Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1En Jakob hief zijn ogen op en zag; en ziet, Ezau kwam, en vierhonderd mannen met hem. Toen verdeelde hij de kinderen onder Lea, en onder Rachel, en onder de twee dienstmaagden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1En JakobH3290hiefH5375 zijn ogenH5869opH5921 en zagH7200; en zietH2009, EzauH6215kwamH935, en vierhonderdH702mannenH376metH5973 hem. Toen verdeeldeH2673 hij de kinderenH3206 onder LeaH3812, en onder RachelH7354, en onder de tweeH8147dienstmaagdenH8198.En Jakob hief zijn ogen op en zag; en ziet, Ezau kwam, en vierhonderd mannen met hem. Toen verdeelde hij de kinderen onder Lea, en onder Rachel, en onder de twee dienstmaagden.
KJVAnd Jacob2lifted up1his eyes,3and looked,4and, behold, Esau6came,7and with him four9hundred10men.11And he divided12the children14unto Leah,16and unto Rachel,18and unto the two20handmaids.
1וַיִּשָּׂ֨אH5375dragen, hief, droegenaccept, advance, arise, (able to, (armor), suffer to) bear(-er, up), bring (forth), burn, carry (away), cast, contain, desire, ease, exact, exalt (self), extol, fetch, forgive, furnish, further, give, go on, help, high, hold up, honorable ([phrase] man), lade, lay, lift (self) up, lofty, marry, magnify, [idiom] needs, obtain, pardon, raise (up), receive, regard, respect, set (up), spare, stir up, [phrase] swear, take (away, up), [idiom] utterly, wear, yield2יַעֲקֹ֜בH3290Jakob, JakobsJacob3עֵינָ֗יוH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)4וַיַּרְא֙H7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions5וְהִנֵּ֣הH2009ziet, ziebehold, lo, see6עֵשָׂ֣וH6215EzauEsau7בָּ֔אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way8וְעִמּ֕וֹH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)9אַרְבַּ֥עH702vier, vierhonderd, veertienfour10מֵא֖וֹתH3967honderd, tweehonderd, honderdenhundred((-fold), -th), [phrase] sixscore11אִ֑ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)12וַיַּ֣חַץH2673verdeeld, deelde, half en half delendivide, [idiom] live out half, reach to the midst, participle13אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14הַיְלָדִ֗יםH3206kinderen, kind, jongelingenboy, child, fruit, son, young man (one)15עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with16לֵאָה֙H3812LeaLeah17וְעַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with18רָחֵ֔לH7354Rachel, RachelsRachel19וְעַ֖לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with20שְׁתֵּ֥יH8147twee, twaalf, beideboth, couple, double, second, twain, [phrase] twelfth, [phrase] twelve, [phrase] twenty (sixscore) thousand, twice, two21הַשְּׁפָחֽוֹתH8198dienstmaagd, dienstmaagden, maagden(bond-, hand-) maid(-en, -servant), wench, bondwoman, womanservant
2En hij stelde de dienstmaagden en haar kinderen vooraan; en Lea en haar kinderen meer achterwaarts; maar Rachel en Jozef de achterste.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2En hij steldeH7760 de dienstmaagdenH8198 en haar kinderenH3206vooraanH7223; en LeaH3812 en haar kinderenH3206 meer achterwaartsH314; maar RachelH7354 en JozefH3130 de achtersteH314.En hij stelde de dienstmaagden en haar kinderen vooraan; en Lea en haar kinderen meer achterwaarts; maar Rachel en Jozef de achterste.
KJVAnd he put1the handmaids3and their children5foremost,6and Leah8and her children9after,10and Rachel12and Joseph14hindermost.
1וַיָּ֧שֶׂםH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3הַשְּׁפָח֛וֹתH8198dienstmaagd, dienstmaagden, maagden(bond-, hand-) maid(-en, -servant), wench, bondwoman, womanservant4וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5יַלְדֵיהֶ֖ןH3206kinderen, kind, jongelingenboy, child, fruit, son, young man (one)6רִֽאשֹׁנָ֑הH7223eerste, vorige, eerstenancestor, (that were) before(-time), beginning, eldest, first, fore(-father) (-most), former (thing), of old time, past7וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8לֵאָ֤הH3812LeaLeah9וִֽילָדֶ֨יהָ֙H3206kinderen, kind, jongelingenboy, child, fruit, son, young man (one)10אַחֲרֹנִ֔יםH314laatste, achterste, navolgendeafter (-ward), to come, following, hind(-er, -ermost, -most), last, latter, rereward, ut(ter) most11וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12רָחֵ֥לH7354Rachel, RachelsRachel13וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14יוֹסֵ֖ףH3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)15אַחֲרֹנִֽיםH314laatste, achterste, navolgendeafter (-ward), to come, following, hind(-er, -ermost, -most), last, latter, rereward, ut(ter) most
3En hij ging voorbij hun aangezicht heen, en hij boog zich zeven malen ter aarde, totdat hij bij zijn broeder kwam.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3En hij ging voorbijH5674 hun aangezichtH6440 heen, en hij boogH7812 zich zevenH7651malenH6471 ter aardeH776, totdatH5704 hij bij zijn broederH251 kwam.En hij ging voorbij hun aangezicht heen, en hij boog zich zeven malen ter aarde, totdat hij bij zijn broeder kwam.
KJVAnd he passed over2before them,3and bowed himself4to the ground5seven6times,7until he came near9to his brother.
1וְה֖וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who2עָבַ֣רH5674doorgaan, voorbij, gegaanalienate, alter, [idiom] at all, beyond, bring (over, through), carry over, (over-) come (on, over), conduct (over), convey over, current, deliver, do away, enter, escape, fail, gender, get over, (make) go (away, beyond, by, forth, his way, in, on, over, through), have away (more), lay, meddle, overrun, make partition, (cause to, give, make to, over) pass(-age, along, away, beyond, by, -enger, on, out, over, through), (cause to, make) [phrase] proclaim(-amation), perish, provoke to anger, put away, rage, [phrase] raiser of taxes, remove, send over, set apart, [phrase] shave, cause to (make) sound, [idiom] speedily, [idiom] sweet smelling, take (away), (make to) transgress(-or), translate, turn away, (way-) faring man, be wrath3לִפְנֵיהֶ֑םH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you4וַיִּשְׁתַּ֤חוּH7812boog, bogen, nederbuigenbow (self) down, crouch, fall down (flat), humbly beseech, do (make) obeisance, do reverence, make to stoop, worship5אַ֨רְצָה֙H776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world6שֶׁ֣בַעH7651zeven, zevenhonderd, zevenmaal([phrase] by) seven(-fold),-s, (-teen, -teenth), -th, times). Compare H7658 (שִׁבְעָנָה)7פְּעָמִ֔יםH6471ditmaal, malen, tweemaalanvil, corner, foot(-step), going, (hundred-) fold, [idiom] now, (this) [phrase] once, order, rank, step, [phrase] thrice, (often-), second, this, two) time(-s), twice, wheel8עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet9גִּשְׁתּ֖וֹH5066trad, naderde, naderen(make to) approach (nigh), bring (forth, hither, near), (cause to) come (hither, near, nigh), give place, go hard (up), (be, draw, go) near (nigh), offer, overtake, present, put, stand10עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet11אָחִֽיוH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'
4Toen liep Ezau hem tegemoet, en nam hem in den arm, en viel hem aan den hals, en kuste hem; en zij weenden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4Toen liepH7323EzauH6215 hem tegemoetH7125, en nam hem in den armH2263, en vielH5307 hem aanH5921 den halsH6677, en kusteH5401 hem; en zij weendenH1058.Toen liep Ezau hem tegemoet, en nam hem in den arm, en viel hem aan den hals, en kuste hem; en zij weenden.
KJVAnd Esau2ran1to meet him,3and embraced4him, and fell5on his neck,7and kissed him:8and they wept.
1וַיָּ֨רָץH7323liep, lopen, trawantenbreak down, divide speedily, footman, guard, bring hastily, (make) run (away, through), post2עֵשָׂ֤וH6215EzauEsau3לִקְרָאתוֹ֙H7125tegemoet, egemoet, ontmoette[idiom] against (he come), help, meet, seek, [idiom] to, [idiom] in the way4וַֽיְחַבְּקֵ֔הוּH2263omhelzen, omhelsde, omhelzeembrace, fold5וַיִּפֹּ֥לH5307vallen, viel, gevallenbe accepted, cast (down, self, (lots), out), cease, die, divide (by lot), (let) fail, (cause to, let, make, ready to) fall (away, down, -en, -ing), fell(-ing), fugitive, have (inheritance), inferior, be judged (by mistake for H6419 (פָּלַל)), lay (along), (cause to) lie down, light (down), be ([idiom] hast) lost, lying, overthrow, overwhelm, perish, present(-ed, -ing), (make to) rot, slay, smite out, [idiom] surely, throw down6עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with7צַוָּארָ֖וH6677hals, halzen, buithalzenneck8וַׄיִּׄשָּׁׄקֵ֑ׄהׄוּׄH5401kuste, kussen, gekustarmed (men), rule, kiss, that touched9וַיִּבְכּֽוּH1058weende, weenden, wenen[idiom] at all, bewail, complain, make lamentation, [idiom] more, mourn, [idiom] sore, [idiom] with tears, weep
5Daarna hief hij zijn ogen op, en zag die vrouwen en die kinderen, en zeide: Wie zijn deze bij u? En hij zeide: De kinderen, die God aan uw knecht genadiglijk verleend heeft.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5Daarna hiefH5375 hij zijn ogenH5869 op, en zagH7200 die vrouwenH802 en die kinderenH3206, en zeideH559: WieH4310 zijn dezeH428 bij u? En hij zeideH559: De kinderenH3206, die GodH430 aan uw knechtH5650genadiglijkH2603 verleend heeft.Daarna hief hij zijn ogen op, en zag die vrouwen en die kinderen, en zeide: Wie zijn deze bij u? En hij zeide: De kinderen, die God aan uw knecht genadiglijk verleend heeft.
KJVAnd he lifted up1his eyes,3and saw4the women6and the children;8and said,9Who are those11with thee? And he said,13The children14which God17hath graciously given16thy servant.
1וַיִּשָּׂ֣אH5375dragen, hief, droegenaccept, advance, arise, (able to, (armor), suffer to) bear(-er, up), bring (forth), burn, carry (away), cast, contain, desire, ease, exact, exalt (self), extol, fetch, forgive, furnish, further, give, go on, help, high, hold up, honorable ([phrase] man), lade, lay, lift (self) up, lofty, marry, magnify, [idiom] needs, obtain, pardon, raise (up), receive, regard, respect, set (up), spare, stir up, [phrase] swear, take (away, up), [idiom] utterly, wear, yield2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3עֵינָ֗יוH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)4וַיַּ֤רְאH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions5אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6הַנָּשִׁים֙H802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English7וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8הַיְלָדִ֔יםH3206kinderen, kind, jongelingenboy, child, fruit, son, young man (one)9וַיֹּ֖אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet10מִיH4310wie, wien, wiensany (man), [idiom] he, [idiom] him, [phrase] O that! what, which, who(-m, -se, -soever), [phrase] would to God11אֵ֣לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)12לָּ֑ךְ13וַיֹּאמַ֕רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet14הַיְלָדִ֕יםH3206kinderen, kind, jongelingenboy, child, fruit, son, young man (one)15אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection16חָנַ֥ןH2603genadig, wees genadig, ontfermtbeseech, [idiom] fair, (be, find, shew) favour(-able), be (deal, give, grant (gracious(-ly), intreat, (be) merciful, have (shew) mercy (on, upon), have pity upon, pray, make supplication, [idiom] very17אֱלֹהִ֖יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty18אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)19עַבְדֶּֽךָH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant
6Toen traden de dienstmaagden toe, zij en haar kinderen, en zij bogen zich neder.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6Toen tradenH5066 de dienstmaagdenH8198 toe, zij en haar kinderenH3206, en zij bogenH7812 zich neder.Toen traden de dienstmaagden toe, zij en haar kinderen, en zij bogen zich neder.
KJVThen the handmaidens2came near,1they and their children,4and they bowed themselves.
1וַתִּגַּ֧שְׁןָH5066trad, naderde, naderen(make to) approach (nigh), bring (forth, hither, near), (cause to) come (hither, near, nigh), give place, go hard (up), (be, draw, go) near (nigh), offer, overtake, present, put, stand2הַשְּׁפָח֛וֹתH8198dienstmaagd, dienstmaagden, maagden(bond-, hand-) maid(-en, -servant), wench, bondwoman, womanservant3הֵ֥נָּהH2007zij, deze (vrouwelijk meervoud)[idiom] in, [idiom] such (and such things), their, (into) them, thence, therein, these, they (had), on this side, whose, wherein4וְיַלְדֵיהֶ֖ןH3206kinderen, kind, jongelingenboy, child, fruit, son, young man (one)5וַתִּֽשְׁתַּחֲוֶֽיןָH7812boog, bogen, nederbuigenbow (self) down, crouch, fall down (flat), humbly beseech, do (make) obeisance, do reverence, make to stoop, worship
7En Lea trad ook toe, met haar kinderen, en zij bogen zich neder; en daarna trad Jozef toe en Rachel, en zij bogen zich neder.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7En LeaH3812tradH5066ookH1571 toe, met haar kinderenH3206, en zij bogenH7812 zich neder; en daarnaH310tradH5066JozefH3130 toe en RachelH7354, en zij bogenH7812 zich neder.En Lea trad ook toe, met haar kinderen, en zij bogen zich neder; en daarna trad Jozef toe en Rachel, en zij bogen zich neder.
KJVAnd Leah3also with her children4came near,1and bowed themselves:5and after6came7Joseph8nearand Rachel,9and they bowed
1וַתִּגַּ֧שׁH5066trad, naderde, naderen(make to) approach (nigh), bring (forth, hither, near), (cause to) come (hither, near, nigh), give place, go hard (up), (be, draw, go) near (nigh), offer, overtake, present, put, stand2גַּםH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea3לֵאָ֛הH3812LeaLeah4וִילָדֶ֖יהָH3206kinderen, kind, jongelingenboy, child, fruit, son, young man (one)5וַיִּֽשְׁתַּחֲו֑וּH7812boog, bogen, nederbuigenbow (self) down, crouch, fall down (flat), humbly beseech, do (make) obeisance, do reverence, make to stoop, worship6וְאַחַ֗רH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with7נִגַּ֥שׁH5066trad, naderde, naderen(make to) approach (nigh), bring (forth, hither, near), (cause to) come (hither, near, nigh), give place, go hard (up), (be, draw, go) near (nigh), offer, overtake, present, put, stand8יוֹסֵ֛ףH3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)9וְרָחֵ֖לH7354Rachel, RachelsRachel10וַיִּֽשְׁתַּחֲוֽוּH7812boog, bogen, nederbuigenbow (self) down, crouch, fall down (flat), humbly beseech, do (make) obeisance, do reverence, make to stoop, worship
8En hij zeide: Voor wien is u al dit heir, dat ik ontmoet heb? En hij zeide: Om genade te vinden in de ogen mijns heren!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8En hij zeideH559: Voor wienH4310 is u alH3605ditH2088heirH4264, dat ik ontmoetH6298 heb? En hij zeideH559: Om genadeH2580 te vindenH4672 in de ogenH5869 mijns herenH113!En hij zeide: Voor wien is u al dit heir, dat ik ontmoet heb? En hij zeide: Om genade te vinden in de ogen mijns heren!
KJVAnd he said,1What meanest thou by all this drove5which I met?8And he said,9These are to find10grace11in the sight12of my lord.
1וַיֹּ֕אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2מִ֥יH4310wie, wien, wiensany (man), [idiom] he, [idiom] him, [phrase] O that! what, which, who(-m, -se, -soever), [phrase] would to God3לְךָ֛4כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)5הַמַּחֲנֶ֥הH4264leger, legers, heirlegerarmy, band, battle, camp, company, drove, host, tents6הַזֶּ֖הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)7אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection8פָּגָ֑שְׁתִּיH6298ontmoeten, ontmoette, aantrofmeet (with, together)9וַיֹּ֕אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet10לִמְצֹאH4672gevonden, vinden, vond[phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on11חֵ֖ןH2580genade, aangenaam, gunstfavour, grace(-ious), pleasant, precious, (well-) favoured12בְּעֵינֵ֥יH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)13אֲדֹנִֽיH113heer, heren, Heerelord, master, owner. Compare also names beginning with 'Adoni-'
9Maar Ezau zeide: Ik heb veel, mijn broeder! het zij het uwe, wat gij hebt!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9Maar EzauH6215zeideH559: Ik heb veelH7227, mijn broederH251! het zijH1961 het uwe, watH834 gij hebt!Maar Ezau zeide: Ik heb veel, mijn broeder! het zij het uwe, wat gij hebt!
KJVAnd Esau2said,1I have3enough,5my brother;
1וַיֹּ֥אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2עֵשָׂ֖וH6215EzauEsau3יֶשׁH3426ware, Hoe lang, Voorwaar(there) are, (he, it, shall, there, there may, there shall, there should) be, thou do, had, hast, (which) hath, (I, shalt, that) have, (he, it, there) is, substance, it (there) was, (there) were, ye will, thou wilt, wouldest4לִ֣י5רָ֑בH7227vele, veel, grote(in) abound(-undance, -ant, -antly), captain, elder, enough, exceedingly, full, great(-ly, man, one), increase, long (enough, (time)), (do, have) many(-ifold, things, a time), (ship-)master, mighty, more, (too, very) much, multiply(-tude), officer, often(-times), plenteous, populous, prince, process (of time), suffice(-lent)6אָחִ֕יH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'7יְהִ֥יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use8לְךָ֖9אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection10לָֽךְ
10Toen zeide Jakob: Och neen! indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, zo neem mijn geschenk van mijn hand; daarom, omdat ik uw aangezicht gezien heb, als had ik Gods aangezicht gezien, en gij welgevallen aan mij genomen hebt.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10Toen zeideH559JakobH3290: OchH4994neenH408! indien ik nu genadeH2580 in uw ogenH5869gevondenH4672 heb, zo neemH3947 mijn geschenkH4503 van mijn handH3027; daaromH3651, omdatH3588 ik uw aangezichtH6440gezienH7200 heb, als had ik GodsH430aangezichtH6440gezienH7200, en gij welgevallenH7521aanH5921 mij genomen hebt.Toen zeide Jakob: Och neen! indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, zo neem mijn geschenk van mijn hand; daarom, omdat ik uw aangezicht gezien heb, als had ik Gods aangezicht gezien, en gij welgevallen aan mij genomen hebt.
KJVAnd Jacob2said,1Nay, I pray thee, if now I have found7grace8in thy sight,9then receive10my present11at my hand:12for therefore I have seen16thy face,17as though I had seen18the face19of God,20and thou wast pleased with me.
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2יַעֲקֹ֗בH3290Jakob, JakobsJacob3אַלH408niet, geen, niemandnay, neither, [phrase] never, no, nor, not, nothing (worth), rather than4נָא֙H4994toch, doch, OchI beseech (pray) thee (you), go to, now, oh5אִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet6נָ֨אH4994toch, doch, OchI beseech (pray) thee (you), go to, now, oh7מָצָ֤אתִיH4672gevonden, vinden, vond[phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on8חֵן֙H2580genade, aangenaam, gunstfavour, grace(-ious), pleasant, precious, (well-) favoured9בְּעֵינֶ֔יךָH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)10וְלָקַחְתָּ֥H3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win11מִנְחָתִ֖יH4503spijsoffer, geschenk, geschenkengift, oblation, (meat) offering, present, sacrifice12מִיָּדִ֑יH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves13כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet14עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with15כֵּ֞ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you16רָאִ֣יתִיH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions17פָנֶ֗יךָH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you18כִּרְאֹ֛תH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions19פְּנֵ֥יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you20אֱלֹהִ֖יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty21וַתִּרְצֵֽנִיH7521welgevallen, aangenaam, behagen(be) accept(-able), accomplish, set affection, approve, consent with, delight (self), enjoy, (be, have a) favour(-able), like, observe, pardon, (be, have, take) please(-ure), reconcile self
11Neem toch mijn zegen, die u tegemoet gebracht is, dewijl het God mij genadiglijk verleend heeft, en dewijl ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11NeemH3947tochH4994 mijn zegenH1293, dieH834 u tegemoet gebrachtH935 is, dewijlH3588 het GodH430 mij genadiglijkH2603 verleend heeft, en dewijlH3588 ik allesH3605 heb; en hij hieldH6484 bij hem aan, zodat hij het namH3947.Neem toch mijn zegen, die u tegemoet gebracht is, dewijl het God mij genadiglijk verleend heeft, en dewijl ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam.
KJVTake,1I pray thee, my blessing4that is brought6to thee; because God10hath dealt graciously with me,9and because14I have12enough.And he urged15him, and he took
1קַחH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win2נָ֤אH4994toch, doch, OchI beseech (pray) thee (you), go to, now, oh3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4בִּרְכָתִי֙H1293zegen, zegeningen, zegeningblessing, liberal, pool, present5אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection6הֻבָ֣אתH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way7לָ֔ךְ8כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet9חַנַּ֥נִיH2603genadig, wees genadig, ontfermtbeseech, [idiom] fair, (be, find, shew) favour(-able), be (deal, give, grant (gracious(-ly), intreat, (be) merciful, have (shew) mercy (on, upon), have pity upon, pray, make supplication, [idiom] very10אֱלֹהִ֖יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty11וְכִ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet12יֶשׁH3426ware, Hoe lang, Voorwaar(there) are, (he, it, shall, there, there may, there shall, there should) be, thou do, had, hast, (which) hath, (I, shalt, that) have, (he, it, there) is, substance, it (there) was, (there) were, ye will, thou wilt, wouldest13לִי14כֹ֑לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)15וַיִּפְצַרH6484hield, drong, drongenpress, urge, stubbornness16בּ֖וֹ17וַיִּקָּֽחH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win
12En hij zeide: Laat ons reizen en voorttrekken; en ik zal voor u trekken.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12En hij zeideH559: Laat ons reizenH5265 en voorttrekkenH3212; en ik zal voor u trekkenH3212.En hij zeide: Laat ons reizen en voorttrekken; en ik zal voor u trekken.
KJVAnd he said,1Let us take our journey,2and let us go,3and I will go
1וַיֹּ֖אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2נִסְעָ֣הH5265verreisden, reisden, optrekkencause to blow, bring, get, (make to) go (away, forth, forward, onward, out), (take) journey, march, remove, set aside (forward), [idiom] still, be on his (go their) way3וְנֵלֵ֑כָהH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak4וְאֵלְכָ֖הH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak5לְנֶגְדֶּֽךָH5048tegenover, tegenwoordigheidabout, (over) against, [idiom] aloof, [idiom] far (off), [idiom] from, over, presence, [idiom] other side, sight, [idiom] to view
13Maar hij zeide tot hem: Mijn heer weet, dat deze kinderen teder zijn, en dat ik zogende schapen en koeien bij mij heb; indien men dezelve maar een dag afdrijft, zo zal de gehele kudde sterven.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13Maar hij zeideH559totH413 hem: Mijn heerH113weetH3045, datH3588 deze kinderenH3206tederH7390 zijn, en dat ik zogendeH5763schapenH6629 en koeienH1241bijH5921 mij heb; indien men dezelve maar eenH259dagH3117afdrijftH1849, zo zal de geheleH3605kuddeH6629stervenH4191.Maar hij zeide tot hem: Mijn heer weet, dat deze kinderen teder zijn, en dat ik zogende schapen en koeien bij mij heb; indien men dezelve maar een dag afdrijft, zo zal de gehele kudde sterven.
KJVAnd he said1unto him, My lord3knoweth4that the children6are tender,7and the flocks8and herds9with young10are with me: and if men should overdrive12them one14day,13all the flock17will die.
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אֵלָ֗יוH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3אֲדֹנִ֤יH113heer, heren, Heerelord, master, owner. Compare also names beginning with 'Adoni-'4יֹדֵ֨עַ֙H3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot5כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet6הַיְלָדִ֣יםH3206kinderen, kind, jongelingenboy, child, fruit, son, young man (one)7רַכִּ֔יםH7390teder, tedere, tederenfaint((-hearted), soft, tender ((-hearted), one), weak8וְהַצֹּ֥אןH6629schapen, kudde, klein vee(small) cattle, flock ([phrase] -s), lamb ([phrase] -s), sheep(-cote, -fold, -shearer, -herds)9וְהַבָּקָ֖רH1241runderen, rund, koeienbeeve, bull ([phrase] -ock), [phrase] calf, [phrase] cow, great (cattle), [phrase] heifer, herd, kine, ox10עָל֣וֹתH5763zogende, zogendenmilch, (ewe great) with young11עָלָ֑יH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with12וּדְפָקוּם֙H1849afdrijft, kloppende, kloptebeat, knock, overdrive13י֣וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger14אֶחָ֔דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,15וָמֵ֖תוּH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise16כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)17הַצֹּֽאןH6629schapen, kudde, klein vee(small) cattle, flock ([phrase] -s), lamb ([phrase] -s), sheep(-cote, -fold, -shearer, -herds)
14Mijn heer trekke toch voorbij, voor het aangezicht van zijn knecht; en ik zal mij op mijn gemak als leidsman voegen, naar den gang van het werk, hetwelk voor mijn aangezicht is, en naar den gang dezer kinderen, totdat ik bij mijn heer te Seir kome.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14Mijn heerH113trekkeH5674tochH4994voorbijH5674, voor het aangezichtH6440 van zijn knechtH5650; en ik zal mij op mijn gemakH328 als leidsmanH5095 voegen, naar den gangH7272 van het werkH4399, hetwelkH834 voor mijn aangezichtH6440 is, en naar den gangH7272 dezer kinderenH3206, totdatH5704 ik bij mijn heerH113 te SeirH8165komeH935.Mijn heer trekke toch voorbij, voor het aangezicht van zijn knecht; en ik zal mij op mijn gemak als leidsman voegen, naar den gang van het werk, hetwelk voor mijn aangezicht is, en naar den gang dezer kinderen, totdat ik bij mijn heer te Seir kome.
KJVLet my lord,3I pray thee, pass over1before4his servant:5and I will lead on7softly,8according as9the cattle10that goeth before me12and the children14be able to endure,13until I come17unto my lord19unto Seir.
1יַעֲבָרH5674doorgaan, voorbij, gegaanalienate, alter, [idiom] at all, beyond, bring (over, through), carry over, (over-) come (on, over), conduct (over), convey over, current, deliver, do away, enter, escape, fail, gender, get over, (make) go (away, beyond, by, forth, his way, in, on, over, through), have away (more), lay, meddle, overrun, make partition, (cause to, give, make to, over) pass(-age, along, away, beyond, by, -enger, on, out, over, through), (cause to, make) [phrase] proclaim(-amation), perish, provoke to anger, put away, rage, [phrase] raiser of taxes, remove, send over, set apart, [phrase] shave, cause to (make) sound, [idiom] speedily, [idiom] sweet smelling, take (away), (make to) transgress(-or), translate, turn away, (way-) faring man, be wrath2נָ֥אH4994toch, doch, OchI beseech (pray) thee (you), go to, now, oh3אֲדֹנִ֖יH113heer, heren, Heerelord, master, owner. Compare also names beginning with 'Adoni-'4לִפְנֵ֣יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you5עַבְדּ֑וֹH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant6וַאֲנִ֞יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who7אֶֽתְנָהֲלָ֣הH5095zachtjes leiden, geleidde, leidsmancarry, feed, guide, lead (gently, on)8לְאִטִּ֗יH328bezweerders, gemak, langzaamcharmer, gently, secret, softly9לְרֶ֨גֶלH7272voeten, voet, voetstappen[idiom] be able to endure, [idiom] according as, [idiom] after, [idiom] coming, [idiom] follow, (broken-)foot(-ed, -stool), [idiom] great toe, [idiom] haunt, [idiom] journey, leg, [phrase] piss, [phrase] possession, time10הַמְּלָאכָ֤הH4399werk, werks, handwerkbusiness, [phrase] cattle, [phrase] industrious, occupation, ([phrase] -pied), [phrase] officer, thing (made), use, (manner of) work((-man), -manship)11אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection12לְפָנַי֙H6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you13וּלְרֶ֣גֶלH7272voeten, voet, voetstappen[idiom] be able to endure, [idiom] according as, [idiom] after, [idiom] coming, [idiom] follow, (broken-)foot(-ed, -stool), [idiom] great toe, [idiom] haunt, [idiom] journey, leg, [phrase] piss, [phrase] possession, time14הַיְלָדִ֔יםH3206kinderen, kind, jongelingenboy, child, fruit, son, young man (one)15עַ֛דH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet16אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection17אָבֹ֥אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way18אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)19אֲדֹנִ֖יH113heer, heren, Heerelord, master, owner. Compare also names beginning with 'Adoni-'20שֵׂעִֽירָהH8165SeirSeir
15En Ezau zeide: Laat mij toch van dit volk, dat met mij is, u bijstellen. En hij zeide: Waartoe dat? laat mij genade vinden in mijns heren ogen!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15En EzauH6215zeideH559: Laat mij tochH4994 van ditH2088volkH5971, dat met mij is, u bijstellenH3322. En hij zeideH559: WaartoeH4100 dat? laat mij genadeH2580vindenH4672 in mijns herenH113ogenH5869!En Ezau zeide: Laat mij toch van dit volk, dat met mij is, u bijstellen. En hij zeide: Waartoe dat? laat mij genade vinden in mijns heren ogen!
KJVAnd Esau2said,1Let me now leave3with thee some of the folk7that are with me. And he said,10What11needeth it? let me find13grace14in the sight15of my lord.
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2עֵשָׂ֔וH6215EzauEsau3אַצִּֽיגָהH3322stelden, gesteld, steldeestablish, leave, make, present, put, set, stay4נָּ֣אH4994toch, doch, OchI beseech (pray) thee (you), go to, now, oh5עִמְּךָ֔H5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)6מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with7הָעָ֖םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people8אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection9אִתִּ֑יH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix10וַיֹּ֨אמֶר֙H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet11לָ֣מָּהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why12זֶּ֔הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)13אֶמְצָאH4672gevonden, vinden, vond[phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on14חֵ֖ןH2580genade, aangenaam, gunstfavour, grace(-ious), pleasant, precious, (well-) favoured15בְּעֵינֵ֥יH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)16אֲדֹנִֽיH113heer, heren, Heerelord, master, owner. Compare also names beginning with 'Adoni-'
16Alzo keerde Ezau dien dag wederom zijns weegs naar Seir toe.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16Alzo keerdeH7725EzauH6215dienH1931dagH3117wederomH7725 zijns weegsH1870 naar SeirH8165 toe.Alzo keerde Ezau dien dag wederom zijns weegs naar Seir toe.
KJVSo Esau4returned1that day2on his way5unto Seir.
1וַיָּשָׁב֩H7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw2בַּיּ֨וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger3הַה֥וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who4עֵשָׂ֛וH6215EzauEsau5לְדַרְכּ֖וֹH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)6שֵׂעִֽירָהH8165SeirSeir
17Maar Jakob reisde naar Sukkoth, en bouwde een huis voor zich, en maakte hutten voor zijn vee; daarom noemde hij den naam dier plaats Sukkoth.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17Maar JakobH3290reisdeH5265 naar SukkothH5523, en bouwdeH1129 een huisH1004 voor zich, en maakteH6213huttenH5521 voor zijn veeH4735; daaromH3651noemdeH7121 hij den naamH8034 dier plaatsH4725SukkothH5523.Maar Jakob reisde naar Sukkoth, en bouwde een huis voor zich, en maakte hutten voor zijn vee; daarom noemde hij den naam dier plaats Sukkoth.
KJVAnd Jacob1journeyed2to Succoth,3and built4him an house,6and made8booths9for his cattle:7therefore the name13of the place14is called12Succoth.
1וְיַעֲקֹב֙H3290Jakob, JakobsJacob2נָסַ֣עH5265verreisden, reisden, optrekkencause to blow, bring, get, (make to) go (away, forth, forward, onward, out), (take) journey, march, remove, set aside (forward), [idiom] still, be on his (go their) way3סֻכֹּ֔תָהH5523SukkothSuccoth4וַיִּ֥בֶןH1129bouwen, gebouwd, bouwde(begin to) build(-er), obtain children, make, repair, set (up), [idiom] surely5ל֖וֹ6בָּ֑יִתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)7וּלְמִקְנֵ֨הוּ֙H4735vee, bezitting, beestencattle, flock, herd, possession, purchase, substance8עָשָׂ֣הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use9סֻכֹּ֔תH5521loofhutten, tenten, hutbooth, cottage, covert, pavilion, tabernacle, tent10עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with11כֵּ֛ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you12קָרָ֥אH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say13שֵׁםH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report14הַמָּק֖וֹםH4725plaats, plaatsen, plaatsecountry, [idiom] home, [idiom] open, place, room, space, [idiom] whither(-soever)15סֻכּֽוֹתH5523SukkothSuccoth
18En Jakob kwam behouden tot de stad Sichem, welke is in het land Kanaan, als hij kwam van Paddan-Aram; en hij legerde zich in het gezicht der stad.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18En JakobH3290kwamH935behoudenH8004 tot de stadH5892SichemH7927, welkeH834 is in het landH776KanaanH3667, als hij kwamH935 van Paddan-AramH6307; en hij legerdeH2583 zich in het gezichtH6440 der stadH5892.En Jakob kwam behouden tot de stad Sichem, welke is in het land Kanaan, als hij kwam van Paddan-Aram; en hij legerde zich in het gezicht der stad.
KJVAnd Jacob2came1to Shalem,a city4of Shechem,5which is in the land7of Canaan,8when he came9from Padanaram;10and pitched his tent12before14the city.
1וַיָּבֹא֩H935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way2יַעֲקֹ֨בH3290Jakob, JakobsJacob3שָׁלֵ֜םH8003volkomen, volkomene, volmaaktfull, just, made ready, peaceable, perfect(-ed), quiet, Shalem (by mistake for a name), whole4עִ֣ירH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town5שְׁכֶ֗םH7927Sichem, SichemsShechem6אֲשֶׁר֙H834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection7בְּאֶ֣רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world8כְּנַ֔עַןH3667Kanaan, koophandel, KanaanietenCanaan, merchant, traffick9בְּבֹא֖וֹH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way10מִפַּדַּ֣ןH6307Paddan-aram, PaddanPadan, Padan-aram11אֲרָ֑םH6307Paddan-aram, PaddanPadan, Padan-aram12וַיִּ֖חַןH2583legerden, legeren, gelegerdabide (in tents), camp, dwell, encamp, grow to an end, lie, pitch (tent), rest in tent13אֶתH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix14פְּנֵ֥יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you15הָעִֽירH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
19En hij kocht een deel des velds, waarop hij zijn tent gespannen had, van de hand der zonen van Hemor, den vader van Sichem, voor honderd stukken gelds.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19En hij kochtH7069 een deelH2513 des veldsH7704, waarop hij zijn tentH168gespannenH5186 had, van de handH3027 der zonenH1121 van HemorH2544, den vaderH1 van SichemH7927, voor honderdH3967stukken geldsH7192.En hij kocht een deel des velds, waarop hij zijn tent gespannen had, van de hand der zonen van Hemor, den vader van Sichem, voor honderd stukken gelds.
KJVAnd he bought1a parcel3of a field,4where he had spread6his tent,8at the hand9of the children10of Hamor,11Shechem's13father,12for an hundred14pieces of money.
1וַיִּ֜קֶןH7069kopen, gekocht, kochtattain, buy(-er), teach to keep cattle, get, provoke to jealousy, possess(-or), purchase, recover, redeem, [idiom] surely, [idiom] verily2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3חֶלְקַ֣תH2513stuk, deel, stuk akkersfield, flattering(-ry), ground, parcel, part, piece of land (ground), plat, portion, slippery place, smooth (thing)4הַשָּׂדֶ֗הH7704veld, velds, akkercountry, field, ground, land, soil, [idiom] wild5אֲשֶׁ֤רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection6נָֽטָהH5186neig, uitgestrekt, uitgestrekten[phrase] afternoon, apply, bow (down, -ing), carry aside, decline, deliver, extend, go down, be gone, incline, intend, lay, let down, offer, outstretched, overthrown, pervert, pitch, prolong, put away, shew, spread (out), stretch (forth, out), take (aside), turn (aside, away), wrest, cause to yield7שָׁם֙H8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither8אָהֳל֔וֹH168tent, tenten, huttencovering, (dwelling) (place), home, tabernacle, tent9מִיַּ֥דH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves10בְּנֵֽיH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth11חֲמ֖וֹרH2544Hemor, HemorsHamor12אֲבִ֣יH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'13שְׁכֶ֑םH7927Sichem, SichemsShechem14בְּמֵאָ֖הH3967honderd, tweehonderd, honderdenhundred((-fold), -th), [phrase] sixscore15קְשִׂיטָֽהH7192stukken gelds, stuk geldspiece of money (silver)
20En hij richte aldaar een altaar op, en noemde het: De God Israels is God!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20En hij richte aldaarH8033 een altaarH4196 op, en noemdeH7121 het: De God IsraelsH3478 is God!En hij richte aldaar een altaar op, en noemde het: De God Israels is God!
Ook in dit vers
richtteH5324
KJVAnd he erected1there an altar,3and called it4Elelohe-Israel.
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Genesis 33:1— En Jakob hief zijn ogen op en zag; en ziet, Ezau kwam, en vierhonderd mannen met hem. Toen verdeelde hij de kinderen onder Lea, en onder Rachel, en onder de twee dienstmaagden.Genesis 32:6→Genesis 32:16→Genesis 27:41→
Genesis 33:2— En hij stelde de dienstmaagden en haar kinderen vooraan; en Lea en haar kinderen meer achterwaarts; maar Rachel en Jozef de achterste.Genesis 37:3→Genesis 29:30→Genesis 30:22→Maleachi 3:17→
Genesis 33:3— En hij ging voorbij hun aangezicht heen, en hij boog zich zeven malen ter aarde, totdat hij bij zijn broeder kwam.Genesis 42:6→Genesis 18:2→Genesis 43:26→Johannes 10:15→1 Samuël 2:5→Spreuken 6:3→Johannes 10:11→Prediker 10:4→
Genesis 33:4— Toen liep Ezau hem tegemoet, en nam hem in den arm, en viel hem aan den hals, en kuste hem; en zij weenden.Genesis 45:14→Genesis 32:28→Spreuken 21:1→Lukas 15:20→Handelingen 20:37→Genesis 43:30→Spreuken 16:7→Nehemia 1:11→
Genesis 33:5— Daarna hief hij zijn ogen op, en zag die vrouwen en die kinderen, en zeide: Wie zijn deze bij u? En hij zeide: De kinderen, die God aan uw knecht genadiglijk verleend heeft.Psalmen 127:3→Jesaja 8:18→Genesis 48:9→Hebreeën 2:13→1 Kronieken 28:5→Genesis 30:2→1 Samuël 1:27→Ruth 4:13→
Genesis 33:8— En hij zeide: Voor wien is u al dit heir, dat ik ontmoet heb? En hij zeide: Om genade te vinden in de ogen mijns heren!Genesis 32:5→Esther 2:17→Genesis 32:13→Genesis 39:5→
Genesis 33:9— Maar Ezau zeide: Ik heb veel, mijn broeder! het zij het uwe, wat gij hebt!Genesis 27:39→Handelingen 21:20→Spreuken 30:15→Genesis 4:9→Richteren 20:23→Prediker 4:8→Genesis 27:41→Filemon 1:7→
Genesis 33:10— Toen zeide Jakob: Och neen! indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, zo neem mijn geschenk van mijn hand; daarom, omdat ik uw aangezicht gezien heb, als had ik Gods aangezicht gezien, en gij welgevallen aan mij genomen hebt.Genesis 47:29→Genesis 43:3→Psalmen 41:11→Genesis 19:19→1 Samuël 20:3→Ruth 2:10→Genesis 32:30→Mattheüs 18:10→
Genesis 33:11— Neem toch mijn zegen, die u tegemoet gebracht is, dewijl het God mij genadiglijk verleend heeft, en dewijl ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam.Filippenzen 4:18→1 Samuël 25:27→2 Koningen 5:23→1 Korinthe 3:21→Romeinen 8:31→Jozua 15:19→2 Korinthe 6:10→2 Koningen 5:15→
Genesis 33:13— Maar hij zeide tot hem: Mijn heer weet, dat deze kinderen teder zijn, en dat ik zogende schapen en koeien bij mij heb; indien men dezelve maar een dag afdrijft, zo zal de gehele kudde sterven.Jesaja 40:11→Johannes 21:15→Ezechiël 34:15→1 Kronieken 22:5→Spreuken 12:10→Ezechiël 34:23→
Genesis 33:14— Mijn heer trekke toch voorbij, voor het aangezicht van zijn knecht; en ik zal mij op mijn gemak als leidsman voegen, naar den gang van het werk, hetwelk voor mijn aangezicht is, en naar den gang dezer kinderen, totdat ik bij mijn heer te Seir kome.Genesis 32:3→Deuteronomium 2:1→Ezechiël 35:2→Richteren 5:4→Romeinen 15:1→1 Korinthe 3:2→Ezechiël 25:8→2 Kronieken 20:10→
Genesis 33:15— En Ezau zeide: Laat mij toch van dit volk, dat met mij is, u bijstellen. En hij zeide: Waartoe dat? laat mij genade vinden in mijns heren ogen!Ruth 2:13→Genesis 47:25→Genesis 34:11→1 Samuël 25:8→2 Samuël 16:4→
Genesis 33:17— Maar Jakob reisde naar Sukkoth, en bouwde een huis voor zich, en maakte hutten voor zijn vee; daarom noemde hij den naam dier plaats Sukkoth.Jozua 13:27→Richteren 8:5→Psalmen 60:6→Richteren 8:16→Richteren 8:8→Exodus 13:20→1 Koningen 7:46→Richteren 8:14→
Genesis 33:18— En Jakob kwam behouden tot de stad Sichem, welke is in het land Kanaan, als hij kwam van Paddan-Aram; en hij legerde zich in het gezicht der stad.Richteren 9:1→Jozua 24:1→Handelingen 7:16→Genesis 25:20→Johannes 4:5→Genesis 35:9→Johannes 3:23→Genesis 28:6→
Genesis 33:19— En hij kocht een deel des velds, waarop hij zijn tent gespannen had, van de hand der zonen van Hemor, den vader van Sichem, voor honderd stukken gelds.Handelingen 7:16→Jozua 24:32→Johannes 4:5→Genesis 49:30→Genesis 34:2→Genesis 23:17→
Genesis 33:20— En hij richte aldaar een altaar op, en noemde het: De God Israels is God!Genesis 13:18→Genesis 12:7→Genesis 32:28→Genesis 21:33→Genesis 35:7→Genesis 8:20→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Genesis 33 vers 2— En hij stelde de dienstmaagden en haar kinderen vooraan; en Lea en haar kinderen meer achterwaarts; maar Rachel en Jozef de achterste.
maar Rachel
Hij plaatst de liefste in het achterste en zekerste, opdat die, zo de voorsten verslagen werden, nog enigszins ontkomen mochten; zie boven, Gen. 32:7-8.
Hertaald:maar Rachel
Hij plaatst zijn meest geliefde achteraan, op de veiligste plek, zodat zij, als de voorsten verslagen werden, nog enigszins konden ontkomen; zie Gen. 32:7-8.
Genesis 33 vers 3— En hij ging voorbij hun aangezicht heen, en hij boog zich zeven malen ter aarde, totdat hij bij zijn broeder kwam.
boog zich
Zie boven, Gen. 18:2.
Hertaald:boog zich
Zie Gen. 18:2.
zeven malen
Dat is, dikwijls een zeker getal voor een onzeker; zie Lev. 26:8.
Hertaald:zeven malen
Dat is: vaak, een bepaald getal voor een onbepaald aantal; zie Lev. 26:8.
Genesis 33 vers 4— Toen liep Ezau hem tegemoet, en nam hem in den arm, en viel hem aan den hals, en kuste hem; en zij weenden.
kuste hem;
Zie boven, Gen. 29:11.
Hertaald:kuste hem;
Zie Gen. 29:11.
zij weenden
Dit is dikwijls geschied bij de ontmoeting van vrienden, gelijk hier en boven, Gen. 29:11, en onder, Gen. 43:30 en Gen. 46:29, of in het scheiden, Ruth 1:14, Hand. 20:37.
Hertaald:zij weenden
Dit gebeurde vaak bij de ontmoeting van vrienden, zoals hier en in Gen. 29:11, en Gen. 43:30 en Gen. 46:29, of bij het afscheid nemen, Ruth 1:14, Hand. 20:37.
Genesis 33 vers 7— En Lea trad ook toe, met haar kinderen, en zij bogen zich neder; en daarna trad Jozef toe en Rachel, en zij bogen zich neder.
trad Jozef
Anders, hij werd genaderd, of gehetten te naderen; daar hij in dezen tijd slechts omtrent zes jaren oud was.
Hertaald:trad Jozef
Anders: hij werd naar voren gebracht, of: men liet hem naderen. Jozef was toen nog maar ongeveer zes jaar oud.
Genesis 33 vers 8— En hij zeide: Voor wien is u al dit heir, dat ik ontmoet heb? En hij zeide: Om genade te vinden in de ogen mijns heren!
Voor
Of, wat is u al dit heir? Dat is, waartoe zal dat dienen? Wat bedoelt gij daarmede? Hij had zonder twijfel dit wel verstaan van de knechts, die de kudde leidden, maar hij zocht gelegenheid uit Jakobs antwoord, om zijn geschenken beleefdelijk te weigeren.
Hertaald:Voor
Of: Waar is deze hele stoet voor bedoeld? Dat wil zeggen: Waartoe dient die? Wat bedoelt u daarmee? Ezau had dit zonder twijfel al van de knechten vernomen die de kudden leidden, maar hij zocht in Jakobs antwoord een aanleiding om zijn geschenken beleefd af te wijzen.
Genesis 33 vers 9— Maar Ezau zeide: Ik heb veel, mijn broeder! het zij het uwe, wat gij hebt!
Ik heb veel,
Dat is, ik heb daarvan genoeg. Hier zien wij vervuld de beloften Gods, boven, Gen. 27:39.
Hertaald:Ik heb veel,
Dat is: ik heb daarvan genoeg. Hier zien wij Gods beloften vervuld, Gen. 27:39.
het zij het
Dat is, behoud voor u wat gij hebt.
Hertaald:het zij het
Dat is: behoud voor uzelf wat u hebt.
Genesis 33 vers 10— Toen zeide Jakob: Och neen! indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, zo neem mijn geschenk van mijn hand; daarom, omdat ik uw aangezicht gezien heb, als had ik Gods aangezicht gezien, en gij welgevallen aan mij genomen hebt.
als had
Alsof hij zeide: gelijk de gunst van God den mens zeer verkwikt, alzo ben ik ok door deze uw minnelijke en vreedzame ontmoeting zeer vermaakt, houdende haar voor een zeker teken van Gods genade te mijwaarts, alsof God zelf mij zo vriendelijk verschenen ware.
Hertaald:als had
Alsof hij zei: Zoals Gods gunst de mens zeer verkwikt, zo heeft ook deze vriendelijke en vreedzame ontmoeting met u mij zeer verblijd. Daarom beschouw ik haar als een duidelijk teken van Gods genade jegens mij, alsof God Zelf mij zo vriendelijk was verschenen.
en gij hebt
Anders, heb toch een welgevallen aan mij, of, zo vriendelijk hebt gij mij ontvangen.
Hertaald:en gij hebt
Anders: heb toch een welgevallen aan mij; of: zo vriendelijk hebt u mij ontvangen.
Genesis 33 vers 11— Neem toch mijn zegen, die u tegemoet gebracht is, dewijl het God mij genadiglijk verleend heeft, en dewijl ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam.
zegen, die
Dat is, geschenk, dat aldus genoemd wordt, Joz. 15:19; en 1 Sam. 25:27, en 1 Sam. 30:26, 2 Kon. 5:15, en 2 Kor. 9:5-6; omdat het bestaat uit dingen, die door de milde zegening des HEEREN den mensen toegezonden worden, en met gelukwensing plegen gegeven en met dankzegging ontvangen te worden.
Hertaald:zegen, die
Dat is: geschenk, dat zo genoemd wordt in Joz. 15:19; en 1 Sam. 25:27, en 1 Sam. 30:26, 2 Kon. 5:15, en 2 Kor. 9:5-6; omdat het bestaat uit dingen die door de milde zegen van de HEERE aan mensen toegezonden worden, en met gelukwensen gegeven en met dankzegging ontvangen plegen te worden.
Genesis 33 vers 12— En hij zeide: Laat ons reizen en voorttrekken; en ik zal voor u trekken.
hij zeide
Namelijk, Ezau.
Hertaald:hij zeide
Namelijk: Ezau.
voor u
Dat is, nevens, tegenover u, met u, bezijden u, in uw gezelschap, mij naar u voegende in het reizen, al is mijn volk kloeker en frisser dan het uwe.
Hertaald:voor u
Dat is: naast u, tegenover u, met u, aan uw zijde, in uw gezelschap, mij bij u aansluitend tijdens het reizen, ook al is mijn volk sterker en frisser dan het uwe.
Genesis 33 vers 13— Maar hij zeide tot hem: Mijn heer weet, dat deze kinderen teder zijn, en dat ik zogende schapen en koeien bij mij heb; indien men dezelve maar een dag afdrijft, zo zal de gehele kudde sterven.
hij zeide
Namelijk, Jakob.
Hertaald:hij zeide
Namelijk: Jakob.
teder zijn,
Ruben, de oudste, mocht in dezen tijd omtrent twaalf of dertien jaren oud geweest zijn.
Hertaald:teder zijn,
Ruben, de oudste, mag op dit moment ongeveer twaalf of dertien jaar oud geweest zijn.
zogende
Anders, dragende.
Hertaald:zogende
Anders: dragende.
bij mij
Of, op mij, dat is tot mijn last en zorg.
Hertaald:bij mij
Of: op mij, dat is: tot mijn last en zorg.
Genesis 33 vers 14— Mijn heer trekke toch voorbij, voor het aangezicht van zijn knecht; en ik zal mij op mijn gemak als leidsman voegen, naar den gang van het werk, hetwelk voor mijn aangezicht is, en naar den gang dezer kinderen, totdat ik bij mijn heer te Seir kome.
mijn gemak
Of, zachtjes, zoetJes.
Hertaald:mijn gemak
Of: zachtjes, langzaamaan.
naar den
Hebr. naar den voet; en zo in het volgende.
Hertaald:naar den
Hebreeuws: naar de voet; zo ook verderop.
het werk,
Alzo noemt Jakob zijn vee, hetwelk gade te slaan zijn dagelijks werk was; alzo ook Ex. 22:8, en Ex. 36:6.
Hertaald:het werk,
het werk – Zo noemt Jakob zijn vee, omdat het verzorgen ervan zijn dagelijkse werk was. Zo wordt het woord werk ook gebruikt in Exodus 22:8 en Exodus 36:6.
Genesis 33 vers 15— En Ezau zeide: Laat mij toch van dit volk, dat met mij is, u bijstellen. En hij zeide: Waartoe dat? laat mij genade vinden in mijns heren ogen!
Laat mij genade
Dat is, bewijs mij deze gunst, en doe wat ik verzoek, en stel niemand van uw volk bij mij.
Hertaald:Laat mij genade
Dat is: bewijs mij deze gunst, en doe wat ik vraag, en stel niemand van uw volk bij mij.
Genesis 33 vers 17— Maar Jakob reisde naar Sukkoth, en bouwde een huis voor zich, en maakte hutten voor zijn vee; daarom noemde hij den naam dier plaats Sukkoth.
Sukkoth, en
Dezen naam had die plaats toen nog niet, maar kreeg zij daarna, zoals aan het einde van dit vs. gezegd wordt.
Hertaald:Sukkoth, en
Deze naam had die plaats toen nog niet, maar kreeg zij pas later, zoals aan het einde van dit vers gezegd wordt.
Sukkoth
Dat is, hutten, tenten, daken, kooien. Deze plaats was gelegen over de Jordaan, in den stam van Gad, niet ver van Pnuel; zie Joz. 13:27; Richt. 8:5, Richt. 8:14-15. Er wordt van een ander Sukkoth gesproken, Ex. 12:37.
Hertaald:Sukkoth
Dat is: hutten, tenten, loofhutten, verblijven. Deze plaats lag aan de overkant van de Jordaan, in de stam van Gad, niet ver van Pnuël; zie Joz. 13:27; Richt. 8:5, Richt. 8:14-15. Van een ander Sukkoth wordt gesproken in Ex. 12:37.
Genesis 33 vers 18— En Jakob kwam behouden tot de stad Sichem, welke is in het land Kanaan, als hij kwam van Paddan-Aram; en hij legerde zich in het gezicht der stad.
behouden
Hebr. Schalem, wat anderen houden voor den naam van een stad bij de Jordaan, waar omtrent Johannes de Doper, daarna gedoopt heeft; onderscheiden van een ander Salem, daarna genoemd Jeruzalem; zie boven, Gen. 14:18; Ps. 76:3.
Hertaald:behouden
Hebreeuws: Schalem, wat anderen houden voor de naam van een stad bij de Jordaan, in de buurt waarvan Johannes de Doper later gedoopt heeft; te onderscheiden van een ander Salem, later Jeruzalem genoemd; zie Gen. 14:18; Ps. 76:3.
Sichem,
Zie boven, Gen. 12:6.
Hertaald:Sichem,
Zie Gen. 12:6.
in het gezicht
Of, voor aan de stad.
Hertaald:in het gezicht
Of: vlak voor de stad.
Genesis 33 vers 19— En hij kocht een deel des velds, waarop hij zijn tent gespannen had, van de hand der zonen van Hemor, den vader van Sichem, voor honderd stukken gelds.
Hemor, den
Hebr. Chamor, Hand. 7:16 wordt hij Emmor genoemd.
Hertaald:Hemor, den
Hebreeuws: Chamor; in Hand. 7:16 wordt hij Emmor genoemd.
stukken gelds
Genaamd Lammeren, omdat de figuur van een lam daarop getekend was. Zie Joz. 24:32; Job 42:11, en verg. Hand. 7:16. Anderen verstaan natuurlijke schapen, die hij voor dat land gegeven heeft, gelijk het ook gebruikelijk geweest is te kopen en te verkopen met verwisseling van waren.
Hertaald:stukken gelds
Genoemd 'lammeren', omdat de afbeelding van een lam erop stond. Zie Joz. 24:32; Job 42:11, en vergelijk Hand. 7:16. Anderen verstaan hieronder werkelijke schapen, die hij voor dat land gegeven heeft, zoals het ook gebruikelijk was te kopen en te verkopen door ruilhandel.
Genesis 33 vers 20— En hij richte aldaar een altaar op, en noemde het: De God Israels is God!
een altaar
Om dankoffer daarop te offeren, en den gehelen godsdienst te plegen, naar het exempel van zijn vaderen. Zie boven, Gen. 12:7 en Gen. 13:18.
Hertaald:een altaar
Om daarop dankoffers te brengen en de gehele eredienst te beoefenen, naar het voorbeeld van zijn vaderen. Zie Gen. 12:7 en Gen. 13:18.
De God Israëls
Hebr. El Elohe Israël.
Hertaald:De God Israëls
Hebreeuws: El Elohe Israël.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Ezau — harig, ruig
De eerstgeboren tweelingzoon van Izak en Rebekka, rossig en over zijn hele lichaam behaard geboren, waaraan hij zijn naam ontleent (Gen. 25:25). Hij werd een ervaren jager en een man van het veld, en verkocht in een ogenblik van honger zijn eerstgeboorterecht aan zijn broer Jakob voor een schotel linzenmoes. Hij werd de stamvader van de Edomieten.
Jakob — hielenlichter, bedrieger
De tweede tweelingzoon van Izak en Rebekka, geboren terwijl hij de hiel van zijn broer Ezau vasthield, waaraan zijn naam is ontleend (Gen. 25:26). Hij verwierf sluw het eerstgeboorterecht en later, met hulp van zijn moeder, ook de zegen van zijn vader. Later zou God zijn naam veranderen in Israël (Gen. 32:28), en uit zijn twaalf zonen zouden de twaalf stammen van Israël voortkomen.
Rachel — ooi (schaap)
De jongste dochter van Laban, door Jakob bemind vanaf het eerste ogenblik dat hij haar bij de put ontmoette (Gen. 29:9-12). Jakob diende zeven jaar voor haar, maar werd door Laban bedrogen met Lea; pas na nog eens zeven jaar dienst kreeg hij ook Rachel tot vrouw. Lange tijd bleef zij onvruchtbaar, tot zij Jozef baarde (Gen. 30:22-24); later stierf zij bij de geboorte van haar tweede zoon Benjamin (Gen. 35:16-19).
Lea — vermoeide
De oudste dochter van Laban en zuster van Rachel, met 'tedere' (zwakke) ogen (Gen. 29:16-17). Door een list van haar vader werd zij in de huwelijksnacht in plaats van Rachel aan Jakob gegeven. Zij baarde Jakob zes zonen — Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issaschar en Zebulon — en één dochter, Dina, en werd na haar dood, evenals later Jakob zelf, begraven in de spelonk van Machpela.
Jozef — Hij (God) voege toe
De eerste zoon van Jakob en Rachel, na lang wachten geboren (Gen. 30:22-24). Zijn naam drukt Rachels hoop uit dat de HEERE haar nog een zoon zou toevoegen — wat later met Benjamin ook gebeurde. Jozef zou later, als lieveling van zijn vader, door zijn broers uit jaloezie verkocht worden, maar door Gods voorzienigheid uiteindelijk heel Egypte en zijn eigen familie redden van de hongersnood (Gen. 37-50).
Kanaän — onderworpene, vernederde
De jongste zoon van Cham en kleinzoon van Noach (Gen. 9:18, 22). Om de zonde van zijn vader Cham tegenover Noach werd niet Cham, maar Kanaän door Noach vervloekt: 'een knecht der knechten zij hij zijn broederen.' Naar hem is het land Kanaän genoemd, dat later door de Israëlieten in bezit genomen zou worden.
Bijbelse PlaatsenPlaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Sichem — Hebreeuws sjekem, "schouder" — waarschijnlijk naar de ligging op een bergrug
Ligging: Gelegen tussen de bergen Gerizim en Ebal, op de belangrijke noord-zuidroute door het bergland van Efraïm.
Geschiedenis: Deze plaats wordt voor het eerst genoemd bij Abrahams tocht vanuit Haran: bij de eik (het terebint) van More, in de omgeving, richtte hij zijn eerste altaar voor de HEERE in het land Kanaän op (Gen. 12:6v). Waarschijnlijk was het bij diezelfde eik dat Jakob, teruggekeerd uit Paddan-Aram, de vreemde goden begroef (Gen. 35:4); hierheen was hij gekomen na zijn ontmoeting met Ezau (Gen. 33:18). Ten oosten van de stad kocht Jakob een stuk grond van Hemor, Sichems vader, waar hij zijn tent opsloeg en een altaar bouwde, dat hij El-Elohe-Israël noemde (Gen. 33:19v). Hier speelde zich ook de geschiedenis van de ontering van Dina af, met de wraak van Simeon en Levi tot gevolg (Gen. 34). Later liet Abimelech, wiens moeder uit de stad afkomstig was, zich door de mannen van Sichem tot koning maken (Richt. 9).
Bijbelse betekenis: De eerste plek in het beloofde land waar een aartsvader een altaar voor de HEERE bouwde — daarmee in zekere zin het geestelijke beginpunt van Israëls aanwezigheid in Kanaän.
Sukkoth — Hebreeuws voor "hutten, loofhutten" — Jakob gaf de plaats deze naam naar de hutten die hij daar voor zijn vee bouwde, naast een huis voor zichzelf (Gen. 33:17)
Ligging: Gelegen ten oosten van de Jordaan, ten noorden van de Jabbok, tussen Pniël en Sichem; later toegewezen aan de stam Gad. Vermoedelijk het huidige Tell Deir Alla.
Geschiedenis: Hierheen trok Jakob nadat hij zich met Ezau verzoend had, en bouwde er een huis en hutten voor zijn kudden (Gen. 33:17). Later, in Gideons achtervolging van de Midianitische vorsten Zebah en Zalmuna, weigerden de mannen van Sukkoth zijn uitgeputte leger brood te geven; bij zijn terugkeer strafte Gideon hen daarvoor (Richt. 8:5-16). In de vlakte tussen Sukkoth en Zarthan liet Salomo het koperen tempelvaatwerk gieten (1 Kon. 7:46; 2 Kron. 4:17).
Bijbelse betekenis: De rustplaats na de spanning van de verzoening met Ezau — Jakob bouwt er, in tegenstelling tot zijn eerdere omzwervingen, voor het eerst een eigen huis.
Gen. 33:17; Joz. 13:27; Richt. 8:5-16; 1 Kon. 7:46; Ps. 60:8; 108:8
Genesis 33:1-2.KruisverwijzingenGenesis 32:6→Genesis 32:16→Genesis 27:41→Genesis 37:3→Genesis 29:30→Genesis 30:22→Maleachi 3:17→ — En Jakob hief zijn ogen op en zag; en ziet, Ezau kwam, en vierhonderd mannen met hem. Toen verdeelde hij de kinderen onder Lea, en onder Rachel, en onder de twee dienstmaagden. En hij stelde de dienstmaagden en haar kinderen vooraan; en Lea en haar kinderen meer achterwaarts; maar Rachel en Jozef de achterste. Hij rangschikte hen overeenkomstig zijn liefde voor hen, waarbij degenen die hem het meest lief waren achteraan stonden.
Genesis 33:3-4.KruisverwijzingenGenesis 45:14→Genesis 42:6→Genesis 18:2→Genesis 43:26→Genesis 32:28→Johannes 10:15→1 Samuël 2:5→Spreuken 6:3→ — En hij ging voorbij hun aangezicht heen, en hij boog zich zeven malen ter aarde, totdat hij bij zijn broeder kwam. Toen liep Ezau hem tegemoet, en nam hem in den arm, en viel hem aan den hals, en kuste hem; en zij weenden. God was hem zeer genadig geweest en al zijn angsten waren verdwenen, zodat hij Esau tegemoettrad als een broeder en niet als een vijand. Ook waren de vierhonderd mannen bereid zijn beschermers te worden.
Genesis 33:5.KruisverwijzingenPsalmen 127:3→Jesaja 8:18→Genesis 48:9→Hebreeën 2:13→1 Kronieken 28:5→Genesis 30:2→1 Samuël 1:27→Ruth 4:13→ — Daarna hief hij zijn ogen op, en zag die vrouwen en die kinderen, en zeide: Wie zijn deze bij u? En hij zeide: De kinderen, die God aan uw knecht genadiglijk verleend heeft. Het waren er in totaal een groot aantal, meer dan genoeg, zou u waarschijnlijk denken als u ze zelf had. Jakob sprak echter niet minachtend over hen, maar noemde hen “De kinderen die God uw knecht genadiglijk verleend heeft”.
Genesis 33:9-11.KruisverwijzingenFilippenzen 4:18→1 Samuël 25:27→Genesis 27:39→2 Koningen 5:23→Handelingen 21:20→Spreuken 30:15→Genesis 4:9→Richteren 20:23→ — Maar Ezau zeide: Ik heb veel, mijn broeder! het zij het uwe, wat gij hebt! Toen zeide Jakob: Och neen! indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, zo neem mijn geschenk van mijn hand; daarom, omdat ik uw aangezicht gezien heb, als had ik Gods aangezicht gezien, en gij welgevallen aan mij genomen hebt. Neem toch mijn zegen, die u tegemoet gebracht is, dewijl het God mij genadiglijk verleend heeft, en dewijl ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam. “Ik heb veel; mijn broeder.” Esau wordt in Hebreeën 12:16 beschreven als een “een hoereerder, of een onheilige, die om één spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf.” Toch zegt hij: “Ik heb veel; mijn broeder.” Jakob daarentegen was een man die met God had geworsteld en die macht had bij God en bij de mensen als een vorst. Ook hij zegt: “dewijl ik alles heb.” Het lijkt mij alsof bij die gelegenheid de zegen van hun vader Isaak op hen beiden rustte. Hoewel Esau de grote zegen, de verbondszegen, die door bedrog aan Jakob was ten deel gevallen, niet ontving, kreeg hij toch een rijke wereldlijke zegen, die Isaak met alle vurigheid van een vader die zijn zoon innig liefhad over hem uitsprak. Esau ontving daarmee wat hij het meest verlangde, want hij hechtte weinig waarde aan de geestelijke zegen, omdat hij geen geestelijk mens was. Toen hij de wereldlijke zegen ontving, was zijn hart tevreden.
Jakob ziet Ezau met de vierhonderd mannen nader komen; hij plaatst zijn vrouwen en kinderen naar volgorde en stelt zichzelf vooraan; hij nadert zijn broeder met een zevenmaal herhaalde diepe buiging. Ezau, in plaats van hem als een vijand te ontmoeten, is geheel veranderd, valt hem om de hals, kust hem, en nadat hij aan zijn borst heeft uitgeweend, vraagt hij deelnemend naar de zijnen, en neemt, eerst na veel afwijzen, het geschenk aan, en biedt zich aan tot geleider, wat Jakob echter met behoedzaamheid afwijst.
1. En Jakob, als hij weer bij de zijnen gekomen was, (hoofdstuk. 32:21-24) hief zijn ogen op en zag; en ziet, Ezau kwam en vierhonderd mannen met hem, zoals hem de vorige dag geboodschapt was (hoofdstuk. 32:6). Toen verdeelde hij, hoewel nu niet in de angst, als waarmee hij de vorige dag dit gedaan had (hoofdstuk. 32:7), en ook met een ander doel, de kinderen onder Lea (Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issaschar, Zebulon en Dina), en onder Rachel (Jozef), en onder de twee dienstmaagden (onder Bilha, Dan en Naftali, onder Zilpa, Gad en Aser).
2. En hij stelde, de orde, die zij in zijn hart hadden, omkerende, de dienstmaagden en haar kinderen vooraan, en Lea en haar kinderen meer achterwaarts; maar Rachel en Jozef de achterste. 1)
1) Rachel wordt hier weer kennelijk voorgetrokken boven Lea. En toch was Juda, Lea’s zoon, de door God uitverkorene, uit wie de Christus zou worden geboren voor zoveel het vlees aangaat. Jakob wist dat toen nog niet. Later zou hij dit verstaan. Maar toch, hoe bewijst deze geschiedenis ook weer, dat, indien mensen de eer en de zaak van God moesten beschermen, het een afgesneden zaak op aarde was, en tevens, dat God zelf altijd zorgt, dat ook, niettegenstaande de dwaasheid van Zijn kinderen, Zijn Raad bestaat en Zijn plannen ten uitvoer worden gebracht.
3. En hij ging, als het hoofd van zijn familie, voorbij hun aangezicht heen, plaatste zich vooraan, en hij boog zich, toen Ezau genaderd was, zeven maal ter aarde, 1) totdat hij bij zijn broeder kwam.
1) Om iemand zijn eerbied te betuigen, of hem als zijn heer hulde te brengen, boog men zich in het Oosten zevenmaal ter aarde (1 Samuel 20:41), zó diep, dat het voorhoofd bijna de grond raakte; de zevende maal wierp men zich dicht voor hem neer. Zo huldigt Jakob zijn broeder als heer, en boet hij zijn misdaad door het ontvangen loon weer te geven. Zijn beleefdheid is echter tevens een middel, om zich te bewaren voor vermenging met de geest van Edom.
Door dat zich zevenmaal buigen toont Jakob, dat hij metterdaad wil bewijzen, wat hij vroeger in woorden geuit heeft.
4. Toen liep Ezau, door de vooruit gezonden geschenken en deze begroetingen, als zo vele tekenen van verootmoediging, overwonnen, hem tegemoet, 1) en nam hem in de arm, (omarmde hem), en viel hem aan de hals en kuste hem; a) en zij weenden 2) van vreugde, Ezau, omdat hij zijn broeder na zo lange afwezigheid wederzag; Jakob, omdat de Heere het hart van zijn broeder zo had veranderd.
a) Genesis 45:14 vv. Spreuken. 21:1,14; 16:7
1) Dat Ezau buiten verwachting zijn broeder welwillend en vriendelijk tegemoet komt, is gewrocht van de bijzondere genade van God. Hierdoor heeft God getoond, dat Hij de harten van de mensen in Zijn hand heeft, om ze te vertederen en de woestheid te breidelen. Vervolgens, dat Hij hen niet anders tam maakt, dan zoals men de wilde beesten pleegt te beheersen en eindelijk, dat Hij de gebeden van zijn knecht Jakob verhoord heeft. Waarom wij hieruit leren, tot hetzelfde plechtanker de toevlucht te nemen, indien de vijanden ons door hun bedreigingen verschrikken. Want wel verschillend gaat God te werk. Niet altijd stemt Hij de wrede gemoederen tot menslievendheid, maar wanneer zij voor de dag komen, beteugelt Hij ze zo door zijn kracht, zodat zij in niets schaden. Indien Hij echter aldus de zaak in orde brengt, dan zal Hij hen niet anders met ons verzoenen, dan wij hier zien, zoals Ezau met zijn broeder Jakob verzoend wordt.
2) In het gemeenschappelijk wenen zijn de oude mannen nog eens een tweeling geworden.
De verzoening tussen Jakob en Ezau rust op de verzoening van Jakob met God. De oude wijze van Jakob om Ezau te overwinnen, maakt hij thans weer goed door de nieuwe wijze, waarop hij hem overwint. De verootmoediging van Jakob veronderstelt zijn verootmoediging voor God; zijn voldoening voor Ezau, zijn verzoening met God, en uit Jehova’s genade en trouw put hij de krachten van de liefde en het vertrouwen, waardoor hij Ezau overwint.
De vorige dingen worden niet meer besproken; zo behoort het bij een verzoening te zijn. De Heilige Schrift is waarlijk de Heilige. Gelijk in haar de donkere schaduwen van de uitverkorenen, zonder die te verhelen, ontdekt worden, zo gaat zij evenmin de goede zijde voorbij van hen die daar buiten zijn. In ieder mens vindt men nog iets, dat niet te verwerpen is; ja, maar al te dikwijls moet de wereld aan de gelovigen moraal prediken.
5. Nadat Ezau zich enigszins van zijn aandoeningen hersteld had, liet hij zijn broeder los; daarna hief hij zijn ogen op, en zag die vrouwen en die kinderen, die achter Jakob stonden, en zei, in een vriendschappelijk gesprek met hem gaande: Wie zijn deze bij u? 1) In welke betrekking staan zij tot u? En hij zei: a) De kinderen, die God aan uw knecht genadiglijk verleend heeft, 2) gedurende de tijd die ik bij Laban geweest ben.
a) Psalm. 127:3
1) Die vraag wordt niet gedaan, om daarmee een gesprek te beginnen, maar drukt veeleer verwondering en verbazing uit. Ezau heeft in het eerste ogenblik slechts om zijn broeder gedacht. Wellicht dat hij ook volstrekt niet vermoed heeft, dat Jakob zó rijk zou terugkeren. Ontroering is tevens uit de keuze van woorden merkbaar. Het is een kort uitgestoten volzin.
2) Het antwoord van Jakob ademt zowel vroomheid als bescheidenheid. Want als hij antwoordt, dat God hem zulk een talrijk kroost geven heeft, dan erkent en bekent Hij daarmee, dat de kinderen niet zó op bloot natuurlijke wijze gegenereerd worden, of dit blijft altijd waar, dat de vrucht uit de buik loon of geschenk van God is. En zeker, wanneer de vruchtbaarheid van de stomme dieren een geschenk van God is, hoeveel temeer dan, wanneer dit bij de mensen plaats heeft, die naar Zijn beeld geschapen werden. De bescheidenheid blijkt hieruit, dat Jakob zich de knecht van zijn broeder noemt.
6. Toen traden op Jakob’s wenk, de dienstmaagden toe, zij en haar kinderen, en zij bogen zich neer voor Ezau.
7. En Lea trad ook toe met haar kinderen, en zij bogen zich neer; en daarna trad Jozef toe en Rachel, en zij bogen zich neer.
Jakob’s vrouwen waren hem vrijwillig gevolgd, hadden het huis van hun vader verlaten en nu bij de aankomst in Kanaän wacht deze terstond een beproeving. Een beproeving, die door God wel ten goede wordt beschikt, maar welke toch voor het vlees zeer onaangenaam was. Jakob en de zijnen zullen, zoals het schijnt, voortaan leven bij de gratie van hun broeder Ezau. Zo moest echter ook hij leren te hebben als niet hebbende; zo werd ook bij hem en de zijnen het geloof beproefd, maar zo is hij ook weer een beeld van de Kerk van Christus, die hier aan deze zijde van het graf in de grond van de zaak slechts geduld wordt door hen, die buiten zijn.
8. En hij zei, het gesprek op de geschenken leidende, die Jakob hem had toegezonden, maar die hij nog niet aangenomen had: Voor wie is u al dit heer, de vijf kudden vee, dat ik ontmoet heb. 1) En hij zei: Om genade te vinden in de ogen van mijn heer, 2) heb ik die uit mijn kudde uitgelezen en voor mij heengezonden.
1) Deze vraag doet Ezau, om te kunnen komen tot de weigering. Ezau wil geen geschenk van zijn broeder ontvangen.
2) Jakob begrijpt de vraag niet, maar geeft een antwoord, alsof Ezau haar uit onbekendheid met de toestand van zaken had gedaan. Het is hem werkelijk om verzoening te doen. Dat geschenk was bestemd om van zijn kant een blijk te geven, dat hij werkelijk vrede en eensgezindheid wil. Zijn geschenk is dan ook niet karig, maar rijk en vorstelijk.
9. Maar Ezau zei: Ik heb veel, 1) mijn broeder! beroof u dus om mijnentwil van het uwe niet, maar het zij het uwe, wat gij hebt! 2)
1) “Ik heb veel.” Dit wordt niet gezegd, om er zich op te beroemen, maar om Jakob te doen verstaan, dat voor hem een geschenk van weinig waarde is. Aan de andere zijde doet Ezau zich ook hier als een natuurlijk mens kennen. Hij zegt niet, dat God hem veel heeft gegeven, gelijk Jakob zo-even aan de gunst van God toeschreef, dat hij zo rijk terugkeerde.
2) Duidelijk straalt hierin door, dat Ezau hier zinspeelt op de moeite, welke Jakob doorstaan heeft. Hij wil niets hebben van hetgeen Jakob zo zuur verdiend heeft. Jakob mag en moet het zelf houden.
10. Toen zei Jakob: Och neen! weiger het mij niet! Indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, zo neem mijn geschenk van mijn hand; daarom, omdat ik uw aangezicht gezien heb, als had ik Gods aangezicht gezien, 1) en gij welgevallen aan mij genomen hebt; in uw aangezicht heeft zich voor mij de vriendelijkheid Gods afgespiegeld.
1) Deze uitdrukking klinkt zeer vleiend, maar heeft deze goede zin, dat Jakob in de vriendelijkheid van zijn broeder weer een volkomen bewijs van de vriendelijkheid Gods jegens zich gezien heeft. (Job.33:26; Psalm. 11:7).
De kanttekenaar geeft de zin aldus weer: “Alsof hij zei, gelijk de Geest Gods de mens zeer verkwikt, alzo ben ik door deze uw minnelijke en vreedzame ontmoeting zeer vermaakt; houdende deze voor één zeker teken van Gods genade te mijwaarts, alsof God zelf mij zo vriendelijk verschenen ware.” Jakob spreekt hier uit, dat de vriendelijke ontmoeting van Ezau voor hem de bevestiging is van de belofte, in de vorige nacht, hem gedaan.
11. Neem toch mijn zegen, 1) die u toegebracht is, het geschenk, dat tot gelukwensing (1 Samuel 25:27) u gegeven is; daar het God mij genadiglijk verleend heeft, 2) en daar ik alles3) heb; God heeft mij zoveel gegeven, dat ik dit wel ontberen kan; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam. 4)
1) In de middeleeuwen heten de geschenken van de priesters “benedictiones” (zegeningen). In het aannemen van dit geschenk wil Jakob de zekerheid zien, dat Ezau met hem verzoend is.
In het Hebreeuws Brachti, mijn zegen. In gelijke zin wordt het gebruikt in Jozua. 15:19; 1 Samuel. 25:27; 30:26; 2 Kor.5:15; 9:5,6. Het kan hier zowel actief als passief opgevat worden. Actief betekent het dan een zegen, welke van mijn hand u wordt gegeven, en passief: waarin ik gezegend ben (door God). Hoogstwaarschijnlijk moet het in de eerste zin worden opgevat, daar Jakob dadelijk daarop zegt, dat God het hem verleend heeft.
2) Jakob brengt hier in toepassing, wat eeuwen daarna de Apostel van de hoop van de Gemeente op het hart drukt, om uitdelers te zijn van menigerlei genade van God.
3) Maar nog een andere reden heeft Jakob, om Ezau over te halen tot het aannemen van een geschenk, dat met zoveel vreugde wordt gegeven. Wat hij geeft is betrekkelijk gering, vergeleken bij hetgeen hij overhoudt en waarvan Ezau zelfs geen begrip heeft. Jakob is na de worsteling bij Pniël rijker dan de gehele wereld met al haar schatten te samen op één hoop gebracht. Hij bezit, wat de wereld niemand geven kan, hij bezit alles, “daar ik alles heb.” Ja, hij bezat God, hij bezat Christus en “Christus is alles” (Col.3:11). Dat kan alleen een kind van God zeggen. Het is een woord als van Paulus, die zegt: ik vermag alle dingen door Jezus Christus, die mij kracht geeft (Phil.4:13). Hoe rijk maakt toch het geloof in Christus de erfgenamen van Christus, die in en door Hem erfgenamen God zijn!.
4) Nu Ezau ziet, dat het geschenk hem niet alleen wordt aangeboden uit vrees, maar uit ware broederlijke liefde en gulheid, geeft hij toe en neemt het aan. Hij weet nu, dat hij Jakob zou bedroeven, indien hij het geschenk weigerde.
12. En hij, Jakob een liefdedienst willende bewijzen, zei: Laat ons reizen en voorttrekken; en ik zal voor u trekken; 1) om u een veilig geleide te geven, opdat niemand u en de uw op de weg leed doe.
1) Waarom deed Ezau dit voorstel? De gevoelens zijn verschillend. Meent de een, dat het bij Ezau voortkwam uit een soort van wantrouwen jegens zijn broeder, de andere is van gevoelen, dat het voorstel voortkwam uit een gul en vriendelijk gemoed, om n.l. Jakob, tot gids en beschermer te dienen. Wij sluiten ons bij de laatsten aan. Indien toch Ezau hem wantrouwde, had hij niet voorgesteld vooruit te trekken, maar was achteraan gebleven, om voor een onverhoedse aanval van de zijde van Jakob gewaarborgd te zijn.
13. Maar hij, met wijsheid zoekende te verhinderen, dat Ezau met hem in Kanaän kwam, en toch voor zijn broeder de eigenlijke reden bedekkende, zei tot hem; 1) Mijn heer weet, dat deze kinderen teder zijn, en dat ik zogende 2) schapen en koeien bij mij heb, met welke ik zo spoedig niet volgen kan. Voor de kinderen ware wel raad, maar indien men deze zogende maar een dag afdrijft, zo zal de gehele kudde, zo zullen de zogenden en ten gevolge daarvan ook de jongen, sterven.
1) Jakob gevoelt zeer goed, dat dit niet kan en mag. Niet Ezau, maar de Heere God is zijn geleider en beschermer. Hij moet dus een afwijzend antwoord geven, maar doet dit zo hoffelijk mogelijk, en voert een reden aan, die waar is en door Ezau kan verstaan worden en gebillijkt.
2) Jakob is hier het beeld van de goede Herder. (Jesaja 40:11).
14. Mijn heer trekke toch voorbij voor het aangezicht van zijn knecht; en ik zal mij op mijn gemak, in korte dagreizen, als leidsman voegen naar de gang van het werk, hetwelk voor mijn aangezicht is, en naar de gang van deze kinderen, totdat ik aan het doel van mijn reis gekomen ben, en van daar bij mijn heer te Seïr kome, 1) om hem te bezoeken.
1) Merk op, dat de rechtgelovigen en werkheiligen niet tezamen kunnen gaan; want de rechtgelovigen gaan in reinheid met stille geest, maar de werkheiligen gaan, vermetel op hun werken, in de werken van God in.
15. En Ezau zei: Laat mij toch tenminste van dit volk, dat met mij is, u bijstellen; deze zullen zich geheel naar uw begeerte richten, zo dat gij niet steeds vooruit behoeft te trekken. En hij zei: Waartoe dat? 1) ik heb geen geleide nodig; de weg is veilig genoeg. Welke gevaren zouden mij kunnen dreigen (hoofdstuk. 32:1,2): 2) laat mij genade vinden in de ogen van mijn heer, 3) blijf mij slechts vriendelijk gezind, zo is het mij genoeg.
1) Het bewijst de vastheid van de aartsvader, dat hij na de verzoening met Ezau, zich nog door vrees noch door vreugde verleiden laat, om zich met hem te vermengen.
2) Heb ik mijn eeuwig belang in Jezus hand gegeven, zal ik dan ook het mindere Hem niet aanbevelen, en ook ten opzichte van mijn nu nog ongeboren lot bij voorraad roepen: Christus, Christus heeft alles welgedaan! Zo is mijn lot in de beste handen! Was het in mijn hand of in die van mijn vijanden, of in die van mijn beste vrienden onder de eindige wezens, hoe zorgelijk stond dan alles! Aan geen van hen durf ik het één ogenblik toevertrouwen. Mijn Verlosser heeft de bestelling! Nu ben ik gerust!.
3) Het is Jakob niet te doen, om de bescherming van Ezau, maar enkel en alleen, om zijn vriendschap en liefde.
16. Alzo keerde Ezau die dag wederom zijns weegs naar Seïr toe. 1)
1) Of Jakob hem werkelijk daar bezocht heeft, wordt niet gemeld; eerst bij de begrafenis van Izaak vinden wij de beide broeders weer in goede verstandhouding tezamen. (hoofdstuk. 35:29).
Twee zo van elkaar verschillende mensen als Jakob en Ezau, blijven het best vrienden, wanneer zij niet in te veel aanraking met elkaar komen.
Jakob’s handelwijze herinnert ons aan het woord; “zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen”; dus ook met de ongelovigen. Ook voor hen moet beleden worden, hetgeen wij tegen hen misdeden; ook hun komt eer toe, waar zij boven ons gesteld zijn. Verre is van Jakob dat hovaardig zijn op de genade, die aan hem geschied is; integendeel die ontvangen genade vernedert hem ook voor mensen.
Och, Heere! ontruk mijn voet aan de strik van satan, geef mij geduld om te verdragen, liefde om de verkeerdheden van anderen te overwinnen, opdat ik over hen zegeviere, niet door toorn, maar door zachtmoedigheid, niet door verwijt, maar door onderwerping, niet door vleselijke wapens, maar door het gebed.
II. Gen. 33 vers 17-20
Na van Ezau afscheid genomen te hebben, trekt Jakob naar Sukkoth en blijft daar een geruime tijd, waarschijnlijk om van de vermoeienissen van de reis zijn kudden te laten bekomen; vervolgens zet hij zich te Sichem neer, en koopt hij daar van de kinderen van Hemor het stuk land; waarop later het gebeente van Jozef begraven is Jozua 24:32)
17. Maar Jakob van zijn zijde (vs.16) reisde aan de oostzijde van de Jordaan in noordelijke richting, naar Sukkoth, naar die streek, van de vlakte Abu-Obeida, waar later de stad Sukkoth (Jozua 13:27; Richteren. 8:4 vv.) lag en hij bouwde een huis voor zich, 1) en maakte hutten voor zijn vee, omtuiningen, met overdekte plaatsen, waar het kon schuilen voor de zonnestralen; daarom noemde hij de naam van die plaats Sukkoth (tenten, hutten).
1) In plaats van een gewone tent, richtte Jakob hier een vaste woonplaats voor zich op. Men heeft het onwaarschijnlijk gevonden, dat hij dit zou gedaan hebben, daar hij naar Kanaän wilde. Men denke echter aan Jakob’s harde lot gedurende twintig jaar, aan zijn lange reis die hem heeft afgemat, aan zijn geestelijke strijd. Nu eerst komt hij, na zo lange inspanning, tot het gevoel van behoefte aan rust. Evenals een lang gejaagd wild eindelijk ter aarde neerzinkt, zo laat hij zich te Sukkoth voor enigen tijd neer. Daar schijnt hij ook zijn genezing te hebben afgewacht, waarom het waarschijnlijk, vs.18, heet, dat Jakob “behouden” te Sichem aankwam.
Van hier heeft hij zijn vader zeker meermaal bezocht. Zich geheel met diens gezin te verenigen kon hij niet, wegens de menigte van vee en knechten, evenmin daar hij nu tot patriarchale zelfstandigheid gekomen was.
In verband met vs.19 kan men ook veronderstellen, dat wat hier in vs.17 “huis” genoemd is, slechts een tent was. Een ogenblik geeft de Heere aan Jakob verademing en daar te Sukkoth mag hij enige tijd vertoeven; maar wat Jakob nu gaat doen te Sichem, vaste voet zoeken te verkrijgen, draagt, zoals duidelijk het vervolg van de geschiedenis aanwijst, de goedkeuring van de Heere niet weg.
18. En Jakob kwam, na enige tijd te Sukkoth vertoefd te hebben, behouden 1) tot de stad Sichem (hoofdstuk. 34), welke is in het land Kanaän, als hij kwam van Paddan-Aram; en hij legerde zich in het gezicht van de stad.
1) Of “met vrede.” Zó is de wens van Jakob (Genesis 28:21) vervuld.
19. En hij kocht, daar hij zich hier, evenals Abraham een vaste voet in het land verworven had (hoofdstuk. 12:6 vv.) ), een vaste woonplaats wenste, een deel van het veld, waarop hij zijn tent gespannen had 1) (waarop hij later zijn tent spande), van de hand van de zonen van Hemor (ezel lastdrager) de vader van Sichem, voor honderd stukken geld. 2)
1) Liever: “waarop hij daarna zijn tent spande.” Volgens de overlevering was het gekochte stuk grond de aan de zuidoostelijke zijde van Sichem gelegen vlakte, waar nu nog de Jakobsbron (Johannes 4:6), en, 200 tot 300 schreden noordelijk daarvan, een Islamitische grafheuvel, als graf van Jozef, getoond worden.
2) In het Hebreeuws Kesitah. Een woord, dat ook gebruikt wordt in Jozua. 24:32 en Job 42:11. Een kesitah was een zeker stuk geld, ter waarde van 4 sikkels. De oude uitleggers vertalen het woord door “lam,” Vandaar dat sommigen gemeend hebben, dat op dit stuk zilver lammeren waren afgebeeld, of, dat het land betaald werd met lammeren. Ten onrechte echter, omdat dit niet met de gewoonte van de patriarchen overeenkwam (Genesis 23:16, 47:16).
Had Abraham zich een graf of spelonk gekocht, Jakob kocht zich een stuk grond, om er op te werken en te leven.
20. En hij richtte aldaar een altaar 1) op a) en noemde het: El-Elohe-Israël, dat is: de God van Israël is God. 2)
a) Genesis 12:8; 13:4
1) Daarmee heeft Jakob reeds voorlopig zijn belofte (hoofdstuk. 28:20 vv.) vervuld; later volbrengt hij die op de plaats zelf, waar de Heere hem toen verschenen was (hoofdstuk. 35:6 vv.). “Vrede en rust duurt echter niet lang; want nu neigt de dag naar de avond en de duistere nacht daalt neer”.
Toch is er tussen de aankomst in Sichem en de volgende geschiedenis een tussenruimte van ongeveer acht jaar!.
2) Te midden van de heidenen richt Jakob dit altaar op, zowel om zijn dankbaarheid de Heere bekend te maken, van zijn dankbaarheid te getuigen, als om aan de heidenen te verkondigen, dat de Heere alleen de ware God is. Evenwel, de Heere zou hem spoedig doen verstaan, dat, hoewel de bedoeling van zijn knecht goed was, het toch niet overeenkomstig Zijn wil was, dat hij daar bleef.
Of: “de sterke God van Israël”. Israël heeft de macht van zijn God ondervonden, die hem te Bethel rouw had beloofd, en die hij te Pniël door gebed had overwonnen.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Genesis 33
Genesis 33:1-2.KruisverwijzingenGenesis 32:6→Genesis 32:16→Genesis 27:41→Genesis 37:3→Genesis 29:30→Genesis 30:22→Maleachi 3:17→
— En Jakob hief zijn ogen op en zag; en ziet, Ezau kwam, en vierhonderd mannen met hem. Toen verdeelde hij de kinderen onder Lea, en onder Rachel, en onder de twee dienstmaagden. En hij stelde de dienstmaagden en haar kinderen vooraan; en Lea en haar kinderen meer achterwaarts; maar Rachel en Jozef de achterste.
Hij rangschikte hen overeenkomstig zijn liefde voor hen, waarbij degenen die hem het meest lief waren achteraan stonden.
Genesis 33:3-4.KruisverwijzingenGenesis 45:14→Genesis 42:6→Genesis 18:2→Genesis 43:26→Genesis 32:28→Johannes 10:15→1 Samuël 2:5→Spreuken 6:3→
— En hij ging voorbij hun aangezicht heen, en hij boog zich zeven malen ter aarde, totdat hij bij zijn broeder kwam. Toen liep Ezau hem tegemoet, en nam hem in den arm, en viel hem aan den hals, en kuste hem; en zij weenden.
God was hem zeer genadig geweest en al zijn angsten waren verdwenen, zodat hij Esau tegemoettrad als een broeder en niet als een vijand. Ook waren de vierhonderd mannen bereid zijn beschermers te worden.
Genesis 33:5.KruisverwijzingenPsalmen 127:3→Jesaja 8:18→Genesis 48:9→Hebreeën 2:13→1 Kronieken 28:5→Genesis 30:2→1 Samuël 1:27→Ruth 4:13→
— Daarna hief hij zijn ogen op, en zag die vrouwen en die kinderen, en zeide: Wie zijn deze bij u? En hij zeide: De kinderen, die God aan uw knecht genadiglijk verleend heeft.
Het waren er in totaal een groot aantal, meer dan genoeg, zou u waarschijnlijk denken als u ze zelf had. Jakob sprak echter niet minachtend over hen, maar noemde hen “De kinderen die God uw knecht genadiglijk verleend heeft”.
Genesis 33:9-11.KruisverwijzingenFilippenzen 4:18→1 Samuël 25:27→Genesis 27:39→2 Koningen 5:23→Handelingen 21:20→Spreuken 30:15→Genesis 4:9→Richteren 20:23→
— Maar Ezau zeide: Ik heb veel, mijn broeder! het zij het uwe, wat gij hebt! Toen zeide Jakob: Och neen! indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, zo neem mijn geschenk van mijn hand; daarom, omdat ik uw aangezicht gezien heb, als had ik Gods aangezicht gezien, en gij welgevallen aan mij genomen hebt. Neem toch mijn zegen, die u tegemoet gebracht is, dewijl het God mij genadiglijk verleend heeft, en dewijl ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam.
“Ik heb veel; mijn broeder.” Esau wordt in Hebreeën 12:16 beschreven als een “een hoereerder, of een onheilige, die om één spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf.” Toch zegt hij: “Ik heb veel; mijn broeder.” Jakob daarentegen was een man die met God had geworsteld en die macht had bij God en bij de mensen als een vorst. Ook hij zegt: “dewijl ik alles heb.” Het lijkt mij alsof bij die gelegenheid de zegen van hun vader Isaak op hen beiden rustte. Hoewel Esau de grote zegen, de verbondszegen, die door bedrog aan Jakob was ten deel gevallen, niet ontving, kreeg hij toch een rijke wereldlijke zegen, die Isaak met alle vurigheid van een vader die zijn zoon innig liefhad over hem uitsprak. Esau ontving daarmee wat hij het meest verlangde, want hij hechtte weinig waarde aan de geestelijke zegen, omdat hij geen geestelijk mens was. Toen hij de wereldlijke zegen ontving, was zijn hart tevreden.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
VERZOENING VAN JAKOB MET EZAU.
I. Gen. 33 vers 1-16
Jakob ziet Ezau met de vierhonderd mannen nader komen; hij plaatst zijn vrouwen en kinderen naar volgorde en stelt zichzelf vooraan; hij nadert zijn broeder met een zevenmaal herhaalde diepe buiging. Ezau, in plaats van hem als een vijand te ontmoeten, is geheel veranderd, valt hem om de hals, kust hem, en nadat hij aan zijn borst heeft uitgeweend, vraagt hij deelnemend naar de zijnen, en neemt, eerst na veel afwijzen, het geschenk aan, en biedt zich aan tot geleider, wat Jakob echter met behoedzaamheid afwijst.
1. En Jakob, als hij weer bij de zijnen gekomen was, (hoofdstuk. 32:21-24) hief zijn ogen op en zag; en ziet, Ezau kwam en vierhonderd mannen met hem, zoals hem de vorige dag geboodschapt was (hoofdstuk. 32:6). Toen verdeelde hij, hoewel nu niet in de angst, als waarmee hij de vorige dag dit gedaan had (hoofdstuk. 32:7), en ook met een ander doel, de kinderen onder Lea (Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issaschar, Zebulon en Dina), en onder Rachel (Jozef), en onder de twee dienstmaagden (onder Bilha, Dan en Naftali, onder Zilpa, Gad en Aser).
2. En hij stelde, de orde, die zij in zijn hart hadden, omkerende, de dienstmaagden en haar kinderen vooraan, en Lea en haar kinderen meer achterwaarts; maar Rachel en Jozef de achterste. 1)
1) Rachel wordt hier weer kennelijk voorgetrokken boven Lea. En toch was Juda, Lea’s zoon, de door God uitverkorene, uit wie de Christus zou worden geboren voor zoveel het vlees aangaat. Jakob wist dat toen nog niet. Later zou hij dit verstaan. Maar toch, hoe bewijst deze geschiedenis ook weer, dat, indien mensen de eer en de zaak van God moesten beschermen, het een afgesneden zaak op aarde was, en tevens, dat God zelf altijd zorgt, dat ook, niettegenstaande de dwaasheid van Zijn kinderen, Zijn Raad bestaat en Zijn plannen ten uitvoer worden gebracht.
3. En hij ging, als het hoofd van zijn familie, voorbij hun aangezicht heen, plaatste zich vooraan, en hij boog zich, toen Ezau genaderd was, zeven maal ter aarde, 1) totdat hij bij zijn broeder kwam.
1) Om iemand zijn eerbied te betuigen, of hem als zijn heer hulde te brengen, boog men zich in het Oosten zevenmaal ter aarde (1 Samuel 20:41), zó diep, dat het voorhoofd bijna de grond raakte; de zevende maal wierp men zich dicht voor hem neer. Zo huldigt Jakob zijn broeder als heer, en boet hij zijn misdaad door het ontvangen loon weer te geven. Zijn beleefdheid is echter tevens een middel, om zich te bewaren voor vermenging met de geest van Edom.
Door dat zich zevenmaal buigen toont Jakob, dat hij metterdaad wil bewijzen, wat hij vroeger in woorden geuit heeft.
4. Toen liep Ezau, door de vooruit gezonden geschenken en deze begroetingen, als zo vele tekenen van verootmoediging, overwonnen, hem tegemoet, 1) en nam hem in de arm, (omarmde hem), en viel hem aan de hals en kuste hem; a) en zij weenden 2) van vreugde, Ezau, omdat hij zijn broeder na zo lange afwezigheid wederzag; Jakob, omdat de Heere het hart van zijn broeder zo had veranderd.
a) Genesis 45:14 vv. Spreuken. 21:1,14; 16:7
1) Dat Ezau buiten verwachting zijn broeder welwillend en vriendelijk tegemoet komt, is gewrocht van de bijzondere genade van God. Hierdoor heeft God getoond, dat Hij de harten van de mensen in Zijn hand heeft, om ze te vertederen en de woestheid te breidelen. Vervolgens, dat Hij hen niet anders tam maakt, dan zoals men de wilde beesten pleegt te beheersen en eindelijk, dat Hij de gebeden van zijn knecht Jakob verhoord heeft. Waarom wij hieruit leren, tot hetzelfde plechtanker de toevlucht te nemen, indien de vijanden ons door hun bedreigingen verschrikken. Want wel verschillend gaat God te werk. Niet altijd stemt Hij de wrede gemoederen tot menslievendheid, maar wanneer zij voor de dag komen, beteugelt Hij ze zo door zijn kracht, zodat zij in niets schaden. Indien Hij echter aldus de zaak in orde brengt, dan zal Hij hen niet anders met ons verzoenen, dan wij hier zien, zoals Ezau met zijn broeder Jakob verzoend wordt.
2) In het gemeenschappelijk wenen zijn de oude mannen nog eens een tweeling geworden.
De verzoening tussen Jakob en Ezau rust op de verzoening van Jakob met God. De oude wijze van Jakob om Ezau te overwinnen, maakt hij thans weer goed door de nieuwe wijze, waarop hij hem overwint. De verootmoediging van Jakob veronderstelt zijn verootmoediging voor God; zijn voldoening voor Ezau, zijn verzoening met God, en uit Jehova’s genade en trouw put hij de krachten van de liefde en het vertrouwen, waardoor hij Ezau overwint.
De vorige dingen worden niet meer besproken; zo behoort het bij een verzoening te zijn. De Heilige Schrift is waarlijk de Heilige. Gelijk in haar de donkere schaduwen van de uitverkorenen, zonder die te verhelen, ontdekt worden, zo gaat zij evenmin de goede zijde voorbij van hen die daar buiten zijn. In ieder mens vindt men nog iets, dat niet te verwerpen is; ja, maar al te dikwijls moet de wereld aan de gelovigen moraal prediken.
5. Nadat Ezau zich enigszins van zijn aandoeningen hersteld had, liet hij zijn broeder los; daarna hief hij zijn ogen op, en zag die vrouwen en die kinderen, die achter Jakob stonden, en zei, in een vriendschappelijk gesprek met hem gaande: Wie zijn deze bij u? 1) In welke betrekking staan zij tot u? En hij zei: a) De kinderen, die God aan uw knecht genadiglijk verleend heeft, 2) gedurende de tijd die ik bij Laban geweest ben.
a) Psalm. 127:3
1) Die vraag wordt niet gedaan, om daarmee een gesprek te beginnen, maar drukt veeleer verwondering en verbazing uit. Ezau heeft in het eerste ogenblik slechts om zijn broeder gedacht. Wellicht dat hij ook volstrekt niet vermoed heeft, dat Jakob zó rijk zou terugkeren. Ontroering is tevens uit de keuze van woorden merkbaar. Het is een kort uitgestoten volzin.
2) Het antwoord van Jakob ademt zowel vroomheid als bescheidenheid. Want als hij antwoordt, dat God hem zulk een talrijk kroost geven heeft, dan erkent en bekent Hij daarmee, dat de kinderen niet zó op bloot natuurlijke wijze gegenereerd worden, of dit blijft altijd waar, dat de vrucht uit de buik loon of geschenk van God is. En zeker, wanneer de vruchtbaarheid van de stomme dieren een geschenk van God is, hoeveel temeer dan, wanneer dit bij de mensen plaats heeft, die naar Zijn beeld geschapen werden. De bescheidenheid blijkt hieruit, dat Jakob zich de knecht van zijn broeder noemt.
6. Toen traden op Jakob’s wenk, de dienstmaagden toe, zij en haar kinderen, en zij bogen zich neer voor Ezau.
7. En Lea trad ook toe met haar kinderen, en zij bogen zich neer; en daarna trad Jozef toe en Rachel, en zij bogen zich neer.
Jakob’s vrouwen waren hem vrijwillig gevolgd, hadden het huis van hun vader verlaten en nu bij de aankomst in Kanaän wacht deze terstond een beproeving. Een beproeving, die door God wel ten goede wordt beschikt, maar welke toch voor het vlees zeer onaangenaam was. Jakob en de zijnen zullen, zoals het schijnt, voortaan leven bij de gratie van hun broeder Ezau. Zo moest echter ook hij leren te hebben als niet hebbende; zo werd ook bij hem en de zijnen het geloof beproefd, maar zo is hij ook weer een beeld van de Kerk van Christus, die hier aan deze zijde van het graf in de grond van de zaak slechts geduld wordt door hen, die buiten zijn.
8. En hij zei, het gesprek op de geschenken leidende, die Jakob hem had toegezonden, maar die hij nog niet aangenomen had: Voor wie is u al dit heer, de vijf kudden vee, dat ik ontmoet heb. 1) En hij zei: Om genade te vinden in de ogen van mijn heer, 2) heb ik die uit mijn kudde uitgelezen en voor mij heengezonden.
1) Deze vraag doet Ezau, om te kunnen komen tot de weigering. Ezau wil geen geschenk van zijn broeder ontvangen.
2) Jakob begrijpt de vraag niet, maar geeft een antwoord, alsof Ezau haar uit onbekendheid met de toestand van zaken had gedaan. Het is hem werkelijk om verzoening te doen. Dat geschenk was bestemd om van zijn kant een blijk te geven, dat hij werkelijk vrede en eensgezindheid wil. Zijn geschenk is dan ook niet karig, maar rijk en vorstelijk.
9. Maar Ezau zei: Ik heb veel, 1) mijn broeder! beroof u dus om mijnentwil van het uwe niet, maar het zij het uwe, wat gij hebt! 2)
1) “Ik heb veel.” Dit wordt niet gezegd, om er zich op te beroemen, maar om Jakob te doen verstaan, dat voor hem een geschenk van weinig waarde is. Aan de andere zijde doet Ezau zich ook hier als een natuurlijk mens kennen. Hij zegt niet, dat God hem veel heeft gegeven, gelijk Jakob zo-even aan de gunst van God toeschreef, dat hij zo rijk terugkeerde.
2) Duidelijk straalt hierin door, dat Ezau hier zinspeelt op de moeite, welke Jakob doorstaan heeft. Hij wil niets hebben van hetgeen Jakob zo zuur verdiend heeft. Jakob mag en moet het zelf houden.
10. Toen zei Jakob: Och neen! weiger het mij niet! Indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, zo neem mijn geschenk van mijn hand; daarom, omdat ik uw aangezicht gezien heb, als had ik Gods aangezicht gezien, 1) en gij welgevallen aan mij genomen hebt; in uw aangezicht heeft zich voor mij de vriendelijkheid Gods afgespiegeld.
1) Deze uitdrukking klinkt zeer vleiend, maar heeft deze goede zin, dat Jakob in de vriendelijkheid van zijn broeder weer een volkomen bewijs van de vriendelijkheid Gods jegens zich gezien heeft. (Job.33:26; Psalm. 11:7).
De kanttekenaar geeft de zin aldus weer: “Alsof hij zei, gelijk de Geest Gods de mens zeer verkwikt, alzo ben ik door deze uw minnelijke en vreedzame ontmoeting zeer vermaakt; houdende deze voor één zeker teken van Gods genade te mijwaarts, alsof God zelf mij zo vriendelijk verschenen ware.” Jakob spreekt hier uit, dat de vriendelijke ontmoeting van Ezau voor hem de bevestiging is van de belofte, in de vorige nacht, hem gedaan.
11. Neem toch mijn zegen, 1) die u toegebracht is, het geschenk, dat tot gelukwensing (1 Samuel 25:27) u gegeven is; daar het God mij genadiglijk verleend heeft, 2) en daar ik alles3) heb; God heeft mij zoveel gegeven, dat ik dit wel ontberen kan; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam. 4)
1) In de middeleeuwen heten de geschenken van de priesters “benedictiones” (zegeningen). In het aannemen van dit geschenk wil Jakob de zekerheid zien, dat Ezau met hem verzoend is.
In het Hebreeuws Brachti, mijn zegen. In gelijke zin wordt het gebruikt in Jozua. 15:19; 1 Samuel. 25:27; 30:26; 2 Kor.5:15; 9:5,6. Het kan hier zowel actief als passief opgevat worden. Actief betekent het dan een zegen, welke van mijn hand u wordt gegeven, en passief: waarin ik gezegend ben (door God). Hoogstwaarschijnlijk moet het in de eerste zin worden opgevat, daar Jakob dadelijk daarop zegt, dat God het hem verleend heeft.
2) Jakob brengt hier in toepassing, wat eeuwen daarna de Apostel van de hoop van de Gemeente op het hart drukt, om uitdelers te zijn van menigerlei genade van God.
3) Maar nog een andere reden heeft Jakob, om Ezau over te halen tot het aannemen van een geschenk, dat met zoveel vreugde wordt gegeven. Wat hij geeft is betrekkelijk gering, vergeleken bij hetgeen hij overhoudt en waarvan Ezau zelfs geen begrip heeft. Jakob is na de worsteling bij Pniël rijker dan de gehele wereld met al haar schatten te samen op één hoop gebracht. Hij bezit, wat de wereld niemand geven kan, hij bezit alles, “daar ik alles heb.” Ja, hij bezat God, hij bezat Christus en “Christus is alles” (Col.3:11). Dat kan alleen een kind van God zeggen. Het is een woord als van Paulus, die zegt: ik vermag alle dingen door Jezus Christus, die mij kracht geeft (Phil.4:13). Hoe rijk maakt toch het geloof in Christus de erfgenamen van Christus, die in en door Hem erfgenamen God zijn!.
4) Nu Ezau ziet, dat het geschenk hem niet alleen wordt aangeboden uit vrees, maar uit ware broederlijke liefde en gulheid, geeft hij toe en neemt het aan. Hij weet nu, dat hij Jakob zou bedroeven, indien hij het geschenk weigerde.
12. En hij, Jakob een liefdedienst willende bewijzen, zei: Laat ons reizen en voorttrekken; en ik zal voor u trekken; 1) om u een veilig geleide te geven, opdat niemand u en de uw op de weg leed doe.
1) Waarom deed Ezau dit voorstel? De gevoelens zijn verschillend. Meent de een, dat het bij Ezau voortkwam uit een soort van wantrouwen jegens zijn broeder, de andere is van gevoelen, dat het voorstel voortkwam uit een gul en vriendelijk gemoed, om n.l. Jakob, tot gids en beschermer te dienen. Wij sluiten ons bij de laatsten aan. Indien toch Ezau hem wantrouwde, had hij niet voorgesteld vooruit te trekken, maar was achteraan gebleven, om voor een onverhoedse aanval van de zijde van Jakob gewaarborgd te zijn.
13. Maar hij, met wijsheid zoekende te verhinderen, dat Ezau met hem in Kanaän kwam, en toch voor zijn broeder de eigenlijke reden bedekkende, zei tot hem; 1) Mijn heer weet, dat deze kinderen teder zijn, en dat ik zogende 2) schapen en koeien bij mij heb, met welke ik zo spoedig niet volgen kan. Voor de kinderen ware wel raad, maar indien men deze zogende maar een dag afdrijft, zo zal de gehele kudde, zo zullen de zogenden en ten gevolge daarvan ook de jongen, sterven.
1) Jakob gevoelt zeer goed, dat dit niet kan en mag. Niet Ezau, maar de Heere God is zijn geleider en beschermer. Hij moet dus een afwijzend antwoord geven, maar doet dit zo hoffelijk mogelijk, en voert een reden aan, die waar is en door Ezau kan verstaan worden en gebillijkt.
2) Jakob is hier het beeld van de goede Herder. (Jesaja 40:11).
14. Mijn heer trekke toch voorbij voor het aangezicht van zijn knecht; en ik zal mij op mijn gemak, in korte dagreizen, als leidsman voegen naar de gang van het werk, hetwelk voor mijn aangezicht is, en naar de gang van deze kinderen, totdat ik aan het doel van mijn reis gekomen ben, en van daar bij mijn heer te Seïr kome, 1) om hem te bezoeken.
1) Merk op, dat de rechtgelovigen en werkheiligen niet tezamen kunnen gaan; want de rechtgelovigen gaan in reinheid met stille geest, maar de werkheiligen gaan, vermetel op hun werken, in de werken van God in.
15. En Ezau zei: Laat mij toch tenminste van dit volk, dat met mij is, u bijstellen; deze zullen zich geheel naar uw begeerte richten, zo dat gij niet steeds vooruit behoeft te trekken. En hij zei: Waartoe dat? 1) ik heb geen geleide nodig; de weg is veilig genoeg. Welke gevaren zouden mij kunnen dreigen (hoofdstuk. 32:1,2): 2) laat mij genade vinden in de ogen van mijn heer, 3) blijf mij slechts vriendelijk gezind, zo is het mij genoeg.
1) Het bewijst de vastheid van de aartsvader, dat hij na de verzoening met Ezau, zich nog door vrees noch door vreugde verleiden laat, om zich met hem te vermengen.
2) Heb ik mijn eeuwig belang in Jezus hand gegeven, zal ik dan ook het mindere Hem niet aanbevelen, en ook ten opzichte van mijn nu nog ongeboren lot bij voorraad roepen: Christus, Christus heeft alles welgedaan! Zo is mijn lot in de beste handen! Was het in mijn hand of in die van mijn vijanden, of in die van mijn beste vrienden onder de eindige wezens, hoe zorgelijk stond dan alles! Aan geen van hen durf ik het één ogenblik toevertrouwen. Mijn Verlosser heeft de bestelling! Nu ben ik gerust!.
3) Het is Jakob niet te doen, om de bescherming van Ezau, maar enkel en alleen, om zijn vriendschap en liefde.
16. Alzo keerde Ezau die dag wederom zijns weegs naar Seïr toe. 1)
1) Of Jakob hem werkelijk daar bezocht heeft, wordt niet gemeld; eerst bij de begrafenis van Izaak vinden wij de beide broeders weer in goede verstandhouding tezamen. (hoofdstuk. 35:29).
Twee zo van elkaar verschillende mensen als Jakob en Ezau, blijven het best vrienden, wanneer zij niet in te veel aanraking met elkaar komen.
Jakob’s handelwijze herinnert ons aan het woord; “zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen”; dus ook met de ongelovigen. Ook voor hen moet beleden worden, hetgeen wij tegen hen misdeden; ook hun komt eer toe, waar zij boven ons gesteld zijn. Verre is van Jakob dat hovaardig zijn op de genade, die aan hem geschied is; integendeel die ontvangen genade vernedert hem ook voor mensen.
Och, Heere! ontruk mijn voet aan de strik van satan, geef mij geduld om te verdragen, liefde om de verkeerdheden van anderen te overwinnen, opdat ik over hen zegeviere, niet door toorn, maar door zachtmoedigheid, niet door verwijt, maar door onderwerping, niet door vleselijke wapens, maar door het gebed.
II. Gen. 33 vers 17-20
Na van Ezau afscheid genomen te hebben, trekt Jakob naar Sukkoth en blijft daar een geruime tijd, waarschijnlijk om van de vermoeienissen van de reis zijn kudden te laten bekomen; vervolgens zet hij zich te Sichem neer, en koopt hij daar van de kinderen van Hemor het stuk land; waarop later het gebeente van Jozef begraven is Jozua 24:32)
17. Maar Jakob van zijn zijde (vs.16) reisde aan de oostzijde van de Jordaan in noordelijke richting, naar Sukkoth, naar die streek, van de vlakte Abu-Obeida, waar later de stad Sukkoth (Jozua 13:27; Richteren. 8:4 vv.) lag en hij bouwde een huis voor zich, 1) en maakte hutten voor zijn vee, omtuiningen, met overdekte plaatsen, waar het kon schuilen voor de zonnestralen; daarom noemde hij de naam van die plaats Sukkoth (tenten, hutten).
1) In plaats van een gewone tent, richtte Jakob hier een vaste woonplaats voor zich op. Men heeft het onwaarschijnlijk gevonden, dat hij dit zou gedaan hebben, daar hij naar Kanaän wilde. Men denke echter aan Jakob’s harde lot gedurende twintig jaar, aan zijn lange reis die hem heeft afgemat, aan zijn geestelijke strijd. Nu eerst komt hij, na zo lange inspanning, tot het gevoel van behoefte aan rust. Evenals een lang gejaagd wild eindelijk ter aarde neerzinkt, zo laat hij zich te Sukkoth voor enigen tijd neer. Daar schijnt hij ook zijn genezing te hebben afgewacht, waarom het waarschijnlijk, vs.18, heet, dat Jakob “behouden” te Sichem aankwam.
Van hier heeft hij zijn vader zeker meermaal bezocht. Zich geheel met diens gezin te verenigen kon hij niet, wegens de menigte van vee en knechten, evenmin daar hij nu tot patriarchale zelfstandigheid gekomen was.
In verband met vs.19 kan men ook veronderstellen, dat wat hier in vs.17 “huis” genoemd is, slechts een tent was. Een ogenblik geeft de Heere aan Jakob verademing en daar te Sukkoth mag hij enige tijd vertoeven; maar wat Jakob nu gaat doen te Sichem, vaste voet zoeken te verkrijgen, draagt, zoals duidelijk het vervolg van de geschiedenis aanwijst, de goedkeuring van de Heere niet weg.
18. En Jakob kwam, na enige tijd te Sukkoth vertoefd te hebben, behouden 1) tot de stad Sichem (hoofdstuk. 34), welke is in het land Kanaän, als hij kwam van Paddan-Aram; en hij legerde zich in het gezicht van de stad.
1) Of “met vrede.” Zó is de wens van Jakob (Genesis 28:21) vervuld.
19. En hij kocht, daar hij zich hier, evenals Abraham een vaste voet in het land verworven had (hoofdstuk. 12:6 vv.) ), een vaste woonplaats wenste, een deel van het veld, waarop hij zijn tent gespannen had 1) (waarop hij later zijn tent spande), van de hand van de zonen van Hemor (ezel lastdrager) de vader van Sichem, voor honderd stukken geld. 2)
1) Liever: “waarop hij daarna zijn tent spande.” Volgens de overlevering was het gekochte stuk grond de aan de zuidoostelijke zijde van Sichem gelegen vlakte, waar nu nog de Jakobsbron (Johannes 4:6), en, 200 tot 300 schreden noordelijk daarvan, een Islamitische grafheuvel, als graf van Jozef, getoond worden.
2) In het Hebreeuws Kesitah. Een woord, dat ook gebruikt wordt in Jozua. 24:32 en Job 42:11. Een kesitah was een zeker stuk geld, ter waarde van 4 sikkels. De oude uitleggers vertalen het woord door “lam,” Vandaar dat sommigen gemeend hebben, dat op dit stuk zilver lammeren waren afgebeeld, of, dat het land betaald werd met lammeren. Ten onrechte echter, omdat dit niet met de gewoonte van de patriarchen overeenkwam (Genesis 23:16, 47:16).
Had Abraham zich een graf of spelonk gekocht, Jakob kocht zich een stuk grond, om er op te werken en te leven.
20. En hij richtte aldaar een altaar 1) op a) en noemde het: El-Elohe-Israël, dat is: de God van Israël is God. 2)
a) Genesis 12:8; 13:4
1) Daarmee heeft Jakob reeds voorlopig zijn belofte (hoofdstuk. 28:20 vv.) vervuld; later volbrengt hij die op de plaats zelf, waar de Heere hem toen verschenen was (hoofdstuk. 35:6 vv.). “Vrede en rust duurt echter niet lang; want nu neigt de dag naar de avond en de duistere nacht daalt neer”.
Toch is er tussen de aankomst in Sichem en de volgende geschiedenis een tussenruimte van ongeveer acht jaar!.
2) Te midden van de heidenen richt Jakob dit altaar op, zowel om zijn dankbaarheid de Heere bekend te maken, van zijn dankbaarheid te getuigen, als om aan de heidenen te verkondigen, dat de Heere alleen de ware God is. Evenwel, de Heere zou hem spoedig doen verstaan, dat, hoewel de bedoeling van zijn knecht goed was, het toch niet overeenkomstig Zijn wil was, dat hij daar bleef.
Of: “de sterke God van Israël”. Israël heeft de macht van zijn God ondervonden, die hem te Bethel rouw had beloofd, en die hij te Pniël door gebed had overwonnen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel