Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
EnG1161 PaulusG3972, de ogenG816 op den raadG4892 houdendeG816, zeideG2036: MannenG435 broedersG80! ikG1473 heb met alleG3956 goedG18 gewetenG4893 voor GodG2316 gewandeldG4176 tot op dezenG5026 dagG2250.
En Paulus, de ogen op den raad houdende, zeide: Mannen broeders! ik heb met alle goed geweten voor God gewandeld tot op dezen dag.
KJV
And2
Paul,4
earnestly beholding1
the council,6
said,
Men8
and brethren,9
I10
have lived14
in all11
good13
conscience12
before God16
until17
this
day.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
MaarG1161 de hogepriesterG749 AnaniasG367 bevalG2004 dengenen, die bij hem stondenG3936, dat zij hem op den mondG4750 zouden slaanG5180.
Maar de hogepriester Ananias beval dengenen, die bij hem stonden, dat zij hem op den mond zouden slaan.
KJV
And2
the high priest3
Ananias4
commanded5
them that stood by7
him8
to smite9
him10
on the mouth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Toen zeideG2036 PaulusG3972 totG4314 hemG846: GodG2316 zal uG4771 slaanG5180, gij gewitteG2867 wandG5109! ZitG2521 gij ookG2532 om mijG1473 te oordelenG2919 naarG2596 de wet, enG2532 beveeltG2753 gij, tegen de wet, dat men mijG1473 zal slaanG5180?
Toen zeide Paulus tot hem: God zal u slaan, gij gewitte wand! Zit gij ook om mij te oordelen naar de wet, en beveelt gij, tegen de wet, dat men mij zal slaan?
Ook in dit vers
wetG3551
wetG3891
KJV
Then1
said
Paul3
unto4
him,5
God11
shall9
smite7
thee,
thou whited13
wall:12
for14
sittest16
thou8
to judge17
me
after19
the law,21
and22
commandest24
me
to be smitten26
contrary to the law?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
EnG1161 die daarbij stondenG3936, zeidenG2036: ScheldtG3058 gij den hogepriesterG749 GodsG2316?
En die daarbij stonden, zeiden: Scheldt gij den hogepriester Gods?
KJV
And2
they that stood by3
said,
Revilest thou9
God's8
high priest?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En PaulusG3972 zeideG5346: Ik wistG1492 nietG3756, broedersG80! datG3754 het de hogepriesterG749 was; want er is geschrevenG1125: Den oversteG758 uws volksG2992 zult gijG4771 nietG3756 vloekenG2046.
En Paulus zeide: Ik wist niet, broeders! dat het de hogepriester was; want er is geschreven: Den overste uws volks zult gij niet vloeken.
KJV
Then2
said1
Paul,4
I wist6
not,5
brethren,7
that8
he was
the high priest:10
for12
it is written,11
Thou shalt18
not17
speak
evil19
of the ruler13
of thy
people.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En PaulusG3972 wetendeG1097 datG3754 het eneG1520 deelG3313 wasG1510 van de SadduceenG4523, en het andere van de FarizeenG5330, riepG2896 inG1722 den raadG4892: MannenG435 broedersG80, ikG1473 benG1510 een FarizeerG5330, eens FarizeersG5330 zoonG5207; ikG1473 word overG4012 de hoopG1680 en opstandingG386 der dodenG3498 geoordeeldG2919.
En Paulus wetende dat het ene deel was van de Sadduceen, en het andere van de Farizeen, riep in den raad: Mannen broeders, ik ben een Farizeer, eens Farizeers zoon; ik word over de hoop en opstanding der doden geoordeeld.
KJV
But2
when Paul4
perceived1
that5
the one7
part8
were
Sadducees,10
and12
the other13
Pharisees,14
he cried out15
in16
the council,18
Men19
and brethren,20
I21
am9
a Pharisee,22
the son24
of a Pharisee:25
of26
the hope27
and28
resurrection29
of the dead30
I31
am called in question.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En als hijG846 ditG3778 gesprokenG2980 had, ontstondG1096 er tweedrachtG4714 tussen de FarizeenG5330 en de SadduceenG4523, en de menigteG4128 werd verdeeldG4977.
En als hij dit gesproken had, ontstond er tweedracht tussen de Farizeen en de Sadduceen, en de menigte werd verdeeld.
KJV
And2
when he3
had4
so
said,
there arose5
a dissension6
between the Pharisees8
and9
the Sadducees:11
and12
the multitude15
was divided.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
WantG1063 de SadduceenG4523 zeggenG3004, dat er geenG3361 opstandingG386 isG1510, noch engelG32, noch geestG4151, maarG1161 de FarizeenG5330 belijdenG3670 het beideG297.
Want de Sadduceen zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel, noch geest, maar de Farizeen belijden het beide.
KJV
For3
the Sadducees1
say4
that there is
no5
resurrection,7
neither8
angel,9
nor10
spirit:11
but13
the Pharisees12
confess14
both.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En er geschieddeG1096 een grootG3173 geroepG2906; en de SchriftgeleerdenG1122 van de zijde der FarizeenG5330 stondenG450 op, en stredenG1264, zeggendeG3004: Wij vindenG2147 geen kwaadG2556 inG1722 dezenG5129 mensG444; en indienG1487 een geestG4151 tot hemG846 gesprokenG2980 heeft, of een engelG32, laat ons tegen GodG3361 niet strijdenG2313.
En er geschiedde een groot geroep; en de Schriftgeleerden van de zijde der Farizeen stonden op, en streden, zeggende: Wij vinden geen kwaad in dezen mens; en indien een geest tot hem gesproken heeft, of een engel, laat ons tegen God niet strijden.
Ook in dit vers
Joh. 21:06;G3313
KJV
And2
there arose1
a great4
cry:3
and5
the scribes8
that were of the Pharisees'12
part10
arose,6
and strove,13
saying,14
We find17
no15
evil16
in18
this
man:20
but23
if22
a spirit24
or27
an angel28
hath spoken25
to him,26
let us30
not29
fight
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
EnG1161 als er grote tweedrachtG4714 ontstaanG1096 was, de oversteG5506, vrezendeG2125, dat PaulusG3972 vanG5259 henG846 verscheurdG1288 mocht worden, geboodG2753, dat het krijgsvolkG4753 zou afkomenG2597, en hem uitG1537 het middenG3319 van hen wegrukkenG726, en inG1519 de legerplaatsG3925 brengenG71.
En als er grote tweedracht ontstaan was, de overste, vrezende, dat Paulus van hen verscheurd mocht worden, gebood, dat het krijgsvolk zou afkomen, en hem uit het midden van hen wegrukken, en in de legerplaats brengen.
KJV
And2
when there arose3
a great1
dissension,4
the chief captain,7
fearing5
lest8
Paul11
should have been pulled in pieces9
of12
them,13
commanded14
the soldiers16
to go down,17
and to take18
him19
by force
from20
among21
them,22
and24
to bring23
him into25
the castle.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En den volgendenG1966 nachtG3571 stondG2186 de HeereG2962 bij hemG846, en zeideG2036: Heb goeden moedG2293, PaulusG3972, wantG1063 gelijkG5613 gij te JeruzalemG2419 vanG4012 MijG1473 betuigdG1263 hebt alzoG3779 moetG1163 gij ookG2532 te RomeG4516 getuigenG3140.
En den volgenden nacht stond de Heere bij hem, en zeide: Heb goeden moed, Paulus, want gelijk gij te Jeruzalem van Mij betuigd hebt alzo moet gij ook te Rome getuigen.
KJV
And2
the night4
following3
the Lord8
stood by5
him,6
and said,
Be of good cheer,10
Paul:11
for13
as12
thou hast testified14
of16
me
in18
Jerusalem,19
so20
must22
thou
bear witness26
also23
at24
Rome.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
EnG1161 als het dagG2250 geworden was, maaktenG4160 sommigenG5100 van de JodenG2453 een samenrottingG4963, en vervloektenG332 zichzelvenG1438, zeggendeG3004, datG3739 zij noch etenG5315 noch drinkenG4095 zouden, totdat zij PaulusG3972 zouden gedoodG615 hebben.
En als het dag geworden was, maakten sommigen van de Joden een samenrotting, en vervloekten zichzelven, zeggende, dat zij noch eten noch drinken zouden, totdat zij Paulus zouden gedood hebben.
KJV
And2
when it was1
day,3
certain5
of the Jews7
banded together,4
and bound9
themselves10
under a curse,
saying11
that they would13
neither12
eat
nor14
drink15
till16
they had killed18
Paul.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
En zij waren meer danG1161 veertigG5062, dieG3778 dezenG5026 eedG4945 te zamen gedaanG4160 hadden;
En zij waren meer dan veertig, die dezen eed te zamen gedaan hadden;
KJV
And2
they were
more than
forty4
which5
had made9
this
conspiracy.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Dewelke gingenG4334 tot de overpriestersG749 enG2532 de ouderlingenG4245, en zeidenG2036: Wij hebben ons zelvenG1438 met vervloekingG331 vervloektG332, nietsG3367 te zullen nuttigenG1089, totdat wij PaulusG3972 zullen gedoodG615 hebben.
Dewelke gingen tot de overpriesters en de ouderlingen, en zeiden: Wij hebben ons zelven met vervloeking vervloekt, niets te zullen nuttigen, totdat wij Paulus zullen gedood hebben.
KJV
And they1
came to2
the chief priests4
and5
elders,7
and said,
We have bound10
ourselves11
under a great curse,9
that we will eat13
nothing12
until14
we have slain16
Paul.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Gij dan nu, laat den oversteG5506 wetenG1718 met den raadG4892, dat hij hem morgenG839 totG4314 u afbrengeG2609, alsofG5613 gij nadereG197 kennisG1231 zoudt nemenG1231 vanG4012 zijn zakenG1161; en wij zijn bereidG2092 hem om te brengenG337, eerG4253 hij bij u komtG1448.
Gij dan nu, laat den overste weten met den raad, dat hij hem morgen tot u afbrenge, alsof gij nadere kennis zoudt nemen van zijn zaken; en wij zijn bereid hem om te brengen, eer hij bij u komt.
KJV
Now1
therefore2
ye
with7
the council9
signify4
to the chief captain6
that10
he bring13
him12
down
unto14
you
to morrow,11
as16
though ye would17
enquire18
something more perfectly
concerning21
him:22
and24
we,
or ever25
he28
come near,27
are
ready29
to kill32
him.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En als de zoonG5207 van PaulusG3972' zusterG79 deze lageG1749 gehoordG191 had, kwam hij daar, en ging inG1519 de legerplaatsG3925, en boodschapteG518 het PaulusG3972.
En als de zoon van Paulus' zuster deze lage gehoord had, kwam hij daar, en ging in de legerplaats, en boodschapte het Paulus.
KJV
And2
when Paul's7
sister's6
son4
heard1
of their lying in wait,10
he went15
and16
entered17
into18
the castle,20
and told21
Paul.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
EnG1161 PaulusG3972 riepG4341 totG4314 zich eenG1520 van de hoofdmannen over honderd, en zeideG5346: LeidG520 dezenG5126 jongelingG3494 heen tot den oversteG5506; wantG1063 hij heeftG2192 hem wat te boodschappenG518.
En Paulus riep tot zich een van de hoofdmannen over honderd, en zeide: Leid dezen jongeling heen tot den overste; want hij heeft hem wat te boodschappen.
Ook in dit vers
hoofdmannen honderdG1543
KJV
Then2
Paul4
called1
one5
of the centurions7
unto him, and said,8
Bring12
this
young man10
unto13
the chief captain:15
for17
he hath16
a certain thing18
to tell19
him.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Deze danG3767 namG3880 hemG846 en brachtG71 hem totG4314 den oversteG5506, enG2532 zeideG5346: PaulusG3972, de gevangeneG1198, heeft mij totG4314 zich geroepenG4341, en begeerdG2065, datG3778 ik dezenG5126 jongelingG3494 tot u zou brengenG71, die u wat heeft te zeggenG2980.
Deze dan nam hem en bracht hem tot den overste, en zeide: Paulus, de gevangene, heeft mij tot zich geroepen, en begeerd, dat ik dezen jongeling tot u zou brengen, die u wat heeft te zeggen.
KJV
So3
he took4
him,5
and brought6
him to7
the chief captain,9
and10
said,11
Paul14
the prisoner13
called15
me
unto him, and prayed me17
to bring21
this
young man20
unto22
thee,
who hath24
something25
to say26
unto thee.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
De oversteG5506 nuG1161 namG1949 hemG846 bij de handG5495, en bezijdenG2596 gegaanG402 zijnde, vraagdeG4441 hij: Wat isG1510 het datG3739 gij mijG1473 hebtG2192 te boodschappenG518?
De overste nu nam hem bij de hand, en bezijden gegaan zijnde, vraagde hij: Wat is het dat gij mij hebt te boodschappen?
KJV
Then2
the chief captain7
took1
him5
by the hand,4
and8
went with him aside9
privately,10
and asked12
him, What13
is
that15
thou hast16
to tell17
me?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
EnG1161 hij zeideG2036: De JodenG2453 zijn overeengekomenG4934, om van u te begerenG2065, datG3754 gijG4771 PaulusG3972 morgenG839 inG1519 den raadG4892 zoudt afbrengenG2609, alsofG5613 zij ietsG5100 vanG4012 hem naderG197 zouden onderzoekenG4441.
En hij zeide: De Joden zijn overeengekomen, om van u te begeren, dat gij Paulus morgen in den raad zoudt afbrengen, alsof zij iets van hem nader zouden onderzoeken.
KJV
And2
he said,3
The Jews5
have agreed6
to desire8
thee
that10
thou wouldest bring down15
Paul17
to morrow11
into12
the council,14
as18
though they would19
enquire22
somewhat20
of23
him24
more perfectly.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Doch geloofG3982 hen nietG3361; wantG1063 meer danG3767 veertigG5062 mannenG435 uitG1537 henG846 leggenG1748 hem lagenG1748, welkeG3739 zichzelvenG1438 met een vervloeking verbondenG332 hebben noch te etenG5315 noch te drinkenG4095, totdat zij hemG846 zullen omgebrachtG337 hebben; enG2532 zij zijnG1510 nu gereedG2092, verwachtendeG4327 de toezeggingG1860 vanG575 uG4771.
Doch geloof hen niet; want meer dan veertig mannen uit hen leggen hem lagen, welke zichzelven met een vervloeking verbonden hebben noch te eten noch te drinken, totdat zij hem zullen omgebracht hebben; en zij zijn nu gereed, verwachtende de toezegging van u.
KJV
But2
do4
not3
thou1
yield
unto them:5
for7
there lie in wait for6
him8
of9
them10
more than
forty13
men,11
which14
have bound15
themselves16
with an oath,
that they will18
neither17
eat
nor19
drink20
till21
they have killed23
him:24
and25
now26
are they
ready,27
looking for29
a promise33
from31
thee.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
De oversteG5506 danG3767 lietG630 den jongelingG3494 gaan, hem gebiedendeG3853: ZegG1583 niemandG3367 voortG1583, dat gij mijG1473 zulks geopenbaardG1718 hebt.
De overste dan liet den jongeling gaan, hem gebiedende: Zeg niemand voort, dat gij mij zulks geopenbaard hebt.
Ook in dit vers
totG4314
KJV
So2
the chief captain4
then let5
the young man7
depart,
and charged8
him, See thou tell10
no man9
that11
thou hast shewed13
these things
to14
me.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
En zekereG5100 tweeG1417 vanG575 de hoofdmannen over honderd tot zich geroepenG4341 hebbende, zeideG2036 hij: MaaktG2090 tweehonderdG1250 krijgsknechtenG4757 gereedG2090, opdat zij naar CesareaG2542 trekkenG4198, enG2532 zeventigG1440 ruitersG2460, enG2532 tweehonderdG1250 schuttersG1187, tegen de derdeG5154 ureG5610 des nachtsG3571;
En zekere twee van de hoofdmannen over honderd tot zich geroepen hebbende, zeide hij: Maakt tweehonderd krijgsknechten gereed, opdat zij naar Cesarea trekken, en zeventig ruiters, en tweehonderd schutters, tegen de derde ure des nachts;
Ook in dit vers
hoofdmannen honderdG1543
KJV
And1
he called unto2
him4
two3
centurions,6
saying,
Make ready8
two hundred10
soldiers9
to11
go12
to13
Caesarea,14
and15
horsemen16
threescore and ten,17
and18
spearmen19
two hundred,20
at21
the third22
hour23
of the night;
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
En laat ze zadel beestenG2934 bestellenG3936, opdatG2443 zij PaulusG3972 daarop zettenG1913, en behoudenG1295 overbrengen totG4314 den stadhouderG2232 FelixG5344.
En laat ze zadel beesten bestellen, opdat zij Paulus daarop zetten, en behouden overbrengen tot den stadhouder Felix.
KJV
And2
provide3
them beasts,1
that4
they may set5
Paul7
on,
and bring him safe8
unto9
Felix10
the governor.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
En hij schreefG1125 een briefG1992, hebbende dezenG5126 inhoudG5179:
En hij schreef een brief, hebbende dezen inhoud:
KJV
And he wrote1
a letter2
after3
this
manner:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
ClaudiusG2804 LysiasG3079 aan den machtigstenG2903 stadhouderG2232 FelixG5344 groetenisG5463.
Claudius Lysias aan den machtigsten stadhouder Felix groetenis.
KJV
Claudius1
Lysias2
unto the most excellent4
governor5
Felix6
sendeth greeting.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Alzo dezeG3778 manG435 van de JodenG2453 gegrepenG4815 was, enG2532 van hen omgebrachtG337 zou geworden zijn, ben ik daarover gekomen met het krijgsvolkG4753, en heb hem hun ontnomenG1807, berichtG3129 zijnde, dat hij een RomeinG4514 isG1510.
Alzo deze man van de Joden gegrepen was, en van hen omgebracht zou geworden zijn, ben ik daarover gekomen met het krijgsvolk, en heb hem hun ontnomen, bericht zijnde, dat hij een Romein is.
KJV
This
man2
was taken4
of5
the Jews,7
and8
should9
have been killed10
of11
them:12
then came I13
with14
an army,16
and rescued17
him,18
having understood19
that20
he was
a Roman.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
EnG1161 willendeG1014 de zaakG156 wetenG1097, waarover zij hem beschuldigdenG1458, brachtG2609 ik hemG846 af inG1519 hunG846 raadG4892;
En willende de zaak weten, waarover zij hem beschuldigden, bracht ik hem af in hun raad;
KJV
And2
when1
I would
have known3
the cause5
wherefore6
they accused8
him,9
I brought10
him11
forth
into12
their15
council:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
WelkenG3739 ik bevondG2147 beschuldigdG1458 te worden overG4012 vragenG2213 hunner wetG3551; maarG1161 geen beschuldigingG1462 tegen hemG846 te zijn, die den doodG2288 ofG2228 bandenG1199 waardigG514 is.
Welken ik bevond beschuldigd te worden over vragen hunner wet; maar geen beschuldiging tegen hem te zijn, die den dood of banden waardig is.
KJV
Whom1
I perceived2
to be accused3
of4
questions5
of their8
law,7
but10
to have16
nothing9
laid to his charge15
worthy11
of death12
or13
of bonds.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
En als mij te kennen gegevenG3377 wasG1510, dat vanG5259 de JodenG2453 een lageG1917 tegen deze manG435 gelegdG3195 zou worden, zo heb ik hem terstondG1824 aanG4314 u gezondenG3992; gebiedendeG3853 ookG2532 den beschuldigersG2725 voor u te zeggenG3004, hetgeen zij tegenG1909 hemG846 hadden. VaarwelG4517.
En als mij te kennen gegeven was, dat van de Joden een lage tegen deze man gelegd zou worden, zo heb ik hem terstond aan u gezonden; gebiedende ook den beschuldigers voor u te zeggen, hetgeen zij tegen hem hadden. Vaarwel.
Ook in dit vers
totG4314
KJV
And2
when it was told1
me
how that10
the Jews12
laid wait4
for5
the man,7
I sent14
straightway13
to15
thee,
and gave commandment17
to his accusers20
also18
to say21
before25
thee
what they had against23
him.24
Farewell.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
De krijgsknechtenG4757 danG3767, gelijk hun bevolenG1299 was, namenG353 PaulusG3972, en brachtenG71 hem des nachtsG3571 totG1519 AntipatrisG494.
De krijgsknechten dan, gelijk hun bevolen was, namen Paulus, en brachten hem des nachts tot Antipatris.
KJV
Then3
the soldiers,4
as5
it was commanded7
them,8
took9
Paul,11
and brought12
him by13
night15
to16
Antipatris.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
EnG1161 des anderen daagsG1887, latendeG1439 de ruitersG2460 met hem trekkenG4198, keerdenG5290 zijG846 wederom naarG1519 de legerplaatsG3925.
En des anderen daags, latende de ruiters met hem trekken, keerden zij wederom naar de legerplaats.
KJV
On the morrow3
they left4
the horsemen6
to go7
with8
him,9
and returned10
to11
the castle:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
Dewelken als zij te CesareaG2542 gekomen waren, enG2532 den briefG1992 den stadhouderG2232 overgeleverdG325 hadden, hebben zij ookG2532 PaulusG3972 voor hem gesteldG3936.
Dewelken als zij te Cesarea gekomen waren, en den brief den stadhouder overgeleverd hadden, hebben zij ook Paulus voor hem gesteld.
KJV
Who,1
when they came2
to3
Caesarea,5
and6
delivered7
the epistle9
to the governor,11
presented12
Paul15
also13
before him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
En de stadhouderG2232, den brief gelezenG314 hebbende, vraagdeG1905, uitG1537 wat provincieG1885 hij wasG1510; en verstaandeG4441, datG3754 hij vanG575 CilicieG2791 was,
En de stadhouder, den brief gelezen hebbende, vraagde, uit wat provincie hij was; en verstaande, dat hij van Cilicie was,
KJV
And2
when the governor4
had read1
the letter,5
he asked6
of7
what8
province9
he was.
And11
when he understood12
that13
he was of14
Cilicia;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
ZeideG5346 hij: Ik zal uG4771 horenG1251, als ookG2532 uw beschuldigersG2725 hier zullen gekomen zijn. En hij bevalG2753, dat hijG846 inG1722 het rechthuisG4232 van HerodesG2264 zou bewaardG5442 worden.
Zeide hij: Ik zal u horen, als ook uw beschuldigers hier zullen gekomen zijn. En hij beval, dat hij in het rechthuis van Herodes zou bewaard worden.
KJV
I will hear1
thee,
said he,3
when4
thine
accusers7
are9
also5
come.
And11
he commanded10
him12
to be kept18
in13
Herod's17
judgment hall.
met alle goed
Namelijk niet alleen in het Christendom, maar ook in het Jodendom, want hij had toen ook God oprecht zonder geveinsdheid gediend, naar de kennis die hij had, hoewel hij de Christenen daarna uit onverstand had vervolgd. Zie verder 2 Tim. 1:3 .
Hertaald:
met alle goed
Namelijk niet alleen in het christendom, maar ook in het Jodendom; want ook toen had hij God oprecht en ongeveinsd gediend naar de kennis die hij had, hoewel hij de christenen daarna uit onverstand vervolgd heeft. Zie verder 2 Tim. 1:3.
voor God gewandeld
Of, God gediend. Het Griekse woord betekent eigenlijk in enige stad als een goede overheid, of als een goed burger zich gedragen. Zie ook Fil. 1:27 , en Fil. 3:20 .
Hertaald:
voor God gewandeld
Of: God gediend. Het Griekse woord betekent eigenlijk: zich in een stad gedragen als een goede overheid of als een goed burger. Zie ook Filipp. 1:27 en Filipp. 3:20.
gij gewitte wand
Dat is, gij geveinsde, gij die wel een priesterlijk kleed hebt, maar een wreed en onrechtvaardig hart. Zie Matt. 23:27-28 ; deze woorden van Paulus moeten niet genomen worden voor scheldwoorden, Matt. 5:22 , of woorden van wraakgierigheid, of van vergelding van kwaad met kwaad, maar voor een ernstige bestraffing van dezen mens, en voor een vrijmoedige aanzegging van Gods oordeel over hem. Zie dergelijke 2 Tim. 4:14 .
Hertaald:
gij gewitte wand
Dat is: u huichelaar, u die wel een priesterlijk kleed draagt maar een wreed en onrechtvaardig hart hebt. Zie Matth. 23:27-28. Deze woorden van Paulus moeten niet opgevat worden als scheldwoorden (Matth. 5:22), en ook niet als woorden van wraakzucht of van kwaad met kwaad vergelden, maar als een ernstige bestraffing van deze man en als een vrijmoedige aanzegging van Gods oordeel over hem. Zie iets dergelijks in 2 Tim. 4:14.
tegen de wet,
Grieks de wet overtredende.
Hertaald:
tegen de wet,
Grieks: de wet overtredende.
Ik wist niet,
Dewijl de hogepriesters in dien tijd dikwijls veranderden, ook zelfs alle jaren, Joh. 11:49 , en Paulus nu over langen tijd te Jeruzalem niet verkeerd had, zo is het niet wonder dat hij den hogepriester van aangezicht niet gekend heeft, temeer omdat ook de hogepriester zelf in alle vergaderingen niet tegenwoordig was, en omdat hier alles in verwarring toeging, gelijk uit de gehele handeling blijkt. Zie JosEf. Antiq. lib.20, cap.6,7-8.
Hertaald:
Ik wist niet,
Omdat de hogepriesters in die tijd vaak wisselden, zelfs jaarlijks (Joh. 11:49), en Paulus al lange tijd niet in Jeruzalem verkeerd had, is het geen wonder dat hij de hogepriester niet van gezicht kende — te meer omdat de hogepriester ook niet bij alle vergaderingen aanwezig was en omdat het hier allemaal in verwarring toeging, zoals uit de hele handeling blijkt. Zie Josefus, Oudheden, boek 20, hoofdstuk 6 tot en met 8.
vloeken
Grieks kwalijk toespreken, of, kwalijk van hem spreken, schelden. Want hoewel Paulus niet had dan recht gesproken, nochtans, omdat het bij de omstanders een schijn had van schelden, zo wil hij zeggen, dat hij zulks ook zou vermeden hebben, had hij den hogepriester gekend.
Hertaald:
vloeken
Grieks: kwaad toespreken, of kwaad van hem spreken, schelden. Want hoewel Paulus niets anders dan de waarheid gesproken had, wil hij toch zeggen dat hij het vermeden zou hebben als hij de hogepriester gekend had, omdat het voor de omstanders de schijn van schelden had.
van de Sadduceën,
Van deze twee sekten, zie Matt. 3:7 , en Matt. 22:23 ; JosEf. Antiq. lib.18, cap.2, en de bello Judas lib.2, cap.7.
Hertaald:
van de Sadduceën,
Zie over deze twee sekten Matth. 3:7 en Matth. 22:23; Josefus, Oudheden, boek 18, hoofdstuk 2, en De Joodse Oorlog, boek 2, hoofdstuk 7.
een Farizeër, eens
Namelijk van leven geweest, en nog met hen staande in het gevoelen aangaande de opstanding der doden en enige andere stukken. Hij spreekt hier de waarheid, hoewel hij een deel van dezelve verzwijgt, om de vijanden van Gods kerk alzo te verwarren.
Hertaald:
een Farizeër, eens
Namelijk van leven geweest, en nog steeds met hen eensgezind in de opvatting over de opstanding van de doden en enkele andere punten. Hij spreekt hier de waarheid, hoewel hij een deel daarvan verzwijgt, om de vijanden van Gods kerk zo in verwarring te brengen.
de hoop en
Dit kan verstaan worden, òf van de hoop der opstanding, òf ook van de hoop der zaligheid en der opstanding, alzo de Sadduceën beide loochenden, overmits zij de onsterflijkheid der zielen ontkenden.
Hertaald:
de hoop en
Dit kan verstaan worden óf van de hoop op de opstanding, óf ook van de hoop op de zaligheid en de opstanding, aangezien de sadduceeën beide loochenden omdat zij de onsterfelijkheid van de zielen ontkenden.
geoordeeld
Dat is, voor recht gesteld.
Hertaald:
geoordeeld
Dat is: voor het gerecht gesteld.
tweedracht
Of, oproer.
Hertaald:
tweedracht
Of: onrust.
de menigte werd
Namelijk dergenen, die daar vergaderd waren.
Hertaald:
de menigte werd
Namelijk van hen die daar vergaderd waren.
verdeeld
Grieks gescheurd.
Hertaald:
verdeeld
Grieks: gescheurd.
geest,
Dat is, onsterflijkheid der zielen, of geestelijk wezen, dat onsterflijk is.
Hertaald:
geest,
Dat is: onsterfelijkheid van de zielen, of een geestelijk wezen dat onsterfelijk is.
beide
Namelijk de opstanding der lichamen, en de onsterflijkheid der geesten, dat is, der engelen en zielen.
Hertaald:
beide
Namelijk de opstanding van de lichamen en de onsterfelijkheid van de geesten, dat is: van de engelen en de zielen.
van de zijde
Grieks van het deel.
Hertaald:
van de zijde
Grieks: van het deel.
tweedracht
Of, oproer.
Hertaald:
tweedracht
Of: onrust.
stond de Heere
Namelijk in een gezicht, òf in een droom, òf in ene vertrekking van zinnen; 2 Kor. 12:1 .
Hertaald:
stond de Heere
Namelijk in een gezicht, óf in een droom, óf in een vervoering van de zinnen; 2 Kor. 12:1.
van Mij betuigd
Of, van die dingen die mij aangaan.
Hertaald:
van Mij betuigd
Of: van de dingen die Mij aangaan.
vervloekten
Grieks anethematisan; dat is, zwoeren, dat zij een anathema, of vervloeking voor God wilden zijn, zo zij aten of dronken eer zij Paulus gedood hadden. Zie vs.21; Matt. 26:74 ; Rom. 9:3 ; Gal. 1:8 .
Hertaald:
vervloekten
Grieks: anethematisan; dat is: zij zwoeren dat zij een anathema of vervloeking voor God wilden zijn wanneer zij zouden eten of drinken voordat zij Paulus gedood hadden. Zie vers 21; Matth. 26:74; Rom. 9:3; Gal. 1:8.
den overste
Namelijk Lysias, waarvan zie de aantekeningen Hand. 22:24 .
Hertaald:
den overste
Namelijk Lysias; zie daarover de aantekeningen bij Hand. 22:24.
met den raad,
Of, met goedvinden van den Raad. Want Paulus was alleen in de macht des oversten, en niet des Raads.
Hertaald:
met den raad,
Of: met instemming van de Raad. Want Paulus was alleen in de macht van de overste en niet van de Raad.
nadere kennis
Of, volkomener, bescheidenlijker, nauwer, scherper.
Hertaald:
nadere kennis
Of: volkomener, nauwkeuriger, scherper.
De Joden zijn
Dat is, de Raad der Joden, met enige anderen.
Hertaald:
De Joden zijn
Dat is: de Raad van de Joden, met enkele anderen.
geloof hen niet;
Of, laat u van hen niet overreden; dat is, willig dat hun niet in.
Hertaald:
geloof hen niet;
Of: laat u door hen niet overreden; dat is: willig dat hun niet in.
met een vervloeking
Grieks vervloekt hebben.
Hertaald:
met een vervloeking
Grieks: vervloekt hebben.
de toezegging
Namelijk dat hij hem zult afbrengen in hunnen Raad.
Hertaald:
de toezegging
Namelijk dat hij hem naar hun Raad zal afbrengen.
Cesarea
Namelijk in Palestina, aan de Middellandse zee gelegen, waar de stadhouder zijn gewoon verblijf en gericht hield, als de sterkste en gelegenste stad in dat land; Tacit. Histor. lib.2.
Hertaald:
Cesarea
Namelijk het Cesarea in Palestina, aan de Middellandse Zee gelegen, waar de stadhouder zijn gewone verblijf hield en recht sprak, als de sterkste en meest geschikte stad in dat land; Tacitus, Historiën, boek 2.
schutters,
Grieks dexiolabous; hetwelk eigenlijk betekent, die met de rechterhand vatten; namelijk de spiesen om die te werpen, of te schieten op de vijanden.
Hertaald:
schutters,
Grieks: dexiolabous; dat betekent eigenlijk: zij die met de rechterhand grijpen, namelijk de speren om die naar de vijanden te werpen of te schieten.
tegen de derde
Grieks van; namelijk na den ondergang der zon, tegen de tweede wake, om hem alzo dien nacht buiten zorg te mogen brengen.
Hertaald:
tegen de derde
Grieks: van; namelijk na zonsondergang, tegen de tweede nachtwake, om hem zo die nacht veilig weg te kunnen brengen.
Felix
Deze Felix was de broeder van enen Pallas, die eerst een slaaf, daarna een vrijgelatene van den keizer Claudius was, welke met een anderen vrijgelatene, Narcissus genaamd, nagenoeg het Romeinse rijk onder dezen keizer regeerden. Zodat deze Pallas zijnen broeder Felix tot een stadhouder over Judea van des keizers wege gesteld had. Zie Suetonius in Claudio cap.28, en Josefus Antiq. lib.29, cap.5,6, Tacitus Ann. lib.12.
Hertaald:
Felix
Deze Felix was de broer van een zekere Pallas, die eerst een slaaf en daarna een vrijgelatene van keizer Claudius was. Samen met een andere vrijgelatene, Narcissus geheten, bestuurde die vrijwel het hele Romeinse rijk onder deze keizer. Zo had deze Pallas zijn broer Felix namens de keizer als stadhouder over Judea aangesteld. Zie Suetonius, Claudius, hoofdstuk 28, Josefus, Oudheden, boek 20, hoofdstuk 5 en 6, en Tacitus, Annalen, boek 12.
machtigsten
Zie Luc. 1:3 ; Hand. 24:3 , en Hand. 26:25 .
Hertaald:
machtigsten
Zie Luk. 1:3; Hand. 24:3 en Hand. 26:25.
vragen hunner
Zo spreekt hij als een heiden, alsof het de moeite niet waard ware hem over de geschillen in den Joodsen godsdienst enige moeite te maken. Doch God heeft dit zijn gevoelen gebruikt om Paulus uit de onrechtvaardige handen der Joden te verlossen.
Hertaald:
vragen hunner
Zo spreekt hij als een heiden, alsof het de moeite niet waard was hem over de geschillen in de Joodse godsdienst enige last te bezorgen. Maar God heeft deze opvatting van hem gebruikt om Paulus uit de onrechtvaardige handen van de Joden te verlossen.
Antipatris
Eene stad, gelegen aan de Middellandse zee tussen Joppe en Cesarea, omtrent zestien mijlen van Jeruzalem en acht van Cesarea, die van Herodes den Grote opgebouwd en gesterkt was, en naar zijn vader Antipatris genaamd; JosEf. Antiq. lib.16, cap.9.
Hertaald:
Antipatris
Een stad aan de Middellandse Zee, gelegen tussen Joppe en Cesarea, ongeveer zestien mijl van Jeruzalem en acht van Cesarea. Zij was door Herodes de Grote opgebouwd en versterkt en naar zijn vader Antipater genoemd; Josefus, Oudheden, boek 16, hoofdstuk 9.
horen, als
Of, ten volle horen, gelijk het Griekse woord medebrengt.
Hertaald:
horen, als
Of: ten volle horen, zoals het Griekse woord inhoudt.
rechthuis
Grieks Praitorio; van het Latijnse woord Proetorium, hetwelk betekent een paleis des oppersten gebieders, hetzij prins, gouverneur, of veldoverste; gelijk te zien is Matt. 27:27 ; Marc. 15:16 ; Fil. 1:13 , waarin ook een bijzondere plaats was om recht te doen.
Hertaald:
rechthuis
Grieks: praitorio, van het Latijnse woord praetorium, dat het paleis aanduidt van de hoogste gezagsdrager, of dat nu een vorst, een gouverneur of een veldheer is; zoals te zien is in Matth. 27:27; Mark. 15:16; Filipp. 1:13. Daarin was ook een bijzondere ruimte om recht te spreken.
Heródes zou
Het werd zo genaamd, omdat Herodes de Grote hetzelve aldaar gesticht had, toen hij deze stad, tevoren genaamd Stratonis toren, sterk maakte en naar den naam van den keizer Augustus Cesarea noemde.
Hertaald:
Heródes zou
Het werd zo genoemd omdat Herodes de Grote het daar gesticht had, toen hij deze stad, die eerder Toren van Strato heette, versterkte en naar keizer Augustus Cesarea noemde. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Romeins keizer, onder wie de door Agabus voorzegde hongersnood plaatsvond (Hand. 11:28); hij vaardigde later ook een bevel uit dat alle Joden Rome moesten verlaten (Hand. 18:2). Kleinzoon van Herodes de Grote, koning die Jakobus, de broer van Johannes, met het zwaard liet doden en ook Petrus gevangen zette, met de bedoeling hem na het paasfeest voor het volk te brengen; een engel bevrijdde Petrus echter wonderbaarlijk. Later werd Herodes, toen hij zich door het volk als een god liet toejuichen, door een engel des HEEREN geslagen en door wormen verteerd (Hand. 12:1-23). Niet dezelfde persoon als Herodes de Grote of Herodes Antipas. De hogepriester ten tijde van Paulus' gevangenneming te Jeruzalem; niet dezelfde persoon als de Ananias van Damaskus (Hand. 9) of de Ananias die samen met Saffira tegen de Heilige Geest loog (Hand. 5). Hij liet Paulus voor de Joodse Raad op de mond slaan (Hand. 23:2) en trad later zelf als aanklager tegen hem op voor de stadhouder Felix (Hand. 24:1). De Romeinse overste (chiliarch, bevelhebber over duizend man) te Jeruzalem, die Paulus uit de handen van de opgehitste menigte redde (Hand. 21:31-33) en hem later, nadat hij een moordaanslag had ontdekt, onder gewapend geleide naar de stadhouder Felix te Cesarea liet overbrengen. Zijn begeleidende brief aan Felix wordt in Handelingen 23:26-30 volledig weergegeven. De Romeinse stadhouder van Judea voor wie Paulus terechtstond. Hij hield de rechtszaak twee jaar lang aan, mede in de hoop op steekpenningen van Paulus (Hand. 24:26), en liet Paulus bij zijn aftreden gevangen achter om de Joden ter wille te zijn (Hand. 24:27). Hij was getrouwd met Drusilla. Een jongeman uit Tarsen, aan wiens voeten de getuigen bij de steniging van Stefanus hun klederen legden; hij haalde welbehagen in diens dood en verwoestte daarna de gemeente, mannen en vrouwen gevangen nemend. Op weg naar Damaskus om ook daar christenen te vervolgen, verscheen hem de verhoogde Jezus in een fel licht; drie dagen blind, werd hij door Ananias genezen en gedoopt, en werd van vervolger een krachtig verkondiger dat Jezus de Christus is (Hand. 7:58; 8:1-3; 9:1-30); later bekend als de apostel Paulus. Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Ligging: Op ongeveer halverwege tussen Jeruzalem en Cesarea (reeds bestaand), aan de rand van de kustvlakte. Geschiedenis: Hierheen werd Paulus, na een moordcomplot van meer dan veertig Joden tegen hem, 's nachts met een grote militaire escorte overgebracht op weg naar Cesarea, waar hij aan landvoogd Felix werd overgeleverd (Hand. 23:23-35). Bijbelse betekenis: De buitengewone Romeinse bescherming die Paulus hier en op deze hele tocht kreeg — tweehonderd soldaten, zeventig ruiters en tweehonderd lansdragers voor één gevangene — toont hoe de HEERE Zijn dienstknecht, dwars door de vijandschap van zijn eigen volk heen, zelfs door de instrumenten van een heidense overheid beschermde om hem tenslotte, zoals beloofd, ook te Rome te doen getuigen (vgl. Hand. 23:11). Archeologie: Geïdentificeerd met Tel Afek, waar opgravingen een Kanaänitisch/Israëlitisch bestuurscentrum en later een Romeinse vesting hebben blootgelegd — dezelfde plaats waarschijnlijk als het reeds bestaande Afek uit de tijd van Eli en Saul. Recente inzichten: Tel Afek, in het Israëlische nationale park Yarkon. Hand. 23:23-35 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas En als er grote tweedracht ontstaan was, de overste, vrezende dat Paulus van hen verscheurd mocht worden, gebood, dat het krijgsvolk zou af komen, en hem uit het midden… De Heere stond bij hem, en zeide: Heb goede moed, Paulus! want gelijk gij te Jeruzalem van Mij betuigd hebt, alzo moet gij ook te Rome getuigen. Hand.… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Handelingen 23
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Verdiepende artikelen
Hebt goede moed
Maak je werk rustig af


Handelingen 23
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
En toen Paulus zag dat niemand het woord nam om hem te verhoren, begon hij, de ogen met een vaste, vrije blik op de raad gericht, waaruit zijn bereidwilligheid ter verantwoording zich afspiegelde (1 Petrus 3: 15). Hij zei: mannen broeders, gij, die met mij tot één en hetzelfde volk behoort (hoofdstuk 2: 29; 3: 12 en 17; 13: 26; 15: 7). a) Ik heb, wat mijn verhouding tot de theocratie, mijn gedrag in de maatschappij van het godsrijk aangaat (Fil. 1: 27), met alle goed geweten vanaf mijn jeugd voor God gewandeld tot op deze dag.
Hand. 24: 16
Niemand van de raad schijnt zin gehad te hebben om het verhoor met een vraag te beginnen. Zij voelden zich waarschijnlijk beledigd dat zij op bevel van de overste van de Romeinse soldaten en in zijn tegenwoordigheid hadden moeten samenkomen, zodat die samenkomst zelf een vernedering was voor hen en dat zij bovendien niet waren samengekomen om als rechters te vonnissen, maar om door hun bericht de vreemde overheerser in staat te stellen om onder hen recht te spreken. Vandaar hun ontevredenheid, die hen ongeschikt maakte om met onpartijdigheid over de man te oordelen die door de Romeinse wapens tegen de woede van hun volk beschermd was en ongezind om een geregeld verhoor aan te stellen. Daar dan allen zwegen en niemand hem vroeg, vatte Paulus het woord op en zei: mannen, broeders. Zijn stand en aanzien onder de Joden gaven hem evenzeer als zijn leeftijd het recht tot deze aanspraak. De vergadering bestond uit mannen van zijn stand, van zijn leeftijd, zij waren broeders, zo noemde hij hen ook.
a) Maar de hogepriester Ananias, vertoornd over die rede van de apostel, beval degenen die bij hem stonden, de dienaren, dat zij hem op de mond zouden slaan.
1 Kon. 22: 24 Jer. 20: 2 Joh. 18: 22
Toen zei Paulus tot hem: God zal u slaan met een geweldige dood, die Hij u over u zal brengen, gij gewitte wand! gij die van buiten wel schoon bepleisterd zijt, maar innerlijk slechts uit onrein leem bestaat. a) Zit gijook als medelid van de hoge raad in de geestelijke rechtbank van Israël, om mij, zoals gij schijnt, te oordelen naar de wet en beveelt gij nu, in plaats van mijn verantwoording te horen en mijn zaak te onderzoeken, tegen de wet, dat men mij zal slaan? Beveelt gij een bestraffing zonder gewoon verhoor en wettig vonnis (Joh. 7: 51)?
Deut. 17: 9
Opmerkelijk is het dat deze woorden van Paulus kort daarna door de spoedige en ontzettende dood van Ananias vervuld werden, zoals Josephus vertelt en de vraag rijst bij ons op of dan de apostel niet door een ingeving van de Heilige Geest heeft gesproken, zoals de Heere beloofd heeft.
En zij die daarbij stonden en meenden hun meester te moeten verdedigen (Joh. 18: 22), zeiden: Scheldt gij de hogepriester van God uit? Want dat is hij, tegen wie gij uw woord hebt gesproken.
En Paulus zei: Ik wist niet, broeders, dat het de hogepriester was, anders zou ik dat woord, dat een goddelijke vloek aankondigt, hebben teruggehouden om het gebod van de Heere (2 Petrus 2: 10v. Jud. 1: 8vv.), want er is geschreven in Ex. 22: 28 : de overste van uw volk zult gij niet vervloeken.
De inhoud van deze vijf verzen heeft de uitleggers van verschillende zijden zeer in verwarring gebracht, zodat het bij hen gewoonte is geworden de apostel te berispen niet alleen om onbeleefdheid bij zijn aanspraak, maar ook om overijling bij zijn woord tegen Ananias. Tot de eerste fout heeft hij zich laten vervoeren door een te sterk zelfgevoel en tot de tweede door hartstochtelijke geraaktheid. Zijn woord van verontschuldiging met niet weten is dan een terugnemen van die belediging en daar dit niet weten onmogelijk kon plaatshebben, berustte zijn verontschuldiging eigenlijk op een noodleugen. Als zo’n verklaring juist was, dan moesten wij zeker gaan twijfelen aan het betrouwbare van de toezegging die de Heere aan Zijn apostelen in MATTHEUS. 10: 19 Luk. 21: 14v. geeft. Paulus zou dan op dit zo gewichtig en beslissend ogenblik, waarop het minder op zijn eigen persoon en zijn verder lot aankwam dan wel op de vervulling van zijn roeping, hem dadelijk bij zijn bekering voorgesteld (hoofdstuk 9: 15), om Christus’ naam uit te dragen voor de heidenen en voor de koningen en voor de kinderen van Israël, juist door de Geest van God verlaten zijn. Hij zou dan, zoals hij vroeger door de fanatieke Joden aan de Romeinse macht was opgedrongen, zo nu door de Heere, om wiens wil hij leed, aan de misgreep van eigen menselijk vleselijke ijver overgegeven zijn geweest. Wij hebben echter reden om meer te twijfelen aan de wijsheid van de exegeten, die op deze wijze oordelen, dan aan de wijsheid van de Heere, die Zijn “uitverkoren vat” zeker op de beste wijze in spreken en handelen geleid heeft. Des te meer zal de Heere dit hebben gedaan, nu in Paulus Zijn nieuwtestamentische gemeente stond tegenover het Jodendom, dat door Ananias werd vertegenwoordigd en nu geheel in ongeloof en fanatisme was opgelost en hier wederkerige verklaring en uiteindelijk gehele scheiding zou worden teweeggebracht. Stellen wij ons de moeilijke punten voor, eerst in hetgeen vs. 1 vertelt, dan valt het in het oog dat Paulus niet eerst een openen van de vergadering door de hoge raad als onderzoekend college afwacht, maar dadelijk zelf het woord neemt. Verder dat hij begint te spreken, de medeleden van de hoge raad met zijn blikken beschouwt en dat hij uiteindelijk aan de redevoering, die volgen zal een aanspraak laat voorafgaan, waarin hij zich met de overpriesters en oudsten volkomen gelijkstelt, zodat hij slechts als een Israëliet tegenover de Israëlieten staat, als hij zegt: “Mannen, broeders” (vgl. hoofdstuk 3: 12, 17; 5: 35; 13: 16 en 26, maar niet als een aangeklaagde tegenover zijn inquisiteurs en rechters, evenals Petrus in hoofdstuk 4: 8 Dit laatste punt nu is het dat ons het juiste gezichtspunt tot waardering van de omstandigheden en tot beoordeling van het gedrag van Paulus opent; deze bevindt zich namelijk inderdaad nu niet meer onder de rechterlijke macht van de hoge raad. Zij, die hij de vorige dag nog aanspreken kon: “Mannen, broeders en vaders! ” (hoofdstuk 22: 1) hebben hem, als hij zijn verantwoording heeft gedaan, wat de zaak aangaat, reeds uit de volksgemeenschap buiten gestoten. Hun vonnis was het doden van hem als van een godslasteraar en valse profeet en zij zouden dat ook zeker door steniging hebben volvoerd, als zij hadden mogen doen wat zij wilden (hoofdstuk 22: 22v.). Dat hij nog in leven is, is alleen een gevolg daarvan dat de Romeinse overheid, waaraan zij hem indirect hebben overgeleverd, zich hem heeft aangetrokken en dat nu deze geheel en alleen zijn rechtbank is. Noch het Joodse volk, noch de hoge raad heeft verder nog recht of macht over hem. Een teken daarin is de tegenwoordigheid van de overste bij deze vergadering, die de hoge raad ook niet op eigen gezag en naar eigen macht heeft samengeroepen, maar waardoor zij slechts het bevel volbrengt van deze medeaanwezige overste, omdat deze naar de zaak nader onderzoek wil doen. Het zou nu een verplaatsing van het zwaartepunt en een verduistering van de wezenlijke toestand van de zaak zijn geweest, als de apostel zijn verantwoording had willen inleiden met een aanspraak, alsof hij zichzelf beschouwde als nog staande onder de macht en de uitspraak van dit gerechtshof. De hoge raad had hier niets anders te doen de Romeinse hoofdman opheldering te geven omtrent een zaak die hij vanuit zijn heidens standpunt niet kon uitvinden. Deze had de vorige dag, toen hij zijn gevangene toestond tot het volk te spreken, uit hetgeen hij voordroeg zoveel vernomen dat het hier godsdienstige zaken van geheel bijzondere aard gold, partijtwisten en sektenverschil, waar hij geen kennis van had. Een oproermaker tegen het Romeinse bestuur, zoals hij eerst dacht, toen hij Paulus gevangen nam en hem voor die Egyptenaar aanzag, die een jaar geleden die daad had gepleegd, had hij nu in deze man niet voor zich, evenmin een lage misdadiger, dat had hij reeds doorzien. Hij zou hem van zijn standpunt dadelijk hebben kunnen loslaten, maar hij zag maar al te duidelijk dat, zodra hij dat deed, de fanatieke Joden de vrij gelatene opnieuw net als eerder (hoofdstuk 21: 30v.) zouden aanvallen en hem, zoals zij zich ook werkelijk daartoe gereed maakten (vs. 10), zouden verscheuren. Daarom moest hij de hoge raad te hulp roepen, niet opdat deze over Paulus een vonnis zou vellen, maar hem een inzicht zou geven wat toch het volk zozeer tegen hem verbitterde en op welke wijze toch die fanatieke opgewondenheid tot bedaren kon gebracht worden. Dat laatste nu was voor de hoge raad een zo bezwaarlijke en netelige zaak, dat wij ons wel kunnen voorstellen dat Ananias vermeed, volgens zijn eigenlijke waardigheid, daar hij met het actieve hogepriesterschap ook het ambt van voorzitter in de hoge raad verenigde, de voorzittersstoel in te nemen en er de voorkeur aan gaf die voor ditmaal aan de Ab-Beth-Die als vice-president in te ruimen. Het was hier toch meer te doen om een beraadslaging in het belang van de Romeinse hoofdman, dan om een rechterlijke beslissing volgens eigen oordeel. Nu scheen deze vice-president hem meer geschikt, om de samenkomst te leiden en het vonnis uit te spreken, vooral daar hij als Sadduceeër (hoofdstuk 5: 19) zich niet bijzonder opgewekt voelde, en om een aangelegenheid, die de partij van de Farizeeën aanging, tot een einde te brengen. Aan Paulus, toen deze voor de hoge raad werd geleid, was het natuurlijk niet dadelijk bekend dat degene die ditmaal de voorzitting had, niet de eigenlijke Nasi of president was; hij moest hem integendeel voor de laatste houden. Ananias, die reeds sedert het jaar 48 n. Chr. de fungerende hogepriester was (hoewel ook met een tijdelijke afwezigheid van Jeruzalem omstreeks het jaar 52), kende hij zeker wel niet van persoon. Bovendien was de fungerende hogepriester niet en ipso altijd de Nasi, maar beide waardigheden waren dikwijls genoeg van elkaar gescheiden. Een rechtstreekse mededeling van de Heilige Geest had hem dus alleen in kennis kunnen stelen van de persoonlijke en tijdsomstandigheden; bij dergelijke zaken is echter zo’n mededeling niet op haar plaats. Intussen wist ook de Ab-Beth-Die, die de voorzitting en de leiding van de vergadering in handen had, niet hoe hij de zaak zou aanvatten; en waarom wist hij het niet? Het was toch zo hoogst eenvoudig de Romeinse overste de door hem gewenste inlichting te geven, als men aan God de eer had willen geven, door aan de waarheid vast te houden. De hogepriester en de gehele raad moesten weten en wisten zonder twijfel wat Paulus de vorige dag in de tempel gedaan had en dat de tegen hem opgewekte volkswoede slechts de vrucht was van een agitatie door enige buitenlandse Joden verwekt die rustte op een eigenmachtige insinuatie (hoofdstuk 21: 26vv.). Een korte, duidelijke voorstelling van de zaak zou de hoofdman dadelijk uit zijn onkunde en de apostel uit zijn gevangenschap hebben kunnen bevrijden. Juist dat laatste wilde men niet. De gehele gezindheid van het volk werd in hoofdstuk 22: 22 uitgesproken met het woord: “weg van de aarde met zo iemand, want het is niet behoorlijk dat hij leeft. ” Tegenover de Romeinse overste kon niet meer zo’n oproerig gedrag, als vroeger bij het verhoor van Stefanus (hoofdstuk 7: 54vv.), plaatshebben. Hier moest een rechtsgrond worden aangegeven, wanneer het met de gevangenschap van de apostel ook tot een veroordeling van hem zou komen. Natuurlijk bevond men zich in een zeer pijnlijke toestand, niet wetende hoe men de man zou aanvallen. Men wist niet hoe men het verhoor met enige schijn van recht tegen hem zou beginnen, opdat het Joodse gerechtshof niet beschaamd zou zijn voor de vertegenwoordiger van het Romeinse recht. Nu is het zeer verklaarbaar dat Paulus met kalm en open gelaat, als hij die door zijn bekering toch volstrekt niet van de God van Israël was afgevallen, zoals zij meenden, die radeloze, door hun eigen geweten aangeklaagde mannen van het recht aanschouwt en, hen uit hun verlegenheid helpende, het verhoor opent met het getuigenis omtrent zichzelf: “Mannen, broeders! ik heb met alle goed geweten voor God gewandeld tot op deze dag. ” Dit woord, waarmee hij zijn verhouding tot de theocratie (pepoliteumai vgl. Fil. 1: 27), waarover hier uitsluitend gehandeld werd, karakteriseert, moet geen straf voor hem zijn, maar een handreiking van de liefde. De apostel zou ook hun geweten goed willen maken, hij zou het van de ban van de zelfverharding willen bevrijden, zodat zij besloten, God de eer te geven, die niet meer een dienen verlangt in de oudheid van de letter, maar in nieuwigheid van de Geest (Rom. 7: 6). Als zij een bewijs verlangen voor de waarheid van zijn getuigenis omtrent zichzelf, dan is hij als broeder ook gereed om nader de hand te reiken aan de broeders door herhaling van zijn verantwoording van de vorige dag (hoofdstuk 22: 8-21). Met alle goed geweten heeft hij reeds toen gewandeld, toen ook hij een ijveraar was voor God, zoals zij het nu nog allen waren (Fil. 3: 6; 2 Tim. 1: 3 Hij heeft het tenminste oprecht gemeend toen hij zich tegen de christelijke gemeente stelde en hij heeft slechts onwetend in ongeloof gehandeld, toen hij een lasteraar en een vervolger was (1 Tim. 1: 13). Maar hij moest, om verder met alle goed geweten voor God te kunnen wandelen, de goddelijke stem en aanwijzing volgen, toen het de Heere behaagde Zijn Zoon in hem te openbaren, dat hij die door het evangelie onder de heidenen zou verkondigen. Dat hij dadelijk gehoor gaf en niet met vlees en bloed daarover te rade ging (Gal. 1: 16), was een vrucht van zijn oprechtheid en waarheidsliefde. Vroeger, zo kan zijn mening met weinige woorden worden wedergegeven, bestuurde die God van Israël zijn leven, die door de stem van degenen die op Mozes’ stoel gezeten waren, tot hem sprak; en toen was het, wat zijn moord blazen en dreigen tegen de discipelen van de Heere aangaat, niet goed met hem gesteld; maar nu bestuurt hem die God, die door Zijn stem van de hemel voor Damascus, door zijn bevestigde knecht Ananias in die stad en door de verschijning in de tempel te Jeruzalem hem heeft teruggehaald van de weg van het verderf en verlicht heeft met het licht van de levenden. En dan is het zeker anders met hem gesteld dan met zijn vroegere geloofsgenoten, die nog heden de Heilige Geest weerstreven. Paulus hoeft deze gedachten slechts aan te geven of de hogepriester, die op een zetel onder de gewone medeleden van de hoge raad zit, begrijpt hem dadelijk. Hij laat hem, terwijl hij nu zijn waardigheid als Nasi laat gelden, hoewel hij die voor dit gerechtsgeding neer heeft gelegd, op de mond slaan. Hij mag niet spreken, zolang hij nog niet gevraagd is; hij mag echter het allerminst op die wijze spreken dat hij zich tot een rechter over het geweten van zijn rechters opwerpt. Dit gedrag van Ananias is geheel overeenkomstig zijn karakter als Sadduceeër Joh 11: 49. Ook in de Rabbijnse traditie is hij berucht om zijn brutale en geweldadige aard, waarbij nog een onverzadelijke hebzucht kwam, zodat hij bijv. onder de landvoogd Albinus (van 62-64 n. Chr.) toen hij reeds sedert het jaar 59 geen hogepriester meer was, voor zijn knechten bij de priesters de tienden van de dorsvloeren liet wegnemen, zoals hij in het algemeen met die bloedzuiger geheel en al gemene zaak maakte. Het is dus geenszins, zoals in de regel de uitleggers menen, hartstochtelijke opgewondenheid over de slag, die bij ontving, wanneer de apostel Ananias het woord in vs. 3 toeroept, maar het is de Heere door Zijn Geest, die hem tot dergelijke woorden dringt. Het bestraffende woord van Christus in MATTHEUS. 23: 27 en het woord van de bedreiging: “God zal u slaan” is een profetisch woord, dat enige jaren later ook vervuld is. Op 17 aug. van het jaar 66 toch, toen de zoon van die Judas uit Galilea, die in hoofdstuk 5: 37 genoemd is, in opstand kwam (Aanm. II d. 4), werd Ananias uit zijn schuilhoek in de waterleiding van een paleis voor de dag gehaald en door de opstandelingen vermoord. Toen werden op duidelijke wijze de bedreigingen van Gods woord in Ps. 82 tegen dergelijke onrechtvaardige, tirannieke rechters in de gemeente van God aan hem vervuld. Hij toch was in bijzonder sterke mate één van die. Om nu dat woord van de bedreiging op hem persoonlijk toe te passen en de algemene vloek tot een individuele voor hem te maken door het uitspreken van een last die op hem wordt gelegd en hem ten dode zal leiden (Jes. 13: 1), daartoe ontvangt Paulus hier, acht jaar voordat zijn woord vervuld werd, de roeping als profeet, waarom hij ook zijn woord niet kleedt in de vorm van een wens, maar het voordraagt als voorzeggende aankondiging Hij richt die tot degene uit de hoge raad, die zonder enige reden of oorzaak hem heeft laten slaan, in wie dus de tirannieke willekeur en gewetenloze onderdrukking van de geringen en armen door deze “goden en kinderen van de Allerhoogsten” (Ps. 82: 6) duidelijk belichaamd is. Als hij nu dadelijk weet dat in deze tijd Ananias het hogepriesterschap bekleedt, dan heeft hij toch zeker deze Ananias niet persoonlijk gekend. Sedert 22 jaar zijn toch zijn persoonlijke betrekkingen tot de leden van het hogepriesterlijk geslacht en van de hoge raad te Jeruzalem afgebroken en al is hij nu in deze tijd vier maal te Jeruzalem geweest (hoofdstuk 9: 26vv; 12: 25; 15: 2vv. ; 18: 22 en al heeft hij daar de tempel ook meermalen bezocht, zo moeten daarvan toch de beide eerste keren worden afgetrokken, omdat Ananias toch nog geen hogepriester was; bij de derde en vierde keer heeft hij de hogepriester zeker niet in de waarneming van zijn ambt leren kennen, daar dit alleen in de voorhof van de priesters en hoofdzakelijk op de groten Verzoendag plaats had. En waaruit zou hij nu bij dit verhoor afleiden dat hij in de persoon, met wie hij te doen had, de hogepriester voor zich had? Hij kenmerkte zich noch door de hogepriesterlijke kleding als degene, die het hogepriesterschap in het godsdienstige bezit, want deze werd alleen voor feestelijke gelegenheden uit de bewaarplaats gehaald en niet, zoals velen veronderstellen ook bij raadsvergaderingen gedragen. Evenmin wees hem zijn zitplaats in de raadsvergadering als de drager van het hogepriesterschap in besturende zin Lu 3: 2 als de Nasi aan, want de voorzittersstoel nam, zoals wij boven de gissing uitspraken, die vice-president in. Onze mening is een veel eenvoudiger en betrouwbaarder middel om de moeilijkheid van de door Paulus beweerde onwetendheid weg te nemen dan vele andere pogingen tot verklaring. Van de meest gewone, die reeds bij Augustinus, Luther en Calvijn wordt gevonden, is dat het woord van de apostel een ironische zin heeft (vgl. 2 Kor. 12: 13): “aan hem, die met zo schreeuwend onrecht zijn rechterlijke werkzaamheid begint, kan men het niet zien dat hij de hogepriester van God is; hij heeft zichzelf geheel onkenbaar gemaakt. ” Daardoor wordt de volgende zin: “ik zou zo niet gesproken hebben, want er staat geschreven, de overste van uw volk zult gij niet vloeken” verlaagd tot een blote uitvlucht. Nee! Ananias heeft zich niet in morele zin door zijn gedrag voor de apostel onkenbaar gemaakt, maar in lichamelijke zin door het presidium aan een ander op te dragen, omdat hij in deze zaak zijn ambt niet wilde waarnemen. Dit nu komt de zaak van het rijk van God in zo verre ten goede dat Paulus nu, zonder tegen de letter van de wet te zondigen (Ex. 22: 28), hem in de naam van de Heere kan vervloeken. Daardoor verklaart de christelijke gemeente zich juridisch vrij van alle verdere gebondenheid aan het Joodse gerechtshof, terwijl de apostelen haar nog in hoofdstuk 5: 26vv. zo nauwgezet waarnamen, ondanks alle ongerechtigheid die zij daarvan ondervonden en verhief zij zich tot richteres over degenen die deze macht bekleedden, hetgeen eens de heiligen in het algemeen en in veel ruimere omvang is weggelegd (1 Kor. 6: 2v.). Het schelden of vloeken van de apostel slaat overigens, zoals het door hem aangehaalde woord van de wet bewijst, op Ananias niet zozeer wat de godsdienstige zijde van het hogepriesterschap aangaat, als wel op hem als overste. In de Hebreeuwse grondtekst staat namelijk voor “overste” het woord Nasi, waarnaar de vorst of president van de hoge raad zijn titel voerde. Paulus heeft zijn woord uitgesproken als het ware met geblinddoekte ogen; hij neemt er niets van terug, als de omstanders hem de blinddoek van de ogen nemen, door er hem opmerkzaam op te maken dat hij in de man, die hij uitgescholden heeft, de hogepriester voor zich heeft. Ook beschuldigt hij zich niet van overijling, als hij zich op zijn onwetendheid beroept, het woord blijft staan en alleen wordt gezegd dat het de apostel bij zijn nauwgezette onderwerping onder het gebod van God niet mogelijk zou zijn geweest zonder die bindsels voor de ogen zijn woord uit te spreken omtrent het ambt en de waardigheid van hem, tegen wie hij heeft gesproken. Daarvoor wordt het laatste des te meer tot een uitspraak van de Heere zelf. In een zelfde toestand (Joh. 18: 19vv.) wilde eens de Heere die hogepriester niet vervloeken, die het rustig mede aanzag dat zijn dienaar de door hem verhoorde een kaakslag gaf en die daardoor diens daad tot zijn eigen maakte. Toen was het nog de tijd van goddelijke verdraagzaamheid en van christelijk lijden, maar nu was de mate van de genade uitgeput en de christelijke gemeente moet van nu aan steeds meer worden losgemaakt van haar verband met de Joodse synagoge, totdat zij vervolgens acht jaar later geheel uit haar zal worden uitgeleid.
En daar Paulus wist dat het ene deel van de raadslieden van de Sadduceeën was en het andere van de Farizeeën, begreep hij dat hij daarvan gebruik kon maken. Door zijn conflict met het hoofd van de eerste partij, waarbij bovendien de toegang tot het hart vanzelf gesloten was, had hij toch nog niet de gehele raad zo tegen zich in het harnas gejaagd, dat het hem niet meer mogelijk zou zijn om het andere deel voor de waarheid van het evangelie te winnen. Hij riep dan met luide stem (Joh. 7: 28, 37) in de raad: Mannen, broeders a) ik ben een Farizeeër, zoon van een Farizeeër (naar betere lezing: een zoon van Farizeeën,) d. i., ik heb de mening en gezindheid van een Farizeeër mij niet pas persoonlijk toegeëigend, maar reeds als een oude familie-overlevering verkregen (2 Tim. 1: 3). Ik word over de hoop en opstanding uit de doden, die in Jezus Christus tot een feit is geworden (hoofdstuk 4: 2) geoordeeld.
Hand. 24: 21; 26: 6
En toen hij dit gesproken had, ontstond er tweedracht tussen de Farizeeën en de Sadduceeën, zodat de ene partij tegenover de andere opstond; en de menigte van de vergaderden werd verdeeld.
a) Want de Sadduceeën zeggen dat er geen opstanding is (MATTHEUS. 22: 23), noch engel, noch geest, noch iets onlichamelijks, zodat de mensen na hun dood niet meer kunnen voortbestaan (Wijsh. 2: 1vv. ; maar de Farizeeën belijden het beide, niet alleen een opstanding van de doden, maar ook een voortbestaan van de ziel, evenals het bestaan van zuivere (meri) geesten.
Mark. 12: 18 Luk. 20: 27
En er ontstond in de raadskamer een groot geroep; en de schriftgeleerden van de zijde van de Farizeeën stonden op tegen het andere deel, de Sadduceeën en streden, zeggende: wij vinden geen schuld in deze mens, dat hij tegen dit volk, tegen de wet en tegen deze plaats zou leren (hoofdstuk 21: 28). En indien, wat zijn bekering tot Jezus van Nazareth aangaat, een geest tot hem gesproken heeft, of een engel, zoals hij beweert op de weg naar Damascus een hemelse verschijning gehad te hebben (hoofdstuk 22: 6vv.), laat ons tegen God niet strijden. Daar dat niet alleen mogelijk is, maar ons ook zeer waarschijnlijk voorkomt, willen wij hem om die bekering niet ter verantwoording roepen (hoofdstuk 5: 39).
Die arme Paulus! Nadat hij zijn hele leven door zo vele en boze gerichten van de mensen was gegaan en tenslotte ook zijn leven had ten offer gebracht, wordt hij, nu hij toch een goede strijd gestreden, de loop voleindigd en het geloof behouden heeft en hem de kroon van de rechtvaardigheid is weggelegd, door de exegeten scherp voor de rechtbank getrokken. Vroeger klaagden zij hem aan, of verdedigden zij hem slecht en nu vinden zij of weer allerlei zwakheden in hem, of proberen de gewaande verkeerdheid te bedekken op een wijze dat hij van zijn apostolische wijsheid en onstrafbaarheid geheel wordt beroofd. Paulus in zijn verdediging (vs. 1) in de rede gevallen, zo wordt bij de ene uitlegger gezegd, slaat de weg in van slimheid en tracht de onrechtvaardige rechters onder elkaar oneens te maken, door het hoofdpunt van het christelijk geloof aan de opstanding van Christus en in het algemeen van de doden als punt van aanklacht op de voorgrond te stellen, terwijl het toch eigenlijk de leer van de apostel over de wet was. Een ander spreekt zijn mening zo uit: met grote tegenwoordigheid van geest en scherpzinnigheid grijpt Paulus, die volgens het eerder gebeurde wist dat hier een heldere en juiste verantwoording, zoals hij die in vs. 1 begonnen was, niet op haar plaats was, een middel aan dat bij de opgewondenheid van de gemoederen des te meer invloed moest uitoefenen. Hij doet dat om de beide hem welbekende partijen van de hoge raad met elkaar in conflict te brengen, door de grootste partij, die van de Farizeeën, tijdelijk voor zijn persoon en zijn zaak gunstig te stemmen. “Meer sluwheid dan braafheid”: dat is nu het einde waarop dergelijke voorstellingen uitlopen. Het zou echter een slechte troost zijn, als wij bij iets dergelijks ons ermee wilden tevreden stellen dat het hier geen dogmatisch punt betrof, maar alleen het zedelijk gedrag. Bij hun verkondiging van de christelijke geloofsleer zouden de apostelen wel door de Heilige Geest in alle waarheid zijn geleid, zo beweren niet zelden de schriftverklaarders van de zogenaamde gelovige richting. Wanneer zij daarentegen bij hun voorstelling van het christelijk geloofsleven zich betoonden als aan hun eigen geest overgelaten en zich dus betoonden als maar al te zeer bestuurd door de geest van de kinderen van deze wereld, dan moeten wij dat voor lief nemen, van de discipel afscheiden en in plaats daarvan liever op de Meester zien. Tegenover zo’n redenering moeten wij beweren dat wij christenen er zeer slecht aan toe zouden zijn, als wij ook aan de apostelen dergelijke predikers van de gerechtigheid hadden, als in hun tijd de schriftgeleerden en Farizeeën waren, van wie de Heere zegt: “al wat zij u zeggen dat gij onderhouden zult, onderhoudt dat en doet het; maar doet niet naar hun werken. ” Zonder twijfel is de christelijke ethiek geen minder gewichtige wetenschap dan de dogmatiek. Onze roeping is om onder een krom en verdraaid geslacht onberispelijk als kinderen van God te wandelen en te schijnen als lichten in deze boze en verduisterde wereld. Daarin zijn zulke moeilijke gevallen dat Christus’ eigen voorbeeld nog geen aanwijzing genoeg geeft voor alle deze. Ook ten opzichte van deze is Christus’ woord van toepassing, dat Hij tot Zijn discipelen zegt (Joh. 14: 12), dat zij in geloof in Hem de werken zouden doen, die Hij had gedaan, ja in sommige opzichten nog grotere dan deze. Zo was bijv. de verhouding van Paulus tegenover het ongelovige volk van de Joden in zoverre nog moeilijker, dat hij daaraan op besliste wijze de roeping moest vervullen, waarvan hij in hoofdstuk 28: 25vv. zegt bepaald het bewustzijn te hebben, die te moeten volbrengen. Nemen wij nu aan dat onze apostel in vs. 3 door een innerlijke drang van de Geest als het ware zichzelf voorbij gesproken en tegen Ananias een woord gezegd heeft dat volgens de wil van de Heere deze moest worden gezegd als van Hem, van de Heere en dat dit alleen kon worden gezegd door een persoonlijkheid die de hogepriester als de overste van het volk ondergeschikt was, als deze op dat ogenblik niet wist dat hij de hogepriester tegenover zich had. De apostel is verder, zodra hij het woord heeft gesproken, door menselijke middelen ingelicht tegen wie hij zijn woord had gericht, om nu, als geplaatst onder de gescholdene, gerechtvaardigd te worden doordat het gebod van God in onwetendheid was overschreden (vs. 5). Zo zullen wij ook bij hetgeen in deze verzen van zijn verder spreken en handelen wordt meegedeeld, het eigen werk van Christus des te minder hoeven te miskennen, wanneer toch Lukas dadelijk in hoofdstuk 1: 1 door de woorden: “hetgeen Jezus begonnen heeft zowel te doen als te leren, ” duidelijk genoeg heeft te kennen gegeven dat wij de daden en leer van de apostelen voor de voortzetting en voltooiing van het door Jezus gemaakte begin moeten houden. En inderdaad, wij zouden niet weten hoe de apostel wijzer had kunnen handelen en meer overeenkomstig de bedoelingen van Hem die gekomen is om te zoeken en zalig te maken wat verloren is. Vooral moet hier worden in aanmerking genomen wat de Heiland in het bijzonder voor Zijn uitverkoren volk Israël Zich had voorgenomen en beloofd had te doen, om het voor Zijn rijk te winnen en evenals wij tot hiertoe in de geschiedenis van de apostelen profetieën tot vervulling zagen komen, zo ontbreekt het ook in onze tekst niet aan iets dat tot verwezenlijking is gekomen. Wat is dat dan? Reeds bij Joh. 9: 41 Joh 9: 41 hebben wij aangewezen dat het gedrag van hen die bij het Joodse volk de toon aangeven en dat met hun geest beheersten en in zijn gezindheid voorstelden, de Farizeeën en schriftgeleerden tegenover de Heere Jezus, zolang Hij nog persoonlijk onder hen getuigde, niet karakteristieker kan worden voorgesteld dan in Hoogl. 5: 2 en 3 plaats heeft. Daar zegt Sulamith, die volgens betere verklaring voor een voorstelling van Israël moet worden gehouden, dat zij met de Zoon van David als bruidegom verloofd is: “Ik sliep, maar mijn hart waakte; de stem van mijn liefste, die klopte, was: “Doe mij open, mijn zuster, mijn vriendin, mijn duifje, mijn volmaakte! want mijn hoofd is vervuld met dauw, mijn haarlokken met nachtdruppen. Ik heb mijn rok uitgedaan, hoe zal ik hem weer aantrekken? Ik heb mijn voeten gewassen, hoe zal ik ze weer bezoedelen? ” Israël vermoedde en voelde het wel, dat God Zijn volk in Jezus Christus bezocht had, dat deze waarlijk de Heiland en Zaligmaker was, die de profeten hadden aangekondigd, de ware Messias. Ook de Farizeeën en schriftgeleerden was een neiging van het hart tot hem niet vreemd, er zijn toch werkelijk later enigen van hen het geloof gehoorzaam geworden (hoofdstuk 6: 7; 15: 5). Wat hen echter voor het grootste deel nog van deze Jezus tegenhield, ja tenslotte tot hardnekkige vijanden en tegenstanders van Hem maakte, dat was aan de ene kant hun tegenzin om uit hun bed op te staan, dat zij door de wet uiterlijk te maken, naar hun vlees hadden gepast gemaakt, evenals men voor de nachtrust zijn kleren aflegt. Zij hadden geen lust om zich te laten bekeren door “de Leraar van God gekomen” en gezindheid en geweten voor het geestelijk verstaan van Gods geboden te laten scherpen (MATTHEUS. 5: 20vv.). Aan de andere kant was het hun eigengerechtigheid, waarin zij dachten dat zij door het waarnemen van allerlei uiterlijke instellingen en door het volbrengen van velerlei werken van godzaligheid (MATTHEUS. 6: 1vv. Mark. 7: 1vv.) hun voeten hadden gewassen, zodat zij de overgave aan een Heiland van zondaren, die ook tollenaars en hoeren tot Zijn discipelen en discipelinnen aannam, voor een weer bezoedelen van de voeten aanzagen. Verder lezen wij in Hoogl. 5: 4 en 5 : “Mijn liefste trok zijn hand door het gat van de deur (door de opening, die zich in het bovenste deel van de deur bevond, om naar het slot te grijpen, de grendel van binnen terug te schuiven en zich zo met geweld de toegang te verschaffen) en mijn binnenste werd ontroerd door hem (omdat ik merkte dat het nu tot een gewichtige, onafwijsbare beslissing moest komen). Ik stond op (mijn eerste weigering half gewillig half onwillig opgevende) om mijn liefste open te doen. ” Wie ziet niet dat dit bedrijf van het grote drama in zijn laatste toneel nu aanwezig is en wordt afgespeeld, nu Paulus in de hoge raad uitroept: “Mannen broeders, ik ben een Farizeeër, een zoon van Farizeeën; ik word over de hoop van de opstanding uit de doden geoordeeld! ” en de Farizeeën werkelijk zijn partij kiezen? Ja met dit roepen van de apostel strekt de vriend Jezus Christus inderdaad (vgl. hoofdstuk 26: 27) Zijn hand door het gat van de deur en het roepen treft ook het hart, waarop het gemunt is. Als de schriftgeleerden, het gedeelte dat de Farizeeën uitmaakten, zich van hun zetels verheffen, van de Sadduceeën zich afzonderen en zeggen: “wij vinden geen kwaad in deze mens en indien een geest tot hem gesproken heeft, of een engel, laat ons tegen God niet strijden, ” wordt waarheid wat wij lazen: “mijn binnenste werd ontroerd door hem: ik stond op om mijn liefste open te doen. ” Het was echter te weinig wat dit gedeelte in zijn strijden tegen het andere zei, te weinig voor het grote, beslissende ogenblik en te weinig met het oog op de tegenstand, die meer dan 31 jaar tegenover de Vriend had bestaan en met Zijn verhoging aan het kruis en de vervolging van Zijn gemeente sterker was geworden. Zij hadden niet alleen moeten betuigen dat zij niets kwaads in deze mens vonden, niet alleen de mogelijkheid moeten toegeven van een verschijning, hem door een geest of engel ten deel gevallen, zij hadden moeten betuigen dat die man rechtvaardig en goed had gehandeld en zijn voorbeeld moeten volgen door de Zoon van God, die aan Paulus was verschenen, op deze krachtig overtuigende taal ten antwoord te geven (Jer. 20: 7): “Heere! Gij hebt mij overtuigd en ik ben overtuigd geworden. Gij zijt mij te sterk geweest en hebt overwonnen. ” Maar dit willen zij niet; zij willen in hun verhouding tot Jezus en Zijn zaak altijd nog enigszins consequent blijven, zoals het zichzelf gelijk blijven tegenover de Heere in het algemeen de ban is die de duivel dan op het hart van de mensen legt, wanneer hij het spel reeds zo goed als verloren heeft en nu toch nog als overwinnaar staande blijft. “Ik deed mijn liefste open, maar mijn liefste was geweken, hij was doorgegaan, ” zo lezen wij in Hoogl. 5: 6 en 7 aan het slot van de dichterlijke profetie: “Mijn ziel ging uit (het lichaam, d. i. ik schrok tot de dood toe) vanwege zijn spreken (omdat hij met mij had gesproken en ik hem niet naar zijn wil had opengedaan). Ik zocht hem (nu daarbuiten), maar ik vond hem niet, ik riep hem, doch hij antwoordde mij niet. De wachters, die de stad rondgingen, vonden mij; zij sloegen mij, zij verwondden mij; de wachters op de muren namen mijn sluier van mij. ” Dat is Israël’s lot, dat het zich door dat niet erkennen van dit laatste opzoeken zich heeft berokkend. De vriend was reeds weg, toen in het Jaar 62 dat Paasfeest, waarvan Hegesippus ons bij Eusebius vertelt (Aanm. II b. d.) in een christelijk feest scheen te zullen veranderen en dus Sulamith werkelijk de deur opendeed. Hij was met de wegvoering van Paulus naar Rome (hoofdstuk 27 en 28) nu definitief tot de heidenen gegaan, Israël zocht nu zijn vriend, maar hij antwoordde niet (Joh. 7: 33v. ; 8: 21). In plaats van deze vriend verhief zich weer een Sadduceeër, de hogepriester Annas II en stortte Jakobus II van het dak van de tempel, om hem vervolgens tussen de tempel en het altaar te laten doodslaan en de wijzer op het uurwerk naar het cijfer te voeren, dat de Heiland als begin van het oordeel had aangewezen (Matth. 23: 35). In die tijd van acht jaar, dat het oordeel werd volvoerd, hebben echter de hoeders het volk vele wonden geslagen en bij de verwoesting van stad en tempel hebben zij het de sluijer ontnomen. Dat wij door deze opvatting van het optreden van de apostel daaraan de waardering hebben gegeven, zoals die naar de wil van de Heere werkelijk moet worden gegeven, daarvoor spreekt de inhoud van het volgende 11e vers Zou Christus wel die nacht aan Paulus zijn verschenen, Zich aan hem als degene die hem bijstond, hebben doen kennen, hem wel als Zijn getuige te Jeruzalem hebben erkend en tot Zijn getuige ook te Rome hebben geroepen, indien zijn gedrag in deze tekst zo moet worden beoordeeld als de boven aangehaalde uitspraken van beroemde schriftverklaarders dat doen? Doch er zijn ook wel anderen, die bij hun verklaring standvastiger te werk gaan.
Paulus riep dat woord niet te midden van de raadsvergadering om in de scheiding van Farizeeën en Sadduceeën een uitweg voor zichzelf te vinden, maar om het onmogelijke verbond tussen rechtzinnigen en ketters te verbreken en zijn leer van de belijdenis van Israëls hoop voor ogen te stellen. Als Joods man was hij ook nu nog een Farizeeër, een zoon van Farizeeën, wel niet meer de oude, die jaagde naar de gerechtigheid uit de werken van de wet, maar wel de dienaar van de God van zijn vaderen in geloof aan het woord dat aan Israël is toevertrouwd en in de hoop, die de Farizeeën verwachten; was het hen nu ernstig gemeend met hun belijdenis, dan moeten zij overtuigd worden dat zij tot de prediker van de opgestane Christus behoorden, niet bij de loocheners van hun hoop. Maar helaas het verdere van de geschiedenis wijst aan dat het slechts een vluchtige opwelling was van de partijschap, die de farizeese overste bewoog een woord ten gunste van de apostel te spreken. Zij waren er meer op bedacht om hun boosheid tegenover de Sadduceeën te openbaren dan om tot zichzelf in te keren en hun afval van God te zien in gemeenschap met misdadige ketters, die noch aan opstanding, noch aan engelen, noch aan geesten in het algemeen enig geloof hechten, daar hun God, hun buik en hun kerk de vergankelijke wereld was. De gedeeltelijke waarheid die zij beleden, had voor hen alleen enige betekenis, omdat zij, de geprezen Farizeeën, het waren die dit artikel onder hun leerstellingen hadden – liefde tot de waarheid hadden zij niet.
Had Paulus een uiterlijk zedelijk recht om van het diep ingrijpend onderscheid dat hem van de Farizeeën scheidde, hier af te zien? Was de tegenstelling tussen Sadduceïsme en Farizeïsme zo radikaal en absoluut dat de tegenstelling tussen Farizeïsme en christendom in vergelijking met de andere slechts als ondergeschikt voorkwam, dat zolang men met het eerste te doen had, onder zekere omstandigheden buiten aanmerking mocht blijven? Wij kunnen op deze vraag met een bepaald en zeker ja antwoorden. Het Sadduceïsme was het besliste ongeloof, zoals zich dat op de bodem van het Jodendom had gevormd, het Farizeïsme was geloof, al was het ook een ziekelijk geloof, al was waarheid en dwaling daarbij dooreen gemengd. De grondstellingen en aanknopingspunten waren toch nog aanwezig, waaraan zich een toenemen in kennis van de waarheid kan verbinden. In de achting voor wet en profetie was de mogelijkheid gegeven om door wet en profetie nog tot Christus geleid te worden; met het geloof in de opwekking van de doden in het algemeen was de mogelijkheid daarvan een erkentenis van Jezus’ opstanding.
Paulus behoorde tot de Farizeeën niet alleen door zijn ontwikkeling en zijn verleden, maar ook door zijn tegenwoordig standpunt van het geloof, in zoverre hij tegenover de sadduceese frivoliteit de autoriteit van de goddelijke wet en het geloof aan de opstanding met hen vasthield. Dat was de bodem, waarop hij nog tegelijk met hen stond en waarvan hij hen verder het evangelie wilde inleiden. De hoop van de vaderen, vervuld in de verschijning van Christus en de opstanding uit de doden, bezegeld door de opstanding van Christus, dat waren werkelijk de beide hoofdthema’s van Paulus’ prediking.
Maar gaf Paulus geen aanleiding tot de verregaande tweedracht in de raad en is zijn gedrag ook ten opzichte van de hogepriester wel te rechtvaardigen? Wij erkennen, hij had in navolging van de Heer kunnen zeggen: Indien ik kwalijk gesproken heb, zo betuig van het kwade en indien wel, waarom beveelt gij mij te slaan? Maar wij durven hem daarom niet te veroordelen. Hier handelde geen dienaar, maar één van de rechters. Dit veroorzaakte vooral de rechtmatige verontwaardiging van Paulus. Dit deed hem in zijn karakter als gezant van de Heere, de huichelaar Gods rechtvaardige vergelding aankondigen. Dat het een hogepriester was, wist hij niet. Wij moeten dit op zijn woord geloven. Hij kon het ook waarlijk niet uit zijn handelwijze opmaken. Ananias zal zich in deze vergadering, die onder toezicht van Lysias werd gehouden, door niets van de andere leden van de Raad onderscheiden hebben. Ook toonde Paulus door het antwoord dat hij gaf aan hem die hem zei: scheldt gij de hogepriester van God uit? dat hij meester was gebleven van zichzelf. En heeft niet de Heer zelf Zich even sterk tegen de huichelachtige schriftgeleerden en Farizeeën uitgelaten? Maar die uitroep: Ik ben een Farizeeër, een afstammeling van Farizeeën, over de hoop en opstanding word ik veroordeeld? Maar was het dan geen waarheid? Hadden de Sadduceeën niet vanaf het begin zich verzet tegen de prediking van de apostelen, omdat zij in Jezus de opstanding uit de doden verkondigden. Mocht Paulus niet nog een poging beproeven om, daar hij bij de Sadduceeën niets kon uitwerken, bij de Farizeeën zijn zaak te bepleiten. Begon hij daartoe niet met wijsheid aan een hoofdwaarheid, waarin hij het met hen eens was? En mogen wij niet aannemen dat hij, van die waarheid uitgaande, zijn prediking nader zou hebben ontwikkeld, indien hij niet door de redeloze woede van de raad daarin was verhinderd? Nee, wij vinden ook hier niets berispelijks. Wij bewonderen zijn wijsheid, zijn tegenwoordigheid van geest en erkennen dat hij ook hier met een goed geweten voor God heeft gewandeld. Dat had hij gedaan vóór zijn bekering, dat deed hij ook na zijn bekering. Hiervan was hij zich bewust. Dat kon hij met vrijmoedigheid voor de raad verklaren.
En toen er grote tweedracht, oproer van de ene partij tegen de andere, ontstaan was, zodat elk van die beiden de apostel tot zich trok, de Sadduceeën om hem te mishandelen, de Farizeeën om hem aan hun handen te ontrukken, werd deoverste bezorgd. Hij vreesde dat Paulus door hen verscheurd werd en gebood daarom door middel van de ordonnans, die hij bij zich had en die hij nu naar de burcht Antonia tot de militaire kazerne zond, dat het krijgsvolk zou afkomen naar de raadzaal en hem met geweld, daar zij hem niet vrijwillig lieten gaan, uit het midden van hen wegrukken en naar de legerplaats (hoofdst. 21: 34, 37; 22: 24) brengen.
Een schandelijke gebeurtenis in de hoge raad, in het hoogste geestelijke collegie van het Joodse volk! Een ware roversynode! Wat een gedachte moet de heidense bevelhebber gekregen hebben van deze geestelijke waardigheidsbekleders en van hun godsdienst! Tantaene animis coelestibus irae: zijn ook hemelse gemoederen tot zo’n toorn in staat? Zo zal hij wellicht met een Romeinsen dichter bij zichzelf hebben gevraagd, evenals het nog heden de opmerkzame heidenen moet gaan, als zij zien hoe de christenen in godsdienstijver elkaar verscheuren.
Nadat het Sanhedrin van zijn goddelijke standplaats met zoveel schande was neergevallen, kan het zichzelf steeds meer vernietigen; er kan niet anders overblijven dan het verwachten van het vuur van de goddelijke wraak. Maar op het ogenblik dat het Sanhedrin als het hoofd van de Israëlitische inrichting zich vertoont als overgegeven aan het openlijke oordeel van God, wordt het Romeinse rijk, waarvan wij de overste met zijn manschappen als het werktuig moeten aanzien, als het organisme voorgesteld en geheiligd, waarvan God zich voor de verdere ontwikkeling van Zijn rijk op aarde wil bedienen.
En in de volgende nacht stond de Heere bij hem in een droomgezicht, of in een nachtgezicht, zoals in hoofdst. 18: 9 Openb. 1: 10vv., en zei: Heb goede moed, Paulus! Want zoals gij te Jeruzalem van Mij getuigd hebt, zo moet gij ook te Rome, waarheen zich uw verlangen uitstrekt (hoofdst. 19: 21), getuigen.
De Heere schenkt hem een dubbele troost. Wat Hij te Jeruzalem gedaan en gesproken heeft, van zijn Pinkstertocht in de tempel met de vier Nazireeërs tot aan het woord van de opstanding uit de doden voor de hoge raad is een getuigenis van Jezus geweest en de Heere legt daarop het zegel. Maar de vrede, waarmee hij de Joden begroette, moet tot hem wederkeren en hem er zeker van doen zijn dat hij te Jeruzalem zijn ambt, voor God een liefelijke reuk, heeft voleindigd en voor morgen zal de Heere zorgen. Wat Paulus zich dan verder een jaar geleden in Efeze voorstelde, moet tot werkelijkheid komen, niemand kan het tegenhouden. Ja, de gevangenschap in de Romeinse legerplaats is reeds het begin van het einde: “gij moet ook te Rome getuigen. “
Zoals aan de apostel zijn gevangenneming te Jeruzalem vooraf was geopenbaard, zo wordt ook, nu deze is gekomen, het verdere hem meegedeeld, dat hij naar Rome zal komen om ook daar de Heere te verkondigen.
Vanaf nu richten de Handelingen van de Apostelen zich op het apostolisch getuigenis dat Paulus te Rome zal afleggen. Als de voorstanders van Petrus’ pausdom zoiets ook maar voor de helft omtrent Petrus geschreven vonden, wat zouden zij trots daarop zijn.
Heerlijke vertroosting! De grootste die er is: de toespraak, de bemoediging van de Heer zelf en Zijn goedkeuring van Paulus’ getuigenis en de aanwijzing van het uiterste, maar ook het hoogste punt van zijn zending: Rome. Wel heeft de Heere Zijn woord aan Ananias (Hand. 9: 15 ten opzichte van Paulus volkomen bevestigd: “deze is mij een uitverkoren vat, om Mijn naam uit te dragen voor de heidenen en de koningen en de kinderen van Israël. De Heere verzweeg hem echter langs welke weg Paulus te Rome zou komen. Dit zou de toekomst hem leren. Het is genoeg dat de begeerte van Paulus’ hart hem thans door de Heere zelf als een doel, dat zeker bereikt zou worden, werd voorgesteld.
Kan het anders of Paulus’ diep gevoelige ziel is door al het gebeurde doorwond op de pijnlijkste plaats en zijn beneveld oog staart bekommerd op de donkere toekomst? Moet het zó gaan, dan staat wel het ergste te wachten en de vurigste wens van zijn leven om eindelijk ook Rome te zien, dreigt nooit in vervulling te gaan. In de volste zin van het woord is het hier: “van buiten strijd, van binnen vrees, ” en terwijl alles rondom hem in rustige slaap ligt verzonken, is voor Paulus het nachtelijk uur een uur van verborgen strijd. Daar wordt hij door de trouwe Heer juist op het goede moment verrast met een afzonderlijke verschijning, waarvan wij vruchteloos vragen of zij in, dan wel buiten het lichaam geschied, in dromende of in wakende toestand is waargenomen; maar waaraan wij terstond de barmhartige Hogepriester herkennen, die medelijden heeft met de zwakheid van de Zijnen. Leest Hij in het oog van de apostel de moeite, Hij verkwikt hem door dat vriendelijk: “Heb goede moed, ” dat Hij in de dagen van Zijn vlees zo vaak aan nederigen en zwakken deed horen en grijpt als het ware nogmaals een zinkende Petrus, waar hij wankelt op de donkere zee. Hij sterkt hem door het zegel van Zijn goedkeuring te hechten aan het getuigenis dat door Paulus te Jeruzalem afgelegd was en van welke waarde moest hem deze goedkeuring zijn, juist na de grievende wijze waarop dit getuigenis door de Joden was ontvangen. Hij belooft hem dat hij werkelijk zijn vurigste wens zal vervuld zien en door welke diepe en donkere wegen ook, naar dat vurig gewenste Rome geleid zal worden, om ook daar te doen wat hij te Jeruzalem deed. En door dat alles vormt en heiligt Hij Zijn Paulus al meer tot hetgeen deze is geroepen te zijn, “een uitverkoren vat om de naam van de Heere uit te dragen voor de heidenen en de koningen en de kinderen van Israël. ” Voorwaar, ook hier had Paulus, zoals nog in zijn laatste brief, kunnen roemen: “de Heere heeft mij bekrachtigd. ” Ook hier heeft Jezus Zijn troostrijke belofte vervuld: “Ik zal u geen wezen laten, Ik kom weer tot u! “
c. Vers 12-35KruisverwijzingenHandelingen 23:21→Handelingen 23:30→Efeze 3:1→Handelingen 23:14→Johannes 16:2→Handelingen 23:12→Jeremia 8:12→Psalmen 37:32→
— En als het dag geworden was, maakten sommigen van de Joden een samenrotting, en vervloekten zichzelven, zeggende, dat zij noch eten noch drinken zouden, totdat zij Paulus zouden gedood hebben. En zij waren meer dan veertig, die dezen eed te zamen gedaan hadden; Dewelke gingen tot de overpriesters en de ouderlingen, en zeiden: Wij hebben ons zelven met vervloeking vervloekt, niets te zullen nuttigen, totdat wij Paulus zullen gedood hebben. Gij dan nu, laat den overste weten met den raad, dat hij hem morgen tot u afbrenge, alsof gij nadere kennis zoudt nemen van zijn zaken; en wij zijn bereid hem om te brengen, eer hij bij u komt. En als de zoon van Paulus' zuster deze lage gehoord had, kwam hij daar, en ging in de legerplaats, en boodschapte het Paulus. En Paulus riep tot zich een van de hoofdmannen over honderd, en zeide: Leid dezen jongeling heen tot den overste; want hij heeft hem wat te boodschappen. Deze dan nam hem en bracht hem tot den overste, en zeide: Paulus, de gevangene, heeft mij tot zich geroepen, en begeerd, dat ik dezen jongeling tot u zou brengen, die u wat heeft te zeggen. De overste nu nam hem bij de hand, en bezijden gegaan zijnde, vraagde hij: Wat is het dat gij mij hebt te boodschappen? En hij zeide: De Joden zijn overeengekomen, om van u te begeren, dat gij Paulus morgen in den raad zoudt afbrengen, alsof zij iets van hem nader zouden onderzoeken. Doch geloof hen niet; want meer dan veertig mannen uit hen leggen hem lagen, welke zichzelven met een vervloeking verbonden hebben noch te eten noch te drinken, totdat zij hem zullen omgebracht hebben; en zij zijn nu gereed, verwachtende de toezegging van u.
De dag daarop maken veertig Joodse ijveraars in overeenstemming met de hogepriester en de sadduceese partij van de hoge raad een samenzwering tegen het leven van de apostel. De Romeinse overste, nog tijdig door een neef van Paulus die te Jeruzalem woont, met het plan bekend geworden, zendt de gevangene nog in diezelfde nacht onder sterk militair geleide, voorzien van een brief waarin de toestand van de zaak en Paulus’ onschuld wordt meegedeeld, naar Cesarea tot de landvoogd Felix (van 53-60 n. Chr.). Deze bewaart de apostel voorlopig in het rechtshuis, totdat zijn aanklagers zouden komen en het proces zou kunnen beginnen.
a) En toen het dag geworden was, dus vrijdag 19 mei, maakten sommigen van de Joden (vs. 13), wellicht van die uit Azië, (hoofdst. 21: 27vv.) een samenzwering en vervloekten zichzelf, zeggende dat zij niet zouden eten of drinken, voordat zij Paulus zouden gedood hebben.
Hand. 23: 21, 30
En zij, die Zeloten, van wie er toen zeer veel in het Joodse land waren (hoofdst. 21: 38), waren meer dan veertig, die deze eed samen afgelegd hadden.
Zij gingen tot de overpriesters en de ouderlingen, die tot de partij van de Farizeeën behoorden (hoofdst. 4: 1) en zeiden: Wij hebben onszelf met vervloeking vervloekt, zodat een vloek op ons zou liggen, indien wij onze gelofte braken, niets te zullen nuttigen (hoofdst. 10: 10; 20: 11), totdat wij Paulus zullen gedood hebben.
Gij dan, laat de overste enerzijds weten dat de raad in zijn geheel moet samenkomen, anderzijds dat hij, de overste, hem morgen naar u moet brengen, alsof gij naderekennis wilde nemen van zijn zaken; en wij zijn bereid hem onderweg door middel van verborgen gehouden dolken om te brengen, voordat hij bij u komt, zodat gij volstrekt niets meer met hem te doen zult hebben.
Op de nacht waarin de Heere bij Paulus stond en hem troostte, volgde een dag waarop de Joden met nieuwe aanslagen van boosheid ontwaakten (Micha 2: 1). Zij verborgen hun boosheid voor de hoge raad niet en roemden in hun zonde, wel wetende dat de oversten hun moordaanslag voor godsdienst zouden houden.
Samenzweringen tot sluipmoord kwamen in die tijd menigvuldig genoeg in Juda voor (Aanm. II. d. I.). Deze veertig mannen nu doen zichzelf in een goddeloze ban om de man te vernietigen die in Rom. 9: 2 uit grote liefde tot zijn volk de wens uitspreekt in de plaats van de Joden zelf van Christus verbannen te zijn. Overigens werden volgens de mening van de rabbijnen dergelijke eden alleen voor verbindend gehouden als de uitvoering van het beloofde niet later onmogelijk bleek te zijn. In zo’n geval kon men van zijn eed weer worden ontbonden.
Die fanatieken zullen zich dus later wel niet hebben laten doodhongeren; dat zij dit niet nodig zouden hebben, wisten zij vooruit; toch meenden zij dat hun plan zeker volstrekt niet zou kunnen mislopen.
Naar menselijke berekening was het ook bijna een onmogelijkheid dat niet één van de veertig, die zich vast verbonden hadden dat te doen, het plan ten uitvoer zou kunnen brengen.
Door deze nieuwe verharding en toegenomen boosheid heeft Israël het gericht verdiend dat de bode van het heil zich met zijn boodschap van de zaligheid van het centrum van de Jodenwereld naar het centrum van de heidenwereld keert. Maar zij hebben ook deze grote verandering zelf teweeggebracht, want hun voornemen tot het vermoorden van Paulus geeft aanleiding dat Paulus naar Cesarea en vervolgens naar Rome wordt gebracht.
En toen de zoon van Paulus’ zuster, die te Jeruzalem woonde Ac 9: 2, van deze hinderlaag gehoord had, daar de samengezworenen, in plaats van hun plan geheim te houden, zich vóór de tijd op hun werk beroemden, kwam hij daar en ging in de legerplaats op de burcht Antonia en boodschapte het Paulus. Men had hem de toegang op zijn verzoek dadelijk toegestaan (hoofdst. 24: 23), omdat men Paulus van geen misdaad had kunnen beschuldigen.
Dergelijke aanslagen blijven zelden verborgen. Door één of andere hier niet opgetekende weg blijft het plan tussen de moordenaars en een gedeelte van de raad nader overlegd (vs. 14, 15), niet geheim (Jer. 23: 24 Ps. 7: 15). Het komt althans ter ore van een nabestaande van Paulus zelf, de jeugdige zoon van een zuster van de apostel, buiten alle twijfel geen geloofsgenoot, maar enkel bloedverwant, in elk geval van dergelijke gruwel afkerig en voor de inspraak van de natuur gevoelig.
En toen Paulus de ontdekking had vernomen, riep hij één van de hoofdmannen over honderd, onder wiens opzicht hij geplaatst was, tot zich en zei: Breng deze jongeman naar de overste, want hij heeft hem wat te boodschappen.
Paulus heeft God niet verzocht door te denken: “wat gaat mij dat gepraat aan, jongmens! God zal mij zonder uw hulp wel in Rome brengen! ” Zijn geloof zag integendeel ook in de natuurlijke middelen wonderbare wegen en in de jongeling een engel van God, die hem op zijn weg moest behoeden.
Paulus is thans evenzeer bereid om te leven, als hij vroeger bereid was om te sterven en met kalme omzichtigheid zoekt hij de bescherming van de overste, die hem in militaire bewaring hield. Een bede richt hij niet tot hem – doet hij wat zijn ambt meebracht, dan zal de wil van de Heere geschieden! Zie, hoe eendrachtig bij Paulus het vertrouwen op God en het gebruiken van gewone middelen samenwonen (vgl. hoofdstuk 9: 25). Hij is volkomen het tegenovergestelde van een dweper. Luther is daarin ook aan hem gelijk; hij ging bij nacht door een geheim poortje uit de stad Augsburg (na zijn gesprek met Cajetanus op 20 oktober 1518) om te vluchten en acht mijlen ver te rijden, totdat hij in een veilig verblijf was gekomen.
Ofschoon Paulus op goddelijk gezag de meest beslissende verzekering had dat hij behouden zou worden, wist hij tevens dat de goddelijke Voorzienigheid door verstandige en voorzichtige middelen werkt en dat, indien hij verzuimde de middelen te gebruiken die in zijn macht waren, hij ook niet verwachten kon dat Gods Voorzienigheid voor hem werken. Hij die zichzelf niet wil helpen naar de middelen en de vermogens die hij bezit, heeft noch reden noch openbaring om hem te verzekeren dat hij enige hulp van God zal ontvangen.
Deze dan nam hem mee zonder zich met de zaak in te laten, die hem ook niet aanging en bracht hem tot de overste en zei: Paulus, de gevangene Ac 22: 30 heeft mij tot zich geroepen en verzocht deze jongeling tot u te brengen, die u wat heeft te zeggen.
De overste nu nam hem bij de hand, om hem door een vertrouwelijke behandeling moed te geven tot openbaring van zijn geheim. Hij ging met hem terzijde en vroeg: Wat is het dat gij mij hebt te boodschappen?
En hij zei: De Joden zijn overeengekomen om van u te begeren dat u Paulus morgen naar de raad zou brengen, alsof zij iets van hem nader moesten onderzoeken.
Doch geloof hun niet, want meer dan veertig mannen uit hun midden loeren op hem en hebben zichzelf met een vervloeking verbonden te eten noch te drinken, totdat zij hem zullen omgebracht hebben. Zij zijn van plan dat te doen op de weg naar de raadzaal en zij staan nu klaar en wachten slechts op uw toezegging, dat gij zult toestaan wat zij van u begeren en hun voornemen te volbrengen, als gij het doet.
Paulus wordt in de Romeinse militaire kazerne meer als een beschermeling dan als een misdadiger behandeld. De tegenstelling tussen de legerplaats van Israël en de legerplaats van de heidenen is duidelijk zichtbaar. Daar is alle orde verbroken, zodat de hoge raad met samenzweerders en bandieten gemene zaak maakt; hier is daarentegen alles geordend en geregeld. Daar spant de wanorde tot verderf van de apostel haar laatste kracht in, hier zijn alle leden van het militaire organisatie tot zijn dienst en ter zijner bescherming gereed. En terwijl daar de sterkste inspanning tevergeefs is, lukte hier wat men doet. Houden wij dit gezichtspunt vast, dan zullen wij begrijpen waarom Lukas deze gebeurtenissen zo uitvoerig bericht. Hij wil ons hier de streng militaire discipline en het Romeinse rechtsgevoel voor ogen houden, die nu dienstbaar moeten worden aan het rijk van God.
De samenzwering van de veertig mannen was tevens indirect een samenzwering tot tegenstand tegen het Romeinse gezag; daarom moest de Romeinse overste, die wij tot hiertoe reeds hebben leren kennen als een behoedzaam man, des te eerder geneigd zijn om te voorkomen dat het gebeurde.
De overste dan liet de jongeling gaan en gebood hem: zeg niemand voort dat gij mij dit geopenbaard hebt, opdat de samenzweerders niet misschien, als zij vernamen dat hun aanslag ontdekt was, nog een ander middel tot volvoering daarvan zouden verzinnen.
Verder voelde hij zich verplicht om zijn maatregelen te nemen, om op elke aanval die zou kunnen plaatshebben, voorbereid te zijn, daar toch het hele Joodse land vol was van rovers en bandieten, van wie de samengezworen zich gemakkelijk door geld hulp zouden kunnen verschaffen. Daarom liet hij een tweetal hoofdmannen over honderd tot zich roepen en zei: Maakt tweehonderd soldaten van de zware infanterie gereed, opdat zij naar Cesarea trekken en zeventig ruiters en tweehonderd schutters, slingeraars met werpspiesen, tegen het derde uur van de nacht, d. i. tegen 9 uur ‘s avonds, bij het eindigen van de eerste nachtwake Mr 13: 37.
En laat ze zadelbeesten, transportpaarden, voorbrengen, opdat zij Paulus daarop zetten en behouden overbrengen naar de stadhouder Felix.
Eer aan Uw naam, o God van macht en genade! Hoewel de gevaren die uw kinderen omringen, vele zijn, ontbreken U nooit de middelen hen te bevrijden. En indien die er niet waren, kon gij Uw apostel door wonderen hebben bewaard. Hoe veilig is Uw volk te midden van de grootste gevaren! En hoe gelukkig onder de schaduw van Uw vleugelen! Als wij in U, Heere, geloven, zullen wij en de onzen zeker bewaard worden voor ieder kwaad en bewaard worden voor Uw eeuwig Koninkrijk. Hemelse Vader, geef ons door Uw Heilige Geest, voor de zaak van Christus, dat heerlijk geloof.
God heeft middelen voor ieder werk. De natuurlijke bekwaamheden en zedelijke deugden van de heidenen hebben dikwijls moeten dienen tot bescherming van Zijn vervolgde dienaren. De wereld kan dikwijls onderscheiden tussen de ongeveinsde trouw van oprechte gelovigen en de ijver van valse belijders, alhoewel zij de leerstellige principes niet opmerkt of verstaat. Alle harten zijn in Gods hand en zij zijn gezegend, die op Hem vertrouwen.
Deze Ananias was een wreed, eergierig, hebzuchtig man. Hij was hogepriester onder de voorganger van de landvoogd Felix Quadratus, die hem geboeid naar Rome zond, waar hij op voorspraak van Agrippa de jongere werd losgelaten. Korte tijd bekleedde hij zijn ambt. In de aanvang van de Joodse oorlog kwam hij onder de handen van de Sicariërs om het leven.
En nadat hij zo voor een veilig geleide had gezorgd, schreef hij ook een begeleidende brief met deze inhoud:
Claudius Lysias groet de machtigste (hoofdstuk 1: 1 Luk. 1: 3) stadhouder Felix.
Daar deze man, die ik u met de gewapende macht toezend, door de Joden gegrepen was en door hen omgebracht zou worden, ben ik tussenbeide gekomen met het krijgsvolken heb hem hun ontnomen, daar ik vernomen had dat hij een Romein is, in het bezit van het Romeinse burgerrecht (hoofdstuk 21: 27-22: 29).
En willende de zaak weten waarover zij hem beschuldigden, bracht ik hem af in hun Raad;
Het bleek mij dat hij werd beschuldigd over vragen van hun wet, waarover wij Romeinen geen rechters willen zijn (hoofdstuk 18: 15); maar er was geen beschuldiging tegen hem, waarop de dood of gevangenschap staat (hoofdstuk 22: 30-23: 10)
En toen mij de volgende dag te kennen gegeven was dat de Joden een hinderlaag tegen deze man gelegd zouden hebben, heb ik hem terstond aan u (vs. 12vv.) gezonden en heb ik ook de aanklagers geboden in uw tegenwoordigheid te zeggen wat zij tegen hem hadden (hoofdstuk 24: 8). Vaarwel (hoofdstuk 15: 29)!
Met de opzettelijke zorgvuldigheid in het bericht over alle omstandigheden van de bescherming, die de Romeinse justitie de bedreigde Paulus gegeven heeft, komt ook de mededeling van het officiële schrijven overeen, dat Lukas aan de landvoogd richtte en overgaf aan de bevelhebber van de manschappen, die tot geleide van de apostel werden meegezonden. Men moet zich niet verwonderen dat Lukas het de moeite waard geacht heeft te trachten deze akte op de ene of andere wijze te verkrijgen, om deze brief van de Romeinse krijgsoverste in zijn verhaal te kunnen voegen, terwijl daarentegen veel dat men gewoonlijk voor veel gewichtiger houdt, geheel en al met stilzwijgen wordt voorbijgegaan. Reeds de oudtestamentische geschiedschrijvers leggen er zich op toe met bijzondere nauwkeurigheid de bevelen en beschikkingen uit het rijk van de wereld, die voor het Godsrijk gunstig waren, in authentieke vorm mee te delen (Dan. 4; Esth. 8: 10vv. ; 1: 2vv. ; 6: 1vv. ; 7: 11vv. Al dergelijke geschriften en bepalingen komen als zo bijzonder opmerkelijk voor, omdat zij een bewijs zijn van de geheime macht, die de God van Israël ook op de vorsten en machthebbenden in het God vijandige wereldrijk uitoefent. Vanuit dit gezichtspunt ziet Lukas zeker de maatregelen, door de Romeinsen bevelhebber tot bescherming van Paulus genomen.
Zeker is de brief met de overige processtukken naar Rome gekomen (hoofdstuk 25: 26) en deze zullen daar gedurende het proces de apostel ter hand zijn gesteld om zich schriftelijk te kunnen verdedigen, zodat Lukas er een afschrift van kon nemen. Dit stuk was van groot gewicht om te bewijzen dat er geen aanklacht tegen Paulus was, waar de dood of gevangenschap op stond.
De soldaten dan, de zo zwaargewapenden en de 200 schutters (vs. 28), deden zoals hun bevolen was. Zij namen Paulus en brachten hem, door de 70 ruiters begeleid, ‘s nachts naar Antipatris, een stad aan de zuidelijke grenzen van Samaria, door Herodes gebouwd en naar zijn vader genoemd. Zij legden die weg in snelle marsen af. Voor de weg van 8 mijlen hadden zij ook nog de volgende voormiddag nodig.
En des anderen daags, latende de ruiters met hem trekken, keerden zij weder naar de legerplaats.
Deze ruiters nu maakten met hun aanvoerder de verdere tocht van 5-6 mijlen en toen zij te Cesarea gekomen waren en de brief (vs. 25vv.) aan de stadhouder overgeleverd hadden, hebben zij ook Paulus, hun gevangene, voor hem gesteld.
En toen de stadhouder de brief gelezen had, waarin echter niets over Paulus’ afkomst was gezegd, vroeg hij uit welke provincie van het Romeinse rijk hij was. En toen hij begrepen had dat hij van Sicilië was,
zei hij: ik zal u in de zaak zelf, die u aangaat, verhoren, als ook uw beschuldigers, die Lysias bevolen heeft te komen (vs. 30), uit Jeruzalem hier gearriveerd zullen zijn. En hij beval dat hij in het rechthuis van Herodes bewaard zou worden, in het rechthuis of ambtsgebouw van de landvoogd, dat vroeger het paleis van Herodes was geweest en door hem te Cesarea gebouwd was.
De landvoogd Felix, in wiens handen Paulus nu wordt overgegeven, staat in de geschiedenis van de Romeinse landvoogden in kwade reuk. Wat kon de apostel van zo iemand verwachten? Stil slechts! Het is Gods eer niet alleen goedaardige Lysiassen, maar ook wrede Felixen tot uitvoerders van Zijn raad te maken. “Gij moet ook te Rome van Mij getuigen” (vs. 11), deze geleidebrief van Paulus kon Felix wel niet lezen, maar hij moest die toch ondertekenen.
Door de Romeinse wetgeving was voorgeschreven dat gevangenen, die met een geleidebrief tot een hogere rechtbank werden gezonden, binnen de kortst mogelijke tijd van voren aan met hun verdediging nogmaals moesten gehoord worden. Felix beveelt, zeker om het bericht van Lysias dat zo gunstig luidde, de apostel tot aan het verdere verhoor niet in een gewone gevangenis te werpen, maar in het residentiegebouw van de landvoogd ter bewaring te brengen.
Antonius Felix, die door de gunst van de zwakke keizer Claudius van slaaf tot landvoogd over Judea werd verheven en de naam van de keizer aannam, was een man, zoals zulke schepselen van het geluk doorgaans zijn. Naar de aanmerking van één van zijn landgenoten, de voortreffelijke geschiedschrijver Tacitus (met wie de Romeinse Suetonius en de Joodse Josefus volkomen overeenstemmen), hield hij onder het blinkendst vertoon van een koninklijke macht de inborst en het hart van een slaaf. Laaghartigheid straalde door in al zijn bedrijven. Meer dan een koningsdochter moest de prooi van zijn vuile en onbestendige driften worden. Wreedheid deed hem niet alleen tegen de roofzieke en moordzuchtige benden, die zijn wingewest verontrustten, maar evenzeer tegen de ongelukkige bewoners van het land woeden, ja zelfs zijn handen met het bloed van de hogepriester Jonathan bezoedelen. En onder alles overtrof hem niemand in gierigheid en onverzadelijke schraapzucht; voor die drift verkocht hij zijn eer en het recht van hen, die hij besturen moest, niet zelden. Voor deze man moest Paulus nu terecht staan, een man zo gemakkelijk gereed om voor weinig geld op een onmenselijke wijze tegen de gevangen Jood te woeden! Hoe zorgelijk was dan de toestand van de apostel toestand in het paleis van Herodes. En wat kon een landvoogd van die stempel enigszins in teugel houden, tenzij de vrees van in de persoon van Paulus het Romeinse burgerrecht te schenden en zich dus te Rome na het overlijden van zijn begunstigers bij de nieuwe keizer Nero een zware verantwoording op de hals te laden? Het vervolg zal ons doen zien hoe gegrond deze bedenkingen zijn en met welke wijsheid de Voorzienigheid deze omstandigheid in het lot van de apostel had ingeweven. De Procurator toch kwam al snel in de gelegenheid om de laagheid van zijn ziel ten aanzien van Paulus bloot te leggen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel