Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
In de zevendeH7637 maandH2320, op den eenH259 en twintigstenH6242 der maand, geschieddeH1961 het woordH1697 des HEERENH3068 door den dienstH3027 van den profeetH5030 HaggaiH2292, zeggendeH559:
In de zevende maand, op den een en twintigsten der maand, geschiedde het woord des HEEREN door den dienst van den profeet Haggai, zeggende:
KJV
In the seventh1
month, in the one3
and twentieth2
day of the month,4
came the word6
of the LORD7
by8
the prophet10
Haggai,9
saying,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
SpreekH559 nu totH413 ZerubbabelH2216, den zoonH1121 van SealthielH7597, den vorstH6346 van JudaH3063, en totH413 JosuaH3091, den zoonH1121 van JozadakH3087, den hogepriesterH1419, en totH413 het overblijfselH7611 des volksH5971, zeggendeH559:
Spreek nu tot Zerubbabel, den zoon van Sealthiel, den vorst van Juda, en tot Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, en tot het overblijfsel des volks, zeggende:
KJV
Speak1
now to Zerubbabel4
the son5
of Shealtiel,6
governor7
of Judah,8
and to Joshua10
the son11
of Josedech,12
the high14
priest,13
and to the residue16
of the people,17
saying,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
WieH4310 is onder ulieden overgeblevenH7604, die ditH2088 huisH1004 in zijn eersteH7223 heerlijkheidH3519 gezien heeft, en hoedanigH4100 zietH7200 gijH859 hetzelve nuH6258? Is dit nietH3808 als nietsH369 in uw ogenH5869?
Wie is onder ulieden overgebleven, die dit huis in zijn eerste heerlijkheid gezien heeft, en hoedanig ziet gij hetzelve nu? Is dit niet als niets in uw ogen?
KJV
Who is left3
among you that saw5
this house7
in her first10
glory?9
and how do ye see13
it now? is it not in your eyes19
in comparison
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Doch nuH6258, wees sterkH2388, gij ZerubbabelH2216! spreektH5002 de HEEREH3068; en wees sterkH2388, gij JosuaH3091, zoonH1121 van JozadakH3087, hogepriesterH1419! en wees sterkH2388, alH3605 gij volkH5971 des landsH776! spreektH5002 de HEEREH3068; en werktH6213, wantH3588 IkH589 ben metH854 u, spreektH5002 de HEEREH3068 der heirscharenH6635;
Doch nu, wees sterk, gij Zerubbabel! spreekt de HEERE; en wees sterk, gij Josua, zoon van Jozadak, hogepriester! en wees sterk, al gij volk des lands! spreekt de HEERE; en werkt, want Ik ben met u, spreekt de HEERE der heirscharen;
KJV
Yet now be strong,2
O Zerubbabel,3
saith4
the LORD;5
and be strong,6
O Joshua,7
son8
of Josedech,9
the high11
priest;10
and be strong,12
all ye people14
of the land,15
saith16
the LORD,17
and work:18
for I am with you, saith22
the LORD23
of hosts:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Met het woordH1697, in hetwelkH834 Ik met ulieden een verbond gemaakt heb, als gij uit EgypteH4714 uittroktH3318, en Mijn GeestH7307, staandeH5975 in het middenH8432 van u; vreestH3372 nietH408!
Met het woord, in hetwelk Ik met ulieden een verbond gemaakt heb, als gij uit Egypte uittrokt, en Mijn Geest, staande in het midden van u; vreest niet!
KJV
According to the word2
that I covenanted4
with you when ye came6
out of Egypt,7
so my spirit8
remaineth9
among10
you: fear
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
WantH3588 alzoH3541 zegtH559 de HEEREH3068 der heirscharenH6635: NogH5750 eens, eenH259 weinigH4592 tijds zal hetH1931 zijn; en IkH589 zal de hemelenH8064, en de aardeH776, en de zeeH3220, en het drogeH2724 doen bevenH7493.
Want alzo zegt de HEERE der heirscharen: Nog eens, een weinig tijds zal het zijn; en Ik zal de hemelen, en de aarde, en de zee, en het droge doen beven.
KJV
For thus saith3
the LORD4
of hosts;5
Yet once,7
it is a little while,8
and I will shake11
the heavens,13
and the earth,15
and the sea,17
and the dry
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Ja, Ik zal al de heidenenH1471 doen bevenH7493, en zij zullen komenH935 tot den WensH2532 allerH3605 heidenenH1471, en Ik zal ditH2088 huisH1004 met heerlijkheidH3519 vervullenH4390, zegtH559 de HEEREH3068 der heirscharenH6635.
Ja, Ik zal al de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot den Wens aller heidenen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de HEERE der heirscharen.
KJV
And I will shake1
all nations,4
and the desire6
of all nations8
shall come:5
and I will fill9
this house11
with glory,13
saith14
the LORD15
of hosts.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Mijn is het zilverH3701, en Mijn is het goudH2091, spreektH5002 de HEEREH3068 der heirscharenH6635.
Mijn is het zilver, en Mijn is het goud, spreekt de HEERE der heirscharen.
KJV
The silver2
is mine, and the gold4
is mine, saith5
the LORD6
of hosts.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
De heerlijkheidH3519 van ditH2088 laatsteH314 huisH1004 zal groterH1419 worden, dan van het eersteH7223, zegtH5002 de HEEREH3068 der heirscharenH6635; en in dezeH2088 plaatsH4725 zal Ik vredeH7965 gevenH5414, spreektH559 de HEEREH3068 der heirscharenH6635.
De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden, dan van het eerste, zegt de HEERE der heirscharen; en in deze plaats zal Ik vrede geven, spreekt de HEERE der heirscharen.
KJV
The glory3
of this latter6
house4
shall be greater than1
of the former,8
saith16
the LORD10
of hosts:11
and in this place12
will I give14
peace,15
saith9
the LORD17
of hosts.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Op den vierH702 en twintigstenH6242 dag der negendeH8671 maand, in het tweedeH8147 jaarH8141 van DariusH1867, geschieddeH1961 het woordH1697 des HEERENH3068 door den dienstH3027 van den profeetH5030 HaggaiH2292, zeggendeH559:
Op den vier en twintigsten dag der negende maand, in het tweede jaar van Darius, geschiedde het woord des HEEREN door den dienst van den profeet Haggai, zeggende:
KJV
In the four2
and twentieth1
day of the ninth3
month, in the second5
year4
of Darius,6
came the word8
of the LORD9
by
Haggai11
the prophet,12
saying,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
AlzoH3541 zegtH559 de HEEREH3068 der heirscharenH6635: VraagH7592 nu den priestersH3548 de wetH8451, zeggendeH559:
Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Vraag nu den priesters de wet, zeggende:
KJV
Thus saith2
the LORD3
of hosts;4
Ask5
now the priests8
concerning the law,9
saying,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
ZietH2005, iemandH376 draagtH5375 heilig vleesH1320 in de slipH3671 van zijn kleedH899, en hij raaktH5060 met zijn slipH3671 aanH413 het broodH3899, of aanH413 het moesH5138, of aanH413 den wijnH3196, of aanH413 de olieH8081, of aanH413 enigeH3605 spijzeH3978, zal het heilig worden? En de priestersH3548 antwoorddenH6030, en zeidenH559: NeenH3808.
Ziet, iemand draagt heilig vlees in de slip van zijn kleed, en hij raakt met zijn slip aan het brood, of aan het moes, of aan den wijn, of aan de olie, of aan enige spijze, zal het heilig worden? En de priesters antwoordden, en zeiden: Neen.
Ook in dit vers
heiligH6942
heiligH6944
KJV
If one3
bear2
holy5
flesh4
in the skirt6
of his garment,7
and with his skirt9
do touch8
bread,11
or pottage,13
or wine,15
or oil,17
or any meat,20
shall it be holy?21
And the priests23
answered22
and said,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
En HaggaiH2292 zeideH559: IndienH518 iemand, die onrein is van een dood lichaamH5315, ietsH3605 van dieH428 dingen aanroertH5060, zal het onrein worden? En de priestersH3548 antwoorddenH6030, en zeidenH559: Het zal onrein worden.
En Haggai zeide: Indien iemand, die onrein is van een dood lichaam, iets van die dingen aanroert, zal het onrein worden? En de priesters antwoordden, en zeiden: Het zal onrein worden.
Ook in dit vers
onreinH2930
onreinH2930
onreinH2931
KJV
Then said1
Haggai,2
If one that is unclean5
by a dead body6
touch4
any of these, shall it be unclean?9
And the priests11
answered10
and said,12
It shall be unclean.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Toen antwoorddeH6030 HaggaiH2292, en zeideH559: AlzoH3651 is dit volkH5971, en alzoH3651 is deze natieH1471 voor Mijn aangezichtH6440, spreektH5002 de HEEREH3068, en alzoH3651 is alH3605 het werkH4639 hunner handenH3027; en watH834 zij daarH8033 offerenH7126, dat is onreinH2931.
Toen antwoordde Haggai, en zeide: Alzo is dit volk, en alzo is deze natie voor Mijn aangezicht, spreekt de HEERE, en alzo is al het werk hunner handen; en wat zij daar offeren, dat is onrein.
KJV
Then answered1
Haggai,2
and said,3
So is this people,5
and so is this nation8
before10
me, saith11
the LORD;12
and so is every work15
of their hands;16
and that which they offer18
there is unclean.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
En nuH6258, steltH7760 er tochH4994 ulieder hartH3824 op, vanH4480 dezenH2088 dagH3117 af en opwaartsH4605, eerH2962 er steenH68 op steenH68 gelegdH7760 werd aanH413 den tempelH1964 des HEERENH3068;
En nu, stelt er toch ulieder hart op, van dezen dag af en opwaarts, eer er steen op steen gelegd werd aan den tempel des HEEREN;
KJV
And now, I pray you, consider2
from this day6
and upward,8
from before9
a stone11
was laid10
upon a stone13
in the temple14
of the LORD:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
EerH4480 die dingen geschieddenH1961, kwam iemandH413 tot den koren hoopH6194 van twintigH6242 maten, zo warenH1961 er maar tienH6235; komendeH935 tot den wijnbakH3342, om vijftigH2572 maten van de persH6333 te scheppenH2834, zo waren er maar twintigH6242.
Eer die dingen geschiedden, kwam iemand tot den koren hoop van twintig maten, zo waren er maar tien; komende tot den wijnbak, om vijftig maten van de pers te scheppen, zo waren er maar twintig.
KJV
Since those days were, when one came2
to an heap4
of twenty5
measures, there were but ten:7
when one came8
to the pressfat10
for to draw out11
fifty12
vessels out of the press,13
there were but twenty.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Ik sloegH5221 ulieden met brandkorenH7711, met honigdauwH3420 en met hagelH1259, alH3605 het werkH4639 uwer handenH3027; en gij keerdet u nietH369 totH413 Mij, spreektH5002 de HEEREH3068.
Ik sloeg ulieden met brandkoren, met honigdauw en met hagel, al het werk uwer handen; en gij keerdet u niet tot Mij, spreekt de HEERE.
KJV
I smote1
you with blasting3
and with mildew4
and with hail5
in all the labours8
of your hands;9
yet ye turned not to me, saith13
the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
SteltH7760 er tochH4994 uw hartH3824 op, vanH4480 dezenH2088 dagH3117 af en opwaartsH4605; van den vierH702 en twintigstenH6242 dagH3117 der negendeH8671 maand afH4480, van den dagH3117 af, als het fondamentH3245 aan den tempelH1964 des HEERENH3068 is gelegdH3245 geworden, steltH7760 er uw hartH3824 op.
Stelt er toch uw hart op, van dezen dag af en opwaarts; van den vier en twintigsten dag der negende maand af, van den dag af, als het fondament aan den tempel des HEEREN is gelegd geworden, stelt er uw hart op.
KJV
Consider1
now from this day5
and upward,7
from the four10
and twentieth9
day8
of the ninth11
month, even from the day13
that the foundation15
of the LORD'S17
temple16
was laid, consider18
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Is er nogH5750 zaadH2233 in de schuurH4035? ZelfsH5704 tot den wijnstokH1612, en den vijgeboomH8384, en den granaatappelboomH7416, en den olijfboomH2132, die nietH3808 gedragenH5375 heeft, die zal Ik van dezenH2088 dagH3117 af zegenenH1288.
Is er nog zaad in de schuur? Zelfs tot den wijnstok, en den vijgeboom, en den granaatappelboom, en den olijfboom, die niet gedragen heeft, die zal Ik van dezen dag af zegenen.
KJV
Is the seed2
yet in the barn?3
yea, as yet the vine,5
and the fig tree,6
and the pomegranate,7
and the olive9
tree,8
hath not brought forth:11
from this day13
will I bless
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Het woordH1697 des HEERENH3068 nu geschieddeH1961 ten tweeden maleH8145 totH413 HaggaiH2292, op den vierH702 en twintigstenH6242 der maandH2320, zeggendeH559:
Het woord des HEEREN nu geschiedde ten tweeden male tot Haggai, op den vier en twintigsten der maand, zeggende:
KJV
And again4
the word2
of the LORD3
came unto Haggai6
in the four8
and twentieth7
day of the month,9
saying,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
SpreekH559 totH413 ZerubbabelH2216, den vorstH6346 van JudaH3063, zeggendeH559: IkH589 zal de hemelenH8064 en de aardeH776 bewegenH7493.
Spreek tot Zerubbabel, den vorst van Juda, zeggende: Ik zal de hemelen en de aarde bewegen.
KJV
Speak1
to Zerubbabel,3
governor4
of Judah,5
saying,6
I will shake8
the heavens10
and the earth;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
En Ik zal den troonH3678 der koninkrijkenH4467 omkerenH2015, en verdelgenH8045 de vastigheidH2392 van de koninkrijkenH4467 der heidenenH1471; en Ik zal den wagenH4818 omkerenH2015, en die daarop rijdenH7392; en de paardenH5483, en die daarop rijdenH7392, zullen nederstortenH3381, een iegelijkH376 in des anderen zwaardH2719.
En Ik zal den troon der koninkrijken omkeren, en verdelgen de vastigheid van de koninkrijken der heidenen; en Ik zal den wagen omkeren, en die daarop rijden; en de paarden, en die daarop rijden, zullen nederstorten, een iegelijk in des anderen zwaard.
KJV
And I will overthrow1
the throne2
of kingdoms,3
and I will destroy4
the strength5
of the kingdoms6
of the heathen;7
and I will overthrow8
the chariots,9
and those that ride10
in them; and the horses12
and their riders13
shall come down,11
every one14
by the sword15
of his brother.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Te dienH1931 dageH3117, spreektH5002 de HEEREH3068 der heirscharenH6635, zal Ik u nemenH3947, o ZerubbabelH2216, gij zoonH1121 van SealthielH7597, Mijn knechtH5650! spreektH5002 de HEEREH3068, en Ik zal u stellenH7760, als een zegelringH2368; wantH3588 u heb Ik verkorenH977, spreektH5002 de HeereH3068 der heirscharenH6635.
Te dien dage, spreekt de HEERE der heirscharen, zal Ik u nemen, o Zerubbabel, gij zoon van Sealthiel, Mijn knecht! spreekt de HEERE, en Ik zal u stellen, als een zegelring; want u heb Ik verkoren, spreekt de Heere der heirscharen.
KJV
In that day,1
saith3
the LORD4
of hosts,5
will I take6
thee, O Zerubbabel,7
my servant,10
the son8
of Shealtiel,9
saith11
the LORD,12
and will make13
thee as a signet:14
for I have chosen17
thee, saith18
the LORD19
of hosts.
In de zevende maand,
Te weten, van het jaar, waarvan in vers een gesproken is.
Hertaald:
In de zevende maand,
Namelijk van het jaar waarover in vers 1 gesproken is.
geschiedde het woord des HEEREN
Te weten, tot het Joodse volk en de voornaamsten onder dezelve. Alzo ook onder vs.11.
Hertaald:
geschiedde het woord des HEEREN
Namelijk tot het Joodse volk en de voornaamsten daaronder. Zo ook vers 11.
door den dienst van den profeet Haggaï,
Hebr. door de hand van Haggaë, enz. Alzo ook in vs.11.
Hertaald:
door den dienst van den profeet Haggaï,
Hebreeuws: door de hand van Haggai, enzovoort. Zo ook in vers 11.
in zijn eerste heerlijkheid gezien heeft,
Te weten, in die heerlijkheid, waar het in was eer het van de Chaldeën is verwoest geworden.
Hertaald:
in zijn eerste heerlijkheid gezien heeft,
Namelijk in die heerlijkheid waarin het stond voordat het door de Chaldeeën verwoest werd.
als niets in uw ogen?
Namelijk vergeleken bij dien tempel, welken Salomo gebouwd heeft; zie Ezra 3:12 . David had gaandeweg een groten schat van goud, zilver, koper en andere bouwstoffen tot den bouw van den tempel vergaderd, en Salomo deed daar nog een groten schat bij, als hij dien tempel bouwde; maar de Joden, die eerst uit de Babylonische gevangenschap kwamen, waren arm en hadden geen grote macht om dezen nieuwen tempel kostelijk op te bouwen. Anders: is [dit] niet bij dat als niets, enz.
Hertaald:
als niets in uw ogen?
Namelijk vergeleken met de tempel die Salomo gebouwd heeft; zie Ezra 3:12. David had in de loop van de tijd een grote schat aan goud, zilver, koper en andere bouwstoffen voor de bouw van de tempel verzameld, en Salomo voegde daar bij de bouw nog een grote schat aan toe. Maar de Joden die als eersten uit de Babylonische gevangenschap kwamen waren arm en hadden niet de middelen om deze nieuwe tempel kostbaar op te bouwen. Anders: is dit niet bij dat als niets, enzovoort.
al gij volk des lands
Dit spreekt hij tot den gemenen onder de Joden.
Hertaald:
al gij volk des lands
Dit zegt hij tot het gewone volk onder de Joden.
werkt,
Dat is, gaat voort in het bouwen. Zie van het woord werken, Ruth 2:19 ; Spr. 31:13 .
Hertaald:
werkt,
Dat is: ga voort met bouwen. Zie over het woord werken Ruth 2:19; Spr. 31:13.
het woord,
Te weten, met dat woord, door hetwelk de hemelen gemaakt zijn, Ps. 33:6 , Ps. 33:9 ; dat is, met Christus, in welken Ik; dat is, in en door welken Christus Ik een verbond met ulieden gemaakt heb, waarom Christus Mal. 3:1 , de engel des verbonds genoemd wordt, en de apostel zegt 2 Kor. 1:20 , dat de belofte in Christus alleen ja en amen is. Anders: naar het woord, doe Ik met ulieden, enz.; dat is, naar de beloften, die Ik uwen vaderen en ulieden gedaan heb, dat Ik wilde zijn hun God en huns zaads God na hen; Gen. 15:18 .
Hertaald:
het woord,
Namelijk met dat Woord waardoor de hemelen gemaakt zijn, Ps. 33:6, Ps. 33:9; dat is: met Christus, in en door Wie Ik een verbond met u gesloten heb. Daarom wordt Christus in Mal. 3:1 de Engel van het verbond genoemd, en de apostel zegt in 2 Kor. 1:20 dat de belofte alleen in Christus ja en amen is. Anders: naar het woord doe Ik met u, enzovoort; dat is: naar de beloften die Ik uw vaderen en u gedaan heb, dat Ik hun God en de God van hun nageslacht na hen wilde zijn; Gen. 15:18.
gij uit Egypte uittrokt,
Te weten, besloten zijnde in de lenden uwers vaderen. Zie gelijke manier van spreken Hand. 7:53 .
Hertaald:
gij uit Egypte uittrokt,
Namelijk terwijl u nog besloten lag in de lendenen van uw vaderen. Zie een soortgelijke manier van spreken in Hand. 7:53.
Mijn Geest,
Versta, den Heilige Geest, die onze zwakheid mede te hulp komt, Rom. 8:26 . Dit vers heeft een klaar bewijs van de drie personen der Heilige Drievuldigheid.
Hertaald:
Mijn Geest,
Versta: de Heilige Geest, Die onze zwakheid te hulp komt, Rom. 8:26. Dit vers bevat een helder bewijs van de drie Personen van de heilige Drie-eenheid.
staande in het midden van u;
Dat is, bij u tegenwoordig zijnde met zijn krachtige werking. Anders: en mijn Geest zal in het midden van u blijven; dat is, Hij zal ulieden in het uitvoeren van het werk van dit gebouw kracht verlenen; derhalve vreest niet, de zaak zal een goeden voortgang hebben.
Hertaald:
staande in het midden van u;
Dat is: bij u tegenwoordig met Zijn krachtige werking. Anders: en Mijn Geest zal in het midden van u blijven; dat is: Hij zal u kracht verlenen bij het uitvoeren van dit bouwwerk. Vreest daarom niet, de zaak zal goed voortgaan.
Nog eens,
Dat is, het zal in korten tijd geschieden, dat Ik hemel en aarde wederom, of ten tweede male bewegen zal. Zie Hebr. 12:26 ; dat ons lang dunkt te wezen, is bij God maar als een ogenblik; Ps. 90:4 , en 2 Petr. 3:8 .
Hertaald:
Nog eens,
Dat is: het zal binnenkort gebeuren dat Ik hemel en aarde opnieuw, of voor de tweede maal, zal bewegen. Zie Hebr. 12:26. Wat ons lang lijkt te duren, is bij God slechts als een ogenblik; Ps. 90:4 en 2 Petr. 3:8.
de hemelen,
Met de engelen, inwoners des hemels.
Hertaald:
de hemelen,
Met de engelen, de bewoners van de hemel.
de aarde,
Met de mensen op de aarde.
Hertaald:
de aarde,
Met de mensen op de aarde.
de zee,
Met die in de eilanden wonen.
Hertaald:
de zee,
Met hen die op de eilanden wonen.
het droge
Met de mensen, die op het hoge droge land wonen.
Hertaald:
het droge
Met de mensen die op het hoge, droge land wonen.
doen beven
Al deze schepselen zullen bewogen worden, ten tijde der geboorte, van het lijden en sterven, van de opstanding en hemelvaart van Christus, en als zijne apostelen dit alles door de ganse wereld zullen gaan prediken.
Hertaald:
doen beven
Al deze schepselen zullen bewogen worden ten tijde van de geboorte, het lijden en sterven, de opstanding en de hemelvaart van Christus, en wanneer Zijn apostelen dit alles door de hele wereld zullen gaan prediken.
Ik zal al de heidenen
Dit is ene profetie van de beroeping der heidenen, als het Evangelie door de ganse wereld zou gepredikt worden.
Hertaald:
Ik zal al de heidenen
Dit is een profetie over de roeping van de heidenen, wanneer het Evangelie door de hele wereld gepredikt zou worden.
doen beven,
Of, doen schudden, te weten, alzo dat zij tot den Heere komen. Verg. Hos. 3:5 , en Hos. 11:10-11 met de aantekening.
Hertaald:
doen beven,
Of: doen schudden, namelijk zo dat zij tot de HEERE komen. Vergelijk Hos. 3:5 en Hos. 11:10-11 met de aantekening.
Wens aller heidenen,
Te weten, Christus, dien alle heidenen of natiën zouden wensen te omhelzen, zich tot zijne kerk begevende. Verg. Gen. 49:10 . Anders aldus: En de wens der heidenen zal komen. Verstaande zulks van de komst van de Messias. Anders: Dan zullen komen de gewenschten aller heidenen; dat is, mijne uitverkorenen, mijn lieve en aangenamen kinderen uit alle volken en natiën, zullen tot mij komen en in mij geloven. Zie Jes. 2:3 .
Hertaald:
Wens aller heidenen,
Namelijk Christus, Die alle heidenen of volken zouden wensen te omhelzen door zich bij Zijn kerk te voegen. Vergelijk Gen. 49:10. Anders aldus: en de wens van de heidenen zal komen — waarbij men dat verstaat van de komst van de Messias. Anders: dan zullen de gewensten van alle heidenen komen; dat is: Mijn uitverkorenen, Mijn lieve en aangename kinderen uit alle volken en naties, zullen tot Mij komen en in Mij geloven. Zie Jes. 2:3.
dit huis
Dat is, dezen tempel.
Hertaald:
dit huis
Dat is: deze tempel.
met heerlijkheid vervullen,
Want Christus, de koning der ere. [ Ps. 24:7-8 ] , de Zaligmaker der heidenen, [die groter is dan Salomo, Matt. 12:42 ] , zou in eigen persoon lichamelijk verschijnen, prediken en wonderen doen, [gelijk Maleachi dit duidelijk voorzegt in Mal. 3:1 ] , en Hij zal voorts in zijn gemeente wonen met zijn Geest en genade. Verg. Ezech. 43:5 , Ezech. 43:7 .
Hertaald:
met heerlijkheid vervullen,
Want Christus, de Koning der ere (Ps. 24:7-8), de Zaligmaker van de heidenen — Die meer is dan Salomo, Matth. 12:42 — zou in eigen persoon lichamelijk verschijnen, prediken en wonderen doen, zoals Maleachi dat duidelijk voorzegt in Mal. 3:1; en Hij zal verder in Zijn gemeente wonen met Zijn Geest en genade. Vergelijk Ezech. 43:5, Ezech. 43:7.
Mijn is het zilver, en Mijn is het goud,
Alsof de Heere zeide: Indien Ik dezen nieuwen tempel uitwendig heerlijker hebben wilde van zilver en goud, dat ware mij licht om te doen, want al het zilver en goud der wereld komt mij toe, en Ik kon het u haast doen hebben, maar Ik wil dezen tempel versieren met een veel grotere heerlijkheid, namelijk met de tegenwoordigheid van den Messias, den Koning aller koningen, en met vele geestelijke gaven, waarmede Ik de kerk van het Nieuwe Testament versieren zal.
Hertaald:
Mijn is het zilver, en Mijn is het goud,
Alsof de HEERE zei: als Ik deze nieuwe tempel uiterlijk heerlijker had willen hebben, van zilver en goud, dan zou Mij dat gemakkelijk vallen, want al het zilver en goud van de wereld komt Mij toe en Ik zou het u spoedig kunnen laten hebben. Maar Ik wil deze tempel versieren met een veel grotere heerlijkheid, namelijk met de tegenwoordigheid van de Messias, de Koning aller koningen, en met veel geestelijke gaven waarmee Ik de kerk van het Nieuwe Testament zal versieren.
vrede geven,
Namelijk door, of in Christus Jezus, den Vredevorst. Zie Rom. 5:1 , en Rom. 14:17 ; Fil. 4:7 . Zie ook Jes. 11:6 , en Joh. 14:27 .
Hertaald:
vrede geven,
Namelijk door of in Christus Jezus, de Vredevorst. Zie Rom. 5:1 en Rom. 14:17; Filipp. 4:7. Zie ook Jes. 11:6 en Joh. 14:27.
der negende maand,
Deze maand word Chisleu genoemd, Zach. 7:1 ; ten dele met onze December overeenkomende.
Hertaald:
der negende maand,
Deze maand wordt Chisleu genoemd, Zach. 7:1; die valt deels samen met onze december.
den priesters de wet,
Welken het toekomt de wet te verklaren. Zie Lev. 10:10-11 ; Deut. 33:10 , en Mal. 2:7 .
Hertaald:
den priesters de wet,
Aan wie het toekomt de wet te verklaren. Zie Lev. 10:10-11; Deut. 33:10 en Mal. 2:7.
iemand draagt
In dit 13e vers stelt de profeet twee vragen voor bij gelijkenis, lerende vooreerst dat de gelijkenis, lerende vooreerst dat de mens uit het aanroeren van iets, dat heilig is, gene heiligheid verkrijgt. In vers vers 14 leert hij dat een mens, die onrein is, niet alleen gene heiligheid daarvan krijgt, maar integendeel, met zijn aanroeren verontreiningt hij hetgeen heilig is; met welke gelijkenissen de Heere te verstaan geeft de oorzaken waarom Hij nu een geruimen tijd de Joden gekastijd had, en waarom hunne offeranden Gode niet aangenaam geweest waren, namelijk omdat zij zo onrein van hart waren als degenen uiterlijk, die door het aanroeren van een dood lichaam zich verontreining hadden. Zie Lev. 21:1 ; Num. 5:2 .
Hertaald:
iemand draagt
In dit vers stelt de profeet bij wijze van vergelijking twee vragen. Allereerst leert hij dat een mens door het aanraken van iets heiligs geen heiligheid verkrijgt. In vers 14 leert hij dat een mens die onrein is daar niet alleen geen heiligheid van krijgt, maar integendeel door zijn aanraking verontreinigt wat heilig is. Met deze vergelijkingen geeft de HEERE de redenen te kennen waarom Hij de Joden nu een geruime tijd gekastijd had, en waarom hun offeranden Hem niet aangenaam geweest waren. De reden is dat zij innerlijk even onrein van hart waren als degenen die zich uiterlijk door het aanraken van een dood lichaam verontreinigd hadden. Zie Lev. 21:1; Num. 5:2.
heilig vlees
Hebr. vlees der heiligheid; te weten, vlees, hetwelk de Heere is geheiligd geworden door de offerande. Zie Lev. 7:15 .
Hertaald:
heilig vlees
Hebreeuws: vlees van de heiligheid; namelijk vlees dat aan de HEERE geheiligd is door de offerande. Zie Lev. 7:15.
slip van zijn kleed,
Hebr. vleugel.
Hertaald:
slip van zijn kleed,
Hebreeuws: vleugel.
het heilig worden?
Anders: hij. Die zin is: Zal er iets anders, dat hij aanroert, door hem geheiligd worden?
Hertaald:
het heilig worden?
Anders: hij. De betekenis is: zal iets anders dat hij aanraakt daardoor geheiligd worden?
Neen
Want het kleed wordt wel door zulke aanroering geheiligd, Lev. 6:27 ; maar niet hetgeen van dat kleed werd aangeraakt.
Hertaald:
Neen
Want het kleed wordt door zo'n aanraking wel geheiligd, Lev. 6:27, maar niet wat door dat kleed aangeraakt wordt.
van een dood lichaam,
Hebr. van ene ziel; zie Lev. 19:28 de aantekening aldaar, en Num. 19:11 .
Hertaald:
van een dood lichaam,
Hebreeuws: van een ziel; zie Lev. 19:28 met de aantekening daar, en Num. 19:11.
iets van die dingen aanroert,
Van welke gesproken is in vs.13.
Hertaald:
iets van die dingen aanroert,
Van de dingen waarover in vers 12 gesproken is.
het onrein worden?
Te weten, hetwelk het aangeroerd heeft.
Hertaald:
het onrein worden?
Namelijk dat wat het aangeraakt heeft.
Het zal onrein worden
Zie de wet, Lev. 11:24-25 , enz., en Lev. 15:4 , enz., Num. 9:10 , en Num. 19:11 , Num. 19:13 .
Hertaald:
Het zal onrein worden
Zie de wet in Lev. 11:24-25, enzovoort, en Lev. 15:4, enzovoort; Num. 9:10 en Num. 19:11, Num. 19:13.
Alzo is dit volk,
De zin is: Evenzoo is het met deze natie of met dit volk gesteld, hetwelk alles ontreinigt waar het bij of aan komt, dewijl het onrein van consientie is, blijkende daaruit dat zij mijn bevel, aangaande het opbouwen van den tempel verachten. Verg. Tit. 1:15 .
Hertaald:
Alzo is dit volk,
De betekenis is: zo is het gesteld met dit volk, dat alles verontreinigt waar het bij of aan komt, omdat het onrein van geweten is. Dat blijkt hieruit dat zij Mijn bevel over het opbouwen van de tempel verachten. Vergelijk Tit. 1:15.
voor Mijn aangezicht,
De Joden waren wel heilige lieden in hun eigen oordeel, maar niet in de ogen van God.
Hertaald:
voor Mijn aangezicht,
De Joden waren wel heilige mensen in hun eigen ogen, maar niet in de ogen van God.
daar offeren,
Te weten, op het brandofferaltaar, dat vele jaren was opgebouwd geweest eer de tempel volbouwd is geworden, Ezra 3:2 . God de Heere had wel de offeranden strengelijk bevolen te doen, maar hier verklaart Hij door zijnen profeet, dat gelijk al hun andere werken onrein waren, alzo ook hunne offeranden, [vanwege welke zij meenden Gode aangenaam te zijn] zolang zij nalieten des Heeren huis te bouwen, en omdat zij zelf onrein, dat is goddeloos en huichelachtig waren, en zonder geloof, want alles wat zonder geloof geschiedt, dat is zonde; Rom. 14:23 .
Hertaald:
daar offeren,
Namelijk op het brandofferaltaar, dat al vele jaren opgebouwd was voordat de tempel voltooid werd, Ezra 3:2. God de HEERE had de offeranden wel streng bevolen, maar hier verklaart Hij door Zijn profeet dat, zoals al hun andere werken onrein waren, ook hun offeranden dat waren — terwijl zij juist meenden daardoor God aangenaam te zijn — zolang zij nalieten het huis van de HEERE te bouwen; en omdat zij zelf onrein waren, dat is: goddeloos en huichelachtig, en zonder geloof. Want alles wat zonder geloof gebeurt, dat is zonde; Rom. 14:23.
stelt er toch ulieder hart op,
De zin schijnt hier te zijn: Vóór dezen, toen gij versloft hebt de opbouwing van den tempel, zijt gij van God gestraft geweest met dure tijden, zie vs.18, maar nu gij aan het werk kloekelijk gegaan zijt, hebt gij den zegen des Heeren gevoeld; derhalve neemt ter harte hetgeen in vorige tijden geschied is, opdat gij verstaande de oorzaak van den tegenspoed, die u tevoren geperst heeft, nu ook moogt verstaan de oorzaak van den zegen Gods, dien gij nu gevoelt, en hierna gevoelen zult en vaart derhalve kloekelijk voort in het opbouwen van het huis des Heeren. Eenige overzetters verlichten de duisterheid van dit vers met enige ingevoegde woorden, aldus: En nu, stelt er toch ulieder hart op [hoe het ulieden gegaan is,] van dezen dag af, enz. Zie Hag. 1:5 , en vs.19.
Hertaald:
stelt er toch ulieder hart op,
De betekenis lijkt hier te zijn: voorheen, toen u de opbouw van de tempel verwaarloosde, bent u door God gestraft met dure tijden — zie vers 18 — maar nu u kloek aan het werk gegaan bent, hebt u de zegen van de HEERE ervaren. Neem daarom ter harte wat in vroeger tijden gebeurd is, opdat u, terwijl u de oorzaak begrijpt van de tegenspoed die u eerder benauwd heeft, nu ook de oorzaak mag begrijpen van Gods zegen die u nu ervaart en hierna zult ervaren; en ga daarom kloek voort met het opbouwen van het huis van de HEERE. Sommige vertalers verhelderen de duisterheid van dit vers met enkele ingevoegde woorden, aldus: en nu, let er toch op hoe het u vergaan is, van deze dag af, enzovoort. Zie Hag. 1:5 en vers 19.
opwaarts,
Dat is, op de dagen, die vóór dezen tijd geweest zijn.
Hertaald:
opwaarts,
Dat is: op de dagen die vóór deze tijd geweest zijn.
eer er steen op steen gelegd werd
Dat is, eer de opbouwing van den tempel haar voortgang nam, en gijlieden op het fondament [hetwelk vóór vele jaren gelegd was] voortgegaan zijt, en op hetzelve verder gebouwd hebt. Ten tijde van den koning Cyrus hadden zij de fondamenten van den tempel gelegd, maar niet voortgebouwd tot op het tweede jaar van Darius, zie vs.11. Zie ook Ezra 4:5 , Ezra 4:24 .
Hertaald:
eer er steen op steen gelegd werd
Dat is: voordat de opbouw van de tempel voortgang kreeg en u verder gebouwd hebt op het fundament dat vele jaren tevoren gelegd was. In de tijd van koning Kores hadden zij de fundamenten van de tempel gelegd, maar er niet verder op gebouwd tot in het tweede jaar van Darius; zie vers 11. Zie ook Ezra 4:5, Ezra 4:24.
Eer die dingen geschiedden,
Dat is, eer men met den bouw des tempels voortvoer.
Hertaald:
Eer die dingen geschiedden,
Dat is: voordat men met de bouw van de tempel doorging.
van twintig maten,
Dat is, die men meende dat twintig mudden, of schepels, of zakken uitgeven zou, of behoorde uit te geven, naar evenredigheid van het gezaaide.
Hertaald:
van twintig maten,
Dat is: waarvan men meende dat die twintig mudden of schepels of zakken zou opleveren, of behoorde op te leveren, naar verhouding van wat gezaaid was.
maten van de pers te scheppen,
Hetzij voeder, of amen, of andere vaten, groot of klein.
Hertaald:
maten van de pers te scheppen,
Hetzij voeder, hetzij amen, hetzij andere vaten, groot of klein.
zo waren er maar twintig
De zin is: De oogst van het koren en den wijn was zeer sober en klein, dewijl de Heere u zijnen zegen onttrokken had, vertoornd zijnde over ulieder slordigheid in het bouwen van zijn huis.
Hertaald:
zo waren er maar twintig
De betekenis is: de oogst van koren en wijn was zeer schraal en klein, omdat de HEERE u Zijn zegen onttrokken had, vertoornd als Hij was over uw nalatigheid in het bouwen van Zijn huis.
Ik sloeg
Dit is een breder verhaal der plagen, die God hun heeft toegezonden vanwege hunne slordigheid in het bouwen van den tempel. Verg. Deut. 28:22 , enz. Zie ook 1 Kon. 8:37 , en inzonderheid Am. 4:6-9 ; en Hag. 1:11 , en Ps. 78:47 .
Hertaald:
Ik sloeg
Dit is een uitvoeriger verhaal van de plagen die God hun gezonden heeft vanwege hun nalatigheid in het bouwen van de tempel. Vergelijk Deut. 28:22, enzovoort. Zie ook 1 Kon. 8:37 en in het bijzonder Amos 4:6-9; ook Hag. 1:11 en Ps. 78:47.
ulieden met brandkoren,
Dat is, uwe vruchten.
Hertaald:
ulieden met brandkoren,
Dat is: uw vruchten.
en gij keerdet u niet tot Mij,
Anders: daar is niemand bij ulieden die tot mij, spreekt de Heere, met verzwijging van het woord keert.
Hertaald:
en gij keerdet u niet tot Mij,
Anders: er is niemand bij u die zich tot Mij keert, spreekt de HEERE — waarbij het woord keert weggelaten wordt.
Stelt er toch uw hart op,
Of, stelt nu uw hart, enz. Alsof hij zeide: Totdat men is begonnen wederom te bouwen aan den tempel, zijn het ellendige bedroefde tijden geweest, maar let er nu eens op, hoe het nu toegaat, nu gij kloekelijk aan het bouwen zijt.
Hertaald:
Stelt er toch uw hart op,
Of: let nu toch op, enzovoort. Alsof hij zei: totdat men begonnen is opnieuw aan de tempel te bouwen, waren het ellendige, droevige tijden; maar let er nu eens op hoe het nu toegaat, nu u kloek aan het bouwen bent.
en opwaarts;
Dat is, die vóór dezen tijd geweest zijn.
Hertaald:
en opwaarts;
Dat is: die vóór deze tijd geweest zijn.
als het fondament
Dat is, als men is begonnen te bouwen op het fondament, hetwelk gelegd is geworden in het tweede jaar na de wederkomst uit de Babylonische gevangenschap, als het altaar werd gebouwd. Zie Ezra 3:11 . Doch sommigen nemen deze woorden naar de letter, zijnde in die mening, dat de fondamenten van den tempel, die gelegd waren straks na de wederkomst van het volk uit Babylonië, van de vijanden van dit werk uitgeroeid waren, alzo dat men nieuwe fondamenten heeft moeten leggen.
Hertaald:
als het fondament
Dat is: toen men begonnen is te bouwen op het fundament dat gelegd was in het tweede jaar na de terugkeer uit de Babylonische gevangenschap, toen het altaar gebouwd werd. Zie Ezra 3:11. Maar sommigen nemen deze woorden letterlijk en menen dat de fundamenten van de tempel, die vlak na de terugkeer van het volk uit Babylonië gelegd waren, door de vijanden van dit werk uitgebroken waren, zodat men nieuwe fundamenten heeft moeten leggen.
Is er nog zaad in de schuur?
De zin is: Is er nog zaad overig in de schuur om te zaaien, Ik zal het van dezen dag af zegenen, ja tot de bomen toe, die nu in langen tijd geen vruchten gedragen hebben, zal Ik mijnen zegen geven.
Hertaald:
Is er nog zaad in de schuur?
De betekenis is: is er nog zaad over in de schuur om te zaaien? Ik zal het van deze dag af zegenen; ja, zelfs de bomen die nu lange tijd geen vruchten gedragen hebben, zal Ik Mijn zegen geven.
den wijnstok,
Al de bomen en vruchten, die hier genoemd staan, plachten overvloedig in het Joodse land te groeien; zie Deut. 8:8 .
Hertaald:
den wijnstok,
Al de bomen en vruchten die hier genoemd worden groeiden gewoonlijk overvloedig in het Joodse land; zie Deut. 8:8.
zegenen
Dat is, vruchtbaar maken.
Hertaald:
zegenen
Dat is: vruchtbaar maken.
der maand,
Namelijk der negende maand, te weten, op denzelfden dag als tevoren het woord des Heeren tot Gaggaï geschied is; zie ook vs.11.
Hertaald:
der maand,
Namelijk van de negende maand, en wel op dezelfde dag als waarop het woord van de HEERE eerder tot Haggaï gekomen is; zie ook vers 11.
Ik zal de hemelen en de aarde bewegen
Zie vs.7.
Hertaald:
Ik zal de hemelen en de aarde bewegen
Zie vers 7.
En Ik zal den troon der koninkrijken omkeren,
De zin is: Ik zal alle macht en geweld tenietmaken, die zich tegen Christus en zijn rijk verheffen; zie 2 Kor. 10:5 , en 2 Thess. 2:8 . Doch anderen verstaan dit gesproken te zijn van het werk der wederopbouwing van den tempel, die door gene mensen zou kunnen verhinderd worden; om alzo de Joden des te meerderen lust en moed te geven om kloek in dit werk voort te varen. Het kan beide tegelijk wel bestaan.
Hertaald:
En Ik zal den troon der koninkrijken omkeren,
De betekenis is: Ik zal alle macht en geweld tenietdoen die zich tegen Christus en Zijn rijk verheffen; zie 2 Kor. 10:5 en 2 Thess. 2:8. Maar anderen verstaan dat dit gesproken is over het werk van de herbouw van de tempel, die door geen mensen verhinderd zou kunnen worden. Dat zou dan gezegd zijn om de Joden des te meer lust en moed te geven om kloek met dit werk voort te gaan. Beide kunnen tegelijk waar zijn.
de vastigheid
Dat is, sterkte, macht.
Hertaald:
de vastigheid
Dat is: sterkte, macht.
een iegelijk in des anderen zwaard
Hebr. de man in het zwaard was zijn broeder.
Hertaald:
een iegelijk in des anderen zwaard
Hebreeuws: de man door het zwaard van zijn broeder.
u nemen,
Dit is, figuurlijkerwijze te zeggen: U, o Christus, die naar het vlees in de lenden van Zerubbabel besloten ligt, Matt. 1:12-13 . Alzo wordt Christus, Ezech. 34:23 , David genoemd; verg. Hebr. 7:9 .
Hertaald:
u nemen,
Dit is bij wijze van beeldspraak gezegd: u, o Christus, Die naar het vlees in de lendenen van Zerubbabel besloten ligt, Matth. 1:12-13. Zo wordt Christus in Ezech. 34:23 David genoemd; vergelijk Hebr. 7:9.
een zegelring;
Zie Hoogl. 8:6 ; Jer. 22:24 . De zin is: Ik zal u lief en waard hebben, Ik zal u bewaren, gelijk iemand zijn ring bewaart, waar hij zijn geheimste zaken mede verzegelt.
Hertaald:
een zegelring;
Zie Hoogl. 8:6; Jer. 22:24. De betekenis is: Ik zal u lief en waard houden, Ik zal u bewaren zoals iemand zijn ring bewaart waarmee hij zijn geheimste zaken verzegelt.
u heb Ik verkoren,
Verg. 1 Petr. 1:20 .
Hertaald:
u heb Ik verkoren,
Vergelijk 1 Petr. 1:20. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Wie is onder ulieden overgebleven, die dit huis in zijn eerste heerlijkheid gezien heeft, en hoedanig ziet gij hetzelve nu? Is dit niet als niets in uw ogen?" (Hag. 2:3). Toch volgt een bemoediging: "Doch nu, wees sterk, gij Zerubbabel! spreekt de HEERE; en wees sterk, gij Josua, zoon van Jozadak, hogepriester! en wees sterk, al gij volk des lands! spreekt de HEERE; en werkt, want Ik ben met u, spreekt de HEERE der heirscharen" (Hag. 2:4). De grond daarvoor ligt in het verleden: "Met het woord, in hetwelk Ik met ulieden een verbond gemaakt heb, als gij uit Egypte uittrokt, en Mijn Geest, staande in het midden van u; vreest niet!" (Hag. 2:5). Bijbelse betekenis: Merk op wie hier aan het woord komt: mensen oud genoeg om zich de eerste tempel van Salomo nog te herinneren. Zij voelden het verschil met dit povere begin pijnlijk aan — "als niets in uw ogen." Let vervolgens op de drievoudige aansporing in Hag. 2:4: wees sterk, tot Zerubbabel, tot Josua, en tot het hele volk. Niemand wordt overgeslagen. Let ten slotte op de grond van die bemoediging in Hag. 2:5: niet de grootte van het gebouw, maar het verbond van de uittocht en Gods Geest die in hun midden blijft staan. Wat ontbreekt aan praal, wordt goedgemaakt door wat blijft: Zijn tegenwoordigheid. Typologie: Dezelfde belofte van blijvende nabijheid geeft de Heere Jezus aan Zijn discipelen bij het uitzenden: "En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld" (reeds behandeld bij Matt. 28:20). Hag. 2:3-5; Matt. 28:20 "Want alzo zegt de HEERE der heirscharen: Nog eens, een weinig tijds zal het zijn; en Ik zal de hemelen, en de aarde, en de zee, en het droge doen beven" (Hag. 2:6). Het gevolg van die schudding: "Ja, Ik zal al de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot den Wens aller heidenen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen" (Hag. 2:7). En de belofte zelf: "De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden, dan van het eerste, zegt de HEERE der heirscharen; en in deze plaats zal Ik vrede geven, spreekt de HEERE der heirscharen" (Hag. 2:9). Bijbelse betekenis: Merk op de omvang van de schudding in Hag. 2:6: hemel, aarde, zee, het droge — de hele schepping, niet alleen Juda. Let vervolgens op Hag. 2:8, dat er vlak tussenin staat: "Mijn is het zilver, en Mijn is het goud." De rijkdom die deze tempel misschien mist, behoort God toch al toe; Hij hoeft niet te wachten op wat mensen aandragen. Let ten slotte op de belofte in Hag. 2:9 zelf: niet de omvang van steen en goud maakt dit huis groter, maar de vrede die God erin geven zal. Typologie: Dit vers wordt in de Hebreeënbrief aangehaald als aankondiging van een schudding die verder reikt dan de aardse tempel: "Nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook den hemel" (Hebr. 12:26). Het vers erna zegt wat dat betekent: "En dit woord: Nog eenmaal, wijst aan de verandering der bewegelijke dingen, als welke gemaakt waren, opdat blijven zouden de dingen, die niet bewegelijk zijn" (Hebr. 12:27). Hag. 2:6-9; Hebr. 12:26-27 "Vraag nu den priesters de wet, zeggende: Ziet, iemand draagt heilig vlees in de slip van zijn kleed, en hij raakt met zijn slip aan het brood, of aan het moes, of aan den wijn, of aan de olie, of aan enige spijze, zal het heilig worden? En de priesters antwoordden, en zeiden: Neen" (Hag. 2:11-12). Dan de tegengestelde vraag: "Indien iemand, die onrein is van een dood lichaam, iets van die dingen aanroert, zal het onrein worden? En de priesters antwoordden, en zeiden: Het zal onrein worden" (Hag. 2:13). De toepassing volgt: "Alzo is dit volk, en alzo is deze natie voor Mijn aangezicht, spreekt de HEERE, en alzo is al het werk hunner handen; en wat zij daar offeren, dat is onrein" (Hag. 2:14). Bijbelse betekenis: Merk op de twee vragen en hun tegengestelde antwoorden: heiligheid werkt niet aanstekelijk door eenvoudige aanraking, maar onreinheid wél. Let vervolgens op wat dit voor het volk betekent in Hag. 2:14: hun offerdienst, hoe ijverig ook hervat na Hag. 1, kon de onreinheid van hun eerdere verwaarlozing niet zomaar wegnemen door zelf heilig te zijn. Let ten slotte op de plaats van dit gedeelte: het staat vlak na de grote belofte van Hag. 2:6-9, als een nuchtere waarschuwing dat een mooie belofte geen vrijbrief is voor een onopgemerkt hart. Typologie: Datzelfde principe — dat het kwade eerder aansteekt dan het goede — noemt Paulus: "Weet gij niet, dat een weinig zuurdesem het gehele deeg zuur maakt?" (reeds behandeld bij 1 Kor. 5:6). Hag. 2:11-14; 1 Kor. 5:6 "En nu, stelt er toch ulieder hart op, van dezen dag af en opwaarts, eer er steen op steen gelegd werd aan den tempel des HEEREN" (Hag. 2:15). Er volgt een terugblik op magere jaren: "Eer die dingen geschiedden, kwam iemand tot den koren hoop van twintig maten, zo waren er maar tien" (Hag. 2:16). Maar dan de wending: "Stelt er toch uw hart op, van dezen dag af en opwaarts; van den vier en twintigsten dag der negende maand af, van den dag af, als het fondament aan den tempel des HEEREN is gelegd geworden, stelt er uw hart op" (Hag. 2:18). En het vers erna: "Is er nog zaad in de schuur? Zelfs tot den wijnstok, en den vijgeboom, en den granaatappelboom, en den olijfboom, die niet gedragen heeft, die zal Ik van dezen dag af zegenen" (Hag. 2:19). Bijbelse betekenis: Merk op hoe vaak van dezen dag af in dit gedeelte terugkeert: het is geen vage belofte voor de toekomst, maar een zegen die aan een precieze datum wordt vastgemaakt — de dag dat het fondament werd gelegd. Let vervolgens op de tegenstelling tussen Hag. 2:16 en Hag. 2:19: eerst een oogst die tegenviel, ook al werkte men hard (vergelijk Hag. 1:6), en dan de belofte van zegen vanaf het moment dat de tempelbouw echt hervat werd. Let ten slotte op de vraag in Hag. 2:19: is er nog zaad in de schuur? Op het moment van de belofte was er nog niets te zien; de zegen wordt aangekondigd vóórdat hij zichtbaar is. Typologie: Dat gehoorzaamheid aan Gods opdracht een keerpunt markeert waarna Zijn zegen anders gaat werken, is dezelfde les die Maleachi geeft over de tienden: "Brengt al de tienden in het schathuis, opdat er spijze zij in Mijn huis; en beproeft Mij nu daarin, zegt de HEERE der heirscharen, of Ik u dan niet opendoen zal de vensteren des hemels, en u zegen afgieten, zodat er geen schuren genoeg wezen zullen" (Mal. 3:10). Hag. 2:15-19; Mal. 3:10 "Spreek tot Zerubbabel, den vorst van Juda, zeggende: Ik zal de hemelen en de aarde bewegen. En Ik zal den troon der koninkrijken omkeren, en verdelgen de vastigheid van de koninkrijken der heidenen" (Hag. 2:21-22). Dan volgt de persoonlijke belofte aan Zerubbabel: "Te dien dage, spreekt de HEERE der heirscharen, zal Ik u nemen, o Zerubbabel, gij zoon van Sealthiel, Mijn knecht! spreekt de HEERE, en Ik zal u stellen, als een zegelring; want u heb Ik verkoren, spreekt de Heere der heirscharen" (Hag. 2:23). Bijbelse betekenis: Merk op wie hier wordt aangesproken: Zerubbabel, zoon van Sealthiel, uit dezelfde koninklijke lijn als koning Chonia, over wie eerder in de Schrift een hard vonnis was uitgesproken. Let vervolgens op het beeld van de zegelring zelf. Een zegelring was het meest persoonlijke bezit van een heerser, waarmee hij zijn eigen naam en gezag bevestigde; iemand tot zegelring stellen betekent hem als vertrouwde, erkende drager van dat gezag aannemen. Let ten slotte op de reden die erbij staat: want u heb Ik verkoren. Niet Zerubbabels eigen verdienste, maar Gods keuze ligt aan deze belofte ten grondslag. Typologie: Dit vers keert welbewust een eerder oordeel om. Over Chonia, een voorvader van Zerubbabel, had de HEERE gezegd: "Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE, ofschoon Chonia, de zoon van Jojakim, den koning van Juda, een zegelring ware aan Mijn rechterhand, zo zal Ik u toch van daar wegrukken" (reeds behandeld bij Jer. 22:24). Wat daar werd afgenomen, wordt hier, na de ballingschap, aan zijn nakomeling teruggegeven. Mattheüs noemt hem in het geslachtsregister van Christus — daar gespeld als Zorobabel: "En na de Babylonische overvoering gewon Jechonias Salathiel, en Salathiel gewon Zorobabel" (Matt. 1:12). Hag. 2:20-23; Jer. 22:24; Matt. 1:12 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas God bij Zijn volk niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen De teruggekeerde ballingen zijn begonnen te bouwen, maar wat er staat lijkt in niets op wat er stond. Enkele oude mannen hebben de tempel van Salomo nog gezien, en zij wenen. Haggaï vraagt het hun rechtstreeks: wie is onder u overgebleven die dit huis in zijn eerste heerlijkheid gezien heeft? Aan een bouwput vol teleurstelling wordt beloofd dat dit huis heerlijker zal zijn dan het eerste. De vraag van Haggaï is niet vriendelijk bedoeld en ook niet onvriendelijk. Hij benoemt alleen wat iedereen ziet: hoedanig ziet gij hetzelve nu? Is dit niet als niets in uw ogen? Dan komt drie keer hetzelfde bevel, tot Zerubbabel, tot de hogepriester en tot het hele volk: wees sterk, en werk. En de grond eronder is niet hun eigen moed maar Gods aanwezigheid: Ik ben met ulieden — met het woord dat Ik met u gemaakt heb toen gij uit Egypte uittrokt, en Mijn Geest staande in het midden van u. Daarna gaat het over iets veel groters. Ik zal al de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot den Wens aller heidenen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen. De kanttekening laat er geen twijfel over bestaan waar dit heen gaat. Zij noemt het een profetie over de roeping van de heidenen, wanneer het Evangelie door de hele wereld gepredikt zou worden. En bij de Wens aller heidenen schrijft zij: namelijk Christus, Die alle volken zouden wensen te omhelzen door zich bij Zijn kerk te voegen — met verwijzing naar Genesis 49, waar Juda de scepter houdt totdat Silo komt. En dan de belofte die het bouwvolk het meest nodig had: de heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden dan van het eerste. En in deze plaats zal Ik vrede geven. Dat is opmerkelijk, want naar het uiterlijk werd deze tempel nooit wat de eerste was. Er was geen ark, geen wolk, geen vuur uit de hemel. Wat hem groter maakte was niet het goud maar Wie er binnen zou komen: in dit gebouw stond op zekere dag een Kind in de armen van Simeon, en later een Man Die zei dat er hier meer was dan de tempel. Daarom staat er ook bij dat het zilver en het goud van God zijn. Wie de bouwstoffen mist, mist niets wat God niet bezit. In het Nieuwe Testament: Lukas 2:25-32; Mattheüs 12:6; Hebreeën 12:26-27; Maleachi 3:1 Hoever dit reikt: Niveau 2. De kanttekenaars lezen de Wens aller heidenen uitgesproken op Christus, en noemen ook de andere vertaling: dan zullen de gewensten van alle heidenen komen. Het Nieuwe Testament haalt dit vers niet met name aan; Hebreeën 12 gebruikt wel het beven uit vers 6.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas En Haggai zei: Indien iemand, die onrein is van een dood lichaam, iets van die dingen aanroert, zal het onrein worden? En de priesters antwoordden en zeiden: Het… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Ik sloeg ulieden met brandkoren, met honingdauw en met hagel, al het werk van u handen. Haggai 2:18 Hoe vernielend is de… Die zal Ik, van deze dag af, zegenen. Haggai 2:20 De toekomstige dingen zijn voor ons verborgen. Toch is hier een spiegel, waarin wij de ongeboren jaren kunnen zien. De… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Hagai 2
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De Wens aller heidenen — 2:1-10
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Hag. 2:14, 15 - Verontreinigd en verontreinigende
Ik sloeg ulieden
Die zal Ik, van deze dag af, zegenen


Hagai 2
Hagai 2:1.KruisverwijzingenHagai 1:1→Hagai 2:10→2 Petrus 1:21→Hagai 2:20→Hagai 1:15→
— In de zevende maand, op den een en twintigsten der maand, geschiedde het woord des HEEREN door den dienst van den profeet Haggai, zeggende:
Niet lang daarna.
Gods volk moet heel vaak toegesproken worden, en elke keer dat God tot hen spreekt houdt Hij dat bij. Laten wij dat ook doen. Laten wij het niet zo onbelangrijk vinden om een prediking van het evangelie te horen, dat wij niet eens opmerken wanneer wij haar hoorden. Och, of het Woord van de HEERE ons in deze dagen kostbaarder was! Laten wij God ervoor prijzen. Laten wij het niet voor zo iets gewoons houden dat wij er niet meer notitie van nemen dan van ons ontbijt of van onze avondmaaltijd.
Hagai 2:2-3.KruisverwijzingenEzra 3:12→Hagai 1:1→Ezra 1:8→Ezra 2:63→Hagai 1:14→Nehemia 8:9→Ezechiël 7:20→Zacharia 4:9→
— Spreek nu tot Zerubbabel, den zoon van Sealthiel, den vorst van Juda, en tot Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, en tot het overblijfsel des volks, zeggende: Wie is onder ulieden overgebleven, die dit huis in zijn eerste heerlijkheid gezien heeft, en hoedanig ziet gij hetzelve nu? Is dit niet als niets in uw ogen?
Het blijkt dat de geest van de luiheid weer uitgebroken was. Toen de muren begonnen te rijzen, weenden de ouderen bij de gedachte hoeveel minder dit gebouw zou zijn dan het vroegere gebouw van Salomo. En wie het werk toch al liever liet liggen, greep die verontschuldiging maar te graag aan om ermee op te houden. Daarom staat Gods profeet er opnieuw. Begint het vuur uit te gaan, dan moet de blaasbalg er weer bij. De ijver van de christen lijkt sterk op de ijver van die mannen van Jeruzalem: hij verslapt heel gemakkelijk. En dan moet de ijver van Gods bode hen weer opwekken.
Er kunnen niet veel mensen meer in leven geweest zijn die de tempel van Salomo gezien hadden. Waren er toen nog zulke mensen, dan moeten zij buitengewoon oud geweest zijn. Maar er waren er velen wier vaders hem wél gezien hadden. Van die vaders hadden zij als kind op de knie gehoord wat voor een heerlijke plaats het huis van God in de dagen van Salomo geweest was.
Hagai 2:4.Kruisverwijzingen1 Kronieken 28:20→Zacharia 8:9→2 Samuël 5:10→Handelingen 7:9→Efeze 6:10→Hagai 1:13→Deuteronomium 31:23→1 Kronieken 22:13→
— Doch nu, wees sterk, gij Zerubbabel! spreekt de HEERE; en wees sterk, gij Josua, zoon van Jozadak, hogepriester! en wees sterk, al gij volk des lands! spreekt de HEERE; en werkt, want Ik ben met u, spreekt de HEERE der heirscharen;
Dit is de tweede keer dat Haggai met deze boodschap gezonden werd. Zij was zo rijk, zo vol en zo goddelijk bemoedigend, dat de HEERE haar met recht herhalen mocht: “Ik ben met u, spreekt de HEERE der heirscharen.”
Hagai 2:5-6.KruisverwijzingenNehemia 9:20→Exodus 29:45→Zacharia 8:13→Jesaja 10:25→Zacharia 8:15→Exodus 34:10→Jesaja 41:13→Jesaja 41:10→
— Met het woord, in hetwelk Ik met ulieden een verbond gemaakt heb, als gij uit Egypte uittrokt, en Mijn Geest, staande in het midden van u; vreest niet! Want alzo zegt de HEERE der heirscharen: Nog eens, een weinig tijds zal het zijn; en Ik zal de hemelen, en de aarde, en de zee, en het droge doen beven.
Sommigen lezen hier “nog maar een klein gebouw”, maar onze lezing is misschien beter: het is nog maar een korte tijd.
Hagai 2:7.Kruisverwijzingen1 Koningen 8:11→Maleachi 3:1→Jesaja 60:7→Daniël 2:44→2 Kronieken 5:14→Johannes 10:23→Lukas 19:47→Galaten 3:8→
— Ja, Ik zal al de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot den Wens aller heidenen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de HEERE der heirscharen.
“Ja, Ik zal al de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot den Wens aller heidenen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de HEERE der heirscharen.”
Zo is het gebeurd dat het Kind van Bethlehem naar de tweede tempel gebracht werd — die heerlijke Wens van alle heidenen, Die wij aanbidden. En zo kwam het dat de heerlijkheid van het tweede huis ten slotte veel groter was dan de heerlijkheid van het eerste.
De tweede tempel is nooit bedoeld geweest om zo prachtig te zijn als de eerste. De eerste moest de volle heerlijkheid van de huishouding van de zinnebeelden en de voorafschaduwingen belichamen, en die zou spoedig voorbijgaan. Hoe zwak die huishouding vergeleken daarbij was, was al gebleken uit de afgoderij en de afval van het volk Israel.
Toen zij naar Jeruzalem terugkeerden, zouden zij een gebouw krijgen dat voor hun eredienst voldoende was. Maar de luister van het vroegere huis, dat God door de hand van Salomo gebouwd had, zou hun niet opnieuw gegund worden. Had het in Gods voorzienigheid gelegen dat er een even prachtige tempel als de eerste gebouwd zou worden, dan was dat gemakkelijk te volbrengen geweest.
Kores schijnt aan de goddelijke wil gehoorzaam geweest te zijn en een groot vriend van de Joden. Maar hij verkleinde bij besluit uitdrukkelijk de lengte van de muren, en gaf uitdrukkelijk bevel dat zij nooit zo hoog opgetrokken mochten worden als eerst. Wij hebben ook bewijs dat Darius zo’n besluit nam. Ook hij was een groot vriend van de Joden, en hij had met het opheffen van zijn vinger de heerlijkheid van Salomo’s tempel kunnen overtreffen.
Maar in Gods voorzienigheid was het niet zo beschikt. Herodes besteedde nog wel veel schatten aan de tweede tempel, om het volk dat hij regeerde te behagen en er enige gunst bij te krijgen. Maar hij ontheiligde de tempel meer dan hij hem versierde. Want hij volgde de voorgeschreven bouwwijze niet, en hij had de goddelijke goedkeuring niet op zijn arbeid. Geen enkele profeet heeft de arbeid van zo’n gruwelijke booswicht als die Herodes ooit bevolen of goedgekeurd.
De reden lijkt mij deze te zijn. In de tweede tempel, zolang die stond, smolt de huishouding van Christus zachtjes over in het licht van de geestelijke waarheid. De uiterlijke eredienst zou daar ophouden. En het lijkt juist dat die ophield in een tempel die de uiterlijke heerlijkheid van de eerste niet had. God wilde de eerste stralen van de geestelijke luister van de tweede tempel doen opgaan — van Zijn ware tempel, de gemeente. En Hij wilde op het uiterlijke en zichtbare van de eerste tempel een teken van verval zetten. En toch verklaart Hij door Zijn knecht Haggai dat de heerlijkheid van de tweede tempel groter zou zijn dan die van de eerste.
Dat is duidelijk een bemoediging om met hun werk voort te gaan.
Hagai 2:8.KruisverwijzingenPsalmen 50:10→Jesaja 60:13→Psalmen 24:1→Jesaja 60:17→1 Kronieken 29:14→1 Koningen 6:20→
— Mijn is het zilver, en Mijn is het goud, spreekt de HEERE der heirscharen.
De vrijgelaten gevangenen hadden er niet veel van om de tweede tempel mee te bouwen. Maar God had alles wat er nodig was, en Hij was bereid hun genoeg te geven voor alles wat dat grote werk vroeg, dat zij in Zijn naam ondernomen hadden.
Hagai 2:9.KruisverwijzingenJesaja 9:6→Kolossenzen 1:19→Psalmen 85:8→Lukas 2:14→2 Korinthe 3:9→Efeze 2:14→Micha 5:5→Jesaja 57:18→
— De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden, dan van het eerste, zegt de HEERE der heirscharen; en in deze plaats zal Ik vrede geven, spreekt de HEERE der heirscharen.
De Vredevorst heeft aan velen in die tweede tempel vrede gegeven.
Hagai 2:10.KruisverwijzingenHagai 2:20→Hagai 1:1→Hagai 1:15→
— Op den vier en twintigsten dag der negende maand, in het tweede jaar van Darius, geschiedde het woord des HEEREN door den dienst van den profeet Haggai, zeggende:
Hier is nog een boodschap van de HEERE, en de datum waarop zij gebracht werd is even zorgvuldig opgetekend als die van de vorige.
Hagai 2:11-14.KruisverwijzingenMattheüs 23:19→Maleachi 2:7→Leviticus 6:27→Leviticus 10:10→Exodus 29:37→Ezechiël 44:19→Leviticus 7:6→Leviticus 6:29→
— Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Vraag nu den priesters de wet, zeggende: Ziet, iemand draagt heilig vlees in de slip van zijn kleed, en hij raakt met zijn slip aan het brood, of aan het moes, of aan den wijn, of aan de olie, of aan enige spijze, zal het heilig worden? En de priesters antwoordden, en zeiden: Neen. En Haggai zeide: Indien iemand, die onrein is van een dood lichaam, iets van die dingen aanroert, zal het onrein worden? En de priesters antwoordden, en zeiden: Het zal onrein worden. Toen antwoordde Haggai, en zeide: Alzo is dit volk, en alzo is deze natie voor Mijn aangezicht, spreekt de HEERE, en alzo is al het werk hunner handen; en wat zij daar offeren, dat is onrein.
Wat naar de ceremoniële wet heilig is, kan zijn heiligheid niet overdragen op wat onrein is. Maar wat in de ogen van de wet onrein is, kan zijn onreinheid wél overdragen op alles wat het aanraakt. Deze mensen waren zelf met de zonde verontreinigd. Daarom konden zij God geen aangename dienst en geen aangename offers brengen.
Hagai 2:15-17.KruisverwijzingenHagai 1:5→Deuteronomium 28:22→Ezra 3:10→Ezra 4:24→Hagai 1:6→1 Koningen 8:37→Hagai 1:7→Hagai 2:18→
— En nu, stelt er toch ulieder hart op, van dezen dag af en opwaarts, eer er steen op steen gelegd werd aan den tempel des HEEREN; Eer die dingen geschiedden, kwam iemand tot den koren hoop van twintig maten, zo waren er maar tien; komende tot den wijnbak, om vijftig maten van de pers te scheppen, zo waren er maar twintig. Ik sloeg ulieden met brandkoren, met honigdauw en met hagel, al het werk uwer handen; en gij keerdet u niet tot Mij, spreekt de HEERE.
Hoe vaak komt in deze twee hoofdstukken het woord “stelt uw hart” voor! En dit onderwerp van de tuchtiging van de HEERE was het volk een ernstige en plechtige overweging wél waard. Toch werden zij door alles wat zij leden niet tot bekering gebracht.
Hagai 2:18-19.KruisverwijzingenZacharia 8:9→Hagai 2:15→Ezra 5:1→Deuteronomium 32:29→Zacharia 8:12→Psalmen 128:1→Maleachi 3:10→Hagai 2:10→
— Stelt er toch uw hart op, van dezen dag af en opwaarts; van den vier en twintigsten dag der negende maand af, van den dag af, als het fondament aan den tempel des HEEREN is gelegd geworden, stelt er uw hart op. Is er nog zaad in de schuur? Zelfs tot den wijnstok, en den vijgeboom, en den granaatappelboom, en den olijfboom, die niet gedragen heeft, die zal Ik van dezen dag af zegenen.
Dat was werkelijk een gedenkwaardige dag in hun geschiedenis. Ik vertrouw dat velen van ons zich ook zo’n merkwaardige dag in ons leven kunnen herinneren, waarop de HEERE tot ons zei: van deze dag af zal Ik u zegenen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
En zij begonnen het werk op den vier en twintigsten dat der maand, in de zesde maand, in het tweede jaar van den koning Darius Hystaspes. Dit vers is volgens de vulgata bij het tweede hoofdstuk gevoegd; het behoort echter zonder twijfel bij het bovenstaande vs. 14 van het eerste hoofdstuk, hetgeen daaruit blijkt, dat vs. 2 ene geheel andere tijdsbepaling heeft. 2.
II. Vs. 2-10.KruisverwijzingenPsalmen 50:10→Ezra 3:12→1 Kronieken 28:20→Zacharia 8:9→Nehemia 9:20→Hagai 1:1→2 Samuël 5:10→Handelingen 7:9→
— Spreek nu tot Zerubbabel, den zoon van Sealthiel, den vorst van Juda, en tot Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, en tot het overblijfsel des volks, zeggende: Wie is onder ulieden overgebleven, die dit huis in zijn eerste heerlijkheid gezien heeft, en hoedanig ziet gij hetzelve nu? Is dit niet als niets in uw ogen? Doch nu, wees sterk, gij Zerubbabel! spreekt de HEERE; en wees sterk, gij Josua, zoon van Jozadak, hogepriester! en wees sterk, al gij volk des lands! spreekt de HEERE; en werkt, want Ik ben met u, spreekt de HEERE der heirscharen; Met het woord, in hetwelk Ik met ulieden een verbond gemaakt heb, als gij uit Egypte uittrokt, en Mijn Geest, staande in het midden van u; vreest niet! Want alzo zegt de HEERE der heirscharen: Nog eens, een weinig tijds zal het zijn; en Ik zal de hemelen, en de aarde, en de zee, en het droge doen beven. Ja, Ik zal al de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot den Wens aller heidenen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de HEERE der heirscharen. Mijn is het zilver, en Mijn is het goud, spreekt de HEERE der heirscharen. De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden, dan van het eerste, zegt de HEERE der heirscharen; en in deze plaats zal Ik vrede geven, spreekt de HEERE der heirscharen. Op den vier en twintigsten dag der negende maand, in het tweede jaar van Darius, geschiedde het woord des HEEREN door den dienst van den profeet Haggai, zeggende:
Als nu de tempelbouw zo ijverig werd voortgezet bemerkte men des te gevoeliger, hoezeer het aan toereikende middelen ontbrak, om den tempel waardig te versieren. Het grootste gedeelte van de inwoners des lands was arm, de rijken waren meer in den vreemde gebleven, en het aanbreken van den Messiaansen tijd, waarop men tegen het einde der ballingschap zo levendig had gehoopt, wilde nog steeds niet komen. Nu komt ten tweede male het woord des Heeren tot Haggaï, en deze spreekt in ene tweede rede het volk moed in, daar het de verhouding van den nieuwen tempel tot den vroegeren voorstelt. Hij wijst op den tijd, dat de heerlijkheid des Heeren zich juist in dezen zo onsierlijken tempel zal openbaren, wanneer de vertroosting der heidenen zal verschijnen, en alle heidenen zich tot den Heere zullen bekeren, en tot dezen tempel zullen toestromen.
In de zevende maand, op den een en twintigsten der maand, d. i. op den 7den dag van het Loofhuttenfeest, en wel nadat het bouwen van den tempel nog gene maand begonnen was, geschiedde het woord des HEEREN ten 2den male door den dienst van den Profeet Haggaï. Op dat hoge vreugdefeest, waarop Israël door talrijke offeranden zijnen dank voor de genadige leiding door de woestijn, zowel als voor den zegen van den volbrachten oogst moest brengen, kon de vergelijking van het gezegende en gelukkige verleden met het armzalige heden des volks droevige gedachten opwekken en twijfel verwekken; of de tijd was gekomen, om den tempel te bouwen, welke toch maar ene geringe tent zou worden. Om nu den pas opgewekten ijver voor het verder bouwen van des Heeren huis niet weer te laten verkouden, maar te sterken, sprak de Heere, zeggende:
Spreek nu tot Zerubbabel, den zoon van Sealthiël, den vorstof stadhouder van Juda en tot Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, en tot het overblijfsel des volks dus tot de gehele gemeente, welke uit de ballingschap was teruggekeerd, zeggende:
Wie is nog onder ulieden overgebleven, die dit huis in zijne eerste heerlijkheid vóór zijne verwoesting vóór nu 68 jaren gezien heeft, en hoedanig ziet gij het nu? Is dit in zijne armoedige tegenover het vroegere niet als niets in uwe ogen 1), zodat gij daarover weent en treurt (vgl. (Ezra 3:10 vv.).
Ongetwijfeld maakten velen ene vergelijking van dit gebouw met den kostelijken tempel van Salomo, en dan kon het niet anders, of, indien men bij de uitwendige omstandigheid bleef staan, indien men lette op de uiterlijke en innerlijke pracht van den vorigen en nu zag, het minder schone van den tweeden tempel, dan moest droefheid het harte vervullen, droefheid inzonderheid bij de echte kinderen Gods, dat de zonde en afval zulks had veroorzaakt. Maar opdat Israël verkwikt en bemoedigd zou worden, daarom komt de Heere God nu, door Zijn Profeet, Zijn volk een hart onder den riem steken, en roept het toe, dat Hij met hen is, ja, dat Zijn Verbond onverbrekelijk is, en dat, gelijk Hij aan Zijn volk in de woestijn Zijn goeden Geest gaf, om hen te onderwijzen (Neh. 9:20), Hij nu ook met Zijn Geest in het midden van hen blijft, om hen te onderwijzen, te sterken en te bemoedigen. En immers, dan hadden zij genoeg. Laat dan de tempel minder schoon zijn, als God maar met Zijn Woord en Geest er in woont, dan zal het niet ontbreken aan de lieflijke verkwikkinge der ziele, waarnaar Gods volk dorst.
Doch nu, wees sterk, gij Zerubbabel! spreekt de HEERE; en wees sterk, gij Josua, zoon van Jozadak, hogepriester, en wees sterk, al gij volk des lands! spreekt de HEERE, en werkt moedig voort, want Ik ben met u, spreekt de HEERE der heirscharen (Hoofdst. 1:13).
Met het woord, dat Ik tot u spreek, in hetwelk Ik met ulieden een verbond gemaakt heb, als gij uit Egypte uittrokt, namelijk dat gij Mij een bijzonder volk zoudt zijn en Ik uw God (Ex. 19:5.), wat nog onveranderd vaststaat, zal Ik onder u zijn, enmet Mijnen Geest, staande in het midden van u. Mijn Geest, die vroeger in verband met Mijne beloften onder u werkte, zal alle hinderpalen ter zijde stellen, welke Mijn rijk van genade tegenwerken; vreest daarom niet, al is ook het heden niet gelijk gij uwe menselijke berekening hebt gemaakt. Ik zal door mijne almacht het woord Mijns verbonds vervullen en Mijnen tempel verheerlijken.
Want alzo zegt de HEERE der heirscharen: Nog eens een weinigtijds zal het zijn, en Ik zal nog eens, als toen Ik aan den Sinaï onder geweldige aardbeving Mijne Goddelijke wet openbaarde (Hab. 3:6), maar nog ontzettender de hemelen, en de aarde, en de zee, en het droge, de gehele wereld doen beven, zodat de ganse toestand der zichtbare schepping zal veranderen.
Ja Ik zal ook al de Heidenen, d. i. al de volken op aarde, door grote politieke omwentelingen (vs. 22) doen beven, zodat hun vroegere toestand zal eindigen, en de macht der heidenwereld zal worden gebroken en vernietigd, en zij zullen, ten gevolge van dien algemenen schok der gehele wereld, komen tot den wens aller Heidenen 1), het tempelgebouw en den waren godsdienst, en Ik zal alsdan dit huis, over welks armoede gij zo treurt en klaagt, en waarbij gij vergeet, dat ook daarin nog het Godsrijk onder u is afgeschaduwd, met heerlijkheid vervullen, zegt de HEERE der heirscharen 2) (Jes. 60:11).
Volgens andere vertaling: de kostbaarheden van alle heidenen zullen komen, zij zullen hun schatten als gaven tot Mijn huis brengen. Opmerkelijk is deze plaats, omdat ook hier de heidenen, de volken buiten Israël, gesteld worden tot geroepenen in het koninkrijk Gods en van Zijnen Gezalfden. De Beloofde aan Israël was de Begeerde bij de heidenen. En het bevreemde ons niet, dat er ook bij de heidenen, ook zonder dat zij er zich duidelijk van bewust waren, een verlangen en ene begeerte bestond naar het heil; waarmee God Zijne trouw aan Israël en Zijne barmhartigheid aan de heidenen zou bewijzen; want ach, de gehele heidense wereld was te midden van hare diepte van zonde en ellende een zuchtend schepsel, dat met opgestoken hoofde wachtte op de openbaring der vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. Neen, wij kunnen ons geen denkbeeld maken van hetgeen in de oude heidense wereld geleden is, en nog in de tegenwoordige heidense wereld geleden wordt. Bij deze vergeleken, zijn onze Christelijke staten gelukstaten. Bij de heidenen vindt men veel kracht en weinig liefde, veel genot en weinig geluk. Tegen één rijke vindt men er duizende armen, of juister gezegd: tegen één verdrukker vindt men duizende verdrukten, en het zuchten van deze laatsten roept dag en nacht tot God om verlossing. Doch wat baat hun ene bloot tijdelijke verlossing, hoe gewenst ook: deze wordt hun ten laatste van zelf in het graf gegeven. Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht; dßßr zijn de gebondenen te zamen in rust; zij horen de stem der drijvers niet. De kleine en de grote is dßßr, en de knecht vrij van zijnen heer! Zij moeten ene eeuwige verlossing hebben, zij moeten Christus hebben; o dat wij hun die brengen! Dat hun onuitsprekelijke ellende ons de duizendvoudige roepstem zij van den Macedonischen man: “Komt over en helpt ons!” Christenen waarom bouwt gij uwe eigene huizen zo schoon, en laat gij des Heeren huis zo woest liggen, waarom besteedt gij zoveel geld aan uwe klederen, aan uwe maaltijden, aan uwe uitspanningen en hebt gij zo weinig geld over voor het heil van onsterfelijke zielen! Bedenkt, thans is het de tijd der zending, en nog kunt gij er aan mede arbeiden, maar in den dood is er geen arbeid meer; daar rust men als God, of lijdt men als de Boze.
Zo verheft God het kleine. Salomo’s tempel was heerlijk, maar wet bevatte hij? Enkel schaduwen. Maar het tempeltje van Zerubbabel zou den Heere der heerlijkheid zelven ontvangen, met Zijne genade en met Zijnen Geest. De Messias zelf zou daarin lichamelijk verschijnen, en daarin prediken. Nochtans sloot dat ook den letterlijken zin niet uit, want door Herodes werd deze laatste tempel zo heerlijk verbouwd, als in dien trant zelfs Salomo’s tempel niet was. Zo is meermalen datgene, wat wij verwachten en niet komt, het kleine; en hetgeen wij niet verwachten, maar komt, het grote. Toen de teruggekeerden uit Babel den tempel wilden herbouwen, boden de Samaritanen den Joden aan hen hierin te helpen. Op dezelfde wijze zeggen nu de ongelovigen tot de gelovige Protestanten: komt laat ons nu alle verschillen vergeten en als één man staan tegen den gemeenschappelijken vijand: de Roomsen. Doch de Joden waren van een ander gevoelen en zeiden: Wij mogen zelfs niet van deze goede zaak een gemeenzame zaak met u maken. Doch dit was dan nu ook het begin van den strijd over den tempel. Later ontbrandde nog een feller strijd over den tempel, over zijne ontheiliging door Antiochus Epifanes, de strijd namelijk der Makkabeën. Daarna heeft Rome, aan welke de Makkabeën den meesten steun hadden, eerst Israël afhankelijk gemaakt, toen onderdrukt en ten laatste geheel verslagen. Zo was dan de Zerubbabelse tempel als het ware het middelpunt van een voortgezetten strijd, totdat de Romeinen hem verwoestten; en toch was er aan dien tempel vrede beloofd. Dit was nu ene grote teleurstelling voor dezulken, die deze belofte in een lageren zin opvatteden; maar ene heerlijke verrassing voor hen, die in Christus zelven den vrede Gods op aarde en in den tempel aanschouwden. Met Hem zou ook eenmaal de algemene vrede komen. Gezegende hoop! gelukkige verwachting! Heidenen, die onkundig waren van het Evangelie, zullen weldra beginnen daaraan te geloven; woestijnen, waar nimmer ene bloem tierde, zullen bloeien gelijk de roos; oceanen op wier watervlak nimmer een gebed of psalmtoon werd gehoord, zullen weldra van den lof des Konings aller koningen, weergalmen. Huizen die gene godsdienstoefening, en harten, die gene liefde kennen, zullen niet langer daarvan vervreemd zijn; waarheden zullen bekend worden en vreugde zal zich vermenigvuldigen, even als op een kouden winteravond ster bij ster aan het uitspansel fonkelt, totdat al de hemelen des Heeren prijs en eer vermelden. Want voor een distel zal een denneboom, en voor een doorn een mirtenboom opgaan, en het zal den Heere tot een eeuwig teken zijn, dat niet zal uitgeroeid worden. De dag komt, waarop dit zal geschieden; wanneer?
Dat kan Ik doen; want Mijne is het zilver en Mijne is het goud 1), en alle goederen, welke de Heidenen bezitten, en Ik kan ze bewegen hun schatten aan te brengen tot verheerlijking van Mijn rijk, spreekt de Heere der heirscharen.
Het mag Gods volk en hun noden tot voldoening verstrekken, wanneer zij overwegen, dat God alles, wat hun ontbreekt, op Zijn bevel geeft, en dat Hij het hun niet onthouden zou, ten ware Hij zag, dat zulk ene bedoeling ten hunnen nutte was, gelijk hier dan ook de Joden, in hun verzoeking van armoede, hiermede te gemoet worden gekomen.
De heerlijkheid van dit laatste huis (liever de laatste heerlijkheid van dit huis), dat door Zerubbabel gebouwd is, en dat toch eigenlijk door alle tijden heen steeds een en hetzelfde huis des Heeren, de afschaduwing van Mijn rijk geweest is, zal groter worden, dan van het eerste, dan zal van den Salomonischen tempel, zegt de HEERE der heirscharen; en in deze plaats zal Ik vrede geven, in de eerste plaats uitwendigen vrede, welke tot een geestelijke worden zal, spreekt de HEERE der heirscharen. Als de Heere, die de Engel des Verbonds bleef, niet alleen met Goddelijke tekenen en wonderen op aarde zou verschijnen, maar ook als overwinnaar van dood en hel in den hemel zou binnentreden, als de Geest uit de hoogte op den Pinksterdag zou worden uitgestort, de Mozaïsche bedeling afgeschaft, geheel de wereld door het Evangelie in beweging gebracht, en Jeruzalem met den tempel door de Romeinen verwoest, dan zouden de heidenen tot den geestelijken tempel Gods ter aanbidding toevloeien, en delen in den zegen van Hem, die de wens der heidenen was, dewijl Hij ook voor de volken der aarde was beloofd (Gen. 22:18). Dat zou Hij doen, wiens al het goud en zilver dezer aarde is, en die alle middelen in Zijne hand heeft. Immers was het in den raad Gods bepaald, dat niettegenstaande het gemis van de Schechina in den tweeden tempel, de heerlijkheid Gods zich in dezen groter zou vertonen, dan in den eersten, terwijl de Messias, Gods eigen Zoon en evenbeeld, in wien de heerlijkheid des Heeren alleszins zou blijkbaar zijn, daarin verschijnen zou, en van daar den vrede voor de aarde verkondigen. Dat was de krachtigste aanmoediging, het heerlijkste verschiet, en als wij dan de volkomen vervulling daarvan in Jezus Christus, onzen Heere, aanschouwen, als wij dien tweeden tempel sinds lang door de Romeinen zien verwoest, en het Evangelie door vele heidenen is aangenomen, dan worden wij in het geloof, dat Jezus is de Christus en de heerlijkheid Gods, versterkt, op onze uitnemende voorrechten onder den nieuwen dag gewezen, aan dat onvergankelijk koninkrijk, dat eeuwig duren zal, verbonden, om aan den geestelijken Godstempel te bouwen, op dat ongeschapen Woord Gods, dien Engel des Verbonds, steeds te zien, en door de inwoning des H. Geestes Gods en den Vader de heerlijkheid en ere te geven. Reeds dadelijk na Haggaï’s tijden begon die beroering van alle volken, die hij profeteerde, die beroering, welke door alle tijden heenging en in het laatste oordeel uitliep. “Onder Darius Hystaspes stond het Perzische rijk nog op het toppunt van zijne macht, maar het begon reeds onder zijn opvolger Xerxes geschokt te worden; dat kwam bij den oorlog tegen Griekenland duidelijk aan den dag. Dat de tijd van deze wereldmacht spoedig vervuld zou zijn, kon toen reeds worden vermoed, en door Alexanders snelle veroveringen kwam dat voorgevoel tot vervulling. Ook zijne macht, schijnbaar voor de eeuwigheid bestemd, bezweek spoedig onder het lot van het tijdelijke. De beide machtigste rijken, die uit de monarchie van Alexander ontstonden, het Syrische en Egyptische, stonden wederkerig tegen elkaar over. Nu kwamen de Romeinen aan de wereldheerschappij, maar terzelfder tijd, dat zij op het toppunt hunner gerustheid schenen te zijn, was hun vermindering reeds verre voortgegaan. Ook met de komst van Christus en de vestiging der Christelijke kerk bereikten deze schokken der heidenen, door welke hun kracht gebroken, en de oplossing van het heidendom en de anti-goddelijke wereldmacht werd teweeggebracht, nog hun einde niet, maar evenals het wereldrijk naast het door Christus op aarde gestichte hemelrijk in stand blijft tot aan de wereldkomst van onzen Heer ten gerichte, zo duurt ook het schudden der heidenen en der koninkrijken der volken zo lang voort totdat alle macht, welke zich tegen den almachtigen God en Zijnen Christus verheft, zal zijn gebroken, en de door de zonde der mensen bedorvene, en om hunnentwil der vergankelijkheid onderworpene wereld zal ten ondergaan, en de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zal worden gesticht, in welke gerechtigheid woont, en welke wij verwachten (2 Petr. 3:12 v.) Bij dit ineenstorten van den tegenwoordigen wereldtoestand, bij den ondergang van hemel en aarde zal vervolgens door Haggaï voorzegde en als laatste doel dadelijk bij het begin genoemde schokking van de wereld door aardbeving en wonderbare tekenen aan den hemel ook geheel worden vervuld, nadat die in verband met die grote volksbewegingen en bij den dood van Christus reeds bij wijze van voorbeeld vervuld is. Met dit door die bewegingen der volken toenemend verval van het heidendom en van zijne macht nam tevens het verlangen der volken naar den levenden God, dien zij door Israëls verstrooiing hadden leren kennen, toe, zodat zich velen van hen aan het Jodendom aansloten, anderen, zoals ook Artaxerxes en zijne raadslieden, geschenken en gaven voor den tempel brachten, of op andere wijze hun verering voor den tempel te Jeruzalem betoonden (Ezra 7:15 vv. 6:6-10). Reeds deze uitwendige verheerlijking van den tempel door de schatten der heidenen was een voorspel voor de eigenlijke vervulling der belofte van Haggaï, welke met Christus en Zijne oprichting van den waren niet met mensenhanden gebouwden tempel Gods, van het ware door den tempel van Zerubbabel afgeschaduwde rijk Gods, tot werkelijkheid kwam. Deze verheerlijking van het huis Gods is door de uitbreiding van het rijk Gods onder de heidenen, die hun zichtbare en geestelijke schatten tot Zijne verheerlijking aanbrachten, voortgezet, en zal aan het einde van den loop dezer wereld in de stichting van het nieuwe Jeruzalem op de aarde na den val van alle Gode vijandige wereldmachten worden voltooid: “In deze heilige stad, waarin de heerlijkheid Gods, maar geen tempel meer zal zijn, zullen de koningen der aarde hun schatten voeren, en de zalige heidenen zullen in haar wandelen (Openb. 21:10 vv. 22 vv.). Zo omdat ook deze voorzegging van Haggaï de gehele ontwikkeling van het rijk Gods tot aan het einde. In dienzelfden zin heeft ook Hebr. 12:26 v. onze plaats verstaan. Wat vrede kon bij den vrede halen, in de volheid des tijds hier vermenigvuldigd aan talloze heilbegerige scharen, door de woorden en daden van den Heere en Zijne getrouwe getuigen? Wie ondervonden de vervulling dezer Godsspraak zo krachtig, als de drie duizend op den eersten Christen-Pinksterdag, die hier het bevredigend antwoord hoorden op de ontruste vraag der boetvaardigheid: “wat zullen wij doen, mannen broeders?” In zeker opzicht loopt de vervulling zelf nog door, voor zover het geestelijk Godsgebouw, waarin God Zijne vrede aan alle gelovigen schenkt, de voortzetting en volmaking van den reeds verdwenen tempel mag heten. Ja, wie zou beweren, dat thans reeds ten volle geschied is, wat hier wordt beloofd: dat alle aardse macht en heerlijkheid is ten offer gebracht aan den dienst en de verering van God, en dat al de heidenen reeds den weldadigen schok hebben gevoeld, die ontwaken doet uit den sluimer der zonden? Is Hij de Jehova, de Onveranderlijke, Almachtige en Algenoegzame, een vurige muur rondom ons, wat zou ons dan verontrusten of schaden kunnen? Wil Hij zelf, als de Drie-eenige verbondsgod, tot heerlijkheid in het midden Zijner gemeente wezen, en alzo Zijne heerlijkheid, de luister Zijner volmaaktheden, op het uitnemendst onder ons tonen, dan ontbreekt ons noch licht of leven, noch troost of kracht. En indien de Heere overeenkomstig die zelfde heerlijkheid, die Hij over Zijn gunstvolk brengt en naar welke Hij uitdrukkelijk verklaart, dat Hij ze bewaakt als den appel van Zijn oog, Zijne kerk ook tegen hare vijanden beveiligen wil, en dat zo sterk bevestigt (vs. 8, 9), dan kan men op God zelven, op Zijne bekende volmaaktheden, op het woord Zijner belofte aangaan en rekening maken, en die hoop zal nooit beschamen. 11. III. VS. 11-20. Nadat door deze zo grote belofte alle moedeloosheid en treurigheid des volks bij den verderen bouw des tempels was weggenomen, kwam weer het bevel des Heeren tot Haggaï om in ene derde rede het volk eerst nog eens recht duidelijk te maken, dat de tot hiertoe ondervonden tegenspoed in het land alleen het gevolg zijner nalatigheid in het opbouwen van den tempel geweest was, en het alzo de spoedige wederkering van den zegen des Heeren te verkondigen, en het daardoor in zijne trouw te bevestigen.
Op den vier en twintigsten dag der negende maand Kislev, ongeveer van het midden van November tot het midden van December juist drie maanden na het weer aanvangen van den tempelbouw, nadat het uitzaaien der wintervruchten was geëindigd en in de grotere of geringere menigte van den vroegen regen in den herfst de zegen Gods kon worden erkend, in het tweede jaar van Darius, geschiedde het woord des HEEREN ten derden male door den dienst van den Profeet Haggaï, zeggende:
Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Vraag nu toch den priesters de wet, om oplossing volgens de wet, en maak volgens hun eigene verklaring het volk nog eens recht duidelijk, dat het zich door zijne zonde dat misgewas als straf heeft op den hals gehaald, vraagt den Profeet, zeggende:
Ziet iemand draagt heilig vlees van offerdieren in de slip van zijn kleed, en hij raakt met zijne slip, die door het heilige vlees is heilig geworden (Lev. 6:20) aan het brood, aan het moes, of aan den wijn, of aan de olie, of aan enige spijze, zal het heilig worden door de aanraking? En de priesters antwoordden en zeiden: Neen.
En Haggaï zei verder: indien iemand die onrein is, door het aanraken van een dood lichaam (Num. 6:6. Lev. 21:11) iets van die bovengenoemde dingen aanroert, zal het onrein worden? En de priesters antwoordden en zeiden: Het zal onrein worden, want volgens Num. 19:22 maakt de door aanraking van het dode verontreinigde alles onrein, wat hij aanroert
Toen antwoordde Haggaï, deze voorbeelden toepassende op het volk en zijne verhouding tot den Heere, en zei: Alzo, gelijk de man, die in zijn kleed het heilige draagt, en gelijk hij, die door enen dode onrein is geworden, is dit volk, en alzo is deze natie voor Mijn aangezicht, spreekt de HEERE. Het heiligdom van Mijnen tempel, dat zij in hun land, als in een slip van hun kleed dragen, maakt wel het land, maar niet alles wat daarin groeit, heilig en gezegend; de tegenspoed welke tot hiertoe op de vruchten van het heilige land lag, komt dus door hun eigene onreinheid en zonde, welke zij door hun onverschilligheid omtrent Mijn huis op zich hebben geladen. Deze verbreidt zich als een vloek over alles, en alzo is al het werk hunner handen, en ook wat zij daar offeren op het brandofferaltaar, wat door hen dadelijk na het terugkeren uit de ballingschap gebouwd is, dat is onrein 1) en vervloekt.
De bedoeling der vraag en de toepassing is duidelijk. Israël meende dat hun offer op het altaar hen zou heiligen, al bouwden zijn den tempel niet, en verachtten aldoor de ordinantiën Gods. De vloek Gods bleef er om op hen rusten, zodat de Heere dan ook niet spreekt van mijn volk en mijn natie, maar van dit volk en van deze natie. Eerst dan, als zij weer zouden wandelen naar de rechten en inzettingen Gods, en daarom ook weer den tempel gereed zouden hebben, dan zou de Heere hen ook weer de verbondszegeningen deelachtig maken, maar tot zolang zou de Heere met hen in tegenheden wandelen.
En nu stelt er toch eens ulieder hart op, van dezen dag af en opwaarts, en te voren, eer er steen op steen gelegd werd aan den tempel des HEEREN, heden voor 3 maanden.
Eer die dingen geschiedden, kwam iemand tot den korenhoop, die naar zijne mening van twintig malen zou zijn, zo waren er bij het uitdorsen maar tien; komende tot den wijnbak om vijftig maten van de pers te scheppen, zo als men meende, zo waren er maar twintig.
Ik, de Heere, sloeg ulieden in Mijnen toorn met brandkoren, met honingdauw (Amos 4:9), en met hagel, die uwe wijnstokken in stukken sloeg, en a), al het werk uwer handen beschadigde; en gij keerdet u niet tot Mij, en wildet de ware oorzaak van den tegenspoed niet erkennen, spreekt de HEERE.
Hagg. 1:11. Hoe vernielend is de hagel op het te velde staande koren. Het kostbare graan wordt er door op den grond gelegd. Hoe dankbaar behoren wij te zijn, wanneer onze oogst voor zulk ene vreselijke ramp bewaard blijft! Laat ons den Heere dankzegging toebrengen! Doch er zijn van die stille, geheimzinnige verwoesters, die vaak meer te vrezen zijn, als de roest, brand en honingdauw. Deze veranderen den korenaar in roest, en doen hem rotten, en de mens is zo geheel onmachtig daar iets tegen te doen, dat de landman gedrongen wordt uit te roepen: dat is de vinger van God. Ontelbare kleine oorzaken doen het kwaad, en ware het niet door Gods goedheid, de bereider van het zwarte paard zo spoedig honger over het land brengen. Oneindige ontferming bewaart het voedsel voor den mens; maar wanneer wij zien op de menigte vijanden, die den oogst zoeken te vernielen, dan erkennen wij de wijsheid der bede: Geef ons heden ons dagelijks brood. De vloek is daarbuiten, dus hebben wij gedurig behoefte aan den zegen. Roest en honingdauw in ‘t koren zijn bestraffingen van boven, waar naar de mens moet leren luisteren, als naar Hem, die ze toezendt. In ‘t geestelijke is de honingdauw geen ongewoon kwaad. Wanneer ons werk het meest belovend schijnt te zijn, dan verschijnt dit bederf. Wij verwachten veel bekeringen, en ziet ene algemene loomheid, grote wereldgezindheid, of ene treurige verharding des harten openbaart zich! Het zijn gene openlijke zonden van hen, aan wie wij arbeiden, maar het is gebrek aan oprechtheid en beslistheid, dat onze hoop zo droevig teleurstelt. Wij leren hieruit onze afhankelijkheid van den Heere, en hoe nodig het is te bidden, dat er geen kwaad aan ons werk geschiede. Geestelijke hoogmoed of traagheid kunnen zo spoedig het gevreesde bederf over ons brengen; alleen de Heere des oogstes kan het afwenden. Honingdauw kan zelfs onze harten aantasten en onze gebeden en godsdienstoefeningen verkoelen. Moge het den groten Heere des oogstes behagen, zulk een vreselijk kwaad van ons af te wenden. Schijn, gezegende Zon der gerechtigheid, en drijf het verderf heen! .
Stelt er toch uw hart op, van dezen dag af en opwaarts, verder in de toekomst; van den vier en twintigsten dag der negende maand af, van den dag af zal u, die des Heeren woord nu hebt gehoord, en die Zijn huis weer zijt beginnen te bouwen, des Heeren zegen ten deel worden. Opdat gij echter die genadige belofte voor de toekomst recht op prijs moogt stellen, zo wendt vooraf uwe blikken nog eens op den treurigen toestand in de vroegere dagen tot het terugkeren uit de ballingschap, volgens toestemming van den koning Cyrus, als het fondament aan den tempel des HEEREN is gelegd geworden, afgezien van de weinige weken, in welke aan den tempel tot aan het begin van het werk, als ook van de 3 maanden, in welke nu weer aan dezen is gebouwd, stelt er toch eens uitdrukkelijk uw hart op; let op al den tegenspoed, die over u sedert dien gansen tijd kwam.
Is er nog zaad, of koren, dat gij in dien tijd oogstet, in de schuur? Is het niet integendeel tot het laatste korreltje verteerd, omdat er zo weinig was? Zelfs tot den wijnstok, en den vijgeboom, en den granaatappelboom, en den olijfboom, die niet gedragen heeft, die zal Ik van dezen dag, den 24sten (vs. 19) af weer zegenen,
zodat er weer vruchtbare tijden komen en velden en bomen weer vruchten zullen dragen.
Merkt hieraan, wanneer wij een geweten beginnen te maken van onze plicht omtrent God, mogen wij Zijn zegen verwachten, en deze boom des levens is zo kenbaar aan zijne vruchten, dat iemand, bijna op een dag een merkbare keer in Gods Voorzienigheid zal kunnen onderscheiden ten voordele dergenen, die in den weg van hun plicht wederkeren, zodat zij en anderen mogen zeggen, voor dezen dag zijn zij gezegend. 21.
IV. Vs. 21-24.KruisverwijzingenMicha 5:10→Jesaja 43:10→Hagai 1:1→Ezra 5:2→Richteren 7:22→Jeremia 22:24→Jesaja 42:1→Openbaring 16:17→
— Spreek tot Zerubbabel, den vorst van Juda, zeggende: Ik zal de hemelen en de aarde bewegen. En Ik zal den troon der koninkrijken omkeren, en verdelgen de vastigheid van de koninkrijken der heidenen; en Ik zal den wagen omkeren, en die daarop rijden; en de paarden, en die daarop rijden, zullen nederstorten, een iegelijk in des anderen zwaard. Te dien dage, spreekt de HEERE der heirscharen, zal Ik u nemen, o Zerubbabel, gij zoon van Sealthiel, Mijn knecht! spreekt de HEERE, en Ik zal u stellen, als een zegelring; want u heb Ik verkoren, spreekt de Heere der heirscharen.
In zijne vierde rede, welke hem de Heere nog dien zelfden dag openbaarde, wendt zich de Profeet tot Zerubbabel, den vertegenwoordiger van het Davidische Koningshuis, en bevestigt hem de beloften des Heeren aan David, dat zijn koningschap zal worden bewaard en in stand gehouden ook door de stormen heen, welke de wereldmacht zullen doen ineen storten.
Het woord des HEEREN nu geschiedde ten tweeden maal tot Haggaï, op dienzelfden dag (vs. 9) den vier en twintigsten der maand, zeggende:
Spreek tot Zerubbabel, den vorst van Juda (Ezra 1:3), den stadhouder van den koning van Perzië, in wien als den zoon van Sealthiël en nakomeling van David, het koningschap van David in zijne vernedering onder het koninkrijk van de wereldmacht vertegenwoordigd en onderhouden wordt, zeggende: Ik zal, zo als Ik boven (vs. 7 v.) gezegd heb, de hemelen en de aarde bewegen.
Spreek tot Zerubbabel, den vorst van Juda (Ezra 1:3), den stadhouder van den koning van Perzië, in wien als den zoon van Sealthiël en nakomeling van David, het koningschap van David in zijne vernedering onder het koninkrijk van de wereldmacht vertegenwoordigd en onderhouden wordt, zeggende: Ik zal, zo als Ik boven (vs. 7 v.) gezegd heb, de hemelen en de aarde bewegen.
Te dien dage, als de heerschappij der heidenen alzo in de wereld ineenstort, spreekt de HEERE der heirscharen, zal Ik u nemen, o Zerubbabel, gij zoon van Sealthiël, en daardoor zoon en erfgenaam van David, Mijn knecht, dien Ik tot Mijnen bijzonderen dienst genomen heb, om het eeuwige koningschap van David ook in de vernedering te dragen, spreekt de HEERE, en Ik zal u, het in u bewaarde en vertegenwoordigde koningschap van David, stellen als een zegelring, dien men steeds bij zich draagt en als een kostbaar eigendom bewaart (Jes. 22:24. Hoogl. 8:6). Als alle rijken te gronde gaan zal Ik Davids rijk en troon niet verwerpen, maar met Mij op ‘t nauwst verbinden en eeuwig onderhouden; want u, namelijk David en zijn koningschap, waarvan Gij nu de vertegenwoordiger zijt, heb Ik van eeuwigheid verkoren, en Mijne beloften aan David gegeven, zullen niet te niet gaan, spreekt de HEERE der heirscharen. Met deze woorden wordt de Messiaanse belofte, die aan David gegeven was, onder zijne nakomelingen op Zerubbabel en diens geslacht overgedragen, en zal aan hem op dezelfde wijze worden vervuld, als de aan David gegevene belofte, dat God hem tot den hoogsten onder de koningen op aarde zal maken (Ps. 89:28). Het spreekt van zelf, dat de belofte niet op den persoon van Zerubbabel als zodanig betrekking heeft, maar op zijn ambt; want de val van alle koninkrijken, na welken dat eerst zal worden vervuld, was in een enkelen menschenleeftijd niet te verwachten. De vervulling van deze belofte heeft haar toppunt in Jezus Christus, den Zoon van David en nakomeling van Zerubbabel (Matth. 1:12. Luk. 3:27), waarin Zerubbabel tot zegelring van Jehova is gemaakt. Jezus Christus heeft het rijk van Zijnen vader David weer opgericht, en aan Zijne koninkrijk zal geen einde zijn (Luk. 1:32 vv.). Moge het ook nu nog door de macht van de koninkrijken der heidenen gedrukt en diep vernederd voorkomen, zo zal het toch nooit verwoest en vernietigd worden, maar zal nog al die koninkrijken vermalen en verwoesten, en zal zelf eeuwig bestaan (Dan. 2:44. Hebr. 12:28. 1 Kor. 15:24 Jechonia was als een zegelring geweest aan de rechterhand Gods, maar God had hem afgezet. En nu had God Zerubbabel in diens plaats gesteld. De uitdrukking dient, om aan te geven, dat deze in de ogen Gods dierbaar was, maar ook dat zijn geslacht zou voortduren, totdat de Messias uit hetzelve zou voortkomen, die bij uitnemendheid was de zegelring van Gods rechterhand. Zerubbabel is hier dan ook de type van den Christus Gods. SLOTWOORD OP DEN PROFEET HAGGAI. Gelijk Zefanja de rij der Profeten vóór de ballingschap sluit, zo opent Haggaï die der Profeten na de ballingschap. Wie hij was, toen hij door God tot Profeet geroepen werd, en uit welk geslacht, is ons niet bekend. Of hij nog den tempel van Salomo in diens heerlijkheid gekend heeft, wordt wel door sommigen beweerd, maar is ook niet te bewijzen. Hij trad op in de dagen van Darius Hystaspes, en onder een volk, hetwelk lauw was geworden voor den zuiveren en wettigen dienst des Heeren. Onder een volk, hetwelk zich reeds begon te verliezen in een eigengerechtigen wandel, zodat het meende, dat, indien het naar eigen inzichten de wet vervulde, het genoeg deed. Hierom zendt God, de Heere, hem, om zijne tijdgenoten te bepalen bij het feit, dat alleen in volkomen terugkeer tot de rechten en inzettingen des Heeren vrede en welvaart is te vinden. Om het volk het aan te zeggen, dat de Heere niet met een halven dienst te vreden is, dat Hij volkomen wenst gediend te worden. Zijn woord, onder de machtige werking des Heeren zelven, heeft invloed, en de Profeet mag het aanschouwen, dat het volk gans gewillig gemaakt is, om den Heere de eer Zijns Naams te geven, door den tempel te herstellen. En waar dit plaats grijpt, daar wordt hij ook verwaardigd, om heraut te zijn van dagen van zegen, na dagen van druk, ja, van de heerlijkheid, die in den Messias geopenbaard zal worden, van wien Zerubbabel het voorbeeld is.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel