Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1Het geschiedde nu na deze dingen, dat men Jozef zeide: Zie, uw vader is krank! Toen nam hij zijn twee zonen met zich, Manasse en Efraim!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1Het geschiedde nu naH310dezeH428 dingen, dat men JozefH3130zeideH559: ZieH2009, uw vaderH1 is krankH2470! Toen namH3947 hij zijn tweeH8147zonenH1121metH5973 zich, ManasseH4519 en EfraimH669!Het geschiedde nu na deze dingen, dat men Jozef zeide: Zie, uw vader is krank! Toen nam hij zijn twee zonen met zich, Manasse en Efraim!
KJVAnd it came to pass after2these things,3that one told5Joseph,6Behold, thy father8is sick:9and he took10with him his two12sons,13Manasseh16and Ephraim.
1וַיְהִ֗יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2אַחֲרֵי֙H310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with3הַדְּבָרִ֣יםH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work4הָאֵ֔לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)5וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet6לְיוֹסֵ֔ףH3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)7הִנֵּ֥הH2009ziet, ziebehold, lo, see8אָבִ֖יךָH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'9חֹלֶ֑הH2470krank, smeken, ziekbeseech, (be) diseased, (put to) grief, be grieved, (be) grievous, infirmity, intreat, lay to, put to pain, [idiom] pray, make prayer, be (fall, make) sick, sore, be sorry, make suit ([idiom] supplication), woman in travail, be (become) weak, be wounded10וַיִּקַּ֞חH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win11אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12שְׁנֵ֤יH8147twee, twaalf, beideboth, couple, double, second, twain, [phrase] twelfth, [phrase] twelve, [phrase] twenty (sixscore) thousand, twice, two13בָנָיו֙H1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth14עִמּ֔וֹH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)15אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)16מְנַשֶּׁ֖הH4519ManasseManasseh17וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)18אֶפְרָֽיִםH669Efraim, Efraims, EfraimietenEphraim, Ephraimites
2En men boodschapte Jakob, en men zeide: Zie, uw zoon Jozef komt tot u! Zo versterkte zich Israel, en zat op het bed.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2En men boodschapteH5046JakobH3290, en men zeideH559: ZieH2009, uw zoonH1121JozefH3130komtH935totH413 u! Zo versterkteH2388 zich IsraelH3478, en zat opH5921 het bedH4296.En men boodschapte Jakob, en men zeide: Zie, uw zoon Jozef komt tot u! Zo versterkte zich Israel, en zat op het bed.
KJVAnd one told1Jacob,2and said,3Behold, thy son5Joseph6cometh7unto thee: and Israel10strengthened9himself, and sat11upon the bed.
1וַיַּגֵּ֣דH5046kennen, verkondigen, bekendbewray, [idiom] certainly, certify, declare(-ing), denounce, expound, [idiom] fully, messenger, plainly, profess, rehearse, report, shew (forth), speak, [idiom] surely, tell, utter2לְיַעֲקֹ֔בH3290Jakob, JakobsJacob3וַיֹּ֕אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet4הִנֵּ֛הH2009ziet, ziebehold, lo, see5בִּנְךָ֥H1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth6יוֹסֵ֖ףH3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)7בָּ֣אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way8אֵלֶ֑יךָH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)9וַיִּתְחַזֵּק֙H2388sterk, verbeterde, wees sterkaid, amend, [idiom] calker, catch, cleave, confirm, be constant, constrain, continue, be of good (take) courage(-ous, -ly), encourage (self), be established, fasten, force, fortify, make hard, harden, help, (lay) hold (fast), lean, maintain, play the man, mend, become (wax) mighty, prevail, be recovered, repair, retain, seize, be (wax) sore, strengthen (self), be stout, be (make, shew, wax) strong(-er), be sure, take (hold), be urgent, behave self valiantly, withstand10יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael11וַיֵּ֖שֶׁבH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry12עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with13הַמִּטָּֽהH4296bed, bedsteden, baarbed(-chamber), bier
3Daarna zeide Jakob tot Jozef: God de Almachtige, is mij verschenen te Luz, in het land Kanaan, en Hij heeft mij gezegend;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3Daarna zeideH559JakobH3290totH413JozefH3130: GodH410 de AlmachtigeH7706, is mij verschenenH7200 te LuzH3870, in het landH776KanaanH3667, en Hij heeft mij gezegendH1288;Daarna zeide Jakob tot Jozef: God de Almachtige, is mij verschenen te Luz, in het land Kanaan, en Hij heeft mij gezegend;
KJVAnd Jacob2said1unto Joseph,4God5Almighty6appeared7unto me at Luz9in the land10of Canaan,11and blessed
1וַיֹּ֤אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2יַעֲקֹב֙H3290Jakob, JakobsJacob3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4יוֹסֵ֔ףH3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)5אֵ֥לH410God, Gods, godGod (god), [idiom] goodly, [idiom] great, idol, might(-y one), power, strong. Compare names in '-el.'6שַׁדַּ֛יH7706Almachtige, Almachtigen, almachtigAlmighty7נִרְאָֽהH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions8אֵלַ֥יH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)9בְּל֖וּזH3870LuzLuz10בְּאֶ֣רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world11כְּנָ֑עַןH3667Kanaan, koophandel, KanaanietenCanaan, merchant, traffick12וַיְבָ֖רֶךְH1288zegenen, gezegend, zegende[idiom] abundantly, [idiom] altogether, [idiom] at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, [idiom] greatly, [idiom] indeed, kneel (down), praise, salute, [idiom] still, thank13אֹתִֽיH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)
4En Hij heeft tot mij gezegd: Zie, Ik zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen, en u tot een hoop van volken stellen; en Ik zal aan uw zaad na u dit land tot een eeuwige bezitting geven.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4En Hij heeft totH413 mij gezegdH559: ZieH2009, Ik zal u vruchtbaarH6509 maken, en u vermenigvuldigenH7235, en u tot een hoopH6951 van volkenH5971stellenH5414; en Ik zal aan uw zaadH2233naH310 u ditH2063landH776 tot een eeuwigeH5769bezittingH272 geven.En Hij heeft tot mij gezegd: Zie, Ik zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen, en u tot een hoop van volken stellen; en Ik zal aan uw zaad na u dit land tot een eeuwige bezitting geven.
KJVAnd said1unto me, Behold, I will make thee fruitful,4and multiply5thee, and I will make6of thee a multitude7of people;8and will give9this land11to thy seed13after thee14for an everlasting16possession.
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אֵלַ֗יH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3הִנְנִ֤יH2005ziet, ziebehold, if, lo, though4מַפְרְךָ֙H6509vruchtbaar, vruchtbare, gewassenbear, bring forth (fruit), (be, cause to be, make) fruitful, grow, increase5וְהִרְבִּיתִ֔ךָH7235veel, vermenigvuldigen, vermenigvuldigd(bring in) abundance ([idiom] -antly), [phrase] archer (by mistake for H7232 (רָבַב)), be in authority, bring up, [idiom] continue, enlarge, excel, exceeding(-ly), be full of, (be, make) great(-er, -ly, [idiom] -ness), grow up, heap, increase, be long, (be, give, have, make, use) many (a time), (any, be, give, give the, have) more (in number), (ask, be, be so, gather, over, take, yield) much (greater, more), (make to) multiply, nourish, plenty(-eous), [idiom] process (of time), sore, store, thoroughly, very6וּנְתַתִּ֖יךָH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield7לִקְהַ֣לH6951gemeente, vergadering, hoopassembly, company, congregation, multitude8עַמִּ֑יםH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people9וְנָ֨תַתִּ֜יH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11הָאָ֧רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world12הַזֹּ֛אתH2063dit, deze, dathereby (-in, -with), it, likewise, the one (other, same), she, so (much), such (deed), that, therefore, these, this (thing), thus13לְזַרְעֲךָ֥H2233zaad, zaads, zaadzaaiende[idiom] carnally, child, fruitful, seed(-time), sowing-time14אַחֲרֶ֖יךָH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with15אֲחֻזַּ֥תH272bezitting, erfbegrafenis, erfenispossession16עוֹלָֽםH5769eeuwigheid, eeuwige, eeuwigalway(-s), ancient (time), any more, continuance, eternal, (for, (n-)) ever(-lasting, -more, of old), lasting, long (time), (of) old (time), perpetual, at any time, (beginning of the) world ([phrase] without end). Compare H5331 (נֶצַח), H5703 (עַד)
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
5Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, eer ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn mijne; Efraim en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5Nu dan, uw tweeH8147zonenH1121, dieH1992 u in EgyptelandH776geborenH3205 waren, eerH5704 ik in EgypteH4714totH413 u gekomenH935 ben, zijn mijne; EfraimH669 en ManasseH4519 zullen mijne zijnH1961, als RubenH7205 en SimeonH8095.Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, eer ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn mijne; Efraim en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon.
KJVAnd now thy two2sons,3Ephraim14and Manasseh,15which were born4unto thee in the land6of Egypt7before8I came9unto thee into Egypt,11are mine; as Reuben16and Simeon,
1וְעַתָּ֡הH6258nu, danhenceforth, now, straightway, this time, whereas2שְׁנֵֽיH8147twee, twaalf, beideboth, couple, double, second, twain, [phrase] twelfth, [phrase] twelve, [phrase] twenty (sixscore) thousand, twice, two3בָנֶיךָ֩H1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth4הַנּוֹלָדִ֨יםH3205gewon, baarde, geborenbear, beget, birth(-day), born, (make to) bring forth (children, young), bring up, calve, child, come, be delivered (of a child), time of delivery, gender, hatch, labour, (do the office of a) midwife, declare pedigrees, be the son of, (woman in, woman that) travail(-eth, -ing woman)5לְךָ֜6בְּאֶ֣רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world7מִצְרַ֗יִםH4714Egypte, Egyptenaren, EgyptenaarsEgypt, Egyptians, Mizraim8עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet9בֹּאִ֥יH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way10אֵלֶ֛יךָH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)11מִצְרַ֖יְמָהH4714Egypte, Egyptenaren, EgyptenaarsEgypt, Egyptians, Mizraim12לִי13הֵ֑םH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye14אֶפְרַ֨יִם֙H669Efraim, Efraims, EfraimietenEphraim, Ephraimites15וּמְנַשֶּׁ֔הH4519ManasseManasseh16כִּרְאוּבֵ֥ןH7205Ruben, Rubens, stam RubenReuben17וְשִׁמְע֖וֹןH8095Simeon, JudaSimeon18יִֽהְיוּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use19לִֽי
6Maar uw geslacht, dat gij na hen zult gewinnen, zullen uwe zijn; zij zullen naar hunner broederen naam genoemd worden in hun erfdeel.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6Maar uw geslachtH4138, datH834 gij naH310 hen zult gewinnenH3205, zullen uwe zijn; zij zullen naar hunner broederenH251naamH8034genoemdH7121 worden in hun erfdeelH5159.Maar uw geslacht, dat gij na hen zult gewinnen, zullen uwe zijn; zij zullen naar hunner broederen naam genoemd worden in hun erfdeel.
KJVAnd thy issue,1which thou begettest3after4them, shall be thine, and shall be called10after7the name8of their brethren9in their inheritance.
1וּמוֹלַדְתְּךָ֛H4138maagschap, geboorte, geborenbegotten, born, issue, kindred, native(-ity)2אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection3הוֹלַ֥דְתָּH3205gewon, baarde, geborenbear, beget, birth(-day), born, (make to) bring forth (children, young), bring up, calve, child, come, be delivered (of a child), time of delivery, gender, hatch, labour, (do the office of a) midwife, declare pedigrees, be the son of, (woman in, woman that) travail(-eth, -ing woman)4אַחֲרֵיהֶ֖םH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with5לְךָ֣6יִהְי֑וּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use7עַ֣לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with8שֵׁ֧םH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report9אֲחֵיהֶ֛םH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'10יִקָּרְא֖וּH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say11בְּנַחֲלָתָֽםH5159erfenis, erfdeel, erveheritage, to inherit, inheritance, possession. Compare H5158 (נַחַל)
7Toen ik nu van Paddan kwam, zo is Rachel bij mij gestorven in het land Kanaan, op den weg, als het nog een kleine streek lands was, om tot Efrath te komen; en ik begroef haar aldaar aan den weg van Efrath, welke is Bethlehem.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7Toen ik nu van PaddanH6307 kwam, zo is RachelH7354bijH5921 mij gestorvenH4191 in het landH776KanaanH3667, op den wegH1870, als het nogH5750 een kleineH3530 streek landsH776 was, om tot EfrathH672 te komenH935; en ikH589begroefH6912 haar aldaarH8033 aan den wegH1870 van EfrathH672, welke is BethlehemH1035.Toen ik nu van Paddan kwam, zo is Rachel bij mij gestorven in het land Kanaan, op den weg, als het nog een kleine streek lands was, om tot Efrath te komen; en ik begroef haar aldaar aan den weg van Efrath, welke is Bethlehem.
KJVAnd as for me, when I came2from Padan,3Rachel6died4by me in the land7of Canaan8in the way,9when10yet there was but a little11way12to come13unto Ephrath:14and I buried her15there in the way17of Ephrath;18the same is Bethlehem.
1וַאֲנִ֣יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who2בְּבֹאִ֣יH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way3מִפַּדָּ֗ןH6307Paddan-aram, PaddanPadan, Padan-aram4מֵ֩תָה֩H4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise5עָלַ֨יH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with6רָחֵ֜לH7354Rachel, RachelsRachel7בְּאֶ֤רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world8כְּנַ֨עַן֙H3667Kanaan, koophandel, KanaanietenCanaan, merchant, traffick9בַּדֶּ֔רֶךְH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)10בְּע֥וֹדH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)11כִּבְרַתH3530kleine, kleine streek[idiom] little12אֶ֖רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world13לָבֹ֣אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way14אֶפְרָ֑תָהH672Efrath, Efrathaonce (Psalm 132:6) perhaps for Ephraim; also of an Israelitish woman; Ephrath, Ephratah15וָאֶקְבְּרֶ֤הָH6912begraven, begroeven, begraaf[idiom] in any wise, bury(-ier)16שָּׁם֙H8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither17בְּדֶ֣רֶךְH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)18אֶפְרָ֔תH672Efrath, Efrathaonce (Psalm 132:6) perhaps for Ephraim; also of an Israelitish woman; Ephrath, Ephratah19הִ֖ואH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who20בֵּ֥יתH1035Bethlehem, Bethlehem-juda, BethlehemsBethlehem21לָֽחֶםH1035Bethlehem, Bethlehem-juda, BethlehemsBethlehem
8En Israel zag de zonen van Jozef, en zeide: Wiens zijn deze?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8En IsraelH3478zagH7200 de zonenH1121 van JozefH3130, en zeideH559: WiensH4310 zijn dezeH428?En Israel zag de zonen van Jozef, en zeide: Wiens zijn deze?
KJVAnd Israel2beheld1Joseph's5sons,4and said,
1וַיַּ֥רְאH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions2יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth5יוֹסֵ֑ףH3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)6וַיֹּ֖אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet7מִיH4310wie, wien, wiensany (man), [idiom] he, [idiom] him, [phrase] O that! what, which, who(-m, -se, -soever), [phrase] would to God8אֵֽלֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)
9En Jozef zeide tot zijn vader: Zij zijn mijn zonen, die mij God hier gegeven heeft. En hij zeide: Breng hen toch tot mij, dat ik hen zegene!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9En JozefH3130zeideH559totH413 zijn vaderH1: Zij zijn mijn zonenH1121, die mij GodH430hierH2088gegevenH5414 heeft. En hij zeideH559: BrengH3947 hen tochH4994totH413 mij, dat ik hen zegeneH1288!En Jozef zeide tot zijn vader: Zij zijn mijn zonen, die mij God hier gegeven heeft. En hij zeide: Breng hen toch tot mij, dat ik hen zegene!
KJVAnd Joseph2said1unto his father,4They are my sons,5whom God10hath given8me in this place. And he said,12Bring them,13I pray thee, unto me, and I will bless
1וַיֹּ֤אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2יוֹסֵף֙H3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4אָבִ֔יוH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'5בָּנַ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth6הֵ֔םH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye7אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection8נָֽתַןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield9לִ֥י10אֱלֹהִ֖יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty11בָּזֶ֑הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)12וַיֹּאמַ֕רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet13קָֽחֶםH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win14נָ֥אH4994toch, doch, OchI beseech (pray) thee (you), go to, now, oh15אֵלַ֖יH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)16וַאֲבָרֲכֵֽםH1288zegenen, gezegend, zegende[idiom] abundantly, [idiom] altogether, [idiom] at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, [idiom] greatly, [idiom] indeed, kneel (down), praise, salute, [idiom] still, thank
10Doch de ogen van Israel waren zwaar van ouderdom; hij kon niet zien; en hij deed hen naderen tot zich; toen kuste hij hen, en omhelsde hen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10Doch de ogenH5869 van IsraelH3478 waren zwaarH3513 van ouderdomH2207; hij konH3201nietH3808zienH7200; en hij deed hen naderenH5066totH413 zich; toen kusteH5401 hij hen, en omhelsdeH2263 hen.Doch de ogen van Israel waren zwaar van ouderdom; hij kon niet zien; en hij deed hen naderen tot zich; toen kuste hij hen, en omhelsde hen.
KJVNow the eyes1of Israel2were dim3for age,4so that he could6not see.7And he brought them near8unto him; and he kissed11them, and embraced
1וְעֵינֵ֤יH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)2יִשְׂרָאֵל֙H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael3כָּבְד֣וּH3513zwaar, eren, verheerlijktabounding with, more grievously afflict, boast, be chargeable, [idiom] be dim, glorify, be (make) glorious (things), glory, (very) great, be grievous, harden, be (make) heavy, be heavier, lay heavily, (bring to, come to, do, get, be had in) honour (self), (be) honourable (man), lade, [idiom] more be laid, make self many, nobles, prevail, promote (to honour), be rich, be (go) sore, stop4מִזֹּ֔קֶןH2207ouderdomage5לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without6יוּכַ֖לH3201konden, kan, konbe able, any at all (ways), attain, can (away with, (-not)), could, endure, might, overcome, have power, prevail, still, suffer7לִרְא֑וֹתH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions8וַיַּגֵּ֤שׁH5066trad, naderde, naderen(make to) approach (nigh), bring (forth, hither, near), (cause to) come (hither, near, nigh), give place, go hard (up), (be, draw, go) near (nigh), offer, overtake, present, put, stand9אֹתָם֙H853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10אֵלָ֔יוH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)11וַיִּשַּׁ֥קH5401kuste, kussen, gekustarmed (men), rule, kiss, that touched12לָהֶ֖ם13וַיְחַבֵּ֥קH2263omhelzen, omhelsde, omhelzeembrace, fold14לָהֶֽם
11En Israel zeide tot Jozef: Ik had niet gemeend uw aangezicht te zien; maar zie, God heeft mij ook uw zaad doen zien!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11En IsraelH3478zeideH559totH413JozefH3130: Ik had nietH3808gemeendH6419 uw aangezichtH6440 te zienH7200; maar zieH2009, GodH430 heeft mij ookH1571 uw zaadH2233 doen zienH7200!En Israel zeide tot Jozef: Ik had niet gemeend uw aangezicht te zien; maar zie, God heeft mij ook uw zaad doen zien!
KJVAnd Israel2said1unto Joseph,4I had not thought8to see5thy face:6and, lo, God12hath shewed10me also thy seed.
1וַיֹּ֤אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2יִשְׂרָאֵל֙H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4יוֹסֵ֔ףH3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)5רְאֹ֥הH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions6פָנֶ֖יךָH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you7לֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without8פִלָּ֑לְתִּיH6419bidden, bad, bidintreat, judge(-ment), (make) pray(-er, -ing), make supplication9וְהִנֵּ֨הH2009ziet, ziebehold, lo, see10הֶרְאָ֥הH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions11אֹתִ֛יH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12אֱלֹהִ֖יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty13גַּ֥םH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea14אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15זַרְעֶֽךָH2233zaad, zaads, zaadzaaiende[idiom] carnally, child, fruitful, seed(-time), sowing-time
12Toen deed hen Jozef uitgaan van zijn knieen; en hij boog zich voor zijn aangezicht neder ter aarde.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12Toen deed hen JozefH3130uitgaanH3318 van zijn knieenH1290; en hij boogH7812 zich voor zijn aangezichtH639 neder ter aardeH776.Toen deed hen Jozef uitgaan van zijn knieen; en hij boog zich voor zijn aangezicht neder ter aarde.
KJVAnd Joseph2brought them out1from between4his knees,5and he bowed6himself with his face7to the earth.
1וַיּוֹצֵ֥אH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter2יוֹסֵ֛ףH3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)3אֹתָ֖םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4מֵעִ֣םH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)5בִּרְכָּ֑יוH1290knieen, knieknee6וַיִּשְׁתַּ֥חוּH7812boog, bogen, nederbuigenbow (self) down, crouch, fall down (flat), humbly beseech, do (make) obeisance, do reverence, make to stoop, worship7לְאַפָּ֖יוH639toorn, toorns, neusanger(-gry), [phrase] before, countenance, face, [phrase] forebearing, forehead, [phrase] (long-) suffering, nose, nostril, snout, [idiom] worthy, wrath8אָֽרְצָהH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world
13En Jozef nam die beiden, Efraim met zijn rechterhand, tegenover Israels linkerhand, en Manasse met zijn linkerhand, tegenover Israels rechterhand, en hij deed hen naderen tot hem.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13En JozefH3130namH3947 die beidenH8147, EfraimH669 met zijn rechterhandH3225, tegenoverH4480IsraelsH3478linkerhandH8040, en ManasseH4519 met zijn linkerhandH8040, tegenoverH4480IsraelsH3478rechterhandH3225, en hij deed hen naderenH5066totH413 hem.En Jozef nam die beiden, Efraim met zijn rechterhand, tegenover Israels linkerhand, en Manasse met zijn linkerhand, tegenover Israels rechterhand, en hij deed hen naderen tot hem.
KJVAnd Joseph2took1them both,4Ephraim6in his right hand7toward Israel's9left hand,8and Manasseh11in his left hand12toward Israel's14right hand,13and brought them near
1וַיִּקַּ֣חH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win2יוֹסֵף֮H3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4שְׁנֵיהֶם֒H8147twee, twaalf, beideboth, couple, double, second, twain, [phrase] twelfth, [phrase] twelve, [phrase] twenty (sixscore) thousand, twice, two5אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6אֶפְרַ֤יִםH669Efraim, Efraims, EfraimietenEphraim, Ephraimites7בִּֽימִינוֹ֙H3225rechterhand, rechter, rechterschouder[phrase] left-handed, right (hand, side), south8מִשְּׂמֹ֣אלH8040linkerhand, linkerzijde, linkerleft (hand, side)9יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael10וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11מְנַשֶּׁ֥הH4519ManasseManasseh12בִשְׂמֹאל֖וֹH8040linkerhand, linkerzijde, linkerleft (hand, side)13מִימִ֣יןH3225rechterhand, rechter, rechterschouder[phrase] left-handed, right (hand, side), south14יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael15וַיַּגֵּ֖שׁH5066trad, naderde, naderen(make to) approach (nigh), bring (forth, hither, near), (cause to) come (hither, near, nigh), give place, go hard (up), (be, draw, go) near (nigh), offer, overtake, present, put, stand16אֵלָֽיוH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
14Maar Israel strekte zijn rechterhand uit, en legde die op het hoofd van Efraim, hoewel hij de minste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij bestierde zijn handen verstandelijk; want Manasse was de eerstgeborene.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14Maar IsraelH3478strekteH7971 zijn rechterhandH3225 uit, en legde die opH5921 het hoofdH7218 van EfraimH669, hoewelH1931 hij de minsteH6810 was, en zijn linkerhandH8040opH5921 het hoofdH7218 van ManasseH4519; hij bestierdeH7919 zijn handenH3027verstandelijkH7919; wantH3588ManasseH4519 was de eerstgeboreneH1060.Maar Israel strekte zijn rechterhand uit, en legde die op het hoofd van Efraim, hoewel hij de minste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij bestierde zijn handen verstandelijk; want Manasse was de eerstgeborene.
Ook in dit vers
leideH7896
KJVAnd Israel2stretched out1his right hand,4and laid5it upon Ephraim's8head,7who was the younger,10and his left hand12upon Manasseh's15head,14guiding16his hands18wittingly;for Manasseh20was the firstborn.
1וַיִּשְׁלַח֩H7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)2יִשְׂרָאֵ֨לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4יְמִינ֜וֹH3225rechterhand, rechter, rechterschouder[phrase] left-handed, right (hand, side), south5וַיָּ֨שֶׁתH7896zetten, zet, zetteapply, appoint, array, bring, consider, lay (up), let alone, [idiom] look, make, mark, put (on), [phrase] regard, set, shew, be stayed, [idiom] take6עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with7רֹ֤אשׁH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top8אֶפְרַ֨יִם֙H669Efraim, Efraims, EfraimietenEphraim, Ephraimites9וְה֣וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who10הַצָּעִ֔ירH6810jongste, kleinste, geringstenleast, little (one), small (one), [phrase] young(-er, -est)11וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12שְׂמֹאל֖וֹH8040linkerhand, linkerzijde, linkerleft (hand, side)13עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with14רֹ֣אשׁH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top15מְנַשֶּׁ֑הH4519ManasseManasseh16שִׂכֵּל֙H7919verstandelijk, verstandig, verstaanconsider, expert, instruct, prosper, (deal) prudent(-ly), (give) skill(-ful), have good success, teach, (have, make to) understand(-ing), wisdom, (be, behave self, consider, make) wise(-ly), guide wittingly17אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)18יָדָ֔יוH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves19כִּ֥יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet20מְנַשֶּׁ֖הH4519ManasseManasseh21הַבְּכֽוֹרH1060eerstgeborene, eerstgeborenen, eerstgeboreneldest (son), firstborn(-ling)
15En hij zegende Jozef, en zeide: De God, voor Wiens aangezicht mijn vaders, Abraham en Izak, gewandeld hebben, die God, Die mij gevoed heeft, van dat ik was, tot op dezen dag;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15En hij zegendeH1288JozefH3130, en zeideH559: De GodH430, voor Wiens aangezichtH6440 mijn vadersH1, AbrahamH85 en IzakH3327, gewandeldH1980 hebben, die GodH430, Die mij gevoedH7462 heeft, van dat ik was, totH5704 op dezenH2088dagH3117;En hij zegende Jozef, en zeide: De God, voor Wiens aangezicht mijn vaders, Abraham en Izak, gewandeld hebben, die God, Die mij gevoed heeft, van dat ik was, tot op dezen dag;
KJVAnd he blessed1Joseph,3and said,4God,5before9whom my fathers8Abraham10and Isaac11did walk,7the God12which fed13me all my life long15unto this day,
1וַיְבָ֥רֶךְH1288zegenen, gezegend, zegende[idiom] abundantly, [idiom] altogether, [idiom] at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, [idiom] greatly, [idiom] indeed, kneel (down), praise, salute, [idiom] still, thank2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3יוֹסֵ֖ףH3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)4וַיֹּאמַ֑רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet5הָֽאֱלֹהִ֡יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty6אֲשֶׁר֩H834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection7הִתְהַלְּכ֨וּH1980wandelt, gewandeld, wandelen(all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl8אֲבֹתַ֤יH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'9לְפָנָיו֙H6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you10אַבְרָהָ֣םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham11וְיִצְחָ֔קH3327Izak, IzaksIsaac. Compare H3446 (יִשְׂחָק)12הָֽאֱלֹהִים֙H430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty13הָרֹעֶ֣הH7462weiden, herders, herder[idiom] break, companion, keep company with, devour, eat up, evil entreat, feed, use as a friend, make friendship with, herdman, keep (sheep) (-er), pastor, [phrase] shearing house, shepherd, wander, waste14אֹתִ֔יH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15מֵעוֹדִ֖יH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)16עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet17הַיּ֥וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger18הַזֶּֽהH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)
16Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden des lands!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16Die EngelH4397, Die mij verlostH1350 heeft van alleH3605kwaadH7451, zegeneH1288 deze jongerenH5288, en dat in hen mijn naamH8034genoemdH7121 worde, en de naamH8034 mijner vaderenH1, AbrahamH85 en IzakH3327, en dat zij vermenigvuldigenH1711 als vissen in menigteH7230, in het middenH7130 des landsH776!Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden des lands!
KJVThe Angel1which redeemed2me from all evil,5bless6the lads;8and let my name11be named9on them, and the name12of my fathers13Abraham14and Isaac;15and let them grow16into a multitude17in the midst18of the earth.
1הַמַּלְאָךְ֩H4397Engel, boden, engelambassador, angel, king, messenger2הַגֹּאֵ֨לH1350Verlosser, lossen, verlost[idiom] in any wise, [idiom] at all, avenger, deliver, (do, perform the part of near, next) kinsfolk(-man), purchase, ransom, redeem(-er), revenger3אֹתִ֜יH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4מִכָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)5רָ֗עH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)6יְבָרֵךְ֮H1288zegenen, gezegend, zegende[idiom] abundantly, [idiom] altogether, [idiom] at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, [idiom] greatly, [idiom] indeed, kneel (down), praise, salute, [idiom] still, thank7אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8הַנְּעָרִים֒H5288jongen, jongeling, jongensbabe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man)9וְיִקָּרֵ֤אH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say10בָהֶם֙11שְׁמִ֔יH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report12וְשֵׁ֥םH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report13אֲבֹתַ֖יH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'14אַבְרָהָ֣םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham15וְיִצְחָ֑קH3327Izak, IzaksIsaac. Compare H3446 (יִשְׂחָק)16וְיִדְגּ֥וּH1711vermenigvuldigengrow17לָרֹ֖בH7230menigte, veelheid, grootheidabundance(-antly), all, [idiom] common (sort), excellent, great(-ly, -ness, number), huge, be increased, long, many, more in number, most, much, multitude, plenty(-ifully), [idiom] very (age)18בְּקֶ֥רֶבH7130midden, binnenste, ingewand[idiom] among, [idiom] before, bowels, [idiom] unto charge, [phrase] eat (up), [idiom] heart, [idiom] him, [idiom] in, inward ([idiom] -ly, part, -s, thought), midst, [phrase] out of, purtenance, [idiom] therein, [idiom] through, [idiom] within self19הָאָֽרֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world
17Toen Jozef zag, dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraim legde, zo was het kwaad in zijn ogen, en hij ondervatte zijns vaders hand, om die van het hoofd van Efraim op het hoofd van Manasse af te brengen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17Toen JozefH3130zagH7200, datH3588 zijn vaderH1 zijn rechterhandH3225opH5921 het hoofdH7218 van EfraimH669 legde, zo was het kwaadH3415 in zijn ogenH5869, en hij ondervatteH8551 zijns vadersH1handH3027, om die van het hoofdH7218 van EfraimH669opH5921 het hoofdH7218 van ManasseH4519 af te brengenH5493.Toen Jozef zag, dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraim legde, zo was het kwaad in zijn ogen, en hij ondervatte zijns vaders hand, om die van het hoofd van Efraim op het hoofd van Manasse af te brengen.
Ook in dit vers
leideH7896
KJVAnd when Joseph2saw1that his father5laid4his right7hand6upon the head9of Ephraim,10it displeased12him: and he held up13his father's15hand,14to remove16it from Ephraim's20head19unto Manasseh's23head.
1וַיַּ֣רְאH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions2יוֹסֵ֗ףH3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)3כִּיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet4יָשִׁ֨יתH7896zetten, zet, zetteapply, appoint, array, bring, consider, lay (up), let alone, [idiom] look, make, mark, put (on), [phrase] regard, set, shew, be stayed, [idiom] take5אָבִ֧יוH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'6יַדH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves7יְמִינ֛וֹH3225rechterhand, rechter, rechterschouder[phrase] left-handed, right (hand, side), south8עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with9רֹ֥אשׁH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top10אֶפְרַ֖יִםH669Efraim, Efraims, EfraimietenEphraim, Ephraimites11וַיֵּ֣רַעH7489kwaad, boosdoeners, kwalijkafflict, associate selves (by mistake for H7462 (רָעָה)), break (down, in pieces), [phrase] displease, (be, bring, do) evil (doer, entreat, man), show self friendly (by mistake for H7462 (רָעָה)), do harm, (do) hurt, (behave self, deal) ill, [idiom] indeed, do mischief, punish, still, vex, (do) wicked (doer, -ly), be (deal, do) worse12בְּעֵינָ֑יוH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)13וַיִּתְמֹ֣ךְH8551houdt, vast, onderhoudt(take, up-) hold (up), maintain, retain, stay (up)14יַדH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves15אָבִ֗יוH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'16לְהָסִ֥ירH5493weg, week, weggenomenbe(-head), bring, call back, decline, depart, eschew, get (you), go (aside), [idiom] grievous, lay away (by), leave undone, be past, pluck away, put (away, down), rebel, remove (to and fro), revolt, [idiom] be sour, take (away, off), turn (aside, away, in), withdraw, be without17אֹתָ֛הּH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)18מֵעַ֥לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with19רֹאשׁH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top20אֶפְרַ֖יִםH669Efraim, Efraims, EfraimietenEphraim, Ephraimites21עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with22רֹ֥אשׁH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top23מְנַשֶּֽׁהH4519ManasseManasseh
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
18En Jozef zeide tot zijn vader: Niet alzo, mijn vader! want deze is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18En JozefH3130zeideH559totH413 zijn vaderH1: NietH3808alzoH3651, mijn vaderH1! wantH3588dezeH2088 is de eerstgeboreneH1060; legH7760 uw rechterhandH3225opH5921 zijn hoofdH7218.En Jozef zeide tot zijn vader: Niet alzo, mijn vader! want deze is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd.
KJVAnd Joseph2said1unto his father,4Not so, my father:7for this is the firstborn;10put11thy right hand12upon his head.
1וַיֹּ֧אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2יוֹסֵ֛ףH3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4אָבִ֖יוH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'5לֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without6כֵ֣ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you7אָבִ֑יH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'8כִּיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet9זֶ֣הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)10הַבְּכֹ֔רH1060eerstgeborene, eerstgeborenen, eerstgeboreneldest (son), firstborn(-ling)11שִׂ֥יםH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work12יְמִינְךָ֖H3225rechterhand, rechter, rechterschouder[phrase] left-handed, right (hand, side), south13עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with14רֹאשֽׁוֹH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top
19Maar zijn vader weigerde het, en zeide: Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19Maar zijn vaderH1weigerdeH3985 het, en zeideH559: Ik weetH3045 het, mijn zoonH1121! ik weetH3045 het; hij zal ookH1571 tot een volkH5971 worden, en hij zal ookH1571 groot worden; maar nochtans zal zijn kleinsteH6996broederH251groterH1431 worden danH4480 hij, en zijnH1961zaadH2233 zal een volle menigteH4393 van volkerenH1471 worden.Maar zijn vader weigerde het, en zeide: Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden.
KJVAnd his father2refused,1and said,3I know4it, my son,5I know6it: he also shall become a people,10and he also shall be great:13but truly14his younger16brother15shall be greater17than he, and his seed19shall become a multitude21of nations.
1וַיְמָאֵ֣ןH3985weigerde, weigert, geweigerdrefuse, [idiom] utterly2אָבִ֗יוH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'3וַיֹּ֨אמֶר֙H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet4יָדַ֤עְתִּֽיH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot5בְנִי֙H1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth6יָדַ֔עְתִּיH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot7גַּםH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea8ה֥וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who9יִֽהְיֶהH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use10לְּעָ֖םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people11וְגַםH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea12ה֣וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who13יִגְדָּ֑לH1431groot, groter, maaktadvance, boast, bring up, exceed, excellent, be(-come, do, give, make, wax), great(-er, come to... estate, [phrase] things), grow(up), increase, lift up, magnify(-ifical), be much set by, nourish (up), pass, promote, proudly (spoken), tower14וְאוּלָ֗םH199gewisselijk, waarlijk, zekerlijkas for, but, howbeit, in very deed, surely, truly, wherefore15אָחִ֤יוH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'16הַקָּטֹן֙H6996kleinste, kleine, kleinleast, less(-er), little (one), small(-est, one, quantity, thing), young(-er, -est)17יִגְדַּ֣לH1431groot, groter, maaktadvance, boast, bring up, exceed, excellent, be(-come, do, give, make, wax), great(-er, come to... estate, [phrase] things), grow(up), increase, lift up, magnify(-ifical), be much set by, nourish (up), pass, promote, proudly (spoken), tower18מִמֶּ֔נּוּH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with19וְזַרְע֖וֹH2233zaad, zaads, zaadzaaiende[idiom] carnally, child, fruitful, seed(-time), sowing-time20יִהְיֶ֥הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use21מְלֹֽאH4393volheid, vol, volle menigte[idiom] all along, [idiom] all that is (there-) in, fill, ([idiom] that whereof...was) full, fulness, (hand-) full, multitude22הַגּוֹיִֽםH1471heidenen, volken, volkGentile, heathen, nation, people
20Alzo zegende hij ze te dien dage, zeggende: In u zal Israel zegenen, zeggende: God zette u als Efraim en als Manasse! En hij zette Efraim voor Manasse.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20Alzo zegendeH1288 hij ze te dien dageH3117, zeggendeH559: In u zal IsraelH3478zegenenH1288, zeggendeH559: GodH430zetteH7760 u als EfraimH669 en als ManasseH4519! En hij zetteH7760EfraimH669voorH6440ManasseH4519.Alzo zegende hij ze te dien dage, zeggende: In u zal Israel zegenen, zeggende: God zette u als Efraim en als Manasse! En hij zette Efraim voor Manasse.
KJVAnd he blessed1them that day,2saying,4In thee shall Israel7bless,6saying,8God10make9thee as Ephraim11and as Manasseh:12and he set13Ephraim15before16Manasseh.
1וַיְבָ֨רֲכֵ֜םH1288zegenen, gezegend, zegende[idiom] abundantly, [idiom] altogether, [idiom] at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, [idiom] greatly, [idiom] indeed, kneel (down), praise, salute, [idiom] still, thank2בַּיּ֣וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger3הַהוּא֮H1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who4לֵאמוֹר֒H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet5בְּךָ֗6יְבָרֵ֤ךְH1288zegenen, gezegend, zegende[idiom] abundantly, [idiom] altogether, [idiom] at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, [idiom] greatly, [idiom] indeed, kneel (down), praise, salute, [idiom] still, thank7יִשְׂרָאֵל֙H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael8לֵאמֹ֔רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet9יְשִֽׂמְךָ֣H7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work10אֱלֹהִ֔יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty11כְּאֶפְרַ֖יִםH669Efraim, Efraims, EfraimietenEphraim, Ephraimites12וְכִמְנַשֶּׁ֑הH4519ManasseManasseh13וַיָּ֥שֶׂםH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work14אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15אֶפְרַ֖יִםH669Efraim, Efraims, EfraimietenEphraim, Ephraimites16לִפְנֵ֥יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you17מְנַשֶּֽׁהH4519ManasseManasseh
21Daarna zeide Israel tot Jozef: Zie, ik sterf; maar God zal met ulieden wezen, en Hij zal u wederbrengen in het land uwer vaderen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21Daarna zeideH559IsraelH3478totH413JozefH3130: ZieH2009, ikH595sterfH4191; maar GodH430 zal metH5973 ulieden wezenH1961, en Hij zal u wederbrengenH7725 in het landH776 uwer vaderenH1.Daarna zeide Israel tot Jozef: Zie, ik sterf; maar God zal met ulieden wezen, en Hij zal u wederbrengen in het land uwer vaderen.
KJVAnd Israel2said1unto Joseph,4Behold, I die:7but God9shall be with you, and bring you again11unto the land14of your fathers.
1וַיֹּ֤אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2יִשְׂרָאֵל֙H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4יוֹסֵ֔ףH3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)5הִנֵּ֥הH2009ziet, ziebehold, lo, see6אָנֹכִ֖יH595ik, mijI, me, [idiom] which7מֵ֑תH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise8וְהָיָ֤הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use9אֱלֹהִים֙H430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty10עִמָּכֶ֔םH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)11וְהֵשִׁ֣יבH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw12אֶתְכֶ֔םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)14אֶ֖רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world15אֲבֹתֵיכֶֽםH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'
22En ik heb u een stuk lands gegeven boven uw broederen; hetwelk ik, met mijn zwaard en met mijn boog, uit de hand der Amorieten genomen heb.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22En ik heb u eenH259stuk landsH7926gegevenH5414bovenH5921 uw broederenH251; hetwelkH834 ik, met mijn zwaardH2719 en met mijn boogH7198, uit de handH3027 der AmorietenH567genomenH3947 heb.En ik heb u een stuk lands gegeven boven uw broederen; hetwelk ik, met mijn zwaard en met mijn boog, uit de hand der Amorieten genomen heb.
KJVMoreover I have given2to thee one5portion4above thy brethren,7which I took9out of the hand10of the Amorite11with my sword12and with my bow.
1וַאֲנִ֞יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who2נָתַ֧תִּֽיH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield3לְךָ֛4שְׁכֶ֥םH7926schouder, schouderen, Sichemback, [idiom] consent, portion, shoulder5אַחַ֖דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,6עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with7אַחֶ֑יךָH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'8אֲשֶׁ֤רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection9לָקַ֨חְתִּי֙H3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win10מִיַּ֣דH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves11הָֽאֱמֹרִ֔יH567Amorieten, Amoriet, AmorietischenAmorite12בְּחַרְבִּ֖יH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool13וּבְקַשְׁתִּֽיH7198boog, bogen, Boog[idiom] arch(-er), [phrase] arrow, bow(-man, -shot)
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Genesis 48:1— Het geschiedde nu na deze dingen, dat men Jozef zeide: Zie, uw vader is krank! Toen nam hij zijn twee zonen met zich, Manasse en Efraim!Genesis 46:20→Johannes 11:3→Psalmen 128:6→Job 42:16→Genesis 41:50→Genesis 50:23→
Genesis 48:2— En men boodschapte Jakob, en men zeide: Zie, uw zoon Jozef komt tot u! Zo versterkte zich Israel, en zat op het bed.Nehemia 2:18→Efeze 6:10→Spreuken 23:15→1 Samuël 23:16→Deuteronomium 3:28→Psalmen 41:3→
Genesis 48:3— Daarna zeide Jakob tot Jozef: God de Almachtige, is mij verschenen te Luz, in het land Kanaan, en Hij heeft mij gezegend;Exodus 6:3→Genesis 17:1→Hosea 12:4→Genesis 28:12→Richteren 1:23→Genesis 28:3→Genesis 35:6→Genesis 35:9→
Genesis 48:4— En Hij heeft tot mij gezegd: Zie, Ik zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen, en u tot een hoop van volken stellen; en Ik zal aan uw zaad na u dit land tot een eeuwige bezitting geven.Genesis 17:8→Genesis 35:11→Genesis 47:27→Exodus 1:7→Genesis 22:17→Genesis 32:12→Genesis 46:3→Genesis 28:3→
Genesis 48:5— Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, eer ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn mijne; Efraim en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon.Jozua 14:4→Genesis 46:20→Genesis 41:50→1 Kronieken 5:1→Jozua 13:7→Maleachi 3:17→Efeze 1:5→Numeri 1:10→
Genesis 48:6— Maar uw geslacht, dat gij na hen zult gewinnen, zullen uwe zijn; zij zullen naar hunner broederen naam genoemd worden in hun erfdeel.Jozua 14:4→
Genesis 48:7— Toen ik nu van Paddan kwam, zo is Rachel bij mij gestorven in het land Kanaan, op den weg, als het nog een kleine streek lands was, om tot Efrath te komen; en ik begroef haar aldaar aan den weg van Efrath, welke is Bethlehem.Genesis 35:16→Genesis 35:9→1 Samuël 10:2→Mattheüs 2:18→1 Samuël 1:1→1 Samuël 17:12→Ruth 1:2→Micha 5:2→
Genesis 48:9— En Jozef zeide tot zijn vader: Zij zijn mijn zonen, die mij God hier gegeven heeft. En hij zeide: Breng hen toch tot mij, dat ik hen zegene!Genesis 33:5→Genesis 27:4→Hebreeën 11:21→Deuteronomium 33:1→Genesis 28:3→Psalmen 127:3→Ruth 4:11→1 Kronieken 26:4→
Genesis 48:10— Doch de ogen van Israel waren zwaar van ouderdom; hij kon niet zien; en hij deed hen naderen tot zich; toen kuste hij hen, en omhelsde hen.Genesis 27:27→Genesis 27:1→1 Koningen 19:20→1 Samuël 4:15→Jesaja 6:10→Genesis 45:15→Genesis 31:55→Jesaja 59:1→
Genesis 48:11— En Israel zeide tot Jozef: Ik had niet gemeend uw aangezicht te zien; maar zie, God heeft mij ook uw zaad doen zien!Genesis 37:33→Genesis 45:26→Genesis 42:36→Genesis 37:35→Efeze 3:20→
Genesis 48:12— Toen deed hen Jozef uitgaan van zijn knieen; en hij boog zich voor zijn aangezicht neder ter aarde.Genesis 42:6→Exodus 20:12→Genesis 19:1→Leviticus 19:3→Genesis 33:3→1 Koningen 2:19→Genesis 23:7→Leviticus 19:32→
Genesis 48:14— Maar Israel strekte zijn rechterhand uit, en legde die op het hoofd van Efraim, hoewel hij de minste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij bestierde zijn handen verstandelijk; want Manasse was de eerstgeborene.Genesis 41:51→Mattheüs 19:15→Handelingen 8:17→Lukas 4:40→Genesis 46:20→Exodus 15:6→Lukas 13:13→Psalmen 110:1→
Genesis 48:15— En hij zegende Jozef, en zeide: De God, voor Wiens aangezicht mijn vaders, Abraham en Izak, gewandeld hebben, die God, Die mij gevoed heeft, van dat ik was, tot op dezen dag;Genesis 17:1→Genesis 49:28→Prediker 2:24→1 Timotheüs 6:6→Prediker 5:12→Jesaja 30:21→Genesis 27:4→Jesaja 33:16→
Genesis 48:16— Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden des lands!2 Timotheüs 4:18→Handelingen 15:17→Genesis 49:22→Psalmen 121:7→Amos 9:12→Psalmen 34:22→Jesaja 63:9→Jeremia 14:9→
Genesis 48:17— Toen Jozef zag, dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraim legde, zo was het kwaad in zijn ogen, en hij ondervatte zijns vaders hand, om die van het hoofd van Efraim op het hoofd van Manasse af te brengen.Genesis 48:14→Numeri 22:34→Spreuken 24:18→Numeri 11:1→1 Kronieken 21:7→Romeinen 9:7→Romeinen 9:11→Genesis 28:8→
Genesis 48:18— En Jozef zeide tot zijn vader: Niet alzo, mijn vader! want deze is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd.Genesis 27:15→Genesis 43:33→Genesis 49:3→Handelingen 11:8→Genesis 29:26→Mattheüs 25:9→Handelingen 10:14→Genesis 19:18→
Genesis 48:19— Maar zijn vader weigerde het, en zeide: Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden.Deuteronomium 33:17→Deuteronomium 1:10→Genesis 25:28→Numeri 1:33→Numeri 2:19→Ruth 4:11→Ezechiël 27:10→Openbaring 7:6→
Genesis 48:20— Alzo zegende hij ze te dien dage, zeggende: In u zal Israel zegenen, zeggende: God zette u als Efraim en als Manasse! En hij zette Efraim voor Manasse.Ruth 4:11→Genesis 24:60→Genesis 28:3→Numeri 13:11→Numeri 10:22→Numeri 7:48→Numeri 7:54→Numeri 13:16→
Genesis 48:21— Daarna zeide Israel tot Jozef: Zie, ik sterf; maar God zal met ulieden wezen, en Hij zal u wederbrengen in het land uwer vaderen.Genesis 50:24→Genesis 46:4→Genesis 26:3→Genesis 28:15→1 Koningen 2:2→Genesis 15:14→2 Timotheüs 4:6→Handelingen 13:36→
Genesis 48:22— En ik heb u een stuk lands gegeven boven uw broederen; hetwelk ik, met mijn zwaard en met mijn boog, uit de hand der Amorieten genomen heb.Jozua 24:32→Johannes 4:5→1 Kronieken 5:2→Jozua 17:14→Genesis 15:16→Deuteronomium 21:17→Richteren 11:23→Amos 2:9→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Genesis 48 vers 1— Het geschiedde nu na deze dingen, dat men Jozef zeide: Zie, uw vader is krank! Toen nam hij zijn twee zonen met zich, Manasse en Efraim!
nam hij zijn
Te weten, trekkende naar zijn vader, om hem te bezoeken.
Hertaald:nam hij zijn
Namelijk: op weg gaand naar zijn vader, om hem te bezoeken.
Genesis 48 vers 3— Daarna zeide Jakob tot Jozef: God de Almachtige, is mij verschenen te Luz, in het land Kanaan, en Hij heeft mij gezegend;
God, de
Zie boven, Gen. 17:1.
Hertaald:God, de
Zie Gen. 17:1.
Luz,
Anders, Bethel genaamd. Zie boven, Gen. 28:19, en Gen. 35:6.
Hertaald:Luz,
Anders: Beth-El genaamd. Zie Gen. 28:19, en Gen. 35:6.
heeft mij
Dat is, Hij heeft de zegeningen aan mijn vader en grootvader beloofd, weder met mij vernieuwd en bevestigd; daar die van hand tot hand aan onze nakomelingen overgeleverd moeten worden.
Hertaald:heeft mij
Dat is: Hij heeft de zegeningen die Hij aan mijn vader en grootvader beloofd had, opnieuw met mij vernieuwd en bevestigd, aangezien die van hand tot hand aan onze nakomelingen overgeleverd moeten worden.
Genesis 48 vers 4— En Hij heeft tot mij gezegd: Zie, Ik zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen, en u tot een hoop van volken stellen; en Ik zal aan uw zaad na u dit land tot een eeuwige bezitting geven.
land
Te weten, het land Kanaän.
Hertaald:land
Namelijk: het land Kanaän.
tot een
Hebr. tot een bezitting der eeuwigheid; namelijk, gedurende den tijd der wet, ten aanzien van dit aardse Kanaän; maar een tijd zonder einde, ten aanzien van het hemelse. Zie boven, Gen. 13:15, en Gen. 17:7, Gen. 17:13, met de aantekeningen.
Hertaald:tot een
Hebreeuws: tot een eeuwige bezitting; namelijk, wat betreft dit aardse Kanaän, gedurende de tijd van de wet; maar wat het hemelse betreft, een tijd zonder einde. Zie Gen. 13:15, en Gen. 17:7, Gen. 17:13, met de aantekeningen.
Genesis 48 vers 5— Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, eer ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn mijne; Efraim en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon.
zijn mijne
Dat is, ik wil hebben dat zij in de verdeling mijner goederen en van het land Kanaän, elk voor een staak of stam gehouden worden, alsof zij uit mij geboren waren, en niet uit u; Joz. 14:4, en Joz. 16:1, en Joz. 17:17. Aldus heeft Jozef, die maar één deel der erfenis met zijn broeders moest hebben, een dubbel gehad, hetwelk Ruben toekwam als de eerstgeborene. Zie boven, Gen. 29:32, maar is hem ontnomen, en op Jozef overgezet, 1 Kron. 5:1-2, om de oorzaak vermeld onder, Gen. 49:3-4.
Hertaald:zijn mijne
Dat is: ik wil dat zij, bij de verdeling van mijn goederen en van het land Kanaän, elk als een eigen stam gehouden worden, alsof zij uit mij geboren waren, en niet uit u; Joz. 14:4, en Joz. 16:1, en Joz. 17:17. Zo heeft Jozef, die anders maar één deel van de erfenis met zijn broers zou hebben, een dubbel deel gekregen, dat eigenlijk Ruben als eerstgeborene toekwam. Zie Gen. 29:32; maar het is hem ontnomen, en op Jozef overgezet, 1 Kron. 5:1-2, om de reden vermeld in Gen. 49:3-4.
Efraïm
Efraïm wordt voor Manasse genoemd, om de reden vermeld vs.19.
Hertaald:Efraïm
Efraïm wordt vóór Manasse genoemd, om de reden vermeld in vers 19.
Genesis 48 vers 6— Maar uw geslacht, dat gij na hen zult gewinnen, zullen uwe zijn; zij zullen naar hunner broederen naam genoemd worden in hun erfdeel.
uw geslacht,
Dat is, uw kinderen, die gij boven Manasse en Efraïm hierna zoudt mogen krijgen.
Hertaald:uw geslacht,
Dat is: uw kinderen, die u naast Manasse en Efraïm hierna zou mogen krijgen.
zullen uwe
Dat is, zij zullen tot uw zonen gerekend worden, en mijn neven uit u.
Hertaald:zullen uwe
Dat is: zij zullen tot uw zonen gerekend worden, en tot mijn kleinzonen uit u.
zij zullen naar
Dat is, zij zullen in het verdelen van het land bij een van deze hun twee broeders gerekend worden, en geen stammen op zichzelven uitmaken, gelijk deze twee. Naar, of, over enigen naam genoemd te worden, is daarnaar te heten, en onder die gerekend te worden, welke van zulk een naam afkomstig zijn. Zie Deut. 28:10; Am. 9:12, en verg. onder, vs.16.
Hertaald:zij zullen naar
Dat is: bij de verdeling van het land zullen zij bij één van deze twee broers gerekend worden, en geen eigen stammen vormen, zoals deze twee wel doen. 'Genoemd worden naar, of over, iemands naam' betekent daarnaar heten, en gerekend worden onder hen die van zo'n naam afkomstig zijn. Zie Deut. 28:10; Am. 9:12, en vergelijk vers 16.
Genesis 48 vers 7— Toen ik nu van Paddan kwam, zo is Rachel bij mij gestorven in het land Kanaan, op den weg, als het nog een kleine streek lands was, om tot Efrath te komen; en ik begroef haar aldaar aan den weg van Efrath, welke is Bethlehem.
Paddan
Anders, Paddan-Aram. Zie boven, Gen. 25:20, en Gen. 35:9.
Hertaald:Paddan
Anders: Paddan-Aram. Zie Gen. 25:20, en Gen. 35:9.
bij mij
Anders, over mij gestorven; alsof men zeide: op mijn schoot, en tussen mijn armen liggende. Anders, voor mij; dat is, voor mijn ogen.
Hertaald:bij mij
Anders: over mij gestorven; alsof men zei: op mijn schoot, en tussen mijn armen liggend. Anders: vóór mij; dat is: voor mijn ogen.
als het nog
Zie boven, Gen. 35:16.
Hertaald:als het nog
Zie Gen. 35:16.
om tot
Zie boven, Gen. 35:16, Gen. 35:19.
Hertaald:om tot
Zie Gen. 35:16, Gen. 35:19.
Genesis 48 vers 8— En Israel zag de zonen van Jozef, en zeide: Wiens zijn deze?
Wiens zijn
Jakob zag met een verouderd gezicht, vs.10, zodat hij, op deze zonen van Jozef zijn ogen slaande, hen niet recht, noch onderscheidenlijk kon kennen.
Hertaald:Wiens zijn
Jakob zag met verouderde ogen, vers 10, zodat hij, zijn blik op deze zonen van Jozef richtend, hen niet goed, noch duidelijk kon onderscheiden.
Genesis 48 vers 9— En Jozef zeide tot zijn vader: Zij zijn mijn zonen, die mij God hier gegeven heeft. En hij zeide: Breng hen toch tot mij, dat ik hen zegene!
Breng hen toch
Hebr. neem hen; dat is, neem hen en breng hen. Het woord nemen wordt dikwijls aldus gebruikt; zie boven, Gen. 12:15.
Hertaald:Breng hen toch
Hebreeuws: neem hen; dat is: neem hen en breng hen. Het woord 'nemen' wordt vaak zo gebruikt; zie Gen. 12:15.
dat ik hen
Dat is, dat ik hun de beloftenissen Gods, hoe Hij hen zegenen wil, verkondig, en met oplegging der handen bevestig, naar de wijze van de zegening der patriarchen; zie boven, Gen. 27:4.
Hertaald:dat ik hen
Dat is: dat ik hun de beloften van God, hoe Hij hen zegenen wil, verkondig, en met handoplegging bevestig, naar de wijze van de zegening van de patriarchen; zie Gen. 27:4.
Genesis 48 vers 10— Doch de ogen van Israel waren zwaar van ouderdom; hij kon niet zien; en hij deed hen naderen tot zich; toen kuste hij hen, en omhelsde hen.
zwaar van
Dat is, dik en donker, niet bekwaam om onderscheidenlijk te zien.
Hertaald:zwaar van
Dat is: dik en donker, niet in staat om duidelijk te zien.
hij kon niet
Dat is, hij kon niet wel zien; gelijk vs.8.
Hertaald:hij kon niet
Dat is: hij kon niet goed zien; zoals in vers 8.
toen kuste hij
Zie boven, Gen. 27:26.
Hertaald:toen kuste hij
Zie Gen. 27:26.
omhelsde hen
Zie boven, Gen. 29:13, en Gen. 33:4.
Hertaald:omhelsde hen
Zie Gen. 29:13, en Gen. 33:4.
Genesis 48 vers 12— Toen deed hen Jozef uitgaan van zijn knieen; en hij boog zich voor zijn aangezicht neder ter aarde.
van zijn knieën;
Te weten, van Jakobs knieën, waartussen hij de jongens hield in het omhelzen; doch Jozef wilde hen nu hem ordentelijk nevens elkanders voorstellen, om op gewone wijze van hem den zegen te ontvangen.
Hertaald:van zijn knieën;
Namelijk: van Jakobs knieën, waartussen hij de jongens bij het omhelzen hield; maar Jozef wilde hen nu netjes naast elkaar voor hem plaatsen, om op de gebruikelijke wijze de zegen van hem te ontvangen.
hij boog
Zijnen vader burgerlijke eer bewijzende, en hem bedankende voor de vriendschap en de eer aan hem en zijn kinderen bewezen.
Hertaald:hij boog
Zijn vader eerbetoon bewijzend, en hem bedankend voor de vriendschap en de eer die aan hem en zijn kinderen bewezen was.
Genesis 48 vers 14— Maar Israel strekte zijn rechterhand uit, en legde die op het hoofd van Efraim, hoewel hij de minste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij bestierde zijn handen verstandelijk; want Manasse was de eerstgeborene.
legde die
Hebr. stelde haar.
Hertaald:legde die
Hebreeuws: stelde haar.
minste
Te weten, van jaren.
Hertaald:minste
Namelijk: van jaren.
hij bestuurde
Hebr. hij maakte zijn handen wijs; dat is, hij deed het niet uit misverstand, maar met goede voorgaande wetenschap, als een profeet, Gods wil volbrengende, zonder acht te geven op de eerstgeboorte. De oplegging der handen, waarvan hier het eerst gesproken wordt, is in deze tijd en naderhand gebruikelijk geweest: <i>I.</i> in zegeningen, gelijk hier, en Matt. 19:15; <i>II.</i> in offeranden, Lev. 1:4; zie de aantekeningen; <i>III.</i> in veroordelingen en straffen, Lev. 24:14; <i>IV.</i> bij inhuldigingen en bevorderingen tot ambten, Num. 8:10; Deut. 34:9; Hand. 6:6; 1 Tim. 4:14; <i>V.</i> in het doen van mirakelen, Marc. 6:5; Luc. 4:40; Hand. 28:8, enz.
Hertaald:hij bestuurde
Hebreeuws: hij maakte zijn handen wijs; dat is: hij deed het niet uit vergissing, maar met voorafgaande kennis, als een profeet, Gods wil volbrengend, zonder acht te slaan op de eerstgeboorte. De handoplegging, waarvan hier voor het eerst gesproken wordt, is in deze tijd en later gebruikelijk geweest: I. bij zegeningen, zoals hier, en Matt. 19:15; II. bij offeranden, Lev. 1:4, zie de aantekeningen; III. bij veroordelingen en straffen, Lev. 24:14; IV. bij inhuldigingen en bevorderingen tot ambten, Num. 8:10; Deut. 34:9; Hand. 6:6; 1 Tim. 4:14; V. bij het verrichten van wonderen, Marc. 6:5; Luc. 4:40; Hand. 28:8, enz.
want Manasse
Anders, hoewel.
Hertaald:want Manasse
Anders: hoewel.
Genesis 48 vers 15— En hij zegende Jozef, en zeide: De God, voor Wiens aangezicht mijn vaders, Abraham en Izak, gewandeld hebben, die God, Die mij gevoed heeft, van dat ik was, tot op dezen dag;
Jozef
Te weten, in zijn kinderen, gelijk blijkt vs.16.
Hertaald:Jozef
Namelijk: in zijn kinderen, zoals blijkt uit vers 16.
Genesis 48 vers 16— Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden des lands!
engel, die
Dewijl Jakob van dezen engel hetzelfde verzoekt, wat hij, vs.15, van God bidt, zo kan dit van geen geschapen engel verstaan worden, maar moet verstaan zijn van Gods Zoon. Zie boven, Gen. 22:11.
Hertaald:engel, die
Aangezien Jakob van deze Engel hetzelfde vraagt als wat hij in vers 15 van God bidt, kan dit niet op een geschapen engel slaan, maar moet het verstaan worden van Gods Zoon. Zie Gen. 22:11.
dat in hen
Dat is, dat zij in mijn geslacht gerekend, en mijn en mijner vaderen Abrahams en Izaks kinderen genoemd en daarvoor gehouden worden. Dit is aldus geschied; want zij zijn onder de twaalf stammen Israels gesteld geweest, gelijk Jakobs eigen kinderen; verg. boven, de aantekeningen vs.6.
Hertaald:dat in hen
Dat is: dat zij tot mijn geslacht gerekend worden, en mijn kinderen en die van mijn vaderen Abraham en Izak genoemd en daarvoor gehouden worden. Dit is ook zo gebeurd, want zij zijn tot de twaalf stammen van Israël gerekend, evenals Jakobs eigen kinderen; vergelijk de aantekening bij vers 6.
Genesis 48 vers 17— Toen Jozef zag, dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraim legde, zo was het kwaad in zijn ogen, en hij ondervatte zijns vaders hand, om die van het hoofd van Efraim op het hoofd van Manasse af te brengen.
in zijn ogen,
Dat is, het beviel hem kwalijk; zie boven, Gen. 21:11.
Hertaald:in zijn ogen,
Dat is: het beviel hem slecht; zie Gen. 21:11.
Genesis 48 vers 19— Maar zijn vader weigerde het, en zeide: Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden.
groter
Toen de Israelieten het eerst geteld werden in de woestijn, zo werd Efraïm het eerst geteld, en hij had 8300 mannen meer dan Manasse, gelijk te zien is Num. 1:32-33, Num. 1:35; Num. 2:19, Num. 2:21.
Hertaald:groter
Toen de Israëlieten voor het eerst geteld werden in de woestijn, werd Efraïm het eerst geteld, en hij had 8300 mannen meer dan Manasse, zoals te zien is in Num. 1:32-33, Num. 1:35; Num. 2:19, Num. 2:21.
volle
Hebr. volheid.
Hertaald:volle
Hebreeuws: volheid.
Genesis 48 vers 20— Alzo zegende hij ze te dien dage, zeggende: In u zal Israel zegenen, zeggende: God zette u als Efraim en als Manasse! En hij zette Efraim voor Manasse.
In u zal
Anders, naar u; dat is, naar uw exempel; alsof hij zeide: De Israelieten, iemand willende zegenen of geluk wensen, zullen u tot een exempel of voorschrift nemen, gelijk de naastvolgende woorden dit klaarlijk aanwijzen. Zie ook dergelijke manier van zegenen, Ruth 4:11, en van vloeken, Jer. 29:22.
Hertaald:In u zal
Anders: naar u; dat is: naar uw voorbeeld; alsof hij zei: de Israëlieten zullen, wanneer zij iemand willen zegenen of geluk wensen, u als voorbeeld of voorschrift nemen, zoals de volgende woorden duidelijk aantonen. Zie ook zo'n manier van zegenen in Ruth 4:11, en van vervloeken in Jer. 29:22.
Israël
Dat is, mijn nakomelingen, de Israelieten.
Hertaald:Israël
Dat is: mijn nakomelingen, de Israëlieten.
Genesis 48 vers 21— Daarna zeide Israel tot Jozef: Zie, ik sterf; maar God zal met ulieden wezen, en Hij zal u wederbrengen in het land uwer vaderen.
ik sterf;
Dat is, ik zal haast sterven; zijnde de tegenwoordige tijd genomen voor den tijd, die haast komen zal en aanstaande is; verg. boven, Gen. 19:13, en Gen. 20:3; Joh. 14:2.
Hertaald:ik sterf;
Dat is: ik zal spoedig sterven; waarbij de tegenwoordige tijd gebruikt wordt voor de tijd die spoedig zal komen en op handen is; vergelijk Gen. 19:13, en Gen. 20:3; Joh. 14:2.
in het land
Dat is, in het land Kanaän.
Hertaald:in het land
Dat is: in het land Kanaän.
Genesis 48 vers 22— En ik heb u een stuk lands gegeven boven uw broederen; hetwelk ik, met mijn zwaard en met mijn boog, uit de hand der Amorieten genomen heb.
een stuk lands
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een schouder, of, rug, gelijk boven, Gen. 9:23, en daarnaar bij gelijkenis een stuk, deel, of, streek lands, hoog gelegen, gelijk hier. Maar Jakob, als een profeet, ziet ook op den naam der stad Sichem, die in dat land aan het gebergte gelegen was; zie boven, Gen. 12:6, en naderhand den stam van Efraïm toegevallen is, Joz. 20:7, waarin ook Jozefs gebeente begraven is geweest, Joz. 24:32, als in het land, dat zijn vader Jakob hem op profetische wijze bezet en gegeven had, Joh. 4:5; wel verstaande, niet alleen het stuk lands, hetwelk hij voor honderd stukken gelds gekocht had, boven, Gen. 33:19, maar ook al het land der stad Sichem, die Simeon en Levi met gewapende hand ingenomen en geplunderd hadden, boven, Gen. 34:25-26.
Hertaald:een stuk lands
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een schouder, of rug, zoals in Gen. 9:23, en daarnaar bij overdracht een stuk, deel, of streek land, hooggelegen, zoals hier. Maar Jakob, als profeet, doelt ook op de naam van de stad Sichem, die in dat land, aan het gebergte, gelegen was; zie Gen. 12:6, en die later aan de stam van Efraïm toegevallen is, Joz. 20:7, waarin ook Jozefs gebeente begraven is geweest, Joz. 24:32, als in het land dat zijn vader Jakob hem op profetische wijze bezet en gegeven had, Joh. 4:5; wel te verstaan: niet alleen het stuk land dat hij voor honderd stukken geld gekocht had, Gen. 33:19, maar ook heel het land van de stad Sichem, dat Simeon en Levi met gewapende hand ingenomen en geplunderd hadden, Gen. 34:25-26.
boven uw
Te weten, ten aanzien van het recht der eerstgeboorte, Deut. 21:17, hetwelk Ruben verloren had, en op Jozef gebracht was, 1 Kron. 5:1, [zoveel de dubbele erfenis belangde] als de eerstgeborene der waardigste huisvrouw.
Hertaald:boven uw
Namelijk: met betrekking tot het recht van de eerstgeboorte, Deut. 21:17, dat Ruben verloren had en op Jozef overgegaan was, 1 Kron. 5:1 (wat de dubbele erfenis betrof), als de eerstgeborene van de meest waardige echtgenote.
Amorieten
Hebr. des Amorieters. Hij stelde één volksnaam voor al de Kanaänieten, omdat de Amorieten een van de machtigste volken waren in het land Kanaän, gelijk blijkt Am. 2:9, alzo ook boven, Gen. 15:16, en Joz. 10:5.
Hertaald:Amorieten
Hebreeuws: des Amorieters. Hij gebruikte de naam van één volk voor alle Kanaänieten, omdat de Amorieten één van de machtigste volken in het land Kanaän waren, zoals blijkt uit Am. 2:9, zo ook in Gen. 15:16, en Joz. 10:5.
genomen heb
Te weten, toen ik na den moord der Sichemieten [vrezende voor de naburige Kanaänieten] met gewapende hand op mijn hoede heb moeten wezen, om niet overvallen te worden. Dewijl nu God deze mijn zorg gezegend heeft, zendende een verschrikking over de omliggende inwoners, zo heb ik daar dat stuk lands behouden, hetwelk ik nu door Gods zegen houd het mijne te zijn in eigendom, gelijk het hierna uwen nakomelingen zal toebehoren in gebruik en bezitting. Of anders, nemen zal door het zwaard en den boog mijner nakomelingen.
Hertaald:genomen heb
Namelijk: toen ik na de moord op de Sichemieten (vrezend voor de naburige Kanaänieten) gewapenderhand op mijn hoede heb moeten zijn, om niet overvallen te worden. Omdat God nu deze zorg van mij gezegend heeft door een schrik te zenden over de omliggende inwoners, heb ik dat stuk land daar behouden, dat ik nu door Gods zegen als mijn eigendom beschouw, zoals het hierna aan uw nakomelingen zal toebehoren in gebruik en bezit. Of anders: nemen zal, door het zwaard en de boog van mijn nakomelingen.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Abram — verheven vader
De zoon van Terah, vóór zijn oudere broers Nahor en Haran genoemd (Gen. 11:27) omdat hij de erfgenaam van de beloften was. Op zeventigjarige leeftijd verliet hij met zijn familie Ur der Chaldeeën; later, na de dood van zijn vader in Haran, ontving hij van de HEERE de roeping om naar het onbekende land Kanaän te trekken, 'niet wetende waar hij komen zou' (Hebr. 11:8). Later zou zijn naam veranderd worden in Abraham (Gen. 17:4-5).
Izak — lachen, gelach
De zoon van Abraham en Sara, geboren toen Abraham honderd jaar oud was, precies zoals de HEERE beloofd had (Gen. 21:1-5). Zijn naam herinnert aan het ongelovige lachen van zowel Abraham (Gen. 17:17) als Sara (Gen. 18:12) toen hun deze geboorte was aangekondigd, en later aan Sara's vreugdevolle lach (Gen. 21:6). Als het kind der belofte is Izak in het Nieuwe Testament een voorafbeelding van de gelovigen, 'kinderen der belofte' (Gal. 4:28), en zijn beoogde offering op de berg Moria (Gen. 22) een beeld van de opoffering van Gods eigen Zoon.
Jakob — hielenlichter, bedrieger
De tweede tweelingzoon van Izak en Rebekka, geboren terwijl hij de hiel van zijn broer Ezau vasthield, waaraan zijn naam is ontleend (Gen. 25:26). Hij verwierf sluw het eerstgeboorterecht en later, met hulp van zijn moeder, ook de zegen van zijn vader. Later zou God zijn naam veranderen in Israël (Gen. 32:28), en uit zijn twaalf zonen zouden de twaalf stammen van Israël voortkomen.
Rachel — ooi (schaap)
De jongste dochter van Laban, door Jakob bemind vanaf het eerste ogenblik dat hij haar bij de put ontmoette (Gen. 29:9-12). Jakob diende zeven jaar voor haar, maar werd door Laban bedrogen met Lea; pas na nog eens zeven jaar dienst kreeg hij ook Rachel tot vrouw. Lange tijd bleef zij onvruchtbaar, tot zij Jozef baarde (Gen. 30:22-24); later stierf zij bij de geboorte van haar tweede zoon Benjamin (Gen. 35:16-19).
Ruben — ziet, een zoon!
De eerstgeboren zoon van Jakob en Lea (Gen. 29:32). Later verspeelde hij door zijn zonde (Gen. 35:22) zijn eerstgeboorterecht en de bijbehorende zegen (Gen. 49:3-4). Wel was hij het die zijn broers ervan weerhield Jozef te doden, en die zich later garant stelde voor de veilige terugkeer van Benjamin uit Egypte.
Simeon — God hoort
De tweede zoon van Jakob en Lea (Gen. 29:33), zo genoemd omdat de HEERE gehoord had dat Lea niet bemind was. Samen met zijn broer Levi trad hij later wreed op tegen de inwoners van Sichem, tot ergernis van hun vader (Gen. 34; 49:5-7).
Dan — hij heeft gericht, geoordeeld
De zoon van Jakob en Bilha, Rachels slavin (Gen. 30:6). Rachel gaf hem deze naam omdat God, naar haar zeggen, haar recht gedaan en haar stem gehoord had.
Jozef — Hij (God) voege toe
De eerste zoon van Jakob en Rachel, na lang wachten geboren (Gen. 30:22-24). Zijn naam drukt Rachels hoop uit dat de HEERE haar nog een zoon zou toevoegen — wat later met Benjamin ook gebeurde. Jozef zou later, als lieveling van zijn vader, door zijn broers uit jaloezie verkocht worden, maar door Gods voorzienigheid uiteindelijk heel Egypte en zijn eigen familie redden van de hongersnood (Gen. 37-50).
Manasse — doende vergeten
De eerstgeboren zoon van Jozef en Asnath, geboren vóór de zeven magere jaren. Jozef gaf hem deze naam omdat God, naar zijn zeggen, hem al zijn moeite en het huis van zijn vader had doen vergeten (Gen. 41:51). Later, bij het zegenen van Jozefs beide zonen, legde Jakob desondanks bewust zijn rechterhand op de jongere Efraïm in plaats van op Manasse (Gen. 48:13-20).
Efraïm — dubbele vruchtbaarheid
De tweede zoon van Jozef en Asnath, eveneens geboren vóór de hongersnood. Jozef noemde hem zo, 'want God heeft mij doen wassen in het land mijner verdrukking' (Gen. 41:52). Ondanks dat hij de jongste was, ontving hij van zijn grootvader Jakob de eersterangs zegen (Gen. 48), en zijn nageslacht zou uitgroeien tot de belangrijkste stam van het noordelijke tienstammenrijk, zozeer zelfs dat de naam Efraïm later vaak voor heel Israël gebruikt wordt.
Kanaän — onderworpene, vernederde
De jongste zoon van Cham en kleinzoon van Noach (Gen. 9:18, 22). Om de zonde van zijn vader Cham tegenover Noach werd niet Cham, maar Kanaän door Noach vervloekt: 'een knecht der knechten zij hij zijn broederen.' Naar hem is het land Kanaän genoemd, dat later door de Israëlieten in bezit genomen zou worden.
Bijbelse PlaatsenPlaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Efrath (Bethlehem) — Hebreeuws voor "vruchtbaar land"; later bekend onder de naam Bethlehem, "broodhuis"
Ligging: Ten zuiden van Jeruzalem, op de weg van Beth-El naar Hebron. Later de stad van David, en de geboorteplaats van Christus (Micha 5:1; Matt. 2:1).
Geschiedenis: Op de weg van Beth-El naar Efrath beviel Rachel, met zware barensnood, van haar tweede zoon; met haar laatste adem noemde zij hem Ben-oni ("zoon van mijn smart"), maar zijn vader gaf hem de naam Benjamin. Rachel stierf in het kraambed en werd begraven op de weg naar Efrath, dat is Bethlehem; Jakob richtte een gedenkzuil op haar graf op (Gen. 35:16-20). Later de stad van Boaz en Ruth, en van David; nog later de geboorteplaats van de Heere Jezus Christus.
Bijbelse betekenis: De plaats van Rachels dood in het kraambed — smart die haar man ombuigt tot een naam van zegen (Benjamin, "zoon van de rechterhand") — en, eeuwen later, de plaats van de geboorte van de grote Zoon Die alle smart eens voorgoed zal wegnemen.
Recente inzichten: Over de precieze ligging van het Efrath van Rachels graf bestaat onder geleerden verschil van mening: sommigen menen dat het inderdaad Bethlehem zelf is (zoals de tekst zelf tweemaal uitdrukkelijk zegt, Gen. 35:19; 48:7), anderen dat het een ander, noordelijker gelegen Efrath bij Beth-El betrof, op grond van Jer. 31:15 en 1 Sam. 10:2. De traditionele plaatsaanduiding bij Bethlehem is in elk geval al zeer oud, reeds bevestigd in Matt. 2:18.
Christus in dit hoofdstukHeenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Het beloofde Zaadniveau 2Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsenuitwerking
Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad — 48:8-22
Jakob is oud en bijna blind, en hij weet dat hij sterven gaat. Jozef brengt zijn twee zonen bij hem, geboren in Egypte uit een Egyptische moeder. De grootvader neemt hen aan als de zijne, alsof zij Ruben en Simeon waren, en zegent hen.
Aan het eind van zijn leven vat Jakob alles samen in één zegen, en hij noemt daarin Degene Die hem al die jaren verlost heeft: de Engel.
De zegen is opgebouwd uit drie regels die alle drie bij dezelfde Persoon uitkomen, en zij worden langzaam persoonlijker. Eerst: de God voor Wiens aangezicht mijn vaderen Abraham en Izak gewandeld hebben — dat is de God van de familie. Dan: die God, Die mij gevoed heeft van dat ik was tot op deze dag. Dat is de God van zijn eigen leven. Hij kiest daarvoor het woord van een herder bij zijn kudde. En dan de derde regel: “Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren.”
Let op wat er in die drie regels gebeurt. Jakob begint bij God, gaat verder over God, en eindigt bij de Engel — en het werkwoord zegene staat in het enkelvoud. Hij spreekt over God en over de Engel als over Eén.
Dat is precies waarom deze plaats meetelt in de rij van verschijningen. Jakob kijkt hier terug op zijn hele leven: de vlucht voor Ezau, de twintig jaar bij Laban, de nacht aan de Jabbok, het verlies van Jozef, de honger. En hij noemt niet zijn eigen sluwheid en niet zijn geluk. Hij noemt de Engel, en hij zegt van Hem dat Hij verlost heeft. Dat werkwoord is in het Hebreeuws het woord van de losser, de bloedverwant die terugkoopt wat verloren ging.
Wat er dan met de handen gebeurt, past bij alles wat er in Genesis gebeurd is. Jozef zet zijn oudste voor Jakobs rechterhand, maar Jakob kruist zijn armen en legt zijn rechterhand op het hoofd van de jongste. Jozef probeert het te herstellen en zijn vader weigert: “Ik weet het, mijn zoon! ik weet het.” Het is de vierde keer in dit boek dat de jongste voorgaat, en ditmaal doet een blinde man het welbewust.
De Hebreeënbrief noemt juist deze scène wanneer hij Jakobs geloof beschrijft: door het geloof heeft Jakob, stervende, een iegelijk der zonen van Jozef gezegend, en heeft aangebeden leunende op het opperste van zijn staf. Van alles wat deze man gedaan heeft, wordt dít als zijn geloofsdaad onthouden — dat hij op zijn sterfbed twee kinderen zegende die het land nog niet gezien hadden.
En de zegen zelf reikt verder dan hij kon weten. Hij vraagt dat zijn naam in hen genoemd zal worden, en dat zij vermenigvuldigen zullen als vissen in menigte. Van de jongste zegt hij dat diens zaad een volle menigte van volken worden zal. Wie het Nieuwe Testament kent, hoort daar de belofte aan Abraham in doorklinken, die in Galaten 3 op één Zaad wordt toegespitst.
Genesis 28:15 — Bij Bethel had God beloofd hem te bewaren waar hij ook heen ging.
Genesis 32:24-30 — Aan de Jabbok worstelde hij en zei: ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht.
Genesis 48:15-16 — Op zijn sterfbed noemt hij God en de Engel in één zegen, met één werkwoord.
Genesis 48:19 — En hij kruist zijn handen: de jongste gaat voor, welbewust.
Hosea 12:5 — Hosea noemt de Worstelaar van de Jabbok bij name de Engel.
Hebreeën 11:21 — Juist deze zegening wordt als Jakobs geloofsdaad onthouden.
In het Nieuwe Testament: Hebreeën 11:21; Galaten 3:16; Genesis 32:24-30; Hosea 12:5; Genesis 16:7-13
Hoever dit reikt: Het Nieuwe Testament haalt Genesis 48:16 niet aan om de Engel als Christus aan te wijzen. Wat er in de tekst zelf staat is tweeërlei. Jakob noemt God en de Engel in één zegen, met het werkwoord in het enkelvoud. En hij zegt van die Engel dat Hij hem verlost heeft. Dat deze Engel de Zoon van God is vóór Zijn menswording, leiden uitleggers af uit alle plaatsen van deze Engel samen. Die uitleg is sterk onderbouwd, maar zij blijft een gevolgtrekking.
Wat betekenen de niveaus?
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.
Genesis 48:5.KruisverwijzingenJozua 14:4→Genesis 46:20→Genesis 41:50→1 Kronieken 5:1→Jozua 13:7→Maleachi 3:17→Efeze 1:5→Numeri 1:10→ — Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, eer ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn mijne; Efraim en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon. “Nu dan, uw twee zonen … zullen mijne zijn.” Ten slotte gaf God Jozef en zijn gezin een dubbel erfdeel in Israël, iets wat aan geen van de andere twaalf zonen van Jakob werd geschonken. De twee zonen van Jozef, Efraïm en Manasse, die in het land Egypte waren geboren voordat Jakob daar aankwam, werden als zonen van Jakob aangenomen, zodat ieder van hen een eigen stam werd. Levi werd niet onder de twaalf stammen gerekend, omdat voor de Levieten als dienaren van God een afzonderlijke plaats was bestemd. In hun plaats werden Efraïm en Manasse toegevoegd, zodat het huis van Jozef tweemaal onder de twaalf vertegenwoordigd was.
Genesis 48:15-16.KruisverwijzingenGenesis 17:1→2 Timotheüs 4:18→Handelingen 15:17→Genesis 49:22→Psalmen 121:7→Amos 9:12→Psalmen 34:22→Jesaja 63:9→ — En hij zegende Jozef, en zeide: De God, voor Wiens aangezicht mijn vaders, Abraham en Izak, gewandeld hebben, die God, Die mij gevoed heeft, van dat ik was, tot op dezen dag; Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden des lands! “Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad.” Dit is Jakobs laatste getuigenis van Gods trouw. Hij had Rachel verloren; wat een diepe smart was dat voor zijn hart. Toch zegt hij: “Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad.” Er was een zware hongersnood over het land gekomen, maar hij belijdt dat God hem zijn leven lang had onderhouden. Hij had Jozef verloren, en dat was een groot verdriet geweest. Maar nu hij terugkijkt, ziet hij dat God hem ook toen van alle kwaad had verlost. Eerder had hij gezegd: “Jozef is er niet, en Simeon is er niet; nu zult gij Benjamin wegnemen! al deze dingen zijn tegen mij!” Maar nu neemt hij die woorden terug en zegt: “Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad.” Hij belijdt nu dat God altijd met hem is geweest, hem altijd heeft onderhouden, hem altijd heeft verlost en hem altijd heeft gezegend. Als wij nu op God vertrouwen, zal ook dit ons getuigenis zijn aan het einde van ons leven.
JAKOBS TESTAMENT TEN AANZlEN VAN EFRAIM EN MANASSE.
I. Gen. 48 vers 1-22
Enige tijd later wordt Jozef gemeld, dat zijn vader ziek is; hij begeeft zich met zijn beide zonen tot hem. Jakob schenkt aan deze de aartsvaderlijke zegen, waarbij hij hen als zijn kinderen aanneemt, aan de jongsten echter de voorrang boven de oudste gevende.
1. Het geschiedde nu na deze dingen, na het meegedeelde, (hoofdstuk 47:29 vv.), toen Jakob zijn spoedige dood reeds tegemoet zag, dat men Jozef zei: Zie, uw vader is ziek! Toen nam 1) hij zijn twee zonen, die zekerruim 20 jaar oud waren, met zich, Manasse en Efraïm.
1) Twee zaken, welke Mozes hier aanvoert, zijn op te merken. Vooreerst, dat Jozef, onderricht omtrent de ziekte van zijn vader, terstond de reis onderneemt; vervolgens, dat Jakob, na de aankomst van zijn zoon vernomen te hebben, beproefde zijn zwak en bevend lichaam op te heffen, om Jozef eer te bewijzen. Zeker, daarom was Jozef zo begerig zijn vader te bezoeken, en geneigd om de andere plichten te volbrengen, aan de eerbied voor zijn vader verschuldigd, omdat hij, zoon van Jakob te zijn, meer achtte, dan aan het hoofd te staan van twee rijken. Want, dat hij zijn zonen tot hem brengt, is als het ware, alsof hij hen van het land, waarin zij geboren zijn, vervreemdt, en aan hun oorspronkelijk vaderland terug geeft. Want zij konden tot het geslacht van Abraham niet gerekend worden, of zij plaatsten zich in een kwade reuk bij de Egyptenaren. Maar Jozef verkiest deze smaad boven alle mogelijke schatten en eerbewijzingen, als zij maar mogen samengroeien met het lichaam van de Kerk. De vader echter zich versterkende, vergeldt de weldaad, uit zijn hand ontvangen, zodanig als aan zijn eer past. En ondertussen gehoorzaamt hij aan de Godsspraak, welke zijn zonen vroeger tot razernij had vervoerd, opdat het hun niet zwaar en ondraaglijk zijn zou, indien hij Efraïm en Manasse tot hoofden van twee stammen aanstelt.
2. En men boodschapte Jakob, en men zei: Zie, uw zoon Jozef komt tot u! Zo versterkte 1) zich Israël, hij verzamelde zijn zwakke krachten, en zat op het bed, om alsdrager van de belofte het werk, dat hij zich voorgenomen had, in een betamelijke houding te verrichtten.
1) In de zwakke volbrengt de Heere God Zijn kracht, zo ook hier in Jakob. De dood nabij, ja, reeds stervende, zal de Heere het tonen, dat Hij hem nog eenmaal, vóór zijn heengaan, de Israël van het geloof zal doen zijn. De laatste dagen van Jakob doen hem meer nog, dan geheel zijn leven kennen, als de krachtige geloofsheld. Dat versterken hier, wat zijn lichaam aangaat, heeft symbolische betekenis voor wat zijn geestelijk leven betreft.
3. Daarna zei 1) Jakob tot Jozef, die met zijn zonen binnengetreden was: God a) de Almachtige is mij verschenen te Luz, in het land Kanaän, toen ik van Mesopotamië trok (hoofdstuk 35), en Hij heeft mij gezegend. 2)
a) Genesis 17:1
1) Het doel is, zijn zoon van de rijkdom en de eer van Egypte af te trekken, en hem als van nu af aan bij het heilige geslacht te rekenen, waarvan hij een poos gescheiden was geweest. Verder, stelt hij niet de uitnemendheid van zijn geslacht, noch de tegenwoordige rijkdom, noch zijn aanzien op de voorgrond, om hem te vleien, maar enig en alleen wijst hij op het Verbond van God. Zoals het recht en billijk is, dat de genade van de aanneming, zoals die ons wordt aangeboden, geheel ons bezig houdt, en wat in de wereld schittert en kostbaar is, op de achtergrond wordt gesteld.
2) Tegenover de grote voorspoed, die Jozef in Egypte genoot, plaatst Jakob de zegen van God, welke hij ontvangen heeft. Het is, opdat ook zijn zoon het eerste het meest vrage, niet naar de vergankelijke dingen van deze aarde, maar naar de zegen en de gunst van God op geestelijk gebied.
4. En Hij heeft tot mij gezegd: a) Zie, ik zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen, en u tot een hoop van volken stellen; en Ik zal aan uw zaad na u dit land tot een eeuwige bezitting geven. 1)
a) Genesis 28:3 vrgl. 35:11 vv.
1) Zo doet de Heere altijd. Eer nog het einddoel bereikt is, heeft Zijn zegen ons bemoedigd en daardoor in staat gesteld onze bestemming naderbij te komen. De ogenblikken, waarop die zegen van God wordt ontvangen of verstaan, vormen de merkwaardigste tijdstippen in ons leven. Vraagt gij waarin die zegen eigenlijk bestond, dan zal Jakob u antwoorden dat die zegen, juist de strekking, het einddoel en het kort begrip van al Gods beloften was. Wilt gij de korte inhoud van al deze vernemen? Het is de vermenigvuldiging van het volk, dat uit zijn lendenen zou geboren worden, de bevestiging aan dat gezegende volk van de aloude verbondsbeloften en de bewaring voor het verbondsvolk van het eenmaal toegezegde verbondsland. De eeuwige onveranderlijke trouw van de Al- en Vrijmachtige God werd hem toegezegd ten opzichte van de belofte zelf, van de voorwerpen van de belofte, het kroost dat hem geschonken zou worden, en van de inhoud van de belofte: het land van de eeuwige bezitting.
5. Nu dan, krachtens de volmacht, die God mij toen gegeven heeft, om als aartsvader voor de toekomst van Zijn uitverkoren volk schikkingen te maken, uw twee zonen, 1) a) die u in Egypte geboren waren, eer ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn van mij: Efraïm en Manasse zullen van mij zijn, als Ruben en Simeon; zij zullen aan mijn beide eerstgeborenen gelijk staan.
a) Genesis 41:50; 46:20
1) Jakob, tengevolge van een bijzondere volmacht, verheft zijn zoon zo, dat één tot twee hoofden wordt, dat is, dat twee zonen van hem, alsof zij in de eerste graad erfgenamen waren, gelijk met hun ooms zullen erven. Maar wat is het, dat een afgeleefde grijsaard als een koninklijk erfdeel aan zijn kleinzonen het zesde gedeelte van dat land toewijst, waarin hij als vreemdeling gedwaald, en waaruit hij nu wederom gevlucht is? Wie zou niet gezegd hebben, dat hij een sprookje had verzonnen? Wat had nu Jozef zelf er aan, dat hij onder een denkbeeldige titel tot heer aangesteld werd van een land, waar het nauwelijks aan de bezitter was veroorloofd met grote moeite gegraven water te drinken, en waaruit eindelijk de honger hem had verdreven? Maar hieruit blijkt, hoe de heilige vaders met een standvastig geloof in het Woord van God waren bezield, dat het hun genoeg was uit Zijn mond te weten, welk een vaste plaats zij in dat land hadden. Jakob sterft in Egypte als balling, en ondertussen roept hij hem, die over Egypte gesteld is, uit zijn waardigheid, om in ballingschap te gaan, opdat het hem wel en gelukkig ga. Jozef, daar hij zijn vader als een Profeet van God erkent, die niets uit zijn eigen brein haalt, waardeert niet minder het eigendom hem aangeboden, hoewel er nog niets van te zien is, dan indien het reeds in zijn macht was.
Jozef zelf ontvangt geen erfdeel in Israël. Hij was als het ware geheel een Egyptenaar geworden. Zijn twee zonen traden in zijn plaats op. Tegenover de bewering, dat Jakob zijn zoon Jozef ook nog op het sterfbed voortrekt, kan men de andere stellen, dat hij geheel van zijn voorliefde genezen is, doordat hij de naam van Jozef doet verdwijnen om plaats te maken voor zoon van Efraïm.
6. Maar uw geslacht, dat gij na hen zult gewinnen, zullen de uwe zijn, 1) zij zullen voor uw kinderen gelden, alzo geen bijzondere stammen uitmaken; zij zullen naar hun broeders naam genoemd worden in hun erfdeel; hun geslachten zullen bij die van hun broeders, Efraïm en Manasse, geteldworden.
1) Of Jozef werkelijk nog andere zonen verkregen heeft, wordt in de Heilige Schrift niet bericht. Misschien zijn, onder de in Numeri. 26:28 vv. en 1 Kronieken 8:14 vv. opgetelde geslachten van Efraïm en Manasse, zulke later geboren zonen van Jozef mede genoemd.
Krachtens zijn aartsvaderlijke macht, neemt Jakob de twee zonen van Jozef tot de zijne aan, en volgens diezelfde macht, geeft hij de overige zonen, zo die er mochten zijn, of nog geboren mochten worden, aan de twee door hem aangenomen zonen van Jozef. Jakob treedt hier in zijn volle waardigheid als soeverein in zijn gezin op. Ook hiermee wil Jakob de nagedachtenis eren van Rachel, over wie hij daarom terstond daarna tot Jozef spreekt.
7. Toen ik nu van Paddan-Aram kwam 1) a) zo is Rachel, de vrouw van mijn hart, die ik ook nu nog niet vergeten kan, bij mij aan mijn zijde gestorven in het land Kanaän, op de weg als het nog een kleine stuk land was, om tot Efratha te komen; en ik begroef haar aldaar aan de weg van Efratha, 2) welke later genoemd is Bethlehem. 3) Uwverhoging tot redder van mijn huis heeft zij niet beleefd; maar ik wil het aandenken van de vroeggestorvene daardoor eren, dat ik uw beide zonen als mijn eigen en als haar zonen aanzie, en hen met de beide eerstgeborenen van Lea (vs.5) gelijkstel.
a) Genesis 35:19
1) De dood en de begrafenis van zijn vrouw Rachel vermeldt Jakob daarom, opdat de naam van zijn moeder voor Jozef een prikkel zou zijn, om hem aan te drijven. Want omdat alle zonen van Jakob uit Syrië hun oorsprong hebben, was het van niet weinig belang, dat zij bekend waren met de zaak, welke wij vroeger hebben gezien, dat nl. hun vader op bevelen onder leiding van God naar het land Kanaän teruggekeerd, zijn vrouwen met zich heeft gevoerd. Want, indien het niet zwaar was voor een vrouw, om haar vaderland verlatende, naar een vergelegen land te vertrekken, dan moest haar voorbeeld een met lichte aansporing voor zijn zonen zijn, om, na Egypte vaarwel gezegd te hebben, wanneer diezelfde God beveelt, zich vol ijver aan te gorden, om het land Kanaän in bezit te nemen.
Het stuk land, waarin Efratha lag, is later niet toebedeeld aan een van de zonen van Jozef, maar aan Juda. Alle gedachte, dat Jozef als eerstgeborene van Rachel, ook de eerste rang onder de broeders bekleedde moest verwijderd worden, en door alles duidelijk uitkomen, dat God Juda, de zoon van Lea, tot eerstgeborene had verkoren. Deze laatste woorden: “welke is Bethlehem,” zijn tot verduidelijking een bijvoeging van de Schrijver.
8. En Israël zag de zonen van Jozef; hij zag op hen, omdat hij nu tot hen zich meer bepaald wilde wenden, en zei: niet alsof hij niet geweten had, wie behalve Jozef in zijn kamer was, maar om de zegening op plechtige wijze in te leiden (hoofdstuk 27:24): Van wie zijn deze? 1)
1) Het zal sommigen vreemd toeschijnen, dat Jakob nu deze vraag doet. Vooreerst zij aangemerkt, dat Mozes meer het vroegere als later geschied, verhaalt. En vervolgens moet men niet vergeten, dat bij openbare handelingen, waarvan zeer veel in de toekomst afhing, of bij rechtzaken er plechtig, naar de namen gevraagd werd, ook al wist men, wie zij waren (Genesis 23:13 1 Samuel. 17:55-58).
9. En Jozef zei tot zijn vader: Zij zijn mijn zonen, die mij God hier gegeven heeft, 1) (hoofdstuk 23:5) En hij zei: Breng hen toch tot mij 2) dat ik hen zegene!
1) Ook hierdoor komt de Godsvrucht van Jozef aan het licht. Hij noemt zijn zonen: geschenken van God (Psalm. 127:3). Jozef voegt er uitdrukkelijk aan toe “hier” en wil daarmee zeggen, dat het geen onnutte zaak was, maar strikt noodzakelijk, dat zij door Jakob in de schoot van het heilig geslacht werden opgenomen.
2) Wie kinderen wilde aannemen als zijn eigen kinderen, ging tot hen. Jakob is echter zwak door ouderdom en blind, daarom moeten zij tot hem gebracht worden. Zulk een gaan wordt genoemd, een toeëigenende begroeting. Wie door God tot kind wordt aangenomen, tot die komt Hij ook.
10. Doch de ogen van Israël waren zwaar van ouderdom, hij kon niet zien; hij moest daarom de beide jongemannen dicht bij zich hebben, wilde hij ze enigszins opmerken; en hij deed hen naderen tot zich. Jozef plaatste hen aan zijnvaders knieën, zodat deze hen zeer dicht bij zich had; toen kuste hij hen, en omhelsde hen (Mark.10:16)
11. En Israël zei tot Jozef: Ik had niet gemeend uw aangezicht te zien, want ik meende, dat een boos dier u verscheurd had (hoofdstuk 37:33); maar zie, God 1) heeft mij niet alleen de vreugde gegeven u te zien, God heeft mij ook uw zaad doen zien (Efez.3:20 vv.).
1) Voordat Jakob de beide zonen van Jozef zegent, is het hem behoefte zijn dank aan God uit te spreken wegens de goedertierenheid hem verleend. Wat zal er in deze ogenblikken in zijn ziel zijn omgegaan! Ook nu nog meer als vroeger zal hij zich zeer gering tegenover de weldaden van God gevoeld hebben.
12. Toen deed hen Jozef uitgaan 1) van zijn knieën, tussen welke zij gestaan hadden; want hij zag aan het verhelderd aangezicht van de vader, dat deze, van Gods Geest vervuld, nu tot het ogenblik van het plechtig zegenen gekomen was, en hij boog zich voor zijn aangezicht neer ter aarde, om zich voor die plechtigheid voor te bereiden door aanbidding van God.
1) Nader zet Mozes uiteen, wat hij reeds met een enkel woord heeft aangeduid. Doch Jozef doet zijn zonen van zijn schoot uitgaan en brengt ze bij de knieën van zijn vader, niet slechts om de eerbetoning, maar opdat hij hen de Profeet van God ter zegening aanbiede daar hij er zeker van overtuigd is, dat de heilige Jakob met volgens de algemene manier van de mensen zijn kleinzonen zocht te omhelzen, maar in zoverre hij de tolk van God was, om de hem geschonken genade aan hen te schenken. Maar ofschoon hij hun, bij het verdelen van het land Kanaän, gelijke delen als zijn zonen toebedeelt, verwacht hij echter iets hogere van de oplegging van de handen. Immers opdat die twee zouden behoren tot de patriarchen, aan de Kerk en een eervolle voorrang zouden genieten in het geestelijk rijk van God.
13. En Jozef nam die beiden, Efraïm met zijn rechterhand, tegenover Israëls linkerhand, en Manasse met zijn linkerhand tegenover Israëls rechterhand, en hij deed hen naderen tot hem. Jozef plaatste hen zo, omdat hij meende, dat de eerstgeborene ook het voornaamste deel van de aartsvaderlijke zegen toebehoorde; en deze daarom ook, bij de nu volgende handoplegging, onder de rechterhand van de aartsvader moest geplaatst worden.
14. Maar Israël strekte zijn rechterhand uit, en legde die niet op het hoofd 1) van de tegenover haar geplaatste Manasse, maar op het hoofd van Efraïm, hoewel hij de minste, de jongste, was, en daarentegen zijn linkerhand op het hoofd van Manasse, zodat zijn handen kruiselings over elkaar lagen; 2) hij bestierde zijn handen op deze wijze verstandelijk, 3) met overleg; want Manasse was de eerstgeborene, en, door de bijzondere leiding van de Heilige Geest, wilde hij aan deze de voornaamste zegenniet geven, maar aan Efraïm.
1) De handoplegging komt hier voor de eerste maal voor; later is zij een meermalen gebruikt zinnebeeld geworden; 1. bij zegeningen (Matth.19:13-15); 2. bij genezingen (Mark.5:23; 7:32; Hand.28:8 vv. ); 3. bij mededelingen van de Geest (Hand.8:17; 19:6); 4. bij inwijdingen tot een ambt (Numeri. 27:18 vv.; Hand.6:6; 13:3; 1Tim.4:14; 5:22; of ook 5. bij overgave aan God; daarom a) bij offerdieren (Exodus. 29:10; Leviticus. 1:4; 3:2; 4:15; 16:21 en b) bij veroordeelden (Leviticus. 24:14). “Aan de hand is de uitoefenende macht van de ziel voornamelijk toevertrouwd; zij brengt de hoogste ideeën uit de werkplaats van de gedachten in het rijk van de verschijningen. Daarom bediende men zich reeds vroeg van haar om zieken te genezen, en zegen of vloek op anderen te leggen”.
2) Wij denken hier aan de kruisdood van de Messias; Hij is aan het kruis een vloek geworden voor ons, opdat op ons Zijn zegen zou komen.
3) Letterlijk: Hij maakte zijn handen wijselijk, d.i. Hij legde zijn handen opzettelijk zo.
15. En hij a) zegende Jozef in zijn kinderen, en zei: De God, voor wiens aangezicht mijn vaders, Abraham en Izak, gewandeld hebben, Hem vrezende en dienende (hoofdstuk 17:1), die God, die mij gevoed heeft, of ook die mijn herder was, van dat ik was, van mijn geboorte af tot op deze dag, die mij steeds als een herder geleid enverzorgd heeft (Psalm. 23:1; 28:9).
a) Hebr.11:21
Het is alsof kort voor de nadering van de dood, als zijn ogen reeds zwaar geworden zijn van hoge ouderdom, door de aartsvaders geestelijke blik het meest gescherpt wordt en hij het helderst inzicht heeft in de dingen van het koninkrijk van God. Zo ziet gij menigmaal bij stervende gelovigen het geloof op het krachtigst doorbreken en het levendigst getuigen. Ook daarin ligt een bewijs voor de aangeboren geestelijkheid en dus onsterfelijkheid van de mensen, dat zijn eigenlijk geestelijke vermogens door de ouderdom niet afslijten, maar in kracht en diepte veeleer toenemen. Niet tegelijk met het lichaam wordt ook de ziel gesloopt. Het geheugen en de denkkracht mogen minder worden, het eigenlijk geestelijk leven van het geloof wordt niet uitgeblust, maar vlamt bij de stervende menigmaal tegen het einde het helderst op.
16. a) Die Engel 1) van Zijn aangezicht Jesaja 63:9), die mij verlost heeft van alle kwaad, 2) zowel van mijn zonde, als van het lijden, dat mij ooit heeft getroffen (hoofdstuk 27:41; 28:5; 31:1; 33:6; 34:30; 37:32 vv.; 45:26 vv.) zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam van mijn vaderen, Abraham en Izak. 3) Hoewel zij kinderen zijn van een Egyptische priesterdochter, mogen zij als echte patriarchenkinderen erkend worden, en mogen zij zich als zodanig betonen; de zegen van vermenigvuldiging, die God op ons gelegd heeft, ruste ook op hen, en dat zij vermenigvuldigen, als vissen in menigte, in het midden van het land, namelijk in Kanaän.
a) Psalm. 22:10,11; 139:13-16 Galaten. 1:15
1) In deze verzen 15 en 16 worden: “de God voor wiens aangezicht, enz. die God, die mij gevoed heeft” en “die Engel” genoemd, terwijl het werkwoord “zegene” toch in het enkelvoud staat. Zo is de Heere op drievoudige wijze genoemd in een eenheid van het goddelijk Wezen.
God en de Engel zijn bij Jakob één. Hij kent zonder twijfel aan deze Engel goddelijke natuur toe. Reeds in de Samaritaanse overzetting verwonderde men zich over deze uitdrukking, en maakte, door de verandering van een letter van het oorspronkelijke: “Engel” “Koning”, welk woord alsdan, als een naam van God gebezigd, werd opgevat. Deze engel is geen andere, dan die te Pniël met Jakob worstelde, die hem aldaar zegende en een nieuwe naam gaf (zie Ge 32.24 en zie Ge 16.7)
2) In het vorige vers heeft Jakob verzekerd, dat zijn vaderen Abraham en Izak voor het aangezicht van God gewandeld hebben. Van zichzelf getuigt hij het niet. Wel, dat zijn God hem geleid heeft; wel, dat de Engel hem van alle kwaad verlost heeft, maar hij acht, in nederigheid van het gemoed, zichzelf veel minder dan zijn vaderen. Twee kenmerken van een wedergeborene ziel openbaart hij, nl. een diep inzicht in de heiligheid van de Heere, en tevens in de verdorvenheid van zijn eigen natuur, waarbij nog komt een dankbare vermelding van de weldaden van de Heere. Zichzelf acht hij niets, zijn God alles.
3) Dit is het teken van de aanneming, waarvan zoveel melding is gemaakt. Want zijn eigen naam geeft hij hun, opdat zij een plaats onder de Patriarchen mogen innemen. En als hij straks zegt, dat zij mogen uitbreken in menigte, dan is dit, opdat de Heere zelf aan hen vervulle, wat aan de Patriarchen beloofd is.
Alles verwacht Jakob van de macht en de trouw van zijn Verbondsgod.
17. Toen Jozef zag, dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm legde, en alzo het grotere deel van zijn zegen aan de jongste toedeelde, zo was het kwaad in zijn ogen, 1) en hij ondervatte zijn vaders hand, om die vanhet hoofd van Efraïm op het hoofd van Manasse te brengen.
1) Meende Jozef dat het een vergissing was, of achtte hij het een daad van voorliefde voor zijn jongste kleinkind? De betekenis van de woorden is, dat hij het euvel duidde. Slaan die woorden op de daad van Jakob alleen, of ook op het feit, dat nu Efraïm en niet Manasse de zegen ontving? Wij voor ons zijn van gevoelen dat de mening, alsof Jozef dacht dat Jakob het deed uit voorliefde, niet opgaat. Hij meende, dat het bij vergissing geschiedde, maar kon het daarom niet hebben, dat, ten gevolge daarvan, aan Manasse de zegen van het eerstgeboorterecht ontging.
18. En Jozef zei tot zijn vader: Niet alzo, mijn vader! want deze, die ik tegenover uw rechterhand, gesteld heb, is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd, gij behoeft die niet kruiselings over de linker te leggen, alsof mijn eerstgeborene aan mijn rechterzijde stond.
19. Maar zijn vader weigerde het, om zijn hand aan Jozefs leiding (vs.17) over te geven, en zei: Ik weet het, mijn zoon! ik weet het 1) dat mijn rechterhand op het hoofd van de jongste rust; hij Manasse, op wie ik mijn linkerhand gelegd heb, zal ook tot een volk, zal ook de stichter van een afzonderlijke stam worden, en hij zal ook groot worden; maar nochthans zal zijn kleinste, zijn jongste broeder groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren, een bijzonder talrijke en machtige stam worden. 2)
1) Hiermee wil Jakob op kalme, waardige toon niet alleen zijn goed recht tegenover Jozef handhaven, maar ook, in vereniging met hetgeen volgt, hem er bij bepalen, dat hij hier handelt volgens aandrijving van de Geest, als profeet van God.
2) Onder Mozes telde Manasse nog 20,000 man meer dan Efraïm (Numeri. 26:34,37) maar reeds ten tijde van de Richters nam Efraïm zo toe, dat hij aan het hoofd van de noordelijke stammen trad. Later werd hij zelfs het hoofd van de tien stammen, en zijn naam verkreeg gelijke betekenis met de naam Israël.
Jozef moet weten, dat geen natuurlijke geboorte, geen gewrocht van de tijd en van het bloed, de voorkeur heeft in de ogen van de Heere. Dat was immers in de geschiedenis van de voorvaderen zelf reeds zo menigmaal gebleken. Ook vermindert de grotere zegen van een ander niet de kleinere zegen, die de Heere aan u wilde schenken; hoewel het maar al te dikwijls wordt gezien, dat wij, omdat wij een ander nog meer gezegend zien dan wij zelf zijn, aan onze eigen zegen minder hebben en daarvan minder genieten. Ook de oudste zoon Manasse zou tot een groot volk worden, maar de jongere zou groter zijn dan de oudste.
Ook hier hebben wij de vrijmachtige verkiezing van God, die Efraïm tot eerste aanstelt, met voorbijgang van de eerstgeboren Manasse. Zoals wij reeds zeiden, men heeft wel eens beweerd, dat Jakob met deze daad, nl. die van de opneming van Jozefs beide zonen, in de rij van zijn eigen weer zijn oude voorliefde voor Jozef heeft doen uitkomen. In het geheel niet, want het was voor laatstgenoemde geen kleine zaak, dat zijn naam zou verdwijnen en plaats moest maken voor die van zijn beide zonen.
20. Alzo zegende hij hen op die dag, tot beide zeggende: In u zal Israël zegenen, wie in Israël wil zegenen, zal het doen, zeggende: a) God zette u als Efraïm en als Manasse! 1) make u zo gezegend, als die zonen van Jozef! En hij (Jakob) zette Efraïm vóór Manasse, daar hij naar de graad een onderscheid maakte, de laatstgeborene het eerst noemende.
a) Jer.31:20
1) Nog heden is deze zegenformule bij de Joden onder personen van het mannelijk geslacht in gebruik. Personen van het vrouwelijke geslacht daarentegen zegenen elkaar met de woorden: “God zette u als Sara en Rebekka!”.
21. Daarna zei Israël tot Jozef, zich nu uitsluitend tot hem wendende, die hij tot hiertoe slechts in zijn zonen gezegend had, en die hij nu zijn erfgerecht aan het beloofde land nog voor zijn persoon wilde bevestigen: Zie, ik sterf; maar God zal met u, mijn kinderen en nakomelingen, wezen, en Hij zal u te zijner tijd terugbrengen in het land van uw vaderen; 1) zo toch heeft mij de Heere, toen ik daaruit trok, toegezegd (hoofdstuk 46:4)
1) Hiermee wijst Jakob op de beweegreden en op de vaste grond, waarom hij alzo heeft gehandeld. Dat het alles in verband staat met de onveranderlijke trouw van God, die zijn nageslacht weer in Kanaän zal brengen. Tegenover het vergankelijke van deze aarde stelt hij de onveranderlijke trouw van God. Gods waarheid en trouw zal door de wisselvalligheden van het leven niet gekrenkt of teniet gedaan worden. Ook hier wederom komt op heerlijke wijze in Jakob de geloofsheld tevoorschijn.
22. a) En ik heb u, daar ik elk van uw beide zonen als een erfgenaam heb aangenomen, een stuk land gegeven boven uw broeders, 1) een aandeel meer dan aan hen, b) hetwelk ik met mijn zwaard en met mijn boog, uit de hand van de Amorieten genomen heb, 2) dat ik eens, wanneer hun zonden vol zullen geworden zijn (hoofdstuk 15:16), in mijn nakomelingen, met geweld van wapens hun ontnemen zal.
a) Jozua. 13:7; 16:1 b) Jozua. 24:8
1) Nadat Ruben zijn eerstgeboorterecht misdadig verspeeld had, en ook Simeon en Levi het zich onwaardig hadden gemaakt, stond het Jakob des te meer vrij, om Jozef een dubbel erfdeel toe te delen. Het was niet genoeg, dat God deze boven al zijn broeders verhoogd en tot een behouder van het huis van zijn vader geroepen had; hij moest ook beschermd worden tegen het gevaar, dat men zijn nakomelingen, bij de verdeling van het land, als genationaliseerde Egyptenaars beschouwen en van de erfenis uitsluiten zou, waardoor Jozef in zijn nakomelingen nog eens zou verkocht worden. Opdat echter deze uitzondering een aanleiding zou geven, dat ook in het vervolg aan de zoon van de meer geliefde vrouw de voorrang voor de eigenlijke eerstgeborene zou gegeven worden, werd dit naderhand door een wet uitdrukkelijk verboden (Deuteronomium. 21:16 vv.), gelijk Jakob dan ook niet het gehele eerstgeboorterecht op Jozef overdraagt, maar in hoofdstuk 49:8 vv. de tweede voorrang, de vorstenwaardigheid in de familie, Juda toedeelt.
2) Liever: “hetwelk ik met mijn zwaard en met mijn boog uit de hand van de Amorieten neem.” Voor de Hebreeër, die in zijn taal een presens (tegenwoordige tijd) heeft, komt in profetische, dichterlijk en verheven stijl, de toekomst als verleden voor (zie Ge 4.24). Zo heeft ook Jakob hier in profetische geest reeds volbracht, wat eerst na eeuwen door het volk van Israël zou volbracht worden. Wat nu het stuk land betreft, waarvan de aartsvader spreekt, zo is daaronder wel niet dadelijk het stuk land bedoeld, dat hij van de kinderen van Hemor gekocht had (hoofdstuk 33:19); want daarbij passen de woorden in de tweede helft van het vers niet. Wel echter gebruikt Jakob voor “stuk” een woord (Schechemland- of bergrug), dat met de naam “Sichem” in het Hebreeuws gelijkluidend is. Daar bezat hij reeds een stuk land, dat hem een onderpand van het toekomstig bezit van het gehele land was; het is een zinspeling op die naam, en, om ook hierin zijn woord te eren, viel later werkelijk aan de kinderen van Jozef dat gebied ten deel (Jozua 21:21) en werd Jozefs gebeente op dat stuk begraven (Jozua 24:32; vrgl.Joh.4:5 )
Als Jakob betuigt, dat hij het stuk grond, dat hij voor de toekomstige grafstede van Jozef bestemd had, met zwaard en boog de Amorieten ontnomen had, ziet hij daarbij mogelijk op het stuk grond, dat hij voor honderd geldstukken van Hemor de vader van Sichem had gekocht (Genesis 33:19), en het bezit waarvan hij later, bij de problemen, ontstaan door Simeons en Levi’s wraakzucht, tegen de aanvallen van de inwoners te verdedigen en te handhaven had (Genesis 34:30). Het wil ons evenwel toeschijnen, dat Jakob, naar het oorspronkelijke eigenlijk luidt, niet van “een stuk land”, maar van Sichem en haar omgeving zelf heeft gesproken. Want zie, dat Sichem lag in het erfdeel van Efraïm (Jozua 20:7). Daarin zijn ook Jozefs beenderen bijgezet Jozua 24:32), als in het land dat Jakob, tot dat einde, Jozef op zijn sterfbed profetisch had toegezegd.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Genesis 48
Genesis 48:5.KruisverwijzingenJozua 14:4→Genesis 46:20→Genesis 41:50→1 Kronieken 5:1→Jozua 13:7→Maleachi 3:17→Efeze 1:5→Numeri 1:10→
— Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, eer ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn mijne; Efraim en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon.
“Nu dan, uw twee zonen … zullen mijne zijn.” Ten slotte gaf God Jozef en zijn gezin een dubbel erfdeel in Israël, iets wat aan geen van de andere twaalf zonen van Jakob werd geschonken. De twee zonen van Jozef, Efraïm en Manasse, die in het land Egypte waren geboren voordat Jakob daar aankwam, werden als zonen van Jakob aangenomen, zodat ieder van hen een eigen stam werd. Levi werd niet onder de twaalf stammen gerekend, omdat voor de Levieten als dienaren van God een afzonderlijke plaats was bestemd. In hun plaats werden Efraïm en Manasse toegevoegd, zodat het huis van Jozef tweemaal onder de twaalf vertegenwoordigd was.
Genesis 48:15-16.KruisverwijzingenGenesis 17:1→2 Timotheüs 4:18→Handelingen 15:17→Genesis 49:22→Psalmen 121:7→Amos 9:12→Psalmen 34:22→Jesaja 63:9→
— En hij zegende Jozef, en zeide: De God, voor Wiens aangezicht mijn vaders, Abraham en Izak, gewandeld hebben, die God, Die mij gevoed heeft, van dat ik was, tot op dezen dag; Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden des lands!
“Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad.” Dit is Jakobs laatste getuigenis van Gods trouw. Hij had Rachel verloren; wat een diepe smart was dat voor zijn hart. Toch zegt hij: “Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad.” Er was een zware hongersnood over het land gekomen, maar hij belijdt dat God hem zijn leven lang had onderhouden. Hij had Jozef verloren, en dat was een groot verdriet geweest. Maar nu hij terugkijkt, ziet hij dat God hem ook toen van alle kwaad had verlost. Eerder had hij gezegd: “Jozef is er niet, en Simeon is er niet; nu zult gij Benjamin wegnemen! al deze dingen zijn tegen mij!” Maar nu neemt hij die woorden terug en zegt: “Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad.” Hij belijdt nu dat God altijd met hem is geweest, hem altijd heeft onderhouden, hem altijd heeft verlost en hem altijd heeft gezegend. Als wij nu op God vertrouwen, zal ook dit ons getuigenis zijn aan het einde van ons leven.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
JAKOBS TESTAMENT TEN AANZlEN VAN EFRAIM EN MANASSE.
I. Gen. 48 vers 1-22
Enige tijd later wordt Jozef gemeld, dat zijn vader ziek is; hij begeeft zich met zijn beide zonen tot hem. Jakob schenkt aan deze de aartsvaderlijke zegen, waarbij hij hen als zijn kinderen aanneemt, aan de jongsten echter de voorrang boven de oudste gevende.
1. Het geschiedde nu na deze dingen, na het meegedeelde, (hoofdstuk 47:29 vv.), toen Jakob zijn spoedige dood reeds tegemoet zag, dat men Jozef zei: Zie, uw vader is ziek! Toen nam 1) hij zijn twee zonen, die zekerruim 20 jaar oud waren, met zich, Manasse en Efraïm.
1) Twee zaken, welke Mozes hier aanvoert, zijn op te merken. Vooreerst, dat Jozef, onderricht omtrent de ziekte van zijn vader, terstond de reis onderneemt; vervolgens, dat Jakob, na de aankomst van zijn zoon vernomen te hebben, beproefde zijn zwak en bevend lichaam op te heffen, om Jozef eer te bewijzen. Zeker, daarom was Jozef zo begerig zijn vader te bezoeken, en geneigd om de andere plichten te volbrengen, aan de eerbied voor zijn vader verschuldigd, omdat hij, zoon van Jakob te zijn, meer achtte, dan aan het hoofd te staan van twee rijken. Want, dat hij zijn zonen tot hem brengt, is als het ware, alsof hij hen van het land, waarin zij geboren zijn, vervreemdt, en aan hun oorspronkelijk vaderland terug geeft. Want zij konden tot het geslacht van Abraham niet gerekend worden, of zij plaatsten zich in een kwade reuk bij de Egyptenaren. Maar Jozef verkiest deze smaad boven alle mogelijke schatten en eerbewijzingen, als zij maar mogen samengroeien met het lichaam van de Kerk. De vader echter zich versterkende, vergeldt de weldaad, uit zijn hand ontvangen, zodanig als aan zijn eer past. En ondertussen gehoorzaamt hij aan de Godsspraak, welke zijn zonen vroeger tot razernij had vervoerd, opdat het hun niet zwaar en ondraaglijk zijn zou, indien hij Efraïm en Manasse tot hoofden van twee stammen aanstelt.
2. En men boodschapte Jakob, en men zei: Zie, uw zoon Jozef komt tot u! Zo versterkte 1) zich Israël, hij verzamelde zijn zwakke krachten, en zat op het bed, om alsdrager van de belofte het werk, dat hij zich voorgenomen had, in een betamelijke houding te verrichtten.
1) In de zwakke volbrengt de Heere God Zijn kracht, zo ook hier in Jakob. De dood nabij, ja, reeds stervende, zal de Heere het tonen, dat Hij hem nog eenmaal, vóór zijn heengaan, de Israël van het geloof zal doen zijn. De laatste dagen van Jakob doen hem meer nog, dan geheel zijn leven kennen, als de krachtige geloofsheld. Dat versterken hier, wat zijn lichaam aangaat, heeft symbolische betekenis voor wat zijn geestelijk leven betreft.
3. Daarna zei 1) Jakob tot Jozef, die met zijn zonen binnengetreden was: God a) de Almachtige is mij verschenen te Luz, in het land Kanaän, toen ik van Mesopotamië trok (hoofdstuk 35), en Hij heeft mij gezegend. 2)
a) Genesis 17:1
1) Het doel is, zijn zoon van de rijkdom en de eer van Egypte af te trekken, en hem als van nu af aan bij het heilige geslacht te rekenen, waarvan hij een poos gescheiden was geweest. Verder, stelt hij niet de uitnemendheid van zijn geslacht, noch de tegenwoordige rijkdom, noch zijn aanzien op de voorgrond, om hem te vleien, maar enig en alleen wijst hij op het Verbond van God. Zoals het recht en billijk is, dat de genade van de aanneming, zoals die ons wordt aangeboden, geheel ons bezig houdt, en wat in de wereld schittert en kostbaar is, op de achtergrond wordt gesteld.
2) Tegenover de grote voorspoed, die Jozef in Egypte genoot, plaatst Jakob de zegen van God, welke hij ontvangen heeft. Het is, opdat ook zijn zoon het eerste het meest vrage, niet naar de vergankelijke dingen van deze aarde, maar naar de zegen en de gunst van God op geestelijk gebied.
4. En Hij heeft tot mij gezegd: a) Zie, ik zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen, en u tot een hoop van volken stellen; en Ik zal aan uw zaad na u dit land tot een eeuwige bezitting geven. 1)
a) Genesis 28:3 vrgl. 35:11 vv.
1) Zo doet de Heere altijd. Eer nog het einddoel bereikt is, heeft Zijn zegen ons bemoedigd en daardoor in staat gesteld onze bestemming naderbij te komen. De ogenblikken, waarop die zegen van God wordt ontvangen of verstaan, vormen de merkwaardigste tijdstippen in ons leven. Vraagt gij waarin die zegen eigenlijk bestond, dan zal Jakob u antwoorden dat die zegen, juist de strekking, het einddoel en het kort begrip van al Gods beloften was. Wilt gij de korte inhoud van al deze vernemen? Het is de vermenigvuldiging van het volk, dat uit zijn lendenen zou geboren worden, de bevestiging aan dat gezegende volk van de aloude verbondsbeloften en de bewaring voor het verbondsvolk van het eenmaal toegezegde verbondsland. De eeuwige onveranderlijke trouw van de Al- en Vrijmachtige God werd hem toegezegd ten opzichte van de belofte zelf, van de voorwerpen van de belofte, het kroost dat hem geschonken zou worden, en van de inhoud van de belofte: het land van de eeuwige bezitting.
5. Nu dan, krachtens de volmacht, die God mij toen gegeven heeft, om als aartsvader voor de toekomst van Zijn uitverkoren volk schikkingen te maken, uw twee zonen, 1) a) die u in Egypte geboren waren, eer ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn van mij: Efraïm en Manasse zullen van mij zijn, als Ruben en Simeon; zij zullen aan mijn beide eerstgeborenen gelijk staan.
a) Genesis 41:50; 46:20
1) Jakob, tengevolge van een bijzondere volmacht, verheft zijn zoon zo, dat één tot twee hoofden wordt, dat is, dat twee zonen van hem, alsof zij in de eerste graad erfgenamen waren, gelijk met hun ooms zullen erven. Maar wat is het, dat een afgeleefde grijsaard als een koninklijk erfdeel aan zijn kleinzonen het zesde gedeelte van dat land toewijst, waarin hij als vreemdeling gedwaald, en waaruit hij nu wederom gevlucht is? Wie zou niet gezegd hebben, dat hij een sprookje had verzonnen? Wat had nu Jozef zelf er aan, dat hij onder een denkbeeldige titel tot heer aangesteld werd van een land, waar het nauwelijks aan de bezitter was veroorloofd met grote moeite gegraven water te drinken, en waaruit eindelijk de honger hem had verdreven? Maar hieruit blijkt, hoe de heilige vaders met een standvastig geloof in het Woord van God waren bezield, dat het hun genoeg was uit Zijn mond te weten, welk een vaste plaats zij in dat land hadden. Jakob sterft in Egypte als balling, en ondertussen roept hij hem, die over Egypte gesteld is, uit zijn waardigheid, om in ballingschap te gaan, opdat het hem wel en gelukkig ga. Jozef, daar hij zijn vader als een Profeet van God erkent, die niets uit zijn eigen brein haalt, waardeert niet minder het eigendom hem aangeboden, hoewel er nog niets van te zien is, dan indien het reeds in zijn macht was.
Jozef zelf ontvangt geen erfdeel in Israël. Hij was als het ware geheel een Egyptenaar geworden. Zijn twee zonen traden in zijn plaats op. Tegenover de bewering, dat Jakob zijn zoon Jozef ook nog op het sterfbed voortrekt, kan men de andere stellen, dat hij geheel van zijn voorliefde genezen is, doordat hij de naam van Jozef doet verdwijnen om plaats te maken voor zoon van Efraïm.
6. Maar uw geslacht, dat gij na hen zult gewinnen, zullen de uwe zijn, 1) zij zullen voor uw kinderen gelden, alzo geen bijzondere stammen uitmaken; zij zullen naar hun broeders naam genoemd worden in hun erfdeel; hun geslachten zullen bij die van hun broeders, Efraïm en Manasse, geteldworden.
1) Of Jozef werkelijk nog andere zonen verkregen heeft, wordt in de Heilige Schrift niet bericht. Misschien zijn, onder de in Numeri. 26:28 vv. en 1 Kronieken 8:14 vv. opgetelde geslachten van Efraïm en Manasse, zulke later geboren zonen van Jozef mede genoemd.
Krachtens zijn aartsvaderlijke macht, neemt Jakob de twee zonen van Jozef tot de zijne aan, en volgens diezelfde macht, geeft hij de overige zonen, zo die er mochten zijn, of nog geboren mochten worden, aan de twee door hem aangenomen zonen van Jozef. Jakob treedt hier in zijn volle waardigheid als soeverein in zijn gezin op. Ook hiermee wil Jakob de nagedachtenis eren van Rachel, over wie hij daarom terstond daarna tot Jozef spreekt.
7. Toen ik nu van Paddan-Aram kwam 1) a) zo is Rachel, de vrouw van mijn hart, die ik ook nu nog niet vergeten kan, bij mij aan mijn zijde gestorven in het land Kanaän, op de weg als het nog een kleine stuk land was, om tot Efratha te komen; en ik begroef haar aldaar aan de weg van Efratha, 2) welke later genoemd is Bethlehem. 3) Uwverhoging tot redder van mijn huis heeft zij niet beleefd; maar ik wil het aandenken van de vroeggestorvene daardoor eren, dat ik uw beide zonen als mijn eigen en als haar zonen aanzie, en hen met de beide eerstgeborenen van Lea (vs.5) gelijkstel.
a) Genesis 35:19
1) De dood en de begrafenis van zijn vrouw Rachel vermeldt Jakob daarom, opdat de naam van zijn moeder voor Jozef een prikkel zou zijn, om hem aan te drijven. Want omdat alle zonen van Jakob uit Syrië hun oorsprong hebben, was het van niet weinig belang, dat zij bekend waren met de zaak, welke wij vroeger hebben gezien, dat nl. hun vader op bevelen onder leiding van God naar het land Kanaän teruggekeerd, zijn vrouwen met zich heeft gevoerd. Want, indien het niet zwaar was voor een vrouw, om haar vaderland verlatende, naar een vergelegen land te vertrekken, dan moest haar voorbeeld een met lichte aansporing voor zijn zonen zijn, om, na Egypte vaarwel gezegd te hebben, wanneer diezelfde God beveelt, zich vol ijver aan te gorden, om het land Kanaän in bezit te nemen.
Het stuk land, waarin Efratha lag, is later niet toebedeeld aan een van de zonen van Jozef, maar aan Juda. Alle gedachte, dat Jozef als eerstgeborene van Rachel, ook de eerste rang onder de broeders bekleedde moest verwijderd worden, en door alles duidelijk uitkomen, dat God Juda, de zoon van Lea, tot eerstgeborene had verkoren. Deze laatste woorden: “welke is Bethlehem,” zijn tot verduidelijking een bijvoeging van de Schrijver.
8. En Israël zag de zonen van Jozef; hij zag op hen, omdat hij nu tot hen zich meer bepaald wilde wenden, en zei: niet alsof hij niet geweten had, wie behalve Jozef in zijn kamer was, maar om de zegening op plechtige wijze in te leiden (hoofdstuk 27:24): Van wie zijn deze? 1)
1) Het zal sommigen vreemd toeschijnen, dat Jakob nu deze vraag doet. Vooreerst zij aangemerkt, dat Mozes meer het vroegere als later geschied, verhaalt. En vervolgens moet men niet vergeten, dat bij openbare handelingen, waarvan zeer veel in de toekomst afhing, of bij rechtzaken er plechtig, naar de namen gevraagd werd, ook al wist men, wie zij waren (Genesis 23:13 1 Samuel. 17:55-58).
9. En Jozef zei tot zijn vader: Zij zijn mijn zonen, die mij God hier gegeven heeft, 1) (hoofdstuk 23:5) En hij zei: Breng hen toch tot mij 2) dat ik hen zegene!
1) Ook hierdoor komt de Godsvrucht van Jozef aan het licht. Hij noemt zijn zonen: geschenken van God (Psalm. 127:3). Jozef voegt er uitdrukkelijk aan toe “hier” en wil daarmee zeggen, dat het geen onnutte zaak was, maar strikt noodzakelijk, dat zij door Jakob in de schoot van het heilig geslacht werden opgenomen.
2) Wie kinderen wilde aannemen als zijn eigen kinderen, ging tot hen. Jakob is echter zwak door ouderdom en blind, daarom moeten zij tot hem gebracht worden. Zulk een gaan wordt genoemd, een toeëigenende begroeting. Wie door God tot kind wordt aangenomen, tot die komt Hij ook.
10. Doch de ogen van Israël waren zwaar van ouderdom, hij kon niet zien; hij moest daarom de beide jongemannen dicht bij zich hebben, wilde hij ze enigszins opmerken; en hij deed hen naderen tot zich. Jozef plaatste hen aan zijnvaders knieën, zodat deze hen zeer dicht bij zich had; toen kuste hij hen, en omhelsde hen (Mark.10:16)
11. En Israël zei tot Jozef: Ik had niet gemeend uw aangezicht te zien, want ik meende, dat een boos dier u verscheurd had (hoofdstuk 37:33); maar zie, God 1) heeft mij niet alleen de vreugde gegeven u te zien, God heeft mij ook uw zaad doen zien (Efez.3:20 vv.).
1) Voordat Jakob de beide zonen van Jozef zegent, is het hem behoefte zijn dank aan God uit te spreken wegens de goedertierenheid hem verleend. Wat zal er in deze ogenblikken in zijn ziel zijn omgegaan! Ook nu nog meer als vroeger zal hij zich zeer gering tegenover de weldaden van God gevoeld hebben.
12. Toen deed hen Jozef uitgaan 1) van zijn knieën, tussen welke zij gestaan hadden; want hij zag aan het verhelderd aangezicht van de vader, dat deze, van Gods Geest vervuld, nu tot het ogenblik van het plechtig zegenen gekomen was, en hij boog zich voor zijn aangezicht neer ter aarde, om zich voor die plechtigheid voor te bereiden door aanbidding van God.
1) Nader zet Mozes uiteen, wat hij reeds met een enkel woord heeft aangeduid. Doch Jozef doet zijn zonen van zijn schoot uitgaan en brengt ze bij de knieën van zijn vader, niet slechts om de eerbetoning, maar opdat hij hen de Profeet van God ter zegening aanbiede daar hij er zeker van overtuigd is, dat de heilige Jakob met volgens de algemene manier van de mensen zijn kleinzonen zocht te omhelzen, maar in zoverre hij de tolk van God was, om de hem geschonken genade aan hen te schenken. Maar ofschoon hij hun, bij het verdelen van het land Kanaän, gelijke delen als zijn zonen toebedeelt, verwacht hij echter iets hogere van de oplegging van de handen. Immers opdat die twee zouden behoren tot de patriarchen, aan de Kerk en een eervolle voorrang zouden genieten in het geestelijk rijk van God.
13. En Jozef nam die beiden, Efraïm met zijn rechterhand, tegenover Israëls linkerhand, en Manasse met zijn linkerhand tegenover Israëls rechterhand, en hij deed hen naderen tot hem. Jozef plaatste hen zo, omdat hij meende, dat de eerstgeborene ook het voornaamste deel van de aartsvaderlijke zegen toebehoorde; en deze daarom ook, bij de nu volgende handoplegging, onder de rechterhand van de aartsvader moest geplaatst worden.
14. Maar Israël strekte zijn rechterhand uit, en legde die niet op het hoofd 1) van de tegenover haar geplaatste Manasse, maar op het hoofd van Efraïm, hoewel hij de minste, de jongste, was, en daarentegen zijn linkerhand op het hoofd van Manasse, zodat zijn handen kruiselings over elkaar lagen; 2) hij bestierde zijn handen op deze wijze verstandelijk, 3) met overleg; want Manasse was de eerstgeborene, en, door de bijzondere leiding van de Heilige Geest, wilde hij aan deze de voornaamste zegenniet geven, maar aan Efraïm.
1) De handoplegging komt hier voor de eerste maal voor; later is zij een meermalen gebruikt zinnebeeld geworden; 1. bij zegeningen (Matth.19:13-15); 2. bij genezingen (Mark.5:23; 7:32; Hand.28:8 vv. ); 3. bij mededelingen van de Geest (Hand.8:17; 19:6); 4. bij inwijdingen tot een ambt (Numeri. 27:18 vv.; Hand.6:6; 13:3; 1Tim.4:14; 5:22; of ook 5. bij overgave aan God; daarom a) bij offerdieren (Exodus. 29:10; Leviticus. 1:4; 3:2; 4:15; 16:21 en b) bij veroordeelden (Leviticus. 24:14). “Aan de hand is de uitoefenende macht van de ziel voornamelijk toevertrouwd; zij brengt de hoogste ideeën uit de werkplaats van de gedachten in het rijk van de verschijningen. Daarom bediende men zich reeds vroeg van haar om zieken te genezen, en zegen of vloek op anderen te leggen”.
2) Wij denken hier aan de kruisdood van de Messias; Hij is aan het kruis een vloek geworden voor ons, opdat op ons Zijn zegen zou komen.
3) Letterlijk: Hij maakte zijn handen wijselijk, d.i. Hij legde zijn handen opzettelijk zo.
15. En hij a) zegende Jozef in zijn kinderen, en zei: De God, voor wiens aangezicht mijn vaders, Abraham en Izak, gewandeld hebben, Hem vrezende en dienende (hoofdstuk 17:1), die God, die mij gevoed heeft, of ook die mijn herder was, van dat ik was, van mijn geboorte af tot op deze dag, die mij steeds als een herder geleid enverzorgd heeft (Psalm. 23:1; 28:9).
a) Hebr.11:21
Het is alsof kort voor de nadering van de dood, als zijn ogen reeds zwaar geworden zijn van hoge ouderdom, door de aartsvaders geestelijke blik het meest gescherpt wordt en hij het helderst inzicht heeft in de dingen van het koninkrijk van God. Zo ziet gij menigmaal bij stervende gelovigen het geloof op het krachtigst doorbreken en het levendigst getuigen. Ook daarin ligt een bewijs voor de aangeboren geestelijkheid en dus onsterfelijkheid van de mensen, dat zijn eigenlijk geestelijke vermogens door de ouderdom niet afslijten, maar in kracht en diepte veeleer toenemen. Niet tegelijk met het lichaam wordt ook de ziel gesloopt. Het geheugen en de denkkracht mogen minder worden, het eigenlijk geestelijk leven van het geloof wordt niet uitgeblust, maar vlamt bij de stervende menigmaal tegen het einde het helderst op.
16. a) Die Engel 1) van Zijn aangezicht Jesaja 63:9), die mij verlost heeft van alle kwaad, 2) zowel van mijn zonde, als van het lijden, dat mij ooit heeft getroffen (hoofdstuk 27:41; 28:5; 31:1; 33:6; 34:30; 37:32 vv.; 45:26 vv.) zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam van mijn vaderen, Abraham en Izak. 3) Hoewel zij kinderen zijn van een Egyptische priesterdochter, mogen zij als echte patriarchenkinderen erkend worden, en mogen zij zich als zodanig betonen; de zegen van vermenigvuldiging, die God op ons gelegd heeft, ruste ook op hen, en dat zij vermenigvuldigen, als vissen in menigte, in het midden van het land, namelijk in Kanaän.
a) Psalm. 22:10,11; 139:13-16 Galaten. 1:15
1) In deze verzen 15 en 16 worden: “de God voor wiens aangezicht, enz. die God, die mij gevoed heeft” en “die Engel” genoemd, terwijl het werkwoord “zegene” toch in het enkelvoud staat. Zo is de Heere op drievoudige wijze genoemd in een eenheid van het goddelijk Wezen.
God en de Engel zijn bij Jakob één. Hij kent zonder twijfel aan deze Engel goddelijke natuur toe. Reeds in de Samaritaanse overzetting verwonderde men zich over deze uitdrukking, en maakte, door de verandering van een letter van het oorspronkelijke: “Engel” “Koning”, welk woord alsdan, als een naam van God gebezigd, werd opgevat. Deze engel is geen andere, dan die te Pniël met Jakob worstelde, die hem aldaar zegende en een nieuwe naam gaf (zie Ge 32.24 en zie Ge 16.7)
2) In het vorige vers heeft Jakob verzekerd, dat zijn vaderen Abraham en Izak voor het aangezicht van God gewandeld hebben. Van zichzelf getuigt hij het niet. Wel, dat zijn God hem geleid heeft; wel, dat de Engel hem van alle kwaad verlost heeft, maar hij acht, in nederigheid van het gemoed, zichzelf veel minder dan zijn vaderen. Twee kenmerken van een wedergeborene ziel openbaart hij, nl. een diep inzicht in de heiligheid van de Heere, en tevens in de verdorvenheid van zijn eigen natuur, waarbij nog komt een dankbare vermelding van de weldaden van de Heere. Zichzelf acht hij niets, zijn God alles.
3) Dit is het teken van de aanneming, waarvan zoveel melding is gemaakt. Want zijn eigen naam geeft hij hun, opdat zij een plaats onder de Patriarchen mogen innemen. En als hij straks zegt, dat zij mogen uitbreken in menigte, dan is dit, opdat de Heere zelf aan hen vervulle, wat aan de Patriarchen beloofd is.
Alles verwacht Jakob van de macht en de trouw van zijn Verbondsgod.
17. Toen Jozef zag, dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm legde, en alzo het grotere deel van zijn zegen aan de jongste toedeelde, zo was het kwaad in zijn ogen, 1) en hij ondervatte zijn vaders hand, om die vanhet hoofd van Efraïm op het hoofd van Manasse te brengen.
1) Meende Jozef dat het een vergissing was, of achtte hij het een daad van voorliefde voor zijn jongste kleinkind? De betekenis van de woorden is, dat hij het euvel duidde. Slaan die woorden op de daad van Jakob alleen, of ook op het feit, dat nu Efraïm en niet Manasse de zegen ontving? Wij voor ons zijn van gevoelen dat de mening, alsof Jozef dacht dat Jakob het deed uit voorliefde, niet opgaat. Hij meende, dat het bij vergissing geschiedde, maar kon het daarom niet hebben, dat, ten gevolge daarvan, aan Manasse de zegen van het eerstgeboorterecht ontging.
18. En Jozef zei tot zijn vader: Niet alzo, mijn vader! want deze, die ik tegenover uw rechterhand, gesteld heb, is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd, gij behoeft die niet kruiselings over de linker te leggen, alsof mijn eerstgeborene aan mijn rechterzijde stond.
19. Maar zijn vader weigerde het, om zijn hand aan Jozefs leiding (vs.17) over te geven, en zei: Ik weet het, mijn zoon! ik weet het 1) dat mijn rechterhand op het hoofd van de jongste rust; hij Manasse, op wie ik mijn linkerhand gelegd heb, zal ook tot een volk, zal ook de stichter van een afzonderlijke stam worden, en hij zal ook groot worden; maar nochthans zal zijn kleinste, zijn jongste broeder groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren, een bijzonder talrijke en machtige stam worden. 2)
1) Hiermee wil Jakob op kalme, waardige toon niet alleen zijn goed recht tegenover Jozef handhaven, maar ook, in vereniging met hetgeen volgt, hem er bij bepalen, dat hij hier handelt volgens aandrijving van de Geest, als profeet van God.
2) Onder Mozes telde Manasse nog 20,000 man meer dan Efraïm (Numeri. 26:34,37) maar reeds ten tijde van de Richters nam Efraïm zo toe, dat hij aan het hoofd van de noordelijke stammen trad. Later werd hij zelfs het hoofd van de tien stammen, en zijn naam verkreeg gelijke betekenis met de naam Israël.
Jozef moet weten, dat geen natuurlijke geboorte, geen gewrocht van de tijd en van het bloed, de voorkeur heeft in de ogen van de Heere. Dat was immers in de geschiedenis van de voorvaderen zelf reeds zo menigmaal gebleken. Ook vermindert de grotere zegen van een ander niet de kleinere zegen, die de Heere aan u wilde schenken; hoewel het maar al te dikwijls wordt gezien, dat wij, omdat wij een ander nog meer gezegend zien dan wij zelf zijn, aan onze eigen zegen minder hebben en daarvan minder genieten. Ook de oudste zoon Manasse zou tot een groot volk worden, maar de jongere zou groter zijn dan de oudste.
Ook hier hebben wij de vrijmachtige verkiezing van God, die Efraïm tot eerste aanstelt, met voorbijgang van de eerstgeboren Manasse. Zoals wij reeds zeiden, men heeft wel eens beweerd, dat Jakob met deze daad, nl. die van de opneming van Jozefs beide zonen, in de rij van zijn eigen weer zijn oude voorliefde voor Jozef heeft doen uitkomen. In het geheel niet, want het was voor laatstgenoemde geen kleine zaak, dat zijn naam zou verdwijnen en plaats moest maken voor die van zijn beide zonen.
20. Alzo zegende hij hen op die dag, tot beide zeggende: In u zal Israël zegenen, wie in Israël wil zegenen, zal het doen, zeggende: a) God zette u als Efraïm en als Manasse! 1) make u zo gezegend, als die zonen van Jozef! En hij (Jakob) zette Efraïm vóór Manasse, daar hij naar de graad een onderscheid maakte, de laatstgeborene het eerst noemende.
a) Jer.31:20
1) Nog heden is deze zegenformule bij de Joden onder personen van het mannelijk geslacht in gebruik. Personen van het vrouwelijke geslacht daarentegen zegenen elkaar met de woorden: “God zette u als Sara en Rebekka!”.
21. Daarna zei Israël tot Jozef, zich nu uitsluitend tot hem wendende, die hij tot hiertoe slechts in zijn zonen gezegend had, en die hij nu zijn erfgerecht aan het beloofde land nog voor zijn persoon wilde bevestigen: Zie, ik sterf; maar God zal met u, mijn kinderen en nakomelingen, wezen, en Hij zal u te zijner tijd terugbrengen in het land van uw vaderen; 1) zo toch heeft mij de Heere, toen ik daaruit trok, toegezegd (hoofdstuk 46:4)
1) Hiermee wijst Jakob op de beweegreden en op de vaste grond, waarom hij alzo heeft gehandeld. Dat het alles in verband staat met de onveranderlijke trouw van God, die zijn nageslacht weer in Kanaän zal brengen. Tegenover het vergankelijke van deze aarde stelt hij de onveranderlijke trouw van God. Gods waarheid en trouw zal door de wisselvalligheden van het leven niet gekrenkt of teniet gedaan worden. Ook hier wederom komt op heerlijke wijze in Jakob de geloofsheld tevoorschijn.
22. a) En ik heb u, daar ik elk van uw beide zonen als een erfgenaam heb aangenomen, een stuk land gegeven boven uw broeders, 1) een aandeel meer dan aan hen, b) hetwelk ik met mijn zwaard en met mijn boog, uit de hand van de Amorieten genomen heb, 2) dat ik eens, wanneer hun zonden vol zullen geworden zijn (hoofdstuk 15:16), in mijn nakomelingen, met geweld van wapens hun ontnemen zal.
a) Jozua. 13:7; 16:1 b) Jozua. 24:8
1) Nadat Ruben zijn eerstgeboorterecht misdadig verspeeld had, en ook Simeon en Levi het zich onwaardig hadden gemaakt, stond het Jakob des te meer vrij, om Jozef een dubbel erfdeel toe te delen. Het was niet genoeg, dat God deze boven al zijn broeders verhoogd en tot een behouder van het huis van zijn vader geroepen had; hij moest ook beschermd worden tegen het gevaar, dat men zijn nakomelingen, bij de verdeling van het land, als genationaliseerde Egyptenaars beschouwen en van de erfenis uitsluiten zou, waardoor Jozef in zijn nakomelingen nog eens zou verkocht worden. Opdat echter deze uitzondering een aanleiding zou geven, dat ook in het vervolg aan de zoon van de meer geliefde vrouw de voorrang voor de eigenlijke eerstgeborene zou gegeven worden, werd dit naderhand door een wet uitdrukkelijk verboden (Deuteronomium. 21:16 vv.), gelijk Jakob dan ook niet het gehele eerstgeboorterecht op Jozef overdraagt, maar in hoofdstuk 49:8 vv. de tweede voorrang, de vorstenwaardigheid in de familie, Juda toedeelt.
2) Liever: “hetwelk ik met mijn zwaard en met mijn boog uit de hand van de Amorieten neem.” Voor de Hebreeër, die in zijn taal een presens (tegenwoordige tijd) heeft, komt in profetische, dichterlijk en verheven stijl, de toekomst als verleden voor (zie Ge 4.24). Zo heeft ook Jakob hier in profetische geest reeds volbracht, wat eerst na eeuwen door het volk van Israël zou volbracht worden. Wat nu het stuk land betreft, waarvan de aartsvader spreekt, zo is daaronder wel niet dadelijk het stuk land bedoeld, dat hij van de kinderen van Hemor gekocht had (hoofdstuk 33:19); want daarbij passen de woorden in de tweede helft van het vers niet. Wel echter gebruikt Jakob voor “stuk” een woord (Schechemland- of bergrug), dat met de naam “Sichem” in het Hebreeuws gelijkluidend is. Daar bezat hij reeds een stuk land, dat hem een onderpand van het toekomstig bezit van het gehele land was; het is een zinspeling op die naam, en, om ook hierin zijn woord te eren, viel later werkelijk aan de kinderen van Jozef dat gebied ten deel (Jozua 21:21) en werd Jozefs gebeente op dat stuk begraven (Jozua 24:32; vrgl.Joh.4:5 )
Als Jakob betuigt, dat hij het stuk grond, dat hij voor de toekomstige grafstede van Jozef bestemd had, met zwaard en boog de Amorieten ontnomen had, ziet hij daarbij mogelijk op het stuk grond, dat hij voor honderd geldstukken van Hemor de vader van Sichem had gekocht (Genesis 33:19), en het bezit waarvan hij later, bij de problemen, ontstaan door Simeons en Levi’s wraakzucht, tegen de aanvallen van de inwoners te verdedigen en te handhaven had (Genesis 34:30). Het wil ons evenwel toeschijnen, dat Jakob, naar het oorspronkelijke eigenlijk luidt, niet van “een stuk land”, maar van Sichem en haar omgeving zelf heeft gesproken. Want zie, dat Sichem lag in het erfdeel van Efraïm (Jozua 20:7). Daarin zijn ook Jozefs beenderen bijgezet Jozua 24:32), als in het land dat Jakob, tot dat einde, Jozef op zijn sterfbed profetisch had toegezegd.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel