Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1Jozef nu werd naar Egypte afgevoerd; en Potifar, een hoveling van Farao, een overste der trawanten, een Egyptisch man, kocht hem uit de hand der Ismaelieten, die hem derwaarts afgevoerd hadden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1JozefH3130 nu werd naar EgypteH4714afgevoerdH3381; en PotifarH6318, een hovelingH5631 van FaraoH6547, een oversteH8269 der trawantenH2876, een EgyptischH4713manH376, kochtH7069 hem uit de handH3027 der IsmaelietenH3459, dieH834 hem derwaartsH8033afgevoerdH3381 hadden.Jozef nu werd naar Egypte afgevoerd; en Potifar, een hoveling van Farao, een overste der trawanten, een Egyptisch man, kocht hem uit de hand der Ismaelieten, die hem derwaarts afgevoerd hadden.
KJVAnd Joseph1was brought down2to Egypt;3and Potiphar,5an officer6of Pharaoh,7captain8of the guard,9an Egyptian,10bought4him of the hands12of the Ishmeelites,13which had brought him down
1וְיוֹסֵ֖ףH3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)2הוּרַ֣דH3381nederdalen, neder, nedergedaald[idiom] abundantly, bring down, carry down, cast down, (cause to) come(-ing) down, fall (down), get down, go(-ing) down(-ward), hang down, [idiom] indeed, let down, light (down), put down (off), (cause to, let) run down, sink, subdue, take down3מִצְרָ֑יְמָהH4714Egypte, Egyptenaren, EgyptenaarsEgypt, Egyptians, Mizraim4וַיִּקְנֵ֡הוּH7069kopen, gekocht, kochtattain, buy(-er), teach to keep cattle, get, provoke to jealousy, possess(-or), purchase, recover, redeem, [idiom] surely, [idiom] verily5פּוֹטִיפַר֩H6318PotifarPotiphar6סְרִ֨יסH5631kamerlingen, hovelingen, kamerlingchamberlain, eunuch, officer. Compare H7249 (רַב־סָרִיס)7פַּרְעֹ֜הH6547FaraoPharaoh8שַׂ֤רH8269vorsten, oversten, overstecaptain (that had rule), chief (captain), general, governor, keeper, lord,(-task-)master, prince(-ipal), ruler, steward9הַטַּבָּחִים֙H2876trawanten, kokcook, guard10אִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)11מִצְרִ֔יH4713Egyptenaars, Egyptische, EgyptenaarEgyptian, of Egypt12מִיַּד֙H3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves13הַיִּשְׁמְעֵאלִ֔יםH3459Ismaelieten, IsmaelietIshmaelite14אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection15הוֹרִדֻ֖הוּH3381nederdalen, neder, nedergedaald[idiom] abundantly, bring down, carry down, cast down, (cause to) come(-ing) down, fall (down), get down, go(-ing) down(-ward), hang down, [idiom] indeed, let down, light (down), put down (off), (cause to, let) run down, sink, subdue, take down16שָֽׁמָּהH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither
2En de HEERE was met Jozef, zodat hij een voorspoedig man was; en hij was in het huis van zijn heer, den Egyptenaar.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2En de HEEREH3068wasH1961metH854JozefH3130, zodat hij een voorspoedigH6743manH376 was; en hij was in het huisH1004 van zijn heerH113, den EgyptenaarH4713.En de HEERE was met Jozef, zodat hij een voorspoedig man was; en hij was in het huis van zijn heer, den Egyptenaar.
KJVAnd the LORD2was with Joseph,4and he was a prosperous7man;6and he was in the house9of his master10the Egyptian.
1וַיְהִ֤יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2יְהוָה֙H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3אֶתH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix4יוֹסֵ֔ףH3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)5וַיְהִ֖יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use6אִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)7מַצְלִ֑יחַH6743voorspoedig, vaardig, gedijenbreak out, come (mightily), go over, be good, be meet, be profitable, (cause to, effect, make to, send) prosper(-ity, -ous, -ously)8וַיְהִ֕יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use9בְּבֵ֥יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)10אֲדֹנָ֖יוH113heer, heren, Heerelord, master, owner. Compare also names beginning with 'Adoni-'11הַמִּצְרִֽיH4713Egyptenaars, Egyptische, EgyptenaarEgyptian, of Egypt
3Als nu zijn heer zag, dat de HEERE met hem was, en dat de HEERE al wat hij deed, door zijn hand voorspoedig maakte;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3AlsH3588 nu zijn heerH113zagH7200, dat de HEEREH3068metH854 hem was, en dat de HEEREH3068alH3605watH834 hij deed, door zijn handH3027voorspoedigH6743 maakte;Als nu zijn heer zag, dat de HEERE met hem was, en dat de HEERE al wat hij deed, door zijn hand voorspoedig maakte;
KJVAnd his master2saw1that the LORD4was with him, and that the LORD10made all that he did9to prosper11in his hand.
1וַיַּ֣רְאH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions2אֲדֹנָ֔יוH113heer, heren, Heerelord, master, owner. Compare also names beginning with 'Adoni-'3כִּ֥יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet4יְהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5אִתּ֑וֹH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix6וְכֹל֙H3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)7אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection8ה֣וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who9עֹשֶׂ֔הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use10יְהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)11מַצְלִ֥יחַH6743voorspoedig, vaardig, gedijenbreak out, come (mightily), go over, be good, be meet, be profitable, (cause to, effect, make to, send) prosper(-ity, -ous, -ously)12בְּיָדֽוֹH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves
4Zo vond Jozef genade in zijn ogen, en diende hem; en hij stelde hem over zijn huis; en al wat hij had, gaf hij in zijn hand.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4Zo vondH4672JozefH3130genadeH2580 in zijn ogenH5869, en diendeH8334 hem; en hij steldeH6485 hem overH5921 zijn huisH1004; en alH3605 wat hij had, gafH5414 hij in zijn handH3027.Zo vond Jozef genade in zijn ogen, en diende hem; en hij stelde hem over zijn huis; en al wat hij had, gaf hij in zijn hand.
KJVAnd Joseph2found1grace3in his sight,4and he served5him: and he made him overseer7over his house,9and all that he had11he put13into his hand.
1וַיִּמְצָ֨אH4672gevonden, vinden, vond[phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on2יוֹסֵ֥ףH3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)3חֵ֛ןH2580genade, aangenaam, gunstfavour, grace(-ious), pleasant, precious, (well-) favoured4בְּעֵינָ֖יוH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)5וַיְשָׁ֣רֶתH8334dienen, dienaars, diendeminister (unto), (do) serve(-ant, -ice, -itor), wait on6אֹת֑וֹH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7וַיַּפְקִדֵ֨הוּ֙H6485getelden, bezoeken, bezoekingappoint, [idiom] at all, avenge, bestow, (appoint to have the, give a) charge, commit, count, deliver to keep, be empty, enjoin, go see, hurt, do judgment, lack, lay up, look, make, [idiom] by any means, miss, number, officer, (make) overseer, have (the) oversight, punish, reckon, (call to) remember(-brance), set (over), sum, [idiom] surely, visit, want8עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with9בֵּית֔וֹH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)10וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)11יֶשׁH3426ware, Hoe lang, Voorwaar(there) are, (he, it, shall, there, there may, there shall, there should) be, thou do, had, hast, (which) hath, (I, shalt, that) have, (he, it, there) is, substance, it (there) was, (there) were, ye will, thou wilt, wouldest12ל֖וֹ13נָתַ֥ןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield14בְּיָדֽוֹH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves
5En het geschiedde van toen af, dat hij hem over zijn huis, en over al wat het zijne was, gesteld had, dat de HEERE des Egyptenaars huis zegende, om Jozefs wil; ja, de zegen des HEEREN was in alles, wat hij had, in het huis en in het veld.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5En het geschiedde van toen af, dat hij hem over zijn huisH1004, en over al wat het zijne wasH1961, gesteldH6485 had, dat de HEEREH3068 des EgyptenaarsH4713huisH1004zegendeH1288, om JozefsH3130wilH1558; ja, de zegenH1293 des HEERENH3068wasH1961 in allesH3605, watH834 hij had, in het huisH1004 en in het veldH7704.En het geschiedde van toen af, dat hij hem over zijn huis, en over al wat het zijne was, gesteld had, dat de HEERE des Egyptenaars huis zegende, om Jozefs wil; ja, de zegen des HEEREN was in alles, wat hij had, in het huis en in het veld.
KJVAnd it came to pass from the time2that he had made him overseer3in his house,5and over all that he had,9that the LORD12blessed11the Egyptian's15house14for Joseph's17sake;16and the blessing19of the LORD20was upon all that he had23in the house,25and in the field.
1וַיְהִ֡יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2מֵאָז֩H227toen, alsdanbeginning, for, from, hitherto, now, of old, once, since, then, at which time, yet3הִפְקִ֨ידH6485getelden, bezoeken, bezoekingappoint, [idiom] at all, avenge, bestow, (appoint to have the, give a) charge, commit, count, deliver to keep, be empty, enjoin, go see, hurt, do judgment, lack, lay up, look, make, [idiom] by any means, miss, number, officer, (make) overseer, have (the) oversight, punish, reckon, (call to) remember(-brance), set (over), sum, [idiom] surely, visit, want4אֹת֜וֹH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5בְּבֵית֗וֹH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)6וְעַל֙H5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with7כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)8אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection9יֶשׁH3426ware, Hoe lang, Voorwaar(there) are, (he, it, shall, there, there may, there shall, there should) be, thou do, had, hast, (which) hath, (I, shalt, that) have, (he, it, there) is, substance, it (there) was, (there) were, ye will, thou wilt, wouldest10ל֔וֹ11וַיְבָ֧רֶךְH1288zegenen, gezegend, zegende[idiom] abundantly, [idiom] altogether, [idiom] at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, [idiom] greatly, [idiom] indeed, kneel (down), praise, salute, [idiom] still, thank12יְהוָ֛הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)13אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14בֵּ֥יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)15הַמִּצְרִ֖יH4713Egyptenaars, Egyptische, EgyptenaarEgyptian, of Egypt16בִּגְלַ֣לH1558wilbecause of, for (sake)17יוֹסֵ֑ףH3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)18וַיְהִ֞יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use19בִּרְכַּ֤תH1293zegen, zegeningen, zegeningblessing, liberal, pool, present20יְהוָה֙H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)21בְּכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)22אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection23יֶשׁH3426ware, Hoe lang, Voorwaar(there) are, (he, it, shall, there, there may, there shall, there should) be, thou do, had, hast, (which) hath, (I, shalt, that) have, (he, it, there) is, substance, it (there) was, (there) were, ye will, thou wilt, wouldest24ל֔וֹ25בַּבַּ֖יִתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)26וּבַשָּׂדֶֽהH7704veld, velds, akkercountry, field, ground, land, soil, [idiom] wild
6En hij liet alles, wat hij had, in Jozefs hand, zodat hij met hem van geen ding kennis had, behalve van het brood, dat hij at. En Jozef was schoon van gedaante, en schoon van aangezicht.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6En hij lietH5800allesH3605, watH834 hij had, in JozefsH3130handH3027, zodat hij met hem van geenH3808dingH3972kennisH3045 had, behalve van het broodH3899, dat hijH1931atH398. En JozefH3130wasH1961schoonH3303 van gedaanteH8389, en schoonH3303 van aangezichtH4758.En hij liet alles, wat hij had, in Jozefs hand, zodat hij met hem van geen ding kennis had, behalve van het brood, dat hij at. En Jozef was schoon van gedaante, en schoon van aangezicht.
KJVAnd he left1all that he had in Joseph's6hand;5and he knew8not ought10he had, save12the bread13which he did eat.16And Joseph18was a goodly20person, and well19favoured.
1וַיַּעֲזֹ֣בH5800verlaten, verlaat, verlietcommit self, fail, forsake, fortify, help, leave (destitute, off), refuse, [idiom] surely2כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)3אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection4לוֹ֮5בְּיַדH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves6יוֹסֵף֒H3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)7וְלֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without8יָדַ֤עH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot9אִתּוֹ֙H854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix10מְא֔וּמָהH3972iets, ding, nietsfault, [phrase] no(-ught), ought, somewhat, any (no-)thing11כִּ֥יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet12אִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet13הַלֶּ֖חֶםH3899brood, broods, spijze(shew-) bread, [idiom] eat, food, fruit, loaf, meat, victuals14אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection15ה֣וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who16אוֹכֵ֑לH398eten, gegeten, eet[idiom] at all, burn up, consume, devour(-er, up), dine, eat(-er, up), feed (with), food, [idiom] freely, [idiom] in...wise(-deed, plenty), (lay) meat, [idiom] quite17וַיְהִ֣יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use18יוֹסֵ֔ףH3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)19יְפֵהH3303schoon, schone, schoonste[phrase] beautiful, beauty, comely, fair(-est, one), [phrase] goodly, pleasant, well20תֹ֖אַרH8389gedaante, liefelijke, schoon[phrase] beautiful, [idiom] comely, countenance, [phrase] fair, [idiom] favoured, form, [idiom] goodly, [idiom] resemble, visage21וִיפֵ֥הH3303schoon, schone, schoonste[phrase] beautiful, beauty, comely, fair(-est, one), [phrase] goodly, pleasant, well22מַרְאֶֽהH4758gedaante, aanzien, gezicht[idiom] apparently, appearance(-reth), [idiom] as soon as beautiful(-ly), countenance, fair, favoured, form, goodly, to look (up) on (to), look(-eth), pattern, to see, seem, sight, visage, vision
7En het geschiedde na deze dingen, dat de huisvrouw zijns heren haar ogen op Jozef wierp; en zij zeide: lig bij mij!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7En het geschiedde naH310dezeH428 dingen, dat de huisvrouwH802 zijns herenH113 haar ogenH5869 op JozefH3130wierpH5375; en zijH1961zeideH559: ligH7901bijH5973 mij!En het geschiedde na deze dingen, dat de huisvrouw zijns heren haar ogen op Jozef wierp; en zij zeide: lig bij mij!
KJVAnd it came to pass after2these things,3that his master's7wife6cast5her eyes9upon Joseph;11and she said,12Lie
1וַיְהִ֗יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2אַחַר֙H310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with3הַדְּבָרִ֣יםH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work4הָאֵ֔לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)5וַתִּשָּׂ֧אH5375dragen, hief, droegenaccept, advance, arise, (able to, (armor), suffer to) bear(-er, up), bring (forth), burn, carry (away), cast, contain, desire, ease, exact, exalt (self), extol, fetch, forgive, furnish, further, give, go on, help, high, hold up, honorable ([phrase] man), lade, lay, lift (self) up, lofty, marry, magnify, [idiom] needs, obtain, pardon, raise (up), receive, regard, respect, set (up), spare, stir up, [phrase] swear, take (away, up), [idiom] utterly, wear, yield6אֵֽשֶׁתH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English7אֲדֹנָ֛יוH113heer, heren, Heerelord, master, owner. Compare also names beginning with 'Adoni-'8אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9עֵינֶ֖יהָH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)10אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)11יוֹסֵ֑ףH3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)12וַתֹּ֖אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet13שִׁכְבָ֥הH7901ontsliep, liggen, gelegen[idiom] at all, cast down, (lover-)lay (self) (down), (make to) lie (down, down to sleep, still with), lodge, ravish, take rest, sleep, stay14עִמִּֽיH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)
8Maar hij weigerde het, en zeide tot de huisvrouw zijns heren: Zie, mijn heer heeft geen kennis met mij, wat er in het huis is; en al wat hij heeft, dat heeft hij in mijn hand gegeven.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8Maar hij weigerdeH3985 het, en zeideH559 tot de huisvrouwH802 zijns herenH113: ZieH2005, mijn heerH113 heeft geenH3808kennisH3045metH854 mij, wat er in het huisH1004 is; en alH3605 wat hij heeft, datH834 heeft hij in mijn handH3027gegevenH5414.Maar hij weigerde het, en zeide tot de huisvrouw zijns heren: Zie, mijn heer heeft geen kennis met mij, wat er in het huis is; en al wat hij heeft, dat heeft hij in mijn hand gegeven.
KJVBut he refused,1and said2unto his master's5wife,4Behold, my master7wotteth9not what is with me in the house,12and he hath committed17all that he hath15to my hand;
1וַיְמָאֵ֓ןH3985weigerde, weigert, geweigerdrefuse, [idiom] utterly2וַיֹּ֨אמֶר֙H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4אֵ֣שֶׁתH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English5אֲדֹנָ֔יוH113heer, heren, Heerelord, master, owner. Compare also names beginning with 'Adoni-'6הֵ֣ןH2005ziet, ziebehold, if, lo, though7אֲדֹנִ֔יH113heer, heren, Heerelord, master, owner. Compare also names beginning with 'Adoni-'8לֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without9יָדַ֥עH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot10אִתִּ֖יH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix11מַהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why12בַּבָּ֑יִתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)13וְכֹ֥לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)14אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection15יֶשׁH3426ware, Hoe lang, Voorwaar(there) are, (he, it, shall, there, there may, there shall, there should) be, thou do, had, hast, (which) hath, (I, shalt, that) have, (he, it, there) is, substance, it (there) was, (there) were, ye will, thou wilt, wouldest16ל֖וֹ17נָתַ֥ןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield18בְּיָדִֽיH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves
9Niemand is groter in dit huis dan ik, en hij heeft voor mij niets onthouden, dan u, daarin dat gij zijn huisvrouw zijt; hoe zoude ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9NiemandH369 is groterH1419 in dit huisH1004 dan ik, en hij heeft voor mij nietsH3808onthoudenH2820, danH4480 u, daarin dat gijH859 zijn huisvrouwH802 zijt; hoeH349 zoude ik dan dit een zoH518 groot kwaadH7451doenH6213, en zondigenH2398 tegen GodH430!Niemand is groter in dit huis dan ik, en hij heeft voor mij niets onthouden, dan u, daarin dat gij zijn huisvrouw zijt; hoe zoude ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God!
KJVThere is none greater2in this house3than I; neither6hath he kept back7any thing9from me but thee, because13thou14art his wife:15how then can I do17this great19wickedness,18and sin21against God?
1אֵינֶ֨נּוּH369geen, niet, niemandelse, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן)2גָד֜וֹלH1419grote, groot, groten[phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very3בַּבַּ֣יִתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)4הַזֶּה֮H2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)5מִמֶּנִּי֒H4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with6וְלֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without7חָשַׂ֤ךְH2820onthouden, belet, inhoudenassuage, [idiom] darken, forbear, hinder, hold back, keep (back), punish, refrain, reserve, spare, withhold8מִמֶּ֨נִּי֙H4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with9מְא֔וּמָהH3972iets, ding, nietsfault, [phrase] no(-ught), ought, somewhat, any (no-)thing10כִּ֥יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet11אִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet12אוֹתָ֖ךְH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13בַּאֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection14אַתְּH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you15אִשְׁתּ֑וֹH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English16וְאֵ֨יךְH349hoehow, what17אֶֽעֱשֶׂ֜הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use18הָרָעָ֤הH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)19הַגְּדֹלָה֙H1419grote, groot, groten[phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very20הַזֹּ֔אתH2063dit, deze, dathereby (-in, -with), it, likewise, the one (other, same), she, so (much), such (deed), that, therefore, these, this (thing), thus21וְחָטָ֖אתִיH2398gezondigd, zondigen, zondigtbear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass22לֵֽאלֹהִֽיםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty
10En het geschiedde, als zij Jozef dag op dag aansprak, en hij naar haar niet hoorde, om bij haar te liggen, en bij haar te zijn;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10En het geschiedde, als zij JozefH3130dagH3117 op dagH3117aansprakH1696, en hij naarH413 haar nietH3808hoordeH8085, om bij haar te liggenH7901, en bij haar te zijnH1961;En het geschiedde, als zij Jozef dag op dag aansprak, en hij naar haar niet hoorde, om bij haar te liggen, en bij haar te zijn;
KJVAnd it came to pass, as she spake2to Joseph4day5by day,6that he hearkened8not unto her, to lie10by her,
1וַיְהִ֕יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2כְּדַבְּרָ֥הּH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4יוֹסֵ֖ףH3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)5י֣וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger6י֑וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger7וְלֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without8שָׁמַ֥עH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness9אֵלֶ֛יהָH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)10לִשְׁכַּ֥בH7901ontsliep, liggen, gelegen[idiom] at all, cast down, (lover-)lay (self) (down), (make to) lie (down, down to sleep, still with), lodge, ravish, take rest, sleep, stay11אֶצְלָ֖הּH681bij, naast, nevensat, (hard) by, (from) (beside), near (unto), toward, with. See also H1018 (בֵּית הָאֵצֶל)12לִהְי֥וֹתH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use13עִמָּֽהּH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)
11Zo gebeurde het op zulk een dag, dat hij in het huis kwam, om zijn werk te doen; en niemand van de lieden des huizes was daar binnenshuis.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11Zo gebeurdeH1961 het op zulk een dagH3117, datH2088 hij in het huisH1004kwamH935, om zijn werkH4399 te doenH6213; en niemandH376 van de liedenH582 des huizesH1004 was daarH8033binnenshuisH1004.Zo gebeurde het op zulk een dag, dat hij in het huis kwam, om zijn werk te doen; en niemand van de lieden des huizes was daar binnenshuis.
KJVAnd it came to pass about this time,2that Joseph went4into the house5to do6his business;7and there was none of the men9of the house
1וַיְהִי֙H1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2כְּהַיּ֣וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger3הַזֶּ֔הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)4וַיָּבֹ֥אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way5הַבַּ֖יְתָהH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)6לַעֲשׂ֣וֹתH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use7מְלַאכְתּ֑וֹH4399werk, werks, handwerkbusiness, [phrase] cattle, [phrase] industrious, occupation, ([phrase] -pied), [phrase] officer, thing (made), use, (manner of) work((-man), -manship)8וְאֵ֨יןH369geen, niet, niemandelse, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן)9אִ֜ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)10מֵאַנְשֵׁ֥יH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)11הַבַּ֛יִתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)12שָׁ֖םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither13בַּבָּֽיִתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
12En zij greep hem bij zijn kleed, zeggende: Lig bij mij! En hij liet zijn kleed in haar hand, en vluchtte, en ging uit naar buiten.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12En zij greepH8610 hem bij zijn kleedH899, zeggendeH559: LigH7901bijH5973 mij! En hij lietH5800 zijn kleedH899 in haar handH3027, en vluchtteH5127, en ging uit naar buitenH2351.En zij greep hem bij zijn kleed, zeggende: Lig bij mij! En hij liet zijn kleed in haar hand, en vluchtte, en ging uit naar buiten.
KJVAnd she caught1him by his garment,2saying,3Lie4with me: and he left6his garment7in her hand,8and fled,9and got10him out.
1וַתִּתְפְּשֵׂ֧הוּH8610gegrepen, grepen, handelencatch, handle, (lay, take) hold (on, over), stop, [idiom] surely, surprise, take2בְּבִגְד֛וֹH899klederen, kleed, ambtsklederenapparel, cloth(-es, ing), garment, lap, rag, raiment, robe, [idiom] very (treacherously), vesture, wardrobe3לֵאמֹ֖רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet4שִׁכְבָ֣הH7901ontsliep, liggen, gelegen[idiom] at all, cast down, (lover-)lay (self) (down), (make to) lie (down, down to sleep, still with), lodge, ravish, take rest, sleep, stay5עִמִּ֑יH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)6וַיַּעֲזֹ֤בH5800verlaten, verlaat, verlietcommit self, fail, forsake, fortify, help, leave (destitute, off), refuse, [idiom] surely7בִּגְדוֹ֙H899klederen, kleed, ambtsklederenapparel, cloth(-es, ing), garment, lap, rag, raiment, robe, [idiom] very (treacherously), vesture, wardrobe8בְּיָדָ֔הּH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves9וַיָּ֖נָסH5127vloden, vlieden, vluchtte[idiom] abate, away, be displayed, (make to) flee (away, -ing), put to flight, [idiom] hide, lift up a standard10וַיֵּצֵ֥אH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter11הַחֽוּצָהH2351buiten, straten, straatabroad, field, forth, highway, more, out(-side, -ward), street, without
13En het geschiedde, als zij zag, dat hij zijn kleed in haar hand gelaten had, en naar buiten gevlucht was;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13En het geschiedde, als zijH1961zagH7200, dat hij zijn kleedH899 in haar handH3027gelatenH5800 had, en naar buitenH2351gevluchtH5127 was;En het geschiedde, als zij zag, dat hij zijn kleed in haar hand gelaten had, en naar buiten gevlucht was;
KJVAnd it came to pass, when she saw2that he had left4his garment5in her hand,6and was fled7forth,
14Zo riep zij de lieden van haar huis, en sprak tot hen, zeggende: Ziet, hij heeft ons den Hebreeuwsen man ingebracht, om met ons te spotten; hij is tot mij gekomen, om bij mij te liggen, en ik heb geroepen met luider stem;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14Zo riepH7121 zij de liedenH582 van haar huisH1004, en sprakH559 tot hen, zeggendeH559: ZietH7200, hij heeft ons den HebreeuwsenH5680manH376ingebrachtH935, om met ons te spottenH6711; hij is totH413 mij gekomen, om bij mij te liggenH7901, en ik heb geroepenH7121 met luiderH1419stemH6963;Zo riep zij de lieden van haar huis, en sprak tot hen, zeggende: Ziet, hij heeft ons den Hebreeuwsen man ingebracht, om met ons te spotten; hij is tot mij gekomen, om bij mij te liggen, en ik heb geroepen met luider stem;
KJVThat she called1unto the menof her house,3and spake4unto them, saying,6See,7he hath brought in8an Hebrew2unto us to mock12us; he came in14unto me to lie16with me, and I cried18with a loud20voice:
1וַתִּקְרָ֞אH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say2לְאַנְשֵׁ֣יH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)3בֵיתָ֗הּH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)4וַתֹּ֤אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet5לָהֶם֙6לֵאמֹ֔רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet7רְא֗וּH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions8הֵ֥בִיאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way9לָ֛נוּ10אִ֥ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)11עִבְרִ֖יH5680Hebreen, Hebreer, HebreinnenHebrew(-ess, woman)12לְצַ֣חֶקH6711gelachen, jokkende, lachtelaugh, mock, play, make sport13בָּ֑נוּ14בָּ֤אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way15אֵלַי֙H413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)16לִשְׁכַּ֣בH7901ontsliep, liggen, gelegen[idiom] at all, cast down, (lover-)lay (self) (down), (make to) lie (down, down to sleep, still with), lodge, ravish, take rest, sleep, stay17עִמִּ֔יH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)18וָאֶקְרָ֖אH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say19בְּק֥וֹלH6963stem, geluid, geruis[phrase] aloud, bleating, crackling, cry ([phrase] out), fame, lightness, lowing, noise, [phrase] hold peace, (pro-) claim, proclamation, [phrase] sing, sound, [phrase] spark, thunder(-ing), voice, [phrase] yell20גָּדֽוֹלH1419grote, groot, groten[phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
15En het geschiedde, als hij hoorde, dat ik mijn stem verhief, en riep, zo verliet hij zijn kleed bij mij, en vluchtte, en ging uit naar buiten.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15En het geschieddeH1961, als hij hoordeH8085, datH3588 ik mijn stemH6963verhiefH7311, en riepH7121, zo verlietH5800 hij zijn kleedH899 bij mij, en vluchtteH5127, en ging uit naar buitenH2351.En het geschiedde, als hij hoorde, dat ik mijn stem verhief, en riep, zo verliet hij zijn kleed bij mij, en vluchtte, en ging uit naar buiten.
KJVAnd it came to pass, when he heard2that I lifted up4my voice5and cried,6that he left7his garment8with me,9and fled,10and got him11out.
1וַיְהִ֣יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2כְשָׁמְע֔וֹH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness3כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet4הֲרִימֹ֥תִיH7311verhoogd, verhogen, offerenbring up, exalt (self), extol, give, go up, haughty, heave (up), (be, lift up on, make on, set up on, too) high(-er, one), hold up, levy, lift(-er) up, (be) lofty, ([idiom] a-) loud, mount up, offer (up), [phrase] presumptuously, (be) promote(-ion), proud, set up, tall(-er), take (away, off, up), breed worms5קוֹלִ֖יH6963stem, geluid, geruis[phrase] aloud, bleating, crackling, cry ([phrase] out), fame, lightness, lowing, noise, [phrase] hold peace, (pro-) claim, proclamation, [phrase] sing, sound, [phrase] spark, thunder(-ing), voice, [phrase] yell6וָאֶקְרָ֑אH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say7וַיַּעֲזֹ֤בH5800verlaten, verlaat, verlietcommit self, fail, forsake, fortify, help, leave (destitute, off), refuse, [idiom] surely8בִּגְדוֹ֙H899klederen, kleed, ambtsklederenapparel, cloth(-es, ing), garment, lap, rag, raiment, robe, [idiom] very (treacherously), vesture, wardrobe9אֶצְלִ֔יH681bij, naast, nevensat, (hard) by, (from) (beside), near (unto), toward, with. See also H1018 (בֵּית הָאֵצֶל)10וַיָּ֖נָסH5127vloden, vlieden, vluchtte[idiom] abate, away, be displayed, (make to) flee (away, -ing), put to flight, [idiom] hide, lift up a standard11וַיֵּצֵ֥אH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter12הַחֽוּצָהH2351buiten, straten, straatabroad, field, forth, highway, more, out(-side, -ward), street, without
16En zij legde zijn kleed bij zich, totdat zijn heer in zijn huis kwam.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16En zij legde zijn kleedH899 bij zich, totdatH5704 zijn heerH113 in zijn huisH1004kwamH935.En zij legde zijn kleed bij zich, totdat zijn heer in zijn huis kwam.
Ook in dit vers
leideH3240
KJVAnd she laid up1his garment2by her,3until his lord6came5home.
1וַתַּנַּ֥חH3240laten, leide, lietbestow, cast down, lay (down, up), leave (off), let alone (remain), pacify, place, put, set (down), suffer, withdraw, withhold. (The Hiphil forms with the dagesh are here referred to, in accordance with the older grammarians; but if any distinction of the kind is to be made, these should rather be referred to H5117 (נוּחַ), and the others here.)2בִּגְד֖וֹH899klederen, kleed, ambtsklederenapparel, cloth(-es, ing), garment, lap, rag, raiment, robe, [idiom] very (treacherously), vesture, wardrobe3אֶצְלָ֑הּH681bij, naast, nevensat, (hard) by, (from) (beside), near (unto), toward, with. See also H1018 (בֵּית הָאֵצֶל)4עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet5בּ֥וֹאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way6אֲדֹנָ֖יוH113heer, heren, Heerelord, master, owner. Compare also names beginning with 'Adoni-'7אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)8בֵּיתֽוֹH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)
17Toen sprak zij tot hem naar diezelfde woorden, zeggende: De Hebreeuwse knecht, dien gij ons hebt ingebracht, is tot mij gekomen, om met mij te spotten.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17Toen sprakH1696 zij tot hem naarH413diezelfdeH428woordenH1697, zeggendeH559: De HebreeuwseH5680knechtH5650, dienH834 gij ons hebt ingebrachtH935, is tot mij gekomen, om met mij te spottenH6711.Toen sprak zij tot hem naar diezelfde woorden, zeggende: De Hebreeuwse knecht, dien gij ons hebt ingebracht, is tot mij gekomen, om met mij te spotten.
KJVAnd she spake1unto him according to these words,3saying,5The Hebrew9servant,8which thou hast brought6unto us, came in11unto me to mock
1וַתְּדַבֵּ֣רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work2אֵלָ֔יוH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3כַּדְּבָרִ֥יםH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work4הָאֵ֖לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)5לֵאמֹ֑רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet6בָּֽאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way7אֵלַ֞יH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)8הָעֶ֧בֶדH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant9הָֽעִבְרִ֛יH5680Hebreen, Hebreer, HebreinnenHebrew(-ess, woman)10אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection11הֵבֵ֥אתָH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way12לָּ֖נוּ13לְצַ֥חֶקH6711gelachen, jokkende, lachtelaugh, mock, play, make sport14בִּֽי
18En het is geschied, als ik mijn stem verhief, en riep, dat hij zijn kleed bij mij liet, en vluchtte naar buiten.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18En het is geschiedH1961, als ik mijn stemH6963verhiefH7311, en riepH7121, dat hij zijn kleedH899 bij mij lietH5800, en vluchtteH5127 naar buitenH2351.En het is geschied, als ik mijn stem verhief, en riep, dat hij zijn kleed bij mij liet, en vluchtte naar buiten.
KJVAnd it came to pass, as I lifted up2my voice3and cried,4that he left5his garment6with me,7and fled8out.
1וַיְהִ֕יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2כַּהֲרִימִ֥יH7311verhoogd, verhogen, offerenbring up, exalt (self), extol, give, go up, haughty, heave (up), (be, lift up on, make on, set up on, too) high(-er, one), hold up, levy, lift(-er) up, (be) lofty, ([idiom] a-) loud, mount up, offer (up), [phrase] presumptuously, (be) promote(-ion), proud, set up, tall(-er), take (away, off, up), breed worms3קוֹלִ֖יH6963stem, geluid, geruis[phrase] aloud, bleating, crackling, cry ([phrase] out), fame, lightness, lowing, noise, [phrase] hold peace, (pro-) claim, proclamation, [phrase] sing, sound, [phrase] spark, thunder(-ing), voice, [phrase] yell4וָאֶקְרָ֑אH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say5וַיַּעֲזֹ֥בH5800verlaten, verlaat, verlietcommit self, fail, forsake, fortify, help, leave (destitute, off), refuse, [idiom] surely6בִּגְד֛וֹH899klederen, kleed, ambtsklederenapparel, cloth(-es, ing), garment, lap, rag, raiment, robe, [idiom] very (treacherously), vesture, wardrobe7אֶצְלִ֖יH681bij, naast, nevensat, (hard) by, (from) (beside), near (unto), toward, with. See also H1018 (בֵּית הָאֵצֶל)8וַיָּ֥נָסH5127vloden, vlieden, vluchtte[idiom] abate, away, be displayed, (make to) flee (away, -ing), put to flight, [idiom] hide, lift up a standard9הַחֽוּצָהH2351buiten, straten, straatabroad, field, forth, highway, more, out(-side, -ward), street, without
19En het geschiedde, als zijn heer de woorden zijner huisvrouw hoorde, die zij tot hem sprak, zeggende: Naar deze zelfde woorden heeft mij uw knecht gedaan, zo ontstak zijn toorn.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19En het geschiedde, als zijn heerH113 de woordenH1697 zijner huisvrouwH802hoordeH8085, die zijH1961 tot hem sprakH1696, zeggendeH559: Naar dezeH428 zelfde woordenH1697 heeft mij uw knechtH5650gedaanH6213, zo ontstakH2734 zijn toornH639.En het geschiedde, als zijn heer de woorden zijner huisvrouw hoorde, die zij tot hem sprak, zeggende: Naar deze zelfde woorden heeft mij uw knecht gedaan, zo ontstak zijn toorn.
KJVAnd it came to pass, when his master3heard2the words5of his wife,6which she spake8unto him, saying,10After this manner11did13thy servant15to me; that his wrath17was kindled.
1וַיְהִי֩H1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2כִשְׁמֹ֨עַH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness3אֲדֹנָ֜יוH113heer, heren, Heerelord, master, owner. Compare also names beginning with 'Adoni-'4אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5דִּבְרֵ֣יH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work6אִשְׁתּ֗וֹH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English7אֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection8דִּבְּרָ֤הH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work9אֵלָיו֙H413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)10לֵאמֹ֔רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet11כַּדְּבָרִ֣יםH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work12הָאֵ֔לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)13עָ֥שָׂהּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use14לִ֖י15עַבְדֶּ֑ךָH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant16וַיִּ֖חַרH2734ontstak, ontstoken, ontstekebe angry, burn, be displeased, [idiom] earnestly, fret self, grieve, be (wax) hot, be incensed, kindle, [idiom] very, be wroth. See H8474 (תַּחָרָה)17אַפּֽוֹH639toorn, toorns, neusanger(-gry), [phrase] before, countenance, face, [phrase] forebearing, forehead, [phrase] (long-) suffering, nose, nostril, snout, [idiom] worthy, wrath
20En Jozefs heer nam hem, en leverde hem in het gevangenhuis, ter plaatse, waar des konings gevangenen gevangen waren; alzo was hij daar in het gevangenhuis.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20En JozefsH3130heerH113namH3947 hem, en leverdeH5414 hem in het gevangenhuisH1004, ter plaatseH4725, waar des koningsH4428gevangenenH615gevangenH631 waren; alzo was hij daarH8033 in het gevangenhuisH1004.En Jozefs heer nam hem, en leverde hem in het gevangenhuis, ter plaatse, waar des konings gevangenen gevangen waren; alzo was hij daar in het gevangenhuis.
KJVAnd Joseph's3master2took1him, and put him5into the prison,7a place9where the king's12prisoners11were bound:13and he was there in the prison.16
1וַיִּקַּח֩H3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win2אֲדֹנֵ֨יH113heer, heren, Heerelord, master, owner. Compare also names beginning with 'Adoni-'3יוֹסֵ֜ףH3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)4אֹת֗וֹH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5וַֽיִּתְּנֵ֨הוּ֙H5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield6אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)7בֵּ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)8הַסֹּ֔הַרH5470gevangenisprison9מְק֕וֹםH4725plaats, plaatsen, plaatsecountry, [idiom] home, [idiom] open, place, room, space, [idiom] whither(-soever)10אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection11אֲסִירֵ֥יH615gevangenen, gebondenen, gebonden(those which are) bound, prisoner12הַמֶּ֖לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal13אֲסוּרִ֑יםH631gebonden, verbonden, bindenbind, fast, gird, harness, hold, keep, make ready, order, prepare, prison(-er), put in bonds, set in array, tie14וַֽיְהִיH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use15שָׁ֖םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither16בְּבֵ֥יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)17הַסֹּֽהַרH5470gevangenisprison
21Doch de HEERE was met Jozef, en wende Zijn goedertierenheid tot hem; en gaf hem genade in de ogen van den overste van het gevangenhuis.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21Doch de HEEREH3068wasH1961metH854JozefH3130, en wendeH5186 Zijn goedertierenheidH2617 tot hem; en gafH5414 hem genadeH2580 in de ogenH5869 van den oversteH8269 van het gevangenhuisH1004.Doch de HEERE was met Jozef, en wende Zijn goedertierenheid tot hem; en gaf hem genade in de ogen van den overste van het gevangenhuis.
KJVBut the LORD2was with Joseph,4and shewed5him mercy,7and gave8him favour9in the sight10of the keeper11of the prison.12
22En de overste van het gevangenhuis gaf al de gevangenen, die in het gevangenhuis waren, in Jozefs hand; en al wat zij daar deden, deed hij.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22En de oversteH8269 van het gevangenhuisH1004gafH5414 al de gevangenenH615, die in hetH1931gevangenhuisH1004warenH1961, in JozefsH3130handH3027; en al watH834 zij daarH8033 deden, deed hij.En de overste van het gevangenhuis gaf al de gevangenen, die in het gevangenhuis waren, in Jozefs hand; en al wat zij daar deden, deed hij.
KJVAnd the keeper2of the prison3committed1to Joseph's6hand5all the prisoners9that were in the prison;11and whatsoever they did16there, he was the doer
1וַיִּתֵּ֞ןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield2שַׂ֤רH8269vorsten, oversten, overstecaptain (that had rule), chief (captain), general, governor, keeper, lord,(-task-)master, prince(-ipal), ruler, steward3בֵּיתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)4הַסֹּ֨הַר֙H5470gevangenisprison5בְּיַדH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves6יוֹסֵ֔ףH3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)7אֵ֚תH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)9הָ֣אֲסִירִ֔םH615gevangenen, gebondenen, gebonden(those which are) bound, prisoner10אֲשֶׁ֖רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection11בְּבֵ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)12הַסֹּ֑הַרH5470gevangenisprison13וְאֵ֨תH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)15אֲשֶׁ֤רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection16עֹשִׂים֙H6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use17שָׁ֔םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither18ה֖וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who19הָיָ֥הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use20עֹשֶֽׂהH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use
23De overste van het gevangenhuis zag gans op geen ding, dat in zijn hand was, overmits dat de HEERE met hem was; en wat hij deed, dat deed de HEERE wel gedijen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23De oversteH8269 van het gevangenhuisH1004zagH7200gansH369 op geen dingH3972, dat in zijn handH3027 was, overmitsH834 dat de HEEREH3068metH854 hem was; en wat hij deed, dat deedH6213 de HEEREH3068 wel gedijenH6743.De overste van het gevangenhuis zag gans op geen ding, dat in zijn hand was, overmits dat de HEERE met hem was; en wat hij deed, dat deed de HEERE wel gedijen.
KJVThe keeper2of the prison3looked5not to any thing8that was under his hand;9because the LORD11was with him, and that which he did,15the LORD16made it to prosper.
1אֵ֣יןH369geen, niet, niemandelse, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן)2שַׂ֣רH8269vorsten, oversten, overstecaptain (that had rule), chief (captain), general, governor, keeper, lord,(-task-)master, prince(-ipal), ruler, steward3בֵּיתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)4הַסֹּ֗הַרH5470gevangenisprison5רֹאֶ֤הH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions6אֶֽתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)8מְא֨וּמָה֙H3972iets, ding, nietsfault, [phrase] no(-ught), ought, somewhat, any (no-)thing9בְּיָד֔וֹH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves10בַּאֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection11יְהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)12אִתּ֑וֹH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix13וַֽאֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection14ה֥וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who15עֹשֶׂ֖הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use16יְהוָ֥הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)17מַצְלִֽיחַH6743voorspoedig, vaardig, gedijenbreak out, come (mightily), go over, be good, be meet, be profitable, (cause to, effect, make to, send) prosper(-ity, -ous, -ously)
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Genesis 39:1— Jozef nu werd naar Egypte afgevoerd; en Potifar, een hoveling van Farao, een overste der trawanten, een Egyptisch man, kocht hem uit de hand der Ismaelieten, die hem derwaarts afgevoerd hadden.Genesis 37:36→Genesis 37:25→Psalmen 105:17→Genesis 37:28→Genesis 45:4→Handelingen 7:9→
Genesis 39:2— En de HEERE was met Jozef, zodat hij een voorspoedig man was; en hij was in het huis van zijn heer, den Egyptenaar.1 Samuël 18:14→Genesis 26:28→Genesis 21:22→Genesis 26:24→Jeremia 15:20→1 Samuël 18:28→Handelingen 7:9→1 Samuël 16:18→
Genesis 39:3— Als nu zijn heer zag, dat de HEERE met hem was, en dat de HEERE al wat hij deed, door zijn hand voorspoedig maakte;Psalmen 1:3→Genesis 30:27→Genesis 21:22→Genesis 26:28→2 Kronieken 26:5→1 Korinthe 16:2→Genesis 30:30→Mattheüs 5:16→
Genesis 39:4— Zo vond Jozef genade in zijn ogen, en diende hem; en hij stelde hem over zijn huis; en al wat hij had, gaf hij in zijn hand.Genesis 19:19→Genesis 39:8→Genesis 24:2→Genesis 33:10→Genesis 18:3→Genesis 39:21→1 Samuël 16:22→Spreuken 22:29→
Genesis 39:5— En het geschiedde van toen af, dat hij hem over zijn huis, en over al wat het zijne was, gesteld had, dat de HEERE des Egyptenaars huis zegende, om Jozefs wil; ja, de zegen des HEEREN was in alles, wat hij had, in het huis en in het veld.Genesis 30:27→2 Samuël 6:11→Psalmen 72:17→Genesis 12:2→Genesis 19:29→Psalmen 21:6→Efeze 1:3→Handelingen 27:24→
Genesis 39:6— En hij liet alles, wat hij had, in Jozefs hand, zodat hij met hem van geen ding kennis had, behalve van het brood, dat hij at. En Jozef was schoon van gedaante, en schoon van aangezicht.1 Samuël 16:12→Genesis 29:17→Lukas 19:17→Genesis 39:8→Handelingen 7:20→1 Samuël 17:42→Lukas 16:10→Genesis 43:32→
Genesis 39:7— En het geschiedde na deze dingen, dat de huisvrouw zijns heren haar ogen op Jozef wierp; en zij zeide: lig bij mij!2 Samuël 13:11→Job 31:1→2 Petrus 2:14→Genesis 6:2→Spreuken 5:9→Ezechiël 23:5→Ezechiël 23:12→Spreuken 2:16→
Genesis 39:8— Maar hij weigerde het, en zeide tot de huisvrouw zijns heren: Zie, mijn heer heeft geen kennis met mij, wat er in het huis is; en al wat hij heeft, dat heeft hij in mijn hand gegeven.Spreuken 22:14→Spreuken 5:3→Spreuken 7:25→Spreuken 6:20→Spreuken 7:5→Spreuken 2:16→Spreuken 6:32→Spreuken 23:26→
Genesis 39:9— Niemand is groter in dit huis dan ik, en hij heeft voor mij niets onthouden, dan u, daarin dat gij zijn huisvrouw zijt; hoe zoude ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God!Genesis 42:18→2 Samuël 12:13→Genesis 20:6→Psalmen 51:4→Spreuken 6:29→Jeremia 50:7→2 Samuël 11:27→Numeri 32:23→
Genesis 39:10— En het geschiedde, als zij Jozef dag op dag aansprak, en hij naar haar niet hoorde, om bij haar te liggen, en bij haar te zijn;1 Timotheüs 5:14→Spreuken 5:3→1 Korinthe 15:33→1 Thessalonicenzen 5:22→Spreuken 6:25→1 Korinthe 6:18→Spreuken 9:16→2 Timotheüs 2:22→
Genesis 39:11— Zo gebeurde het op zulk een dag, dat hij in het huis kwam, om zijn werk te doen; en niemand van de lieden des huizes was daar binnenshuis.Spreuken 9:17→Jeremia 23:24→Efeze 5:3→Efeze 5:12→Maleachi 3:5→Job 24:15→
Genesis 39:12— En zij greep hem bij zijn kleed, zeggende: Lig bij mij! En hij liet zijn kleed in haar hand, en vluchtte, en ging uit naar buiten.Prediker 7:26→Spreuken 6:5→2 Timotheüs 2:22→Spreuken 7:13→Spreuken 5:8→1 Petrus 2:11→Spreuken 1:15→Genesis 39:8→
Genesis 39:14— Zo riep zij de lieden van haar huis, en sprak tot hen, zeggende: Ziet, hij heeft ons den Hebreeuwsen man ingebracht, om met ons te spotten; hij is tot mij gekomen, om bij mij te liggen, en ik heb geroepen met luider stem;Spreuken 10:18→2 Korinthe 6:8→Jesaja 54:17→Genesis 40:15→Mattheüs 26:59→Jesaja 51:7→Ezechiël 22:5→Lukas 23:2→
Genesis 39:16— En zij legde zijn kleed bij zich, totdat zijn heer in zijn huis kwam.Jeremia 4:22→Titus 3:3→Psalmen 37:12→Jeremia 9:3→Psalmen 37:32→
Genesis 39:17— Toen sprak zij tot hem naar diezelfde woorden, zeggende: De Hebreeuwse knecht, dien gij ons hebt ingebracht, is tot mij gekomen, om met mij te spotten.Exodus 23:1→Psalmen 37:14→Spreuken 12:19→1 Koningen 21:9→Genesis 39:14→Psalmen 55:3→Exodus 20:16→Psalmen 120:2→
Genesis 39:19— En het geschiedde, als zijn heer de woorden zijner huisvrouw hoorde, die zij tot hem sprak, zeggende: Naar deze zelfde woorden heeft mij uw knecht gedaan, zo ontstak zijn toorn.Handelingen 25:16→Spreuken 6:34→Spreuken 18:17→Job 29:16→Spreuken 29:12→2 Thessalonicenzen 2:11→Hooglied 8:7→Genesis 4:5→
Genesis 39:20— En Jozefs heer nam hem, en leverde hem in het gevangenhuis, ter plaatse, waar des konings gevangenen gevangen waren; alzo was hij daar in het gevangenhuis.Genesis 40:15→Psalmen 76:10→Genesis 41:9→Jesaja 53:8→2 Timotheüs 2:9→Psalmen 105:18→Daniël 3:21→Genesis 40:1→
Genesis 39:21— Doch de HEERE was met Jozef, en wende Zijn goedertierenheid tot hem; en gaf hem genade in de ogen van den overste van het gevangenhuis.Exodus 3:21→Genesis 39:2→Exodus 11:3→Handelingen 7:9→Exodus 12:36→Psalmen 105:19→Daniël 1:9→Genesis 21:22→
Genesis 39:22— En de overste van het gevangenhuis gaf al de gevangenen, die in het gevangenhuis waren, in Jozefs hand; en al wat zij daar deden, deed hij.Genesis 39:4→Genesis 40:3→1 Samuël 2:30→Genesis 39:9→Psalmen 37:3→Psalmen 37:11→Genesis 39:6→
Genesis 39:23— De overste van het gevangenhuis zag gans op geen ding, dat in zijn hand was, overmits dat de HEERE met hem was; en wat hij deed, dat deed de HEERE wel gedijen.Genesis 39:2→Jesaja 43:2→Psalmen 1:3→1 Samuël 2:30→Genesis 40:3→Daniël 6:22→Genesis 49:23→Psalmen 37:3→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Genesis 39 vers 1— Jozef nu werd naar Egypte afgevoerd; en Potifar, een hoveling van Farao, een overste der trawanten, een Egyptisch man, kocht hem uit de hand der Ismaelieten, die hem derwaarts afgevoerd hadden.
en Pótifar,
Zie boven, Gen. 37:36
Hertaald:en Pótifar,
Zie Gen. 37:36.
Ismaëlieten,
Zie boven, Gen. 37:25.
Hertaald:Ismaëlieten,
Zie Gen. 37:25.
Genesis 39 vers 2— En de HEERE was met Jozef, zodat hij een voorspoedig man was; en hij was in het huis van zijn heer, den Egyptenaar.
de HEERE
Zie boven, Gen. 21:22, en Gen. 26:24.
Hertaald:de HEERE
Zie Gen. 21:22, en Gen. 26:24.
hij was
Dat is, hij liep niet weg naar zijn vader of elders, maar voegde zich, met geduld en getrouwheid, in den staat, waartoe hij door God vernederd was.
Hertaald:hij was
Dat is: hij liep niet weg naar zijn vader of elders, maar schikte zich, met geduld en trouw, naar de staat waartoe hij door God vernederd was.
van zijn heer,
Hebr. zijner heren; dat is, zijns heren, en zo vervolgens; gelijk ook boven, Gen. 24:10; 2 Sam. 12:8.
Hertaald:van zijn heer,
Hebreeuws: zijner heren; dat is: zijns heren; zo ook verderop; net als in Gen. 24:10; 2 Sam. 12:8.
Genesis 39 vers 3— Als nu zijn heer zag, dat de HEERE met hem was, en dat de HEERE al wat hij deed, door zijn hand voorspoedig maakte;
door zijn
Dat is, door zijn dienst; Ex. 4:13; Lev. 8:36; Spr. 26:6, enz.
Hertaald:door zijn
Dat is: door zijn dienst; Ex. 4:13; Lev. 8:36; Spr. 26:6, enz.
Genesis 39 vers 4— Zo vond Jozef genade in zijn ogen, en diende hem; en hij stelde hem over zijn huis; en al wat hij had, gaf hij in zijn hand.
genade
Zie boven, Gen. 18:3.
Hertaald:genade
Zie Gen. 18:3.
diende hem;
Dat is, hij paste op zijn persoon. Eerst was hij een gemene knecht, daarna een kamerdienaar van zijn heer, ja een verzorger van het gehele huis.
Hertaald:diende hem;
Dat is: hij paste op zijn persoon. Eerst was hij een gewone knecht, daarna een kamerdienaar van zijn heer, ja, een verzorger van het hele huis.
in zijn hand
Zie boven, Gen. 16:6.
Hertaald:in zijn hand
Zie Gen. 16:6.
Genesis 39 vers 5— En het geschiedde van toen af, dat hij hem over zijn huis, en over al wat het zijne was, gesteld had, dat de HEERE des Egyptenaars huis zegende, om Jozefs wil; ja, de zegen des HEEREN was in alles, wat hij had, in het huis en in het veld.
om Jozefs
De bozen worden gezegend van wege de bijwoning der vromen. Zie boven, Gen. 30:27, Gen. 30:30; Jes. 45:3-4.
Hertaald:om Jozefs
De bozen worden gezegend vanwege de aanwezigheid van de vromen. Zie Gen. 30:27, Gen. 30:30; Jes. 45:3-4.
Genesis 39 vers 6— En hij liet alles, wat hij had, in Jozefs hand, zodat hij met hem van geen ding kennis had, behalve van het brood, dat hij at. En Jozef was schoon van gedaante, en schoon van aangezicht.
behalve van
Dat is, Pótifar bemoeide zich nergens mede dan met eten en drinken, latende al de huishouding op Jozef berusten. Sommigen menen dat deze woorden: behalve van het brood dat hij at, zien op de superstitie der Egyptenaars, die met de Hebreën niet wilden eten. Zie daarvan onder, Gen. 43:32.
Hertaald:behalve van
Dat is: Potifar bemoeide zich nergens mee dan met eten en drinken, en liet de hele huishouding aan Jozef over. Sommigen menen dat deze woorden — 'behalve van het brood dat hij at' — zien op het bijgeloof van de Egyptenaren, die niet met de Hebreeën wilden eten. Zie daarover Gen. 43:32.
Genesis 39 vers 7— En het geschiedde na deze dingen, dat de huisvrouw zijns heren haar ogen op Jozef wierp; en zij zeide: lig bij mij!
haar ogen
Hebr. dat zij haar ogen ophief tot JoZEf. De zin is: zij zag hem aan met oneerbare ogen en met onkuisen lust. Zie Matt. 5:28, en 2 Petr. 2:14. Het contrarie was bij Job, Job 31:1.
Hertaald:haar ogen
Hebreeuws: dat zij haar ogen ophief tot Jozef. De betekenis is: zij keek naar hem met oneerbare ogen en met onkuise lust. Zie Matt. 5:28, en 2 Petr. 2:14. Het tegenovergestelde vinden wij bij Job, Job 31:1.
Lig bij mij
Nadat zij, zonder twijfel, tevoren het er op toegelegd had, om hem tot onkuischheid te bewegen.
Hertaald:Lig bij mij
Nadat zij ongetwijfeld al eerder haar zinnen erop gezet had om hem tot onkuisheid te bewegen.
Genesis 39 vers 9— Niemand is groter in dit huis dan ik, en hij heeft voor mij niets onthouden, dan u, daarin dat gij zijn huisvrouw zijt; hoe zoude ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God!
Niemand
Versta dit ten aanzien van de macht, die Jozef van zijn heer ontvangen had, om het huis te verzorgen, en in zijn plaats opzicht daarover te hebben. Anders: Hij zelf is niet groter in dit huis.
Hertaald:Niemand
Versta dit met betrekking tot de macht die Jozef van zijn heer ontvangen had, om het huis te beheren en in zijn plaats toezicht daarover te houden. Anders: hijzelf is niet groter in dit huis.
dan u,
Dat is, hij heeft mij ook bevolen zorg voor u te dragen, zoveel de nooddruft van uw lichaam aangaat, maar niet om de gemeenschap van hetzelve aan mij te trekken. Anders, daarom dat gij, enz.
Hertaald:dan u,
Dat is: hij heeft mij ook opgedragen voor u te zorgen, voor zover het de behoeften van uw lichaam betreft, maar niet om de gemeenschap daarvan tot mij te trekken. Anders: omdat u, enz.
Genesis 39 vers 10— En het geschiedde, als zij Jozef dag op dag aansprak, en hij naar haar niet hoorde, om bij haar te liggen, en bij haar te zijn;
dag op dag
Hebr. dag, dag. Een en hetzelfde woord wordt somtijds tweemalen genomen, om een gedurigheid des tijds te betekenen; Ex. 16:5, Ex. 16:21; Lev. 6:12; Deut. 2:27, en Deut. 14:22.
Hertaald:dag op dag
Hebreeuws: dag, dag. Eén en hetzelfde woord wordt soms tweemaal gebruikt om een voortdurende tijdsduur aan te duiden; Ex. 16:5, Ex. 16:21; Lev. 6:12; Deut. 2:27, en Deut. 14:22.
haar te zijn;
Dat is, om haar gesprekken daarover aan te horen. Want hij wist wel dat kwade redenen goede zeden bederven. 1 Kor. 15:33.
Hertaald:haar te zijn;
Dat is: om haar gesprekken daarover aan te horen. Want hij wist wel dat kwade omgang goede zeden bederft. 1 Kor. 15:33.
Genesis 39 vers 11— Zo gebeurde het op zulk een dag, dat hij in het huis kwam, om zijn werk te doen; en niemand van de lieden des huizes was daar binnenshuis.
de lieden
Dat is, huisgenoten; alzo onder, vs.14, en Mi. 7:6.
Hertaald:de lieden
Dat is: huisgenoten; zo ook in vers 14, en Mi. 7:6.
Genesis 39 vers 12— En zij greep hem bij zijn kleed, zeggende: Lig bij mij! En hij liet zijn kleed in haar hand, en vluchtte, en ging uit naar buiten.
kleed,
Zonder twijfel bij zijn opperkleed, zoals mantel, enz.
Hertaald:kleed,
Ongetwijfeld bij zijn bovenkleed, zoals een mantel, enz.
Genesis 39 vers 14— Zo riep zij de lieden van haar huis, en sprak tot hen, zeggende: Ziet, hij heeft ons den Hebreeuwsen man ingebracht, om met ons te spotten; hij is tot mij gekomen, om bij mij te liggen, en ik heb geroepen met luider stem;
de lieden
Te weten, die buiten waren, of, intussen weder ingekomen waren, opdat zij die tot getuigen zou mogen opmaken en bereid hebben, als zij Jozef bij haar man beschuldigen zou.
Hertaald:de lieden
Namelijk: degenen die buiten waren, of ondertussen weer binnengekomen waren, zodat zij hen als getuigen kon opvoeren en gereed had, wanneer zij Jozef bij haar man zou beschuldigen.
Ziet,
Het schijnt dat zij Jozefs kleed in haar handen gehad en getoond heeft.
Hertaald:Ziet,
Het lijkt erop dat zij Jozefs kleed in haar handen had en het getoond heeft.
hij heeft ons
Te weten, mijn man; zij noemt niet, kwanswijs, gram op hem zijnde.
Hertaald:hij heeft ons
Namelijk: mijn man; zij noemt hem expres niet, alsof zij boos op hem was.
Hebreeuwsen
Zo noemt zij Jozef verachtelijk, om het huisgezin tegen hem op te hitsen; dewijl de Egyptenaars de Hebreën niet wel vermochten te lijden; zie Gen. 43:32.
Hertaald:Hebreeuwsen
Zo noemt zij Jozef minachtend, om het huisgezin tegen hem op te hitsen, aangezien de Egyptenaren de Hebreeën niet goed konden verdragen; zie Gen. 43:32.
met ons
Deze loze vrouw zegt niet, met mij, maar, met ons, alsof zij wilde zeggen: Durft hij mij dit vergen, welke schande en overlast zal hij dan de dienstmaagden niet durven aandoen?
Hertaald:met ons
Deze listige vrouw zegt niet 'met mij', maar 'met ons', alsof zij wilde zeggen: durft hij dit van mij te vragen, welke schande en overlast zal hij de dienstmaagden dan wel niet durven aandoen?
luider stem;
Hebr. groter.
Hertaald:luider stem;
Hebreeuws: groter.
Genesis 39 vers 17— Toen sprak zij tot hem naar diezelfde woorden, zeggende: De Hebreeuwse knecht, dien gij ons hebt ingebracht, is tot mij gekomen, om met mij te spotten.
naar diezelfde
Te weten, die zij tevoren bij het huisgezin gebruikt had, en nu voor den man herhaalde.
Hertaald:naar diezelfde
Namelijk: die zij eerder bij het huisgezin gebruikt had, en nu voor haar man herhaalde.
Genesis 39 vers 19— En het geschiedde, als zijn heer de woorden zijner huisvrouw hoorde, die zij tot hem sprak, zeggende: Naar deze zelfde woorden heeft mij uw knecht gedaan, zo ontstak zijn toorn.
Naar deze
Dat is, zoals ik gezegd heb, heeft hij gedaan.
Hertaald:Naar deze
Dat is: zoals ik gezegd heb, heeft hij gedaan.
zo ontstak
Hij gelooft zijn vrouw zonder Jozef eerst te horen; verg. de manier van spreken met boven, Gen. 4:5-6; en zie de aantekeningen vs.5.
Hertaald:zo ontstak
Hij gelooft zijn vrouw zonder Jozef eerst te horen; vergelijk deze uitdrukking met Gen. 4:5-6; en zie de aantekening bij vers 5.
Genesis 39 vers 20— En Jozefs heer nam hem, en leverde hem in het gevangenhuis, ter plaatse, waar des konings gevangenen gevangen waren; alzo was hij daar in het gevangenhuis.
gevangenhuis,
Hebr. tot het huis der rondheid of des ronden torens. Deze gevangenis wordt ook een kuil genoemd, onder, Gen. 40:15, en Gen. 41:14.
Hertaald:gevangenhuis,
Hebreeuws: tot het huis van de rondheid, of van de ronde toren. Deze gevangenis wordt ook een kuil genoemd, in Gen. 40:15, en Gen. 41:14.
gevangenen gevangen
Hebr. gebondenen gebonden. Versta hier zodanige gevangenen, die tegen den koning misdaan, of een groot crimen begaan hadden, en op den hals gevangen zaten.
Hertaald:gevangenen gevangen
Hebreeuws: gebondenen gebonden. Versta hier zulke gevangenen die tegen de koning misdaan, of een groot misdrijf begaan hadden, en zwaar gevangen zaten.
Genesis 39 vers 21— Doch de HEERE was met Jozef, en wende Zijn goedertierenheid tot hem; en gaf hem genade in de ogen van den overste van het gevangenhuis.
gaf hem
Hebr. gaf zijn genade; dat is, hij maakte zich aangenaam. Zie boven, Gen. 18:3.
Hertaald:gaf hem
Hebreeuws: gaf zijn genade; dat is: hij maakte zichzelf aangenaam. Zie Gen. 18:3.
Genesis 39 vers 22— En de overste van het gevangenhuis gaf al de gevangenen, die in het gevangenhuis waren, in Jozefs hand; en al wat zij daar deden, deed hij.
al wat zij
Dat is, al wat men daar placht te doen, en al wat er geschiedde, had plaats door zijn bevel en bestuur.
Hertaald:al wat zij
Dat is: alles wat men daar placht te doen, en alles wat er gebeurde, gebeurde door zijn bevel en bestuur.
Genesis 39 vers 23— De overste van het gevangenhuis zag gans op geen ding, dat in zijn hand was, overmits dat de HEERE met hem was; en wat hij deed, dat deed de HEERE wel gedijen.
zag gans
Hebr. was niet alle dingen ziende.
Hertaald:zag gans
Hebreeuws: was niet alle dingen ziende.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Dan — hij heeft gericht, geoordeeld
De zoon van Jakob en Bilha, Rachels slavin (Gen. 30:6). Rachel gaf hem deze naam omdat God, naar haar zeggen, haar recht gedaan en haar stem gehoord had.
Jozef — Hij (God) voege toe
De eerste zoon van Jakob en Rachel, na lang wachten geboren (Gen. 30:22-24). Zijn naam drukt Rachels hoop uit dat de HEERE haar nog een zoon zou toevoegen — wat later met Benjamin ook gebeurde. Jozef zou later, als lieveling van zijn vader, door zijn broers uit jaloezie verkocht worden, maar door Gods voorzienigheid uiteindelijk heel Egypte en zijn eigen familie redden van de hongersnood (Gen. 37-50).
Potifar — die Ra (de zonnegod) gegeven heeft
Een hoveling van Farao, overste der trawanten, aan wie de Ismaëlitische kooplieden Jozef in Egypte verkochten (Gen. 37:36; 39:1). De HEERE zegende Potifars huis omwille van Jozef, die tot opziener over zijn hele bezit werd aangesteld, totdat de valse beschuldiging van Potifars vrouw Jozef in de gevangenis deed belanden.
Er — wakend, waakzaam
De eerstgeboren zoon van Juda, die met Tamar trouwde. Omdat hij 'kwaad was in de ogen des HEEREN', doodde de HEERE hem, kinderloos (Gen. 38:6-7).
Bijbelse PlaatsenPlaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Egypte — in de Bijbel doorgaans Mizraïm genoemd — een tweevoudsvorm (dual) in het Hebreeuws, die wijst op de twee natuurlijke delen van het land: Beneden-Egypte (de Delta) en Boven-Egypte
Ligging: Gelegen in het noordoosten van Afrika, begrensd door de Middellandse Zee in het noorden, Palestina/Arabië en de Rode Zee in het oosten, Nubië in het zuiden en de grote woestijn in het westen; het bewoonbare land beperkt zich vrijwel geheel tot de smalle, vruchtbare Nijlvallei en de waaiervormige Delta.
Geschiedenis: Een van de oudste beschaafde koninkrijken die de geschiedenis kent, wiens taal (in zijn laatste vorm het Koptisch) van verre verwant is aan de Semitische talen. In Genesis 12 vlucht Abram, gedreven door hongersnood, naar Egypte; hij wordt er gastvrij ontvangen, maar dit gaat gepaard met gevaar voor de eer van zijn vrouw Sarai, die de farao naar zijn hof laat halen (Gen. 12:10-20) — een patroon dat zich later, in andere vorm, herhaalt in de geschiedenis van Jozef en van het volk Israël in de tijd van de uittocht.
Bijbelse betekenis: Door de hele Bijbel heen vervult Egypte een dubbele rol: het is zowel een toevluchtsoord in tijden van nood als een plaats van verdrukking waaruit God Zijn volk moet uitleiden — een spanning die al hier, bij Abram, voor het eerst zichtbaar wordt.
Gen. 12:10-20; en talrijke latere verwijzingen door de hele Schrift heen
Genesis 39:2.Kruisverwijzingen1 Samuël 18:14→Genesis 26:28→Genesis 21:22→Genesis 26:24→Jeremia 15:20→1 Samuël 18:28→Handelingen 7:9→1 Samuël 16:18→ — En de HEERE was met Jozef, zodat hij een voorspoedig man was; en hij was in het huis van zijn heer, den Egyptenaar. “De HEERE was met Jozef.” Toen hij werd meegenomen naar het huis van zijn meester en de verschillende taken van zijn dienst werden toegewezen, was de Heere met Jozef. Het huis van de Egyptenaar was nog nooit zo rein, zo eerlijk en zo geëerd geweest. Onder Jozefs leiding was het in het verborgen de tempel van zijn toewijding en zichtbaar een plaats van troost en vertrouwen. Die Hebreeuwse slaaf straalde een heerlijkheid van karakter uit die iedereen opmerkte, en vooral zijn meester, want wij lezen dat: “Zijn heer zag, dat de HEERE met hem was, en dat de HEERE al wat hij deed, door zijn hand voorspoedig maakte.”
Genesis 39:7-12.KruisverwijzingenGenesis 42:18→2 Samuël 12:13→2 Samuël 13:11→Genesis 20:6→Psalmen 51:4→Prediker 7:26→Spreuken 6:5→Spreuken 7:13→ — En het geschiedde na deze dingen, dat de huisvrouw zijns heren haar ogen op Jozef wierp; en zij zeide: lig bij mij! Maar hij weigerde het, en zeide tot de huisvrouw zijns heren: Zie, mijn heer heeft geen kennis met mij, wat er in het huis is; en al wat hij heeft, dat heeft hij in mijn hand gegeven. Niemand is groter in dit huis dan ik, en hij heeft voor mij niets onthouden, dan u, daarin dat gij zijn huisvrouw zijt; hoe zoude ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God! En het geschiedde, als zij Jozef dag op dag aansprak, en hij naar haar niet hoorde, om bij haar te liggen, en bij haar te zijn; Zo gebeurde het op zulk een dag, dat hij in het huis kwam, om zijn werk te doen; en niemand van de lieden des huizes was daar binnenshuis. En zij greep hem bij zijn kleed, zeggende: Lig bij mij! En hij liet zijn kleed in haar hand, en vluchtte, en ging uit naar buiten. “Lig bij mij!” Jozefs ijver, integriteit en zachtmoedigheid wonnen, zoals te verwachten was, de gunst van zijn meester. O, mochten allen die christelijke dienaren zijn, Jozef hierin navolgen en zich zo gedragen dat iedereen kan zien dat de Heere met hen is. Toen brak de tijd van de beproeving aan in zijn leven. Jozef werd op de proef gesteld door een verleiding waaraan zovelen ten onder gaan. Hij werd aangevallen op een punt waarop een jonge man bijzonder kwetsbaar is. Zijn knappe uiterlijk maakte hem tot het doelwit van onreine verleidingen door iemand van wie zijn welzijn in grote mate afhankelijk was. En als de Heere niet met hem was geweest, zou hij gevallen zijn. De meeste mensen zouden hem nauwelijks iets hebben verweten als hij gezondigd had; zij zouden de schuld bij de verleidster hebben gelegd en de zwakheid van de jeugd hebben verontschuldigd. Ik zeg: dat is niet zo! Bij daden van onreinheid kan geen van beide overtreders worden verontschuldigd. Maar God was met Jozef, en hij gleed niet uit, hoewel hij op gladde plaatsen werd gezet; hij vluchtte. Die vlucht was de oprechtste blijk van moed. Het is de enige weg tot overwinning op de zonden van het vlees. De apostel zegt: “Maar vlied de begeerlijkheden der jonkheid“ (2 Tim. 2:22; zie 1 Petr. 2:11).
Genesis 39:20.KruisverwijzingenGenesis 40:15→Psalmen 76:10→Genesis 41:9→Jesaja 53:8→2 Timotheüs 2:9→Psalmen 105:18→Daniël 3:21→Genesis 40:1→ — En Jozefs heer nam hem, en leverde hem in het gevangenhuis, ter plaatse, waar des konings gevangenen gevangen waren; alzo was hij daar in het gevangenhuis. “Alzo was hij daar in het gevangenhuis.“ Het toneel verandert opnieuw. Hij die eerst thuis een geliefd kind was geweest, daarna een slaaf en vervolgens een man die werd verleid, is nu een gevangene. Ongetwijfeld waren de gevangenissen van Egypte even afschuwelijk als alle dergelijke plaatsen in de oudheid, en daar bevond Jozef zich in de stinkende kerker. Blijkbaar heeft hij zwaar onder zijn gevangenschap geleden, want in de Psalmen wordt ons verteld: “Men drukte zijn voeten in den stok, zijn persoon kwam in de ijzers.“ (Ps. 105:18). Het moet voor hem bijzonder wreed zijn geweest om aan zulke laster blootgesteld te worden en te lijden terwijl hij onschuldig was. Voor een jonge man die zo rein en kuis was, moet deze beschuldiging scherper zijn geweest dan een zweep van schorpioenen. Maar terwijl hij in de duisternis van zijn cel zat, was de Heere bij hem.
Genesis 39:21.KruisverwijzingenExodus 3:21→Genesis 39:2→Exodus 11:3→Handelingen 7:9→Exodus 12:36→Psalmen 105:19→Daniël 1:9→Genesis 21:22→ — Doch de HEERE was met Jozef, en wende Zijn goedertierenheid tot hem; en gaf hem genade in de ogen van den overste van het gevangenhuis. “Doch de HEERE was met Jozef.” God was met Jozef, en al spoedig hadden zijn vriendelijke manieren, zachtmoedigheid, daadkracht, oprechtheid en ijver de gevangenisbewaarder voor zich gewonnen. Zo klom Jozef opnieuw op en werd hij opzichter van de gevangenis. In het kleine koninkrijk van de gevangenis regeerde Jozef, want God was met hem. [Opmerking: Niettemin beschermde de aanwezigheid van de Heere Jozef niet tegen haat, verleiding, laster, pijn of teleurstelling.] De Heere belooft ons niet wat de wereld welvaart noemt, maar de ware welvaart, in de diepste en beste zin van het woord.
Jozef, door de Ismaëlieten aan Pótifar in Egypte verkocht, wordt door Gods zegen verheven van slaaf tot de rang van huisbestuurder. Dit is de voorschool voor zijn latere roeping tot grootvizier van geheel Egypte, welke de Heere hem toegedacht heeft.
1. Jozef 1) nu werd, gelijk reeds in hoofdstuk 37:28,36 meegedeeld is, naar Egypte afgevoerd; en Pótifar, 2) een hoveling van Farao, een overste van de lijfwacht, een Egyptisch man3) kocht hem uit de hand van de Ismaëlieten, die hem daarheen afgevoerd hadden.
1) Thans zou de grote stap tot bevordering van de goddelijke raad van het heil gedaan worden. Jakob’s geslacht mocht, gelijk het reeds jaren te voren aan Abraham voorspeld was (hoofdstuk. 15:13), uit het land van de belofte naar een vreemd land heentrekken. Onder de Kanaänieten kon Jakob’s huis niet langer vertoeven, zonder, of zich te verstrooien en eenheid of zelfstandigheid te verliezen, of in twist te geraken met de bewoners van het land. Zij moesten een volk worden in het meest beschaafde land van de toenmalige wereld, en toch zo scherp mogelijk afgescheiden van de inwoners.
Met dit Hoofdstuk begint de eigenlijke geschiedenis van Jozef als hoofdpersoon. In hoofdstuk 37 was hij nog in het huis van zijn vader, nu is hij daar buiten en wordt door de Heere langs diepe wegen, tot die hoogte gebracht, welke voor hem bestemd was.
2) “Pótifar.” Deze naam herinnert aan de vroegere tijden van Egypte, waarin Phra als zonnegod werd vereerd. Potifar = Peti fra, aan de zonnegod gewijd.
3) In dit eerste vers staat niet zonder betekenis, dat Pótifar een hoveling van Farao was; een overste van de lijfwacht en een Egyptisch man. Want, én met Farao zou Jozef in betrekking komen én met Pótifar als overste van de lijfwacht, als opperscherprechter én met Egypte. Dit alles heeft de Heilige Schrijver hier duidelijk willen doen uitkomen.
2. En de HEERE 1) was met Jozef, a) regeerde hem door zijn Geest, zodat hij met stille overgave in zijn lot en in godzalige trouw zijn dienstwerk verrichtte. Hij zegende hem nu ook op in het oog vallende wijze, zodat hij een voorspoedig man was, gelukkig in alles wat hij deed (Psalm. 1:1-3); en, wel bestuurde de Heere het zó, dat hij niet op het veld in een slavenhuis was, maar in het huis van zijn heer, de Egyptenaar.
a) Vs.21 Hand.7:9
1) Jehova was met Jozef. De Verbondsgod gaat, met Zijn raadsbesluiten en met de zaak van Zijn rijk, overwinnend door de gehele wereld, door alle onrecht en smaad van de Zijnen. Jozef is thans de drager van de gehele ontwikkeling van de oudtestamentische Theocratie, en aan de draad van zijn zwaar bedreigd leven, waarover steeds het zwaard van de scherprechter zweeft, hangt, voor zover mensenogen reiken, het lot van Israël en het lot van de wereld.
Gods almacht mag en kan Zijn zaak aan zulke draden hangen: aan Jozef in de gevangenis, aan Mozes in het kistje tussen het Nijl-riet, aan David in de spelonk van Adullam. De Voorzienigheid is zeker van Haar zaak.
3. Als nu zijn heer zag, dat de HEERE met hem was, en dat de HEERE al wat hij deed, door zijn hand voorspoedig maakte.
Hieruit blijkt wel duidelijk dat de gunst van God ten opzichte van Jozef niet op algemene of gewone wijze aan het licht trad, wanneer zij door een profaan mens, en voor die zaken geheel blind, kon opgemerkt worden. Hoe schandelijk is dan onze ondankbaarheid, indien wij niet alle voorspoed tot God als Bewerker terugbrengen, daar de Schrift ons zo dikwijls vermaant dat bij de mensen niets gedijt, noch plannen, noch arbeid, noch welke middelen men ook bedenkt, dan datgene, hetwelk God zegent. Dat nu Pótifar daarom er groot belang in zag, om hem tot heer over zijn huis aan te stellen, daaruit zien wij dat ook profane mensen door de ware Godsvrucht zo kunnen getroffen worden, dat zij God de eer ervan moeten geven.
4. Zo vond Jozef genade in zijn ogen, en hij klom spoedig op van de laagste trap van de dienstbaarheid en hij diende hem, werd zijn kamerdienaar; en hij stelde hem vervolgens over zijn huis en al wat hij had, gaf hij in zijn hand; 1) hij maakte hem tot zijn huisverzorger, en vertrouwde hem niet slechts het oppertoezicht over zijn huishouding toe, maar ook de besturing van al zijn goederen.
1) Waar Jozef door zijn broeders als slaaf verkocht was, daar gaf God hem dit voorrecht, om hem enigszins in zijn lot te troosten, maar ook om hem voor te bereiden op datgene, wat hem wachtte, om hem vertrouwen op Zijn vaderlijke gunst en liefde in te storten, opdat als straks nieuwe beproevingen kwamen, hij niet moedeloos zou worden.
5. En het geschiedde van toen af, dat hij hem over zijn huis, en over al wat het zijne was, gesteld had, dat de HEERE het huis van de Egyptenaar zegende om Jozefs wil; a) ja de zegen van de HEERE was in alles wat hij had, in het huis en in het veld. 1)
a) Hoofdstuk 30:27
1) God was met Jozef, en zo komt hij, gelijk later de Heere Jezus Christus in de hoogste mate, als een gezegende, nergens dan met een zegen. Trouwens overal, waar de kerk, waar slechts één gelovige is, daar is ook zegen. Op het schip, waar Paulus is, worden tweehonderd zesenzeventig zielen behouden, en, waar Jozef is, daar gaat het Pótifar bij uitnemendheid wél; zodat niet de hoofdlieden Julius en Pótifar, maar Paulus en Jozef eigenlijk op die plaatsen de eersten waren.
Ter wille van Jozef werd het huis van Pótifar gezegend. Zo doet God altijd. Indien er tien rechtvaardigen in Sodom zouden geweest zijn, zou Hij deze stad hebben gespaard. Trouwe en vrome dienstknechten bidden ook voor hun meesters en vrouwen. De Heere hoort de zuchten van zijn kinderen.
6. En hij liet alles wat hij had in Jozefs hand; gelijk de trage Oosterlingen, wanneer zij een vertrouwde bediende hebben, aan deze graag onvoorwaardelijk volmacht geven en zich om niets bekommeren. Pótifar vertrouwde hem geheel, zodat hij met hem van geen ding kennis had, 1) behalve van het brood dat hij at; 2) ten opzichte van de spijzen nam hij de Egyptische regels waar en de strenge afzondering van de Hebreeuwse knecht (hoofdstuk. 43:32; 46:34). En Jozef was, evenals zijn gestorven moeder, schoon van gedaante, en schoon van aangezicht. 3)
1) Onder de voorwerpen van de akkerbouw, welke in de Egyptische graven afgebeeld zijn, vindt men dikwijls een huisverzorger, die boek over de oogst houdt. In een graf te Kum el Ahmar ziet men de schrijftafel van de huisverzorger met al haar toebehoren.
2) Volgens Herodotus, bediende zich geen Egyptenaar van mes, vork of braadspit van een Griek of andere vreemdeling; hij at zelfs nooit van het vlees van een reine stier, zo deze met het mes van een Griek gedood was.
3) Daar voor de heilige Jozef de schoonheid van gedaante een oorzaak van veel verdriet is geweest, zo laten wij daaruit leren, om niet zo zeer de gaven van het lichaam te zoeken, welke bij de mens in ere zijn, dan wel tevreden met ons lot te zijn. Wij zien, hoe zij, die in schoonheid uitmunten, aan vele gevaren zijn blootgesteld. Want het is zeldzaam en moeilijk, om zich van alle ellenden vrij te houden. Ofschoon in Jozef de vrees voor God zo heerste, dat hij alle onkuisheid verafschuwde, zo heeft echter aan de andere zijde satan hem zóveel ellende veroorzaakt, dat hij uit de gave van God strikken zocht te bereiden om zijn ziel te vangen. Waarom wij God ijverig moeten smeken, dat hij onder zoveel gevaar ons door zijn Geest bestuurt en de gave, waarmee Hij ons begunstigt, van alle smet zuiver houdt.
II. Gen. 39 vers 7-12
Nadat Jozef verscheidene jaren zijn aardse heer getrouw gediend heeft, moet hij nog een zware beproeving doorstaan. Pótifars vrouw in boze lust tot hem ontstoken, beproeft eerst alle listige middelen tot verleiding, openbaart hem vervolgens, onverholen en steeds opnieuw, haar begeerte, en wil hem eindelijk dwingen; maar Jozef volhardt in zijn godsvrucht en blijft haar tegenstaan.
7. En het geschiedde na deze dingen, toen Jozef ongeveer tien jaar Pótifar gediend had, en nu een ouderdom van omtrent zevenentwintig jaar bereikt had, a) dat de vrouw van zijn heer haar ogen op Jozef wierp 1) en, nadat zij haar gunstbetoningen lange tijd tevergeefs aan hem beproefd had, openbaarde zij hem openlijk haar begeerte, zei: Lig bij mij! 2)
a) Spreuken. 7:13
1) De liefde van Pótifars vrouw was voor Jozef gevaarlijker dan de haat van zijn broeders.
Nu bedreigt hem een zwaardere dienstbaarheid: die van de zonde.
Uit de getuigenissen van de ouden weten wij, dat Egypte, tenminste in later tijd, een hoogst zedeloos land was, waarin allerlei wellust heerste, en waar in het bijzonder de echtbreuk zeer gewoon was. Herodotus verhaalt, dat Farao, de zoon van Sesostris, het verloren gezicht moetende herwinnen door de aanraking van een vrouw, die haar man nimmer ontrouw was geweest, er slechts één enkele gevonden heeft, die hij dan ook terstond tot de zijne nam. Voor het overige leefden de Egyptische vrouwen niet zó afgezonderd van de mannen, als dit anders in het oosten gewoonlijk geschiedde; zij kwamen integendeel in verschillende levensomstandigheden met hen in aanraking.
2) Hier wordt alleen de eerste openbare daad verhaald. Uit tedere kiesheid laat de schrijver na te verhalen, welke lagen en listen zij al aangewend heeft, om Jozef in haar netten te vangen. De Heilige Schrift treedt altijd met de naakte waarheid op, maar in dat optreden komt het immer uit dat heilige mannen van God door de Heilige Geest gedreven, de Schrijvers zijn geweest. Er is dan ook nooit iemand, door het lezen van zulke geschiedenissen, als hier beschreven worden, bedorven. Waar van ongelovige zijde zulks beweerd wordt, daar toont men ook hierdoor, dat met de zonde niet gerekend wordt.
8. Maar hij weigerde het, en zei tot de vrouw van zijn heer Zie mijn heer heeft geen kennis met mij, 1) wat er in het huis is, en al wat hij heeft dat heeft hij in mijn hand gegeven.
1) “Geen kennis met mij”. d.w.z. heeft mij de zorg voor alles overgelaten en eist geen rekenschap van mij, van enig ding.
9. Niemand is groter in dit huis dan ik, mijn heer heeft mij in alles gehele volmacht gegeven, en hij heeft voor mij niets onthouden, dan u, daarin dat gij zijn vrouw zijt; 1) hoe zou ik dan zijn vertrouwen geheel misbruikende, dit zo grote kwaad doen, a) en daardoor op zo zware wijze zondigen tegen God. 2)
a) Spreuken. 8:13
1) Op welk een verstandige en kiese manier tracht Jozef haar haar zondige wens onder de ogen te brengen, door de deugden van haar man tegenover hem en haar breed uit te meten, maar ook door haar voor ogen te houden, welk een misbruik van vertrouwen hij zou maken, indien hij aan haar wens toegaf!.
2) Jozef stelt hier de zonde in het ware licht. De zonde tegen zijn heer was in de grond van de zaak zonde tegen God, vergrijp tegen Zijn heilige wil.
10. En het geschiedde, als zij Jozef dag op dag aansprak (vs.7) en hij naar haar niet hoorde, om bij haar te liggen, en, anders dan in tegenwoordigheid van derden, bij haar te zijn.
Wel blijkt hieruit Jozefs standvastigheid en zijn vroomheid van wandel. Op een leeftijd als hij was, in een ondergeschikte betrekking, waarin hij zich bevond, zou het volstrekt geen onmogelijkheid zijn geweest, dat hij had toegegeven. God, de Heere, zorgde er echter voor, dat hij zegevierend uit de strijd te voorschijn kwam. De strijd tussen Jozef en Pótifars vrouw is de strijd tussen het vrouwen- en het slangenzaad. Hij overwint, maar hem worden de verzenen vermorzeld, doordat hij tijdelijk te ondergaat, maar om straks weer heerlijk te voorschijn te treden. Ook daarin type van de Christus.
11. Zo gebeurde het op zulk een dag, 1) dat haar man niet thuis was (vs.16), en hij in het huis kwam, om zijn werk te doen, en niemand van de lieden van het huis was toen daar binnenshuis.
1) “Op zulk een dag,” d.i. een volgende maal. Eerst wordt de verleiding door woorden beschreven, en nu die door daden, en wel door daden van geweld.
12. En zij greep hem bij zijn kleed, om hem tot zich te trekken, zeggende: Lig bij mij! 1)En hij liet zijn kleed in haar hand 2) en vluchtte, en ging uit naar buiten.
1) De vrouw van Pótifar, verlokt door Jozefs schoonheid, wil hem tot overspel bewegen. Dit is in zijn omstandigheden een zeer zware beproeving. Hij bestuurt de gehele huishouding, en geniet het volkomen vertrouwen van zijn heer; nu biedt hem ook zijn gebiederes haar liefde aan. Hij is ver van huis, in een land, vanouds berucht om zijn onkuisheid; wie zal het ontdekken; wie zal het bestraffen? Dag op dag wordt hij aangesproken, en gedurende aangeven tijd, op allerlei wijzen verzocht. Onder zulke omstandigheden zouden duizenden gevallen zijn. Eindelijk grijpt zij hem op de onbeschaamdste wijze aan, in de eenzaamheid. Men kan tien verzoekingen overwonnen hebben, en toch bij de elfde vallen; Jozef blijft onbeweeglijk. Ofschoon slaaf, staat hij in de vrijheid, want hij heerst over zijn hartstochten; ofschoon vluchtende, bewijst hij mannenmoed, want iedere ontvluchting is een eervolle overwinning.
Jozefs gedrag staat, als toonbeeld van kuisheid, in een glinsterend licht naast de geschiedenis van Juda in het vorig hoofdstuk.
Dat de jongelingen Jozef navolgen, die zo rein en schoon was naar het lichaam, maar nog schoner was van ziel.
2) Jozef laat de mantel los, maar het goed geweten houdt hij vast; God zal hem daarvoor een zijden kleed schenken (hoofdstuk. 41:42)
Door zijn kleed in haar hand te laten, zette hij tevens zijn leven op het spel. Hij is echter eerder bereid goed en leven over te geven, dan tegen de wil van God te zondigen.
III. Gen. 39 vers 13-23
Door Pótifars vrouw van een aanslag op haar trouw beschuldigd, wordt Jozef door haar gemaal in de gevangenis geworpen; daar verwerft hij zich, door de zegen van de Heere, een zo volkomen vertrouwen, dat de overste van het gevangenhuis al zijn gevangenen in zijn hand stelt.
13. En het geschiedde, als zij zag, dat hij zijn kleed in haar hand gelaten had, en naar buiten gevlucht was, en alzo met haar bedoelingen niets te doen wilde hebben.
14. Zo riep zij de mensen van haar huis, om een bekendmaking van zijn zijde te voorkomen, en tevens om zich voor zijn weigering te wreken, en zij sprak tot hen, in gehuichelde toorn tegen haar man, die haar eer a) aan zo groot een gevaar had blootgesteld, zeggende: Ziet, hij heeft bij ons de Hebreeuwse man binnengebracht, 1) om met ons, de vrouw des huizes te spotten en tot schande te maken; hij, die lage mens, is tot mij gekomen, terwijl ik alleen was, om bij mij te liggen, en ik heb geroepen met luider stem;
1) Hier zien wij, wat wanhoop doet. Want wegens misdadige hartstocht is de vrouw in een furie veranderd. Waaruit duidelijk blijkt, hoe de wellust, wanneer zij niet gebreideld wordt, de dierlijke driften te voorschijn brengt. Zeker, waar satan eenmaal over de ongelukkige mensen zijn heerschappij heeft uitgeoefend, daar zal hij niet ophouden, hen voort te slepen, totdat hij hen door een geest van zinneloosheid en duizeling hals over hoofd in het verderf heeft gestort. Wij zien ook, hoe hij de goddelozen, welke hij onder zijn heerschappij houdt; tot volharden aanzet. Wel werpt God dikwijls Zijn schrik onder de goddelozen, opdat zij hun eigen misdaad, door angstige vrees voortgedreven, aan de dag brengen. En het is mogelijk, dat in gelaat en woorden de tekenen van een verontrust geweten bij deze onreine vrouw zichtbaar waren, maar satan zet haar zo tot volharden aan, dat zij brutaalweg het plan opvat, om de vrome jongeman in het verderf te storten, en op hetzelfde ogenblik zulk een list bedenkt, waarmee zij hem onschadelijk maakt, alsof zij reeds lang in kalme ogenblikken zijn verderf had gezocht.
Versmade hartstocht wordt niet zelden in dodelijke haat overgezet. In de uiting daarvan, spreekt zij zelfs met minachting “hij” van haar man.
15. En het geschiedde, als hij hoorde, dat ik mijn stem verhief, en riep zo verliet hij zijn kleed bij mij, en vluchtte en ging uit naar buiten. 1)
1) De aanklacht van Pótifars vrouw is een toonbeeld van de kabalen, waarin zich die van alle tijden, ook van de laatsten, afspiegelen kunnen. Dit is het eerste voorbeeld van een vreselijk beliegen in de Heilige Schrift, uitgegaan van een ontuchtige vrouw; een omkering van Jozefs deugd in het tegendeel door de misdadigste en listigste leugen van wraakzucht! Zo werd ook Christus belogen op een wijze, die men als het toppunt van beliegen, als een meesterstuk van een aartsleugenaar kan aanmerken.
16. En zij legde, om enig leugenachtig bewijs voor haar verhaal te hebben, zijn kleed bij zich, 1) totdat zijn heer in zijn huis kwam.
1) Jozef heeft ten tweeden male zijn kleed moeten achterlaten, dat tot misleiding van anderen dienen moest.
17. Toen sprak zij tot hem naar diezelfde woorden, zeggende: De Hebreeuwse knecht 1) die gij 2) bij ons hebt binnengebracht, is tot mij gekomen, om met mij te spotten.
1) Zij noemt ook hier Jozef de Hebreeuwse knecht, om hem in een verachtelijk daglicht te stellen, maar bovenal, om te doen uitkomen dat hij, de slaaf, en nog wel de vreemde slaaf, tot haar de ogen heeft durven opheffen. Hiermee wil zij de toorn van Pótifar ten zeerste opwekken, en van hem verkrijgen, dat hij ogenblikkelijk die knecht laat doden. De standen of kasten waren in Egypte zeer streng gescheiden, zodat, indien niet zij, maar Jozef de verleider was geweest, deze stellig zijn daad met het leven had moeten boeten. Echt satanisch van deze vrouw. Dan was voor immer de getuige van haar zonde, of liever haar aanklager, weg. Pótifars vrouw is de Herodias van het Oude Testament.
2) Zijdelings werpt zij de schuld op Pótifar. Ook dit was berekening.
18. En het is geschied, als ik mijn stem verhief, en riep, dat hij zijn kleed bij mij liet, gelijk gij dit hier kunt zien, en vluchtte naar buiten.
19. En het geschiedde, als zijn heer de woorden van zijn vrouw hoorde, die zij tot hem sprak, zeggende: Naar deze woorden heeft mij uw knecht gedaan, zo ontstak zijn toorn. 1)
1) Tegen wie? Er staat hier niet tegen Jozef. Wel wordt deze straks in de gevangenis geworpen, maar daaruit blijkt nog niet, dat Pótifar het verhaal van zijn vrouw geloofde. Indien hij dit gedaan had, had hij ongetwijfeld Jozef laten doden. Dit brachten de wetten van het land met zich mee. Om echter de eer van zijn huis te redden, laat hij Jozef in de gevangenis werpen, maar maakt het hem daar zo gemakkelijk mogelijk. Hoogstwaarschijnlijk zal hij ook bewerkt hebben, dat hij daar onderopzichter werd, in alle geval er zich niet tegen verzet. Opmerkelijk is het, dat hier niet bijgevoegd is: “tegen Jozef.” Hoewel de wetten tegen de echtbreuk in Egypte bijzonder streng waren, stelt Pótifar hem slechts in de gevangenis, waar, waarschijnlijk niet tegen zijn wil, Jozef verhoogd wordt, terwijl hij zelf hem later ter verzorging van de schenken en de bakker aanwijst. (hoofdstuk. 40:4). Hieruit blijkt, dat Pótifar zijn vrouw niet ten volle heeft vertrouwd, noch aan Jozefs zonde geloof heeft geslagen, maar slechts de eer van zijn huis heeft willen redden.
20. En Jozefs heer die, als overste van de koninklijke lijfwacht, tevens de staatsgevangenis onder zijn oppertoezicht had, nam hem, en leverde hem in het gevangenhuis 1) a) ter plaatse, waar de gevangenen van de koning gevangen waren; 2)alzo was hij daar in het gevangenhuis, dat een gedeelte van Pótifars huis uitmaakte. (hoofdstuk. 40:3).
a) Psalm. 105:18
1) Jozefs overwinning in zijn verzoeking toont, hoe de mens, voornamelijk de jongeman, de verzoeking moet overwinnen. De eerste voorwaarde is: “Wandel steeds als in de tegenwoordigheid van God”; de tweede: “strijd met de wapenen van het woord in het licht van recht en plicht”; de derde: “Mijd de gelegenheid”, de vierde: “Wees beslist en neem, wanneer het zijn moet de vlucht met verlies van uw kleed, van uw goede naam, van uw vrijheid, van uw leven zelfs”.
Jozef laat zich gewillig wegvoeren. Hij zwijgt tegenover de valse beschuldiging. Onmiskenbaar is hier ook weer de typische betekenis zichtbaar en vertoont hij hier het beeld van Hem, die, als Hij gescholden werd niet weer schold, en als Hij leed niet dreigde, maar gaf het over aan Die, die rechtvaardig oordeelt. Jozef heeft ook hier een voorbeeld gegeven, om te allen tijde op valse beschuldigingen het stilzwijgen te bewaren.
2) “Waar de gevangenen van de koning waren” wil zeggen, waar de staatsgevangenen werden opgesloten. Deze gevangenissen waren met een ringmuur omsloten.
21. Doch de HEERE was met Jozef, 1) en wendde Zijn goedertierenheid tot hem; en gaf hem genade in de ogen van de overste van het gevangenhuis, een onder-bediende van Pótifar.
1) Waar mensen hem verlaten of schijnbaar hard behandelen, daar blijft de Heere hem nabij. Met deze uitdrukking wordt de bron aangegeven van de zegen, welke Jozef ook nog in het gevangenhuis ten deel valt.
Laat de liefde van de mensen in haat verkeren, gelijk de liefde van de goddelozen zo makkelijk verkeert, Gods goedertierenheid zal ter vertroosting zich meer openbaren, en Hij, die de harten als waterbeken leidt, zal u, waar gij de zonde overwint, betere vrienden geven, dan gij verloren hebt.
22. En de overste van het gevangenhuis gaf al de gevangenen, die in het gevangenhuis waren, in Jozefs hand; hij gaf alles aan hem ter besturing over; en al wat zij daar deden tot bewaring en bediening van de gevangenen, dat deed hij, 1) dat geschiedde onder zijn leiding en op zijn bevel.
1) Daar Jozef in het huis van de overste van de koninklijke lijfwachten tot bestuurder werd gesteld, zo leerde hij daar reeds in het klein, wat hij als onderkoning in het groot zou te doen hebben; hij werd er voorbereid op zijn aanstaande bediening. Hij was getrouw in het kleine; hij zou over het grote gezet worden; doch een nog diepere vernedering moest deze hoogste verhoging voorafgaan. Wij zien Jozef in banden en in het gevangenhuis, doch ook hier was hij spoedig weer dezelfde, die hij naast Farao zijn zou: de opperbestuurder. Het was een doorgaande lijn in het leven van Jozef van hetgeen God met hem voor had. Hij was geboren om te regeren. Daarom was hij altijd de tweede-Jozef was, gelijk ieder Christen nog is, de kurk gelijk, die, hoe dikwijls ook in het water naar beneden gedrukt, nochtans telkens, zodra de drukking ophoudt, vanzelf weer boven komt drijven. Daarbij is het opmerkelijk, dat Jozef niet door zijn vrienden, maar door zijn vijanden tot zijn hoogte geklommen is. Trouwens vrienden zijn meestal te flauw; maar vijanden zijn scherp en dringen en drijven ons voort, zodat wij komen, waar wij anders niet zouden gekomen zijn.
23. De overste van het gevangenhuis zag op geen ding, dat in zijn hand was; hij vertrouwde Jozef zo geheel, dat hij niets meer nazag, daar hij wist, dat deze in allesnauwlettend en getrouw was. Zo was Jozef ook in het gevangenhuis gezegend, omdat de HEERE met hem was; en wat hij deed, dat deed de HEERE wel gedijen. 1)
1) God heeft ook op de gevangenis, op de banden en op de allerschandelijkste dood Zijn ogen, evenals op de schone heldere zon. Men kan in Jozef niets anders zien, dan de dood, en dat hij zijn goede naam, en al zijn deugden zal moeten verliezen. Daar komt nu Christus en laat het licht van Zijn genadige ogen in die hel schijnen, Jozef moest heer worden, al ging het ook door de hel heen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel
Ter overdenking
Zoals een kurk die u wel naar beneden kunt duwen, maar die onvermijdelijk weer naar boven komt, zo was ook Jozef. Hij moest wel blijven drijven; hij kon niet verdrinken, want de Heere was met hem. De tegenwoordigheid van de Heere maakte hem, waar hij ook kwam, tot koning en priester, en de mensen erkenden stilzwijgend zijn invloed.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Genesis 39
Genesis 39:2.Kruisverwijzingen1 Samuël 18:14→Genesis 26:28→Genesis 21:22→Genesis 26:24→Jeremia 15:20→1 Samuël 18:28→Handelingen 7:9→1 Samuël 16:18→
— En de HEERE was met Jozef, zodat hij een voorspoedig man was; en hij was in het huis van zijn heer, den Egyptenaar.
“De HEERE was met Jozef.” Toen hij werd meegenomen naar het huis van zijn meester en de verschillende taken van zijn dienst werden toegewezen, was de Heere met Jozef. Het huis van de Egyptenaar was nog nooit zo rein, zo eerlijk en zo geëerd geweest. Onder Jozefs leiding was het in het verborgen de tempel van zijn toewijding en zichtbaar een plaats van troost en vertrouwen. Die Hebreeuwse slaaf straalde een heerlijkheid van karakter uit die iedereen opmerkte, en vooral zijn meester, want wij lezen dat: “Zijn heer zag, dat de HEERE met hem was, en dat de HEERE al wat hij deed, door zijn hand voorspoedig maakte.”
Genesis 39:7-12.KruisverwijzingenGenesis 42:18→2 Samuël 12:13→2 Samuël 13:11→Genesis 20:6→Psalmen 51:4→Prediker 7:26→Spreuken 6:5→Spreuken 7:13→
— En het geschiedde na deze dingen, dat de huisvrouw zijns heren haar ogen op Jozef wierp; en zij zeide: lig bij mij! Maar hij weigerde het, en zeide tot de huisvrouw zijns heren: Zie, mijn heer heeft geen kennis met mij, wat er in het huis is; en al wat hij heeft, dat heeft hij in mijn hand gegeven. Niemand is groter in dit huis dan ik, en hij heeft voor mij niets onthouden, dan u, daarin dat gij zijn huisvrouw zijt; hoe zoude ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God! En het geschiedde, als zij Jozef dag op dag aansprak, en hij naar haar niet hoorde, om bij haar te liggen, en bij haar te zijn; Zo gebeurde het op zulk een dag, dat hij in het huis kwam, om zijn werk te doen; en niemand van de lieden des huizes was daar binnenshuis. En zij greep hem bij zijn kleed, zeggende: Lig bij mij! En hij liet zijn kleed in haar hand, en vluchtte, en ging uit naar buiten.
“Lig bij mij!” Jozefs ijver, integriteit en zachtmoedigheid wonnen, zoals te verwachten was, de gunst van zijn meester. O, mochten allen die christelijke dienaren zijn, Jozef hierin navolgen en zich zo gedragen dat iedereen kan zien dat de Heere met hen is. Toen brak de tijd van de beproeving aan in zijn leven. Jozef werd op de proef gesteld door een verleiding waaraan zovelen ten onder gaan. Hij werd aangevallen op een punt waarop een jonge man bijzonder kwetsbaar is. Zijn knappe uiterlijk maakte hem tot het doelwit van onreine verleidingen door iemand van wie zijn welzijn in grote mate afhankelijk was. En als de Heere niet met hem was geweest, zou hij gevallen zijn. De meeste mensen zouden hem nauwelijks iets hebben verweten als hij gezondigd had; zij zouden de schuld bij de verleidster hebben gelegd en de zwakheid van de jeugd hebben verontschuldigd. Ik zeg: dat is niet zo! Bij daden van onreinheid kan geen van beide overtreders worden verontschuldigd. Maar God was met Jozef, en hij gleed niet uit, hoewel hij op gladde plaatsen werd gezet; hij vluchtte. Die vlucht was de oprechtste blijk van moed. Het is de enige weg tot overwinning op de zonden van het vlees. De apostel zegt: “Maar vlied de begeerlijkheden der jonkheid“ (2 Tim. 2:22; zie 1 Petr. 2:11).
Genesis 39:20.KruisverwijzingenGenesis 40:15→Psalmen 76:10→Genesis 41:9→Jesaja 53:8→2 Timotheüs 2:9→Psalmen 105:18→Daniël 3:21→Genesis 40:1→
— En Jozefs heer nam hem, en leverde hem in het gevangenhuis, ter plaatse, waar des konings gevangenen gevangen waren; alzo was hij daar in het gevangenhuis.
“Alzo was hij daar in het gevangenhuis.“ Het toneel verandert opnieuw. Hij die eerst thuis een geliefd kind was geweest, daarna een slaaf en vervolgens een man die werd verleid, is nu een gevangene. Ongetwijfeld waren de gevangenissen van Egypte even afschuwelijk als alle dergelijke plaatsen in de oudheid, en daar bevond Jozef zich in de stinkende kerker. Blijkbaar heeft hij zwaar onder zijn gevangenschap geleden, want in de Psalmen wordt ons verteld: “Men drukte zijn voeten in den stok, zijn persoon kwam in de ijzers.“ (Ps. 105:18). Het moet voor hem bijzonder wreed zijn geweest om aan zulke laster blootgesteld te worden en te lijden terwijl hij onschuldig was. Voor een jonge man die zo rein en kuis was, moet deze beschuldiging scherper zijn geweest dan een zweep van schorpioenen. Maar terwijl hij in de duisternis van zijn cel zat, was de Heere bij hem.
Genesis 39:21.KruisverwijzingenExodus 3:21→Genesis 39:2→Exodus 11:3→Handelingen 7:9→Exodus 12:36→Psalmen 105:19→Daniël 1:9→Genesis 21:22→
— Doch de HEERE was met Jozef, en wende Zijn goedertierenheid tot hem; en gaf hem genade in de ogen van den overste van het gevangenhuis.
“Doch de HEERE was met Jozef.” God was met Jozef, en al spoedig hadden zijn vriendelijke manieren, zachtmoedigheid, daadkracht, oprechtheid en ijver de gevangenisbewaarder voor zich gewonnen. Zo klom Jozef opnieuw op en werd hij opzichter van de gevangenis. In het kleine koninkrijk van de gevangenis regeerde Jozef, want God was met hem. [Opmerking: Niettemin beschermde de aanwezigheid van de Heere Jozef niet tegen haat, verleiding, laster, pijn of teleurstelling.] De Heere belooft ons niet wat de wereld welvaart noemt, maar de ware welvaart, in de diepste en beste zin van het woord.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Gen. 39 vers 1-6
Jozef, door de Ismaëlieten aan Pótifar in Egypte verkocht, wordt door Gods zegen verheven van slaaf tot de rang van huisbestuurder. Dit is de voorschool voor zijn latere roeping tot grootvizier van geheel Egypte, welke de Heere hem toegedacht heeft.
1. Jozef 1) nu werd, gelijk reeds in hoofdstuk 37:28,36 meegedeeld is, naar Egypte afgevoerd; en Pótifar, 2) een hoveling van Farao, een overste van de lijfwacht, een Egyptisch man3) kocht hem uit de hand van de Ismaëlieten, die hem daarheen afgevoerd hadden.
1) Thans zou de grote stap tot bevordering van de goddelijke raad van het heil gedaan worden. Jakob’s geslacht mocht, gelijk het reeds jaren te voren aan Abraham voorspeld was (hoofdstuk. 15:13), uit het land van de belofte naar een vreemd land heentrekken. Onder de Kanaänieten kon Jakob’s huis niet langer vertoeven, zonder, of zich te verstrooien en eenheid of zelfstandigheid te verliezen, of in twist te geraken met de bewoners van het land. Zij moesten een volk worden in het meest beschaafde land van de toenmalige wereld, en toch zo scherp mogelijk afgescheiden van de inwoners.
Met dit Hoofdstuk begint de eigenlijke geschiedenis van Jozef als hoofdpersoon. In hoofdstuk 37 was hij nog in het huis van zijn vader, nu is hij daar buiten en wordt door de Heere langs diepe wegen, tot die hoogte gebracht, welke voor hem bestemd was.
2) “Pótifar.” Deze naam herinnert aan de vroegere tijden van Egypte, waarin Phra als zonnegod werd vereerd. Potifar = Peti fra, aan de zonnegod gewijd.
3) In dit eerste vers staat niet zonder betekenis, dat Pótifar een hoveling van Farao was; een overste van de lijfwacht en een Egyptisch man. Want, én met Farao zou Jozef in betrekking komen én met Pótifar als overste van de lijfwacht, als opperscherprechter én met Egypte. Dit alles heeft de Heilige Schrijver hier duidelijk willen doen uitkomen.
2. En de HEERE 1) was met Jozef, a) regeerde hem door zijn Geest, zodat hij met stille overgave in zijn lot en in godzalige trouw zijn dienstwerk verrichtte. Hij zegende hem nu ook op in het oog vallende wijze, zodat hij een voorspoedig man was, gelukkig in alles wat hij deed (Psalm. 1:1-3); en, wel bestuurde de Heere het zó, dat hij niet op het veld in een slavenhuis was, maar in het huis van zijn heer, de Egyptenaar.
a) Vs.21 Hand.7:9
1) Jehova was met Jozef. De Verbondsgod gaat, met Zijn raadsbesluiten en met de zaak van Zijn rijk, overwinnend door de gehele wereld, door alle onrecht en smaad van de Zijnen. Jozef is thans de drager van de gehele ontwikkeling van de oudtestamentische Theocratie, en aan de draad van zijn zwaar bedreigd leven, waarover steeds het zwaard van de scherprechter zweeft, hangt, voor zover mensenogen reiken, het lot van Israël en het lot van de wereld.
Gods almacht mag en kan Zijn zaak aan zulke draden hangen: aan Jozef in de gevangenis, aan Mozes in het kistje tussen het Nijl-riet, aan David in de spelonk van Adullam. De Voorzienigheid is zeker van Haar zaak.
3. Als nu zijn heer zag, dat de HEERE met hem was, en dat de HEERE al wat hij deed, door zijn hand voorspoedig maakte.
Hieruit blijkt wel duidelijk dat de gunst van God ten opzichte van Jozef niet op algemene of gewone wijze aan het licht trad, wanneer zij door een profaan mens, en voor die zaken geheel blind, kon opgemerkt worden. Hoe schandelijk is dan onze ondankbaarheid, indien wij niet alle voorspoed tot God als Bewerker terugbrengen, daar de Schrift ons zo dikwijls vermaant dat bij de mensen niets gedijt, noch plannen, noch arbeid, noch welke middelen men ook bedenkt, dan datgene, hetwelk God zegent. Dat nu Pótifar daarom er groot belang in zag, om hem tot heer over zijn huis aan te stellen, daaruit zien wij dat ook profane mensen door de ware Godsvrucht zo kunnen getroffen worden, dat zij God de eer ervan moeten geven.
4. Zo vond Jozef genade in zijn ogen, en hij klom spoedig op van de laagste trap van de dienstbaarheid en hij diende hem, werd zijn kamerdienaar; en hij stelde hem vervolgens over zijn huis en al wat hij had, gaf hij in zijn hand; 1) hij maakte hem tot zijn huisverzorger, en vertrouwde hem niet slechts het oppertoezicht over zijn huishouding toe, maar ook de besturing van al zijn goederen.
1) Waar Jozef door zijn broeders als slaaf verkocht was, daar gaf God hem dit voorrecht, om hem enigszins in zijn lot te troosten, maar ook om hem voor te bereiden op datgene, wat hem wachtte, om hem vertrouwen op Zijn vaderlijke gunst en liefde in te storten, opdat als straks nieuwe beproevingen kwamen, hij niet moedeloos zou worden.
5. En het geschiedde van toen af, dat hij hem over zijn huis, en over al wat het zijne was, gesteld had, dat de HEERE het huis van de Egyptenaar zegende om Jozefs wil; a) ja de zegen van de HEERE was in alles wat hij had, in het huis en in het veld. 1)
a) Hoofdstuk 30:27
1) God was met Jozef, en zo komt hij, gelijk later de Heere Jezus Christus in de hoogste mate, als een gezegende, nergens dan met een zegen. Trouwens overal, waar de kerk, waar slechts één gelovige is, daar is ook zegen. Op het schip, waar Paulus is, worden tweehonderd zesenzeventig zielen behouden, en, waar Jozef is, daar gaat het Pótifar bij uitnemendheid wél; zodat niet de hoofdlieden Julius en Pótifar, maar Paulus en Jozef eigenlijk op die plaatsen de eersten waren.
Ter wille van Jozef werd het huis van Pótifar gezegend. Zo doet God altijd. Indien er tien rechtvaardigen in Sodom zouden geweest zijn, zou Hij deze stad hebben gespaard. Trouwe en vrome dienstknechten bidden ook voor hun meesters en vrouwen. De Heere hoort de zuchten van zijn kinderen.
6. En hij liet alles wat hij had in Jozefs hand; gelijk de trage Oosterlingen, wanneer zij een vertrouwde bediende hebben, aan deze graag onvoorwaardelijk volmacht geven en zich om niets bekommeren. Pótifar vertrouwde hem geheel, zodat hij met hem van geen ding kennis had, 1) behalve van het brood dat hij at; 2) ten opzichte van de spijzen nam hij de Egyptische regels waar en de strenge afzondering van de Hebreeuwse knecht (hoofdstuk. 43:32; 46:34). En Jozef was, evenals zijn gestorven moeder, schoon van gedaante, en schoon van aangezicht. 3)
1) Onder de voorwerpen van de akkerbouw, welke in de Egyptische graven afgebeeld zijn, vindt men dikwijls een huisverzorger, die boek over de oogst houdt. In een graf te Kum el Ahmar ziet men de schrijftafel van de huisverzorger met al haar toebehoren.
2) Volgens Herodotus, bediende zich geen Egyptenaar van mes, vork of braadspit van een Griek of andere vreemdeling; hij at zelfs nooit van het vlees van een reine stier, zo deze met het mes van een Griek gedood was.
3) Daar voor de heilige Jozef de schoonheid van gedaante een oorzaak van veel verdriet is geweest, zo laten wij daaruit leren, om niet zo zeer de gaven van het lichaam te zoeken, welke bij de mens in ere zijn, dan wel tevreden met ons lot te zijn. Wij zien, hoe zij, die in schoonheid uitmunten, aan vele gevaren zijn blootgesteld. Want het is zeldzaam en moeilijk, om zich van alle ellenden vrij te houden. Ofschoon in Jozef de vrees voor God zo heerste, dat hij alle onkuisheid verafschuwde, zo heeft echter aan de andere zijde satan hem zóveel ellende veroorzaakt, dat hij uit de gave van God strikken zocht te bereiden om zijn ziel te vangen. Waarom wij God ijverig moeten smeken, dat hij onder zoveel gevaar ons door zijn Geest bestuurt en de gave, waarmee Hij ons begunstigt, van alle smet zuiver houdt.
II. Gen. 39 vers 7-12
Nadat Jozef verscheidene jaren zijn aardse heer getrouw gediend heeft, moet hij nog een zware beproeving doorstaan. Pótifars vrouw in boze lust tot hem ontstoken, beproeft eerst alle listige middelen tot verleiding, openbaart hem vervolgens, onverholen en steeds opnieuw, haar begeerte, en wil hem eindelijk dwingen; maar Jozef volhardt in zijn godsvrucht en blijft haar tegenstaan.
7. En het geschiedde na deze dingen, toen Jozef ongeveer tien jaar Pótifar gediend had, en nu een ouderdom van omtrent zevenentwintig jaar bereikt had, a) dat de vrouw van zijn heer haar ogen op Jozef wierp 1) en, nadat zij haar gunstbetoningen lange tijd tevergeefs aan hem beproefd had, openbaarde zij hem openlijk haar begeerte, zei: Lig bij mij! 2)
a) Spreuken. 7:13
1) De liefde van Pótifars vrouw was voor Jozef gevaarlijker dan de haat van zijn broeders.
Nu bedreigt hem een zwaardere dienstbaarheid: die van de zonde.
Uit de getuigenissen van de ouden weten wij, dat Egypte, tenminste in later tijd, een hoogst zedeloos land was, waarin allerlei wellust heerste, en waar in het bijzonder de echtbreuk zeer gewoon was. Herodotus verhaalt, dat Farao, de zoon van Sesostris, het verloren gezicht moetende herwinnen door de aanraking van een vrouw, die haar man nimmer ontrouw was geweest, er slechts één enkele gevonden heeft, die hij dan ook terstond tot de zijne nam. Voor het overige leefden de Egyptische vrouwen niet zó afgezonderd van de mannen, als dit anders in het oosten gewoonlijk geschiedde; zij kwamen integendeel in verschillende levensomstandigheden met hen in aanraking.
2) Hier wordt alleen de eerste openbare daad verhaald. Uit tedere kiesheid laat de schrijver na te verhalen, welke lagen en listen zij al aangewend heeft, om Jozef in haar netten te vangen. De Heilige Schrift treedt altijd met de naakte waarheid op, maar in dat optreden komt het immer uit dat heilige mannen van God door de Heilige Geest gedreven, de Schrijvers zijn geweest. Er is dan ook nooit iemand, door het lezen van zulke geschiedenissen, als hier beschreven worden, bedorven. Waar van ongelovige zijde zulks beweerd wordt, daar toont men ook hierdoor, dat met de zonde niet gerekend wordt.
8. Maar hij weigerde het, en zei tot de vrouw van zijn heer Zie mijn heer heeft geen kennis met mij, 1) wat er in het huis is, en al wat hij heeft dat heeft hij in mijn hand gegeven.
1) “Geen kennis met mij”. d.w.z. heeft mij de zorg voor alles overgelaten en eist geen rekenschap van mij, van enig ding.
9. Niemand is groter in dit huis dan ik, mijn heer heeft mij in alles gehele volmacht gegeven, en hij heeft voor mij niets onthouden, dan u, daarin dat gij zijn vrouw zijt; 1) hoe zou ik dan zijn vertrouwen geheel misbruikende, dit zo grote kwaad doen, a) en daardoor op zo zware wijze zondigen tegen God. 2)
a) Spreuken. 8:13
1) Op welk een verstandige en kiese manier tracht Jozef haar haar zondige wens onder de ogen te brengen, door de deugden van haar man tegenover hem en haar breed uit te meten, maar ook door haar voor ogen te houden, welk een misbruik van vertrouwen hij zou maken, indien hij aan haar wens toegaf!.
2) Jozef stelt hier de zonde in het ware licht. De zonde tegen zijn heer was in de grond van de zaak zonde tegen God, vergrijp tegen Zijn heilige wil.
10. En het geschiedde, als zij Jozef dag op dag aansprak (vs.7) en hij naar haar niet hoorde, om bij haar te liggen, en, anders dan in tegenwoordigheid van derden, bij haar te zijn.
Wel blijkt hieruit Jozefs standvastigheid en zijn vroomheid van wandel. Op een leeftijd als hij was, in een ondergeschikte betrekking, waarin hij zich bevond, zou het volstrekt geen onmogelijkheid zijn geweest, dat hij had toegegeven. God, de Heere, zorgde er echter voor, dat hij zegevierend uit de strijd te voorschijn kwam. De strijd tussen Jozef en Pótifars vrouw is de strijd tussen het vrouwen- en het slangenzaad. Hij overwint, maar hem worden de verzenen vermorzeld, doordat hij tijdelijk te ondergaat, maar om straks weer heerlijk te voorschijn te treden. Ook daarin type van de Christus.
11. Zo gebeurde het op zulk een dag, 1) dat haar man niet thuis was (vs.16), en hij in het huis kwam, om zijn werk te doen, en niemand van de lieden van het huis was toen daar binnenshuis.
1) “Op zulk een dag,” d.i. een volgende maal. Eerst wordt de verleiding door woorden beschreven, en nu die door daden, en wel door daden van geweld.
12. En zij greep hem bij zijn kleed, om hem tot zich te trekken, zeggende: Lig bij mij! 1)En hij liet zijn kleed in haar hand 2) en vluchtte, en ging uit naar buiten.
1) De vrouw van Pótifar, verlokt door Jozefs schoonheid, wil hem tot overspel bewegen. Dit is in zijn omstandigheden een zeer zware beproeving. Hij bestuurt de gehele huishouding, en geniet het volkomen vertrouwen van zijn heer; nu biedt hem ook zijn gebiederes haar liefde aan. Hij is ver van huis, in een land, vanouds berucht om zijn onkuisheid; wie zal het ontdekken; wie zal het bestraffen? Dag op dag wordt hij aangesproken, en gedurende aangeven tijd, op allerlei wijzen verzocht. Onder zulke omstandigheden zouden duizenden gevallen zijn. Eindelijk grijpt zij hem op de onbeschaamdste wijze aan, in de eenzaamheid. Men kan tien verzoekingen overwonnen hebben, en toch bij de elfde vallen; Jozef blijft onbeweeglijk. Ofschoon slaaf, staat hij in de vrijheid, want hij heerst over zijn hartstochten; ofschoon vluchtende, bewijst hij mannenmoed, want iedere ontvluchting is een eervolle overwinning.
Jozefs gedrag staat, als toonbeeld van kuisheid, in een glinsterend licht naast de geschiedenis van Juda in het vorig hoofdstuk.
Dat de jongelingen Jozef navolgen, die zo rein en schoon was naar het lichaam, maar nog schoner was van ziel.
2) Jozef laat de mantel los, maar het goed geweten houdt hij vast; God zal hem daarvoor een zijden kleed schenken (hoofdstuk. 41:42)
Door zijn kleed in haar hand te laten, zette hij tevens zijn leven op het spel. Hij is echter eerder bereid goed en leven over te geven, dan tegen de wil van God te zondigen.
III. Gen. 39 vers 13-23
Door Pótifars vrouw van een aanslag op haar trouw beschuldigd, wordt Jozef door haar gemaal in de gevangenis geworpen; daar verwerft hij zich, door de zegen van de Heere, een zo volkomen vertrouwen, dat de overste van het gevangenhuis al zijn gevangenen in zijn hand stelt.
13. En het geschiedde, als zij zag, dat hij zijn kleed in haar hand gelaten had, en naar buiten gevlucht was, en alzo met haar bedoelingen niets te doen wilde hebben.
14. Zo riep zij de mensen van haar huis, om een bekendmaking van zijn zijde te voorkomen, en tevens om zich voor zijn weigering te wreken, en zij sprak tot hen, in gehuichelde toorn tegen haar man, die haar eer a) aan zo groot een gevaar had blootgesteld, zeggende: Ziet, hij heeft bij ons de Hebreeuwse man binnengebracht, 1) om met ons, de vrouw des huizes te spotten en tot schande te maken; hij, die lage mens, is tot mij gekomen, terwijl ik alleen was, om bij mij te liggen, en ik heb geroepen met luider stem;
1) Hier zien wij, wat wanhoop doet. Want wegens misdadige hartstocht is de vrouw in een furie veranderd. Waaruit duidelijk blijkt, hoe de wellust, wanneer zij niet gebreideld wordt, de dierlijke driften te voorschijn brengt. Zeker, waar satan eenmaal over de ongelukkige mensen zijn heerschappij heeft uitgeoefend, daar zal hij niet ophouden, hen voort te slepen, totdat hij hen door een geest van zinneloosheid en duizeling hals over hoofd in het verderf heeft gestort. Wij zien ook, hoe hij de goddelozen, welke hij onder zijn heerschappij houdt; tot volharden aanzet. Wel werpt God dikwijls Zijn schrik onder de goddelozen, opdat zij hun eigen misdaad, door angstige vrees voortgedreven, aan de dag brengen. En het is mogelijk, dat in gelaat en woorden de tekenen van een verontrust geweten bij deze onreine vrouw zichtbaar waren, maar satan zet haar zo tot volharden aan, dat zij brutaalweg het plan opvat, om de vrome jongeman in het verderf te storten, en op hetzelfde ogenblik zulk een list bedenkt, waarmee zij hem onschadelijk maakt, alsof zij reeds lang in kalme ogenblikken zijn verderf had gezocht.
Versmade hartstocht wordt niet zelden in dodelijke haat overgezet. In de uiting daarvan, spreekt zij zelfs met minachting “hij” van haar man.
15. En het geschiedde, als hij hoorde, dat ik mijn stem verhief, en riep zo verliet hij zijn kleed bij mij, en vluchtte en ging uit naar buiten. 1)
1) De aanklacht van Pótifars vrouw is een toonbeeld van de kabalen, waarin zich die van alle tijden, ook van de laatsten, afspiegelen kunnen. Dit is het eerste voorbeeld van een vreselijk beliegen in de Heilige Schrift, uitgegaan van een ontuchtige vrouw; een omkering van Jozefs deugd in het tegendeel door de misdadigste en listigste leugen van wraakzucht! Zo werd ook Christus belogen op een wijze, die men als het toppunt van beliegen, als een meesterstuk van een aartsleugenaar kan aanmerken.
16. En zij legde, om enig leugenachtig bewijs voor haar verhaal te hebben, zijn kleed bij zich, 1) totdat zijn heer in zijn huis kwam.
1) Jozef heeft ten tweeden male zijn kleed moeten achterlaten, dat tot misleiding van anderen dienen moest.
17. Toen sprak zij tot hem naar diezelfde woorden, zeggende: De Hebreeuwse knecht 1) die gij 2) bij ons hebt binnengebracht, is tot mij gekomen, om met mij te spotten.
1) Zij noemt ook hier Jozef de Hebreeuwse knecht, om hem in een verachtelijk daglicht te stellen, maar bovenal, om te doen uitkomen dat hij, de slaaf, en nog wel de vreemde slaaf, tot haar de ogen heeft durven opheffen. Hiermee wil zij de toorn van Pótifar ten zeerste opwekken, en van hem verkrijgen, dat hij ogenblikkelijk die knecht laat doden. De standen of kasten waren in Egypte zeer streng gescheiden, zodat, indien niet zij, maar Jozef de verleider was geweest, deze stellig zijn daad met het leven had moeten boeten. Echt satanisch van deze vrouw. Dan was voor immer de getuige van haar zonde, of liever haar aanklager, weg. Pótifars vrouw is de Herodias van het Oude Testament.
2) Zijdelings werpt zij de schuld op Pótifar. Ook dit was berekening.
18. En het is geschied, als ik mijn stem verhief, en riep, dat hij zijn kleed bij mij liet, gelijk gij dit hier kunt zien, en vluchtte naar buiten.
19. En het geschiedde, als zijn heer de woorden van zijn vrouw hoorde, die zij tot hem sprak, zeggende: Naar deze woorden heeft mij uw knecht gedaan, zo ontstak zijn toorn. 1)
1) Tegen wie? Er staat hier niet tegen Jozef. Wel wordt deze straks in de gevangenis geworpen, maar daaruit blijkt nog niet, dat Pótifar het verhaal van zijn vrouw geloofde. Indien hij dit gedaan had, had hij ongetwijfeld Jozef laten doden. Dit brachten de wetten van het land met zich mee. Om echter de eer van zijn huis te redden, laat hij Jozef in de gevangenis werpen, maar maakt het hem daar zo gemakkelijk mogelijk. Hoogstwaarschijnlijk zal hij ook bewerkt hebben, dat hij daar onderopzichter werd, in alle geval er zich niet tegen verzet. Opmerkelijk is het, dat hier niet bijgevoegd is: “tegen Jozef.” Hoewel de wetten tegen de echtbreuk in Egypte bijzonder streng waren, stelt Pótifar hem slechts in de gevangenis, waar, waarschijnlijk niet tegen zijn wil, Jozef verhoogd wordt, terwijl hij zelf hem later ter verzorging van de schenken en de bakker aanwijst. (hoofdstuk. 40:4). Hieruit blijkt, dat Pótifar zijn vrouw niet ten volle heeft vertrouwd, noch aan Jozefs zonde geloof heeft geslagen, maar slechts de eer van zijn huis heeft willen redden.
20. En Jozefs heer die, als overste van de koninklijke lijfwacht, tevens de staatsgevangenis onder zijn oppertoezicht had, nam hem, en leverde hem in het gevangenhuis 1) a) ter plaatse, waar de gevangenen van de koning gevangen waren; 2)alzo was hij daar in het gevangenhuis, dat een gedeelte van Pótifars huis uitmaakte. (hoofdstuk. 40:3).
a) Psalm. 105:18
1) Jozefs overwinning in zijn verzoeking toont, hoe de mens, voornamelijk de jongeman, de verzoeking moet overwinnen. De eerste voorwaarde is: “Wandel steeds als in de tegenwoordigheid van God”; de tweede: “strijd met de wapenen van het woord in het licht van recht en plicht”; de derde: “Mijd de gelegenheid”, de vierde: “Wees beslist en neem, wanneer het zijn moet de vlucht met verlies van uw kleed, van uw goede naam, van uw vrijheid, van uw leven zelfs”.
Jozef laat zich gewillig wegvoeren. Hij zwijgt tegenover de valse beschuldiging. Onmiskenbaar is hier ook weer de typische betekenis zichtbaar en vertoont hij hier het beeld van Hem, die, als Hij gescholden werd niet weer schold, en als Hij leed niet dreigde, maar gaf het over aan Die, die rechtvaardig oordeelt. Jozef heeft ook hier een voorbeeld gegeven, om te allen tijde op valse beschuldigingen het stilzwijgen te bewaren.
2) “Waar de gevangenen van de koning waren” wil zeggen, waar de staatsgevangenen werden opgesloten. Deze gevangenissen waren met een ringmuur omsloten.
21. Doch de HEERE was met Jozef, 1) en wendde Zijn goedertierenheid tot hem; en gaf hem genade in de ogen van de overste van het gevangenhuis, een onder-bediende van Pótifar.
1) Waar mensen hem verlaten of schijnbaar hard behandelen, daar blijft de Heere hem nabij. Met deze uitdrukking wordt de bron aangegeven van de zegen, welke Jozef ook nog in het gevangenhuis ten deel valt.
Laat de liefde van de mensen in haat verkeren, gelijk de liefde van de goddelozen zo makkelijk verkeert, Gods goedertierenheid zal ter vertroosting zich meer openbaren, en Hij, die de harten als waterbeken leidt, zal u, waar gij de zonde overwint, betere vrienden geven, dan gij verloren hebt.
22. En de overste van het gevangenhuis gaf al de gevangenen, die in het gevangenhuis waren, in Jozefs hand; hij gaf alles aan hem ter besturing over; en al wat zij daar deden tot bewaring en bediening van de gevangenen, dat deed hij, 1) dat geschiedde onder zijn leiding en op zijn bevel.
1) Daar Jozef in het huis van de overste van de koninklijke lijfwachten tot bestuurder werd gesteld, zo leerde hij daar reeds in het klein, wat hij als onderkoning in het groot zou te doen hebben; hij werd er voorbereid op zijn aanstaande bediening. Hij was getrouw in het kleine; hij zou over het grote gezet worden; doch een nog diepere vernedering moest deze hoogste verhoging voorafgaan. Wij zien Jozef in banden en in het gevangenhuis, doch ook hier was hij spoedig weer dezelfde, die hij naast Farao zijn zou: de opperbestuurder. Het was een doorgaande lijn in het leven van Jozef van hetgeen God met hem voor had. Hij was geboren om te regeren. Daarom was hij altijd de tweede-Jozef was, gelijk ieder Christen nog is, de kurk gelijk, die, hoe dikwijls ook in het water naar beneden gedrukt, nochtans telkens, zodra de drukking ophoudt, vanzelf weer boven komt drijven. Daarbij is het opmerkelijk, dat Jozef niet door zijn vrienden, maar door zijn vijanden tot zijn hoogte geklommen is. Trouwens vrienden zijn meestal te flauw; maar vijanden zijn scherp en dringen en drijven ons voort, zodat wij komen, waar wij anders niet zouden gekomen zijn.
23. De overste van het gevangenhuis zag op geen ding, dat in zijn hand was; hij vertrouwde Jozef zo geheel, dat hij niets meer nazag, daar hij wist, dat deze in allesnauwlettend en getrouw was. Zo was Jozef ook in het gevangenhuis gezegend, omdat de HEERE met hem was; en wat hij deed, dat deed de HEERE wel gedijen. 1)
1) God heeft ook op de gevangenis, op de banden en op de allerschandelijkste dood Zijn ogen, evenals op de schone heldere zon. Men kan in Jozef niets anders zien, dan de dood, en dat hij zijn goede naam, en al zijn deugden zal moeten verliezen. Daar komt nu Christus en laat het licht van Zijn genadige ogen in die hel schijnen, Jozef moest heer worden, al ging het ook door de hel heen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel