Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
EnG2532 sommigenG5100, die afgekomenG2718 waren vanG575 JudeaG2449, leerdenG1321 de broederenG80, zeggende: IndienG1437 gij niet besnedenG4059 wordt naar de wijzeG1485 van MozesG3475, zo kuntG1410 gij niet zaligG4982 worden.
En sommigen, die afgekomen waren van Judea, leerden de broederen, zeggende: Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zo kunt gij niet zalig worden.
Ook in dit vers
[zeggende]G3754
KJV
And1
certain men2
which came down3
from4
Judaea6
taught7
the brethren,9
and said,10
Except
ye be circumcised13
after the manner15
of Moses,16
ye cannot17
be saved.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Als er danG3767 geenG3756 kleineG3641 wederstandG4714 enG2532 twistingG4803 geschieddeG1096 bij PaulusG3972 enG2532 BarnabasG921 tegen hen, zo hebben zij geordineerdG5021, dat PaulusG3972 enG2532 BarnabasG921, enG2532 enigeG5100 anderen uitG1537 henG846, zouden opgaanG305 totG4314 de apostelenG652 enG2532 ouderlingenG4245 naarG1519 JeruzalemG2419, overG4012 dezeG3778 vraagG2213.
Als er dan geen kleine wederstand en twisting geschiedde bij Paulus en Barnabas tegen hen, zo hebben zij geordineerd, dat Paulus en Barnabas, en enige anderen uit hen, zouden opgaan tot de apostelen en ouderlingen naar Jeruzalem, over deze vraag.
Ook in dit vers
totG4314
KJV
When therefore2
Paul9
and4
Barnabas12
had1
no6
small7
dissension3
and10
disputation5
with13
them,14
they determined15
that Paul17
and18
Barnabas,19
and20
certain21
other22
of23
them,24
should go up16
to30
Jerusalem31
unto25
the apostles27
and28
elders29
about32
this
question.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Zij danG3767, van de GemeenteG1577 uitgeleidG4311 zijnde, reisdenG1330 door FenicieG5403 enG2532 SamarieG4540, verhalendeG1555 de bekeringG1995 der heidenenG1484; enG2532 dedenG4160 alG3956 den broederenG80 groteG3173 blijdschapG5479 aan.
Zij dan, van de Gemeente uitgeleid zijnde, reisden door Fenicie en Samarie, verhalende de bekering der heidenen; en deden al den broederen grote blijdschap aan.
KJV
And2
being brought on their way4
by5
the church,7
they passed through8
Phenice10
and11
Samaria,12
declaring13
the conversion15
of the Gentiles:17
and18
they caused19
great21
joy20
unto all22
the brethren.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En te JeruzalemG2419 gekomen zijnde, werden zij ontvangenG588 vanG5259 de GemeenteG1577, en de apostelenG652, en de ouderlingenG4245; en zij verkondigdenG312, wat grote dingen GodG2316 metG3326 henG846 gedaanG4160 had.
En te Jeruzalem gekomen zijnde, werden zij ontvangen van de Gemeente, en de apostelen, en de ouderlingen; en zij verkondigden, wat grote dingen God met hen gedaan had.
KJV
And2
when they were come1
to3
Jerusalem,4
they were received5
of6
the church,8
and9
of the apostles11
and12
elders,14
and16
they declared15
all things17
that God19
had done20
with21
them.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
MaarG1161, zeiden zij, er zijn sommigenG5100 opgestaanG1817 vanG575 die van de sekteG139 der FarizeenG5330, die gelovigG4100 zijn geworden, zeggendeG3004, datG3754 men henG846 moetG1163 besnijdenG4059, en gebiedenG3853 de wetG3551 van MozesG3475 te onderhoudenG5083.
Maar, zeiden zij, er zijn sommigen opgestaan van die van de sekte der Farizeen, die gelovig zijn geworden, zeggende, dat men hen moet besnijden, en gebieden de wet van Mozes te onderhouden.
KJV
But2
there rose up1
certain3
of5
the sect7
of the Pharisees9
which believed,10
saying,11
That12
it was needful13
to circumcise14
them,15
and17
to command16
them to keep18
the law20
of Moses.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En de apostelenG652 en de ouderlingenG4245 vergaderdenG4863 te zamen, om op dezeG3778 zaakG3056 te lettenG1492.
En de apostelen en de ouderlingen vergaderden te zamen, om op deze zaak te letten.
KJV
And2
the apostles4
and5
elders7
came together1
for to consider
of9
this
matter.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En als daarover grote twistingG4803 geschieddeG1096, stondG450 PetrusG4074 op en zeideG2036 totG4314 henG846: MannenG435 broedersG80, gijG4771 weet, datG3754 GodG2316 vanG575 over langenG744 tijdG2250 onderG1722 ons mijG1473 verkorenG1586 heeft, dat de heidenenG1484 door mijn mondG4750 het woordG3056 des EvangeliesG2098 zouden horenG191, en gelovenG4100.
En als daarover grote twisting geschiedde, stond Petrus op en zeide tot hen: Mannen broeders, gij weet, dat God van over langen tijd onder ons mij verkoren heeft, dat de heidenen door mijn mond het woord des Evangelies zouden horen, en geloven.
KJV
And2
when there had been4
much1
disputing,3
Peter6
rose up,5
and said
unto8
them,9
Men10
and brethren,11
ye
know13
how that14
a good17
while16
ago15
God19
made choice22
among20
us,
that the Gentiles29
by23
my
mouth25
should hear27
the word31
of the gospel,33
and34
believe.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
EnG2532 GodG2316, de Kenner der harten, heeft hunG846 getuigenis gegevenG3140, hunG846 gevendeG1325 den HeiligenG40 GeestG4151, gelijk als ookG2532 ons;
En God, de Kenner der harten, heeft hun getuigenis gegeven, hun gevende den Heiligen Geest, gelijk als ook ons;
Ook in dit vers
Kenner hartenG2589
KJV
And1
God,4
which knoweth the hearts,3
bare them6
witness,5
giving7
them8
the Holy12
Ghost,10
even14
as13
he did unto us;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En heeft geen onderscheidG1252 gemaakt tussen ons enG2532 henG846, gereinigdG2511 hebbende hunG846 hartenG2588 door het geloofG4102.
En heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, gereinigd hebbende hun harten door het geloof.
KJV
And1
put3
no2
difference
between4
us
and7
them,8
purifying11
their14
hearts13
by faith.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Nu dan, wat verzoektG3985 gij GodG2316, om een jukG2218 opG1909 den halsG5137 der discipelenG3101 te leggenG2007, hetwelkG3739 noch onze vadersG3962, noch wij hebben kunnen dragenG941?
Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?
KJV
Now1
therefore2
why3
tempt ye4
God,6
to put7
a yoke8
upon9
the neck11
of the disciples,13
which14
neither15
our
fathers17
nor19
we
were able21
to bear?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
MaarG235 wij gelovenG4100, door de genadeG5485 van den HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547, zaligG4982 te worden, opG2596 zulke wijzeG5158 als ook zij.
Maar wij geloven, door de genade van den Heere Jezus Christus, zalig te worden, op zulke wijze als ook zij.
KJV
But1
we believe8
that through2
the grace4
of the Lord5
Jesus6
Christ7
we shall be saved,9
even10
as12
they.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
En alG3956 de menigteG4128 zweeg stilG4601, en zij hoordenG191 BarnabasG921 en PaulusG3972 verhalenG1834, wat grote tekenenG4592 en wonderenG5059 GodG2316 door henG846 onderG1722 de heidenenG1484 gedaanG4160 had.
En al de menigte zweeg stil, en zij hoorden Barnabas en Paulus verhalen, wat grote tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had.
KJV
Then2
all3
the multitude5
kept silence,1
and6
gave audience7
to Barnabas8
and9
Paul,10
declaring11
what12
miracles16
and17
wonders18
God15
had wrought13
among19
the Gentiles21
by22
them.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
EnG1161 nadatG3326 deze zwegenG4601, antwoorddeG611 JakobusG2385, zeggendeG3004: MannenG435 broedersG80, hoortG191 mijG1473.
En nadat deze zwegen, antwoordde Jakobus, zeggende: Mannen broeders, hoort mij.
KJV
And2
after1
they had held4
their5
peace,
James7
answered,6
saying,8
Men9
and brethren,10
hearken11
unto me:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
SimeonG4826 heeft verhaaldG1834 hoeG2531 GodG2316 eerstG4412 de heidenenG1484 heeft bezochtG1980, om uitG1537 henG846 een volkG2992 aanG1909 te nemenG2983 door Zijn NaamG3686.
Simeon heeft verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen door Zijn Naam.
KJV
Simeon1
hath declared2
how3
God6
at the first4
did visit7
the Gentiles,10
to take8
out of9
them a people11
for12
his15
name.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
EnG2532 hiermedeG5129 stemmen overeenG4856 de woordenG3056 der profetenG4396, gelijk geschrevenG1125 is:
En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven is:
KJV
And1
to this
agree3
the words5
of the prophets;7
as8
it is written,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
NaG3326 dezenG5023 zal Ik wederkerenG390, enG2532 weder opbouwenG456 de tabernakelG4633 van DavidG1138, dieG3778 vervallenG4098 is, enG2532 hetgeen daarvan verbrokenG2679 is, weder opbouwenG456, enG2532 Ik zal denzelvenG846 weder oprichtenG461.
Na dezen zal Ik wederkeren, en weder opbouwen de tabernakel van David, die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is, weder opbouwen, en Ik zal denzelven weder oprichten.
KJV
After1
this
I will return,3
and4
will build again5
the tabernacle7
of David,8
which6
is fallen down;10
and11
I will build again15
the ruins13
thereof,14
and16
I will set17
it18
up:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Opdat de overblijvendeG2645 mensenG444 den HeereG2962 zoekenG1567, enG2532 al de heidenenG1484, overG1909 welkenG3739 Mijn NaamG3686 aangeroepenG1941 is, spreektG3004 de HeereG2962, Die ditG3778 allesG3956 doetG4160.
Opdat de overblijvende mensen den Heere zoeken, en al de heidenen, over welken Mijn Naam aangeroepen is, spreekt de Heere, Die dit alles doet.
KJV
That1
the residue5
of men7
might seek after3
the Lord,9
and10
all11
the Gentiles,13
upon14
whom15
my
name18
is called,16
saith22
the Lord,23
who4
doeth25
all27
these things.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
GodeG2316 zijn alG3956 Zijn werkenG2041 vanG575 eeuwigheidG165 bekendG1110.
Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend.
KJV
Known1
unto God6
are
all7
his10
works9
from2
the beginning of the world.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Daarom oordeelG2919 ikG1473, dat men degenen, die uitG575 de heidenenG1484 zich totG1909 GodG2316 bekerenG1994, nietG3361 beroereG3926;
Daarom oordeel ik, dat men degenen, die uit de heidenen zich tot God bekeren, niet beroere;
KJV
Wherefore1
my2
sentence is,3
that we trouble5
not4
them, which6
from among7
the Gentiles9
are turned10
to11
God:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
MaarG235 hun zal aanschrijvenG1989, dat zijG846 zich onthoudenG567 van de dingen, die door de afgodenG1497 besmetG234 zijn, en van hoererijG4202, enG2532 van het verstikteG4156, enG2532 van bloedG129.
Maar hun zal aanschrijven, dat zij zich onthouden van de dingen, die door de afgoden besmet zijn, en van hoererij, en van het verstikte, en van bloed.
KJV
But1
that we write2
unto them,3
that they abstain
from6
pollutions8
of idols,10
and11
from fornication,13
and14
from things strangled,16
and17
from blood.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
WantG1063 MozesG3475 heeftG2192 er vanG1537 oudeG744 tijdenG1074 in elke stadG4172, die hem predikenG2784, en hijG846 wordt op elken sabbatG4521 inG1722 de synagogenG4864 gelezenG314.
Want Mozes heeft er van oude tijden in elke stad, die hem prediken, en hij wordt op elken sabbat in de synagogen gelezen.
KJV
For2
Moses1
of3
old5
time4
hath11
in every6
city7
them that preach9
him,10
being read18
in12
the synagogues14
every15
sabbath day.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Toen heeft het den apostelenG652 enG2532 den ouderlingenG4245, met de gehele GemeenteG1577, goed gedachtG1380, enige mannenG435 uitG1537 zich te verkiezenG1586, en met PaulusG3972 enG2532 BarnabasG921 te zendenG3992 naarG1519 AntiochieG490: namelijk JudasG2455, die toegenaamdG1941 wordt BarsabasG923, enG2532 SilasG4609, mannenG435, die voorgangersG2233 waren onderG1722 de broedersG80.
Toen heeft het den apostelen en den ouderlingen, met de gehele Gemeente, goed gedacht, enige mannen uit zich te verkiezen, en met Paulus en Barnabas te zenden naar Antiochie: namelijk Judas, die toegenaamd wordt Barsabas, en Silas, mannen, die voorgangers waren onder de broeders.
KJV
Then1
pleased it2
the apostles4
and5
elders,7
with8
the whole9
church,11
to send16
chosen12
men13
of14
their own company15
to17
Antioch18
with19
Paul21
and22
Barnabas;23
namely, Judas24
surnamed26
Barsabas,27
and28
Silas,29
chief31
men30
among32
the brethren:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
En zij schrevenG1125 door henG846 dit navolgende: De apostelenG652, enG2532 de ouderlingenG4245, enG2532 de broedersG80 wensenG5463 den broederenG80 uitG1537 de heidenenG1484, die in AntiochieG490, enG2532 SyrieG4947, enG2532 CilicieG2791 zijn, zaligheidG5463.
En zij schreven door hen dit navolgende: De apostelen, en de ouderlingen, en de broeders wensen den broederen uit de heidenen, die in Antiochie, en Syrie, en Cilicie zijn, zaligheid.
KJV
And they wrote1
letters by2
them3
after this manner;5
The apostles7
and8
elders10
and11
brethren13
send greeting26
unto the brethren22
which6
are of24
the Gentiles25
in15
Antioch17
and18
Syria19
and20
Cilicia:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
NademaalG1894 wij gehoordG191 hebben, dat sommigenG5100, die van ons uitgegaanG1831 zijn, uG4771 metG1537 woordenG3056 ontroerdG5015 hebben en uw zielenG5590 wankelendeG384 gemaakt, zeggendeG3004, dat gijG4771 moet besnedenG4059 worden, enG2532 de wetG3551 onderhoudenG5083; welkenG3739 wij dat nietG3756 bevolenG1291 hadden;
Nademaal wij gehoord hebben, dat sommigen, die van ons uitgegaan zijn, u met woorden ontroerd hebben en uw zielen wankelende gemaakt, zeggende, dat gij moet besneden worden, en de wet onderhouden; welken wij dat niet bevolen hadden;
KJV
Forasmuch as1
we have heard,2
that3
certain4
which went out7
from5
us
have troubled8
you
with words,10
subverting11
your
souls,13
saying,15
Ye must be circumcised,16
and17
keep18
the law:20
to whom21
we gave23
no22
such commandment:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Zo heeft het ons eendrachtelijkG3661 te zamen zijndeG1096, goed gedachtG1380, enige mannenG435 te verkiezenG1586, en totG4314 uG4771 te zendenG3992, met onze geliefdenG27, BarnabasG921 enG2532 PaulusG3972.
Zo heeft het ons eendrachtelijk te zamen zijnde, goed gedacht, enige mannen te verkiezen, en tot u te zenden, met onze geliefden, Barnabas en Paulus.
KJV
It seemed good1
unto us,
being assembled3
with one accord,4
to send7
chosen5
men6
unto8
you
with10
our
beloved12
Barnabas14
and15
Paul,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
MensenG444, die hunG846 zielenG5590 overgegevenG3860 hebben voor den NaamG3686 van onzen HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547.
Mensen, die hun zielen overgegeven hebben voor den Naam van onzen Heere Jezus Christus.
KJV
Men1
that have hazarded2
their5
lives4
for6
the name8
of our
Lord10
Jesus12
Christ.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Wij hebben danG3767 JudasG2455 enG2532 SilasG4609 gezondenG649, die ookG2532 met den mondG3056 hetzelfde zullen verkondigenG518.
Wij hebben dan Judas en Silas gezonden, die ook met den mond hetzelfde zullen verkondigen.
KJV
We have sent1
therefore2
Judas3
and4
Silas,5
who7
shall10
also6
tell
you the same things12
by8
mouth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
WantG1063 het heeft den HeiligenG40 GeestG4151 enG2532 ons goed gedachtG1380, ulieden geen meerderenG4119 lastG922 op te leggenG2007 dan dezeG3778 noodzakelijkeG1876 dingen:
Want het heeft den Heiligen Geest en ons goed gedacht, ulieden geen meerderen last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen:
KJV
For2
it seemed good1
to the Holy4
Ghost,5
and6
to us,
to lay upon10
you
no8
greater
burden12
than13
these
necessary things;
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Namelijk, dat gij u onthoudtG567 van hetgeen den afgodenG1494 geofferd is, enG2532 van bloedG129, enG2532 van het verstikteG4156, enG2532 van hoererijG4202; vanG1537 welkeG3739 dingen, indien gij uzelven wachtG1301, zo zult gij weldoenG4238. VaartG4517 wel.
Namelijk, dat gij u onthoudt van hetgeen den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij; van welke dingen, indien gij uzelven wacht, zo zult gij weldoen. Vaart wel.
KJV
That ye abstain
from meats offered to idols,2
and3
from blood,4
and5
from things strangled,6
and7
from fornication:8
from9
which10
if ye keep11
yourselves,12
ye shall do14
well.13
Fare ye well.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
DezenG3767 dan, hun afscheidG630 ontvangen hebbende, kwamenG2064 te AntiochieG490; enG2532 de menigteG4128 vergaderdG4863 hebbende, gavenG1929 zij den briefG1992 over.
Dezen dan, hun afscheid ontvangen hebbende, kwamen te Antiochie; en de menigte vergaderd hebbende, gaven zij den brief over.
KJV
So2
when they were dismissed,4
they came5
to6
Antioch:7
and8
when they had gathered9
the multitude11
together,
they delivered12
the epistle:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
EnG1161 zij, dien gelezenG314 hebbende, verblijddenG5463 zich overG1909 de vertroostingG3874.
En zij, dien gelezen hebbende, verblijdden zich over de vertroosting.
KJV
Which when2
they had read,1
they rejoiced3
for4
the consolation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
JudasG2455 nuG1161 en SilasG4609, die ookG2532 zelvenG846 profetenG4396 warenG1510, vermaandenG3870 de broedersG80 met veleG4183 woordenG3056, en versterktenG1991 hen.
Judas nu en Silas, die ook zelven profeten waren, vermaanden de broeders met vele woorden, en versterkten hen.
KJV
And Judas1
and7
Silas,8
being
prophets11
also9
themselves,10
exhorted16
the brethren18
with13
many15
words,14
and19
confirmed
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
EnG1161 als zij daar een tijdG5550 lang vertoefdG4160 hadden, lietenG630 hen de broedersG80 wederom gaan metG3326 vredeG1515, totG4314 de apostelenG652.
En als zij daar een tijd lang vertoefd hadden, lieten hen de broeders wederom gaan met vrede, tot de apostelen.
KJV
And2
after they had tarried1
there a space,3
they were let go4
in5
peace6
from7
the brethren9
unto10
the apostles.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
MaarG1161 het dachtG1380 SilasG4609 goedG1380 aldaar te blijven.
Maar het dacht Silas goed aldaar te blijven.
KJV
Notwithstanding2
it pleased1
Silas4
to abide5
there6
still.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
En PaulusG3972 en BarnabasG921 onthieldenG1304 zich te AntiochieG490, lerendeG1321 en verkondigendeG2097 met nog veleG4183 anderen, het WoordG3056 des HeerenG2962.
En Paulus en Barnabas onthielden zich te Antiochie, lerende en verkondigende met nog vele anderen, het Woord des Heeren.
KJV
Paul1
also2
and3
Barnabas4
continued5
in6
Antioch,7
teaching8
and9
preaching10
the word16
of the Lord,18
with11
many14
others13
also.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
EnG1161 naG3326 enigeG5100 dagenG2250 zeideG2036 PaulusG3972 totG4314 BarnabasG921: Laat ons nu wederkerenG1994, en bezoekenG1980 onze broedersG80 in elke stadG4172, in welkeG3739 wij het WoordG3056 des HeerenG2962 verkondigdG2605 hebben, hoeG4459 zij het hebben.
En na enige dagen zeide Paulus tot Barnabas: Laat ons nu wederkeren, en bezoeken onze broeders in elke stad, in welke wij het Woord des Heeren verkondigd hebben, hoe zij het hebben.
KJV
And2
some3
days4
after1
Paul6
said
unto7
Barnabas,8
Let us go again9
and visit11
our
brethren13
in15
every16
city17
where18
we have preached20
the word22
of the Lord,24
and see how25
they do.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
EnG1161 BarnabasG921 riedG1011, dat zij JohannesG2491, die toegenaamd is MarkusG3138, zouden medenemenG4838.
En Barnabas ried, dat zij Johannes, die toegenaamd is Markus, zouden medenemen.
Ook in dit vers
genaamdG2564
KJV
And2
Barnabas1
determined3
to take with them4
John,6
whose surname was8
Mark.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38
MaarG1161 PaulusG3972 achtte billijkG515, dat men dien nietG3361 zoude medenemenG4838, dieG3778 van PamfylieG3828 afG575 van henG846 was afgewekenG868, en met henG846 nietG3361 was gegaanG4905 totG1519 het werkG2041.
Maar Paulus achtte billijk, dat men dien niet zoude medenemen, die van Pamfylie af van hen was afgeweken, en met hen niet was gegaan tot het werk.
KJV
But2
Paul1
thought3
not11
good
to take18
him
with them,
who4
departed5
from6
them7
from8
Pamphylia,9
and10
went12
not17
with them13
to14
the work.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39
Er ontstondG1096 danG3767 een verbitteringG3948, alzo dat zijG846 vanG575 elkanderG240 gescheidenG673 zijn, en dat BarnabasG921 MarkusG3138 medenamG3880, en naarG1519 CyprusG2954 afscheepteG1602;
Er ontstond dan een verbittering, alzo dat zij van elkander gescheiden zijn, en dat Barnabas Markus medenam, en naar Cyprus afscheepte;
KJV
And2
the contention3
was1
so sharp
between them,6
that4
they departed asunder5
one from the other:7
and so10
Barnabas11
took12
Mark,14
and sailed15
unto16
Cyprus;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
40
Maar PaulusG3972 verkoosG1951 SilasG4609, en reisdeG1831 heen, der genadeG5485 GodsG2316 vanG5259 de broederenG80 bevolenG3860 zijnde.
Maar Paulus verkoos Silas, en reisde heen, der genade Gods van de broederen bevolen zijnde.
KJV
And2
Paul1
chose3
Silas,4
and departed,5
being recommended6
by11
the brethren13
unto the grace8
of God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
41
En hij doorreisdeG1330 SyrieG4947 en CilicieG2791, versterkendeG1991 de GemeentenG1577.
En hij doorreisde Syrie en Cilicie, versterkende de Gemeenten.
KJV
And2
he went through1
Syria4
and5
Cilicia,6
confirming7
the churches.
sommigen, die
Namelijk die uit de Joden tot den Christelijken godsdienst zich begeven hadden, vs.5, onder welke de oude leraars meenden dat de ketter Cerinthus mede geweest is; Epifanis Haeres.28.
Hertaald:
sommigen, die
Namelijk mensen die zich vanuit het Jodendom bij de christelijke godsdienst gevoegd hadden (vers 5); volgens de oude leraars was ook de ketter Cerinthus daarbij; Epifanius, Ketterijen 28.
van Judea,
Namelijk tot Antiochië.
Hertaald:
van Judea,
Namelijk naar Antiochië.
gij niet besneden
Namelijk die uit de heidenen tot den Christelijken godsdienst bekeerd zijt, indien gij daarenboven u niet laat besnijden en de wet der ceremoniën niet onderhoudt.
Hertaald:
gij niet besneden
Namelijk u die uit de heidenen tot de christelijke godsdienst bekeerd bent, wanneer u zich daarbovenop niet laat besnijden en de ceremoniële wet niet onderhoudt.
wederstand
Of, als er dan een oproer geschiedde, en geen kleine twisting bij, enz.
Hertaald:
wederstand
Of: toen er dus onrust ontstond en geen geringe twist bij, enzovoort.
twisting
Grieks samenvraging; dat is, disputering, vs.7.
Hertaald:
twisting
Grieks: samenvraging; dat is: redetwist, vers 7.
Paulus en
Die zich tegen deze valse leer stelden.
Hertaald:
Paulus en
Namelijk zij die zich tegen deze valse leer keerden.
zij geordineerd,
Namelijk de voorstanders der gemeente te Antiochië.
Hertaald:
zij geordineerd,
Namelijk de voorgangers van de gemeente in Antiochië.
tot de apostelen
Namelijk Petrus, Jakobus en Johannes; Gal. 2:9 .
Hertaald:
tot de apostelen
Namelijk Petrus, Jakobus en Johannes; Gal. 2:9.
vraag
Of, kwestie, geschil. Zie Hand. 18:15 .
Hertaald:
vraag
Of: kwestie, geschil. Zie Hand. 18:15.
van de Gemeente
Hetwelk de gemeente deed, om te tonen dat deze zaak niet alleen Paulus en Barnabas, maar de gehele gemeente aanging.
Hertaald:
van de Gemeente
Dat deed de gemeente om te tonen dat deze zaak niet alleen Paulus en Barnabas aanging, maar de hele gemeente.
de bekering
Namelijk tot den Christelijken godsdienst.
Hertaald:
de bekering
Namelijk tot de christelijke godsdienst.
deden al
Grieks maakten.
Hertaald:
deden al
Grieks: maakten.
met hen gedaan
Dat is, door hen. Zie Hand. 14:27 .
Hertaald:
met hen gedaan
Dat is: door hen. Zie Hand. 14:27.
zeiden zij,
Deze woorden zijn daarbij gedaan opdat men mag verstaan dat deze woorden niet van Lukas, maar van Paulus verhaald worden.
Hertaald:
zeiden zij,
Deze woorden zijn erbij gevoegd opdat men zou begrijpen dat zij niet door Lukas maar door Paulus verteld worden.
sekte der
Grieks ketterij. Zie van dit woord de verklaring Hand. 5:17 , en van de Farizeën Matt. 3:7 .
Hertaald:
sekte der
Grieks: ketterij. Zie over dit woord de verklaring bij Hand. 5:17, en over de farizeeën Matth. 3:7.
die gelovig
Dat is, die den Christelijken godsdienst hadden aangenomen, doch, gelijk het blijkt, den ouden zuurdesem der Farizeën niet ten enenmale afgelegd hadden.
Hertaald:
die gelovig
Dat is: zij die de christelijke godsdienst aangenomen hadden, maar die, zoals blijkt, de oude zuurdesem van de farizeeën niet geheel afgelegd hadden.
hen moet besnijden,
Namelijk die zich uit het heidendom tot de Christelijke religie begeven; Hand. 14:27 .
Hertaald:
hen moet besnijden,
Namelijk hen die zich vanuit het heidendom bij de christelijke godsdienst gevoegd hebben; Hand. 14:27.
de wet van
Namelijk der ceremoniën, vs.24. Hoewel het ook verstaan kan worden van de wet der zeden, om daardoor gerechtvaardigd te worden.
Hertaald:
de wet van
Namelijk de ceremoniële wet, vers 24. Hoewel het ook opgevat kan worden van de zedelijke wet, om daardoor gerechtvaardigd te worden.
vergaderden
Dit is de eerste vergadering, consilie, of synode, die over kwestiën van de religie in het Nieuwe Testament is gehouden.
Hertaald:
vergaderden
Dit is de eerste vergadering, het eerste concilie of de eerste synode die in het Nieuwe Testament over vragen van de godsdienst gehouden is.
om op deze zaak
Grieks om over dit woord te zien. Heb
Hertaald:
om op deze zaak
Grieks: om over dit woord te zien — een Hebreeuwse uitdrukking.
twisting geschiedde,
Grieks samenvraging; dat is, disputering, namelijk tussen beide partijen, die beide moeten gehoord worden.
Hertaald:
twisting geschiedde,
Grieks: samenvraging; dat is: redetwist, namelijk tussen beide partijen, die beide gehoord moeten worden.
over langen tijd
Grieks van oude dagen; welken tijd sommigen verstaan van het begin der predikatie van de apostelen na de hemelvaart van Christus; anderen van den tijd der bekering van Cornelius; Hand. 10.
Hertaald:
over langen tijd
Grieks: van oude dagen. Sommigen verstaan daaronder de tijd vanaf het begin van de prediking van de apostelen na de hemelvaart van Christus, anderen de tijd van de bekering van Cornelius; Hand. 10.
getuigenis
Namelijk dat zij hem ook aangenaam waren; Hand. 10:28 .
Hertaald:
getuigenis
Namelijk dat ook zij Hem aangenaam waren; Hand. 10:28.
den Heiligen
Dat is, de gaven des Heiligen Geestes, zo gewone als buitengewone.
Hertaald:
den Heiligen
Dat is: de gaven van de Heilige Geest, zowel de gewone als de buitengewone.
geen onderscheid
Namelijk aangaande de weldaden en gaven, die gemeen zijn dengenen, die in Christus geloven.
Hertaald:
geen onderscheid
Namelijk wat betreft de weldaden en gaven die allen gemeen hebben die in Christus geloven.
een juk op
Namelijk de wet der ceremoniën, vs.5.
Hertaald:
een juk op
Namelijk de ceremoniële wet, vers 5.
dragen?
Dat is, volkomen onderhouden, noch daardoor gerechtvaardigd worden. Zie de aantekeningen Hand. 13:39 .
Hertaald:
dragen?
Dat is: volkomen onderhouden, en er ook niet door gerechtvaardigd worden. Zie de aantekeningen bij Hand. 13:39.
de genade van
Dat is, door het lijden en de gerechtigheid van Jezus Christus, waarmede hij ons de genade Gods verdiend heeft, waarvan de ceremoniën der wet een voorbeeld waren; Joh. 1:17 .
Hertaald:
de genade van
Dat is: door het lijden en de gerechtigheid van Jezus Christus, waarmee Hij ons de genade van God verdiend heeft, waarvan de ceremoniën van de wet een voorafbeelding waren; Joh. 1:17.
zij
Namelijk onze vaders zalig zijn geworden door dezelfde genade.
Hertaald:
zij
Namelijk onze vaderen zijn zalig geworden door diezelfde genade.
de menigte
Namelijk niet der gemeente, maar der apostelen en ouderlingen. Zie vs.4.
Hertaald:
de menigte
Namelijk niet van de gemeente, maar van de apostelen en ouderlingen. Zie vers 4.
zweeg stil,
Namelijk daarmede betonende hunne toestemming in hetgeen van Petrus gezegd was.
Hertaald:
zweeg stil,
Namelijk waarmee zij hun instemming betoonden met wat Petrus gezegd had.
deze zwegen,
Namelijk Paulus en Barnabas.
Hertaald:
deze zwegen,
Namelijk Paulus en Barnabas.
antwoordde
Dat is, begon te spreken, Hebreën.
Hertaald:
antwoordde
Dat is: begon te spreken — een Hebreeuwse uitdrukking.
Jakobus,
Namelijk Alfeus' zoon, Jakobus de kleine. Zie van hem Hand. 12:17 .
Hertaald:
Jakobus,
Namelijk de zoon van Alfeüs, Jakobus de kleine. Zie over hem Hand. 12:17.
Simeon heeft
Namelijk Petrus, die zichzelven ook zo noemt, 2 Petr. 1:1 . Anders ook Simon; Matt. 10:2 .
Hertaald:
Simeon heeft
Namelijk Petrus, die zichzelf ook zo noemt (2 Petr. 1:1); ook wel Simon; Matth. 10:2.
eerst de heidenen
Dat is, overlang, vs.7.
Hertaald:
eerst de heidenen
Dat is: al lang geleden, vers 7.
bezocht, om
Of, aangezien.
Hertaald:
bezocht, om
Of: aangezien.
door Zijn Naam
Dat is, voor zichzelven. Of, in zijnen naam. Of, dat zijn volk zou genoemd worden, vs.17.
Hertaald:
door Zijn Naam
Dat is: voor Zichzelf. Of: in Zijn naam. Of: opdat zij Zijn volk genoemd zouden worden, vers 17.
de tabernakel
Dat is, de gemeente in welke Christus de Zoon Davids woont.
Hertaald:
de tabernakel
Dat is: de gemeente waarin Christus, de Zoon van David, woont.
verbroken is,
Grieks ondergraven; namelijk in de gelovige Joden, in welker plaats de heidenen als levende stenen gebouwd zijn.
Hertaald:
verbroken is,
Grieks: ondergraven; namelijk in de gelovige Joden, in wier plaats de heidenen als levende stenen ingebouwd zijn.
overblijvende
Dat is, niet alleen de Joden, maar ook de andere volken, welke Amos Edom noemt; zie Am. 9:11-12 .
Hertaald:
overblijvende
Dat is: niet alleen de Joden, maar ook de andere volken, die Amos Edom noemt; zie Amos 9:11-12.
Naam aangeroepen
Grieks over hen aangeroepen, of genaamd is; zie Hand. 11:26 .
Hertaald:
Naam aangeroepen
Grieks: over hen aangeroepen of genoemd is; zie Hand. 11:26.
van eeuwigheid bekend
Dat is, al wat God in den tijd doet, dat heeft Hij van eeuwigheid besloten alzo te doen.
Hertaald:
van eeuwigheid bekend
Dat is: alles wat God in de tijd doet, dat heeft Hij van eeuwigheid besloten zo te doen.
oordeel ik, dat
Dat is, dit is mijn gevoelen en mening in deze zaak.
Hertaald:
oordeel ik, dat
Dat is: dit is mijn opvatting en mening in deze zaak.
beroere;
Of, ongerust te maken, of dat men hen niet ongerust moet maken.
Hertaald:
beroere;
Of: hen te verontrusten, of: dat men hen niet moet verontrusten.
die door de afgoden
Grieks besmettingen der afgoden; dat is, van spijs of drank den afgoden opgeofferd, en die daardoor besmet zijn, gelijk vs.29 verklaard wordt.
Hertaald:
die door de afgoden
Grieks: de besmettingen van de afgoden; dat is: van spijs of drank die aan de afgoden geofferd is en daardoor besmet is, zoals in vers 29 verklaard wordt.
hoererij
Dit verstaan sommigen van de lichamelijke hoererij, die wel in zichzelve niet middelmatig is, Ex. 20:14 ; maar van de heidenen voor gene zonde en voor middelmatig gehouden werd; 1 Kor. 6:13-15 ; anderen, van de geestelijke hoererij, dat is, afgoderij, die doorgaans van de profeten hoererij genaamd wordt, Ex. 34:16 ; Lev. 20:5 ; Richt. 2:17 ; Ps. 106:39 ; Jes. 23:17 ; Jer. 3:6 , Jer. 3:8 ; Ezech. 16:15-16 ; en namelijk van die soort van afgoderij, die sommigen uit de heidenen, bekeerd zijnde, bedreven, etende in de tempels der afgoden hetgeen dezen was opgeofferd; waarvan de apostel spreekt 1 Kor. 8:9-10 , en 1 Kor. 10:14 , 1 Kor. 10:21 ; hetwelk zij meenden, hun door de Christelijke vrijheid geoorloofd te zijn, en zij dikwijls deden met groten aanstoot der zwakken.
Hertaald:
hoererij
Sommigen verstaan dit van de lichamelijke hoererij, die op zichzelf natuurlijk geen middelmatige zaak is (Ex. 20:14), maar door de heidenen niet als zonde en wel als middelmatig beschouwd werd (1 Kor. 6:13-15). Anderen verstaan het van de geestelijke hoererij, dat is: de afgoderij, die door de profeten doorgaans hoererij genoemd wordt (Ex. 34:16; Lev. 20:5; Richt. 2:17; Ps. 106:39; Jes. 23:17; Jer. 3:6, Jer. 3:8; Ezech. 16:15-16), en dan in het bijzonder van die vorm van afgoderij die sommigen uit de heidenen na hun bekering bedreven door in de tempels van de afgoden te eten wat daaraan geofferd was. Daarover spreekt de apostel in 1 Kor. 8:9-10 en 1 Kor. 10:14, 1 Kor. 10:21; zij meenden dat dit hun door de christelijke vrijheid geoorloofd was en deden het vaak tot grote aanstoot van de zwakken.
verstikte, en
Dat is, van beesten, die gestorven waren zonder bloed te laten, dat den Joden een gruwel was. Zie Gen. 9:4 ; Lev. 3:17 ; Deut. 12:23 .
Hertaald:
verstikte, en
Dat is: van dieren die gestorven waren zonder dat het bloed eruit gelopen was, wat voor de Joden een gruwel was. Zie Gen. 9:4; Lev. 3:17; Deut. 12:23.
bloed
Namelijk van het beest afgezonderd, hetzij geronnen gegeten, of ongeronnen gedronken, hetwelk God verboden had, om de mensen van alle wreedheid en bloedstorting af te schrikken; Gen. 9:4 .
Hertaald:
bloed
Namelijk het bloed dat van het dier gescheiden is, hetzij gestold gegeten, hetzij ongestold gedronken. God had dat verboden om de mensen van alle wreedheid en bloedvergieten af te schrikken; Gen. 9:4.
tijden in elke
Grieks geslachten.
Hertaald:
tijden in elke
Grieks: geslachten.
hij wordt op
Dat is, zijne schriften; Neh. 8:1 ; Luc. 16:29 .
Hertaald:
hij wordt op
Dat is: zijn geschriften; Neh. 8:1; Luk. 16:29.
met de gehele
Namelijk die het besluit der apostelen en ouderlingen voor goed gekend had.
Hertaald:
met de gehele
Namelijk de gemeente, die het besluit van de apostelen en ouderlingen goedgekeurd had.
Silas, mannen,
Deze is dezelfde, die Silvanus genaamd wordt 1 Thess. 1:1 , en 2 Thess. 1:1 .
Hertaald:
Silas, mannen,
Dit is dezelfde die Silvanus genoemd wordt in 1 Thess. 1:1 en 2 Thess. 1:1.
voorgangers
Dat is, die onder de voornaamsten waren van aanzien, kennis en beleid onder de kerkedienaren aldaar.
Hertaald:
voorgangers
Dat is: zij die onder de kerkdienaars daar tot de voornaamsten behoorden in aanzien, kennis en beleid.
door hen dit
Grieks door hunne hand; dat is dienst, Hebreën, Hand. 7:25 ; namelijk om van hen gedragen te worden aan de gemeente te Antiochië.
Hertaald:
door hen dit
Grieks: door hun hand; dat is: door hun dienst — een Hebreeuwse uitdrukking, Hand. 7:25; namelijk om door hen naar de gemeente in Antiochië gebracht te worden.
broeders wensen
Namelijk de andere gemene broeders der gemeente van Jeruzalem, die hetzelve ook hadden goedgevonden.
Hertaald:
broeders wensen
Namelijk de overige gewone broeders van de gemeente in Jeruzalem, die het eveneens goedgekeurd hadden.
zaligheid
Grieks blijde te zijn; hetwelk was een gemene wijze van groetenis, in het begin der brieven bij de Grieken gebruikelijk. Zie Hand. 23:26 .
Hertaald:
zaligheid
Grieks: verblijd te zijn; dat was een gebruikelijke groet aan het begin van brieven bij de Grieken. Zie Hand. 23:26.
die van ons
Zie vs.1, en 1 Joh. 2:19 .
Hertaald:
die van ons
Zie vers 1 en 1 Joh. 2:19.
wankelende gemaakt,
Dat is, de vastigheid uws geloofs en de gerustheid uws gemoeds gelijk als los en onvast makende.
Hertaald:
wankelende gemaakt,
Dat is: doordat zij de vastheid van uw geloof en de gerustheid van uw gemoed als het ware los en onvast maakten.
wet onderhouden;
Zie de aantekeningen vs.5.
Hertaald:
wet onderhouden;
Zie de aantekeningen bij vers 5.
niet bevolen hadden;
Dat is, geen last gegeven hebben zulks te leren, hoewel zij onzen naam misbruiken.
Hertaald:
niet bevolen hadden;
Dat is: wij hebben geen opdracht gegeven dat zo te leren, hoewel zij onze naam misbruiken.
overgegeven hebben
Dat is, die met groot gevaar huns levens het Evangelie vrijmoedig gepredikt hebben.
Hertaald:
overgegeven hebben
Dat is: die met groot levensgevaar het Evangelie vrijmoedig gepredikt hebben.
met den mond
Grieks met, of door het woord.
Hertaald:
met den mond
Grieks: met, of door het woord.
ons goed gedacht,
Dat is, ons door ingeven des Heiligen Geestes.
Hertaald:
ons goed gedacht,
Dat is: ons, door ingeving van de Heilige Geest.
geen meerderen
Zie hiervan de verklaring vs.10.
Hertaald:
geen meerderen
Zie hierover de verklaring bij vers 10.
noodzakelijke dingen
Namelijk voor dezen tijd; welke hoewel zij niet eigenlijk ter zaligheid noodwendig zijn [uitgenomen het vlieden van hoererij en afgoderij], zo zijn zij nochtans nodig onderhouden te worden tot noodzakelijken vrede en stichting der gemeente, om der zwakgelovige Joden wil.
Hertaald:
noodzakelijke dingen
Namelijk voor deze tijd. Hoewel deze dingen niet strikt tot zaligheid noodzakelijk zijn — behalve het mijden van hoererij en afgoderij — moeten zij toch onderhouden worden voor de noodzakelijke vrede en stichting van de gemeente, ter wille van de zwakgelovige Joden.
hetgeen den afgoden
Zie hiervan 1Co 8 , door het gehele hoofdstuk.
Hertaald:
hetgeen den afgoden
Zie hierover 1 Kor. 8, het hele hoofdstuk door.
weldoen
Of, welvaren.
Hertaald:
weldoen
Of: welvaren.
Vaart wel
Grieks zij, of wordt gesterkt. Een wijze van spreken bij de Grieken gebruikelijk in het sluiten van de brieven. Zie Hand. 23:30 .
Hertaald:
Vaart wel
Grieks: weest gesterkt. Dat was bij de Grieken een gebruikelijke wijze om brieven af te sluiten. Zie Hand. 23:30.
de menigte
Dat is, de ganse gemeente.
Hertaald:
de menigte
Dat is: de hele gemeente.
vertroosting
Of, vermaning.
Hertaald:
vertroosting
Of: vermaning.
profeten waren,
Dat is, leraars des Woords, begaafd met de gave van de Heilige Schrift bekwamelijk uit te leggen, die gezonden waren om hunne vermaningen daarbij te doen, vs.27.
Hertaald:
profeten waren,
Dat is: leraars van het Woord, begiftigd met de gave om de Heilige Schrift goed uit te leggen, die gezonden waren om daar hun vermaningen bij te voegen, vers 27.
vermaanden de
Of, vertroostten.
Hertaald:
vermaanden de
Of: vertroostten.
versterkten hen
Namelijk in het Christengeloof.
Hertaald:
versterkten hen
Namelijk in het christelijk geloof.
een tijd lang
Dat is, een zekeren en geruimen tijd; Hand. 18:23 .
Hertaald:
een tijd lang
Dat is: een zekere, geruime tijd; Hand. 18:23.
vertoefd hadden,
Grieks gemaakt hadden; dat is, verbleven waren. Zie Jak. 4:13 .
Hertaald:
vertoefd hadden,
Grieks: gemaakt hadden; dat is: verbleven waren. Zie Jak. 4:13.
met vrede,
Dat is, met verlof van de broeders, en met toewensing van allen zegen en geLucas Hebreën.
Hertaald:
met vrede,
Dat is: met verlof van de broeders en met de wens van alle zegen en geluk — een Hebreeuwse uitdrukking.
tot de apostelen
Namelijk naar Jeruzalem, waar nog enige apostelen waren.
Hertaald:
tot de apostelen
Namelijk naar Jeruzalem, waar nog enkele apostelen waren.
onthielden zich
Grieks versleten daar; namelijk den tijd.
Hertaald:
onthielden zich
Grieks: brachten daar door; namelijk de tijd.
verkondigende
Grieks Evangeliserende.
Hertaald:
verkondigende
Grieks: evangeliserende.
hoe zij het hebben
Dat is, om te vernemen hoe het met hen staat, aangaande het geloof.
Hertaald:
hoe zij het hebben
Dat is: om te vernemen hoe het met hen gesteld is wat het geloof betreft.
ried, dat zij
Of, wilde.
Hertaald:
ried, dat zij
Of: wilde.
achtte billijk,
Of, begeerde.
Hertaald:
achtte billijk,
Of: verlangde.
afgeweken, en
Grieks afgestaan. Zie Hand. 13:13 .
Hertaald:
afgeweken, en
Grieks: afgestaan. Zie Hand. 13:13.
het werk
Namelijk om den heidenen het Evangelie te prediken, waartoe de Heilige Geest hen geroepen had om dat te volbrengen; Hand. 13:2 .
Hertaald:
het werk
Namelijk om de heidenen het Evangelie te prediken, waartoe de Heilige Geest hen geroepen had; Hand. 13:2.
verbittering, alzo
Of, hevigheid, welke deze heilige mannen overkomen is door menselijke zwakheid, daarmede tonende waar te zijn, hetgeen zij van zichzelven zeggen; Hand. 14:15 . Doch God heeft dit ten beste gekeerd, alzo zij aldus van elkander gescheiden zijnde, het Evangelie van hen in meer plaatsen tevens is verkondigd geworden.
Hertaald:
verbittering, alzo
Of: heftigheid, die deze heilige mannen door menselijke zwakheid overkwam; daarmee toonden zij dat waar was wat zij van zichzelf zeggen in Hand. 14:15. Toch heeft God dit ten goede gekeerd, want doordat zij zo van elkaar scheidden is het Evangelie door hen tegelijk op meer plaatsen verkondigd.
verkoos Silas,
Of, nam tot zich.
Hertaald:
verkoos Silas,
Of: nam Silas tot zich.
bevolen zijnde
Grieks overgegeven zijnde.
Hertaald:
bevolen zijnde
Grieks: overgegeven zijnde.
de Gemeenten
Namelijk, die in die landen vergaderd waren.
Hertaald:
de Gemeenten
Namelijk de gemeenten die in die landen bijeenvergaderd waren. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een van de twee mannen die na Jezus' hemelvaart als kandidaat werden voorgesteld om de plaats van Judas Iskariot onder de twaalf apostelen in te nemen; het lot viel echter op Matthias (Hand. 1:23-26). Oorspronkelijk Joses geheten; een Leviet van geboorte uit Cyprus, die door de apostelen Barnabas genoemd werd. Hij verkocht een akker en legde de opbrengst aan de voeten der apostelen (Hand. 4:36-37); hij zou later een centrale rol spelen als metgezel van Paulus in diens zendingsreizen. Zoon van Maria, en neef van Barnabas; hij vergezelde Barnabas en Saulus op hun zendingsreis, maar keerde vanuit Pamfylië terug naar Jeruzalem, wat later tot een scherp meningsverschil tussen Paulus en Barnabas leidde (Hand. 12:12, 25; 13:5, 13; 15:37-39); van oudsher gezien als de schrijver van het Evangelie naar Markus. Een van de profeten en leraars van de gemeente te Antiochië (Hand. 13:1). Een van de voorgangers onder de broeders te Jeruzalem, die met Silas werd meegezonden naar Antiochië om de brief van het apostelconvent te overhandigen (Hand. 15:22, 27, 32). Niet dezelfde persoon als Jozef Barsabas (Hand. 1:23). Een voorganger onder de broeders te Jeruzalem, die met Judas Barsabas naar Antiochië werd gezonden; later koos Paulus hem als reisgenoot in plaats van Johannes Markus, en samen doorreisden zij Syrië en Cilicië (Hand. 15:22-41); dezelfde als de Silvanus die in de brieven genoemd wordt. Blijkens zijn optreden als leidende stem op het apostelconvent te Jeruzalem (Hand. 15:13-21) waarschijnlijk Jakobus, de broer van de Heere Jezus (vgl. Matth. 13:55), die na de opstanding tot geloof kwam en een leidende positie in de gemeente te Jeruzalem innam. Niet dezelfde persoon als Jakobus, de zoon van Zebedeüs, of Jakobus, de zoon van Alfeüs. Een jongeman uit Tarsen, aan wiens voeten de getuigen bij de steniging van Stefanus hun klederen legden; hij haalde welbehagen in diens dood en verwoestte daarna de gemeente, mannen en vrouwen gevangen nemend. Op weg naar Damaskus om ook daar christenen te vervolgen, verscheen hem de verhoogde Jezus in een fel licht; drie dagen blind, werd hij door Ananias genezen en gedoopt, en werd van vervolger een krachtig verkondiger dat Jezus de Christus is (Hand. 7:58; 8:1-3; 9:1-30); later bekend als de apostel Paulus. Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Wanneer er te Antiochië verschil van mening ontstaat, worden Paulus en Barnabas naar Jeruzalem gezonden om de zaak aan de apostelen en ouderlingen voor te leggen. Petrus wijst erop dat God geen onderscheid gemaakt heeft tussen Jood en heiden, hun hart door het geloof gereinigd heeft, en vraagt: "wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?" (Hand. 15:8-10). Jakobus' oordeel wordt gevolgd: men moet de heidenen niet lastigvallen, maar hun alleen enkele noodzakelijke onthoudingen aanschrijven — van afgodenoffers, hoererij, het verstikte en bloed (Hand. 15:19-20) — met de formule: "het heeft den Heiligen Geest en ons goed gedacht" (Hand. 15:28). Bijbelse betekenis: Hiermee wordt onomstotelijk vastgelegd dat de zaligheid door genade, door het geloof is, buiten de werken van de wet en de besnijdenis om, voor Jood en heiden gelijkelijk — hetzelfde evangelie dat Paulus in Galaten en Romeinen leerstellig uitwerkt. De beperkingen van het besluit zijn pastoraal-praktisch, gericht op de tafelgemeenschap tussen Joodse en heidense gelovigen, geen heropgelegde ceremoniële wet als heilsvoorwaarde. Typologie: Gal. 2:1-10 geeft Paulus' eigen verslag van (waarschijnlijk) hetzelfde bezoek; Ef. 2:14-16 vat het theologisch samen: Christus is onze vrede, "den middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende." Hand. 15:1-2,8-10,19-20,28; Gal. 2:1-10; Ef. 2:14-16 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het verbond niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe De heidenen komen tot geloof, en dat roept de scherpste vraag van de jonge kerk op: moeten zij eerst Joden worden? De vergadering in Jeruzalem beslist die vraag, en Jakobus beslist haar met een profeet. Amos had gezegd dat God de vervallen hut van David weer zou opbouwen — en Jakobus wijst aan dat dát is wat er nu gebeurt, en waarom de heidenen erbij horen. Petrus heeft verteld wat hij bij Cornelius gezien heeft. Barnabas en Paulus hebben verslag gedaan. En dan neemt Jakobus het woord, en hij doet iets wat de hele beslissing draagt: hij toetst de ervaring aan de Schrift. “En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten.” De plaats die hij aanhaalt is Amos, het slot van dat boek: “Na dezen zal Ik wederkeren, en weder opbouwen de tabernakel van David, die vervallen is.” Dat beeld is bij Amos zorgvuldig gekozen. Er staat geen paleis en geen troon, maar een hut — een vervallen loofhut, een bouwsel van takken zoals er in een wijngaard stond. Zo zag het koningshuis van David eruit toen Amos schreef: nog overeind, maar aan het instorten. Later zou het helemaal vallen. En God belooft dat Hij het weer opricht, en de reten dichtmaakt, en bouwt als in de dagen van ouds. Het opvallende is waartoe dat gebeurt. Bij Amos staat: opdat zij erfelijk bezitten het overblijfsel van Edom, en al de heidenen die naar Mijn Naam genoemd worden. Jakobus haalt het zo aan: “Opdat de overblijvende mensen den Heere zoeken, en al de heidenen, over welken Mijn Naam aangeroepen is.” Daar zit de hele redenering. Het herstel van Davids huis is er niet alleen voor Israël. Het staat er juist opdat de volken erbij zouden komen. De kanttekening zegt bij het woord tabernakel kortweg: dat is de gemeente in welke Christus de Zoon van David woont. En bij het woord verbroken: in de plaats van de ongelovige Joden zijn de heidenen als levende stenen ingebouwd. Zo wordt zichtbaar hoe de verbondslijn hier loopt. Aan Abraham was gezegd dat in zijn zaad alle volken der aarde gezegend zouden worden — dat is de breedte. Aan David was een troon beloofd tot in eeuwigheid — dat is de smalte. Amos legt ze op elkaar: juist door het herstellen van dat ene huis komen die vele volken binnen. De heidenen hoeven dus niet eerst Israëliet te worden, want de bedoeling van Israël was altijd al dat zij zouden komen. Dat is ook waarom Jakobus' besluit zo mild uitvalt. Hij vraagt geen besnijdenis, en hij vraagt niet dat men de wet van Mozes op zich neemt. Hij vraagt vier dingen, en die gaan alle over samenleven met Joodse broeders, want Mozes wordt op elke sabbat in de synagogen gelezen. En de zin waarmee hij zijn aanhaling afsluit, zet de hele zaak in het juiste licht: Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend. Wat de gemeente die dagen als een verrassing overkwam, was bij God geen nieuw plan. In het Nieuwe Testament: Amos 9:11-12; Genesis 12:3; 2 Samuël 7:16; Efeziers 2:19-22; Handelingen 10:34 Hoever dit reikt: De aanhaling van Amos in Handelingen wijkt in enkele woorden af van de Statenvertaling bij Amos zelf; dat komt doordat Jakobus' woorden via de Griekse overzetting zijn overgeleverd. De strekking is in beide dezelfde: het huis van David wordt hersteld, en de heidenen worden erbij genoemd. Of Amos daarnaast ook nog op iets toekomends ziet, wordt hier niet uitgemaakt; Jakobus gebruikt de plaats om te tonen dat wat gebeurt met de profeten overeenstemt.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Handelingen 15
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De vervallen tabernakel van David, weder opgebouwd — 15:13-21
Wat betekenen de niveaus?


Handelingen 15
Handelingen 15:6-11
KruisverwijzingenHandelingen 1:24→Handelingen 10:28→Mattheüs 23:4→Romeinen 3:24→Handelingen 15:2→Galaten 5:1→Jesaja 7:12→2 Korinthe 13:14→— En de apostelen en de ouderlingen vergaderden te zamen, om op deze zaak te letten. En als daarover grote twisting geschiedde, stond Petrus op en zeide tot hen: Mannen broeders, gij weet, dat God van over langen tijd onder ons mij verkoren heeft, dat de heidenen door mijn mond het woord des Evangelies zouden horen, en geloven. En God, de Kenner der harten, heeft hun getuigenis gegeven, hun gevende den Heiligen Geest, gelijk als ook ons; En heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, gereinigd hebbende hun harten door het geloof. Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen? Maar wij geloven, door de genade van den Heere Jezus Christus, zalig te worden, op zulke wijze als ook zij.
De Joodse, of Farizese partij, verzette zich heftig tegen het evangelie. Waar de apostelen ook gingen, hitsten de ongelovige Joden, door afgunst gedreven, het volk tegen hen op. De boodschap dat de heidenen door genade, door het geloof, zalig konden worden, was hun een ergernis; zij meenden dat dit tegen de wet van Mozes indruiste. Gelovigen die vroeger Farizeeën geweest waren, brachten een flinke dosis Farizese neigingen mee in de gemeente, en die waren gevaarlijk voor het jonge Koninkrijk van Christus.
Petrus kon, op het grote concilie van Jeruzalem, hun antwoorden die zeiden dat besnijdenis nodig was om zalig te worden. Hij vertelt hoe hij tot dat inzicht gekomen was. Op Gods onderwijzing was hij heengegaan, en had gepredikt aan Cornelius en zijn huisgezin, die allen gelovig werden. Toen vertelde Petrus hoe de Geest van God op hen rustte. Het was overduidelijk dezelfde Geest, Die op de besnedenen te Jeruzalem neergedaald was, want zij ondervonden dezelfde uitwerking.
Maakt de Geest geen onderscheid tussen besnedenen en onbesnedenen, waarom zou de gemeente dat dan wel doen? Petrus zei daarom: “Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, welke den Heiligen Geest ontvangen hebben, gelijk als ook wij?” Hij gebood hen daarom, gedoopt te worden in de Naam van de Heere, en bevestigde zo zijn overtuiging dat het geloof hun harten gereinigd had. Het Jeruzalemse concilie bevestigde daarop deze waarheid van het evangelie aangaande de heidenen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-35.KruisverwijzingenHandelingen 15:22→Handelingen 15:5→Handelingen 15:24→Handelingen 14:27→Handelingen 1:24→Handelingen 10:28→Mattheüs 23:4→Leviticus 12:3→
— En sommigen, die afgekomen waren van Judea, leerden de broederen, zeggende: Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zo kunt gij niet zalig worden. Als er dan geen kleine wederstand en twisting geschiedde bij Paulus en Barnabas tegen hen, zo hebben zij geordineerd, dat Paulus en Barnabas, en enige anderen uit hen, zouden opgaan tot de apostelen en ouderlingen naar Jeruzalem, over deze vraag. Zij dan, van de Gemeente uitgeleid zijnde, reisden door Fenicie en Samarie, verhalende de bekering der heidenen; en deden al den broederen grote blijdschap aan. En te Jeruzalem gekomen zijnde, werden zij ontvangen van de Gemeente, en de apostelen, en de ouderlingen; en zij verkondigden, wat grote dingen God met hen gedaan had. Maar, zeiden zij, er zijn sommigen opgestaan van die van de sekte der Farizeen, die gelovig zijn geworden, zeggende, dat men hen moet besnijden, en gebieden de wet van Mozes te onderhouden. En de apostelen en de ouderlingen vergaderden te zamen, om op deze zaak te letten. En als daarover grote twisting geschiedde, stond Petrus op en zeide tot hen: Mannen broeders, gij weet, dat God van over langen tijd onder ons mij verkoren heeft, dat de heidenen door mijn mond het woord des Evangelies zouden horen, en geloven. En God, de Kenner der harten, heeft hun getuigenis gegeven, hun gevende den Heiligen Geest, gelijk als ook ons; En heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, gereinigd hebbende hun harten door het geloof. Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?
Het concilie van de apostelen te Jeruzalem.
a. Vers 1-29KruisverwijzingenHandelingen 15:22→Handelingen 15:5→Handelingen 15:24→Handelingen 14:27→Handelingen 1:24→Handelingen 10:28→Mattheüs 23:4→Leviticus 12:3→
— En sommigen, die afgekomen waren van Judea, leerden de broederen, zeggende: Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zo kunt gij niet zalig worden. Als er dan geen kleine wederstand en twisting geschiedde bij Paulus en Barnabas tegen hen, zo hebben zij geordineerd, dat Paulus en Barnabas, en enige anderen uit hen, zouden opgaan tot de apostelen en ouderlingen naar Jeruzalem, over deze vraag. Zij dan, van de Gemeente uitgeleid zijnde, reisden door Fenicie en Samarie, verhalende de bekering der heidenen; en deden al den broederen grote blijdschap aan. En te Jeruzalem gekomen zijnde, werden zij ontvangen van de Gemeente, en de apostelen, en de ouderlingen; en zij verkondigden, wat grote dingen God met hen gedaan had. Maar, zeiden zij, er zijn sommigen opgestaan van die van de sekte der Farizeen, die gelovig zijn geworden, zeggende, dat men hen moet besnijden, en gebieden de wet van Mozes te onderhouden. En de apostelen en de ouderlingen vergaderden te zamen, om op deze zaak te letten. En als daarover grote twisting geschiedde, stond Petrus op en zeide tot hen: Mannen broeders, gij weet, dat God van over langen tijd onder ons mij verkoren heeft, dat de heidenen door mijn mond het woord des Evangelies zouden horen, en geloven. En God, de Kenner der harten, heeft hun getuigenis gegeven, hun gevende den Heiligen Geest, gelijk als ook ons; En heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, gereinigd hebbende hun harten door het geloof. Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?
Als Paulus en Barnabas, zoals wij aan het einde van het vorige hoofdstuk hebben gezien, sedert geruime tijd in Antiochië werken, komen daarheen christenen uit de Joden van Jeruzalem, die vroeger tot de sekte van de farizeeën behoorden en ook nu nog met de farizeese geest vervuld zijn. Deze verlangen van de christenen uit de heidenen dat zij zich aan de besnijdenis onderwerpen en zich verbinden de mozaïsche wet te houden, daar zij anders niet zouden kunnen zalig worden. Zij veroorzaken daardoor grote onrust in de gemeente; zij zijn er ook niet toe te bewegen hun meningen te laten varen, die in strijd zijn met de algenoegzaamheid van God in Christus. Daarom wordt een deputatie, bestaande uit Paulus en Barnabas en enige anderen, naar Jeruzalem tot de apostelen en oudsten gezonden, opdat deze de twistzaak beslissen. Nu wordt daar een concilie gehouden, de eerste synode van de christelijke kerk, waardoor het tussenbeide treden van Petrus en Jakobus beslist wordt ten gunste van de vrijheid van de wet voor de christenen uit de heidenen, en hun gehele gelijkheid met de christenen uit de Joden, die de wet houden, slechts van enkele noodzakelijke stukken afhankelijk gemaakt wordt.
En sommigen van die christenen uit de Joden te Jeruzalem, die in vs. 5 nader worden beschreven, die van Judea gekomen waren naar Antiochië in Syrië, waar Paulus en Barnabas volgens hoofdst. 14: 28 werkzaam waren, leerden de broeders uit de heidenen, die het grootstedeel van de gemeente aldaar uitmaakten (hoofdst. 11: 20vv.), iets wat hen onrustig maakte. Zij verzetten zich tegen hen, zeggende: Indien gij, die uit het heidendom in de christelijke kerk zijt overgegaan zonder eerst Jodengenoten en daardoor kinderen van het verbond (hoofdst. 3: 25) geworden te zijn, op zijnminst niet besneden wordt naar de wijze van Mozes en u als proselieten van de gerechtigheid (“Le 17: 9 niet verbindt, om verder ook de mozaïsche wet te houden (Gal. 5: 3), dan kunt gij niet zalig worden. De belijdenis van Jezus als de Christus, die gij hebt aangenomen, is daartoe op zichzelf nog niet voldoende.
Gen. 17: 10 Lev. 12: 3
Natuurlijk verzette zich tegen zo’n bewering het grootste gedeelte van de gemeente te Antiochië. Toen er dan geen geringe weerstand en tegenspraak ontstond bij Paulus enBarnabas tegen hen, tegen die ingedrongen leraars, die bij hun eis bleven, toen hebben zij, de eigen leraars en opzieners van de gemeente (hoofdst. 13: 1), Paulus en Barnabas en enige anderen uit hen Ac 15: 35 opgedragen zich naar de apostelen en ouderlingen in Jeruzalem te begeven naar aanleiding van deze vraag. Men begeerde dat daar, waar de zetel van de kerk was en aan hen, die voor pilaren werden gehouden (Gal. 2: 9) de moeilijkheid ter beslissing zou worden voorgelegd. Maar Paulus, hoewel hij van zijn zaak zeker was en met zijn apostolische macht de vrijheid van de heidenen meende te verdedigen, ontving nog een bijzondere openbaring van de Heere (Gal. 2: 2), die hem nog meer bevestigde in zijn overtuiging.
3. Zij dan, de afgezondenen, nadat hun door de gemeente uitgeleide gedaan was ten bewijze van de grote betekenis die zij aan de reis van dit gezantschap hechtten, reisden, toen zij Syrië achter de rug hadden, door Fenicië en Samaria, waar ook christelijke gemeenten waren (hoofdst. 8: 5vv. ; 9: 31; 11: 19 Ook daar gebruikten zij hun tijd goed door te vertellen over de bekering van de heidenen, hoe ook zij reeds waren begonnen zich tot God te bekeren en het geloof in Christus gehoorzaam te worden en zo deden zij al de broeders grote blijdschap aan, zonder dat ook maar één stem zich liet horen in de geest van de christenen van Judea.
In hoofdst. 11: 18 had de gemeente te Jeruzalem op grond van hetgeen Petrus in gemeenschap met de zes broeders uit Joppe over de genadige leiding van de Heere bij de bekering van de hoofdman Cornelius haar had meegedeeld, reeds de grondstelling erkend dat de heidenen zonder bemiddeling van de wet door het geloof konden intreden in het deelgenootschap aan de zaligheid in Christus Jezus. In de acht jaar die sindsdien zijn voorbijgegaan, hebben verschillende omstandigheden plaatsgehad, die het alleszins verklaarbaar maken dat nu opeens de geheel tegenovergestelde grondstelling op de voorgrond treedt en zo sterk wordt doorgezet dat vervolgens ook niet meer de proselieten van de poort, zoals bijv. de kamerling uit het Morenland in hoofdst. 8: 26vv. er één was, in de christelijke kerk mochten worden opgenomen, tenzij ze tevoren proselieten van de gerechtigheid werden en zich aan alle verplichtingen onderwierpen, die deze gehele vereniging met de Joden meebracht. Ten eerste is namelijk sedert de terdoodbrenging van Jakobus I in het jaar 44 als hoogste leidsman de apostel Jakobus II aan het hoofd van de gemeente te Jeruzalem komen te staan (hoofdst. 12: 17), die, zoals in Aanm. II b. vs. 2 en 3 is uiteengezet, persoonlijk op streng wettisch standpunt stond. Diens gezag, zelfs onder de Joden, heeft nu wel aanleiding gegeven dat ook enigen van de sekte van de Farizeeën gelovig zijn geworden en tot het christendom zijn overgegaan. Zij hadden echter slechts de naam, maar niet hun gezindheid veranderd; in de grond van hun hart waren zij evenals tevoren Joden en knechten van de wet gebleven. Er lag hun minder aan gelegen, dat de Joden christenen werden; daarom stelt Paulus ze in Gal. 2: 4 als heimelijk en wederrechtelijk ingedrongen valse broeders voor en ook Jakobus, wiens grondstellingen zij voorgaven te vertegenwoordigen en in wiens naam zij zeiden te handelen (Gal. 2: 12), getuigt dat zij dwaalleraren waren, in het schrijven (vs. 23vv.) dat naar alle waarschijnlijkheid van zijn hand is. In hen hebben wij te doen met de ultra’s van die partij in de gemeente te Jeruzalem, die in hoofdst. 11: 2 “die uit de besnijdenis” werd genoemd. Des te opmerkelijker moet het echter nu voorkomen dat, nadat toenmaals die nog gematigde en verstandige ijveraars voor de besnijdenis in de plechtige vergadering van de gemeente tot rust waren gebracht en tot de erkentenis waren genoodzaakt dat God ook de heidenen bekering ten leven had gegeven, nu opeens deze fanatiekelingen de reeds afgedane zaak weer opnamen. Het is opmerkelijk dat zij de zaak zo ver doordrijven, vrij en open durven handelen en in de gemeente te Antiochië zonder vrees als leraars durven optreden en zelfs, zoals het “die afgekomen waren van Judea” te kennen geeft, zich als gezanten van de apostolische kerk in Judea gedragen en door deze niet dadelijk worden verworpen, maar eerst een bijzonder gezantschap van Antiochië naar Jeruzalem moet gaan en daar een plechtig concilie en een schrijven nodig is, dat zich op het gezag van de Heilige Geest beroept, om die zaak ten einde te brengen. Zeker moeten sedert het gebeurde in hoofdst. 11: 1vv. nadere omstandigheden hebben plaatsgehad, die in twijfel hebben gebracht, zo niet het vroeger verkregen inzicht in de raad van God zelf dat Hij ook de heidenen bekering ten leven had gegeven, dan toch de praktische consequenties, die zich in de loop van 8 jaren daaruit hadden ontwikkeld en zich hadden gevormd tot een macht, die het bestaan van het rijk van God in gevaar scheen te brengen. Een dergelijke toestand is het juist die voor die ultra’s, die voor de wet ijveren, de grond legt waarop zij zich plaatsen en die hun bij hun optreden zo’n zekerheid geeft dat zij voor het eerste ogenblik als redders van de christelijke gemeenschap, ook aan anderen, die het anders niet met hen eens waren, moesten voorkomen. En nu was inderdaad zowel te Antiochië zelf, als – door het zendingswerk van Paulus en Barnabas – in de zuidoostelijke vierhoek van Klein-Azië een grote menigte van gelovigen uit de heidenen gewonnen, die in geen onmiddellijke betrekking tot de mozaïsche wet en tot de Joodse synagoge stonden, hun christelijk-kerkelijk leven zelfstandig begonnen te ontwikkelen en gemakkelijk het gevaar liepen om een prooi te worden van heidense ongebondenheid en teugelloze vrijheid (hoofdst. 11: 20-26; 13: 1-14: 23). Zelfs indien zij bij dit gevaar niet bezweken, moest het de gelovigen uit Israël, die gewend waren in hun gehele leefwijze zich te richten naar een menigte wettelijke voorschriften, bijv. wat reine en onreine spijzen, het wassen van vaten en handen enz. betreft, niet zeer zwaar vallen gelovige heidenen, die zich over dergelijke instellingen als over onnodige zaken heenzetten, voor broeders met dezelfde rechten aan te zien en met hen niet alleen gemeenschap te oefenen van tafel, maar ook van avondmaal? En wie waren eigenlijk degenen die zo, zonder enige verplichting om de mozaïsche wet te houden, de heidenen in het rijk van God hadden ingeleid? Bij alle achting die men die mannen van Cyprus en Cyrene, Barnabas en ook Paulus mocht toedragen, hoewel de laatste bij de gemeente te Jeruzalem om hetgeen hij haar vroeger had aangedaan nog geen zeer gewild man was geworden, kon men ze toch niet voor eigenlijke apostelen erkennen. Zelfs Jakobus, Petrus en Johannes wisten over Paulus slechts zoveel als hijzelf van zijn bekering onder leiding van Barnabas hun had meegedeeld (hoofdst. 9: 27). Dat bij het heilige en afgesloten twaalftal volgens de wil van de Heere in de persoon van deze discipel nog een bijzondere dertiende apostel voor de heidenen moest komen, daaromtrent hadden zij nog geen goddelijke openbaring ontvangen. Tot die erkentenis moeten zij alleen komen langs de weg van praktische ervaring en van afleiding uit feiten, die de Heere had teweeggebracht en zou teweegbrengen. Onder dergelijke omstandigheden kon het twijfelachtig voorkomen of het bijzondere geval met Cornelius, waaraan één van de hoge apostelen had deelgenomen, volgens Gods raad en wil zo’n verstrekkende betekenis had als later door de werkzaamheid van hen, die geen apostelen waren, daaruit ontwikkeld was. Eerst moest een onderzoek plaatshebben of nu werkelijk buiten de omtuining, die de wijnberg van de oudtestamentische verbondsgemeente omgaf (Matth. 21: 33), een geheel nieuwe wijnberg en een bijzondere zelfstandige kerk uit de heidenen mocht worden aangelegd. Het is er dus in onze geschiedenis niet eenvoudig om te doen die onruststokers, die van Judea naar Antiochië zijn gekomen, weer naar huis te zenden, maar zonder dat zij het zelf weten, zijn zij Gods werktuigen, waardoor Hij Zijn kerk in een nieuw stadium van haar ontwikkeling wil inleiden. Aan de ene zijde moet Paulus in zijn roeping als apostel van de heidenen, die aan de apostelen van het twaalftal tot hiertoe nog min of meer een geheim was gebleven, erkend worden; want het uur daartoe is nu gekomen. Aan de andere zijde moet door de oorspronkelijke apostolische kerk de gedachte aan een bijzondere kerk uit de heidenen, die zich onafhankelijk van het Jodendom vormt, als een gedachte van de Here worden opgevat. De kudde van Christus uit de stal Israël moet met de kudde, die niet van deze stal is (Joh. 10: 16), verzoend worden, tot één kudde verenigd, want de tijd is daar dat deze laatste kudde steeds groter en tot eigenlijke hoofdkudde wordt, waarin dan tenslotte de eerste moet opgaan en verdwijnen. Wat het eerste punt aangaat, de erkenning van Paulus als zelfstandig apostel van de heidenen door de drie apostelen Jakobus, Petrus en Johannes die te Jeruzalem aanwezig, de twaalven vertegenwoordigden, dit laat Lukas in ons hoofdstuk nog buiten beschouwing. Daarentegen heeft Paulus zelf in hetgeen hij in Gal. 2: 1-10 verhaalt Ac 9: 2 hen opgenomen en schrijft in zijn brief dat dit punt tussen Paulus en Barnabas aan de ene en Jakobus en Petrus en Johannes aan de andere zijde eerst in het privé behandeld en opgelost is, voordat het door Lukas meegedeelde openlijk behandelde, tussen Paulus en Barnabas aan de ene en de apostelen, oudsten en de Jeruzalemse gemeente aan de andere zijde over het tweede punt volgde. Intussen bevestigt toch het bericht van Lukas indirect dat van Paulus. In vs. 23 en 41 is het schrijven van de vergadering slechts aan de broeders uit de heidenen gericht, “die te Antiochië in Syrië en Cilicië” zijn en niet tevens aan die te Derbe, Lystre, Ikonium en Antiochië in Pisidië. Dit is slechts te verklaren uit het feit dat alleen die gemeenten beschouwd worden als nog afhankelijk van Jeruzalem (vgl. hoofdst. 11: 22), omdat zij zonder toedoen van Paulus gesticht zijn, maar zij daarentegen zijn apostolische autoriteit erkennen en dus voor haar geen bepaalde besluiten uit Jeruzalem mogen worden gegeven (vgl. Rom. 15: 20; 2 Kor. 10: 15 De Heere had Paulus reeds te Paphos op Cyprus in de hem toegedachte plaats gesteld (hoofdst. 13: 9vv.) en vervolgens te Lystre laten optreden als een apostel met gelijke macht als Petrus (hoofdst. 14: 8 vv.). Nu moest hij ook te Jeruzalem als een zelfstandig apostel en wel van de heidenen, naast de apostelen van het evangelie aan de besnijdenis en door deze zelf erkend worden. Zo ging hij niet alleen naar Jeruzalem als een zendeling van de gemeente te Antiochië, zoals in dit gedeelte lijkt, maar tevens ten gevolge van een openbaring, zoals hij in Gal. 2: 2 uitdrukkelijk opmerkt. Zo vullen de beide berichten elkaar wederkerig aan en geven zij slechts samen het volle inzicht in het grote belang van deze reis van de apostel naar Jeruzalem, de derde, die hij sedert zijn bekering heeft gemaakt (hoofdst. 9: 26vv. ; 11: 30).
En in Jeruzalem aangekomen, had men daar reeds van hun aankomst en het doel van hun reis gehoord, waarschijnlijk door hen, die zelf de aanleiding daartoe hadden gegeven en hun van Antiochië waren vooruit gereisd om zo mogelijk eenbeslissing ten hunnen gunste teweeg te brengen. Zij werden nu op eervolle en deelnemende wijze ontvangen door de gemeente en de apostelen en de ouderlingen. Hierdoor werd het bewijs geleverd dat men zich niet door die Joodse ijveraars had laten verleiden, maar onpartijdig en alleen door goddelijke leiding de vraag wilde laten beslissen. En toen zij aangekomen waren en in de vergadering van de gemeente waren ingeleid, die men had bijeengeroepen met het doel om aan de beide partijen gelegenheid te geven haar mening en gronden voor te dragen, verkondigden zij de grote dingen die God met hen gedaan had bij de zendingsreis, die door Paulus en Barnabas volgens opdracht van de gemeente te Antiochië was ondernomen (hoofdst. 14: 27). Zij berichtten hoe aan de heidenen bekering was gegeven ten leven, ook zonder dat deze tevoren in het Jodendom waren opgenomen, waaruit duidelijk bleek dat een dergelijke opname geen volstrekte voorwaardetot zaligheid voor de heidenen was, zoals zij, die van Judea waren gekomen, onlangs beweerden.
Maar, zeiden zij, er zijn enigen opgestaan uit de partij van de Farizeeën, die gelovig zijn geworden en zeggen dat men hen, die uit de heidenen in de christelijke gemeente willen opgenomen worden, eerst moet besnijden engebieden de wet van Mozes te onderhouden. Waar dat destijds verzuimd is, moet het zonder twijfel worden hersteld en vervolgens dadelijk in de rechte lijn worden geleid.
Volgens andere verklaring moet het door onze Statenvertalers ingevoegde “zeiden zij” worden weggelaten en hier gelezen worden dat in diezelfde vergadering “sommigen” opstonden, die hun stellingen daar voordroegen en verdedigden.
Zo hebben wij hier de zogenaamde instructie, waarbij alleen de beide meningen worden voorgedragen, waartussen moet worden beslist. De beraadslaging ter beslissing volgt dan in vs. 6vv. en heeft zonder twijfel op een andere dag plaatsgehad, ook niet voor de volle gemeente, zoals de instructie, maar, zoals nader uitdrukkelijk wordt opgemerkt, in een convent van de apostelen en oudsten, waaraan de beslissing werd overgegeven, zoals die dan ook inderdaad alleen werd genomen door degenen die de Heilige Geest had gesteld om als opzieners de gemeente van God te weiden (hoofdst. 20: 28) en alleen op die wijze kon worden voorgesteld als uitgegaan van de Heilige Geest (vs. 28). Daaraan sluit zich dan nog een derde vergadering aan (vs. 22vv.) waaraan de gemeente, evenals aan de eerste, weer deelneemt, om de beslissing te horen, aan te nemen en te volbrengen. In de tijd tussen de eerste en de tweede openbare bespreking heeft zeker ook de bijzondere samenspreking van Paulus met de apostelen plaatsgehad, waarvan hij in Gal. 2: 2; 6-10 vertelt. Want voor de apostelen Jakobus, Petrus en Johannes Joh 12: 25 kwam het er, om de behandeling ter beslissing in de rechte weg te leiden, (vgl. vs. 7vv. en 13vv.) vooral op aan, om omtrent de eigenlijke plaats van Paulus in het organisme van de kerk in het reine te komen, dat hij niet slechts één was van de bijzonder door God begaafde mannen, zoals Stefanus (hoofdst. 6: 8), Filippus (8: 5vv.) en Barnabas (11: 22vv.), waarvoor zij hem tot hiertoe hadden gehouden; zij moesten hem leren kennen als een apostel met gelijk recht, maar alleen voor die kring bestemd, die Petrus in hoofdst. 10 bijna tegen zijn wil had geopend, doch niemand van hen verder had voortgezet, zodat niemand bijv. aan de stichting van de gemeente te Antiochië (hoofdst. 11: 19vv.) persoonlijk had deelgenomen. Paulus, die uit de openbaring van de Heere (Gal. 2: 2) vanaf het begin wist waarop deze bijzondere bespreking zou uitlopen, had in het volle bewustzijn van zijn apostolische roeping en om deze dadelijk met alle energie vast te houden, Titus mee naar Jeruzalem gebracht (Gal. 2: 2). Deze was te Antiochië uit heidense ouders geboren en door Paulus gedurende de laatste twee jaar (hoofdst. 14: 28), of reeds eerder (hoofdst. 12: 25) tot het christendom bekeerd, maar niet aan de besnijdenis onderworpen en is dezelfde die later voorkomt als zijn metgezel en helper in het apostelambt (2 Kor. 8: 23). Waarschijnlijk hebben de Jeruzalemse apostelen in het begin Paulus aangeraden toe te geven aan de eis die in de farizeesgezinde christenen uit de Joden bij de eerste samenspreking en wel in het bijzonder omtrent Titus, die hij mee naar de heilige stad had gebracht, op stellige wijze (vgl. hoofdst. 21: 28), hadden doen horen, evenals later (hoofdst. 21: 23vv.) Jakobus hem aanraadde zich te onderwerpen uit liefde jegens arme Joden, aan de vervulling van hun Nazireeërsgeloften. Deze raad moest hij om de omstandigheden beslist afwijzen. In hoofdst. 16: 1vv. zullen wij hem met Timotheüs anders zien handelen. Deze onderwerpt hij om de Joden te Lystre en Derbe, zonder verdere bedenking aan de besnijdenis en wij zullen daar nader uiteenzetten waarom hij meende daartoe verplicht te zijn. Maar hier gold het iemand, op wie het Jodendom om zijn zuivere heidense geboorte niet de minste aanspraak had. Hier zou de besnijdenis slechts betekenen dat de bekering tot Christus nog niet toereikend was om zalig te worden, alsof er nog een hulp van de wet nodig was. Hier zou, als hij ze had laten volbrengen, die daad op de beslissing van de nog te behandelen vraag zijn vooruit gelopen en de mening van de tegenstanders reeds werkelijk zijn aangewezen als de enige juiste. Daarom wees hij met alle nadruk een besnijdenis af. Hij was om zijn goed recht om naar eigen inzicht te handelen, tegenover de apostelen te handhaven, genoodzaakt zich omtrent zijn roeping en verdere ontwikkeling, alsook omtrent de heerlijke openbaringen die hij volgens hoofdst. 22: 17vv. ; 2 Kor. 12: 1vv. Gal. 2: 2 ontvangen had en omtrent de ervaringen op zijn zendingsreis in hoofdst. 13 en 14 en tot in het detail uit te laten. Hij moest dit zó doen dat Jakobus en Petrus met Johannes zich ervan konden overtuigen dat zij in hem niet alleen een bijzonder begaafde man als Stefanus en anderen hadden, een dienaar van het evangelie en een leraar van de gemeente, zoals hij hun in hoofdst. 9: 28vv. en 11: 30 bekend was geworden, maar een uitverkoren vat van de Heere, een nieuwe zelfstandige apostel en wel degene, die, nadat God ook de heidenen bekering ten leven had gegeven, dienovereenkomstig reeds door Hem was bestemd ver onder de heidenen te worden gezonden (hoofdst. 22: 21). Zo’n overtuiging kon hun niet eerder ten deel vallen, voordat Paulus zelf eerst in zijn eigenschap als apostel was opgetreden, hetgeen pas in hoofdst. 13: 9 is geschied, zoals wij daar hebben opgemerkt. Deze moet hun echter juist nu een grote bevrediging en rust geven. Nu werd toch een conflict opgelost waarin zij zich sedert de doop van Cornelius hadden bevonden; want met dit werk, dat aan Petrus door de Heer van de kerk was opgedragen, hadden zijzelf een zending onder de heidenen, geheel onafhankelijk van het Jodendom, ingewijd en goedgekeurd. Toch konden zij dit niet voortzetten, zonder hun verhouding tot Israël te verloochenen als de eerstgeroepen en voor het gericht rijp geworden, maar nog niet daaraan overgegeven kinderen van het koninkrijk en erfgenamen van de belofte. Apostel van de Joden en apostel van de heidenen te zijn in één en dezelfde persoon, dat was, zoals nu eenmaal de omstandigheden waren, voor iedereen iets onmogelijks. Paulus moest, zoals reeds in hoofdst. 13: 46 bleek, met zijn evangelie van de vrije genade van God in Christus zich steeds door de Joden tot de heidenen wenden om zielen te winnen. Maar wederom, zo leerde de geschiedkundige gang van de kerkelijke ontwikkeling hoe langer hoe meer, kwam het evangelie voor de Joden uit de besnijdenis hoe langer hoe dichter bij het einde van zijn dagen; het bracht slechts weinig vruchten meer voort en kon als nabij zijn einde, de behoefte van de heidenen, die zich steeds sterker deed voelen, niet meer vervullen. Tot hiertoe hadden de apostelen uit de Joden er zich mee beholpen dat zij de mannen uit de gemeente, die met Gods Geest vervuld en daardoor gedreven waren, lieten voort gaan en slechts in het algemeen, van het ene op het andere geval, een hoofdtoezicht uitoefenden (hoofdst. 8: 14vv. ; 9: 32vv. ; 11: 22vv. Dat intussen zo’n handelen op den duur niet kon voortgaan, bewees juist dit geval dat nu moest worden beslist en dan ook niet verder dan tot Antiochië in Syrië en Cilicië kon worden beslist (vs. 23). Moest het dan niet aan Jakobus en zijn medebroeders in het apostelambt zeer welkom zijn dat zij het prediken onder de heidenen en de hoofdleiding van een uit dit gebied vergaderde kerk voortaan in handen konden leggen van iemand aan wie de Heere zelf het evangelie aan de voorhuid had toevertrouwd? Dat dus naast het getal van de twaalven nog een apostel meer van de hemel af door Christus was geroepen en op buitengewone wijze rechtstreeks was onderwezen, om de overgang van het Godsrijk van de Joden tot de heidenen in de kracht van goddelijke volmacht teweeg te brengen? Als men deze stand van zaken in aanmerking neemt, zal men geen ogenblik meer in twijfel kunnen zijn dat de reis van Paulus naar Jeruzalem, die in Gal. 2: 1vv. wordt vermeld, werkelijk, zoals nu ook door de meeste schriftonderzoekers wordt erkend, samenvalt met de reis die wij in onze tekst vinden en volstrekt niet met die in hoofdst. 18: 21vv. van het jaar 54, zoals bijv. Wieseler wil. Nog veel minder kan zij één en dezelfde zijn als de reis in hoofdst. 11: 30 en 12: 25 het jaar 44 en 45, zoals door anderen is beweerd. Ten opzichte van aanleiding en doel, aard en gevolg, schijnt wel de door Paulus genoemde reis een geheel andere te zijn dan die, die hier bij Lukas voorkomt. Daar gaat Paulus ten gevolge van een openbaring naar Jeruzalem en zoekt hij de erkenning van zijn apostolische waardigheid door de andere apostelen, handelt hij met hen in het bijzonder en verkrijgt hij ook werkelijk de begeerde erkenning. Hier wordt hij door de gemeente te Antiochië tegelijk met Barnabas en anderen gezonden, om een strijd te laten beslissen die de gemeente in grote beweging brengt. De handeling geschiedt openlijk in een concilie en het gevolg is de bevrijding van de christenen uit de heidenen van de overdreven aanspraak van de farizeesgezinde partij onder de christenen uit de Joden. Zo moeten wij vasthouden dat de reis een dubbele beweegreden heeft, terwijl de apostolische roeping van Paulus zich in en met de gemeente te Antiochië ontwikkeld heeft en beide delen, Paulus aan de ene en deze gemeente uit de heidenen aan de andere zijde, gedwongen zijn bij de ontwikkeling van hun zelfstandigheid eerst orde op zaken te stellen met de eerste apostelen en de eerste gemeente. Dientengevolge heeft de reis een dubbel doel, een persoonlijk doel van Paulus en één van de gemeente te Antiochië. Evenals nu Paulus het tegenover de Galaten opzettelijk vermeed deze tweede zijde in aanmerking te nemen, omdat, zoals de door hem als apostel van de heidenen gestichte gemeenten aan het decreet van het concilie te Jeruzalem niet onderworpen waren, maar geheel aan zijn eigen gezag waren toevertrouwd (vs. 23 hij ook niet de schijn van zo’n onderwerping wilde laten oprijzen, hetgeen de Galaten aan de andere zijde nog meer in verwarring zou hebben gebracht, zo legt Lukas verder ook geen nadruk op die eerste zijde. Bovendien heeft hij veel wat Paulus persoonlijk aanging, òf geheel onaangeroerd gelaten (zo bijv. in hoofdst. 9: 20-22 het driejarig oponthoud in Arabië (Gal. 1: 17), òf hij heeft er de apostel zelf slechts bij gelegenheid bericht van laten geven (zie hoofdst. 22: 17-21). Zoals vanzelf spreekt, geeft één en dezelfde zaak, de ene keer van de voor- en de andere keer van de achterzijde opgevat, niet één en het zelfde beeld, maar twee beelden, die er verschillend uitzien. Nu is steeds de ene zijde van het beeld niet de gehele voorstelling van de zaak, deze komt pas tot stand door bijelkaarvoeging van de beide beelden. De school van Bauer geeft het bericht van Paulus omtrent de reis uit voor het geheel en heeft dan vrij spel om het bericht van Lukas voor niets dan een fictie te verklaren en onze tekst als een hoofdbewijs te gebruiken voor de theorie dat de Handelingen van de apostelen een tendenzschrift uit de 2e eeuw na Christus zou zijn en dus zonder eeuwige geloofswaarde. “Het heeft, ” zo merkt zeer juist da Costa op, “de Heilige Geest behaagd, om telkens door middel van gedeeltelijke, van fragmentarische, van schijnbaar tegenstrijdige berichten, hier en daar verdeeld of verspreid, te onderwijzen. Die onderscheidene, in de Schrift zelf gegeven bouwstoffen tot overeenstemming en eenheid, ja tot een harmonisch samenhangend geheel te brengen, is de arbeid, overgelaten en opgelegd aan de menselijke onderzoeker met de hulp van diezelfde goddelijke Leidsman in alle waarheid. Daar bijv. ligt de sleutel voor een harmonische, God en Zijn waarheid verheerlijkende opvatting van de evangeliën; de feiten, door een viertal gewijde schrijvers te boek gesteld, worden pas werkelijk historie door de samenvoeging en in elkaar schuiving van de bij elk van hun, afzonderlijk beschouwd, nog slechts gedeeltelijke en in zover nog onvoldoende berichten. De gewijde geschiedenis, bij name de evangelische, is een harmonisch geheel, bestaande uit verschillende partijen; elke van die partijen, afzonderlijk genomen, is nog het volledige muziekstuk niet; elk van de vier evangeliën, afzonderlijk gelezen, geeft de gehele gedachte van de hogere Auteur, de Heilige Geest, niet terug, maar alle samen, de één door de ander uitgebreid, toegelicht, uitgelegd, vervolledigd. Een dergelijke harmonie vormt ook het boek van de Handelingen, hier vergeleken met de evangeliën, daar met de brieven van Paulus. Ook hier schijnt de vergelijking van de beide bronnen soms tegenstrijdigheden op te leveren, maar bij dieper onderzoek en inniger opvatting lossen zij zich op in een volmaakt akkoord. Doch men moet hier ook niet vergeten dat in de verklaring van de heilige Schriften, in de verdediging van de echtheid van haar delen, in de handhaving van elke waarheid, zowel als van geheel de waarheid van het christendom geen degelijke uitkomst verkregen wordt dan door strijd en arbeid en als in het zweet van het aangezicht. Maar langs die weg verkrijgt dan ook een onderzoek in het geloof aan God in Christus en de belofte van Zijn leiding en lering, de zekerheid van waarlijk voldoende oplossingen. “
En de apostelen en de ouderlingen vergaderden samen op de dag voor de beslissende bespreking, terwijl ook de beide partijen zich daar bevonden, om deze zaak te overdenken en in overweging te nemen of de Judaïsten (vs. 5) moest worden toegegeven of niet.
Volgens de mening van de Judaïsten moest Mozes voltooien wat bij de heidenen begonnen was; toch bemerkte men niet dadelijk het farizeese zuurdeeg, dat het gehele christelijke deeg wilde verzuren. Het kwam ook aan vele verstandige zielen billijk voor dat “om de goede orde” de broeders uit de heidenen geheiligde zeden aannamen. Waarheen nu de apostelen en oudsten zagen, toen zij tot het beschouwen van die zaak samenkwamen, is zeker genoeg; naar de Heere, de Zon van hun leven. Zij hadden de Leraar en Leidsman in alle waarheid, de Heilige Geest ontvangen, opdat deze in hen zou blijven in alle eeuwigheid (Joh. 14: 16); maar van Zijn blijven konden zij slechts zegen hebben door bestendig ontvangen door steeds opnieuw putten uit de volheid van de hun toegedeelde waarheid.
Evenals het reeds vroeger in sprekende tekenen en feiten was bewezen dat de heidenen, toen Israël zich steeds meer tegen het evangelie verhardde, het hart steeds meer voor het geloof openden, zo was dit nu in de laatste tijd op de sterkste wijze geschiedkundig gebleken. De gemeente te Antiochië had zich uit de heidenen gevormd, toen de christenen uit Jeruzalem werden verdreven en vandaar waren nu midden in de heidenwereld vier gemeenten uit de heidenen ontstaan, terwijl in dezelfde tijd het woord, dat geloof wekte, onder de Joden op dezelfde plaatsen slechts tegenspraak en de bitterste vijandschap verwekt had. Dat de heidenen zich tot de levende God bekeerden, kon de apostelen slechts verheugen. Maar dat zij zich bekeerden op die wijze, dat Israël slechts nog meer van God verwijderd werd, moest hun een grote smart zijn. Verder is in deze laatste tijd de apostolische roeping van Paulus zo duidelijk op de voorgrond getreden, dat die juist door hen aanstonds moet worden erkend. Dat hun nu in hun arbeid, hun waardigheid en hun ambt één terzijde was gesteld, kon bij de helderheid van hun oog en de reinheid van hun streven slechts tot troost en opwekking dienen. Daar echter deze medeapostel zo is geroepen en zij meer en meer moeten erkennen dat het patriarchale apostolaat zijn oorspronkelijke roeping, om door Israël de heidenen tot aan het einde van de aarde te winnen, niet kon vervullen, dan moest deze opmerking die angel van de smart nog dieper in het hart drukken. Als dan nu de vraag aan hen wordt gesteld of de gelovige heidenen zich nog aan de besnijdenis moeten onderwerpen of niet, dan moeten zij spoedig inzien dat daarmee een beslissing van hen wordt verlangd, die over de gehele toekomst van de kerk beslist. Wanneer toch de kerk uit de heidenen zich aan de besnijdenis moet onderwerpen, heeft de kerk uit de Joden buiten het geloof aan Jezus echter nog iets, dat een blijvende waarde in de christelijke orde van het heil heeft, maar mag de kerk uit de heidenen in de waarheid blijven, dan zullen de beide helften van de kerk als volkomen in rechten worden gelijk gesteld en de joods-christelijke gemeente wordt gedwongen aan haar vroegere voorrang alle waarde te ontnemen. Niet alleen wordt door de gebeurtenissen van de laatste tijd aangeduid dat de kerk van Christus mettertijd geheel en al uit heidenen zal bestaan, maar, als de vraag in de zo-even gemelde tweede zin wordt beslist, zal de oorspronkelijke gedaante van de kerk, waarin zij zich vertoonde als de lentetijd van het vernieuwde en volmaakte Israël, geheel worden veranderd. De apostelen treden nu in de vergadering niet op met voorafgemaakte beslissingen en met voorschriften met gezag doorgevoerd, maar het eerste is dat een geheel vrije discussie wordt geopend. De kerk staat voor haar heilige Heer en haar Hoofd. Zij voelt zich omtrent haar roeping in grote verlegenheid en onwetendheid, zij kan de vraag, die in de eerste plaats op haar drukt, niet beantwoorden. Aan de andere zijde weet zij echter ook dat haar Heer haar toereikende kracht en genoegzame hulp voor elke zaak heeft beloofd, zodat, al is het dat de poorten van de hel hun macht verheffen, de gemeente van Christus toch zegenrijk tevoorschijn zal treden.
En toen daarover grote twist ontstond, omdat elke van beide partijen haar mening met alle nadruk probeerde door te zetten en vooral die van de Judaïsten zich zeer sterk uitsprak (vs. 10), stond Petrus op. Hijwendde zich in het bijzonder tot de partij van de wet, en zei tot hen: Mannen broeders, gij weet dat God mij van de aanvang af, nu reeds 8 jaar geleden, onder ons verkoren heeft, opdat de heidenen door mijn mond, evenals ik eerst ook de Joden de blijde boodschap van de zaligheid in Christus moest brengen (hoofdst. 2: 14vv.), het woord van het evangelie zouden horen en geloven (hoofdst. 10: 1; 11: 18), waarmee hij aanstonds volgens de uiterlijke leiding beiden één heeft gemaakt (Ef. 2: 14).
Niet ten onrechte heeft men op vele synoden en conferenties, waar eerst veel verschil van mening was, aan het treurige begin van de eerste synode van de kerk gedacht, om moed te houden tot het verkrijgen van een blij einde. Dat de apostelen ook onder de twistenden waren, mogen wij niet aannemen. Deze zullen wel hebben gezwegen totdat Petrus opstond en aan de rede van de christenen uit de Joden zowel als aan de tegenspraak van de broeders uit de heidenen vrijheid hebben gegeven. Doch zelfs hun zwijgen en toelaten toont dat zij in hun hart niet dadelijk overtuigd waren, hoe beslist moest worden in de zaak die voor hen was gebracht. Lag er voor hen geen twijfel omtrent het genoegzame van het geloof in Christus Jezus, dan waren zij toch niet ongevoelig omtrent de eis dat in de kerk de zeden en instellingen van Israël moesten worden behouden. Zij zien toch van dag tot dag duidelijker dat de nacht over de Joden valt, waarin niemand kan werken, terwijl onder de heidenen de kerk in het morgenlicht staat. Het was hun duidelijk dat het zou komen, zoals het gekomen is, toen zij er in bewilligden dat de christenen uit de heidenen vrij van de besnijdenis en de wet hun gemeentelijk leven uit de Heilige Geest vormden. Elk uitwendig teken van verband van het nieuwe met het oude Israël verviel op die wijze. Het Joods christendom moest na korte of lange tijd in het heidens christendom spoorloos verdwijnen. Was dat de weg en de wil van de Heere? Laat niemand lichtvaardig oordelen over de heilige mannen van God, die deze vraag met kloppend geweten lange tijd hebben overdacht, voordat zij tot beslissing kwamen. Onze vaderen hebben ook ten tijde van de reformatie onder sterke strijd de vraag overwogen of het goed was het aanzien van de paus te laten gelden en zich te schikken naar de instellingen van de kerk, voor zoverre het evangelie meer vrijheid zou geven; een lange twist was nodig om tot zekerheid te komen dat evangelisch en papistisch niet naast elkaar kon bestaan. Wat nu is het aanzien van de paus, wat is alle kerkelijke gewoonte, hoe vast die ook gevestigd mag zijn in de gemoederen van de mensen, bij het aanzien van Mozes en het gezag van de Sinaï? Wij verstaan nu enigszins wat de apostelen in het hart overwogen, terwijl zij de lange twist zwijgend aanhoorden.
En wat de loop van de gebeurtenissen bij deze prediking aan de heidenen zelf aangaat, God a) de kenner van de harten, heeft hun getuigenis gegeven dat zij Hem aangenaam waren (hoofdst. 10: 34v.) door hun deHeilige Geest te geven, net als aan ons,
1 Kron. 28: 9; 29: 17
zonder, wat de gave van de zaligheid in Christus Jezus betreft, onderscheid te maken tussen ons en hen, door het geloof hun harten reinigende. Daardoor gaf Hij hun die reinheid, die hun van nature ontbrak vanwege het gemis van de besnijdenis (hoofdst. 10: 13).
Dit redde Petrus uit alle twijfelingen, dat hij zich herinnerde hoe de bekering van de heidenen zonder besnijdenis niet pas door Paulus in zwang was gebracht, maar hoe het werk lang tevoren, ongeveer acht jaar geleden door de Heere zelf was begonnen, die daarbij hemzelf als werktuig had gebruikt. Hijzelf heeft moeten zien hoe God, die de harten onderzoekt en dus het best over de geschiktheid voor Zijn rijk kon oordelen, voor de geschiktheid van de heidenen getuigenis had afgelegd, doordat Hij hun evenzeer de Heilige Geest had gegeven, evenzeer geheel door het geloof alleen (zonder enige ceremonie, zelfs nog vóór het ontvangen van de heilige doop) de harten had gereinigd, zoals Hij bij hen, de christenen uit de Joden, had gedaan.
Petrus legt bij de vraag, zo gewichtig en voor alle tijden beslissend, vooral een ervaring in de weegschaal, de ervaring, die hij bij de gebeurtenis te Cesarea had gehad, dat de heidenen even zo goed als de christenen uit de Joden de Heilige Geest hadden ontvangen. Deze zaak vat hij op als een veelbetekenende en leerzame beslissing van God, waarna iedere menselijke beslissing, die anders zou luiden dan de goddelijke, volstrekt niet meer ter sprake mocht komen, maar verstommen moest. God heeft hierdoor de heidenen met de Israëlieten volkomen gelijk gesteld, de laatsten geen voorrang, geen voorrecht boven de gelovige heidenen toegekend. Hij heeft de laatsten door toedeling van de Heilige Geest een getuigenis gegeven, Zijn welbehagen in hen met woord en daad getoond. Die ervaring bewijst dus de gehele gelijkheid van de heidenen en Joden voor God, indien zij slechts in Jezus Christus geloven. De bewijsvoering is overtuigend en bondig en het mag ook in het algemeen ten voorbeeld verstrekken, hoe de apostel de geschiedenis van de kerk als een bron van lering aanwendt.
Hier ziet men hoe noodzakelijk het is op het werk van God in Zijn kerk goed acht te geven en om uit de ervaring te leren, opdat men duidelijk zal kunnen onderscheiden wat waar en wat vals is.
Nu dan, wat verzoekt gij God, alsof Hij het zou goedkeuren wanneer gij anders besliste dan Hij gedaan heeft, a) door het juk van de wet op de hals van de discipelen van Christus die uit de heidenen zijn, te leggen, een juk, dat noch onze vaders sedert de dagen van Mozes, noch wij hebben kunnen dragen.
Matth. 28: 4
a) Maar wij, die uit de besnijdenis tot het christendom bekeerd zijn, geloven door de genade van de Heere Jezus Christus zalig te worden (Rom. 5: 15 Rom. 3: 28vv.), op dezelfdewijze als zij, die uit de voorhuid door de doop in de christelijke gemeente zijn opgenomen.
Ef. 2: 8 Tit. 3: 4
Elke dwaling in zaken van godsdienst heeft haar wortel niet zozeer in het verstand als in het hart. Wil men de mensen daarvan genezen, dan moet men hen in hun geweten aangrijpen, men moet hun hun valse verhouding tot God voor ogen stellen. Dat is het dan ook wat Petrus hier doet. Hij houdt die farizeesgezinde christenen in de eerste plaats voor dat zij op het punt staan God op zondige wijze te gaan verzoeken. Of was dat niet God verzoeken, na zo’n duidelijk getuigenis omtrent Zijn wil nog tegen die te willen handelen? Wie Gods duidelijke tekenen ziet en Zijn getuigenissen in het binnenste van het geweten heeft vernomen en daaraan toch geen gehoor leent, zo iemand verzoekt Hem inderdaad. Hij vertrouwt toch God niet, maar denkt en handelt, alsof God het niet ernstig met Zijn getuigenis had gemeend, maar het eerst nog op een proef wilde laten aankomen, of God het met Zijn handelen en met de verklaring van Zijn wil ook werkelijk zou volvoeren. De apostel dringt vervolgens nog sterker op het geweten van zijn toehoorders aan, door hun de bekentenis af te persen dat zij het juk van de wet niet hadden kunnen dragen, evenmin als hun vaders dit hadden kunnen doen. En tenslotte wijst hij nog op een andere innerlijke ervaring, namelijk op die, dat ook zij ten opzichte van hun zaligheid alleen op de genade van Christus hun vertrouwen konden stellen.
Als Petrus de besnijdenis, waarover hier wordt gehandeld, een juk noemt, dan bedoelt hij niet het teken op zichzelf, niet het gebruik, maar de zaak, die volgens de mening die onder zijn volks- en tijdgenoten heerste, daardoor werd aangewezen, namelijk de wet. Wijzelf, zegt hij, menen toch niet dat wij door het moeilijke en droevige dragen van het juk van de wet zouden kunnen zalig worden, en willen of mogen wij dan anderen dringen en noodzaken, hun zaligheid daar te zoeken, waar wijzelf de onze nooit zullen zoeken, omdat wij uit ervaring weten dat zij daar niet te vinden is?
Petrus spreekt uit zijn ervaring als discipel en sluit de gelovig geworden Farizeeën mede in het “wij” in. De hand op het hart, mannen broeders! Hebt gij de wet gehouden en kunt gij die houden? Waart gij niet onder de vloek, toen gij onder de wet waart? Zijt gij niet vermoeid en belast tot Christus gekomen, opdat Hij u zou verkwikken en hebt gij niet gesmaakt hoe liefderijk de Heere is, toen gij voor uw zielen rust bij Hem vondt? Waarom doet gij dan het zachte juk van Christus oneer aan en wilt gij het harde juk van Mozes op de hals van de discipelen leggen? Waarom misgunt gij hun de rust en maakt gij hen onrustig? O, indien gijzelf gelukzaligheid geniet, weest dan medehelpers van de vreugde van onze broeders.
Petrus kon zich niet sterker uitspreken voor de vrijheid van het evangelie. Hij stelt de eis van de partij van de christenen uit de Joden voor als een verzoeken van God. De wet van Mozes noemt hij een ondraaglijk juk, waarvan zij ontheven zijn en dat zij niet alleen de heidenen, maar in het algemeen de discipelen van Christus niet weer mochten opleggen. Vooral is de wending sterk, als hij leert: wij moeten op dezelfde wijze zalig worden als de gelovige heidenen, namelijk door het geloof aan de genade van de Heere Jezus Christus, maar zij moeten niet zalig worden door onze besnijdenis, waardoor ook wijzelf niet zijn zalig geworden. Het was duidelijk dat door dit woord van Petrus de religieuze betekenis van de mozaïsche wet niet alleen voor de christenen uit de heidenen, maar ook voor die uit de Joden beslist opgeheven was en nog alleen bleef het als nationale gewoonte voor de laatsten van betekenis.
Het is geheel overeenkomstig de wil van de Heere, wanneer de apostelen voor de christenen uit de Joden de mozaïsche wet nog laten blijven bestaan, alhoewel zij moeten ontkennen dat zij nog religieuze betekenis hebben zou, Paulus zelf onderwerpt zich in hoofdst. 18: 18 en 21: 23vv. daaraan als Jood van afkomst. Wij moeten ons hier zowel het woord van Christus in Matth. 23: 3 herinneren als Zijn voorschrift omtrent de vlucht op de sabbat in Matth. 24: 20 Pas met het uitbreken van de laatste Joodse oorlog, toen de christelijke gemeente uit Jeruzalem was weggegaan en de Joodse synagoge door God was overgegeven om voortaan een synagoge van de satan te zijn, bereikte het Jodendom ook in nationaal opzicht zijn einde. (Hebr. 8: 13). Wat een roem, wat een troost, wat een vreugde voor u, leden van de evangelische kerk! Gij zijt één met de oude apostolische kerk, als gij belijdt: “Wij geloven door de genade van de Heere Jezus Christus zalig te worden.
Beschouwen wij deze belijdenis nader, dan hebben wij te letten 1) op de inhoud ervan, hoe zij alle gerechtigheid uit eigen werken rondweg afwijst, maar ook de genade niet alleen tot medehelpende kracht, maar tot alleenwerkende oorzaak van de zaligheid maakt; 2) op de bron, of namelijk dit alleen de echo is van een leer, die door het verstand is aangenomen, of het getuigenis van een hart, dat door de waarheid is aangegrepen: 3) op de vrucht, of het voor ons wordt een oorkussen van traagheid in het zedelijke, of de goddelijke kracht tot voortgaande heiligmaking.
En heel de menigte van toehoorders, waaronder zich veel leden van de gemeente bevonden, zweeg en zij hoorden met nog andere, meer gescherpte oren dan bij deverkondiging in vs. 4, Barnabas en Paulus vertellen welke grote tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had, namelijk bij hun werk in Klein-Azië (hoofdst. 13 en 14).
Petrus had zijn woord neergelegd in de vergadering, die zeer opgewonden was over de tegenover elkaar staande meningen. Waarin ligt nu de macht, die de woedende storm van tegenspraak en van hartstochten zo spoedig tot zwijgen heeft gebracht en de harten tot nader luisteren heeft geleid? Is het de autoriteit van Petrus? Hadden de Judaïsten te Antiochië niet nagelaten tegen Paulus en Barnabas op te staan, hadden zij te Jeruzalem in de vergadering (vs. 4v.) tegenover de apostelen hun stellingen scherp uitgesproken, dan zullen zij nu ook voor het gezag van Petrus niet zijn geweken, vooral daar hij op deze plaats volstrekt niet zijn autoriteit wil tonen. De kracht, waarvan wij de uitwerking waarnemen, ligt alleen in het woord en wel in een tweevoudig punt daarvan. In twee opzichten heeft Petrus namelijk de opmerkzaamheid van de aanwezigen getrokken; ten eerste heeft hij ze gewezen op een werk, dat zonder twijfel Gods werk was (vs. 7-9) en ten tweede op het bewustzijn, dat zij allen in hun binnenste omdroegen (vs. 10 en 11); en hoe eenvoudiger deze dubbele aanwijzing was, des te werkzamer moest zij zich betonen. Evenals dat getuigenis van God in het aan allen bekende en nu opnieuw in herinnering gebrachte werk de ware staat van de gelovige heidenen voorstelt, zo toont dit getuigenis van het eigen geweten de ware toestand van de gelovige heidenen aan. Beiden tezamen wijzen zo’n gelijkheid van de gelovigen uit heidenen en Joden aan, dat dadelijk de Judaïstische eis aan de heidenen als een misdadige verstoring van deze op zó heilige wijze bewezen gelijkheid moest voorkomen. Hoe gepast komt nu bij dit zwijgen van de vergadering de mededeling van Barnabas en Paulus! Dit getuigenis van God in het huis van Cornelius wordt zo-even door Petrus naar zijn betekenis voor de heidenen in het algemeen, die ook dadelijk werd begrepen (“Ac 11: 3” en “Ac 11: 18, voor deze vergadering verklaard en haar op het hart gedrukt. Nu vormen de ervaringen van Barnabas en Paulus of hun zendingsreis het begin van de geschiedkundige ontwikkeling, waarop dat teken had gedoeld. Het mededelen daarvan moest het zeker doen worden dat de opname van de heidenen in het huis van Cornelius, die zonder bemiddeling van het Jodendom had plaatsgehad, niet op enkele feiten moest wijzen, maar in het algemeen op de gehele, geschiedkundige opname van de heidenen.
Het teken te Lystre (hoofdst. 14: 8vv.), een tegenhanger van dat te Jeruzalem (hoofdst. 3: 2vv.) drukte een schitterend zegel op de woorden van Petrus: “God maakte geen onderscheid tussen ons en hen. ” Hij die Petrus kracht gegeven heeft tot het apostelschap onder de Joden, daarvan moest men zich overtuigen, die heeft ook Paulus kracht gegeven onder de heidenen (Gal. 2: 8) en Hij die te Ceasarea met Zijn Geest en Zijn gaven over de heidenen getuigenis heeft gegeven, aan wie Petrus het evangelie predikte, die heeft ook in Syrië en Klein-Azië het woord, door Paulus en Barnabas gepredikt, door tekenen die erop volgden, bekrachtigd.
En nadat deze, Barnabas en Paulus hun verhaal ten einde gebracht hadden en zwegen, antwoordde Jakobus, de overste leidsman van de gemeente sedert hoofdst. 12: 17, een beslissing van de zaak voorstellende: Mannen broeders! Hoort mij!
Simeon (Luk. 24: 34) heeft verhaald hoe God eerst, dus op een voor de toekomst beslissende wijze, de heidenen heeft bezocht, om uit hen in Cornelius en diens huisgenoten een volk aan te nemen voor Zijn naam; Hij heeft ze ingelijfd in het volk, dat naar Zijn naam genoemd is, dat in een verbondsrelatie tot Hem staat (Jes. 43: 7 Jer. 14: 9).
En hiermee, dat de heidenen ten tijde van de Messias zouden worden bezocht en aangenomen, stemmen de woorden van de profeten overeen, zoals geschreven is volgens de woorden van de tekst in de Griekse vertaling van de Septuaginta Am 9:11.
Jakobus de jongere, zoon van Alfëus, had onder de christenen te Jeruzalem, die uit de Joden waren een bijzonder aanzien, om zijn streng vasthouden aan de wet en zijn bijzondere ernst, zoals die ook duidelijk uit zijn brief blijkt. Hij was tevens de hoogste leidsman van de gemeente. Zijn rede moest dus bij deze gelegenheid een bijzonder gewicht hebben.
Terwijl hij zijn woord eerst met het verhaal van Simon verbindt, vat hij mede op wat Barnabas en Paulus verder hebben verhaald: door Petrus’ mond heeft God het eerst gedaan wat Hij door de beide predikers tot de heidenen heeft voortgezet. Wordt die eerste daad van God juist gewaardeerd, dan valt een helder licht op alles wat God door Paulus en Barnabas onder de heidenen heeft gedaan.
Hij wijst nu uitdrukkelijk op het feit dat niet Petrus bij die eerste bekering van de heidenen in het huis van Cornelius het initiatief heeft genomen, maar dat God zelf deze heidenen bezocht heeft, d. i. hen met Zijn voorkomende genade heeft ontmoet. Evenzo heeft God zelf uit deze heidenen, zoals zij waren, zonder hun vooraf de mozaïsche wet op te leggen, een volk tot Zijn naam aangenomen, d. i. het volk dat naar Zijn naam volk van God genoemd wordt als medeleden met gelijke rechten ingelijfd.
Doordat Jakobus zich tenslotte op de Schrift beroept, wil hij duidelijk de behandeling van de zaak tot een einde brengen. Zoals Jezus de apostelen de aanleiding heeft gegeven om de overtuiging, die zij op de weg van mondelinge voordracht en van subjectieve toeëigening hadden verkregen, door de Schrift te bevestigen en te bezegelen (Luk. 24: 44vv.), zo hebben wij ook de apostelen in hun spreken van de aanvang af (hoofdst. 1: 20) te werk zien gaan.
De voorspellingen van de Schrift zijn door de apostelen vooral gebruikt om de tekenen van de tegenwoordige tijd te verstaan en te weten of het voor God recht was wat zij deden.
Daarna, nadat over u, o kinderen van Israël de gerichten zijn gekomen, die tot uw zifting zullen moeten dienen, zal Ik weerkeren, zal Ik opnieuw u genade bewijzen en de tabernakel van David, die vervallen is, weer opbouwen en hetgeen daarvan verbroken is door het uit elkaar gaan van het volk in twee verschillende rijken, zal Ik weer opbouwen, zodat de scheiding voortaan is opgeheven (Ezech. 37: 15 vv.) en Ik zal die tabernakel tot nieuwe grootheid en heerlijkheid weer oprichten, terwijl nog een groot gebied dat vroeger niet tot u behoorde, u zal ten deel vallen.
Opdat de overblijvende mensen den Heere zoeken, en al de heidenen over welke Mijn Naam aangeroepen is, spreekt de Heere, Die dit alles doet.
Aan God, die wat Hij in onze dagen laat geschieden, reeds eeuwen tevoren door Zijn profeten heeft verkondigd, zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend, daarom heeft Hij ook kunnen laten profeteren wat geschieden zal.
Met dit woord wil Jakobus zeggen dat God reeds toen Hij door de mond van de profeten die uitspraak deed, zeer goed geweten heeft dat het doelde op hetgeen nu omtrent de heidenen werd verwezenlijkt. Hij ziet nu in de verschijning van Christus de daar voorzegde wederkomst van God tot Zijn volk en in de tegenwoordige oprichting van de christelijke kerk de wederopbouw van de vervallen hut van David, waarin Jezus Christus, de ware David, als Koning woont. De christenen zijn voor hem het ware volk Israël, dat nu door de overige volken, die God niet gekend hebben en die nu naar de Heere vragen, in bezit genomen wordt, doordat Hij deze heidenen in hun gemeenschap inlijft. Juist deze heidenen zijn het dan, over wie in de prediking van het evangelie, tot hen gericht, de naam van de Heere wordt genoemd, waardoor ook zij in de naam van de ware David worden genodigd en voor het geval zij aan de goede boodschap van Christus geloof schenken, geteld zullen worden bij het volk, dat Gods volk heet, omdat het de naam van God draagt (Deut. 28: 10). Dit is dus de juiste betekenis van die profetische tekst, die Jakobus duidelijk voor de geest kwam in het licht van de Heilige Geest.
Daar uit de aangevoerde tekst een bewijs moest worden genomen, zouden zowel de apostelen als de evangelist zich van de Griekse vertaling, die in verscheidene punten van de Hebreeuwse tekst afwijkt, hebben onthouden, indien deze verkeerd was en tegen de Geest en de bedoeling van de profetie. Dat is zij echter niet, ook niet wat de verandering van Edom in “mensen” aangaat. De naam “mens” klinkt heerlijker en ruimer dan de naam “Edom” en als zelfs de Edomieten, die vooral wild, ruw en vijandig gezind tegen Israël waren, niet uitgesloten moesten zijn van het rijk van Christus, dan zijn de Adamieten, de mensen in het algemeen, zoveel minder daarvan uitgesloten.
Daarom, omdat het hier de vervulling aangaat van een goddelijk raadsbesluit dat wij niet eigenmachtig beperken of verzwaren mogen, oordeel ik dat men degenen, die uit de heidenen zich tot God bekeren, niet lastig mogen vallen, niet bezwaren door dergelijke eisen als in vs. 1 en 5 zijn gedaan.
Maar ik oordeel, dat men hun zal aanschrijven, een schrijven aan hen richten, dat de voorschriften ertoe beperkt (hoofdst. 21: 25) dat zij zich onthouden a) van de dingen die door de afgoden besmetzijn, van het offervlees van de afgoden en b) van hoererij en van het verstikte en van bloed; voor het overige moeten zij niet genoodzaakt worden het juk van de mozaïsche wet op zich te nemen.
Ex. 20: 3; 1 Kor. 8: 1; 10: 20 b) 1 Thess. 4: 3
Deze bepalingen hebben niet de bedoeling om de christenen uit de heidenen nog op een overblijfsel van het wettische standpunt te plaatsen, maar moeten alleen het broederlijk verkeer onder de wederzijdse leden van één en dezelfde gemeente, de christenen uit de Joden en uit de heidenen en desgelijks de verhouding van gastvriendschap tussen de beide gemeenten, die in Judea en die in de heidenwereld, mogelijk maken. De christenen uit de heidenen moesten datgene vermijden wat voor de christen uit de Joden een onoverwinnelijke afkeer en een voorwerp van ergernis was, opdat deze geen aanleiding zouden hebben de omgang met hen te vermijden en zich van hen terug te trekken. Aan de andere zijde moesten de christenen uit de Joden van de christenen uit de heidenen geen proselieten van de gerechtigheid Le 17: 9 willen maken, maar tevreden zijn wanneer zij zich als gewone proselieten gedroegen. Deze bepalingen waren naar de toestand zeer doelmatig en goed. Hadden de christenen uit de Joden een broederlijk verkeer en vooral ook gemeenschap van tafel en avondmaal moeten onderhouden met hen, die er geheel niet op letten wat nu eenmaal voor degenen, die aan Joodse zeden gewoon waren, een gruwel was, dan zouden zij deels de godsdienstige gevoelens, die zij met de moedermelk hadden ingezogen, in zich hebben moeten doden, deels tussen hen en hun broeders naar het vlees, die nu nog Joden waren, het tafelkleed moeten doorsnijden en voor altijd van de mogelijkheid om hen nog voor het geloof in Christus te winnen, moeten afzien. Aan de andere zijde kon het de christenen uit de heidenen ten opzichte van hun vorige heidense leefwijze, waarbij men zichzelf alles veroorloofde wat het vlees lustte en zich aan geen tucht of orde bond, slechts nuttig zijn, wanneer zij zich aan strengere zeden wenden en daardoor beter beschermd waren tegen de besmettingen van het heidendom, dat hen van alle zijden omringde en tegen de gevaren om in hun uitspattingen te vervallen. “Het is een geheel onrechtvaardig verwijt, dat Luther tegen Jakobus uitspreekt, dat hij hier een weinig zou gestruikeld hebben. Integendeel heeft de apostel met zijn voorslag een uitweg aangewezen, waarop de vrijheid en zelfstandigheid van de gemeente uit de heidenen ongeschonden in ere komt en toch een ontwikkeling wordt teweeggebracht, waardoor de vrijheid van de christenen uit de heidenen de gemeenschap met de gebondenheid van de christenen uit de Joden mogelijk maakt. ” Wat nu de bepalingen elk afzonderlijk aangaat, zo komt het onthouden van het verstikte en van bloed zeker overeen met de mozaïsche verordening in Lev. 17: 10vv., maar zij is hier ontdaan van geheel het joods-particularistisch karakter en sluit zich zo aan bij de algemeen menselijke verordening van God in Gen. 9: 3vv., dat nog het tweede Trullaanse concilie van het jaar 692 zich gerechtigd achtte die onthouding opnieuw in te scherpen. Wat de onthouding aangaat van het verontreinigde door de afgoden of van het afgodenoffer, zo moet onder het laatste het vlees van die dieren worden verstaan, die voor afgodenoffer hebben gediend. Ook de heidenen gebruikten het vlees van hun slachtoffers, voor zover het niet op het altaar ter ere van de goden verbrand werd, voor hun eigen feestelijke maaltijden Ex 29: 34 of men bracht het op de vleesmarkt om te verkopen (1 Kor. 8: 1vv.). Daar wachtten nu de Joden zich ten strengste dergelijk vlees te kopen om niet op indirecte wijze aan zulke afgodische maaltijden deel te nemen (Ex. 34: 15) en konden daarom christenen uit de Joden niet fatsoenlijk eten aan de tafel van christenen uit de heidenen die hun misschien dergelijk vlees zouden voorzetten. (Vergelijk de beslissing in diezelfde zaak, die Paulus, doch onder andere omstandigheden in 1 Kor. 10: 14 neemt.) Vreemd komt het onthouden voor van hoererij, hetgeen toch voor christenen vanzelf spreekt; maar naar Joods spraakgebruik is hoererij ook het huwen van een vrouw van een verboden graad van verwantschap (vgl. Lev. 18), vooral wanneer zo’n huwelijk tot eigenlijke bloedschande wordt (1 Kor. 5: 1), zoals het bijv. in Griekenland en Egypte toen niet zelden voorkwam dat broeders en zusters met elkaar huwden. Nu hebben wellicht de christenen uit de heidenen bij het voortzetten van dergelijke echtverbintenissen en bij het sluiten van nieuwe huwelijken zich nog meermalen door hun vroegere meningen laten leiden, waardoor zij het echter de christenen uit de Joden bijna onmogelijk maakten in hun huizen en families zich thuis te voelen, en zonder gewetensbezwaren te verkeren. “Zoals dus de beide eerste voorschriften de heidense broeders een afkeer moesten inboezemen tegen het wezen van het heidendom (2 Kor. 6: 14vv.), zo de beide andere een eerbied voor de goddelijke instellingen van Israël. Zij moesten zichzelf beschouwen als in een nadere betrekking geplaatst tot het Joodse volk en in deze vrije aansluiting de algemene regels zien, waarnaar hun vrijheid zich moest vormen.
Want Mozes heeft van oudsher in elke stad, onder hen die in de Joodse leerscholen zijn wet uitleggen en inscherpen, mannen die Hem prediken en Hij wordt op elkesabbat in de synagogen gelezen. De betekenis van Zijn wet voor degenen, die het van God is gegeven en die zich ook verder verplicht achten haar te houden, is dus geenszins daarmee opgeheven, als wij nalaten die eveneens anderen op te leggen.
Jakobus heeft een dubbel besluit uitgesproken: ten eerste, men moet diegenen, die zich uit de heidenen tot God bekeren, niet lastig vallen met besnijdenis en wet; ten tweede, in plaats van hun de wet van Mozes op te leggen, moest men hun enige stukken voorschrijven, aan de ene zijde om hun leven van heidense verkeerdheden te reinigen, aan de andere zijde om hen tot goede Joodse zeden te trekken. De ijveraars voor de wet (hoofdst. 21: 20), ook als zij van harte in de Heere Jezus geloofden, konden tegen dit besluit bedenkingen hebben dat Mozes daardoor niet tot zijn recht kwam. Moest deze aan de discipelen uit de heidenen in het geheel niet worden gepredikt, dan moest het spoedig ertoe komen dat de kerk de wet van God verloor en vergat. Hiertegenover stelt Jakobus de slotzin van zijn rede, waarin hij de grond aangeeft waarom de kerk niet mag nalaten de predikster van Mozes onder de heidenen te zijn en zich ertoe kon bepalen Christus te prediken, zonder daardoor de eerste in gevaar te brengen dat hij vergeten werd.
In zoverre Mozes als voorloper van Christus in de wereld nodig is, wil Jakobus zeggen, is overal voor die behoefte gezorgd, want als leraar van de wet heeft hij overal zijn bijzondere synagoge en zijn bijzondere predikers; wij hebben voor iets anders te zorgen; wij zijn predikers van Christus.
Het is merkwaardig dat Jakobus, de man die ten gevolge van de tot ons gekomen mededelingen persoonlijk een man geweest is van de strengste wettische vroomheid en die dan ook de “rechtvaardige” werd genoemd, dat juist deze man voor de vrijheid van de christenen uit de heidenen van de mozaïsche wet spreekt en uitdrukkelijk slechts de onthouding van hen eist van zekere, deels zedelijk godsdienstig, deels sociaal aanstotelijke zaken. Het is echter ook zeer waarschijnlijk dat voor de apostel, juist ten gevolge van het “letten” op de mening van de Judaïsten (vs. 1, 5v.) wet en genade in hun tegenstelling helder zijn geworden en hij de evangelische vrijheid in de staat van de genade tegenover de dienstbaarheid van de wet levendig heeft leren kennen. Men kan dan ook de brief van Jakobus niet te laat dateren, zoals het Bijbelwerk van Lange doet. Volgens de uitspraak die de apostel hier in onze tekst heeft gedaan en volgens de plechtige erkenning van de apostolische waardigheid van Paulus, waarvan deze in Gal. 2: 7vv. bericht, zou Jakobus zich bezwaarlijk over het onvoldoende van een verstandig geloof alleen tot rechtvaardiging van de mens voor God zo open hebben uitgedrukt, als hij in hoofdst. 2: 14vv. van zijn brief doet. Het allerminst zou hij zo geschreven hebben in een tijd, waarin de brieven van Paulus aan de Galaten en de Romeinen met de uitspraken in Gal. 2: 16 en Rom. 3: 28; 4: 1vv. bestonden. Veeleer moet men denken dat Paulus in de zo-even gemelde tekst tegenover zulke dwaalleraars, die “van Jakobus kwamen”, zoals hij in Gal. 2: 12 zegt (d. i. uitgegaan waren van de joods-christelijke gemeente, die onder Jakobus stond, zich op leugenachtige wijze op diens autoriteit beroepen (vgl. vs. 24) en de bovenvermelde uitspraken in zijn brief woordelijk aanhaalden en de Paulinische leer van de rechtvaardiging alleen door het geloof als tegen de Schrift en onapostolisch bij de Galaten en in andere gemeenten, die tot de apostel van de heidenen behoorden, in diskrediet te brengen) opzettelijk geheel tegenovergesteld luidende stellingen uitsprak en de argumentatie daarvoor uit dezelfde woorden van de Schrift haalde als die gebruikt waren voor de uiteenzetting van Jakobus. Zo toch alleen kon hij zijn eigen apostolische waardigheid metterdaad in het licht stellen en de uitdrukkingen van zijn medeapostel, waarvan misbruik werd gemaakt, die met de verdere voortgang van kerkelijke ontwikkeling niet meer overeenstemden, terwijl de apostel ze zelf niet zo bedoeld had als ze nu verklaard werden, tegen zo’n verklaring verdedigen. De brief van Jakobus doelt juist in die tekst (2: 15v.) duidelijk genoeg op omstandigheden en toestanden, dat men in werkzame liefde zich over de hongerigen en naakten moest ontfermen, terwijl de gevallen dikwijls voorkwamen, dat zij die het moesten doen, zich met vrome wensen trachten te onttrekken. Als wij daarop letten, dan komt als tijd van het schrijven van die brief de tijd voor na het uitbreken van de hongersnood, die de profeet Agabus nog in het jaar 44 had voorzegd en die dan de aanleiding gaf tot de reis van Barnabas en Saulus naar Jeruzalem tot het overbrengen van een collecte van de Antiocheense gemeente (hoofdst. 11: 27vv.). De nood van de Palestijnse en andere gemeenten uit de Joden in de naburige landen, die nog jaren lang aanhield, blijkt ook vooral uit hetgeen Paulus in het jaar 50 zelf voor de apostelen in Palestina had gedaan (Gal. 2: 10). Later zal het ons duidelijk worden dat ongeveer het jaar 49 dat van de vervaardiging van de brief is. Misschien namen tengevolge daarvan de farizeese ijveraars voor de wet aanleiding van Jeruzalem naar Antiochië te gaan, om daar hun eis voor te stellen; Jakobus keurt echter in vs. 24 uitdrukkelijk hun leer en hun gedrag af.
lijk broeder van hen moet worden onderscheiden, zoals veelal wordt beweerd. Paulus spreekt op de aangehaalde plaats, zoals duidelijk is, over apostelen, waaronder hij zichzelf en Barnabas volgens Hand. 14: 4 en 14 rekent, daar zij oorspronkelijk beiden in gemeenschap met elkaar tot de dienst van de zending onder de heidenen door de Heilige Geest waren uitgezonden Ac 13: 3. Hieruit nu kan men niet afleiden dat hij wellicht de broeders van de Heere als een tweede klasse bij de apostelen zou hebben willen bijvoegen, want hoe zou hij er dan toe komen, tenslotte nog Cefas te noemen? Deze toch vormt niet op zichzelf een derde klasse, maar behoort juist tot de apostelen. Dat hij die noemt geeft integendeel duidelijk te kennen dat Paulus onder de apostelen, die hij tegenover zichzelf en Barnabas als de andere apostelen stelt, een onderscheiding wil maken. Vroeger heeft hij ze allen in het algemeen genoemd. Het kwam echter niet bij allen zonder uitzondering voor, dat zij een zuster als vrouw met zich meenamen, of deze omstandigheid was de Korinthiërs niet van allen bekend, daarom noemt hij slechts diegenen onder hen meer bepaald, bij wie het niet alleen het geval was, maar die ook de lezers nauwkeurig bekend waren, de broeders van de Heere en Cefas. Die genoemden in vergelijking met de anderen hoger in rang te stellen, bedoelt hij niet; zoiets is integendeel door de aard van de zaak, die hij wil bevestigen, uitgesloten; hij geeft slechts voorbeelden.
De christenen uit de heidenen moesten zich slechts van vier zaken onthouden: van de dingen, die door de afgoden besmet zijn, van hoererij, van het verstikte en van bloed. Zoveel is zeker, dat hij het oog heeft op die dingen, waaraan de heidenen in hun godsdienstig bestaan vóór hun bekering waren overgegeven en die in de gemeenschap met de Joden volstrekt onaanvaardbaar waren. Die gemeenschap had in deze tijd nog plaats, aangezien de christenen nog met de Joden in de synagoge verkeerden. De eerste opzettelijke afzondering geschiedde naderhand te Ephesus (hoofdst. 9: 9). Op deze gelegde grond begrijpen wij de betekenis van de dingen die door de afgoden besmet zijn, dingen die aan de afgoden geofferd waren en aan de heidense offermaaltijden gegeten werden. Wanneer iemand van deze dingen gebruik maakte, kon er uit afgeleid worden dat hij nog gemeenschap had met de afgoden (verg. 1 Kor. 13: 10; 10: 19-28). De hoererij is in het bijzonder die ontucht, waartoe men aan de heidense offermaaltijden verzocht werd. Het verstikte schijnt ons te wijzen naar de dieren, die door wurging of anderszins zonder bloedstorting aan de afgoden geofferd en ook zodanig tot spijs gebruikt werden. Het bloed is meer bijzonder het bloed dat de afgoden geofferd en ook door de heidenen gegeten en gedronken werd, ten gevolge van hun gemeenschap aan de afgoden. Apostel Jakobus bedoelt dus de zaken die in de grond tot de heidense afgodsdienst behoorden en betrekking hadden tot de afgodische offermaaltijden. Van dit alles moesten de christenen uit de heidenen zich onthouden en dit zou aan hen geschreven worden; te meer omdat zij nog wel tot die offermaaltijden door hun nog onbekeerde bloedverwanten en vrienden genodigd werden, of althans gelegenheid hadden om de overblijfselen daarvan te kopen. De apostel bekleedde zijn besluit met bewijsredenen (vs. 21), want Mozes heeft vanouds in elke stad mannen die hem prediken, dat betekent dat de wet van Mozes overal in de steden van het Joodse land door zekere predikers verkondigd werd, namelijk de Levieten, die het gewoon leraarsambt onder Israël bekleedden. Ook werd Mozes op elke sabbat in de synagogen gelezen. De zaak zit zo in elkaar: de heidenen, die het evangelie gelovig aannamen, verkeerden met de Joden in de synagogen, die toen de vergaderplaats van de godsdienstigen was. In deze synagogen werd de wet van Mozes openlijk gepredikt en gelezen. Deze wet behelsde niet alleen stellige voorschriften, zoals de besnijdenis en velerlei schaduwachtige plechtigheden; maar zij verbood ook vele zaken, die bij Israël voor gruwelen gehouden werden. Hiertoe behoorde voornamelijk het godenoffer (Ex. 34: 15), de hoererij (Num. 15: 1-9), het verstikte, waar het bloed nog in was en het bloed zelf (Lev. 3: 17; 7: 23-27; 17: 1-9, 13; 19: 26; 20: 10-23 Nu oordeelde de apostel Jakobus dat, ofschoon volgens het profetisch woord de besnijdenis en de onderhouding van Mozes’ wet van de bekeerde heidenen niet moest geëist worden, dat zulke heidenen, die het evangelie geloofden en zich met de Joden tot het waarnemen van de godsdienst verenigden in de synagogen, daar Mozes’ wet op elke sabbat werd voorgelezen, wel zorg moesten dragen dat zij de Joden en de Joodsgezinde christenen niet ergerden door dingen aan de hand te houden, die in die wet ten strengste verboden waren.
En zij schreven een brief, die Jakobus, de opziener van de gemeente, in de Griekse taal, zoals die in Syrië en Cilicië werd gesproken, opstelde en verzonden het door hen, die afgevaardigd waren. Het hield het volgende in: de apostelen en de ouderlingen en de broeders wensen de broeders uit de heidenen, die in Antiochië en Syrië en Cilicië zijn, zaligheid (eigenlijk “vreugde” Jak. 1: 1).
Om de gelijkheid van deze groet met die, die Jakobus in zijn brief gebruikt, en ook omdat het Jakobus was die het zenden van deze brief had voorgesteld (vs. 20), is het waarschijnlijk dat hijzelf ook de opsteller van dit geschrift is geweest, waartoe hij zich ook reeds als opzichter van de gemeente te Jeruzalem moest geroepen hebben gevoeld. Is dit zo, dan spreekt dit tegen het voorgewende primaat van Petrus, zoals de Roomse kerk ons dat zo graag wil doen geloven, want anders zou zeker Petrus deze brief hebben opgesteld.
In de vergadering van de apostelen en oudsten was (vs. 14) sprake geweest van een volk van God uit de heidenen en het was op meer dan één wijze gebleken dat de goddelijke bedoeling van het christendom juist ten doel had een volk van God uit alle volken en heidenen te vergaderen en te vormen. Met deze brief wordt nu deze grote zaak als nu aanwezig, in leven en werkelijkheid getreden, erkend en zo wordt hier voor de eerste maal in de wereld plechtig en openbaar de groet van de waarheid en van de liefde vernomen: “broeders uit de heidenen”.
Door een bewonderingswaardige zelfverloochening en door verlichting van boven waren de apostelen te Jeruzalem er nu toe gekomen, het wonderbare feit te erkennen dat zonder hun toedoen een apostel in de ware zin van het woord gearbeid had, die door de verhoogde Christus dezelfde zending en macht ten behoeve van de heidenen had ontvangen, die zijzelf eens van Christus op aarde ten behoeve van de Joden ontvingen (Gal. 2: 7v.). Hiermee werd tevens bepaald dat Paulus even zozeer als zij, alleen aan Christus zelf voor zijn gedrag verantwoordelijk was. Zo is het schrijven alleen aan die gemeenten uit de heidenen gericht, die reeds voor het openbaar worden van het zelfstandig apostolaat van Paulus (hoofdst. 13: 9vv.) aanwezig waren (“Ac 15: 41” Baumgarten). Deze nu maakte dientengevolge (hoofdst. 16: 4) samen met Silas, in de steden van Lycaonië en Pisidië de bepalingen van het apostolisch concilie bekend aan de gemeenten, door hen op de eerste zendingsreis gesticht en die eveneens in het bereik lagen, waarover hij in gemeenschap met Barnabas het Jeruzalemse apostolaat had laten beslissen, toen het zijne nog niet geconstateerd was. Toch schijnt hij in Frygië en Galatië (hoofdst. 16: 6) die mededeling niet gedaan te hebben en zich daardoor, als door geen menselijk gezag beperkt, tot het arbeidsveld dat alleen het zijne was, bepaald te hebben. De tijd was gekomen dat hij zijn apostolaat in alle opzichten moest en mocht doen gelden en zo haalt hij in zijn brieven aan de Galaten en Korinthiërs geen Jeruzalemse besluiten aan; zijn woord als apostel van Christus voor de heidenen moest voor deze gemeenten voldoende zijn. In een toestand, waarin nu spoedig zijn apostolische waardigheid door zijn eigen gemeenten in twijfel zou worden getrokken, zoals hij verstandig vooruitziende opmerkte, zou hij zichzelf te zeer hebben prijs gegeven, indien hij een andere macht dan de zijne als wetgevend in de kerk van de heidenen had aangevoerd. Daarbij kwam het hem zeker niet in gedachten, in de zaak zelf die zo zachte en ten volle gerechtvaardigde eisen te weerspreken; integendeel komen zijn eigen voorschriften, hoewel anders gemotiveerd, met het besluit van Jeruzalem in alle opzichten overeen.
Aangezien wij gehoord hebben a) dat enigen, die van ons uit Judea (vs. 1) uitgegaan zijn, u met hun woorden verontrust hebben, terwijl gij, zonder eerst door het Jodendom heen te gaan, u rechtstreeks tot Christus hebt gewend en daarom recht hebt gehandeld en dat zij uwzielen aan het wankelen hebben gebracht (Gal. 5: 10), in plaats van u te versterken, (hoofdst. 9: 31) door te zeggen dat gij moet besneden worden en de wet onderhouden, hetgeen wij niet bevolen hadden, maar zij zich eigenmachtig bij u binnendrongen, daarom hebben wij een vergadering samen geroepen.
Gal. 2: 4
Toen wij de zaak ernstig overdacht en besproken hadden, heeft het ons eendrachtig samenzijnde, goed gedacht, terwijl wij deze brief aan u richten (vs. 22), enige mannen te verkiezen en tot u te zenden met onze geliefden, Barnabas en Paulus, die gij tot ons hebt gezonden en die nu weer tot u terugkeren.
Zoals hun werk, dat zij ten dienste van de zending in Klein-Azië hebben volbracht (hoofdst. 13 en 14) duidelijk bewijst (vs. 4 en 12), zijn deze Barnabas en Paulus mensen, die hun zielen overgegeven hebben voor de naam van onze Heere Jezus Christus in de gevaren, die hen dreigden te Antiochië in Pisidië, te Iconium en Lystre in Lycaonië.
Wij hebben dan tengevolge van de eendrachtig gedane keuze (vs. 22) Judas en Silas gezonden, die ook met de mond hetzelfde zullen verkondigen, als wat dit schrijven nu met letters zegt.
De gemeente te Jeruzalem betreurt de dingen die te Antiochië waren voorgevallen en dit te meer, daar zij niet wil ontkennen dat er werkelijk enigen uit haar midden zijn geweest die de gemeente aldaar door hun woorden verontrust hebben. Zij geeft daarom dadelijk hier haar ongenoegen te kennen over het voorgevallene, doordat zij die mensen voorstelt als verderfelijke indringers (Gal. 2: 4) en hun beweringen als een leer, die geheel van de hunne verschilt. Tegenover hen, die op eigenmachtige wijze naar Antiochië waren gekomen, worden de nu gezonden mannen Judas en Silas voorgesteld als de ware plaatsbekleders van de gemeente te Jeruzalem, alsook dat hetgeen zij zouden verkondigen in overeenstemming met het decreet in de brief vervat, de ware leer was. Maar nog voordat deze plaatsvervangers met name worden genoemd, worden Barnabas en Paulus uitdrukkelijk in bescherming genomen tegen alle verdachtmakingen, die van de zijde van die dwaalleraars in Antiochië wellicht over hen waren verbreid. Met deze beide van Antiochië gezonden mannen staat de gemeente te Jeruzalem in volkomen broederlijke overeenstemming; dat wil de uitdrukking “onze geliefden” zeggen. Tevens wordt de hoogste lof, die aan werkelijke dienaren van Christus kan worden geschonken, met betrekking tot de gevaren en de ondervindingen, die zij bij het werk van de bekering van de heidenen doorstaan en betoond hebben, hun toegezwaaid.
De Joodsgezinde ijveraars, die de gemeente te Jeruzalem met de uitdrukking “enigen die van ons uitgegaan zijn” nog als de hare erkent, hadden zonder twijfel met het voorstel van Jakobus genoegen genomen, omdat hij hun op een ogenblik dat zij geheel geslagen waren en niets meer hadden te verwachten, toch nog een concessie scheen te doen, hoewel het geen concessie in hun zin was, zoals dan ook natuurlijk zodanige geesten in zo’n toestand graag een, al is het ook nog zo geringe schijn alsof zij gelijk hadden, aangrijpen, om hun naaktheid daarmee te bedekken. Maar tevens hadden zij voor hun valse gedachten een gewaand steunpunt, dat zij zeker wel dachten later te zullen gebruiken.
Want het heeft de Heilige Geest (hoofdst. 5: 32) en ons, de apostelen en oudsten (hoofdst. 16: 4), terwijl ook de gemeente met ons instemde (vs. 22), goed gedacht u, wat uw verhouding tot de mozaïsche wet aangaat, geen meerderelast op te leggen dan deze noodzakelijke dingen, hetgeen aan uw christelijke vrijheid geen schade veroorzaken kan.
Het besluit om afgevaardigden te zenden tot de christenen uit de heidenen, wordt in vs. 25 alleen aangevoerd met de woorden: “het heeft ons eendrachtig samen zijnde, goed gedacht. ” Het besluit om de christenen uit de heidenen niets verder op te leggen en slechts de bekende onthouding van hen te eisen wordt daarentegen gemeld met de woorden, “het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht. ” Derhalve worden geen gezamenlijke beslissingen van de vergadering aan de Heilige Geest toegeschreven, maar alleen de beslissing, die voor de gewetens, zowel van de broeders uit de heidenen, als van de christenen uit de Joden zelf hoogst gewichtig waren. De vergadering erkent dit als een beslissing, die niet alleen op menselijke wijze gevonden was, maar tevens als door God ingegeven en door de verlichting en leiding van de Heilige Geest zelf geschonken. Zou in dit bewustzijn enige dwaling liggen of enig onrecht, enige dweepachtige inbeelding, of iets dat door geestelijke hoogmoed en hiërarchische voornaamheid anderen voorgehouden is? Geenszins, maar het is treffende en gezonde waarheid, met gezonde vroomheid en nadenken opgesteld. Zij erkennen het met ootmoedige dank en schamen zich ook de belijdenis voor de mensen niet, dat zij het beste, het waarachtig verenigende, een oplossing van de vraag, die noch de waarheid aan de liefde opoffert, noch de liefde om de waarheid schendt, een oplossing, die zowel de evangelische vrijheid bewaart, als de eenheid van Christus kerk verzekert, niet aan zichzelf danken, maar aan de Heilige Geest, die in alle waarheid leidt. Zo geven zij aan God de eer, maar zij loochenen daarom niet dat zijzelf gearbeid hebben en een gemeenschappelijk onderzoek en een verstandelijk bespreken eraan hebben besteed, zodat hun de uitkomst niet van boven in de slaap was geschonken, maar als vrucht van verstandelijke, ernstige inspanning zelfstandig was ten deel gevallen: “en ons. ” In de gecombineerde uitdrukking is dus zowel het goddelijk werk van de Heilige Geest, als de menselijke zelfstandigheid in het zoeken en werken erkend, alle eenzijdigheid van het bewustzijn vermeden, ootmoed en christelijke waardigheid verenigd.
Wij raden u namelijk alleen aan a) dat gij u onthoudt van hetgeen de afgoden geofferd is, b) van bloed, van het verstikte c) en van hoererij; indien gij u hiervoor wacht, dan zult gij weldoen. Wij willen u dus ook hiermee geen juk opleggen, maar wij veronderstellen dat gij naar deze welgemeende raad zult horen en die metblijdschap zult aannemen. Vaart wel.
Ex. 20: 3; 1 Kor. 8: 1 b) Gen. 9: 4 Lev. 17: 14 c) 1 Thess. 4: 3
Het uiterlijke van de zendbrief doet ons denken aan de Griekse vorm. In het begin vinden we cairein (“heil wensen en aan het slot errwsye (“vaartwel, hetgeen volgens de opmerkingen van Artemidorus (uit de 2e eeuw na Chr.) tot de karakteristieken van elke Griekse brief behoort (hoofdst. 23: 26 en 30); het kan niet worden ontkend dat hierin een bepaalde bedoeling ligt. De broeders uit de heidenen, die aan de Griekse vormen gewend zijn, moesten aan de gewone uitdrukkingen, waarvoor de broeders te Jeruzalem hun meer plechtige woorden achterwege laten, de indruk krijgen van een waarachtig broederlijke gezindheid. Dat wij verder in de woorden van de brief het origineel voor ons hebben en niet een stuk door Lukas zelf opgesteld, blijkt onder anderen ook uit het feit dat in vs. 25 Barnabas evenals in hoofdst. 14: 14 en 15: 12 boven Paulus wordt geplaatst. In hoofdst. 14: 14 moest die bij de heidense dweperij van de Lystrensers voorkomen als het meest begaafd, omdat men hem voor Jupiter hield. In vs. 12 en 25 van ons hoofdstuk is het oog gevestigd op de verhouding, waarin zij beiden tot de gemeente te Jeruzalem stonden, waarvan de briefschrijver het standpunt inneemt. Barnabas was dan degene die hun vanaf het begin bekend was en bij hen in aanzien stond, terwijl Paulus wat zijn apostolische waardigheid aangaat, hun nog vreemd was, hoewel zij door de verhalen van hetgeen de Heere door hem in Klein-Azië had gedaan, nu een hogere en betere indruk van hem hadden dan vroeger (vgl. hoofdst. 9: 26).
b. Vers 30-35KruisverwijzingenHandelingen 11:23→1 Korinthe 16:11→Handelingen 13:1→Handelingen 14:22→Handelingen 16:36→Hebreeën 11:31→1 Petrus 5:12→Genesis 26:29→
— Dezen dan, hun afscheid ontvangen hebbende, kwamen te Antiochie; en de menigte vergaderd hebbende, gaven zij den brief over. En zij, dien gelezen hebbende, verblijdden zich over de vertroosting. Judas nu en Silas, die ook zelven profeten waren, vermaanden de broeders met vele woorden, en versterkten hen. En als zij daar een tijd lang vertoefd hadden, lieten hen de broeders wederom gaan met vrede, tot de apostelen. Maar het dacht Silas goed aldaar te blijven. En Paulus en Barnabas onthielden zich te Antiochie, lerende en verkondigende met nog vele anderen, het Woord des Heeren.
Dezen dan hun afscheid ontvangen hebbende, kwamen te Antiochíë; en de menigte vergaderd hebbende, gaven zij den brief over.
En toen zij, de broeders te Antiochië, die gelezen hadden, verblijdden zij zich over de vertroosting. Zij zagen nu hun christelijke vrijheid beschermd, nadat deharde eis van de Judaïsten hun tevoren zoveel onrust en moeite had veroorzaakt (vs. 1v., 24).
De vertroosting, die de vrijheid van de wet geeft, kan niemand echt voelen, dan hij die vroeger de druk van dit harde juk echt ondervonden heeft.
De Antiochiërs hadden slechts een zo kort briefje ontvangen en het veroorzaakte reeds vreugde. Wat moeten wij ons dan verheugen, dat wij nu zoveel brieven van de apostelen mogen lezen! Hoe veel meer moet ons wel de gehele Schrift verheugen, die toch een brief van God aan de mensen is!
Judas nu en Silas, die zelf ook profeten waren, evenals zij die in hoofdst. 11: 27 en 13: 1 werden, vermaanden de broeders overeenkomstig hun opdracht (vs. 27) met vele woorden, waarinzij hun nader uiteenzetten wat in Jeruzalem besproken was en waaraan zij hun toespraken verbonden Joh 14: 18 en versterkten hen in de vertroosting en de vreugde, die zij uit de brief hadden verkregen.
Omdat de Antiochiërs het ernstig opnamen met het heil van hun ziel, waren zij door de sterke bewegingen van de Judaïsten erover bezorgd geweest of zij bij hun vrijheid wel werkelijk op de rechte weg waren. Het was hun daarom nu een grote vreugde te lezen en uit de mond van Judas en Silas nog veel uitgebreider te horen dat de gemeente te Jeruzalem met volmaakte eenstemmigheid, ja met verzekerdheid van het geloof (“het heeft de Heilige Geest goed gedacht hen had ontheven van ieder juk van de wet. Zeker namen zij nu ook graag de raad hun gegeven aan, om door onthouding van de genoemde heidense zeden, aan hun Joodse medeburgers en christelijke broeders generlei ergernis te geven. Zij deden dit zeker te meer, daar zij in het onthouden van dergelijke gelijkvormigheid aan het heidendom, waaraan zij nu als christenen waren ontrukt, een goed middel moesten zien ter bewaring van de staat van hun eigen zielen.
En toen zij daar een tijd lang vertoefd hadden, lieten de broeders, de christenen te Antiochië, hen weer gaan met vrede, met de gewone zegenwens: “gaat heen in vrede! ” “Joh 14: 26, naar de apostelen, of liever naar degenen die hen gezonden hadden (vs. 22).
In vriendelijke beantwoording van de Griekse groet (vs. 29), de Antiochiërs uit Jeruzalem toegezonden, “vaart wel”, laten zij nu Judas en Silas van hun zijde met de Hebreeuwse vredegroet tot de Joodse broeders naar Jeruzalem teruggaan. Zeker zijn beiden nu ook daarheen teruggekeerd en is het niet, zoals de Vulgata, volgens de lezing van het Cambridger handschrift (Codex van Bez a) vs. 34 zegt: “het behaagde Silas daar te blijven en Judas ging alleen naar Jeruzalem. ” Hoogstens is de eerste helft van dit vers, als men het zo opvat als wij het later zullen verklaren, juist, zoals dan ook het andere handschrift, waarin het vers gevonden wordt, slechts de eerste helft bevat. Het vers is echter zonder twijfel onecht, en slechts een toevoegsel om te verklaren hoe Paulus er later toe kon komen Silas op zijn tweede zendingsreis mede te nemen (vs. 40). Deze verklaring is toch vrij onwaarschijnlijk; het ligt meer voor de hand zich de zaak zo voor te stellen dat, evenals Barnabas van Jeruzalem Markus tot zich nam, Paulus hetzelfde ten opzichte van Silas deed.
En Paulus en Barnabas bleven nog gedurende het gehele jaar 50 na Christus te Antiochië, evenals de voorgaande anderhalf jaar (hoofdst. 14: 18) en leerden en verkondigden met nog vele anderen het woord van de Heere, aangezien de gemeente aldaar vanouds goed van profeten en leraars voorzien was (hoofdst. 13: 1vv.).
Volgens hetgeen wij in het slotwoord op het evangelie van Lukas over de vroegere geschiedenis van deze evangelist hebben meegedeeld, voordat hij het zendingswerk van Paulus aanvaarde (hoofdst. 16: 10), schijnt ook Lukas zich hebben bevonden onder die “vele anderen” die toen te Antiochië leerden en het woord van de Heere predikten. Zijn werkzaamheid strekte zich in het bijzonder uit tot het onderwijzen van Theophilus in het christendom en het begeleiden van deze (waarschijnlijk omstreeks dezelfde tijd als Paulus zijn tweede zendingsreis samen met Silas (vs. 40) begon) naar Troas, om het onderricht, waarvan hij in Luk. 1: 4 spreekt, aan hem te voltooien. Een tweede punt, waarover wij op deze plaats moeten spreken, is de vraag of misschien in de tijd van dit verdere oponthoud van Paulus en Barnabas te Antiochië, dat conflict van Paulus met Petrus valt, waarvan hij in Gal. 2: 11vv. vertelt. Dit schijnt te moeten worden aangenomen, omdat de apostel van zijn bericht over de reis naar Jeruzalem in Gal. 2: 1-10 zo spoedig, zonder door enige tijdsbepaling het tweede feit van het eerste te scheiden, tot het genoemde conflict overgaat en door niets te kennen geeft vanwaar het dan gekomen is dat ook hij zich toen te Antiochië bevond, terwijl hij toch van Petrus de aankomst vermeldt. Werkelijk hebben vele uitleggers zich gedwongen gezien dit aan te nemen en gemeend dat nu de tweespalt, waarin Paulus volgens vs. 36vv. van ons hoofdstuk met Barnabas over het meenemen van Markus geraakte, beter te verklaren was als onmiddellijk tevoren, evenals met Petrus, zo ook met Barnabas reeds een andere tweespalt had plaatsgevonden. Wij moeten echter integendeel beweren dat, als dat werkelijk het geval was geweest en Paulus deze huichelarij, waarvan hij in Gal. 2: 11vv. spreekt, reeds als een gebeurtenis voor zich had gehad, hij Barnabas wel niet tot een nieuwe zendingsreis in de landen van de heidenen zou hebben uitgenodigd, zoals hij later in vs. 36 doet. Het tweede, om als die uitleggers te tellen, zou in het geheel niet zijn voorgevallen, want tot een medearbeider in de apostolische werkkring, namelijk om het evangelie aan de heidenen te brengen, kon hij slechts een man gebruiken die de gelovigen, die uit de heidenen zouden worden genomen, met zijn ganse hart als broeders erkende, van gelijke rechten als de christenen uit de Joden; en zich niet nu en dan van hen afzonderde als nog onreine mensen. Dientengevolge verplaatsen wij het conflict in Gal. 2: 11vv. liever naar de tijd van dat verblijf van Paulus te Antiochië, dat in het jaar 54 in hoofdst. 18: 23v. als in het voorbijgaan door Lukas wordt meegedeeld. Het smartelijk gevoel over deze tweespalt van Paulus en Barnabas, zoals wij dat naar onze, hier voorgestelde mening, moeten rekenen, schijnt hem hoofdzakelijk tot zo’n vluchtige mededeling te hebben bewogen. Barnabas, van wie hij vroeger zoveel goeds kon berichten en die hij in hoofdst. 11: 24 een man noemde vol van geloof en van de Heilige Geest, gedroeg zich later anders, zoals wij bij hoofdst. 18: 23 nader zullen aanwijzen. Wat nu de bovengenoemde schijn aangaat, dat de beide gedeeltes Gal. 2: 1-10 en 11vv. wat de tijd betreft onmiddellijk bij elkaar zouden horen en ze niet door een tijdruimte van ongeveer 4 jaar van elkaar mochten worden gescheiden, omdat Paulus ze in zijn wijze van uitdrukking zo onmiddellijk verbindt, dan is dat slechts schijn. Een onmiddellijke verbintenis van tijd is reeds uitgesloten, doordat het volstrekt ondenkbaar is dat Petrus reeds zo spoedig na zijn overwinning over de Judaïsten te Jeruzalem, te Antiochië voor hen zou zijn bezweken en reeds zo spoedig, nadat hij de vrije genade van God in Christus had erkend, waarmee hij zelfs de opheffing van de wet ook voor de christenen uit de Joden nabijkwam, in zo’n inconsequentie zou zijn vervallen dat hij de christenen uit de heidenen, die volgens de raadgevingen van het concilie waren georganiseerd, niet eens zou aanzien voor broeders, die het waard waren om met hem om te gaan. Er moest eerst een geruime tijd voorbijgaan, voordat dit kon geschieden en intussen moesten bijzondere omstandigheden hebben plaatsgehad.
II. Hoofdstuk 15:36 – Hoofdstuk 18:23
Tweede zendingsreis van de apostel Paulus.
a. Vers 36 KruisverwijzingenHandelingen 13:51→Handelingen 13:4→Handelingen 14:6→Handelingen 13:13→Handelingen 14:24→Handelingen 14:1→Exodus 4:18→Romeinen 1:11→
— En na enige dagen zeide Paulus tot Barnabas: Laat ons nu wederkeren, en bezoeken onze broeders in elke stad, in welke wij het Woord des Heeren verkondigd hebben, hoe zij het hebben.
– Hoofdstuk 16:5
De tweede zendingsreis vloeit vooral voort uit de behoefte aan kerkelijk opzicht en aan leiding. Zij moest een inspectiereis zijn van de gemeenten, die de apostelen op hun eerste reis hadden gesticht, maar nooit heeft zich uit zo’n inspectiereis zo’n scheppende werkzaamheid ontwikkeld. De drang ging nu rechtstreeks van Paulus uit. Eerst komt het tot een scheiding tussen hem en Barnabas en tot een vereniging met Silas, voordat de reis zelf ten uitvoer wordt gebracht. De apostel en zijn pas verkregen helper nemen hun weg door Syrië en Cilicië, waar zij moeten opletten in hoeverre het decreet van de gemeente te Jeruzalem, dat ook voor deze gemeente goldt (vs. 23) in uitvoering was gekomen en bewaard bleef. Daarna komen zij te Derbe en Lystre, waar Timotheus, die men als hulp wil aannemen, wordt besneden en tevens het Jeruzalemse decreet tot regel wordt gemaakt voor het kerkelijk leven.
En na enige dagen, volgens onze berekening in de lente van het jaar 51 n. Chr., zei Paulus tot Barnabas: Laat ons nu terugkeren naar die streken van Klein-Azië, waardoor wij onze eerste zendingsreis hebben gemaakt (hoofdst. 13 en 14) en onze broeders bezoeken, de christelijke gemeenten in elke stad, te Derbe, Lystre, Iconium en Antiochië, waarin wij toen het Woord van de Heere verkondigd en zielen voor Hem gewonnen hebben. Laat ons zien hoe zij het maken wat hun innerlijk geloofslevenen hun uiterlijke toestand aangaat.
Met de besluiten van de apostolische synode en de gelijktijdige samenspreking van Paulus met de apostelen te Jeruzalem is in de ontwikkeling van de kerk een grote stap voorwaarts gezet. Natuurlijk was de roeping van Paulus, rechtstreeks door de Heer geschied, in Klein-Azië en Antiochië met daden bevestigd; ongetwijfeld was een begin met de bekering van de heidenen gemaakt, dat door de Heere was ingeleid en gewerkt. Maar toch ontbrak nog een aansluiting van deze door de Geest van de Heere gegeven nieuwe beginselen met het eerste begin van de ene algemene kerk te Jeruzalem. Deze aansluiting van beide zijden bewust veroorzaakt, was bereikt in die voor alle tijden gewichtige oplossing van het veelbetekenende kruis, dat ons het vorige gedeelte heeft meegedeeld; op deze grond rust de verdere voortgang. Lukas legt geen nadruk op de persoonlijke vereniging van Paulus met de apostelen te Jeruzalem. Hij bericht er niets van, omdat wat voor zijn historisch standpunt daarin het voornaamste was, reeds mede vervat was in de erkenning van de gemeente uit de heidenen van de zijde van de apostolische gemeente uit de Joden te Jeruzalem. De gemeente uit de heidenen heeft dus nu door deze grote wending het getuigenis van de waarheid, rechtstreeks van de Geest ontvangen, langs de geordende weg van de kerkelijke gemeenschap bevestigd gezien. Daardoor heeft zij een nieuw standpunt van haar bestaan en een nieuwe kracht tot uitbreiding ontvangen, maar ook tevens, doordat zij tot de heilige beginselen van de kerk te Jeruzalem in de rechte verhouding geplaatst is, de ware regel en het juiste richtsnoer voor haar toekomstige vorming verkregen. Het is nu volkomen juist als Paulus en Barnabas eerst een tijd lang te Antiochië vertoeven om door de leer en de verkondiging van het evangelie het verkregen resultaat van de kerkelijke ontwikkeling in de moederstad van alle christenen uit de heidenen zeker en onaantastbaar te vestigen. Evenzeer is het ook natuurlijk dat, nadat het nieuwe fundament tot verdere opbouw te Antiochië behoorlijk is gelegd, de behoefte ontwaakt met de verkondiging van het evangelie zich weer in de verte te begeven en dat deze behoefte nu in de eerste plaats bij Paulus zich laat voelen. Het is toch Paulus, door wiens woord en werk voornamelijk die eerste gemeenten midden in het land van de heidenen gevestigd zijn; hij is hun vader, hun moeder geworden (1 Kor. 4: 15 Gal. 4: 19); en nu is in de vraag die hij tot Barnabas richt en die in de eerste plaats bedoelt gemeenschappelijk de Klein-Aziatische gemeenten te bezoeken, onmiskenbaar tegelijk de gedachte aan een verdere verbreiding van het evangelie vervat. Aan de ene zijde is deze gedachte in de ziel van Paulus door de roeping van de Heere diep gegrift en aan de andere zijde door de laatste beslissende gebeurtenissen sterk op de voorgrond gedrongen.
De tweede zendingsreis van Paulus, die een veel groter resultaat verkreeg dan de eerste en hem naar Europa voerde, is hij, zoals het op het eerste gezicht schijnt, alleen uit eigen aandrang begonnen, terwijl hij tot de eerste op aandrang van de Heilige Geest door de gemeente te Antiochië was uitgezonden. Toch is de reis, die in zo menig opzicht gezegend was, niet voortgesproten uit menselijke gedachten en uit individuele keuze. Zonder twijfel was het het gevoel van een plicht jegens de gemeenten van Klein-Azië, die hij op de eerste reis had gesticht, een drang van het door Gods Geest verlichte en geleide geweten, die Paulus deed besluiten deze reis te ondernemen en Barnabas vroeg mee te gaan. Hem stond daarbij niet in de eerste plaats verkondiging van het evangelie voor onbekeerden, uiterlijke zending voor de geest, maar de verzorging van de reeds bekeerden, de innerlijke zending, zo men wil. Pas in de loop van de reis breidden zich de grenzen uit.
Als het geoorloofd is wereldse voorbeelden te gebruiken, dan komt nu Paulus hier voor als een scheepvaardig, met de zee wel vertrouwd zeeman. Als hij een korte tijd aan land heeft uitgerust en het hem daar goed geweest is, wordt het hem spoedig weer te benauwd in de rust; hij moet weer zeelucht inademen, hij moet weer de golven onder zich hebben en de hemel boven zich; dat is zo zijn element of anders, hij is als een krijgsman, die aan de oorlog gewoon is; als nauwelijks zijn wonden zijn genezen en hij van de vermoeienissen is hersteld, schaamt hij zich over zijn rust en wordt hij weer geroepen naar het bloedig veld van de eer. Of als gij een vreedzamer voorbeeld wilt, hij is als de bezitter van een akker of een tuin; in de winter moet hij thuis blijven, maar als de lenteadem waait en de eerste leeuwerikken fladderen, dan voelt hij zich weer naar akker en tuin getrokken om te zien hoe de gewassen door de winter zijn gekomen en om opnieuw te planten, te zaaien, te bouwen, zoals hij vindt dat het nodig is.
En Barnabas, die zich dadelijk tot de voorgestelde reis bereid verklaarde, wilde dat zij Johannes, die bijgenaamd is a) Markus, zijn neef (Kol. 4: 10), zouden meenemen.
Hand. 12: 12, 25; 2 Tim. 4: 11 Filemon 24
Maar Paulus was van oordeel dat men niet iemand moest meenemen, die hen na Pamfylië had verlaten, die reeds toen van hen was afgevallen en met hen niet was gegaan tot het werk (hoofdst. 13: 13); daardoor toch had hij zich onwaardig gemaakt weer te worden meegenomen.
Terwijl de beide heilige mannen in dit heilig voornemen één hart en één ziel zijn en er ook niets is, dat de uitvoering van het gezegend werk zou kunnen ophouden en verhinderen, staan zij zichzelf in de weg, worden zij het oneens en gaan uit elkaar. Paulus verzette zich tegen het voorstel van Barnabas om Johannes Markus te laten deelnemen aan het bezoeken van die gemeenten, daar hij niet behulpzaam had willen zijn bij hun stichting. Barnabas daarentegen bleef er op aandringen. Bij de laatste stond, zoals het schijnt, de te ver doorgedreven voorliefde voor zijn bloedverwant op de voorgrond; deze hinderde hem om over deze Markus en over de zaak, waarvan hier sprake was, een juist oordeel te vellen. Hij liet zich in zijn oordeel leiden door natuurlijk gevoel en natuurlijke gezindheid. Paulus daarentegen, door geen natuurlijk gevoel van deze of van een andere aard vooringenomen, zag meer op hetgeen voor die gemeenten dan op hetgeen aan een enkel persoon nuttig was. Hij grondde zich op waarheid en gerechtigheid en wilde de zo hoogstbelangrijke zaak beoordeeld en behandeld hebben naar heilige grondregelen, die, als het het woord en de gemeente van de Heere aangaat, niet weet van zoon en broeder, vriend en bloedverwant niet kent (Deut. 33: 9), naar het eigen hart niet hoort en eigen leven niet acht.
Als Paulus van Markus zegt dat hij van Pamfylië af van hem en van Barnabas afvallig was geworden en niet met hen tot het werk was gegaan, dan beschuldigt hij hem dat hij juist op het ogenblik, toen het werk van de zending had moeten beginnen, was teruggetreden en dus volstrekt het eigenlijke gewicht van de zaak niet had gevoeld (Luk. 9: 62). Barnabas kan zich niet verheffen tot de hoogte van de Paulinische opvatting van het zendingswerk; hij kan dus ook Paulus niet volgen in de strenge beoordeling van het terugtreden.
Barnabas nam de plaats in van een goede, zachte moeder, die de verkeerdheden van haar kinderen graag verontschuldigt en voorbijziet; maar Paulus betoont zich als een ernstig vader, die de roede gebruikt en denkt: het afgeweken kind moet het ook voelen.
In deze strijd van tegenover elkaar staande meningen ging het niet zonder hevige gemoedsbewegingen. Er ontstond dan een verbittering, zodat zij van elkaar gescheiden zijn en Barnabas, spoedig naar Jeruzalem reizende, Markusmeenam en waarschijnlijk van Cesarea naar Cyprus afscheepte, om daar, waar het vroegere zendingswerk was begonnen en waar Markus nog mede werkzaam was geweest (hoofdst. 13: 4-12), het werk aan te vangen.
“Ziet hoe liefelijk is het en goed, dat broeders ook tezamen wonen; de Heer gebiedt aldaar de zegen en het leven tot in eeuwigheid. ” Zo klonk de Psalmtoon van het oude verbond en daartegenover was het bij de apostelen van de nieuwe bedeling: er ontstond dan een verbittering, zodat zij van elkaar gescheiden zijn? Ja waarlijk, zo staat het er en dat van niemand minder dan van Paulus, die het toch zelf heeft geschreven: “doet geen ding door twist of ijdele eer, maar door ootmoedigheid achtte de een de ander uitnemender dan zichzelf” (Fil. 2: 3) en van die Barnabas, aan wie elders de lofspraak gewijd wordt: “een goed man, vol van het geloof en van de Heilige Geest” (Hand. 11: 24 a) Het staat er niet tot eer van beiden, voorwaar en het mag reeds terstond als nieuw bewijs van de eerlijke waarheidsliefde van de geschiedschrijver opgemerkt worden dat het er zo onverbloemd staat, ten aanzien van zo uitnemende mannen. De aanleiding tot deze verbittering blijkt uit het tekstverband: het betrof de vraag of men al of niet Johannes Markus zou meenemen op de nieuw voorgenomen zendingsreis. Barnabas verlangt het, bij Paulus is onoverwinbaar bezwaar; vanuit ieders standpunt is zijn zienswijze volkomen verklaarbaar; tot gedachten en woordenwisseling komt het zeker; maar tot eindelijk toegeven niet. Het is wel treurig dat het alzo geschied is. Immers de banden die deze broeders aan elkaar verbonden, waren zo innig en nauw; de oorzaak van het groot verschil, dat tot uiterlijke scheiding leidde, was slechts betrekkelijk klein, de gemeenten werden erdoor bedroefd en ontsticht; mogelijk zelfs indien zij het vernamen, om deze reden de naam van de Heere door Jood of heiden gelasterd en in ieder geval de eenparige voortzetting van het werk van de prediking en zending door dit uitgelezen tweetal verhinderd. Zelfs de opmerking dat ook deze schade bij de uitkomst tot winst voor het Godsrijk moest dienen, daar nu, in plaats van één, twee reizen tot evangelisatie ondernomen en volbracht zijn, zelfs die lichtstraal kan ons niet geheel met de donkere schaduw verzoenen; ook het kwade dat door God ten goede geleid wordt, blijft in zichzelf altijd kwaad; te verklaren, maar niet te verontschuldigen. En toch, nu het eenmaal geschied is, is het goed dat het zo is beschreven, want geeft het ons veel te betreuren, het geeft niet weinig te leren. Het verootmoedigt ons bij de blik op de betrekkelijk kleine, maar toch altijd ontsierende smet op een zo eerbiedwaardig gelaat. Ach, hoe is toch vaak ook de beste mens zo jammerlijk ongelijk aan zichzelf en hoe gaat zelfs bij de uitnemendste christen de natuur soms boven de leer! Men roemt in de wereld de overwinnende kracht van het geloof en menigeen, die er zelf een bewijs van is, heeft nog zichzelf niet volkomen verwonnen; ook in het aanvankelijk geheiligde hart klopt het Ik met zo’n luide tik en zelfs de hand, die de lofspraak van de liefde heeft neergeschreven: “zij wordt niet verbitterd, ” kan een tijd lang de broederhand niet aan Barnabas drukken, omdat Johannes Markus zich hinderlijk tussenbeide plaatste. Zo is het in de mensen-, maar, helaas, ook in de christenwereld; zo moest het toch waarlijk niet zijn, allerminst onder vrienden van de beste Vriend, die het grote woord heeft gesproken: “hieraan zullen zij allen weten dat gij Mijn discipelen zijt, dat gij liefde hebt onder elkaar. ” En deze eerste verbittering, waarvan wij in de jaarboeken van Gods koninkrijk lezen, door hoe ontelbaar velen is zij in later eeuwen gevolgd, dikwijls om betrekkelijk nog minder, niet zelden echter ook om meer gewichtige oorzaken; ja, geheel de verbittering, die wij thans onder zo vele belijders van hetzelfde evangelie zien heersen, wat is zij anders dan de rusteloze voortzetting van dezelfde grens- en scheidslijn tussen broeders, die wij reeds hier zien begonnen? Het hier vermelde feit waarschuwt ons niet zozeer tegen apostelvergoding; de tijden zijn voorbij dat het nodig was tegen die verkeerdheid te velde trekken, maar des te meer tegen de arglistigheid en zelfzucht van het eigen hart, ook waar het oprecht is voor God. Doen de aanleidingen tot stille verbittering zich niet elke dag aan ons oog voor en zijn wij dan veilig voor de strik, waarin zelfs Paulus en Barnabas vielen? Hoe nodig is het dan dit woord op de tafelen van onze harten te schrijven: “ziet toe dat niemand verachtere van de genade van God; dat niet enige wortel van bitterheid opschiete en verwarring stichte en daardoor velen besmet worden” (Hebr. 12: 15)! Ja, zo wekt het struikelen van deze beide zeer begenadigde mannen ons op, ons zo nauw mogelijk aan de vermaning van één van hen te houden: “alle bitterheid zij van u geweerd” (Ef. 4: 31) en bovenal aan het woord van Hem, die meer is dan beiden: “Zalig zijn de zachtmoedigen. ” Hoe heerlijk zal de hemel zijn, waarin evenmin voor verbittering als voor verwijdering plaats is! Geve God ons in eigen hart en huis er een voorsmaak van en daardoor een des te rijker genot van de volle troost van de verzoening!
Daaruit ontstond een verbittering. Men moet niet denken aan een persoonlijke haat en vijandschap; want Paulus had, ook na dit geval, een zeer bijzondere hoogachting voor Barnabas (Vgl. 1 Kor. 9: 6). Ook vertoonde Paulus geen liefdeloosheid omtrent Johannes Markus, maar hij meende dat de voorzichtigheid en het belang van de zaken van het evangelie vereisten dat een man waarop men zo weinig staat kon maken, aan geen verzoeking tot nieuwe trouweloosheid mocht blootgesteld worden. Lukas wil met het woord, dat de onzen in vs. 39 door “verbittering” hebben vertaald, niets anders te kennen geven dan dat de ene apostel de andere niets wilde toegeven en dat elk bij zijn mening bleef, zodat zij het niet eens konden worden.
Ook Barnabas is bereid. Geen herinnering aan de bezwaren en gevaren van de moeilijke reis of aan de vervolgingen en verdrukkingen, waaraan zij nauwelijks waren ontsnapt of die zij metterdaad ondervonden hadden (was niet Paulus te Lystre gestenigd, waar men hem eerst had verafgood?) schrikken hem af of doen hem aarzelen. Maar hij heeft één wens, één vurige begeerte. Zijn neef Johannes Markus moet hen ook op deze tocht vergezellen. Op de vorige reis was hij meegegaan, was hij hun tot een dienaar geweest bij de evangelische arbeid op Cyprus. Het is waar, toen men Cyprus verlaten had, de steven naar Pamfylië gewend had, toen men daar ontscheept was, daar was in het zicht van de gebergten van de heidenen het hart van de jongeling bezweken, daar was Jeruzalem, daar was zijn moeder in zijn gedachten opgekomen; en men had hem laten gaan, omdat het hier met nadruk een arbeid gold, die niet gedaan behoort te worden door dwang, maar met blijmoedigheid. Doch de jongeling heeft berouw gehad; hij is sindsdien ouder, wijzer, vaster geworden. Hij wenst de zwakheid van dat ongelukkig ogenblik te doen vergeten. Hij staat met nieuwe moed tot nieuwe tochten gereed. Zou het geen wreedheid zijn hem thans te weigeren? Wat? Zou het geen zonde moeten worden genoemd? Zou het niet mogen heten het gekrookte riet te verbreken en de rokende vlaswiek uit te blussen? “Barnabas stond er op dat zij Johannes zouden meenemen. ” Dit kon Paulus niet toestaan. Het afscheid van Johannes Markus op de kust van Pamfylië had op hem een diepe en treurige indruk gemaakt. Het werk van de Heere was te gewichtig en te heilig om het door proefnemingen in de waagschaal te stellen. Het was geen taak voor vreesachtigen. Een vaste wil, een volhardende moed was hier nodig. Had de Heer niet gezegd: Niemand, die zijn hand aan de ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het koninkrijk van God. “Paulus achtte billijk”: hij oordeelde het rechtvaardig, behoorlijk, ja plicht, dat men niet iemand zou meenemen die van Pamfilië af van hen was afgeweken en niet met hen was gegaan tot het werk. Zo stonden die twee waardige mannen tegenover elkaar. De zaak was voor tweeërlei beschouwing vatbaar. Geen van beiden kon de zijne opgeven. Het standpunt, door elk op zijn beurt verdedigd, was met elks karakter in volkomen overeenstemming. Barnabas was “een goed man. ” Hij was het in de zin van “goedhartig. ” Zijn goed hart sprak voor de vroeger zwakke, thans beter gezinde jongen man, die daarenboven zijn bloedverwant was. Hoe natuurlijk dat hij in het werk van de evangelieprediking zo graag de jonkman van zijn bloed en maagschap aan zijn zijde zag. Hij was met hem bewogen. Van bewegelijke aard was Paulus niet; de stem van vlees en bloed wantrouwde hij. Hij “kende niemand naar het vlees. ” Hij was de man niet om met zwakheid, of het moest lichamelijk zijn, geduld te hebben. Bescheiden bedeesdheid was hij gereed edelmoedig te beschermen, maar, zelf geen vrees kennende, was hij de man om voor lafhartigheid hardvochtig te zijn. Kan het bevreemden dat deze strijd tussen de goedhartige en de sterke een hardnekkige werd? Er ontstond een verbittering. Het is een bitter en bedroevend woord: als het gezegd wordt van vrienden, huisgenoten, broeders, bloedverwanten, maar zevenvoudig waar het van broeders en zusters in de Heer gezegd moet worden; en zeven maal zevenvoudig waar het gezegd moet worden van broeders in de heilige bediening. Laat men er in al die relaties voor waken en waar het te laat is, waar de verbittering werkelijk is ontstaan, laat men zich daar ten diepste verootmoedigen en over een smet, die geen tranen kunnen uitwissen, het verzoenend bloed van Christus inroepen. Groot is de genade van de Heere. Zij vergeeft zeventig maal zeven maal, zij is oneindig. Machtig is Zijn trouw, waardoor Hij om de zwakheid van de werktuigen, het werk niet varen laat, het grote werk van de uitbreiding van Zijn koninkrijk. Weinigen hebben zoveel gedaan als een Barnabas en een Paulus, om het te bevestigen door hun ijver; wie heeft niet door zijn zwakheid veel gedaan om het te verstoren? Maar Hij, die onze krachten niet nodig heeft, volvoert de raad van Zijn liefde ook ondanks onze zwakheden en soms door onze zwakheden. Ondanks zo menige verbittering, scheiding, scheuring, verdeeldheid als haar ontsieren, staat Zijn kerk tot op deze dag; omdat zij niet staat op Barnabas of Paulus, op Luther of Zwinglius, maar op de rots van de eeuwen, omdat zij niet gegrondvest is in de uitnemendheden van de belijders en van de dienaars, maar in het bloed van de Zoon van God. Zijn evangelie blijft een kracht van God tot zaligheid voor een ieder die gelooft. Het is het eeuwig evangelie. Het zal een ganse wereld aan Zijn voeten brengen, al is het ook dat zij die het belijden, die het verkondigen, die schat in aarden vaten dragen, opdat de uitnemendheid van de kracht van God zou zijn en niet uit hen. Dit is een grote troost, een troost waaraan wij behoefte hebben; maar die ons niet mag doen verflauwen, die ons des te meer aanvuren moet in het “najagen van de vrede met allen en van de heiligmaking, waarzonder niemand de Heer zien zal. ” Een troost, die ons de plicht herinneren moet “biddend toe te zien dat niet iemand, dat wijzelf niet verachteren van de genade van God en enige wortel van bitterheid opschiete, verwarring stichte en daardoor velen verontreinigd worden. “
Maar Paulus verkoos Silas, die hij tot zich naar Antiochië liet komen, of die zich wellicht (vs. 34) toen reeds aldaar bevond en hij reisde met hem heen om de voorgenomen inspectiereis (vs. 36) te volbrengen, door de broeders aan de genade van God opgedragen (hoofdst. 13: 3; 14: 26 De gemeente stond dus in de strijd met Barnabas geheel aan de zijde van Paulus, en beschouwde hem als haar eigenlijke zendeling, terwijl de ander meer een privé onderneming volbracht.
Wij zouden ons over deze strijd en deze scheiding kunnen verwonderen en bedroeven, ja wij zouden kunnen vragen: waarom wordt dat meegedeeld? Wordt onze achting voor die mannen van God daardoor niet verminderd? Maar wij zien daarin de waarachtigheid van de Schrift. Zij schildert niet wat schoon is; zij vleit niet; zij stelt de mannen van God niet voor als vlekkeloze heiligen; zij verzwijgt noch Davids val, noch Petrus’ verloochening, noch de hevige strijd van Paulus en Barnabas. Dat is goed, het versterkt ons geloof aan de Schrift; is zij oprecht omtrent de verkeerdheden van de heiligen, dan zal zij ook waar zijn omtrent hun deugden en daden. Het verootmoedigt de geestelijke hoogmoed; laat niemand zich beroemen: ik zal nooit bezwijken! Het vertroost ons bij onze eigen zwakheid: ook deze grote mannen van God waren vlees van ons vlees! En het dient tot verheerlijking van God, die in Zijn wijsheid ook de verkeerdheden van Zijn knechten ten goede keert. Barnabas, Paulus en de Heere, of goed, beter en best: 1) goed de liefde van Barnabas, 2) beter de heilige ernst van Paulus, 3) het beste de wijsheid van de Heere, die alles goed maakt.
In ieder opzicht was het goed, dat bij deze gelegenheid beide mannen uit elkaar gingen: oorspronkelijke geesten passen zeldzaam bij elkaar, de één kan zich in het andere moeilijk vinden; zij zijn elk ertoe bestemd om alleen te staan, zonder schade van de broederlijke gemeenschap.
Zonder twijfel was het hier Barnabas die het meest verkeerd handelde, zoals wij hem ook later te Antiochië nog eens een misslag zien begaan die tot diepe droefheid voor Paulus was (hoofdst. 18: 23).
De tegengestelde wegen die nu beiden inslaan, laten ons de innerlijke tegenstelling zien: Barnabas gaat met Markus naar Cyprus! Dat bij de eerste uitzending Barnabas en Paulus zich eerst naar het eiland Cyprus wenden, hebben wij geheel juist gevonden; maar dat Barnabas nu weer Cyprus tot zijn eerste doel kiest, is een geheel andere zaak. Het eerste oponthoud van de apostolische zendelingen op het eiland Cyprus is, uitgezonderd de bekering van de Romeinse proconsul, zonder gevolg geweest; er waren dus geen gemeenten en broeders op het eiland te bezoeken (tenminste wat een gemeente uit de heidenen aangaat). Was nu de werkzaamheid van de zendelingen gericht op de uitbreiding van het evangelie, dan was er veel meer aanleiding om in de verre ruimten van het heidendom de plaatsen op te zoeken, die nog volstrekt niet waren aangeroerd door enige evangelische werkzaamheid. Daar dus nu noch het conservatieve, noch ook het progressieve moment van het Paulinische zendingswerk hier bepalend kan zijn geweest, moeten wij aannemen dat Barnabas zich ditmaal op zijn weg alleen heeft laten leiden door zijn natuurlijke relatie tot het eiland Cyprus. Hoe geheel anders is daarentegen het begin en de voortgang van Paulus op de pas begonnen weg van zijn werkzaamheid tot verbreiding van het evangelie! Hij kiest zich in plaats van Barnabas tot metgezel op zijn weg Silas, die van Jeruzalem naar Antiochië overgekomen, door de levende en hoopvolle beginselen aldaar zich had aangetrokken gevoeld; en ook nu acht hij het nodig voor zich dat de gemeente te Antiochië hem uitzendt, opdat hij daardoor de onmiddellijke roeping van de Heere op de weg van het gemeentelijk organisme zich kan toeëigenen en bepaald tot verwezenlijking zou kunnen brengen.
En hij, Paulus, door Silas vergezeld, reisde Syrië en Cilicië door en versterkte de gemeenten, waarvan er in beide streken verscheidene bestonden, als gemeenten uit de heidenen.
De weg naar Cilicië leidde van Antiochië door de zogenaamde Syrische passen, die langs de kust de enige toegang tot Syrië en Cilicië zijn. Rechts zijn hoge rotswanden langs de zee. Op de smalste plaats is deze weg nauwelijks een vierde uur breed. Van Cilicië ging vervolgens in hoofdst. 16: 1 de reis naar Lycaonië door de Tauruspassen over de hoogten van het Cilicische Taurusgebergte; de weg, die door de niet minder dan 18 geografische mijlen lange passen ging, was in die tijd een goed onderhouden weg.
Paulus begint zijn werk het eerst in Syrië en Cilicië, waar hij op zijn doorreis de gemeenten bevestigt. Dat in die provincies zich reeds gemeenten hadden gevormd (waarschijnlijk van Antiochië uit), zien wij uit het begin van het synodaal geschrift van Jeruzalem (vs. 23). Tegelijk wordt ons echter uit de vermelding van deze gemeenten aldaar duidelijk dat de Judaïstische opwekking ook daar vanuit Antiochië was doorgedrongen. Hoe juist en overeenkomstig de behoeften is het daarom dat Paulus eerst deze gemeenten bezoekt! Maar hoe gewichtig dit doel van de versterking van die verontruste gemeenten zijn mocht, het is voor Paulus toch slechts ondergeschikt. Daarom mag hiervoor niet meer dan een reizen door Syrië en Cilicië besteed worden, zijn voornaamste doel zijn en blijven de door hem gestichte Klein-Aziatische gemeenten, die hij ditmaal op de weg over land bereikt, zodat hij in hoofdst. 16: 1 eerst te Derbe en Lystre aankomt.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel