn volk; Hebr. 2:2-3 .
Hertaald:
uitgeroeid zal
Of: verdelgd, vernietigd. Mozes zegt in Deut. 18:19: van hem zal Ik het eisen; dat is: Ik zal hem straffen, namelijk zoals hier verklaard wordt, met uitroeiing uit Mijn volk; Hebr. 2:2-3.
van Samuël aan,
Hoewel vóór Samuëls tijd na Mozes ook enige profeten geweest zijn, zo wil nochtans Petrus dat men voornamelijk zal zien op Samuël en de profeten, die na hem geweest zijn, ten tijde der koningen en daarna, alzo deze klaarder van Christus hebben geprofeteerd; Hand. 10:43 .
Hertaald:
van Samuël aan,
Hoewel er vóór de tijd van Samuël, na Mozes, ook enkele profeten geweest zijn, wil Petrus toch dat men vooral let op Samuël en de profeten die na hem geweest zijn, in de tijd van de koningen en daarna, omdat dezen duidelijker over Christus geprofeteerd hebben; Hand. 10:43.
kinderen der
Dat is, afkomstig van de profeten; of, wien de profeten voornamelijk zijn gezonden geweest.
Hertaald:
kinderen der
Dat is: afstammelingen van de profeten; of: zij tot wie de profeten vooral gezonden zijn.
verbonds, hetwelk
Of, testaments. Zie Gen. 17:7 ; Rom. 9:4 .
Hertaald:
verbonds, hetwelk
Of: testament. Zie Gen. 17:7; Rom. 9:4.
met onze vaderen
Of, tot onze vaderen.
Hertaald:
met onze vaderen
Of: tot onze vaderen.
geslachten der
Dat is, volken. Waarvan zie nadere verklaring Gal. 3:8 ; Gen. 22:18 .
Hertaald:
geslachten der
Dat is: volken. Zie daarover de nadere verklaring bij Gal. 3:8 en Gen. 22:18.
opgewekt hebbende
Namelijk uit de doden; of verwekt, dat is, in de wereld gezonden; Hand. 13:22-23 .
Hertaald:
opgewekt hebbende
Namelijk uit de doden; of: verwekt, dat is: in de wereld gezonden; Hand. 13:22-23.
Kind Jezus,
Of, knecht, dienaar. Zie vs.13.
Hertaald:
Kind Jezus,
Of: Knecht, Dienaar. Zie vers 13.
tot u gezonden,
Namelijk Joden en burgers van Jeruzalem; Hand. 13:46 .
Hertaald:
tot u gezonden,
Namelijk de Joden en de burgers van Jeruzalem; Hand. 13:46.
zegenen zou,
Namelijk met genade in dit leven en met heerlijkheid in het toekomende.
Hertaald:
zegenen zou,
Namelijk met genade in dit leven en met heerlijkheid in het toekomende.
daarin dat Hij
Of, daarin een iegelijk van u zich afkere van zijne boosheden. Doch het eerste komt beter overeen met het woord zegenen, gelijk ook met dergelijke plaats Hand. 5:31 .
Hertaald:
daarin dat Hij
Of: daarin dat ieder van u zich van zijn boosheden afkeert. Maar het eerste komt beter overeen met het woord zegenen, en ook met de soortgelijke plaats in Hand. 5:31. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Na de genezing bij de schone poort roept Petrus op tot bekering, en hij verbindt daaraan een vooruitzicht: "Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden; wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren" (Hand. 3:19). Dan noemt hij de zending van Jezus Christus, Die hun tevoren gepredikt is (Hand. 3:20). En over het heden zegt hij: "Welken de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door den mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw" (Hand. 3:21). Bijbelse betekenis: Twee dingen staan hier vast, en over een derde zwijgt het register. Vast staat dat Christus nu in de hemel is en daar blijft tot die tijden aanbreken; de hemel moet Hem ontvangen. Vast staat ook dat wat komt geen nieuw plan is, maar wat God door al Zijn profeten gesproken heeft. Waarover niets gezegd wordt, is het tijdstip en de precieze gedaante van die wederoprichting; de uitleggers denken daarover verschillend, en de tekst zelf geeft er geen jaartal of volgorde bij. Wat wél in het verband staat, is waarop de oproep uitloopt: bekeer u, opdat de zonden uitgewist worden. Het vooruitzicht dient hier de prediking en niet de berekening. Typologie: De belofte van herstel klinkt door heel de profeten. Jesaja ziet een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (Jes. 65:17), en Petrus schrijft later dat wij naar Gods belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde verwachten, waarin gerechtigheid woont (2 Petr. 3:13). Paulus zegt dat ook de schepping zelf bevrijd zal worden van de dienstbaarheid der verderfenis (Rom. 8:21). Waar die tijden aanbreken, wordt niet iets vervangen maar rechtgezet. Hand. 3:19-21; Jes. 65:17; Rom. 8:21; 2 Petr. 3:13 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het beloofde Zaad niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Een man die van zijn geboorte af kreupel was, springt op en loopt de tempel binnen. Het volk stroomt samen in het voorhof van Salomo. Petrus grijpt dat ogenblik om te zeggen dat de eer niet bij hem hoort. Petrus verbindt de opstanding met Mozes, met Abraham en met alle profeten, en noemt Christus met een titel die niemand eerder gebruikt had. Waarom ziet gij zo sterk op ons, alsof wij door onze eigen kracht dezen hebben doen wandelen? Petrus wil geen ogenblik dat de aandacht bij hem blijft. Dan komt de aanklacht, en die is scherp: gij hebt den Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt begeerd dat u een man die een doodslager was zou geschonken worden — en den Vorst des levens hebt gij gedood. Die titel is opmerkelijk, en de kanttekening geeft de betekenis: dat is Die de enige Leidsman is om de mensen door Zijn verdiensten en krachtige werkingen tot het eeuwige leven te brengen. In één zin staan de twee uitersten naast elkaar: de Vorst des levens, en gedood. Maar Petrus laat het daar niet bij. Hij voegt eraan toe dat zij het door onwetendheid gedaan hebben. En dat God zo vervuld heeft wat Hij door de mond van al Zijn profeten tevoren verkondigd had: dat de Christus lijden zou. En dan volgen twee aanhalingen die dit register raken. Eerst Deuteronomium 18, woordelijk: de Heere uw God zal u een Profeet verwekken, uit uw broederen, gelijk mij; Dien zult gij horen in alles wat Hij tot u spreken zal. Petrus wijst dus aan dat de belofte van Mozes vervuld is. En dan Genesis 12: gijlieden zijt kinderen der profeten en des verbonds — zeggende tot Abraham: in uw zade zullen alle geslachten der aarde gezegend worden. Het slot geeft aan wie eerst aan de beurt is: God, Zijn Kind Jezus opgewekt hebbende, heeft Denzelven eerst tot u gezonden, dat Hij ulieden zegenen zou, daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van uw boosheden. De zegen van Abraham blijkt bekering te zijn. In het Nieuwe Testament: Deuteronomium 18:15-19; Genesis 12:3; Lukas 24:44-47; Galaten 3:8
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Een preek uitgesproken op zondagochtend, 5 April 1868, door C.H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington. Kom dus tot inkeer en bekeer u, opdat uw zonden uitgewist worden… Zij dan schreeuwden allemaal opnieuw: Niet Deze, maar Barabbas! En Barabbas was een misdadiger. (Johannes 18:40) Lees verder Leviticus 14:1—8. Barabbas was een moordenaar, een misdadiger, en een verrader.… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Handelingen 3
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Den Vorst des levens hebt gij gedood — 3:11-26
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Apostolische aansporing
Wat kies jij?


Handelingen 3
Handelingen 3:1
KruisverwijzingenPsalmen 55:17→Handelingen 4:13→Handelingen 2:46→Handelingen 8:14→Johannes 20:2→Handelingen 10:3→Johannes 13:23→Mattheüs 26:37→— Petrus nu en Johannes gingen te zamen op naar den tempel, omtrent de ure des gebeds, zijnde de negende ure;
Petrus en Johannes lijken door een zeer nauwe vriendschap verbonden geweest te zijn. Johannes had Petrus teruggebracht, toen deze bijna wanhoopte na zijn Meester verloochend te hebben. Johannes zocht hem liefdevol op, en maakte hem tot zijn metgezel. Nu “gingen zij te zamen op naar den tempel, omtrent de ure des gebeds.”
Merk hier op, hoe lieflijk de oudtestamentische bedeling overgaat in de nieuwe. De tempel was niet meer wat hij vroeger geweest was; het voorbeeld had geen nut meer, nu het grote Beeld van de tempel gekomen was. Toch gingen deze apostelen er nog steeds heen, op het uur van gebed. Er zijn mensen die uitblinken in afbreken. Het is pas tijd om het oude af te breken, wanneer het nieuwe geheel gereed is. Zelfs dan kan de duisternis het best geleidelijk overgaan in schemering, zodat de dag komt zonder grote breuk, zonder scherpe verrassing. Zo gingen Petrus en Johannes naar de tempel, op hetzelfde uur als anderen. Het is dwaasheid om afwijkend te zijn, tenzij dat afwijkende juist iets beters is dan wat anderen doen.
Handelingen 3:2-3
KruisverwijzingenLukas 16:20→Johannes 9:8→Handelingen 14:8→Lukas 18:35→Handelingen 10:31→Handelingen 4:22→Handelingen 10:4→Johannes 1:9→— En een zeker man, die kreupel was van zijner moeders lijf, werd gedragen, welken zij dagelijks zetten aan de deur des tempels, genaamd de Schone, om een aalmoes te begeren van degenen, die in den tempel gingen; Welke, Petrus en Johannes ziende, als zij in den tempel zouden ingaan, bad, dat hij een aalmoes mocht ontvangen.
Dit lijkt de gewoonte geweest te zijn bij de tempelpoorten, zoals ook bij de deuren van veel kerken op het vasteland van Europa. U kon bijvoorbeeld de deur van een bepaalde kerk in Rome niet naderen, zonder door misschien wel twintig bedelaars aangesproken te worden. Ik denk niet dat dit zo was in Judea, in zijn bloeiende dagen. Maar wanneer de godsdienst niet bloeit, vermenigvuldigen de bedelaars zich zeker. En nu de ware geest van godsvrucht verdwenen was, gebeurde de aalmoezengift in het openbaar, en daarom verschenen de bedelaars ook in het openbaar.
Handelingen 3:4-7
KruisverwijzingenHandelingen 3:16→Handelingen 9:34→Handelingen 4:10→Handelingen 10:38→Handelingen 2:22→Jakobus 2:5→2 Korinthe 8:12→Markus 14:8→— En Petrus, sterk op hem ziende, met Johannes, zeide: Zie op ons. En hij hield de ogen op hen, verwachtende, dat hij iets van hen zou ontvangen. En Petrus zeide: Zilver en goud heb ik niet, maar hetgeen ik heb, dat geve ik u; in den Naam van Jezus Christus, den Nazarener, sta op en wandel! En hem grijpende bij de rechterhand richtte hij hem op, en terstond werden zijn voeten en enkelen vast.
Deze man had in zijn hele leven nooit op zijn voeten gestaan. Hij was zo hulpeloos, dat hij naar de tempelpoorten gedragen moest worden om te bedelen. Toch ontvingen zijn voeten en enkels onmiddellijk kracht, bij het noemen van de grote en heerlijke Naam van Jezus.
Handelingen 3:8-11
KruisverwijzingenHandelingen 5:12→Handelingen 14:10→Handelingen 3:2→Jesaja 35:6→Handelingen 4:21→Handelingen 4:16→Lukas 18:43→Psalmen 107:20→— En hij, opspringende, stond en wandelde, en ging met hen in den tempel, wandelende en springende, en lovende God. En al het volk zag hem wandelen en God loven. En zij kenden hem, dat hij die was, die om een aalmoes gezeten had aan de Schone poort des tempels; en zij werden vervuld met verbaasdheid en ontzetting over hetgeen hem geschied was. En als de kreupele, die gezond gemaakt was, aan Petrus en Johannes vasthield, liep al het volk gezamenlijk tot hen in het voorhof, hetwelk Salomo's voorhof genaamd wordt, verbaasd zijnde.
Het verbaast u niet dat hij Petrus en Johannes vasthield. Het was maar natuurlijk dat hij hen overal volgde, want hij had hun zoveel te danken, en zij waren de beste vrienden die hij ooit gehad had. Hij was vervuld met eerbied voor hen, om wat zij aan hem verricht hadden. En nu, uit angst dat zij weg zouden gaan, hield hij hen vast. “Al het volk liep gezamenlijk tot hen”, hevig verwonderd. Hij die door Christus’ wonderlijke Naam genezen was, verwonderde zich, en de mensen die hem genezen zagen, verwonderden zich allen ook.
Ik veronderstel dat verwondering zich altijd vermengt met echte aanbidding. Niet alle verwondering is aanbidding. Maar waar er aanbidding van God is, en een besef van Zijn grote goedheid en van onze onwaardigheid, lijkt er altijd een grote mate van verwondering te zijn.
Handelingen 3:11
KruisverwijzingenHandelingen 5:12→Johannes 10:23→Lukas 8:38→Handelingen 2:6→Lukas 22:8→— En als de kreupele, die gezond gemaakt was, aan Petrus en Johannes vasthield, liep al het volk gezamenlijk tot hen in het voorhof, hetwelk Salomo's voorhof genaamd wordt, verbaasd zijnde.
Het is altijd gemakkelijk een menigte te trekken, maar er was die dag werkelijk iets wonderlijks te zien. De apostel zorgde ervoor, de nieuwsgierigheid van de menigte zo goed mogelijk te benutten. Zie hoe snel hij hun gedachten wegvoerde van de man voor hen, naar de grotere Mens, de goddelijke Mens, de Zoon van God, Die zij verworpen hadden.
Handelingen 3:12
Kruisverwijzingen2 Korinthe 3:5→Johannes 3:27→Handelingen 14:11→Genesis 40:8→Daniël 2:28→Handelingen 2:22→Romeinen 9:4→Handelingen 13:26→— En Petrus, dat ziende, antwoordde tot het volk: Gij Israelietische mannen, wat verwondert gij u over dit, of wat ziet gij zo sterk op ons, alsof wij door onze eigen kracht of godzaligheid dezen hadden doen wandelen?
Petrus kon goed zien dat de mensen aan hemzelf en aan Johannes meer eer toeschreven dan juist was. Zo kreeg hij de gelegenheid het evangelie aan hen te prediken, en u mag er zeker van zijn dat hij die kans niet liet lopen.
Handelingen 3:12-23
KruisverwijzingenMarkus 1:24→Handelingen 2:24→Handelingen 7:37→Handelingen 3:6→Deuteronomium 18:15→Handelingen 4:27→Handelingen 2:38→Handelingen 1:11→— En Petrus, dat ziende, antwoordde tot het volk: Gij Israelietische mannen, wat verwondert gij u over dit, of wat ziet gij zo sterk op ons, alsof wij door onze eigen kracht of godzaligheid dezen hadden doen wandelen? De God Abrahams, en Izaks, en Jakobs, de God onzer vaderen, heeft Zijn Kind Jezus verheerlijkt, Welken gij overgeleverd hebt, en hebt Hem verloochend, voor het aangezicht van Pilatus, als hij oordeelde, dat men Hem zoude loslaten. Maar gij hebt den Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt begeerd, dat u een man, die een doodslager was, zou geschonken worden; En den Vorst des levens hebt gij gedood, Welken God opgewekt heeft uit de doden; waarvan wij getuigen zijn. En door het geloof in Zijn Naam heeft Zijn Naam dezen gesterkt, dien gij ziet en kent; en het geloof, dat door Hem is, heeft hem deze volmaakte gezondheid gegeven, in uw aller tegenwoordigheid. En nu, broeders, ik weet, dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk als ook uw oversten. Maar God heeft alzo vervuld, hetgeen Hij door den mond van al Zijn profeten te voren verkondigd had, dat de Christus lijden zou. Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden; wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren, En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u tevoren gepredikt is; Welken de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door den mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw. Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken, uit uw broederen, gelijk mij; Dien zult gij horen, in alles, wat Hij tot u spreken zal. En het zal geschieden, dat alle ziel, die dezen Profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit den volke.
Hoor dit dan, u die Christus gehoord hebt, door Zijn Woord en door Zijn dienstknechten, en Hem hebt horen prediken — ja, tientallen, honderden malen. Laat mij u deze tekst nog eens voorlezen; en laat hem, terwijl ik lees, in uw hart zinken. “Het zal geschieden, dat alle ziel, die dezen Profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit den volke.”
Handelingen 3:13
KruisverwijzingenMattheüs 22:32→Johannes 19:15→Mattheüs 27:2→Handelingen 7:32→Johannes 3:35→Hebreeën 2:9→Mattheüs 20:19→Filippenzen 2:9→— De God Abrahams, en Izaks, en Jakobs, de God onzer vaderen, heeft Zijn Kind Jezus verheerlijkt, Welken gij overgeleverd hebt, en hebt Hem verloochend, voor het aangezicht van Pilatus, als hij oordeelde, dat men Hem zoude loslaten.
Of liever, zoals u het correcter vindt: “heeft Zijn Dienstknecht Jezus verheerlijkt”, want van Zijn Zoon kan al gezegd worden dat Hij verheerlijkt is. Maar Jezus had de gedaante van een dienstknecht op Zich genomen, en God had “Zijn Kind Jezus verheerlijkt” —
Handelingen 3:13-15
KruisverwijzingenMarkus 1:24→Handelingen 2:24→Handelingen 4:27→1 Petrus 3:18→Handelingen 7:52→Handelingen 2:32→Jakobus 5:6→Johannes 5:26→— De God Abrahams, en Izaks, en Jakobs, de God onzer vaderen, heeft Zijn Kind Jezus verheerlijkt, Welken gij overgeleverd hebt, en hebt Hem verloochend, voor het aangezicht van Pilatus, als hij oordeelde, dat men Hem zoude loslaten. Maar gij hebt den Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt begeerd, dat u een man, die een doodslager was, zou geschonken worden; En den Vorst des levens hebt gij gedood, Welken God opgewekt heeft uit de doden; waarvan wij getuigen zijn.
Ik wil dat u hier opmerkt hoe Petrus erop staat, dat de God van het evangelie de God is van Abraham, van Izak en van Jakob. Ik aarzel niet te zeggen dat de god van veel belijders tegenwoordig niet de God van Abraham, Izak en Jakob is. De reden daarvoor is deze: zij behandelen het Oude Testament vaak alsof het een tweederangs boek is. Zij spreken over de gebrekkige Godsopvattingen van de Hebreeën, en de gebrekkige openbaring van God in het Oude Testament.
Ik geloof dat Jehova — diezelfde Jehova Die de Rode Zee kliefde, en de Egyptenaren verdronk, de vreselijke God van het Oude Testament — dezelfde God is. Hij is de God en Vader van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Wij moeten de Godheid nemen zoals Hij geopenbaard is, niet alleen in het Nieuwe Testament, maar ook in het Oude. Er zijn er die het liefst een deel van de Schrift kiezen, en zich zo een eigen god bouwen uit die uitgekozen teksten. Dat zijn zij die andere goden hebben vóór Jehova. En dat zijn zij die zich een beeld maken, dat, al is het niet in steen gehouwen, toch gemaakt is uit hun eigen verbeelding, dat zij oprichten en aanbidden in de plaats van de enige levende en waarachtige God.
“De God onzer vaderen heeft Zijn Zoon Jezus verheerlijkt; Welken gij overgeleverd hebt, en verloochend.” Zie hoe openhartig Petrus spreekt — hoe stoutmoedig hij de menigte om hem heen de moord op Christus, de verwerping van de Messias, voor de voeten werpt! Het kostte veel moed en geloof om zo te spreken. Hij sprak tegen mensen die kort tevoren vol bewondering voor hem waren, en die zeker weldra vervuld zouden zijn van verontwaardiging tegen hem.
Een mens kan stoutmoedig spreken tegen zijn vijanden. Maar wanneer mensen u beginnen te vleien en te bewonderen, sluipt er een zachtheid over zelfs het dapperste hart, en is het geneigd zeer mild te worden. Ik bewonder Petrus, dat hij het zo klaar en duidelijk zegt: “Gij hebt den Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt begeerd, dat u een man, die een doodslager was, zou geschonken worden; en den Vorst des levens hebt gij gedood, Welken God opgewekt heeft uit de doden; waarvan wij getuigen zijn.”
Handelingen 3:16
KruisverwijzingenHandelingen 3:6→Mattheüs 21:21→Handelingen 16:18→Handelingen 14:9→Handelingen 4:10→Markus 16:17→Handelingen 4:7→Deuteronomium 32:4→— En door het geloof in Zijn Naam heeft Zijn Naam dezen gesterkt, dien gij ziet en kent; en het geloof, dat door Hem is, heeft hem deze volmaakte gezondheid gegeven, in uw aller tegenwoordigheid.
“U ziet hem nu, en u weet wat hij vroeger was; er is geen twijfel mogelijk over de identiteit van deze man.”
Handelingen 3:16-17
KruisverwijzingenHandelingen 3:6→Mattheüs 21:21→Handelingen 13:27→Lukas 23:34→Handelingen 16:18→Handelingen 14:9→Handelingen 4:10→Markus 16:17→— En door het geloof in Zijn Naam heeft Zijn Naam dezen gesterkt, dien gij ziet en kent; en het geloof, dat door Hem is, heeft hem deze volmaakte gezondheid gegeven, in uw aller tegenwoordigheid. En nu, broeders, ik weet, dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk als ook uw oversten.
Hoe spreekt Petrus nu als zijn Meester! In plaats van zijn zwaard te trekken, zoals hij deed toen hij het oor van Malchus afhieuw, brengt hij de waarheid nu zachtmoedig: “Ik wete, dat gij het door onwetendheid gedaan hebt” —
Handelingen 3:24-26
KruisverwijzingenGenesis 22:18→Handelingen 2:39→1 Samuël 3:20→Handelingen 3:21→Genesis 12:3→Psalmen 99:6→1 Samuël 3:1→Handelingen 13:20→— En ook al de profeten, van Samuel aan, en die daarna gevolgd zijn, zovelen als er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen te voren verkondigd. Gijlieden zijt kinderen der profeten, en des verbonds, hetwelk God met onze vaderen opgericht heeft, zeggende tot Abraham: En in uw zade zullen alle geslachten der aarde gezegend worden. God, opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Denzelven eerst tot u gezonden, dat Hij ulieden zegenen zou, daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van uw boosheden.
Zij zouden de eerste verkondiging van het evangelie ontvangen; uit hun midden zouden veel van de eerste bekeerlingen komen. De prediker wist niet meteen welk resultaat deze preek had. Het was niet zoals de preek op Pinksteren, waarvan hij het gevolg wél kende. Deze preek is op elke manier even goed, en wij hebben alle reden te geloven dat er evenveel mensen door bekeerd werden. De Geest van God was met Petrus. Toch werkt zelfs de Geest van God niet altijd op dezelfde manier op mensen in. De apostelen kregen namelijk niet, zoals op de dag van Pinksteren, de gelegenheid om achteraf met de mensen te spreken, en te ontdekken wat er allemaal gebeurd was.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
c. Vers 1KruisverwijzingenPsalmen 55:17→Handelingen 4:13→Handelingen 2:46→Handelingen 8:14→Johannes 20:2→Handelingen 10:3→Johannes 13:23→Mattheüs 26:37→
— Petrus nu en Johannes gingen te zamen op naar den tempel, omtrent de ure des gebeds, zijnde de negende ure;
-Hoofdstuk 4:4
Het wonder van Petrus en zijn prediking in de tempel.
De gemeente had nu haar vaste bestaan gekregen en was op de wijze, in de vorige afdeling meegedeeld tot een nieuwtestamentische theocratie ontwikkeld omtrent het jaar 32 na Chr. Petrus nu en Johannes gingen op een dag waarop de Heere hun tot een nieuw werk wilde gebruiken, samen op naar de tempel, zoals de Heere in de dagen van Zijn vlees hen twee aan twee heen zond (Mark. 6: 7). Het was omtrent het uur van het gebed bij gelegenheid van het avondoffer Nu 28: 8, zijnde het negende uur, ‘s middags drie uur, de tijd waarop 2-3 jaar geleden Jezus aan het kruis was gestorven (MATTHEUS. 27: 46vv.).
Petrus en Johannes kenden elkaar sinds lang, hun vissersvaartuigen hadden meermalen naast elkaar gelegen aan de oever van de zee en op die zee hadden zij menige visvangst met elkaar gedaan. En nu was het voorzeker een liefelijke vereniging en getuigde het van de wijsheid van de Heere om hen ook in het koninkrijk van God te paren en niet Johannes met zijn broeder Jakobus, of Petrus met Filippus, die beiden uit Bethsaïda waren. Petrus de oudste met Johannes de jongste. Hoe verschillend van karakter ook, zij waren één van ziel, één in de liefde tot Jezus. Beiden bereidden op het woord van de Heere het Pascha, beiden zaten tegenover elkaar aan de paasmaaltijd en spraken met elkaar door wenken en aan het meer van Tiberias volgt Johannes, waar Petrus vooraf gaat. Het is alsof Johannes zich juist als de jongste apostel stelde onder het opzicht, het toezicht en de bescherming van de oudste van de apostelen, alsof de zwakste en teerste zich hechtte aan de sterkere, zoals de klimop zich hecht aan de eik, de pareloester aan de rots en de wijnstok aan de muur. Het verschil van karakter lag geen van beiden in de weg, want de liefde verbond de één aan de ander, aan die zijde waarin ze aan elkaar sloten, evenals men bij een vuur niet de aangeglommen turven ruggelings tegen elkaar stelt, maar met de zijde waar het vuur hen gevat heeft; alleen dan komt er een krachtig vuur en volgt een vlam.
En een zeker man van meer dan 40 jaar oud (hoofdstuk 4: 22) te Jeruzalem, die kreupel, lam, was van zijn moeders lijf, werd gedragen als één die de openbare liefdadigheid nodig had, op een openbare plaats. Zij deden dit, opdat hem door de toevloeiende gaven het nodige onderhoud zou ten deel worden, zoals dat in die tijd een zeer gewone wijze van verzorging van de ongelukkigen was (vgl. Luk. 16: 20). Men droeg dan weer deze man, die zij dagelijks, als de tijd van het morgen- en van het avondoffer naderde, zetten aan de deur van de tempel, genaamd de Schone, om zijn dagelijks werk weer te doen, en een aalmoes te begeren van degenen die in de tempel gingen.
Men denkt gewoonlijk dat van de vele tekenen en wonderen die de apostelen volgens hoofdstuk 2: 43 verrichtten, hier één in het bijzonder wordt uitgenomen en uitvoerig voorgesteld en noemt daarom dit wonder de eerste wonderdaad van de apostelen. Hoezeer deze mening zich bij de eerste blik aanbeveelt, vooral daar later van het eerste uitwendige en eerste inwendige gevaar van de gemeente, van het eerste lijden en de eerste martelaar van de kerk sprake zal zijn, zo hebben wij toch bij nadere overweging zekerheid verkregen, dat zij verkeerd is. De juiste verklaring omtrent de loop van de gebeurtenissen in de geschiedenis van de apostelen alhier, geeft ons het evangelie van Johannes, dat in hoofdstuk 5 bericht van het wonder van de Heere aan de 38-jarigen zieke te Bethesda en in hoofdstuk 9 van Zijn genezing aan de blindgeborene verricht. Zoals nu het pinksterwonder in hoofdstuk 2 van de Handelingen parallel loopt met dat wonder aan de 38-jarige zieke, zo komt de genezing van de lamme hier door Petrus en Johannes met de genezing van de blindgeborene door Christus’ onmiddellijke daad overeen. Het wonder komt dus niet voor als een van de velerlei wonderen en tekenen, die de apostelen ook overigens nog deden, het heeft ook niet zijn betekenis in de weldaad die aan de ongelukkige geschiedde en in de gevolgen die vanzelf daaraan verbonden waren, maar nu is, evenals toen de Heere op het Loofhuttenfeest te Jeruzalem kwam en Zich ook later op het feest van de vernieuwing van de tempel Zich daar bevond (Joh. 7-10 Joh 7$, 8$, 9$,), voor het volk te Jeruzalem en de oversten, die de macht over de gemoederen in handen hadden, een uur van beslissing gekomen. Jezus zette hetgeen Hij gedurende de tijd van Zijn omwandelen op aarde begon beide te doen en te leren (hoofdstuk 1: 1) nu niet slechts in het algemeen voort, maar richtte alles in het bijzonder zo in, dat het, om ons van deze gewone uitdrukking te bedienen, als een tweede en vermeerderde uitgaaf moest voorkomen. Op het pinksterfeest van het jaar 30 n. Chr, had Hij de 38-jarige zieke, het Israël dat niet in staat was zichzelf te helpen Joh 5: 7, reeds zo ver geholpen dat het niet meer hoefde te liggen in de zalen die door de Farizese stellingen rondom het badwater van de wet waren gebouwd en waar het tevergeefs op genezing van zijn lijden moest wachten. Daar had het in de kerk door Hem gesticht en de middelen ter zaligheid een vrije, open fontein tegen de zonde en de ongerechtigheid (Zach. 13: 1) voor zijn ogen. Nu had Hij reeds drie en een half jaar in de wonderen en tekenen, die Hij door de apostelen deed, in de heerlijke vorming van Zijn gemeente en in de dagelijkse groei die deze in de vele zielen had, die tot haar toetraden, bestendig de vraag tot het hele volk laten uitgaan: “wilt ook gij niet gezond worden? wilt gij niet behouden worden van dit verkeerd geslacht? ” Nu bleek dat Israël als volk voor de dubbele indruk van Zijn daden, waarvan aan het einde van de opmerkingen bij het vorige hoofdstuk gesproken werd, wel niet ongevoelig bleef, maar toch geen werk maakte om tot Hem te komen. Het leek op een lamme, die zelf niet kon gaan. Nu wilde de Heere de lamme op de benen helpen. Hij zelf had die blindgeborene in Joh. 9 reeds menigmaal aan de buitenste ingang van de tempel zien staan, zonder Zich over hem te ontfermen; op een bepaalde dag vestigde Hij echter het oog op hem, omdat nu Zijn uur gekomen was ten opzichte van hetgeen Hij het hele volk wilde doen verstaan. Op dezelfde wijze hebben ook de beide discipelen de lamme in de tekst hier reeds dikwijls genoeg zien zitten aan de deur van de tempel, die de Schone genaamd wordt, daar zij toch met de gemeente dagelijks in de tempel samenkwamen. Nu is het hun, als was de ellendige alleen daarom op hun weg geplaatst, opdat zij hem voor altijd zouden hebben. Goud en zilver hadden zij wel niet, zoals nodig was als hij voor zijn hele leven van het bedelen om aalmoezen zou bevrijd zijn, maar wel hadden zij iets anders, iets beters. Bij deze opvatting van onze geschiedenis durven wij de maand december te stellen als de tijd, waarin de geschiedenis van het jaar 32 n. Chr. voorviel. Dat is die maand waarin het feest van de tempelinwijding gevierd werd en in de tijd van dit feest had de Heere Jezus drie jaar geleden aan de blindgeborene het gezicht weergegeven, die ook een beeld van het volk Israël in geestelijk opzicht was. Bij deze opvatting kunnen wij ook begrijpen waarom zo nadrukkelijk gezegd wordt, dat Petrus en Johannes samen (in de grondtekst staat dit om de bijzondere nadruk dadelijk aan het begin van de tekst) tot de tempel opgingen. Petrus is degene die de kerk door zijn prediking op het pinksterfeest heeft gesticht en dus reeds door zijn hele optreden een levendige prediking is van het woord: “Ziet, Ik heb Mijn maaltijd bereid, Mijn ossen en Mijn slachtvee zijn geslacht en alle dingen zijn gereed, komt tot de bruiloft! ” Johannes is, als de discipel die zal blijven totdat de Heere komt (Joh. 21: 22), in zijn meer zwijgend, alleen toehorend en aanschouwend gedrag een dicht daarnaast gestelde waarschuwing (1 Joh. 2: 18): “Kinderkens, het is het laatste uur. ” Tot hetgeen in hoofdstuk 7: 54vv. plaatshad en dat de uiteindelijke beslissing om Israël te verwerpen, teweegbracht, is naar onze berekening nog een jaar. De Heere was in het jaar 29 van het feest van de tempelvernieuwing te Jeruzalem naar het land aan gene zijde van de Jordaan heengegaan met de gelijkenis van de onvruchtbare vijgenboom (Joh. 10: 39vv. Luk. 13: 1vv.) op de lippen en bedoelde toen met dat jaar waarin de boom zou worden omgraven en met mest omlegd, of hij nog vrucht zou dragen, de gehele tweede helft van Daniël’s 70e jaarweek, die met de tijd van het Nieuwen Testament was begonnen. Van de geschiedenis in onze tekst in december van het jaar 32 is nu Israël’s genadetijd tot de tijdruimte van werkelijk een enkel jaar geworden. Van Handelingen 8 zien wij reeds de heerlijkheid van de Heere Zich verwijderen van Jeruzalem, alhoewel dat met zo’n langzame tred plaatsheeft, dat tot aan hun staan op de Olijfberg (Ezechiël. 11: 22vv. Zach. 14: 4vv.) nog eens 33 jaren verlopen, zoals de tijd van Christus’ geboorte tot aan de dood van Jezus 33 jaren bedraagt. Dat wij juist oordelen, als wij het wonder van Petrus aan de lamme bij de tempel, dat wij beschouwen, parallel plaatsen met Christus’ eigenhandig wonder aan de blindgeborene, blijkt daaruit dat Petrus later eveneens in de voorhof van Salomo zijn prediking tot het volk houdt (vs. 11), als eens Christus in Joh. 10: 23vv. Dat wij echter ook daarin volgens de Schrift verklaren, als wij het tegenwoordig tijdstip voor een tijd van beslissing aanzien of Israël de heerlijkheid van de Heere, die van de eigenlijke tempel Zich reeds heeft verwijderd en op het punt staat verder naar het Oosten te gaan, nog bij Zich wil behouden of niet, dat is duidelijk uit de uitdrukkelijke bijvoeging, dat de lamme aan de deur van de tempel is geplaatst, die de Schone heet. De heilige schrijvers zijn bij het voorstellen van de gebeurtenissen zeer spaarzaam in hun opgaven van tijd en plaats, zelfs zo spaarzaam dat zij het verstaan dikwijls zeer bemoeielijken, namelijk wat het uitwendige aangaat, alsof kwam er dit niet veel op aan. Doch geven zij nu dergelijke aanwijzingen en dikwijls juist daar, waar wij ze nog het beste zouden kunnen missen, dan moet het dus voor het inwendig verstaan belangrijk zijn. Zo zal dan hier door de vermelding juist van deze tempelpoort zonder twijfel daarop moeten worden gewezen dat het nu een tijd was, zoals de profeet in Ezechiël. 10: 19 die ziet; want de “poort aan het huis van de Heere tegen het Oosten” in de genoemde tekst komt juist overeen met de Schone poort van de tempel in onze tekst, als wij het ook hier niet meer met de Salomonische maar met de Herodiaanse tempel te doen hebben. Israël’s geschiedenis kan alleen geheel en grondig worden verstaan uit de vervulling van het profetische woord van het Oude Testament. Deze stelling, die wij bij onze uitlegging volgen, zal wel niemand bestrijden, die aan de Schrift vasthoudt als Gods onmiddellijke openbaring. Wanneer desniettemin ook zij, die onder de gelovigen willen gerangschikt worden, de gedachten die van zelf daaruit volgen voor bloot menselijke gedachten verklaren, die een toedoen aan Gods woord zouden zijn en waarom wij ons het oordeel van het woord in Openbaring 22: 18 op de hals zouden halen, dat zij dan eerst zeggen hoe het profetische woord van het Oude Testament anders en juist zou moeten worden verstaan. Zolang zij dit niet hebben gedaan en zij het bijbelwerk evenwel bestrijden, beantwoorden wij hun waarschuwing voor het oordeel van dat woord met de waarschuwing voor het andere oordeel, dat dadelijk daarop wordt genoemd in Openbaring 22: 19.
Had deze kreupele man de Heere aangeroepen, dan was hij zeker genezen geworden, want de Heere wees nooit iemand af. Hij was de volmaakte geneesmeester, die allen genas die tot Hem kwamen; doch deze man schijnt geen begeerte gehad te hebben om van zijn lamheid genezen te worden, of achtte dit onmogelijk; althans ook van de apostelen Petrus en Johannes vroeg hij niet meer dan een aalmoes. Doch dit kleine aan zijn zijde moest thans de aanleiding zijn tot iets groots aan de zijde van God. De Heere geeft dikwijls de schoonste gelegenheden tot grootmaking van Zijn naam in het voorbijgaan, zonder dat wij er ons toe gezet of op voorbereid hebben. Hoe dikwijls voeren wij weinig uit, als wij ons opzettelijk tot de arbeid gezet hebben en komen wij ongezocht in een gelegenheid, waarin wij veel nut kunnen stichten en werkelijk stichten. Zo was het hier ook met onze twee apostelen. Weinig dachten zij dat zij op dit ogenblik de heerlijkheid van God zouden openbaren en wel op zo’n luisterrijke wijze. Want wij moeten ons niet voorstellen dat de wonderkracht van de apostelen als een eigendom was gegeven, waarmee zij ieder ogenblik konden handelen zoals zij wilden. Nee, zij waren de dienaren van de Heere en deze werkte door de Heilige Geest de wonderen. Paulus kon Timotheus niet van zijn zwakheid genezen, maar raadde hem aan een weinig wijn in plaats van enkel water te gebruiken. Ook kon hij Epaphroditus en Trofimus niet wonderdadig genezen, hoe ziek zij ook waren en van hoe veel nut zij hem in de dienst mochten zijn. Maar als de Heere door de dienst van de apostelen wonderen gedaan wilde hebben, dan voelden zij daartoe een ingeving of opwekking van de Heilige Geest, die hen daartoe drong, of die geheel buiten hun bewustheid om en toch door hun persoonlijkheid wonderen deed, zoals door de schaduw van Petrus en de zweet- en gordeldoeken van Paulus (Hand. 5: 15, 19: 12).
Weer zat daar die man die, Petrus en Johannes ziende als zij uit de voorhof van de heidenen daarheen kwamen Uit 4: 7 en in de tempel zouden ingaan tot de voorhof van de vrouwen, (waar ook de mannen dikwijls de godsdienst bijwoonden, als zij hun godsdienstplichten hadden volbracht) overeenkomstig het doel, waarmee men hem naar deze plaats had gebracht, smeekte dat hij een aalmoes mocht ontvangen.
De arme gebonden ziel van de ongelukkige neemt geen hoge vlucht. Hij denkt aan niets meer dan aan een aalmoes, zoals er zulke armen genoeg zijn, bij wie onder de druk van de ellende elke vrije vleugelslag verlamd is, die aan niets hogers denken, dan hoe zij van dag tot dag hun ellendig bestaan zullen rekken. Hij verlangt ook van de apostelen niets dan een aalmoes, want hij kent hen in het geheel niet. Zo zijn er ook ongelukkigen genoeg onder de christenen, die niets weten en niets willen weten van een predikambt dat de opdracht heeft: “troost, troost Mijn volk! ” of die ook tot de prediker of het predikambt op zijn hoogst komen om een lichamelijke aalmoes, om een geldelijke ondersteuning.
En Petrus, sterk op hem ziende met Johannes, daar beiden door ingeving van de Heilige Geest erkenden dat de Heere heden door hen een bijzonder werk wilde verrichten (hoofdst. 14: 9 Joh. 9: 1), zei: Zie op ons, zoals ook wij onze blikken op u gevestigd houden.
Petrus wil dat de man die de bede had geuit zonder op te zien, zoals dat zijn gewone wijze van handelen was, hem zou aanzien om hem uit deze stemming van werktuigelijk bedelen uit te leiden en zijn opmerkzaamheid op te wekken.
Het is reeds een grote zegen als een leraar door de kracht van de Geest het bij zijn toehoorders daartoe brengt, dat zij in de verwachting zijn iets te ontvangen. Zij zijn dan niet meer dood, maar hebben een bewogen en hongerig gemoed. Zij moeten echter niet tevergeefs wachten: ach, hoe dikwijls zullen wel arme, ontwaakte en hongerige zielen haar leraren aanzien om iets te ontvangen en zij blijven toch leeg!
En hij hield, met gespannen opmerkzaamheid zich tot hen wendende, de ogen op hen, verwachtende dat hij iets en wel iets groots, iets buitengewoons van hen zou ontvangen, zoals ook de aanmaning van de apostel inderdaad deed verwachten. Hij dacht daarbij echter natuurlijk aan niets anders dan aan een rijke aalmoes die hem misschien voor altijd uit zijn behoeftige toestand zou redden, zodat hij niet meer hoefde te bedelen (Luk. 16: 3 Sir. 40: 29vv.).
En Petrus zei: Zilver en goud heb ik niet om u te bevrijden van het lot van een bedelaar, zoals gij denkt, maar wat ik heb (Luk. 9: 1 Mark. 16: 17v.) dat geef ik u: in de naam van Jezus Christus, de Nazarener, sta op en wandel (MATTHEUS. 9: 5).
Petrus kon meer geven dan zilver of goud en bewees de ongelukkige inderdaad een grotere weldaad dan hij nog ooit ontvangen had, zolang hij aan de ingang van het heiligdom de weldadigheid van zijn medemensen had ingeroepen; doch ook mensen die niet kunnen wat Petrus kon, maar evenals hij zeggen kunnen: zilver en goud heb ik niet, zijn daarom van de uitoefening van de weldadigheid niet uitgesloten: want deze bestaat niet in het geven, maar in het helpen en hulp kan ook de arme aan de arme bieden, waar zijn hart voor weldadigheid klopt. Medelijden dat helpen wil, is vindingrijk in de middelen om te kunnen helpen. De arme hoeft in deze de rijke niet te benijden; maar de rijke veeleer de arme, omdat deze doorgaans meer weldadigheid bewijst dan hij, die niets doet dan van zijn overvloed af te staan, wat hij toch zelf niet gebruiken kan.
Deze geschiedenis van de veertigjarige bedelaar is in ieder opzicht een beeld van het Joodse volk, dat nu op het uur van het gebed op de tempelberg samenstroomt. De lamme begeert een aalmoes van Petrus en Johannes; de mindere behoefte ligt alleen in zijn gedachte. Ook als Petrus hem veelbetekenend in het oog ziet, denkt hij aan niets anders dan aan een aalmoes, de veel grotere behoefte, het gebruik van zijn voeten te verkrijgen is zo ver uit zijn gedachten, dat ook de nabijheid van het gezicht van de heilige, met wondergaven bedeelde mannen hem daaraan niet doet denken. Net zo begeert Israël het mindere goed van de bevrijding van het juk van de Romeinen en spreekt die begeerte aan zijn Heiland en diens boden uit, zonder tot hiertoe door hun vermanende stemmen aan zijn inwendige ziekte en gebondenheid van de geboorte aan ernstig herinnerd te zijn. Evenals nu de bedelaar de aalmoes wordt voorgehouden, zo ook aan Israël de verandering van zijn uitwendige toestand; maar de verlossing van de ziel, die van de geboorte aan gebonden was, wordt aan het volk voorgehouden en aangeboden, wanneer het zich wil verlaten op de naam van Jezus Christus evenals de bedelaar.
Als God ons iets schijnt te weigeren, geeft Hij ons iets beters.
Indien God ons niets beters wilde geven tot heil van onze zielen dan wij gewoonlijk begeren, dan kwamen wij nooit tot betere goederen.
De vrome kerkleraar Thomas van Aquino zag eens hoe een hoog kerkelijk persoon zich in een gouden waterbekken de handen waste, die rijk met ringen waren opgepronkt. Schertsend zei die: “nu kan de kerk niet meer zeggen: “zilver en goud heb ik niet. ” “Het is zo, eerwaardige vader”, hernam Thomas, “maar daarentegen kan zij ook niet meer zeggen: “in de naam van Jezus Christus sta op en wandel. ” “Goud en zilver heb ik niet, maar wat ik heb, dat geef ik u. ” Zo kan God dank! ook heden nog de evangelische kerk zeggen. Zij is wel arm in wereldse macht en tijdelijk goed, maar wat zij heeft en wat zij aan alle gelovigen en aan alle heilbegerige zielen geeft, is Jezus’ hoog geprezen naam, Jezus’ zuiver, krachtig woord, Jezus’ onvergankelijk heil en alzo is het heden nog: “sta op en wandel, sta op uit het stof en wandel in een nieuw leven.
Waar alles van goud en zilver schittert, daar kan zeker het ware erfgoed van Petrus en de ware apostolische zetel niet zijn.
En hem grijpende bij de rechterhand, terwijl hij dat zei, richtte hij hem op als een, die nu ook de kracht had om te doen wat hem zo-even was gezegd (Mark. 9: 27) en terstond, toen de apostel hem in de hoogte trok, werden zijn voeten en enkels vast, zodat zij het lichaam konden dragen, waartoe zij tot hiertoe onvermogend waren geweest.
En hij, opspringende, daar hij het wonderwerk aan zijn lichaam voelde, stond nu geheel gezond en wandelde en ging met hen, met de beide apostelen in de tempel (vs. 3), wandelende en springende over de weg tot aan de plaats, waar deze zich nederzetten en lovende God, als hij zich naast hen had geplaatst. (Jes. 35: 6).
Men moet de zielen niet slechts met woorden dienen, maar ook met de daad; dat men ze als bij de hand neemt om ze te doen gaan.
Zoals Petrus zelf leeft en zich beweegt in de naam van Jezus van Nazareth, die wel van de mensen was verworpen, maar door God tot een Heer en Christus was gemaakt, zo leidt hij door zijn aanspraak en door het aangrijpen van de hand van de kreupele deze in de naam van Jezus in. Nu vat hij ook deze aan; hij grijpt door het geloof in de uitgestrekte hand van Petrus de hand van de Heere Jezus aan en aanstonds, op het ogenblik van de overgave van zijn ziel aan het gehoorde woord en van zijn lichaam aan de gevoelde hand van de apostel, worden zijn voeten en enkels vast. In het gelukkige gevoel van de kracht die in zijn voeten tot gaan en dragen gestroomd was, sprong hij op en ziedaar, hij kon gaan en staan.
En al het volk, zoveel als er zich op dat ogenblik in de tempel bevonden, zag hem wandelen en God loven.
En zij herkenden hem, toen zij hem zagen, dat hij diezelfde was, die vroeger om een aalmoes gezeten had aan de Schone poort van de tempel, zonder dat zij twijfelden, zoals die in Joh. 9: 8v. moedwillig deden; en zij werden vervuld met verbaasdheid en ontzetting over hetgeen hem geschied was, omdat onloochenbaar hier Gods hand onmiddellijk had ingegrepen.
Een dienstknecht van Christus geeft aan de wereld niet alleen iets te horen, maar ook te zien. Wat zij uit de prediking horen, moeten zij ook in de voorbeelden van bekeerde zielen voor ogen zien. De voorbeelden van nieuwe bekeerlingen maken des te grotere indruk naarmate hun zalige verandering duidelijker zichtbaar is. Daarom koos God hier een lamme, die overal bekend was en kiest Hij dikwijls nog heden een bekende booswicht, om de wondermacht van zijn genade in Jezus Christus aan die duidelijk te betonen.
De genezing van de kreupele een beeld van onze bekering: 1) zoals hij lam was van de moederschoot, zo zijn wij van geboorte dienstknechten van de zonde; 2) zoals zij hem droegen voor de poort van de tempel om aalmoezen te ontvangen, zo heeft men ons tot de doop gedragen om hemelse gaven te ontvangen; 3) zoals hij op het woord van Petrus door Christus werd genezen, zo is ook onze bekering een werk van God, door het woord van de apostelen teweeggebracht; 4) gelijk hij na de genezing wandelde en God loofde, zo volgt pas na de bekering een echt christelijke wandel en een blij loven van God.
En toen de kreupele die gezond gemaakt was, ook na het eindigen van de godsdienst aan Petrus en Johannes vasthield op hun verdere weg, die zij uit het binnenste van de tempel (vs. 8) gingen, liep heel het volk gezamenlijk tot hen in het voorhof Uit 4: 7, dat Salomo’s voorhof genoemd wordt, waarheen de apostelen zich hadden begeven en heel het volk verbaasd zijnde sprak met verwondering over de genezing, die hier had plaatsgehad.
Veelal houden de uitleggers het niet genoeg uit elkaar dat wat hier begint op een andere plaats geschiedt dan dat in vs. 8-10 Op de laatste plaats hebben wij het voorhof van de vrouwen voor ons en de tijd is die, die aan het godsdienstig gebed onmiddellijk voorafgaat; nu wordt gesproken van de tijd nadat de godsdienst geëindigd was en de plaats wordt ons uitdrukkelijk als Salomo’s voorhof voorgesteld, dat aan de oostzijde van het voorhof van de heidenen lag. Het is de vraag wat de beide apostelen beweegt zich nu hierheen te begeven. Door hetgeen in hoofdstuk 5: 12 wordt opgemerkt, mogen wij ons niet laten verleiden aan te nemen, dat dit voorhof reeds een gewone vergaderplaats van de christelijke gemeente zou geweest zijn. Zij is dat integendeel pas later geworden door hetgeen hier bericht is. De apostelen, verlicht en geleid door de Heilige Geest, hebben het wel erkend waarom de Heere, die ten hemel was verhoogd, hen tot het wonderwerk aan de kreupele had gedrongen. Zij hebben wel begrepen dat dit wonderwerk een weer opvatten was van hetgeen vroeger door de Heere zelf aan de blindgeborene (Joh. 9) was verricht. Zoals nu de Heere Zich in die tijd gedurende enige dagen in Salomo’s voorhof bevond, om wat door het wonder was teweeggebracht verder te leiden, zo begeven zij zich naar diezelfde plaats met het doel dat de zaak, die door hen door middel van de genezing van de kreupele begonnen was, niet in het zand zou verlopen, maar tot een bepaald gevolg naar de een of andere zijde mocht komen. Reeds van zelf toch herinnerde dit daaraan, dat hier eens Eén had gewandeld en geleerd, die de Joden hadden gevraagd: “hoe lang houdt Gij onze zielen op? zijt Gij de Christus, zo zeg het ons vrij uit! ” en die hen gewezen had op de werken, die Hij deed in de naam van Zijn Vader, als die van Hem getuigden; zij hadden toen echter stenen opgenomen, zodat Hij Zich moest verbergen. Dat was nu drie jaar geleden en hoeveel groots was intussen door de ten hemel verhoogde Jezus voor de ogen van deze Joden geschied; – waarom houden zij dan zelf nog altijd hun zielen op, dat zij niet in het geloof tot Hem willen komen om van Hem het leven te ontvangen? Nu was er een nieuw werk voor hen, in zijn naam volbracht, dat zij aanstaarden en waarover zij zich verwonderden: het is als trok deze Jezus door zijn apostelen hen over naar dat voorhof, om nogmaals met hen te spreken en hun gelegenheid te geven zich op iets beters te bedenken.
En Petrus, dat ziende dat zij niets van de hele zaak begrepen, maar er veel vragen onder hen waren, evenals in hoofdstuk 2: 12, antwoordde tot het volk, hun evenals in hoofdstuk 2: 14vv. bescheid gevende: “Gij Israëlitische mannen! wat verwondert gij u over dit? Gij merkt te veel alleen de buitenzijde van het wonder op. Of wat ziet gij zo sterk op ons? Waarom rust uw oog alleen op de werktuigen, in plaats van te denken aan Hem, in wiens hand zij zijn? Hoe vestigt gij uw aandacht op ons, alsof wij door onze eigen kracht of godzaligheid, door onze bijzondere vroomheid deze, die nu gezond voor u staat, hadden doen wandelen.
Zojuist hadden de apostelen tot de kreupele gezegd: “zie op ons, ” thans zeggen zij tot het volk: “wat ziet gij zo sterk op ons? ” Het eerste moest er zijn, om de kreupele oplettend te maken op de dienaren van de Heere. Het tweede mocht er niet zijn. Het niet tegengaan ervan zou zondig geweest zijn. Het volk moest afgeleid worden van hun ingenomenheid met de apostelen. Het volk kon denken dat de apostelen dit wonder doen konden, omdat zij vrome lieden waren; doch niet de vroomheid van de gelovigen, maar de vrije genade van God doet het wonder en deze moet altijd de eer hebben. Dat is ook waar van het gebed. Men meent dat, als vrome lieden bidden, zij zeker zullen verhoord worden; doch de Heere handhaaft zijn vrije genade altijd. Er is nooit verplichting aan de zijde van God. Wij moeten de middelen gebruiken, maar God verhoort ons niet om dat gebruik, maar uit vrije gunst. Het volk moest dus ook hier niet zien op de apostelen als de geneesmeesters van deze kreupele, maar als de dienaren van de Geneesmeester Christus. Hier begint dus weer de prediking van het evangelie, de prediking, dat Jezus Christus de Heere is tot behoudenis van zondaren en tot verheerlijking van de Vader door de Heilige Geest. Want iedere prediking moet zijn een aanbieding en aanprijzing van de gezegende Persoon, met wie wij alles hebben wat wij voor tijd en eeuwigheid nodig hebben en zonder wie wij niets hebben, Evangelieprediking is Christusprediking. Wie het anders begrijpt, die predikt zich zelf.
Ik zal u heden leren hoe het met dit wonder gesteld is. De God van Abraham en Izaak en Jakob, de God van onze twaalf stamvaderen, die uit de drie patriarchen zijn voortgekomen, heeft Zijn kind (beter: “Zijn knecht” “Isa 42: 1 Jezus verheerlijkt. Dit wonder toch, dat in Zijn naam is geschied (vs. 6), wijst bepaald op Zijn persoon. Deze is dezelfde Jezus van Nazareth (hoofdstuk 2: 22vv.), die gij aan het gericht van de heidenen, aan de Romeinse overheid overgeleverd hebt tot voltrekking van de doodstraf en hebt Hem als uw Messias en Koning verloochend voor het aangezicht van Pilatus, toen hij oordeelde dat men Hem zou loslaten (Luk. 23: 2vv. Joh. 18-28; 19: 16).
Hoe houdt zich Israël tot het troostvol en vermanend teken op de heilige berg? Zeker wordt de opmerkzaamheid op een zeer ongewone wijze opgewekt; maar het is toch nodig, dat Petrus de aanwezigen aanspreekt en door zijn woord hun opmerkzaamheid op de rechte weg probeert te leiden. Ten eerste berispt hij in hen dat zij zich met een verwondering zonder kracht of betekenis verwonderen over het teken. Daarmee wil hij zeggen dat wie op het rechte standpunt van beschouwing staat, niet meer nodig heeft zich over het wonder te verwonderen, omdat het hem zal voorkomen als iets dat geheel in de orde is. Zijn vraag spreekt dus het verwijt uit dat de toehoorders zich tot hiertoe nog geenszins op het rechte standpunt hebben laten plaatsen om deze dingen te beoordelen. Vervolgens tracht hij hun opmerkzaamheid af te leiden van de menselijke organen, waardoor het wonder is verricht, wijst hij hen op die orde, waarin deze daad eenvoudig is ingevoegd en wil hij hun dus behulpzaam zijn om het ware standpunt te verkrijgen. Hij gaat terug tot het heilige begin van Israël’s geschiedenis, tot de tijd van Abraham, Izaak en Jakob, stelt het wonder voor als het werk van de God van de patriarchen en vaderen van Israël.
“Israëlitische mannen” moesten zich niet verwonderen, als over iets zeldzaams, dat de God van Israël wonderen deed, evenmin als heden christenen bedenkelijk het hoofd erover zouden moeten schudden, als zij zien dat een kreupele zondaar in de kracht van Christus opstaat en in een nieuw leven wandelt.
Petrus berispt in die mensen aan de ene zijde het onafgebroken verwonderd aanzien en aan de andere zijde hun veronderstelling dat de genezing een zelfstandige daad van de apostelen was, zoals het in het algemeen in de verdorven natuur van de mensen ligt altijd het schepsel meer te eren dan de Schepper (Rom. 1: 25). Wat hebben deze mannen toch voor een magische kracht, zo dachten zij, of wat moeten dat voor vrome lieden zijn, dat God hun zodanige wondergaven verleent! In zijn beantwoording wijst Petrus niet alleen zodanige dwaling af, als hij zegt: wij hebben die wonderdaad niet teweeggebracht, maar de Verbondsgod van onze vaderen. Hij gaat nu ook van de eigenlijke Bewerker van de genezing over tot het doel en de betekenis daarvan: Jezus moest daardoor worden verheerlijkt, in zijn heerlijkheid worden voorgesteld, in zijn waarde en kracht gekend en erkend worden. Wanneer nu daarbij de apostel Jezus voorstelt als het kind van God, dan verstonden de oudere uitleggers de Griekse uitdrukking alleen in de betekenis van Zoon. Het woord moet echter evenals in MATTHEUS 12: 18 in de betekenis van knecht van God worden opgevat, waarvan de naam een begrip in zich sluit dat onmiddellijk betrekking heeft op het werk en niet op de persoon van Christus. Jezus is degene, door wie God verricht en teweegbrengt wat Hij in zijn raad besloten en in Zijn woord beloofd heeft. Hieruit volgt ook voor de persoon van Christus iets groots, indien niet dadelijk zijn godheid, dan toch zijn innige en enige verbintenis met God.
God heeft Jezus in zoverre door het wonder van zijn apostelen verheerlijkt, als deze daardoor is bewezen als degene die het leven en dus de kracht in Zichzelf heeft (Joh. 5: 26) en die door zijn gemeenschap met God, door zijn onwrikbare gehoorzaamheid Zich als mens de eer heeft verworven een olie te zijn die uitgestort wordt (Hoogl. 1: 3).
Maar gij hebt, toen hij u de keuze liet tussen Jezus van Nazareth en Barabbas, de Heilige, de door God gewijde (Luk. 4: 34) en de Rechtvaardige, die niemand van zonde kon overtuigen (Jes. 53: 11), verloochend en hebt begeerd dat u een man, die een moordenaar was, zou geschonken worden, als een geschenk aan u zou worden vrijgelaten (hoofdstuk 27: 24).
En de Vorst van het leven, Hem, die u was gegeven om als uw Leidsman en Herder u het leven te geven en alle in God rijk beloofde zaligheid te schenken (Hebr. 2: 10; 12: 2), hebt gij, in plaats van die moordenaar, die slechts ellende onder u heeft gesticht, gedood 1) (hoofdstuk 2: 23; 5: 30); die God opgewekt heeft uit de doden, waartoe gij Hem had gebracht, waarvan wij, zijn apostelen (hoofdstuk 2: 32), getuigen zijn. 2)
Petrus verwijt hun hun misdaad tegen Jezus daarom niet met zo scherpe woorden, opdat zij zouden sidderen, maar opdat zij hun gezindheid zouden veranderen. Hij weet toch dat de Heere voor zijn vijanden heeft gebeden met de woorden: “zij weten niet wat zij doen. ” Hij weet dat Jezus voor alle lastering tegen Hem als de Mensenzoon de mogelijkheid van vergeving heeft uitgesproken. Deze hoop op vergeven houdt hij later de aangesprokenen openlijk voor en vermaant hen tot aflegging van hun vijandschap en tot aannemen van een gezindheid voor Christus. Daar hij echter nu niet als op de pinksterdag te doen heeft met getroffen gewetens en bewogen harten, kan hij zijn vermaning niet zo kort en bondig samenvatten als toen, maar zal hij hen die over een veelbetekenend wonderwerk gedachteloos verwonderd zijn, nog van een andere zijde moeten aangrijpen, om hen op het rechte punt te brengen.
Wat de profeten voorzegd hebben van het lijden van de rechtvaardige Knecht van God, is letterlijk vervuld; niet het heidendom, maar zijn eigen volk, door de Satan verblind, heeft zich gesteld tot volvoerder van de voorbedachte raad van God. Deze misdaad van het volk tegen zijn Koning en Heiland houdt Petrus de Israëlitische mannen voor en toont hun de grootheid van hun zonden aan in het licht van de grote liefde van God – dat is bekering prediken. Reeds moest Israël in de pinksterprediking horen: “Gij hebt Hem genomen en door de handen van de onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood; ” hier wijst de getuige, sprekende van Christus’ lijden, op de goddeloze daad van Gods volk, dat zich liet beschamen door de heiden Pilatus. Zo onherkenbaar was hun Christus in zijn gedaante als dienstknecht, dat zij Hem overleverden en Hem verloochenden voor Pilatus, toen deze oordeelde dat Hij zou worden losgelaten. De Romeinse landvoogd heeft de Koning van de Joden niet weg geroofd, maar Zijn eigen volk heeft Hem overgeleverd. Ja, omdat Pilatus geen schuld in deze Rechtvaardige vond, hebben zij die Hem beter dan Pilatus hadden moeten kennen, in het aangezicht van de heidense rechter verloochend en deze snode verloochening van den Heilige en Rechtvaardige hebben zij op het uiterste gedreven toen zij riepen: “laat ons Barabbas los! ” Tweemaal zegt Petrus: “gij hebt Hem verloochend. ” Dat heeft hij gezegd op de toon van diepe weemoed, en niet scheldende – waar toch zou hij heden zijn, de verloochenaar van zijn Heere, die hij kende, als hij geen vergeving had verkregen? O dat zijn broeders zich mochten laten treffen door de blik van Jezus, die hen als Heiland aanzag met de weldaad aan de ongelukkige bewezen.
Petrus had vroeger zelf de Heere Jezus verloochend; was hem deze zonde door zijn Heiland vergeven, hij wilde die weer bij anderen bestraffen. Dat moeten getrouwe leraars opmerken.
De apostel plaatst de zonde van het volk door de tegenstelling in des te helderder licht, ten eerste door het tegenover elkaar plaatsen van Israël en de heide Pilatus. De laatste sprak het vonnis uit dat Jezus moest worden losgelaten, het volk heeft Hem, zijn Messias, daarentegen verloochend, niet van Hem willen weten, als ware Hij een uitvaagsel van de maatschappij; aan de andere zijde door Jezus en Barabbas tegenover elkaar te stellen. Deze was een moordenaar, Jezus was niet alleen onschuldig en heilig, maar zelfs degene die het leven aan het licht bracht en gaf; toch hebt gij de loslating van Barabbas gevraagd en Jezus omgebracht.
Gij hebt de Vorst van het leven gedood – Hem, die uw zieken heeft genezen, uw doden opgewekt, uw zondaren bekeerd, uw kinderen gezegend, uw armen het evangelie gepredikt heeft, die u allen wilde opwekken tot een nieuw leven en een nieuwe wandel, Hem hebt gij gedood aan het kruis. Maar Hij is en blijft daarom toch de Vorst van het leven.
God zelf heeft Hem aangewezen als de Levensvorst, daar Hij Hem opwekte van de doden, zoals wij apostelen allen betuigen. Hij heeft Zichzelf weer bewezen als Levensvorst, doordat Hij uit de hoogte van de hemelen, waar Hij leeft en regeert in eeuwigheid, deze zieken man gezond heeft gemaakt.
In de zin: “deze heeft God opgewekt uit de doden, waarvan wij getuigen zijn”, slaat de rede van Petrus een eenvoudig grootse toon aan, evenals ook vooral zijn eerste brief met Runenschrift (eigenaardige schrifttekens van de oude Germanen) geschreven is. Wat hij aan het einde zegt is het refrein van het apostolisch bewustzijn.
Deze benamingen kunnen van geen ander dan van een goddelijk persoon gebezigd worden. De Vorst van het leven te zijn, is de bron van het leven te zijn. En deze te kunnen doden, is zeker wel een wonder, dat door God alleen mogelijk kan gemaakt worden; maar het zou onnatuurlijk en tegenstrijdig geweest zijn, indien de Vorst van het leven in graf en dood gebleven was. Hij zou daarmee opgehouden hebben de Vorst, de Heer van het leven, de Schepper te zijn en een schepsel zijn geworden.
En door het geloof in zijn naam, d. i. op grond van het geloof, dat wij, die gij als wonderdoeners verwonderd aanstaart (vs. 12), in Hem als de Heere en Christus van Israël hebben (hoofdstuk 2: 36), heeft Zijn naam, heeft Hij die ons woord bevestigde (vs. 6) deze die nu genezen voor u staat, gesterkt, deze die gij ziet en kent als die van de moederschoot lam was (vs. 10), zodat Hij bewezen is de Vorst van het leven en de Zaligmaker van Zijn volk te zijn. En het geloof dat door Hem is, het geloof in zijn Naam, dat door de werking van zijn Geest ook in de lamme is opgewekt, heeft hem, de genezene, die gij verwonderd beschouwt, deze volmaakte gezondheid gegeven die zich nu openbaart in tegenwoordigheid van u allen (vs. 9-11).
De naam van Jezus is wel machtig op zichzelf, maar door het geloof wordt hij sterk bij ons, Petrus spreekt in de eerste zin van zijn geloof en dat van Johannes, van het geloof van de genezene in de tweede. Zijn naam, die uitgesproken door mensenmond geen ijdele klank is, maar insluit en meebrengt de persoon, die die draagt, heeft deze gesterkt. Daaruit kon het volk weten, dat het geloof van de apostelen aan de naam van Jezus geen waan, maar Gods werk in hen was. En het geloof door Hem d. i. het door Jezus door middel van de blik en het woord van de apostelen gewerkte geloof, heeft hem deze gezondheid voor de ogen van u allen gegeven. Daaruit konden zij bemerken, waardoor ook zij van hun dienstbaarheid en behoefte konden worden geholpen. De aalmoes van aardse bevrijding hadden zij graag van hun Messias ontvangen; maar Jezus, de waarachtige Christus van God zegt tot hen: “ziet Mij aan, ” en Hij wil hun geven wat Hij heeft: eeuwige vrijheid, leven en zaligheid in Zijn rijk. Ook het vermogen om Hem aan te nemen, het geloof wil Hij zelf hun geven; voor het laatste laat Hij hun nu prediken en vraagt Hij om gehoor.
En nu broeders! ik weet dat gij hetgeen gij tegen Jezus van Nazareth hebt gedaan (vs. 13vv.) door onwetendheid gedaan hebt, in zoverre gij Hem niet erkende als degene die Hij eigenlijk was, zoals als ook uw oversten (hoofdstuk 13: 27 Luk. 23: 34 1 Kor. 2: 8).
Maar God heeft alzo, door alles wat gij Hem hebt aangedaan, vervuld hetgeen Hij door de mond van al zijn profeten tevoren verkondigd had, dat de Christus lijden zou en door lijden en sterven de verlossing van Zijn volk zou teweegbrengen (Luk. 24: 25vv. Joh. 11: 51v.). Hebt gij u dan zeker tegen Hem zwaar bezondigd, toch is de weg naar de zaligheid voor u niet versperd, integendeel is die nu pas werkelijk geopend en vrij gemaakt (2 Kor. 5: 19vv. ; Jes. 53: 10v. Dan. 9: 24).
Petrus stemt hier zijn rede tot een zachtheid die de harten moet winnen, als hij het doden van Jezus 1) als daad van de onwetendheid aan de zijde van het volk en zelfs van zijn oversten en 2) als noodzakelijke vervulling van het goddelijk raadsbesluit voorstelt.
Tot hiertoe had de apostel Jezus’ Messiasschap aangewezen uit zijn opstanding en het wonder, dat zo-even was geschied en had hij de daaruit volgende beschuldiging: “gij hebt Jezus, uw Messias, verworpen en gedood” uitgesproken. Nu toont hij aan: “nog is er redding voor u mogelijk. ” Petrus weet namelijk dat zij die misdaad ten gevolge van onwetendheid hebben bedreven. Wel wisten zij, dat zij een onschuldige doodden, maar zij waren niet doorgedrongen tot de erkentenis dat Hij de Messias was. Was dat nu achtergebleven ten gevolge van eigen inwendige schuld, zo stond toch steeds vast dat hun daad geen bewuste opstand was tegen de erkende Messias en daarom geen zonde tegen de Heilige Geest. Wat nu aan de ene zijde voorkomt als schuld van de Joden, is aan de andere juist het middel tot verlossing; want het lijden van Christus was een lijden ter verzoening van Zijn volk; Hij leed als de knecht van God, van wie in Jes. 53 geschreven staat. En niet alleen door Jesaja, maar door alle profeten heeft God dit verzoenend lijden geprofeteerd, d. i. natuurlijk niet zo dat in ieder profeet deze voorzegging volkomen duidelijk aanwezig was, maar wel zo dat de rij van profeten in haar geheel het orgaan was, waardoor God deze openbaring gaf. Omdat dan Christus’ lijden de vervulling is van de heilsbeloften, is de zaligheid nu objectief verworven en zo komt de eis tot de toehoorders (vs. 19vv.) om zich in boete en geloof van de vroegere gesteldheid van de harten van onboetvaardigheid en ongeloof af te keren en tot de zaligheid, in Christus verschenen, te wenden.
Zij wisten het niet, dat Jezus de Heer van de heerlijkheid was en het was erg genoeg dat zij het niet wisten. Toch keerde God het ten beste, de goede uitwerking en eindoorzaak was deze: Hij zendt de Heilige Geest, opdat gij boete zou doen, opdat gij u laat redden, opdat gij zalig wordt. Het offer is gebracht, de zaligheid is verworven, de duivel is met de zonde en de dood overwonnen; gij hoeft het slechts in geloof aan te nemen en aan te grijpen, want dat is de wil van de Heere, daarom heeft Hij hen zo willen treffen.
Wat een overgang: gij hebt het gedaan, maar niet buiten de raad van God! Voelt men niet dat zulke overgangen niet door een mens kunnen gemaakt worden, maar alleen uit de Heilige Geest kunnen voortkomen? God doet het kwaad niet, maar zodra het gedaan is, legt Hij er de hand op en gebruikt het tot eer en heerlijkheid van Zijn Naam. De mens kan zondigen en hij zondigt, maar hij kan niet zondigen tegen de raad van God. Deze waarheid moet strekken om de mens in zijn zonde voor wanhoop te bewaren. Wij hebben gezondigd en kunnen wij nu zeggen: “Wij hebben het evenwicht verbroken en wij zullen het herstellen? ” Nee, niets is er te hertellen: ook God doet niets weer over, maar Hij bestuurt het kwaad en brengt er heerlijke vruchten uit voort. Daar liggen onze zonden voor onze ogen, ze zijn onherroepelijk en onherstelbaar en de gevolgen ervan zijn onberekenbaar. Wat zullen wij er aan doen? Och dat wij ze ongedaan konden maken, dan zouden wij rust verkrijgen! Doch dit is onmogelijk. Zij zijn en zij blijven gedaan voor eeuwig. Doch treurt daar niet om, o alle gij zondaren en zondaresen, troost u in de goddelijke toelating. Het is niet buiten zijn wetenschap, buiten zijn voorkennis, ja niet buiten Zijn bepaalde raad geschied. Gods woord zegt het tot de overtreders overal, zoals in onze tekst: “Gij hebt met uw zonden Gods oogmerken niet verijdeld, maar bevorderd. Zeker, gij draagt er al de schuld en God heeft er al de eer van, maar als gij u slechts bekeert is alles voor God en voor u, alsof er niet gezondigd was. Dan hebt gij u niet te beangstigen over de onherstelbare gevolgen van uw zonden, want God, die uw zonden toeliet, terwijl Hij ze had kunnen verhinderen, nam door u de zonde te vergeven, haar gevolgen voor zijn rekening.
Betert u dan, verandert uw gezindheid (hoofdstuk 2: 38) en bekeert u, wendt u in geloof tot Hem die u als Heiland is gegeven en laat u in zijn naam dopen (metanohtate kai epistreqate), opdat voor alles uw zonden, zowel die in vs. 13vv. u zijn voorgehouden, als ook alle overige die gij misdreven hebt, door uitdelging uit het boek van de zonden bij God (Kol. 2: 14) mogen uitgewist worden (Jes. 43: 25) en zij vernietigd zullen zijn, wanneer de tijden van de verkoeling, van de verkwikking, waarop wij met zoveel verlangen hopen, zullen gekomen zijn van het aangezicht van de Heere (Jer. 35: 10 Dan. 7: 22 en 27 Hebr. 4: 1, 9vv. Openbaring 20: 6). Dit toch zal het nadere heerlijke gevolg zijn, wanneer gij eens allen die tot het door God verkoren volk behoort (vs. 25), doet waartoe ik u zo-even drong.
In de vermaning zelf zijn de uitdrukkingen: betert u en bekeert u, van nadruk. Het eerste woord “beteren” betekent eigenlijk “tot nadenken komen”, en het andere “weer te keren van de verkeerden weg”. Het laatste is een gevolg van het eerste. Zal iemand van een verkeerde weg weerkeren, dan moet hij eerst tot nadenken komen en opmerken dat hij dwaalt. De samenvoeging van beide woorden is goed geschikt om de ware aard van de bekering uit te drukken. Meer bijzonder werd in ons geval van de Joden gevorderd 1) dat zij de zonde van de Messiasmoord, in haar gruwelijke aard goed kenden; 2) dat zij daarover een smartelijk berouw hadden; 3) dat zij door het geloof de toevlucht namen tot Gods barmhartigheid in Christus; 4) dat zij van gezindheid omtrent de Heere Jezus veranderden en hun gedrag verbeterden, opdat hun zonden uitgewist werden. Het woord uitwissen zegt eigenlijk iets bestrijken, zodat er niets meer van te zien is. De LXX gebruiken het zeer dikwijls voor de vergeving van de zonden, waardoor de schuld zo geheel wordt uitgewist, dat er geen gedachtenis meer van overblijft. (Ps. 51: 11 Jes. 43: 25 enz.). Hetzij er gezinspeeld wordt op uitdoen van een schuld in een rekenboek, hetzij op de wettische wassingen, zoveel is zeker dat de apostel een volledige vergeving bedoelt van al de zonden van de Joden, bijzonder ook van die hemeltergende misdaad, waaraan zij zich in het vermoorden van de Vorst van het leven hadden schuldig gemaakt. De eerste drangreden vs. 19b heeft vrij wat opheldering nodig: “wanneer de tijden van de verkoeling zullen gekomen zijn, van het aangezicht van de Heere. ” Wat bedoelt de apostel, door de tijden van de verkoeling van het aangezicht van de Heere? Tijden van verkoeling zijn dagen van verademing en verfrissing. Men herinnere zich de brandende en afmattende hitte, die er in de Oosterse landen op het midden van de dag plaatsheeft en hoezeer die hitte de profeet Jona benauwde. (Jona 4: 8). Aldaar is niets aangenamer dan een verkoeling, wanneer de lucht door een verfrissende wind bewogen, of wanneer het aardrijk ‘s avonds door de dauw bevochtigd wordt. Daaraan is de spreekwijze ontleend. Zinnebeeldig zijn tijden van de verkoeling zulke dagen, waarop men, na het doorstaan van gevaren en ellenden, tot rust en kalmte komt. In deze zin gebruiken ook de LXX het woord verkoeling. Farao zag dat er verademing of verkoeling was, toen de plaag van de vorsen was weggenomen (Ex. 8: 15). De sabbat moest bij Israël gevierd worden onder anderen: opdat de vreemdeling adem scheppen mocht, dat is, een uitspanning genieten na al zijn afmattende arbeid. (Ex. 23: 12). Met één woord, tijden van verkoeling zijn zulke tijden, waarin zware smarten en ellenden, die de mens als een brandende hitte afmatten, opgeschort of weggenomen worden. Het aangezicht van de Heere is hier een beschrijving van hitte, waartegenover de verkoeling is gesteld. Het aangezicht van de Heere betekent hier, zoals vaker, de hitte van Gods gramschap, vergel. Ps. 34: 17 en Paulus spreekt in dezelfde samenstelling als hier van het eeuwig verderf van het aangezicht van de Heere (2 Thessalonicenzen. 1: 9). Tijden van verkoeling van het aangezicht van de Heere Zijn dus zulke dagen, waarop de Heere, nadat Hij geduchte blijken van zijn ontstoken gramschap gegeven heeft, kalmte en verademing verschaft.
De grootste zegen toch zal uw deel zijn, als die tijd zal zijn gekomen en Hij, de Heere, van de hemel in zichtbare wederkomst gezonden zal hebben Jezus Christus, die u tevoren gepredikt is, opdat gij zijn zonden vergevende en heiligende genade u gelovig zou toe-eigenen.
Een andere verklaring als deze is de volgende: Wat voor een zending van Jezus Christus wordt hier bedoeld? Wij voegen ons bij hen, die denken aan een zending van Christus door het Evangelie. Het Evangelie wordt meermalen gezegd tot mensen gezonden te worden (Hand. 10: 36; 18: 26) en Jezus Christus wordt gezonden wanneer Hij met al zijn schatten en gaven in het Evangelie wordt voorgesteld. Dat nu de apostel Petrus hier de uitdrukking gezonden in die zin gebruikt, blijkt duidelijk genoeg uit vs. 26 Nu is de Heere Christus na zijn opwekking uit de doden gezonden, niet in persoon, vermits Hij aan niemand van hun verschenen is, maar in de prediking van het Evangelie. Men zou er nog kunnen bijvoegen dat deze zending van Jezus Christus meer bijzonder plaatsheeft, wanneer de gaven van de Heilige Geest in de wedergeboorte geschonken worden, dan komt Christus zelf woning maken in de harten van zondaren.
Die, nadat Hij bij zijn hemelvaart zich heeft gezet aan de rechterhand van de majesteit in de hemelen (hoofdstuk 2: 33 Hebr. 1: 3), de hemel moet ontvangen als de voor Hem bestemde verblijfplaats (Kol. 3: 1en 3) tot de tijden van de wederoprichting van alle dingen, die God gesproken heeft door de mond van al zijn heilige profeten van alle eeuwen. Alzo hebben wij hier te denken aan de belofte, reeds in het Paradijs gegeven (Gen. 3: 15), als die hier in haar volle betekenis, die op het laatste einde ziet, in aanmerking komt. (Rom. 8: 18vv. Openbaring 20: 11-21: 5).
Als het eerste gevolg, of, zoals een andere uitlegger zich uitdrukt, als middendoel van de boete en bekering, waartoe Petrus zijn toehoorders wil bewegen, komt in vs. 19 de vergeving van de zonden voor, die natuurlijk moet gedacht worden als mede leven en zaligheid insluitende, zoals Luther in de catechismus zegt: waar vergeving is van zonden, daar is ook leven en zaligheid. Dat werd reeds bewezen in de drieduizend, die op de dag van het pinksterfeest tot de gemeente werden toegevoegd en van wie de gelukkige toestand ons in hoofdstuk 2: 42vv. nader wordt bericht. Wat dit eerste gevolg of dit middendoel aangaat, komt het er niet op aan hoe veel van de toehoorders aan de apostolische eis gehoorzaamden, zelfs indien het maar enkelen waren, dan is voor hen die het doen, vergeving van de zonden, leven en zaligheid in elk geval zeker. Zij zijn voor wat betreft hun persoonlijk deel krijgen aan de zaligheid niet afhankelijk van het besluit van anderen. Maar nu spreekt de apostel nog van een tweede, een nader gevolg van het laatste doel, of eigenlijk einddoel, zoals de vroeger genoemde uitlegger het verklaart; hij noemt in vs. 20v. als dit, het komen van de tijd van de verkoeling, van de verkwikking van het aangezicht van de Heere. De wijze van uitdrukking, waarin dit tweede gevolg aan het eerste wordt aangesloten, is in de grondtekst zo genomen, dat men moet bemerken hoe hier van iets sprake is dat daar alleen onder een bepaalde veronderstelling, onder vervulling van een zekere voorwaarde kan plaatshebben. Hierbij zijn dus de bijzondere personen wel afhankelijk van het geheel, ja zo geheel afhankelijk van de beslissing van deze en van hun handelwijze dat het gevolg geen plaatsheeft, voordat de mannen van Israël in het algemeen, als volk, boete hebben gedaan en zich bekeerd hebben, hun gezindheid hebben veranderd en zich gewend hebben tot Hem die voor het huis van Israël als Heer en Christus is verordend. Bij de tweede rede, die wij uit de mond van Petrus horen, is het zijn bedoeling zo’n beslissing van de zijde van het volks teweeg te brengen. Bij de eerste in hoofdstuk 2: 14vv. had hij daarop zijn oogmerk nog niet zo onmiddellijk gericht, maar daar had hij vooreerst alleen met die mensen te doen, bij wie zijn woord in het hart ging en die hij nu moest behouden van dat verkeerd geslacht. Er moet dus aan de ene zijde sedert die eerste rede reeds een aanzienlijke tijdruimte verlopen zijn, terwijl, wat bijzondere leden aangaat, de gemeente hoe langer hoe meer is toegenomen, wat het geheel van de natie aangaat, dit reeds had getoond dat zij wilde blijven wat zij was en geenszins een nieuwtestamentisch, een christelijk Israël wilde worden. Aan de andere zijde moet het de apostel in de geest zeker zijn geworden (vgl. hoofdstuk 16: 10) dat het wonder aan de lamme, dat de Heere hem had laten verrichten, moest dienen tot invoering van een nieuwe tijd en het begin aanwijzen van die ontwikkelingsperiode, waarin het volk als geheel voor of tegen Christus moest beslissen. Wij zullen er dus recht aan hebben gedaan, dat wij van de gebruikelijke wijze om het wonder aan de lamme als het eerste wonder van Petrus voor te stellen, zijn afgegaan en tussen die eerste rede van de apostel en die, die wij voor ons hebben, de tweede, een tussenruimte van drie en een half jaar veronderstellen. Denken wij verder na over de inhoud van hetgeen Petrus in vs. 20 en 21 in uitzicht stelt, zo vinden wij nog nadere aanleiding van de gewone opvatting af te wijken en onze eigen wegen in te slaan. Meestal toch houdt men de tijd van de “verkoeling van het aangezicht van de Heere” in vs. 20 voor één en hetzelfde, als “de tijden van de wederoprichting van alle dingen die God gesproken heeft door de mond van al zijn heilige profeten van alle eeuwen” in vs. 21 Het is echter moeilijk het woordje “en” juist te plaatsen, als men deze tweede zin als ondergeschikt bij de eerste plaatst. Naar onze mening stelt integendeel het woordje “en” de tweede zin in geheel gelijke verhouding tot de eerste, zodat wij aldus moeten verklaren: “opdat de tijd van de verkwikking van het aangezicht van de Heere kome en (opdat) Hij (de Heere) Hem zende, die u tevoren gepredikt is, Jezus Christus. ” Dan valt de tijd van de verkwikking niet samen met de wederkomst van Christus van de hemel, maar deze vormt een tweede trap in de ontwikkeling van de laatste tijd; maar wel is met de wederkomst van Christus de tijd van de wederoprichting verbonden, waarvan vs. 21 spreekt. Wat ons tot deze opvatting dringt, zijn de drie volgende redenen: 1) zonder twijfel verwacht Petrus dat, als het hele volk van Israël zich nu door boete van zijn tegenwoordige gezindheid laat afbrengen en door bekering zich van ganser harte aan zijn Messias zou overgeven, de tijd van de verkwikking zonder uitstel komen zou; 2) hij weet echter ook, dat zijn Heere nog andere schapen heeft die van deze stal niet zijn; deze moeten ook toegebracht worden, opdat het één kudde en één Herder zij (Joh. 10: 16) en dat moet toch zijn tijd hebben; 3) er moet dus een tussentijd zijn, waarin de hemel Christus in zich behoudt; maar daarna zal God Hem weer zenden, opdat nu alles weer zou worden opgericht wat door de mond van de profeten is gesproken en de laatste voltooiing van de zaligheid zou volgen. Het zou ons te ver afleiden, indien wij in bijzonderheden wilden aanwijzen hoe Petrus in zijn beschouwing over de toekomst omtrent de bekering van de heidenen, die toch een uitdrukkelijke roeping van het apostolisch ambt was (hoofdstuk 1: 8), of in het geheel niet heeft gedacht, of zich geheel aan verwarde voorstellingen zou hebben moeten overgeven, indien de oude opvatting van hetgeen hij in de beide verzen zegt, werkelijk juist was. Wij bepalen ons erbij hierop opmerkzaam te maken, deels op het verschil van de uitdrukkingen voor “tijd” in de grondtekst, zodat onder de tijd van de verkwikking een bepaalde tijd, een begrensde tijdruimte, dus slechts een rust- of pleisterplaats bedoeld wordt. Onder de tijd van de wederoprichting van alle dingen is daarentegen de tijd zonder grenzen te verstaan, die in de eeuwigheid overgaat en dus het einddoel van de hele weg. Verder maken wij opmerkzaam op het onderscheid van de begrippen “verkwikking of verademing” aan de ene en “wederoprichting of terechtbrenging van alles” aan de andere zijde, die de apostel op zo karakteristieke wijze uit elkaar heeft gehouden dat een verklaring van zijn woorden die de begrippen voor één verklaart en, in plaats van ze uit elkaar te houden, ze in elkaar werpt, daardoor bewijst een mislukte te zijn. Het is duidelijk dat onder de tijd van de verkwikking een periode is bedoeld, waarin Gods volk na het doorstaan van de vroegere moeiten en strijden nog eens zich zal herstellen en weer zijn kracht zal herkrijgen, daar het als het ware adem schept (Ex. 8: 15) en nieuw licht kan verkrijgen, nadat het vroeger steeds in de engte en in het gedrang is geweest. Dit sluit niet uit, maar sluit integendeel in, dat wederom angst en nood, wederom worsteling en strijd wachtende is en het einde van alle dingen, de voltooiing van alle raadsbesluiten van God ter zaligheid pas komen met de overwinning ook van deze laatste nood, ook van deze laatste strijd. Alzo wijst het begrip van een periode van verkwikking verder heen op het begrip van een laatste tijd van wederoprichting of vervulling van al wat God door de mond van al zijn profeten heeft gesproken. Wij moeten slechts wat Johannes eerst in Openbaring 20: 1 en 6 ziet, wat hij dan verder in vs. 7-15 voorzegt en wat hij hierop in Openbaring 21: 1, 22: 5 ons voorlegt, opvatten zoals het daar staat en eenvoudig begrijpen, zonder ons met geweld tot antichiliasten of tegenstanders van een duizendjarig rijk te maken, dan zal ons ook de rede van Petrus, die voor ons ligt zeer duidelijk en helder worden. De tijd van de verkwikking is juist de tijd van het duizendjarig rijk: daarop volgt nog de aanval van Gog en Magog op het leger van de heiligen, maar daaraan maakt de zichtbare wederkomst van Christus ten oordeel een einde en nu komt de wederoprichting van alle dingen met de herstelling van een nieuwe hemel en van een nieuwe aarde, waarin, zoals Petrus er in 2 Petrus 3: 1 bijvoegt gerechtigheid woont. Twee zaken blijken ondubbelzinnig uit de woorden van de apostels in onze tekst: 1) dat het duizendjarig rijk, de tijd van de verkwikking, alleen op Israël betrekking heeft en een voorrecht is voor het uitverkoren volk aan wiens heerlijkheid de overige volken toch daardoor deel verkrijgen, dat het heilig volk van de Allerhoogste hen aan zijn heerlijkheid onderwerpt en hoe de zegeningen van zo’n heerschappij laat toevloeien (“Isa 65: 25” en “Jer 3: 25; 2) dat de wederkomst van Christus niet reeds volgt bij de oprichting van dit rijk maar pas bij de daaropvolgende aanval van Gog en Magog op het leger van de heiligen, terwijl Hij juist tot vernietiging van deze vijanden van de hemel verschijnt maar gelijktijdig het bestaan van de wereld opheft, het laatste oordeel houdt en nu alles nieuw maakt Re 20: 6. Intussen bestaat toch in zoverre nog een onderscheid tussen het standpunt dat Petrus hier in gemeenschap met zijn begeleider en medeapostel Johannes omtrent de toekomst inneemt en het standpunt van Johannes in zijn boek “de Openbaring”, waar hij na de kruisdood van Petrus alleen staat. Hier ligt het toch nog in Israël’s hand in zijn geheel te beslissen voor zijn Messias en Heiland en zo de tijd van de verkwikking te bespoedigen, terwijl daar in de Openbaring van Johannes Israël reeds beslist heeft dat het absoluut wil volharden in zijn verwerping van Christus en nu de tijd is gekomen dat het ook van zijn zijde moet worden verworpen en voortaan de heidenwereld op de voorgrond van het rijk van God treedt. Dan moet eerst de tijd van deze vervuld zijn (Luk. 21: 24), voordat aan Israël opnieuw genade wordt aangeboden en eerst is de gemeente van de 144000 verzegelden op de berg Zion, zoals wij haar in Openbaring 14: 1vv. voor ons zien, die, waarvoor de tijd van de verkwikking van het aangezicht van de Heere komt, nadat in de christelijke kerk uit de heidenen een rijk van de antichrist is opgestaan, maar voor Jeruzalems muren is vernietigd door Hem die getrouw en waarachtig heet, onder bijstand van zijn hemelse legermacht (Openbaring 19: 11vv.).
Verzuimt toch de tijd van uw bezoeking niet en herdenkt toch heden, op de dag van de zaligheid, wat tot Uw vrede dient, opdat het oordeel van God niet over u kome; want Mozes heeft in Deut. 18: 15 en 18 tot de vaderen gezegd: a) De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken uit uw broederen, zoals ik; die zult gij horen in alles wat Hij tot u spreken zal.
Joh. 1: 46 Hand. 7: 37
En het zal geschieden dat elke ziel die deze profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit het volk, dat de Heere Zich ten eigendom heeft verkoren (Gen. 17: 14).
Dit heeft Mozes gezegd tot de vaderen, maar zij die zijn woord bedoelt, zijn wij, tot wie het einde van de wereld is gekomen (1 Kor. 10: 11). En evenals Mozes als de eerste in de Schrift (Rom. 10: 19), hebben ook al de profeten in engere zin, van Samuel aan, die hun rij opent en die daarna gevolgd zijn, bijv. Nathan in 2 Sam. 7: 12vv., zo velen als er in die tijdruimte van ongeveer 600 jaren hebben gesproken, die hebben ook deze dagen, die wij nu beleven (hoofdstuk 5: 36), de laatste dagen zoals ik ze vroeger noemde (hoofdstuk 2: 17), tevoren verkondigd. Erkent dus in wat voor een gewichtige, aan de ene zijde aangename (2 Kor. 6: 2), maar aan de andere zijde ook beslissende tijd gij leeft.
Het komen van de Heere, waarvan de adventtijd spreekt, is drievoudig. namelijk: 1) de Zoon van God is in de volheid des tijds mens geworden, dus in ons vlees gekomen, om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. 2) Hij zal eens wederkomen aan het einde van de dagen in al zijn heerlijkheid om te oordelen de levenden en de doden. 3) Hoewel Hij sedert lang verhoogd is van de aarde, komt Hij toch voortdurend tot ons in het woord en in het sacrament en klopt Hij aan onze harten aan, of wij Hem als onze Heiland willen opnemen, opdat wij eens het gericht mogen ontkomen en in zijn heerlijkheid ingaan. Hieruit kunnen wij tevens zien dat de heilige adventtijd niet uitsluitend kan worden beschouwd als voorbereiding voor het heilige Kerstfeest, maar als voorbereidingstijd voor het hele kerkelijk jaar en voor alles wat dit ons zal verkondigen. Het is de hele toekomst van het Godsrijk die in de advent vooraf wordt voorgesteld. De menswording en de wederkomst van de Heere vormen het begin en het einde van het hele kerkelijke jaar; in het midden ligt het voortdurend komen van de Heere in de Heilige Geest, de vervulling van zijn profetie: “Ik zal u geen wezen laten, Ik kom weer tot u. ” Drievoudig is ook het ambt van de Heere, en dat is het tweede punt, dat in de loop van het kerkelijk jaar op de voorgrond wordt gesteld: het profetische, hogepriesterlijke en koninklijke ambt. Aan de heilige Kersttijd, die de menswording van Gods Zoon verheerlijkt, sluit zich de Epifaniëntijd aan, die het profetisch werken van de Godmens op de voorgrond plaatst terwijl de lijdens- en Paastijd Zijn hogepriesterlijk ambt voorstelt; het koninklijk ambt, waarin de Godmens door zijn hemelvaart intrad, beginnende met de zending van de Heilige Geest op de Pinksterdag, ontwikkelt zich nu meer en meer tot aan de wederkomst van de Heere aan het einde van de dagen, waarmee het kerkelijk jaar eindigt. Als wij deze drie ambten van Christus, om een duidelijk begrip van zijn werkzaamheid te verkrijgen, uit elkaar moesten houden, dan is het toch niet minder noodzakelijk in het oog te houden hoe het ene het andere doordringt, hoe niet het ene van het andere kan worden losgemaakt, maar het ene door het andere wordt gedragen en bepaald. Evenals de twee naturen van Christus, de goddelijke en menselijke, wel niet met elkaar vermengd, maar toch onafscheidelijk verbonden zijn, zo doortrekken en doordringen elkaar ook voortdurend de drie ambten van de Heere. Dit treedt vooral in het profetische ambt zeer duidelijk op de voorgrond, waarop Petrus ons hier op grond van de uit Mozes aangehaalde plaats in de tekst wijst. Wij kunnen het niet in zijn volle betekenis bevatten, als wij niet steeds in het oog houden, dat zijn profetische prediking niets anders is geweest dan een getuigenis omtrent Zichzelf, dat Hij de waarachtige Priester en eeuwige Koning is. Christus, de profeet, die wij moeten horen: 1) Hij heeft de hele raad van God tot onze zaligheid verkondigd, dat is Zijn profetisch ambt in de engere zin; 2) Hij heeft voorzegd, niet omtrent één die na Hem zou komen, maar omtrent zijn eigen toekomst, want Hij was de koninklijke profeet; 3) Hij heeft ook vervuld wat alle profeten vóór Hem hebben verkondigd, want Hij was de hogepriesterlijke profeet.
Christus een profeet en toch meer dan een profeet: 1) Hij leert de weg van God duidelijk en is toch zelf ook de weg tot de Vader; 2) Hij voorspelt en is toch ook doel en einde van alle profetie; 3) Hij is met de Heilige Geest gezalfd en is toch ook de uitdeler van de Geest.
Gijlieden, die ik tevoren opzettelijk als Israëlitische mannen aansprak (vs. 12), zijt kinderen van de profeten en van het verbond, gij behoort tot beide, zowel tot de profeten, van wie ik zo-even sprak als ook in het bijzonder tot het verbond dat God met onze vaderen opgericht heeft, zeggende in Gen. 12: 3; 22: 18 tot Abraham: En in uw zaad, namelijk door de Messias die uit u zal voortkomen (Gal. 3: 16), zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden.
God, opgewekt hebbende, beter “verwekt hebbende” latende optreden (Luk. 7: 16) als profeet vs. 22 Jer. 30: 9) Zijn Kind (liever: “zijn Knecht” vs. 13) Jezus, heeft Hem eerst in Zijn persoon en nu in hetgeen Hij door zijn apostelen onder u doet (vs. 16) en u op het hart drukt, tot u gezonden. Gij toch had als de kinderen van de belofte en van het verbond recht op alle gaven en goederen die Hij had toegezegd in het verbond dat Hij met Abraham had opgericht (hoofdstuk 2: 39; 13: 46. Rom. 1: 16; 9: 4; 15: 8). God heeft die belofte vervuld, opdat Hij ulieden zegenen zou daarin dat Hij een ieder van u afkere van uw boosheden. Dit is uw heil, dat gij dievolkszonden loslaat, die in de verwerping van Jezus vol zijn geworden (Jes. 59: 20) en dat gij u tot deze Verlosser van de goddeloosheden in Jakob keert (vs. 19 Rom. 11: 26), terwijl Hij anders zal komen en het aardrijk met zijn ban slaan (Mal. 4: 6).
Men lette op de grote indruk die het woord “gijlieden” in vs. 25 en “ulieden” in vs. 26 heeft. Die voorrang die zij hebben, Gods volk te zijn, moest hen de plicht om de Messias aan te nemen, des te sterker doen gevoelen.
Het begrip “kinderen” zweeft tussen dat van afstamming en toebehoren, terwijl het woord “tevens” op de profeten en het verbond betrekking heeft.
Wanneer de mannen van Israël kinderen van het verbond worden genoemd, zo bevat dit niet iets uitsluitends, een monopolie, een particularisme, maar alleen een prioriteit. Christus is toch niet tot Israël alleen, maar tot Israël het eerst gezonden en daarmee is verondersteld en indirect betuigd dat Christus en de zegen in Hem ook voor de heidenen bestemd is, hoewel pas in de tweede lijn.
“U in de eerste plaats”, met dit woord zegt Petrus dat de dagen gekomen zijn, waarin alle geslachten van de aarde in Abrahams zaad zullen gezegend worden en dat de christelijke gemeente te Jeruzalem de moeder van deze zegen, een ware Sara geworden is. Och, dat de mannen van Israël zich in Jezus’ naam lieten zegenen, evenals de lamme voor de Schone poort van de tempel, om dan als ware Israëlieten een zegen te worden voor alle volken op aarde!
De apostel sterkt zijn toehoorders als het ware in hun eer, als van het uitverkoren volk van God. Hij herinnert hen aan hun hoge voorrang dat hun in de eerste plaats de zaligheid is verschenen, dat deze hun ook nu het eerst wordt aangeboden, ondanks al hun zonden. Hij herinnert hen echter ook aan hun grote verantwoordelijkheid, wanneer zij de zaligheid van zich wilden stoten en zich niet wilden bekeren van hun boosheid. Maar is het ook niet een woord tot ons: “gij zijt kinderen van de profeten en van het verbond”. Wijst het ook ons niet op de grote genade die ons boven vele miljoenen arme heidenen wedervaart, dat ons Christus wordt gepredikt, de Gekruisigde en Opgestane, dat wij in Christus nog altijd gezegend zijn met allerlei geestelijke zegen in hemelse goederen? Herinnert het ook ons niet aan de zware verantwoordelijkheid, als wij de genade tevergeefs ontvangen, als wij ons niet willen bekeren tot de Herder en Opziener van onze zielen, als wij Hem de eer en de dank weigeren die Hem toekomt?
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel