Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1In het tweede jaar van den koning Darius, in de zesde maand, op den eersten dag der maand, geschiedde het woord des HEEREN, door den dienst van Haggai, den profeet, tot Zerubbabel, den zoon van Sealthiel, den vorst van Juda, en tot Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, zeggende:
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1In het tweedeH8147jaarH8141 van den koningH4428DariusH1867, in de zesdeH8345maandH2320, op den eerstenH259dagH3117 der maandH2320, geschieddeH1961 het woordH1697 des HEERENH3068, door den dienstH3027 van HaggaiH2292, den profeetH5030, totH413ZerubbabelH2216, den zoonH1121 van SealthielH7597, den vorstH6346 van JudaH3063, en totH413JosuaH3091, den zoonH1121 van JozadakH3087, den hogepriesterH1419, zeggendeH559:In het tweede jaar van den koning Darius, in de zesde maand, op den eersten dag der maand, geschiedde het woord des HEEREN, door den dienst van Haggai, den profeet, tot Zerubbabel, den zoon van Sealthiel, den vorst van Juda, en tot Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, zeggende:
KJVIn the second2year1of Darius3the king,4in the sixth6month,5in the first8day7of the month,9came the word11of the LORD12by13Haggai14the prophet15unto Zerubbabel17the son18of Shealtiel,19governor20of Judah,21and to Joshua23the son24of Josedech,25the high27priest,26saying,
2Alzo spreekt de HEERE der heirscharen zeggende: Dit volk zegt: De tijd is niet gekomen, de tijd, dat des HEEREN huis gebouwd worde.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2AlzoH3541spreektH559 de HEEREH3068 der heirscharenH6635zeggendeH559: DitH2088volkH5971zegtH559: De tijdH6256 is nietH3808gekomenH935, de tijdH6256, dat des HEERENH3068huisH1004gebouwdH1129 worde.Alzo spreekt de HEERE der heirscharen zeggende: Dit volk zegt: De tijd is niet gekomen, de tijd, dat des HEEREN huis gebouwd worde.
KJVThus speaketh2the LORD3of hosts,4saying,5This people6say,8The time10is not come,11the time12that the LORD'S14house13should be built.
1כֹּ֥הH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder2אָמַ֛רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet3יְהוָ֥הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)4צְבָא֖וֹתH6635heirscharen, heir, heirenappointed time, ([phrase]) army, ([phrase]) battle, company, host, service, soldiers, waiting upon, war(-fare)5לֵאמֹ֑רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet6הָעָ֤םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people7הַזֶּה֙H2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)8אָֽמְר֔וּH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet9לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without10עֶתH6256tijd, tijde, tijden[phrase] after, (al-) ways, [idiom] certain, [phrase] continually, [phrase] evening, long, (due) season, so (long) as, (even-, evening-, noon-) tide, (meal-), what) time, when11בֹּ֛אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way12עֶתH6256tijd, tijde, tijden[phrase] after, (al-) ways, [idiom] certain, [phrase] continually, [phrase] evening, long, (due) season, so (long) as, (even-, evening-, noon-) tide, (meal-), what) time, when13בֵּ֥יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)14יְהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)15לְהִבָּנֽוֹתH1129bouwen, gebouwd, bouwde(begin to) build(-er), obtain children, make, repair, set (up), [idiom] surely
3En het woord des HEEREN geschiedde door den dienst van den profeet Haggai, zeggende:
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3En het woordH1697 des HEERENH3068geschieddeH1961 door den dienstH3027 van den profeetH5030HaggaiH2292, zeggendeH559:En het woord des HEEREN geschiedde door den dienst van den profeet Haggai, zeggende:
KJVThen came the word2of the LORD3by4Haggai5the prophet,6saying,
4Is het voor ulieden wel de tijd, dat gij woont in uw gewelfde huizen, en zal dit huis woest zijn?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4Is het voor ulieden wel de tijdH6256, dat gijH859woontH3427 in uw gewelfdeH5603huizenH1004, en zal ditH2088huisH1004woestH2720 zijn?Is het voor ulieden wel de tijd, dat gij woont in uw gewelfde huizen, en zal dit huis woest zijn?
KJVIs it time1for you, O ye, to dwell4in your cieled6houses,5and this house7lie waste?
1הַעֵ֤תH6256tijd, tijde, tijden[phrase] after, (al-) ways, [idiom] certain, [phrase] continually, [phrase] evening, long, (due) season, so (long) as, (even-, evening-, noon-) tide, (meal-), what) time, when2לָכֶם֙3אַתֶּ֔םH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you4לָשֶׁ֖בֶתH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry5בְּבָתֵּיכֶ֣םH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)6סְפוּנִ֑יםH5603bedekt, bedekte, gewelfdecieled, cover, seated7וְהַבַּ֥יִתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)8הַזֶּ֖הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)9חָרֵֽבH2720woest, eenzame, drogedesolate, dry, waste
5Nu dan, alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5Nu dan, alzoH3541zegtH559 de HEEREH3068 der heirscharenH6635: SteltH7760 uw hartH3824opH5921 uw wegenH1870.Nu dan, alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen.
6Gij zaait veel, en gij brengt weinig in; gij eet, maar niet tot verzadiging; gij drinkt, maar niet tot dronken worden toe; gij kleedt u, maar niet tot uw verwarming, en wie loon ontvangt, die ontvangt dat loon in een doorgeboorden buidel.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6Gij zaaitH2232veelH7235, en gij brengtH935weinigH4592 in; gij eetH398, maar nietH369 tot verzadigingH7654; gij drinktH8354, maar nietH369 tot dronkenH7937 worden toe; gij kleedtH3847 u, maar nietH369 tot uw verwarmingH2527, en wie loon ontvangtH7936, die ontvangt dat loonH7936 in een doorgeboordenH5344buidelH6872.Gij zaait veel, en gij brengt weinig in; gij eet, maar niet tot verzadiging; gij drinkt, maar niet tot dronken worden toe; gij kleedt u, maar niet tot uw verwarming, en wie loon ontvangt, die ontvangt dat loon in een doorgeboorden buidel.
KJVYe have sown1much,2and bring3in little;4ye eat,5but ye have not enough;7ye drink,8but ye are not filled with drink;10ye clothe11you, but there is none warm;13and he that earneth wages15earneth wages16to put it into a bag18with holes.
1זְרַעְתֶּ֨םH2232zaaien, gezaaid, bezaaienbear, conceive seed, set with sow(-er), yield2הַרְבֵּ֜הH7235veel, vermenigvuldigen, vermenigvuldigd(bring in) abundance ([idiom] -antly), [phrase] archer (by mistake for H7232 (רָבַב)), be in authority, bring up, [idiom] continue, enlarge, excel, exceeding(-ly), be full of, (be, make) great(-er, -ly, [idiom] -ness), grow up, heap, increase, be long, (be, give, have, make, use) many (a time), (any, be, give, give the, have) more (in number), (ask, be, be so, gather, over, take, yield) much (greater, more), (make to) multiply, nourish, plenty(-eous), [idiom] process (of time), sore, store, thoroughly, very3וְהָבֵ֣אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way4מְעָ֗טH4592weinig, weinige, bijnaalmost (some, very) few(-er, -est), lightly, little (while), (very) small (matter, thing), some, soon, [idiom] very5אָכ֤וֹלH398eten, gegeten, eet[idiom] at all, burn up, consume, devour(-er, up), dine, eat(-er, up), feed (with), food, [idiom] freely, [idiom] in...wise(-deed, plenty), (lay) meat, [idiom] quite6וְאֵיןH369geen, niet, niemandelse, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן)7לְשָׂבְעָה֙H7654verzadiging, verzadigd, verzadigen(to have) enough, [idiom] till...be full, (un-) satiable, satisfy, [idiom] sufficiently8שָׁת֣וֹH8354drinken, gedronken, drinkt[idiom] assuredly, banquet, [idiom] certainly, drink(-er, -ing), drunk ([idiom] -ard), surely. (Prop. intensive of H8248 (שָׁקָה).)9וְאֵיןH369geen, niet, niemandelse, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן)10לְשָׁכְרָ֔הH7937dronken, dronken aanstellen, dronkenen(be filled with) drink (abundantly), (be, make) drunk(-en), be merry. (Superlative of H8248 (שָׁקָה).)11לָב֖וֹשׁH3847bekleed, aantrekken, trok(in) apparel, arm, array (self), clothe (self), come upon, put (on, upon), wear12וְאֵיןH369geen, niet, niemandelse, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן)13לְחֹ֣םH2527heet, hitte, warmheat, to be hot (warm)14ל֑וֹ15וְהַ֨מִּשְׂתַּכֵּ֔רH7936gehuurd, huren, huurdenearn wages, hire (out self), reward, [idiom] surely16מִשְׂתַּכֵּ֖רH7936gehuurd, huren, huurdenearn wages, hire (out self), reward, [idiom] surely17אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)18צְר֥וֹרH6872bundeltje, bundel, steentjebag, [idiom] bendeth, bundle, least grain, small stone19נָקֽוּבH5344uitgedrukt, doorboren, gelasterdappoint, blaspheme, bore, curse, express, with holes, name, pierce, strike through
7Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7AlzoH3541zegtH559 de HEEREH3068 der heirscharenH6635: SteltH7760 uw hartH3824opH5921 uw wegenH1870.Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen.
8Klimt op het gebergte, en brengt hout aan, en bouwt dit huis, en Ik zal een welgevallen daaraan hebben, en verheerlijkt worden, zegt de HEERE.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8KlimtH5927 op het gebergteH2022, en brengtH935houtH6086 aan, en bouwtH1129 dit huisH1004, en Ik zal een welgevallenH7521 daaraan hebben, en verheerlijktH3513 worden, zegtH559 de HEEREH3068.Klimt op het gebergte, en brengt hout aan, en bouwt dit huis, en Ik zal een welgevallen daaraan hebben, en verheerlijkt worden, zegt de HEERE.
KJVGo up1to the mountain,2and bring3wood,4and build5the house;6and I will take pleasure7in it, and I will be glorified,9saith10the LORD.
1עֲל֥וּH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work2הָהָ֛רH2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion3וַהֲבֵאתֶ֥םH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way4עֵ֖ץH6086hout, bomen, boom[phrase] carpenter, gallows, helve, [phrase] pine, plank, staff, stalk, stick, stock, timber, tree, wood5וּבְנ֣וּH1129bouwen, gebouwd, bouwde(begin to) build(-er), obtain children, make, repair, set (up), [idiom] surely6הַבָּ֑יִתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)7וְאֶרְצֶהH7521welgevallen, aangenaam, behagen(be) accept(-able), accomplish, set affection, approve, consent with, delight (self), enjoy, (be, have a) favour(-able), like, observe, pardon, (be, have, take) please(-ure), reconcile self8בּ֥וֹ9וְאֶכָּבְדָ֖הH3513zwaar, eren, verheerlijktabounding with, more grievously afflict, boast, be chargeable, [idiom] be dim, glorify, be (make) glorious (things), glory, (very) great, be grievous, harden, be (make) heavy, be heavier, lay heavily, (bring to, come to, do, get, be had in) honour (self), (be) honourable (man), lade, [idiom] more be laid, make self many, nobles, prevail, promote (to honour), be rich, be (go) sore, stop10אָמַ֥רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet11יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
9Gij ziet om naar veel, maar ziet, gij bekomt weinig; en als gij het in huis gebracht hebt, zo blaas Ik daarin. Waarom dat? spreekt de HEERE der heirscharen; om Mijns huizes wil, hetwelk woest is, en dat gij loopt elk voor zijn eigen huis.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9Gij ziet om naarH413veelH7235, maar zietH2009, gij bekomt weinigH4592; en als gij het in huisH1004gebrachtH935 hebt, zo blaasH5301 Ik daarin. WaaromH4100 dat? spreektH5002 de HEEREH3068 der heirscharenH6635; om Mijns huizesH1004wilH834, hetwelk woestH2720 is, en datH1931gijH859looptH7323elkH376 voor zijn eigen huisH1004.Gij ziet om naar veel, maar ziet, gij bekomt weinig; en als gij het in huis gebracht hebt, zo blaas Ik daarin. Waarom dat? spreekt de HEERE der heirscharen; om Mijns huizes wil, hetwelk woest is, en dat gij loopt elk voor zijn eigen huis.
KJVYe looked1for much,3and, lo, it came to little;5and when ye brought6it home,7I did blow8upon it. Why? saith12the LORD13of hosts.14Because10of mine house16that is waste,19and ye run21every man22unto his own house.
1פָּנֹ֤הH6437keerde, keerden, ziendeappear, at (even-) tide, behold, cast out, come on, [idiom] corner, dawning, empty, go away, lie, look, mark, pass away, prepare, regard, (have) respect (to), (re-) turn (aside, away, back, face, self), [idiom] right (early)2אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3הַרְבֵּה֙H7235veel, vermenigvuldigen, vermenigvuldigd(bring in) abundance ([idiom] -antly), [phrase] archer (by mistake for H7232 (רָבַב)), be in authority, bring up, [idiom] continue, enlarge, excel, exceeding(-ly), be full of, (be, make) great(-er, -ly, [idiom] -ness), grow up, heap, increase, be long, (be, give, have, make, use) many (a time), (any, be, give, give the, have) more (in number), (ask, be, be so, gather, over, take, yield) much (greater, more), (make to) multiply, nourish, plenty(-eous), [idiom] process (of time), sore, store, thoroughly, very4וְהִנֵּ֣הH2009ziet, ziebehold, lo, see5לִמְעָ֔טH4592weinig, weinige, bijnaalmost (some, very) few(-er, -est), lightly, little (while), (very) small (matter, thing), some, soon, [idiom] very6וַהֲבֵאתֶ֥םH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way7הַבַּ֖יִתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)8וְנָפַ֣חְתִּיH5301blaas, blazen, ziedendenblow, breath, give up, cause to lose (life), seething, snuff9ב֑וֹ10יַ֣עַןH3282omdat, daarombecause (that), forasmuch ([phrase] as), seeing then, [phrase] that, [phrase] wheras, [phrase] why11מֶ֗הH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why12נְאֻם֙H5002spreekt, zegt, gesproken(hath) said, saith13יְהוָ֣הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)14צְבָא֔וֹתH6635heirscharen, heir, heirenappointed time, ([phrase]) army, ([phrase]) battle, company, host, service, soldiers, waiting upon, war(-fare)15יַ֗עַןH3282omdat, daarombecause (that), forasmuch ([phrase] as), seeing then, [phrase] that, [phrase] wheras, [phrase] why16בֵּיתִי֙H1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)17אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection18ה֣וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who19חָרֵ֔בH2720woest, eenzame, drogedesolate, dry, waste20וְאַתֶּ֥םH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you21רָצִ֖יםH7323liep, lopen, trawantenbreak down, divide speedily, footman, guard, bring hastily, (make) run (away, through), post22אִ֥ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)23לְבֵיתֽוֹH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)
10Daarom onthouden zich de hemelen over u, dat er geen dauw is, en het land onthoudt zijn vruchten.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10DaaromH3651onthoudenH3607 zich de hemelenH8064overH5921 u, dat er geen dauwH2919 is, en het landH776onthoudtH3607 zijn vruchtenH2981.Daarom onthouden zich de hemelen over u, dat er geen dauw is, en het land onthoudt zijn vruchten.
KJVTherefore the heaven5over you is stayed4from dew,6and the earth7is stayed8from her fruit.
1עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with2כֵּ֣ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you3עֲלֵיכֶ֔םH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with4כָּלְא֥וּH3607besloten, geweerd, onthoudenfinish, forbid, keep (back), refrain, restrain, retain, shut up, be stayed, withhold5שָמַ֖יִםH8064hemel, hemels, hemelenair, [idiom] astrologer, heaven(-s)6מִטָּ֑לH2919dauw, dauwsdew7וְהָאָ֖רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world8כָּלְאָ֥הH3607besloten, geweerd, onthoudenfinish, forbid, keep (back), refrain, restrain, retain, shut up, be stayed, withhold9יְבוּלָֽהּH2981gewas, inkomst, vruchtfruit, increase
11Want Ik heb een droogte geroepen over het land, en over de bergen, en over het koren, en over den most, en over de olie, en over hetgeen de aardbodem zou voortbrengen; ook over de mensen, en over de beesten, en over allen arbeid der handen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11Want Ik heb een droogteH2721geroepenH7121overH5921 het landH776, en overH5921 de bergenH2022, en overH5921 het korenH1715, en overH5921 den mostH8492, en overH5921 de olieH3323, en overH5921hetgeenH834 de aardbodemH127 zou voortbrengenH3318; ook over de mensenH120, en overH5921 de beestenH929, en overH5921allenH3605arbeidH3018 der handenH3709.Want Ik heb een droogte geroepen over het land, en over de bergen, en over het koren, en over den most, en over de olie, en over hetgeen de aardbodem zou voortbrengen; ook over de mensen, en over de beesten, en over allen arbeid der handen.
KJVAnd I called1for a drought2upon the land,4and upon the mountains,6and upon the corn,8and upon the new wine,10and upon the oil,12and upon that which the ground16bringeth forth,15and upon men,18and upon cattle,20and upon all the labour23of the hands.
1וָאֶקְרָ֨אH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say2חֹ֜רֶבH2721hitte, droogte, Droogtedesolation, drought, dry, heat, [idiom] utterly, waste3עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with4הָאָ֣רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world5וְעַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with6הֶהָרִ֗יםH2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion7וְעַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with8הַדָּגָן֙H1715koren, koorn, korenscorn (floor), wheat9וְעַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with10הַתִּיר֣וֹשׁH8492most(new, sweet) wine11וְעַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with12הַיִּצְהָ֔רH3323olie, olietakken[phrase] anointed oil13וְעַ֛לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with14אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection15תּוֹצִ֖יאH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter16הָאֲדָמָ֑הH127land, aardbodem, landscountry, earth, ground, husband(-man) (-ry), land17וְעַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with18הָֽאָדָם֙H120mens, mensen, Adam[idiom] another, [phrase] hypocrite, [phrase] common sort, [idiom] low, man (mean, of low degree), person19וְעַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with20הַבְּהֵמָ֔הH929beesten, vee, beestbeast, cattle21וְעַ֖לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with22כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)23יְגִ֥יעַH3018arbeidlabour, work24כַּפָּֽיִםH3709handen, hand, reukschaalbranch, [phrase] foot, hand((-ful), -dle, (-led)), hollow, middle, palm, paw, power, sole, spoon
12Toen hoorde Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en al het overblijfsel des volks, naar de stem van den HEERE, hun God, en naar de woorden van den profeet Haggai, gelijk als hem de HEERE, hun God, gezonden had; en het volk vreesde voor het aangezicht des HEEREN.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12Toen hoordeH8085ZerubbabelH2216, de zoonH1121 van SealthielH7597, en JosuaH3091, de zoonH1121 van JozadakH3087, de hogepriesterH1419, en alH3605 het overblijfselH7611 des volksH5971, naar de stemH6963 van den HEEREH3068, hun GodH430, en naar de woordenH1697 van den profeetH5030HaggaiH2292, gelijk als hem de HEEREH3068, hun GodH430, gezondenH7971 had; en het volkH5971vreesdeH3372 voor het aangezichtH6440 des HEERENH3068.Toen hoorde Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en al het overblijfsel des volks, naar de stem van den HEERE, hun God, en naar de woorden van den profeet Haggai, gelijk als hem de HEERE, hun God, gezonden had; en het volk vreesde voor het aangezicht des HEEREN.
KJVThen Zerubbabel2the son3of Shealtiel,4and Joshua5the son6of Josedech,7the high9priest,8with all the remnant11of the people,12obeyed1the voice13of the LORD14their God,15and the words17of Haggai18the prophet,19as the LORD22their God23had sent21him, and the people25did fear24before26the LORD.
1וַיִּשְׁמַ֣עH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness2זְרֻבָּבֶ֣לH2216ZerubbabelZerubbabel3בֶּֽןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth4שַׁלְתִּיאֵ֡לH7597SealthielShalthiel, Shealtiel5וִיהוֹשֻׁ֣עַH3091Jozua, JosuaJehoshua, Jehoshuah, Joshua. Compare H1954 (הוֹשֵׁעַ), H3442 (יֵשׁוּעַ)6בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth7יְהוֹצָדָק֩H3087JozadakJehozadek, Josedech. Compare H3136 (יוֹצָדָק)8הַכֹּהֵ֨ןH3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer9הַגָּד֜וֹלH1419grote, groot, groten[phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very10וְכֹ֣לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)11שְׁאֵרִ֣יתH7611overblijfsel, overige, overigenthat had escaped, be left, posterity, remain(-der), remnant, residue, rest12הָעָ֗םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people13בְּקוֹל֙H6963stem, geluid, geruis[phrase] aloud, bleating, crackling, cry ([phrase] out), fame, lightness, lowing, noise, [phrase] hold peace, (pro-) claim, proclamation, [phrase] sing, sound, [phrase] spark, thunder(-ing), voice, [phrase] yell14יְהוָ֣הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)15אֱלֹֽהֵיהֶ֔םH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty16וְעַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with17דִּבְרֵי֙H1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work18חַגַּ֣יH2292HaggaiHaggai19הַנָּבִ֔יאH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet20כַּאֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection21שְׁלָח֖וֹH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)22יְהוָ֣הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)23אֱלֹהֵיהֶ֑םH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty24וַיִּֽירְא֥וּH3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)25הָעָ֖םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people26מִפְּנֵ֥יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you27יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
13Toen sprak Haggai, de bode des HEEREN, in de boodschap des HEEREN, tot het volk, zeggende: Ik ben met ulieden, spreekt de HEERE.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13Toen sprakH559HaggaiH2292, de bodeH4397 des HEERENH3068, in de boodschapH4400 des HEERENH3068, tot het volkH5971, zeggendeH559: IkH589 ben metH854 ulieden, spreektH5002 de HEEREH3068.Toen sprak Haggai, de bode des HEEREN, in de boodschap des HEEREN, tot het volk, zeggende: Ik ben met ulieden, spreekt de HEERE.
KJVThen spake1Haggai2the LORD'S4messenger3in the LORD'S6message5unto the people,7saying,8I am with you, saith11the LORD.
14En de HEERE verwekte den geest van Zerubbabel, den zoon van Sealthiel, den vorst van Juda, en den geest van Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, en den geest van het ganse overblijfsel des volks; en zij kwamen en maakten het werk in het huis van den HEERE der heirscharen, hun God.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14En de HEEREH3068verwekteH5782 den geestH7307 van ZerubbabelH2216, den zoonH1121 van SealthielH7597, den vorstH6346 van JudaH3063, en den geestH7307 van JosuaH3091, den zoonH1121 van JozadakH3087, den hogepriesterH1419, en den geestH7307 van het ganseH3605overblijfselH7611 des volksH5971; en zij kwamenH935 en maaktenH6213 het werkH4399 in het huisH1004 van den HEEREH3068 der heirscharenH6635, hun GodH430.En de HEERE verwekte den geest van Zerubbabel, den zoon van Sealthiel, den vorst van Juda, en den geest van Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, en den geest van het ganse overblijfsel des volks; en zij kwamen en maakten het werk in het huis van den HEERE der heirscharen, hun God.
KJVAnd the LORD2stirred up1the spirit4of Zerubbabel5the son6of Shealtiel,7governor8of Judah,9and the spirit11of Joshua12the son13of Josedech,14the high16priest,15and the spirit18of all the remnant20of the people;21and they came22and did23work24in the house25of the LORD26of hosts,27their God,
1וַיָּ֣עַרH5782opgewekt, verwekken, waak(a-) wake(-n, up), lift up (self), [idiom] master, raise (up), stir up (self)2יְהוָ֡הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4רוּחַ֩H7307geest, Geest, windair, anger, blast, breath, [idiom] cool, courage, mind, [idiom] quarter, [idiom] side, spirit(-ual), tempest, [idiom] vain, (whirl-) wind(-y)5זְרֻבָּבֶ֨לH2216ZerubbabelZerubbabel6בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth7שַׁלְתִּיאֵ֜לH7597SealthielShalthiel, Shealtiel8פַּחַ֣תH6346landvoogden, vorst, vorstencaptain, deputy, governor9יְהוּדָ֗הH3063JudaJudah10וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11ר֨וּחַ֙H7307geest, Geest, windair, anger, blast, breath, [idiom] cool, courage, mind, [idiom] quarter, [idiom] side, spirit(-ual), tempest, [idiom] vain, (whirl-) wind(-y)12יְהוֹשֻׁ֤עַH3091Jozua, JosuaJehoshua, Jehoshuah, Joshua. Compare H1954 (הוֹשֵׁעַ), H3442 (יֵשׁוּעַ)13בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth14יְהוֹצָדָק֙H3087JozadakJehozadek, Josedech. Compare H3136 (יוֹצָדָק)15הַכֹּהֵ֣ןH3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer16הַגָּד֔וֹלH1419grote, groot, groten[phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very17וְֽאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)18ר֔וּחַH7307geest, Geest, windair, anger, blast, breath, [idiom] cool, courage, mind, [idiom] quarter, [idiom] side, spirit(-ual), tempest, [idiom] vain, (whirl-) wind(-y)19כֹּ֖לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)20שְׁאֵרִ֣יתH7611overblijfsel, overige, overigenthat had escaped, be left, posterity, remain(-der), remnant, residue, rest21הָעָ֑םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people22וַיָּבֹ֨אוּ֙H935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way23וַיַּעֲשׂ֣וּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use24מְלָאכָ֔הH4399werk, werks, handwerkbusiness, [phrase] cattle, [phrase] industrious, occupation, ([phrase] -pied), [phrase] officer, thing (made), use, (manner of) work((-man), -manship)25בְּבֵיתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)26יְהוָ֥הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)27צְבָא֖וֹתH6635heirscharen, heir, heirenappointed time, ([phrase]) army, ([phrase]) battle, company, host, service, soldiers, waiting upon, war(-fare)28אֱלֹהֵיהֶֽםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty
15Op den vier en twintigsten dag der maand, in de zesde maand, in het tweede jaar van den koning Darius.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15Op den vierH702 en twintigstenH6242dagH3117 der maandH2320, in de zesdeH8345 maand, in het tweedeH8147jaarH8141 van den koningH4428DariusH1876.Op den vier en twintigsten dag der maand, in de zesde maand, in het tweede jaar van den koning Darius.
KJVIn the four3and twentieth2day1of the sixth5month,4in the second7year6of Darius8the king.
1בְּי֨וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger2עֶשְׂרִ֧יםH6242twintig, twintigste, twintigsten(six-) score, twenty(-ieth)3וְאַרְבָּעָ֛הH702vier, vierhonderd, veertienfour4לַחֹ֖דֶשׁH2320maand, maanden, nieuwe maanmonth(-ly), new moon5בַּשִּׁשִּׁ֑יH8345zesde, zesdensixth (part)6בִּשְׁנַ֥תH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)7שְׁתַּ֖יִםH8147twee, twaalf, beideboth, couple, double, second, twain, [phrase] twelfth, [phrase] twelve, [phrase] twenty (sixscore) thousand, twice, two8לְדָרְיָ֥וֶשׁH1867DariusDarius9הַמֶּֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Hagai 1:1— In het tweede jaar van den koning Darius, in de zesde maand, op den eersten dag der maand, geschiedde het woord des HEEREN, door den dienst van Haggai, den profeet, tot Zerubbabel, den zoon van Sealthiel, den vorst van Juda, en tot Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, zeggende:Ezra 2:2→Mattheüs 1:12→Ezra 3:8→Ezra 3:2→Hagai 2:10→Hagai 1:12→Hagai 1:14→1 Kronieken 3:17→
Hagai 1:2— Alzo spreekt de HEERE der heirscharen zeggende: Dit volk zegt: De tijd is niet gekomen, de tijd, dat des HEEREN huis gebouwd worde.Numeri 13:31→Nehemia 4:10→Hooglied 5:2→Prediker 9:10→Spreuken 26:13→Ezra 4:23→Spreuken 29:25→Spreuken 22:13→
Hagai 1:3— En het woord des HEEREN geschiedde door den dienst van den profeet Haggai, zeggende:Ezra 5:1→Zacharia 1:1→
Hagai 1:4— Is het voor ulieden wel de tijd, dat gij woont in uw gewelfde huizen, en zal dit huis woest zijn?2 Samuël 7:2→Psalmen 132:3→Mattheüs 6:33→Klaagliederen 4:1→Hagai 1:9→Jeremia 33:12→Daniël 9:17→Jeremia 26:6→
Hagai 1:5— Nu dan, alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen.Klaagliederen 3:40→Ezechiël 40:4→Galaten 6:4→Exodus 7:23→Daniël 10:12→2 Korinthe 13:5→Psalmen 48:13→Daniël 6:14→
Hagai 1:6— Gij zaait veel, en gij brengt weinig in; gij eet, maar niet tot verzadiging; gij drinkt, maar niet tot dronken worden toe; gij kleedt u, maar niet tot uw verwarming, en wie loon ontvangt, die ontvangt dat loon in een doorgeboorden buidel.Hagai 2:16→Deuteronomium 28:38→Hosea 4:10→Hosea 8:7→Hagai 1:9→Maleachi 3:9→Zacharia 8:10→Zacharia 5:4→
Hagai 1:7— Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen.Hagai 1:5→Psalmen 119:59→Filippenzen 3:1→Jesaja 28:10→
Hagai 1:8— Klimt op het gebergte, en brengt hout aan, en bouwt dit huis, en Ik zal een welgevallen daaraan hebben, en verheerlijkt worden, zegt de HEERE.Psalmen 132:13→Hagai 2:7→Johannes 13:31→Jona 3:1→Zacharia 11:1→Ezra 6:4→Hagai 2:9→Psalmen 87:2→
Hagai 1:9— Gij ziet om naar veel, maar ziet, gij bekomt weinig; en als gij het in huis gebracht hebt, zo blaas Ik daarin. Waarom dat? spreekt de HEERE der heirscharen; om Mijns huizes wil, hetwelk woest is, en dat gij loopt elk voor zijn eigen huis.Hagai 1:4→Hagai 1:6→Jesaja 40:7→Psalmen 77:5→Maleachi 2:2→Jozua 7:10→2 Samuël 22:16→Mattheüs 10:37→
Hagai 1:10— Daarom onthouden zich de hemelen over u, dat er geen dauw is, en het land onthoudt zijn vruchten.1 Koningen 17:1→Leviticus 26:19→1 Koningen 8:35→Joël 1:18→Deuteronomium 28:23→Jeremia 14:1→Hosea 2:9→
Hagai 1:11— Want Ik heb een droogte geroepen over het land, en over de bergen, en over het koren, en over den most, en over de olie, en over hetgeen de aardbodem zou voortbrengen; ook over de mensen, en over de beesten, en over allen arbeid der handen.Hagai 2:17→Deuteronomium 28:22→1 Koningen 17:1→2 Koningen 8:1→Klaagliederen 1:21→Job 34:29→Amos 5:8→Amos 9:6→
Hagai 1:12— Toen hoorde Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en al het overblijfsel des volks, naar de stem van den HEERE, hun God, en naar de woorden van den profeet Haggai, gelijk als hem de HEERE, hun God, gezonden had; en het volk vreesde voor het aangezicht des HEEREN.Jesaja 50:10→Hagai 1:14→Spreuken 1:7→Prediker 12:13→Ezra 5:2→Hagai 2:2→Psalmen 112:1→Genesis 22:12→
Hagai 1:13— Toen sprak Haggai, de bode des HEEREN, in de boodschap des HEEREN, tot het volk, zeggende: Ik ben met ulieden, spreekt de HEERE.Jesaja 43:2→Maleachi 2:7→Romeinen 8:31→Jesaja 44:26→Ezechiël 3:17→Jesaja 41:10→Maleachi 3:1→Psalmen 46:11→
Hagai 1:14— En de HEERE verwekte den geest van Zerubbabel, den zoon van Sealthiel, den vorst van Juda, en den geest van Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, en den geest van het ganse overblijfsel des volks; en zij kwamen en maakten het werk in het huis van den HEERE der heirscharen, hun God.Hagai 2:21→Ezra 5:2→Hagai 1:1→2 Kronieken 36:22→Ezra 1:1→Hagai 2:2→Ezra 5:8→Hagai 1:12→
Hagai 1:15— Op den vier en twintigsten dag der maand, in de zesde maand, in het tweede jaar van den koning Darius.Hagai 1:1→Hagai 2:20→Hagai 2:10→Hagai 2:1→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Hagai 1 vers 1— In het tweede jaar van den koning Darius, in de zesde maand, op den eersten dag der maand, geschiedde het woord des HEEREN, door den dienst van Haggai, den profeet, tot Zerubbabel, den zoon van Sealthiel, den vorst van Juda, en tot Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, zeggende:
het tweede jaar
Zie de aantekening bij Ezra 4:24 , en Ezra 5:1 .
Hertaald:het tweede jaar
Zie de aantekening bij Ezra 4:24 en Ezra 5:1.
Darius,
Hebr. Darjavesch.
Hertaald:Darius,
Hebreeuws: Darjavesj.
door den dienst van Haggaï,
Hebr. door de Rev Zie de aantekening bij Ex. 9:35 ; Hand. 11:30 , en Hand. 7:35 ; voorts Haggaï, anders gemeenlijk genoemd Aggens. Hebr. Chaggaë.
Hertaald:door den dienst van Haggaï,
Hebreeuws: door de hand van. Zie de aantekening bij Ex. 9:35; Hand. 11:30 en Hand. 7:35. Verder wordt Haggaï gewoonlijk ook Aggeüs genoemd. Hebreeuws: Chaggai.
zoon van Sealthiël,
Zoon is hier te zeggen neef, want eigenlijk te spreken was zijn zoon van Pedaja, die een zoon van Seathiël was; 1 Kron. 3:17-19 . Zerubbabel wordt ook genoemd de zoon van Sealthiël tot een zoon is aangenomen, uit Luc. 3:27 .
Hertaald:zoon van Sealthiël,
Zoon betekent hier kleinzoon, want strikt genomen was hij de zoon van Pedaja, die een zoon van Sealthiël was; 1 Kron. 3:17-19. Zerubbabel wordt ook de zoon van Sealthiël genoemd omdat hij door hem tot zoon aangenomen was, zoals blijkt uit Luk. 3:27.
den vorst van Juda,
Dat is, den vorst uit en over den stam van Juda.
Hertaald:den vorst van Juda,
Dat is: de vorst uit en over de stam van Juda.
den hogepriester,
Hebr. den groten priester, of den grootsten priester.
Hertaald:den hogepriester,
Hebreeuws: de grote priester, of de grootste priester.
Hagai 1 vers 2— Alzo spreekt de HEERE der heirscharen zeggende: Dit volk zegt: De tijd is niet gekomen, de tijd, dat des HEEREN huis gebouwd worde.
Dit volk zegt
De Heere zegt hier niet mijn volk, maar dit volk, tonende zijn misnoegen daarover, dat zij, den goddienst verzuimende, zich dagelijks bekommerden met hun eigenbaat zoekende Joden voorwendden, waarom zij den bouw van den tempel uitstelden.
Hertaald:Dit volk zegt
De HEERE zegt hier niet Mijn volk maar dit volk, om Zijn misnoegen te tonen dat zij de godsdienst verzuimden en zich dagelijks alleen met hun eigen zaken bezighielden.
De tijd is niet gekomen,
Dit was de verontschuldiging, welke trage en eigenbaat zoekende Joden voorwedden, waarom zij den bouw van den tempel uitstelden.
Hertaald:De tijd is niet gekomen,
Dit was de verontschuldiging die de trage en op eigen voordeel beluste Joden aanvoerden om de bouw van de tempel uit te stellen.
tijd, dat des HEEREN huis gebouwd worde
Hebr. de tijd van het huis des Heeren om gebouwd te worden.
Hertaald:tijd, dat des HEEREN huis gebouwd worde
Hebreeuws: de tijd van het huis van de HEERE om gebouwd te worden.
Hagai 1 vers 4— Is het voor ulieden wel de tijd, dat gij woont in uw gewelfde huizen, en zal dit huis woest zijn?
gewelfde huizen,
Hiermede wordt hun verweten dat zij niet alleen huizen ter nooddruft, maar ook tot wellust of plezier voor zichzelven gemaakt hadden, eer zij het huis des Heeren bouwden.
Hertaald:gewelfde huizen,
Hiermee wordt hun verweten dat zij niet alleen huizen voor het nodige, maar ook voor hun genot en plezier gebouwd hadden, nog vóór zij het huis van de HEERE bouwden.
woest zijn?
David is veel anders geaard geweest; zie 2 Sam. 7:2 ; Ps. 132:3-5 .
Hertaald:woest zijn?
David was heel anders van aard; zie 2 Sam. 7:2; Ps. 132:3-5.
Hagai 1 vers 5— Nu dan, alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen.
Stelt uw hart op uw wegen
Dat is, merkt er wel op, en betracht hoe het ulieden gaat vanwege uwe zonden; verg. 1 Kor. 11:30-31 ; zie deze manier van spreken Ex. 9:21 ; 2 Sam. 18:3 ; Job 1:8 , en Job 2:3 , en Job 22:22 , en Job 34:14 , en hier onder vs.7.
Hertaald:Stelt uw hart op uw wegen
Dat is: let er goed op en overweeg hoe het u vergaat vanwege uw zonden; vergelijk 1 Kor. 11:30-31. Zie deze manier van spreken in Ex. 9:21; 2 Sam. 18:3; Job 1:8, Job 2:3, Job 22:22 en Job 34:14, en hieronder vers 7.
Hagai 1 vers 6— Gij zaait veel, en gij brengt weinig in; gij eet, maar niet tot verzadiging; gij drinkt, maar niet tot dronken worden toe; gij kleedt u, maar niet tot uw verwarming, en wie loon ontvangt, die ontvangt dat loon in een doorgeboorden buidel.
niet tot dronken worden toe;
Dat is, gij gevoelt de kracht van den wijn alzo niet, dat gij er vrolijk van zoudt worden; zie Gen. 43:34 ; Hoogl. 5:1 ; Joh. 2:10 .
Hertaald:niet tot dronken worden toe;
Dat is: u ervaart de kracht van de wijn niet zo dat u er vrolijk van zou worden; zie Gen. 43:34; Hoogl. 5:1; Joh. 2:10.
tot uw verwarming,
Hebr. om zich te verwarmen; dat is om u te verwarmen; verg. Sef. 2:12 met de aantekening aldaar.
Hertaald:tot uw verwarming,
Hebreeuws: om zich te verwarmen; dat is: om u te verwarmen; vergelijk Zef. 2:12 met de aantekening daar.
in een doorgeboorden buidel
Of, in een buidel waar geen bodem in is, of, die hol is; dat is, het verdwijnt, alzo dat hij, die het ontvangt, geen nut daarvan heeft, achtervolgens het dreigement der wet; Deut. 28:15 , enz.; Am. 4:9 ; Mi. 6:14 .
Hertaald:in een doorgeboorden buidel
Of: in een buidel waar geen bodem in zit, of die een gat heeft; dat is: het verdwijnt, zodat wie het ontvangt er geen nut van heeft, overeenkomstig de dreiging van de wet; Deut. 28:15, enzovoort; Amos 4:9; Micha 6:14.
Hagai 1 vers 7— Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen.
Stelt uw hart op uw wegen
Gelijk vs.5. Dit werderhaalt de profeet, opdat zij er immers terdege op letten zouden.
Hertaald:Stelt uw hart op uw wegen
Zoals vers 5. De profeet herhaalt dit opdat zij er toch terdege op zouden letten.
Hagai 1 vers 8— Klimt op het gebergte, en brengt hout aan, en bouwt dit huis, en Ik zal een welgevallen daaraan hebben, en verheerlijkt worden, zegt de HEERE.
daaraan hebben,
Aan dezen tempel. Het schijnt dat de profeet hier ziet op het gebed van Salomo en de belofte van God hem gedaan; 1 Kon. 8:18-19 , enz.
Hertaald:daaraan hebben,
Namelijk aan deze tempel. Het lijkt erop dat de profeet hier ziet op het gebed van Salomo en de belofte die God hem gedaan heeft; 1 Kon. 8:18-19, enzovoort.
Hagai 1 vers 9— Gij ziet om naar veel, maar ziet, gij bekomt weinig; en als gij het in huis gebracht hebt, zo blaas Ik daarin. Waarom dat? spreekt de HEERE der heirscharen; om Mijns huizes wil, hetwelk woest is, en dat gij loopt elk voor zijn eigen huis.
ziet om naar veel,
Of, wend uw gezicht naar vele; dat is, gij verwacht een overvloedigen oogst.
Hertaald:ziet om naar veel,
Of: u wendt uw blik naar veel; dat is: u verwacht een overvloedige oogst.
gij bekomt weinig;
Heb [het] tot weinig.
Hertaald:gij bekomt weinig;
Hebreeuws: het wordt tot weinig.
zo blaas Ik daarin
Alzo dat het verstuift, en ulieden niet ten nutte komt.
Hertaald:zo blaas Ik daarin
Zodat het verstuift en u niet ten goede komt.
voor zijn eigen huis
Te weten, om dat op te bouwen en te versieren. Zie boven vs.4.
Hertaald:voor zijn eigen huis
Namelijk om dat op te bouwen en te versieren. Zie vers 4.
Hagai 1 vers 10— Daarom onthouden zich de hemelen over u, dat er geen dauw is, en het land onthoudt zijn vruchten.
dat er geen dauw is,
Versta hierbij, ook geen regen ter bekwamer en gewoner tijd. Dit is wat God dreigt, Lev. 26:19 ; Deut. 28:23-24 , Deut. 28:38 ; Am. 4:7 .
Hertaald:dat er geen dauw is,
Vul hierbij aan: ook geen regen op de geschikte en gewone tijd. Dit is wat God dreigt in Lev. 26:19; Deut. 28:23-24, Deut. 28:38; Amos 4:7.
Hagai 1 vers 11— Want Ik heb een droogte geroepen over het land, en over de bergen, en over het koren, en over den most, en over de olie, en over hetgeen de aardbodem zou voortbrengen; ook over de mensen, en over de beesten, en over allen arbeid der handen.
een droogte geroepen
Anders: een woestheid; zie 2 Kon. 8:1 ; Jer. 25:29 . Zie ook Deut. 28:22 ; Joël 1:10 ; Am. 1:2 , en Am. 4:7-9 .
Hertaald:een droogte geroepen
Anders: een woestheid; zie 2 Kon. 8:1; Jer. 25:29. Zie ook Deut. 28:22; Joël 1:10; Amos 1:2 en Amos 4:7-9.
over allen arbeid der handen
Dat is, over al de vruchten, die de aarde door den arbeid der mensen voortbrengt.
Hertaald:over allen arbeid der handen
Dat is: over alle vruchten die de aarde door de arbeid van de mensen voortbrengt.
Hagai 1 vers 12— Toen hoorde Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en al het overblijfsel des volks, naar de stem van den HEERE, hun God, en naar de woorden van den profeet Haggai, gelijk als hem de HEERE, hun God, gezonden had; en het volk vreesde voor het aangezicht des HEEREN.
Toen hoorde Zerubbábel,
Zie Ezra 5:2 .
Hertaald:Toen hoorde Zerubbábel,
Zie Ezra 5:2.
al het overblijfsel des volks,
Dat is, al die van den krijg waren overgebleven, [gedurende welken velen om hals gekomen waren] en die wedergekomen waren, uit de Babylonische gevangenschap, waar er ook velen gestorven waren.
Hertaald:al het overblijfsel des volks,
Dat is: allen die de oorlog overleefd hadden — waarin velen omgekomen waren — en die teruggekeerd waren uit de Babylonische gevangenschap, waar er ook velen gestorven waren.
en naar de woorden van den profeet Haggaï,
Anders: dat is.
Hertaald:en naar de woorden van den profeet Haggaï,
Anders: dat is.
gelijk als hem de HEERE,
Aangezien zij wisten dat hem de HEERE gezonden had.
Hertaald:gelijk als hem de HEERE,
Aangezien zij wisten dat de HEERE hem gezonden had.
Hagai 1 vers 13— Toen sprak Haggai, de bode des HEEREN, in de boodschap des HEEREN, tot het volk, zeggende: Ik ben met ulieden, spreekt de HEERE.
de bode des HEEREN,
Of, gezant, ambassadeur.
Hertaald:de bode des HEEREN,
Of: gezant, ambassadeur.
in de boodschap des HEEREN,
Dat is, in de boodschap, die hij in den naam en uit het bevel des Heeren deed aan het volk; of uit kracht der boodschap, achtervolgens het bevel, dat hij van God ontvangen had.
Hertaald:in de boodschap des HEEREN,
Dat is: in de boodschap die hij in de naam en op bevel van de HEERE aan het volk deed; of: krachtens de boodschap, overeenkomstig het bevel dat hij van God ontvangen had.
Ik ben met ulieden,
Of, Ik zal zijn. Derhalve hebt goeden moed, en vaart kloekelijk voort in het opbouwen van mijn huis. Verg. Ps. 56:10 ; Matt. 28:18 , Matt. 28:20 ; Rom. 8:31 .
Hertaald:Ik ben met ulieden,
Of: Ik zal zijn. Heb daarom goede moed en ga kloek voort met het opbouwen van Mijn huis. Vergelijk Ps. 56:10; Matth. 28:18, Matth. 28:20; Rom. 8:31.
Hagai 1 vers 14— En de HEERE verwekte den geest van Zerubbabel, den zoon van Sealthiel, den vorst van Juda, en den geest van Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, en den geest van het ganse overblijfsel des volks; en zij kwamen en maakten het werk in het huis van den HEERE der heirscharen, hun God.
de HEERE verwekte den geest van Zerubbábel,
Dat is, de Heere heeft door deze vermaning van ijn profeet de harten der genoemden personen dagelijks meer en meer verwekt en aangepord om in het aangevangen bouwen voort te varen, totdat het geheel zou voltrokken wezen. Het was ganselijk van node dat dit volk zou versterkt worden, overmits Tathnaï en andere vijanden van het volk Gods, naar hun uiterste vermogen, dit werk zouden te verhinderen. Zie Ezra 5:3 .
Hertaald:de HEERE verwekte den geest van Zerubbábel,
Dat is: de HEERE heeft door deze vermaning van Zijn profeet de harten van de genoemde personen dagelijks meer en meer opgewekt en aangespoord om met de begonnen bouw voort te gaan, totdat die geheel voltooid zou zijn. Het was volstrekt nodig dat dit volk versterkt werd, omdat Tathnaï en andere vijanden van het volk van God dit werk naar hun uiterste vermogen zouden proberen te verhinderen. Zie Ezra 5:3.
Hagai 1 vers 15— Op den vier en twintigsten dag der maand, in de zesde maand, in het tweede jaar van den koning Darius.
den vier en twintigsten dag der maand,
Verscheidene overzetters voegen dit eerste vers aan het einde van het eerste hoofdstuk, en daar schijnt het toe te behoren.
Hertaald:den vier en twintigsten dag der maand,
Verscheidene vertalers voegen dit eerste vers aan het einde van het eerste hoofdstuk, en daar lijkt het ook bij te horen.
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Gij zaait veel, en gij brengt weinig in — een volk dat wel voor zichzelf bouwt, maar Gods huis laat liggen (Hag. 1:2-6)
"Dit volk zegt: De tijd is niet gekomen, de tijd, dat des HEEREN huis gebouwd worde" (Hag. 1:2). De vraag die daarop volgt, legt de tegenstelling bloot: "Is het voor ulieden wel de tijd, dat gij woont in uw gewelfde huizen, en zal dit huis woest zijn?" (Hag. 1:4). Dan volgt een opsomming van wat hun harde werken oplevert: "Gij zaait veel, en gij brengt weinig in; gij eet, maar niet tot verzadiging; gij drinkt, maar niet tot dronken worden toe; gij kleedt u, maar niet tot uw verwarming, en wie loon ontvangt, die ontvangt dat loon in een doorgeboorden buidel" (Hag. 1:6).
Bijbelse betekenis: Merk op het excuus in Hag. 1:2: de tijd is niet gekomen. Het volk zegt niet dat het niet wil bouwen, maar dat het nog niet zover is — een uitstel dat zich makkelijk kan herhalen. Let vervolgens op de scherpe vraag in Hag. 1:4: hun eigen huizen worden gewelfd genoemd, een woord voor een zorgvuldig afgewerkt, bekleed dak — terwijl Gods huis woest lag. Zij hadden dus wél tijd en geld voor het een, maar niet voor het ander. Let ten slotte op het beeld van de doorboorde buidel in Hag. 1:6. Al hun inspanning lekte weg, alsof er een gat in hun beurs zat; werken zonder de juiste prioriteit levert nooit genoeg op.
Typologie: Dezelfde waarschuwing tegen verkeerde prioriteiten geeft de Heere Jezus: "Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden" (reeds behandeld bij Matt. 6:33).
Hag. 1:2,4,6; Matt. 6:33
De HEERE verwekte den geest van Zerubbabel — op de vermaning volgt gehoorzaamheid, en God Zelf wekt de wil ertoe op (Hag. 1:12-14)
"Toen hoorde Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en al het overblijfsel des volks, naar de stem van den HEERE, hun God, en naar de woorden van den profeet Haggai, gelijk als hem de HEERE, hun God, gezonden had; en het volk vreesde voor het aangezicht des HEEREN" (Hag. 1:12). Haggai bemoedigt hen namens God: "Ik ben met ulieden, spreekt de HEERE" (Hag. 1:13). En dan: "En de HEERE verwekte den geest van Zerubbabel, den zoon van Sealthiel, den vorst van Juda, en den geest van Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, en den geest van het ganse overblijfsel des volks; en zij kwamen en maakten het werk in het huis van den HEERE der heirscharen, hun God" (Hag. 1:14).
Bijbelse betekenis: Merk op de volgorde: eerst horen, dan vrezen, dan werken. Gehoorzaamheid begint niet met de daad zelf, maar met een hart dat ontvankelijk wordt voor het woord. Let vervolgens op Hag. 1:13, waar de bemoediging precies op het juiste moment komt: niet vóór de vrees, maar erna, alsof de vrees eerst haar werk moest doen. Let ten slotte op Hag. 1:14: het is de HEERE Die de geest van leiders én volk verwekt. Het besluit om te bouwen wordt hier niet alleen aan menselijke wilskracht toegeschreven, maar aan God Die de wil Zelf opwekt.
Typologie: Diezelfde werking van God in de wil van Zijn volk beschrijft Paulus: "Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen" (reeds behandeld bij Fil. 2:13).
Christus in dit hoofdstukHeenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
God bij Zijn volkniveau 3Verantwoorde typologische of heilshistorische verbindingambt
Ik ben met ulieden — 1:1-15
Zestien jaar geleden is het fundament van de tempel gelegd, en sindsdien ligt het werk stil. De mensen zeggen dat de tijd nog niet gekomen is. Ondertussen wonen zij zelf in afgewerkte huizen. Dan komt het woord van de HEERE door de dienst van Haggaï.
De profeet legt de vinger bij een volgorde die scheefgegroeid is, en zijn woord wordt gehoorzaamd — iets wat bij profeten zelden voorkomt.
De vraag waarmee hij begint is scherp en kort: “Is het voor ulieden wel de tijd, dat gij woont in uw gewelfde huizen, en zal dit huis woest zijn?” Zij zeiden dat het nog geen tijd was, maar voor hun eigen dak was het dat wel geweest.
Twee keer klinkt daarna dezelfde oproep: stelt uw hart op uw wegen. Daartussen staat een opsomming die ieder herkent die het gevoel kent dat er van alles doorheen loopt: gij zaait veel en brengt weinig in; gij eet, maar niet tot verzadiging; gij drinkt, maar niet tot verzadiging; gij kleedt u, maar niet tot uw verwarming. En dan het beeld dat blijft hangen: “wie loon ontvangt, die ontvangt dat loon in een doorgeboorden buidel.”
God zegt er zelf de reden bij, en Hij doet dat zonder omweg: gij ziet om naar veel, maar bekomt weinig, en als gij het binnenbrengt blaas Ik erin. Waarom? “Om Mijns huizes wil, hetwelk woest is, en dat gij loopt elk voor zijn eigen huis.”
De opdracht die volgt is nuchter en zonder enig pathos: klimt op het gebergte, en brengt hout aan, en bouwt dit huis. Geen visioen, geen teken; hout halen.
En dan gebeurt er iets dat in de profetenboeken zeldzaam is. Er staat: toen hoorde Zerubbabel, en Jozua de hogepriester, en al het overblijfsel des volks, naar de stem van de HEERE hun God en naar de woorden van de profeet Haggaï. Let op de manier waarop dat gezegd wordt. Naar de stem van de HEERE én naar de woorden van Haggaï, in één zin, alsof het hetzelfde is — en dat is ook zo bedoeld. Het is een van de duidelijkste plaatsen in het Oude Testament waaruit blijkt wat een profeet is: een bode met andermans boodschap. Het volgende vers zegt het nog ronder: Haggaï is de bode des HEEREN, en hij spreekt in de boodschap des HEEREN.
En wat is die boodschap dan? Vier woorden: “Ik ben met ulieden, spreekt de HEERE.” Meer krijgt het volk niet, en meer is er ook niet nodig. Geen belofte van voorspoed, geen toezegging dat het werk zal lukken. Alleen dat Hij erbij is.
Daar loopt de lijn van dit hoofdstuk naar het Evangelie. Wat hier als bemoediging bij een bouwproject gezegd wordt, is de kortste samenvatting van de naam die aan een Kind gegeven wordt: Emmanuel, God met ons. En het zijn ook de laatste woorden waarmee Mattheüs zijn boek sluit: zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld.
Haggaï 1:4 — Is het wel de tijd voor uw eigen gewelfde huizen, terwijl dit huis woest ligt?
Haggaï 1:6 — Het loon verdwijnt in een doorgeboorde buidel.
Haggaï 1:8 — De opdracht is nuchter: haal hout en bouw.
Haggaï 1:12 — Zij hoorden naar de stem van de HEERE én naar de woorden van Haggaï.
Haggaï 1:13 — En de hele bemoediging is: Ik ben met ulieden.
Mattheüs 28:20 — Zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld.
In het Nieuwe Testament: Mattheüs 1:23; Mattheüs 28:20; Hebreeën 1:1-2; 1 Thessalonicenzen 2:13; Haggaï 2:4
Hoever dit reikt: Het Nieuwe Testament haalt Haggaï 1 niet aan. Wat hier gelegd wordt rust op twee dingen die er zelf staan: dat het gehoorzamen van de profeet met het gehoorzamen van God gelijkgesteld wordt, en dat de hele bemoediging bestaat uit de zin Ik ben met ulieden. Dat die zin dezelfde is als de naam Emmanuel, is een overeenkomst van woorden; Mattheüs verwijst voor die naam naar Jesaja 7 en niet naar Haggaï.
Wat betekenen de niveaus?
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.
Hagai 1:1-2.KruisverwijzingenEzra 2:2→Mattheüs 1:12→Ezra 3:8→Ezra 3:2→Hagai 2:10→Hagai 1:12→Hagai 1:14→1 Kronieken 3:17→ — In het tweede jaar van den koning Darius, in de zesde maand, op den eersten dag der maand, geschiedde het woord des HEEREN, door den dienst van Haggai, den profeet, tot Zerubbabel, den zoon van Sealthiel, den vorst van Juda, en tot Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, zeggende: Alzo spreekt de HEERE der heirscharen zeggende: Dit volk zegt: De tijd is niet gekomen, de tijd, dat des HEEREN huis gebouwd worde. God houdt een almanak bij, en de dag waarop Hij spreekt is altijd van belang. Voor elk van Zijn boodschappen aan de mensen is er een vastgestelde tijd. God wil dat zij op elke boodschap letten zodra die hun overgebracht wordt. Doen zij dat niet, dan houdt Hij de dagen van hun uitstel bij. Daarom laat Hij Zijn knechten zo nauwkeurig de datum optekenen waarop Zijn boodschap gebracht werd: “In het tweede jaar van den koning Darius, in de zesde maand, op den eersten dag der maand, geschiedde het woord des HEEREN, door den dienst van Haggai, den profeet, tot Zerubbabel, den zoon van Sealthiel, den vorst van Juda, en tot Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, zeggende:”
Och, of God deze dag in onze geschiedenis merkwaardig maakte door tot het hart van velen hier te spreken!
Let er ook op dat God er zorg voor draagt Zijn boodschappen te richten aan hen voor wie zij bedoeld zijn. Het woord van de HEERE kwam door de profeet Haggai tot Zerubbabel en tot Josua. God weet aan wie Zijn boodschap vandaag in het bijzonder gericht is, en Hij laat haar haar doel niet missen. Och, of iemand hier tot Hem riep: HEERE, spreek tot mij, zoals U tot Zerubbabel deed. En niet alleen tot mij, maar ook tot die en die, zoals U tot Josua deed.
“Alzo spreekt de HEERE der heirscharen zeggende: Dit volk zegt: De tijd is niet gekomen, de tijd, dat des HEEREN huis gebouwd worde.” De HEERE tekent dus op wat mensen zeggen, en te Zijner tijd brengt Hij hun in herinnering wat zij gezegd hebben. Soms laat Hij mensen hun eigen woorden opeten; en zo niet, dan haalt Hij ze hun ten minste weer voor de aandacht.
Uitstel is altijd een van de sterkste verzoekingen van de satan geweest, ook bij Gods eigen volk. Veel te vaak zeggen zij zelfs van Zijn werk, waarvan zij weten dat het gedaan moet worden: de tijd is nog niet gekomen. Hoeveel meer zou er voor God gedaan worden als wij allen meteen deden wat gedaan moet worden! Dan konden wij daarna aan iets anders beginnen en ons leven nog nuttiger en vruchtbaarder maken. Maar wij stellen het volbrengen van het ene goede voornemen zo lang uit, dat er voor het volgende geen gelegenheid overblijft.
Wordt u als christen verzocht een dienst voor God uit te stellen die op uw hart ligt? Denk dan aan de woorden van uw Heere, en volg Zijn eigen voortvarendheid na: “Ik moet werken de werken Desgenen, Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; de nacht komt, wanneer niemand werken kan.”
Hagai 1:3-4.Kruisverwijzingen2 Samuël 7:2→Psalmen 132:3→Ezra 5:1→Mattheüs 6:33→Zacharia 1:1→Klaagliederen 4:1→Hagai 1:9→Jeremia 33:12→ — En het woord des HEEREN geschiedde door den dienst van den profeet Haggai, zeggende: Is het voor ulieden wel de tijd, dat gij woont in uw gewelfde huizen, en zal dit huis woest zijn? “Is het voor ulieden wel de tijd, dat gij woont in uw gewelfde huizen, en zal dit huis woest zijn?”
Er schijnt tijd genoeg te zijn om de weelde van het leven te genieten, maar geen tijd om de tempel van de HEERE weer op te bouwen. Tijd genoeg om rijk te worden, maar geen tijd om God te dienen. Tijd genoeg om uw arbeid aan alles voor uzelf te besteden, maar niet aan het huis van uw God! Wat een bestraffing was dat voor mensen die zich Gods volk noemden.
Zij hadden hun huizen met cederhout en kostbaar hout gebouwd en met houtsnijwerk versierd, terwijl de eenvoudigste gebouwen genoeg geweest zouden zijn. God staat toe dat zij hun eigen huis bouwen om erin te wonen. Maar daarná komt zeker Zijn huis, vóórdat zij hun eigen huis gaan opsieren.
En werkelijk, tegen veel welgestelde mensen mag hetzelfde gezegd worden. Het schijnt u geen tijd om de zending in het buitenland te steunen, maar wél tijd om meer geld in obligaties te zetten? Het schijnt u geen tijd om het Bijbelgenootschap te helpen? Maar wél tijd om nog een belegging te doen, en nog een stuk grond te kopen dat aan het uwe grenst?
Hagai 1:5.KruisverwijzingenKlaagliederen 3:40→Ezechiël 40:4→Galaten 6:4→Exodus 7:23→Daniël 10:12→2 Korinthe 13:5→Psalmen 48:13→Daniël 6:14→ — Nu dan, alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen. Kijk eens een ogenblik terug en zie wat de gevolgen al geweest zijn van het zien op uzelf in plaats van op uw God. Hebt u er iets bij gewonnen?
Hagai 1:6.KruisverwijzingenHagai 2:16→Deuteronomium 28:38→Hosea 4:10→Hosea 8:7→Hagai 1:9→Maleachi 3:9→Zacharia 8:10→Zacharia 5:4→ — Gij zaait veel, en gij brengt weinig in; gij eet, maar niet tot verzadiging; gij drinkt, maar niet tot dronken worden toe; gij kleedt u, maar niet tot uw verwarming, en wie loon ontvangt, die ontvangt dat loon in een doorgeboorden buidel. U hebt veel voor uzelf gezaaid, maar weinig voor God. Wat heeft uw zaaien u opgebracht?
Wie van u schijnbaar wél voorspoed heeft, is niet tevreden met wat hij heeft. De vrede van het hart komt er niet mee; u bent niet gelukkig.
Na al uw drinken uit de aardse bak bent u nog even dorstig als eerst. En toch verlangt u naar nog meer van die drank, die de dorst van uw ziel nooit lessen kan.
Hoe vaak gebeurt dat! En wat een dwaasheid is het toch: dat iemand hard werkt en loon verdient, en het geld dan in een buidel met gaten stopt en zo alles kwijtraakt.
Hagai 1:7-9.KruisverwijzingenPsalmen 132:13→Hagai 1:4→Hagai 1:5→Psalmen 119:59→Hagai 2:7→Hagai 1:6→Jesaja 40:7→Filippenzen 3:1→ — Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen. Klimt op het gebergte, en brengt hout aan, en bouwt dit huis, en Ik zal een welgevallen daaraan hebben, en verheerlijkt worden, zegt de HEERE. Gij ziet om naar veel, maar ziet, gij bekomt weinig; en als gij het in huis gebracht hebt, zo blaas Ik daarin. Waarom dat? spreekt de HEERE der heirscharen; om Mijns huizes wil, hetwelk woest is, en dat gij loopt elk voor zijn eigen huis. Merk nogmaals op wat een strenge bestraffing dit was, en hoe rijkelijk zij verdiend werd. God had grote dingen voor Zijn volk gedaan. Hij had hen uit Babel naar Jeruzalem teruggebracht, en hun eerste zorg had moeten zijn de verwoeste tempel weer op te bouwen. Maar iedereen was meer bezorgd voor zijn eigen huis dan voor het huis van de HEERE. Daarom kon er niets goeds komen van wat zij deden of van wat zij hadden.
“Zo blaas Ik daarin”, zei de HEERE. En blaast God op wat iemand heeft of op wat iemand doet, dan blaast Hij het spoedig weg — zoals de kanttekening het leest.
“Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen. Klimt op het gebergte, en brengt hout aan, en bouwt dit huis, en Ik zal een welgevallen daaraan hebben, en verheerlijkt worden, zegt de HEERE.” Dat is het grote doel waarop wij in alles moeten mikken: dat God verheerlijkt wordt, dat God er een welgevallen aan heeft.
Hagai 1:10-11.KruisverwijzingenHagai 2:17→Deuteronomium 28:22→1 Koningen 17:1→Leviticus 26:19→1 Koningen 8:35→Joël 1:18→Deuteronomium 28:23→2 Koningen 8:1→ — Daarom onthouden zich de hemelen over u, dat er geen dauw is, en het land onthoudt zijn vruchten. Want Ik heb een droogte geroepen over het land, en over de bergen, en over het koren, en over den most, en over de olie, en over hetgeen de aardbodem zou voortbrengen; ook over de mensen, en over de beesten, en over allen arbeid der handen. Wij zijn voor alles van God afhankelijk. Soms gebruikt Hij de gewone wetten van de natuur als een tuchtiging voor wie Hem vergeten. Willen wij door Zijn weldaden niet aan Hem herinnerd worden, dan worden wij door Zijn oordelen herinnerd. En maken wij als rentmeesters geen goed gebruik van wat Hij ons toevertrouwt, dan kan Hij het gemakkelijk allemaal weer wegnemen.
Hagai 1:12.KruisverwijzingenJesaja 50:10→Hagai 1:14→Spreuken 1:7→Prediker 12:13→Ezra 5:2→Hagai 2:2→Psalmen 112:1→Genesis 22:12→ — Toen hoorde Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en al het overblijfsel des volks, naar de stem van den HEERE, hun God, en naar de woorden van den profeet Haggai, gelijk als hem de HEERE, hun God, gezonden had; en het volk vreesde voor het aangezicht des HEEREN. Wat een zegen is het wanneer een getrouw getuigenis zó ontvangen wordt! Soms gebeurt het dat mensen boos worden en de prediker haten die hen te openlijk over hun zonden bestraft. Maar werkt de Geest van God in hen, dan letten zij op wat er gezegd wordt en ontvangen zij de boodschap van de prediker als van God Zelf.
Hagai 1:13.KruisverwijzingenJesaja 43:2→Maleachi 2:7→Romeinen 8:31→Jesaja 44:26→Ezechiël 3:17→Jesaja 41:10→Maleachi 3:1→Psalmen 46:11→ — Toen sprak Haggai, de bode des HEEREN, in de boodschap des HEEREN, tot het volk, zeggende: Ik ben met ulieden, spreekt de HEERE. Haggai was de bode van de HEERE, dus sprak hij niet zijn eigen woorden. Hij sprak “in de boodschap des HEEREN” tot het volk: “Ik ben met ulieden, spreekt de HEERE.” Hij was met hen, en daarom waren zij met hem.
Met ons gaat het net zo, als wij ware gelovigen in de Heere Jezus Christus zijn. Want Hij zegt tot ons: “En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld.” En hebben wij de tegenwoordigheid van God, dan hebben wij alles wat wij nodig hebben.
Hagai 1:14-15.KruisverwijzingenHagai 2:21→Ezra 5:2→Hagai 1:1→2 Kronieken 36:22→Ezra 1:1→Hagai 2:2→Ezra 5:8→Hagai 1:12→ — En de HEERE verwekte den geest van Zerubbabel, den zoon van Sealthiel, den vorst van Juda, en den geest van Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, en den geest van het ganse overblijfsel des volks; en zij kwamen en maakten het werk in het huis van den HEERE der heirscharen, hun God. Op den vier en twintigsten dag der maand, in de zesde maand, in het tweede jaar van den koning Darius. God tekent op wanneer Zijn volk voor Hem werkt. Hij schrijft in Zijn almanak de dag, de maand en het jaar, want Hij ziet Zijn volk graag werkzaam in Zijn dienst.
In het Boek van Haggaï worden ons waarschijnlijk alleen de hoofdgedachten der redevoeringen meegedeeld, met welke de Profeet door vermaningen, bedreigingen en beloften tot vernieuwden bouw des tempels moest opwekken, en wanneer hem dat gelukt was, hun ook den tegenwoordigen ongelukkigen tijd moest verklaren, als ook de twijfelingen, die daarover konden ontstaan, oplossen, en op den toekomstigen tijd der heerlijkheid wijzen. Het Boek is in vier afdelingen of reden verdeeld. Den tijd van haar ontstaan geeft hij zelf nauwkeurig op. De eerste bestraft de traagheid van het volk, en vermaant om het bouwen weer aan te vatten (Hoofdst. 1); de drie laatste vertroostten het gewillig geworden volk, over het treurige heden, met de belofte der toekomstige heerlijkheid. (Hoofdst. 2.). Hoofdst. 1:1-2 :1. Na opgaaf van den tijd, waarin zij zijn gehouden, als ook van de personen, tot welke zij gericht zijn, bestraft de Profeet in deze zijne eerste rede de onverschilligheid des volks omtrent het wederopbouwen des tempels, en wijst hij op de Goddelijke kastijding daarvoor, namelijk het misgewas in het land ten gevolge van het uitblijven van den regen. Daarop vermaant hij den stadhouder Zerubbabel, den hogepriester Jozua en het volk, dat zij getrouw den tempelbouw weer moeten opnemen (vs. 1-11). Hiermede verbindt hij dan een kort bericht daarover, welken uitslag zijne rede had gehad (vs. 12-15).
KruisverwijzingenEzra 2:2→Mattheüs 1:12→Ezra 3:8→Ezra 3:2→Hagai 2:10→Hagai 1:12→Hagai 1:14→1 Kronieken 3:17→— In het tweede jaar van den koning Darius, in de zesde maand, op den eersten dag der maand, geschiedde het woord des HEEREN, door den dienst van Haggai, den profeet, tot Zerubbabel, den zoon van Sealthiel, den vorst van Juda, en tot Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, zeggende:
In het tweede jaar van den Perzischen koning DariusHystaspes, uit de familie der Achaemenieden, van 521-486 v. Chr. (Ezra 1:4) in de zesde maand, op den eersten dag der maand, d. i. op het feest der nieuwe maan 1) van de Joodse maand Elul, of omstreeks het midden van Augustus van het jaar 520 v. Chr. geschiedde voor de eerste maal het woord des HEEREN door de ingeving van Zijnen Heiligen Geest, door den dienst van Haggaï (= feestvierende) den Profeet. Waarschijnlijk was hij in Chaldea geboren en met Zerubbabel naar Jeruzalem teruggekeerd, doch van zijn persoon is overigens niets bekend (Ezra 5:1 1). Dit woord was gericht tot Zerubbabel, den zoon van Sealthiël (1 (Kron. 3:19), den vorst of stadhouder (Ezra 2:63) van Juda, en tot Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, en wel juist tot deze beide opperhoofden des volks, opdat zij de aanwijzingen Gods aan het gehele volk, aan zijne leidslieden zouden volvoeren, zeggende: Haggaï is de eerste Profeet, die na de ballingschap onder de uit Babel teruggekeerde gemeente van Juda optrad, om haar den wil en den heilsweg van haren God te verkondigen. Tussen hem en Zefanja lag de 70 jarige ballingschap en het werken van de grote Profeten Jeremia, Ezechiël en Daniël. Wat alle vorige Profeten en op zamenvattende, zeer ernstige wijze Jeremia, verkondigd hadden, dat de Heere ook Juda om zijne voortdurende afgoderij en tegenstand tegen Gods geboden onder de Heidenen zou verstoten, en daardoor laten onderdrukken, dat was tot vervulling gekomen. Gelijk de tien stammen reeds lang door de Assyriërs, zo waren nu ook de bewoners van Juda en Jeruzalem door de Chaldeën onder Nebukadnezar in ballingschap gevoerd. De Heere had nu Zijn gehele volk van Zijn aangezicht onder de Heidenen verbannen, maar het toch niet geheel en voor altijd verworpen; Hij had Zijn verbond wel gesuspendeerd, maar niet geheel opgeheven. Ook aan het in ballingschap smachtend volk had Hij niet alleen door den Profeet Ezechiël, na de oplossingen van het rijk en de verwoesting van Jeruzalem en den tempel, de oude voorzeggingen, dat Hij het volk, hetwelk tot kennis zijner zware zonden kwam, en met berouw tot Hem terugkeerde, weer in genade zou aannemen, uit de ballingschap verlossen, in zijn land terugleiden en tot grotere heerlijkheid verheffen wilde, vernieuwd, maar ook door Daniël de macht en het voortduren der wereldrijken en hun verwoesting door het Godsrijk uit den hemel laten verkondigen. Nu waren de 70 jaren, gedurende welke het rijk van Juda woest liggen, en het ‘t volk Babel dienen moest (Jer. 25:11) voorbijgegaan. Het Babylonische wereldrijk was gevallen, en Cyrus, de stichter van de Perzische wereldmacht, had den Joden de toestemming om in hun vaderland terug te keren gegeven, en den wederopbouw van den tempel van Jehova te Jeruzalem bevolen. Een feit komt ons in het beeld van den toenmaligen tijd voor, dat niet genoeg op den voorgrond kan worden gesteld-dat is de merkwaardige omkering, welke het volk Gods in de ballingschap heeft ondervonden, en wanneer wij het volk te Jeruzalem na zijne terugkering aanzien, is het ons als een ander vreemd volk, dat wij nauwelijks meer herkennen. Juda was teruggekeerd met de anderen, die zich aan hem hadden aangesloten, de ballingschap met haar verschrikking was voorbij, en de vreselijke kastijding was niet te vergeefs geweest; het volk was genezen van zijnen afgodendienst. Dit volk, dat anders voor iedere afgoderij toegankelijk was, en zodra maar de feestelijkheden van enigen afgodendienst lokten, zich dadelijk daaraan overgaf, had in de ballingschap een afkeer opgevat van alle afgoden, en niet licht heeft enig volk zulk ene omkering ervaren, als Israël in zijne ballingschap. Zo was dan ook zijn eerste werk om het brandofferaltaar te bouwen en den dagelijksen offerdienst in te stellen, ook dadelijk het bouwen van den tempel zelven ter hand te nemen. Reeds was de grond gelegd en rustig bouwde men voort. Toen kwamen hinderpalen in den weg, bij welke weer de aard van het volk te voorschijn kwam. De Samaritanen, die gemengde hoop van heidenen en Israëlieten, wilden ook deelnemen aan het bouwen; maar zulk een afkeer hadden de nieuwe bewoners van Jeruzalem van alles, wat maar van verre aan heidendom herinnerde, dat zij zulk een verlangen rondweg afsloegen. Zij wilden liever een vijand in de naaste nabijheid hebben dan enen, al was het ook maar in ‘t minste heidensen vriend bezitten. Het gevolg was de vijandschap dier Samaritanen, en nu volgde van die zijde ene aanklacht bij den koning der Perzen, die met het oog op vroegeren, dikwijls herhaalden afval van Israël, het bouwen van den tempel verbood, en zo moest de gehele zaak stilstaan. Men zou denken, dat een volk, hetwelk den afgodendienst zo verleerd had, zulk een verbod niet zo gewillig zou aannemen, of ten minste de eerste mogelijkheid om het te ontgaan, of op den achtergrond te schuiven, met vreugde zou aangrijpen. Maar van dat alles horen wij niets, en hier komt ons juist voor ogen, wat er van de omkering des volks geweest is. Het is waar, het volk had den dienst der afgoden verleerd, maar daarom had het toch den dienst van God nog niet geleerd. Zijne afgodendienst had alleen ene andere gedaante aangenomen. Een geest van eigen gerechtigheid had zich van het volk meester gemaakt, welke zich in de ongebondendste zelfzucht en den laagsten eigenbaat hoe langer hoe meer ontwikkelde. Het volk wist, dat het wat buitengewoons was, dat het uitwendig met alle heidendom had gebroken, en nam steeds meer de gedaante aan, welke het volk der Joden in zijne ontaarding nog heden bezit. Zo vinden wij er dan ook geen spoor van, dat de Joden op Jeruzalems puinhopen na dat verbod van den koning der Perzen het zouden beproefd hebben, of niet het bouwen van den tempel en de herstelling van den godsdienst mogelijk was; integendeel werd alles zo gemakkelijk als mogelijk was, ingericht, men bouwde huizen, richtte paleizen op, en het huis des Heeren bleef onvoltooid. Er kwamen zware tijden, des Heeren hand kastijdde het baatzuchtige volk met zware bezoekingen, maar het werd niet anders. Zo bleef het, totdat 16 jaren sedert het terugkeren naar Jeruzalem waren voorbijgegaan (536-520). In dit jaar trad onze profeet Haggaï op, en van zelf blijkt uit deze tijdsomstandigheid de bedoeling zijner profetie. Juist omdat de dag der nieuwe maan een feestdag was, op welken het volk van Jeruzalem tot Jehovah’s altaar samenkwam en meerdere feestofferanden plaats vonden, wanneer daarom ook het godsdienstig bewustzijn was opgewekt, en het dubbel smartelijk moest worden gevoeld, dat de tempel van Jehova nog in puin lag, juist daarom komt op enen dag der nieuwe maan het woord van Jehova, dat tot wederopbouw van den tempel opwekt.
KruisverwijzingenNumeri 13:31→Nehemia 4:10→Hooglied 5:2→Prediker 9:10→Spreuken 26:13→Ezra 4:23→Spreuken 29:25→Spreuken 22:13→— Alzo spreekt de HEERE der heirscharen zeggende: Dit volk zegt: De tijd is niet gekomen, de tijd, dat des HEEREN huis gebouwd worde.
Alzo spreekt de HEERE der heirscharen, zeggende: Dit volk, waarvan Ik niet kan zeggen: Mijn volk, omdat het in dit opzicht niet als Mijn volk handelt, zegt, om zijne onverschilligheid door nietige uitvluchten te verontschuldigen: De rechte tijd is nog niet gekomen, de tijd, dat des HEEREN huis gebouwd worde.
KruisverwijzingenEzra 5:1→Zacharia 1:1→— En het woord des HEEREN geschiedde door den dienst van den profeet Haggai, zeggende:
En het woord des HEEREN geschiedde door den dienst van den Profeet Haggaï, zeggende:
Kruisverwijzingen2 Samuël 7:2→Psalmen 132:3→Mattheüs 6:33→Klaagliederen 4:1→Hagai 1:9→Jeremia 33:12→Daniël 9:17→Jeremia 26:6→— Is het voor ulieden wel de tijd, dat gij woont in uw gewelfde huizen, en zal dit huis woest zijn?
Gij zegt dat het ongunstige der tijdsomstandigheden, en de druk, onder welken gij leeft, niet toelaten Mijn huis op te bouwen. Maar is het voor ulieden, voor de rijken en voornamen onder u, wel de tijd, dat gij woont in uwe gewelfde, met kostbaar houtwerk aan de binnenste muren versierde, huizen, en daar een gemakkelijk en genotvol leven leidt, en zal dit huis, dat u het leven eerst waarlijk gezegend en rijk moest maken, woest zijn? 1)
Het volk had tot voorwendsel gekozen den druk der tijden, maar het wonen in prachtige paleizen was geen teken van druk, integendeel van burgerlijken welstand. Het volk uit Babel teruggekeerd, zag niet in het grote en onafscheidelijk verband tussen den tempel en de vervulling van Gods belofte. Het zorgde wel voor zichzelve, menende ook de Heere te kunnen dienen zonder tempel, maar de Heere komt het tegen. Hij laat een droogte komen, opdat het volk het zou verstaan, dat des Heeren ongenoegen was gaande gemaakt, door hun opzettelijk verzuim. En waar nu deze straf nog geen uitwerking had, daar zendt God Zijn Profeet, om de moedelozen op te beuren, maar ook de tragen van harte aan te zetten tot het vervullen van Gods wil, inzake den tempelbouw. De Heere toont het ook hier, dat Hij Zijn volk niet vergeet, dat Hij ook nog over het eigengerechtige volk gedachten des vredes heeft.
KruisverwijzingenKlaagliederen 3:40→Ezechiël 40:4→Galaten 6:4→Exodus 7:23→Daniël 10:12→2 Korinthe 13:5→Psalmen 48:13→Daniël 6:14→— Nu dan, alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen.
Nu dan, alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uwe wegen 1). Vestigt uw oog eens nadenkend op uw handelen en op de gevolgen daarvan.
Hiermede komt de Profeet in den Naam des Heeren het volk tot nauwgezet zelfonderzoek aanzetten, opdat zij niet alleen zouden zien op hetgeen tegenwoordig was, maar ook op hetgeen achter lag. Het was toch de doorgaande geschiedenis van Israëls volk, dat als de Heere kwam met beproevingen, het was om der zonden wil, het alles in verband stond met het onderhouden of het verachten en verlaten van des Heeren dienst. En waar nu de Heere met de beproeving van grote droogte kwam, daar moest Israël letten op zijne wegen van ongehoorzaamheid, waarop de zagen des Heeren niet kon rusten, opdat het mocht komen tot het zoeken van des Heeren dienst en een gehoorzamen van Zijne Ordinantiën. In vers 7 wordt dit nog ene herhaald.
KruisverwijzingenHagai 2:16→Deuteronomium 28:38→Hosea 4:10→Hosea 8:7→Hagai 1:9→Maleachi 3:9→Zacharia 8:10→Zacharia 5:4→— Gij zaait veel, en gij brengt weinig in; gij eet, maar niet tot verzadiging; gij drinkt, maar niet tot dronken worden toe; gij kleedt u, maar niet tot uw verwarming, en wie loon ontvangt, die ontvangt dat loon in een doorgeboorden buidel.
Het is enkel onzegen en ongeluk, dat gij ondervonden hebt op uwe wegen, dat gij alleen op uzelven en niet op den Heere hebt gezien a). Gij zaait nu reeds sedert jaren veel, en gij brengt weinig in; gij eetvan het weinige, dat gij geoogst hebt, maar niet tot verzadiging, want het heeft gene voedingskracht in zich; gij drinkt van uwen weinigen wijn, maar niet tot dronken worden toe, gij wordt niet verkwikt en vrolijk van den drank; gij kleedt u, maar niet tot uwe verwarming, en wie loon ontvangt, de arbeider, hoe vlijtig hij ook arbeidt, kan toch niets verzamelen, die ontvangt dien loon in een doorgeboorden buidel (Lev. 26:26. (Hos. 4:10. Micha 6:14).
Deut. 28:38. Wij weten, dat God de mensen op beide wijzen straft: of Hij neemt zijnen zegen weg, terwijl de aarde dor en de hemel gesloten is, of er is ondanks den voorraad van vruchten gene kracht tot verzadiging, geen nut daarin. Dikwijls is het, dat de mensen genoeg oogsten tot levensonderhoud, en toch altijd honger lijden. Deze soort van wanzegen vertoont zich duidelijk, als God Zijne kracht van brood en wijn wegneemt, zodat spijs en drank gene sterkte geven.
KruisverwijzingenHagai 1:5→Psalmen 119:59→Filippenzen 3:1→Jesaja 28:10→— Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen.
Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uwe wegen, bedenkt of gij op die wegen wilt voortwandelen, of niet liever andere inslaan.
KruisverwijzingenPsalmen 132:13→Hagai 2:7→Johannes 13:31→Jona 3:1→Zacharia 11:1→Ezra 6:4→Hagai 2:9→Psalmen 87:2→— Klimt op het gebergte, en brengt hout aan, en bouwt dit huis, en Ik zal een welgevallen daaraan hebben, en verheerlijkt worden, zegt de HEERE.
Klimt op het gebergte, en brengt hout aan, en bouwt dit huisdes Heeren weer op, en Ik zal een welgevallen daaraan, namelijk aan het door u gebouwde huis hebben. Ik zal het genadig aanzien, terwijl Ik, nu het in puin ligt, slechts met misnoegen het kan aanzien, en Ik zal verheerlijkt worden, Ik zal zijne heerlijkheid aan u openbaren, daar Ik aan uw land weer zegen zal geven, zegt de HEERE.
KruisverwijzingenHagai 1:4→Hagai 1:6→Jesaja 40:7→Psalmen 77:5→Maleachi 2:2→Jozua 7:10→2 Samuël 22:16→Mattheüs 10:37→— Gij ziet om naar veel, maar ziet, gij bekomt weinig; en als gij het in huis gebracht hebt, zo blaas Ik daarin. Waarom dat? spreekt de HEERE der heirscharen; om Mijns huizes wil, hetwelk woest is, en dat gij loopt elk voor zijn eigen huis.
Alleen van het verwaarlozen van Gods huis komt de tegenspoed. Gij ziet om naar veel vrucht des velds, maar ziet, gij bekomt weinig, dat gij oogst, en als gij het in huis gebracht hebt, zo blaas Ik daarin, zodat het verdwijnt als kaf voor den wind, dat het als niets wordt. Waarom dat! spreekt de HEERE der heirscharen: om Mijns huizes wil 1), hetwelk woest is, daar niemand van u zich daarom ook maar van zijne plaats beweegt, en dat gij loopt, elk voor zijn eigen huis.
Omtrent de grote betekenis van den tempel onder het Oude verbond merken wij op: Het genadeverbond, dat de God des hemels en der aarde met het tot Zijn bijzonder eigendom verkoren volk Israël heeft gesloten, maakte als zichtbaar onderpand voor de wezenlijke gemeenschap, waarin Jehova tot Israël getreden was, ene plaats nodig, waar de gemeenschap kon worden geoefend. Om die reden beval God dadelijk na het sluiten des verbonds aan den Sinaï; het bouwen van den tabernakel tot een heiligdom, waarin Hij als Verbondsgod in een zichtbaar symbool onder Zijn volk wilde wonen, en ten teken der vervulling dezer goddelijke toezegging, vervulde bij de inwijding van den tabernakel, zowel als van den in zijne plaats gekomen Salomonischen tempel de heerlijkheid van Jehova in ene wolk het voor Zijnen saamgebouwde heiligdom. Aan den tempel was tevens het bestaan van het Oude verbond of het rijk Gods in Israël vastgeknoopt. Met de verwoesting was het verbond gebroken, het voortbestaan van het rijk Gods opgeheven. Zou nu het gedurende de ballingschap opgeloste verbond vernieuwd, zou het rijk Gods in zijnen Oud-Testamentischen vorm weer hersteld worden, zo was de weer opbouwing van den tempel de eerste en gewichtigste eis hiervoor, en het volk verplicht, den opbouw daarvan met allen ijver door te zetten, om daarvoor zijn gans en de bereidvaardigheid om de tijdelijke afgebrokene bondsgemeenschap weer aan te knopen, met der daad te betuigen. Had het volk dezen plicht vervuld, zo mocht het van de trouw des Heeren verwachten, dat ook Hij de vroegere betrekking van genade weer geheel zou restitueren en alle verbondsbeloften zou vervullen. Hierin ligt de betekenis van Haggaï’s reden, en zij troffen ook doel. (Ezra 6:14, 15).
Kruisverwijzingen1 Koningen 17:1→Leviticus 26:19→1 Koningen 8:35→Joël 1:18→Deuteronomium 28:23→Jeremia 14:1→Hosea 2:9→— Daarom onthouden zich de hemelen over u, dat er geen dauw is, en het land onthoudt zijn vruchten.
Daarom onthouden zich de hemelen over u, dat er geen dauw 1) is, en het land onthoudt zijne vruchten.
Dit veroorzaakt juist het misgewas. Tussen den vroegen en laten regen valt er in Palestina geen druppel water. Maar de Heere God zendt dan den avonddauw, opdat de verschroeide aarde weer bevochtigd zou worden. Hield God derhalve dezen dauw in, dan moest misgewas volgen. Daarom vergelijkt zich de Heere ook elders bij den dauw, om Zijn geestelijk volk te verkwikken en te doen groeien.
KruisverwijzingenHagai 2:17→Deuteronomium 28:22→1 Koningen 17:1→2 Koningen 8:1→Klaagliederen 1:21→Job 34:29→Amos 5:8→Amos 9:6→— Want Ik heb een droogte geroepen over het land, en over de bergen, en over het koren, en over den most, en over de olie, en over hetgeen de aardbodem zou voortbrengen; ook over de mensen, en over de beesten, en over allen arbeid der handen.
Want Ik heb ene droogte geroepen over het land en over de bergen, en over het koren, en over den most, en over de olie, en over hetgeen de aardbodem zou voortbrengen; ook over de mensen, en over de beesten, en over allen arbeid der handen, zo als Ik u dat door Mozes heb bedreigd. (Lev. 25:19 v. Deut. 11:17; 28:23 v.)
KruisverwijzingenJesaja 50:10→Hagai 1:14→Spreuken 1:7→Prediker 12:13→Ezra 5:2→Hagai 2:2→Psalmen 112:1→Genesis 22:12→— Toen hoorde Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en al het overblijfsel des volks, naar de stem van den HEERE, hun God, en naar de woorden van den profeet Haggai, gelijk als hem de HEERE, hun God, gezonden had; en het volk vreesde voor het aangezicht des HEEREN.
Toen hoorde Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en in ‘t algemeen al het overblijfsel des volks, al de teruggekeerden van Israël (Zach. 8:6)naar de stem van den HEERE hunnen God, en naar de woorden van den Profeet Haggaï, welke hij gesproken had, gelijk als hem de HEERE, hun God, gezonden had; en het volk zag zijne zonde tegen God in, erkende in de droogte een goddelijk gericht, en vreesde voor het aangezicht des HEEREN 1).
Dat is, zij hadden groten eerbied voor het goddelijk gezag en groten schrik voor den goddelijken toorn, en waren van degenen, die voor Gods Woord beefden. De oordelen, waaronder zij geweest waren, hoewel zeer streng, hadden niet vermocht, hen te doen vrezen voor den Heere, totdat Zijn Woord gezonden was om de bestellingen Zijner voorzienigheid te verklaren, toen vreesden zij, toen, wanneer zij hun zonden en de oorzaak der oordelen zagen, toen vreesden zij.
KruisverwijzingenJesaja 43:2→Maleachi 2:7→Romeinen 8:31→Jesaja 44:26→Ezechiël 3:17→Jesaja 41:10→Maleachi 3:1→Psalmen 46:11→— Toen sprak Haggai, de bode des HEEREN, in de boodschap des HEEREN, tot het volk, zeggende: Ik ben met ulieden, spreekt de HEERE.
Toen sprak, om die boetvaardige stemming onder het volk te bevestigen, en tot het werk vruchtbaar te maken, Haggaï, de bode des HEEREN (Mal. 2:7), in de boodschap des HEEREN, tot het volk, zeggende: Weest getroost, Ik ben met ulieden, en zal alle hindernissen, welke zich bij het bouwen van Mijn huis mogen opdoen, uit den weg ruimen, spreekt de HEERE.
Het woord hier door “bode” overgezet, is hetzelfde, dat elders “engel” is vertaald; daarom waren enige ouderen tot de wonderlijke mening gekomen, dat Haggaï, Maleachi en Johannes de Doper gene werkelijke mensen waren, maar engelen, die in menselijke gedaante waren verschenen.
KruisverwijzingenHagai 2:21→Ezra 5:2→Hagai 1:1→2 Kronieken 36:22→Ezra 1:1→Hagai 2:2→Ezra 5:8→Hagai 1:12→— En de HEERE verwekte den geest van Zerubbabel, den zoon van Sealthiel, den vorst van Juda, en den geest van Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, en den geest van het ganse overblijfsel des volks; en zij kwamen en maakten het werk in het huis van den HEERE der heirscharen, hun God.
En de HEERE begon dadelijk de belofte te vervullen, en verwekte den geest van Zerubbabel, den zoon van Sealthiël, den vorst, of stadhouder van Juda, en den Geest van Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, enbovendien den Geest van het ganse overblijfsel des volks 1) van al de teruggekeerden uit de ballingschap. En zij kwamen, vervuld met vreugde, moed en kracht, en maakten het werk in het huis van den HEERE der heirscharen, hunnen God, en wel 23 dagen na de oproeping van Haggaï, in welken tussentijd zij het verder bouwen aanraadden en voorbereidden.
De Heere God deed hen onder de prediking van Zijne oordelen niet terneergeslagen blijven, maar kwam ook met den Geest der opwekking, der verlevendiging. Eerst had Hij hen doen beven voor Zijne oordelen, nu wekt Hij hen op om Zijn Woord te gehoorzamen. De Heere breekt af en bouwt op, opdat Hij en Hij alleen de ere van Zijn werk zou krijgen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel
Spurgeon Citaten
Het doet niet ter zake wie wij behagen als God niet behaagd wordt, en evenmin wie eer krijgt van wat wij geven als God er niet door verheerlijkt wordt.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Hagai 1
Hagai 1:1-2.KruisverwijzingenEzra 2:2→Mattheüs 1:12→Ezra 3:8→Ezra 3:2→Hagai 2:10→Hagai 1:12→Hagai 1:14→1 Kronieken 3:17→
— In het tweede jaar van den koning Darius, in de zesde maand, op den eersten dag der maand, geschiedde het woord des HEEREN, door den dienst van Haggai, den profeet, tot Zerubbabel, den zoon van Sealthiel, den vorst van Juda, en tot Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, zeggende: Alzo spreekt de HEERE der heirscharen zeggende: Dit volk zegt: De tijd is niet gekomen, de tijd, dat des HEEREN huis gebouwd worde.
God houdt een almanak bij, en de dag waarop Hij spreekt is altijd van belang. Voor elk van Zijn boodschappen aan de mensen is er een vastgestelde tijd. God wil dat zij op elke boodschap letten zodra die hun overgebracht wordt. Doen zij dat niet, dan houdt Hij de dagen van hun uitstel bij. Daarom laat Hij Zijn knechten zo nauwkeurig de datum optekenen waarop Zijn boodschap gebracht werd: “In het tweede jaar van den koning Darius, in de zesde maand, op den eersten dag der maand, geschiedde het woord des HEEREN, door den dienst van Haggai, den profeet, tot Zerubbabel, den zoon van Sealthiel, den vorst van Juda, en tot Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, zeggende:”
Och, of God deze dag in onze geschiedenis merkwaardig maakte door tot het hart van velen hier te spreken!
Let er ook op dat God er zorg voor draagt Zijn boodschappen te richten aan hen voor wie zij bedoeld zijn. Het woord van de HEERE kwam door de profeet Haggai tot Zerubbabel en tot Josua. God weet aan wie Zijn boodschap vandaag in het bijzonder gericht is, en Hij laat haar haar doel niet missen. Och, of iemand hier tot Hem riep: HEERE, spreek tot mij, zoals U tot Zerubbabel deed. En niet alleen tot mij, maar ook tot die en die, zoals U tot Josua deed.
“Alzo spreekt de HEERE der heirscharen zeggende: Dit volk zegt: De tijd is niet gekomen, de tijd, dat des HEEREN huis gebouwd worde.” De HEERE tekent dus op wat mensen zeggen, en te Zijner tijd brengt Hij hun in herinnering wat zij gezegd hebben. Soms laat Hij mensen hun eigen woorden opeten; en zo niet, dan haalt Hij ze hun ten minste weer voor de aandacht.
Uitstel is altijd een van de sterkste verzoekingen van de satan geweest, ook bij Gods eigen volk. Veel te vaak zeggen zij zelfs van Zijn werk, waarvan zij weten dat het gedaan moet worden: de tijd is nog niet gekomen. Hoeveel meer zou er voor God gedaan worden als wij allen meteen deden wat gedaan moet worden! Dan konden wij daarna aan iets anders beginnen en ons leven nog nuttiger en vruchtbaarder maken. Maar wij stellen het volbrengen van het ene goede voornemen zo lang uit, dat er voor het volgende geen gelegenheid overblijft.
Wordt u als christen verzocht een dienst voor God uit te stellen die op uw hart ligt? Denk dan aan de woorden van uw Heere, en volg Zijn eigen voortvarendheid na: “Ik moet werken de werken Desgenen, Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; de nacht komt, wanneer niemand werken kan.”
Hagai 1:3-4.Kruisverwijzingen2 Samuël 7:2→Psalmen 132:3→Ezra 5:1→Mattheüs 6:33→Zacharia 1:1→Klaagliederen 4:1→Hagai 1:9→Jeremia 33:12→
— En het woord des HEEREN geschiedde door den dienst van den profeet Haggai, zeggende: Is het voor ulieden wel de tijd, dat gij woont in uw gewelfde huizen, en zal dit huis woest zijn?
“Is het voor ulieden wel de tijd, dat gij woont in uw gewelfde huizen, en zal dit huis woest zijn?”
Er schijnt tijd genoeg te zijn om de weelde van het leven te genieten, maar geen tijd om de tempel van de HEERE weer op te bouwen. Tijd genoeg om rijk te worden, maar geen tijd om God te dienen. Tijd genoeg om uw arbeid aan alles voor uzelf te besteden, maar niet aan het huis van uw God! Wat een bestraffing was dat voor mensen die zich Gods volk noemden.
Zij hadden hun huizen met cederhout en kostbaar hout gebouwd en met houtsnijwerk versierd, terwijl de eenvoudigste gebouwen genoeg geweest zouden zijn. God staat toe dat zij hun eigen huis bouwen om erin te wonen. Maar daarná komt zeker Zijn huis, vóórdat zij hun eigen huis gaan opsieren.
En werkelijk, tegen veel welgestelde mensen mag hetzelfde gezegd worden. Het schijnt u geen tijd om de zending in het buitenland te steunen, maar wél tijd om meer geld in obligaties te zetten? Het schijnt u geen tijd om het Bijbelgenootschap te helpen? Maar wél tijd om nog een belegging te doen, en nog een stuk grond te kopen dat aan het uwe grenst?
Hagai 1:5.KruisverwijzingenKlaagliederen 3:40→Ezechiël 40:4→Galaten 6:4→Exodus 7:23→Daniël 10:12→2 Korinthe 13:5→Psalmen 48:13→Daniël 6:14→
— Nu dan, alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen.
Kijk eens een ogenblik terug en zie wat de gevolgen al geweest zijn van het zien op uzelf in plaats van op uw God. Hebt u er iets bij gewonnen?
Hagai 1:6.KruisverwijzingenHagai 2:16→Deuteronomium 28:38→Hosea 4:10→Hosea 8:7→Hagai 1:9→Maleachi 3:9→Zacharia 8:10→Zacharia 5:4→
— Gij zaait veel, en gij brengt weinig in; gij eet, maar niet tot verzadiging; gij drinkt, maar niet tot dronken worden toe; gij kleedt u, maar niet tot uw verwarming, en wie loon ontvangt, die ontvangt dat loon in een doorgeboorden buidel.
U hebt veel voor uzelf gezaaid, maar weinig voor God. Wat heeft uw zaaien u opgebracht?
Wie van u schijnbaar wél voorspoed heeft, is niet tevreden met wat hij heeft. De vrede van het hart komt er niet mee; u bent niet gelukkig.
Na al uw drinken uit de aardse bak bent u nog even dorstig als eerst. En toch verlangt u naar nog meer van die drank, die de dorst van uw ziel nooit lessen kan.
Hoe vaak gebeurt dat! En wat een dwaasheid is het toch: dat iemand hard werkt en loon verdient, en het geld dan in een buidel met gaten stopt en zo alles kwijtraakt.
Hagai 1:7-9.KruisverwijzingenPsalmen 132:13→Hagai 1:4→Hagai 1:5→Psalmen 119:59→Hagai 2:7→Hagai 1:6→Jesaja 40:7→Filippenzen 3:1→
— Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen. Klimt op het gebergte, en brengt hout aan, en bouwt dit huis, en Ik zal een welgevallen daaraan hebben, en verheerlijkt worden, zegt de HEERE. Gij ziet om naar veel, maar ziet, gij bekomt weinig; en als gij het in huis gebracht hebt, zo blaas Ik daarin. Waarom dat? spreekt de HEERE der heirscharen; om Mijns huizes wil, hetwelk woest is, en dat gij loopt elk voor zijn eigen huis.
Merk nogmaals op wat een strenge bestraffing dit was, en hoe rijkelijk zij verdiend werd. God had grote dingen voor Zijn volk gedaan. Hij had hen uit Babel naar Jeruzalem teruggebracht, en hun eerste zorg had moeten zijn de verwoeste tempel weer op te bouwen. Maar iedereen was meer bezorgd voor zijn eigen huis dan voor het huis van de HEERE. Daarom kon er niets goeds komen van wat zij deden of van wat zij hadden.
“Zo blaas Ik daarin”, zei de HEERE. En blaast God op wat iemand heeft of op wat iemand doet, dan blaast Hij het spoedig weg — zoals de kanttekening het leest.
“Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen. Klimt op het gebergte, en brengt hout aan, en bouwt dit huis, en Ik zal een welgevallen daaraan hebben, en verheerlijkt worden, zegt de HEERE.” Dat is het grote doel waarop wij in alles moeten mikken: dat God verheerlijkt wordt, dat God er een welgevallen aan heeft.
Hagai 1:10-11.KruisverwijzingenHagai 2:17→Deuteronomium 28:22→1 Koningen 17:1→Leviticus 26:19→1 Koningen 8:35→Joël 1:18→Deuteronomium 28:23→2 Koningen 8:1→
— Daarom onthouden zich de hemelen over u, dat er geen dauw is, en het land onthoudt zijn vruchten. Want Ik heb een droogte geroepen over het land, en over de bergen, en over het koren, en over den most, en over de olie, en over hetgeen de aardbodem zou voortbrengen; ook over de mensen, en over de beesten, en over allen arbeid der handen.
Wij zijn voor alles van God afhankelijk. Soms gebruikt Hij de gewone wetten van de natuur als een tuchtiging voor wie Hem vergeten. Willen wij door Zijn weldaden niet aan Hem herinnerd worden, dan worden wij door Zijn oordelen herinnerd. En maken wij als rentmeesters geen goed gebruik van wat Hij ons toevertrouwt, dan kan Hij het gemakkelijk allemaal weer wegnemen.
Hagai 1:12.KruisverwijzingenJesaja 50:10→Hagai 1:14→Spreuken 1:7→Prediker 12:13→Ezra 5:2→Hagai 2:2→Psalmen 112:1→Genesis 22:12→
— Toen hoorde Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en al het overblijfsel des volks, naar de stem van den HEERE, hun God, en naar de woorden van den profeet Haggai, gelijk als hem de HEERE, hun God, gezonden had; en het volk vreesde voor het aangezicht des HEEREN.
Wat een zegen is het wanneer een getrouw getuigenis zó ontvangen wordt! Soms gebeurt het dat mensen boos worden en de prediker haten die hen te openlijk over hun zonden bestraft. Maar werkt de Geest van God in hen, dan letten zij op wat er gezegd wordt en ontvangen zij de boodschap van de prediker als van God Zelf.
Hagai 1:13.KruisverwijzingenJesaja 43:2→Maleachi 2:7→Romeinen 8:31→Jesaja 44:26→Ezechiël 3:17→Jesaja 41:10→Maleachi 3:1→Psalmen 46:11→
— Toen sprak Haggai, de bode des HEEREN, in de boodschap des HEEREN, tot het volk, zeggende: Ik ben met ulieden, spreekt de HEERE.
Haggai was de bode van de HEERE, dus sprak hij niet zijn eigen woorden. Hij sprak “in de boodschap des HEEREN” tot het volk: “Ik ben met ulieden, spreekt de HEERE.” Hij was met hen, en daarom waren zij met hem.
Met ons gaat het net zo, als wij ware gelovigen in de Heere Jezus Christus zijn. Want Hij zegt tot ons: “En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld.” En hebben wij de tegenwoordigheid van God, dan hebben wij alles wat wij nodig hebben.
Hagai 1:14-15.KruisverwijzingenHagai 2:21→Ezra 5:2→Hagai 1:1→2 Kronieken 36:22→Ezra 1:1→Hagai 2:2→Ezra 5:8→Hagai 1:12→
— En de HEERE verwekte den geest van Zerubbabel, den zoon van Sealthiel, den vorst van Juda, en den geest van Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, en den geest van het ganse overblijfsel des volks; en zij kwamen en maakten het werk in het huis van den HEERE der heirscharen, hun God. Op den vier en twintigsten dag der maand, in de zesde maand, in het tweede jaar van den koning Darius.
God tekent op wanneer Zijn volk voor Hem werkt. Hij schrijft in Zijn almanak de dag, de maand en het jaar, want Hij ziet Zijn volk graag werkzaam in Zijn dienst.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
In het Boek van Haggaï worden ons waarschijnlijk alleen de hoofdgedachten der redevoeringen meegedeeld, met welke de Profeet door vermaningen, bedreigingen en beloften tot vernieuwden bouw des tempels moest opwekken, en wanneer hem dat gelukt was, hun ook den tegenwoordigen ongelukkigen tijd moest verklaren, als ook de twijfelingen, die daarover konden ontstaan, oplossen, en op den toekomstigen tijd der heerlijkheid wijzen. Het Boek is in vier afdelingen of reden verdeeld. Den tijd van haar ontstaan geeft hij zelf nauwkeurig op. De eerste bestraft de traagheid van het volk, en vermaant om het bouwen weer aan te vatten (Hoofdst. 1); de drie laatste vertroostten het gewillig geworden volk, over het treurige heden, met de belofte der toekomstige heerlijkheid. (Hoofdst. 2.). Hoofdst. 1:1-2 :1. Na opgaaf van den tijd, waarin zij zijn gehouden, als ook van de personen, tot welke zij gericht zijn, bestraft de Profeet in deze zijne eerste rede de onverschilligheid des volks omtrent het wederopbouwen des tempels, en wijst hij op de Goddelijke kastijding daarvoor, namelijk het misgewas in het land ten gevolge van het uitblijven van den regen. Daarop vermaant hij den stadhouder Zerubbabel, den hogepriester Jozua en het volk, dat zij getrouw den tempelbouw weer moeten opnemen (vs. 1-11). Hiermede verbindt hij dan een kort bericht daarover, welken uitslag zijne rede had gehad (vs. 12-15).
In het tweede jaar van den Perzischen koning DariusHystaspes, uit de familie der Achaemenieden, van 521-486 v. Chr. (Ezra 1:4) in de zesde maand, op den eersten dag der maand, d. i. op het feest der nieuwe maan 1) van de Joodse maand Elul, of omstreeks het midden van Augustus van het jaar 520 v. Chr. geschiedde voor de eerste maal het woord des HEEREN door de ingeving van Zijnen Heiligen Geest, door den dienst van Haggaï (= feestvierende) den Profeet. Waarschijnlijk was hij in Chaldea geboren en met Zerubbabel naar Jeruzalem teruggekeerd, doch van zijn persoon is overigens niets bekend (Ezra 5:1 1). Dit woord was gericht tot Zerubbabel, den zoon van Sealthiël (1 (Kron. 3:19), den vorst of stadhouder (Ezra 2:63) van Juda, en tot Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, en wel juist tot deze beide opperhoofden des volks, opdat zij de aanwijzingen Gods aan het gehele volk, aan zijne leidslieden zouden volvoeren, zeggende: Haggaï is de eerste Profeet, die na de ballingschap onder de uit Babel teruggekeerde gemeente van Juda optrad, om haar den wil en den heilsweg van haren God te verkondigen. Tussen hem en Zefanja lag de 70 jarige ballingschap en het werken van de grote Profeten Jeremia, Ezechiël en Daniël. Wat alle vorige Profeten en op zamenvattende, zeer ernstige wijze Jeremia, verkondigd hadden, dat de Heere ook Juda om zijne voortdurende afgoderij en tegenstand tegen Gods geboden onder de Heidenen zou verstoten, en daardoor laten onderdrukken, dat was tot vervulling gekomen. Gelijk de tien stammen reeds lang door de Assyriërs, zo waren nu ook de bewoners van Juda en Jeruzalem door de Chaldeën onder Nebukadnezar in ballingschap gevoerd. De Heere had nu Zijn gehele volk van Zijn aangezicht onder de Heidenen verbannen, maar het toch niet geheel en voor altijd verworpen; Hij had Zijn verbond wel gesuspendeerd, maar niet geheel opgeheven. Ook aan het in ballingschap smachtend volk had Hij niet alleen door den Profeet Ezechiël, na de oplossingen van het rijk en de verwoesting van Jeruzalem en den tempel, de oude voorzeggingen, dat Hij het volk, hetwelk tot kennis zijner zware zonden kwam, en met berouw tot Hem terugkeerde, weer in genade zou aannemen, uit de ballingschap verlossen, in zijn land terugleiden en tot grotere heerlijkheid verheffen wilde, vernieuwd, maar ook door Daniël de macht en het voortduren der wereldrijken en hun verwoesting door het Godsrijk uit den hemel laten verkondigen. Nu waren de 70 jaren, gedurende welke het rijk van Juda woest liggen, en het ‘t volk Babel dienen moest (Jer. 25:11) voorbijgegaan. Het Babylonische wereldrijk was gevallen, en Cyrus, de stichter van de Perzische wereldmacht, had den Joden de toestemming om in hun vaderland terug te keren gegeven, en den wederopbouw van den tempel van Jehova te Jeruzalem bevolen. Een feit komt ons in het beeld van den toenmaligen tijd voor, dat niet genoeg op den voorgrond kan worden gesteld-dat is de merkwaardige omkering, welke het volk Gods in de ballingschap heeft ondervonden, en wanneer wij het volk te Jeruzalem na zijne terugkering aanzien, is het ons als een ander vreemd volk, dat wij nauwelijks meer herkennen. Juda was teruggekeerd met de anderen, die zich aan hem hadden aangesloten, de ballingschap met haar verschrikking was voorbij, en de vreselijke kastijding was niet te vergeefs geweest; het volk was genezen van zijnen afgodendienst. Dit volk, dat anders voor iedere afgoderij toegankelijk was, en zodra maar de feestelijkheden van enigen afgodendienst lokten, zich dadelijk daaraan overgaf, had in de ballingschap een afkeer opgevat van alle afgoden, en niet licht heeft enig volk zulk ene omkering ervaren, als Israël in zijne ballingschap. Zo was dan ook zijn eerste werk om het brandofferaltaar te bouwen en den dagelijksen offerdienst in te stellen, ook dadelijk het bouwen van den tempel zelven ter hand te nemen. Reeds was de grond gelegd en rustig bouwde men voort. Toen kwamen hinderpalen in den weg, bij welke weer de aard van het volk te voorschijn kwam. De Samaritanen, die gemengde hoop van heidenen en Israëlieten, wilden ook deelnemen aan het bouwen; maar zulk een afkeer hadden de nieuwe bewoners van Jeruzalem van alles, wat maar van verre aan heidendom herinnerde, dat zij zulk een verlangen rondweg afsloegen. Zij wilden liever een vijand in de naaste nabijheid hebben dan enen, al was het ook maar in ‘t minste heidensen vriend bezitten. Het gevolg was de vijandschap dier Samaritanen, en nu volgde van die zijde ene aanklacht bij den koning der Perzen, die met het oog op vroegeren, dikwijls herhaalden afval van Israël, het bouwen van den tempel verbood, en zo moest de gehele zaak stilstaan. Men zou denken, dat een volk, hetwelk den afgodendienst zo verleerd had, zulk een verbod niet zo gewillig zou aannemen, of ten minste de eerste mogelijkheid om het te ontgaan, of op den achtergrond te schuiven, met vreugde zou aangrijpen. Maar van dat alles horen wij niets, en hier komt ons juist voor ogen, wat er van de omkering des volks geweest is. Het is waar, het volk had den dienst der afgoden verleerd, maar daarom had het toch den dienst van God nog niet geleerd. Zijne afgodendienst had alleen ene andere gedaante aangenomen. Een geest van eigen gerechtigheid had zich van het volk meester gemaakt, welke zich in de ongebondendste zelfzucht en den laagsten eigenbaat hoe langer hoe meer ontwikkelde. Het volk wist, dat het wat buitengewoons was, dat het uitwendig met alle heidendom had gebroken, en nam steeds meer de gedaante aan, welke het volk der Joden in zijne ontaarding nog heden bezit. Zo vinden wij er dan ook geen spoor van, dat de Joden op Jeruzalems puinhopen na dat verbod van den koning der Perzen het zouden beproefd hebben, of niet het bouwen van den tempel en de herstelling van den godsdienst mogelijk was; integendeel werd alles zo gemakkelijk als mogelijk was, ingericht, men bouwde huizen, richtte paleizen op, en het huis des Heeren bleef onvoltooid. Er kwamen zware tijden, des Heeren hand kastijdde het baatzuchtige volk met zware bezoekingen, maar het werd niet anders. Zo bleef het, totdat 16 jaren sedert het terugkeren naar Jeruzalem waren voorbijgegaan (536-520). In dit jaar trad onze profeet Haggaï op, en van zelf blijkt uit deze tijdsomstandigheid de bedoeling zijner profetie. Juist omdat de dag der nieuwe maan een feestdag was, op welken het volk van Jeruzalem tot Jehovah’s altaar samenkwam en meerdere feestofferanden plaats vonden, wanneer daarom ook het godsdienstig bewustzijn was opgewekt, en het dubbel smartelijk moest worden gevoeld, dat de tempel van Jehova nog in puin lag, juist daarom komt op enen dag der nieuwe maan het woord van Jehova, dat tot wederopbouw van den tempel opwekt.
Alzo spreekt de HEERE der heirscharen, zeggende: Dit volk, waarvan Ik niet kan zeggen: Mijn volk, omdat het in dit opzicht niet als Mijn volk handelt, zegt, om zijne onverschilligheid door nietige uitvluchten te verontschuldigen: De rechte tijd is nog niet gekomen, de tijd, dat des HEEREN huis gebouwd worde.
En het woord des HEEREN geschiedde door den dienst van den Profeet Haggaï, zeggende:
Gij zegt dat het ongunstige der tijdsomstandigheden, en de druk, onder welken gij leeft, niet toelaten Mijn huis op te bouwen. Maar is het voor ulieden, voor de rijken en voornamen onder u, wel de tijd, dat gij woont in uwe gewelfde, met kostbaar houtwerk aan de binnenste muren versierde, huizen, en daar een gemakkelijk en genotvol leven leidt, en zal dit huis, dat u het leven eerst waarlijk gezegend en rijk moest maken, woest zijn? 1)
Het volk had tot voorwendsel gekozen den druk der tijden, maar het wonen in prachtige paleizen was geen teken van druk, integendeel van burgerlijken welstand. Het volk uit Babel teruggekeerd, zag niet in het grote en onafscheidelijk verband tussen den tempel en de vervulling van Gods belofte. Het zorgde wel voor zichzelve, menende ook de Heere te kunnen dienen zonder tempel, maar de Heere komt het tegen. Hij laat een droogte komen, opdat het volk het zou verstaan, dat des Heeren ongenoegen was gaande gemaakt, door hun opzettelijk verzuim. En waar nu deze straf nog geen uitwerking had, daar zendt God Zijn Profeet, om de moedelozen op te beuren, maar ook de tragen van harte aan te zetten tot het vervullen van Gods wil, inzake den tempelbouw. De Heere toont het ook hier, dat Hij Zijn volk niet vergeet, dat Hij ook nog over het eigengerechtige volk gedachten des vredes heeft.
Nu dan, alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uwe wegen 1). Vestigt uw oog eens nadenkend op uw handelen en op de gevolgen daarvan.
Hiermede komt de Profeet in den Naam des Heeren het volk tot nauwgezet zelfonderzoek aanzetten, opdat zij niet alleen zouden zien op hetgeen tegenwoordig was, maar ook op hetgeen achter lag. Het was toch de doorgaande geschiedenis van Israëls volk, dat als de Heere kwam met beproevingen, het was om der zonden wil, het alles in verband stond met het onderhouden of het verachten en verlaten van des Heeren dienst. En waar nu de Heere met de beproeving van grote droogte kwam, daar moest Israël letten op zijne wegen van ongehoorzaamheid, waarop de zagen des Heeren niet kon rusten, opdat het mocht komen tot het zoeken van des Heeren dienst en een gehoorzamen van Zijne Ordinantiën. In vers 7 wordt dit nog ene herhaald.
Het is enkel onzegen en ongeluk, dat gij ondervonden hebt op uwe wegen, dat gij alleen op uzelven en niet op den Heere hebt gezien a). Gij zaait nu reeds sedert jaren veel, en gij brengt weinig in; gij eetvan het weinige, dat gij geoogst hebt, maar niet tot verzadiging, want het heeft gene voedingskracht in zich; gij drinkt van uwen weinigen wijn, maar niet tot dronken worden toe, gij wordt niet verkwikt en vrolijk van den drank; gij kleedt u, maar niet tot uwe verwarming, en wie loon ontvangt, de arbeider, hoe vlijtig hij ook arbeidt, kan toch niets verzamelen, die ontvangt dien loon in een doorgeboorden buidel (Lev. 26:26. (Hos. 4:10. Micha 6:14).
Deut. 28:38. Wij weten, dat God de mensen op beide wijzen straft: of Hij neemt zijnen zegen weg, terwijl de aarde dor en de hemel gesloten is, of er is ondanks den voorraad van vruchten gene kracht tot verzadiging, geen nut daarin. Dikwijls is het, dat de mensen genoeg oogsten tot levensonderhoud, en toch altijd honger lijden. Deze soort van wanzegen vertoont zich duidelijk, als God Zijne kracht van brood en wijn wegneemt, zodat spijs en drank gene sterkte geven.
Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uwe wegen, bedenkt of gij op die wegen wilt voortwandelen, of niet liever andere inslaan.
Klimt op het gebergte, en brengt hout aan, en bouwt dit huisdes Heeren weer op, en Ik zal een welgevallen daaraan, namelijk aan het door u gebouwde huis hebben. Ik zal het genadig aanzien, terwijl Ik, nu het in puin ligt, slechts met misnoegen het kan aanzien, en Ik zal verheerlijkt worden, Ik zal zijne heerlijkheid aan u openbaren, daar Ik aan uw land weer zegen zal geven, zegt de HEERE.
Alleen van het verwaarlozen van Gods huis komt de tegenspoed. Gij ziet om naar veel vrucht des velds, maar ziet, gij bekomt weinig, dat gij oogst, en als gij het in huis gebracht hebt, zo blaas Ik daarin, zodat het verdwijnt als kaf voor den wind, dat het als niets wordt. Waarom dat! spreekt de HEERE der heirscharen: om Mijns huizes wil 1), hetwelk woest is, daar niemand van u zich daarom ook maar van zijne plaats beweegt, en dat gij loopt, elk voor zijn eigen huis.
Omtrent de grote betekenis van den tempel onder het Oude verbond merken wij op: Het genadeverbond, dat de God des hemels en der aarde met het tot Zijn bijzonder eigendom verkoren volk Israël heeft gesloten, maakte als zichtbaar onderpand voor de wezenlijke gemeenschap, waarin Jehova tot Israël getreden was, ene plaats nodig, waar de gemeenschap kon worden geoefend. Om die reden beval God dadelijk na het sluiten des verbonds aan den Sinaï; het bouwen van den tabernakel tot een heiligdom, waarin Hij als Verbondsgod in een zichtbaar symbool onder Zijn volk wilde wonen, en ten teken der vervulling dezer goddelijke toezegging, vervulde bij de inwijding van den tabernakel, zowel als van den in zijne plaats gekomen Salomonischen tempel de heerlijkheid van Jehova in ene wolk het voor Zijnen saamgebouwde heiligdom. Aan den tempel was tevens het bestaan van het Oude verbond of het rijk Gods in Israël vastgeknoopt. Met de verwoesting was het verbond gebroken, het voortbestaan van het rijk Gods opgeheven. Zou nu het gedurende de ballingschap opgeloste verbond vernieuwd, zou het rijk Gods in zijnen Oud-Testamentischen vorm weer hersteld worden, zo was de weer opbouwing van den tempel de eerste en gewichtigste eis hiervoor, en het volk verplicht, den opbouw daarvan met allen ijver door te zetten, om daarvoor zijn gans en de bereidvaardigheid om de tijdelijke afgebrokene bondsgemeenschap weer aan te knopen, met der daad te betuigen. Had het volk dezen plicht vervuld, zo mocht het van de trouw des Heeren verwachten, dat ook Hij de vroegere betrekking van genade weer geheel zou restitueren en alle verbondsbeloften zou vervullen. Hierin ligt de betekenis van Haggaï’s reden, en zij troffen ook doel. (Ezra 6:14, 15).
Daarom onthouden zich de hemelen over u, dat er geen dauw 1) is, en het land onthoudt zijne vruchten.
Dit veroorzaakt juist het misgewas. Tussen den vroegen en laten regen valt er in Palestina geen druppel water. Maar de Heere God zendt dan den avonddauw, opdat de verschroeide aarde weer bevochtigd zou worden. Hield God derhalve dezen dauw in, dan moest misgewas volgen. Daarom vergelijkt zich de Heere ook elders bij den dauw, om Zijn geestelijk volk te verkwikken en te doen groeien.
Want Ik heb ene droogte geroepen over het land en over de bergen, en over het koren, en over den most, en over de olie, en over hetgeen de aardbodem zou voortbrengen; ook over de mensen, en over de beesten, en over allen arbeid der handen, zo als Ik u dat door Mozes heb bedreigd. (Lev. 25:19 v. Deut. 11:17; 28:23 v.)
Toen hoorde Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en in ‘t algemeen al het overblijfsel des volks, al de teruggekeerden van Israël (Zach. 8:6)naar de stem van den HEERE hunnen God, en naar de woorden van den Profeet Haggaï, welke hij gesproken had, gelijk als hem de HEERE, hun God, gezonden had; en het volk zag zijne zonde tegen God in, erkende in de droogte een goddelijk gericht, en vreesde voor het aangezicht des HEEREN 1).
Dat is, zij hadden groten eerbied voor het goddelijk gezag en groten schrik voor den goddelijken toorn, en waren van degenen, die voor Gods Woord beefden. De oordelen, waaronder zij geweest waren, hoewel zeer streng, hadden niet vermocht, hen te doen vrezen voor den Heere, totdat Zijn Woord gezonden was om de bestellingen Zijner voorzienigheid te verklaren, toen vreesden zij, toen, wanneer zij hun zonden en de oorzaak der oordelen zagen, toen vreesden zij.
Toen sprak, om die boetvaardige stemming onder het volk te bevestigen, en tot het werk vruchtbaar te maken, Haggaï, de bode des HEEREN (Mal. 2:7), in de boodschap des HEEREN, tot het volk, zeggende: Weest getroost, Ik ben met ulieden, en zal alle hindernissen, welke zich bij het bouwen van Mijn huis mogen opdoen, uit den weg ruimen, spreekt de HEERE.
Het woord hier door “bode” overgezet, is hetzelfde, dat elders “engel” is vertaald; daarom waren enige ouderen tot de wonderlijke mening gekomen, dat Haggaï, Maleachi en Johannes de Doper gene werkelijke mensen waren, maar engelen, die in menselijke gedaante waren verschenen.
En de HEERE begon dadelijk de belofte te vervullen, en verwekte den geest van Zerubbabel, den zoon van Sealthiël, den vorst, of stadhouder van Juda, en den Geest van Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester, enbovendien den Geest van het ganse overblijfsel des volks 1) van al de teruggekeerden uit de ballingschap. En zij kwamen, vervuld met vreugde, moed en kracht, en maakten het werk in het huis van den HEERE der heirscharen, hunnen God, en wel 23 dagen na de oproeping van Haggaï, in welken tussentijd zij het verder bouwen aanraadden en voorbereidden.
De Heere God deed hen onder de prediking van Zijne oordelen niet terneergeslagen blijven, maar kwam ook met den Geest der opwekking, der verlevendiging. Eerst had Hij hen doen beven voor Zijne oordelen, nu wekt Hij hen op om Zijn Woord te gehoorzamen. De Heere breekt af en bouwt op, opdat Hij en Hij alleen de ere van Zijn werk zou krijgen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel