Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En AdamH120 bekendeH3045 HevaH2332, zijn huisvrouwH802, en zij werd zwangerH2029, en baardeH3205 KainH7014, en zeideH559: Ik heb een manH376 vanH854 de HEEREH3068 verkregenH7069!
En Adam bekende Heva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kain, en zeide: Ik heb een man van de HEERE verkregen!
KJV
And Adam1
knew2
Eve4
his wife;5
and she conceived,6
and bare7
Cain,9
and said,10
I have gotten11
a man12
from13
the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En zij voer voortH3254 te barenH3205 zijn broederH251 HabelH1893; en HabelH1893 werd een schaapherderH7462, en KainH7014 werdH1961 een landbouwerH5647.
En zij voer voort te baren zijn broeder Habel; en Habel werd een schaapherder, en Kain werd een landbouwer.
KJV
And she again1
bare2
his brother4
Abel.6
And Abel8
was a keeper9
of sheep,10
but Cain11
was a tiller13
of the ground.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En het geschieddeH1961 ten eindeH7093 van enige dagenH3117, dat KainH7014 van de vruchtH6529 des landsH127 den HEEREH3068 offerH4503 brachtH935.
En het geschiedde ten einde van enige dagen, dat Kain van de vrucht des lands den HEERE offer bracht.
KJV
And in process2
of time3
it came to pass, that Cain5
brought4
of the fruit6
of the ground7
an offering8
unto the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En HabelH1893 brachtH935 ookH1571 van de eerstgeborenenH1062 zijner schapenH6629, en van hun vetH2459. En de HEEREH3068 zagH8159 HabelH1893 en zijn offerH4503 aanH413;
En Habel bracht ook van de eerstgeborenen zijner schapen, en van hun vet. En de HEERE zag Habel en zijn offer aan;
KJV
And Abel,1
he4
also brought2
of the firstlings5
of his flock6
and of the fat7
thereof. And the LORD9
had respect8
unto Abel11
and to his offering:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Maar KainH7014 en zijn offerH4503 zagH8159 Hij nietH3808 aanH413. Toen ontstakH2734 KainH7014 zeerH3966, en zijn aangezichtH6440 vervielH5307.
Maar Kain en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kain zeer, en zijn aangezicht verviel.
KJV
But unto Cain2
and to his offering4
he had not respect.6
And Cain8
was very9
wroth,7
and his countenance11
fell.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En de HEEREH3068 zeideH559 totH413 KainH7014: WaaromH4100 zijt gij ontstokenH2734, en waaromH4100 is uw aangezichtH6440 vervallenH5307?
En de HEERE zeide tot Kain: Waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen?
KJV
And the LORD2
said1
unto Cain,4
Why art thou wroth?6
and why is thy countenance10
fallen?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Is er niet, indien gij weldoetH3190, verhogingH7613? en zoH518 gij nietH3808 weldoetH3190, de zondeH2403 ligtH7257 aan de deurH6607. Zijn begeerteH8669 is tochH413 tot u, en gij zult over hem heersenH4910.
Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? en zo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijn begeerte is toch tot u, en gij zult over hem heersen.
KJV
If2
thou doest well,3
shalt thou not be accepted?4
and if thou doest not well,7
sin9
lieth10
at the door.8
And unto thee shall be his desire,12
and thou shalt rule
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En KainH7014 sprakH559 met zijn broederH251 HabelH1893; en het geschiedde, als zij in het veldH7704 waren, dat KainH7014 tegenH413 zijn broederH251 HabelH1893 opstondH6965, en sloeg hem dood.
En Kain sprak met zijn broeder Habel; en het geschiedde, als zij in het veld waren, dat Kain tegen zijn broeder Habel opstond, en sloeg hem dood.
Ook in dit vers
sloeg doodH2026
KJV
And Cain2
talked1
with3
Abel4
his brother:5
and it came to pass, when they were in the field,8
that Cain10
rose up9
against11
Abel12
his brother,13
and slew him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En de HEEREH3068 zeideH559 totH413 KainH7014: Waar is HabelH1893, uw broederH251? En hij zeideH559: Ik weetH3045 het nietH3808; ben ik mijns broedersH251 hoederH8104?
En de HEERE zeide tot Kain: Waar is Habel, uw broeder? En hij zeide: Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder?
KJV
And the LORD2
said1
unto Cain,4
Where5
is Abel6
thy brother?7
And he said,8
I know10
not: Am I my brother's12
keeper?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
En Hij zeideH559: WatH4100 hebt gij gedaanH6213? daar is een stemH6963 des bloedsH1818 van uw broederH251, dat totH413 Mij roeptH6817 vanH4480 den aardbodemH127.
En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan? daar is een stem des bloeds van uw broeder, dat tot Mij roept van den aardbodem.
KJV
And he said,1
What2
hast thou done?3
the voice4
of thy brother's6
blood5
crieth7
unto me from the ground.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En nuH6258 zijt gijH859 vervloektH779 vanH4480 den aardbodemH127, dieH834 zijn mondH6310 heeft opengedaanH6475, om uws broedersH251 bloedH1818 van uw handH3027 te ontvangenH3947.
En nu zijt gij vervloekt van den aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, om uws broeders bloed van uw hand te ontvangen.
KJV
And now art thou cursed2
from the earth,5
which hath opened7
her mouth9
to receive10
thy brother's13
blood12
from thy hand;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
AlsH3588 gij den aardbodemH127 bouwenH5647 zult, hij zal u zijn vermogenH3581 niet meer gevenH5414; gij zult zwervendeH5128 en dolendeH5110 zijnH1961 op aardeH776.
Als gij den aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; gij zult zwervende en dolende zijn op aarde.
KJV
When1
thou tillest2
the ground,4
it shall not henceforth6
yield7
unto thee her strength;8
a fugitive10
and a vagabond11
shalt thou be in the earth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
En KainH7014 zeideH559 totH413 den HEEREH3068: Mijn misdaadH5771 is groterH1419, dan dat zij vergevenH5375 worde.
En Kain zeide tot den HEERE: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven worde.
KJV
And Cain2
said1
unto the LORD,4
My punishment6
is greater5
than I can bear.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
ZieH2005, Gij hebt mij hedenH3117 verdrevenH1644 van den aardbodemH6440, en ik zal voor Uw aangezichtH6440 verborgenH5641 zijn; en ik zal zwervendeH5128 en dolendeH5110 zijn opH5921 de aardeH776, en het zal geschiedenH1961, dat alH3605 wie mij vindtH4672, mij zal doodslaanH2026.
Zie, Gij hebt mij heden verdreven van den aardbodem, en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en het zal geschieden, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan.
KJV
Behold, thou hast driven me out2
this day4
from the face6
of the earth;7
and from5
thy face8
shall I be hid;9
and I shall be a fugitive11
and a vagabond12
in the earth;13
and it shall come to pass,10
that every one that findeth me16
shall slay me.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Doch de HEEREH3068 zeideH559 tot hem: DaaromH3651, alH3605 wie KainH7014 doodslaatH2026, zal zevenvoudigH7659 gewrokenH5358 worden! En de HEEREH3068 steldeH7760 een tekenH226 aan KainH7014; opdat hem nietH1115 versloegH5221 alH3605 wie hem vondH4672.
Doch de HEERE zeide tot hem: Daarom, al wie Kain doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden! En de HEERE stelde een teken aan Kain; opdat hem niet versloeg al wie hem vond.
KJV
And the LORD3
said1
unto him, Therefore4
whosoever slayeth6
Cain,7
vengeance shall be taken9
on him sevenfold.8
And the LORD11
set10
a mark13
upon Cain,12
lest14
any finding18
him should kill
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En KainH7014 gingH3318 uit van het aangezichtH6440 des HEERENH3068; en hij woondeH3427 in het landH776 NodH5113, ten oostenH6926 van EdenH5731.
En Kain ging uit van het aangezicht des HEEREN; en hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden.
KJV
And Cain2
went out1
from the presence3
of the LORD,4
and dwelt5
in the land6
of Nod,7
on the east8
of Eden.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En KainH7014 bekendeH3045 zijn huisvrouwH802, en zij werd bevruchtH2029 en baardeH3205 HenochH2585; en hij bouwdeH1961 een stadH5892, en noemdeH7121 den naamH8034 dier stadH5892 naar den naamH8034 zijns zoonsH1121, HenochH2585.
En Kain bekende zijn huisvrouw, en zij werd bevrucht en baarde Henoch; en hij bouwde een stad, en noemde den naam dier stad naar den naam zijns zoons, Henoch.
KJV
And Cain2
knew1
his wife;4
and she conceived,5
and bare6
Enoch:8
and he builded10
a city,11
and called12
the name13
of the city,14
after the name15
of his son,16
Enoch.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
En aan HenochH2585 werd HiradH5897 geborenH3205; en HiradH5897 gewonH3205 MechujaelH4232; en MechujaelH4232 gewonH3205 MethusaelH4967; en MethusaelH4967 gewonH3205 LamechH3929.
En aan Henoch werd Hirad geboren; en Hirad gewon Mechujael; en Mechujael gewon Methusael; en Methusael gewon Lamech.
KJV
And unto Enoch2
was born1
Irad:4
and Irad5
begat6
Mehujael:8
and Mehujael9
begat10
Methusael:12
and Methusael13
begat14
Lamech.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
En LamechH3929 namH3947 zich tweeH8147 vrouwenH802; de naamH8034 van de eersteH259 was AdaH5711, en de naamH8034 van de andere ZillaH6741.
En Lamech nam zich twee vrouwen; de naam van de eerste was Ada, en de naam van de andere Zilla.
KJV
And Lamech3
took1
unto him two4
wives:5
the name6
of the one7
was Adah,8
and the name9
of the other10
Zillah.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
En AdaH5711 baardeH3205 JabalH2989; deze is geweestH1961 een vaderH1 dergenen, dieH1931 tentenH168 bewoondenH3427, en veeH4735 hadden.
En Ada baarde Jabal; deze is geweest een vader dergenen, die tenten bewoonden, en vee hadden.
KJV
And Adah2
bare1
Jabal:4
he was the father7
of such as dwell8
in tents,9
and of such as have cattle.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
En de naamH8034 zijns broedersH251 was JubalH3106; deze werdH1961 de vaderH1 van allenH3605, dieH1931 harpenH3658 en orgelenH5748 handelenH8610.
En de naam zijns broeders was Jubal; deze werd de vader van allen, die harpen en orgelen handelen.
KJV
And his brother's2
name1
was Jubal:3
he was the father6
of all such as handle8
the harp9
and organ.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
En ZillaH6741 baardeH3205 ookH1571 Tubal-KainH8423, een leermeesterH3913 van allenH3605 werkerH2794 in koperH5178 en ijzerH1270; en de zusterH269 van Tubal-KainH8423 was NaemaH5279.
En Zilla baarde ook Tubal-Kain, een leermeester van allen werker in koper en ijzer; en de zuster van Tubal-Kain was Naema.
KJV
And Zillah,1
she also bare4
Tubalcain,6
an instructer8
of every artificer10
in brass11
and iron:12
and the sister13
of Tubalcain7
was Naamah.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
En LamechH3929 zeideH559 tot zijn vrouwenH802 AdaH5711 en ZillaH6741: HoortH8085 mijn stemH6963, gij vrouwenH802 van LamechH3929! neemt ter ore mijn redeH565! VoorwaarH3588, ik sloegH2026 wel een manH376 doodH2026, om mijn wondeH6482, en een jongelingH3206, om mijn buileH2250!
En Lamech zeide tot zijn vrouwen Ada en Zilla: Hoort mijn stem, gij vrouwen van Lamech! neemt ter ore mijn rede! Voorwaar, ik sloeg wel een man dood, om mijn wonde, en een jongeling, om mijn buile!
Ook in dit vers
neemt oreH238
KJV
And Lamech2
said1
unto his wives,3
Adah4
and Zillah,5
Hear6
my voice;7
ye wives8
of Lamech,9
hearken10
unto my speech:11
for I have slain14
a man13
to my wounding,15
and a young man16
to my hurt.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Want KainH7014 zal zevenvoudigH7659 gewrokenH5358 worden, maar LamechH3929 zeventigmaalH7657 zevenmaalH7651.
Want Kain zal zevenvoudig gewroken worden, maar Lamech zeventigmaal zevenmaal.
KJV
If1
Cain4
shall be avenged3
sevenfold,2
truly Lamech5
seventy6
and sevenfold.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
En AdamH120 bekendeH3045 wederomH5750 zijn huisvrouwH802, en zij baardeH3205 een zoonH1121, en zij noemdeH7121 zijn naamH8034 SethH8352; want GodH430 heeft mij, sprak zij, een anderH312 zaadH2233 gezetH7896 voorH8478 HabelH1893; wantH3588 KainH7014 heeft hem doodgeslagenH2026.
En Adam bekende wederom zijn huisvrouw, en zij baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Seth; want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad gezet voor Habel; want Kain heeft hem doodgeslagen.
KJV
And Adam
knew1
his wife5
again;3
and she bare6
a son,7
and called8
his name10
Seth:11
For God,15
said she, hath appointed13
me another17
seed16
instead18
of Abel,19
whom12
Cain22
slew.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
En denzelven SethH8352 werd ookH1571 een zoonH1121 geborenH3205, en hijH1931 noemdeH7121 zijn naamH8034 EnosH583. Toen begonH2490 men den naamH8034 des HEERENH3068 aan te roepenH7121.
En denzelven Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos. Toen begon men den naam des HEEREN aan te roepen.
KJV
And to Seth,1
to him3
also there was born4
a son;5
and he called6
his name8
Enos:9
then began men11
to call12
upon the name13
of the LORD.
bekende
Versta hierdoor de gemeenschap die tussen man en vrouw is tot voortteling van kinderen; zie onder vs.17, 25; idem, hfdst.19:8, 24:16; 1 Sam. 1:19; Matt. 1:25.
Hertaald:
bekende
Hiermee wordt de gemeenschap bedoeld tussen man en vrouw tot voortplanting van kinderen; zie vers 17, 25; ook Gen. 19:8, 24:16; 1 Sam. 1:19; Matt. 1:25.
Kaïn,
Hebr. Kaïn, dat is, verkregen.
Hertaald:
Kaïn,
Hebreeuws: Kaïn, dat is: verkregen.
man
Dat is, een zoon.
Hertaald:
man
Dat is: een zoon.
van den HEERE
Dat het Hebr. woordje eth somtijds voor meëth, dat is van en uit, genomen wordt, zie daarvan Jer. 51:59. Anders, met den Heere, dat is, door de genade en hulp des Heeren. Anders, den Heere, alsof Heva gemeend had den beloofden Messias gekregen te hebben.
Hertaald:
van den HEERE
Het Hebreeuwse woordje eth wordt soms gebruikt voor meëth, dat is: van en uit, zie Jer. 51:59. Anders: met de HEERE, dat is: door de genade en hulp van de HEERE. Anders: de HEERE, alsof Eva meende de beloofde Messias gekregen te hebben.
Habel
Hebr. Hebel.
Hertaald:
Habel
Hebreeuws: Hebel.
schaapherder,
Hebr. een herder van klein vee, als schapen en geiten. Want het Hebr. woord betekent dat gelijkelijk, alzo onder vs.4 en Gen. 13:5, Gen. 26:14, enz.
Hertaald:
schaapherder,
Hebreeuws: een herder van klein vee, zoals schapen en geiten — het Hebreeuwse woord betekent dat gelijkelijk, zo ook in vers 4 en Gen. 13:5, Gen. 26:14, enz.
ten einde
Hebr. van het einde der dagen, dat is, na enigen tijd van dagen. Het woord dagen, alleen gesteld zijnde, betekent somtijds in de Heilige Schrift enige dagen; gelijk onder Gen. 24:55, Gen. 40:4; Richt. 14:8; Marc. 2:1.
Hertaald:
ten einde
Hebreeuws: van het einde der dagen, dat is: na verloop van tijd. Het woord dagen alleen betekent in de Heilige Schrift soms enige dagen; zie Gen. 24:55, Gen. 40:4; Richt. 14:8; Marc. 2:1.
offer
Hebr. MINCHA, dat is, gave, geschenk of spijsoffer. Zie Lev. 2:1.
Hertaald:
offer
Hebreeuws: MINCHA, dat is: gave, geschenk of spijsoffer. Zie Lev. 2:1.
hun vet
Hebr. hare vettigheden: versta hierdoor dat Habel geofferd heeft niet alleen het vet, maar ook het beste zijner kudde, en [zo het schijnt] een goed getal. Vet betekent dikwijls het beste in de Heilige Schrift, gelijk Num. 18:12 enz.
Hertaald:
hun vet
Hebreeuws: haar vettigheden. Hiermee wordt bedoeld dat Habel niet alleen het vet, maar ook het beste van zijn kudde offerde, en naar het schijnt een flink aantal. Vet betekent in de Heilige Schrift vaak het beste, zie Num. 18:12, enz.
zag Habel
Dat is, Habels persoon en offerande waren God aangenaam van wege zijn geloof, ziende op de offerande des beloofden Messias. Zie Hebr. 11:4.
Hertaald:
zag Habel
Dat is: Habels persoon en offer waren God aangenaam vanwege zijn geloof, gericht op de offerande van de beloofde Messias. Zie Hebr. 11:4.
Maar Kaïn en zijn
Dit verklaart de apostel Hebr. 11:4, sprekende van het getuigenis, hetwelk God gaf over Habels gaven, hetzij met woorden, met vuur van den hemel, of enig ander teken. Verg. Lev. 9:24; Richt. 6:21; 1 Kon. 18:38; 1 Kron. 21:26; 2 Kron. 7:1.
Hertaald:
Maar Kaïn en zijn
Dit wordt verklaard door de apostel in Hebr. 11:4, die spreekt over het getuigenis dat God gaf over Habels gaven, hetzij met woorden, met vuur uit de hemel, of enig ander teken. Vergelijk Lev. 9:24; Richt. 6:21; 1 Kon. 18:38; 1 Kron. 21:26; 2 Kron. 7:1.
ontstak Kaïn
Hebr. en Kaïn ontstak. Te weten, de toornigheid; alzo in het volgende vs., zie, in een gelijke manier van spreken, het woordje toorn daarbij gevoegd, onder 39:19; Ex. 32:10-11.
Hertaald:
ontstak Kaïn
Hebreeuws: en Kaïn ontstak. Namelijk: zijn toorn; zo ook verderop wordt op een vergelijkbare manier het woordje toorn toegevoegd, zie Gen. 39:19; Ex. 32:10-11.
zijn aangezicht
Dat is, het gelaat zijns aangezichts veranderde.
Hertaald:
zijn aangezicht
Dat is: zijn gezichtsuitdrukking veranderde.
verhoging?
Dat is, zult gij niet [als de eerstgeborene] verheven en verhoogd blijven boven uw broeder? Anders, zult gij uw hoofd of aangezicht niet vrijelijk opsteken, inplaats dat het nu nedergeslagen of zo ontvallen is? Sommigen hebben: Aanneming, aangenaamheid, of vergeving, overeenkomstig de verscheidene betekenissen des Hebr. woords.
Hertaald:
verhoging?
Dat is: zult gij niet [als de eerstgeborene] verheven blijven boven uw broeder? Anders: zult gij uw hoofd of gezicht niet vrijelijk opheffen, in plaats van dat het nu neergeslagen is? Sommigen vertalen: aanneming, welgevallen of vergeving, afhankelijk van de verschillende betekenissen van het Hebreeuwse woord.
de zonde
Dat is, de straf der zonde, alzo onder Gen. 19:15; Lev. 5:1; Num. 18:1. Zie onder de aantekening op vs.13.
Hertaald:
de zonde
Dat is: de straf voor de zonde, zo ook in Gen. 19:15; Lev. 5:1; Num. 18:1. Zie de aantekening bij vers 13.
ligt aan
Dat is, is zeer nabij en als tegenwoordig, zodat aan haar zekere aankomst niet te twijfelen is, verg. Matt. 24:33; Jak. 5:9.
Hertaald:
ligt aan
Dat is: is zeer nabij en als het ware al aanwezig, zodat aan haar zekere komst niet te twijfelen valt. Vergelijk Matt. 24:33; Jak. 5:9.
zijn
Dit is te verstaan van Habel, Kaïns broeder; alsof God zeide: Maar wat uw broeder aangaat, gij hebt geen reden om over hem te toornen, dewijl hij tot u genegen en weltevreden is, dat gij [als de eerstgeborene] over hem verheven blijft. Verg. Gen. 3:16.
Hertaald:
zijn
Dit slaat op Habel, Kaïns broer, alsof God zei: Wat uw broer betreft, u hebt geen reden om op hem toornig te zijn, want hij is u genegen en tevreden dat u [als de eerstgeborene] boven hem verheven blijft. Vergelijk Gen. 3:16.
Kaïn sprak met
Om [naar sommiger gevoelen] met lieflijk gelaat en vriendelijke woorden hem alleen in het veld te lokken, hebbende in zijn hart haat en doodslag verborgen. Hebr. zeide tot zijn broeder. Te weten, zoals enigen verstaan, hetgeen tussen God en hem was geschied, alzo dat het een afgebroken reden zou zijn.
Hertaald:
Kaïn sprak met
Om [naar de mening van sommigen] hem met vriendelijk gelaat en woorden alleen het veld in te lokken, terwijl hij in zijn hart haat en moord verborgen hield. Hebreeuws: sprak tot zijn broer — namelijk, volgens sommigen, over wat er tussen God en hem gebeurd was, zodat het hier een afgebroken zin zou zijn.
Ik weet het niet
Een onbeschaamde leugen.
Hertaald:
Ik weet het niet
Een schaamteloze leugen.
ben ik mijns broeders hoeder?
Een vermeten hoogmoed.
Hertaald:
ben ik mijns broeders hoeder?
Een vermetele hoogmoed.
Hij zeide
Te weten, de Heere.
Hertaald:
Hij zeide
Namelijk: de HEERE.
des bloeds
Hebr. der bloeden, in het getal van velen meervoud. Zo spreekt de Heilige Schrift van moord en doodslag, omdat daarin veel bloed vergoten wordt.
Hertaald:
des bloeds
Hebreeuws: der bloeden, in het meervoud. Zo spreekt de Heilige Schrift over moord en doodslag, omdat daarbij veel bloed vergoten wordt.
roept van
Hebr. zijn roepende, in het getal van velen of meervoud. Moord is een van de wraakroepende zonden; zie daarvan ook onder Gen. 18:20, Gen. 19:13.
Hertaald:
roept van
Hebreeuws: is roepende, in het meervoud. Moord is een van de zonden die om wraak roepen; zie ook Gen. 18:20, Gen. 19:13.
van den aardbodem,
Of, van wege. Zie Gen. 5:29; alsof Hij zeggen wilde: De aarde, die geschapen was tot uw zegen en dienst, zal tegen u dezen vloek tot wraak uitvoeren, u niet gevende de vruchten, die zij u anders zou gegeven hebben, zoals vs.12 gezegd wordt.
Hertaald:
van den aardbodem,
Of: vanwege. Zie Gen. 5:29; alsof gezegd werd: de aarde, geschapen tot uw zegen en dienst, zal deze vloek tegen u als wraak uitvoeren, door u niet de vruchten te geven die zij u anders gegeven zou hebben, zoals in vers 12 gezegd wordt.
meer geven;
Hebr. hij zal niet voortgaan u zijn vermogen te geven.
Hertaald:
meer geven;
Hebreeuws: hij zal niet voortgaan u zijn opbrengst te geven.
gij zult zwervende
Om tweeërlei ongerustheid: een lichamelijke, omdat Kaïn van het ene land in het andere zou omlopen; de andere geestelijk, dewijl de conscientie, die overal mede gaat, hem niet met vrede laten, maar in gestadige vrees houden zou.
Hertaald:
gij zult zwervende
Vanwege een tweevoudige onrust: een lichamelijke, omdat Kaïn van het ene land naar het andere zou zwerven; en een geestelijke, omdat zijn geweten, dat overal met hem meegaat, hem geen vrede zou laten, maar hem in voortdurende angst zou houden.
Mijn misdaad
Anders is het woord misdaad of ongerechtigheid door velen genomen voor de straf derzelve, zie Lev. 5:1; en in zulk een zin moest de overzetting aldus staan: Mijne straf is groter dan dat ik haar zou kunnen dragen; waarover Kaïn zich beklaagt, vs.14.
Hertaald:
Mijn misdaad
Anders wordt het woord misdaad of ongerechtigheid door velen opgevat als de straf ervoor, zie Lev. 5:1; in die zin zou de vertaling moeten luiden: mijn straf is groter dan ik kan dragen — waarover Kaïn zich beklaagt in vers 14.
Gij hebt
Te weten, door uw vonnis, hetwelk zo zeker en vast gaat, alsof het reeds uitgevoerd ware.
Hertaald:
Gij hebt
Namelijk: door uw vonnis, dat zo zeker en vast staat alsof het al uitgevoerd was.
aardbodem,
Hebr. van het aangezicht des aardbodems.
Hertaald:
aardbodem,
Hebreeuws: van het aangezicht van de aardbodem.
ik zal voor uw aangezicht
Dit kan men verstaan van Kaïns uitbanning uit Gods gunst en genade, mitsgaders van het aangezicht of gezelschap zijner gemeente.
Hertaald:
ik zal voor uw aangezicht
Dit kan men verstaan als Kaïns verbanning uit Gods gunst en genade, en ook uit het gezicht of gezelschap van zijn gemeente.
al wie mij vindt
Anders, al wat mij vindt.
Hertaald:
al wie mij vindt
Anders: al wat mij vindt.
Daarom,
Dat is, opdat gij, lang dwalende in andere landen, anderen tot een exempel moogt zijn, om hen van den doodslag af te schrikken, en gij tijd van berouw moogt hebben, daar gij vooralsnog u het meest ontstelt over de straf.
Hertaald:
Daarom,
Dat is: opdat gij, lang dolend in andere landen, anderen tot een voorbeeld zoudt zijn om hen van doodslag af te schrikken, en opdat gij tijd van berouw zoudt hebben, terwijl gij u nu vooral druk maakt over de straf.
zevenvoudig
Dat is, veelvoudig, naar het gebruik der Heilige Schrift, Ps. 12:7, Ps. 79:12.
Hertaald:
zevenvoudig
Dat is: veelvoudig, naar het gebruik van de Heilige Schrift, Ps. 12:7, Ps. 79:12.
een teken aan Kaïn
Hoedanig dit teken geweest is, is onbekend; maar het betekende wie hij was, wat hij gedaan had, en dat niemand bestaan zou hem te doden.
Hertaald:
een teken aan Kaïn
Hoe dit teken eruitzag, is onbekend; maar het gaf aan wie hij was, wat hij gedaan had, en dat niemand het zou wagen hem te doden.
van het aangezicht des HEEREN
Zie boven vs.14.
Hertaald:
van het aangezicht des HEEREN
Zie hierboven vers 14.
Nod,
Dit land is alzo genaamd ten aanzien van de straf, die God Kaïn opgelegd had, vs.12, want het Hebr. woordje, aldaar en hier gebruikt, betekent omdolende.
Hertaald:
Nod,
Dit land werd zo genoemd vanwege de straf die God Kaïn opgelegd had, vers 12, want het Hebreeuwse woordje dat hier en daar gebruikt wordt, betekent zwervend.
Henoch;
Hebr. Chanoch.
Hertaald:
Henoch;
Hebreeuws: Chanoch.
hij bouwde een stad,
Hebr. hij was bouwende, dat is, hij was bezig om een stad te bouwen tot zijne verzekering, door vrees zijner conscientie. De vrome patriarchen woonden meest in hutten, niet in steden, Hebr. 11:9-10.
Hertaald:
hij bouwde een stad,
Hebreeuws: hij was bouwende, dat is: hij was bezig een stad te bouwen tot zijn eigen veiligheid, uit angst van zijn geweten. De vrome patriarchen woonden meestal in tenten, niet in steden, Hebr. 11:9-10.
Lamech
Deze Lamech is de eerste van wien men leest, die twee vrouwen tegelijk gehad heeft, rechtstreeks tegen Gods ordinantie, boven Gen. 2:24; Mal. 2:15.
Hertaald:
Lamech
Deze Lamech is de eerste van wie bekend is dat hij twee vrouwen tegelijk had, recht tegen Gods instelling in, zie Gen. 2:24; Mal. 2:15.
vader dergenen,
Dat is, die eerst uitgevonden heeft het maken en het gebruik der hutten tot weiding en hoeding van het vee, gelijk het volgende woordje schijnt mede te delen.
Hertaald:
vader dergenen,
Dat is: hij die als eerste het maken en gebruiken van tenten uitvond voor het weiden en hoeden van vee, zoals het volgende woordje lijkt aan te geven.
vee
Het Hebr. woord betekent vee, en ook bezitting, have, goed.
Hertaald:
vee
Het Hebreeuwse woord betekent zowel vee als bezit, have, goed.
harpen
Of, citers, Hebr. Die harp en orgel handelt. Dat is, die daarmede omgaat. Hoedanig eertijds de muziekinstrumenten geweest zijn, is onzeker, maar hier is gevolgd het gevoelen van het merendeel der geleerden.
Hertaald:
harpen
Of: citers. Hebreeuws: die harp en fluit bespeelt, dat is: die daarmee omgaat. Hoe de muziekinstrumenten er destijds precies uitzagen, is onzeker, maar hier is de mening van de meeste geleerden gevolgd.
leermeester
Het Hebr. woord betekent eigenlijk een scherper, slijper, en voorts bij gelijkenis, onderwijzer, leraar.
Hertaald:
leermeester
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een scherper, slijper, en bij overdracht: onderwijzer, leraar.
koper
Hebr. van het koper en het ijzer.
Hertaald:
koper
Hebreeuws: van het koper en het ijzer.
Voorwaar, ik sloeg
Lamech schijnt met dit vermeten snorken en pochen te zien op de kunst, die zijne zonen uitgevonden hadden, als kunnende zich door dit middel meer wreken, of zijne naasten beschadigen, dan iemand anders.
Hertaald:
Voorwaar, ik sloeg
Lamech lijkt met dit vermetele opscheppen te zinspelen op de kunst die zijn zonen ontdekt hadden, alsof hij zich daarmee meer kon wreken of anderen meer schade kon toebrengen dan wie dan ook.
om mijn wonde,
Dat is, indien mij iemand slechts kwam te verwonden of een buil te slaan, dien zou ik onbeschroomd verderven, en kunnen doden.
Hertaald:
om mijn wonde,
Dat is: als iemand mij maar zou verwonden of een buil zou slaan, dan zou ik hem zonder aarzeling doden.
Kaïn
Zie boven de aantekeningen op vs.15.
Hertaald:
Kaïn
Zie hierboven de aantekeningen bij vers 15.
zeventigmaal zevenmaal
Deze manier van spreken gebruikt ook Christus, Matt. 18:22.
Hertaald:
zeventigmaal zevenmaal
Deze manier van spreken gebruikt ook Christus, Matt. 18:22.
zij noemde zijn naam
Te weten, met toestemming van haar man, zoals te zien is onder Gen. 5:3, waar deze naamgeving Adam toegeschreven wordt.
Hertaald:
zij noemde zijn naam
Namelijk: met instemming van haar man, zoals blijkt uit Gen. 5:3, waar deze naamgeving aan Adam wordt toegeschreven.
Seth
Hebr. Scheth, dat is, Zetting.
Hertaald:
Seth
Hebreeuws: Scheth, dat is: Zetting.
zaad gezet
Dat is, een anderen zoon gegeven; alzo onder Gen. 21:13, Gen. 38:8; Matt. 22:24-25.
Hertaald:
zaad gezet
Dat is: een andere zoon gegeven; zo ook in Gen. 21:13, Gen. 38:8; Matt. 22:24-25.
Toen begon men den naam des HEEREN aan te roepen
De manier van spreken in een Hebreeuwsen tekst hier gebruikt wordt in verscheidene plaatsen genomen voor de aanroeping van des Heeren naam, zoals 1 Kon. 18:24-26; 2 Kon. 5:11; Joël 2:32; Hand. 2:21; Rom. 10:13. Zo is het ook hier genomen, doch daaronder begrepen zijnde, gelijk uit enige andere plaatsen blijkt, gelijk onder Gen. 12:8, idem hoofdstuk Gen. 26:25, de uitoefening van den gansen godsdienst, zodat de zin hier is: dat men begon openlijk en met meerder vergadering den godsdienst in te stellen, daar zij tevoren door Kaïn en de zijnen een tijdlang was bedorven en vervalst geweest. Anders, toen begon men naar den naam des HEEREN te noemen; dat is, toen begonnen de ware kinderen Gods zich van de andere af te zonderen, en noemden zich het volk of de kinderen Gods. Dezelfde manier van spreken betekent ook elders: den Heere bij naam uit te roepen, gelijk Ex. 33:18, Ex. 34:5.
Hertaald:
Toen begon men den naam des HEEREN aan te roepen
Deze manier van spreken wordt in de Hebreeuwse tekst op verschillende plaatsen gebruikt voor het aanroepen van de Naam van de HEERE, zoals 1 Kon. 18:24-26; 2 Kon. 5:11; Joël 2:32; Hand. 2:21; Rom. 10:13. Zo is het ook hier bedoeld, en het omvat, zoals uit andere plaatsen blijkt (Gen. 12:8, Gen. 26:25), de uitoefening van de gehele eredienst — dus: men begon openlijk en in grotere samenkomst de eredienst in te stellen, nadat deze eerder door Kaïn en de zijnen een tijdlang bedorven en vervalst was geweest. Anders: toen begon men zich naar de Naam van de HEERE te noemen, dat is: toen begonnen de ware kinderen van God zich van de anderen af te zonderen en zich het volk of de kinderen Gods te noemen. Diezelfde uitdrukking betekent elders ook: de HEERE bij name aanroepen, zie Ex. 33:18, Ex. 34:5. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas De naam die in de Bijbel aan de eerste mens gegeven wordt, en die verwijst naar de aardbodem waaruit hij gevormd is (Hebreeuws: adamah); ook de kleur rood lijkt in beide woorden mee te klinken. Adam werd op de zesde dag geschapen, als laatste en meest voltooide daad van de schepping, naar Gods beeld, en kreeg heerschappij over de dieren. De naam die Adam aan zijn vrouw gaf, omdat zij de moeder van alle levenden zou worden (Gen. 3:20). Zij werd uit de rib van Adam gebouwd tot een hulp die bij hem paste, liet zich door de slang verleiden om van de verboden vrucht te eten, en gaf daarvan ook aan Adam. De eerstgeboren zoon van Adam en Eva. Hij werd akkerbouwer, terwijl zijn broer Abel schaapherder was. Toen God wel oog had voor Abels offer maar niet voor dat van Kaïn, werd Kaïn hevig toornig en doodde uiteindelijk zijn broer (1 Joh. 3:12). De tweede zoon van Adam en Eva, gedood door zijn broer Kaïn (Gen. 4:1-16). Als herder offerde hij de eerstelingen van zijn kudde; de HEERE zag dit offer met welgevallen aan, in tegenstelling tot dat van Kaïn. Abel wordt in het Nieuwe Testament 'rechtvaardig' genoemd (Matt. 23:35) en geldt als de eerste martelaar. De derde zoon van Adam en Eva, die hem geboren werd nadat Abel door Kaïn gedood was. Zijn naam drukt uit dat God hem als het ware in Abels plaats gesteld had (Gen. 4:25). Uit Seths geslachtslijn stammen de vromen af die tot Noach toe God bleven dienen. Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Ligging: "Ten oosten van Eden" — verder geeft de grondtekst geen concrete geografische aanwijzing. ISBE behandelt dit niet als apart, lokaliseerbaar artikel, maar bespreekt het kort onder het lemma "Kaïn". Geschiedenis: Het gebied waarheen Kaïn wegtrok na de doodslag op Abel; hier werd zijn zoon Henoch geboren en bouwde Kaïn de eerste stad, die hij naar zijn zoon vernoemde. Uit zijn nageslacht kwamen Jabal (voorvader van de tentbewoners en veehouders), Jubal (voorvader van de musici) en Tubal-Kaïn (voorvader van de smeden) voort. Bijbelse betekenis: Nod staat niet zozeer voor een vaststaand gebied als wel voor de geestelijke staat van Kaïn: afgesneden van Gods aangezicht, rusteloos zwervend over de aarde. Recente inzichten: De plaats wordt door vrijwel alle geleerden, ook al in 1915, als niet-lokaliseerbaar beschouwd. Gen. 4:16-24 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Al vroeg in de Bijbel brachten Kaïn en Abel de HEERE een offer: Kaïn van de vrucht van de aardbodem, Abel van de eerstelingen van zijn kudde met het vette daarvan (Gen. 4:3-4). Dit is de eerste vermelding van een offer in de Bijbel. De HEERE zag Abels offer met welgevallen aan, maar Kaïns offer niet — waarna Kaïn in toorn ontstak en zijn broer doodde. Bijbelse betekenis: Het onderscheid tussen beide offers ligt niet in uiterlijke rijkdom, maar in het geloof waarmee geofferd werd: "Door het geloof heeft Abel een meerdere offerande Gode geofferd dan Kaïn" (Hebr. 11:4). Abels offer, met bloedstorting, wijst op de noodzaak van een offer dat werkelijk verzoening aanbrengt; met Kaïns eigen voortbrengsel kon dat niet. Typologie: Abels bloed roept om wraak, maar het bloed van Christus "het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel" (Hebr. 12:24) — het roept niet om vergelding, maar om verzoening. In Abels geloofsoffer klinkt zo al het eerste getuigenis van de weg die alleen door bloedstorting tot God open ligt (vgl. Hebr. 9:22). Gen. 4:3-5; Hebr. 11:4; Hebr. 12:24; Hebr. 9:22; 1 Joh. 3:12 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het offer en de plaatsvervanging niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe uitwerking De eerste generatie buiten de hof. Er is nog geen wet, geen altaarvoorschrift en geen priester; toch weten deze twee broers al dat men tot God nadert met een offer. Abels offer wordt aangenomen en zijn bloed roept om recht; de Hebreeënbrief stelt daar het bloed tegenover dat betere dingen spreekt. Twee broers brengen een offer. Kaïn brengt van de vrucht van het land, Abel van de eerstelingen van zijn kudde en van hun vet. God ziet Abel en zijn offer aan, en Kaïn niet. Waarom, zegt de tekst er niet met zoveel woorden bij; de Hebreeënbrief wijst op het geloof waarmee Abel offerde. Wat daarna gebeurt geeft de gebeurtenis haar reikwijdte: God zegt tot Kaïn dat het bloed van zijn broeder van de aardbodem tot Hem roept. Datzelfde beeld pakt Hebreeën op aan het slot van het boek, waar de gelovigen gekomen zijn tot het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel. Het bloed van Abel vraagt om vergelding; het bloed van Christus spreekt vrijspraak. In het Nieuwe Testament: Hebreeën 11:4; Hebreeën 12:24; 1 Johannes 3:12
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Ben ik de hoeder van mijn broer? Gen. 4:9 En nu een verhaal over een derde bezoeker aan het huis van Spurgeon. Helaas waren er ook veel mensen… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Abel werd herder van kleinvee. Genesis 4 vers 2 Als herder heiligde Abel zijn werk, en hij deed het tot Gods… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Genesis 4
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Het bloed dat roept, en beter bloed — 4:4, 10
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Een broeder
Abel werd herder van kleinvee


Genesis 4
Genesis 4:6. KruisverwijzingenJesaja 1:18→Job 5:2→Lukas 15:31→
— En de HEERE zeide tot Kain: Waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen?
Veel goddeloze mensen zijn niet tevreden met de toestand waarin zij verkeren. Ze hebben wel een eigen vorm van godsdienst, maar die schenkt hun geen echte troost. Ze verlangen naar rust voor hun geweten. Ze zouden graag verlost zijn van de angst voor de dood en net zo gelukkig willen zijn als Gods kinderen. Toch willen zij de prijs daarvoor niet betalen: gehoorzaamheid aan God door het geloof in Jezus Christus.
Zij lijken op de hond in de kribbe, die zelf het hooi niet kan eten, maar ook de paarden niet laat eten. Zelf willen zij Christus niet aannemen, en toch kunnen zij het niet verdragen dat anderen Hem wél aannemen.
Hoewel Kaïn zo verbitterd was dat hij toornig was en zijn gezicht betrokken stond, kwam God, de oneindig Genadige, tot hem. Hij sprak met hem en redeneerde geduldig met hem. Het is op zichzelf al een wonder dat God tot de mens spreekt, gezien diens nietigheid. Maar dat de Heere spreekt tot de zondige mens, is een nog groter wonder. En dat Hij Zich inlaat met iemand als Kaïn – een moordenaar in zijn hart en weldra ook metterdaad, onboetvaardig, onverbiddelijk, aanmatigend en godslasterlijk – is een wonder van barmhartigheid.
Genesis 4:9.KruisverwijzingenJohannes 8:44→Spreuken 28:13→Psalmen 10:13→Psalmen 9:12→Genesis 3:9→Handelingen 5:4→
— En de HEERE zeide tot Kain: Waar is Habel, uw broeder? En hij zeide: Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder?
De kille brutaliteit van Kaïn laat zien welke gezindheid hem ertoe bracht zijn broer te vermoorden. Tegelijk was zij ook een gevolg van de afschuwelijke misdaad die hij had begaan. Hij zou nooit tot die bloedige daad zijn overgegaan als hij niet eerst de vreze Gods had afgeschud en bereid was geweest zijn Schepper te trotseren.
Nadat hij de moord had gepleegd, moet de verhardende macht van de zonde een diepe invloed op Kaïns hart hebben uitgeoefend. Zo kwam het zover dat hij tegenover God durfde uit te spreken wat er in zijn hart leefde en te vragen: “Ben ik mijn broeders hoeder?” Bewaar ons, o God, ervoor dat de zonde ons hart zo hard maakt als staal. Bewaar ons dagelijks door Uw genade verstandig en teer voor Uw aangezicht, bevend voor Uw Woord.
Genesis 4:10.KruisverwijzingenHebreeën 12:24→Psalmen 72:14→Jakobus 5:4→Numeri 35:33→Job 31:38→Hebreeën 11:4→Openbaring 6:9→Jesaja 5:7→
— En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan? daar is een stem des bloeds van uw broeder, dat tot Mij roept van den aardbodem.
Misschien ging Kaïn zijn weg in de veronderstelling dat de verschrikkelijke zaak voorgoed was afgedaan. Hij had de daad verricht en die kon niet meer ongedaan worden gemaakt. Hij had de slag toegebracht en zich ontdaan van degene die hem een doorn in het oog was geweest. Het bloed was door de aarde opgenomen, en daarmee was de zaak voor hem afgesloten; hij hoefde er niet langer aan te denken.
Maar zo was het niet. Hoewel dat bloed zweeg voor het verharde geweten van Kaïn, had het elders wel een stem. Een geheimzinnige stem steeg op boven de hemelen. Zij bereikte het oor van de onzichtbare God en raakte het hart van de eeuwige Gerechtigheid. Daarom verbrak God als het ware het voorhangsel dat het Oneindige voor de mens verbergt, openbaarde Zich aan Kaïn en sprak tot hem.
Toen werd Kaïn duidelijk dat bloed niet straffeloos mocht worden vergoten en dat moord gewroken zou worden. In iedere druppel van het levensbloed dat uit de vermoorde man was gevloeid, klonk een stem die tot God riep, zodat Hij Zich met deze zaak bemoeide en een plechtig onderzoek instelde.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
KAÏN’S BROEDERMOORD. ZIJN NAKOMELINGEN.
I. Vers 1 en 2
De eerste geboorte.
1. En Adam bekende Eva; zijn huisvrouw, en zij werd zwanger en baarde Kaïn 1) (d.i. kracht), en wel noemde zij het kind met die naam, omdat zij, na het smartelijk uur van de geboorte (hoofdstuk. 3:16), grote vreugde over het kind voelde (Johannes 16:21) misschien zelfs in haar vreugde meende, dat zij met deze het beloofde vrouwezaad (hoofdstuk 3:15) reeds verkregen had. Met een zekere geloofsblik, maar ook vol grote zelfmisleiding zei zij: Ik heb een man van de Heere verkregen! 2) (Hebr. Ik heb een man van de Heere verkregen, wat eerst na 4000 jaren een ander in waarheid van zich zou mogen zeggen (Luk.2:7).
1) Het is de moeite waard op te merken, dat de zegen: weest vruchtbaar en vermenigvuldigt, door God niet is ingetrokken; in tegendeel, dat Adam op goddelijke wijze bemoedigd is, om het menselijk geslacht voort te planten.
Calvijn is tevens van mening, dat Kaïn en Abel tweelingbroers zijn geweest, omdat de geboorte van Abel onmiddellijk wordt vermeldt, na die van Kaïn, zonder herhaling van de gemeenschap van Adam en Eva.
De voortplanting van het menselijk geslacht is buiten het paradijs geschied, niet omdat de zonde aanleiding tot haar gegeven heeft, maar wel omdat zij met de zonde besmet is.
2) Er zijn er die deze woorden opvatten in de zin van: Ik heb gebaard, terwijl de Heere God mij bijstond.
2. En zij voer voort te baren zijn broeder Abel, 1) bij wiens geboorte zij, in plaats van vreugde, een grote droefheid over de nietigheid en de ellende van het menselijk leven voelde. Omdat het kind teer en zwak ter wereld kwam, of omdat zij reeds haar zelfbedrog omtrent Kaïn had gezien, noemde zij hem Abel, d.i.: Nietigheid, vergankelijkheid, ijdelheid. En Abel werd een schaapherder en Kaïn werd een landbouwer. 2)
1) De beste omschrijving van de naam Abel lezen wij in Prediker. 1:2, welk boek eigenlijk in zijn geheel een commentaar op de naam Abel is.
Zo zijn niet alle verwachtingen profetieën. Het kind, waarvan het meest verwacht wordt, wordt soms tot schande, en dat van onze bezorgdheid onze vreugde. Voordat beiden groot geworden waren en ieder naar zijn begeerte een beroep koos, heeft Eva nog andere kinderen tenminste dochters, gebaard; van deze nam Kaïn een zuster tot vrouw, terwijl zijn jongere broer nog ongehuwd bleef.
2) Opmerkelijk is het, dat hier niet Kaïn, de oudste, maar Abel, de jongste, het eerst wordt genoemd. Is het niet, omdat hij, als het ware, het bloedig offer brengt, dat de Heere aangenaam is, maar dat bovenal een symbool is van de betere dan Abel?.
II. Vers 3-16
In de beide eerste zonen vertonen zich reeds de eerste beginselen van die beide richtingen in het menselijk geslacht, die daarna zich meer en meer ontwikkelen; in de één de richting van gelovige overgave aan God, in de andere die van hardnekkige vervreemding van Hem. Ja, in de tweede grijpt de macht van de zonde, daar zij door de macht van het geloof niet ten onder gehouden is, reeds zo ontzettend om zich heen, dat hij moordenaar van zijn broeder wordt.
3. En het geschiedde na van enige dagen, na vrij lange tussentijd (hoofdstuk. 40:4) dat Kaïn van de vrucht van het land de Heere offer bracht. 1)
1) Het scheen wel dat Kaïn de leefwijze van het Paradijs ook daarbuiten wilde voortzetten. Bleek dit enigszins uit zijn beroepskeuze, meer nog kwam dit uit, als hij, “ten einde van enige dagen”, d.i. na vrij lange tussentijd de Heere van de vrucht van de aarde een offer bracht. Dat was een soort goedaardige dwaling, maar ook een ondoordacht doen. Alsof er geen zonde tussenbeide gekomen zou zijn, wilde hij eenvoudigweg het verkeer met God voortzetten. Daarvoor moest de offergave (mincha) het bewijs zijn. Een handvol korenaren, een boomvrucht op het groene blad kon volstaan. Hij dacht wellicht, dat het herstel van de afgebroken gemeenschap met God zo’n lichte zaak was en van de mens zelf kon uitgaan.
4. En Habel bracht ook van de eerstgeborenen van zijn schapen en wel van hun vet. Hij, die in het geloof stond, (Hebr.11:4), bracht reeds een groter offer dan zijn broeder; want terwijl deze van de veldvruchten nam, zoals ze gewassen waren, koos hij onder de eerstelingen van zijn kudde de vetste en de beste. Bovendien was zijn offer een bloedig offer, waarvan de verzoenende betekenis hem niet vreemd zal geweest zijn; hij gaf alzo daarmee een diepere godsdienstige behoefte te kennen, dan de oppervlakkige met uitwendige godsdienst zich tevreden stellende Kaïn. En de Heere zag Abel en zijn offer aan, gaf op enige wijze, misschien doordat Hij vuur van de hemel liet vallen, om het offer te verteren (Leviticus. 9:24, 1 Kon.18:38), of door de rook recht opwaarts te doen stijgen, getuigenis, dat Hij daarom ook in de gave welgevallen had.
5. Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan; hem liet de Heere duidelijk bemerken, terwijl misschien de rook van zijn offer niet tot de hemel opsteeg, dat de gesteldheid van zijn hart Hem mishaagde en daarom ook zijn offer nietaangenomen werd. 1) Toen ontstak Kaïn zeer. 2) Haat tegen God, omdat Die hem kende, en nijd tegen de broeder, bij wie hij zich, ondanks zijn eerstgeboorte achtergesteld zag, vervulden zijn ziel, en zijn aangezicht verviel; in het naar de aarde gekeerd aangezicht, dat van de nijd bleek en mager werd, werd zijn inwendige zielsgesteldheid gezien (Spreuken. 14:30).
1) Ongelijk zijn dikwijls kinderen van gelijke ouders. Waar een boos hart is, daar is ook een boos oog, en waar deze beide zijn, daar is ook een boze hand.
Wanneer twee hetzelfde doen is het niet hetzelfde. Abel offerde in het geloof, (Hebr.11:4). Er zijn gebeden, die aangenomen worden, en ook gebeden, die de Heere een gruwel zijn. God verhoort de beden van goddelozen niet. (Psalm. 66:18)
2) Wij zien in Kaïn het beeld van een goddeloze, die echter voor rechtvaardig wil gehouden worden, ja zich de eerste plaats onder de heiligen aanmatigt.
6. En de Heere zei tot Kaïn, 1) hetzij bij een zichtbare verschijning; want God onttrok zich na de verdrijving van de mensen uit de hof niet aan de persoonlijke omgang, hetzij langs de weg van het beschuldigend geweten: Waarom zijt gij ontstoken en waarom is uw aangezicht vervallen? Gij hebt geen rede, om op Mij vertoornd te zijn en uw broeder te benijden, gelijk uw aangezicht verraadt. Klaag liever over uzelf, dat gij tot hiertoe zo slecht hebt geleefd, en volg uw broeder na, dat gij ook Mij welgevallig wordt; daartoe staat evenzo wel voor u als voor hem de weg open.
1) De Heer openbaart zich hier weer in Zijn opzoekende liefde. Al is het de Alwetende bekend, wat Kaïns einde zal zijn, toch spreekt Hij hem aan op belangstellende toon. Hierdoor toonde de Heer, dat niet in Hem, maar in Kaïn zelf de oorzaak van de verwijdering lag.
7. Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? Zou Ik u niet verheffen in Mijn gunst, zo gij van nu aan een andere weg zou bewandelen en in geloof u tot Mij zou wenden? en zo gij niet weldoet, zo gij u niet bekeert, maar in dezelfde toestand voortleeft, de zonde, de zondige daad, die op de zondige gemoedsstemming volgt en een straf, een ellende is, ligt evenals een verscheurend dier aan de deur en wacht slechts op een gunstig ogenblik, om u te overvallen en te verscheuren. Zijn, 1) uw broeders, begeerte is toch tot u en gij zult over hem heersen. Gij zijt de eerstgeborene, en Abel erkent u immers en wil u gehoorzamen.
1) Bijna alle uitleggers menen, dat dit betrekking heeft op de zonde en dat, met deze vermaning, de verkeerde lusten, welke het gemoed van de mensen schokken en in beroering brengen, bedoeld worden. Derhalve zou, volgens hen, dit de bedoeling zijn: “Indien de zonde moeite doet, opdat zij u zich onderwerpe, waarom zou gij toegeven en niet alle mogelijke moeite doen om haar te bedwingen en te breidelen? Want het is uw roeping, haar te beheersen en de vleselijke driften, welke gij gevoelt, die oorlogvoeren en zich verheffen tegen God, tot gehoorzaamheid te brengen.” Maar ik ben van oordeel, dat Mozes hier geheel wat anders wil zeggen. Het komt mij veeleer een verwijt voor, waarmee God de goddeloze zijn ondankbaarheid voorhoudt, omdat hij de eer van eerstgeborene te zijn, als niets acht. Naarmate iemand onder ons met grotere genade weldaden door God begiftigd is, komt zijn goddeloosheid des te meer aan de dag; indien hij de Bewerker van de genade weldaden, welke niet van elkaar te scheiden zijn, niet met des te meer ijver tracht te dienen. Ofschoon Abel bij zijn broeder was achter gesteld, was hij toch een ijverig vereerder van God. De eerstgeborene echter, diende God, door Wiens zegeningen hij tot zo grote waardigheid was gekomen, op een onverschillige en oppervlakkige wijze, en daarom stelde God zijn zonde zo groot voor, omdat hij zijn broeder niet eens navolgde, wie hij, naarmate hij hoger in eer stond, eerder in vroomheid had moeten overtreffen.
8. En Kaïn sprak met zijn broeder Abel; in plaats van naar Gods waarschuwing te horen, voedde hij steeds zijn haat, vatte het voornemen op om zijn broeder te vermoorden en, zich vriendelijk jegens hem houdende, lokte hij hem naar het veld. En het geschiedde, als zij in het veld waren, dat Kaïn tegen zijn broeder Abel opstond, a) en sloeg hem dood. 1)
a) 1 Joh.3:12 Judas 1:11
1) In Kaïn is het vrouwenzaad reeds tot slangenzaad geworden; in deze doodslag is het wezen van de boze, als moordenaar van het begin af aan, (Johannes 8:44) openbaar geworden; zodat hier de tegenstelling van een tweevoudig zaad in het menselijk geslacht te voorschijn treedt, gelijk dit zich in de gehele geschiedenis van de mensheid vertoont.
Die naar de hoop van de moeder slangendoder zijn zou, wordt moordenaar van zijn broeder. Welk een schouwspel! de eerste dode op aarde.
Kaïns moord is de genesis (wording) van het martelaarschap. Van deze eerste onschuldig vermoorde, die zegeviert, terwijl hij valt en leeft, terwijl hij sterft; en gestorven zijnde nog spreekt, (Hebr.11:4) gaat tot op Zacharia, Jojada’s zoon; een brede bloedstroom door de geschiedenis van het Oude Testament (MATTHEUS.23:35). Bij de aanvang van de nieuwtestamentische geschiedenis wordt de doodslag, door Kaïn aan zijn broeder Abel gepleegd, bij tegenbeeld herhaald in de doodslag, door het Joodse volk aan hun broeder naar het vlees, Jezus, de heilige en geliefde Zoon van God, volvoerd. Dezelfde vloek van de omzwerving wordt over hen uitgesproken, en weer stroomt een vloed van martelaarsbloed door de kerkgeschiedenis. Moord en doodslag hebben door de mensenmoorder van het begin (Johannes 8:44) in de geschiedenis van de mensheid een wereldburgerrecht verkregen en heersen in duizenden gedaanten.
9. En de Heere zei tot Kaïn (Psalm. 9:13): Waar is Abel, uw broeder? 1) en hij zei met leugenachtige tong en trots hart: ik weet het niet; ben ik mijn broeders hoeder? Ligt op mij de verplichting, omdat ik de eerstgeborene ben, hem overal na te gaan en het oog op hem te houden? 2)
1) Naar omgebrachte schapen en dood vee, vraagt God niet, maar naar dode mensen vraagt Hij. Zo volgt toch, dat de mens een opstanding te hopen heeft en zulk een God bezit, die uit een lichamelijke dood in een eeuwig leven voert en naar hun bloed, als naar een kostelijk ding vraagt, gelijk ook Psalm. 116:15 zegt.
2) Ontzaglijke verwoesting door de zonde! Ongeloof, leugen, onbeschaamdheid, ja, wat niet al, ligt in dit antwoord, aan de alwetende Koning gegeven.
10. En Hij zei: Wat hebt gij gedaan? Gij meent: uw broeder kan niet meer spreken en tegen u getuigen; hem hebt gij doen verstommen; maar Ik hoor toch zijn stem; daar is een stem van het bloed van uw broeder, dat in zijn plaats (Hebr.12:24) tot Mij roept van de aardbodem om wraak.
Onderdrukking en stilzwijgen verhinderen God niet om zaken te richten, die de wereld begraven waant.
11. En nu zal de straf ook niet uitblijven, nu zijt gij vervloekt 1) uitgeworpen als van 2) de aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, om het bloed van uw broeder van uw hand te ontvangen; de aarde die zich heeftmoeten lenen, om het door uw hand vergoten broederbloed in te zuigen en door een dergelijke misdaad opnieuw vreselijk bezoedeld is, zal nu ook de vloek aan u voltrekken.
1) Dat was tot Adam niet gezegd (3:17), omdat God hem genade zou bewijzen. Voor Kaïn, die wel wanhoop, maar geen berouw, ondanks Gods lankmoedigheid, voelen zou, was er geen genade. (Judas 11).
“Vervloekt zijt gij,” d.i. gij zijt het niet, van wie het gezegend zaad te wachten is. Met dit woord wordt Kaïn uitgebannen en als een tak van de boom afgesneden, dat hij op de eer niet meer te hopen had, die hij begeerde.
2) Het Hebreeuws woord Min hier vertaalt door “van,” wordt door sommige uitleggers opgevat in de zin van “boven,” door anderen in die van “ten aanschouwe van” en door weer anderen in die van “uitgeworpen van.” Wij verenigen ons met het laatste gevoelen. Het als uitgeworpen zijn van de aardbodem is dan niet alleen nadere verklaring van dat “vervloekt zijt gij,” maar daarin bestaat het wezen van de vloek over Kaïn uitgesproken. Adam heeft gehoord: “Om u zal de aardbodem vervloekt zijn.” Maar nu flikkert de bliksemschicht van Goddelijke wraak de persoon van Kaïn tegen en treft hem.
12. Als gij de reeds om Adams zonde vervloekte (hoofdstuk. 3:17-19) aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; hij zal u geen genoegzaam voedsel geven, maar wraak aan u nemen en u gedurigtoeroepen van dat bloed van Abel, dat gij vergoten hebt, zodat het u onverdraaglijk wordt om daar te blijven (Leviticus. 18:28,29) Gij zult zwervende en dolende zijn op de aarde (Hebr. de wijde, woeste aarde), verbannen uit het land van uw geboorte en uitgestoten in de wijde wereld, zult gij ook daar nergens rust vinden.
13. En Kaïn, gelijk hij tot nu toe God getrotseerd had, zeide op de toon van diepste wanhoop tot de Heere: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven zou worden 1) (of de over mijn zonde uitgesproken straf is te groot dan dat ik ze zou kunnen dragen).
1) Op deze wijze klaagt Kaïn, ofschoon hij over de misdaad zich niet verontschuldigt, toch over de strengheid van het oordeel. Zo ook de duivelen, ofschoon zij gevoelen, dat zij rechtvaardig gestraft worden, laten toch niet af God over het oordeel lastig te vallen en Hem zijn wreedheid te verwijten.
14. Zie, Gij hebt mij heden verdreven van de aardbodem, uit het land Eden (onderscheiden van Edens hof), waar ik tot hiertoe rustig gewoond heb, en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn, Uw beschermende nabijheid voortaan ontberen; wat blijft mij dan over dan dat ik heenga en dat ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, uitgestoten en vogelvrij verklaard, en het zal geschieden, daar ik uw beschermende hand moet missen dat al Wie mij vindt, mij zal doodslaan.
Er waren toen slechts weinig mensen op aarde en buiten het landschap Eden geen. Maar een verschrikt geweten denkt altijd het ergste, en vlucht waar niemand jaagt, (Spreuken. 28:1) en later, toen de mensen begonnen te vermenigvuldigen had het werkelijk ook zo kunnen zijn zoals Kaïn vreesde (vergelijk vs. 23 en 24).
Bij Kaïn is niets dan klagen over de straf, en hoe menigmaal wordt angst voor straf, voor berouw over zonde aangemerkt. Kaïn moet vrezen voor mensen, voor de levenloze dingen, sidderen bij het ritselen van een blad, bij het horen van de wind, want God heeft hem en na hem alle goddelozen met een brandmerk in het geweten getekend.
15. Doch de Heere, hem tijd tot boete gevende, zei tot hem: Neen! wie u vindt zal u niet doodslaan; Ik heb zelf uw bestraffing in mijn hand genomen. Daarom, al wie Kaïn doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden. En de Heere stelde een teken aan Kaïn, 1) opdat hem niet versloeg, al wie hem vond.
1) Wat is dit teken geweest? Wellicht een woeste blik; of een bleek, ingevallen, verwilderd gelaat, zodat ieder die hem ontmoette, huiverend voor hem uit de weg ging? Was het de straf van immer een bevend lichaam met zich om te dragen? De Schrift zwijgt er van. Het beste is het, het er voor te houden, dat het een zichtbaar kenteken is geweest, waardoor zij, die hem zagen, werden weerhouden, hem te doden.
16. En Kaïn ging uit van het aangezicht des Heren, ver verwijderd van des Heren nabijheid, en hij woonde in het land Nod, in het land van de omdwalingen, gelijk hij het zelf noemde, ten Oosten van Eden, buiten het landschap, waarin Adam ook na zijn verdrijving uit het eigenlijk paradijs zich nog altijd met de zijnen ophield.
De zon, het licht der natuur, gaat van het Oosten naar het Westen, en het rijk des Heren neemt in het algemeen dezelfde loop; Kaïn echter gaat omgekeerd, niet voorwaarts maar achterwaarts.
III Vers 17-24
De nakomelingen van Kaïn stichten in hun land van verbanning tegenover het rijk van God een werelds rijk en leggen zich geheel en alleen toe op de kunsten, door welke zij zich allerlei levensgenot verschaffen, en zich en de hunnen een grote naam maken, maar waarbij zij altijd dieper in goddeloosheid wegzinken.
17. En Kaïn bekende zijn vrouw, 1) die hij met zich in zijn ballingschap genomen had, en zij werd bevrucht en baarde Henoch 2) (wijding). En hij bouwde, toen zijn familie zich nog meer uitbreidde, een stad, 3) die wel in het eerst uit enige hutten, misschien door een gracht omgeven, bestond, later echter tot een aanzienlijke stad aangroeide, en noemde de naam van die stad naar de naam van zijn zoon Henoch.
1) Huwelijken tussen broeders en zusters zijn bij de kinderen van het eerste mensenpaar onvermijdelijk geweest.
2) Hieruit mag niet worden afgeleid, dat Kaïn vóór de broedermoord geen kinderen had. Eerder doet het bouwen van de stad vermoeden, dat zijn gezin toen reeds tamelijk uitgebreid was. Henoch wordt daarom eerst met name genoemd, èn omdat hij is de zoon, na het schrikkelijk misdrijf, verwekt, èn omdat hij is de zoon, in wie de lijn van de kinderen der mensen, die met Lamech eindigt, wordt voortgezet.
3) Het is opmerkelijk, dat hij de zwerveling het eerst een vaste en bemuurde plaats ter woning aanwees en inrichtte, hij, die toch nergens rust of duur had. Zijn vrees dwong hem het open veld te ontvluchten en zich achter de veilige rotswand te verbergen. Ziedaar de oorsprong van de burchten en kastelen, die straks tot ommuurde steden met wallen en sterkten aangroeiden. Men zocht geen veiligheid en tegenweer tegen de dieren des velds, maar tegen de medemensen zelf. Toch ziet gij in deze stad reeds het voorspel van Babels torenbouw en Nebukadnezar’s Babel, eerder dan het Noordindische Kanice of Phygische Iconien, wat sommigen vermoeden.
Niet tot lichamelijke ballingschap alleen werd Kaïn veroordeeld, maar aan een nog veel hardere straf onderworpen, dat hij namelijk geen plekje op aarde vinden zou, waar hij niet zwervende en dolende in de geest zou zijn; want gelijk een goed geweten met recht een koperen muur heet, zo zullen geen honderd muren de goddelozen van hun onrust bevrijden.
18. En aan Henoch werd Hirad (stedeling) geboren, en Hirad gewon Mechújaël (door God getroffen) en Mechújaël gewon Methúsaël (man Gods of de mens zelf God) en Methúsaël gewon Lamech (krachtig jongeling) niet te verwarren met Noach’s vader (hoofdstuk 5:25-29).
19. En Lamech nam zich twee vrouwen 1), tegen Gods duidelijke ordening in (Hoofdstuk 2:24) de naam van de eerste was Ada (sierlijke) en de naam van de andere Zilla (donkere of door rijk hoofdhaar beschaduwde).
1) Tot welk een verderf voor gezinnen en staten de polygamie voert, toont de gesteldheid der latere heidense staten in het Oosten, die hoofdzakelijk door haar tot het Despotismus (overheersing met onbepaalde macht) geleid waren; zij brengt dit onvermijdelijk in de familie, daar zij de vrouw tot slavin en de man tot willekeurig heerser maakt; een uit vele zodanige gezinnen bestaande burgerij is een vereniging van alleen huiselijke Despoten, die, daar zij zelf willekeurig heersen, ook weer alzo beheerst willen worden (vergelijk Heren Ideeën 1).
Wij hebben hier de oorsprong der polygamie in een verkeerd en ontaard geslacht; als haar eerste bewerker een woeste man, van alle menselijkheid ontbloot.
20. En Ada baarde Jabal (zwerver); deze heeft uitgevonden het wonen in tenten en de veehouderij, is geweest een vader van diegenen, die tenten bewoonden 1) en vee hadden, een zwervend herdersleven leidden; nu hier, dan daar tenten opsloegen, waar zij weiden vonden voor hun vee, gelijk later ook de patriarchen en nog heden de Arabieren.
1) Mozes vermeldt nu, dat de verkeerde dingen, welke uit het geslacht van Kaïn zijn voortgekomen, ook nog met iets goeds vermengd geweest zijn. Want de uitvinding van kunsten en andere zaken, die tot algemeen nut en gemak voor het leven dienen, is een gave Gods, welke volstrekt niet te verachten is, en een deugd, alle lof waardig. Het mag wel verwondering wekken dat juist dat volk hetwelk hoe langer hoe meer verbasterde, boven de andere nakomelingen van Adam heeft uitgemunt in gans geen verwerpelijke talenten. Ik nu ben van oordeel dat Mozes hier met opzet over die uitvindingen in het geslacht van Kaïn spreekt, opdat wij zouden weten, dat hij niet zó door God vervloekt was of nog enkele uitstekende gaven heeft Hij aan zijn nakomelingen geschonken. Want het is waarschijnlijk, dat ook bij anderen de gaven van het verstand niet werkeloos zijn geweest, maar dat onder de andere zonen van Adam vlijtige en schrandere mensen waren, die zich met ijver bezig hielden met het uitvinden en verbeteren van kunstwerken.
21. En de naam van zijn broeder was Jubal (muzikant, van daar jubel, jubelen, enz.); deze was de vader van allen, die harpen en orgels handelen; hij was de uitvinder van muziek op snaren en blaasinstrumenten.
Dezelfde gaven Gods kunnen ter ere van God en tot verderf der mensen dienen. Houdt op, met zang en spel God te onteren; de harp past in David’s hand en het orgel in de tempel des Heren.
22. En Zilla baarde ook Túbal-Kaïn (smid van wapens), een leermeester van alle werkers met koper en ijzer, 1) de uitvinder, van het gebruik maken van koper en ijzer, een meester in het vervaardigen van werktuigen, in ‘t bijzonder van wapens (Hebr. scherper, slijper); en zuster van Túbal-Kaïn was Naëma (liefelijke).
1) Handwerken, kunsten en uitvindingen zijn gaven van de Heilige Geest en komen van God, welke zowel de gelovigen als ongelovigen daarmee begiftigt; wel hem, die alles tot eer van Gods gebruikt.
Met hun drieën voorzien zij in de verwerving van het aangenaam gebruik en het veilig bezit van het vele nodige van het leven. Jabal vertegenwoordigt de nijvere stand, die arbeidt voor het brood. Jubal veraangenaamt door spel en dans het leven. Tubal-Kaïn beveiligt ten leste door zijn uitvindingen het leven tegen de aanvallen van anderen en verdedigt aldus het recht.
Hoe komt het geslacht van Kaïn tot de eer van die gewichtige vorderingen? Daarom, omdat het geslacht van de belofte met de wereld gebroken heeft en het geslacht van de vloek haar toegevallen is; daarom, omdat het eerste naar het inwendige, het tweede naar het uitwendige gericht is; daarom, omdat het ene in God de schat van zijn hart, het voorwerp van zijn gedachten en het doel van zijn streven heeft, het andere in het zichtbare en zinnelijke leeft en daardoor zijn arm, ledig en onrustig leven zoekt te verrijken, te veraangenamen en zeker te maken. De hele geschiedenis van de mensheid bevestigt de beschouwing, waartoe deze geschiedenis van de overoude tijden ons leidt, namelijk dat de uitwendige kennis in die mate toeneemt, als de vervreemding van God groter wordt.
De Christen, tot wie de Heer heeft gezegd: “Alles is het uwe”, neemt daarvan wat schoon en goed is, en de geheiligde gave wordt aangewend tot de eer van God.
23. En Lamech, trots en overmoedig zich verheffende op deze uitvindingen van zijn zonen en zelf met een gave, die der dichtkunst, begiftigd, zei eens tot zijn vrouwen: Ada en Zilla, terwijl hij haar een lied voorzong, waarmee hij in ‘t bijzonder de uitvinding van Túbal-Kaïn, het zwaard, verheerlijken wilde: Hoort mijn stem, gij vrouwen van Lamech! neemt ter ore mijn rede! Voorwaar, ik sloeg wel een man dood om mijn wond en een jongeling om mijn buil! heb ik een man verslagen wegens een mij geslagen wond en een jongeling voor de buil of striem, die hij mij toegebracht heeft; met een goed zwaard, gelijk ik in handen heb, kan ik alle bloedwraak, die over mij komen zal, beter trotseren, dan Gods arm onze vader Kaïn tegen de bloedwraak beschermt;
24. Want Kaïn zal zevenvoudig gewroken worden aan die, die hem zou doodslaan (vs.15), maar Lamech zal zich zelf met zijn zwaard zeventigmaal zevenmaal wreken aan ieder, die hem tegenstaat.
De eerste dichter van de wereld was een verjongd grijsaard, een held in woorden, een lofredenaar van zichzelf, een zanger van daden, die hij niet verrichtte, maar voor zijn vrouwen meende te kunnen verrichten.
Met een moord begon en met een moordlied eindigt de geschiedenis van de Kaïnieten. In het zevende lid is alles vergeten; door muziek, overdaad, pracht, en weelde zijn de gedachten verstrooid. De vloek van de eenzaamheid kenmerkt het stadsleven, de vloek van de onbestendigheid in lust tot zwerven, het boze geweten in heldenmoed veranderd, die van de vloek van de voorvader met godslasterlijke zelfverheffing melding maakt.
Terecht wordt dit lied “het lied van het zwaard” genoemd. Wellicht dat Lamech het zong of uitgalmde met het zwaard zelf in de hand, nog rokende van het bloed van een verslagene.
In dat hart, waarin hoogmoed is op zijn schande, zijn zonde, is wel de duivel gevaren. De dronkaard, die zich beroemt op de menigte drank die hij drinken kan, de wellusteling die zich verheft op de menigte van zijn slachtoffers, mag hij niet met de naam van Lamech worden bestempeld?.
IV. Vers 25 en 26
In plaats van de vermoorde Abel, verkrijgen Adam en Eva een vergoeding in Seth. Deze wordt de stamvader van een in het geloof volhardend geslacht van kinderen Gods.
25. En Adam bekende wederom 1) zijn vrouw, en zij baarde een zoon, en zij noemde hem Seth (in de plaats getreden), want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad, het begin van een nieuwe nakomelingschap, gezet voorAbel, 2) want Kaïn heeft hem doodgeslagen. 3)
1) Uit dit “wederom” mag niet worden afgeleid, dat Adam door de dood van Abel en de vlucht van Kaïn van kinderen beroofd was. Het is zelfs meer dan hoogst waarschijnlijk, dat, vóór en na de geboorte van Seth, Adam zonen en dochters gewonnen heeft. Seths geboorte wordt hier echter in het bijzonder gemeld, omdat gelijk in Kaïn de linie van de kinderen der mensen werd voortgezet, dit ten opzichte van de heilige linie, de linie van de kinderen Gods in Seth zou plaats hebben. Waarschijnlijk dat velen van Adams zonen en dochters zich meer tot het familieleven van Kaïn voelden aangetrokken. Ook daarom wordt de geboorte van Seth gemeld, omdat met hem in Adams huis als het ware een nieuw geslacht niet alleen begint, maar ook een nieuw tijdvak, een tijdvak, waarin er weer van terugkeer tot de Heere God sprake is.
2) God weet Christelijke ouders in het kruis wonderbaar te troosten; heeft Hij hun een Abel ontnomen, Hij kan hun wel een Seth teruggeven.
3) Er is geen groter lijden voor ouders dan de zonde van de kinderen; Kaïns misdaad is zwaarder lijden dan Abels dood.
26. En aan dezelfde Seth werd ook in de echt met één van zijn zusters, een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos, dat is: zwakke mens; want in tegenstelling met de bij de Kaïnieten heersende overmoed vervulde hem het gevoel van menselijke onmacht en nietigheid, en dit gevoel dreef hem tot de dienst van God. Toen de afval van God in Kaïn’s geslacht hoe langer hoe meer openbaar werd, begon men, in het geslacht van Seth, de naam des Heren bij openlijke samenkomsten en godsdienstoefeningen aan te roepen. 1)
1) Zij verbonden zich ook tot gemeenschap, doch het worden geen steden van zingenot en weelde, neen! het worden plaatsen van heilige overpeinzing en gebed.
De godsvrucht is de sterkste muur; de Kaïnieten zijn ten ondergegaan met hun steden, zo niet vóór, dan met de zondvloed; het geslacht van Seth leeft voort in eeuwigheid. De winst (Kaïn) is verloren en de zwakke (Seth) is sterk geworden door zijn God.
In het Hebreeuws Liekraa Be-Schem Jahweh. Hoewel door deze woorden in de regel de gehele eredienst van God wordt uitgedrukt, toch kan het niet anders of hier wordt mee bedoeld, dat men de Heere God in het openbaar ging vereren, gemeenschappelijk de Heere ging dienen. Het is toch niet te veronderstellen, dat Adam en Eva tot nu toe de naam des Heren niet hebben aangeroepen. Het tegenovergestelde kan veeleer op goede gronden worden verdedigd. De eerste openbare godsdienstoefening wordt ons hier meegedeeld. Het voor de eerste maal samenkomen van de Kerk onder het Oude Verbond.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel