Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1Festus dan, in de provincie gekomen zijnde, ging na drie dagen van Cesarea op naar Jeruzalem.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1FestusG5347danG3767, in de provincieG1885 gekomen zijnde, ging naG3326drieG5140dagenG2250vanG575CesareaG2542 op naar JeruzalemG2414.Festus dan, in de provincie gekomen zijnde, ging na drie dagen van Cesarea op naar Jeruzalem.
KJVNow2when Festus1was come3into the province,5after6three7days8he ascended9from12Caesarea13to10Jerusalem.
1φηστοςG5347FestusFestus2ουνG3767dan, zo, nuand (so, truly), but, now (then), so (likewise then), then, therefore, verily, wherefore3επιβαςG1910gingen, aangekomen, gegaancome (into), enter into, go abroad, sit upon, take ship4τηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5επαρχιαG1885provincieprovince6μεταG3326met, na, nadatafter(-ward), X that he again, against, among, X and, + follow, hence, hereafter, in, of, (up-)on, + our, X and setting, since, (un-)to, + together, when, with (+ -out)7τρειςG5140drie, Driethree8ημεραςG2250dag, dagen, dageage, + alway, (mid-)day (by day, (-ly)), + for ever, judgment, (day) time, while, years9ανεβηG305klom, opgevaren, gingenarise, ascend (up), climb (go, grow, rise, spring) up, come (up)10ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with11ιεροσολυμαG2414JeruzalemJerusalem12αποG575van, uit, af(X here-)after, ago, at, because of, before, by (the space of), for(-th), from, in, (out) of, off, (up-)on(-ce), since, with13καισαρειαςG2542CesareaCæsarea
2En de hogepriester, en de voornaamsten der Joden, verschenen voor hem tegen Paulus en baden hem,
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2En de hogepriesterG749, en de voornaamstenG4413 der JodenG2453, verschenenG1718 voor hem tegenG2596PaulusG3972 en badenG3870hemG846,En de hogepriester, en de voornaamsten der Joden, verschenen voor hem tegen Paulus en baden hem,
KJVThen2the high priest5and6the chief8of the Jews10informed1him3against11Paul,13and14besought15him,
1ενεφανισανG1718verschenen, openbaren, geopenbaardappear, declare (plainly), inform, (will) manifest, shew, signify2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3αυτωG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which4οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5αρχιερευςG749overpriesters, hogepriester, hogepriesterschief (high) priest, chief of the priests6καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet7οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc8πρωτοιG4413eerste, eersten, eerstbefore, beginning, best, chief(-est), first (of all), former9τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10ιουδαιωνG2453Joden, Jood, JODENJew(-ess), of Judæa11καταG2596naar, tegen, doorabout, according as (to), after, against, (when they were) X alone, among, and, X apart, (even, like) as (concerning, pertaining to touching), X aside, at, before, beyond, by, to the charge of, (charita-)bly, concerning, + covered, (dai-)ly, down, every, (+ far more) exceeding, X more excellent, for, from … to, godly, in(-asmuch, divers, every, -to, respect of), … by, after the manner of, + by any means, beyond (out of) measure, X mightily, more, X natural, of (up-)on (X part), out (of every), over against, (+ your) X own, + particularly, so, through(-oughout, -oughout every), thus, (un-)to(-gether, -ward), X uttermost, where(-by), with12τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13παυλουG3972Paulus, Paulus'Paul, Paulus14καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet15παρεκαλουνG3870baden, bid, vertroostbeseech, call for, (be of good) comfort, desire, (give) exhort(-ation), intreat, pray16αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
3Begerende gunst tegen hem, opdat hij hem zou doen komen te Jeruzalem; en leggende een lage, om hem op den weg om te brengen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3BegerendeG154gunstG5485tegenG2596 hem, opdat hijG846 hem zou doen komenG3343 te JeruzalemG2419; en leggendeG4160 een lageG1747, om hemG846 op den wegG3598 om te brengenG337.Begerende gunst tegen hem, opdat hij hem zou doen komen te Jeruzalem; en leggende een lage, om hem op den weg om te brengen.
KJVAnd desired1favour2against3him,4that5he would send for6him7to8Jerusalem,9laying11wait10in14the way16to kill12him.
1αιτουμενοιG154begeren, bidden, bidtask, beg, call for, crave, desire, require2χαρινG5485genade, Genade, dankacceptable, benefit, favour, gift, grace(- ious), joy, liberality, pleasure, thank(-s, -worthy)3κατG2596naar, tegen, doorabout, according as (to), after, against, (when they were) X alone, among, and, X apart, (even, like) as (concerning, pertaining to touching), X aside, at, before, beyond, by, to the charge of, (charita-)bly, concerning, + covered, (dai-)ly, down, every, (+ far more) exceeding, X more excellent, for, from … to, godly, in(-asmuch, divers, every, -to, respect of), … by, after the manner of, + by any means, beyond (out of) measure, X mightily, more, X natural, of (up-)on (X part), out (of every), over against, (+ your) X own, + particularly, so, through(-oughout, -oughout every), thus, (un-)to(-gether, -ward), X uttermost, where(-by), with4αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which5οπωςG3704opdat, zodatbecause, how, (so) that, to, when6μεταπεμψηταιG3343ontbied, ontboden, ontboodcall (send) for7αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which8ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with9ιερουσαλημG2419Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem10ενεδρανG1747lagelay wait11ποιουντεςG4160doen, gedaan, doetabide, + agree, appoint, X avenge, + band together, be, bear, + bewray, bring (forth), cast out, cause, commit, + content, continue, deal, + without any delay, (would) do(-ing), execute, exercise, fulfil, gain, give, have, hold, X journeying, keep, + lay wait, + lighten the ship, make, X mean, + none of these things move me, observe, ordain, perform, provide, + have purged, purpose, put, + raising up, X secure, shew, X shoot out, spend, take, tarry, + transgress the law, work, yield12ανελεινG337omgebracht, doden, gedoodput to death, kill, slay, take away, take up13αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which14καταG2596naar, tegen, doorabout, according as (to), after, against, (when they were) X alone, among, and, X apart, (even, like) as (concerning, pertaining to touching), X aside, at, before, beyond, by, to the charge of, (charita-)bly, concerning, + covered, (dai-)ly, down, every, (+ far more) exceeding, X more excellent, for, from … to, godly, in(-asmuch, divers, every, -to, respect of), … by, after the manner of, + by any means, beyond (out of) measure, X mightily, more, X natural, of (up-)on (X part), out (of every), over against, (+ your) X own, + particularly, so, through(-oughout, -oughout every), thus, (un-)to(-gether, -ward), X uttermost, where(-by), with15τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc16οδονG3598weg, wegen, Wegjourney, (high-)way
4Doch Festus antwoordde, dat Paulus te Cesarea bewaard werd, en dat hij zelf haast derwaarts zou verreizen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4Doch FestusG5347antwoorddeG611, dat PaulusG3972 te CesareaG2542bewaardG5083 werd, enG1161 dat hij zelfG1438haastG1722 derwaarts zou verreizenG1607.Doch Festus antwoordde, dat Paulus te Cesarea bewaard werd, en dat hij zelf haast derwaarts zou verreizen.
KJVBut2Festus4answered,5that Paul8should be kept6at9Caesarea,10and12that he himself11would13depart16shortly
1οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc2μενG3303wel, enerzijdseven, indeed, so, some, truly, verily3ουνG3767dan, zo, nuand (so, truly), but, now (then), so (likewise then), then, therefore, verily, wherefore4φηστοςG5347FestusFestus5απεκριθηG611antwoordde, antwoordende, antwoorddenanswer6τηρεισθαιG5083bewaard, bewaren, bewaarthold fast, keep(- er), (pre-, re-)serve, watch7τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc8παυλονG3972Paulus, Paulus'Paul, Paulus9ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)10καισαρειαG2542CesareaCæsarea11εαυτονG1438zichzelven, zich, onszelvenalone, her (own, -self), (he) himself, his (own), itself, one (to) another, our (thine) own(-selves), + that she had, their (own, own selves), (of) them(-selves), they, thyself, you, your (own, own conceits, own selves, -selves)12δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)13μελλεινG3195toekomende, toekomenden, komenabout, after that, be (almost), (that which is, things, + which was for) to come, intend, was to (be), mean, mind, be at the point, (be) ready, + return, shall (begin), (which, that) should (after, afterwards, hereafter) tarry, which was for, will, would, be yet14ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)15ταχειG5034haast, haastelijk+ quickly, + shortly, + speedily16εκπορευεσθαιG1607uitgaan, uitgaat, uitgingcome (forth, out of), depart, go (forth, out), issue, proceed (out of)
5Die dan, zeide hij, onder u kunnen, dat zij mede afreizen, en zo er iets onbehoorlijks in dezen man is, dat zij hem beschuldigen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5Die danG3767, zeideG5346 hij, onderG1722uG4771 kunnen, dat zij mede afreizenG4782, en zo er ietsG1536onbehoorlijksG824inG1722dezenG5129manG435isG1510, datG3778 zij hemG846beschuldigenG2723.Die dan, zeide hij, onder u kunnen, dat zij mede afreizen, en zo er iets onbehoorlijks in dezen man is, dat zij hem beschuldigen.
KJVLet them therefore,2said6he, which among4youare able,3go down with7me, and accuse19this20man,17ifthere beany wickednessin15him.
1οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc2ουνG3767dan, zo, nuand (so, truly), but, now (then), so (likewise then), then, therefore, verily, wherefore3δυνατοιG1415machtig, mogelijk, krachtigable, could, (that is) mighty (man), possible, power, strong4ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)5υμινG4771u, gij, gijliedenthou6φησινG5346zeide, zeg, zegtaffirm, say7συγκαταβαντεςG4782mede afreizengo down with8ειG1487indien, zo, offorasmuch as, if, that, (al-)though, whether9τιG5100iemand, sommigen, zekera (kind of), any (man, thing, thing at all), certain (thing), divers, he (every) man, one (X thing), ought, + partly, some (man, -body, - thing, -what), (+ that no-)thing, what(-soever), X wherewith, whom(-soever), whose(-soever)10εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was13ατοπονG824onbehoorlijks, ongemak, ongeschikteamiss, harm, unreasonable15ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)16τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc17ανδριG435man, mannen, Mannenfellow, husband, man, sir18τουτωG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who19κατηγορειτωσανG2723beschuldigen, beschuldigd, beschuldigdenaccuse, object20αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
6En als hij onder hen niet meer dan tien dagen doorgebracht had, kwam hij af naar Cesarea; en des anderen daags, op den rechterstoel gezeten zijnde, beval hij, dat Paulus zou voor gebracht worden.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6En als hij onderG1722 hen niet meer dan tienG1176dagenG2250doorgebrachtG1304 had, kwam hij af naarG1519CesareaG2542; en des anderen daagsG1887, op den rechterstoelG968gezetenG2523 zijnde, bevalG2753 hij, dat PaulusG3972 zou voor gebrachtG71 worden.En als hij onder hen niet meer dan tien dagen doorgebracht had, kwam hij af naar Cesarea; en des anderen daags, op den rechterstoel gezeten zijnde, beval hij, dat Paulus zou voor gebracht worden.
KJVAnd2when he had tarried1among3them4morethan7ten8days,5he went down9unto10Caesarea;11and the next day13sitting14on15the judgment seat17commanded18Paul20to be brought.
1διατριψαςG1304doorgebracht, onthielden, verkeerdenabide, be, continue, tarry2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)4αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which5ημεραςG2250dag, dagen, dageage, + alway, (mid-)day (by day, (-ly)), + for ever, judgment, (day) time, while, years6πλειουςG4183vele, velen, veelabundant, + altogether, common, + far (passed, spent), (+ be of a) great (age, deal, -ly, while), long, many, much, oft(-en (-times)), plenteous, sore, straitly7ηG2228of, danand, but (either), (n-)either, except it be, (n-)or (else), rather, save, than, that, what, yea8δεκαG1176tien, achttien(eight-)een, ten9καταβαςG2597afgekomen, nederdalen, nedergedaaldcome (get, go, step) down, fall (down)10ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with11καισαρειανG2542CesareaCæsarea12τηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13επαυριονG1887daagsday following, morrow, next day (after)14καθισαςG2523gezeten, zitten, nedercontinue, set, sit (down), tarry15επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with16τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc17βηματοςG968rechterstoeljudgment-seat, set (foot) on, throne18εκελευσενG2753beval, gebood, Beveelbid, (at, give) command(-ment)19τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc20παυλονG3972Paulus, Paulus'Paul, Paulus21αχθηναιG71brachten, brengen, geleidbe, bring (forth), carry, (let) go, keep, lead away, be open
7En als hij daar gekomen was, stonden de Joden, die van Jeruzalem afgekomen waren, rondom hem, vele en zware beschuldigingen tegen Paulus voortbrengende, die zij niet konden bewijzen;
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7En als hij daar gekomen was, stondenG4026 de JodenG2453, die vanG575JeruzalemG2414afgekomenG2597 waren, rondomG4026 hem, veleG4183 en zwareG926beschuldigingenG157tegenG2596PaulusG3972voortbrengendeG5342, dieG3739 zij nietG3756kondenG2480bewijzenG584;En als hij daar gekomen was, stonden de Joden, die van Jeruzalem afgekomen waren, rondom hem, vele en zware beschuldigingen tegen Paulus voortbrengende, die zij niet konden bewijzen;
KJVAnd2when he3was come,1the Jews9which came down8from6Jerusalem7stood round about,4and11laid14many10and grievous12complaints13against15Paul,17which18they could20not19prove.
1παραγενομενουG3854komen, aankomen, verschijnencome, go, be present2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which4περιεστησανG4026rondom, rondom staat, stel tegenavoid, shun, stand by (round about)5οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6αποG575van, uit, af(X here-)after, ago, at, because of, before, by (the space of), for(-th), from, in, (out) of, off, (up-)on(-ce), since, with7ιεροσολυμωνG2414JeruzalemJerusalem8καταβεβηκοτεςG2597afgekomen, nederdalen, nedergedaaldcome (get, go, step) down, fall (down)9ιουδαιοιG2453Joden, Jood, JODENJew(-ess), of Judæa10πολλαG4183vele, velen, veelabundant, + altogether, common, + far (passed, spent), (+ be of a) great (age, deal, -ly, while), long, many, much, oft(-en (-times)), plenteous, sore, straitly11καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet12βαρεαG926zwaar, zware, gewichtiggrievous, heavy, weightier13αιτιαματαG157beschuldigingencomplaint14φεροντεςG5342brachten, draagt, gebrachtbe, bear, bring (forth), carry, come, + let her drive, be driven, endure, go on, lay, lead, move, reach, rushing, uphold15καταG2596naar, tegen, doorabout, according as (to), after, against, (when they were) X alone, among, and, X apart, (even, like) as (concerning, pertaining to touching), X aside, at, before, beyond, by, to the charge of, (charita-)bly, concerning, + covered, (dai-)ly, down, every, (+ far more) exceeding, X more excellent, for, from … to, godly, in(-asmuch, divers, every, -to, respect of), … by, after the manner of, + by any means, beyond (out of) measure, X mightily, more, X natural, of (up-)on (X part), out (of every), over against, (+ your) X own, + particularly, so, through(-oughout, -oughout every), thus, (un-)to(-gether, -ward), X uttermost, where(-by), with16τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc17παυλουG3972Paulus, Paulus'Paul, Paulus18αG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc19ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but20ισχυονG2480konden, kracht, Kuntbe able, avail, can do(-not), could, be good, might, prevail, be of strength, be whole, + much work21αποδειξαιG584betoond, bewijzen, toon gesteld(ap-)prove, set forth, shew
8Dewijl hij, antwoordende, zeide: Ik heb noch tegen de wet der Joden, noch tegen den tempel, noch tegen den keizer iets gezondigd.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8DewijlG3754hijG846, antwoordende, zeide: Ik heb noch tegen de wetG3551 der JodenG2453, noch tegen den tempelG2411, noch tegen den keizerG2541ietsG5100gezondigdG264.Dewijl hij, antwoordende, zeide: Ik heb noch tegen de wet der Joden, noch tegen den tempel, noch tegen den keizer iets gezondigd.
Ook in dit vers
verantwoordendeG626
KJVWhile he answered1for himself,2Neither3against5the law7of the Jews,9neither4against11the temple,13nor yet10against15Caesar,16have I offended18any thing at all.
1απολογουμενουG626verantwoording, verantwoorden, ontschuldigendeanswer (for self), make defence, excuse (self), speak for self2αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which3οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why4ουτεG3777noch, ook nietneither, none, nor (yet), (no, yet) not, nothing5ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with6τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7νομονG3551wet, wetten, Wetlaw8τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9ιουδαιωνG2453Joden, Jood, JODENJew(-ess), of Judæa10ουτεG3777noch, ook nietneither, none, nor (yet), (no, yet) not, nothing11ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with12τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13ιερονG2411tempel, tempels, heiligetemple14ουτεG3777noch, ook nietneither, none, nor (yet), (no, yet) not, nothing15ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with16καισαραG2541keizer, keizers, KeizerCæsar17τιG5100iemand, sommigen, zekera (kind of), any (man, thing, thing at all), certain (thing), divers, he (every) man, one (X thing), ought, + partly, some (man, -body, - thing, -what), (+ that no-)thing, what(-soever), X wherewith, whom(-soever), whose(-soever)18ημαρτονG264gezondigd, zondigt, zondigenfor your faults, offend, sin, trespass
9Maar Festus, willende den Joden gunst bewijzen, antwoordde Paulus, en zeide: Wilt gij naar Jeruzalem opgaan, en aldaar voor mij over deze dingen geoordeeld worden?
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9MaarG1161FestusG5347, willendeG2309 den JodenG2453gunstG5485bewijzenG2698, antwoorddeG611PaulusG3972, en zeideG2036: WiltG2309 gij naarG1519JeruzalemG2414opgaanG305, en aldaar voor mijG1473 over dezeG3778 dingen geoordeeldG2919 worden?Maar Festus, willende den Joden gunst bewijzen, antwoordde Paulus, en zeide: Wilt gij naar Jeruzalem opgaan, en aldaar voor mij over deze dingen geoordeeld worden?
1οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc2φηστοςG5347FestusFestus3δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)4τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5ιουδαιοιςG2453Joden, Jood, JODENJew(-ess), of Judæa6θελωνG2309wil, wilt, willendesire, be disposed (forward), intend, list, love, mean, please, have rather, (be) will (have, -ling, - ling(-ly))7χαρινG5485genade, Genade, dankacceptable, benefit, favour, gift, grace(- ious), joy, liberality, pleasure, thank(-s, -worthy)8καταθεσθαιG2698bewijzen, leidedo, lay, shew9αποκριθειςG611antwoordde, antwoordende, antwoorddenanswer10τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc11παυλωG3972Paulus, Paulus'Paul, Paulus12ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter13θελειςG2309wil, wilt, willendesire, be disposed (forward), intend, list, love, mean, please, have rather, (be) will (have, -ling, - ling(-ly))14ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with15ιεροσολυμαG2414JeruzalemJerusalem16αναβαςG305klom, opgevaren, gingenarise, ascend (up), climb (go, grow, rise, spring) up, come (up)17εκειG1563daar, aldaarthere, thither(-ward), (to) yonder (place)18περιG4012van, over, aangaande(there-)about, above, against, at, on behalf of, X and his company, which concern, (as) concerning, for, X how it will go with, ((there-, where-)) of, on, over, pertaining (to), for sake, X (e-)state, (as) touching, (where-)by (in), with19τουτωνG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who20κρινεσθαιG2919oordeelt, geoordeeld, oordelenavenge, conclude, condemn, damn, decree, determine, esteem, judge, go to (sue at the) law, ordain, call in question, sentence to, think21επG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with22εμουG1473mij, ikI, me
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
10En Paulus zeide: Ik sta voor den rechterstoel des keizers, waar ik geoordeeld moet worden; den Joden heb ik geen onrecht gedaan; gelijk gij ook zeer wel weet.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10En PaulusG3972zeideG2036: Ik staG1510 voor den rechterstoelG968 des keizersG2541, waar ikG1473geoordeeldG2919moetG1163 worden; den JodenG2453 heb ik geen onrechtG91 gedaan; gelijkG5613gijG4771ookG2532 zeer wel weet.En Paulus zeide: Ik sta voor den rechterstoel des keizers, waar ik geoordeeld moet worden; den Joden heb ik geen onrecht gedaan; gelijk gij ook zeer wel weet.
KJVThen2saidPaul,4I stand10at5Caesar's8judgment seat,7where11Iought13to be judged:14to the Jews15have I done17no16wrong,as18thou20very well21knowest.
1ειπενG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4παυλοςG3972Paulus, Paulus'Paul, Paulus5επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with6τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7βηματοςG968rechterstoeljudgment-seat, set (foot) on, throne8καισαροςG2541keizer, keizers, KeizerCæsar9εστωςG2476stond, staande, staanabide, appoint, bring, continue, covenant, establish, hold up, lay, present, set (up), stanch, stand (by, forth, still, up)10ειμιG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was11ουG3757waarwhere(-in), whither(-soever)12μεG1473mij, ikI, me13δειG1163moet, moest, moetenbehoved, be meet, must (needs), (be) need(-ful), ought, should14κρινεσθαιG2919oordeelt, geoordeeld, oordelenavenge, conclude, condemn, damn, decree, determine, esteem, judge, go to (sue at the) law, ordain, call in question, sentence to, think15ιουδαιουςG2453Joden, Jood, JODENJew(-ess), of Judæa16ουδενG3762niemand, niets, Niemandany (man), aught, man, neither any (thing), never (man), no (man), none (+ of these things), not (any, at all, -thing), nought17ηδικησαG91onrecht, beschadigen, ongelijkhurt, injure, be an offender, be unjust, (do, suffer, take) wrong18ωςG5613als, gelijk, hoeabout, after (that), (according) as (it had been, it were), as soon (as), even as (like), for, how (greatly), like (as, unto), since, so (that), that, to wit, unto, when(-soever), while, X with all speed19καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet20συG4771u, gij, gijliedenthou21καλλιονG2566very well22επιγινωσκειςG1921kenden, bekennende, gekend(ac-, have, take)know(-ledge, well), perceive
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
11Want indien ik onrecht doe, en iets des doods waardig gedaan heb, ik weiger niet te sterven; maar indien er niets is van hetgeen, waarvan dezen mij beschuldigen, zo kan niemand mij hun uit gunst overgeven. Ik beroep mij op den keizer.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11WantG1063indienG1487 ik onrechtG91 doe, en ietsG5100 des doodsG2288waardigG514 gedaan heb, ik weigerG3868nietG3756 te stervenG599; maarG1161indienG1487 er nietsG3762isG1510 van hetgeenG3739, waarvan dezenG3778 mij beschuldigenG2723, zo kanG1410niemandG3762 mij hunG846 uit gunstG5483 overgeven. Ik beroepG1941 mij op den keizerG2541.Want indien ik onrecht doe, en iets des doods waardig gedaan heb, ik weiger niet te sterven; maar indien er niets is van hetgeen, waarvan dezen mij beschuldigen, zo kan niemand mij hun uit gunst overgeven. Ik beroep mij op den keizer.
KJVFor3if1I be an offender,4or5have committed8any thing9worthy6of death,7I refuse11not10to die:13but15if14there benone16of these things18whereof these19accuse20me,no man22may24deliver26meunto them.25I appeal unto28Caesar.
1ειG1487indien, zo, offorasmuch as, if, that, (al-)though, whether2μενG3303wel, enerzijdseven, indeed, so, some, truly, verily3γαρG1063want, wil, immersand, as, because (that), but, even, for, indeed, no doubt, seeing, then, therefore, verily, what, why, yet4αδικωG91onrecht, beschadigen, ongelijkhurt, injure, be an offender, be unjust, (do, suffer, take) wrong5καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet6αξιονG514waardig, billijk, waarderendue reward, meet, (un-)worthy7θανατουG2288dood, doods, dodelijkeX deadly, (be…) death8πεπραχαG4238doen, bedrijven, volbrengen; eisencommit, deeds, do, exact, keep, require, use arts9τιG5100iemand, sommigen, zekera (kind of), any (man, thing, thing at all), certain (thing), divers, he (every) man, one (X thing), ought, + partly, some (man, -body, - thing, -what), (+ that no-)thing, what(-soever), X wherewith, whom(-soever), whose(-soever)10ουG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but11παραιτουμαιG3868verontschuldigd, verwerp, Verwerpavoid, (make) excuse, intreat, refuse, reject12τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13αποθανεινG599gestorven, sterven, sterftbe dead, death, die, lie a-dying, be slain (X with)14ειG1487indien, zo, offorasmuch as, if, that, (al-)though, whether15δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)16ουδενG3762niemand, niets, Niemandany (man), aught, man, neither any (thing), never (man), no (man), none (+ of these things), not (any, at all, -thing), nought17εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was18ωνG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc19ουτοιG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who20κατηγορουσινG2723beschuldigen, beschuldigd, beschuldigdenaccuse, object21μουG1473mij, ikI, me22ουδειςG3762niemand, niets, Niemandany (man), aught, man, neither any (thing), never (man), no (man), none (+ of these things), not (any, at all, -thing), nought23μεG1473mij, ikI, me24δυναταιG1410kan, kunt, konbe able, can (do, + -not), could, may, might, be possible, be of power25αυτοιςG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which26χαρισασθαιG5483vergeven, geschonken, vergevendedeliver, (frankly) forgive, (freely) give, grant27καισαραG2541keizer, keizers, KeizerCæsar28επικαλουμαιG1941toegenaamd, aanroepen, beroepenappeal (unto), call (on, upon), surname
12Toen antwoordde Festus, als hij met den raad gesproken had: Hebt gij u op den keizer beroepen? Gij zult tot den keizer gaan.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12Toen antwoorddeG611FestusG5347, als hij metG3326 den raadG4824gesprokenG4814 had: Hebt gij u op den keizerG2541beroepenG1941? Gij zult totG1909 den keizerG2541 gaan.Toen antwoordde Festus, als hij met den raad gesproken had: Hebt gij u op den keizer beroepen? Gij zult tot den keizer gaan.
KJVThen1Festus,3when he had conferred4with5the council,7answered,8Hast thou appealed unto10Caesar?9unto11Caesar12shalt thou go.
1τοτεG5119toen, daarnathat time, then2οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc3φηστοςG5347FestusFestus4συλλαλησαςG4814gesproken, samensprekende, sprakcommune (confer, talk) with, speak among5μεταG3326met, na, nadatafter(-ward), X that he again, against, among, X and, + follow, hence, hereafter, in, of, (up-)on, + our, X and setting, since, (un-)to, + together, when, with (+ -out)6τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7συμβουλιουG4824tezamen raad, raadconsultation, counsel, council8απεκριθηG611antwoordde, antwoordende, antwoorddenanswer9καισαραG2541keizer, keizers, KeizerCæsar10επικεκλησαιG1941toegenaamd, aanroepen, beroepenappeal (unto), call (on, upon), surname11επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with12καισαραG2541keizer, keizers, KeizerCæsar13πορευσηG4198reisde, reizen, reisden--depart, go (away, forth, one's way, up), (make a, take a) journey, walk
13En als enige dagen voorbijgegaan waren, kwamen de koning Agrippa en Bernice te Cesarea, om Festus te begroeten.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13En als enigeG5100dagenG2250voorbijgegaanG1230 waren, kwamen de koningG935AgrippaG67 en BerniceG959 te CesareaG2542, omG1519FestusG5347 te begroetenG782.En als enige dagen voorbijgegaan waren, kwamen de koning Agrippa en Bernice te Cesarea, om Festus te begroeten.
1ημερωνG2250dag, dagen, dageage, + alway, (mid-)day (by day, (-ly)), + for ever, judgment, (day) time, while, years2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3διαγενομενωνG1230voorbijgegaan, verlopenX after, be past, be spent4τινωνG5100iemand, sommigen, zekera (kind of), any (man, thing, thing at all), certain (thing), divers, he (every) man, one (X thing), ought, + partly, some (man, -body, - thing, -what), (+ that no-)thing, what(-soever), X wherewith, whom(-soever), whose(-soever)5αγριππαςG67AgrippaAgrippa6οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7βασιλευςG935koning, Koning, koningenking8καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet9βερνικηG959BerniceBernice10κατηντησανG2658komen, aankomenattain, come11ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with12καισαρειανG2542CesareaCæsarea13ασπασομενοιG782Groet, groeten, groetembrace, greet, salute, take leave14τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc15φηστονG5347FestusFestus
14En toen zij aldaar vele dagen doorgebracht hadden, heeft Festus de zaken van Paulus aan den koning verhaald, zeggende: Hier is een zeker man van Felix gevangen gelaten;
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14EnG1161 toen zij aldaar veleG4119dagenG2250doorgebrachtG1304 hadden, heeft FestusG5347 de zakenG2596 van PaulusG3972 aan den koningG935verhaaldG394, zeggendeG3004: Hier isG1510 een zekerG5100manG435vanG5259FelixG5344gevangenG1198gelatenG2641;En toen zij aldaar vele dagen doorgebracht hadden, heeft Festus de zaken van Paulus aan den koning verhaald, zeggende: Hier is een zeker man van Felix gevangen gelaten;
KJVAnd2when1they had been5there6manydays,4Festus8declared11Paul's15cause13unto the king,10saying,16There isa certain18man17left20in bonds23by21Felix:
1ωςG5613als, gelijk, hoeabout, after (that), (according) as (it had been, it were), as soon (as), even as (like), for, how (greatly), like (as, unto), since, so (that), that, to wit, unto, when(-soever), while, X with all speed2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3πλειουςG4183vele, velen, veelabundant, + altogether, common, + far (passed, spent), (+ be of a) great (age, deal, -ly, while), long, many, much, oft(-en (-times)), plenteous, sore, straitly4ημεραςG2250dag, dagen, dageage, + alway, (mid-)day (by day, (-ly)), + for ever, judgment, (day) time, while, years5διετριβονG1304doorgebracht, onthielden, verkeerdenabide, be, continue, tarry6εκειG1563daar, aldaarthere, thither(-ward), (to) yonder (place)7οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc8φηστοςG5347FestusFestus9τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10βασιλειG935koning, Koning, koningenking11ανεθετοG394stelde, verhaaldcommunicate, declare12ταG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13καταG2596naar, tegen, doorabout, according as (to), after, against, (when they were) X alone, among, and, X apart, (even, like) as (concerning, pertaining to touching), X aside, at, before, beyond, by, to the charge of, (charita-)bly, concerning, + covered, (dai-)ly, down, every, (+ far more) exceeding, X more excellent, for, from … to, godly, in(-asmuch, divers, every, -to, respect of), … by, after the manner of, + by any means, beyond (out of) measure, X mightily, more, X natural, of (up-)on (X part), out (of every), over against, (+ your) X own, + particularly, so, through(-oughout, -oughout every), thus, (un-)to(-gether, -ward), X uttermost, where(-by), with14τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc15παυλονG3972Paulus, Paulus'Paul, Paulus16λεγωνG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter17ανηρG435man, mannen, Mannenfellow, husband, man, sir18τιςG5100iemand, sommigen, zekera (kind of), any (man, thing, thing at all), certain (thing), divers, he (every) man, one (X thing), ought, + partly, some (man, -body, - thing, -what), (+ that no-)thing, what(-soever), X wherewith, whom(-soever), whose(-soever)19εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was20καταλελειμμενοςG2641verlaten, gelaten, verlatendeforsake, leave, reserve21υποG5259van, onder, dooramong, by, from, in, of, under, with22φηλικοςG5344FelixFelix23δεσμιοςG1198gevangene, gevangenen, gebondenin bonds, prisoner
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
15Om wiens wil, als ik te Jeruzalem was, de overpriesters en de ouderlingen der Joden verschenen, begerende vonnis tegen hem;
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15OmG1519 wiens wilG3450, als ikG1473 te JeruzalemG2414wasG1096, de overpriestersG749enG2532 de ouderlingenG4245 der JodenG2453verschenenG1718, begerendeG154vonnisG1349tegenG2596hemG846;Om wiens wil, als ik te Jeruzalem was, de overpriesters en de ouderlingen der Joden verschenen, begerende vonnis tegen hem;
KJVAbout1whom,2when3Iwasat5Jerusalem,6the chief priests9and10the elders12of the Jews14informed7me, desiring15to have judgment18against16him.
1περιG4012van, over, aangaande(there-)about, above, against, at, on behalf of, X and his company, which concern, (as) concerning, for, X how it will go with, ((there-, where-)) of, on, over, pertaining (to), for sake, X (e-)state, (as) touching, (where-)by (in), with2ουG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc3γενομενουG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought4μουG1473mij, ikI, me5ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with6ιεροσολυμαG2414JeruzalemJerusalem7ενεφανισανG1718verschenen, openbaren, geopenbaardappear, declare (plainly), inform, (will) manifest, shew, signify8οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9αρχιερειςG749overpriesters, hogepriester, hogepriesterschief (high) priest, chief of the priests10καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet11οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc12πρεσβυτεροιG4245ouderlingen, ouden, ouderlingelder(-est), old13τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc14ιουδαιωνG2453Joden, Jood, JODENJew(-ess), of Judæa15αιτουμενοιG154begeren, bidden, bidtask, beg, call for, crave, desire, require16κατG2596naar, tegen, doorabout, according as (to), after, against, (when they were) X alone, among, and, X apart, (even, like) as (concerning, pertaining to touching), X aside, at, before, beyond, by, to the charge of, (charita-)bly, concerning, + covered, (dai-)ly, down, every, (+ far more) exceeding, X more excellent, for, from … to, godly, in(-asmuch, divers, every, -to, respect of), … by, after the manner of, + by any means, beyond (out of) measure, X mightily, more, X natural, of (up-)on (X part), out (of every), over against, (+ your) X own, + particularly, so, through(-oughout, -oughout every), thus, (un-)to(-gether, -ward), X uttermost, where(-by), with17αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which18δικηνG1349straf, vonnis, wraakjudgment, punish, vengeance
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
16Aan dewelke ik antwoordde, dat de Romeinen de gewoonte niet hebben, enigen mens uit gunst ter dood over te geven, eer de beschuldigde de beschuldigers tegenwoordig heeft, en plaats van verantwoording gekregen heeft over de beschuldiging.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16AanG1519 dewelke ik antwoorddeG611, dat de RomeinenG4514 de gewoonteG1485nietG3756 hebben, enigenG5100mensG444 uit gunstG5483 ter doodG684 over te geven, eerG4250 de beschuldigdeG2723 de beschuldigersG2725tegenwoordigG2596heeftG2192, en plaatsG5117 van verantwoordingG627gekregenG2983 heeft overG4012 de beschuldigingG1462.Aan dewelke ik antwoordde, dat de Romeinen de gewoonte niet hebben, enigen mens uit gunst ter dood over te geven, eer de beschuldigde de beschuldigers tegenwoordig heeft, en plaats van verantwoording gekregen heeft over de beschuldiging.
Ook in dit vers
totG4314
KJVTo1whom2I answered,3It isnot5the manner7of the Romans8to deliver9any10man11to12die,13before14that15he which is accused17have20the accusers22face to face,18and have26licence23to answer for himself25concerning27the crime laid against him.
1προςG4314tot, bij, aanabout, according to , against, among, at, because of, before, between, (where-)by, for, X at thy house, in, for intent, nigh unto, of, which pertain to, that, to (the end that), X together, to (you) -ward, unto, with(-in)2ουςG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc3απεκριθηνG611antwoordde, antwoordende, antwoorddenanswer4οτιG3754dat, want, omdatas concerning that, as though, because (that), for (that), how (that), (in) that, though, why5ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but6εστινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was7εθοςG1485gewoonte, gewoonten, wijzecustom, manner, be wont8ρωμαιοιςG4514Romeinen, Romein, RomeinsenRoman, of Rome9χαριζεσθαιG5483vergeven, geschonken, vergevendedeliver, (frankly) forgive, (freely) give, grant10τιναG5100iemand, sommigen, zekera (kind of), any (man, thing, thing at all), certain (thing), divers, he (every) man, one (X thing), ought, + partly, some (man, -body, - thing, -what), (+ that no-)thing, what(-soever), X wherewith, whom(-soever), whose(-soever)11ανθρωπονG444mensen, mens, Menscertain, man12ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with13απωλειανG684verderf, verderve, verderfsdamnable(-nation), destruction, die, perdition, X perish, pernicious ways, waste14πρινG4250eer, Eerbefore (that), ere15ηG2228of, danand, but (either), (n-)either, except it be, (n-)or (else), rather, save, than, that, what, yea16οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc17κατηγορουμενοςG2723beschuldigen, beschuldigd, beschuldigdenaccuse, object18καταG2596naar, tegen, doorabout, according as (to), after, against, (when they were) X alone, among, and, X apart, (even, like) as (concerning, pertaining to touching), X aside, at, before, beyond, by, to the charge of, (charita-)bly, concerning, + covered, (dai-)ly, down, every, (+ far more) exceeding, X more excellent, for, from … to, godly, in(-asmuch, divers, every, -to, respect of), … by, after the manner of, + by any means, beyond (out of) measure, X mightily, more, X natural, of (up-)on (X part), out (of every), over against, (+ your) X own, + particularly, so, through(-oughout, -oughout every), thus, (un-)to(-gether, -ward), X uttermost, where(-by), with19προσωπονG4383aangezicht, aangezichten, aangezichts(outward) appearance, X before, countenance, face, fashion, (men's) person, presence20εχοιG2192hebben, heeft, hebtbe (able, X hold, possessed with), accompany, + begin to amend, can(+ -not), X conceive, count, diseased, do + eat, + enjoy, + fear, following, have, hold, keep, + lack, + go to law, lie, + must needs, + of necessity, + need, next, + recover, + reign, + rest, + return, X sick, take for, + tremble, + uncircumcised, use21τουςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc22κατηγορουςG2725beschuldigers, verklageraccuser23τοπονG5117plaats, plaatsen, Hoofdschedelplaatscoast, licence, place, X plain, quarter, + rock, room, where24τεG5037en, ookalso, and, both, even, then, whether25απολογιαςG627verantwoordinganswer (for self), clearing of self, defence26λαβοιG2983ontvangen, nam, genomenaccept, + be amazed, assay, attain, bring, X when I call, catch, come on (X unto), + forget, have, hold, obtain, receive (X after), take (away, up)27περιG4012van, over, aangaande(there-)about, above, against, at, on behalf of, X and his company, which concern, (as) concerning, for, X how it will go with, ((there-, where-)) of, on, over, pertaining (to), for sake, X (e-)state, (as) touching, (where-)by (in), with28τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc29εγκληματοςG1462beschuldigingcrime laid against, laid to charge
17Als zij dan gezamenlijk alhier gekomen waren, zo heb ik, geen uitstel nemende, des daags daaraan op den rechterstoel gezeten, en beval, dat de man zoude voor gebracht worden;
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17Als zijG846 dan gezamenlijkG4905alhierG1759 gekomen waren, zo heb ik, geen uitstelG311nemendeG4160, des daagsG1836 daaraan opG1909 den rechterstoelG968gezetenG2523, en bevalG2753, dat de manG435 zoude voor gebrachtG71 worden;Als zij dan gezamenlijk alhier gekomen waren, zo heb ik, geen uitstel nemende, des daags daaraan op den rechterstoel gezeten, en beval, dat de man zoude voor gebracht worden;
KJVTherefore,2when they3were come1hither,4without7any6delay5on the morrow9I sat10on11the judgment seat,13and commanded14the man17to be brought forth.
1συνελθοντωνG4905samengekomen, samenkomt, samenaccompany, assemble (with), come (together), come (company, go) with, resort2ουνG3767dan, zo, nuand (so, truly), but, now (then), so (likewise then), then, therefore, verily, wherefore3αυτωνG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which4ενθαδεG1759hier, alhier(t-)here, hither5αναβοληνG311uitsteldelay6μηδεμιανG3367niemand, niets, dingany (man, thing), no (man), none, not (at all, any man, a whit), nothing, + without delay7ποιησαμενοςG4160doen, gedaan, doetabide, + agree, appoint, X avenge, + band together, be, bear, + bewray, bring (forth), cast out, cause, commit, + content, continue, deal, + without any delay, (would) do(-ing), execute, exercise, fulfil, gain, give, have, hold, X journeying, keep, + lay wait, + lighten the ship, make, X mean, + none of these things move me, observe, ordain, perform, provide, + have purged, purpose, put, + raising up, X secure, shew, X shoot out, spend, take, tarry, + transgress the law, work, yield8τηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9εξηςG1836daags, volgende, volgendenafter, following, X morrow, next10καθισαςG2523gezeten, zitten, nedercontinue, set, sit (down), tarry11επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with12τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc13βηματοςG968rechterstoeljudgment-seat, set (foot) on, throne14εκελευσαG2753beval, gebood, Beveelbid, (at, give) command(-ment)15αχθηναιG71brachten, brengen, geleidbe, bring (forth), carry, (let) go, keep, lead away, be open16τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc17ανδραG435man, mannen, Mannenfellow, husband, man, sir
18Over welken de beschuldigers, hier staande, geen zaak hebben voorgebracht, waarvan ik vermoedde;
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18OverG4012welkenG3739 de beschuldigersG2725, hier staandeG2476, geen zaakG156 hebben voorgebrachtG2018, waarvan ikG1473vermoeddeG5282;Over welken de beschuldigers, hier staande, geen zaak hebben voorgebracht, waarvan ik vermoedde;
KJVAgainst1whom2when the accusers5stood up,3they brought8none6accusation7of such things as9I11supposed:
1περιG4012van, over, aangaande(there-)about, above, against, at, on behalf of, X and his company, which concern, (as) concerning, for, X how it will go with, ((there-, where-)) of, on, over, pertaining (to), for sake, X (e-)state, (as) touching, (where-)by (in), with2ουG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc3σταθεντεςG2476stond, staande, staanabide, appoint, bring, continue, covenant, establish, hold up, lay, present, set (up), stanch, stand (by, forth, still, up)4οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc5κατηγοροιG2725beschuldigers, verklageraccuser6ουδεμιανG3762niemand, niets, Niemandany (man), aught, man, neither any (thing), never (man), no (man), none (+ of these things), not (any, at all, -thing), nought7αιτιανG156oorzaak, schuld, zaakaccusation, case, cause, crime, fault, (wh-)ere(-fore)8επεφερονG2018brengen, brengt, gedragenadd, bring (against), take9ωνG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc10υπενοουνG5282meent, vermoedde, vermoeddenthink, suppose, deem11εγωG1473mij, ikI, me
19Maar hadden tegen hem enige vragen van hun godsdienst, en van zekeren Jezus, Die gestorven was, Welken Paulus zeide te leven.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19MaarG1161haddenG2192 tegen hem enigeG5100vragenG2213vanG4012 hun godsdienstG1175, en vanG4012zekerenG5100JezusG2424, Die gestorvenG2348 was, WelkenG3739PaulusG3972zeideG5335 te levenG2198.Maar hadden tegen hem enige vragen van hun godsdienst, en van zekeren Jezus, Die gestorven was, Welken Paulus zeide te leven.
Ook in dit vers
totG4314
KJVBut2had8certain3questions1against9him10of4their own6superstition,7and11of12one13Jesus,14which was dead,15whom16Paul19affirmed17to be alive.
1ζητηματαG2213vragen, geschil, vraagquestion2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3τιναG5100iemand, sommigen, zekera (kind of), any (man, thing, thing at all), certain (thing), divers, he (every) man, one (X thing), ought, + partly, some (man, -body, - thing, -what), (+ that no-)thing, what(-soever), X wherewith, whom(-soever), whose(-soever)4περιG4012van, over, aangaande(there-)about, above, against, at, on behalf of, X and his company, which concern, (as) concerning, for, X how it will go with, ((there-, where-)) of, on, over, pertaining (to), for sake, X (e-)state, (as) touching, (where-)by (in), with5τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6ιδιαςG2398eigen, bijzonder, eigenenX his acquaintance, when they were alone, apart, aside, due, his (own, proper, several), home, (her, our, thine, your) own (business), private(-ly), proper, severally, their (own)7δεισιδαιμονιαςG1175godsdienstsuperstition8ειχονG2192hebben, heeft, hebtbe (able, X hold, possessed with), accompany, + begin to amend, can(+ -not), X conceive, count, diseased, do + eat, + enjoy, + fear, following, have, hold, keep, + lack, + go to law, lie, + must needs, + of necessity, + need, next, + recover, + reign, + rest, + return, X sick, take for, + tremble, + uncircumcised, use9προςG4314tot, bij, aanabout, according to , against, among, at, because of, before, between, (where-)by, for, X at thy house, in, for intent, nigh unto, of, which pertain to, that, to (the end that), X together, to (you) -ward, unto, with(-in)10αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which11καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet12περιG4012van, over, aangaande(there-)about, above, against, at, on behalf of, X and his company, which concern, (as) concerning, for, X how it will go with, ((there-, where-)) of, on, over, pertaining (to), for sake, X (e-)state, (as) touching, (where-)by (in), with13τινοςG5100iemand, sommigen, zekera (kind of), any (man, thing, thing at all), certain (thing), divers, he (every) man, one (X thing), ought, + partly, some (man, -body, - thing, -what), (+ that no-)thing, what(-soever), X wherewith, whom(-soever), whose(-soever)14ιησουG2424Jezus, JEZUS, Jezus'Jesus15τεθνηκοτοςG2348gestorven, gestorvene, dodebe dead, die16ονG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc17εφασκενG5335uitgeven, uitgevende, zeggendeaffirm, profess, say18οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc19παυλοςG3972Paulus, Paulus'Paul, Paulus20ζηνG2198leven, levenden, leeftlife(-time), (a-)live(-ly), quick
20En als ik over de onderzoeking van deze zaak in twijfeling was, zeide ik, of hij wilde gaan naar Jeruzalem, en aldaar over deze dingen geoordeeld worden.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20En als ik over de onderzoekingG2214vanG4012dezeG3778 zaak inG1519twijfelingG639 was, zeideG3004 ik, ofG1487 hij wildeG1014 gaan naarG1519JeruzalemG2419, en aldaar overG4012dezeG3778 dingen geoordeeldG2919 worden.En als ik over de onderzoeking van deze zaak in twijfeling was, zeide ik, of hij wilde gaan naar Jeruzalem, en aldaar over deze dingen geoordeeld worden.
1απορουμενοςG639twijfel, twijfelende, twijfeling(stand in) doubt, be perplexed2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3εγωG1473mij, ikI, me4ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with5τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6περιG4012van, over, aangaande(there-)about, above, against, at, on behalf of, X and his company, which concern, (as) concerning, for, X how it will go with, ((there-, where-)) of, on, over, pertaining (to), for sake, X (e-)state, (as) touching, (where-)by (in), with7τουτουG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who8ζητησινG2214vragen, onderzoeking, vraagquestion9ελεγονG3004zeggende, zeide, zegask, bid, boast, call, describe, give out, name, put forth, say(-ing, on), shew, speak, tell, utter10ειG1487indien, zo, offorasmuch as, if, that, (al-)though, whether11βουλοιτοG1014wil, willende, wildebe disposed, minded, intend, list, (be, of own) will (-ing)12πορευεσθαιG4198reisde, reizen, reisden--depart, go (away, forth, one's way, up), (make a, take a) journey, walk13ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with14ιερουσαλημG2419Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem15κακειG2546en daarand there, there (thither) also16κρινεσθαιG2919oordeelt, geoordeeld, oordelenavenge, conclude, condemn, damn, decree, determine, esteem, judge, go to (sue at the) law, ordain, call in question, sentence to, think17περιG4012van, over, aangaande(there-)about, above, against, at, on behalf of, X and his company, which concern, (as) concerning, for, X how it will go with, ((there-, where-)) of, on, over, pertaining (to), for sake, X (e-)state, (as) touching, (where-)by (in), with18τουτωνG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who
21En als Paulus zich beriep, dat men hem tot de kennis des keizers bewaren zou, zo heb ik bevolen, dat hij bewaard zoude worden, ter tijd toe, dat ik hem tot den keizer zenden zou.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21EnG1161 als PaulusG3972 zich beriepG1941, dat men hem totG4314 de kennisG1233 des keizersG4575bewarenG5083 zou, zo heb ik bevolenG2753, dat hijG846bewaardG5083 zoude worden, ter tijdG2193 toe, datG3739 ik hem totG1519 den keizerG2541zendenG3992 zou.En als Paulus zich beriep, dat men hem tot de kennis des keizers bewaren zou, zo heb ik bevolen, dat hij bewaard zoude worden, ter tijd toe, dat ik hem tot den keizer zenden zou.
KJVBut2when Paul3had appealed4to be reserved5unto7the hearing11of Augustus,10I commanded12him6to be kept13till15I might send17him14to19Caesar.
1τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3παυλουG3972Paulus, Paulus'Paul, Paulus4επικαλεσαμενουG1941toegenaamd, aanroepen, beroepenappeal (unto), call (on, upon), surname5τηρηθηναιG5083bewaard, bewaren, bewaarthold fast, keep(- er), (pre-, re-)serve, watch6αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which7ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with8τηνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10σεβαστουG4575keizer, keizerlijke, keizersAugustus(-')11διαγνωσινG1233kennishearing12εκελευσαG2753beval, gebood, Beveelbid, (at, give) command(-ment)13τηρεισθαιG5083bewaard, bewaren, bewaarthold fast, keep(- er), (pre-, re-)serve, watch14αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which15εωςG2193tot, totdateven (until, unto), (as) far (as), how long, (un-)til(-l), (hither-, un-, up) to, while(-s)16ουG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc17πεμψωG3992gezonden, zenden, zondsend, thrust in18αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which19προςG4314tot, bij, aanabout, according to , against, among, at, because of, before, between, (where-)by, for, X at thy house, in, for intent, nigh unto, of, which pertain to, that, to (the end that), X together, to (you) -ward, unto, with(-in)20καισαραG2541keizer, keizers, KeizerCæsar
22En Agrippa zeide tot Festus: Ik wilde ook zelf dien mens wel horen. En hij zeide: Morgen zult gij hem horen.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22En AgrippaG67zeideG5346totG4314FestusG5347: Ik wildeG1014ookG2532zelfG846 dien mensG444 wel horenG191. En hij zeideG5346: MorgenG839 zult gij hem horenG191.En Agrippa zeide tot Festus: Ik wilde ook zelf dien mens wel horen. En hij zeide: Morgen zult gij hem horen.
23Des anderen daags dan, als Agrippa gekomen was en Bernice, met grote pracht, en als zij ingegaan waren in het rechthuis, met de oversten over duizend, en de mannen, die de voornaamsten de stad waren, werd Paulus op bevel van Festus voor gebracht.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23Des anderen daagsG1887danG3767, als AgrippaG67gekomenG2064 was enG2532BerniceG959, metG3326 grote prachtG5325, enG2532 als zij ingegaanG1525 waren inG1519 het rechthuisG201, met de overstenG5506 over duizend, enG2532 de mannenG435, die de voornaamstenG2596 de stadG4172warenG1510, werd PaulusG3972 op bevelG2753 van FestusG5347 voor gebrachtG71.Des anderen daags dan, als Agrippa gekomen was en Bernice, met grote pracht, en als zij ingegaan waren in het rechthuis, met de oversten over duizend, en de mannen, die de voornaamsten de stad waren, werd Paulus op bevel van Festus voor gebracht.
KJVAnd on the morrow,3when2Agrippa6was come,4and7Bernice,9with10great11pomp,12and13was entered14into15the place of hearing,17with18the chief captains,21and22principal25men23ofthe city,29at30Festus'33commandment31Paul36was brought forth.
1τηG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc2ουνG3767dan, zo, nuand (so, truly), but, now (then), so (likewise then), then, therefore, verily, wherefore3επαυριονG1887daagsday following, morrow, next day (after)4ελθοντοςG2064komen, gekomen, kwamaccompany, appear, bring, come, enter, fall out, go, grow, X light, X next, pass, resort, be set5τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc6αγριππαG67AgrippaAgrippa7καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet8τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc9βερνικηςG959BerniceBernice10μεταG3326met, na, nadatafter(-ward), X that he again, against, among, X and, + follow, hence, hereafter, in, of, (up-)on, + our, X and setting, since, (un-)to, + together, when, with (+ -out)11πολληςG4183vele, velen, veelabundant, + altogether, common, + far (passed, spent), (+ be of a) great (age, deal, -ly, while), long, many, much, oft(-en (-times)), plenteous, sore, straitly12φαντασιαςG5325prachtpomp13καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet14εισελθοντωνG1525ingaan, ingegaan, inkomenX arise, come (in, into), enter in(-to), go in (through)15ειςG1519in, tot, naar(abundant-)ly, against, among, as, at, (back-)ward, before, by, concerning, + continual, + far more exceeding, for (intent, purpose), fore, + forth, in (among, at, unto, -so much that, -to), to the intent that, + of one mind, + never, of, (up-)on, + perish, + set at one again, (so) that, therefore(-unto), throughout, til, to (be, the end, -ward), (here-)until(-to), …ward, (where-)fore, with16τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc17ακροατηριονG201rechthuisplace of hearing18συνG4862met, samen metbeside, with19τεG5037en, ookalso, and, both, even, then, whether20τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc21χιλιαρχοιςG5506overste, oversten duizend, overste duizend(chief, high) captain22καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet23ανδρασινG435man, mannen, Mannenfellow, husband, man, sir24τοιςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc25κατG2596naar, tegen, doorabout, according as (to), after, against, (when they were) X alone, among, and, X apart, (even, like) as (concerning, pertaining to touching), X aside, at, before, beyond, by, to the charge of, (charita-)bly, concerning, + covered, (dai-)ly, down, every, (+ far more) exceeding, X more excellent, for, from … to, godly, in(-asmuch, divers, every, -to, respect of), … by, after the manner of, + by any means, beyond (out of) measure, X mightily, more, X natural, of (up-)on (X part), out (of every), over against, (+ your) X own, + particularly, so, through(-oughout, -oughout every), thus, (un-)to(-gether, -ward), X uttermost, where(-by), with26εξοχηνG1851principal27ουσινG1510is, zijn, wasam, have been, X it is I, was28τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc29πολεωςG4172stad, stedencity30καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet31κελευσαντοςG2753beval, gebood, Beveelbid, (at, give) command(-ment)32τουG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc33φηστουG5347FestusFestus34ηχθηG71brachten, brengen, geleidbe, bring (forth), carry, (let) go, keep, lead away, be open35οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc36παυλοςG3972Paulus, Paulus'Paul, Paulus
24En Festus zeide: Koning Agrippa, en gij mannen allen, die met ons hier tegenwoordig zijt, gij ziet dezen, van welken mij de ganse menigte der Joden heeft aangesproken, beide te Jeruzalem en hier, roepende, dat hij niet meer behoort te leven.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24En FestusG5347zeideG5346: KoningG935AgrippaG67, enG2532 gij mannenG435allenG3956, die metG1722 ons hier tegenwoordigG4840 zijt, gij ziet dezenG5126, vanG4012welkenG3739mijG1473 de ganseG3956menigteG4128 der JodenG2453 heeft aangesprokenG1793, beideG5037 te JeruzalemG2414enG2532 hier, roependeG1916, dat hijG846nietG3361 meer behoortG1163 te levenG2198.En Festus zeide: Koning Agrippa, en gij mannen allen, die met ons hier tegenwoordig zijt, gij ziet dezen, van welken mij de ganse menigte der Joden heeft aangesproken, beide te Jeruzalem en hier, roepende, dat hij niet meer behoort te leven.
KJVAnd1Festus4said,2King6Agrippa,5and7all8men12which3are here present10with us,ye see13this man,about15whom16all17the multitude19of the Jews21have dealt22with me,both25at24Jerusalem,26and27also here,28crying29that he ought31not30to live32any longer.
1καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet2φησινG5346zeide, zeg, zegtaffirm, say3οG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc4φηστοςG5347FestusFestus5αγριππαG67AgrippaAgrippa6βασιλευG935koning, Koning, koningenking7καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet8παντεςG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever9οιG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc10συμπαροντεςG4840tegenwoordigbe here present with11ημινG1473mij, ikI, me12ανδρεςG435man, mannen, Mannenfellow, husband, man, sir13θεωρειτεG2334zien, zag, zagenbehold, consider, look on, perceive, see14τουτονG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who15περιG4012van, over, aangaande(there-)about, above, against, at, on behalf of, X and his company, which concern, (as) concerning, for, X how it will go with, ((there-, where-)) of, on, over, pertaining (to), for sake, X (e-)state, (as) touching, (where-)by (in), with16ουG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc17πανG3956allen, alle, alall (manner of, means), alway(-s), any (one), X daily, + ever, every (one, way), as many as, + no(-thing), X thoroughly, whatsoever, whole, whosoever18τοG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc19πληθοςG4128menigte, hoop, menigtenbundle, company, multitude20τωνG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc21ιουδαιωνG2453Joden, Jood, JODENJew(-ess), of Judæa22ενετυχονG1793bidt, aangesproken, aanspreektdeal with, make intercession23μοιG1473mij, ikI, me24ενG1722in, met, onderabout, after, against, + almost, X altogether, among, X as, at, before, between, (here-)by (+ all means), for (… sake of), + give self wholly to, (here-)in(-to, -wardly), X mightily, (because) of, (up-)on, (open-)ly, X outwardly, one, X quickly, X shortly, (speedi-)ly, X that, X there(-in, -on), through(-out), (un-)to(-ward), under, when, where(-with), while, with(-in)25τεG5037en, ookalso, and, both, even, then, whether26ιεροσολυμοιςG2414JeruzalemJerusalem27καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet28ενθαδεG1759hier, alhier(t-)here, hither29επιβοωντεςG1916roependecry30μηG3361niet, geen, niemandany but (that), X forbear, + God forbid, + lack, lest, neither, never, no (X wise in), none, nor, (can-)not, nothing, that not, un(-taken), without31δεινG1163moet, moest, moetenbehoved, be meet, must (needs), (be) need(-ful), ought, should32ζηνG2198leven, levenden, leeftlife(-time), (a-)live(-ly), quick33αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which34μηκετιG3371niet meer, voortaan nietany longer, (not) henceforth, hereafter, no henceforward (longer, more, soon), not any more
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
25Maar ik bevonden hebbende, dat hij niets des doods waardig gedaan had, en dewijl hij ook zelf zich op den keizer beroepen heeft, heb besloten hem te zenden.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25MaarG1161ikG1473bevondenG2638 hebbende, datG3778 hij nietsG3367 des doodsG2288waardigG514 gedaan had, en dewijl hij ookG2532zelfG846 zich op den keizerG4575beroepenG1941 heeft, heb beslotenG2919 hem te zendenG3992.Maar ik bevonden hebbende, dat hij niets des doods waardig gedaan had, en dewijl hij ook zelf zich op den keizer beroepen heeft, heb besloten hem te zenden.
KJVBut2when I1found3that he7had committed8nothing4worthy5of death,6and9that he himself10hath appealedto13Augustus,15I have determined16to send17him.
1εγωG1473mij, ikI, me2δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)3καταλαβομενοςG2638gegrepen, aangrijpt, begrepenapprehend, attain, come upon, comprehend, find, obtain, perceive, (over-)take4μηδενG3367niemand, niets, dingany (man, thing), no (man), none, not (at all, any man, a whit), nothing, + without delay5αξιονG514waardig, billijk, waarderendue reward, meet, (un-)worthy6θανατουG2288dood, doods, dodelijkeX deadly, (be…) death7αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which8πεπραχεναιG4238doen, bedrijven, volbrengen; eisencommit, deeds, do, exact, keep, require, use arts9καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet10αυτουG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which11δεG1161maar, en, nualso, and, but, moreover, now (often unexpressed in English)12τουτουG3778deze, dit, diehe (it was that), hereof, it, she, such as, the same, these, they, this (man, same, woman), which, who13επικαλεσαμενουG1941toegenaamd, aanroepen, beroepenappeal (unto), call (on, upon), surname14τονG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc15σεβαστονG4575keizer, keizerlijke, keizersAugustus(-')16εκριναG2919oordeelt, geoordeeld, oordelenavenge, conclude, condemn, damn, decree, determine, esteem, judge, go to (sue at the) law, ordain, call in question, sentence to, think17πεμπεινG3992gezonden, zenden, zondsend, thrust in18αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which
26Van welken ik niets zekers heb aan den heer te schrijven; daarom heb ik hem voor ulieden voorgebracht, en meest voor u, koning Agrippa, opdat ik, na gedane onderzoeking, wat heb te schrijven.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26VanG4012welkenG3739 ik nietsG3756zekersG804 heb aanG1909 den heerG2962 te schrijvenG1125; daarom heb ik hemG846 voor ulieden voorgebrachtG4254, enG2532meestG3122 voor uG4771, koningG935AgrippaG67, opdat ik, na gedaneG1096onderzoekingG351, wat hebG2192 te schrijvenG1125.Van welken ik niets zekers heb aan den heer te schrijven; daarom heb ik hem voor ulieden voorgebracht, en meest voor u, koning Agrippa, opdat ik, na gedane onderzoeking, wat heb te schrijven.
KJVOf1whom2I have9no8certain3thing4to write5unto my lord.7Wherefore10I have brought11him12forthbefore13you,and15specially16before17thee,O king19Agrippa,20that,21after examination23had,24I might have25somewhatto write.
1περιG4012van, over, aangaande(there-)about, above, against, at, on behalf of, X and his company, which concern, (as) concerning, for, X how it will go with, ((there-, where-)) of, on, over, pertaining (to), for sake, X (e-)state, (as) touching, (where-)by (in), with2ουG3739die, welke, welkenone, (an-, the) other, some, that, what, which, who(-m, -se), etc3ασφαλεςG804zeker, zekerheid, zekerscertain(-ty), safe, sure4τιG5100iemand, sommigen, zekera (kind of), any (man, thing, thing at all), certain (thing), divers, he (every) man, one (X thing), ought, + partly, some (man, -body, - thing, -what), (+ that no-)thing, what(-soever), X wherewith, whom(-soever), whose(-soever)5γραψαιG1125geschreven, schrijf, schrijvendescribe, write(-ing, -ten)6τωG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc7κυριωG2962Heere, Heeren, heerGod, Lord, master, Sir8ουκG3756niet, geen, niemand+ long, nay, neither, never, no (X man), none, (can-)not, + nothing, + special, un(-worthy), when, + without, + yet but9εχωG2192hebben, heeft, hebtbe (able, X hold, possessed with), accompany, + begin to amend, can(+ -not), X conceive, count, diseased, do + eat, + enjoy, + fear, following, have, hold, keep, + lack, + go to law, lie, + must needs, + of necessity, + need, next, + recover, + reign, + rest, + return, X sick, take for, + tremble, + uncircumcised, use10διοG1352daarom, weshalvefor which cause, therefore, wherefore11προηγαγονG4254voorgaan, varen, voorgingenbring (forth, out), go before12αυτονG846hem, hen, hijher, it(-self), one, the other, (mine) own, said, (self-), the) same, ((him-, my-, thy- )self, (your-)selves, she, that, their(-s), them(-selves), there(-at, - by, -in, -into, -of, -on, -with), they, (these) things, this (man), those, together, very, which13εφG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with14υμωνG4771u, gij, gijliedenthou15καιG2532en, ook, medeand, also, both, but, even, for, if, or, so, that, then, therefore, when, yet16μαλισταG3122allermeest, inzonderheid, meestchiefly, most of all, (e-)specially17επιG1909op, over, totabout (the times), above, after, against, among, as long as (touching), at, beside, X have charge of, (be-, (where-))fore, in (a place, as much as, the time of, -to), (because) of, (up-)on (behalf of), over, (by, for) the space of, through(-out), (un-)to(-ward), with18σουG4771u, gij, gijliedenthou19βασιλευG935koning, Koning, koningenking20αγριππαG67AgrippaAgrippa21οπωςG3704opdat, zodatbecause, how, (so) that, to, when22τηςG3588de, het, die (lidwoord)the, this, that, one, he, she, it, etc23ανακρισεωςG351onderzoekingexamination24γενομενηςG1096geworden, geschied, geschieddearise, be assembled, be(-come, -fall, -have self), be brought (to pass), (be) come (to pass), continue, be divided, draw, be ended, fall, be finished, follow, be found, be fulfilled, + God forbid, grow, happen, have, be kept, be made, be married, be ordained to be, partake, pass, be performed, be published, require, seem, be showed, X soon as it was, sound, be taken, be turned, use, wax, will, would, be wrought25σχωG2192hebben, heeft, hebtbe (able, X hold, possessed with), accompany, + begin to amend, can(+ -not), X conceive, count, diseased, do + eat, + enjoy, + fear, following, have, hold, keep, + lack, + go to law, lie, + must needs, + of necessity, + need, next, + recover, + reign, + rest, + return, X sick, take for, + tremble, + uncircumcised, use26τιG5101wat, wie, waaromevery man, how (much), + no(-ne, thing), what (manner, thing), where (-by, -fore, -of, -unto, - with, -withal), whether, which, who(-m, -se), why27γραψαιG1125geschreven, schrijf, schrijvendescribe, write(-ing, -ten)
27Want het dunkt mij tegen rede, een gevangene te zenden, en niet ook de beschuldigingen, die tegen hem zijn, te kennen te geven.
Α
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27WantG1063 het dunktG1380mijG1473 tegen redeG249, een gevangeneG1198 te zendenG3992, en nietG3361 ook de beschuldigingenG156, die tegen hemG846 zijn, te kennenG4591 te geven.Want het dunkt mij tegen rede, een gevangene te zenden, en niet ook de beschuldigingen, die tegen hem zijn, te kennen te geven.
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Handelingen 25:1— Festus dan, in de provincie gekomen zijnde, ging na drie dagen van Cesarea op naar Jeruzalem.Handelingen 23:34→Handelingen 21:15→Handelingen 25:5→Handelingen 18:22→Handelingen 8:40→
Handelingen 25:2— En de hogepriester, en de voornaamsten der Joden, verschenen voor hem tegen Paulus en baden hem,Handelingen 25:15→Handelingen 24:1→Spreuken 4:16→Job 31:31→Romeinen 3:12→
Handelingen 25:3— Begerende gunst tegen hem, opdat hij hem zou doen komen te Jeruzalem; en leggende een lage, om hem op den weg om te brengen.Handelingen 23:12→Jeremia 38:4→Jeremia 18:18→Psalmen 37:32→Romeinen 3:8→Psalmen 140:1→1 Samuël 23:19→Handelingen 26:9→
Handelingen 25:4— Doch Festus antwoordde, dat Paulus te Cesarea bewaard werd, en dat hij zelf haast derwaarts zou verreizen.Handelingen 24:23→
Handelingen 25:5— Die dan, zeide hij, onder u kunnen, dat zij mede afreizen, en zo er iets onbehoorlijks in dezen man is, dat zij hem beschuldigen.Psalmen 7:3→1 Samuël 24:11→Johannes 18:29→Handelingen 25:25→Handelingen 25:16→Handelingen 25:18→Handelingen 23:30→Handelingen 18:14→
Handelingen 25:6— En als hij onder hen niet meer dan tien dagen doorgebracht had, kwam hij af naar Cesarea; en des anderen daags, op den rechterstoel gezeten zijnde, beval hij, dat Paulus zou voor gebracht worden.Handelingen 25:17→Mattheüs 27:19→Handelingen 25:10→Handelingen 18:12→Johannes 19:13→Jakobus 2:6→2 Korinthe 5:10→
Handelingen 25:7— En als hij daar gekomen was, stonden de Joden, die van Jeruzalem afgekomen waren, rondom hem, vele en zware beschuldigingen tegen Paulus voortbrengende, die zij niet konden bewijzen;Handelingen 24:13→Lukas 23:10→Handelingen 24:5→Lukas 23:2→Esther 3:8→Handelingen 21:28→1 Petrus 4:14→Ezra 4:15→
Handelingen 25:8— Dewijl hij, antwoordende, zeide: Ik heb noch tegen de wet der Joden, noch tegen den tempel, noch tegen den keizer iets gezondigd.Handelingen 24:12→Handelingen 28:17→Jeremia 37:18→Handelingen 28:21→2 Korinthe 1:12→Handelingen 23:1→Handelingen 24:6→Genesis 40:15→
Handelingen 25:9— Maar Festus, willende den Joden gunst bewijzen, antwoordde Paulus, en zeide: Wilt gij naar Jeruzalem opgaan, en aldaar voor mij over deze dingen geoordeeld worden?Handelingen 24:27→Handelingen 25:20→Handelingen 12:3→Handelingen 25:3→Markus 15:15→
Handelingen 25:10— En Paulus zeide: Ik sta voor den rechterstoel des keizers, waar ik geoordeeld moet worden; den Joden heb ik geen onrecht gedaan; gelijk gij ook zeer wel weet.Handelingen 23:29→Handelingen 22:25→2 Korinthe 4:2→Mattheüs 27:23→Handelingen 28:18→Mattheüs 27:18→Handelingen 25:17→Handelingen 16:37→
Handelingen 25:11— Want indien ik onrecht doe, en iets des doods waardig gedaan heb, ik weiger niet te sterven; maar indien er niets is van hetgeen, waarvan dezen mij beschuldigen, zo kan niemand mij hun uit gunst overgeven. Ik beroep mij op den keizer.Handelingen 26:32→Handelingen 28:19→Handelingen 25:25→Handelingen 18:14→Job 31:38→Psalmen 7:3→1 Thessalonicenzen 2:15→Handelingen 16:37→
Handelingen 25:12— Toen antwoordde Festus, als hij met den raad gesproken had: Hebt gij u op den keizer beroepen? Gij zult tot den keizer gaan.Psalmen 76:10→Handelingen 25:21→Handelingen 26:32→Jesaja 46:10→Romeinen 15:28→Handelingen 19:21→Handelingen 28:16→Klaagliederen 3:37→
Handelingen 25:13— En als enige dagen voorbijgegaan waren, kwamen de koning Agrippa en Bernice te Cesarea, om Festus te begroeten.2 Samuël 8:10→1 Samuël 25:14→Handelingen 26:1→Handelingen 25:22→1 Samuël 13:10→Handelingen 8:40→Handelingen 26:27→Markus 15:18→
Handelingen 25:14— En toen zij aldaar vele dagen doorgebracht hadden, heeft Festus de zaken van Paulus aan den koning verhaald, zeggende: Hier is een zeker man van Felix gevangen gelaten;Handelingen 24:27→
Handelingen 25:15— Om wiens wil, als ik te Jeruzalem was, de overpriesters en de ouderlingen der Joden verschenen, begerende vonnis tegen hem;Lukas 18:3→Handelingen 24:1→Handelingen 25:1→Esther 3:9→Lukas 23:23→
Handelingen 25:16— Aan dewelke ik antwoordde, dat de Romeinen de gewoonte niet hebben, enigen mens uit gunst ter dood over te geven, eer de beschuldigde de beschuldigers tegenwoordig heeft, en plaats van verantwoording gekregen heeft over de beschuldiging.Handelingen 25:4→Handelingen 23:30→Johannes 7:51→Deuteronomium 19:17→Spreuken 18:13→Handelingen 26:1→Deuteronomium 17:4→Spreuken 18:17→
Handelingen 25:17— Als zij dan gezamenlijk alhier gekomen waren, zo heb ik, geen uitstel nemende, des daags daaraan op den rechterstoel gezeten, en beval, dat de man zoude voor gebracht worden;Handelingen 25:10→Handelingen 25:6→
Handelingen 25:19— Maar hadden tegen hem enige vragen van hun godsdienst, en van zekeren Jezus, Die gestorven was, Welken Paulus zeide te leven.Handelingen 23:29→Handelingen 18:15→1 Korinthe 15:14→Handelingen 26:22→Handelingen 17:31→1 Korinthe 15:3→Openbaring 1:18→Handelingen 18:19→
Handelingen 25:20— En als ik over de onderzoeking van deze zaak in twijfeling was, zeide ik, of hij wilde gaan naar Jeruzalem, en aldaar over deze dingen geoordeeld worden.Handelingen 25:9→
Handelingen 25:21— En als Paulus zich beriep, dat men hem tot de kennis des keizers bewaren zou, zo heb ik bevolen, dat hij bewaard zoude worden, ter tijd toe, dat ik hem tot den keizer zenden zou.2 Timotheüs 4:16→Handelingen 25:10→Handelingen 26:32→Lukas 2:1→
Handelingen 25:22— En Agrippa zeide tot Festus: Ik wilde ook zelf dien mens wel horen. En hij zeide: Morgen zult gij hem horen.Handelingen 9:15→Lukas 21:12→Mattheüs 10:18→Jesaja 52:15→
Handelingen 25:23— Des anderen daags dan, als Agrippa gekomen was en Bernice, met grote pracht, en als zij ingegaan waren in het rechthuis, met de oversten over duizend, en de mannen, die de voornaamsten de stad waren, werd Paulus op bevel van Festus voor gebracht.Handelingen 26:30→Handelingen 25:13→1 Johannes 2:16→Ezechiël 32:12→Handelingen 12:21→Ezechiël 33:28→Jakobus 1:11→1 Korinthe 7:31→
Handelingen 25:24— En Festus zeide: Koning Agrippa, en gij mannen allen, die met ons hier tegenwoordig zijt, gij ziet dezen, van welken mij de ganse menigte der Joden heeft aangesproken, beide te Jeruzalem en hier, roepende, dat hij niet meer behoort te leven.Handelingen 25:7→Handelingen 22:22→Handelingen 25:2→Lukas 23:21→
Handelingen 25:25— Maar ik bevonden hebbende, dat hij niets des doods waardig gedaan had, en dewijl hij ook zelf zich op den keizer beroepen heeft, heb besloten hem te zenden.Handelingen 23:29→Lukas 23:4→Handelingen 25:11→Handelingen 23:9→Handelingen 26:31→Johannes 18:38→Lukas 23:14→
Handelingen 25:26— Van welken ik niets zekers heb aan den heer te schrijven; daarom heb ik hem voor ulieden voorgebracht, en meest voor u, koning Agrippa, opdat ik, na gedane onderzoeking, wat heb te schrijven.Handelingen 26:2→
Handelingen 25:27— Want het dunkt mij tegen rede, een gevangene te zenden, en niet ook de beschuldigingen, die tegen hem zijn, te kennen te geven.Spreuken 18:13→Johannes 7:51→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Handelingen 25 vers 1— Festus dan, in de provincie gekomen zijnde, ging na drie dagen van Cesarea op naar Jeruzalem.
provincie
Alzo noemden de Romeinen een landschap, hetwelk zij met de wapenen gewonnen en onder hun gebied gebracht hadden, en door enige afgezonden stadhouders vanwege het Romeinse rijk lieten regeren; hoedanig ook Judea was. Zie Hand. 23:34 .
Hertaald:provincie
Zo noemden de Romeinen een landstreek die zij met de wapens veroverd en onder hun gezag gebracht hadden en die zij door uitgezonden stadhouders namens het Romeinse rijk lieten besturen; zo was ook Judea. Zie Hand. 23:34.
Cesarea
Welke stad te dien tijd de zetel was van de Romeinse stadhouders, vanwege hare sterkte en ligging. Zie Hand. 23:23 .
Hertaald:Cesarea
Deze stad was in die tijd de zetel van de Romeinse stadhouders, vanwege haar sterkte en ligging. Zie Hand. 23:23.
Jeruzalem
Dat de hoofdstad was van de gehele provincie, en waar de geestelijke en wereldlijke regering der Joden was, doch onder het opzicht des stadhouders.
Hertaald:Jeruzalem
Dat was de hoofdstad van de hele provincie, waar het geestelijke en het wereldlijke bestuur van de Joden zetelde, maar onder toezicht van de stadhouder.
Handelingen 25 vers 2— En de hogepriester, en de voornaamsten der Joden, verschenen voor hem tegen Paulus en baden hem,
de voornaamsten
Grieks de eerste.
Hertaald:de voornaamsten
Grieks: de eersten.
der Joden,
Dat is, uit den raad der Joden; Hand. 24:1 .
Hertaald:der Joden,
Dat is: uit de Raad van de Joden; Hand. 24:1.
Handelingen 25 vers 3— Begerende gunst tegen hem, opdat hij hem zou doen komen te Jeruzalem; en leggende een lage, om hem op den weg om te brengen.
hem, opdat
Namelijk Paulus.
Hertaald:hem, opdat
Namelijk Paulus.
Handelingen 25 vers 4— Doch Festus antwoordde, dat Paulus te Cesarea bewaard werd, en dat hij zelf haast derwaarts zou verreizen.
derwaarts
Namelijk naar Cesarea, gelijk hij ook gedaan heeft, vs.6.
Hertaald:derwaarts
Namelijk naar Cesarea, zoals hij ook gedaan heeft, vers 6.
Handelingen 25 vers 5— Die dan, zeide hij, onder u kunnen, dat zij mede afreizen, en zo er iets onbehoorlijks in dezen man is, dat zij hem beschuldigen.
afreizen, en
Namelijk naar Cesarea; zo spreekt hij omdat Jeruzalem hoger in het land en op bergen lag. Zie vs.7.
Hertaald:afreizen, en
Namelijk naar Cesarea; zo spreekt hij omdat Jeruzalem hoger in het land en op bergen lag. Zie vers 7.
Handelingen 25 vers 6— En als hij onder hen niet meer dan tien dagen doorgebracht had, kwam hij af naar Cesarea; en des anderen daags, op den rechterstoel gezeten zijnde, beval hij, dat Paulus zou voor gebracht worden.
niet meer dan
Anders, meer dan tien dagen.
Hertaald:niet meer dan
Anders: meer dan tien dagen.
Handelingen 25 vers 7— En als hij daar gekomen was, stonden de Joden, die van Jeruzalem afgekomen waren, rondom hem, vele en zware beschuldigingen tegen Paulus voortbrengende, die zij niet konden bewijzen;
vele en zware
Welke deze beschuldigingen geweest zijn, blijkt uit de verantwoording van Paulus in vs.8.
Hertaald:vele en zware
Welke beschuldigingen dat geweest zijn, blijkt uit de verantwoording van Paulus in vers 8.
Handelingen 25 vers 9— Maar Festus, willende den Joden gunst bewijzen, antwoordde Paulus, en zeide: Wilt gij naar Jeruzalem opgaan, en aldaar voor mij over deze dingen geoordeeld worden?
gunst bewijzen,
Gelijk ook tevoren Felix deed; Hand. 24:27 .
Hertaald:gunst bewijzen,
Zoals ook Felix tevoren deed; Hand. 24:27.
voor mij over
Namelijk van den Raad der Joden, in mijne tegenwoordigheid of onder mijn beleid.
Hertaald:voor mij over
Namelijk van de Raad van de Joden, in mijn aanwezigheid of onder mijn leiding.
Handelingen 25 vers 10— En Paulus zeide: Ik sta voor den rechterstoel des keizers, waar ik geoordeeld moet worden; den Joden heb ik geen onrecht gedaan; gelijk gij ook zeer wel weet.
des keizers,
Namelijk wiens stadhouder gij zijt.
Hertaald:des keizers,
Namelijk van de keizer, wiens stadhouder u bent.
moet worden;
Namelijk als een burger van Rome.
Hertaald:moet worden;
Namelijk als burger van Rome.
gelijk gij ook
Namelijk zo uit het bericht dat Felix u van mij gedaan heeft, als uit deze mijne verantwoording, die gij nu gehoord hebt.
Hertaald:gelijk gij ook
Namelijk zowel uit het bericht dat Felix u over mij gedaan heeft als uit deze verantwoording van mij die u nu gehoord hebt.
Handelingen 25 vers 11— Want indien ik onrecht doe, en iets des doods waardig gedaan heb, ik weiger niet te sterven; maar indien er niets is van hetgeen, waarvan dezen mij beschuldigen, zo kan niemand mij hun uit gunst overgeven. Ik beroep mij op den keizer.
Ik beroep mij
Dat is, ik beroep mij tot den keizer, namelijk als een burger van Rome, wien dit recht van appel, of beroeping van den keizer in zulke gelegenheid toekomt, gelijk blijkt, vs.12, en Hand. 26:32 .
Hertaald:Ik beroep mij
Dat is: ik beroep mij op de keizer, namelijk als burger van Rome, aan wie in zo'n geval het recht van beroep op de keizer toekomt, zoals blijkt uit vers 12 en Hand. 26:32.
Handelingen 25 vers 12— Toen antwoordde Festus, als hij met den raad gesproken had: Hebt gij u op den keizer beroepen? Gij zult tot den keizer gaan.
met den raad
Niet der Joden, maar dergenen, die hij als stadhouder bij zich had geroepen.
Hertaald:met den raad
Niet de Raad van de Joden, maar die van hen die hij als stadhouder bij zich geroepen had.
Handelingen 25 vers 13— En als enige dagen voorbijgegaan waren, kwamen de koning Agrippa en Bernice te Cesarea, om Festus te begroeten.
Agrippa
Deze was de zoon van dien Herodes, die Jakobus had doen doden; Hand. 12:1-2 .
Hertaald:Agrippa
Deze was de zoon van die Herodes die Jakobus had laten doden; Hand. 12:1-2.
Bernice
Eene zuster van Agrippa [gelijk ook Drusilla, Hand. 24:24 ] , ook een ontuchtige en prachtige vrouw, die weduwe zijnde, bij dezen Agrippa haren broeder gewoond heeft, niet zonder achterdenken van bloedschande; JosEf. Antiq. lib.20, cap.5.
Hertaald:Bernice
Een zuster van Agrippa (evenals Drusilla, Hand. 24:24), eveneens een onzedelijke en praalzieke vrouw, die als weduwe bij haar broer Agrippa gewoond heeft, niet zonder verdenking van bloedschande; Josefus, Oudheden, boek 20, hoofdstuk 5.
te begroeten
Of, te welkomen en geluk te wensen over zijne komst in deze nieuwe provincie en bediening.
Hertaald:te begroeten
Of: te verwelkomen en geluk te wensen met zijn komst in deze nieuwe provincie en bediening.
Handelingen 25 vers 15— Om wiens wil, als ik te Jeruzalem was, de overpriesters en de ouderlingen der Joden verschenen, begerende vonnis tegen hem;
vonnis tegen hem;
Namelijk des doods, zonder anderen vorm van recht, gelijk blijkt uit vs.16.
Hertaald:vonnis tegen hem;
Namelijk het doodvonnis, zonder enige andere vorm van recht, zoals blijkt uit vers 16.
Handelingen 25 vers 16— Aan dewelke ik antwoordde, dat de Romeinen de gewoonte niet hebben, enigen mens uit gunst ter dood over te geven, eer de beschuldigde de beschuldigers tegenwoordig heeft, en plaats van verantwoording gekregen heeft over de beschuldiging.
uit gunst
Namelijk van de beschuldigers, gelijk zij verzocht hadden, vs.3.
Hertaald:uit gunst
Namelijk aan de beschuldigers, zoals zij gevraagd hadden, vers 3.
ter dood over
Grieks ten verderve.
Hertaald:ter dood over
Grieks: ten verderve.
tegenwoordig
Grieks voor het aangezicht.
Hertaald:tegenwoordig
Grieks: voor het aangezicht.
Handelingen 25 vers 17— Als zij dan gezamenlijk alhier gekomen waren, zo heb ik, geen uitstel nemende, des daags daaraan op den rechterstoel gezeten, en beval, dat de man zoude voor gebracht worden;
nemende, des
Grieks makende.
Hertaald:nemende, des
Grieks: makende.
Handelingen 25 vers 18— Over welken de beschuldigers, hier staande, geen zaak hebben voorgebracht, waarvan ik vermoedde;
zaak hebben
Of, beschuldiging.
Hertaald:zaak hebben
Of: beschuldiging.
Handelingen 25 vers 19— Maar hadden tegen hem enige vragen van hun godsdienst, en van zekeren Jezus, Die gestorven was, Welken Paulus zeide te leven.
vragen van hun
Of, verschillen, kwestiën.
Hertaald:vragen van hun
Of: verschillen, kwesties.
godsdienst, en
Of, bijgeloof alzo noemt deze heiden den Joodsen godsdienst uit verachting, en dat in tegenwoordigheid van Agrippa en zijne zuster, die Joden waren, maar alles gewoon te verdragen, om deze Romeinse stadhouders niet te mishagen.
Hertaald:godsdienst, en
Of: bijgeloof. Zo noemt deze heiden de Joodse godsdienst uit verachting, en dat in aanwezigheid van Agrippa en zijn zuster, die Joden waren maar gewend waren alles te verdragen om deze Romeinse stadhouders niet te mishagen.
Handelingen 25 vers 20— En als ik over de onderzoeking van deze zaak in twijfeling was, zeide ik, of hij wilde gaan naar Jeruzalem, en aldaar over deze dingen geoordeeld worden.
in twijfeling
Dit zegt hij tegen waarheid om zijne zaak te verschonen; want hij had dit van Paulus alzo gevergd om den Joden gunst te bewijzen, vs.9.
Hertaald:in twijfeling
Dit zegt hij tegen de waarheid in om zijn zaak te vergoelijken; want hij had dat van Paulus gevraagd om de Joden een gunst te bewijzen, vers 9.
Handelingen 25 vers 21— En als Paulus zich beriep, dat men hem tot de kennis des keizers bewaren zou, zo heb ik bevolen, dat hij bewaard zoude worden, ter tijd toe, dat ik hem tot den keizer zenden zou.
des keizers
Grieks Sebaston; voor hetwelk de Latijnen gebruiken het woord Augustus, betekent eigenlijk een, wien de voornaamste eer toekomt; en het woord Sebas, waar dit van komt, wordt veel genomen voor goddelijke eer, welke de heidenen hunnen keizers ook aandeden, of ook voor hetgeen goddelijke eer aangedaan wordt. Zie Hand. 17:23 , en Hand. 27:1 .
Hertaald:des keizers
Grieks: Sebaston, waarvoor de Latijnen het woord Augustus gebruiken; het betekent eigenlijk iemand aan wie de hoogste eer toekomt. Het woord sebas, waar het van komt, wordt vaak gebruikt voor goddelijke eer, die de heidenen ook aan hun keizers bewezen, of voor datgene waaraan goddelijke eer bewezen wordt. Zie Hand. 17:23 en Hand. 27:1.
Handelingen 25 vers 23— Des anderen daags dan, als Agrippa gekomen was en Bernice, met grote pracht, en als zij ingegaan waren in het rechthuis, met de oversten over duizend, en de mannen, die de voornaamsten de stad waren, werd Paulus op bevel van Festus voor gebracht.
pracht, en
Grieks met veel fantasie; dat is, luister of schijn, niet alleen van kostelijke klederen, maar ook van groot gevolg of gesleep, hetwelk wij pracht of pomp plegen te noemen.
Hertaald:pracht, en
Grieks: met veel vertoon; dat is: luister of praal, niet alleen van kostbare kleren maar ook van een groot gevolg, wat wij pracht of pomp plegen te noemen.
rechthuis, met
Grieks Acroaterion; hetwelk eigenlijk betekent ene zaal of plaats, waar men audientie geeft, of de rechtzaken hoort en bepleit.
Hertaald:rechthuis, met
Grieks: akroaterion; dat betekent eigenlijk een zaal of plaats waar men audiëntie geeft, of waar de rechtszaken gehoord en bepleit worden.
Handelingen 25 vers 26— Van welken ik niets zekers heb aan den heer te schrijven; daarom heb ik hem voor ulieden voorgebracht, en meest voor u, koning Agrippa, opdat ik, na gedane onderzoeking, wat heb te schrijven.
den heer te
Dat is, de keizer; welken titel van heer de eerste keizers niet hebben willen aannemen, omdat zij ene heerschappij over de onderzaten, als over slaven, medebrengt. Doch de keizer Nero, onder wien dit is geschied, heeft zich dien titel laten geven, gelijk ook vele andere keizers na hem.
Hertaald:den heer te
Dat is: de keizer. Die titel van heer hebben de eerste keizers niet willen aannemen, omdat hij een heerschappij over de onderdanen inhoudt alsof zij slaven waren. Maar keizer Nero, onder wie dit gebeurde, heeft zich die titel wel laten geven, zoals ook veel andere keizers na hem.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Felix — de gelukkige, de voorspoedige
De Romeinse stadhouder van Judea voor wie Paulus terechtstond. Hij hield de rechtszaak twee jaar lang aan, mede in de hoop op steekpenningen van Paulus (Hand. 24:26), en liet Paulus bij zijn aftreden gevangen achter om de Joden ter wille te zijn (Hand. 24:27). Hij was getrouwd met Drusilla.
De opvolger van Felix als Romeins stadhouder van Judea. Hij behandelde de aanhoudende zaak tegen Paulus, die zich vervolgens op de keizer beriep (Hand. 25:1-12), en legde de zaak daarna voor aan koning Agrippa (Hand. 25:13-27).
Agrippa (koning, zoon van Agrippa I) — onzeker
Herodes Agrippa II, zoon van Herodes Agrippa I (die in Hand. 12 stierf) en de laatste vorst uit het huis van Herodes; dus niet dezelfde persoon als zijn vader. Hij kwam met zijn zuster Bernice naar Cesarea om Festus te begroeten, en Paulus verdedigde zich voor hem (Hand. 25:13, 23; het vervolg staat in hoofdstuk 26).
Bernice — overwinning brengend (Grieks)
Zuster van koning Herodes Agrippa II, met wie zij vaak in het openbaar optrad. Zij was aanwezig toen Paulus zich voor Agrippa en Festus verantwoordde (Hand. 25:13, 23).
Saulus — gevraagd, gebeden
Een jongeman uit Tarsen, aan wiens voeten de getuigen bij de steniging van Stefanus hun klederen legden; hij haalde welbehagen in diens dood en verwoestte daarna de gemeente, mannen en vrouwen gevangen nemend. Op weg naar Damaskus om ook daar christenen te vervolgen, verscheen hem de verhoogde Jezus in een fel licht; drie dagen blind, werd hij door Ananias genezen en gedoopt, en werd van vervolger een krachtig verkondiger dat Jezus de Christus is (Hand. 7:58; 8:1-3; 9:1-30); later bekend als de apostel Paulus.
KruisverwijzingenHandelingen 23:34→Handelingen 21:15→Handelingen 25:5→Handelingen 18:22→Handelingen 8:40→ — Festus dan, in de provincie gekomen zijnde, ging na drie dagen van Cesarea op naar Jeruzalem.
Porcius Festus werd aangesteld als stadhouder in de plaats van Felix. Felix had Paulus als gevangene achtergelaten om de Joden te believen. Toch zou hij bereid zijn geweest hem los te laten, als Paulus of zijn vrienden hem maar een flink genoeg smeergeld hadden gegeven. Felix had gebeefd toen Paulus handelde van rechtvaardigheid, van matigheid en van het toekomende oordeel. Maar zijn geweten was niet zo wakker geworden dat het hem tot recht deed handelen tegenover de apostel. Toch werd zijn onrechtvaardige gedrag dienstbaar aan Gods doel. Paulus moest getuigen voor de ene aardse machthebber na de andere, totdat hij uiteindelijk voor de wrede Nero zelf te Rome zou verschijnen. Paulus bevond zich te Cesarea, maar werd niet meteen voor Festus gebracht. Toen de stadhouder naar Jeruzalem opging, hernieuwden Paulus’ vijanden hun samenzwering tegen hem.
Handelingen 25:2-3
KruisverwijzingenHandelingen 25:15→Handelingen 24:1→Spreuken 4:16→Job 31:31→Romeinen 3:12→Handelingen 23:12→Jeremia 38:4→Jeremia 18:18→ — En de hogepriester, en de voornaamsten der Joden, verschenen voor hem tegen Paulus en baden hem, Begerende gunst tegen hem, opdat hij hem zou doen komen te Jeruzalem; en leggende een lage, om hem op den weg om te brengen.
In hun eerdere poging om de apostel te vermoorden waren zij verijdeld. Maar hun boosaardigheid dreef hen ertoe het opnieuw te proberen, hem op diezelfde laaghartige wijze te doden.
Handelingen 25:4-5
KruisverwijzingenHandelingen 24:23→Psalmen 7:3→1 Samuël 24:11→Johannes 18:29→Handelingen 25:25→Handelingen 25:16→Handelingen 25:18→Handelingen 23:30→ — Doch Festus antwoordde, dat Paulus te Cesarea bewaard werd, en dat hij zelf haast derwaarts zou verreizen. Die dan, zeide hij, onder u kunnen, dat zij mede afreizen, en zo er iets onbehoorlijks in dezen man is, dat zij hem beschuldigen.
Of Festus hun ware reden vermoedde, waarom zij zo aandrongen dat hij Paulus zou laten halen, kunnen wij niet zeggen. In elk geval faalde hun plan opnieuw.
Handelingen 25:6-7
KruisverwijzingenHandelingen 25:17→Handelingen 24:13→Mattheüs 27:19→Handelingen 25:10→Lukas 23:10→Handelingen 24:5→Lukas 23:2→Handelingen 18:12→ — En als hij onder hen niet meer dan tien dagen doorgebracht had, kwam hij af naar Cesarea; en des anderen daags, op den rechterstoel gezeten zijnde, beval hij, dat Paulus zou voor gebracht worden. En als hij daar gekomen was, stonden de Joden, die van Jeruzalem afgekomen waren, rondom hem, vele en zware beschuldigingen tegen Paulus voortbrengende, die zij niet konden bewijzen;
Het was voor hen gemakkelijk om vele en zware beschuldigingen tegen Paulus in te brengen. Maar het was niet alleen moeilijk, het was onmogelijk om hun aanklacht tegen de apostel te bewijzen.
Handelingen 25:8-9
KruisverwijzingenHandelingen 24:12→Handelingen 28:17→Handelingen 24:27→Handelingen 25:20→Handelingen 12:3→Jeremia 37:18→Handelingen 28:21→2 Korinthe 1:12→ — Dewijl hij, antwoordende, zeide: Ik heb noch tegen de wet der Joden, noch tegen den tempel, noch tegen den keizer iets gezondigd. Maar Festus, willende den Joden gunst bewijzen, antwoordde Paulus, en zeide: Wilt gij naar Jeruzalem opgaan, en aldaar voor mij over deze dingen geoordeeld worden?
Ook hierin was Festus precies als zijn voorganger Felix. Zonder twijfel hield hij rekening met het aantal en de positie van Paulus’ beschuldigers. Hij meende dat het verstandiger beleid zou zijn zich bij hen aan te sluiten dan bij de gevangene. Daarom “Festus, willende den Joden gunst bewijzen” —
Handelingen 25:9-11
KruisverwijzingenHandelingen 24:27→Handelingen 26:32→Handelingen 28:19→Handelingen 25:20→Handelingen 25:25→Handelingen 12:3→Handelingen 25:3→Markus 15:15→ — Maar Festus, willende den Joden gunst bewijzen, antwoordde Paulus, en zeide: Wilt gij naar Jeruzalem opgaan, en aldaar voor mij over deze dingen geoordeeld worden? En Paulus zeide: Ik sta voor den rechterstoel des keizers, waar ik geoordeeld moet worden; den Joden heb ik geen onrecht gedaan; gelijk gij ook zeer wel weet. Want indien ik onrecht doe, en iets des doods waardig gedaan heb, ik weiger niet te sterven; maar indien er niets is van hetgeen, waarvan dezen mij beschuldigen, zo kan niemand mij hun uit gunst overgeven. Ik beroep mij op den keizer.
Als vrijgeboren Romeins burger had Paulus het recht van beroep op de keizer, en dat recht oefende hij uit. Mogelijk besefte hij ook dat dit de weg was waarlangs de belofte van de Heere vervuld zou worden: “Heb goeden moed, Paulus, want gelijk gij te Jeruzalem van Mij betuigd hebt alzo moet gij ook te Rome getuigen.”
Handelingen 25:12
KruisverwijzingenPsalmen 76:10→Handelingen 25:21→Handelingen 26:32→Jesaja 46:10→Romeinen 15:28→Handelingen 19:21→Handelingen 28:16→Klaagliederen 3:37→ — Toen antwoordde Festus, als hij met den raad gesproken had: Hebt gij u op den keizer beroepen? Gij zult tot den keizer gaan.
De teerling was geworpen. Er was geen reden meer om de zaak verder te bespreken.
Handelingen 25:13-16
KruisverwijzingenHandelingen 24:27→Handelingen 25:4→Handelingen 23:30→Johannes 7:51→2 Samuël 8:10→1 Samuël 25:14→Handelingen 26:1→Handelingen 25:22→ — En als enige dagen voorbijgegaan waren, kwamen de koning Agrippa en Bernice te Cesarea, om Festus te begroeten. En toen zij aldaar vele dagen doorgebracht hadden, heeft Festus de zaken van Paulus aan den koning verhaald, zeggende: Hier is een zeker man van Felix gevangen gelaten; Om wiens wil, als ik te Jeruzalem was, de overpriesters en de ouderlingen der Joden verschenen, begerende vonnis tegen hem; Aan dewelke ik antwoordde, dat de Romeinen de gewoonte niet hebben, enigen mens uit gunst ter dood over te geven, eer de beschuldigde de beschuldigers tegenwoordig heeft, en plaats van verantwoording gekregen heeft over de beschuldiging.
Festus moet diepe verachting hebben gevoeld voor de overpriesters en oudsten van de Joden. Zij riepen om Paulus’ dood, nog vóór hij was berecht. Festus liet hun onomwonden weten dat dit niet de Romeinse, wel de Joodse manier was om met beschuldigden om te gaan.
Handelingen 25:17-19
KruisverwijzingenHandelingen 23:29→Handelingen 18:15→Handelingen 25:10→Handelingen 25:6→1 Korinthe 15:14→Handelingen 26:22→Handelingen 17:31→1 Korinthe 15:3→ — Als zij dan gezamenlijk alhier gekomen waren, zo heb ik, geen uitstel nemende, des daags daaraan op den rechterstoel gezeten, en beval, dat de man zoude voor gebracht worden; Over welken de beschuldigers, hier staande, geen zaak hebben voorgebracht, waarvan ik vermoedde; Maar hadden tegen hem enige vragen van hun godsdienst, en van zekeren Jezus, Die gestorven was, Welken Paulus zeide te leven.
Festus veronderstelde misschien dat men Paulus zou beschuldigen van samenzwering tegen Rome, of van een ander politiek misdrijf. Zulke zaken zou hij van veel groter gewicht hebben geacht dan “enige vragen van hun godsdienst, en van zekeren Jezus, Die gestorven was, Welken Paulus zeide te leven.” Paulus kon die bewering met de grootste zekerheid doen. Christus was hem immers verschenen op de weg naar Damaskus — het onweerlegbare bewijs dat Hij, hoewel eens gestorven, opnieuw leefde.
Festus had eigenlijk geen boodschap aan de zaak zelf. Hij was een Romeins stadhouder, pas in Judea aangekomen. Hij had geen enkele kennis van de Joodse Schriften of van de Joodse wet. Hij had er nooit bijzondere aandacht aan besteed, maar wist niet goed hoe hij de zaak aan de keizer moest voorleggen, tot wie Paulus zich had beroepen. Sprak Festus over “een zekeren Jezus”, dan noemde hij die naam alsof het om een onbeduidend iemand ging, van wie hij niets wist en zich weinig aantrok. Maar juist van deze Jezus verklaarde Paulus dat Hij leefde. Kennelijk stond die verbazingwekkende bewering — dat Jezus was opgestaan uit de doden en leefde — Festus voortdurend voor de geest. Later kreeg Paulus de kans zijn zaak toe te lichten. Hij zei tot Festus dat Christus zou lijden, als eerste uit de doden zou opstaan, en het volk en de heidenen licht zou verkondigen. Festus riep toen luid uit: “Gij raast, Paulus.” Paulus betoogde de opstanding niet, hij bevestigde haar eenvoudig. Hij predikte geen dode Christus, maar Een die “ook volkomen kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.” Jezus is gestorven, Jezus is opgestaan, Jezus leeft nu. Dat is het Evangelie.
Handelingen 25:20-22
KruisverwijzingenHandelingen 9:15→Handelingen 25:9→2 Timotheüs 4:16→Handelingen 25:10→Handelingen 26:32→Lukas 2:1→Lukas 21:12→Mattheüs 10:18→ — En als ik over de onderzoeking van deze zaak in twijfeling was, zeide ik, of hij wilde gaan naar Jeruzalem, en aldaar over deze dingen geoordeeld worden. En als Paulus zich beriep, dat men hem tot de kennis des keizers bewaren zou, zo heb ik bevolen, dat hij bewaard zoude worden, ter tijd toe, dat ik hem tot den keizer zenden zou. En Agrippa zeide tot Festus: Ik wilde ook zelf dien mens wel horen. En hij zeide: Morgen zult gij hem horen.
Zo werd Paulus’ getuigenis nog verder verspreid. Nauwelijks is een andere gelegenheid denkbaar waarin het Evangelie bekendgemaakt kon worden aan zo’n gehoor als de apostel de volgende dag zou toespreken.
Handelingen 25:23
KruisverwijzingenHandelingen 26:30→Handelingen 25:13→1 Johannes 2:16→Ezechiël 32:12→Handelingen 12:21→Ezechiël 33:28→Jakobus 1:11→1 Korinthe 7:31→ — Des anderen daags dan, als Agrippa gekomen was en Bernice, met grote pracht, en als zij ingegaan waren in het rechthuis, met de oversten over duizend, en de mannen, die de voornaamsten de stad waren, werd Paulus op bevel van Festus voor gebracht.
Het was zo’n indrukwekkende vergadering, dat Paulus haar maar al te graag toesprak. Het Evangelie kon geen edeler of waardiger pleitbezorger hebben. Toch lezen wij van niemand die daar aanwezig was en zich overgaf aan de Heere Jezus Christus.
Handelingen 25:24
KruisverwijzingenHandelingen 25:7→Handelingen 22:22→Handelingen 25:2→Lukas 23:21→ — En Festus zeide: Koning Agrippa, en gij mannen allen, die met ons hier tegenwoordig zijt, gij ziet dezen, van welken mij de ganse menigte der Joden heeft aangesproken, beide te Jeruzalem en hier, roepende, dat hij niet meer behoort te leven.
Festus zorgde ervoor dat de Joden niet konden vergeten dat zij de dood hadden geëist van een man die zelfs nog niet terecht had gestaan.
Handelingen 25:25-27
KruisverwijzingenHandelingen 23:29→Lukas 23:4→Handelingen 25:11→Handelingen 23:9→Handelingen 26:31→Johannes 18:38→Lukas 23:14→Handelingen 26:2→ — Maar ik bevonden hebbende, dat hij niets des doods waardig gedaan had, en dewijl hij ook zelf zich op den keizer beroepen heeft, heb besloten hem te zenden. Van welken ik niets zekers heb aan den heer te schrijven; daarom heb ik hem voor ulieden voorgebracht, en meest voor u, koning Agrippa, opdat ik, na gedane onderzoeking, wat heb te schrijven. Want het dunkt mij tegen rede, een gevangene te zenden, en niet ook de beschuldigingen, die tegen hem zijn, te kennen te geven.
De stadhouder sprak als een verstandig man. Hij ging zelfs zo ver te zeggen dat de gevangene “niets des doods waardig gedaan had.”
e. Vers 1-12KruisverwijzingenHandelingen 25:15→Handelingen 25:17→Handelingen 24:13→Handelingen 24:12→Handelingen 28:17→Handelingen 24:27→Handelingen 23:34→Handelingen 24:1→ — Festus dan, in de provincie gekomen zijnde, ging na drie dagen van Cesarea op naar Jeruzalem. En de hogepriester, en de voornaamsten der Joden, verschenen voor hem tegen Paulus en baden hem, Begerende gunst tegen hem, opdat hij hem zou doen komen te Jeruzalem; en leggende een lage, om hem op den weg om te brengen. Doch Festus antwoordde, dat Paulus te Cesarea bewaard werd, en dat hij zelf haast derwaarts zou verreizen. Die dan, zeide hij, onder u kunnen, dat zij mede afreizen, en zo er iets onbehoorlijks in dezen man is, dat zij hem beschuldigen. En als hij onder hen niet meer dan tien dagen doorgebracht had, kwam hij af naar Cesarea; en des anderen daags, op den rechterstoel gezeten zijnde, beval hij, dat Paulus zou voor gebracht worden. En als hij daar gekomen was, stonden de Joden, die van Jeruzalem afgekomen waren, rondom hem, vele en zware beschuldigingen tegen Paulus voortbrengende, die zij niet konden bewijzen; Dewijl hij, antwoordende, zeide: Ik heb noch tegen de wet der Joden, noch tegen den tempel, noch tegen den keizer iets gezondigd. Maar Festus, willende den Joden gunst bewijzen, antwoordde Paulus, en zeide: Wilt gij naar Jeruzalem opgaan, en aldaar voor mij over deze dingen geoordeeld worden? En Paulus zeide: Ik sta voor den rechterstoel des keizers, waar ik geoordeeld moet worden; den Joden heb ik geen onrecht gedaan; gelijk gij ook zeer wel weet.
Drie dagen na de intrede in zijn ambt bezoekt de nieuwe landvoogd uit officieel en persoonlijk belang de stad Jeruzalem. Hem wordt met bijzondere aandrang door de overpriesters en de voornaamsten van de Joden verzocht, Paulus, die nog te Cesarea in bewaring was, naar de nationale hoofdstad te roepen, opdat daar zijn proces zou worden ten einde gebracht. De geheime bedoeling is hem op de weg te laten ombrengen. Festus staat dat verzoek niet toe, opdat het zwaartepunt van het landbestuur niet dadelijk bij het begin van zijn regeren zou worden verplaatst. Hij belooft echter een spoedige behandeling van de zaak te Cesarea en roept de aanklagers en getuigen daarheen. De dag na zijn aankomst op deze plaats vat hij reeds de zaak aan. Hier vaart men hard tegen de apostel uit, wat de menigte en de zwaarte van de tegen hem gerichte aanklachten aangaat; doch de tegenstanders kunnen hun beschuldigingen niet bewijzen. Festus, die van de drie punten van aanklacht dat van poging tot oproer tegen de keizer uitsluit, maar de beide andere, die de Joodse wet en de tempel aangaan, onbeslist willen laten om de aanklagers voor zich te winnen, doet het voorstel om met het oog op die beide punten het onderzoek te Jeruzalem te doen plaatshebben. Paulus maakt gebruik van zijn recht als Romeins burger en appelleert op de keizer, hetgeen de landvoogd na voorafgaand beraad met zijn raadsleden ook aanneemt.
KruisverwijzingenHandelingen 23:34→Handelingen 21:15→Handelingen 25:5→Handelingen 18:22→Handelingen 8:40→— Festus dan, in de provincie gekomen zijnde, ging na drie dagen van Cesarea op naar Jeruzalem.
Festus dan kwam in de provincie aan en ging drie dagen nadat hij zijn post had aanvaard, van Cesarea, de officiële stad Ac 10: 2, op naar Jeruzalem, de nationale hoofdstad van het door hem te besturen land, om zich aan de Joodse oversten te vertonen en de omstandigheden aldaar te leren kennen.
KruisverwijzingenHandelingen 25:15→Handelingen 24:1→Spreuken 4:16→Job 31:31→Romeinen 3:12→— En de hogepriester, en de voornaamsten der Joden, verschenen voor hem tegen Paulus en baden hem,
En de hogepriester en de voornaamsten van de Joden, vertegenwoordigd door hun oudsten (vs. 15) verschenen voor hem tegen Paulus, om het proces dat vroeger niet naar hun wens was afgehandeld, weer opnieuw te doen beginnen. En zij verzochten hem dat hij de zaak nu toch ten einde zou brengen, die zijn voorganger zo lang had gerekt, die reeds sedert twee jaar hangende was.
KruisverwijzingenHandelingen 23:12→Jeremia 38:4→Jeremia 18:18→Psalmen 37:32→Romeinen 3:8→Psalmen 140:1→1 Samuël 23:19→Handelingen 26:9→— Begerende gunst tegen hem, opdat hij hem zou doen komen te Jeruzalem; en leggende een lage, om hem op den weg om te brengen.
Zij deden dit met de begeerte naar een gunst ten nadele van Paulus, de aangeklaagde, opdat hij, Festus, hem zou doen komen naar Jeruzalem, nog in de tijd dat hij te Jeruzalem aanwezig was. Hij zou er toch zonder twijfel belang in stellen het hoogste college van het land dadelijk bij de intrede in zijn ambt voor zich te winnen en zo kon dan het proces spoedig ten einde lopen en het door de hoge raad reeds vastgestelde doodvonnis aan hem worden voltrokken (hoofdstuk 24: 6). Zij deden dat verzoek met de gruwelijkste bedoelingen en smeedden voor het geval dat zij dat overbrengen van de apostel van Cesarea naar Jeruzalem mochten verkrijgen een aanslag, om hem door sluipmoordenaars, die men gemakkelijk kon krijgen (hoofdstuk 23: 12vv.), op de weg om te brengen; zo wilden zij een mogelijke vrijspraak door de landvoogd voorkomen en in ieder geval hun eigenlijke doel bereiken.
KruisverwijzingenHandelingen 24:23→— Doch Festus antwoordde, dat Paulus te Cesarea bewaard werd, en dat hij zelf haast derwaarts zou verreizen.
Doch Festus weigerde de gevangene over te brengen om de in vs. 16 meegedeelde reden en wees er de verzoekers op dat hun in de hoofdzaak door zijn weigering de gelegenheid niet was ontnomen om tot hun vermeend recht te komen. Hij antwoordde dat Paulus te Cesarea bewaard werd en dat hijzelf, de landvoogd, haastig daarheen zou reizen en dus behoefde de zaak ook geen langer uitstel.
KruisverwijzingenPsalmen 7:3→1 Samuël 24:11→Johannes 18:29→Handelingen 25:25→Handelingen 25:16→Handelingen 25:18→Handelingen 23:30→Handelingen 18:14→— Die dan, zeide hij, onder u kunnen, dat zij mede afreizen, en zo er iets onbehoorlijks in dezen man is, dat zij hem beschuldigen.
Laten dan zij, zei hij, die onder u als wettige aanklagers of gekwalificeerde getuigen optreden, als ik terugkeer met mij mee afreizen en als er iets onbehoorlijks in deze man wordt gevonden, laten zij hem beschuldigen voor mijn rechterstoel. Ik zal dus aannemen dat hij in de toestand van een aangeklaagde is, hetgeen Felix nog heeft verdaagd (hoofdstuk 24: 22), zodat dan te Cesarea tot het eigenlijke proces kan worden overgegaan.
Markus Porcius Festus was een rechtvaardig man (vs. 16), die graag weer goed zou hebben gemaakt wat zijn voorganger bedorven had en met strengheid en gerechtigheid de orde in Palestina trachtte te herstellen. De hartstochten van het volk waren echter reeds te zeer opgewekt, om zijn voornemen te doen gelukken. Daarenboven heeft hij ten gevolge van een vroegtijdige dood slechts kort zijn ambt kunnen waarnemen (van het midden van het jaar 60 tot het begin van het jaar 62) en verkreeg hij na elkaar twee opvolgers, die het nog erger maakten dan Felix en zelfs elkaar nog in slechtheid overtroffen (Aanh. II d. 2-4). Ook de spoed, waarmee Festus zich na de aanvaarding van zijn ambt te Cesarea naar Jeruzalem begeeft, toont hoezeer hij zijn verplichting kende als keizerlijk procurator en de plichten van zijn ambt. Evenwel betoont hij zich jegens Paulus onrechtvaardig en omtrent de Joden nog veel meer mensenbehager dan Felix. Hij laat het in het geheel niet komen tot een onderzoek of de aanklacht ontvankelijk of niet ontvankelijk is; hij beslist volgens de maat van de kortere procedure, die in de tijd van de keizers bij de Romeinse rechtspleging gewoonte was geworden, dadelijk voor de ontvankelijkheid. Hij neemt de accusatio aan als reeds uitgemaakt en wil dadelijk tot de actio overgaan. Dit maakt, zoals uit hoofdstuk 26: 24vv. blijkt, dat hij in het godsdienstige geheel onverschillig is, hij heeft geen begrip voor goddelijke zaken, en in zo’n geval wordt steeds de eenvoudig natuurlijke, burgerlijke rechtschapenheid vroeger of later te schande. Te Jeruzalem was intussen, ongeveer sedert een half jaar, in plaats van de hogepriester Ananias door Herodes Agrippa II Ac 25: 13, een ander, namelijk Ismaël, zoon van Pbabi, in dit ambt geplaatst. Daarom wordt ook in vs. 2 van Ananias niet met name gesproken; daarentegen wordt het werk van hem en van zijn sadduceese aanhangers (hoofdstuk 23: 12vv. ; 24: 10 de overpriesters en voornaamsten van het volk in een gesloten gezelschap voortgezet (vs. 3 en 7). Tevens was het ombrengen van Paulus een hoofdaangelegenheid van de gehele Joodse natie, waaraan nu de Farizeeën, die er vroeger meer afkerig van waren, ook meenden te moeten deelnemen. Twee jaren zijn er reeds sedert de eerste aanslag tegen Paulus verlopen en Ananias, die persoonlijk door de apostel is beledigd (hoofdstuk 23: 3) is intussen van de hogepriesterlijke zetel afgetreden. Desniettemin leeft nog dezelfde dodelijke haat, dezelfde lust tot sluipmoord tegen hem; die dodelijke vijandschap schijnt nog meer alles wat te Jeruzalem met een openbaar ambt en met ereposten bekleed is, te hebben ingenomen. Daaruit moet zeker wel worden verklaard dat Paulus door dezelfde Felix, over wie de Joden zozeer te klagen hadden, dat hij de gehele welvaart van het hand bedierf en het volk door zijn bestuur ten ondergang leidde, begunstigd scheen te zijn, waardoor scheen bevestigd te worden dat hij een afvallige was, die het met de heidenen hield en aan hen zijn volk verraadde (hoofdstuk 22: 21vv.). Zo’n mening aan de zijde van de oversten van de Joden in betrekking tot Paulus zou nog in geen geval uitsluiten dat daarentegen Jakobus II bij het volk zelf nog steeds in gunst stond en tot aan het Paasfeest van het jaar 62 zijn invloed wist te behouden, die zo zichtbaar voor de dag treedt in de gebeurtenis, die in Aanh. II b. 3 is meegedeeld. Wat de gemeente te Jeruzalem ten opzichte van de ijveraars aangaat, die in haar de boventoon voerden, moet het in het oog lopen dat bij haar volstrekt niets te zien is van een deelneming in het lot van Paulus. In de tijd na het ombrengen van Jakobus II wordt dan ook volgens de brief aan de Hebreeën een zeer groot gevaar gezien, dat men van het geloof in Christus zal afvallen en tot het Jodendom terugkeren. Wij zullen later over dit punt nader moeten spreken Ac 28: 31.
KruisverwijzingenHandelingen 25:17→Mattheüs 27:19→Handelingen 25:10→Handelingen 18:12→Johannes 19:13→Jakobus 2:6→2 Korinthe 5:10→— En als hij onder hen niet meer dan tien dagen doorgebracht had, kwam hij af naar Cesarea; en des anderen daags, op den rechterstoel gezeten zijnde, beval hij, dat Paulus zou voor gebracht worden.
En toen hij onder hen niet meer dan tien dagen doorgebracht had, dus een betrekkelijk korte tijd, kwam hij terug naar Cesarea, vergezeld door hen die Pauluswilden aanklagen; en de dag na zijn aankomst zette hij zich op de rechterstoel en beval dat Paulus uit zijn gevangenis zou worden voorgebracht.
KruisverwijzingenHandelingen 24:13→Lukas 23:10→Handelingen 24:5→Lukas 23:2→Esther 3:8→Handelingen 21:28→1 Petrus 4:14→Ezra 4:15→— En als hij daar gekomen was, stonden de Joden, die van Jeruzalem afgekomen waren, rondom hem, vele en zware beschuldigingen tegen Paulus voortbrengende, die zij niet konden bewijzen;
En toen hij daar gekomen was, stonden de Joden, die van Jeruzalem gekomen waren, rondom hem. Zij hadden hem omsingeld als een troep stieren en sperden hun mond tegen hem open als een verscheurende en brullende leeuw (Ps. 22: 13v.); zij brachten vele en zware beschuldigingen tegen Paulus voort, die zij niet konden bewijzen, ondanks de valse getuigen die zij hadden (MATTHEUS. 26: 59vv.).
KruisverwijzingenHandelingen 24:12→Handelingen 28:17→Jeremia 37:18→Handelingen 28:21→2 Korinthe 1:12→Handelingen 23:1→Handelingen 24:6→Genesis 40:15→— Dewijl hij, antwoordende, zeide: Ik heb noch tegen de wet der Joden, noch tegen den tempel, noch tegen den keizer iets gezondigd.
Zij konden dat niet, omdat hij zich verantwoordde door te zeggen (om de verdedigingsrede in hoofdzaak (hoofdstuk 24: 11vv.) te herhalen: ik heb noch tegen de wet van de Joden, noch tegen de tempel, noch tegen de keizer iets gezondigd, zoals mij met gehele verloochening van hun eigen Messiasgeloof mijn aanklagers beschuldigen (Luk. 17: 7; 23: 2).
Het onderscheid tussen deze behandeling van de zaak en die in hoofdstuk 24: 1vv. wordt door Lukas aangewezen doordat daar (hoofdstuk 24: 10) gezegd wordt: “toen de stadhouder Paulus gewenkt had, antwoordde hij, ” en nu hier geschreven wordt: “omdat hij zich verantwoordde door te zeggen. ” Was het dus, zoals wij ons daarvan overtuigd hebben, in hoofdstuk 24 nog geen actio, geen eigenlijke behandeling van het proces, maar eerst een onderzoek, dan hebben wij daarentegen hier een wezenlijke gerechtshandeling, waartoe Festus het uit conniventie of goedwilligheid jegens de Joden dadelijk heeft laten komen. Hij heeft de apostel reeds als een “reus” behandeld, als één die in staat van beschuldiging is gesteld, hetgeen hij echter eigenlijk nog niet was. Het schijnt nu verder alsof Lukas met hetgeen hij in vs. 6 schrijft, als hij daar eveneens het getal van de dagen noemt die Festus te Jeruzalem doorbracht, zoals hij in vs. 1 het getal van de dagen aangaf die van het intreden in zijn ambt tot zijn reis van Cesarea naar Jeruzalem verliepen, niet zozeer de ijver en de nauwgezetheid van de landvoogd om het aan de Joden gegeven woord te vervullen om dadelijk hun zaak te behandelen, op het oog had, maar integendeel het dringen en haasten van andere mensen, die zich reeds hadden voorbereid op een coup of aanslag, die zij dachten te volvoeren en die nu geen tijd mogen verliezen als de aanslag zal lukken. Dit zijn de overpriesters en de voornaamsten van de Joden, die in vs. 2v. dadelijk hun eerste ontmoeting van de nieuwe landvoogd als een welkome gelegenheid gebruiken om hem voor hun zaak tegen Paulus te interesseren en zijn genegenheid voor hun bedoelingen als een gunstbetoning te vragen, als die een heerser bij het aanvaarden van zijn ambt geeft aan hen die hij voortaan moet besturen, teneinde dadelijk te tonen dat hij een goedig heerser is, wie het om liefde te doen is. Hier is duidelijk een reeds lang voorbereid, slim aangelegd plan. Ook kan het ons niet moeilijk vallen uit de ons reeds bekende toestand van de omstandigheden en uit andere aanwezige aanwijzingen dit plan te ontcijferen. In hoofdstuk 24: 19 had toch Paulus al de welsprekendheid van Tertullus en alle verzekeringen van Ananias en zijn metgezellen als met een slag beschaamd, doordat hij erop wees hoe juist diegenen niet mede aanwezig waren, die wat het hoofdpunt van de aanklacht, wat de omstandigheden bij zijn gevangenneming aangaat, alleen een voldoend getuigenis konden afleggen. Zouden dan de Joden geen voorzorg hebben genomen, toen Felix werd teruggeroepen en een nieuwe landvoogd in de plaats van hem zou treden, om voor deze keer beter gewapend te zijn? En als nu bij het volksrumoer in hoofdstuk 21: 27vv. werkelijk, zoals wij bij hoofdstuk 19: 40 en 21: 30 (“Ac 19: 40” en “Ac 21: 30 dit vermoeden hebben uitgesproken, Alexander de kopersmid de ziel van de beweging was, zouden zij niet de tijd tussen het aftreden van de een en het aanvaarden van het ambt door de andere landvoogd zich ten nutte hebben gemaakt om deze Alexander tot zich te laten komen? In het bewustzijn van het overwicht dat zij nu door het meebrengen van deze over de apostel hebben verkregen, zijn zij bij de aankomst van Festus te Jeruzalem, hoewel deze reeds op de derde dag van zijn aankomst te Cesarea zich daarheen had begeven, dadelijk gereed met het weder opvatten van de aanklacht als hun gewichtigste bezigheid. Hij zal voor de hoge raad een getuigenis afleggen, waarop deze, in tegenwoordigheid en desnoods onder voorzitting van de landvoogd, Paulus als tempelschender kan ter dood veroordelen, zodat hij toch zal moeten sterven, ook al mocht het weer als in hoofdstuk 23: 12vv. mislukken hem bij wijze van sluipmoord op de weg om te brengen. Wij zullen later zien dat bij de gehele geschiedenis, die wij voor ons hebben, de tekst 2 Tim. 4: 14-18 moet worden gelezen. Zeker staat het woord van Paulus: “Alexander, de kopersmid, heeft mij veel kwaad gedaan, ” en het bericht van Lukas in onze tekst: “de Joden, die van Jeruzalem afgekomen waren, brachten vele en zware beschuldigingen tegen Paulus voort” in het nauwste verband met elkaar. Dit inbrengen van klachten was zeker een voortbrengen van beweringen, die zonder enig geldig bewijs bleven; maar Paulus kon geen tegenbewijs geven, maar moest zich tevreden stellen met de tegenbewering in vs. 8 : “Ik heb noch tegen de wet van de Joden, noch tegen de tempel, noch tegen de keizer iets gezondigd. ” Zeker zou hij tegengetuigen hebben kunnen stellen. De vier mannen, voor wie hij toen het offer in de tempel had gebracht, hadden slechts bereid hoeven te zijn, om zich eveneens te Cesarea te bevinden, daar de 8-10 dagen in vs. 6 hun zeker gelegenheid genoeg boden om de staat van zaken ten opzichte van Paulus bekend te maken en zich bij de landvoogd aan te bieden om in die zaak getuigenis te geven. Zij zullen echter liever niet met het proces te maken hebben gehad, noch zich aan de haat van de Joden hebben willen blootstellen en zo zou het woord van de apostel verklaarbaar zijn in 2 Tim. 4: 16 : “In mijn eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten. Het worde hun niet toegerekend. ” Een zeker smartelijk gevoel over ondervonden ondankbaarheid, ervaren trouweloosheid, onverdiende afgunst zelfs van de zijde van zijn christelijke broeders uit de Joden (hoofdstuk 21: 21), over wie hij ook in Kol. 4: 10v. spreekt, is wel in dat woord op te merken, alhoewel Paulus’ hart, tot vergeving bereid, het smartgevoel dadelijk overwint door de wending die hij eraan geeft met de voorbede, terwijl het woord met betrekking tot Alexander anders luidde: “de Heere vergelde hem naar zijn werken! “
KruisverwijzingenHandelingen 24:27→Handelingen 25:20→Handelingen 12:3→Handelingen 25:3→Markus 15:15→— Maar Festus, willende den Joden gunst bewijzen, antwoordde Paulus, en zeide: Wilt gij naar Jeruzalem opgaan, en aldaar voor mij over deze dingen geoordeeld worden?
Maar Festus meende de aangeklaagde, wat zijn schuld tegenover de keizer betrof, te moeten vrijspreken (hoofdstuk 26: 31v. 28: 18). De aanklagers verzetten zich echter tegen de vrijspraak, wat de aanklacht betrof omtrent misdaad tegen wet en tempel (hoofdstuk 28: 19). De landvoogd had er belang bij om gedurende de waarneming van zijn ambt niet al te veel moeite te hebben met dat hardnekkig volk, dat in het algemeen zozeer tegen het bestuur van de Romeinen in opstand was en kon als Romein ook niet handelen over die aanklachten omtrent schending van de voorvaderlijke godsdienst en ontwijding van de tempel. Festus wilde dan de Joden een gunst bewijzen en antwoordde Paulus: “Wilt gij naar Jeruzalem gaan en daar voor mij over deze dingen (hoofdst. 28: 17) geoordeeld worden? Het zal in mijn tegenwoordigheid en onder mijn leiding zijn, zodat geen onrechtvaardig oordeel tegen u zal worden geveld.
KruisverwijzingenHandelingen 23:29→Handelingen 22:25→2 Korinthe 4:2→Mattheüs 27:23→Handelingen 28:18→Mattheüs 27:18→Handelingen 25:17→Handelingen 16:37→— En Paulus zeide: Ik sta voor den rechterstoel des keizers, waar ik geoordeeld moet worden; den Joden heb ik geen onrecht gedaan; gelijk gij ook zeer wel weet.
En Paulus zei: Ik sta doordat ik voor u, de keizerlijke beambte in dit land gesteld ben, voor de rechterstoel van de keizer, waar ik geoordeeld moet worden en zo sta ik erop bij deze rechtbank te worden gelaten. De Joden heb ik geen onrecht gedaan, zoals gij, indien gij slechts een eigen gevoel van recht gehoor wilt geven, ook zeer goed weet (vs. 18vv.). Er is dus geen verwijzen van mijn zaak van uw tribunaal naar dat van de hoge raad te Jeruzalem nodig om duidelijkheid aan de zaak te geven.
KruisverwijzingenHandelingen 26:32→Handelingen 28:19→Handelingen 25:25→Handelingen 18:14→Job 31:38→Psalmen 7:3→1 Thessalonicenzen 2:15→Handelingen 16:37→— Want indien ik onrecht doe, en iets des doods waardig gedaan heb, ik weiger niet te sterven; maar indien er niets is van hetgeen, waarvan dezen mij beschuldigen, zo kan niemand mij hun uit gunst overgeven. Ik beroep mij op den keizer.
a) Want indien ik onrecht doe, indien uw overtuiging een andere was dan ik zo-even veronderstelde en gij mij aan de ene of andere zijde voor schuldig zoudt houden en ik iets gedaan heb waar de doodstraf op staat, ik weiger niet, op grond van een vonnis, door u over mij geveld, te sterven; maar indien er niets is van hetgeen waarvan dezen mij beschuldigen, dan kan niemand mij hun uit gunst overgeven. Ik beroep mij krachtens mijn Romeins burgerrecht (hoofdstuk 16: 37; 22: 25) op de keizer.
Hand. 18: 14
In de eerder aangehaalde tekst 2 Tim. 4: 14vv. zijn de woorden: “de Heere heeft mij bijgestaan en heeft mij bekrachtigd, opdat men door mij ten volle zou verzekerd zijn van de prediking en alle heidenen die zouden horen. En ik ben uit de muil van de leeuw verlost, ” meestal door de uitleggers geheel verkeerd uitgelegd en heeft men ook het verband met hetgeen wij voor ons hebben, geheel miskend. Beginnen wij met het laatst gezegde, dan moet onder de “muil van de leeuw” niet worden verstaan de dood, die de apostel trachtte te verslinden, noch de keizer Nero of de vijandige rechters te Rome, die besloten waren hem ter dood te veroordelen, maar zich hadden genoodzaakt gezien om ten gevolge van de verdediging zijn proces te verdagen. Bij de beide verklaringen zou de genoemde redding tenslotte toch geen redding zijn geweest, als men van een bevrijding van de apostel uit de eerste Romeinse gevangenschap afziet. En ook als men die wilde aannemen, dan had Paulus zelf zich eerst met zijn appelleren op de keizer in muil van de leeuw begeven en dus daarmee een onoverdachte stap gedaan. Het is echter niet in te denken dat hij met zo’n uitdrukking de Romeinse overheid zou hebben gebrandmerkt, die ook volstrekt niet dorstte naar zijn bloed. Maar wel zijn de Joden, hier door de overpriesters en oversten vertegenwoordigd, de leeuw die naar Paulus bloed dorstte. Zo hebben zij zich in hoofdstuk 14: 19; 19: 23vv. ; 20: 3; 21: 31; 22: 22; 23: 12vv. ; 25: 3 voldoende bewezen en het zou ook zonder twijfel met zijn leven gedaan geweest zijn, als hij zich volgens het voorstel van Festus had laten uitleveren aan de rechtbank van de inquisitie te Jeruzalem, aan de hoge raad. Zo is hij dan juist door dit tijdig ingebrachte appelleren op de keizer uit de muil van deze leeuw gered. En zo ziet hij nu de bijstand en versterking van de Heere in het feit dat in de tijd waarin trouweloze broeders hem met hun getuigenis in de steek laten, een apostolaat of afvallige hem veel kwaad deed en het de Joden onmogelijk maakte, vele en zware klachten tegen hem in te brengen, zodat zijn onschuld, tenminste wat de zogenaamde bezondiging tegen wet en tempel aangaat, voor de ogen van Festus geheel werd verduisterd, hem aan de ene zijde de rechte tegenwoordigheid van geest verleend werd om niet te bewilligen in het voorstel van de landvoogd, hoe verleidelijk die ook was door het bijgevoegde “voor mij”, maar het wettig middel van appelleren daar tegenover te plaatsen. Aan de andere zijde lukte het hem ook door de wijze van zijn optreden en de macht van zijn rede, op de landvoogd en diens raad zo’n indruk te maken, dat men het appelleren aannam en hem in plaats van naar Jeruzalem liever naar Rome overbracht. Volgens dit doel heeft de Heere de loop van de zaken uiterlijk bestuurd, maar ook innerlijk zijn woorden en gedrag zo bestuurd dat hijzelf daarheen streefde. Het doel van dat alles is geweest dat door hem de prediking werd verzekerd, zoals bij ons is vertaald, dat zij haar volheid door het voortgaan tot aan de einden van de aarde, tot in de gehele wereld (Matth. 28: 19 Rom. 10: 18) verkreeg, doordat zij tot in het hart van de heidenwereld, in de hoofdstad van de wereld, in Rome doordrong. Hoorden de Romeinen het evangelie in hun hoofdstad, dan hoorden ook in de Romeinen alle heidenen het evangelie; maar zover zou het niet zijn gekomen, als de Joden hun wil hadden gekregen. Zoals dezen vanouds nijdig waren en de heidenen het evangelie niet gunden (hoofdstuk 13: 45; 17: 5), zo was die nijd ook de enige reden van hun bloeddorstige haat, zoals dat duidelijk in hoofdstuk 22: 21vv. bleek. Maar uit deze leeuwenkuil is de apostel nu gered; hij mocht, toen hij zijn tweede brief aan Timotheus schreef, het rijk van God prediken en van de Heere Jezus leren met alle blijdschap zonder hinder (hoofdst. 28: 30v.). En als nu toch de gevangenschap van twee jaar in zachte militaire bewaring tenslotte op de dood van de apostel uitloopt, dan is dat toch niet meer voor hem een uitroeiing vóór zijn tijd, een weggeraapt worden voordat de loop geëindigd is (2 Tim. 4: 6vv.), maar een verlossing van alle kwaad en een redding tot het hemelse rijk, waarvan de vroegere verlossing uit de muil van de leeuw en de overbrenging naar Rome een zwak beeld is. De hier gegeven verklaring van de tekst bij Timotheus zal wel de juiste blijken te zijn en met de samenhang overeenstemmend. Is zij dat, dan is tevens bewezen dat de tweede brief van Timotheus zo weinig een tweede gevangenschap van Paulus te Rome veronderstelt dat die deze integendeel juist uitsluit; er is verder bewezen dat men de vervaardiging van deze brief ook niet na die tijd mag stellen, die de Handelingen van de apostelen in hoofdstuk 28: 30 en 31 beschrijft; hij valt integendeel nog in deze twee jaren (vgl. Aanm. II a. 2). Niet slechts zijn eigen recht, zo merken wij nog aan het einde van onze uiteenzettingen met de woorden van Lange op, beschermt de apostel door zijn in beroep gaan, maar ook de vrijheid en onafhankelijkheid van de Romeinse rechterstoel, die Festus op het punt stond prijs te geven. Ook daarom is Paulus een voorbeeld geworden van de evangelische kerk. Voor het forum van de hiërarchie stond haar niets anders dan vloek, inquisitie, gericht en zelfs sluipmoord te wachten. Ook voor haar bleef niets anders over dan een beroep op de keizer te doen, d. i. zich in de bescherming van de staat te begeven.
Ik wil mij aan de handhaving van recht en gerechtigheid niet onttrekken, ik zoek geen uitvluchten. Dikwijls toch is het beroep op een hogere rechtbank niets anders dan een uitvlucht, die niets anders dan uitstel en verschuiving van het verdiende vonnis ten doel heeft. Dat was het bij Paulus niet; recht vorderde hij, gunst hoefde hij niet.
KruisverwijzingenPsalmen 76:10→Handelingen 25:21→Handelingen 26:32→Jesaja 46:10→Romeinen 15:28→Handelingen 19:21→Handelingen 28:16→Klaagliederen 3:37→— Toen antwoordde Festus, als hij met den raad gesproken had: Hebt gij u op den keizer beroepen? Gij zult tot den keizer gaan.
Toen het nu moest worden beslist of het ingediende appel moest worden aangenomen of niet, antwoordde Festus, toen hij met de raad gesproken had, met de raadsleden van de Romeinse rechtbank die van mening waren, dat aan Paulus zijn wens moest worden toegestaan: hebt gij u op de keizer beroepen? Gij zult naar de keizer gaan.
Een beroep doen op de keizer kon niet onder alle omstandigheden worden toegelaten. Het kon ook worden geweigerd of omdat het te gevaarlijk, of omdat het overbodig was. Het eerste geval was daar als men te doen had met een beruchte rover, of bewerker van samenzweringen, gevaarlijk voor de staat, of met valse munters en rovers. Het tweede geval had dan plaats als er zo sterke en overeenstemmende bewijzen aanwezig waren, dat omtrent de wezenlijke schuld van de aangeklaagde niet meer kon worden getwijfeld. Nu had Festus, toen hij Paulus voor de hoge raad wilde stellen, feitelijk de aanklacht van hoog verraad reeds laten vallen als geheel onbewijsbaar. Daar echter de apostel steeds pogingen ten laste waren gelegd die voor de staat gevaarlijk waren, in welk geval, als er iets waars in de aanklacht lag, het beroep kon worden afgewezen, zag de landvoogd zich genoodzaakt zich eerst met zijn college van raadsleden af te zonderen. Door het later door hem gepubliceerde besluit werd Paulus aan de boosheid van het Joodse volk ontrukt. Mocht de leeuw nu ook verder zijn muil tegen de apostel opsperren, tussen de bloeddorstigen en de aangeklaagde stond voortaan het Romeinse gericht; rechtstreeks kon de leeuw zijn leven niet meer aanranden.
f. Vers 13 Kruisverwijzingen2 Samuël 8:10→1 Samuël 25:14→Handelingen 26:1→Handelingen 25:22→1 Samuël 13:10→Handelingen 8:40→Handelingen 26:27→Markus 15:18→ — En als enige dagen voorbijgegaan waren, kwamen de koning Agrippa en Bernice te Cesarea, om Festus te begroeten. – Hoofdstuk 26:32
Door de gehele wijze waarop het proces in de behandeling van het vorige gedeelte afliep, was de apostel zowel materieel als formeel vrijgesproken van de aanklacht van hoogverraad tegen de Romeinse keizer, zodat Festus in zijn mededeling in vs. 18v. er in het geheel niet meer aan denkt en ook Paulus zelf in hoofdst. 28: 17vv. ervan zwijgt. Nu moest, voordat de gevangene naar Rome werd gevoerd, door de leiding van God een gebeurtenis plaatshebben, waarbij de aangeklaagde door het toenmalige hoogste bestuur van de tempel en de laatste spruit van het koningshuis ook in materiële zin werd vrijgesproken van alle schuld tegen de Joodse tempel en de Joodse nationaliteit, zodat hij alleen als een naar formeel recht gevangen man naar Rome ging. De gebeurtenis is de aankomst van de koning Agrippa II, die de waardigheid bekleedde van hoogste opziener over de tempel en nu weinige dagen na die gerechtelijke behandeling samen met zijn zuster Berenice te Cesarea zich bevond, om de nieuwe landvoogd te begroeten. Festus vertelt hem over de zaak van Paulus, omdat hij daarmee als een uitsluitend Joods godsdienstige zaak geen raad weet en laat aan hem bij het nu ingestelde verhoor van de gevangene de leiding van de zitting en de einduitspraak aan hem over. De rede die Paulus daar houdt, is de zevende van alle die dit boek uit zijn mond ons meedeelt (hoofdst. 13: 16vv. ; 14: 15vv; 17: 22vv. ; 20: 18vv. ; 22: 1vv; 24: 1vv.) en staat aan de ene kant in nauwe verwantschap met de vijfde (hoofdstuk 22: 1vv.), waarin de apostel reeds over zijn vroeger leven als Farizeeër en van de geschiedenis van zijn bekering tot Christus sprak, aan de andere kant parallel met de zesde (hoofdstuk 24: 10vv.), in zoverre op de indruk gelet wordt op Festus en Agrippa, zoals daar op Felix en Drusilla. Zij laat ons echter in beide opzichten eigenaardigheden opmerken en getuigt van de verheven kunst en wijsheid van de apostel om telkens datgene te geven, wat juist op die plaats en voor het zielenheil van de toehoorders het doelmatigste was.
Kruisverwijzingen2 Samuël 8:10→1 Samuël 25:14→Handelingen 26:1→Handelingen 25:22→1 Samuël 13:10→Handelingen 8:40→Handelingen 26:27→Markus 15:18→— En als enige dagen voorbijgegaan waren, kwamen de koning Agrippa en Bernice te Cesarea, om Festus te begroeten.
En toen enige dagen na de gerechtelijke behandeling van de zaak (vs. 7vv.) voorbij gegaan waren, kwamen de koning Agrippa II Uit 2: 20 en Bernice zijn zuster, die met hem samenleefde, te Cesarea (Agrippa was toen 31 en Berenice 30 jaar oud), om Festus te begroeten, hem te verwelkomen als de nieuwe landvoogd van hun volk en bij hem als de vertegenwoordiger van de keizer hun opwachting te maken.
Herodes Agrippa II, of, zoals hij zich op munten noemt, Markus Agrippa, was bij de dood van zijn vader Agrippa I in het jaar 44 n. Chr. (hoofdst. 12: 23) pas 17 jaar oud en bevond zich te Rome, waar hij ook de eerste jaren bleef. Na de dood van zijn oom Herodes van Chalcis (zie de stamboom aan het einde van het slotwoord bij I Makk. B I 2 c. No. 3), verkreeg hij omstreeks het jaar 50 diens koninkrijk aan de Libanon, alsmede het opzicht over de tempel te Jeruzalem en het recht om de hogepriesters te benoemen; hij nam echter zijn rijk pas enige jaren later in bezit. Spoedig daarop, in het jaar 53, moest hij dit vorstendom weer overgeven voor een groter gebied, namelijk de tetrarchie van Filippus, die van Lysanias en het gebied van Varus, dat eveneens aan de Libanon lag en de verbinding tussen de ene en andere tetrarchie vormde. Na de dood van Claudius werd door de gunst van Nero zijn bezitting nog met enige stukken van Galilea en Perea vergroot. Uit dankbaarheid voor dergelijke weldaden was hij nu ook in zijn buitenlandse politiek geheel en al de zaak van Rome toegedaan, doch wist ook het Jodendom aan zich te verbinden, zoals zijn vader had gedaan. Zo bericht de Rabbijnse traditie van gesprekken van de koning met de beroemde schriftgeleerde Rabbi Eliëzer over vragen van de theologische casuistiek. Van zijn drie zusters hebben wij de jongste, Drusilla, in hoofdst. 24: 24v. leren kennen; de oudste was de hier genoemde Bernice, tot het jaar 48 gehuwd met Herodes van Chalcis, haar oom; na diens dood leefde zij in het huis van de broeder en verstrikte de zwakke man spoedig zo in haar netten, dat deze zich in een zeer verdachte relatie met haar inliet. Toen het schandaal openbaar was geworden, besloot zij de koning Polemon van Cilicië te huwen. Zij hield het intussen niet lang bij hem uit, maar kwam bij haar broeder terug en schijnt de oude relatie te hebben voortgezet. Later, in de tijd van de Joodse oorlog, werd zij de maîtresse eerst van Vespasianus en later van Titus, daar zij een buitengewone schoonheid was. Even kwezelachtig als liederlijk vinden wij haar in het jaar 66 in Nazireaat te Jeruzalem (Aanm. II d. 3). Het is opmerkelijk hoe in onze tekst (vgl. vs. 23 en 26: 30) Lukas, net als Josefus bij gelegenheid van de rede die Agrippa uit Xystus tot het volk hield (Aanh. II d. 4) dat doet (“Agrippa plaatste zijn zuster Berenice naast zich, zodat zij van alle zijden kon worden gezien” De b. Jud. II 16: 3), deze zuster aan alle handelingen van de broeder laat deelnemen, alsof zij diens echtgenote was, zonder ergens te zeggen dat zij zijn zuster was. Hij wil wel de onnatuurlijke verhouding laten doorschemeren en zoals nu de evangelische geschiedenis dadelijk bij het begin (Luk. 3: 19) ons van echtbreuk in het huis van de Herodianen heeft te berichten, zo wijst de geschiedenis van de apostelen ons in haar einde aan hoe het familieleven in dit huis tenslotte zelfs tot bloedschande is voortgegaan.
KruisverwijzingenHandelingen 24:27→— En toen zij aldaar vele dagen doorgebracht hadden, heeft Festus de zaken van Paulus aan den koning verhaald, zeggende: Hier is een zeker man van Felix gevangen gelaten;
En toen zij daar vele dagen doorgebracht hadden, heeft Festus aan de koning over Paulus verteld. Die was wel geen Jood, maar toch opzichter over de tempel te Jeruzalem en dus stelde hij veel belang in diens oordeel, over een zaakdie hem zo geheel duister was. Hij deelde die mede, zeggende: hier is een zeker man door Felix gevangen gelaten (hoofdst. 24: 27).
De eerste dagen zullen wel met allerlei vermakelijkheden zijn doorgebracht, die men zoekt om hooggeplaatste vreemdelingen eer aan te doen; na verscheidene dagen echter, toen de overige stof uitgeput was, kwam men ook op de zaak van Paulus.
Paulus is door zijn beroep op de keizer althans voor een tijd uit de macht en dreiging van de Joden bevrijd. Voor hen moet voorzeker de teleurstelling groot geweest zijn. Groot is nu de verlegenheid van de stadhouder. Wat zal hij naar Rome over een zaak, waarvan hem de grond en het wezen een raadsel is, tegen een blijkbaar onschuldige gevangene en appellant schrijven? In deze verlegenheid komt hem een vriendschappelijk bezoek allergelukkigst van pas. Het is dat aankomen van Agrippa. Met de hem eigen mengeling van hoogheid en de naïeve erkentenis van onbekendheid in zake van godsdienst spreekt hij tot zijn bezoekers.
Men merkt voortdurend in zijn handelwijze en in het omstandige bericht over hetgeen hij tot hiertoe gedaan heeft en over zijn twijfel in de voor hem zo moeilijke zaak, niet alleen de nieuwe beambte op, maar ook de ijdele Romein, die bij alle schijn van beleefdheid, die om raad vraagt, toch tevens wil tonen hoe onpartijdig en welingericht de Romeinse rechtspleging is.
KruisverwijzingenLukas 18:3→Handelingen 24:1→Handelingen 25:1→Esther 3:9→Lukas 23:23→— Om wiens wil, als ik te Jeruzalem was, de overpriesters en de ouderlingen der Joden verschenen, begerende vonnis tegen hem;
Tegen wie, toen ik in Jeruzalem (vs. 1) was, de overpriesters en de ouderlingen van de Joden begeerden dat ik een vonnis tegen hem zou uitspreken en laten volvoeren.
KruisverwijzingenHandelingen 25:4→Handelingen 23:30→Johannes 7:51→Deuteronomium 19:17→Spreuken 18:13→Handelingen 26:1→Deuteronomium 17:4→Spreuken 18:17→— Aan dewelke ik antwoordde, dat de Romeinen de gewoonte niet hebben, enigen mens uit gunst ter dood over te geven, eer de beschuldigde de beschuldigers tegenwoordig heeft, en plaats van verantwoording gekregen heeft over de beschuldiging.
Ik antwoordde hun dat de Romeinen de gewoonte niet hebben a) een mens uit gunst ter dood over te leveren, zoals zij eigenlijk begeerden, voordat de beschuldigde de beschuldigers tegenover zich heeft en gelegenheid totverantwoording gekregen heeft over de beschuldiging (hoofdst. 16: 37).
Deut. 17: 4
“De gewoonte van de Romeinen” is de hoofdzaak in de trotse voorstelling van de landvoogd en weinig vleiend was het voor de koning van de Joden, dat de gewoonte van de Joden daarbij zeer ongunstig afstak. Festus vroeg Agrippa’s raad, opdat hij een gevangene niet zonder mededeling van de reden tot de keizer zou hoeven te zenden (vs. 26v.), maar hij deelt het gebeurde mee niet zonder het twistzoekende Jodendom te berispen, dat in de vorm van een eerste verzoek de nieuwe rechter tot een ongerechtigheid wilde bewegen.
Audiatur et altera pars. “Men hore ook de andere partij”, voordat men een oordeel uitspreekt, was één van de eerste grondregels van het recht van de Romeinen, die in zaken van recht en gerechtigheid zelfs nog heden veelal onze leraars en wetgevers zijn. Het zou te wensen zijn dat deze zo goede regel en gewoonte van de Romeinen in het dagelijks leven door de christenen juist werd gevolgd, zodat zij geen van hun medemensen ongehoord veroordeelden, nooit in de eerste opwelling een oordeel velden en niet dadelijk alle kwaads geloofden, dat men anderen nazegt.
— Over welken de beschuldigers, hier staande, geen zaak hebben voorgebracht, waarvan ik vermoedde;
De beschuldigers die hier stonden, brachten echter geen beschuldiging in over dingen die ik vermoedde. Volgens de mij gedane aanklachten en omdat de man reeds zolang en zwaar gevangen zat en zo vreselijk gehaat werd, meende ik dat ik hier te doen had met een grote misdadiger, bijvoorbeeld met een oproermaker of moordenaar (Mark. 15: 7).
KruisverwijzingenHandelingen 23:29→Handelingen 18:15→1 Korinthe 15:14→Handelingen 26:22→Handelingen 17:31→1 Korinthe 15:3→Openbaring 1:18→Handelingen 18:19→— Maar hadden tegen hem enige vragen van hun godsdienst, en van zekeren Jezus, Die gestorven was, Welken Paulus zeide te leven.
Dat was hij echter niet, maar zij hadden met hem enige twistpunten over hun godsdienst (hoofdstuk 17: 22) en over een zekere Jezus, die gestorven was en van wie Paulus zei dat hij leefde, omdat Hij weer zou zijn opgestaan (Luk. 24: 23).
Over de Joodse godsdienst spreekt Festus hier niet met zo’n eerbied als men verwachten zou, daar hij in Agrippa iemand voor zich had die de godsdienst van de Joden beleed. Daar echter grote heren vaak van de godsdienst die zij uiterlijk belijden, in hun hart niet veel maken, wagen het andere tongen gemakkelijk ook in hun aangezicht daarvan lichtvaardig te spreken.
Het Oude Testament is in de ogen van Festus niet veel anders dan bijgeloof – en nu het Nieuwe? Dat handelt naar zijn mening over een zekere Jezus, die gestorven is en van wie Paulus zei “dat hij leefde. ” Over die naam dus, in wie alle knieën zich moeten buigen, spreekt Festus met volkomen onverschilligheid. Wat maakt het iemand, die geen Jood is, uit (Joh. 18: 35) welke vraagstukken de Joodse geleerden behandelen? En ziet, de onbekende Jezus, met schouderophalen genoemd, betoont dat Hij leeft en regeert juist door deze trotse Romein, die de heidenapostel moet behulpzaam zijn om te komen tot het doel van zijn loop! Zij die nog heden ten dage met een Festuslachje spreken over de geheimen van God, alsof het nietige vragen en eigenaardige meningen van de theologen waren – hoezeer heeft deze Jezus ook hen in Zijn hand!
KruisverwijzingenHandelingen 25:9→— En als ik over de onderzoeking van deze zaak in twijfeling was, zeide ik, of hij wilde gaan naar Jeruzalem, en aldaar over deze dingen geoordeeld worden.
En toen ik bij mijn onbekendheid met dergelijke dingen over het onderzoek van deze zaak in twijfel was, vroeg ik of hij naar Jeruzalem wilde gaan en daar over die dingen geoordeeld worden door de hoge raad, die omtrent dergelijke zaken onderzoek instelde en oordeelde.
Kruisverwijzingen2 Timotheüs 4:16→Handelingen 25:10→Handelingen 26:32→Lukas 2:1→— En als Paulus zich beriep, dat men hem tot de kennis des keizers bewaren zou, zo heb ik bevolen, dat hij bewaard zoude worden, ter tijd toe, dat ik hem tot den keizer zenden zou.
En toen Paulus in hoger beroep ging, opdat men hem tot de beslissing van de keizer in bewaring zou houden en er dus niets van wilde weten om door de hoge raad te Jeruzalem geoordeeld te worden, toen heb ik, daar ik zo’n beroep niet mocht afwijzen, bevolen dat hij bewaard zou worden tot de tijd dat ik hem naar de keizer zenden zou, waar dan zijn zaak ten einde zou worden gebracht.
Alhoewel wij de minachting, die Festus als heiden en man van de wereld uit onwetendheid met de vraag over de waarheid van de opstanding van Jezus liet opmerken, verafschuwen, moeten wij toch aan de andere zijde de billijkheid en gematigdheid in hem prijzen, dat hij in dergelijke godsdienst- en geloofsvragen niet met dictatorische uitspraken begonnen is en zelfs niet eens de strijd voor zijn rechterstoel wilde brengen. Deze heiden heeft hierin betere beginselen dan vele christelijke overheden, die er geen gewetenszaak van maken godsdiensttwisten evenals burgerlijke onenigheden te behandelen, leerstellingen en waarheden met verbanning, vuur en zwaard te verbieden en zich tot rechters over het geweten opwerpen.
Men kan het Festus niet aanrekenen dat hij van die godsdienstzaken niets verstond, maar wel moet men het aan die ontelbaar velen, die in de christelijke kerk geboren, gedoopt en opgevoed zijn, kwalijk nemen, dat zij van de eenvoudigste leerstukken volstrekt niets weten. De grootste schreeuwers, dikwijls wie weet hoe ontwikkeld in het uiterlijke, weten vaak niet wat een zeer zwak catechisant uit een dorp van het christendom weet.
KruisverwijzingenHandelingen 9:15→Lukas 21:12→Mattheüs 10:18→Jesaja 52:15→— En Agrippa zeide tot Festus: Ik wilde ook zelf dien mens wel horen. En hij zeide: Morgen zult gij hem horen.
En Agrippa zei tot Festus; Ik zou, indien het mogelijk was (Rom. 9: 3 Gal. 4: 20), ook zelf die man wel willen horen, om mij een beeld van zijn zaak te kunnen vormen. Festus was aanstonds bereid hem zo spoedig en zo plechtig mogelijk (vs. 23) de gelegenheid daartoe te geven, daar hij om die begeerte uit te lokken de mededeling omtrent Paulus had gedaan, teneinde uit zijn verlegenheid te worden gered. En hij zei: morgen zult gij hem horen; bereid u dus voor op een verhoor van hem.
Als Festus de zaak van Paulus, waarmee hij geen raad weet, Agrippa voorlegt, dan komt hij daarmee zeker tot een beter persoon dan Pilatus, toen hij Jezus, met wie hij niets wist te beginnen, naar de oudoom van Agrippa, die lichtzinnige Herodes Antipas, de viervorst van Galilea zond; en als onze Herodes Agrippa hier zegt: “ik wilde ook zelf die mens wel horen, ” dan is zeker zijn nieuwsgierigheid edeler en dieper geweest dan die van die andere Herodes, die Jezus sedert lange tijd had willen zien en die Hem bespotte, daar Hij voor hem geen wonderen deed. Maar ook onze Agrippa staat voor ons als een man van de wereld, wie bij al zijn godsdienstige eigenschappen toch een diepere godsdienstige grond ontbreekt. Maar wij moeten het toch beschouwen als een opwelling van nieuwsgierigheid en genotzucht en wel van een meer edeler aard (want ook in geestelijke zaken is er een nieuwsgierigheid en zucht tot genot), als Agrippa onder andere voorname genietingen en bezigheden nu ook eens deze mens wenst te zien en te horen, van wie Festus hem gesproken heeft, over wie hij overigens ook veel geruchten heeft gehoord. Hoe ijdel, hoe laag, hoe oppervlakkig staat deze koning met zijn: “ik wilde ook zelf die mens wel horen” naast de heilige ernst van de apostel, die alle kracht van zijn geest, alle geluk van zijn leven in de kennis van Jezus Christus en diens zaligheid stelde en alles schade achtte, opdat hij Christus mocht winnen! Hoe ijdel, hoe zonder zegen, hoe onvruchtbaar blijkt toch die nieuwsgierigheid van de mannen van de wereld, waarmee zij ook wel eens naar de kerk gaan, omdat zij geen andere afleiding weten, een prediker willen horen, omdat hij in de mode is, een stichtelijk boek ter hand nemen, omdat zij zich vervelen. Hoezeer verschilt die van de ernstige leergierigheid en begeerte naar zaligheid van een ware christen, die tot Jezus komt, omdat hij weet: “Gij hebt de woorden van het eeuwige leven, ” van hem die het woord van God naloopt, omdat het hem heilige ernst is met de vraag: “wat moet ik doen om zalig te worden? “
Het oordeel van de man van de wereld over geloofszaken: 1) zijn hoogste standpunt is dat van het burgerlijk recht; 2) zijn oordeel is minachtend; hij rekent de voorwerpen van het geloof tot het gebied van het bijgeloof en stelt er een zekere eer in dergelijke zaken niet te begrijpen; 3) zijn belangstelling in dergelijke zaken is evenals bij Agrippa een zaak van nieuwsgierigheid en van mode.
KruisverwijzingenHandelingen 26:30→Handelingen 25:13→1 Johannes 2:16→Ezechiël 32:12→Handelingen 12:21→Ezechiël 33:28→Jakobus 1:11→1 Korinthe 7:31→— Des anderen daags dan, als Agrippa gekomen was en Bernice, met grote pracht, en als zij ingegaan waren in het rechthuis, met de oversten over duizend, en de mannen, die de voornaamsten de stad waren, werd Paulus op bevel van Festus voor gebracht.
Toen dan de volgende dag Agrippa gekomen was met Bernice, die ook graag die zitting wilde bijwonen toen haar broer haar daarvan vertelde, en zich met grote pracht tot de landvoogd had vervoegd, was er ook van zijn kant alles aan gedaan om een luisterrijke samenkomst te hebben. En toen zij het rechthuis waren binnengegaan, in de gehoor- of spreekzaal van het rechthuis (hoofdst. 23: 35), met de oversten over duizend, de hoogste militaire autoriteiten en de mannen die de voornaamsten van de stad waren, de beste magistraatspersonen van Cesarea, werd Paulus op bevel van Festus voorgebracht.
Dat het naar de aard van de wederzijdse betrekking tussen de hooggeplaatste personages tot grote pracht en praal kwam, is evenmin bevreemdend, als dat naar de aard van de wereldzin, aan oude en nieuwe tijden gemeen, het verhoor van de befaamde gevangene tot een soort van openbare vertoning gemaakt werd, waarvoor de verschillende militaire en burgerlijke autoriteiten en nationaliteiten te Cesarea uitgenodigd werden.
Zij maakten een vertoning, alsof zij een grote heer verwachtten; dat was later Paulus in zijn boeien.
Door de voorstelling van Paulus voor Agrippa en Bernice kwam voor het eerst de voorzegging van de Heere (Matth. 10: 18 Mark. 13: 9) tot vervulling: “gij zult voor koningen en stadhouders geleid worden om Mijnentwil. “
Hoewel Paulus reeds een beroep op de keizer gedaan had en Agrippa dus geen vonnis kon uitspreken, maar op zijn hoogst een gunstig getuigenis kon geven, had deze toch lust met Paulus te spreken; de zaak werd nu niet ten einde gebracht als een privé-gesprek, maar in een gehoorzaal, dus als rechtszaak. Dit was een gelegenheid voor Agrippa om zich in staatsie te vertonen, te midden van het Romeinse gebied als Joods vorst op te treden in de hoedanigheid van onderzoeker in een rechtsgeding.
Met grote pracht, in sierlijke kleding en met alle praal vertoonden zich Agrippa en Bernice en dat op de plaats waar volgens hoofdst. 12: 21vv. de pracht van hun vader een verschrikkelijk einde had gehad.
Hoe zou die pracht spoedig verbleken voor de eenvoudige woorden van de man van God!
KruisverwijzingenHandelingen 25:7→Handelingen 22:22→Handelingen 25:2→Lukas 23:21→— En Festus zeide: Koning Agrippa, en gij mannen allen, die met ons hier tegenwoordig zijt, gij ziet dezen, van welken mij de ganse menigte der Joden heeft aangesproken, beide te Jeruzalem en hier, roepende, dat hij niet meer behoort te leven.
En Festus zei: Koning Agrippa en gij mannen, allen die met ons hier tegenwoordig zijn om onze vergadering op te luisteren en als getuigen bij te wonen! Gij ziet dezePaulus, van wie mij de hele menigte van de Joden heeft aangesproken en met grote onstuimigheid bij mij heeft aangedrongen, zowel te Jeruzalem als hier te Cesarea (vs. 2v. en vs. 7vv.). Men heeft hem zwaar bij mij beschuldigd, roepende dat hij niet meer behoort te leven, terwijl men zich tot zaakwaarnemers maakte van hen die dat voor Claudius Lysias uitschreeuwden (hoofdstuk 22: 22).
KruisverwijzingenHandelingen 23:29→Lukas 23:4→Handelingen 25:11→Handelingen 23:9→Handelingen 26:31→Johannes 18:38→Lukas 23:14→— Maar ik bevonden hebbende, dat hij niets des doods waardig gedaan had, en dewijl hij ook zelf zich op den keizer beroepen heeft, heb besloten hem te zenden.
Maar het bleek mij, zowel uit de verantwoording die hij zelf voor mij heeft gehouden (vs. 8) als uit de akten van mijn voorganger en uit de berichten van de overste (hoofdstuk 23: 29; 24: 22v.), dat hij niets gedaan had waar de doodstraf op staat en omdat hij zich ook zelf op de keizer beroepen heeft (vs. 10v.) heb ik besloten hem tot de keizer te Rome te zenden.
KruisverwijzingenHandelingen 26:2→— Van welken ik niets zekers heb aan den heer te schrijven; daarom heb ik hem voor ulieden voorgebracht, en meest voor u, koning Agrippa, opdat ik, na gedane onderzoeking, wat heb te schrijven.
Maar ik heb niets stelligs over hem te schrijven aan mijn heer, onze keizer, zodat ik in verlegenheid ben wat de inhoud moet zijn van de brief ter geleide van hem (hoofdstuk 23: 25vv.), om voor het verdereonderzoek enkele aanwijzingen te geven. Daarom heb ik hem voor u gebracht en vooral voor u, koning Agrippa, opdat ik na het onderzoek door u, die toch met kennis van zaken een juist oordeel kunt uitspreken, wat heb te schrijven.
KruisverwijzingenSpreuken 18:13→Johannes 7:51→— Want het dunkt mij tegen rede, een gevangene te zenden, en niet ook de beschuldigingen, die tegen hem zijn, te kennen te geven.
Want het lijkt mij niet redelijk, geen wenselijke zaak, een gevangene te zenden en niet ook de beschuldigingen die tegen hem zijn, te kennen te geven. Er dient toch te worden geschreven waarom hij zolang gevangen is gehouden en voor de rechtbank van de keizer gesteld wordt, zodat tenminste iets wordt genoemd wat nader onderzoek en nadere beslissing nodig heeft. Om zoiets te vinden, leg ik de gehele rechtszaak in uw hand.
Men ziet, Festus wil de aanklacht van de Joden duidelijk doen uitkomen als een onverstandig bestormen van zijn rechterlijk standpunt om daarentegen de standvastigheid, die hij meent betoond te hebben, in het gunstigste licht te laten voorkomen. Ook hier (vgl. vs. 20) verbergt hij de omstandigheid dat hij door zijn wankelen Paulus tot het beroep heeft gedwongen (vs. 9), in duisternis.
Door de aanspraak aan koning Agrippa en de overige aanwezigen, waarmee Festus de behandeling in de plechtige gehoorzaal opent, wijst hij de eerste aan als een scheidsrechter, kundig op dit gebied, die bij de grote tegenstelling tussen het algemeen oordeel van de Joden ten opzichte van de gevangene en zijn eigen overtuiging in staat zal zijn een middenweg te vinden, met behulp waarvan hij Paulus naar de vorm rechtens tot de keizer kan zenden. Agrippa neemt vervolgens ook in hoofdstuk 26: 1 de plaats van voorzitter en beslisser in, waarin Festus hem voor dit geval geplaatst heeft en verkrijgt daardoor in deze plechtige vergadering van Romeinse notabelen die rang die met zijn koninklijke naam overeenkomt. Hij neemt het woord en geeft aan Paulus toestemming zich te verdedigen; net zo spoedig en zeker weet ook de apostel zijn plaats te vinden en in te nemen. Wij twijfelen er niet aan of, zodra hij de koning aan het hoofd van de hele vergadering en van de rechtszaak ziet, het woord van de Heere hem in gedachten is gekomen van het getuigenis dat hem ook voor koningen opgelegd is (hoofdstuk 9: 15) en hem dit ernstig zal hebben aangespoord en tevens troostvol zal hebben bemoedigd.
De naam “heer” voor de keizer te Rome, waarvan Festus zich in vs. 26 bedient, was een benaming die Augustus en Tiberius met beslistheid afwezen als een naam die slechts de Joden toekwam, maar die reeds door Caligula en Claudius werd toegestaan en door Nero, regeerde sedert 13 okt. 54, dus sedert de tijd dat Paulus zijn werk in Efeze begon (hoofdstuk 19: 1vv.) zelfs als verplichte rechtstitel werd geëist.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Handelingen 25
Handelingen 25:1
KruisverwijzingenHandelingen 23:34→Handelingen 21:15→Handelingen 25:5→Handelingen 18:22→Handelingen 8:40→— Festus dan, in de provincie gekomen zijnde, ging na drie dagen van Cesarea op naar Jeruzalem.
Porcius Festus werd aangesteld als stadhouder in de plaats van Felix. Felix had Paulus als gevangene achtergelaten om de Joden te believen. Toch zou hij bereid zijn geweest hem los te laten, als Paulus of zijn vrienden hem maar een flink genoeg smeergeld hadden gegeven. Felix had gebeefd toen Paulus handelde van rechtvaardigheid, van matigheid en van het toekomende oordeel. Maar zijn geweten was niet zo wakker geworden dat het hem tot recht deed handelen tegenover de apostel. Toch werd zijn onrechtvaardige gedrag dienstbaar aan Gods doel. Paulus moest getuigen voor de ene aardse machthebber na de andere, totdat hij uiteindelijk voor de wrede Nero zelf te Rome zou verschijnen. Paulus bevond zich te Cesarea, maar werd niet meteen voor Festus gebracht. Toen de stadhouder naar Jeruzalem opging, hernieuwden Paulus’ vijanden hun samenzwering tegen hem.
Handelingen 25:2-3
KruisverwijzingenHandelingen 25:15→Handelingen 24:1→Spreuken 4:16→Job 31:31→Romeinen 3:12→Handelingen 23:12→Jeremia 38:4→Jeremia 18:18→— En de hogepriester, en de voornaamsten der Joden, verschenen voor hem tegen Paulus en baden hem, Begerende gunst tegen hem, opdat hij hem zou doen komen te Jeruzalem; en leggende een lage, om hem op den weg om te brengen.
In hun eerdere poging om de apostel te vermoorden waren zij verijdeld. Maar hun boosaardigheid dreef hen ertoe het opnieuw te proberen, hem op diezelfde laaghartige wijze te doden.
Handelingen 25:4-5
KruisverwijzingenHandelingen 24:23→Psalmen 7:3→1 Samuël 24:11→Johannes 18:29→Handelingen 25:25→Handelingen 25:16→Handelingen 25:18→Handelingen 23:30→— Doch Festus antwoordde, dat Paulus te Cesarea bewaard werd, en dat hij zelf haast derwaarts zou verreizen. Die dan, zeide hij, onder u kunnen, dat zij mede afreizen, en zo er iets onbehoorlijks in dezen man is, dat zij hem beschuldigen.
Of Festus hun ware reden vermoedde, waarom zij zo aandrongen dat hij Paulus zou laten halen, kunnen wij niet zeggen. In elk geval faalde hun plan opnieuw.
Handelingen 25:6-7
KruisverwijzingenHandelingen 25:17→Handelingen 24:13→Mattheüs 27:19→Handelingen 25:10→Lukas 23:10→Handelingen 24:5→Lukas 23:2→Handelingen 18:12→— En als hij onder hen niet meer dan tien dagen doorgebracht had, kwam hij af naar Cesarea; en des anderen daags, op den rechterstoel gezeten zijnde, beval hij, dat Paulus zou voor gebracht worden. En als hij daar gekomen was, stonden de Joden, die van Jeruzalem afgekomen waren, rondom hem, vele en zware beschuldigingen tegen Paulus voortbrengende, die zij niet konden bewijzen;
Het was voor hen gemakkelijk om vele en zware beschuldigingen tegen Paulus in te brengen. Maar het was niet alleen moeilijk, het was onmogelijk om hun aanklacht tegen de apostel te bewijzen.
Handelingen 25:8-9
KruisverwijzingenHandelingen 24:12→Handelingen 28:17→Handelingen 24:27→Handelingen 25:20→Handelingen 12:3→Jeremia 37:18→Handelingen 28:21→2 Korinthe 1:12→— Dewijl hij, antwoordende, zeide: Ik heb noch tegen de wet der Joden, noch tegen den tempel, noch tegen den keizer iets gezondigd. Maar Festus, willende den Joden gunst bewijzen, antwoordde Paulus, en zeide: Wilt gij naar Jeruzalem opgaan, en aldaar voor mij over deze dingen geoordeeld worden?
Ook hierin was Festus precies als zijn voorganger Felix. Zonder twijfel hield hij rekening met het aantal en de positie van Paulus’ beschuldigers. Hij meende dat het verstandiger beleid zou zijn zich bij hen aan te sluiten dan bij de gevangene. Daarom “Festus, willende den Joden gunst bewijzen” —
Handelingen 25:9-11
KruisverwijzingenHandelingen 24:27→Handelingen 26:32→Handelingen 28:19→Handelingen 25:20→Handelingen 25:25→Handelingen 12:3→Handelingen 25:3→Markus 15:15→— Maar Festus, willende den Joden gunst bewijzen, antwoordde Paulus, en zeide: Wilt gij naar Jeruzalem opgaan, en aldaar voor mij over deze dingen geoordeeld worden? En Paulus zeide: Ik sta voor den rechterstoel des keizers, waar ik geoordeeld moet worden; den Joden heb ik geen onrecht gedaan; gelijk gij ook zeer wel weet. Want indien ik onrecht doe, en iets des doods waardig gedaan heb, ik weiger niet te sterven; maar indien er niets is van hetgeen, waarvan dezen mij beschuldigen, zo kan niemand mij hun uit gunst overgeven. Ik beroep mij op den keizer.
Als vrijgeboren Romeins burger had Paulus het recht van beroep op de keizer, en dat recht oefende hij uit. Mogelijk besefte hij ook dat dit de weg was waarlangs de belofte van de Heere vervuld zou worden: “Heb goeden moed, Paulus, want gelijk gij te Jeruzalem van Mij betuigd hebt alzo moet gij ook te Rome getuigen.”
Handelingen 25:12
KruisverwijzingenPsalmen 76:10→Handelingen 25:21→Handelingen 26:32→Jesaja 46:10→Romeinen 15:28→Handelingen 19:21→Handelingen 28:16→Klaagliederen 3:37→— Toen antwoordde Festus, als hij met den raad gesproken had: Hebt gij u op den keizer beroepen? Gij zult tot den keizer gaan.
De teerling was geworpen. Er was geen reden meer om de zaak verder te bespreken.
Handelingen 25:13-16
KruisverwijzingenHandelingen 24:27→Handelingen 25:4→Handelingen 23:30→Johannes 7:51→2 Samuël 8:10→1 Samuël 25:14→Handelingen 26:1→Handelingen 25:22→— En als enige dagen voorbijgegaan waren, kwamen de koning Agrippa en Bernice te Cesarea, om Festus te begroeten. En toen zij aldaar vele dagen doorgebracht hadden, heeft Festus de zaken van Paulus aan den koning verhaald, zeggende: Hier is een zeker man van Felix gevangen gelaten; Om wiens wil, als ik te Jeruzalem was, de overpriesters en de ouderlingen der Joden verschenen, begerende vonnis tegen hem; Aan dewelke ik antwoordde, dat de Romeinen de gewoonte niet hebben, enigen mens uit gunst ter dood over te geven, eer de beschuldigde de beschuldigers tegenwoordig heeft, en plaats van verantwoording gekregen heeft over de beschuldiging.
Festus moet diepe verachting hebben gevoeld voor de overpriesters en oudsten van de Joden. Zij riepen om Paulus’ dood, nog vóór hij was berecht. Festus liet hun onomwonden weten dat dit niet de Romeinse, wel de Joodse manier was om met beschuldigden om te gaan.
Handelingen 25:17-19
KruisverwijzingenHandelingen 23:29→Handelingen 18:15→Handelingen 25:10→Handelingen 25:6→1 Korinthe 15:14→Handelingen 26:22→Handelingen 17:31→1 Korinthe 15:3→— Als zij dan gezamenlijk alhier gekomen waren, zo heb ik, geen uitstel nemende, des daags daaraan op den rechterstoel gezeten, en beval, dat de man zoude voor gebracht worden; Over welken de beschuldigers, hier staande, geen zaak hebben voorgebracht, waarvan ik vermoedde; Maar hadden tegen hem enige vragen van hun godsdienst, en van zekeren Jezus, Die gestorven was, Welken Paulus zeide te leven.
Festus veronderstelde misschien dat men Paulus zou beschuldigen van samenzwering tegen Rome, of van een ander politiek misdrijf. Zulke zaken zou hij van veel groter gewicht hebben geacht dan “enige vragen van hun godsdienst, en van zekeren Jezus, Die gestorven was, Welken Paulus zeide te leven.” Paulus kon die bewering met de grootste zekerheid doen. Christus was hem immers verschenen op de weg naar Damaskus — het onweerlegbare bewijs dat Hij, hoewel eens gestorven, opnieuw leefde.
Festus had eigenlijk geen boodschap aan de zaak zelf. Hij was een Romeins stadhouder, pas in Judea aangekomen. Hij had geen enkele kennis van de Joodse Schriften of van de Joodse wet. Hij had er nooit bijzondere aandacht aan besteed, maar wist niet goed hoe hij de zaak aan de keizer moest voorleggen, tot wie Paulus zich had beroepen. Sprak Festus over “een zekeren Jezus”, dan noemde hij die naam alsof het om een onbeduidend iemand ging, van wie hij niets wist en zich weinig aantrok. Maar juist van deze Jezus verklaarde Paulus dat Hij leefde. Kennelijk stond die verbazingwekkende bewering — dat Jezus was opgestaan uit de doden en leefde — Festus voortdurend voor de geest. Later kreeg Paulus de kans zijn zaak toe te lichten. Hij zei tot Festus dat Christus zou lijden, als eerste uit de doden zou opstaan, en het volk en de heidenen licht zou verkondigen. Festus riep toen luid uit: “Gij raast, Paulus.” Paulus betoogde de opstanding niet, hij bevestigde haar eenvoudig. Hij predikte geen dode Christus, maar Een die “ook volkomen kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.” Jezus is gestorven, Jezus is opgestaan, Jezus leeft nu. Dat is het Evangelie.
Handelingen 25:20-22
KruisverwijzingenHandelingen 9:15→Handelingen 25:9→2 Timotheüs 4:16→Handelingen 25:10→Handelingen 26:32→Lukas 2:1→Lukas 21:12→Mattheüs 10:18→— En als ik over de onderzoeking van deze zaak in twijfeling was, zeide ik, of hij wilde gaan naar Jeruzalem, en aldaar over deze dingen geoordeeld worden. En als Paulus zich beriep, dat men hem tot de kennis des keizers bewaren zou, zo heb ik bevolen, dat hij bewaard zoude worden, ter tijd toe, dat ik hem tot den keizer zenden zou. En Agrippa zeide tot Festus: Ik wilde ook zelf dien mens wel horen. En hij zeide: Morgen zult gij hem horen.
Zo werd Paulus’ getuigenis nog verder verspreid. Nauwelijks is een andere gelegenheid denkbaar waarin het Evangelie bekendgemaakt kon worden aan zo’n gehoor als de apostel de volgende dag zou toespreken.
Handelingen 25:23
KruisverwijzingenHandelingen 26:30→Handelingen 25:13→1 Johannes 2:16→Ezechiël 32:12→Handelingen 12:21→Ezechiël 33:28→Jakobus 1:11→1 Korinthe 7:31→— Des anderen daags dan, als Agrippa gekomen was en Bernice, met grote pracht, en als zij ingegaan waren in het rechthuis, met de oversten over duizend, en de mannen, die de voornaamsten de stad waren, werd Paulus op bevel van Festus voor gebracht.
Het was zo’n indrukwekkende vergadering, dat Paulus haar maar al te graag toesprak. Het Evangelie kon geen edeler of waardiger pleitbezorger hebben. Toch lezen wij van niemand die daar aanwezig was en zich overgaf aan de Heere Jezus Christus.
Handelingen 25:24
KruisverwijzingenHandelingen 25:7→Handelingen 22:22→Handelingen 25:2→Lukas 23:21→— En Festus zeide: Koning Agrippa, en gij mannen allen, die met ons hier tegenwoordig zijt, gij ziet dezen, van welken mij de ganse menigte der Joden heeft aangesproken, beide te Jeruzalem en hier, roepende, dat hij niet meer behoort te leven.
Festus zorgde ervoor dat de Joden niet konden vergeten dat zij de dood hadden geëist van een man die zelfs nog niet terecht had gestaan.
Handelingen 25:25-27
KruisverwijzingenHandelingen 23:29→Lukas 23:4→Handelingen 25:11→Handelingen 23:9→Handelingen 26:31→Johannes 18:38→Lukas 23:14→Handelingen 26:2→— Maar ik bevonden hebbende, dat hij niets des doods waardig gedaan had, en dewijl hij ook zelf zich op den keizer beroepen heeft, heb besloten hem te zenden. Van welken ik niets zekers heb aan den heer te schrijven; daarom heb ik hem voor ulieden voorgebracht, en meest voor u, koning Agrippa, opdat ik, na gedane onderzoeking, wat heb te schrijven. Want het dunkt mij tegen rede, een gevangene te zenden, en niet ook de beschuldigingen, die tegen hem zijn, te kennen te geven.
De stadhouder sprak als een verstandig man. Hij ging zelfs zo ver te zeggen dat de gevangene “niets des doods waardig gedaan had.”
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
e. Vers 1-12KruisverwijzingenHandelingen 25:15→Handelingen 25:17→Handelingen 24:13→Handelingen 24:12→Handelingen 28:17→Handelingen 24:27→Handelingen 23:34→Handelingen 24:1→
— Festus dan, in de provincie gekomen zijnde, ging na drie dagen van Cesarea op naar Jeruzalem. En de hogepriester, en de voornaamsten der Joden, verschenen voor hem tegen Paulus en baden hem, Begerende gunst tegen hem, opdat hij hem zou doen komen te Jeruzalem; en leggende een lage, om hem op den weg om te brengen. Doch Festus antwoordde, dat Paulus te Cesarea bewaard werd, en dat hij zelf haast derwaarts zou verreizen. Die dan, zeide hij, onder u kunnen, dat zij mede afreizen, en zo er iets onbehoorlijks in dezen man is, dat zij hem beschuldigen. En als hij onder hen niet meer dan tien dagen doorgebracht had, kwam hij af naar Cesarea; en des anderen daags, op den rechterstoel gezeten zijnde, beval hij, dat Paulus zou voor gebracht worden. En als hij daar gekomen was, stonden de Joden, die van Jeruzalem afgekomen waren, rondom hem, vele en zware beschuldigingen tegen Paulus voortbrengende, die zij niet konden bewijzen; Dewijl hij, antwoordende, zeide: Ik heb noch tegen de wet der Joden, noch tegen den tempel, noch tegen den keizer iets gezondigd. Maar Festus, willende den Joden gunst bewijzen, antwoordde Paulus, en zeide: Wilt gij naar Jeruzalem opgaan, en aldaar voor mij over deze dingen geoordeeld worden? En Paulus zeide: Ik sta voor den rechterstoel des keizers, waar ik geoordeeld moet worden; den Joden heb ik geen onrecht gedaan; gelijk gij ook zeer wel weet.
Drie dagen na de intrede in zijn ambt bezoekt de nieuwe landvoogd uit officieel en persoonlijk belang de stad Jeruzalem. Hem wordt met bijzondere aandrang door de overpriesters en de voornaamsten van de Joden verzocht, Paulus, die nog te Cesarea in bewaring was, naar de nationale hoofdstad te roepen, opdat daar zijn proces zou worden ten einde gebracht. De geheime bedoeling is hem op de weg te laten ombrengen. Festus staat dat verzoek niet toe, opdat het zwaartepunt van het landbestuur niet dadelijk bij het begin van zijn regeren zou worden verplaatst. Hij belooft echter een spoedige behandeling van de zaak te Cesarea en roept de aanklagers en getuigen daarheen. De dag na zijn aankomst op deze plaats vat hij reeds de zaak aan. Hier vaart men hard tegen de apostel uit, wat de menigte en de zwaarte van de tegen hem gerichte aanklachten aangaat; doch de tegenstanders kunnen hun beschuldigingen niet bewijzen. Festus, die van de drie punten van aanklacht dat van poging tot oproer tegen de keizer uitsluit, maar de beide andere, die de Joodse wet en de tempel aangaan, onbeslist willen laten om de aanklagers voor zich te winnen, doet het voorstel om met het oog op die beide punten het onderzoek te Jeruzalem te doen plaatshebben. Paulus maakt gebruik van zijn recht als Romeins burger en appelleert op de keizer, hetgeen de landvoogd na voorafgaand beraad met zijn raadsleden ook aanneemt.
Festus dan kwam in de provincie aan en ging drie dagen nadat hij zijn post had aanvaard, van Cesarea, de officiële stad Ac 10: 2, op naar Jeruzalem, de nationale hoofdstad van het door hem te besturen land, om zich aan de Joodse oversten te vertonen en de omstandigheden aldaar te leren kennen.
En de hogepriester en de voornaamsten van de Joden, vertegenwoordigd door hun oudsten (vs. 15) verschenen voor hem tegen Paulus, om het proces dat vroeger niet naar hun wens was afgehandeld, weer opnieuw te doen beginnen. En zij verzochten hem dat hij de zaak nu toch ten einde zou brengen, die zijn voorganger zo lang had gerekt, die reeds sedert twee jaar hangende was.
Zij deden dit met de begeerte naar een gunst ten nadele van Paulus, de aangeklaagde, opdat hij, Festus, hem zou doen komen naar Jeruzalem, nog in de tijd dat hij te Jeruzalem aanwezig was. Hij zou er toch zonder twijfel belang in stellen het hoogste college van het land dadelijk bij de intrede in zijn ambt voor zich te winnen en zo kon dan het proces spoedig ten einde lopen en het door de hoge raad reeds vastgestelde doodvonnis aan hem worden voltrokken (hoofdstuk 24: 6). Zij deden dat verzoek met de gruwelijkste bedoelingen en smeedden voor het geval dat zij dat overbrengen van de apostel van Cesarea naar Jeruzalem mochten verkrijgen een aanslag, om hem door sluipmoordenaars, die men gemakkelijk kon krijgen (hoofdstuk 23: 12vv.), op de weg om te brengen; zo wilden zij een mogelijke vrijspraak door de landvoogd voorkomen en in ieder geval hun eigenlijke doel bereiken.
Doch Festus weigerde de gevangene over te brengen om de in vs. 16 meegedeelde reden en wees er de verzoekers op dat hun in de hoofdzaak door zijn weigering de gelegenheid niet was ontnomen om tot hun vermeend recht te komen. Hij antwoordde dat Paulus te Cesarea bewaard werd en dat hijzelf, de landvoogd, haastig daarheen zou reizen en dus behoefde de zaak ook geen langer uitstel.
Laten dan zij, zei hij, die onder u als wettige aanklagers of gekwalificeerde getuigen optreden, als ik terugkeer met mij mee afreizen en als er iets onbehoorlijks in deze man wordt gevonden, laten zij hem beschuldigen voor mijn rechterstoel. Ik zal dus aannemen dat hij in de toestand van een aangeklaagde is, hetgeen Felix nog heeft verdaagd (hoofdstuk 24: 22), zodat dan te Cesarea tot het eigenlijke proces kan worden overgegaan.
Markus Porcius Festus was een rechtvaardig man (vs. 16), die graag weer goed zou hebben gemaakt wat zijn voorganger bedorven had en met strengheid en gerechtigheid de orde in Palestina trachtte te herstellen. De hartstochten van het volk waren echter reeds te zeer opgewekt, om zijn voornemen te doen gelukken. Daarenboven heeft hij ten gevolge van een vroegtijdige dood slechts kort zijn ambt kunnen waarnemen (van het midden van het jaar 60 tot het begin van het jaar 62) en verkreeg hij na elkaar twee opvolgers, die het nog erger maakten dan Felix en zelfs elkaar nog in slechtheid overtroffen (Aanh. II d. 2-4). Ook de spoed, waarmee Festus zich na de aanvaarding van zijn ambt te Cesarea naar Jeruzalem begeeft, toont hoezeer hij zijn verplichting kende als keizerlijk procurator en de plichten van zijn ambt. Evenwel betoont hij zich jegens Paulus onrechtvaardig en omtrent de Joden nog veel meer mensenbehager dan Felix. Hij laat het in het geheel niet komen tot een onderzoek of de aanklacht ontvankelijk of niet ontvankelijk is; hij beslist volgens de maat van de kortere procedure, die in de tijd van de keizers bij de Romeinse rechtspleging gewoonte was geworden, dadelijk voor de ontvankelijkheid. Hij neemt de accusatio aan als reeds uitgemaakt en wil dadelijk tot de actio overgaan. Dit maakt, zoals uit hoofdstuk 26: 24vv. blijkt, dat hij in het godsdienstige geheel onverschillig is, hij heeft geen begrip voor goddelijke zaken, en in zo’n geval wordt steeds de eenvoudig natuurlijke, burgerlijke rechtschapenheid vroeger of later te schande. Te Jeruzalem was intussen, ongeveer sedert een half jaar, in plaats van de hogepriester Ananias door Herodes Agrippa II Ac 25: 13, een ander, namelijk Ismaël, zoon van Pbabi, in dit ambt geplaatst. Daarom wordt ook in vs. 2 van Ananias niet met name gesproken; daarentegen wordt het werk van hem en van zijn sadduceese aanhangers (hoofdstuk 23: 12vv. ; 24: 10 de overpriesters en voornaamsten van het volk in een gesloten gezelschap voortgezet (vs. 3 en 7). Tevens was het ombrengen van Paulus een hoofdaangelegenheid van de gehele Joodse natie, waaraan nu de Farizeeën, die er vroeger meer afkerig van waren, ook meenden te moeten deelnemen. Twee jaren zijn er reeds sedert de eerste aanslag tegen Paulus verlopen en Ananias, die persoonlijk door de apostel is beledigd (hoofdstuk 23: 3) is intussen van de hogepriesterlijke zetel afgetreden. Desniettemin leeft nog dezelfde dodelijke haat, dezelfde lust tot sluipmoord tegen hem; die dodelijke vijandschap schijnt nog meer alles wat te Jeruzalem met een openbaar ambt en met ereposten bekleed is, te hebben ingenomen. Daaruit moet zeker wel worden verklaard dat Paulus door dezelfde Felix, over wie de Joden zozeer te klagen hadden, dat hij de gehele welvaart van het hand bedierf en het volk door zijn bestuur ten ondergang leidde, begunstigd scheen te zijn, waardoor scheen bevestigd te worden dat hij een afvallige was, die het met de heidenen hield en aan hen zijn volk verraadde (hoofdstuk 22: 21vv.). Zo’n mening aan de zijde van de oversten van de Joden in betrekking tot Paulus zou nog in geen geval uitsluiten dat daarentegen Jakobus II bij het volk zelf nog steeds in gunst stond en tot aan het Paasfeest van het jaar 62 zijn invloed wist te behouden, die zo zichtbaar voor de dag treedt in de gebeurtenis, die in Aanh. II b. 3 is meegedeeld. Wat de gemeente te Jeruzalem ten opzichte van de ijveraars aangaat, die in haar de boventoon voerden, moet het in het oog lopen dat bij haar volstrekt niets te zien is van een deelneming in het lot van Paulus. In de tijd na het ombrengen van Jakobus II wordt dan ook volgens de brief aan de Hebreeën een zeer groot gevaar gezien, dat men van het geloof in Christus zal afvallen en tot het Jodendom terugkeren. Wij zullen later over dit punt nader moeten spreken Ac 28: 31.
En toen hij onder hen niet meer dan tien dagen doorgebracht had, dus een betrekkelijk korte tijd, kwam hij terug naar Cesarea, vergezeld door hen die Pauluswilden aanklagen; en de dag na zijn aankomst zette hij zich op de rechterstoel en beval dat Paulus uit zijn gevangenis zou worden voorgebracht.
En toen hij daar gekomen was, stonden de Joden, die van Jeruzalem gekomen waren, rondom hem. Zij hadden hem omsingeld als een troep stieren en sperden hun mond tegen hem open als een verscheurende en brullende leeuw (Ps. 22: 13v.); zij brachten vele en zware beschuldigingen tegen Paulus voort, die zij niet konden bewijzen, ondanks de valse getuigen die zij hadden (MATTHEUS. 26: 59vv.).
Zij konden dat niet, omdat hij zich verantwoordde door te zeggen (om de verdedigingsrede in hoofdzaak (hoofdstuk 24: 11vv.) te herhalen: ik heb noch tegen de wet van de Joden, noch tegen de tempel, noch tegen de keizer iets gezondigd, zoals mij met gehele verloochening van hun eigen Messiasgeloof mijn aanklagers beschuldigen (Luk. 17: 7; 23: 2).
Het onderscheid tussen deze behandeling van de zaak en die in hoofdstuk 24: 1vv. wordt door Lukas aangewezen doordat daar (hoofdstuk 24: 10) gezegd wordt: “toen de stadhouder Paulus gewenkt had, antwoordde hij, ” en nu hier geschreven wordt: “omdat hij zich verantwoordde door te zeggen. ” Was het dus, zoals wij ons daarvan overtuigd hebben, in hoofdstuk 24 nog geen actio, geen eigenlijke behandeling van het proces, maar eerst een onderzoek, dan hebben wij daarentegen hier een wezenlijke gerechtshandeling, waartoe Festus het uit conniventie of goedwilligheid jegens de Joden dadelijk heeft laten komen. Hij heeft de apostel reeds als een “reus” behandeld, als één die in staat van beschuldiging is gesteld, hetgeen hij echter eigenlijk nog niet was. Het schijnt nu verder alsof Lukas met hetgeen hij in vs. 6 schrijft, als hij daar eveneens het getal van de dagen noemt die Festus te Jeruzalem doorbracht, zoals hij in vs. 1 het getal van de dagen aangaf die van het intreden in zijn ambt tot zijn reis van Cesarea naar Jeruzalem verliepen, niet zozeer de ijver en de nauwgezetheid van de landvoogd om het aan de Joden gegeven woord te vervullen om dadelijk hun zaak te behandelen, op het oog had, maar integendeel het dringen en haasten van andere mensen, die zich reeds hadden voorbereid op een coup of aanslag, die zij dachten te volvoeren en die nu geen tijd mogen verliezen als de aanslag zal lukken. Dit zijn de overpriesters en de voornaamsten van de Joden, die in vs. 2v. dadelijk hun eerste ontmoeting van de nieuwe landvoogd als een welkome gelegenheid gebruiken om hem voor hun zaak tegen Paulus te interesseren en zijn genegenheid voor hun bedoelingen als een gunstbetoning te vragen, als die een heerser bij het aanvaarden van zijn ambt geeft aan hen die hij voortaan moet besturen, teneinde dadelijk te tonen dat hij een goedig heerser is, wie het om liefde te doen is. Hier is duidelijk een reeds lang voorbereid, slim aangelegd plan. Ook kan het ons niet moeilijk vallen uit de ons reeds bekende toestand van de omstandigheden en uit andere aanwezige aanwijzingen dit plan te ontcijferen. In hoofdstuk 24: 19 had toch Paulus al de welsprekendheid van Tertullus en alle verzekeringen van Ananias en zijn metgezellen als met een slag beschaamd, doordat hij erop wees hoe juist diegenen niet mede aanwezig waren, die wat het hoofdpunt van de aanklacht, wat de omstandigheden bij zijn gevangenneming aangaat, alleen een voldoend getuigenis konden afleggen. Zouden dan de Joden geen voorzorg hebben genomen, toen Felix werd teruggeroepen en een nieuwe landvoogd in de plaats van hem zou treden, om voor deze keer beter gewapend te zijn? En als nu bij het volksrumoer in hoofdstuk 21: 27vv. werkelijk, zoals wij bij hoofdstuk 19: 40 en 21: 30 (“Ac 19: 40” en “Ac 21: 30 dit vermoeden hebben uitgesproken, Alexander de kopersmid de ziel van de beweging was, zouden zij niet de tijd tussen het aftreden van de een en het aanvaarden van het ambt door de andere landvoogd zich ten nutte hebben gemaakt om deze Alexander tot zich te laten komen? In het bewustzijn van het overwicht dat zij nu door het meebrengen van deze over de apostel hebben verkregen, zijn zij bij de aankomst van Festus te Jeruzalem, hoewel deze reeds op de derde dag van zijn aankomst te Cesarea zich daarheen had begeven, dadelijk gereed met het weder opvatten van de aanklacht als hun gewichtigste bezigheid. Hij zal voor de hoge raad een getuigenis afleggen, waarop deze, in tegenwoordigheid en desnoods onder voorzitting van de landvoogd, Paulus als tempelschender kan ter dood veroordelen, zodat hij toch zal moeten sterven, ook al mocht het weer als in hoofdstuk 23: 12vv. mislukken hem bij wijze van sluipmoord op de weg om te brengen. Wij zullen later zien dat bij de gehele geschiedenis, die wij voor ons hebben, de tekst 2 Tim. 4: 14-18 moet worden gelezen. Zeker staat het woord van Paulus: “Alexander, de kopersmid, heeft mij veel kwaad gedaan, ” en het bericht van Lukas in onze tekst: “de Joden, die van Jeruzalem afgekomen waren, brachten vele en zware beschuldigingen tegen Paulus voort” in het nauwste verband met elkaar. Dit inbrengen van klachten was zeker een voortbrengen van beweringen, die zonder enig geldig bewijs bleven; maar Paulus kon geen tegenbewijs geven, maar moest zich tevreden stellen met de tegenbewering in vs. 8 : “Ik heb noch tegen de wet van de Joden, noch tegen de tempel, noch tegen de keizer iets gezondigd. ” Zeker zou hij tegengetuigen hebben kunnen stellen. De vier mannen, voor wie hij toen het offer in de tempel had gebracht, hadden slechts bereid hoeven te zijn, om zich eveneens te Cesarea te bevinden, daar de 8-10 dagen in vs. 6 hun zeker gelegenheid genoeg boden om de staat van zaken ten opzichte van Paulus bekend te maken en zich bij de landvoogd aan te bieden om in die zaak getuigenis te geven. Zij zullen echter liever niet met het proces te maken hebben gehad, noch zich aan de haat van de Joden hebben willen blootstellen en zo zou het woord van de apostel verklaarbaar zijn in 2 Tim. 4: 16 : “In mijn eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten. Het worde hun niet toegerekend. ” Een zeker smartelijk gevoel over ondervonden ondankbaarheid, ervaren trouweloosheid, onverdiende afgunst zelfs van de zijde van zijn christelijke broeders uit de Joden (hoofdstuk 21: 21), over wie hij ook in Kol. 4: 10v. spreekt, is wel in dat woord op te merken, alhoewel Paulus’ hart, tot vergeving bereid, het smartgevoel dadelijk overwint door de wending die hij eraan geeft met de voorbede, terwijl het woord met betrekking tot Alexander anders luidde: “de Heere vergelde hem naar zijn werken! “
Maar Festus meende de aangeklaagde, wat zijn schuld tegenover de keizer betrof, te moeten vrijspreken (hoofdstuk 26: 31v. 28: 18). De aanklagers verzetten zich echter tegen de vrijspraak, wat de aanklacht betrof omtrent misdaad tegen wet en tempel (hoofdstuk 28: 19). De landvoogd had er belang bij om gedurende de waarneming van zijn ambt niet al te veel moeite te hebben met dat hardnekkig volk, dat in het algemeen zozeer tegen het bestuur van de Romeinen in opstand was en kon als Romein ook niet handelen over die aanklachten omtrent schending van de voorvaderlijke godsdienst en ontwijding van de tempel. Festus wilde dan de Joden een gunst bewijzen en antwoordde Paulus: “Wilt gij naar Jeruzalem gaan en daar voor mij over deze dingen (hoofdst. 28: 17) geoordeeld worden? Het zal in mijn tegenwoordigheid en onder mijn leiding zijn, zodat geen onrechtvaardig oordeel tegen u zal worden geveld.
En Paulus zei: Ik sta doordat ik voor u, de keizerlijke beambte in dit land gesteld ben, voor de rechterstoel van de keizer, waar ik geoordeeld moet worden en zo sta ik erop bij deze rechtbank te worden gelaten. De Joden heb ik geen onrecht gedaan, zoals gij, indien gij slechts een eigen gevoel van recht gehoor wilt geven, ook zeer goed weet (vs. 18vv.). Er is dus geen verwijzen van mijn zaak van uw tribunaal naar dat van de hoge raad te Jeruzalem nodig om duidelijkheid aan de zaak te geven.
a) Want indien ik onrecht doe, indien uw overtuiging een andere was dan ik zo-even veronderstelde en gij mij aan de ene of andere zijde voor schuldig zoudt houden en ik iets gedaan heb waar de doodstraf op staat, ik weiger niet, op grond van een vonnis, door u over mij geveld, te sterven; maar indien er niets is van hetgeen waarvan dezen mij beschuldigen, dan kan niemand mij hun uit gunst overgeven. Ik beroep mij krachtens mijn Romeins burgerrecht (hoofdstuk 16: 37; 22: 25) op de keizer.
Hand. 18: 14
In de eerder aangehaalde tekst 2 Tim. 4: 14vv. zijn de woorden: “de Heere heeft mij bijgestaan en heeft mij bekrachtigd, opdat men door mij ten volle zou verzekerd zijn van de prediking en alle heidenen die zouden horen. En ik ben uit de muil van de leeuw verlost, ” meestal door de uitleggers geheel verkeerd uitgelegd en heeft men ook het verband met hetgeen wij voor ons hebben, geheel miskend. Beginnen wij met het laatst gezegde, dan moet onder de “muil van de leeuw” niet worden verstaan de dood, die de apostel trachtte te verslinden, noch de keizer Nero of de vijandige rechters te Rome, die besloten waren hem ter dood te veroordelen, maar zich hadden genoodzaakt gezien om ten gevolge van de verdediging zijn proces te verdagen. Bij de beide verklaringen zou de genoemde redding tenslotte toch geen redding zijn geweest, als men van een bevrijding van de apostel uit de eerste Romeinse gevangenschap afziet. En ook als men die wilde aannemen, dan had Paulus zelf zich eerst met zijn appelleren op de keizer in muil van de leeuw begeven en dus daarmee een onoverdachte stap gedaan. Het is echter niet in te denken dat hij met zo’n uitdrukking de Romeinse overheid zou hebben gebrandmerkt, die ook volstrekt niet dorstte naar zijn bloed. Maar wel zijn de Joden, hier door de overpriesters en oversten vertegenwoordigd, de leeuw die naar Paulus bloed dorstte. Zo hebben zij zich in hoofdstuk 14: 19; 19: 23vv. ; 20: 3; 21: 31; 22: 22; 23: 12vv. ; 25: 3 voldoende bewezen en het zou ook zonder twijfel met zijn leven gedaan geweest zijn, als hij zich volgens het voorstel van Festus had laten uitleveren aan de rechtbank van de inquisitie te Jeruzalem, aan de hoge raad. Zo is hij dan juist door dit tijdig ingebrachte appelleren op de keizer uit de muil van deze leeuw gered. En zo ziet hij nu de bijstand en versterking van de Heere in het feit dat in de tijd waarin trouweloze broeders hem met hun getuigenis in de steek laten, een apostolaat of afvallige hem veel kwaad deed en het de Joden onmogelijk maakte, vele en zware klachten tegen hem in te brengen, zodat zijn onschuld, tenminste wat de zogenaamde bezondiging tegen wet en tempel aangaat, voor de ogen van Festus geheel werd verduisterd, hem aan de ene zijde de rechte tegenwoordigheid van geest verleend werd om niet te bewilligen in het voorstel van de landvoogd, hoe verleidelijk die ook was door het bijgevoegde “voor mij”, maar het wettig middel van appelleren daar tegenover te plaatsen. Aan de andere zijde lukte het hem ook door de wijze van zijn optreden en de macht van zijn rede, op de landvoogd en diens raad zo’n indruk te maken, dat men het appelleren aannam en hem in plaats van naar Jeruzalem liever naar Rome overbracht. Volgens dit doel heeft de Heere de loop van de zaken uiterlijk bestuurd, maar ook innerlijk zijn woorden en gedrag zo bestuurd dat hijzelf daarheen streefde. Het doel van dat alles is geweest dat door hem de prediking werd verzekerd, zoals bij ons is vertaald, dat zij haar volheid door het voortgaan tot aan de einden van de aarde, tot in de gehele wereld (Matth. 28: 19 Rom. 10: 18) verkreeg, doordat zij tot in het hart van de heidenwereld, in de hoofdstad van de wereld, in Rome doordrong. Hoorden de Romeinen het evangelie in hun hoofdstad, dan hoorden ook in de Romeinen alle heidenen het evangelie; maar zover zou het niet zijn gekomen, als de Joden hun wil hadden gekregen. Zoals dezen vanouds nijdig waren en de heidenen het evangelie niet gunden (hoofdstuk 13: 45; 17: 5), zo was die nijd ook de enige reden van hun bloeddorstige haat, zoals dat duidelijk in hoofdstuk 22: 21vv. bleek. Maar uit deze leeuwenkuil is de apostel nu gered; hij mocht, toen hij zijn tweede brief aan Timotheus schreef, het rijk van God prediken en van de Heere Jezus leren met alle blijdschap zonder hinder (hoofdst. 28: 30v.). En als nu toch de gevangenschap van twee jaar in zachte militaire bewaring tenslotte op de dood van de apostel uitloopt, dan is dat toch niet meer voor hem een uitroeiing vóór zijn tijd, een weggeraapt worden voordat de loop geëindigd is (2 Tim. 4: 6vv.), maar een verlossing van alle kwaad en een redding tot het hemelse rijk, waarvan de vroegere verlossing uit de muil van de leeuw en de overbrenging naar Rome een zwak beeld is. De hier gegeven verklaring van de tekst bij Timotheus zal wel de juiste blijken te zijn en met de samenhang overeenstemmend. Is zij dat, dan is tevens bewezen dat de tweede brief van Timotheus zo weinig een tweede gevangenschap van Paulus te Rome veronderstelt dat die deze integendeel juist uitsluit; er is verder bewezen dat men de vervaardiging van deze brief ook niet na die tijd mag stellen, die de Handelingen van de apostelen in hoofdstuk 28: 30 en 31 beschrijft; hij valt integendeel nog in deze twee jaren (vgl. Aanm. II a. 2). Niet slechts zijn eigen recht, zo merken wij nog aan het einde van onze uiteenzettingen met de woorden van Lange op, beschermt de apostel door zijn in beroep gaan, maar ook de vrijheid en onafhankelijkheid van de Romeinse rechterstoel, die Festus op het punt stond prijs te geven. Ook daarom is Paulus een voorbeeld geworden van de evangelische kerk. Voor het forum van de hiërarchie stond haar niets anders dan vloek, inquisitie, gericht en zelfs sluipmoord te wachten. Ook voor haar bleef niets anders over dan een beroep op de keizer te doen, d. i. zich in de bescherming van de staat te begeven.
Ik wil mij aan de handhaving van recht en gerechtigheid niet onttrekken, ik zoek geen uitvluchten. Dikwijls toch is het beroep op een hogere rechtbank niets anders dan een uitvlucht, die niets anders dan uitstel en verschuiving van het verdiende vonnis ten doel heeft. Dat was het bij Paulus niet; recht vorderde hij, gunst hoefde hij niet.
Toen het nu moest worden beslist of het ingediende appel moest worden aangenomen of niet, antwoordde Festus, toen hij met de raad gesproken had, met de raadsleden van de Romeinse rechtbank die van mening waren, dat aan Paulus zijn wens moest worden toegestaan: hebt gij u op de keizer beroepen? Gij zult naar de keizer gaan.
Een beroep doen op de keizer kon niet onder alle omstandigheden worden toegelaten. Het kon ook worden geweigerd of omdat het te gevaarlijk, of omdat het overbodig was. Het eerste geval was daar als men te doen had met een beruchte rover, of bewerker van samenzweringen, gevaarlijk voor de staat, of met valse munters en rovers. Het tweede geval had dan plaats als er zo sterke en overeenstemmende bewijzen aanwezig waren, dat omtrent de wezenlijke schuld van de aangeklaagde niet meer kon worden getwijfeld. Nu had Festus, toen hij Paulus voor de hoge raad wilde stellen, feitelijk de aanklacht van hoog verraad reeds laten vallen als geheel onbewijsbaar. Daar echter de apostel steeds pogingen ten laste waren gelegd die voor de staat gevaarlijk waren, in welk geval, als er iets waars in de aanklacht lag, het beroep kon worden afgewezen, zag de landvoogd zich genoodzaakt zich eerst met zijn college van raadsleden af te zonderen. Door het later door hem gepubliceerde besluit werd Paulus aan de boosheid van het Joodse volk ontrukt. Mocht de leeuw nu ook verder zijn muil tegen de apostel opsperren, tussen de bloeddorstigen en de aangeklaagde stond voortaan het Romeinse gericht; rechtstreeks kon de leeuw zijn leven niet meer aanranden.
f. Vers 13 Kruisverwijzingen2 Samuël 8:10→1 Samuël 25:14→Handelingen 26:1→Handelingen 25:22→1 Samuël 13:10→Handelingen 8:40→Handelingen 26:27→Markus 15:18→
— En als enige dagen voorbijgegaan waren, kwamen de koning Agrippa en Bernice te Cesarea, om Festus te begroeten.
– Hoofdstuk 26:32
Door de gehele wijze waarop het proces in de behandeling van het vorige gedeelte afliep, was de apostel zowel materieel als formeel vrijgesproken van de aanklacht van hoogverraad tegen de Romeinse keizer, zodat Festus in zijn mededeling in vs. 18v. er in het geheel niet meer aan denkt en ook Paulus zelf in hoofdst. 28: 17vv. ervan zwijgt. Nu moest, voordat de gevangene naar Rome werd gevoerd, door de leiding van God een gebeurtenis plaatshebben, waarbij de aangeklaagde door het toenmalige hoogste bestuur van de tempel en de laatste spruit van het koningshuis ook in materiële zin werd vrijgesproken van alle schuld tegen de Joodse tempel en de Joodse nationaliteit, zodat hij alleen als een naar formeel recht gevangen man naar Rome ging. De gebeurtenis is de aankomst van de koning Agrippa II, die de waardigheid bekleedde van hoogste opziener over de tempel en nu weinige dagen na die gerechtelijke behandeling samen met zijn zuster Berenice te Cesarea zich bevond, om de nieuwe landvoogd te begroeten. Festus vertelt hem over de zaak van Paulus, omdat hij daarmee als een uitsluitend Joods godsdienstige zaak geen raad weet en laat aan hem bij het nu ingestelde verhoor van de gevangene de leiding van de zitting en de einduitspraak aan hem over. De rede die Paulus daar houdt, is de zevende van alle die dit boek uit zijn mond ons meedeelt (hoofdst. 13: 16vv. ; 14: 15vv; 17: 22vv. ; 20: 18vv. ; 22: 1vv; 24: 1vv.) en staat aan de ene kant in nauwe verwantschap met de vijfde (hoofdstuk 22: 1vv.), waarin de apostel reeds over zijn vroeger leven als Farizeeër en van de geschiedenis van zijn bekering tot Christus sprak, aan de andere kant parallel met de zesde (hoofdstuk 24: 10vv.), in zoverre op de indruk gelet wordt op Festus en Agrippa, zoals daar op Felix en Drusilla. Zij laat ons echter in beide opzichten eigenaardigheden opmerken en getuigt van de verheven kunst en wijsheid van de apostel om telkens datgene te geven, wat juist op die plaats en voor het zielenheil van de toehoorders het doelmatigste was.
En toen enige dagen na de gerechtelijke behandeling van de zaak (vs. 7vv.) voorbij gegaan waren, kwamen de koning Agrippa II Uit 2: 20 en Bernice zijn zuster, die met hem samenleefde, te Cesarea (Agrippa was toen 31 en Berenice 30 jaar oud), om Festus te begroeten, hem te verwelkomen als de nieuwe landvoogd van hun volk en bij hem als de vertegenwoordiger van de keizer hun opwachting te maken.
Herodes Agrippa II, of, zoals hij zich op munten noemt, Markus Agrippa, was bij de dood van zijn vader Agrippa I in het jaar 44 n. Chr. (hoofdst. 12: 23) pas 17 jaar oud en bevond zich te Rome, waar hij ook de eerste jaren bleef. Na de dood van zijn oom Herodes van Chalcis (zie de stamboom aan het einde van het slotwoord bij I Makk. B I 2 c. No. 3), verkreeg hij omstreeks het jaar 50 diens koninkrijk aan de Libanon, alsmede het opzicht over de tempel te Jeruzalem en het recht om de hogepriesters te benoemen; hij nam echter zijn rijk pas enige jaren later in bezit. Spoedig daarop, in het jaar 53, moest hij dit vorstendom weer overgeven voor een groter gebied, namelijk de tetrarchie van Filippus, die van Lysanias en het gebied van Varus, dat eveneens aan de Libanon lag en de verbinding tussen de ene en andere tetrarchie vormde. Na de dood van Claudius werd door de gunst van Nero zijn bezitting nog met enige stukken van Galilea en Perea vergroot. Uit dankbaarheid voor dergelijke weldaden was hij nu ook in zijn buitenlandse politiek geheel en al de zaak van Rome toegedaan, doch wist ook het Jodendom aan zich te verbinden, zoals zijn vader had gedaan. Zo bericht de Rabbijnse traditie van gesprekken van de koning met de beroemde schriftgeleerde Rabbi Eliëzer over vragen van de theologische casuistiek. Van zijn drie zusters hebben wij de jongste, Drusilla, in hoofdst. 24: 24v. leren kennen; de oudste was de hier genoemde Bernice, tot het jaar 48 gehuwd met Herodes van Chalcis, haar oom; na diens dood leefde zij in het huis van de broeder en verstrikte de zwakke man spoedig zo in haar netten, dat deze zich in een zeer verdachte relatie met haar inliet. Toen het schandaal openbaar was geworden, besloot zij de koning Polemon van Cilicië te huwen. Zij hield het intussen niet lang bij hem uit, maar kwam bij haar broeder terug en schijnt de oude relatie te hebben voortgezet. Later, in de tijd van de Joodse oorlog, werd zij de maîtresse eerst van Vespasianus en later van Titus, daar zij een buitengewone schoonheid was. Even kwezelachtig als liederlijk vinden wij haar in het jaar 66 in Nazireaat te Jeruzalem (Aanm. II d. 3). Het is opmerkelijk hoe in onze tekst (vgl. vs. 23 en 26: 30) Lukas, net als Josefus bij gelegenheid van de rede die Agrippa uit Xystus tot het volk hield (Aanh. II d. 4) dat doet (“Agrippa plaatste zijn zuster Berenice naast zich, zodat zij van alle zijden kon worden gezien” De b. Jud. II 16: 3), deze zuster aan alle handelingen van de broeder laat deelnemen, alsof zij diens echtgenote was, zonder ergens te zeggen dat zij zijn zuster was. Hij wil wel de onnatuurlijke verhouding laten doorschemeren en zoals nu de evangelische geschiedenis dadelijk bij het begin (Luk. 3: 19) ons van echtbreuk in het huis van de Herodianen heeft te berichten, zo wijst de geschiedenis van de apostelen ons in haar einde aan hoe het familieleven in dit huis tenslotte zelfs tot bloedschande is voortgegaan.
En toen zij daar vele dagen doorgebracht hadden, heeft Festus aan de koning over Paulus verteld. Die was wel geen Jood, maar toch opzichter over de tempel te Jeruzalem en dus stelde hij veel belang in diens oordeel, over een zaakdie hem zo geheel duister was. Hij deelde die mede, zeggende: hier is een zeker man door Felix gevangen gelaten (hoofdst. 24: 27).
De eerste dagen zullen wel met allerlei vermakelijkheden zijn doorgebracht, die men zoekt om hooggeplaatste vreemdelingen eer aan te doen; na verscheidene dagen echter, toen de overige stof uitgeput was, kwam men ook op de zaak van Paulus.
Paulus is door zijn beroep op de keizer althans voor een tijd uit de macht en dreiging van de Joden bevrijd. Voor hen moet voorzeker de teleurstelling groot geweest zijn. Groot is nu de verlegenheid van de stadhouder. Wat zal hij naar Rome over een zaak, waarvan hem de grond en het wezen een raadsel is, tegen een blijkbaar onschuldige gevangene en appellant schrijven? In deze verlegenheid komt hem een vriendschappelijk bezoek allergelukkigst van pas. Het is dat aankomen van Agrippa. Met de hem eigen mengeling van hoogheid en de naïeve erkentenis van onbekendheid in zake van godsdienst spreekt hij tot zijn bezoekers.
Men merkt voortdurend in zijn handelwijze en in het omstandige bericht over hetgeen hij tot hiertoe gedaan heeft en over zijn twijfel in de voor hem zo moeilijke zaak, niet alleen de nieuwe beambte op, maar ook de ijdele Romein, die bij alle schijn van beleefdheid, die om raad vraagt, toch tevens wil tonen hoe onpartijdig en welingericht de Romeinse rechtspleging is.
Tegen wie, toen ik in Jeruzalem (vs. 1) was, de overpriesters en de ouderlingen van de Joden begeerden dat ik een vonnis tegen hem zou uitspreken en laten volvoeren.
Ik antwoordde hun dat de Romeinen de gewoonte niet hebben a) een mens uit gunst ter dood over te leveren, zoals zij eigenlijk begeerden, voordat de beschuldigde de beschuldigers tegenover zich heeft en gelegenheid totverantwoording gekregen heeft over de beschuldiging (hoofdst. 16: 37).
Deut. 17: 4
“De gewoonte van de Romeinen” is de hoofdzaak in de trotse voorstelling van de landvoogd en weinig vleiend was het voor de koning van de Joden, dat de gewoonte van de Joden daarbij zeer ongunstig afstak. Festus vroeg Agrippa’s raad, opdat hij een gevangene niet zonder mededeling van de reden tot de keizer zou hoeven te zenden (vs. 26v.), maar hij deelt het gebeurde mee niet zonder het twistzoekende Jodendom te berispen, dat in de vorm van een eerste verzoek de nieuwe rechter tot een ongerechtigheid wilde bewegen.
Audiatur et altera pars. “Men hore ook de andere partij”, voordat men een oordeel uitspreekt, was één van de eerste grondregels van het recht van de Romeinen, die in zaken van recht en gerechtigheid zelfs nog heden veelal onze leraars en wetgevers zijn. Het zou te wensen zijn dat deze zo goede regel en gewoonte van de Romeinen in het dagelijks leven door de christenen juist werd gevolgd, zodat zij geen van hun medemensen ongehoord veroordeelden, nooit in de eerste opwelling een oordeel velden en niet dadelijk alle kwaads geloofden, dat men anderen nazegt.
De beschuldigers die hier stonden, brachten echter geen beschuldiging in over dingen die ik vermoedde. Volgens de mij gedane aanklachten en omdat de man reeds zolang en zwaar gevangen zat en zo vreselijk gehaat werd, meende ik dat ik hier te doen had met een grote misdadiger, bijvoorbeeld met een oproermaker of moordenaar (Mark. 15: 7).
Dat was hij echter niet, maar zij hadden met hem enige twistpunten over hun godsdienst (hoofdstuk 17: 22) en over een zekere Jezus, die gestorven was en van wie Paulus zei dat hij leefde, omdat Hij weer zou zijn opgestaan (Luk. 24: 23).
Over de Joodse godsdienst spreekt Festus hier niet met zo’n eerbied als men verwachten zou, daar hij in Agrippa iemand voor zich had die de godsdienst van de Joden beleed. Daar echter grote heren vaak van de godsdienst die zij uiterlijk belijden, in hun hart niet veel maken, wagen het andere tongen gemakkelijk ook in hun aangezicht daarvan lichtvaardig te spreken.
Het Oude Testament is in de ogen van Festus niet veel anders dan bijgeloof – en nu het Nieuwe? Dat handelt naar zijn mening over een zekere Jezus, die gestorven is en van wie Paulus zei “dat hij leefde. ” Over die naam dus, in wie alle knieën zich moeten buigen, spreekt Festus met volkomen onverschilligheid. Wat maakt het iemand, die geen Jood is, uit (Joh. 18: 35) welke vraagstukken de Joodse geleerden behandelen? En ziet, de onbekende Jezus, met schouderophalen genoemd, betoont dat Hij leeft en regeert juist door deze trotse Romein, die de heidenapostel moet behulpzaam zijn om te komen tot het doel van zijn loop! Zij die nog heden ten dage met een Festuslachje spreken over de geheimen van God, alsof het nietige vragen en eigenaardige meningen van de theologen waren – hoezeer heeft deze Jezus ook hen in Zijn hand!
En toen ik bij mijn onbekendheid met dergelijke dingen over het onderzoek van deze zaak in twijfel was, vroeg ik of hij naar Jeruzalem wilde gaan en daar over die dingen geoordeeld worden door de hoge raad, die omtrent dergelijke zaken onderzoek instelde en oordeelde.
En toen Paulus in hoger beroep ging, opdat men hem tot de beslissing van de keizer in bewaring zou houden en er dus niets van wilde weten om door de hoge raad te Jeruzalem geoordeeld te worden, toen heb ik, daar ik zo’n beroep niet mocht afwijzen, bevolen dat hij bewaard zou worden tot de tijd dat ik hem naar de keizer zenden zou, waar dan zijn zaak ten einde zou worden gebracht.
Alhoewel wij de minachting, die Festus als heiden en man van de wereld uit onwetendheid met de vraag over de waarheid van de opstanding van Jezus liet opmerken, verafschuwen, moeten wij toch aan de andere zijde de billijkheid en gematigdheid in hem prijzen, dat hij in dergelijke godsdienst- en geloofsvragen niet met dictatorische uitspraken begonnen is en zelfs niet eens de strijd voor zijn rechterstoel wilde brengen. Deze heiden heeft hierin betere beginselen dan vele christelijke overheden, die er geen gewetenszaak van maken godsdiensttwisten evenals burgerlijke onenigheden te behandelen, leerstellingen en waarheden met verbanning, vuur en zwaard te verbieden en zich tot rechters over het geweten opwerpen.
Men kan het Festus niet aanrekenen dat hij van die godsdienstzaken niets verstond, maar wel moet men het aan die ontelbaar velen, die in de christelijke kerk geboren, gedoopt en opgevoed zijn, kwalijk nemen, dat zij van de eenvoudigste leerstukken volstrekt niets weten. De grootste schreeuwers, dikwijls wie weet hoe ontwikkeld in het uiterlijke, weten vaak niet wat een zeer zwak catechisant uit een dorp van het christendom weet.
En Agrippa zei tot Festus; Ik zou, indien het mogelijk was (Rom. 9: 3 Gal. 4: 20), ook zelf die man wel willen horen, om mij een beeld van zijn zaak te kunnen vormen. Festus was aanstonds bereid hem zo spoedig en zo plechtig mogelijk (vs. 23) de gelegenheid daartoe te geven, daar hij om die begeerte uit te lokken de mededeling omtrent Paulus had gedaan, teneinde uit zijn verlegenheid te worden gered. En hij zei: morgen zult gij hem horen; bereid u dus voor op een verhoor van hem.
Als Festus de zaak van Paulus, waarmee hij geen raad weet, Agrippa voorlegt, dan komt hij daarmee zeker tot een beter persoon dan Pilatus, toen hij Jezus, met wie hij niets wist te beginnen, naar de oudoom van Agrippa, die lichtzinnige Herodes Antipas, de viervorst van Galilea zond; en als onze Herodes Agrippa hier zegt: “ik wilde ook zelf die mens wel horen, ” dan is zeker zijn nieuwsgierigheid edeler en dieper geweest dan die van die andere Herodes, die Jezus sedert lange tijd had willen zien en die Hem bespotte, daar Hij voor hem geen wonderen deed. Maar ook onze Agrippa staat voor ons als een man van de wereld, wie bij al zijn godsdienstige eigenschappen toch een diepere godsdienstige grond ontbreekt. Maar wij moeten het toch beschouwen als een opwelling van nieuwsgierigheid en genotzucht en wel van een meer edeler aard (want ook in geestelijke zaken is er een nieuwsgierigheid en zucht tot genot), als Agrippa onder andere voorname genietingen en bezigheden nu ook eens deze mens wenst te zien en te horen, van wie Festus hem gesproken heeft, over wie hij overigens ook veel geruchten heeft gehoord. Hoe ijdel, hoe laag, hoe oppervlakkig staat deze koning met zijn: “ik wilde ook zelf die mens wel horen” naast de heilige ernst van de apostel, die alle kracht van zijn geest, alle geluk van zijn leven in de kennis van Jezus Christus en diens zaligheid stelde en alles schade achtte, opdat hij Christus mocht winnen! Hoe ijdel, hoe zonder zegen, hoe onvruchtbaar blijkt toch die nieuwsgierigheid van de mannen van de wereld, waarmee zij ook wel eens naar de kerk gaan, omdat zij geen andere afleiding weten, een prediker willen horen, omdat hij in de mode is, een stichtelijk boek ter hand nemen, omdat zij zich vervelen. Hoezeer verschilt die van de ernstige leergierigheid en begeerte naar zaligheid van een ware christen, die tot Jezus komt, omdat hij weet: “Gij hebt de woorden van het eeuwige leven, ” van hem die het woord van God naloopt, omdat het hem heilige ernst is met de vraag: “wat moet ik doen om zalig te worden? “
Het oordeel van de man van de wereld over geloofszaken: 1) zijn hoogste standpunt is dat van het burgerlijk recht; 2) zijn oordeel is minachtend; hij rekent de voorwerpen van het geloof tot het gebied van het bijgeloof en stelt er een zekere eer in dergelijke zaken niet te begrijpen; 3) zijn belangstelling in dergelijke zaken is evenals bij Agrippa een zaak van nieuwsgierigheid en van mode.
Toen dan de volgende dag Agrippa gekomen was met Bernice, die ook graag die zitting wilde bijwonen toen haar broer haar daarvan vertelde, en zich met grote pracht tot de landvoogd had vervoegd, was er ook van zijn kant alles aan gedaan om een luisterrijke samenkomst te hebben. En toen zij het rechthuis waren binnengegaan, in de gehoor- of spreekzaal van het rechthuis (hoofdst. 23: 35), met de oversten over duizend, de hoogste militaire autoriteiten en de mannen die de voornaamsten van de stad waren, de beste magistraatspersonen van Cesarea, werd Paulus op bevel van Festus voorgebracht.
Dat het naar de aard van de wederzijdse betrekking tussen de hooggeplaatste personages tot grote pracht en praal kwam, is evenmin bevreemdend, als dat naar de aard van de wereldzin, aan oude en nieuwe tijden gemeen, het verhoor van de befaamde gevangene tot een soort van openbare vertoning gemaakt werd, waarvoor de verschillende militaire en burgerlijke autoriteiten en nationaliteiten te Cesarea uitgenodigd werden.
Zij maakten een vertoning, alsof zij een grote heer verwachtten; dat was later Paulus in zijn boeien.
Door de voorstelling van Paulus voor Agrippa en Bernice kwam voor het eerst de voorzegging van de Heere (Matth. 10: 18 Mark. 13: 9) tot vervulling: “gij zult voor koningen en stadhouders geleid worden om Mijnentwil. “
Hoewel Paulus reeds een beroep op de keizer gedaan had en Agrippa dus geen vonnis kon uitspreken, maar op zijn hoogst een gunstig getuigenis kon geven, had deze toch lust met Paulus te spreken; de zaak werd nu niet ten einde gebracht als een privé-gesprek, maar in een gehoorzaal, dus als rechtszaak. Dit was een gelegenheid voor Agrippa om zich in staatsie te vertonen, te midden van het Romeinse gebied als Joods vorst op te treden in de hoedanigheid van onderzoeker in een rechtsgeding.
Met grote pracht, in sierlijke kleding en met alle praal vertoonden zich Agrippa en Bernice en dat op de plaats waar volgens hoofdst. 12: 21vv. de pracht van hun vader een verschrikkelijk einde had gehad.
Hoe zou die pracht spoedig verbleken voor de eenvoudige woorden van de man van God!
En Festus zei: Koning Agrippa en gij mannen, allen die met ons hier tegenwoordig zijn om onze vergadering op te luisteren en als getuigen bij te wonen! Gij ziet dezePaulus, van wie mij de hele menigte van de Joden heeft aangesproken en met grote onstuimigheid bij mij heeft aangedrongen, zowel te Jeruzalem als hier te Cesarea (vs. 2v. en vs. 7vv.). Men heeft hem zwaar bij mij beschuldigd, roepende dat hij niet meer behoort te leven, terwijl men zich tot zaakwaarnemers maakte van hen die dat voor Claudius Lysias uitschreeuwden (hoofdstuk 22: 22).
Maar het bleek mij, zowel uit de verantwoording die hij zelf voor mij heeft gehouden (vs. 8) als uit de akten van mijn voorganger en uit de berichten van de overste (hoofdstuk 23: 29; 24: 22v.), dat hij niets gedaan had waar de doodstraf op staat en omdat hij zich ook zelf op de keizer beroepen heeft (vs. 10v.) heb ik besloten hem tot de keizer te Rome te zenden.
Maar ik heb niets stelligs over hem te schrijven aan mijn heer, onze keizer, zodat ik in verlegenheid ben wat de inhoud moet zijn van de brief ter geleide van hem (hoofdstuk 23: 25vv.), om voor het verdereonderzoek enkele aanwijzingen te geven. Daarom heb ik hem voor u gebracht en vooral voor u, koning Agrippa, opdat ik na het onderzoek door u, die toch met kennis van zaken een juist oordeel kunt uitspreken, wat heb te schrijven.
Want het lijkt mij niet redelijk, geen wenselijke zaak, een gevangene te zenden en niet ook de beschuldigingen die tegen hem zijn, te kennen te geven. Er dient toch te worden geschreven waarom hij zolang gevangen is gehouden en voor de rechtbank van de keizer gesteld wordt, zodat tenminste iets wordt genoemd wat nader onderzoek en nadere beslissing nodig heeft. Om zoiets te vinden, leg ik de gehele rechtszaak in uw hand.
Men ziet, Festus wil de aanklacht van de Joden duidelijk doen uitkomen als een onverstandig bestormen van zijn rechterlijk standpunt om daarentegen de standvastigheid, die hij meent betoond te hebben, in het gunstigste licht te laten voorkomen. Ook hier (vgl. vs. 20) verbergt hij de omstandigheid dat hij door zijn wankelen Paulus tot het beroep heeft gedwongen (vs. 9), in duisternis.
Door de aanspraak aan koning Agrippa en de overige aanwezigen, waarmee Festus de behandeling in de plechtige gehoorzaal opent, wijst hij de eerste aan als een scheidsrechter, kundig op dit gebied, die bij de grote tegenstelling tussen het algemeen oordeel van de Joden ten opzichte van de gevangene en zijn eigen overtuiging in staat zal zijn een middenweg te vinden, met behulp waarvan hij Paulus naar de vorm rechtens tot de keizer kan zenden. Agrippa neemt vervolgens ook in hoofdstuk 26: 1 de plaats van voorzitter en beslisser in, waarin Festus hem voor dit geval geplaatst heeft en verkrijgt daardoor in deze plechtige vergadering van Romeinse notabelen die rang die met zijn koninklijke naam overeenkomt. Hij neemt het woord en geeft aan Paulus toestemming zich te verdedigen; net zo spoedig en zeker weet ook de apostel zijn plaats te vinden en in te nemen. Wij twijfelen er niet aan of, zodra hij de koning aan het hoofd van de hele vergadering en van de rechtszaak ziet, het woord van de Heere hem in gedachten is gekomen van het getuigenis dat hem ook voor koningen opgelegd is (hoofdstuk 9: 15) en hem dit ernstig zal hebben aangespoord en tevens troostvol zal hebben bemoedigd.
De naam “heer” voor de keizer te Rome, waarvan Festus zich in vs. 26 bedient, was een benaming die Augustus en Tiberius met beslistheid afwezen als een naam die slechts de Joden toekwam, maar die reeds door Caligula en Claudius werd toegestaan en door Nero, regeerde sedert 13 okt. 54, dus sedert de tijd dat Paulus zijn werk in Efeze begon (hoofdstuk 19: 1vv.) zelfs als verplichte rechtstitel werd geëist.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel