Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
EnG2532 als de dagG2250 van het PinksterG4005 feest vervuldG4845 werd, waren zij allen eendrachtelijkG3661 bijeenG846.
En als de dag van het Pinkster feest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen.
KJV
And1
when2
the day6
of Pentecost8
was fully come,4
they were
all10
with one accord11
in12
one place.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
EnG2532 er geschieddeG1096 haastelijkG869 uitG1537 den hemelG3772 een geluidG2279, gelijk als van een geweldigenG972, gedrevenG5342 windG4157, enG2532 vervuldeG4137 het gehele huisG3624, waar zijG1510 zatenG2258.
En er geschiedde haastelijk uit den hemel een geluid, gelijk als van een geweldigen, gedreven wind, en vervulde het gehele huis, waar zij zaten.
KJV
And1
suddenly3
there came2
a sound7
from4
heaven6
as8
of a rushing9
mighty11
wind,10
and12
it filled13
all14
the house16
where17
they were
sitting.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En van hen werden gezienG3708 verdeeldeG1266 tongenG1100 als van vuurG4442, en het zat opG1909 eenG1520 iegelijkG1538 van hen.
En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen.
KJV
And1
there appeared
unto them3
cloven4
tongues5
like as6
of fire,7
and9
it sat8
upon10
each12
of them.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En zij werden allen vervuldG4130 met den HeiligenG40 GeestG4151, enG2532 begonnenG756 te spreken met andere talenG1100, zoalsG2531 de GeestG4151 hunG846 gafG1325 uit te spreken.
En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.
Ook in dit vers
sprekenG669
sprekenG2980
KJV
And1
they were2
all3
filled
with the Holy5
Ghost,4
and6
began7
to speak with8
other9
tongues,10
as11
the Spirit13
gave14
them15
utterance.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
EnG1161 er warenG1510 JodenG2453, te JeruzalemG2419 wonendeG2730, godvruchtigeG2126 mannenG435 van allenG3956 volkeG1484 dergenen, die onder den hemelG3772 zijn.
En er waren Joden, te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen van allen volke dergenen, die onder den hemel zijn.
KJV
And2
there were
dwelling5
at3
Jerusalem4
Jews,6
devout8
men,7
out of9
every10
nation11
under13
heaven.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En als dezeG3778 stemG5456 geschiedG1096 was, kwam de menigteG4128 samenG4905, en werd beroerdG4797, wantG3754 eenG1520 iegelijkG1538 hoordeG191 henG846 in zijn eigenG2398 taalG1258 sprekenG2980.
En als deze stem geschied was, kwam de menigte samen, en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken.
KJV
Now2
when this
was1
noised abroad,4
the multitude8
came together,6
and9
were confounded,10
because11
that every14
man13
heard12
them19
speak18
in his own16
language.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En zij ontzettenG1839 zich allenG3956, en verwonderdenG2296 zich, zeggendeG3004 totG4314 elkanderG240: ZietG3708, zijnG1510 nietG3756 alleG3956 dezenG3778, die daar sprekenG2980, GalileersG1057?
En zij ontzetten zich allen, en verwonderden zich, zeggende tot elkander: Ziet, zijn niet alle dezen, die daar spreken, Galileers?
KJV
And2
they were1
all3
amazed
and4
marvelled,5
saying6
one to another,7
Behold,
are
not9
all11
these12
which14
speak15
Galilaeans?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
EnG2532 hoeG4459 horenG191 wij hen een iegelijkG1538 in onze eigenG2398 taalG1258, inG1722 welkeG3739 wij geborenG1080 zijn?
En hoe horen wij hen een iegelijk in onze eigen taal, in welke wij geboren zijn?
KJV
And1
how2
hear4
we
every5
man in our
own7
tongue,8
wherein10
we were born?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
ParthersG3934, enG2532 MedersG3370, enG2532 ElamietenG1639, enG2532 de inwonersG2730 zijn van MesopotamieG3318, en JudeaG2449, enG2532 CappadocieG2587, PontusG4195 enG2532 AzieG773.
Parthers, en Meders, en Elamieten, en de inwoners zijn van Mesopotamie, en Judea, en Cappadocie, Pontus en Azie.
KJV
Parthians,1
and2
Medes,3
and4
Elamites,5
and6
the dwellers8
in Mesopotamia,10
and12
in Judaea,11
and13
Cappadocia,14
in Pontus,15
and16
Asia,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
En FrygieG5435, en PamfylieG3828, EgypteG125, enG2532 de delenG3313 van LibyeG3033, hetwelk bij CyreneG2957 ligt, enG2532 uitlandseG1927 RomeinenG4514, beidenG5037 JodenG2453 enG2532 JodengenotenG4339;
En Frygie, en Pamfylie, Egypte, en de delen van Libye, hetwelk bij Cyrene ligt, en uitlandse Romeinen, beiden Joden en Jodengenoten;
KJV
Phrygia,1
and2
Pamphylia,4
in Egypt,5
and3
in the parts8
of Libya10
about12
Cyrene,13
and6
strangers16
of Rome,17
Jews18
and19
proselytes,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
KretenzenG2912 enG2532 ArabierenG690, wij horenG191 henG846 in onze talenG1100 de grote werkenG3167 GodsG2316 sprekenG2980.
Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken.
KJV
Cretes1
and2
Arabians,3
we do hear4
them6
speak5
in our8
tongues9
the wonderful works11
of God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
En zij ontzettenG1839 zich allenG3956, en werden twijfelmoedigG1280, zeggendeG3004, de een tegen den anderG243: WatG5101 wilG2309 toch ditG3778 zijnG1510?
En zij ontzetten zich allen, en werden twijfelmoedig, zeggende, de een tegen den ander: Wat wil toch dit zijn?
Ook in dit vers
totG4314
KJV
And2
they were1
all3
amazed,
and4
were in doubt,5
saying9
one6
to7
another,8
What10
meaneth12
this?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
EnG1161 anderen, spottendeG5512, zeidenG3004: Zij zijn volG3325 zoeten wijnsG1098.
En anderen, spottende, zeiden: Zij zijn vol zoeten wijns.
KJV
Others1
mocking3
said,4
These men are
full7
of new wine.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
MaarG1161 PetrusG4074, staandeG2476 met de elvenG1733, verhiefG1869 zijnG1510 stemG5456, en sprakG669 tot henG846: Gij JoodseG2453 mannenG435, en gij allen, die te JeruzalemG2419 woontG2730, ditG3778 zij uG4771 bekendG1110, en laat mijn woordenG4487 tot uw oren ingaanG1801.
Maar Petrus, staande met de elven, verhief zijn stem, en sprak tot hen: Gij Joodse mannen, en gij allen, die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend, en laat mijn woorden tot uw oren ingaan.
KJV
But2
Peter,3
standing up1
with4
the eleven,6
lifted up7
his10
voice,9
and11
said12
unto them,13
Ye men14
of Judaea,15
and16
all20
ye that dwell18
at Jerusalem,19
be
this
known23
unto you,
and25
hearken26
to my
words:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
WantG1063 dezeG3778 zijn nietG3756 dronkenG3184, gelijkG5613 gijG4771 vermoedtG5274; wantG1063 het is eerst de derdeG5154 ureG5610 van de dagG2250.
Want deze zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt; want het is eerst de derde ure van de dag.
KJV
For2
these6
are7
not1
drunken,
as3
ye
suppose,5
seeing9
it is
but the third11
hour10
of the day.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
MaarG235 ditG3778 is het, wat gesprokenG2046 is doorG1223 den profeetG4396 JoelG2493:
Maar dit is het, wat gesproken is door den profeet Joel:
KJV
But1
this
is
that which was spoken5
by6
the prophet8
Joel;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En het zal zijnG1510 inG1722 de laatsteG2078 dagenG2250, (zegtG3004 GodG2316) IkG1473 zal uitstortenG1632 vanG575 Mijn GeestG4151 op alleG3956 vleesG4561; en uw zonenG5207 enG2532 uw dochtersG2364 zullen profeterenG4395, enG2532 uw jongelingenG3495 zullen gezichtenG3706 zienG3700, enG2532 uw oudenG4245 zullen dromen dromen.
En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.
Ook in dit vers
dromenG1797
KJV
And1
it shall come to pass
in3
the last5
days,6
saith7
God,9
I will pour out10
of11
my
Spirit13
upon15
all16
flesh:17
and18
your
sons21
and23
your
daughters25
shall prophesy,19
and27
your
young men29
shall see
visions,31
and33
your
old men35
shall dream37
dreams:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
En ook op Mijn dienstknechtenG1401, enG2532 op Mijn dienstmaagdenG1399, zal IkG1473 inG1722 dieG1565 dagenG2250 vanG575 Mijn GeestG4151 uitstortenG1632, enG2532 zij zullen profeterenG4395.
En ook op Mijn dienstknechten, en op Mijn dienstmaagden, zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren.
KJV
And1
on3
my
servants5
and7
on8
my
handmaidens10
I will pour out16
in12
those15
days14
of17
my
Spirit;19
and21
they shall prophesy:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
En Ik zal wonderenG5059 gevenG1325 inG1722 den hemelG3772 boven, enG2532 tekenenG4592 op de aardeG1093 benedenG2736, bloedG129 enG2532 vuurG4442, enG2532 rookdampG822.
En Ik zal wonderen geven in den hemel boven, en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur, en rookdamp.
KJV
And1
I will shew2
wonders3
in4
heaven6
above,7
and8
signs9
in10
the earth12
beneath;13
blood,14
and15
fire,16
and17
vapour18
of smoke:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
De zonG2246 zal veranderdG3344 worden inG1519 duisternisG4655, enG2532 de maanG4582 inG1519 bloedG129, eerG4250 dat de groteG3173 enG2532 doorluchtigeG2016 dagG2250 des HeerenG2962 komtG2064.
De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de grote en doorluchtige dag des Heeren komt.
KJV
The sun2
shall be turned3
into4
darkness,5
and6
the moon8
into9
blood,10
before12
that great18
and19
notable20
day15
of the Lord16
come:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
EnG2532 het zal zijnG1510, dat een iegelijkG3956, die den NaamG3686 des HeerenG2962 zal aanroepenG1941, zaligG4982 zal worden.
En het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.
KJV
And1
it shall come to pass,
that whosoever4
shall call on6
the name8
of the Lord9
shall be saved.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Gij IsraelietischeG2475 mannenG435, hoortG191 dezeG3778 woordenG3056: JezusG2424 den NazarenerG3480, een ManG435 vanG575 GodG2316, onderG1722 ulieden betoondG584 door krachtenG1411, enG2532 wonderenG5059, enG2532 tekenenG4592, die GodG2316 door Hem gedaanG4160 heeft, in het middenG3319 van uG4771, gelijk ookG2532 gijzelvenG846 weetG1492;
Gij Israelietische mannen, hoort deze woorden: Jezus den Nazarener, een Man van God, onder ulieden betoond door krachten, en wonderen, en tekenen, die God door Hem gedaan heeft, in het midden van u, gelijk ook gijzelven weet;
KJV
Ye men1
of Israel,2
hear3
these
words;5
Jesus7
of Nazareth,9
a man10
approved14
of11
God13
among15
you
by miracles17
and18
wonders19
and20
signs,21
which22
God27
did23
by24
him25
in28
the midst29
of you,
as31
ye yourselves33
also32
know:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
DezenG5126, door den bepaaldenG3724 raadG1012 enG2532 voorkennisG4268 GodsG2316 overgegevenG1560 zijnde, hebt gij genomenG2983, en doorG1223 de handenG5495 der onrechtvaardigenG459 aan het kruis gehechtG4362 en gedoodG337;
Dezen, door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood;
KJV
Him,
being delivered9
by the determinate3
counsel4
and5
foreknowledge6
of God,8
ye have taken,10
and by11
wicked13
hands12
have crucified14
and slain:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
WelkenG3739 GodG2316 opgewektG450 heeft, de smartenG5604 des doodsG2288 ontbondenG3089 hebbende, alzo het nietG3756 mogelijkG1415 wasG1510, dat Hij vanG5259 denzelven doodG2902 zou gehouden worden.
Welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzo het niet mogelijk was, dat Hij van denzelven dood zou gehouden worden.
KJV
Whom1
God3
hath raised up,4
having loosed5
the pains7
of death:9
because10
it was
not11
possible13
that he15
should be holden14
of16
it.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Want DavidG1138 zegtG3004 vanG1537 HemG846: Ik zagG4308 den HeereG2962 allenG3956 tijdG1799 voor mijG1473; want Hij isG1510 aanG1519 mijn rechterG1188 hand, opdatG2443 ikG1473 nietG3361 bewogenG4531 worde.
Want David zegt van Hem: Ik zag den Heere allen tijd voor mij; want Hij is aan mijn rechter hand, opdat ik niet bewogen worde.
KJV
For2
David1
speaketh3
concerning4
him,5
I foresaw6
the Lord8
always11
before9
my
face, for13
he is
on14
my
right hand,15
that
I should20
not
be moved:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Daarom is mijn hartG2588 verblijdG2165; en mijn tongG1100 verheugtG21 zich; ja, ookG2532 mijn vleesG4561 zal rustenG2681 in hopeG1680;
Daarom is mijn hart verblijd; en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn vlees zal rusten in hope;
KJV
Therefore1
did3
my
heart5
rejoice,
and7
my
tongue10
was glad;8
moreover13
also14
my
flesh16
shall rest18
in19
hope:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
WantG3754 GijG4771 zult mijn zielG5590 inG1519 de helG86 nietG3756 verlatenG1459, noch zult Uw HeiligeG3741 over gevenG1325, om verdervingG1312 te zienG1492.
Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten, noch zult Uw Heilige over geven, om verderving te zien.
KJV
Because1
thou wilt3
not2
leave
my
soul5
in7
hell,8
neither9
wilt thou suffer10
thine
Holy One12
to see
corruption.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Gij hebt mij de wegenG3598 des levensG2222 bekendG1107 gemaakt; Gij zult mijG1473 vervullenG4137 metG3326 verheugingG2167 door Uw aangezichtG4383.
Gij hebt mij de wegen des levens bekend gemaakt; Gij zult mij vervullen met verheuging door Uw aangezicht.
KJV
Thou hast made known1
to me
the ways3
of life;4
thou shalt make5
me
full
of joy7
with8
thy
countenance.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Gij mannenG435 broedersG80, het is mijG1473 geoorloofdG1832 vrijG3326 uit totG4314 uG4771 te sprekenG2036 vanG4012 den patriarchG3966 DavidG1138, dat hijG846 beide gestorvenG5053 enG2532 begravenG2290 is, enG2532 zijn grafG3418 is onder ons tot op dezenG5026 dagG2250.
Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrij uit tot u te spreken van den patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op dezen dag.
KJV
Men1
and brethren,2
let
me3
freely5
speak
unto7
you
of9
the patriarch11
David,12
that13
he is15
both14
dead
and16
buried,17
and18
his21
sepulchre20
is
with23
us
unto25
this
day.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
Alzo hij danG3767 een profeetG4396 was, enG2532 wistG1492, datG3754 GodG2316 hem met edeG3727 gezworenG3660 had, dat hij uitG1537 de vruchtG2590 zijner lendenG3751, zoveelG2596 het vleesG4561 aangaatG2596, den ChristusG5547 verwekkenG450 zou, om HemG846 opG1909 zijn troonG2362 te zettenG2523;
Alzo hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner lenden, zoveel het vlees aangaat, den Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten;
KJV
Therefore2
being3
a prophet,1
and4
knowing5
that6
God11
had sworn8
with an oath7
to him,9
that of12
the fruit13
of his16
loins,15
according to18
the flesh,19
he would raise up20
Christ22
to sit23
on24
his27
throne;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
Zo heeft hijG846, dit voorziendeG4275, gesprokenG2980 vanG4012 de opstandingG386 van ChristusG5547, datG3754 Zijn zielG5590 nietG3756 is verlatenG2641 inG1519 de helG86, noch Zijn vleesG4561 verdervingG1312 heeft gezienG3708.
Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien.
KJV
He seeing this before
spake2
of3
the resurrection5
of Christ,7
that8
his13
soul12
was10
not9
left
in14
hell,15
neither16
his19
flesh18
did see
corruption.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
DezenG5126 JezusG2424 heeft GodG2316 opgewektG450; waarvan wij allenG3956 getuigenG3144 zijnG1510.
Dezen Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn.
KJV
This
Jesus3
hath4
God6
raised up,
whereof7
we
all8
are
witnesses.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
Hij danG3767, door de rechterG1188 hand GodsG2316 verhoogdG5312 zijnde, en de belofteG1860 des HeiligenG40 GeestesG4151, ontvangenG2983 hebbende van den VaderG3962, heeft ditG3778 uitgestortG1632, dat gijG4771 nu ziet enG2532 hoortG191.
Hij dan, door de rechter hand Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heiligen Geestes, ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort.
KJV
Therefore3
being6
by the right hand2
of God5
exalted,
and8
having received13
of14
the Father16
the promise9
of the Holy11
Ghost,12
he hath shed forth17
this,
which19
ye
now20
see22
and23
hear.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
WantG1063 DavidG1138 is nietG3756 opgevarenG305 inG1519 de hemelenG3772; maarG1161 hijG846 zegtG3004: De HeereG2962 heeft gesprokenG2036 tot Mijn HeereG2962: ZitG2521 aan Mijn rechterG1188 hand.
Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De Heere heeft gesproken tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand.
Ook in dit vers
uit/metG1537
KJV
For2
David3
is not1
ascended4
into5
the heavens:7
but9
he saith8
himself,10
The LORD13
said
unto my
Lord,15
Sit thou17
on18
my
right hand,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
Totdat Ik Uw vijandenG2190 zal gezetG5087 hebben tot een voetbankG5286 Uwer voetenG4228.
Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.
KJV
Until1
I make2
thy
foes5
thy
footstool.9
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
Zo weteG1097 danG3767 zekerlijkG806 het ganseG3956 huisG3624 IsraelsG2474, dat GodG2316 HemG846 tot een HeereG2962 enG2532 ChristusG5547 gemaaktG4160 heeft, namelijk dezenG5126 JezusG2424, DienG3739 gijG4771 gekruistG4717 hebt.
Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israels, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.
KJV
Therefore2
let3
all4
the house5
of Israel6
know
assuredly,1
that7
God14
hath made15
that same
Jesus,18
whom19
ye
have crucified,21
both8
Lord9
and10
Christ.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
En als zij dit hoordenG191, werden zij verslagenG2660 in het hartG2588, en zeidenG2036 totG4314 PetrusG4074 en de andereG3062 apostelenG652: WatG5101 zullen wij doenG4160 mannenG435 broedersG80?
En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broeders?
KJV
Now2
when they heard1
this, they were pricked3
in their heart,5
and7
said
unto8
Peter10
and11
to the rest13
of the apostles,14
Men17
and brethren,18
what15
shall we do?
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38
En PetrusG4074 zeideG5346 totG4314 henG846: BekeertG3340 u, en een iegelijkG1538 van u worde gedooptG907 inG1519 den NaamG3686 van JezusG2424 ChristusG5547, tot vergevingG859 der zondenG266; en gij zult de gaveG1431 des HeiligenG40 GeestesG4151 ontvangenG2983.
En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.
KJV
Then2
Peter1
said3
unto4
them,5
Repent,6
and7
be baptized8
every one9
of you
in11
the name13
of Jesus14
Christ15
for16
the remission17
of sins,18
and19
ye shall receive20
the gift22
of the Holy24
Ghost.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39
WantG1063 uG4771 komtG2076 de belofteG1860 toe, enG2532 uw kinderenG5043, enG2532 allenG3956, die daar verreG1519 zijnG1510, zo velenG3745 als er de HeereG2962, onze GodG2316, toe roepenG302 zal.
Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal.
KJV
For2
the promise5
is
unto you,
and6
to your
children,8
and10
to all11
that are afar off,13
even as many as15
the Lord18
our
God20
shall call.16
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
40
En met veelG4119 meer andere woordenG3056 betuigdeG1263 hij, enG2532 vermaandeG3870 hen, zeggendeG3004: Wordt behoudenG4982 vanG575 ditG3778 verkeerdG4646 geslachtG1074!
En met veel meer andere woorden betuigde hij, en vermaande hen, zeggende: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht!
KJV
And2
with many
other1
words3
did he testify5
and6
exhort,7
saying,8
Save yourselves9
from10
this
untoward14
generation.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
41
Die danG3767 zijn woordG3056 gaarneG780 aannamenG588, werden gedooptG907; enG2532 er werden op dienG1565 dagG2250 tot henG846 toegedaanG4369 omtrent drie duizendG5153 zielenG5590.
Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt; en er werden op dien dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen.
KJV
Then2
they that gladly4
received5
his8
word7
were baptized:9
and10
the same14
day13
there were added11
unto them about16
three thousand17
souls.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
42
En zij waren volhardendeG4342 in de leerG1322 der apostelenG652, en in de gemeenschapG2842, en in de brekingG2800 des broodsG740, en in de gebedenG4335.
En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden.
KJV
And2
they continued
stedfastly3
in the apostles'7
doctrine5
and8
fellowship,10
and11
in breaking13
of bread,15
and16
in prayers.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
43
En een vrezeG5401 kwam over alleG3956 zielG5590; en veleG4183 wonderenG5059 en tekenenG4592 geschieddenG1096 doorG1223 de apostelenG652.
En een vreze kwam over alle ziel; en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen.
KJV
And2
fear5
came upon1
every3
soul:4
and7
many6
wonders8
and9
signs10
were done14
by11
the apostles.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
44
En allen, die geloofdenG4100, warenG1510 bijeenG1909, en haddenG2192 alle dingen gemeenG2839;
En allen, die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeen;
KJV
And2
all1
that believed4
were
together,6
and9
had10
all things11
common;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
45
En zij verkochtenG4097 hun goederenG2933 enG2532 haveG5223, en verdeeldenG1266 dezelveG846 aan allenG3956, naar dat elk van nodeG5532 hadG2192.
En zij verkochten hun goederen en have, en verdeelden dezelve aan allen, naar dat elk van node had.
KJV
And1
sold7
their possessions3
and4
goods,6
and8
parted9
them10
to all11
men, as12
every man14
had13
need.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
46
En dagelijksG2596 eendrachtelijkG3661 inG1722 den tempelG2411 volhardendeG4342, en van huisG3624 tot huis broodG740 brekendeG2806, aten zij te zamen metG1722 verheugingG20 enG2532 eenvoudigheidG858 des hartenG2588;
En dagelijks eendrachtelijk in den tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij te zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten;
Ook in dit vers
aten zamenG3335
KJV
And3
they, continuing4
daily1
with one accord5
in6
the temple,8
and10
breaking9
bread13
from11
house to house,12
did eat14
their meat15
with16
gladness17
and18
singleness19
of heart,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
47
En prezenG134 GodG2316, en haddenG2192 genadeG5485 bij het ganse volkG2992. En de HeereG2962 deed dagelijksG2596 totG4314 de GemeenteG1577, die zaligG4982 werden.
En prezen God, en hadden genade bij het ganse volk. En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden.
KJV
Praising1
God,3
and4
having5
favour6
with7
all8
the people.10
And12
the Lord13
added14
to the church20
daily17
such as should be saved.
Pinkster- feest
Het woord Pinkster is een gebroken woord van het Griekse woord Pentecoste, dat is, de vijftigste dag; waarmede genaamd werd het tweede grote jaarfeest, op hetwelk de eerstelingen der vruchten geofferd werden, Num. 28:26 , omdat het begon op den vijftigsten dag na den tweeden paaschdag, Lev. 23:15-16 , op welken vijftigsten dag na het eerste pasen en den uitgang der kinderen Israëls uit Egypte, ook de wet van God op den berg Sinaï is gegeven; Ex. 19:1 , Ex. 19:11 . Zie van dit feest ook Hand. 20:16 ; 1 Kor. 16:8 .
Hertaald:
Pinkster- feest
Het woord Pinkster is een verbastering van het Griekse woord Pentecoste, dat is: de vijftigste dag. Zo werd het tweede grote jaarfeest genoemd, waarop de eerstelingen van de vruchten geofferd werden (Num. 28:26), omdat het begon op de vijftigste dag na de tweede paasdag (Lev. 23:15-16). Op die vijftigste dag na het eerste pascha en de uittocht van de kinderen Israëls uit Egypte is ook de wet van God op de berg Sinaï gegeven; Ex. 19:1, Ex. 19:11. Zie over dit feest ook Hand. 20:16; 1 Kor. 16:8.
vervuld werd,
Dat is, gekomen was.
Hertaald:
vervuld werd,
Dat is: gekomen was.
zij allen
Namelijk de twaalf apostelen, wien deze belofte voornamelijk was gedaan. Zie hierna vs.4, 14,15.
Hertaald:
zij allen
Namelijk de twaalf apostelen, aan wie deze belofte vooral gedaan was. Zie hierna vers 4, 14 en 15.
bijeen
Dat is, in eene plaats vergaderd, namelijk in ene opperzaal binnen Jeruzalem; Hand. 1:13 .
Hertaald:
bijeen
Dat is: op één plaats vergaderd, namelijk in een bovenzaal binnen Jeruzalem; Hand. 1:13.
haastelijk uit
Dat is, onvoorziens.
Hertaald:
haastelijk uit
Dat is: onverwachts.
gedreven
Dat is, met sterk gedruis waaiende.
Hertaald:
gedreven
Dat is: met sterk gedruis waaiende.
wind, en
Of, blas. Deze wind beduidde den Heiligen Geest, die den apostelen gegeven is, en door den dienst der apostelen zou worden gegeven, en doordringen tegen alle geweld.
Hertaald:
wind, en
Of: blazen. Deze wind duidde de Heilige Geest aan, Die aan de apostelen gegeven is en Die door de dienst van de apostelen gegeven zou worden en tegen alle geweld in zou doordringen.
van hen werden
Aan hen; namelijk de apostelen.
Hertaald:
van hen werden
Namelijk aan hen, de apostelen.
verdeelde tongen
Dat is, gedaanten van tongen, die gedeeld of gespleten waren; waarmede te kennen gegeven werden de menigerlei talen, met welke de apostelen zouden spreken, en het Evangelie onder alle volken verkondigen. Zie vs.4.
Hertaald:
verdeelde tongen
Dat is: gedaanten van tongen die verdeeld of gespleten waren. Daarmee werden de vele talen aangeduid waarin de apostelen zouden spreken en het Evangelie onder alle volken zouden verkondigen. Zie vers 4.
van vuur, en
Dat is, vurig; waarmede beduid werd dat de Heilige Geest de harten der apostelen en van hunne toehoorders ontsteken zou met een licht der kennis Gods, met vurige liefde Gods en des naasten, en ijver tot Gods eer en der mensen zaligheid.
Hertaald:
van vuur, en
Dat is: vurig. Daarmee werd aangeduid dat de Heilige Geest de harten van de apostelen en van hun toehoorders zou ontsteken met een licht van de kennis van God, met vurige liefde tot God en tot de naaste, en met ijver voor Gods eer en voor de zaligheid van de mensen.
het zat op
Namelijk het vuur der verdeelde tongen.
Hertaald:
het zat op
Namelijk het vuur van de verdeelde tongen.
van hen
Namelijk van de apostelen. Zie vs.1.
Hertaald:
van hen
Namelijk van de apostelen. Zie vers 1.
met den Heiligen
Dat is, met de buitengewone gaven des Heiligen Geestes.
Hertaald:
met den Heiligen
Dat is: met de buitengewone gaven van de Heilige Geest.
andere
Dat is, vreemde, den apostel tevoren onbekende talen. Markus zegt nieuwe; Marc. 16:17 .
Hertaald:
andere
Dat is: vreemde talen, die de apostelen tevoren onbekend waren. Markus noemt ze nieuwe talen; Mark. 16:17.
talen, zoals
Grieks tongen; gelijk vs.11.
Hertaald:
talen, zoals
Grieks: tongen; zoals vers 11.
de Geest hun
Dat is, de Heilige Geest; 2 Petr. 1:21 .
Hertaald:
de Geest hun
Dat is: de Heilige Geest; 2 Petr. 1:21.
uit te spreken
Het Griekse woord betekent enige treffelijke zaken of spreuken voortbrengen. Zie vs.11.
Hertaald:
uit te spreken
Het Griekse woord betekent: bepaalde uitnemende zaken of uitspraken voortbrengen. Zie vers 11.
wonende,
Dat is, zich onthoudende voor een tijd, òf om in den Joodsen godsdienst onderwezen te worden; Hand. 6:9 , en Hand. 9:29 , òf om het feest van Pinkster te houden; Ex. 23:17 .
Hertaald:
wonende,
Dat is: die zich daar een tijd ophielden, óf om in de Joodse godsdienst onderwezen te worden (Hand. 6:9 en Hand. 9:29), óf om het pinksterfeest te vieren (Ex. 23:17).
die onder den
Dat is, die door de vervolgingen der Assyrische, Babylonische, Egyptische en Syrische koningen in alle landen verstrooid waren, 1 Petr. 1:1 , en alzo is vervuld hetgeen tevoren gezegd was; Jes. 43:5-6 .
Hertaald:
die onder den
Dat is: zij die door de vervolgingen van de Assyrische, Babylonische, Egyptische en Syrische koningen over alle landen verstrooid waren (1 Petr. 1:1); en zo is vervuld wat tevoren gezegd was in Jes. 43:5-6.
deze stem
Dat is, dit geluid van dezen wind, of als dit gerucht verbreid was.
Hertaald:
deze stem
Dat is: dit geluid van deze wind, of: toen dit gerucht verbreid was.
beroerd, want
Of, verward; namelijk òf in dit samenkomen, òf in hun gemoed door verwondering van deze vreemde zaak.
Hertaald:
beroerd, want
Of: verward; namelijk óf in dit samenkomen, óf in hun gemoed door de verbazing over deze vreemde zaak.
in zijn eigen
Zo spraken dan de apostelen niet in eene taal, gelijk sommigen menen; want zo zou dit wonder in de toehoorders geweest zijn, en niet in de apostelen; maar in verscheidene, naar de verscheidenheid der talen, die de toehoorders spraken en verstonden. Zie Hand. 10:46 , en Hand. 19:6 ; 1 Kor. 12:13-14 .
Hertaald:
in zijn eigen
De apostelen spraken dus niet in één taal, zoals sommigen menen; want dan zou het wonder bij de toehoorders gelegen hebben en niet bij de apostelen. Zij spraken in verschillende talen, naar de verscheidenheid van de talen die de toehoorders spraken en verstonden. Zie Hand. 10:46 en Hand. 19:6; 1 Kor. 12:13-14.
ontzetten zich
Namelijk alsof zij buiten hunne zinnen verrukt waren.
Hertaald:
ontzetten zich
Namelijk alsof zij buiten zichzelf waren van verbazing.
Galileërs?
Dat is, die in Galilea geboren zijn en altijd gewoond hebben, en onkundige en ongeleerde lieden zijn, geen andere taal dan hunne moedertaal geleerd hebbende.
Hertaald:
Galileërs?
Dat is: mensen die in Galilea geboren zijn en er altijd gewoond hebben, onkundige en ongeletterde lieden die geen andere taal dan hun moedertaal geleerd hadden.
Elamieten,
Elam was een deel van Perzië, alzo genaamd van Elam, een zoon van Sem; Gen. 10:22 ; 1 Kron. 1:17 .
Hertaald:
Elamieten,
Elam was een deel van Perzië, zo genoemd naar Elam, een zoon van Sem; Gen. 10:22; 1 Kron. 1:17.
Mesopotámië,
Dat is, zowel die in Mesopotamië als die in Judea wonen en geboren zijn. Mesopotamië is een deel van Syrië alzo in het Grieks genaamd, omdat het ligt midden tussen de twee rivieren Tiger en Eufraat; Gen. 24:10 , en Gen. 35:9 .
Hertaald:
Mesopotámië,
Dat is: zowel zij die in Mesopotamië wonen en geboren zijn als zij die in Judea wonen. Mesopotamië is een deel van Syrië, dat in het Grieks zo genoemd wordt omdat het midden tussen de twee rivieren de Tigris en de Eufraat ligt; Gen. 24:10 en Gen. 35:9.
Azië
Azië wordt in het algemeen genaamd het derde deel der wereld toen bekend, en in het bijzonder dat deel, hetwelk eertijds Klein-Azië en nu Natolië genaamd wordt, waarvan ook Cappadocië, Pontus, Frygië en Pamfylië delen waren; maar hier schijnt het nog bijzonderlijker genomen te worden voor het deel van Klein-Azië, hetwelk ligt omtrent de Egeïse zee tegenover Macedonië en Thracië.
Hertaald:
Azië
Azië wordt in het algemeen het derde werelddeel genoemd dat toen bekend was, en in het bijzonder dat deel dat vroeger Klein-Azië en nu Anatolië heet, waarvan ook Kappadocië, Pontus, Frygië en Pamfylië delen waren. Maar hier lijkt het nog specifieker gebruikt te worden voor het deel van Klein-Azië dat aan de Egeïsche Zee ligt, tegenover Macedonië en Thracië.
Cyrene
Dit was ene stad in Lybië of Afrika, van welke het omliggende land Libya Cyrenaica genoemd werd. In al deze landen waren de Joden overlang verstrooid, en spraken de talen van die landen; 1 Petr. 1:1 .
Hertaald:
Cyrene
Dit was een stad in Libië of Afrika, waarnaar het omliggende land Libya Cyrenaica genoemd werd. In al deze landen waren de Joden al lang verstrooid en spraken zij de talen van die landen; 1 Petr. 1:1.
uitlandse
Dat is, die te Rome of daaromtrent geboren of woonachtig waren, en te Jeruzalem om hunne zaken of om den godsdienst gekomen waren.
Hertaald:
uitlandse
Dat is: zij die in Rome of in de omgeving daarvan geboren waren of woonden en die voor hun zaken of voor de godsdienst naar Jeruzalem gekomen waren.
Joden en
Namelijk niet alleen van godsdienst, maar ook van afkomst en geslacht.
Hertaald:
Joden en
Namelijk niet alleen naar godsdienst, maar ook naar afkomst en geslacht.
Jodengenoten;
Grieks Proselitoy; dat is, aankomelingen, Joden niet van geslacht, maar van religie. Zie Matt. 23:15 .
Hertaald:
Jodengenoten;
Grieks: proselieten; dat is: mensen die zich hebben aangesloten, Joden niet naar geslacht maar naar godsdienst. Zie Matth. 23:15.
Kretensen
Dat is, geboren of wonende in het eiland Kreta, nu Kandia genaamd. Zie Hand. 27:7 , Hand. 27:12 ; Tit. 1:5 .
Hertaald:
Kretensen
Dat is: geboren of wonend op het eiland Kreta, dat nu Candia heet. Zie Hand. 27:7, Hand. 27:12; Tit. 1:5.
talen
Grieks tongen; vs.4.
Hertaald:
talen
Grieks: tongen; vers 4.
de grote werken
Of, de heerlijke daden Gods; namelijk die Hij door Jezus Christus gedaan heeft tot der mensen zaligheid; Luc. 1:49 .
Hertaald:
de grote werken
Of: de heerlijke daden van God; namelijk die Hij door Jezus Christus gedaan heeft tot zaligheid van de mensen; Luk. 1:49.
twijfelmoedig,
Dat is, zij twijfelen wat dit toch wezen mocht, en wat zij daarvan zouden geloven.
Hertaald:
twijfelmoedig,
Dat is: zij twijfelden wat dit toch kon zijn en wat zij ervan moesten geloven.
anderen,
Eenigen, mogelijk uit de schriftgeleerden, Farizeën, Sadduceën, en huns gelijken.
Hertaald:
anderen,
Namelijk sommigen, mogelijk uit de schriftgeleerden, farizeeën, sadduceeën en hun gelijken.
zoeten wijns
Dat is, zij zijn dronken. Sommigen zetten dit over: Zij zijn vol most. Doch het was toen nog de tijd niet van most, dat is van nieuwen gepersten wijn.
Hertaald:
zoeten wijns
Dat is: zij zijn dronken. Sommigen vertalen dit met: zij zijn vol most. Maar het was toen nog niet de tijd van de most, dat is: van nieuw geperste wijn.
de derde
Namelijk na den opgang der zon, gelijk de Joden hunne uren van den dag rekenden. Zie Matt. 20:3 ; Joh. 11:9 , en komt overeen met onze negende ure. De Joden, gelijk sommigen zeggen, plachten op de feestdagen nuchter te blijven zonder eten en drinken, tot de zesde ure toe, dat is tot den middag.
Hertaald:
de derde
Namelijk na zonsopgang, zoals de Joden hun uren van de dag rekenden. Zie Matth. 20:3; Joh. 11:9. Dat komt overeen met ons negen uur. Volgens sommigen plachten de Joden op de feestdagen nuchter te blijven zonder eten en drinken tot het zesde uur, dat is: tot de middag.
in de laatste
Zo worden genaamd de tijden van het rijk van Christus, naar Zijne toekomst; 1 Kor. 10:11 ; Hebr. 1:1 , die alzo genaamd worden, omdat in dezelve gene verandering meer zal geschieden in den dienst van God, en na dezelve het einde der wereld zal volgen.
Hertaald:
in de laatste
Zo worden de tijden van het rijk van Christus na Zijn komst genoemd; 1 Kor. 10:11; Hebr. 1:1. Zij heten zo omdat er in die tijd geen verandering meer zal komen in de dienst van God, en omdat daarna het einde van de wereld zal volgen.
alle vlees;
Dat is, allerlei mensen, van wat staat, ouderdom, of geslacht zij zijn; Luc. 11:42 ; 1 Tim. 2:1 , 1 Tim. 2:4 .
Hertaald:
alle vlees;
Dat is: allerlei mensen, van welke stand, leeftijd of geslacht zij ook zijn; Luk. 11:42; 1 Tim. 2:1, 1 Tim. 2:4.
profeteren,
Dat is, God klaarlijk kennen, en anderen van hem onderrichten. Onder de manier van onderwijzing, die in het Oude Testament aan weinigen gebruikelijk was, Num. 12:6 , wordt beschreven de overvloedige onderwijzing en kennis, die in het Nieuwe Testament zou wezen tot het einde der wereld.
Hertaald:
profeteren,
Dat is: God duidelijk kennen en anderen over Hem onderwijzen. Met de aanduiding van een manier van onderwijzen die in het Oude Testament maar bij weinigen voorkwam (Num. 12:6), wordt de overvloedige onderwijzing en kennis beschreven die in het Nieuwe Testament tot aan het einde van de wereld zou bestaan.
wonderen geven
Dat is, wonderbaarlijke tekenen van Gods toorn tegen de vijanden en vervolgers der kerk Gods. Zie Matt. 24:29 ; Luc. 21:25 .
Hertaald:
wonderen geven
Dat is: wonderbaarlijke tekenen van Gods toorn tegen de vijanden en vervolgers van Gods kerk. Zie Matth. 24:29; Luk. 21:25.
dag des Heeren
Dat is, de dag in welken de Heere Jezus Christus zal komen om te oordelen de levenden en de doden.
Hertaald:
dag des Heeren
Dat is: de dag waarop de Heere Jezus Christus zal komen om de levenden en de doden te oordelen.
aanroepen,
Dat is, Hem voor den Zaligmaker met waar geloof erkennen, de zaligheid in Hem alleen zoeken, Hem om dezelve, alsook in alle noden, aanroepen, en Hem recht dienen.
Hertaald:
aanroepen,
Dat is: Hem met waar geloof als de Zaligmaker erkennen, de zaligheid alleen in Hem zoeken, Hem daarom en ook in alle nood aanroepen, en Hem naar behoren dienen.
onder ulieden
Grieks in, of tot, of aan u.
Hertaald:
onder ulieden
Grieks: in, of tot, of aan u.
betoond door
Dat is, klaarlijk bewezen dat Hij van God gezonden en de ware Messias was.
Hertaald:
betoond door
Dat is: duidelijk bewezen dat Hij door God gezonden en de ware Messias was.
bepaalden raad
Dat is, niet bij geval, of naar den moedwil van Zijne vijanden alleen, maar naar het besluit, de beschikking en toelating Gods.
Hertaald:
bepaalden raad
Dat is: niet bij toeval of alleen naar de moedwil van Zijn vijanden, maar naar het besluit, de beschikking en de toelating van God.
door de handen
Of, door onrechtvaardige handen; namelijk der heidense en goddeloze soldaten van Pilatus; Matt. 20:19 .
Hertaald:
door de handen
Of: door onrechtvaardige handen; namelijk van de heidense en goddeloze soldaten van Pilatus; Matth. 20:19.
de smarten
Dat is, van den dood, die Hem met en na vele smarten was aangedaan. Petrus schijnt hier te zien op de woorden, die gebruikt worden Ps. 18:6 , waar staat, de strikken, banden, of zielen des doods, hetwelk op het woord ontbonden bekwamelijk past.
Hertaald:
de smarten
Dat is: van de dood, die Hem met en na veel smarten was aangedaan. Petrus lijkt hier te zien op de woorden die gebruikt worden in Ps. 18:6, waar staat: de strikken, banden of zielen van de dood — wat goed past bij het woord ontbonden.
Ik zag den
Zie de verklaring van deze woorden, Ps. 16:8 .
Hertaald:
Ik zag den
Zie de verklaring van deze woorden bij Ps. 16:8.
rusten
Of wonen; namelijk in het graf, als in een tabernakel, gelijk het Griekse woord medebrengt.
Hertaald:
rusten
Of: wonen; namelijk in het graf als in een tent, zoals het Griekse woord aangeeft.
in hope;
Namelijk van haast wederom uit het graf op te staan.
Hertaald:
in hope;
Namelijk in de hoop spoedig weer uit het graf op te staan.
mijn ziel in
Dat is mij, een deel voor het geheel genomen zijnde; Gen. 46:26 ; Ps. 3:3 ; Hand. 27:37 , en wederom het geheel voor een deel verstaan zijnde, mijn lichaam. Alzo wordt het woord ziel dikwijls genomen; Lev. 19:28 , en Lev. 21:11 ; Num. 5:2 , en Num. 9:10 ; Hag. 2:14 . Eenigen verstaan door deze woorden mijne ziel, Christus den Messias, alsof David zeide: Gij zult mijne ziel, dat is, den Christus, die in mij leeft, Gal. 2:20 , en die het leven en de opstanding is, Joh. 11:25 , niet laten in de hel. Doch het eerste gevoelen is het algemeenste.
Hertaald:
mijn ziel in
Dat is: mij, waarbij een deel voor het geheel genomen wordt (Gen. 46:26; Ps. 3:3; Hand. 27:37); en waarbij het geheel weer voor een deel opgevat wordt, namelijk mijn lichaam. Zo wordt het woord ziel vaak gebruikt; Lev. 19:28 en Lev. 21:11; Num. 5:2 en Num. 9:10; Hagg. 2:14. Sommigen verstaan onder deze woorden mijn ziel de Messias Christus, alsof David zei: U zult mijn ziel, dat is: de Christus Die in mij leeft (Gal. 2:20) en Die het leven en de opstanding is (Joh. 11:25), niet in de hel laten. Maar de eerste opvatting is de meest gangbare.
hel niet
Het Hebreeuwse woord Scheol en het Griekse Hades, hetwelk hier wordt gebruikt, betekent somwijlen de plaats der verdoemden, Deut. 32:22 ; Job 11:8 ; Matt. 11:23 ; Luc. 16:23 , in welke betekenis het hier niet kan genomen worden, overmits Christus' ziel, van het lichaam door den dood gescheiden zijnde, niet in die plaats, maar in het paradijs geweest is; Luc. 23:43 . Somwijlen betekent het de helse smarten en benauwdheden; 1 Sam. 2:6 ; Ps. 18:6 , en Ps. 116:3 ; in welke betekenis sommigen menen dat dit woord alhier zou kunnen genomen worden, alzo Christus vóór zijn dood zodanige smarten in Zijne ziel geleden heeft. Doch alzo hetzelfde woord ook dikwijls genomen wordt voor het graf, Gen. 37:35 ; Job 17:13 ; Ps. 6:6 , en Ps. 30:4 ; Spr. 1:12 , en Spr. 27:20 ; Jes. 5:14 , en Jes. 38:18 ; Openb. 20:13 , en vs.27 gesproken wordt van den staat van Christus na Zijn dood en van Zijne opstanding uit denzelven, zo wordt het wel allerbekwaamst hier verstaan van het graf in hetwelk Christus' ziel, dat is Christus, doch naar Zijn lichaam, gelegen heeft tot op den derden dag.
Hertaald:
hel niet
Het Hebreeuwse woord scheol en het Griekse hades, dat hier gebruikt wordt, betekenen soms de plaats van de verdoemden (Deut. 32:22; Job 11:8; Matth. 11:23; Luk. 16:23). In die betekenis kan het hier niet opgevat worden, omdat de ziel van Christus, die door de dood van het lichaam gescheiden was, niet op die plaats maar in het paradijs geweest is (Luk. 23:43). Soms betekent het de helse smarten en benauwdheden (1 Sam. 2:6; Ps. 18:6 en Ps. 116:3); in die betekenis menen sommigen dat het woord hier opgevat zou kunnen worden, aangezien Christus vóór Zijn dood zulke smarten in Zijn ziel geleden heeft. Maar omdat hetzelfde woord ook vaak gebruikt wordt voor het graf (Gen. 37:35; Job 17:13; Ps. 6:6 en Ps. 30:4; Spr. 1:12 en Spr. 27:20; Jes. 5:14 en Jes. 38:18; Openb. 20:13), en omdat in vers 27 gesproken wordt over de staat van Christus na Zijn dood en over Zijn opstanding daaruit, wordt het hier het beste verstaan van het graf, waarin de ziel van Christus, dat is: Christus naar Zijn lichaam, tot op de derde dag gelegen heeft.
Heilige
Dat is, den Messias, die heilig, onnozel, onbesmet moest wezen, en afgezonderd van de zondaren, en dien de Vader tot dat ambt geheiligd heeft. Zo wordt dezelve doorgaans genoemd, Dan. 9:24 ; Marc. 1:24 ; 1 Joh. 2:20 ; Openb. 3:7 .
Hertaald:
Heilige
Dat is: de Messias, Die heilig, onschuldig en onbesmet moest zijn en afgezonderd van de zondaars, en Die de Vader tot dat ambt geheiligd heeft. Zo wordt Hij doorgaans genoemd; Dan. 9:24; Mark. 1:24; 1 Joh. 2:20; Openb. 3:7.
zien
Dat is, gevoelen, of onderworpen te zijn.
Hertaald:
zien
Dat is: ondervinden, of eraan onderworpen zijn.
bekend gemaakt;
Dat is, medegedeeld, gegeven.
Hertaald:
bekend gemaakt;
Dat is: meegedeeld, gegeven.
den patriarch
Dat is, een van de voornaamste voorvaders des Ouden Testaments, hoedanige ook geweest zijn Abraham, Izak, Jakob op de twaalf hoofden van de stammen Israëls.
Hertaald:
den patriarch
Dat is: een van de voornaamste voorvaders van het Oude Testament, zoals ook Abraham, Izak en Jakob dat geweest zijn, en de twaalf hoofden van de stammen van Israël.
zijn graf is
Waaruit blijkt dat Hij niet gesproken heeft van Zijn eigen vlees, hetwelk verrotting in het graf gezien heeft, en niet is opgewekt.
Hertaald:
zijn graf is
Daaruit blijkt dat hij niet over zijn eigen vlees gesproken heeft, dat wél verderf in het graf gezien heeft en niet is opgewekt.
uit de vrucht
Dat is, uit een van Zijne nakomelingen. Zie 2 Sam. 7:12 , en Ps. 132:11 , hetwelk in de maagd Maria vervuld is.
Hertaald:
uit de vrucht
Dat is: uit een van zijn nakomelingen. Zie 2 Sam. 7:12 en Ps. 132:11, wat in de maagd Maria vervuld is.
het vlees
Dat is, de menselijke natuur; Rom. 1:3 .
Hertaald:
het vlees
Dat is: de menselijke natuur; Rom. 1:3.
troon te zetten;
Namelijk Zijn koninklijken troon. Doch dit wordt verstaan niet van een werelds koninkrijk, hoedanig dat van David was, maar van een geestelijk en eeuwig koninkrijk, waarvan Davids koninkrijk een voorbeeld was; Luc. 1:32-33 ; Joh. 18:36 .
Hertaald:
troon te zetten;
Namelijk Zijn koninklijke troon. Dat moet echter niet verstaan worden van een werelds koninkrijk zoals dat van David was, maar van een geestelijk en eeuwig koninkrijk, waarvan Davids koninkrijk een voorbeeld was; Luk. 1:32-33; Joh. 18:36.
ziel niet is
Zie der verklaring van deze woorden vs.27.
Hertaald:
ziel niet is
Zie de verklaring van deze woorden bij vers 27.
opgewekt;
Namelijk uit de doden.
Hertaald:
opgewekt;
Namelijk uit de doden.
door de
Dat is, door Gods almachtige kracht; Ps. 44:4 . Anders, tot de rechterhand Gods verhoogd zijnde; namelijk als Hij opgestaan en ten hemel gevaren zijnde, gezeten is ter rechterhand Gods; Marc. 16:19 .
Hertaald:
door de
Dat is: door Gods almachtige kracht; Ps. 44:4. Anders: tot de rechterhand van God verhoogd zijnde, namelijk toen Hij na Zijn opstanding en hemelvaart aan de rechterhand van God gezeten is; Mark. 16:19.
belofte des
Dat is, den beloofden Heiligen Geest.
Hertaald:
belofte des
Dat is: de beloofde Heilige Geest.
dit uitgestort,
Dat is, de buitengewone gaven des Heiligen Geestes.
Hertaald:
dit uitgestort,
Dat is: de buitengewone gaven van de Heilige Geest.
niet opgevaren
Namelijk naar zijn lichaam, hetwelk in het graf overlang verrot is, en nog rust.
Hertaald:
niet opgevaren
Namelijk naar zijn lichaam, dat allang in het graf vergaan is en daar nog rust.
Zit aan Mijn
Door het zitten ter rechterhand Gods wordt verstaan de allerhoogste eer, heerlijkheid en macht; gelijk onder de mensen gebruikelijk is, als men iemand op het hoogste wil vereren, dat men hem stelt aan zijne rechterhand; 1 Kon. 2:19 ; Ps. 45:10 . De verdere verklaring van deze woorden, zie Ps. 110:1 , enz.
Hertaald:
Zit aan Mijn
Met het zitten aan de rechterhand van God wordt de allerhoogste eer, heerlijkheid en macht bedoeld, zoals het onder de mensen gebruikelijk is dat men iemand die men het hoogst wil eren aan zijn rechterhand plaatst; 1 Kon. 2:19; Ps. 45:10. Zie voor de verdere verklaring van deze woorden Ps. 110:1, enzovoort.
huis Israëls,
Dat is, geslacht, of volk.
Hertaald:
huis Israëls,
Dat is: geslacht, of volk.
een Heere en
Namelijk van zijne gemeente, of van het volk Gods.
Hertaald:
een Heere en
Namelijk van Zijn gemeente, of van het volk van God.
Christus
Dat is, Messias, Gezalfde.
Hertaald:
Christus
Dat is: Messias, Gezalfde.
gemaakt heeft,
Dat is, gesteld en verhoogd; Fil. 2:9 .
Hertaald:
gemaakt heeft,
Dat is: aangesteld en verhoogd; Filipp. 2:9.
verslagen in
Grieks werden doorstoken, of doorprikkeld; namelijk door het leedwezen hunner zonden aan Hem begaan.
Hertaald:
verslagen in
Grieks: werden doorstoken of doorpriemd; namelijk door het berouw over hun zonden die zij tegen Hem begaan hadden.
doen mannen broeders?
Namelijk om de verdiende straf te ontvlieden, vergeving onzer zonden te verkrijgen, en zalig te worden.
Hertaald:
doen mannen broeders?
Namelijk om de verdiende straf te ontgaan, vergeving van onze zonden te verkrijgen en zalig te worden.
Bekeert u,
Namelijk van uw ongeloof en andere zonden.
Hertaald:
Bekeert u,
Namelijk van uw ongeloof en uw andere zonden.
in den Naam
Zie Matt. 28:19 ; hoewel hier des Zoons naam alleen genoemd wordt, overmits Hij de Middelaar is des verbonds, waarvan de doop een zegel is, zo worden daarmede niet uitgesloten de Vader, die Hem gezonden heeft, en de Heilige Geest, die Hem gezalfd heeft. Zie ook de aantekeningen Hand. 8:16 .
Hertaald:
in den Naam
Zie Matth. 28:19. Hoewel hier alleen de naam van de Zoon genoemd wordt, omdat Hij de Middelaar van het verbond is waarvan de doop een zegel is, worden daarmee de Vader, Die Hem gezonden heeft, en de Heilige Geest, Die Hem gezalfd heeft, niet uitgesloten. Zie ook de aantekeningen bij Hand. 8:16.
tot vergeving
Dat is, tot verzekering, dat uwe zonden om Christus' wil vergeven zijn, Hand. 22:16 ; want niet het water des doops, maar het bloed van Christus reinigt ons eigenlijk van al onze zonden; 1 Joh. 1:7 .
Hertaald:
tot vergeving
Dat is: tot verzekering dat uw zonden om Christus' wil vergeven zijn (Hand. 22:16); want niet het water van de doop, maar het bloed van Christus reinigt ons eigenlijk van al onze zonden; 1 Joh. 1:7.
de gave des
Namelijk niet alleen de gaven des Heiligen Geestes, die alle gelovigen gemeen en ter zaligheid nodig zijn, maar ook deze buitengewone gaven, die wij nu ontvangen hebben, want deze werden toen ook aan andere gelovigen medegedeeld, tot verbreiding en bevestiging des Evangelies; Hand. 8:17 ; en Hand. 19:6 .
Hertaald:
de gave des
Namelijk niet alleen de gaven van de Heilige Geest die alle gelovigen gemeen hebben, en die tot zaligheid nodig zijn, maar ook die buitengewone gaven die wij nu ontvangen hebben; want die werden toen ook aan andere gelovigen meegedeeld tot verbreiding en bevestiging van het Evangelie; Hand. 8:17 en Hand. 19:6.
de belofte
Namelijk, die tevoren is verhaald uit Joël 2:28 , en dat ook volgens het verbond Gods, dat Hij met Abraham en zijn zaad gemaakt heeft; Gen. 17:7 .
Hertaald:
de belofte
Namelijk de belofte die tevoren uit Joël 2:28 aangehaald is, en dat ook overeenkomstig het verbond dat God met Abraham en zijn zaad gemaakt heeft; Gen. 17:7.
uw kinderen,
Dat is, uwe zonen en dochteren; gelijk er staat Joël 2:28 .
Hertaald:
uw kinderen,
Dat is: uw zonen en dochters, zoals er staat in Joël 2:28.
verre zijn,
Dat is, die nog namaals zullen geboren worden, van geslacht tot geslacht; of den heidenen; want die worden ook gezegd verre geweest te zijn; Jes. 57:19 ; Ef. 2:13 .
Hertaald:
verre zijn,
Dat is: zij die later nog geboren zullen worden, van geslacht tot geslacht; of de heidenen, want van hen wordt ook gezegd dat zij verre geweest zijn; Jes. 57:19; Ef. 2:13.
toe roepen zal
Namelijk tot de uitverkoren Joden, door de predikatie des Evangelies.
Hertaald:
toe roepen zal
Namelijk tot de uitverkoren Joden, door de prediking van het Evangelie.
Wordt behouden
Dat is, onttrekt u, of scheidt u af, opdat gij behouden moogt worden.
Hertaald:
Wordt behouden
Dat is: onttrek u, of zonder u af, opdat u behouden mag worden.
verkeerd geslacht
Grieks krom, slim; geslacht der schriftgeleerden en Farizeën, en der andere ongelovige Joden.
Hertaald:
verkeerd geslacht
Grieks: krom, verdraaid; namelijk het geslacht van de schriftgeleerden en farizeeën en van de andere ongelovige Joden.
gaarne aannamen,
Of, met behagen, gewilliglijk; daartoe door de genade Gods gewillig gemaakt zijnde.
Hertaald:
gaarne aannamen,
Of: met welgevallen, gewillig; namelijk doordat zij daartoe door de genade van God gewillig gemaakt waren.
zielen
Dat is, personen; Gen. 46:27 .
Hertaald:
zielen
Dat is: personen; Gen. 46:27.
volhardende in
Zie Hand. 1:14 .
Hertaald:
volhardende in
Zie Hand. 1:14.
in de gemeenschap,
Namelijk der heiligen in het algemeen, of in het bijzonder van de goederen, gelijk verklaard wordt vs.44,45.
Hertaald:
in de gemeenschap,
Namelijk de gemeenschap van de heiligen in het algemeen, of in het bijzonder die van de goederen, zoals verklaard wordt in vers 44 en 45.
in de breking
Daardoor wordt verstaan, òf dat zij tezamen aten en dronken, òf dat zij het heilige Avondmaal met elkander hielden, Hand. 20:7 , hetwelk zij somwijlen beide tezamen deden, gelijk men zien kan 1 Kor. 11:21-22 .
Hertaald:
in de breking
Daaronder wordt verstaan óf dat zij samen aten en dronken, óf dat zij samen het heilig Avondmaal hielden (Hand. 20:7), wat zij soms allebei tegelijk deden, zoals men kan zien in 1 Kor. 11:21-22.
gebeden
Namelijk die openlijk in de vergaderingen van de ganse gemeente geschiedden.
Hertaald:
gebeden
Namelijk de gebeden die openlijk plaatsvonden in de samenkomsten van de hele gemeente.
ziel; en
Zie vs.41.
Hertaald:
ziel; en
Zie vers 41.
waren bijeen,
Dat is, vergaderden dikwijls bij elkander in eene plaats.
Hertaald:
waren bijeen,
Dat is: zij kwamen vaak op één plaats bij elkaar.
gemeen;
Namelijk wat aangaat het gebruik der goederen in tijd van nood, maar niet wat aangaat den eigendom derzelve, eer ze aan de apostelen waren overgeleverd; gelijk te zien is Hand. 5:4 .
Hertaald:
gemeen;
Namelijk wat het gebruik van de goederen in tijd van nood betreft, maar niet wat het eigendom ervan betreft voordat zij aan de apostelen waren overgedragen, zoals te zien is in Hand. 5:4.
goederen en
Grieks bezittingen.
Hertaald:
goederen en
Grieks: bezittingen.
van huis tot
Dat is, in de huizen, nu in het ene, dan in het andere.
Hertaald:
van huis tot
Dat is: in de huizen, nu eens in het ene en dan weer in het andere.
brood brekende,
Zie vs.42.
Hertaald:
brood brekende,
Zie vers 42.
aten zij te
Namelijk elkeen zijn deel toebrengende, om zich alzo matig met elkander te verheugen en onderling te stichten. Grieksn namen zij tezamen voedsel.
Hertaald:
aten zij te
Namelijk terwijl ieder zijn deel meebracht, om zich zo met elkaar met mate te verheugen en elkaar te stichten. Grieks: namen zij samen voedsel.
genade bij het
Dat is, gunst, aangenaamheid.
Hertaald:
genade bij het
Dat is: gunst, welgevallen.
deed dagelijks
Dat is, wrocht krachtiglijk door Zijn Heiligen Geest in de harten der mensen, dat zij zich tot de gemeente der gelovigen voegden.
Hertaald:
deed dagelijks
Dat is: Hij werkte krachtig door Zijn Heilige Geest in de harten van de mensen, zodat zij zich bij de gemeente van de gelovigen voegden.
tot de Gemeente, die zalig werden
Namelijk door het geloof in Christus.
Hertaald:
tot de Gemeente, die zalig werden
Namelijk door het geloof in Christus. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Vlak voor Zijn hemelvaart gebiedt Jezus de discipelen niet uit Jeruzalem te vertrekken, maar de belofte des Vaders te verwachten. Die belofte zet Hij scherp tegenover de doop van Johannes: "Johannes doopte wel met water, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen" (Hand. 1:5). Daarop volgt de belofte van kracht om getuigen te zijn tot het uiterste der aarde (Hand. 1:8). Dit woord wordt vervuld op de Pinksterdag (hfst. 2). Petrus haalt het later, wanneer hij verantwoording aflegt over zijn optreden bij Cornelius, letterlijk terug: "Johannes doopte wel met water, maar gijlieden zult gedoopt worden met den Heiligen Geest" (Hand. 11:16) — en erkent daarmee dat de heidenen "evengelijke gave" ontvangen hadden als de Joden met Pinksteren (Hand. 11:17). Een derde, weer andere gelegenheid volgt te Efeze (hfst. 19), waar discipelen van Johannes, na christelijk onderricht en de doop in de Naam van Jezus, door handoplegging de Heilige Geest ontvangen. Bijbelse betekenis: Dit is niet hetzelfde als de waterdoop zelf (reeds behandeld bij Doop, Matt. 3) en ook niet zonder meer hetzelfde als de voortdurende inwoning van de Trooster (Joh. 14, reeds behandeld). Het gaat om de historische, eenmalige gebeurtenissen waarin de Geest eerst zichtbaar en hoorbaar aan de Joodse gemeente werd gegeven (Pinksteren), en vervolgens met dezelfde tekenen onmiskenbaar aan de heidenen (Cornelius). Daarmee werd buiten twijfel gesteld dat heidengelovigen dezelfde Geest ontvangen en volwaardig lid zijn van het ene lichaam, zonder eerst Jood te worden of het juk van de wet te dragen (verder uitgewerkt bij het Jeruzalemse Concilie, Hand. 15). In Handelingen functioneert het dus als het goddelijk zegel op de uitbreiding van de zending (Jeruzalem, Samaria, het uiterste der aarde, Hand. 1:8). Het is dus geen herhaalbare, individueel na te streven tweede zegening los van de bekering zelf: te Efeze (hfst. 19) gaat het samen met het geloof en de doop, en niet ver daarna. Typologie: Paulus trekt de leerstellige conclusie voor heel de gemeente-tijd: "ook wij allen zijn door een Geest tot een lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen" (1 Kor. 12:13). De eenmalige gebeurtenissen van Handelingen worden zo de grond voor de leer dat elke gelovige, zonder uitzondering, door de ene Geest met het lichaam van Christus verenigd is. Hand. 1:4-5,8; Hand. 2:1-4; Hand. 10:44-47; Hand. 11:15-18; Hand. 19:1-6; 1 Kor. 12:13 Terwijl de gelovigen eensgezind bijeen zijn, komt er uit de hemel een geluid als van een geweldige, gedreven wind, en verschijnen verdeelde tongen als van vuur op ieder van hen. Zij beginnen te spreken in andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken (Hand. 2:1-4). Petrus verklaart de gebeurtenis onmiddellijk vanuit de Schrift: "dit is het, wat gesproken is door den profeet Joël" (Hand. 2:16), en citeert de belofte dat God Zijn Geest zal uitstorten op alle vlees (Hand. 2:17-21; Joël 2:28-32). De grond van de uitstorting ligt in Christus' verhoging: "Hij dan, door de rechter hand Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heiligen Geestes, ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort" (Hand. 2:33). Petrus roept op tot bekering en doop "tot vergeving der zonden" met de belofte van de gave des Heiligen Geestes. Daaraan voegt hij toe: "Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal" (Hand. 2:38-39). De belofte strekt zich dus uit tot ieder die de HEERE metterdaad roepen zal, niet automatisch tot ieder natuurlijk nageslacht. Drieduizend zielen worden diezelfde dag toegevoegd (Hand. 2:41). Bijbelse betekenis: Pinksteren is de geboorte van de nieuwtestamentische gemeente als een door de Geest vervulde, aanbiddende en getuigende gemeenschap. De verscheidenheid van talen die nu eenstemmig Gods grote daden verkondigt, staat in schril contrast met de verwarring van talen bij Babel (Gen. 11). Typologie: Paulus trekt de lijn van allen die verre zijn (Hand. 2:39) door in Rom. 10:12-13: "een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden" — geen onderscheid meer tussen Jood en Griek. Hand. 2:1-4,16-21,33,38-41; Joël 2:28-32; Rom. 10:12-13 Na Pinksteren volhardt de gemeente "in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden" (Hand. 2:42), en verkopen gelovigen bezittingen om uit te delen naar ieders behoefte (Hand. 2:44-45). Dezelfde beschrijving keert terug in Hand. 4:32-35: "de menigte van degenen, die geloofden, was een hart en een ziel; en niemand zeide, dat iets van hetgeen hij had, zijn eigen ware, maar alle dingen waren hun gemeen." Dat dit vrijwillig was en geen afschaffing van particulier eigendom betekende, blijkt uit wat Petrus tot Ananias zei na diens leugen: "Zo het gebleven ware, bleef het niet uw, en verkocht zijnde, was het niet in uw macht?" (Hand. 5:4). De zonde lag dus niet in het achterhouden van geld, maar in het liegen tegen de Heilige Geest. Bijbelse betekenis: Dit tekent de kenmerken van een ware, door de Geest vervulde gemeente: gezonde leer, onderlinge gemeenschap, de sacramenten/ordinantiën (de breking des broods) en het gebed, uitlopend in een vrijwillige, uit liefde voortkomende vrijgevigheid. Het is geen bindend patroon van gedwongen goederengemeenschap voor de kerk van alle tijden en plaatsen, maar een eenmalige Geestwerking van dat bijzondere moment en die bijzondere plaats. Typologie: Paulus' collecte voor de armen te Jeruzalem (2 Kor. 8-9) toont dezelfde geest voortgezet als vrijwillige christelijke vrijgevigheid, niet als een herhaalde afschaffing van eigendom. Hand. 2:42-47; Hand. 4:32-35; Hand. 5:4 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Vijftig dagen na het pascha staat Petrus op voor een menigte uit alle volken onder de hemel. Zeven weken eerder had hij zijn Meester nog verloochend bij een vuurtje. Nu houdt hij de eerste christelijke preek. Petrus legt uit wat er gebeurd is met woorden uit Joël en David, en zet twee dingen naast elkaar die niet lijken te kunnen. Hij begint met de profeet Joël, om de uitstorting van de Geest te verklaren. Daarna gaat het over Jezus van Nazareth, en dan valt de zin die het hart van de preek is: Dezen, door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood. Twee waarheden in één adem. God had het bepaald, van tevoren, in Zijn raad. En zíj hebben het gedaan, met eigen handen, schuldig. Petrus zwakt geen van beide af — hij zegt niet dat het toch Gods wil was en daarom niet zo erg, en ook niet dat God er verder buiten stond. Dat is dezelfde gestalte als bij Jozef, die tegen zijn broers zei: gij hebt kwaad gedacht, doch God heeft dat ten goede gedacht. Alleen staat het hier scherper, omdat het om de grootste misdaad gaat die ooit begaan is. Dan komt de opstanding, en Petrus onderbouwt haar niet met zijn eigen ooggetuigenis maar met Psalm 16: Gij zult Uw Heilige niet overgeven om verderving te zien. David is gestorven en begraven en zijn graf is er nog, redeneert hij; hij sprak dus niet over zichzelf. En hij haalt Psalm 110 aan over het zitten aan de rechterhand. Het slot is een vaststelling: God heeft Hem tot een Heere en Christus gemaakt, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt. Zij worden verslagen in het hart en vragen wat zij doen moeten — dezelfde mannen die het gedaan hebben, krijgen te horen dat er vergeving is. In het Nieuwe Testament: Handelingen 4:27-28; Lukas 24:44-47; 1 Korinthe 15:3-4; Romeinen 8:28
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Een preek uitgesproken door C.H. Spurgeon, op zondagmorgen 24 mei 1863, in de Metropolitan Tabernacle, Newington. En toen de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen… Zing voor de HEERE een nieuw lied, want Hij heeft wonderen gedaan; Zijn rechterhand en Zijn heilige arm hebben Hem overwinning gebracht. (Psalm 98:1, EV) Lees verder Galaten… Toen zei de HEERE tegen Mozes: Wat roept u tot Mij? Spreek tot de Israëlieten en zeg dat zij verder moeten trekken. (Exodus 14:15) Lees verder Mattheüs 28:16—20. Hoe… En als zij dit hoorden werden zij geprikt in hun hart." (1) Hand. 2:37 De rede van Petrus was geen tentoonspreiding van welsprekendheid; Het was ook evenmin een aandoenlijke pleitrede;… "Welke God opgewekt heeft, de smarten van de dood ontbonden hebbende, alzo het niet mogelijk was, dat hij van zijn eigen dood gehouden zou worden." Hand. 2:24 Onze Heere… En Jezus stilstaande, zei, dat men hem roepen zou; en zij riepen de blinde, zeggende tot hem: Heb goede moed, sta op, hij roept u. "En hij, zijn… De kracht van de Heilige Geest. Romeinen 15:13 Verder lezen: Handelingen 2:1-21 Binnen een paar jaar, ik weet niet wanneer en ik weet niet hoe, zal de Heilige Geest worden… Want Ik zal water gieten op het dorstige… Ik zal Mijn Geest op uw nageslacht gieten… Zij zullen opkomen tussen het gras, als wilgen aan de waterstromen. De… Uw jongelingen zullen gezichten zien. Handelingen 2:17 Veel gezichten hebben tot de rampzaligste gevolgen geleid. Toen Napoleon een gezicht zag van een wereldrijk, waarover hij, met de Franse adelaar… Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien. Handelingen 2:31 Wat… En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden. Handelingen 2:42 Jullie, die nog… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest. Handelingen 2:4 Als wij vandaag allemaal met de Heilige Geest vervuld werden,… En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de… En het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden. Handelingen 2:21 Er is hier een ruim woord, een zeer Ruim… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Handelingen 2
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Door den bepaalden raad Gods, en door uw handen — 2:14-41
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Pinksteren
Jouw strijdkreet
Zeg dat zij verder moeten trekken
Hand. 2:37 - Levenaanbrengende wonden
Hand. 2:24 - Banden, die niet konden binden
Marc. 10:49,50 - De blinde bedelaar van Jericho
De kracht van de Heilige Geest
Een belofte voor ons en onze kinderen
Een gezicht van een jongeling
Tot in eeuwigheid Dezelfde
De gezegende gemeenschap
En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest
Het teken van het discipelschap
Godzijdank is het zo!


Handelingen 2
Handelingen 2:1-8
KruisverwijzingenHandelingen 20:16→1 Korinthe 16:8→Romeinen 15:6→Handelingen 13:52→Handelingen 4:31→Markus 16:17→Efeze 5:18→Handelingen 9:17→— En als de dag van het Pinkster feest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen. En er geschiedde haastelijk uit den hemel een geluid, gelijk als van een geweldigen, gedreven wind, en vervulde het gehele huis, waar zij zaten. En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen. En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken. En er waren Joden, te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen van allen volke dergenen, die onder den hemel zijn. En als deze stem geschied was, kwam de menigte samen, en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken. En zij ontzetten zich allen, en verwonderden zich, zeggende tot elkander: Ziet, zijn niet alle dezen, die daar spreken, Galileers? En hoe horen wij hen een iegelijk in onze eigen taal, in welke wij geboren zijn?
Deze mannen waren er verre van, veel talen te kunnen spreken. Zij konden op zichzelf niet eens één taal goed spreken. Het Galilese dialect was een grove verbastering van het echte Joodse taalgebruik. De Galileërs waren daarom altijd het mikpunt van spot om hun verkeerde uitspraak. In de oude rabbijnse geschriften staan verschillende verhalen die de Galileërs belachelijk maken. Toch hadden deze mannen nu geleerd hun eigen taal volmaakt te spreken. En, nog wonderlijker: talen die zij nooit gehoord hadden, stroomden nu met de grootste vloeiendheid uit hun mond. Hoe breed het bereik van die vreemde talen was, leren wij uit de volgende verzen.
Handelingen 2:1-13
KruisverwijzingenHandelingen 20:16→1 Korinthe 16:8→Romeinen 15:6→Handelingen 13:52→1 Petrus 1:1→Handelingen 4:31→Markus 16:17→Efeze 5:18→— En als de dag van het Pinkster feest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen. En er geschiedde haastelijk uit den hemel een geluid, gelijk als van een geweldigen, gedreven wind, en vervulde het gehele huis, waar zij zaten. En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen. En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken. En er waren Joden, te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen van allen volke dergenen, die onder den hemel zijn. En als deze stem geschied was, kwam de menigte samen, en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken. En zij ontzetten zich allen, en verwonderden zich, zeggende tot elkander: Ziet, zijn niet alle dezen, die daar spreken, Galileers? En hoe horen wij hen een iegelijk in onze eigen taal, in welke wij geboren zijn? Parthers, en Meders, en Elamieten, en de inwoners zijn van Mesopotamie, en Judea, en Cappadocie, Pontus en Azie. En Frygie, en Pamfylie, Egypte, en de delen van Libye, hetwelk bij Cyrene ligt, en uitlandse Romeinen, beiden Joden en Jodengenoten; Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken. En zij ontzetten zich allen, en werden twijfelmoedig, zeggende, de een tegen den ander: Wat wil toch dit zijn? En anderen, spottende, zeiden: Zij zijn vol zoeten wijns.
De mensen die samenkwamen, waren zeer verbaasd de discipelen van Christus in hun eigen taal te horen spreken. Alle sprekers waren Joden, en kenden van nature geen andere taal dan hun eigen taal. Toch konden zij in allerlei talen spreken. Daarom zeiden sommige toehoorders spottend: “Zij zijn vol zoeten wijns.”
Handelingen 2:1
KruisverwijzingenHandelingen 20:16→1 Korinthe 16:8→Romeinen 15:6→Filippenzen 1:27→Handelingen 4:32→Handelingen 1:13→Exodus 34:22→Filippenzen 2:2→— En als de dag van het Pinkster feest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen.
De eerste les die wij uit dit geïnspireerde verslag van Pinksteren moeten leren, is dat wij geen opwekking mogen verwachten voordat er eenheid onder christenen is. De Geest van God zal een gemeente waar strijd heerst, niet bezoeken en zegenen. Deze discipelen in Jeruzalem “waren allen eendrachtelijk bijeen”, zoals vers 14 van het vorige hoofdstuk ons vertelt.
Handelingen 2:2-6
KruisverwijzingenHandelingen 13:52→Handelingen 4:31→Markus 16:17→Efeze 5:18→Handelingen 9:17→Mattheüs 3:11→Handelingen 13:9→Handelingen 4:8→— En er geschiedde haastelijk uit den hemel een geluid, gelijk als van een geweldigen, gedreven wind, en vervulde het gehele huis, waar zij zaten. En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen. En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken. En er waren Joden, te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen van allen volke dergenen, die onder den hemel zijn. En als deze stem geschied was, kwam de menigte samen, en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken.
Het was een grote reden tot verbazing dat mensen zonder enige voorafgaande scholing in vreemde talen konden spreken. Het geluid was buiten de opperzaal te horen, waar zij bijeen waren. Velen drongen naar de deur om te luisteren, en gingen dan weg om het vreemde nieuws te vertellen. Zo “kwam de menigte samen” —
Handelingen 2:6-7
KruisverwijzingenHandelingen 1:11→Handelingen 2:12→Handelingen 2:2→Handelingen 3:11→Mattheüs 2:3→2 Korinthe 2:12→1 Korinthe 16:9→Markus 1:27→— En als deze stem geschied was, kwam de menigte samen, en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken. En zij ontzetten zich allen, en verwonderden zich, zeggende tot elkander: Ziet, zijn niet alle dezen, die daar spreken, Galileers?
“Deze mannen zijn Joden, en zij komen uit een plattelandsstreek waar de mensen meer dan gewoon ongeletterd zijn. Het is vreemd dat zij in vreemde talen kunnen spreken.”
Handelingen 2:8-11
Kruisverwijzingen1 Petrus 1:1→Handelingen 18:2→Handelingen 16:6→Handelingen 13:13→Handelingen 15:38→Handelingen 18:23→2 Koningen 17:6→Handelingen 6:9→— En hoe horen wij hen een iegelijk in onze eigen taal, in welke wij geboren zijn? Parthers, en Meders, en Elamieten, en de inwoners zijn van Mesopotamie, en Judea, en Cappadocie, Pontus en Azie. En Frygie, en Pamfylie, Egypte, en de delen van Libye, hetwelk bij Cyrene ligt, en uitlandse Romeinen, beiden Joden en Jodengenoten; Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken.
“Ik denk, goede heer, dat u uit Parthië komt?” “Inderdaad, en ik ben verbaasd deze Joden de Parthische taal te horen spreken.” “En u, heer?” “Ik kom uit Medië, en ik ben verwonderd hen de taal van de Meden te horen spreken; het is vreemd, hoogst vreemd. Wij horen ieder in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn.”
Handelingen 2:9-11
Kruisverwijzingen1 Petrus 1:1→Handelingen 18:2→Handelingen 16:6→Handelingen 13:13→Handelingen 15:38→Handelingen 18:23→2 Koningen 17:6→Handelingen 6:9→— Parthers, en Meders, en Elamieten, en de inwoners zijn van Mesopotamie, en Judea, en Cappadocie, Pontus en Azie. En Frygie, en Pamfylie, Egypte, en de delen van Libye, hetwelk bij Cyrene ligt, en uitlandse Romeinen, beiden Joden en Jodengenoten; Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken.
De vloek van Babel was nu weggenomen. Niet doordat Gods vloek zelf ongedaan gemaakt werd, want Gods vloeken en zegeningen zijn beide onveranderlijk, als de wetten van de Meden en Perzen. De mensen spraken nog altijd de talen van de verwarring. Maar de apostelen konden hen, na de wonderbare gave van tongen ontvangen te hebben, allen aanspreken. Zo werd de belofte van Jezus vervuld: “die in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen; en zal meerder doen, dan deze; want Ik ga heen tot Mijn Vader.” Christus sprak zelf nooit in vele talen, en gaf Zijn discipelen die gave ook niet tijdens Zijn leven op aarde. Maar toen Hij naar de hemel was teruggekeerd tot Zijn Vader, en gaven voor de mensen ontvangen had, konden zij grotere werken doen. Zij deden meer dan Hijzelf hier beneden, in Zijn eigen bediening, had verricht.
Handelingen 2:12-13
Kruisverwijzingen1 Korinthe 14:23→Handelingen 10:17→Lukas 15:26→Lukas 18:36→Handelingen 17:20→Handelingen 2:7→Handelingen 2:15→Jesaja 25:6→— En zij ontzetten zich allen, en werden twijfelmoedig, zeggende, de een tegen den ander: Wat wil toch dit zijn? En anderen, spottende, zeiden: Zij zijn vol zoeten wijns.
Stel dat een Libiër geluisterd had naar iemand die in de taal van Cappadocië sprak. Hij had dan kunnen denken dat de man slechts vreemde klanken uitsloeg, zonder enige betekenis. Voor anderen leek de geïnspireerde spraak van de apostelen alleen maar op het onsamenhangende gebrabbel van dronken mensen.
Zij hoorden talen die zij niet verstonden, net zo goed als talen die zij wel verstonden. Zo legden zij het wonderlijke schouwspel op de slechtst denkbare manier uit, en zeiden dat de sprekers dronken waren. Het is een teken van een boosaardig gemoed, wanneer wij bereid zijn kwade redenen toe te schrijven, terwijl er geen andere voorhanden is. Laten wij dat nooit doen, maar altijd bereid zijn al het goede van mensen te geloven dat wij kunnen.
Handelingen 2:14-20
KruisverwijzingenJesaja 44:3→Handelingen 10:45→Mattheüs 24:29→2 Petrus 3:10→Joël 2:28→Handelingen 21:9→Johannes 7:39→Hebreeën 1:2→— Maar Petrus, staande met de elven, verhief zijn stem, en sprak tot hen: Gij Joodse mannen, en gij allen, die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend, en laat mijn woorden tot uw oren ingaan. Want deze zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt; want het is eerst de derde ure van de dag. Maar dit is het, wat gesproken is door den profeet Joel: En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen. En ook op Mijn dienstknechten, en op Mijn dienstmaagden, zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren. En Ik zal wonderen geven in den hemel boven, en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur, en rookdamp. De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de grote en doorluchtige dag des Heeren komt.
Dit slaat ongetwijfeld eerst op de belegering van Jeruzalem, toen die vreemde tekenen aan de hemel gezien werden. Daarna slaat het op die veel grotere en beroemdere dag van de Heere, de dag van het oordeel. Dan zal de maan als bloed worden, en de zon zwart als een zak van ruw geitenhaar.
Handelingen 2:14-21
KruisverwijzingenJesaja 44:3→Handelingen 10:45→Mattheüs 24:29→2 Petrus 3:10→Romeinen 10:12→Joël 2:28→Handelingen 21:9→Johannes 7:39→— Maar Petrus, staande met de elven, verhief zijn stem, en sprak tot hen: Gij Joodse mannen, en gij allen, die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend, en laat mijn woorden tot uw oren ingaan. Want deze zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt; want het is eerst de derde ure van de dag. Maar dit is het, wat gesproken is door den profeet Joel: En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen. En ook op Mijn dienstknechten, en op Mijn dienstmaagden, zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren. En Ik zal wonderen geven in den hemel boven, en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur, en rookdamp. De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de grote en doorluchtige dag des Heeren komt. En het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.
Ik hield u niet op om te spreken over de maan die in bloed verandert, of de zon die tot middernacht verduisterd wordt. Die zaken zijn van weinig belang voor u en mij, vergeleken met deze zin: “een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.” Wat een gezegende deur van hoop is dit! Wat een venster, dat het licht van de hemel laat schijnen in de donkerste moedeloosheid! Wie zich tot God wendt door bekering, door geloof, door gebed, zal zalig worden.
Handelingen 2:14-15
KruisverwijzingenHandelingen 2:22→Handelingen 1:26→Handelingen 5:35→Handelingen 7:2→Jesaja 55:2→Jesaja 58:1→Hosea 8:1→Jesaja 52:8→— Maar Petrus, staande met de elven, verhief zijn stem, en sprak tot hen: Gij Joodse mannen, en gij allen, die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend, en laat mijn woorden tot uw oren ingaan. Want deze zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt; want het is eerst de derde ure van de dag.
“Het is nog maar negen uur in de morgen; u kunt onmogelijk denken dat deze mannen dronken zijn.” Wij zouden het nauwelijks de moeite waard hebben gevonden zo’n opmerking op te merken. Maar Petrus wist de menigte te winnen, en hen op hun eigen terrein tegemoet te treden. Hij begon waar zij ophielden, maar ging verder met te zeggen wat zij weinig verwachtten te horen.
Handelingen 2:14
KruisverwijzingenHandelingen 2:22→Handelingen 1:26→Handelingen 5:35→Handelingen 7:2→Jesaja 55:2→Jesaja 58:1→Hosea 8:1→Jesaja 52:8→— Maar Petrus, staande met de elven, verhief zijn stem, en sprak tot hen: Gij Joodse mannen, en gij allen, die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend, en laat mijn woorden tot uw oren ingaan.
Een grote menigte had zich op straat verzameld, en de apostelen spraken hen, onder goddelijke ingeving, in verschillende talen toe. Petrus trad als leider op de voorgrond: “Petrus, staande met de elven, verhief zijn stem.” Zij waren twaalf getuigen van de opstanding van Christus uit de doden, want zij hadden Hem gezien na Zijn opstanding, en met Hem gegeten. Zij vormden als het ware een jury van twaalf eerlijke en betrouwbare mannen, en Petrus gaf, als hun voorman, “staande met de elven”, hun oordeel!
Handelingen 2:15
KruisverwijzingenMattheüs 20:3→1 Thessalonicenzen 5:5→1 Samuël 1:15→— Want deze zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt; want het is eerst de derde ure van de dag.
Om negen uur in de morgen kon men onmogelijk veronderstellen dat zij dronken waren geworden.
Handelingen 2:16-21
KruisverwijzingenJesaja 44:3→Handelingen 10:45→Mattheüs 24:29→2 Petrus 3:10→Romeinen 10:12→Joël 2:28→Handelingen 21:9→Johannes 7:39→— Maar dit is het, wat gesproken is door den profeet Joel: En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen. En ook op Mijn dienstknechten, en op Mijn dienstmaagden, zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren. En Ik zal wonderen geven in den hemel boven, en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur, en rookdamp. De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de grote en doorluchtige dag des Heeren komt. En het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.
Petrus sprak tot een Joods gehoor, en begon daarom met een aanhaling uit het Oude Testament. Hij deed er verstandig aan hun aandacht te winnen met een lang gedeelte uit een van hun eigen profeten. Nu komt hij dichter bij zijn hoofdpunt:
Handelingen 2:16-18
KruisverwijzingenJesaja 44:3→Handelingen 10:45→Joël 2:28→Handelingen 21:9→Johannes 7:39→Hebreeën 1:2→Titus 3:4→Zacharia 12:10→— Maar dit is het, wat gesproken is door den profeet Joel: En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen. En ook op Mijn dienstknechten, en op Mijn dienstmaagden, zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren.
Elk lid van de christelijke gemeenschap zou door de Heilige Geest gezalfd moeten worden. De zegen zou niet zomaar hier en daar aan iemand gegeven worden, maar er zou een wonderlijke uitstorting komen, die op de hele menigte van gelovigen zou vallen.
Handelingen 2:19-21
KruisverwijzingenMattheüs 24:29→2 Petrus 3:10→Romeinen 10:12→Handelingen 22:16→Mattheüs 28:19→Joël 2:32→Joël 2:30→Amos 8:9→— En Ik zal wonderen geven in den hemel boven, en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur, en rookdamp. De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de grote en doorluchtige dag des Heeren komt. En het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.
Dit is een wonderlijk verband om zo’n belofte in te vinden: een verduisterde zon, een bloedrode maan — en toch: “een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.” Als het ergste tot het ergste komt, zal het gebed nog steeds gehoord worden, en zal het geloof tot zaligheid leiden! O, weergaloze genade van God! Is er niemand hier die nu Gods Naam wil aanroepen, voordat die boze dag in al zijn volheid aanbreekt? “Een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.” Ach, mocht ieder van u die belofte vastgrijpen! Men zegt dat een drenkeling naar een strohalm grijpt. Dit is geen strohalm, maar een heerlijk sterke reddingsboei; stap er slechts in, en zij zal u naar de heerlijkheid dragen.
Handelingen 2:20-27
KruisverwijzingenPsalmen 16:8→Mattheüs 24:29→2 Petrus 3:10→Romeinen 10:12→Handelingen 4:28→Lukas 22:22→Handelingen 3:18→Jesaja 50:7→— De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de grote en doorluchtige dag des Heeren komt. En het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden. Gij Israelietische mannen, hoort deze woorden: Jezus den Nazarener, een Man van God, onder ulieden betoond door krachten, en wonderen, en tekenen, die God door Hem gedaan heeft, in het midden van u, gelijk ook gijzelven weet; Dezen, door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood; Welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzo het niet mogelijk was, dat Hij van denzelven dood zou gehouden worden. Want David zegt van Hem: Ik zag den Heere allen tijd voor mij; want Hij is aan mijn rechter hand, opdat ik niet bewogen worde. Daarom is mijn hart verblijd; en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn vlees zal rusten in hope; Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten, noch zult Uw Heilige over geven, om verderving te zien.
De hades, de wereld van de afgescheiden geesten —
Handelingen 2:21
KruisverwijzingenRomeinen 10:12→Handelingen 22:16→Mattheüs 28:19→Joël 2:32→Psalmen 86:5→Hebreeën 4:16→1 Korinthe 1:2→Handelingen 9:15→— En het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.
Wat een heerlijk evangelievers is dit! Dit is een van de grote reddingsboottekst en van de Bijbel. Wie in deze boot kan komen, zal zeker veilig naar de heerlijkheid varen. “Een iegelijk” — er is geen uitzondering naar karakter; hoe zijn verleden ook geweest mag zijn. “Die den Naam des Heeren zal aanroepen” — hier zijn geen harde voorwaarden. Gebed, vertrouwen, belijdenis van dat vertrouwen: dat alles samen is het aanroepen van de Naam van de Heere. En wie dat doet, zal niet slechts kunnen, maar “zal zalig worden.” Er is geen misschien bij, geen wellicht: “Een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.”
Handelingen 2:22-23
KruisverwijzingenHandelingen 4:28→Lukas 22:22→Handelingen 3:18→Johannes 3:2→Johannes 14:10→Mattheüs 12:28→1 Petrus 1:20→Mattheüs 26:24→— Gij Israelietische mannen, hoort deze woorden: Jezus den Nazarener, een Man van God, onder ulieden betoond door krachten, en wonderen, en tekenen, die God door Hem gedaan heeft, in het midden van u, gelijk ook gijzelven weet; Dezen, door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood;
Dit was gedurfd spreken, want Petrus richtte zich ongetwijfeld tot velen van diezelfde mensen die de Heere ter dood gebracht hadden. Hij beschuldigde hen er rechtstreeks van. Merk op hoe hij verklaart dat Christus’ dood overeenkwam met “den bepaalden raad en voorkennis Gods”, en toch uitdrukkelijk zegt dat zij Hem “door de handen der onrechtvaardigen” gekruisigd en gedood hadden. Het kwam bij Petrus niet op dat Gods raadsbesluit de mensen van de verantwoordelijkheid en schuld van hun daden zou ontslaan. Ook bij u hoeft dat niet op te komen. Mocht iemand u zeggen: “Als iets overeenkomt met Gods voorkennis en raad, hoe kan God dan wie het doet, de schuld geven?”, dan mag u hem vragen eerst uit te leggen wat hij bedoelt. Zegt hij dat er een moeilijkheid in zit, vraag hem dan die moeilijkheid te benoemen. Zij die het beter wisten dan de tegenwerper, konden er geen zien. Ook de geïnspireerde apostel Petrus zag er geen. En juist toen hij deze mannen het felst van schuld beschuldigde, zei hij tegelijk dat het door de bepaalde raad en voorkennis van God gebeurd was.
Waarlijk, hij was een vreemde pleiter, om in zijn betoog iets in te brengen dat gemakkelijk als verontschuldiging voor de beschuldigden uitgelegd kon worden. Maar er zit geen werkelijke verontschuldiging in. De vrije wil van de mens is even waar als de voorbeschikking van God; beide waarheden staan voor eeuwig vast. Het is de dwaasheid van de mens, te menen dat zij elkaar tegenspreken. Doet u kwaad, dan bent u voor dat kwaad verantwoordelijk. En al is er een voorzienigheid die alles beschikt — want die is er zeker — toch neemt die voorzienigheid geen mens de volle verantwoordelijkheid af voor wat hij doet. Zo sprak Petrus waarlijk tot deze Joden over Christus: “Dezen, door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood.”
Hoe stoutmoedig legt hij de waarheid voor zijn hoorders neer! Hij wijt hun de moord op Christus rechtstreeks toe, en verzacht dat toch bekwaam met die inleiding over “den bepaalden raad en voorkennis Gods.” Dit is een zeer wonderlijk vers, want het toont ons dat alles door God voorbeschikt en voorzien is, en dat toch de mensen, wanneer zij goddeloos handelen, daarvoor verantwoordelijk zijn. Er is niemand op aarde die weet waar deze twee grote waarheden — de vrije wil van de mens en de goddelijke voorbeschikking — elkaar raken. Er zijn allerlei stelsels en vindingen geweest om de twee leerstukken met elkaar te verenigen; de ene groep heeft de ene waarheid ontkend, de andere groep de andere. Doe u zoiets nooit. Geloof ze beide, maar doe niet alsof u ze kunt verzoenen. Misschien zullen wij, in een andere staat, met een groter bevattingsvermogen dan wij nu bezitten, deze twee waarheden kunnen verzoenen. Ik weet niet zeker of wij dat zullen doen; en ik weet niet of zelfs engelen dit grote geheimenis begrijpen. Maar het is een grootse zaak om het geloof te oefenen, waar wij niet kunnen begrijpen wat ons geopenbaard is. Wie alleen gelooft wat hij kan begrijpen, zal een zeer kort geloofsbelijdenis hebben, en al spoedig geen enkele meer. Maar wie gelooft wat hij niet kan begrijpen, alleen omdat het hem door openbaring van God geleerd is, is de man die nederig met zijn God wandelt. Hij zal aangenomen worden. Ik dank God voor het geheimenis dat zoveel voor ons verbergt; waar zou er plaats zijn voor geloof, als alles zo klaar was als het abc?
Handelingen 2:22
KruisverwijzingenJohannes 3:2→Johannes 14:10→Mattheüs 12:28→Hebreeën 2:4→Handelingen 4:10→Lukas 11:20→Mattheüs 9:8→Handelingen 21:28→— Gij Israelietische mannen, hoort deze woorden: Jezus den Nazarener, een Man van God, onder ulieden betoond door krachten, en wonderen, en tekenen, die God door Hem gedaan heeft, in het midden van u, gelijk ook gijzelven weet;
Merk op dat Petrus niet begint met de Godheid van Christus. Hij zal daar spoedig toe komen. Maar, als een wijs spreker, begint hij met punten waarover zij het allen eens waren, of die zij niet konden ontkennen. Hij noemt Christus daarom “een Man van God”, en herinnert hen aan “krachten, en wonderen, en tekenen, die God door Hem gedaan heeft” in hun midden. Zij wisten dat God Zijn zending zo bevestigd had, dus deed hij een beroep op hen ter bevestiging: “gelijk ook gijzelven weet.”
Handelingen 2:23
KruisverwijzingenHandelingen 4:28→Lukas 22:22→Handelingen 3:18→1 Petrus 1:20→Mattheüs 26:24→Psalmen 76:10→Jesaja 46:10→Handelingen 5:30→— Dezen, door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood;
Er is in dit vers een wonderlijke vermenging van Gods voorbeschikking en toch de verantwoordelijkheid van de mens. Ik veronderstel dat onze beperkte vermogens nog niet kunnen onderscheiden waar deze twee zaken elkaar raken. Maar het geloof, bij gebrek aan elk ander vermogen, gelooft ze beide. Gods voorbeschikking verandert de morele aard van de daden van goddeloze mensen niet. De mens handelt vrij, even vrij alsof er geen goddelijke voorbeschikking was. Toch tast de vrije wil van de mens de voorkennis en voorbeschikking van God niet aan.
Handelingen 2:24-32
KruisverwijzingenPsalmen 16:8→Jesaja 50:7→Psalmen 62:6→1 Korinthe 6:14→2 Korinthe 4:14→Handelingen 2:32→Efeze 1:20→Kolossenzen 2:12→— Welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzo het niet mogelijk was, dat Hij van denzelven dood zou gehouden worden. Want David zegt van Hem: Ik zag den Heere allen tijd voor mij; want Hij is aan mijn rechter hand, opdat ik niet bewogen worde. Daarom is mijn hart verblijd; en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn vlees zal rusten in hope; Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten, noch zult Uw Heilige over geven, om verderving te zien. Gij hebt mij de wegen des levens bekend gemaakt; Gij zult mij vervullen met verheuging door Uw aangezicht. Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrij uit tot u te spreken van den patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op dezen dag. Alzo hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner lenden, zoveel het vlees aangaat, den Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten; Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien. Dezen Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn.
Hier deed Petrus een beroep op de elf, en op alle discipelen die daar aanwezig waren en Jezus gezien hadden na Zijn opstanding uit de doden. Het moet een zeer indrukwekkend gezicht geweest zijn, toen zij allen opstonden om te getuigen dat zij de Christus, Die gekruisigd was, na Zijn dood levend gezien hadden. Het was een wonderlijk openbaar getuigenis van dat grootste van alle feiten: de opstanding uit de doden van Jezus van Nazareth, de Zoon van God.
Handelingen 2:24-28
KruisverwijzingenPsalmen 16:8→Jesaja 50:7→Psalmen 62:6→1 Korinthe 6:14→2 Korinthe 4:14→Handelingen 2:32→Efeze 1:20→Kolossenzen 2:12→— Welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzo het niet mogelijk was, dat Hij van denzelven dood zou gehouden worden. Want David zegt van Hem: Ik zag den Heere allen tijd voor mij; want Hij is aan mijn rechter hand, opdat ik niet bewogen worde. Daarom is mijn hart verblijd; en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn vlees zal rusten in hope; Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten, noch zult Uw Heilige over geven, om verderving te zien. Gij hebt mij de wegen des levens bekend gemaakt; Gij zult mij vervullen met verheuging door Uw aangezicht.
Merk op hoe Petrus zich aan het Oude Testament houdt. Die aanhalingen gaven zijn betoog extra kracht, want zijn hoorders geloofden dat de oude Schriften de eigen stem van God waren, en daarom haalde hij er veel uit aan. Nadat hij uit de Psalmen had aangehaald, geeft Petrus dit commentaar op Davids woorden.
Handelingen 2:24
Kruisverwijzingen1 Korinthe 6:14→2 Korinthe 4:14→Handelingen 2:32→Efeze 1:20→Kolossenzen 2:12→1 Petrus 1:21→Hebreeën 13:20→Galaten 1:1→— Welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzo het niet mogelijk was, dat Hij van denzelven dood zou gehouden worden.
Het was voor Hem mogelijk te sterven, maar het was niet mogelijk dat Hij in de banden van de dood gehouden zou worden.
Handelingen 2:25
KruisverwijzingenPsalmen 16:8→Jesaja 50:7→Psalmen 62:6→Jesaja 41:13→Psalmen 109:31→Psalmen 62:2→Psalmen 30:6→Psalmen 21:7→— Want David zegt van Hem: Ik zag den Heere allen tijd voor mij; want Hij is aan mijn rechter hand, opdat ik niet bewogen worde.
Hij spreekt hier over Christus, in een Psalm die op het eerste gezicht op David zelf zou kunnen slaan. Maar zelfs de rabbijnen geloofden dat hij ook op de Messias sloeg, en wij weten dat hij inderdaad op de Messias sloeg.
Handelingen 2:27
KruisverwijzingenHandelingen 2:31→Psalmen 89:19→Lukas 1:35→Psalmen 49:15→Psalmen 86:13→Openbaring 20:13→Openbaring 1:18→Psalmen 116:3→— Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten, noch zult Uw Heilige over geven, om verderving te zien.
David sprak over iemand die, hoewel hij zou sterven, in zijn lichaam nooit het natuurlijke gevolg van de dood zou voelen, namelijk verderving.
Handelingen 2:28-29
KruisverwijzingenHandelingen 13:36→1 Koningen 2:10→Handelingen 7:8→Hebreeën 7:4→Psalmen 21:6→Psalmen 16:11→Nehemia 3:16→Psalmen 21:4→— Gij hebt mij de wegen des levens bekend gemaakt; Gij zult mij vervullen met verheuging door Uw aangezicht. Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrij uit tot u te spreken van den patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op dezen dag.
Petrus vraagt de vrijheid om vrijuit te spreken. Dan geeft hij David, heel schrander, de hoge titel van patriarch, die hem gewoonlijk niet gegeven wordt, om zo hun aandacht en instemming te winnen: “Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrij uit tot u te spreken van den patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op dezen dag.” Daarom sprak hij, in de woorden die hij aanhaalde, niet over zichzelf.
Handelingen 2:29-32
KruisverwijzingenHandelingen 13:36→Psalmen 16:10→Handelingen 2:27→1 Koningen 2:10→Handelingen 7:8→Hebreeën 7:4→Handelingen 2:24→Handelingen 1:8→— Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrij uit tot u te spreken van den patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op dezen dag. Alzo hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner lenden, zoveel het vlees aangaat, den Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten; Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien. Dezen Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn.
Staande met de elf apostelen, en met de grotere groep discipelen achter hen, sprak Petrus deze nobele woorden: “Dezen Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn.”
Handelingen 2:30-32
KruisverwijzingenPsalmen 16:10→Handelingen 2:27→Handelingen 2:24→Handelingen 1:8→Handelingen 3:15→2 Samuël 23:2→2 Petrus 1:21→2 Samuël 7:11→— Alzo hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner lenden, zoveel het vlees aangaat, den Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten; Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien. Dezen Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn.
Petrus wijst naar de elf om hem heen. Daar stonden zij, standvastig te midden van de golvende menigte, instemmend met de stoutmoedige verklaring van hun leider.
Handelingen 2:33
KruisverwijzingenHandelingen 1:4→Handelingen 5:31→Handelingen 10:45→Markus 16:19→Handelingen 2:17→Johannes 14:26→1 Petrus 3:22→Johannes 14:16→— Hij dan, door de rechter hand Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heiligen Geestes, ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort.
Was dat niet genoeg om hen te overtuigen? Zij zagen en hoorden de bewijzen van het werk van de Geest onder hen. En Petrus vertelde hun dat “dit” de gave was van Christus, Die naar omhoog was opgevaren. Het moet zeer aangrijpend geweest zijn, daar te staan, en deze tekenen te horen en te zien van Gods bevestiging op het werk van Jezus.
“Dit, wat voor u een geheimenis is, is het gevolg van Christus’ verhoging aan de rechterhand van Zijn Vader.”
Handelingen 2:33-35
KruisverwijzingenHandelingen 1:4→Psalmen 110:1→Handelingen 5:31→Handelingen 10:45→Markus 16:19→Handelingen 2:17→Johannes 14:26→1 Petrus 3:22→— Hij dan, door de rechter hand Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heiligen Geestes, ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort. Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De Heere heeft gesproken tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand. Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.
Zie hoe hij zijn betoog met heldere en overtuigende redenering opbouwt.
Handelingen 2:34-36
KruisverwijzingenPsalmen 110:1→Mattheüs 22:42→2 Thessalonicenzen 1:7→2 Korinthe 5:10→1 Korinthe 15:25→Markus 12:36→Lukas 20:42→Efeze 1:22→— Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De Heere heeft gesproken tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand. Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten. Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israels, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.
Wat een hoogtepunt van Petrus’ preek! Hoe eenvoudig en toch zegevierend is het betoog! Het verbaast ons niet dat mensen erdoor overtuigd werden.
Er lijkt niet veel oorspronkelijks of opvallends in die preek te zitten; het is zeker geen zeer sensationele preek; er zit geen fraaie beeldspraak in, geen dichterlijke versiering. Maar in eenvoudige, heldere taal bewijst Petrus dat Jezus Christus Degene is over Wie David in de Psalmen sprak. Dat was precies wat de mensen bewezen wilden zien; velen van hen waren gereed zulk een bewijs te aanvaarden, en zij aanvaardden het.
Handelingen 2:36
Kruisverwijzingen2 Thessalonicenzen 1:7→2 Korinthe 5:10→Johannes 5:22→Jeremia 33:14→Handelingen 10:36→Jeremia 31:31→Lukas 2:11→Handelingen 2:22→— Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israels, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.
Hoe moeten deze mannen opgeschrikt zijn, toen hij bij het slot van zijn toespraak kwam, het punt waarop hij heel de tijd gemikt had!
Handelingen 2:36-37
KruisverwijzingenLukas 3:10→2 Thessalonicenzen 1:7→2 Korinthe 5:10→Handelingen 7:54→Handelingen 5:33→Johannes 5:22→Jeremia 33:14→Handelingen 10:36→— Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israels, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt. En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broeders?
Iets later in datzelfde boek lezen wij over hen die naar Stefanus’ scherpe, zwaardachtige woorden luisterden: “Als zij nu dit hoorden, berstten hun harten”, en spoedig daarna stenigden zij Stefanus dood. “Bersten van het hart” is niet genoeg, maar “verslagen in het hart” te zijn, is een dodelijke wond te ontvangen. Gelukkig is de man wiens zonde gedood is, doordat hij een dodelijke wond ontving van het zwaard van de Geest, dat het Woord van God is. Deze mensen, die naar Petrus’ prediking luisterden, werden verslagen in hun hart. Eerst wisten zij niet wat zij moesten doen, maar daarna waren zij vastbesloten, wat hun ook gezegd zou worden te doen, dat dadelijk te doen.
Handelingen 2:37
KruisverwijzingenLukas 3:10→Handelingen 7:54→Handelingen 5:33→Johannes 16:8→Handelingen 1:16→Handelingen 22:10→Handelingen 9:5→Romeinen 7:9→— En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broeders?
Er is een groot verschil tussen bersten van het hart en verslagen zijn in het hart. Zij van wie het hart barstte, stenigden de prediker. Maar zij die verslagen zijn in het hart, geven een zoete gehoorzaamheid aan Gods wil: “Zij dan werden verslagen in het hart” —
De doeltreffende waarheid was tot in hun hart doorgedrongen, en zij waren erdoor gewond.
Dit waren misschien dezelfde mensen die spottend gezegd hadden: “Zij zijn vol zoeten wijns.” Zij begonnen slecht, maar eindigden goed. Ik hoop dat niemand van u hier gekomen is om te spotten. Maar had u dat wel gedaan, en ging u vervolgens naar buiten, verslagen in uw hart door de waarheid die u gehoord had, dan zou dat beter zijn. Dat is beter dan met aandacht binnen te komen, en dan onaangedaan naar buiten te gaan, zoals zovelen doen. God verhoede het!
Handelingen 2:37-40
KruisverwijzingenHandelingen 22:16→Lukas 24:47→Handelingen 8:12→Handelingen 10:48→1 Petrus 3:21→Handelingen 3:19→Markus 16:16→Handelingen 8:36→— En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broeders? En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal. En met veel meer andere woorden betuigde hij, en vermaande hen, zeggende: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht!
Niet: “behoud uzelven”, maar: “behoud uzelven van dit verkeerde geslacht.” Kom uit hun midden vandaan. Zij zijn schuldig aan de dood van Christus; ook u zult daaraan schuldig bevonden worden, tenzij u zich nu losmaakt van de mensen die die vreselijke misdaad begingen. Kom recht uit hun midden vandaan, en scheid u geheel van hen af.
Dat wil zeggen: “Kom uit het midden van de goddelozen vandaan; laat de wereld achter u, en red uw leven.”
Handelingen 2:37-38
KruisverwijzingenHandelingen 22:16→Lukas 24:47→Handelingen 8:12→Handelingen 10:48→1 Petrus 3:21→Handelingen 3:19→Markus 16:16→Handelingen 8:36→— En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broeders? En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.
Niemand dan een dopersgezind voorganger had die preek kunnen houden. Wij zullen tenminste lang moeten wachten voordat wij een ander tegen een hele gemeente horen zeggen: “Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt.” Dit is inderdaad de volledige verkondiging van het evangelie, en wij hebben evenmin het recht de doop weg te laten als de bekering. “Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt.” Petrus was niet als die hyper-Calvinisten, die bang zijn een zondaar te vermanen omdat hij geestelijk dood is. Hij sprak vrijmoedig tot hen die gevraagd hadden: “Wat zullen wij doen?”, en zei hun: “Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden.”
Handelingen 2:38
KruisverwijzingenHandelingen 22:16→Lukas 24:47→Handelingen 8:12→Handelingen 10:48→1 Petrus 3:21→Handelingen 3:19→Markus 16:16→Handelingen 8:36→— En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.
Verander uw denken geheel, wees bedroefd over wat u gedaan hebt, wijs uw daden af door een heilige bekering ervan: “Bekeert u” —
Petrus drong er bij hen op aan zich te bekeren, en riep hen op hun geloof te belijden door zich op Gods aangewezen wijze te laten dopen.
“U zult delen in deze wonderlijke openbaring, die u zo heeft verbaasd.”
Handelingen 2:39
KruisverwijzingenJoël 2:32→Handelingen 15:8→Efeze 4:4→Romeinen 8:30→1 Korinthe 7:14→Hebreeën 3:1→2 Petrus 1:10→Jesaja 44:3→— Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal.
Welke belofte bedoelde Petrus? Wel, die belofte uit vers 21: “een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.” Die belofte is ook aan u gegeven, mijn hoorders, en aan uw kinderen, en aan allen die verre zijn, zelfs in het verste heidenland. Want het “een iegelijk” in de belofte geldt voor ieder die “den Naam des Heeren zal aanroepen.” Sluit uzelf dus niet buiten, en probeer ook anderen niet buiten te sluiten. Geloof de belofte, roep God aan, en u zult zalig worden.
Dit is een zeer gezegend vers. De belofte is voor ons, en voor onze nakomelingen; niet slechts voor onze kinderen, maar ook voor onze kleinkinderen, ja, en voor ons geslacht, zolang het nog voortduurt. En de volgende zinsnede, “en allen, die daar verre zijn”, bewijst dat de belofte ook voor de verafgelegenen is, met slechts deze beperking: “zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal.”
Handelingen 2:40
KruisverwijzingenMattheüs 17:17→Deuteronomium 32:5→Galaten 5:3→Hebreeën 3:12→Lukas 21:36→Handelingen 15:32→2 Korinthe 5:20→Spreuken 9:6→— En met veel meer andere woorden betuigde hij, en vermaande hen, zeggende: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht!
Petrus getuigde eerst van de waarheid, en pleitte daarna bij zijn hoorders om zijn getuigenis aan te nemen. Elke ware voorganger zal beide doen: “getuigen en vermanen.” Sommigen vermanen voortdurend; zij roepen: “Geloof, geloof”, maar zeggen hun hoorders niet wat zij moeten geloven. Anderen getuigen voortdurend; zij prediken goede leer, maar willen zondaars niet vermanen zich te bekeren en het evangelie te geloven. Elk van beide is een bediening op één been, maar wij moeten twee benen hebben aan onze bediening, en, zoals Petrus, “getuigen en vermanen, zeggende: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht.” “Kom uit het midden van hen die Christus kruisigden; verlaat het geslacht dat schuldig is aan het bloed van de Zoon van God; laat uw bekering en uw openbare doop tussen u en hen instaan; verklaar dat u niet bij hen hoort, maar bij Hem, Dien zij gekruisigd hebben, en Dien God verhoogd heeft.”
Niet: “behoud uzelven van de hel” — dat kan alleen Christus voor u doen — maar: “behoud uzelven van dit geslacht”, Behoud uzelf door moedig uit het midden van de goddelozen te komen. Neem het onderscheidende kenmerk van de christen op u, en scheid u zo af van hen op wie het vonnis van de dood zal vallen.
Handelingen 2:41-47
KruisverwijzingenHebreeën 10:25→Handelingen 20:7→Handelingen 1:14→Handelingen 4:32→Handelingen 2:46→Handelingen 5:42→1 Johannes 1:3→Hebreeën 10:39→— Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt; en er werden op dien dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen. En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden. En een vreze kwam over alle ziel; en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen. En allen, die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeen; En zij verkochten hun goederen en have, en verdeelden dezelve aan allen, naar dat elk van node had. En dagelijks eendrachtelijk in den tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij te zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten; En prezen God, en hadden genade bij het ganse volk. En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden.
Ach, mochten wij dezelfde gezegende ervaring hebben! God geve het, om Christus’ wil! Amen.
Handelingen 2:41
KruisverwijzingenHandelingen 4:4→Handelingen 2:47→Handelingen 2:37→Handelingen 16:31→Handelingen 13:48→Handelingen 1:15→Handelingen 8:6→Lukas 5:5→— Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt; en er werden op dien dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen.
Zij geloofden niet alleen wat hij zei, maar waren ook blij het te geloven. Zij erkenden dat zij zwaar gezondigd hadden, en verheugden zich dat er een belofte was die zelfs hun zonde bedekte: “een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.” Nadat zij zich bekeerd en geloofd hadden, werden zij gedoopt op belijdenis van hun geloof, volgens de ware Schriftuurlijke orde.
Handelingen 2:41-45
KruisverwijzingenHebreeën 10:25→Handelingen 20:7→Handelingen 1:14→Handelingen 4:32→Handelingen 2:46→1 Johannes 1:3→Hebreeën 10:39→Handelingen 4:4→— Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt; en er werden op dien dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen. En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden. En een vreze kwam over alle ziel; en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen. En allen, die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeen; En zij verkochten hun goederen en have, en verdeelden dezelve aan allen, naar dat elk van node had.
Wat een opmerkelijk voorbeeld was dit van de kracht van goddelijke genade! Gewoonlijk zouden wij niet verwachten dat het Joodse volk zo geneigd zou zijn tot enige overvloed van gemeenschappelijk bezit. Maar zie tot welke wonderen van vrijgevigheid de genade de eerste gelovigen aanzette, toen zij pas begon te dagen! Mochten wij tegenwoordig meer van diezelfde gulle geest hebben!
Handelingen 2:42
KruisverwijzingenHebreeën 10:25→Handelingen 20:7→Handelingen 1:14→Handelingen 2:46→1 Johannes 1:3→Hebreeën 10:39→Johannes 8:31→1 Johannes 1:7→— En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden.
Zij geloofden de leer die door de apostelen onderwezen werd, en hadden gemeenschap met hen en met alle andere christenen met wie zij zich verbonden hadden. Zij probeerden niet, langs een soort ondergrondse weg naar de hemel te gaan zonder Christus te belijden. Nadat zij hun geloof in Christus beleden hadden, toonden zij hun toewijding aan Hem verder ook “in de breking des broods, en in de gebeden.” Ik weet niet hoeveel bidstonden zij hadden; zij moeten wel de hele dag door gebeden, geprezen en gepreekt hebben.
Handelingen 2:46
KruisverwijzingenHandelingen 5:42→Handelingen 20:7→Lukas 24:53→Handelingen 2:42→Handelingen 3:1→Handelingen 1:13→Handelingen 16:34→Romeinen 12:8→— En dagelijks eendrachtelijk in den tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij te zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten;
Ik geloof dat, waar twee of drie discipelen van Christus ook samenkomen, zij bevoegd zijn het Avondmaal van de Heere te vieren. Die instelling is niet, zoals sommigen denken, een instelling van de gemeente, gebonden aan de officiële samenkomst van alle gelovigen. Waar twee of drie in Christus’ Naam samen zijn, daar is Hij. En waar Hij is, daar mogen de tekenen van Zijn gebroken lichaam en vergoten bloed genuttigd worden, tot Zijn gedachtenis.
Handelingen 2:47
KruisverwijzingenHandelingen 2:41→Handelingen 16:5→Handelingen 11:24→Lukas 2:52→Handelingen 2:39→Romeinen 14:18→Handelingen 5:13→Handelingen 13:48→— En prezen God, en hadden genade bij het ganse volk. En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden.
Moge Hij hetzelfde doen aan al onze gemeenten, en Hij zal de eer hebben, tot in eeuwigheid! Amen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
B. Eerste Hoofddeel (hoofdstuk 2-12): Geschiedenis van de kerk vanaf haar stichting tot waar zij, losgemaakt van de moedergemeente in Jeruzalem, onder de heidenen door de voor deze verordende apostel wordt opgebouwd (van 30-46 n. Chr.).
I. Hoofdstuk 2-7
De eerste afdeling omvat hoofdstuk 2-7 en stelt de gemeente van Jeruzalem voor, haar wonderbare stichting of Pinksteren en haar heilige Pinkstervorm, het wonder in Jezus’ naam dat de apostelen het eerste verhoor voor de Joodse overheden oplevert, de eerste tucht in de gemeente en het eerste lijden van de apostelen, de eerste splitsing onder de heiligen en de eerste splitsing van het heilige ambt, de eerste martelaar en de eerste vervolging van de kerk.
a. Vers 1-41KruisverwijzingenHandelingen 20:16→1 Korinthe 16:8→Romeinen 15:6→Handelingen 13:52→1 Petrus 1:1→Handelingen 4:31→Markus 16:17→Efeze 5:18→
— En als de dag van het Pinkster feest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen. En er geschiedde haastelijk uit den hemel een geluid, gelijk als van een geweldigen, gedreven wind, en vervulde het gehele huis, waar zij zaten. En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen. En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken. En er waren Joden, te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen van allen volke dergenen, die onder den hemel zijn. En als deze stem geschied was, kwam de menigte samen, en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken. En zij ontzetten zich allen, en verwonderden zich, zeggende tot elkander: Ziet, zijn niet alle dezen, die daar spreken, Galileers? En hoe horen wij hen een iegelijk in onze eigen taal, in welke wij geboren zijn? Parthers, en Meders, en Elamieten, en de inwoners zijn van Mesopotamie, en Judea, en Cappadocie, Pontus en Azie. En Frygie, en Pamfylie, Egypte, en de delen van Libye, hetwelk bij Cyrene ligt, en uitlandse Romeinen, beiden Joden en Jodengenoten;
De wonderbare stichting of de uitstorting van de Heilige Geest op de apostelen en de uitwerking van de Pinksterrede van Petrus.
EPISTEL OP HET HEILIGE PINKSTERFEEST
Waarom de eigenlijke geschiedenis van de dag niet is bepaald voor het Pinksterevangelie, zo als men zou verwachten, is reeds opgemerkt in (“Joh 14: 23” en “Ru 2: 4. Terwijl nu echter de rede van Christus, die tot evangelie is bestemd, van een altijddurend Pinksteren handelt, dat de Heere bij de gelovigen van alle geslachten en in hun harten wil vieren, komt het feit van dat eerste Pinksterwonder, zoals het volgens de belofte aan de apostelen geschiedde, in de voor ons liggende brief ter sprake. Zij moet als een begin en als een grondsteen van elk Pinksteren, dat tot de wederkomst van Christus op aarde zal worden gevierd, worden aangezien. De oude kerk heeft de perikoop met vs. 11 gesloten. Zij wilde zich, zoals het schijnt, in haar feestvreugde niet laten storen door de herinnering dat de grote feestelijke gebeurtenis zo geheel verschillend werd opgevat. Zij wilde zich zonder stoornis op deze dag, die de Heere gemaakt heeft, verheugen. De Evangelische Kerk heeft daarentegen de beide slotverzen daarbij genomen, omdat zij er zich niet in misleidt dat de kerk op aarde nooit een triomferende is, maar steeds een strijdende en zich gewillig onderwerpt aan het: “hier door spot en hoon, daar een erekroon. “
Wat gebeurde toen de dag van het Pinksterfeest vervuld was? 1) er geschiedde een nieuwe openbaring, 2) een nieuwe schepping had haar begin, 3) een nieuwe eis aan de mensheid deed zich horen.
De uitstorting van de Heiligen Geest; 1) de noodzakelijke voorwaarden daartoe, 2) de uitwendige tekenen waaronder Hij komt, 3) de kracht die Hij onmiddellijk aan de discipelen betoont, 4) de werking die Hij op de toegestroomde menigte teweegbrengt.
Het genadige komen van de Heilige Geest: 1) hoe Hij komt, 2) wat Hij brengt, 3) welke indruk Zijn werk teweegbrengt, 4) hoe Zijn werkingen beoordeeld worden.
De Geest van het Pinksterfeest: 1) Hij komt tot degene die bidt, 2) Hij werkt reinigend en aanstekend, 3) Hij maakt bekwaam tot getuigen, 4) Hij dringt tot beslissing.
De wegen die de Heilige Geest inslaat: 1) Hij komt van de hemel, 2) Hij trekt de harten binnen, 3) Hij dringt de wereld door.
Hoe God reeds in de stichting van de kerk haar aard en haar gang heeft geopenbaard: 1) Hij liet in beeld en gelijkenis de macht zien waardoor zij in het leven treedt en zich betoont, 2) Hij ontvouwde haar bestemming om uit de verscheurde en verdeelde mensheid weer een geheel te maken, 3) Hij liet ook de tegenspraak aan het daglicht komen die haar ten deel zou vallen, maar die zij zou overwinnen.
De betekenis van het Pinksterwonder: 1) vervulling van goddelijke beloften, 2) voorzegging van volkomen vervulling.
En toen de dag van het Pinksterfeest vervuld werd met het begin van de 50ste dag na de tweede paasdag, het tiendaagse feest der weken (“De 16: 10, 16” en “Le 23: 22 was aangebroken, dat naar die termijn ook Pinksteren, dat is de vijftigste dag heet (2Makk. 12: 32) waren zij allen, van wie in hoofdstuk 1: 14-15 sprake was, eveneens in het gewone lokaal van hun vergaderingen eendrachtig bijeen.
Dadelijk in dit eerste vers van het hoofdstuk komen drie gewichtige vragen in behandeling, die de uitwendige toestanden en omstandigheden aangaan: 1) de datum van de gebeurtenis of de dag van het feest, 2) de omvang van de vergadering en 3) de plaats van hun samenkomst. Wat het eerste punt aangaat, reeds bij Ex. 19: 15 Ex 19: 15 en Lev. 23: 11 Le 23: 11 werd gezegd, dat de Joodse wijze om de Pinksterdag te berekenen met de 16e Nisan begon en zo’n dag der weken als in ieder jaar geweest was, zo’n dag was ook de Pinksterdag. Daar Christus volgens het bericht van de evangelisten op 15 Nisan, een vrijdag, stierf, was 16 Nisan een zaterdag en bijgevolg ook de 50ste dag daarna, de Pinksterdag, evenzo. Deze uitkomst van schriftonderzoek heeft men op de een of andere manier zoeken te ontgaan; men heeft gemeend dat de wijze van berekening van de Baithusaeërs, die onder de in Lev. 23: 11 bedoelde sabbat niet de eerste dag van het Paasfeest (15e Nisan), maar de wekensabbat, die in de Paastijd viel, verstonden, op de tijd van Jezus en de apostelen te mogen toepassen. Dientengevolge moest het Pinksterfeest in elk jaar zonder uitzondering op een zondag vallen. Met dergelijke willekeurige meningen is men niet geholpen. Wij hebben eenvoudig te erkennen, dat de dag van het eerste Christelijke Pinksterfeest een zaterdag is geweest en dat de latere wijze van de kerk, om haar geboortedag niet op die dag der weken, maar liever op een zondag, de gedenkdag van Christus’ opstanding, te vieren, haar ontstaan te danken heeft aan het verschuiven van de termijn. Men berekende dus de 50ste dag niet na de Joodse 16e Nisan, maar na de Christelijke Paasdag. Wij moeten derhalve de dikwijls uitgesproken mening dat daarom de zondag in plaats van de zaterdag tot rustdag voor de Christenen was gekozen, omdat Christus van de doden op een zondag was opgewekt en ook omdat de Heilige Geest over de apostelen was uitgestort en de Christelijke kerk was ontstaan, in dit tweede punt onjuist noemen; de zaak is anders. De Heere heeft Zijn kerk niet gesticht als een heidense, maar als een Joods-Christelijke nieuwtestamentische gemeente; want Hij was, zo als Paulus schrijft (Rom. 15: 8v.), een dienaar van de besnijdenis geworden omwille van de waarheid van God, opdat Hij bevestigen zou de beloften van de vaderen. Alzo moest Hij haar stichten op dezelfde dag, als waarop eens door de wetgeving van Sinaï de oudtestamentische verbondsgemeente is gevestigd, (vgl. Jer. 31: 31vv.). Wanneer nu evenzeer de oud- als de nieuwtestamentische verbondsluiting onder wonderbare voorvallen van de hemel op een zaterdag plaatsvond, zo komt dat bijzonder overeen met het doel waarom God reeds bij de schepping van de wereld de zevende dag tot rustdag heeft geheiligd. De stichting van de kerk door de uitstorting van de Heilige Geest, zoals zij aan de ene zijde een vergeestelijking is van het Joodse oogstfeest, dat men op Pinksteren vierde, van het feest van de eerste oogst (Ex. 23: 16 Num. 28: 26), terwijl nu de Christus, aan de rechterhand van God verhoogd, werkelijk de eerstelingen van Zijn oogst uit het volk van Zijn eigendom inoogste, zo is zij aan de andere zijde ook een nieuwe sabbatswijding voor Israël, aan wie de sabbat tot een eeuwig verbondsteken was gedreven, (Ex. 31: 15vv. Zozeer heeft Jezus dit verbondsteken voor Zijn uit Israël vergaderde gemeente vastgehouden, dat Hij in MATTHEUS. 24: 20 nog voor die tijd waarin Hij deze gemeente uit de massa van het verstokte volk, dat voor het gericht was rijp geworden, moest uittrekken, gebiedt: “bidt dat uw vlucht niet geschiede op een sabbat”. Nu had echter de vlucht naar Pella, zo als wij in Aant. II d. hebben aangewezen, op een zondag plaats en op diezelfde dag ontving Johannes op Patmos de Openbaring. Dat was als een tweede Pinksterdag, als een tweede dag van de stichting van de kerk, die voortaan, geheel van Israël losgemaakt, zich alleen als een heiden-christelijke zou vormen, totdat met Israël’s wederopneming de Heere als het ware Zijn loofhuttenfeest, het feest van de volle oogst (Ex. 23: 16 Lev. 23: 39vv. zou houden (Zach. 14: 16vv.). Van dit gezichtspunt is het zeer juist en door Christus zelf door Zijn leiding en de inwerking van Zijn Geest teweeggebracht, dat de kerk gedurende de ganse tijd, waarvoor het woord in MATTHEUS. 21: 43 geldt, haar Pinksterdag op een zondag viert, (vgl. hetgeen bij MATTHEUS. 28: 15 Uit 28: 15 gezegd is over de heiliging van de zondag in plaats van de zaterdag).
Wat verder de omvang van de vergadering aangaat, of het getal van hen die op de dag van het Pinksterfeest samen waren, is het geheel ten onrechte dat men het “zij allen” heeft willen beperken tot de apostelen, van wie getal nu weer twaalf bedroeg. Daarvan had reeds vs. 14 in verband met vs. 15 moeten terughouden, waar Petrus met de elven zich duidelijk genoeg onderscheidt van de anderen, die eveneens aanwezig waren en met andere talen spraken. Ook heeft Lukas reeds in hoofdstuk 1: 14 en 15 ons een grotere vergadering voorgesteld dan die van de discipelen in engere zin en van een eendrachtig samen zijn van deze in hetzelfde lokaal gesproken. Hij zou dan hier niet weer van zulk een samenzijn van allen hebben kunnen spreken, als hij alleen de twaalven had bedoeld, zonder dat hij het uitdrukkelijk zei. Tevens eist het woord van de profetie in Joël 3: 1v., die nu zou worden vervuld (vs. 16vv.), dat de vergadering een gemengde was en niet alleen uit de twaalven bestond. Wij moeten dus zonder twijfel denken aan de schare van de honderdtwintig, in hoofdstuk 1: 15 ; intussen kunnen er nog anderen van de aanhangers van Jezus in Galilea zijn bijgekomen. Het lokaal waar zij vergaderd waren nu is zonder twijfel hetzelfde, als op de zo-even aangevoerde plaats, zodat wij in vs. 2 bij de uitdrukking: “het gehele huis” aan dat particuliere huis moeten denken. Wel heeft men gedacht dat het de gedachten beter zou uitdrukken, dat de nieuwe geestelijke tempel van de kerk van Christus uit het omhulsel van de oude tempel was voortgekomen en dat de plechtige inwijding van deze kerk treffender op de voorgrond trad, als zij in het heiligdom van het Oude Verbond was te voorschijn getreden. Men heeft daarom liever willen denken aan een van de dertig zalen, die zich volgens Josefus in de nevengebouwen van de tempel bevonden Uit 4: 7. Daar het nu volgens vs. 15 een uur van gebed was, toen de Pinkstergeschiedenis plaats had, kon men toch wel denken dat de discipelen toen niet in een particulier huis, maar in de tempel samen waren, omdat in Luk. 24: 53 uitdrukkelijk omtrent hen wordt bericht dat zij gedurig in de tempel waren. Het laatste nu is zeker de meest betekenende grond voor die mening; intussen is het toch aan de andere kant zeer onwaarschijnlijk dat door de Joodse oversten, die Jezus zo vijandig gezind waren, aan diens aanhangers een bijzondere zaal in de tempelruimten voor hun vergadering zou zijn gelaten. Men verhinderde ze zeker niet om onder de menigte van het volk aan de godsdienst in de tempel deel te nemen; wilden zij echter een afgezonderde vergadering houden, dan moest dat plaatshebben in een huis en van zo’n afzonderlijke vergadering is hier sprake, zoals wij later zullen zien. Wat nu de omstandigheid aangaat dat het nu juist een uur van gebed was en zij volgens de tot hiertoe gevolgde gewoonte zich uit het bijzondere lokaal naar het heiligdom van het volk hadden moeten begeven om zich onder de overige volksmenigte te vermengen, is het zeker ten gevolge van een inwendige drang van hun hemelse Heer geschied, dat zij juist heden achterbleven en in het bijzonder hun godsverering voortzetten. De twaalven zullen er wel aan hebben gedacht dat nu het “niet lang na deze dagen” in hoofdstuk 1: 15 vervuld was en dat zij daarom voor ditmaal van het overige volk moesten afgezonderd blijven, opdat de Heere iets bijzonders aan hen zou kunnen doen; want inderdaad moest de nieuwtestamentische gemeente, volgens hetgeen Christus in MATTHEUS. 23: 38 de Joden had gezegd, meer voorkomen als een van de tempel afgezonderde dan als één waaruit deze was voortgekomen en Petrus horen wij dan ook later (vs. 40) uitdrukkelijk zeggen: “wordt behouden van dit verkeerd geslacht. ” Reeds had de Heere in Joh. 12: 37vv. Zijn heerlijkheid van de tempel teruggetrokken; het was reeds zo ver met deze tempel, als Ezechiël’s gezicht in hoofdstuk 10: 18 voorstelt. Daarom kon ook de nieuwtestamentische kerk hierin worden gesticht. Volgens de traditie zou het lokaal waar men vergaderd was, hetzelfde zijn geweest, als waar de Heere het heilig avondmaal had ingesteld en dat was naar onze gedachte de zaal van Nicodemus Uit 26: 18. Dit heeft nu wel geen bepaalde gronden tegen zich, maar waarschijnlijk is het toch dat wij moeten denken aan het huis van Johannes, dat hij volgens de overlevering op de Zionsberg bezat. (Joh. 19: 27). Zo verkrijgt de wijze waarop de belofte in Zach. 12: 10vv. tot vervulling kwam: “over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten de Geest van de genade en de gebeden enz”, nog een bijzondere illustratie, daar Maria, de erfdochter uit David’s huis, nu mede tot de bewoners van dit huis aan de Zionberg behoorde en Johannes volgens MATTHEUS. 20: 21 wellicht uit datzelfde geslacht afstamde. Maar ook afgezien van deze bijzondere illustratie verliezen wij niets in de betekenis, als wij het voorgevallene stellen in een particulier huis. Het past goed bij het eigenaardige karakter van de christelijke godsdienst, die niet aan een bijzondere tijd en bepaalde plaats gebonden was en het onderscheid tussen het profane en heilige in het leven ophief, dat de eerste uitstorting van de Heilige Geest op een gewone plaats geschiedde (Joh. 4: 21 Zach. 14: 20v.) en als nu de discipelen van het platte dak van het huis tot de menigte spraken die op de straat en in de tuin vergaderd was (vs. 14vv.), zo werd daarmee ook in letterlijke zin vervuld wat de Heere hun in MATTHEUS. 10: 27 had gezegd.
Met deze mening kunnen wij moeilijk instemmen. Alleen wanneer men aanneemt dat de jongeren zich in een van de nevenzalen van de tempel hebben bevonden, is het groot getal bekeerlingen, drieduizend, op die ene dag te verklaren. (v. L.).
En er geschiedde, toen het derde uur van de dag, naar onze wijze van spreken 9 uur, naderde, dezelfde tijd als waarop men Jezus ruim zeven weken geleden had weggevoerd om gekruisigd te worden (Mark. 15: 25), haastelijk uit de hemel een geluid als van een geweldige gedreven wind, hoewel van een werkelijke wind niets was te bemerken en het vervulde het gehele huis, waar zij, de schare van honderdtwintig, zaten (vgl. 2 Kron. 5: 12vv.).
Terwijl de mededeling van de Heilige Geest gewoonlijk in diepe stilte en in het verborgen plaatsheeft, langs wegen die geen verstand van een verstandige kan doorzien, behaagt het de Heere bij deze eerste vervulling van Zijn belofte het meest inwendige te verbinden aan een uitwendig teken dat met de zintuigen kan worden waargenomen. Blies de Heiland op de Paasdag op de discipelen met de woorden: “Ontvangt de Heilige Geest” (Joh. 20: 22, nu komt de Geest in dezelfde vorm van de hemel, maar niet als een zachte inblazing, slechts waar te nemen door hem die er door wordt aangeraakt, maar met het geweld van de storm en met een sterk gedruis, in heel Jeruzalem hoorbaar, als een orkaan die alle hindernissen voor zich heen in het stof werpt, als hij op zijn gevleugelde zegetocht voortgaat.
Het is alsof van de bovenste streek van de wereld een wind, een adem van de goddelijke mond neerdaalde; er is iets krachtigs en onweerstaanbaars in het waaien en in het geluid, en het geweldig waaien gaat zijn weg, evenals de stroom van de wind – evenals de wind daarheen gaat, zo gaat dit goddelijk ademen en waaien voort, het houdt zijn baan en streeft naar een bepaald doel, naar de vergaderplaats van de gelovigen. Het geweldige waaien stort zich in een huis en vervult het hele huis. In huis dus waait het en klinkt het en de vergaderden weten dat zij uit de hemel zijn beademd en dat in het geluid een stem is uit de hoogste hoogte. Overigens blijft geen wind op zo’n smalle weg, dat hij alleen op een enkel huis kan neerkomen, de winden breiden zich breder uit; anders heeft geen wind één huis als mikpunt om daarin zich te laten horen en uit te doven. Dat is nu juist het waaien van God, een geluid van God, en dit geluid zoekt de wereld niet op, maar de discipelen die de Heere liefhebben en Zijn woord bewaren (Joh. 14: 23): tot deze komt de Onbegrijpelijke en Allerhoogste in een frisse en tevens gloeiende wind om woning in hen te maken.
De Heilige Geest komt over de discipelen van de Heere uit de hoogte, want het gedruis geschiedde van de hemel. Het wordt hun voel- en tastbaar gemaakt, dat deze wonderstroom zijn oorsprong heeft in de troon van God, dat deze Geest de Trooster is die van de Vader uitgaat, die de Heere hun van de Vader zendt. Langs dezelfde weg als waarlangs de Zoon van God is opgevaren naar de rechterhand der majesteit, daalt de Heilige Geest neer en komt daarom als de Beloofde, die zij verwacht hebben, als de vertrouwde die zij in het aangezicht van de Heere zagen lichten, als de Verlangde die zij dikwijls en ook nu weer ernstig hebben afgebeden. Als getuige van de hemelse heerlijkheid van hun Heer, als de Toedeler van hemels licht en leven daalt Hij neer. Hij komt wel onzichtbaar, zoals het aan zijn wezen eigen is, maar toch ook met waarneembare tekenen van Zijn wezen, zoals dat met Zijn verheven openbaring overeenkomt. Dat is Zijn teken dat Hij zo plotseling neerkomt; want Hij is de vrije, ongebonden Geest, die blaast wanneer en waar Hij wil. Het gedruis van de hemel, de wonderbare, anders nooit gehoorde en nu toch gehoorde klank als van een geweldige wind wijst Zijn weg, Zijn komen, Zijn kracht aan. Hij is toch de goddelijke levensadem voor alle goede, zalige geesten, evenals de aardse lucht aan alle lichamelijke schepselen de adem verleent. Hij is de waaiende adem van de Heere, die de doodsbeenderen van het verstorven mensdom op aarde weer levend maakt. Hij vervult het hele huis waar de discipelen zaten, voelbaar, zoals Hij eens broedende op de wateren zweefde en openbaart zich in deze volheid als de Algenoegzame, die alle inwendige behoeften van alle discipelen en discipellinnen kan bevredigen, alle diepten van hun hart overvloedig kan vervullen, die boven bidden en denken gegeven wordt en rijk genoeg is om alle mensen tot zelfs het meest verloren hart in de uiterste schaduwen van de dood op hemelse wijze te begiftigen en te herscheppen tot een nieuw zalig leven. Hij zweeft in vurige tongen door het huis en rust boven de hoofden van de gezegende schare en heiligt de lippen van ieder, zodat nu de vuurdoop heeft plaatsgehad, waarvan Johannes de Doper profeteerde, zodat nu het vuur brandt dat Jezus was komen werpen op de aarde, het vuur van Zijn liefde dat hun harten overwint, dat de wereld zal overwinnen en het boze in alle gelovige zielen zal vernietigen en eens een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal bereiden. Deze vurige tongen wijzen het werktuig aan van de Heere en van Zijn Geest; Hij wil namelijk door de mond van Zijn vredeboden, door het zwaard van Zijn Woord in de getuigenis van geheiligde lippen Zijn genade en Zijn rijk uitbreiden tot aan het einde van de aarde. De Heilige Geest is met dit teken gekomen en als Trooster in het midden van de discipelen verschenen; niemand is buitengesloten, niemand wordt half of gedeeltelijk begiftigd: zij worden allen met Hem vervuld, zodat de oude, half vergeten woorden en daden van de Heere als lichten in hun geheugen opflikkeren en de zon van waarheid en genade hun verstand verlicht, hun borst verwarmt, zodat zich de vleugelslagen van het geloof in hun ziel verheffen en hun blijmoedigheid geven om de hele wereld te overwinnen, dat zij nu de Heere zelf erkennen in Zijn verzoenende knechtsgestalte en verlossende godheid, als nooit tevoren, en onuitsprekelijk rijk zijn als kinderen van God en apostelen van Jezus Christus.
En van hen, van de velen die samen waren gekomen, werden gezien verdeelde tongen als van vuur, als vlammende zwaarden die bovenaan in twee delen uitliepen als een zinnebeeldig teken van de werktuigen van de Heere die deze tongen van nu aan zouden zijn (Jes. 30: 27 Jer. 23: 29 Hebr. 4: 12 Openbaring 1: 16). En het teken van de Heilige Geest zat op een ieder van hen, op ieder zette zich een tong of vlam boven het hoofd neer (Num. 11: 25) om zich vandaar als boven hen uit te storten (Lev. 8: 12 Ps. 133: 2).
De Heilige Geest moest niet slechts komen met één teken, maar met twee, met het hoorbaar gedruis van de hemel van een geweldig gedreven wind en met het zichtbare van verdeelde tongen als van vuur. De beide eerste en beste zintuigen van de mens moesten worden aangedaan en de uitwendige, de zinnelijke, de waarnemende mens moest aan de inwendige, de verborgene, de geestelijke mens betuigen dat het grote uur van de genade geslagen was.
De uitdrukking “tong” is zeker beter, dan dat men het daarvoor gewoonlijk gebezigde woord in Jes. 5: 24 in de betekenis van “vlam” opvat. Het “als” is er bijgevoegd, omdat wat men zag wel als vuur was, maar toch in de uitwerking niet als een werkelijk aards vuur voorkwam (Ex. 3: 2). Ook kwamen de vlammen van de discipelen niet voor als reeds verdeeld (vgl. de woordvorm in de Griekse tekst) maar met de bestemming om zich te verdelen. Eerst speelden deze voor hem als een meer algemeen geheel, vervolgens werden zij steeds meer afgescheiden van elkaar voor de ogen en plaatsten zich uiteindelijk zo dat zij zich op de hoofden van elk in het bijzonder vestigden.
Het lichtte boven hen als een vuur dat met verschillende tongen vlamt en terwijl dit wondervuur zich in zoveel vlammende tongen verdeelde als er discipelen zaten, zette het zich op een ieder onder hen. Een vuur, vele tongen. Met en onder het hemelvuur de hoofden van de discipelen aanrakende, zette zich op hen allen de Geest en zo werden zij gedoopt met de Heilige Geest en met vuur (vgl. hoofdstuk 1: 5. Luk. 3: 16).
Die verschijning van vuur op een ieder van hen, die in de naam van Jezus in Jeruzalem samen waren, wat duidde zij anders aan dan werkingen van de Heilige Geest, als daar zijn: vurige liefde, verterende ijver, alles doorlouterende heiligheid. Dat dit heilige vuur zich uit de hemel toonde in de gedaante van verdeelde tongen, ook dit had zijn grote en diepe en toch zeer eenvoudige betekenis. Het ontvlammende element beeldde tongen af, het zinnebeeld van talen; en talen zouden het binnenkort zijn, waarvan de geheel voorbeeldloze en bovenmenselijke gave het sein stond te geven voor de prediking van het evangelie voortaan in allerlei talen en tongen en aan allerlei volken.
a) En zij werden, niet alleen de apostelen, maar allen die bij elkaar waren, vervuld met de Heilige Geest en begonnen te spreken, Gods lof en heerlijkheid te verkondigen (vs. 11) b) met andere talen, die zij daarvoor niet gekend hadden, nieuwe en vreemde talen (Mark. 16: 17), zoals de Geest, die hun hart vervulde, hen gaf uit te spreken (Luk. 6: 45).
MATTHEUS. 3: 11 Mark. 16: 8 Luk. 3: 16 Joh. 14: 26; 15: 26; 16: 13 Hand. 11: 15; 19: 6 b) Hand. 10: 46
Het tijdpunt van de vroeger beschreven inwendige doop met vuur is voor de discipelen het tijdpunt van de wonderbaarste inwendige vernieuwing en verandering. “Zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken. ” Hun is niet alleen een bijzondere wondergave van de Geest ten deel gevallen, zoals ook Judas die zou ontvangen; zij worden niet meer bewogen in een voorbijgaande verrukking, zoals Bileam en Saul, de zoon van Kis, door de Geest werden bewogen – nee! de Geest zelf, Zijn stem, trekking, licht, bescherming, kracht, tucht en verpleging, hun in de school van Christus niet onbekend gebleven, neemt nu definitief Zijn plaats in hun hart in en vervult alle diepten van hun ziel. Zij zijn niet meer dezelfde die zij waren, niet meer de onverstandige kindertjes, die altijd moeten vragen, niet meer de wankelende rieten, door vrees en twijfel geslingerd, niet meer de mensen vol gebreken, die Jezus moet verdragen en waarom Hij hen dwazen en tragen van hart moest noemen. Zij zijn verheven boven zichzelf en het beperkte standpunt van de menselijke natuur tot een wonderbaar leven door de Geest, omdat het geheim van God en Jezus Christus voor hen ligt ontsloten, omdat zij als koperen pilaren, als rotsen te midden van de storm kunnen staan, terwijl wereld en hel woeden, omdat hun mond met de Geest woorden als van vuur spreekt en hun tong, voordat de Geest dat geeft, van vreemde nooit geleerde taal overvloeiende, evenals in de moedertaal van hun Galilees dialect de grote daden van God vermeldt. En toch moeten wij ook weer zeggen: het zijn nog dezelfde, hun persoonlijk leven en bewustzijn is door de Geest doordrongen, maar niet opgeheven, hun eigenaardige zielstoestand volgens afkomst, temperament, karakter en natuurlijke aanleg zo verschillend, zowel naar geestelijke als lichamelijke ouderdom, is door de Geest geheiligd, maar niet teniet gedaan. Zij spreken met vreemde talen, zoals de Geest hun geeft uit te spreken, maar niet in wilde vervoering, zoals de priesteres van een Pythische godin op de drievoet, bedwelmd door de walmen die uit een diepte opstijgen, maar in wakende toestand en volkomen helderheid en waarheid. Wel zijn zij dronken, maar niet van zoete wijn, zoals enige spotters zeggen, maar van de rijke goederen van het huis van God, van de krachtige most van de hemel, die met de alles beheersende macht van geestelijke vreugde de nieuwe zangen tot lof van God verwekt.
“Zij begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken. ” Dat was een grote wondergave, zo groot dat wij het ons ternauwernood kunnen indenken, waarin die bestond. Evenals onze voorstellingen van de hemel en van het wezen van de hemelse dingen bijna alleen brokstukken en schaduwbeelden zijn, zo ligt ook deze pinksterklank voor ons op een hoge berg als een hemelse zaal en wij begrijpen het niet geheel, wat ons van deze gaven van de talen wordt verhaald. Twee zaken zijn zeker: Ten eerste dat de discipelen nu met verschillende talen predikten die hun vroeger vreemd waren, daar zij zich voor Joods-Grieks ontwikkelde Parthiërs, Meden, Elamieten en voor alle Hebreeën uit vele andere landstreken van hun verstrooiing verstaanbaar uitdrukten; maar vervolgens ook het tweede, dat niet alleen het spreken in vreemde talen dit levende wonder van gave van talen uitmaakte, maar dat nu pas de band van hun tong was losgemaakt en de volheid van hun door de Geest bewogen hart als een stroom, als een storm over hun lippen bruiste. Zij waren nu met Christus in het hemelse overgeplaatst boven de oude spraakverwarring verheven, apostelen voor alle volken, die het zuchten van de harten van alle volken verstonden en door de Geest bijna zonder middelen de weg tot de harten vonden – voorwaar een groot geschenk, waarvan het bezit hen tot overwinnaars van de wereld maakte en waarvan de inhoud voor ons niet is uit te spreken.
Het verband eist niet dat wij bij het spreken van de discipelen met vreemde talen denken aan een prediking van het evangelie. De discipelen spraken niet voor mensen, maar voor God (1 Kor. 14: 2), daar er eerst nog niemand aanwezig was tot wie zij hadden kunnen prediken; dit loven van God in vreemde talen op het Pinksterfeest was dus een profetie met de daad, een teken van de Geest, dat de kerk in haar begin zekerheid geeft omtrent haar einde. Zoals Israël aan de Sinaï stond als drager van het verbond voor alle volgende geslachten (Deut. 29: 14vv.), zo staat hier de Pinkstervergadering voor God, vertegenwoordigende de hele gemeente van het nieuwe verbond, dat uit alle volken van de hele wereld en tot aan het einde van de wereld door de Heilige Geest zal vergaderd en bewaard worden in één en dezelfde geest, in loven en belijden van de naam van de Heere Jezus Christus.
Bij het spreken op Pinksteren in vreemde talen hoeven wij niet te denken aan een blijvende gave, want wij vinden er in de geschiedenis van de apostelen geen spoor van, dat deze gave zou hebben voortgeduurd en dat deze discipelen, als zij in vreemde landen kwamen, in staat zouden zijn geweest de vreemde taal te gebruiken. Dergelijke wonderlijke gaven als de Pinkstergave zijn bewaard voor de uren, waarin God bijzondere openbaringen geeft, voor bijzondere kardinaalpunten in de geschiedenis van de ontwikkeling van het Godsrijk en treden terug, zodra het doel bereikt is en een aanvang vol levenskracht is tot stand gebracht.
De straf van de talen (Gen. 11: 7vv.) heeft de mensen verstrooid, de gave van de talen heeft de verstrooiden weer tot één volk vergaderd.
Indien wij allen met de Heilige Geest vervuld werden, zou het heden een dag van rijke zegeningen zijn. Het zou onmogelijk te overschatten zijn, welke gevolgen dat zalige vervuld worden van de ziel zou hebben. Leven, vertroosting, licht, reinheid, kracht, vrede en vele andere kostbare zegeningen zijn onafscheidelijk van de liefelijke inwoning van de Geest. Als heilige olie zalft Hij het hoofd van de gelovige, zondert hem af tot het priesterschap van de heiligen en schenkt hem genade om zijn bediening op de rechte wijze waar te nemen. Als het enige ware, reinigende water reinigt Hij ons van de kracht van de zonde en brengt ons tot heiligheid, werkende in ons het willen en het volbrengen naar het welbehagen van de Heere. Als het licht deed Hij ons het eerst onze verloren staat zien en nu openbaart Hij ons de Heere Jezus voor ons en in ons en leidt ons op de weg van de gerechtigheid. Verlicht door Zijn reine hemelse glans zien wij niet langer duisternis, maar licht in de Heer. Als het vuur reinigt Hij ons van het schuim en zet Hij onze geheiligde natuur in vlam. Hij is de offervlam, waardoor wij in staat worden gesteld onze ganse ziel als een levende offerande aan God te offeren. Als de hemelse dauw neemt Hij onze dorheid weg en maakt ons vruchtbaar. Ach, dat Hij in dit vroege morgenuur van boven op ons neerdaalde? Zo’n morgendauw zou een heerlijk begin van de dag zijn. Als de duif breidt Hij de vleugels van Zijn tedere liefde over Zijn Kerk en over de zielen van de gelovigen uit en als een Trooster doet Hij de zorgen en twijfelingen verdwijnen, die de vreugde van Zijn beminden storen. Hij daalt op de uitverkorenen neer, evenals op de Heer in de Jordaan en getuigt van hun kindschap door in hen een kinderlijke geest te werken, waardoor zij roepen: “Abba, Vader! ” Als de wind brengt Hij de mensen de levensadem, blazende waarheen Hij wil, volvoert Hij de levenwekkende werkingen, waardoor de geestelijk schepping wordt bezield en onderhouden. Mocht het Gode behagen ons heden en elke dag Zijn nabijheid te doen ondervinden.
En er waren, om vooral te wijzen op hen die zich onderscheiden van de geboren Joden en Jeruzalemmers, die natuurlijk ook niet ontbraken, (vs. 9), Joden te Jeruzalem wonende. Deze hadden zich daar neergezet gedeeltelijk om dicht bij het heiligdom te zijn, gedeeltelijk ook voor een tijd om het feest mee te vieren (Deut. 16: 13). Zij waren godvruchtige mannen, zoals reeds uit hun komen tot de heilige stad is op te maken die naar een nauwere gemeenschap met God verlangden en vatbaar waren voor alles wat hen daartoe kon leiden (hoofdstuk 8: 2); wat hun geboorte en vroegere woonplaats, dus hun eigenlijk vaderland aangaat, waren zij van alle volken van die, die onder de hemel zijn. Zij behoorden tot de Joodse Diaspora die in alle landen aanwezig was (Joh. 7: 15, 1Ma 1. 11).
Deze opmerking geeft, als inleiding tot het volgende, een voorbereidende oplossing hoe het kwam dat Joden van zo verschillende nationaliteit getuigen werden van die gebeurtenis en hun moedertalen vernamen van hen die met de Geest waren vervuld. Het “te Jeruzalem wonende” is niet op te vatten als een tijdelijk verblijf, maar als hun woonplaats, die zij in de hoofdstad van de theocratie hadden genomen, en wel uit Israëlitische nauwgezette godsdienst, waarom zij “godvruchtige mannen” (vgl. Luk. 2: 25) worden genoemd. Dezen, die uit godsdienstige ijver op de plaats van het heiligdom vertoefden, behoorden wat hun afkomst aangaat tot alle volken van die, die onder de hemel zijn. ” De gehele uitdrukking heeft iets plechtigs en moet worden opgevat als een populair hyperbolische (Deut. 2: 25 Kol. 1: 23) in haar gehele algemeenheid.
Naar Jeruzalem ging het hart van alle godvrezende Joden uit, al waren zij ook nog zo ver daarvan verwijderd; het was hun een bijzonder genot in de diaspora nu en dan naar de feesten op te trekken. Ook het Pinksterfeest zag vele vreemdelingen in de heilige stad. Wie maar enigszins kon, zorgde dat het mogelijk was dat hij op hoge leeftijd in het heilige land terugkeerde en te Jeruzalem woonde. Zij wilden in het land van de vaderen tot hun vaderen verzameld worden; zij wilden in de nabijheid van de heilige stad slapen tot de grote dag van de toekomst, die immers van Jeruzalem zou opgaan.
Het klassieke spraakgebruik van het woord, dat in de grondtekst
voor “wonende” staat, heeft zeker het begrip van een vaste verblijfplaats en niet van een voorbijgaand oponthoud, vooral van een nieuwe woonplaats, die men in plaats van een vroegere gekozen heeft; de samenhang in dit gehele bericht verbiedt echter de uitdrukking sterk te benadrukken, omdat bijv. uit vs. 9 en 10 duidelijk blijkt dat de mensen grotendeels nog in het buitenland woonachtig waren en slechts te Jeruzalem aanwezig als feestgangers, terwijl een groot gedeelte zich bepaald in de stad had neergezet en deze hoofdzakelijk de gemeente deed bestaan.
Na Deut. 30: 1-6 wordt in de profetie de belofte gedurig herhaald, dat de Heere de kinderen van Israël, die onder alle volken van de aarde verstrooid zijn, zal terughalen en samenbrengen in het land dat zij zullen erven; deze belofte zien wij hier in een krachtige aanvang vervuld.
En toen deze stem, het geluid van de hemel, waarvan in vs. 2 werd gesproken, geschied was, kwam de menigte samen van degenen die voor het morgengebed (vs. 15) op de weg naar de tempel waren, die aan de westzijde opwaarts leidde en zo nabij de plaats in vs. 1 bedoeld voorbijging. Men kwam bij dat huis en toen men de schreden daarheen had gericht, werd men beroerd over hetgeen zij daar verder vernamen; want een ieder van hen hoorde hen, de discipelen, die boven op het huis samen waren, in zijn eigen taal spreken, in de taal van het land waaruit hij afstamde.
De Heere had de eerste godsdienst van het Nieuwe Testament met een hemelse klokkentoon ingeluid en al wie te Jeruzalem van goede gezindheid was, volgde Zijn roeping en trekking. Alles begeeft zich tot de apostelen, wat zich geestelijk met hen moet verenigen en als op het roepen van het hemels geluid lichamelijk meerderen samenstromen dan geestelijk vergaderd worden, zo is er toch geen gemeente van Christus en geen uitbreiding voor haar, die niet voortkomt uit de schare van de geroepenen. Wat stroomt het naar de plaats, waar de discipelen vergaderd zijn – enkel geroepenen, allen aan de hand van God en van Jezus en van Zijn Geest! Zijn er misschien onder deze allen vele nieuwsgierigen geweest? Het is mogelijk! Maar van de nieuwsgierige is meer verwachting dan van de trage. Uit nieuwsgierigheid komt dikwijls heilige weetgierigheid voort en uit het onzuiver beginnen van het mensenkind wordt dikwijls door de hand van de levende God iets zuivers en reins gemaakt. De samengestroomde menigte nu drong zich in de verzamelplaats van de gezegende gemeente van Christus, zonder geluid, zoals het schijnt en in diepe stilte, want zij vernamen toch de woorden van de heiligen en wel – wat een groot wonder – hoorde ieder hen in zijn eigen taal spreken! Wij zullen ons het voorgevallene niet moeten indenken, alsof de vergaderde discipelen allen tegelijkertijd en tegelijk in verschillende talen gesproken hebben; als dat zo was geweest, dan hadden wij daarin een beeld van wanorde en verwarring gekregen, in plaats van dat met deze gebeurtenis alle verwarring van de toestanden van deze wereld in een heilige eenheid toch zou beginnen op te lossen. Er werd door de discipelen in velerlei talen gesproken, zodat zonder twijfel geen van de sprekers lang kon spreken, als ieder van de toehoorders zijn taal zou horen; derhalve moesten de sprekers na korte tijd en in geregelde orde elkaar aflossen; zonder dat en bij gelijktijdig spreken zou niemand iets helders en duidelijks, niemand zijn eigen dialect hebben vernomen. Iedere spreker sprak in zijn eigen taal zoals de Geest hem gaf uit te spreken; de een sprak na de ander, een grote menigvuldigheid van reden ontwikkelde zich, maar allen stemden, wat inhoud aangaat, harmonisch met elkaar overeen en bespraken een enkel thema, de grote daden van God die de laatste tijd waren geschied. Toen steeg de verwondering van de toehoorders, als de ene heilige redenaar na de andere sprak en de ene hoorder na de ander de spraak van zijn vaderland vernam. Om door deze Joden uit de hele wereld te worden verstaan hadden de heilige redenaars slechts het Joods hoeven te spreken; maar de verzamelde Joden moesten er niet van overtuigd worden dat de Geest hun taal wilde voeren, maar er moest een openbaring worden gegeven dat de grote daden van God onder alle volken, in alle talen moesten verkondigd worden. Daarom moesten de Joodse mannen, die uit alle oorden waren samengekomen, niet de taal van hun Palestijns vaderland, maar de talen van de hele wereld horen en de eenheid van de Geest moest in het menigvuldige van de tongen des te schitterender uitkomen.
In de grondtekst is hier niet zozeer van talen, maar opzettelijk van tongvallen sprake; want de samengekomen Joden spraken niet verschillende hoofdtalen, maar gedeeltelijk slechts verschillende dialecten van dezelfde talen. Zo spraken bijv. de Aziaten, Phrygiërs, Pamphyliërs, Grieks, maar in van elkaar afwijkende eigenaardigheden, de Parthen, Meden, Elamieten spraken Perzisch, maar ook in verschillende dialecten. En zo waren het deels verschillende talen, deels slechts verschillende dialecten in de talen, waarin het spreken met tongen van de discipelen plaatshad.
En als zij van hun eerste beroering enigszins waren bekomen, ontzetten zij zich allen, wel bemerkende dat hier een buitengewoon werk van God plaatshad (Mark. 6: 51. En zij verwonderden zich over hetgeen geschiedde, zeggende tot elkaar, als wilde de een van de ander verklaring, hoewel zij wel wisten dat de een zo min als de ander hier antwoord kon geven: Ziet, zijn niet alle deze, die daar spreken, en die wij als aanhangers kennen van Jezus van Nazareth (MATTHEUS. 26: 71), Galileërs? Deze toch zijn alleen het Joods in de eigenaardige tongval van hun provincie machtig Uit 4: 25, daar zij slechts ongeleerde mannen en leken zijn (hoofdstuk 4: 13).
En hoe horen wij hen in bezielde reden van hun mond, een ieder in onze eigen taal en tongval, waarin wij, die uit vreemde landen hierheen zijn gekomen, geboren zijn?
Parthers en Meders en Elamieten in het verre Oosten van Azië, en zij die inwoners zijn van Mesopotamië tussen Eufraat en Tiger en Judea ten westen vandaar en vandaar hoog naar het noorden in Cappadocië, Pontus en de streek die in het bijzonder Azië genoemd wordt, namelijk Myzië, Lydië, Carië (hoofdstuk 16: 6).
En oostelijk vandaar Frygië en Pamfilië, vervolgens de zee over naar het andere werelddeel Afrika, Egypte en de delen van Libië, dat bij Cyrene in het gebied van het Cyreense Libië ligt, en verder zij die tot het derde deel van de aarde, namelijk Europa behoren, uitlandse Romeinen, zowel geboren Joden als Jodengenoten of proselieten van de gerechtigheid Le 17: 9, mensen die uit het heidendom tot het Jodendom zijn overgegaan.
Bovendien bewoners van de eilanden en schiereilanden, Kretenzen ver in het westen en Arabieren diep in het zuiden, wij horen hen in onze talen over de grote werken van God spreken.
In de plaats van beroering kwam spoedig verwondering en ontzetting; maar terwijl de beroering woorden vindt, hoewel slechts verwarde, heeft de ontzetting geen woord, zij is sprakeloos. Pas als de ontzetting overgaat in een zich verwonderen, spreken de mensen onder elkaar en wisselen zij van gedachten. Hun verwondering heeft natuurlijk eerst betrekking op de vorm van de woorden die zij horen. Zij kunnen niet begrijpen hoe deze mannen uit Galilea in het bezit zijn gekomen van zo verschillende vreemde tongen. Toch blijven zij niet hangen aan het wonderbaar glinsterende uitwendige, zij hebben ook gevoel voor hetgeen dat deze Galileërs zo doet juichen; zij horen de inhoud van hun reden met even grote verwondering; zij herkennen dat zij “de grote daden van God” horen prediken in hun talen. Zoiets als hier hebben zij nog nooit uit mensenmond vernomen, iets dergelijks is nog nooit in hun gedachten gekomen. Deze mannen verkondigen hun geen gewone daden van God, maar daden van God geheel enig in hun soort, groots en wonderbaar, die niet alleen naast Gods grote daden uit de tijden van de Vaderen kunnen worden gesteld, maar die ver, ver overtreffen.
“Galileërs”: de naam van Jezus, waarin alle lof van de met de Geest vervulde gemeente gezamenlijk klonk, maakte hen aan de menigte als Galileërs bekend. De zegen van Jakob over de stam, die in Galilea woont (Gen. 42: 21) “Nafthali geeft schone reden” is in zeer heerlijke zin waar geworden. De hoorders van een zo wonderbare rede uit de mond van deze Galileërs vertrouwden hun oren niet; de een zei tot de ander: “Ik hoor Parthisch spreken, mijn taal; en u, waar bent u geboren? “In Medië en waarlijk ik hoor Medisch! ” – “En ik Elamietisch” riep een derde; en zo ging het in de rondte onder de zeer verwonderde menigte. Lukas neemt de uitroepen van verwondering van ieder afzonderlijk bij elkaar en tekent een soort van volkenlijst, van het oosten naar het westen voortgaande en in het midden de volken van noord en zuid plaatsende.
De rede, die uit de mond van de mensen is opgetekend, geeft een aanwijzing van al die landen en volken, van wie de spraak door een heilige spreker was gesproken. Die optelling houdt een bepaalde gang in en hij die zich de moeite wilde geven na te gaan welke talen in deze genoemde landen en onder deze volken in die tijd gesproken zijn, zou de grootste menigvuldigheid en verscheidenheid vinden. Het zou wel mogelijk zijn dat juist in deze krans van landen en volken en talen, die worden aangevoerd, een bijzondere bedoeling van God lag en dat zo aan land en land, aan taal en taal een bijzondere betekenis verbonden was.
De optelling van vijftien landen, waaruit mensen tegenwoordig waren, is naar een zeker plan gerangschikt; het is echter niet in alles met schoolmeesterachtige strengheid en vastheid doorgezet. De vier eerste namen omvatten het oosten, landen aan gene zijde van de Eufraat, waarin het volk Israël door de Assyrische en Babylonische ballingschap was verspreid. Nu wordt eensklaps Judea genoemd, dat men hier het minst verwacht, omdat het staat bij de overgang tot de landstreken van Klein-Azië. Het kon ook wel in spraakkunstig opzicht mede worden vermeld, omdat het Joodse dialect zich eveneens onderscheidde van het Galilese van de discipelen (MATTHEUS. 26: 73), maar toch ligt er iets duisters over, als men er geen vrede mede heeft dat hier de gedachte is uitgedrukt: het trotse Judea (Joh. 7: 52) moet eveneens zich neerleggen aan de voeten van Jezus de Nazarener, het heeft geen andere Heiland dan deze Ene (hoofdstuk 4: 11v.). De volgende vijf namen bevatten enige streken van Klein-Azië, en wel eerst van het oosten naar het westen voortgaande (Cappadócië, Pontus en Azië), vervolgens zich naar het oosten wendende (Frygië) en een zuidelijke provincie aan de kust noemende Hierop is een overgang naar het verre zuiden, vanwaar dan uit Afrika, Egypte en Libië Cyrenaica wordt gemeld. Uiteindelijk worden uit het afgelegen westen Romeinen genoemd, d. i. Joden, die te Rome zelf en in het Romeinse westen woonden en nu te Jeruzalem aanwezig waren. Later worden er bijgevoegd Kretenzen en Arabieren. Tussen de vermelding van de Romeinen en die van deze beide volken maakt Lukas omtrent alle genoemde landstreken het onderscheid tussen geboren Joden en Jodengenoten, d. i. tot het Jodendom overgegane heidenen.
De kaart moet zeker te kennen geven dat geen volk op aarde zonder het evangelie zal blijven; nu konden hier zeker geen leden van alle volken op aarde in letterlijke zin samen zijn, maar het was toch zo gerangschikt dat ieder volk op aarde door plaatsbekleders op enige wijze was vertegenwoordigd. De Kretenzen dienen om alle eilanden voor te stellen, waaraan ook in het bijzonder de kennis van de zaligheid is beloofd (Zef. 2: 11. Jes. 51: 5) en de Arabieren vertegenwoordigen de zonen van Israël; opmerkelijk is, dat zij het laatst staan.
Zijn er 17 namen die hier voorkomen, wij kunnen zeggen: nu zijn het wel 170 talen, waarin het evangelie aan de hele wereld wordt verkondigd; de Hottentot zowel als de Groenlander, de Hindoe en de Chinees zo goed als wij, een ieder kan zeggen: wij horen ze in onze talen de grote werken van God spreken.
Wij horen een ieder zijn taal, waarin wij geboren zijn; ook dat herhaalt zich nog op gelijke wijze, maar stiller. Als de Geest van God spreekt door de mond van enige getuigen van Zijn waarheid, moet ieder mens rondom tenminste een duister gevoel ervan hebben, dat dit zijn eigenlijke, verloren taal, zijn moedertaal uit het paradijs is. Zijn geest is geschapen om ze te verstaan, zijn tong is gevormd om ze te spreken en alleen daarom is zij hem onbekend en vreemd, omdat hij, in den vreemde geboren, de taal van de zonde en het verderf heeft geleerd. Bedenkt u slechts, als de Geest van de Heere u bestraft over uw zonden en overtredingen, is dat niet dezelfde taal, die u reeds duisterder gehoord hebt in uw geweten? Als dezelfde Geest u uitnodigt tot de vrede van de verzoening met God door Jezus Christus, is dat niet een verstaanbaar antwoord op de stem van de geheimste zucht in uw borst? Als u wordt opgeroepen tot een nieuw leven, tot wandelen in de geest, tot zaligheid, heeft niet uw verlangen, die oude vraag en klacht in uw ziel dezelfde weg, hetzelfde doel, dezelfde goederen gezocht? O, als wij ons oor maar niet geheel hebben gesloten en ons hart niet naar het verderf hebben gekeerd, dan moet het ons bij het getuigenis van de Heilige Geest zijn, als hadden wij deze stem reeds gehoord; wij moeten uitroepen bij de verkondiging van het Evangelie: Ja, dat is de stem van de trouwe Herder, die Zijn leven voor mij heeft gegeven; dat is de stem van mijn Vader, die mij tot Zich roept, want ik was een verloren zoon; dat is de klok uit mijn eeuwige vaderstad, de orgeltoon uit de hemelse tempel van God, waarvan ik was afgevallen en overgegaan tot de grote gemeente van de ongelovigen mij ten vloek. Gezegend zijn wij als wij de apostelen horen spreken in onze taal en het woord wel ter harte nemen. (P. LANGE).
En anderen dan die godvruchtige mannen (vs. 5) die daar waren en zich lichtzinnig over het gebeurde heen zetten, zochten spottend een natuurlijke verklaring voor de verheven geestdrift van de discipelen (1 Kor. 14: 23), zoals hun eigen verkeerdheid hun die aan de hand gaf. Zij zeiden: zij zijn vol van zoete wijn. Zo spraken zij zonder er zich aan te storen dat dit in domheid was gesproken, want een dronken mens kan zijn tong niet meer regeren, laat staan dan dat hij in vreemde talen zou kunnen spreken.
Het voorgevallene was te buitengewoon, dan dat niet bij alle aanwezigen beweging had moeten ontstaan; de indruk van het pinksterwonder is echter verschillend naar de onderscheiden gezindheid van de personen. Een gedeelte, dat van de godvruchtigen, staat eerbiedig tegenover het wondervolle feit; de mannen die tot deze behoren, denken na en vragen wat wel de eigenlijke aard van de gebeurtenis was, wat die moest betekenen en welke de gevolgen hiervan konden zijn. Andere lichtvaardige, koude gemoederen, ook zij inbegrepen die Jezus vijandig gezind waren (Joh. 7: 12, 20, 27, 35vv. ; 8: 22 Joh 7. 12, 20, 27, 35), verharden zich tegen de indruk van de heilige daad van God; ja, zij verlagen die overeenkomstig hun eigen lage gezindheid, daar zij die spottend tegen treden en hen die de uitstorting van de Geest ontvingen van dronkenschap beschuldigen; de wereld heeft er toch een behagen in wat schittert zwart te maken en het verhevenste te verguizen.
Hier openbaart zich de eerste spleet tot de grote splitsing tussen het rijk van het licht en dat van het duisternis in de tijden van het Nieuwe Testament. “Wat wil toch dit zijn? ” dat is een goede uitroep. Deze getuigt van verwondering, van diepe ontroering van deze zielen. Zij zijn reeds door de werkingen van de Geest aangegrepen; zij vermoeden dat er iets nieuws, iets groots te Jeruzalem zal ontstaan, in Judea en in de wereld, dat het hemelrijk begint en in hun harten zelf zich iets nieuws verheft, dat uit hen zelf iets zal worden tot lof van God voor de zalige eeuwigheid. “Zij zijn vol van zoete wijn, ” zo spotten anderen; zij hebben dierlijke gedachten in hun zondenlust, zij zien met verduisterde ogen als van misdadigers, zij horen met verstompte, verdwaasde oren, zij oordelen met een bitter hart dat door de laagheid van de zonde verwoest is. Daarom is het heiligste voor hen een voorwerp van spot; daarom noemen zij de ruimste, verhevenste zieleblijdschap een woest drinkgelag. Hoe moet deze lage aanval van die spotters op de openbaring van de Heilige Geest alle lichtzinnige tongen onder ons waarschuwen en afschrikken, die het wagen het heiligdom van de Heere, Zijn woord, Zijn belijdenis aan te tasten. Dwaalt niet, God laat Zich niet bespotten, ongelukkige mensen, die met bittere smaadreden u aan de heiligdommen van Christus’ kerk kunt verzondigen.
Nieuwe en vreemde talen! Wat een moeite heeft zich een ongelovige of halfgelovige en jegens het ongeloof steeds toegefelijke wetenschap gegeven, om het wonder van het feest van de eerstelingen ter vervulling van de heerlijke belofte van de heengegane Verlosser weg te redeneren, of door zogenaamde natuurlijke verklaringen te ontzenuwen.
Er is dikwijls achter het spotten een ware wanhoop verborgen! Bij zo’n mens is dikwijls de helderste overtuiging van de waarheid in het binnenste geschreven. Hij is reeds overtuigd van de goddelijkheid van het Evangelie, maar hij wil het niet laten voortwerken, hij wil niet tot het licht komen, want hij heeft de duisternis liever dan het licht; daarom probeert hij zijn betere overtuiging weg te lachen en weg te spotten.
Zo laat zich dan ook de duivel in zijn eigen taal horen, waar de Geest naar het hart van de heilbegerigen te spreken geeft. Zo bespot hij en hier en aan alle plaatsen Gods werk, Gods werktuigen en hen die zich aan de werkingen van God met een ontroerd gemoed overgeven. Gods werk kan hij niet weerstaan, maar Gods werktuigen kan hij afschrikken, en het ontroerde gemoed plotseling in een andere stemming overbrengen, waarin het zich van Gods werkingen afkeert, tenzij God het verhoede. Mijne lezers! onderkent dat wapen van de spotternij, waar u het ontmoet, in al zijn verachtelijkheid, al zijne grofheid; het komt uit het tuighuis van de satan. Het is het eerste stuk in de wapenrusting van de Boze. Maar kent het ook in zijn gevaarlijkheid. Het is ras bij de hand, gemakkelijk te hanteren, maakt diepe wonden en door de vele en langdurige diensten die het gedaan heeft, geeft het hem die het gebruikt, een grote dapperheid in de aanval, een ontzettend vertrouwen op zijn kracht. Waarlijk, het heeft zijn tienduizenden verslagen en zijn honderdduizenden vooralsnog buiten gevecht gesteld. Voor even zo velen was het genoeg, het te zien glinsteren om terug te treden, waar zij reeds bijna bewogen waren met diepe belangstelling van de grote werken van God te vragen: Wat wil toch dit zijn? Vreest echter ook dit wapen niet te zeer! Bij God is een schild, waarmee gij al de vurige pijlen van de bozen kunt uitblussen! Met de kerk van Christus, met de waarachtige discipelen van de Heere, met de grote werken van God, met de werkingen van de Heilige Geest in het bijzonder is achttien eeuwen lang door spotters gespot. Zij, die van Petrus en de elven gezegd hebben: “zij zijn vol van zoete wijn, ” en van Paulus: “de grote geleerdheid brengt u tot razernij, ” herlevende tot op deze dag in hen die christenen heten of niet, pinksterfeest vieren of niet, van alle wezenlijke werking van de Geest, waar zij zich krachtig voordoet, verklaren: het is dronkenschap, het is razernij, het is een lichaamskwaal, het zijn ontstelde hersenen, men is niet wijzer. Evenwel, het vaste fundament van God staat. Tot op deze dag is de Heilige Geest van de gemeente niet geweken; tot op deze dag schenkt Hij licht en kracht aan alle oprechte belijders van de Heere; tot op deze dag wordt Hij uitgestort op alle vlees; tot op deze dag is Hij het die twijfelende en oprechte zielen vragen doet: wat mag dit zijn? en ook wederhorige harten aan de Heer weet te onderwerpen. Eenmaal dus juicht de gemeente, eenmaal is ons pascha voor ons geslacht, maar het blijft pinksteren totdat de dag komt, waarop de hele tarweoogst van de Heere rijp zal zijn om vergaderd te worden in Zijn schuren. De laatste pinksterdag zal de dag van de wederkomst van de Heere zijn. Poorten van de hel, verzamelt al uw kracht, al uwe wijsheid! Ongoddelijke wereld, verzamel uw spotternijen; beraadslaag een raad, doch hij zal vernietigd worden; spreek een woord, doch het zal niet bestaan. De dochter van Zion lacht u uit, want God is met ons.
Maar die vraag van de verwondering bij de vromen: “wat mag toch dit zijn? ” en de spot van de lasteraars: “zij zijn vol van zoete wijn, ” trof het oor van de lofzingende vergadering. Zij liet zich uit liefde tot de zielen, beiden van die verwonderden en van die spottenden, gewillig storen in haar overdenkingen. En Petrus, staande met de elven, plaatste zich aan de borstwering van het dak (Deut. 22: 8) (?) om van daar zich aan de menigte te tonen en met haar te spreken. Hij verhief zijn stem op plechtige wijze en sprak in de waardigheid van een apostel van Jezus Christus tot hen: Gij Joodse mannen, (vs. 9) en gij allen, die te Jeruzalem woont (vs. 5), dit zij u bekend wat ik tot verduidelijking te zeggen heb en laat mijn woorden tot uw oren ingaan, opdat zij hun doel bij u bereiken.
Eerst spreken allen met vreemde talen, vervolgens zwijgen zij en in de plaats van allen treedt de apostel Petrus op om in Christus’ naam voor het hele volk te prediken en te getuigen. Evenals wij in de kerk ter ere van God lof en dankliederen zingen en Gods grote daden verkondigen en daarna één het woord neemt om de boodschap van Christus te brengen. Toen de godvruchtigen de vele talen hoorden, begonnen zij te twijfelen, maar toen Petrus in de gewone taal sprak en de tongen verstomden, werden de twijfelmoedig gewordenen overtuigd en er werden tot de gemeente toegevoegd ongeveer drieduizend zielen.
Opnieuw is Petrus de mond van de apostelen. Evenals wij hem in hoofdstuk 1: 15vv. zien optreden in de broederkring van de gemeente zelf bij de keuze van Matthias, zo treedt hij ook nu op in naam van de gemeente voor al het volk en plaatst zich moedig met de kruisvaan aan het hoofd van het kleine hoopje tegenover de vijandige wereld.
Petrus had zittende de gave van de Heilige Geest ontvangen; daar was hij temidden van de overige apostelen als aan de tafel van God heerlijk onthaald en voldaan. Nu trad hij op, want de strijdplaats opende zich, waarop hij de verkregen krachten van de genade moest gebruiken. Maar zichtbaar was het de lieve apostel bij deze verantwoording niet hoofdzakelijk om de eer en de naam van hem en van zijn medeapostelen te doen, maar om de eer van zijn gekruisigde Heiland en het heil van zijn toehoorders, ja zelfs van die hen beledigden. Was hij nog de oude Petrus geweest, die bij het lijden van de Heiland met het zwaard er in sloeg, dan had zijn woord geheel anders geluid; maar het wilde, natuurlijke vuur was gedoofd door het hemelse vuur van boven, de snelle tong was bedwongen door de zalving van de Heilige Geest, zodat zich met de moed de zachtmoedigheid, met de ijver de wijsheid verbond.
Want dit is het eerste dat ik wil zeggen, waarop in vs. 22vv. nog een tweede zal volgen, deze, die hier eendrachtig bij elkaar zijn en met andere talen God oven, zijn niet dronken van zoete wijn, zoals gij vermoedt, hoewel het woord ook in een andere zin zou kunnen worden genomen (Ps. 36: 9); want het is pas het derde uur van de dag, ‘s morgens 9 uur Joh 1: 38 en bovendien een heilig uur van gebed en wel op een hoog feest. Dan is ieder maar half beschaafd Israëliet nog nuchter tot het gebed (1 Petrus 4: 8) en voor zulke mensen, als waarvan in Jes. 5: 11 sprake is, zult gij ons toch niet willen uitgeven.
Dit voorstel was in het bijzonder gericht tegen de spotters, om hen, zowel als de overige toehoorders, te doen opmerken dat het spreken in vreemde talen een goddelijk wonderwerk was. Trouwens, zij die dronken zijn, zijn ‘s nachts dronken (1 Thessalonicenzen. 5: 7) en daarom zou niemand die niet onder de eerloze lieden wilde geteld worden, reeds zo vroeg in de morgenstond dronken zijn, vooral niet op een hoge feestdag, wanneer de Joden gewoon waren zich tot het derde uur, of zoals wij zeggen, tot ‘s morgens negen uur, van spijs en drank te onthouden.
Maar dit, wat heden is gebeurd en u in zo’n verwondering heeft gebracht is het, wat tot vervulling moet zijn van wat gesproken is door de profeet Joël reeds 890 jaren geleden in Joël. 3: 1-5 van het boek van zijn profetieën.
Petrus weet, dat hij op dit ogenblik voor het hele huis van Israël geplaatst is (vs. 36 Hij ziet in de vergaderden niet een massa die toevallig is bijeen gelopen, maar de vertegenwoordigers van het hele vroeger uitverkoren volk, in het bijzonder van de hele bevolking van Jeruzalem, waarvoor de apostelen in de eerste plaats als getuigen van Christus waren geroepen (hoofdstuk 1: 8). Als zodanige spreekt hij ze dan ook op eervolle wijze: “gij Joodse mannen” aan en roept hen uitdrukkelijk om te horen en ter harte te nemen. Daarbij onderscheidt hij twee groepen onder zijn toehoorders: in de eerste plaats wendt hij zich tot de Joden, waaronder hoofdzakelijk de eigenlijke inwoners van de hoofdstad en van Judea moeten verstaan worden, als die door het gewoon zijn aan het heilige reeds enigszins waren verstompt en daarom waarschijnlijk ook degenen waren, die spotten. Tegenover hun boosaardige laster verdedigt hij de heilige Pinkstervergadering door hen eenvoudig te wijzen op het uur van de dag dat vanzelf reeds de beschuldiging in haar ongerijmdheid doet kennen. Vervolgens heeft hij diegenen op het oog, die Lukas ons reeds boven heeft aangewezen als het gedeelte van de menigte dat voornamelijk in aanmerking komt, de godvruchtige mannen uit alle volken die onder de hemel zijn en hij stelt zich voor hun verwondering en hun zoeken en vragen te brengen op een weg die tot het goede doel leidt, doordat hij hun het wonder waardoor zij zo krachtig waren getroffen als de vervulling van een profetie verklaart.
De eerste apostolische prediking begint met de bede haar een luisterend oor te schenken; ziet, dat is de ootmoed van de Heilige Geest en de innige liefde van Jezus’ getuigen voor de zielen die voor Hem moeten worden gewonnen. Waar zou ooit de spreuk (1 Kor. 14: 32 “de geesten van de profeten zijn de profeten onderworpen” op sterkere wijze waarheid zijn geworden dan hier, waar de grote apostel en profeet Petrus zijn zo-even door de Geest ontvlamde Pinkstertong verandert tot de nuchtere en voor ieder verstandig mens verstaanbare rede?
“Gij Joodse mannen, ” zo begint hij; niet door een strafprediking wil hij de lasteraars verpletteren, nee, hij wil ze winnen, redden uit hun treurige verblinding, winnen voor de eeuwige Waarheid. Die liefde, die alles draagt, duldt en hoopt, laat hem het lasterend woord niet voorkomen als een uitbarsting van grote boosheid van het hart, maar alleen als van een tijdelijke dwaling: “deze zijn niet dronken, zoals u vermoedt. ” Het zou wellicht niet te hard zijn geweest, als hij hun in heilige ijver had toegeroepen dat hun tongen door de hel waren aangestoken, dat uit hen de duivel sprak, die een vader van alle leugen en een moordenaar van den beginne is. Maar daardoor had hij zich de toegang afgesloten tot hetgeen bij nu wilde verkondigen; daarom handelt hij over de nu uitgesproken beschuldiging slechts voor zover het nu nodig is, om voor iedere onbevooroordeelde haar onwaarheid te openbaren.
Door de verklaring van het wonder uit het profetische woord probeert de apostel in het bijzonder het gehoor te winnen van de godvruchtige Joden, die toch op de belofte van de profeten wachtten en zegt hun dat het derde uur van deze dag de verhoring van alle gebeden heeft aangebracht, die hun vaderen hebben geofferd, sinds het derde uur in Israël tot uur van het morgenoffer was geheiligd.
Slechts die leraar is in staat het Woord van de Heere juist te verklaren, die zelf de Heilige Geest in zich heeft. Als men zelf in het bezit is van de zaak, waarvan in de Schriften van de profeten zoveel wordt gesproken, dan vloeien verklaringen vol merg van de lippen.
a) En het zal zijn in de laatste dagen Isa 2: 2 zegt God: Ik zal b) uitstorten een bepaalde hoewel rijke mate van zijn Geest op alle vlees: en uw zonen en c) uw dochters zullen profeteren (hoofdstuk 21: 9) en uw jongelingen zullen gezichten zien en uw ouden zullen dromen, waarin dan velerlei wondergaven door de profetische geest, die in hun woord is, zullen geopenbaard worden.
Jer. 44: 3 Ezechiël. 11: 19; 36: 27 Joël 2: 28 Zach. 12: 10 Joh. 7: 38 Hand. 10: 45 c) Luk. 2: 36 Hand. 21: 9
En ook op Mijn dienstknechten en op Mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren.
En Ik zal wonderen geven in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur en rookdamp zullen er zijn.
De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en doorluchtige dag van de Heere komt.
En het zal zijn dat een ieder, die de naam van de Heere zal aanroepen, zalig (woordelijk “gered zal worden (Rom. 10: 13).
Om de vergaderde Joden op de betekenis van het ogenblik te wijzen, haalt Petrus uitvoerig een profetie aan van het Oude Testament, waarin de uitstorting van de Geest beloofd was. Het specifiek nieuwtestamentische in deze voorspelling ligt daarin, dat niet meer alleen enkele theocratische ambtbekleders de Geest als Ambtsgeest, maar alle leden van het volk van God de Geest als Geest van het nieuwe leven zullen ontvangen (Num. 11: 29). In het “spreken met andere talen, zo als de Geest hun gaf uit te spreken, ” en het geheel vervuld zijn met de Geest, dat zich niet alleen bij de mannen, maar ook bij de vrouwen (hoofdstuk 1: 14) openbaarde, ziet Petrus de belofte van profeteren, waarvan de profeet spreekt, vervuld, als wilde hij zeggen: “ziet, zij allen profeteren; ” in plaats van de weinige profeten van het Oude Testament is nu heel het volk met de profetische Geest vervuld. Wat de verhouding van de hier aangehaalde plaats tot de woorden van de grondtekst en de Griekse vertaling (Septuagint a) aangaat, stemt zij, wat de inhoud betreft, overeen. De tekst is echter vrij uit het geheugen aangehaald en dan hoeft men zich over verplaatsingen en veranderingen niet te verwonderen. Twee afwijkingen mogen echter niet over het hoofd worden gezien: 1) dadelijk aan het begin lezen wij: “in de laatste dagen”, terwijl bij de profeet staat: “daarna”. Dit is te verklaren uit de gedachte van de apostelen, die in het hele Nieuwe Testament gevonden wordt, dat met de toekomst van Christus in het vlees ook werkelijk het einde van alle dingen aanwezig was en inderdaad is ook de tijd waarin de Messias verschijnt in vergelijking met de menigmaal en op velerlei wijze voorafgegane voorbereidende openbaringen van God de laatste (Hebr. 1: 1 v). De laatste daad van God ter zaligheid is geschied. Voor hem die deze veracht, is geen ander offer voor de zonde meer te verwachten, maar alleen het oordeel (Hebr. 10: 26); wie echter deze gelovig aanneemt, zal gered worden; daarom voert de apostel ook nog mede de verzen aan, waarin sprake is van de vreselijke tekenen van de toekomst, om de harten te bewegen tot bekering. Bovendien zegt Petrus: 2) “Ik zal van Mijn Geest uitstorten” terwijl bij Joël algemeen wordt gezegd: “Ik zal Mijn Geest uitgieten. ” Door de wijze, waarop de apostel zich uitdrukt, wordt de uitstorting van de Heilige Geest, hoe krachtig die ook was, toch nog voorgesteld als een gedeeltelijke, zodat de voorzegging van de profeet, in zoverre zij de gehele volheid van de goddelijke Geest aan het volk belooft, in haar oorspronkelijke vorm nog voor een verdere toekomst blijft.
De zo-even medegedeelde mening van de apostelen dat met Christus’ verschijning in het vlees het einde van de wereld was gekomen (1 Kor. 10: 11), is zeer juist. Door alle vorige tijden wordt een worstelen gezien, een streven naar een begeerd doel, maar dit doel wordt, hoe dikwijls het ook geheel of bijna bereikt scheen, telkens weer in de verte geplaatst; hier is het worstelen en lopen voor de eerste maal tot het doel en tot de rust, hier is de beweging van de eeuwen voor de eerste maal tot stilstand gekomen; de tijd is voor de eerste maal verzadigd, bevredigd door de eeuwigheid. Hier is dus het werkelijke einde; nu is niets meer over dan dat dit einde, dat hier nog voorkomt als tot een klein punt beperkt, zich beweegt door de gehele kring van het menselijk geslacht. Indien nu deze beweging niet anders kan plaatshebben dan in de vorm van de tijd, waaronder de ontwikkeling van alle menselijke zaken is geplaatst, zo is dat toch altijd de beweging van het einde en maakt deze tijd tot de tijd van het einde en deze dagen tot de laatsten. Evenals echter het begin van het einde volgens Joël de uitstorting is van de Geest over alle vlees, zo is de voltooiing van het einde de ondergang van hemel en aarde. Wie dan de laatste tijd is ingetreden, is zo’n tijd ingetreden die hem onophoudelijk tot de ondergang van hemel en aarde voortleidt. Het is dus zijn zaak er acht op te geven dat hij van eigen ondergang gered en tot de zaligheid geleid wordt, die tot deze laatste tijd direct van het begin aanwezig is en met dit einde eveneens zal worden voltooid. De weg tot redden is reeds bij de profeet aangewezen met het aanroepen van de naam van de Heere; bij hem toch is de redding slechts van verre aangetoond; daarentegen kon de apostel haar voor zijn hoorders als zeer nabij voorstellen. Opmerkelijk is ook het woord bij Joël: “op de berg Zion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn. ” Petrus laat dat weg, omdat de plaats waar hij sprak en waar de toehoorders zich bevonden, als wij de vergaderplaats van de discipelen in het huis van Johannes op de berg Zion stellen, vanzelf reeds aan dat woord herinnerde. En zo predikt hij hun in het volgende, het tweede deel van zijn rede Hem, die God tot een Heere en Christus heeft gemaakt en in wiens naam Hij wil worden aangeroepen in de laatste tijd.
Waartoe moet ons de overtuiging opwekken dat wij in de laatste dagen zijn? Zij moet ons opwekken: 1) op te letten op het woord van Gods genade; 2) onafgebroken te bidden om de gave van de Heilige Geest; 3) ijverig er naar te streven dat wij bevonden worden in de dienst van God.
Gij Israëlitische mannen! (hoofdstuk 3: 25) hoort, nadat ik uw beschuldiging heb weerlegd en op uw vraag het nodige antwoord heb gegeven, deze woorden waarmee ik u nog meer wil bekend maken (vs. 14): Jezus, de Nazarener, een man van God gekomen als Profeet en Verlosser van Zijn volk, onder ulieden (liever “in betrekking tot u, zodat gij wel moet weten met wie gij te doen hebt, betoond door krachten en wonderen en tekenen als de Messias, en wel door tekenen die God door Hem gedaan heeft in het midden van u, zoals ook gij zelf weet, zodat gij uitdrukkelijk hebt uitgeroepen: “een groot profeet is onder ons opgestaan en God heeft Zijn volk bezocht” (hoofdstuk 10: 38 Luk. 7: 16; 24: 19).
Dit is de pinksterprediking van Petrus: zo’n prediking heeft nog niemand gehouden en ook later zijn de grote daden van God nooit met zo’n gevolg verkondigd als hier, waar opeens drieduizend zielen het woord aannamen en als een rijpe vrucht in de schuren van God werden ingeleid (vs. 37-41). Hoe lang moeten wij, dienaars van het woord, prediken, voordat wij enkele zielen voor het rijk der hemelen hebben gewonnen, ja, hoe dikwijls moeten wij jaren lang arbeiden, zonder één vrucht van onze arbeid te zien, terwijl daar door één prediking een hele gemeente werd vergaderd en gesticht! Nu zou men misschien kunnen denken dat de apostel met verheven woorden van menselijke wijsheid, met grote kunst en welsprekendheid zal hebben gesproken, zoals dat gewoonte is in de wereld; maar van dat alles vinden wij hier niets. Zijn woorden zijn eenvoudig, er is geen wereldse kunst, geen opsiering, niets schitterends in; maar er is kracht van boven in en daarom gaan zij ook voort als een sterk gewapend man, die een zwaard in de hand draagt en alles wat hem wil tegenstaan met overwinnend geweld op de grond werpt. Wat deze overwinning heeft bewerkt is niets anders dan de verkondiging van Gods grote daden tot zaligheid van de wereld, het woord van het kruis, het evangelie van Christus, die voor ons is gestorven en opgewekt.
Tot hiertoe had Petrus de gebeurtenis van de dag in het licht van het profetisch woord geplaatst en als vervulling voorgesteld van de grote beloften van God, die ook hun zeer ernstige en indrukwekkende kant hebben. Nadat zo de gemoederen tot ernst en aandacht gestemd zijn, komt hij pas tot de kern van de zaak en legt hij nu een open en duidelijk getuigenis daarvan af, hetgeen tevens in het geweten grijpt, dat Jezus van Nazareth, die door Zijn volk is gekruisigd, door God volgens de belofte is opgewekt, is verhoogd, de Geest heeft uitgestort en de Heere en Messias is. De apostel houdt alzo de gebeurtenis van de dag vast in het oog; de uitstorting van de Heilige Geest gaat als de gouden draad door zijn hele rede heen; maar zijn rede wordt toch, daar zij een zendingstoespraak moet worden, tot een getuigenis van Jezus, die gekruisigd, opgestaan en verhoogd, die Heere en Verlosser is. Petrus wendt zich, als hij op het punt staat tot dit hoofdpunt van zijn rede over te gaan, tot zijn toehoorders met een herhaald aanspreken en de bede om hun opmerkzaamheid.
Met de erenaam van het verbond “Israëlitische mannen” spreekt hij hen aan; hij wil ze daarmee lokken tot zachtmoedig aanhoren van de woorden, die Israël’s hoop, als in Jezus van Nazareth vervuld, voorstellen.
God had besloten om Zijn heilsplan door Hem te volvoeren (Jes. 53: 10) en heeft in de hele zaak niet toegelaten dat iets zou geschieden wat niet te voren was geweten en berekend. Deze dan, door de bepaalde raad en voorkennis van God overgegeven zijnde aan degenen die Hem ter dood veroordeelden, hebt gij genomen en door de handen van de onrechtvaardigen, de heidenen (Wijsh. 17: 2, Rom. 2: 14), de Romeinen, die zonder de heilige wet leven, aan het kruis gehecht (Joh. 19: 16) en gedood, wat toch uw oversten hebben gedaan is een daad van het hele volk en dus ook uw daad.
Boven alles wil de apostel Jezus van Nazareth, de zozeer verachte onder zijn toehoorders verheerlijken. Met dat doel in gedachten spreekt hij zowel van de staat van vernedering als ook van de verhoging van onze Heiland en reeds waar hij Jezus in Zijn diepste vernedering voorstelt, doet hij Hem kennen als degene die God hun heeft voorgesteld door bijzondere tekenen, die Hij vóór Zijn lijden heeft verricht, om hen te overtuigen dat Hij de ware Messias en Heiland van de wereld was.
De Heilige Geest, dat wist en geloofde hij, zou bij de korte herinnering aan de profeet van Nazareth met Zijn daden, zoals die nooit een mens gedaan had (Joh. 5: 24) in hun hart een zo krachtig getuigenis van deze man afleggen, dat zij met angst en vreze werden vervuld over hun onrechtvaardig gedrag (Job. 16: 8vv.). In datzelfde vertrouwen werpt hij ook de schuld van Christus’ dood op allen, zowel die te Jeruzalem woonden als die er niet woonden en is hij zeker, dat de Heilige Geest er hen krachtig genoeg aan zal herinneren hoe hun vijandschap in het hart tegen de verachte Nazarener hen tot Zijn moordenaars maakt.
Hoe gerust, hoe ernstig, hoe plechtig en majestueus zegt Petrus dat zijn volk in het aangezicht. Zonder vrees en onverschrokken stelt hij hun hun zware bloedschuld voor ogen en slaat hij hun als ‘t ware een nagel in het hart met de woorden: “gij hebt Hem aan het kruis gehecht en gedood. ” Zo moest de prediking van Christus beginnen met een herinnering aan Zijn kruis en aan de schuld van Zijn volk. En zo moet zij nog altijd daarmee beginnen dat men Christus aan de wereld voorstelt als de Gekruisigde en juist daardoor het gevoel van schuld omtrent Hem opwekt, opdat in zondige mensenharten de belijdenis zij: “Mijn zaligheid! wat Gij draagt, is de last van mijn zonden.
De dood van Jezus was van Gods zijde de vervulling van het eeuwige raadsbesluit van de verlossing, van de zijde van Jezus een vrijwillige liefdedaad, van de zijde van de Joden een toerekenbare schuld, het toppunt van hun misdaden tegen de HEERE; hier wordt nu alleen aan het eerste en laatste opzicht gedacht. Petrus beschuldigt alle aanwezigen van de moord aan Jezus gepleegd, omdat de daad van de overheid een daad is van het door haar vertegenwoordigde volk, dat overigens ook direct daarbij heeft medegewerkt en heeft geroepen: “Kruisigt Hem, kruisigt Hem! ” Vervolgens omdat de dood van de Heere ten gevolge van de algemene zondigheid een gezamenlijke daad en gezamenlijke schuld van het menselijk geslacht is.
a) Welke door u gevangen en gedode Jezus God opgewekt heeft op de derde dag, zoals Hij u tevoren heeft verkondigd (Joh. 2: 19 MATTHEUS. 12: 39v.). God heeft dat gedaan, de smarten, de banden (Ps. 18: 6; 116: 3 van de dood ontbonden hebbende, alzo het niet mogelijk was dat Hij door die dood kon gehouden worden (Joh. 10: 17v.).
Hand. 10: 40
Want David zegt in Ps. 16: 8-11 van Hem, op Hem heen wijzende, zodat de woorden naar de vervulling op Hem zien (vgl. hoofdstuk 13: 35vv.): Ik zag de Heere voortdurend voor mij, zodat Hij mijn bestendig doel is en ik Hem ook voor zo’n verhouding van de nauwste levensgemeenschap mij als nabij ken, want Hij is als een helpende Vriend en machtige Helper aan mijn rechterhand, opdat ik niet bewogen worde van de plaats waarop ik eenmaal sta.
Daarom, om deze onwrikbare vastheid, is mijn hart verblijd ook in het aangezicht van de dood die ik tegemoet ga en mijn tong verheugt zich (aldus luidt de Griekse vertaling van het Oude Testament, in Ps. 16: 9 staat daarentegen: “mijn eer of ziel verheugt zich Ja, ook mijn vlees zal rusten in de hoop van de opstanding? : (in de Psalm staat: “zeker wonen, ” zonder leed onder Gods bescherming blijven).
Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten, noch aan het dodenrijk, de Hades “Job 7: 9, overlaten, dat zij daarin moet blijven, noch zult Gij Uw heilige overgeven om verderving te zien Ps 16: 10.
Gij hebt mij de wegen van het leven bekend gemaakt (in Ps. 16: 11 staat: Gij zult mij het pad van het leven bekend maken); Gij zult mij vervullen met verheuging voor Uw aangezicht (bij de psalmist staat: “verzadiging van de vreugde is bij Uw aangezicht, liefelijkheden zijn in Uw rechterhand voor eeuwig).
Gij mannen broeders (hoofdstuk 1: 16) het is mij geoorloofd vrij uit tot u te spreken van de aartsvader David, de vader van de koninklijke familie van ons volk, aan wie van onze zijde alle eerbied toekomt. Doch wij zien er niet aan voorbij dat aan hem nog veel menselijks en gebrekkigs was, veel dat nog verre was van het volmaakte; wij weten, a) dat hij beide gestorven en begraven is, zonder dat in de Schrift van hem iets verder wordt bericht en zijn graf is onder ons, hier op de Zionsberg, in de onmiddellijke nabijheid, tot op deze dag. Dat is een luid sprekend getuigenis dat hij wel de verderving heeft gezien en in de dood is gebleven. Hij kan dus niet zulke grote dingen van zichzelf hebben bedoeld als hij in de aangehaalde psalmwoorden uitspreekt.
1 Kon. 2: 10 Hand. 13: 36
Daar hij dan een profeet was, die in de Geest van God de toekomst mocht aanschouwen en wist a) dat God in het woord dat door Nathan tot hem kwam (2 Sam. 7: 4vv.), hem met ede gezworen had dat Hij uit de vrucht van zijn lendenen, wat betreft het vlees, de Christus verwekken zou om Hem op zijn troon te zetten (Ps. 132: 11 Luk. 1: 32v.).
Hand. 13: 23 Rom. 1: 3 2 Tim. 2: 8
Zo heeft hij dit, wat hij in de Psalm zegt, voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, van de Christus die als de vrucht van zijn lendenen hem was aangekondigd, a) dat Zijn, namelijk Christus’, ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien 1Ki 2: 9.
Ps. 16: 10 Hand. 13: 35
Deze Jezus, op wie ik van vs. 22 af gewezen heb, heeft God opgewekt, zoals reeds in vs. 24 is gezegd, waarvan wij allen, wij twaalven die hier voor u staan (vs. 14) getuigen zijn (hoofdstuk 1: 22) en welke overeenkomst er nu bestaat tussen hem en de Christus, over wie David heeft geprofeteerd, zal ik vervolgens in vs. 36 nog in het bijzonder aanwijzen.
Petrus stelt uit Ps. 16 voor, dat de bewaring voor de macht van dood en graf een noodzakelijk teken is aan Hem, de aan David beloofde Koning van Israël. Hij beweert dat nu dit teken juist paste op Jezus van Nazareth, terwijl hij zich daarvoor beroept op de gebeurtenis van de apostelen die naast hem staan. Hier kan hij niet meer tot zijn toehoorders afdalen, want alleen aan de gelovigen had Jezus Zich na Zijn opstanding geopenbaard (hoofdstuk 1: 3; 10: 41); de overigen wisten alleen dat Hij niet gebleven was in het graf, waarin Hij gelegd was (MATTHEUS. 28: 13vv.). De eis, die hij aan zijn hoorders doet, om hem en zijn medegetuigen in deze mededeling van hun eigen ervaring geloof te schenken, is geenszins te zwaar, maar volkomen gerechtvaardigd. Wie in staat was Petrus met de elf overige apostelen, die uit de schare op de voorgrond getreden waren, die met de Geest vervuld was en op wonderbare wijze God loofde, in deze hun ernstig en gewichtig getuigenis te wantrouwen, moest zich opzettelijk hebben gesloten voor de inwendige macht van dit getuigenis. Wie daarentegen met enige vatbaarheid dit getuigenis van Jezus’ opstanding opnam, wat een indruk moest het bij die veroorzaken, vooral daar wat hiermede werd uitgesproken in de schoonste harmonie stond met de openbaring van Jezus gedurende Zijn leven. In zo verre moest het ook een aanknopingspunt vinden in het medeweten van de toehoorders. “Opgewekt uit de doden, ” in wat een verwondering moest dit woord de vreemdelingen brengen, die nog nooit van een opstanding hadden gehoord! Hoe moest het zelfs de kinderen van Jeruzalem door de ziel dringen, die het wel meestal weer vergeten waren wat op het laatste Paasfeest in hun stad was geschied! Want het was sedert die tijd stil geworden omtrent deze gekruisigde Jezus; men had er niet meer van gesproken, men had niets meer van Hem gezien en de weinigen die er van wisten, hadden zich verborgen gehouden: men hield het voor een sprookje, dat niet waard was om er over te spreken. Nu treedt er op eens één op, die predikt: Hij is opgestaan van de doden. Door dat wonder heeft de Vader krachtig bewezen, dat deze Zijn lieve Zoon was en het zegel van de waarheid op Zijn woorden en daden gedrukt. Daarmee heeft Hij voor de hele wereld betuigd dat deze, die onder de misdadigers was gerekend, toch de Heilige en Rechtvaardige is, dat deze vernederde en verachte toch de Koning der ere, deze gekruisigde, gestorvene en begravene de Vorst van het leven, de Heere en Christus, de Heiland van zondaren is. Omdat nu de opstanding zo gewichtig is, moet zij ook zeker en onweerspreekbaar zijn; daarvan gaat de apostel direct aan het bewijzen en wel uit het Oude Testament, zoals dat voor Israëlieten het meest passende en overtuigende was.
Om het te vatten, dat juist dat woord uit de zestiende Psalm, hier aangehaald van vs. 25-28, op de Messias en Zijn opstanding zag, is het nodig zich door Hem te laten onderwijzen, die niet leert zoals de Schriftgeleerden, maar met gezag. Voordat de discipelen zijn Geest ontvangen hadden, konden ook zij dergelijke schriftverklaring van het Oude Testament niet vatten. Is het te verwonderen dat de godgeleerdheid van deze eeuw, die niet uitgaat van het gezag van de Heere, maar van het gezag van haar eigen rede, haar eigen begrippen, van diezelfde schriftverklaring geen denkbeeld, maar enkel afkeer heeft? Het is immers zo: de Psalm lezende, zoals hij daar in de bundel voor ons ligt, is het immers de schrijver, David, die daarin spreekt, die daarin van zich zelf, van zijn levensweg, van zijn hoop spreekt. En toch! daar is in de plaats door Petrus aangehaald een toon, die geheimen aankondigt, vooral voor wie haar leest in het oorspronkelijke. Het is dat de David, die in delen en in zo vele andere psalmzangen preekt, in dat profetisch en profetisch-typisch plan, dat het wezen van het Oude Testament uitmaakt, het omhulsel, om zo te zeggen, is van een meerdere dan hij zelf, van een later en verhevener Koning, gezalfde en geliefde van God – van een tweede, een wezenlijke David dan die duizend jaren vóór de komst van zijn goddelijke Nazaat Hem als hoofd en middelpunt van het Godsrijk vertegenwoordigde. Wat die eerste David alzo van zichzelf zong, was deels en in een eerste plaats historisch waarachtig van hem persoonlijk, maar dan ook in een tweede plaats profetisch waarachtig van de hem Beloofde uit zijn eigen lendenen. Het zijn verborgenheden voor het vleselijk oog, voor de zelfgenoegzame rede, maar tevens diepten en heerlijkheden van Gods Heilige Geest. Aldus behaagde het Hem: in het woord door David uitgesproken legde Hij een kracht als van groei en uitzettingsvermogen, waardoor het reiken zou tot in verte van dagen, – een diepe zin, waardoor het dan eens toestanden uitdrukken kon ver boven die van David verheven, ja waarvan in David’s eigen leven nauwelijks een schaduw te vinden is (denk aan Psalm 22), dan waarom, tegelijk historisch en typisch, levenstoestanden èn van David èn van de Meerdere dan David omvat.
In de Psalm wordt de dood opgevat naar zijn dubbele werking, ten eerste in betrekking tot het lichaam en vervolgens op de ziel. De eerste wordt voorgesteld als beschermd voor de laatste werking van de dood, de verderving: de laatste wordt beschreven als wel het duister oord van de schimmen ziende, maar zeer spoedig daaraan ontnomen en aan het rijk van het licht weergegeven. De nauwkeurigheid, waarmee deze trekken in de ontwikkeling van Jezus’ leven zich verwezenlijken, maakt deze voorspelling tot een van de merkwaardigste van de Heilige Schrift. Terwijl namelijk Zijn heilig lichaam onaangeroerd bleef van de verderving, ging Zijn ziel tot de doden, maar keerde spoedig weer en verhief Zich met het verheerlijkt lichaam bij de opstanding.
Terwijl Petrus aanwijst dat de profetie in Jezus vervuld is, beweert hij, dat Jezus wel in de hades geweest, maar niet daarin gebleven is. In 1 Petrus 3: 18vv. komt hij op leerzame wijze op dit feit terug. In onze tekst is het oog daarop gevestigd dat Jezus Zich aan het noodlot en de wet van de dood geheel en waarachtig, maar niet blijvend onderworpen heeft. Hij had de toestand van overgang uit het aardse leven tot het leven van de opstanding en de eeuwigheid mede doorstaan en alzo is niets menselijks Hem vreemd gebleven. Aan de andere kant is de opstanding van Jezus een des te beslissender overwinning hoe voller Hij de toestand van de dood zelf ervaren heeft. Het bijzonder doel waartoe het neerdalen in het dodenrijk moest dienen, is pas later door de apostel in het licht gesteld.
Hij dan veertig dagen na Zijn opstanding a) door de rechterhand van God verhoogd zijnde, die Hem in de hemel heeft gezet op de troon daarboven (Openbaring 12: 5) en als Koning van het hemelrijk b) de beloften van de Heilige Geest ontvangen hebbende van de Vader, om ze zo te verwezenlijken als in Joël 3: 1vv. is voorzegd (Ps. 68: 19), heeft dit c) uitgestort, dat gij nu ziet en hoort. Hij heeft de Heilige Geest onder zulke buitengewone tekenen en werkingen geschonken, zodat gij nu eveneens de oog- en oorgetuigen van Zijn verhoging zijt, als wij het zijn geweest bij Zijn opstanding.
Hand. 5: 31 Filippenzen 2: 9 b) Hand. 1: 4 c) Hand. 10: 45
Daarin is Hij nu bewezen zo veel hoger en groter te zijn dan David, als Gods troon in de hemel hoger is dan David’s troon op aarde was. Want David is niet opgevaren in de hemelen, dat zijn eigen koningschap reeds een zo bestendig en eeuwigdurend koninkrijk zou zijn, als hem toegezegd werd (2 Sam. 7: 16 Ps. 89: 4v.). Maar hij zegt in Ps. 110: 1, voorziende in wie die toezegging haar vervulling zou vinden: a) De Heere HEERE, heeft gesproken tot mijn Heere, tot Hem, die mijn Zoon en tevens ook mijn Heer is, tot de Messias (MATTHEUS. 22: 41vv.): “Zit aan Mijn rechterhand.”
1 Kor. 15: 25 Efeze. 1: 20
Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank aan Uw voeten” (Hebr. 1: 13).
Evenals Hij heeft uitgestort wat op het pinksterfeest neerruiste als een vruchtbaarmakend onweer, zo stort Hij nog steeds Zijn hemelse zegen neer op de gemeente. De zonnestralen van Zijn liefde die op onze levensweg vallen, de regens van Zijn woord die de aarde vruchtbaar maken, de dauwdroppels van Zijn genade die ons hart verkwikken, de stormen van Zijn oordelen die ons geweten wakker maken, de hemelse geuren van Zijn vrede die om ons in onze ellende ademen, dat alles heeft Hij uitgestort en stort Hij uit, dat zijn alle getuigenissen dat Hij nog leeft, dat hij ook daarboven nog op de troon van de heerlijkheid aan de Zijn denkt, vervullingen van de belofte: Ziet Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de wereld.
Het “totdat” begrenst de tijd van de genade van het rijk van Christus. Zijn heerschappij aan de rechterhand van God, die Hij door de grote pinksterdaad heeft geopenbaard, duurt in de genadige kracht van het pinksterfeest voort, totdat door vuur, bloed en rookdamp Zijn vijanden tot een voetbank aan Zijn voeten worden gelegd. Tot zolang laat Hij toe dat Hij in Zijn rijk wordt bestreden en de kunst van het geloof is er voor nodig dat men zich aan Hem vasthoude als de Heere, aan wie alle macht gegeven is in de hemel en op aarde.
Naar ons zien en voelen is het niet overal zichtbaar dat Christus bij ons zo met macht regeert, maar integendeel zien en voelen wij het tegenovergestelde en is er voor de ogen van de christenen niets dan zwakheid en machteloosheid, alsof zij ellendig en verlaten zijn, zonder hulp en redding, door de wereld onderdrukt en met voeten getreden, daarenboven door de duivel met de zonde, de verschrikkingen en angsten van dood en hel overvallen en gedrukt. Bovendien zijn er allerlei ongevallen, gevaren en noden over hen, meer dan over alle andere mensen. Daarom moet er zo’n grote geloofskunst en een meesterstuk bestaan om tegen zodanig gevoelen en gewaarworden te strijden en te vechten en zich aan het woord alleen te houden, hetgeen hij hier hoort, dat deze Christus, hoewel onzichtbaar, daarboven door God geplaatst is aan Gods rechterhand, nu daar zal en wil blijven om ons vandaar met macht te regeren, maar voor de wereld heimelijk en verborgen. Want dit Scheb-lemini (zit aan Mijn rechterhand) moet waar zijn; daar God zelf het zegt, zal geen schepsel het omverstoten of vals maken, dan zal hij het ook niet mogen loochenen, hoe het ook schijnen en zich vertonen moge.
Moet Christus wachten totdat al Zijn vijanden gesteld worden tot een voetbank van Zijn voeten, waarom zouden wij dan ook niet wachten?
Zo weet dan zeker met goddelijke, op Gods grote daden gebaseerde gewisheid, het hele huis van Israël, de hele gezegende familie van de aartsvader Jakob, die met zo groot verlangen op de zaligheid van de Heere wachtte (Gen. 49: 18), dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, Hem boven alles heeft verhoogd, die David reeds hier heeft geëerd en voor Wie de troon in de hemel bereid is (Ps. 103: 19 Rom. 9: 5 Efez. 1: 22), en aan de andere zijde gesteld heeft tot Een, die Zijn volk zalig zalmaken, namelijk deze Jezus, die gij gekruisigd hebt.
Het was hier niet de plaats om de logosleer, wie Christus was (Joh. 1: 8vv.), te ontwikkelen, maar eenvoudig moest worden bewezen dat die Jezus, die de Joden tot hiertoe alleen als Gekruisigde bekend was, voor hen bewezen werd de hun beloofde Heere en Messias te zijn. Uit de Verachte heeft God zo iemand gemaakt. Dat Jezus voor de ogen van de Joden nu een ander geworden was, dit alleen behoorde tot dit tijdpunt.
Met dit krachtig slotwoord wendt Petrus zich nog eens tot het verstand van zijn hoorders, aan wie hij uit Gods woord, evenals uit hun ervaring en hetgeen zij zo-even zagen en hoorden, Jezus als de Messias had bewezen. Vervolgens wendt hij zich tot hun hart en geweten, waarin hij voor het laatst een scherpe prikkel boort en hun hun zonde zowel als de weg naar de zaligheid voorhoudt met de woorden: “Gij hebt Hem gekruisigd, maar God heeft Hem tot een Heere en Christus gemaakt.”
Kent u een ontzettender tegenstelling dan: “Gij hebt uw Messias gekruist. De Gezegende boven alle gezegenden, in wie Israël en al de volken gezegend zouden worden, de Engel van het Verbond, Gods Zoon, de verlosser van Israël, de God van de vaderen, hebt gij, toen Hij tot u kwam als een mens om u al het beloofde heil en nog zoveel meer aan te brengen, als een onwaardige verworpen en als de ergste van de misdadigers aan het kruis gehecht. ” Voorzeker, dat was een slag waarmee deze zondaren werden doodgeslagen. En toch, zo ver moet het komen bij iedere Israëliet, die zich bekeert. Hij moet zich bewust worden dat hij in het ongeloof zijn gezegende Messias aan het kruis heeft gebracht en gedood. En tot die bewustheid moeten ook zij komen die niet uit Israël, maar uit de volken zijn. Of meent gij dat de heidenen in hun ongeloof beter waren dan Israël in zijn ongeloof. Nee, Joden en heidenen hebben Jezus aan het kruis gehecht en gedood, want de menselijke natuur is in haar ongeloof vijandschap tegen God en kan geen Jezus dulden, die niet anders spreekt dan goddelijke woorden en niet anders doet dan goddelijke daden en niets anders eist dan gehoorzaamheid aan God.
a) En toen zij dit hoorden, wat hun Petrus van vs. 22 had voorgehouden, werden zij verslagen in het hart over de zware zonde die op hen lag en zeiden tot Petrus en de andere apostelen om te antwoorden op de harten winnende rede (vs. 29) met een gewonnen hart: b) Wat zullen wij doen, mannen broeders? Hoe zullen wij Gods toorn die wij verdiend hebben, ontgaan, hoe het kwade dat wij gedaan hebben, weer goed maken?
Zach. 12: 10 Luk. 3: 10 Hand. 9: 6 b) Hand. 16: 30
Petrus heeft een grote eis aan hen gedaan. Dezelfde die zij nog weinige weken geleden in de gedaante van een dienstknecht zagen wandelen, die zij aangeklaagd, gehoond, mishandeld, de heidenen tot de smadelijkste dood hadden overgeleverd, die moeten zij nu als hun Heere erkennen, die moeten zij tot hun Heiland of tot hun Rechter kiezen – deze keus stelt Petrus hun voor; en er moet in zijn wezen een ernst en majesteit zijn geweest, die ieder gemoed trof, er moet uit zijn ogen iets hebben geschitterd als een vuur van de levende God, want nauwelijks heeft hij geëindigd, of opeens zijn de harten van de hoorders getroffen en heel het volk breekt los in een luid klagen en zegt als met één stem tot Petrus en de andere apostelen: “wat zullen wij doen, mannen broeders? ” Er wordt geen tegenspraak vernomen, geen verontschuldiging wordt gehoord, geen mens treedt uit de menigte te voorschijn om de bloedschuld te ontkennen die zij op zich hebben geladen; maar heel het volk buigt zich verschrikt onder de treffende woorden van de apostel. Het zwaard van de Geest is hun door het hart gegaan en heeft, merg en been doorsnijdend, zich betoond als een Rechter van de overleggingen en gedachten. Nu zien zij in wie zij gestoken hebben, nu voelen zij wie zij hebben verworpen en het grote oordeel van God treedt voor hun geest. Waar zullen zij heenvluchten voor Zijn toorn? Hoe zullen zij het dreigend verderf ontkomen? Wie zal hen redden van de dreigende afgrond die zich voor hun voeten opent? De angst van hun hart is groot! Zo heeft dan hier de Geest van de Heere Zijn verslaande macht uitgeoefend en dadelijk bij Zijn eerste getuigenis gedaan wat Jezus in Joh. 16: 8vv. had voorzegd, namelijk, dat Hij de wereld zou overtuigen van zonde en gerechtigheid en van oordeel.
De spotters zijn volkomen tot zwijgen gebracht, of zij hebben zich van hun waan bekeerd, of zij durfden om de menigte de gedachten van hun harten niet te openbaren. Het grootste getal van de toehoorders is namelijk in het hart getroffen door een grote smart. Dat inwendig getroffen zijn heeft een dubbele reden; ten eerste zijn de aanwezigen geroerd door het woord van Petrus dat de laatste tijd, waarvan het einde de ondergang van alle dingen brengt, gekomen is, waarvan de aankondiging hen uit al hun rust en veiligheid wakker heeft geschrikt. Vervolgens werden zij gewaar dat zij zich in verschrikkelijke verblinding als tegenstanders en vijandig gesteld hadden tegen de enige toevlucht en hulp, die voor deze laatste tijd was gegeven. In dezelfde mate als de schrik van de laatste tijd hen drijft tot de naam van Jezus, die hun als banier van de redding is opgericht, in diezelfde mate drijft de herinnering aan hun dodelijke, ontzettende vijandschap tegen Jezus, die hun eveneens is voorgehouden, daarvan terug. De smart van het hart dat geheel tot radeloosheid wordt voort gedrongen, is echter zo sterk dat zij zich wenden moest tot de spreker van de met de Geest vervulde pinkstervergadering met de vraag: “wat zullen wij doen? ” Had Petrus op de vraag niets meer kunnen antwoorden dan wat hij reeds uit de profeet had aangehaald (vs. 21), dat zij de naam van de Heere moesten aanroepen, zo zou hij aan de diep gevoelde behoefte van de harten, die zij met open woorden uitspraken, niet hebben voldaan. Indien zij toch ook al wisten dat deze Heere niet meer degene was die in de hemel was besloten en van de aarde gescheiden, niet meer die in vlammende heiligheid op Zijn troon is en de ongenaakbare voor menselijke zintuigen en ogen is, maar (volgens vs. 36) Jezus, die in menselijke gedaante en zwakheid onder hen had gewandeld, hoe zouden zij er toe komen Hem, die zij verworpen en gedood hadden als Deze aan te roepen? Het aanroepen van Jezus’ naam was voor hen die geloofden wel het middel tot hun redding, maar zoals voor deze het aanroepen van Jezus’ naam een natuurlijke uitdrukking is van hun gehele toestand, zo is dit aanroepen met de gehele toestand van de vragers in lijnrechte tegenspraak. In dezelfde periode dat de discipelen de lichamelijke gemeenschap van Jezus begeerden en in het geloof genoten en zich daarin verdiepten, hebben de Joden deze gemeenschap met harde woorden en lasteringen, met vervolgen en verraad tegengestreefd. Ten gevolge van die gemeenschap met Jezus heeft de verhoogde Heere de discipelen met Zijn Geest vervuld, hen als de heilige eerstelingen tot Zijn en hun Vader teruggebracht en hen als het waarlijk verloste volk met Zijn God in heilige gemeenschap samengebracht, terwijl de Joden niets hebben dan hun pinksterbroden en brandoffers en nog met dezelfde bevende harten voor God staan als hun vaderen aan de Sinaï. Petrus weet het dus zeer goed dat het doorboorde hart en getroffen geweten van de Joden op zijn eerste aankondiging antwoordt: het aanroepen van Jezus’ naam moge voor uw toestand een redmiddel zijn, ons is in onze staat dat redmiddel afgesloten. Is er dus niets anders dat wij moeten doen, opdat wij in uw toestand worden verplaatst? Op deze vraag antwoordt nu Petrus volkomen, voldoende; zij moeten eerst door boete hun gezindheid veranderen, want hun vroegere gezindheid was tegen de Redder en Heiland vijandig geweest. Vervolgens moeten zij zich tegenover Jezus in een gelijke verhouding plaatsen, als waarin Zijn discipelen tot Hem staan, hetgeen daardoor geschiedt dat zij zich in Zijn naam laten dopen, dan zullen zij ook dezelfde Geest als de discipelen deelachtig worden.
En Petrus zei tot hen: Bekeert u, na een blik in uw hart te hebben geslagen, tot de Heere, uw God, dat gij Zijn stem gehoorzaamt zoals u reeds in Deut. 30: 1v. deze weg is gewezen en een ieder van u worde gedoopt in de naam van Jezus Christus. Ieder van u moet persoonlijk Hem tot zijn Heere en Christus aannemen, die God daartoe heeft gemaakt, maar ook diens genade en hulp deelachtig worden tot vergeving van de zonden (Luk. 24: 47). En gij zult, als gij dit doet, de gave van de Heilige Geest ontvangen, evenals wij op wie deze reeds is uitgestort, zoals gij ziet en hoort.
Petrus begeert twee zaken en belooft twee zaken; hij begeert dat de zielen 1) hun gezindheid, hun zedelijke richting, veranderen, 2) dat zij zich in de naam van Jezus laten dopen, dat is op grond van het geloof in Jezus en van erkenning van en onderwerping aan Hem als de Heere en Christus. Hij belooft hun, die zich laten dopen, 1) vergeving van hun zonden, 2) de gave van de Heilige Geest. De handeling van de doop is hierbij aan de ene zijde als zedelijke daad van de dopeling opgevat, maar komt aan de andere zijde ook, ten gevolge van de belofte die zich aanstonds daaraan aansluit, voor als genademiddel van de zijde van God.
Wat zouden deze mensen er niet voor hebben gehad om Jezus van Nazareth midden onder hen te doen treden, opdat zij de knieën van de Gekruisigde konden omvatten en door Hem worden opgericht met de persoonlijke toespraak: “uw zonden Zijn u vergeven! ” Ziet nu, hun verlangen zal worden gestild, aan het doopwater heeft de drie-enig God Zijn nieuwtestamentische genadige tegenwoordigheid toegevoegd; een ieder, die zich laat dopen, geeft de Vader aan de Zoon door de Heilige Geest, die de Geest is van die Jezus, die tot Heer en Christus verhoogd is.
Hier wordt duidelijk de verhouding aangewezen van de doop van Johannes tot de christelijke: de eerste bedoelt de boete als uitwerking, de tweede begint waar de eerste ophoudt; zij veronderstelt de boete tegelijk met het geloof, dat zij bevestigt en bezegelt en deelt werkelijke hemelse kracht mede in de gave van de Heilige Geest.
Want u komt de belofte toe en uw kinderen, namelijk de belofte die een uitstorting van de Heilige Geest over alle vlees toezegt (vs. 16vv.) en eveneens is zij door het verbond dat God met onze vaderen heeft gemaakt allen toegezegd a) die kinderen van dit verbond zijn (hoofdstuk 3: 25), maar heden nog daar verre zijn, zo velen als, zoals in Joël 3: 5 uitdrukkelijk beloofd is, er de Heere, onze God, toe roepen zal, tot deze redding op de berg Zion en te Jeruzalem zal nodigen.
Efeze. 2: 13
Wie onder degenen die verre zijn, hier te verstaan zijn, wordt getwijfeld. Van verafgelegen Joden of Jodengenoten kan hier geen sprake zijn. Deze toch waren van zelf in het verbond begrepen en behoorden tot degenen die nabij, niet die verre zijn. Maar de heidenen zal Petrus toch niet kunnen bedoeld hebben, hij, die pas zoveel later en niet zonder de onmiddellijke openbaring van God ingeleid werd in hetgeen door Paulus (Efeze. 3: 1 en 6) de verborgenheid genoemd wordt van het mededelen van de heidenen in de beloften in Christus door het evangelie (Hand. 10). Zou het niet zijn omdat, zoals ook de profeten door de Geest meer gegeven werd in hun woorden te omvatten dan zij zelf nog destijds konden inzien of gissen, alzo ook hier de apostel een uitdrukking aan de profeten van het Oude Testament ontleende, waarvan de volle omvang en het verre bereik op dat ogenblik nog voor hem zelf verborgen waren? Ziedaar juist hetgeen de geïnspireerde van de gewone beredeneerde taal, hetzij geschreven of gesproken, onderscheidt. De mening van de Geest gaat die van de spreker of schrijver ver te boven en wordt pas later door deze, naar de mate die hem toebedeeld wordt door de Heere, als het ware achterhaald.
Hoe zou Petrus aan de verre heidenen komen, aan wie men meestal hier denkt, als noch de behoefte van zijn hoorders hem daartoe leidt, noch de profeet Joël die hij hier weer, zoals duidelijk is, voor ogen heeft? Maar wel voert de behoefte van de verschrikte Joden hem hier tot de leden van zijn volk, die in al de vier windstreken verstrooid zijn. Wat er van deze zou worden in de laatste tijd, die nu was aangebroken, was voor de vragers te meer een zaak van gewicht, daar een groot gedeelte van hen zelf tot die verte had behoord. Als Petrus zegt dat God ze zal roepen en daarmee het aanwezig zijn als voorwaarde voorstelt, dan doet hij dat noch op eigen hand, noch in Joodse beperktheid. Hij denkt duidelijk aan de uitspraak van de profeet, maar noemt als de enige plaats ter verberging bij de dreigende tekenen aan de hemel en op aarde de berg Zion. Zullen dus die verre zijn, gered worden, dan moeten zij eerst dichterbij komen. En nu weet de apostel zeer goed dat zo min als Israël zonder God onder de heidenen verstrooid is, het evenmin zonder God weer kan worden verzameld. (vgl. Jes. 11: 11).
En met veel meer andere woorden dan die hier als door Petrus gesproken worden meegedeeld, betuigde hij aan de ene kant van Jezus, dat Hij de Heere en Christus is en alzo de enige Redder (hoofdstuk 4: 12) en vermaande hen aan de andere zijde in een dringende toespraak Joh 14: 18 zeggende: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht; laat u redden uit dit krom en verdraaid geslacht (Deut. 32: 5 Fil. 2: 15), waartoe gij tot heden hebt behoord, opdat gij niet in hetzelfde verderf als dit wordt ingetrokken (Openbaring 18: 4v.).
Er komt uit de bewegingen van de Heilige Geest niets heerlijks voort, als de zielen blijven hangen in de strikken van de verleiding. Christenen zullen als lichten schitteren te midden van het verkeerde en zondige geslacht, maar de connectie met de wereld moet ophouden (Jes. 19: 19).
De verkeerdheid van dat geslacht bestond daarin, dat het zich niet wilde laten redden door Degene die God gezonden had tot enige Helper en Redder. Dat is ook de hoofdzonde van het tegenwoordige geslacht; het wil zich niet laten helpen, maar wil zich zelf helpen en daar het dit toch niet kan, heeft het geen rust en geen vrede. Hele scharen van naam-christenen is het woord van het kruis een ergernis of een dwaasheid geworden. Zij willen nog alleen datgene horen, waarnaar de oren verlangen, maar zich niet door de Geest van God laten overtuigen en bestraffen. Zij willen een zogenaamd christendom dat alleen beloften heeft, maar geen dat hun ook eisen stelt en voor de hele wereld geen dat zo groot gewicht hecht aan boete, bekering en wedergeboorte. Zo zijn zij dan niet te helpen, want wat zij zich als christendom denken, is slechts een uitvinding van hun weerspannig hart, het waar en werkelijke christendom is heel iets anders. Deze Geest van tegenzin tegen het woord van de waarheid ligt als een ban op hen, die dikwijls van nature een zeer goede wil hebben en menen aan de zijde van Christus te staan. Het is echter enkel misleiding een discipel van Jezus te willen zijn en niet alles te hebben verloochend, wat ook maar met de verkeerdheid van dit geslacht in betrekking staat.
Gij ziet, er is een verkeerd geslacht in deze wereld, waaruit men afgezonderd en alzo behouden worden moet. Dit te miskennen, is de dwaling van velen die alle mensen voor even goed en slecht houden en van geen onderscheid willen weten tussen goddelozen en godvruchtigen, tussen hen die God dienen en die Hem niet dienen. Petrus, door de Heilige Geest geleid, wist het beter, wist het zoals het werkelijk is en drong daarom steeds moediger en vuriger aan bij zijn hoorders, die zich betoonden mannen van goede wil te zijn om uit die mensenzee, waarin allen die er in blijven ook vergaan, zich te laten redden in het schip van Christus. Ja, de gemeente van Christus is de tweede ark, waarin men alleen aan de algemene zondvloed ontkomt.
Wie dan uit de menigte, in vs. 6-13 genoemd, zijn woord gaarne aannamen, omdat het geheel overeenkwam met de behoeften van de harten in vs. 37 uitgesproken, werden overeenkomstig de in vs. 38 ontvangen aanwijzing gedoopt; en er werden door de apostelen door middel van de doop, waaraan voor de gedoopten het ontvangen van de Heilige Geest was verbonden, op die dag tot hen in de kerk, die reeds tevoren door de pinkstergebeurtenis (vs. 2-4) in het leven was geroepen, toegevoegd omtrent drieduizend zielen of personen (vs. 43); 7: 14; 27: 37 Gen. 46: 27).
Vóór het Pinksterfeest leek de gemeente van Jezus, sinds haar Hoofd onzichtbaar in de hemel op Zijn troon was gezeten, op het menselijk lichaam, door God uit aarde gevormd, voordat nog de Geest uit God daarin was geblazen. De gemeente was als een nieuw lichaam gevormd en in de wereld geplaatst. Maar nu pas, op het pinksterfeest, werd haar opeens de Geest ingeblazen; zij werd een levende ziel (Gen. 2: 7); en van dat ogenblik af kon de kerk van Christus ook groeien door toevoeging en inlijving van andere zielen.
De tekst zegt niet dat de doop van de drieduizend daar en dadelijk volgde, maar alleen dat die gedurende die dag heeft plaatsgehad. Merk verder op dat de doop alleen tot voorwaarde had de bekering en het geloof aan Jezus als Messias, dat geen nader christelijk onderricht was voorafgegaan, maar de voorwaarde was dat dit zou volgen.
Wie denkt bij deze rijke vangst van zielen door Petrus niet aan zijn vroegere visvangst, toen hij zijn net uitwierp in het meer van Gennesareth op het woord van de Heere en zoveel vis ving, dat het net scheurde, toen de Heere tot hem zei (Luk. 5: 10): “Vrees niet, van nu aan zult gij mensen vangen? ” Ja, nu was hij een visser van mensen geworden. Nu was hij afgestoken in de diepte van de wereld, nu had hij voor de eerste maal stoutmoedig het net van het Evangelie uitgeworpen naar het gebod van zijn Meester en zie, hij ving mensen in grote getale.
En het woord werd vervuld, dat de Heere tot hen gesproken had (Joh. 14: 12): Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: die in Mij gelooft, de werken die Ik doe, zal hij ook doen en hij zal meer doen dan deze (die namelijk Jezus persoonlijk hier op aarde zijnde, gedaan heeft); want ik ga heen tot de Vader, ” zodat nu door Zijn Geest, die Hij voor Zijn discipelen verworven en over hen uitgestort had, de rijke oogst stond ingezameld te worden van hetgeen waar Hij zelf alleen de eerstelingen van ingebracht had.
Wanneer de sikkel in het koren geslagen werd, wanneer de rijpe vrucht werd ingeoogst. Ziet gij het schaduwbeeld wel? Let dan nu ook op de vervulling, wanneer de sikkel van het woord gebruikt, de oogst ingezameld moet worden, zo daalt de Geest als een scherpe sikkel neer. Want hoor wat Christus zegt: Heft de ogen op en ziet de velden, want zij zijn reeds wit om te oogsten (Joh. 4: 35); de oogst is groot, maar de arbeiders zijn weinig (MATTHEUS. 9: 37). “Hij zelf had de eerstelingsschoof in de hemel gebracht, doordat Hij onze natuur aannam, daarom noemt Hij dit de oogst. ” Een lam wordt geslacht. Het pascha wordt gevierd en na vijftig dagen de wet gegeven die de vreze verwekt, geschreven met de vinger van God. Christus wordt geslacht, als een lam is Hij ter slachtbank geleid en na vijftig dagen wordt om de liefde te verhogen, de Heilige Geest geschonken, die Gods vinger zelf is.
Die pinksterdag was groot. Groot te Jeruzalem, groot in de hemel. O, wat een vreugde voor de engelen van God, bij wie blijdschap is over een zondaar die zich bekeert. Mij dunkt, aan de avond van die grote dag, toen hij neerzat en uitrustte, moet aan Simon Petrus een andere dag voor de geest gekomen zijn. Immers die dag, waarop Christus aan de oever van zijn geliefd meer van Kapernaüm tot hem zei: Steek af naar de diepte en werp uw netten uit om te vangen. Nog ziet hij de menigte vissen die het net scheuren deed. Het andere scheepje moest bijleggen en de medegenoten kwamen en vulden de beide schepen, zodat zij bijna zonken. Nog hoort hij dat wonderwoord: Vrees niet, van nu aan zult gij mensen vangen. Thans verstaat hij het. Doch ook nu zou hij lust hebben als toen om uit te roepen: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens. Maar een stem antwoordt in zijn hart: Ik ben met u tot aan de voleinding van de wereld. Zo was het, zo is het, zo zal het zijn. De wondervangst houdt niet op, Jezus staat op de oever. En zo menigmaal als een menigte besloten wordt, zegt de gemeente eerbiedig en aanbiddend: Het is de Heer.
b. Vers 42-47KruisverwijzingenHebreeën 10:25→Handelingen 20:7→Handelingen 1:14→Handelingen 4:32→Handelingen 2:46→Handelingen 5:42→1 Johannes 1:3→Hebreeën 10:39→
— En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden. En een vreze kwam over alle ziel; en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen. En allen, die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeen; En zij verkochten hun goederen en have, en verdeelden dezelve aan allen, naar dat elk van node had. En dagelijks eendrachtelijk in den tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij te zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten; En prezen God, en hadden genade bij het ganse volk. En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden.
De eerste christelijke gemeente als één huisgezin, dat nauw samengebonden is en voortdurend aan elkaar vasthoudt.
En zij, die 3000 pas bekeerden (vs. 41) waren van die pinksterdag af volhardende in de leer van de apostelen om op te groeien in de genade en kennis van Jezus Christus, in wiens woord zij nog zo weinig waren ingeleid en in de gemeenschap met de reeds vroeger aanwezige leden van de gemeente, waartot zij waren toegedaan en in de breking van het broods en in de gebeden; zij namen aan de gemeenschappelijke liefdemaaltijden en aan de gewone bijeenkomsten tot gebed onophoudelijk deel.
En wat de Joden te Jeruzalem aangaat, die nog buiten de gemeente waren, een vrees kwam over alle ziel ten gevolge van de wonderbare pinkstergebeurtenis. Een diepe indruk bleef daarvan in hun harten achter, die zich in een zekere eerbied voor de “sekte van de Nazareners”, zoals men de christenen gewoonlijk noemde (hoofdstuk 24: 5, 14; 28: 22, openbaarde en vele wonderen en tekenen, die hier niet elk in het bijzonder kunnen worden meegedeeld, geschiedden door de apostelen, hetgeen er werkelijk aan bijdroeg om die zielen ook in vervolg van tijd in zo’n vrees en in eerbied te houden (Luk. 1: 65; 7: 16. Mark. 4: 41).
Was met Jezus’ dood, opstanding en hemelvaart de profetie in Dan. 9: 24 in zo verre vervuld dat nu de overtredingen gesloten en de zonden verzegeld en de misdaden verzoend en de eeuwige gerechtigheden aangebracht en het gezicht en de profeet verzegeld waren, zo was met de stichting van de kerk ook het overige geschied en de heiligheid der heiligheden gezalfd, d. i. een nieuw heiligdom was ingewijd, waarin de Heere waarlijk onder Zijn volk woonde. Met deze gebeurtenis eindigt de eerste helft van de door Daniël voorzegde 70 jaarweken (9: 27 “in de helft van de week zal Hij het slachtoffer en spijsoffer doen ophouden. Nu begint de tweede helft, die een tijdruimte van 3 ½ jaar omvat, waarmee wij komen tot in de tijd van het loofhuttenfeest, of ook wel tot dat van de inwijding van de tempel in het jaar 33 na Chr. In deze tijd volgt de steniging van Stefanus in hoofdstuk 7; daarmee eindigt dan de 70e jaarweek. Zo zijn wij in het algemeen bekend met de chronologie voor het gedeelte dat van hoofdstuk 2 tot 7 gaat. Men kan echter aannemen dat de onderafdeling, die hier voor ons ligt ongeveer het eerste en tweede jaar van de apostolische kerk aangaat; hoofdstuk 3-5 omvatten vervolgens het derde jaar, terwijl hoofdstuk 6 en 7 tot het eindsemester behoren van de tijdruimte van vier en een half jaar. Wat nu in het bijzonder onze onderafdeling aangaat, ziet Lukas duidelijk in de eerste plaats op de pas bekeerden, die tot de oorspronkelijke gemeente waren toegevoegd, nadat deze door de Pinkstergeest tot een heiligheid der heiligheden gezalfd was. Daar was voor haar een tweevoudig genademiddel tot geestelijke groei bereid: ten eerste het onderwijs van de apostelen, waardoor zij in de kennis toenamen en vervolgens de broederlijke gemeenschap met de vorige gelovigen, waarin weer twee zaken tot hun opbouwing in het onderlinge geloofsleven hun werden aangeboden, want enerzijds hielden deze dagelijks hun heilige maaltijden, de zogenaamde agapen of liefdemaaltijden, waarmee zeker steeds de viering van het heilig avondmaal was verbonden en aan de andere zijde hadden zij dagelijks hun gemeenschappelijke gebeden, waarbij het spreken met talen en het profeteren (vgl. hoofdstuk 10: 46) krachtig op de harten werkte.
Hoewel in de tekst vier punten zijn genoemd: de leer van de apostelen, de gemeenschap, de breking van het brood en de gebeden hebben wij eigenlijk slechts met drie zaken te doen. Men moet wel de “gemeenschap” opvatten in dezelfde zin als waarin het woord in Rom. 15: 26 en Hebr. 13: 16 voorkomt van weldadigheid bewijzen aan behoeftigen, maar aan de ene zijde is dat een bijzondere betekenis, die zich pas later heeft ontwikkeld, aan de andere zijde moet het voegwoord “en” tussen “gemeenschap” en “breking van het brood” wegvallen, zodat twee paren naast elkaar zijn gesteld: ten eerste de leer van de apostelen en de gemeenschap, vervolgens breking van het brood en gebeden, dat tot de vroeger gegeven uitlegging leidt. Wij vatten het woord, zegt Neander, het natuurlijks op als aanwijzing van het gemeenschappelijk christelijk verkeer, waarvan twee stukken, de gemeenschap aan de maaltijd en de gemeenschap van de gebeden, in het bijzonder worden genoemd. Handelen wij dan eerst over deze twee stukken: over het breken van het brood en het gebed, waarin zich de gemeenschap van de gelovigen in Christus concentreerde. Zo was bij de Heere, zo lang Hij nog op aarde wandelde, de wijze van Zijn brood breken zo eigenaardig en karakteristiek geweest, dat die beide discipelen in Luk. 24: 13vv., die Hem na Zijn opstanding noch aan Zijn gedaante noch aan Zijn woorden herkend hadden, Hem op deze wijze herkenden. Hebben nu in het algemeen de eerste twee jaren van de apostolische tijd veel gelijkenis met dat jaar dat de kinderen van Israël eens aan de berg Sinaï hadden doorgebracht (Num. 10: 11v.), dan is het brood breken van de eerste christelijke gemeente, dat men op de wijze van Christus deed plaatshebben, de tegenhanger van de wijze, die aan de kinderen van Israël in Lev. 17: 1vv. voor de tijd van hun legering om de ark van het verbond was voorgeschreven, om het slachten van hetgeen voor het gewone eten bestemd was te doen plaatshebben in de vorm van aan God geheiligde slachtoffers. Nog beschouwde de gemeente zich als niets meer dan als een meer uitgebreide kring van de twaalven, met wie Jezus, als een huisvader met zijn familieleden had verkeerd. Omdat nu dit verkeer het zichtbaarst hij de gemeenschappelijke maaltijden openbaar was geworden en wel zozeer dat Hij de gemeenschap aan Zijn dis juist tot een beeld en een gelijkenis kon maken voor het deelgenootschap aan Zijn toekomstig rijk (Luk. 22: 30), zo was het reeds na zijn heengaan in de dood voor de discipelen behoefte de gemeenschappelijke maaltijden voort te zetten, al was het achter gesloten deuren. En daar Hij na Zijn opstanding juist bij deze gelegenheid Zich meermalen aan hen gezamenlijk had geopenbaard (Joh. 20: 19vv. Mark. 16: 14vv.) bleef ook na zijn heengaan bij de hemelvaart deze gewoonte om met elkaar de maaltijd te houden en op Zijn wijze het brood te breken en aan de discipelen voor te stellen dat zij leden waren van een van de wereld afgezonderde familie. Het ging als zodanig ook over op de eerste christelijke gemeente, zodat de nieuw bekeerden hun blijven in de gemeenschap bovenal daardoor hadden te betonen, dat zij zich reeds in deze zin mede aan het brood breken aansloten. Natuurlijk kon het houden van gemeenschappelijke maaltijden, ten minste ‘s avonds, wanneer bij de Joden de hoofdmaaltijd gehouden werd Uit 26: 20, niet meer plaatshebben sedert de gemeente, eerst zo klein, met honderden en duizenden vermeerderd was. Van deze tijd wordt ook in vs. 46 uitdrukkelijk gezegd: “van huis tot huis brood brekende. ” Er vormden zich dus gezelschappen van enige families, die hun vereniging onder één hoofd daardoor teweegbrachten, dat de apostelen en, als het getal van deze niet meer toereikende was, nog anderen uit de wijdere kring van hen, die reeds bij Jezus’ leven Zijn discipelen en navolgers waren geweest, zich in de verschillende huizen verdeelden en aan het hoofd van enkele huiselijke verenigingen stelden. Het had enige overeenkomst met de wijze waarop het Joodse pascha werd gegeven, waarvoor in Ex. 12: 3v. wordt voorgeschreven dat het steeds in families of verenigingen, niet door enkele of slechts weinige personen moest geschieden. Aan het laatste paasmaal van Jezus met de twaalven sloot zich het brood breken van de christelijke gemeente in nog veel engere zin aan, daar men zich herinnerde wat de Heere na dit laatste gemeenschappelijk maal nog in het bijzonder had gedaan, toen Hij het brood en de drinkbeker nam en zegende, het eerste zijn lichaam, het tweede de drinkbeker van het Nieuwe Testament in Zijn bloed noemde en de discipelen beval: “doet dat tot Mijn gedachtenis. ” Men verbond dus met die gemeenschappelijke maaltijden of liefdemalen ook altijd de viering van het zogenoemde heilig Avondmaal. Wanneer de discipelen tezamen zaten aan één dis, schrijft Baumgarten en van één brood aten en zich zo verheugden over hun gemeenschap en de onzichtbare tegenwoordigheid van de Heere in hun midden, ontbrak er met het oog op dat zalige verleden, nog slechts één zaak, namelijk de lichamelijke tegenwoordigheid en gemeenschap van hun Heer. Deze heilige behoefte van de liefde sluit nu aan bij de bevoegdheid en belofte, bij dat afscheidsmaal gegeven, om brood en wijn ten zegen en lichaam en bloed van Christus in het brood en de wijn te genieten. Daaruit is de oude verbinding te verklaren van liefdemaaltijden en het avondmaal en daaruit weer de opmerking in vs. 47, dat het eten van de spijze verbonden was met grote vreugde, kinderlijke eenvoudigheid van het hart en lof van God. Zo hadden de leden van de christelijke gemeente een rijke vergoeding voor de maaltijden bij de dankoffers, die in hun leven nog onder de wet bij de tempel werden gehouden (“Ex 29: 34” en “Le 3: 17. Daardoor waren zij eigenlijk van de oudtestamentische tempel en zijn dienst, tenminste wat de bloedige offers betreft, reeds losgemaakt, alhoewel zij ook als vrome Israëlieten nog daar waren voor het gebed (vs. 46). Wij begrijpen daaruit hoe gewichtig het zich houden aan de gemeenschap omtrent het breken van het brood voor alle pas bekeerden was. Maar ook wat het gebed aangaat, was dit zich houden aan de gemeenschap van grote betekenis. Hier komen de beide soorten van gebed in aanmerking: zowel dat gebed, dat de christenen door deel te nemen aan de tempelgodsdienst volgens vs. 46 als leden van het Israëlitische volk, waartoe zij nog behoorden, dagelijks deden, alsook dat, dat in hun godsdienstige verenigingen werd gehouden; daarom is hier niet de enkelvoudige, maar de meervoudige vorm “gebeden” gebruikt. Bevatten de psalmen en de gebruikelijke Joodse gebeden, voor zoverre zij op de Messias en Zijn rijk zagen, nog slechts de hoop op de komst daarvan, en het innig verlangen ernaar, dan konden de nieuwbekeerden, als zij in gemeenschap met de gelovigen in Christus aan dit gebed in de tempel deel namen, evenals die anderen zeggen (Joh. 1: 45): “Wij hebben die gevonden, van Wie Mozes in de wet en de profeten hebben gesproken, namelijk Jezus van Nazareth. ” Dit gevoel liet hen ervaren als een geluk, dat zij nu tot de sekte van de Nazarener behoorden, zodat hun de nog bestaande band aan de oudtestamentische eredienst niet tot een valstrik werd, die hen weer in het Jodendom zou hebben ingetrokken. Aan de andere zijde hadden de nieuwe eigenaardig christelijke gebeden, die zij in de gemeenten uit de mond van de apostelen en van andere met Gods Geest bezielde sprekers hoorden, zonder twijfel hoofdzakelijk het oog op de bekering van het gehele volk, dat nog buiten de kerk stond. Zij baden dat de tijd, door de profeten aangekondigd, de tijd van de verkwikking voor het aangezicht van de Heere en de wederoprichting van het rijk Israël mocht nabij komen, zoals men dit uit het woord van Petrus in hoofdstuk 3: 19vv. en uit het gedrag van de apostel Jakobus II, in Aanm. II b. onder No. 2 voorgesteld, kan afleiden. Dan werden zij met christelijke zendingsijver vervuld en leerden zij hun geestelijke roeping verstaan om het licht van de wereld te zijn en een zout voor de aarde te worden.
Denken wij nu ook na over de eerste van de drie hierboven genoemde stukken, over de leer van de apostelen. Het volharden in de leer van de apostelen kan natuurlijk slechts in zoverre worden beschouwd als een vasthouden aan de reeds aangenomen leer, indien die aanwezig was en deze kan, wat de inhoud aangaat, in één woord worden gezegd: “God heeft Jezus tot een Heere en Christus gemaakt. ” Wij moeten echter bij de “leer” veel meer denken aan de werkzaamheid van de apostelen in de leer, aan het onderricht, dat deze gaven en dat hoofdzakelijk bestond uit voordrachten uit het leven van Jezus Christus, uit geschiedkundige mededelingen van Zijn woorden en werken. De apostelen trokken dus nu nog niet als zendelingen het land rond, of traden op openbare plaatsen te Jeruzalem op, maar nadat door de pinksterprediking van Petrus tot de aanwezige gemeente, die Christus zelf had gewonnen, de aanwinst van die drieduizend gekomen was, zagen zij daarin hun roeping om binnen deze kring van gelovigen, wat Jezus in de dagen van Zijn vlees geleerd, gedaan en geleden had, als Zijn oog- en oorgetuigen in bijzondere voorstellingen of afdelingen mede te delen. Daaraan verbonden zij hun uitleggen en vermanen, zeker ook hun loven van God en hun gebeden (hoofdstuk 6: 4). Dat geschiedde zeker iedere dag, gedeeltelijk misschien in verband met het vroeger besproken brood breken, tenminste schijnt daarvoor te spreken de wijze waarop Paulus in hoofdstuk 20: 7 predikt. Gewoonlijk zullen het wel vergaderingen zijn geweest, die naar het voorbeeld van de Joodse synagogen (“Ne 10: 39” en “Lu 4: 15 werden gehouden op de sabbatten en andere dagen, om zich met het woord van de Heere bezig te houden. Voor zoveel men uit verschillende omstandigheden kan besluiten, onthield men zich van het bezoek van de menigvuldige synagogen, die te Jeruzalem waren waartoe de reden voor de hand lag, terwijl ook Christus’ voorbeeld hun voorstond, die te Jeruzalem ook nooit een voordracht in de synagoge had gehouden, zoals Hij dat dikwijls genoeg in Galilea had gedaan. Deze voordrachten van de apostelen, waarin zij afzonderlijke afdelingen, geschiedenissen en redevoeringen uit Christus’ leven mededeelden, namen met de tijd een vaste, bepaalde vorm aan en werden tot een apostolische overlevering, die men zich woordelijk kon eigen maken, totdat die vervolgens ook werd op schrift gesteld. Dat laatste is door de drie eerste evangelisten geschied in een tijd, toen de verdere verbreiding van mond tot mond reeds in gevaar was van verzwakt of vervalst te worden (Luk. 1: 1vv.). Afgezien van hetgeen bij Jezus’ laatste reis naar Jeruzalem had plaatsgehad en volgens vs. 22 vv; 3: 13vv. ; 4: 10vv. ; 5: 30vv. ; 7: 52; 8: 35 dadelijk in het begin een hoofdonderwerp vormde van de verkondiging, liet men het optreden en de werken van de Heere in de heilige stad en in de streek Judea, zoals dat ons in Joh. 1: 19-5: 47 en 7: 1-11: 57 wordt verhaald, buiten beschouwing en begon het Evangelie met Zijn werkzaamheid in Galilea na de gevangenneming van Johannes de Doper (hoofdstuk 10: 36vv. Mark. 1: 14vv.), terwijl men alleen maar het noodzakelijkste omtrent de doop van Johannes en de voorbereiding van Jezus tot Zijn Messiaans ambt er bij nam (MATTHEUS. 3: 1-4: 11). Dit is eenvoudig daaruit te verklaren, dat juist van Jeruzalem de wording van het Evangelie uitging, terwijl bij hetgeen in de laatste dagen daar was geschied (Luk. 24: 18), al het vroegere op de achtergrond trad, terwijl dat vroegere meestal op de kring van de oversten van het volk zag, maar in de beide eerste jaren van de kerk, zoals wij later zullen zien, de oversten zich nog op een afstand van deze hielden en dus dat wat vooral hen aanging, nog gevoeglijk ter zijde kon blijven. Van des te meer gewicht was voor dergelijke zielen, als die in vs. 5 ons zijn voorgesteld, een nadere bekendheid met hetgeen Jezus begon te doen en te leren in Galilea. Dat was hun aan de ene zijde, wat de bijzonderheden aangaat, nog vreemd maar aan de andere zei karakteriseerde het Hem op de meest in het oog vallende wijze als Degene, door Wie wet en profeten tot vervulling kwamen. Alzo is de aard en vorm, waarin Mattheus en Markus en in hoofdzaak ook Lukas ons het Evangelie van Jezus Christus aanbieden niets anders dan de oorspronkelijke vorm daarvan, totdat vervolgens gedeeltelijk reeds Lukas, naar meer bepaald nog Johannes de aanvulling naar die zijde ondernam, waar deze oorspronkelijke vorm van de traditie in vergelijking met het gehele leven van Jezus nog haar leemten toonde.
a) En allen die geloofden, zowel de vroeger als de pas bekeerden in vs. 41 en 42, waren bijeen als een schare nauw aaneengesloten, zowel door eenheid van gezindheid als ook door uitwendig plaatselijk bijeenkomen, hoewel natuurlijk niet in een en hetzelfde lokaal, maar verdeeld in verschillende familiegroepen en zij hadden alle dingen die tot hiertoe ieder voor zich had bezeten, gemeen, als behoorden die tevens de anderen toe (Deut. 15: 11).
Deut. 15: 4 Hand. 4: 32
En zij verkochten hun vaste goederen en de draagbare have, waar men die bezat, zo dikwijls de armen in de schoot van de gemeente en deze waren er niet weinigen, moesten worden geholpen, a) en zij verdeelden die gelden die de verkoop opbracht aan allen, die in behoefte waren, naar dat elk van node had. En zij die hun huis behielden, zoals bijv. Maria, de moeder van Markus bij Gethsemané, stelden het toch voor de dienst van de gemeente open (Hand. 12: 12).
Jes. 58: 7 Hand. 4: 35
En dagelijks waren zij eendrachtig in de tempel volhardende, zij woonden geregeld de Joodse godsdienst bij op de gewone tijden van het gebed ‘s morgens en ‘s avonds (vs. 15 hoofdstuk 3: 1) en deden dus geheel anders dan de Essenen, met wie zo’n vorming van de gemeente veel overeenkomst scheen te hebben (“Uit 3: 12” en slotwoord op 1 Makk. No. 4 c.); deze toch leefden in een vrijwillige excommunicatie en bleven verre van het heiligdom van het volk. En van huis tot huis brood brekende, vergaderende in de woningen tot de gemeenschappelijke liefdemaaltijden, aten zij tezamen met verheuging en eenvoudigheid van hart, terwijl het ook de armen, tengevolge van de gemeenschap van goederen (vs. 41), niet aan het nodig levensonderhoud ontbrak. Zo openbaarde zij zich als een gemeente zonder vlek en als onstraffelijk, in vreugde (Jud. 24 Openbaring 14: 1-5).
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel