Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1En de HEERE bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en de HEERE deed aan Sara gelijk als Hij gesproken had.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1En de HEEREH3068bezochtH6485SaraH8283, gelijk als Hij gezegdH559 had; en de HEEREH3068deedH6213 aan SaraH8283 gelijk als Hij gesprokenH1696 had.En de HEERE bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en de HEERE deed aan Sara gelijk als Hij gesproken had.
KJVAnd the LORD1visited2Sarah4as he had said,6and the LORD8did7unto Sarah9as he had spoken.
1וַֽיהוָ֛הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)2פָּקַ֥דH6485getelden, bezoeken, bezoekingappoint, [idiom] at all, avenge, bestow, (appoint to have the, give a) charge, commit, count, deliver to keep, be empty, enjoin, go see, hurt, do judgment, lack, lay up, look, make, [idiom] by any means, miss, number, officer, (make) overseer, have (the) oversight, punish, reckon, (call to) remember(-brance), set (over), sum, [idiom] surely, visit, want3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4שָׂרָ֖הH8283Sara, saraSarah5כַּאֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection6אָמָ֑רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet7וַיַּ֧עַשׂH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use8יְהוָ֛הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)9לְשָׂרָ֖הH8283Sara, saraSarah10כַּאֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection11דִּבֵּֽרH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work
2En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, dien hem God gezegd had.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2En SaraH8283 werd bevruchtH2029, en baardeH3205AbrahamH85 een zoonH1121 in zijn ouderdomH2208, ter gezetter tijdH4150, dienH834 hem GodH430gezegdH1696 had.En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, dien hem God gezegd had.
KJVFor Sarah3conceived,1and bare2Abraham4a son5in his old age,6at the set time7of which God11had spoken
1וַתַּהַר֩H2029bevrucht, zwanger, ontvangenbeen, be with child, conceive, progenitor2וַתֵּ֨לֶדH3205gewon, baarde, geborenbear, beget, birth(-day), born, (make to) bring forth (children, young), bring up, calve, child, come, be delivered (of a child), time of delivery, gender, hatch, labour, (do the office of a) midwife, declare pedigrees, be the son of, (woman in, woman that) travail(-eth, -ing woman)3שָׂרָ֧הH8283Sara, saraSarah4לְאַבְרָהָ֛םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham5בֵּ֖ןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth6לִזְקֻנָ֑יוH2208ouderdom, ouderdomsold age7לַמּוֹעֵ֕דH4150samenkomst, gezette hoogtijden, tijdappointed (sign, time), (place of, solemn) assembly, congregation, (set, solemn) feast, (appointed, due) season, solemn(-ity), synogogue, (set) time (appointed)8אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection9דִּבֶּ֥רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work10אֹת֖וֹH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11אֱלֹהִֽיםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty
3En Abraham noemde den naam zijns zoons, dien hem geboren was, dien hem Sara gebaard had, Izak.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3En AbrahamH85noemdeH7121 den naamH8034 zijns zoonsH1121, dien hem geborenH3205 was, dienH834 hem SaraH8283gebaardH3205 had, IzakH3327.En Abraham noemde den naam zijns zoons, dien hem geboren was, dien hem Sara gebaard had, Izak.
KJVAnd Abraham2called1the name4of his son5that was born6unto him, whom Sarah11bare9to him, Isaac.
1וַיִּקְרָ֨אH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say2אַבְרָהָ֜םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham3אֶֽתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4שֶׁםH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report5בְּנ֧וֹH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth6הַנּֽוֹלַדH3205gewon, baarde, geborenbear, beget, birth(-day), born, (make to) bring forth (children, young), bring up, calve, child, come, be delivered (of a child), time of delivery, gender, hatch, labour, (do the office of a) midwife, declare pedigrees, be the son of, (woman in, woman that) travail(-eth, -ing woman)7ל֛וֹ8אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection9יָלְדָהH3205gewon, baarde, geborenbear, beget, birth(-day), born, (make to) bring forth (children, young), bring up, calve, child, come, be delivered (of a child), time of delivery, gender, hatch, labour, (do the office of a) midwife, declare pedigrees, be the son of, (woman in, woman that) travail(-eth, -ing woman)10לּ֥וֹ11שָׂרָ֖הH8283Sara, saraSarah12יִצְחָֽקH3327Izak, IzaksIsaac. Compare H3446 (יִשְׂחָק)
4En Abraham besneed zijn zoon Izak, zijnde acht dagen oud, gelijk als hem God geboden had.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4En AbrahamH85besneedH4135 zijn zoonH1121IzakH3327, zijnde achtH8083dagenH3117oudH1121, gelijk als hem GodH430gebodenH6680 had.En Abraham besneed zijn zoon Izak, zijnde acht dagen oud, gelijk als hem God geboden had.
5En Abraham was honderd jaren oud, als hem Izak zijn zoon geboren werd.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5En AbrahamH85 was honderdH3967jarenH8141oudH1121, als hem IzakH3327 zijn zoonH1121geborenH3205 werd.En Abraham was honderd jaren oud, als hem Izak zijn zoon geboren werd.
KJVAnd Abraham1was an hundred3years4old,2when his son9Isaac8was born
1וְאַבְרָהָ֖םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham2בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth3מְאַ֣תH3967honderd, tweehonderd, honderdenhundred((-fold), -th), [phrase] sixscore4שָׁנָ֑הH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)5בְּהִוָּ֣לֶדH3205gewon, baarde, geborenbear, beget, birth(-day), born, (make to) bring forth (children, young), bring up, calve, child, come, be delivered (of a child), time of delivery, gender, hatch, labour, (do the office of a) midwife, declare pedigrees, be the son of, (woman in, woman that) travail(-eth, -ing woman)6ל֔וֹ7אֵ֖תH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8יִצְחָ֥קH3327Izak, IzaksIsaac. Compare H3446 (יִשְׂחָק)9בְּנֽוֹH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth
6En Sara zeide: God heeft mij een lachen gemaakt; al die het hoort, zal met mij lachen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6En SaraH8283zeideH559: GodH430 heeft mij een lachen gemaaktH6213; alH3605 die het hoortH8085, zal met mij lachen.En Sara zeide: God heeft mij een lachen gemaakt; al die het hoort, zal met mij lachen.
Ook in dit vers
lachenH6711
lachenH6712
KJVAnd Sarah2said,1God6hath made4me to laugh,3so that all that hear8will laugh
1וַתֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2שָׂרָ֔הH8283Sara, saraSarah3צְחֹ֕קH6712belaching, lachenlaugh(-ed to scorn)4עָ֥שָׂהH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use5לִ֖י6אֱלֹהִ֑יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty7כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)8הַשֹּׁמֵ֖עַH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness9יִֽצְחַקH6711gelachen, jokkende, lachtelaugh, mock, play, make sport10לִֽי
7Voorts zeide zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd? want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7Voorts zeideH559 zij: WieH4310 zou AbrahamH85gezegdH4448 hebben: SaraH8283 heeft zonenH1121gezoogdH3243? wantH3588 ik heb een zoonH1121gebaardH3205 in zijn ouderdomH2208.Voorts zeide zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd? want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom.
KJVAnd she said,1Who would have said3unto Abraham,4that Sarah7should have given children6suck?5for I have born9him a son10in his old age.
1וַתֹּ֗אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2מִ֤יH4310wie, wien, wiensany (man), [idiom] he, [idiom] him, [phrase] O that! what, which, who(-m, -se, -soever), [phrase] would to God3מִלֵּל֙H4448uitspreken, gezegd, spreektsay, speak, utter4לְאַבְרָהָ֔םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham5הֵינִ֥יקָהH3243zuigen, voedster, zuigelingmilch, nurse(-ing mother), (give, make to) suck(-ing child, -ling)6בָנִ֖יםH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth7שָׂרָ֑הH8283Sara, saraSarah8כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet9יָלַ֥דְתִּיH3205gewon, baarde, geborenbear, beget, birth(-day), born, (make to) bring forth (children, young), bring up, calve, child, come, be delivered (of a child), time of delivery, gender, hatch, labour, (do the office of a) midwife, declare pedigrees, be the son of, (woman in, woman that) travail(-eth, -ing woman)10בֵ֖ןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth11לִזְקֻנָֽיוH2208ouderdom, ouderdomsold age
8En het kind werd groot, en werd gespeend; toen maakte Abraham een groten maaltijd op den dag, als Izak gespeend werd.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8En het kindH3206 werd groot, en werd gespeendH1580; toen maakteH6213AbrahamH85 een grotenH1419maaltijdH4960 op den dagH3117, als IzakH3327gespeendH1580 werd.En het kind werd groot, en werd gespeend; toen maakte Abraham een groten maaltijd op den dag, als Izak gespeend werd.
KJVAnd the child2grew,1and was weaned:3and Abraham5made4a great7feast6the same day8that Isaac11was weaned.
1וַיִּגְדַּ֥לH1431groot, groter, maaktadvance, boast, bring up, exceed, excellent, be(-come, do, give, make, wax), great(-er, come to... estate, [phrase] things), grow(up), increase, lift up, magnify(-ifical), be much set by, nourish (up), pass, promote, proudly (spoken), tower2הַיֶּ֖לֶדH3206kinderen, kind, jongelingenboy, child, fruit, son, young man (one)3וַיִּגָּמַ֑לH1580gespeend, vergelden, vergoldenbestow on, deal bountifully, do (good), recompense, requite, reward, ripen, [phrase] serve, mean, yield4וַיַּ֤עַשׂH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use5אַבְרָהָם֙H85Abraham, Abrahams, zoonAbraham6מִשְׁתֶּ֣הH4960maaltijd, maaltijden, bruiloftbanquet, drank, drink, feast((-ed), -ing)7גָד֔וֹלH1419grote, groot, groten[phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very8בְּי֖וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger9הִגָּמֵ֥לH1580gespeend, vergelden, vergoldenbestow on, deal bountifully, do (good), recompense, requite, reward, ripen, [phrase] serve, mean, yield10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11יִצְחָֽקH3327Izak, IzaksIsaac. Compare H3446 (יִשְׂחָק)
9En Sara zag den zoon van Hagar, de Egyptische, dien zij Abraham gebaard had, spottende.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9En SaraH8283zagH7200 den zoonH1121 van HagarH1904, de EgyptischeH4713, dienH834 zij AbrahamH85gebaardH3205 had, spottendeH6711.En Sara zag den zoon van Hagar, de Egyptische, dien zij Abraham gebaard had, spottende.
KJVAnd Sarah2saw1the son4of Hagar5the Egyptian,6which she had born8unto Abraham,9mocking.
1וַתֵּ֨רֶאH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions2שָׂרָ֜הH8283Sara, saraSarah3אֶֽתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth5הָגָ֧רH1904HagarHagar6הַמִּצְרִ֛יתH4713Egyptenaars, Egyptische, EgyptenaarEgyptian, of Egypt7אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection8יָלְדָ֥הH3205gewon, baarde, geborenbear, beget, birth(-day), born, (make to) bring forth (children, young), bring up, calve, child, come, be delivered (of a child), time of delivery, gender, hatch, labour, (do the office of a) midwife, declare pedigrees, be the son of, (woman in, woman that) travail(-eth, -ing woman)9לְאַבְרָהָ֖םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham10מְצַחֵֽקH6711gelachen, jokkende, lachtelaugh, mock, play, make sport
10En zij zeide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon dezer dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10En zij zeideH559 tot AbrahamH85: DrijfH1644dezeH2063dienstmaagdH519 en haar zoonH1121 uit; wantH3588 de zoonH1121 dezer dienstmaagdH519 zal metH5973 mijn zoonH1121, metH5973IzakH3327, nietH3808ervenH3423.En zij zeide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon dezer dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven.
KJVWherefore she said1unto Abraham,2Cast out3this bondwoman4and her son:7for the son11of this bondwoman12shall not be heir10with my son,15even with Isaac.
1וַתֹּ֨אמֶר֙H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2לְאַבְרָהָ֔םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham3גָּרֵ֛שׁH1644uitdrijven, verstotene, dreefcast up (out), divorced (woman), drive away (forth, out), expel, [idiom] surely put away, trouble, thrust out4הָאָמָ֥הH519dienstmaagd, dienstmaagden, maagden(hand-) bondmaid(-woman), maid(-servant)5הַזֹּ֖אתH2063dit, deze, dathereby (-in, -with), it, likewise, the one (other, same), she, so (much), such (deed), that, therefore, these, this (thing), thus6וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7בְּנָ֑הּH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth8כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet9לֹ֤אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without10יִירַשׁ֙H3423erfelijk, erven, bezittingcast out, consume, destroy, disinherit, dispossess, drive(-ing) out, enjoy, expel, [idiom] without fail, (give to, leave for) inherit(-ance, -or) [phrase] magistrate, be (make) poor, come to poverty, (give to, make to) possess, get (have) in (take) possession, seize upon, succeed, [idiom] utterly11בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth12הָאָמָ֣הH519dienstmaagd, dienstmaagden, maagden(hand-) bondmaid(-woman), maid(-servant)13הַזֹּ֔אתH2063dit, deze, dathereby (-in, -with), it, likewise, the one (other, same), she, so (much), such (deed), that, therefore, these, this (thing), thus14עִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)15בְּנִ֖יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth16עִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)17יִצְחָֽקH3327Izak, IzaksIsaac. Compare H3446 (יִשְׂחָק)
11En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11En dit woordH1697 was zeerH3966kwaadH3415 in AbrahamsH85ogenH5869, ter oorzakeH182 van zijn zoonH1121.En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon.
KJVAnd the thing2was very3grievousin Abraham's5sight4because7of his son.
1וַיֵּ֧רַעH7489kwaad, boosdoeners, kwalijkafflict, associate selves (by mistake for H7462 (רָעָה)), break (down, in pieces), [phrase] displease, (be, bring, do) evil (doer, entreat, man), show self friendly (by mistake for H7462 (רָעָה)), do harm, (do) hurt, (behave self, deal) ill, [idiom] indeed, do mischief, punish, still, vex, (do) wicked (doer, -ly), be (deal, do) worse2הַדָּבָ֛רH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work3מְאֹ֖דH3966zeer, gans, grotediligently, especially, exceeding(-ly), far, fast, good, great(-ly), [idiom] louder and louder, might(-ily, -y), (so) much, quickly, (so) sore, utterly, very ([phrase] much, sore), well4בְּעֵינֵ֣יH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)5אַבְרָהָ֑םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham6עַ֖לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with7אוֹדֹ֥תH182oorzake, oorzaken, zaak(be-) cause, concerning, sake8בְּנֽוֹH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
12Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over den jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12Maar GodH430zeideH559totH413AbrahamH85: LaatH408 het niet kwaadH3415 zijn in uw ogenH5869, overH5921 den jongenH5288, en overH5921 uw dienstmaagdH519; alH3605watH834SaraH8283totH413 u zal zeggenH559, hoorH8085 naar haar stemH6963; wantH3588 in IzakH3327 zal uw zaadH2233genoemdH7121 worden.Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over den jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden.
KJVAnd God2said1unto Abraham,4Let it not be grievousin thy sight7because of the lad,9and because of thy bondwoman;11in all that Sarah16hath said14unto thee, hearken17unto her voice;18for in Isaac20shall thy seed23be called.
1וַיֹּ֨אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אֱלֹהִ֜יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4אַבְרָהָ֗םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham5אַלH408niet, geen, niemandnay, neither, [phrase] never, no, nor, not, nothing (worth), rather than6יֵרַ֤עH7489kwaad, boosdoeners, kwalijkafflict, associate selves (by mistake for H7462 (רָעָה)), break (down, in pieces), [phrase] displease, (be, bring, do) evil (doer, entreat, man), show self friendly (by mistake for H7462 (רָעָה)), do harm, (do) hurt, (behave self, deal) ill, [idiom] indeed, do mischief, punish, still, vex, (do) wicked (doer, -ly), be (deal, do) worse7בְּעֵינֶ֨יךָ֙H5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)8עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with9הַנַּ֣עַרH5288jongen, jongeling, jongensbabe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man)10וְעַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with11אֲמָתֶ֔ךָH519dienstmaagd, dienstmaagden, maagden(hand-) bondmaid(-woman), maid(-servant)12כֹּל֩H3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)13אֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection14תֹּאמַ֥רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet15אֵלֶ֛יךָH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)16שָׂרָ֖הH8283Sara, saraSarah17שְׁמַ֣עH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness18בְּקֹלָ֑הּH6963stem, geluid, geruis[phrase] aloud, bleating, crackling, cry ([phrase] out), fame, lightness, lowing, noise, [phrase] hold peace, (pro-) claim, proclamation, [phrase] sing, sound, [phrase] spark, thunder(-ing), voice, [phrase] yell19כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet20בְיִצְחָ֔קH3327Izak, IzaksIsaac. Compare H3446 (יִשְׂחָק)21יִקָּרֵ֥אH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say22לְךָ֖23זָֽרַעH2233zaad, zaads, zaadzaaiende[idiom] carnally, child, fruitful, seed(-time), sowing-time
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
13Doch Ik zal ook den zoon dezer dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13Doch Ik zal ookH1571 den zoonH1121 dezer dienstmaagdH519 tot een volkH1471stellenH7760, omdatH3588hijH1931 uw zaadH2233 is.Doch Ik zal ook den zoon dezer dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is.
KJVAnd also of the son3of the bondwoman4will I make6a nation,5because he is thy seed.
1וְגַ֥םH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth4הָאָמָ֖הH519dienstmaagd, dienstmaagden, maagden(hand-) bondmaid(-woman), maid(-servant)5לְג֣וֹיH1471heidenen, volken, volkGentile, heathen, nation, people6אֲשִׂימֶ֑נּוּH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work7כִּ֥יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet8זַרְעֲךָ֖H2233zaad, zaads, zaadzaaiende[idiom] carnally, child, fruitful, seed(-time), sowing-time9הֽוּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who
14Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en nam brood, en een fles water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Ber-seba.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14Toen stondH7925AbrahamH85 des morgensH1242vroegH7925 op, en namH3947broodH3899, en een flesH2573waterH4325, en gafH5414 ze aan HagarH1904, die leggendeH7760opH5921 haar schouderH7926; ook gaf hij haar het kindH3206, en zondH7971 haar weg. En zij ging voortH3212, en dwaaldeH8582 in de woestijnH4057Ber-sebaH884.Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en nam brood, en een fles water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Ber-seba.
KJVAnd Abraham2rose up early1in the morning,3and took4bread,5and a bottle6of water,7and gave8it unto Hagar,10putting11it on her shoulder,13and the child,15and sent her away:16and she departed,17and wandered18in the wilderness19of Beersheba.
1וַיַּשְׁכֵּ֣םH7925vroeg, stond, stonden(arise, be up, get (oneself) up, rise up) early (betimes), morning2אַבְרָהָ֣םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham3בַּבֹּ֡קֶרH1242morgen, morgens, morgenstond([phrase]) day, early, morning, morrow4וַיִּֽקַּֽחH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win5לֶחֶם֩H3899brood, broods, spijze(shew-) bread, [idiom] eat, food, fruit, loaf, meat, victuals6וְחֵ֨מַתH2573fles, wijnflesbottle7מַ֜יִםH4325water, wateren, waters[phrase] piss, wasting, water(-ing, (-course, -flood, -spring))8וַיִּתֵּ֣ןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield9אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)10הָ֠גָרH1904HagarHagar11שָׂ֧םH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work12עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with13שִׁכְמָ֛הּH7926schouder, schouderen, Sichemback, [idiom] consent, portion, shoulder14וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15הַיֶּ֖לֶדH3206kinderen, kind, jongelingenboy, child, fruit, son, young man (one)16וַֽיְשַׁלְּחֶ֑הָH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)17וַתֵּ֣לֶךְH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak18וַתֵּ֔תַעH8582dwalen, dolen, verleid(cause to) go astray, deceive, dissemble, (cause to, make to) err, pant, seduce, (make to) stagger, (cause to) wander, be out of the way19בְּמִדְבַּ֖רH4057woestijn, wildernis, spraakdesert, south, speech, wilderness20בְּאֵ֥רH884Ber-seba, Beer-sebaBeer-shebah21שָֽׁבַעH884Ber-seba, Beer-sebaBeer-shebah
15Als nu het water van de fles uit was, zo wierp zij het kind onder een van de struiken.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15Als nu het waterH4325vanH4480 de flesH2573 uit was, zo wierpH7993 zij het kindH3206onderH8478eenH259 van de struikenH7880.Als nu het water van de fles uit was, zo wierp zij het kind onder een van de struiken.
KJVAnd the water2was spent1in3the bottle,4and she cast5the child7under one9of the shrubs.
1וַיִּכְל֥וּH3615geeindigd, voleind, verteerdaccomplish, cease, consume (away), determine, destroy (utterly), be (when... were) done, (be an) end (of), expire, (cause to) fail, faint, finish, fulfil, [idiom] fully, [idiom] have, leave (off), long, bring to pass, wholly reap, make clean riddance, spend, quite take away, waste2הַמַּ֖יִםH4325water, wateren, waters[phrase] piss, wasting, water(-ing, (-course, -flood, -spring))3מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with4הַחֵ֑מֶתH2573fles, wijnflesbottle5וַתַּשְׁלֵ֣ךְH7993wierp, werpen, geworpenadventure, cast (away, down, forth, off, out), hurl, pluck, throw6אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7הַיֶּ֔לֶדH3206kinderen, kind, jongelingenboy, child, fruit, son, young man (one)8תַּ֖חַתH8478onder, plaats, vooras, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with9אַחַ֥דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,10הַשִּׂיחִֽםH7880struiken, struikbush, plant, shrub
16En zij ging en zette zich tegenover, afgaande zo verre, als die met de boog schieten; want zij zeide: Dat ik het kind niet zie sterven; en zij zat tegenover, en hief haar stem op, en weende.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16En zij gingH3212 en zetteH3427 zich tegenoverH4480, afgaande zo verreH7368, als die met de boogH7198schietenH2909; wantH3588 zij zeideH559: Dat ik het kindH3206nietH408zieH7200stervenH4194; en zij zat tegenoverH4480, en hiefH5375 haar stemH6963 op, en weendeH1058.En zij ging en zette zich tegenover, afgaande zo verre, als die met de boog schieten; want zij zeide: Dat ik het kind niet zie sterven; en zij zat tegenover, en hief haar stem op, en weende.
KJVAnd she went,1and sat her down2over against4him a good way off,5as it were a bowshot:6for she said,9Let me not see11the death12of the child.13And she sat14over against him, and lift up16her voice,18and wept.
1וַתֵּלֶךְ֩H3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak2וַתֵּ֨שֶׁבH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry3לָ֜הּ4מִנֶּ֗גֶדH5048tegenover, tegenwoordigheidabout, (over) against, [idiom] aloof, [idiom] far (off), [idiom] from, over, presence, [idiom] other side, sight, [idiom] to view5הַרְחֵק֙H7368verre, wees verre, ver(a-, be, cast, drive, get, go, keep (self), put, remove, be too, (wander), withdraw) far (away, off), loose, [idiom] refrain, very, (be) a good way (off)6כִּמְטַחֲוֵ֣יH2909schieten(bow-) shot7קֶ֔שֶׁתH7198boog, bogen, Boog[idiom] arch(-er), [phrase] arrow, bow(-man, -shot)8כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet9אָֽמְרָ֔הH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet10אַלH408niet, geen, niemandnay, neither, [phrase] never, no, nor, not, nothing (worth), rather than11אֶרְאֶ֖הH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions12בְּמ֣וֹתH4194dood, doods, stierf(be) dead(-ly), death, die(-d)13הַיָּ֑לֶדH3206kinderen, kind, jongelingenboy, child, fruit, son, young man (one)14וַתֵּ֣שֶׁבH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry15מִנֶּ֔גֶדH5048tegenover, tegenwoordigheidabout, (over) against, [idiom] aloof, [idiom] far (off), [idiom] from, over, presence, [idiom] other side, sight, [idiom] to view16וַתִּשָּׂ֥אH5375dragen, hief, droegenaccept, advance, arise, (able to, (armor), suffer to) bear(-er, up), bring (forth), burn, carry (away), cast, contain, desire, ease, exact, exalt (self), extol, fetch, forgive, furnish, further, give, go on, help, high, hold up, honorable ([phrase] man), lade, lay, lift (self) up, lofty, marry, magnify, [idiom] needs, obtain, pardon, raise (up), receive, regard, respect, set (up), spare, stir up, [phrase] swear, take (away, up), [idiom] utterly, wear, yield17אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)18קֹלָ֖הּH6963stem, geluid, geruis[phrase] aloud, bleating, crackling, cry ([phrase] out), fame, lightness, lowing, noise, [phrase] hold peace, (pro-) claim, proclamation, [phrase] sing, sound, [phrase] spark, thunder(-ing), voice, [phrase] yell19וַתֵּֽבְךְּH1058weende, weenden, wenen[idiom] at all, bewail, complain, make lamentation, [idiom] more, mourn, [idiom] sore, [idiom] with tears, weep
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
17En God hoorde de stem van den jongen; en de Engel Gods riep Hagar toe uit den hemel, en zeide tot haar: Wat is u, Hagar? Vrees niet; want God heeft naar des jongens stem gehoord, ter plaatse, waar hij is.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17En GodH430hoordeH8085 de stemH6963 van den jongenH5288; en de EngelH4397GodsH430riepH7121HagarH1904 toe uitH4480 den hemelH8064, en zeideH559 tot haar: WatH4100 is u, HagarH1904? VreesH3372nietH408; wantH3588GodH430 heeft naarH413 des jongensH5288stemH6963gehoordH8085, ter plaatseH834, waarH8033hijH1931 is.En God hoorde de stem van den jongen; en de Engel Gods riep Hagar toe uit den hemel, en zeide tot haar: Wat is u, Hagar? Vrees niet; want God heeft naar des jongens stem gehoord, ter plaatse, waar hij is.
KJVAnd God2heard1the voice4of the lad;5and the angel7of God8called6to Hagar10out of heaven,12and said13unto her, What aileth thee, Hagar?17fear19not; for God22hath heard21the voice24of the lad
1וַיִּשְׁמַ֣עH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness2אֱלֹהִים֮H430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4ק֣וֹלH6963stem, geluid, geruis[phrase] aloud, bleating, crackling, cry ([phrase] out), fame, lightness, lowing, noise, [phrase] hold peace, (pro-) claim, proclamation, [phrase] sing, sound, [phrase] spark, thunder(-ing), voice, [phrase] yell5הַנַּעַר֒H5288jongen, jongeling, jongensbabe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man)6וַיִּקְרָא֩H7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say7מַלְאַ֨ךְH4397Engel, boden, engelambassador, angel, king, messenger8אֱלֹהִ֤יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty9אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)10הָגָר֙H1904HagarHagar11מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with12הַשָּׁמַ֔יִםH8064hemel, hemels, hemelenair, [idiom] astrologer, heaven(-s)13וַיֹּ֥אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet14לָ֖הּ15מַהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why16לָּ֣ךְ17הָגָ֑רH1904HagarHagar18אַלH408niet, geen, niemandnay, neither, [phrase] never, no, nor, not, nothing (worth), rather than19תִּ֣ירְאִ֔יH3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)20כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet21שָׁמַ֧עH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness22אֱלֹהִ֛יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty23אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)24ק֥וֹלH6963stem, geluid, geruis[phrase] aloud, bleating, crackling, cry ([phrase] out), fame, lightness, lowing, noise, [phrase] hold peace, (pro-) claim, proclamation, [phrase] sing, sound, [phrase] spark, thunder(-ing), voice, [phrase] yell25הַנַּ֖עַרH5288jongen, jongeling, jongensbabe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man)26בַּאֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection27הוּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who28שָֽׁםH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither
18Sta op, hef den jongen op, en houd hem vast met uwe hand; want Ik zal hem tot een groot volk stellen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18StaH6965 op, hefH5375 den jongenH5288 op, en houdH2388 hem vastH854 met uwe handH3027; wantH3588 Ik zal hem tot een grootH1419volkH1471stellenH7760.Sta op, hef den jongen op, en houd hem vast met uwe hand; want Ik zal hem tot een groot volk stellen.
KJVArise,1lift up2the lad,4and hold5him in thine hand;7for I will make12him a great11nation.
1ק֚וּמִיH6965opstaan, stond, Staabide, accomplish, [idiom] be clearer, confirm, continue, decree, [idiom] be dim, endure, [idiom] enemy, enjoin, get up, make good, help, hold, (help to) lift up (again), make, [idiom] but newly, ordain, perform, pitch, raise (up), rear (up), remain, (a-) rise (up) (again, against), rouse up, set (up), (e-) stablish, (make to) stand (up), stir up, strengthen, succeed, (as-, make) sure(-ly), (be) up(-hold, -rising)2שְׂאִ֣יH5375dragen, hief, droegenaccept, advance, arise, (able to, (armor), suffer to) bear(-er, up), bring (forth), burn, carry (away), cast, contain, desire, ease, exact, exalt (self), extol, fetch, forgive, furnish, further, give, go on, help, high, hold up, honorable ([phrase] man), lade, lay, lift (self) up, lofty, marry, magnify, [idiom] needs, obtain, pardon, raise (up), receive, regard, respect, set (up), spare, stir up, [phrase] swear, take (away, up), [idiom] utterly, wear, yield3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4הַנַּ֔עַרH5288jongen, jongeling, jongensbabe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man)5וְהַחֲזִ֥יקִיH2388sterk, verbeterde, wees sterkaid, amend, [idiom] calker, catch, cleave, confirm, be constant, constrain, continue, be of good (take) courage(-ous, -ly), encourage (self), be established, fasten, force, fortify, make hard, harden, help, (lay) hold (fast), lean, maintain, play the man, mend, become (wax) mighty, prevail, be recovered, repair, retain, seize, be (wax) sore, strengthen (self), be stout, be (make, shew, wax) strong(-er), be sure, take (hold), be urgent, behave self valiantly, withstand6אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7יָדֵ֖ךְH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves8בּ֑וֹ9כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet10לְג֥וֹיH1471heidenen, volken, volkGentile, heathen, nation, people11גָּד֖וֹלH1419grote, groot, groten[phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very12אֲשִׂימֶֽנּוּH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
19En God opende haar ogen, dat zij een waterput zag; en zij ging, en vulde de fles met water, en gaf den jongen te drinken.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19En GodH430opendeH6491 haar ogenH5869, dat zij een waterputH875zagH7200; en zij gingH3212, en vuldeH4390 de flesH2573 met waterH4325, en gaf den jongenH5288 te drinkenH8248.En God opende haar ogen, dat zij een waterput zag; en zij ging, en vulde de fles met water, en gaf den jongen te drinken.
KJVAnd God2opened1her eyes,4and she saw5a well6of water;7and she went,8and filled9the bottle11with water,12and gave13the lad15drink.
1וַיִּפְקַ֤חH6491open, opende, geopendopen2אֱלֹהִים֙H430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4עֵינֶ֔יהָH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)5וַתֵּ֖רֶאH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions6בְּאֵ֣רH875put, puts, waterputpit, well7מָ֑יִםH4325water, wateren, waters[phrase] piss, wasting, water(-ing, (-course, -flood, -spring))8וַתֵּ֜לֶךְH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak9וַתְּמַלֵּ֤אH4390vervuld, vol, vervullenaccomplish, confirm, [phrase] consecrate, be at an end, be expired, be fenced, fill, fulfil, (be, become, [idiom] draw, give in, go) full(-ly, -ly set, tale), (over-) flow, fulness, furnish, gather (selves, together), presume, replenish, satisfy, set, space, take a (hand-) full, [phrase] have wholly10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11הַחֵ֨מֶת֙H2573fles, wijnflesbottle12מַ֔יִםH4325water, wateren, waters[phrase] piss, wasting, water(-ing, (-course, -flood, -spring))13וַתַּ֖שְׁקְH8248drinken, drenken, schenkerscause to (give, give to, let, make to) drink, drown, moisten, water. See H7937 (שָׁכַר), H8354 (שָׁתָה)14אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15הַנָּֽעַרH5288jongen, jongeling, jongensbabe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man)
20En God was met den jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20En GodH430wasH1961metH854 den jongenH5288; en hij werd grootH1431, en hij woondeH3427 in de woestijnH4057, en werdH1961 een boogschutterH7235.En God was met den jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter.
KJVAnd God2was with the lad;4and he grew,5and dwelt6in the wilderness,7and became an archer.9
1וַיְהִ֧יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2אֱלֹהִ֛יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty3אֶתH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix4הַנַּ֖עַרH5288jongen, jongeling, jongensbabe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man)5וַיִּגְדָּ֑לH1431groot, groter, maaktadvance, boast, bring up, exceed, excellent, be(-come, do, give, make, wax), great(-er, come to... estate, [phrase] things), grow(up), increase, lift up, magnify(-ifical), be much set by, nourish (up), pass, promote, proudly (spoken), tower6וַיֵּ֨שֶׁב֙H3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry7בַּמִּדְבָּ֔רH4057woestijn, wildernis, spraakdesert, south, speech, wilderness8וַיְהִ֖יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use9רֹבֶ֥הH7235veel, vermenigvuldigen, vermenigvuldigd(bring in) abundance ([idiom] -antly), [phrase] archer (by mistake for H7232 (רָבַב)), be in authority, bring up, [idiom] continue, enlarge, excel, exceeding(-ly), be full of, (be, make) great(-er, -ly, [idiom] -ness), grow up, heap, increase, be long, (be, give, have, make, use) many (a time), (any, be, give, give the, have) more (in number), (ask, be, be so, gather, over, take, yield) much (greater, more), (make to) multiply, nourish, plenty(-eous), [idiom] process (of time), sore, store, thoroughly, very10קַשָּֽׁתH7199[idiom] archer. r
21En hij woonde in de woestijn Paran; en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21En hij woondeH3427 in de woestijnH4057ParanH6290; en zijn moederH517namH3947 hem een vrouwH802 uit EgyptelandH776.En hij woonde in de woestijn Paran; en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland.
KJVAnd he dwelt1in the wilderness2of Paran:3and his mother6took4him a wife7out of the land8of Egypt.
22Voorts geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, mitsgaders Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat gij doet.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22Voorts geschiedde het ter zelfderH1931tijdH6256, dat AbimelechH40, mitsgaders PicholH6369, zijn krijgsoversteH8269, totH413AbrahamH85sprakH559, zeggendeH559: GodH430 is metH5973 u in allesH3605, watH834 gij doetH6213.Voorts geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, mitsgaders Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat gij doet.
KJVAnd it came to pass at that time,2that Abimelech5and Phichol6the chief captain7of his host8spake4unto Abraham,10saying,11God12is with thee in all that thou doest:
1וַֽיְהִי֙H1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2בָּעֵ֣תH6256tijd, tijde, tijden[phrase] after, (al-) ways, [idiom] certain, [phrase] continually, [phrase] evening, long, (due) season, so (long) as, (even-, evening-, noon-) tide, (meal-), what) time, when3הַהִ֔ואH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who4וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet5אֲבִימֶ֗לֶךְH40Abimelech, AbimelechsAbimelech6וּפִיכֹל֙H6369PicholPhichol7שַׂרH8269vorsten, oversten, overstecaptain (that had rule), chief (captain), general, governor, keeper, lord,(-task-)master, prince(-ipal), ruler, steward8צְבָא֔וֹH6635heirscharen, heir, heirenappointed time, ([phrase]) army, ([phrase]) battle, company, host, service, soldiers, waiting upon, war(-fare)9אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)10אַבְרָהָ֖םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham11לֵאמֹ֑רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet12אֱלֹהִ֣יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty13עִמְּךָ֔H5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)14בְּכֹ֥לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)15אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection16אַתָּ֖הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you17עֹשֶֽׂהH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use
23Zo zweer mij nu hier bij God: Zo gij mij, of mijn zoon, of mijn neef liegen zult! naar de weldadigheid, die ik bij u gedaan heb, zult gij doen bij mij, en bij het land, waarin gij als vreemdeling verkeert.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23Zo zweerH7650 mij nuH6258 hier bij GodH430: Zo gij mij, of mijn zoonH5209, ofH518 mijn neefH5220liegenH8266 zult! naar de weldadigheidH2617, dieH834 ik bij u gedaanH6213 heb, zult gij doenH6213 bij mij, en bijH5973 het landH776, waarin gij als vreemdeling verkeertH1481.Zo zweer mij nu hier bij God: Zo gij mij, of mijn zoon, of mijn neef liegen zult! naar de weldadigheid, die ik bij u gedaan heb, zult gij doen bij mij, en bij het land, waarin gij als vreemdeling verkeert.
KJVNow therefore swear2unto me here5by God4that thou wilt not deal falsely7with me, nor with my son,9nor with my son's son:10but according to the kindness11that I have done13unto thee, thou shalt do15unto me, and to the land18wherein thou hast sojourned.
1וְעַתָּ֗הH6258nu, danhenceforth, now, straightway, this time, whereas2הִשָּׁ֨בְעָהH7650gezworen, zweren, zwoeradjure, charge (by an oath, with an oath), feed to the full (by mistake for H7646 (שָׂבַע)), take an oath, [idiom] straitly, (cause to, make to) swear3לִּ֤י4בֵֽאלֹהִים֙H430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty5הֵ֔נָּהH2008herwaarts, hierheenhere, hither(-to), now, on this (that) side, [phrase] since, this (that) way, thitherward, [phrase] thus far, to...fro, [phrase] yet6אִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet7תִּשְׁקֹ֣רH8266liegen, feilen, liegtfail, deal falsely, lie8לִ֔י9וּלְנִינִ֖יH5209zoonson10וּלְנֶכְדִּ֑יH5220neef, zoonszoonnephew, son's son11כַּחֶ֜סֶדH2617goedertierenheid, weldadigheid, goedertierenhedenfavour, good deed(-liness, -ness), kindly, (loving-) kindness, merciful (kindness), mercy, pity, reproach, wicked thing12אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection13עָשִׂ֤יתִיH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use14עִמְּךָ֙H5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)15תַּעֲשֶׂ֣הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use16עִמָּדִ֔יH5978met, bijagainst, by, from, [phrase] me, [phrase] mine, of, [phrase] that I take, unto, upon, with(-in.)17וְעִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)18הָאָ֖רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world19אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection20גַּ֥רְתָּהH1481vreemdelingen, verkeren, vreemdeling verkeertabide, assemble, be afraid, dwell, fear, gather (together), inhabitant, remain, sojourn, stand in awe, (be) stranger, [idiom] surely21בָּֽהּ
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24En AbrahamH85zeideH559: IkH595 zal zwerenH7650.En Abraham zeide: Ik zal zweren.
KJVAnd Abraham2said,1I will swear.
1וַיֹּ֨אמֶר֙H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אַבְרָהָ֔םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham3אָנֹכִ֖יH595ik, mijI, me, [idiom] which4אִשָּׁבֵֽעַH7650gezworen, zweren, zwoeradjure, charge (by an oath, with an oath), feed to the full (by mistake for H7646 (שָׂבַע)), take an oath, [idiom] straitly, (cause to, make to) swear
25En Abraham berispte Abimelech ter oorzake van een waterput, die Abimelechs knechten met geweld genomen hadden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25En AbrahamH85berispteH3198AbimelechH40 ter oorzakeH182 van een waterputH875, dieH834AbimelechsH40knechtenH5650 met geweldH1497 genomen hadden.En Abraham berispte Abimelech ter oorzake van een waterput, die Abimelechs knechten met geweld genomen hadden.
KJVAnd Abraham2reproved1Abimelech4because6of a well7of water,8which Abimelech's12servants11had violently taken away.
1וְהוֹכִ֥חַH3198bestraft, bestraffen, straffenappoint, argue, chasten, convince, correct(-ion), daysman, dispute, judge, maintain, plead, reason (together), rebuke, reprove(-r), surely, in any wise2אַבְרָהָ֖םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4אֲבִימֶ֑לֶךְH40Abimelech, AbimelechsAbimelech5עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with6אֹדוֹת֙H182oorzake, oorzaken, zaak(be-) cause, concerning, sake7בְּאֵ֣רH875put, puts, waterputpit, well8הַמַּ֔יִםH4325water, wateren, waters[phrase] piss, wasting, water(-ing, (-course, -flood, -spring))9אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection10גָּזְל֖וּH1497geroofd, roven, rooftcatch, consume, exercise (robbery), pluck (off), rob, spoil, take away (by force, violence), tear11עַבְדֵ֥יH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant12אֲבִימֶֽלֶךְH40Abimelech, AbimelechsAbimelech
26Toen zeide Abimelech: Ik heb niet geweten, wie dit stuk gedaan heeft; en ook hebt gij het mij niet aangezegd, en ik heb er ook niet van gehoord, dan heden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26Toen zeideH559AbimelechH40: Ik heb niet gewetenH3045, wieH4310ditH2088stukH1697gedaanH6213 heeft; en ookH1571 hebt gijH859 het mij niet aangezegdH5046, en ikH595 heb er ookH1571 niet van gehoordH8085, dan hedenH3117.Toen zeide Abimelech: Ik heb niet geweten, wie dit stuk gedaan heeft; en ook hebt gij het mij niet aangezegd, en ik heb er ook niet van gehoord, dan heden.
KJVAnd Abimelech2said,1I wot4not who hath done6this thing:8neither3didst thou tell13me, neither12yet heard18I of it, but19to day.
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אֲבִימֶ֔לֶךְH40Abimelech, AbimelechsAbimelech3לֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without4יָדַ֔עְתִּיH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot5מִ֥יH4310wie, wien, wiensany (man), [idiom] he, [idiom] him, [phrase] O that! what, which, who(-m, -se, -soever), [phrase] would to God6עָשָׂ֖הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use7אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8הַדָּבָ֣רH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work9הַזֶּ֑הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)10וְגַםH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea11אַתָּ֞הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you12לֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without13הִגַּ֣דְתָּH5046kennen, verkondigen, bekendbewray, [idiom] certainly, certify, declare(-ing), denounce, expound, [idiom] fully, messenger, plainly, profess, rehearse, report, shew (forth), speak, [idiom] surely, tell, utter14לִּ֗י15וְגַ֧םH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea16אָנֹכִ֛יH595ik, mijI, me, [idiom] which17לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without18שָׁמַ֖עְתִּיH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness19בִּלְתִּ֥יH1115niet, niemand, tenzijbecause un(satiable), beside, but, [phrase] continual, except, from, lest, neither, no more, none, not, nothing, save, that no, without20הַיּֽוֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger
27En Abraham nam schapen en runderen, en gaf die aan Abimelech; en die beiden maakten een verbond.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27En AbrahamH85namH3947schapenH6629 en runderenH1241, en gafH5414 die aan AbimelechH40; en die beidenH8147maaktenH3772 een verbondH1285.En Abraham nam schapen en runderen, en gaf die aan Abimelech; en die beiden maakten een verbond.
KJVAnd Abraham2took1sheep3and oxen,4and gave5them unto Abimelech;6and both of them8made7a covenant.
28Doch Abraham stelde zeven ooilammeren der kudde bijzonder.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28Doch AbrahamH85steldeH5324zevenH7651ooilammerenH3535 der kuddeH6629bijzonderH909.Doch Abraham stelde zeven ooilammeren der kudde bijzonder.
KJVAnd Abraham2set1seven4ewe lambs5of the flock
1וַיַּצֵּ֣בH5324gesteld, stonden, stondappointed, deputy, erect, establish, [idiom] Huzzah (by mistake for a proper name), lay, officer, pillar, present, rear up, set (over, up), settle, sharpen, establish, (make to) stand(-ing, still, up, upright), best state2אַבְרָהָ֗םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4שֶׁ֛בַעH7651zeven, zevenhonderd, zevenmaal([phrase] by) seven(-fold),-s, (-teen, -teenth), -th, times). Compare H7658 (שִׁבְעָנָה)5כִּבְשֹׂ֥תH3535ooilam, ooilammeren, schaap(ewe) lamb6הַצֹּ֖אןH6629schapen, kudde, klein vee(small) cattle, flock ([phrase] -s), lamb ([phrase] -s), sheep(-cote, -fold, -shearer, -herds)7לְבַדְּהֶֽןH905handbomen, bijzonder, grendelenalone, apart, bar, besides, branch, by self, of each alike, except, only, part, staff, strength
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
29Zo zeide Abimelech tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die gij bijzonder gesteld hebt?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29Zo zeideH559AbimelechH40totH413AbrahamH85: Wat zullen hier dezeH428zevenH7651ooilammerenH3535, die gij bijzonderH909gesteldH5324 hebt?Zo zeide Abimelech tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die gij bijzonder gesteld hebt?
KJVAnd Abimelech2said1unto Abraham,4Whatmean these seven7ewe lambs8which thou hast set
1וַיֹּ֥אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אֲבִימֶ֖לֶךְH40Abimelech, AbimelechsAbimelech3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4אַבְרָהָ֑םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham5מָ֣הH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why6הֵ֗נָּהH2007zij, deze (vrouwelijk meervoud)[idiom] in, [idiom] such (and such things), their, (into) them, thence, therein, these, they (had), on this side, whose, wherein7שֶׁ֤בַעH7651zeven, zevenhonderd, zevenmaal([phrase] by) seven(-fold),-s, (-teen, -teenth), -th, times). Compare H7658 (שִׁבְעָנָה)8כְּבָשֹׂת֙H3535ooilam, ooilammeren, schaap(ewe) lamb9הָאֵ֔לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)10אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection11הִצַּ֖בְתָּH5324gesteld, stonden, stondappointed, deputy, erect, establish, [idiom] Huzzah (by mistake for a proper name), lay, officer, pillar, present, rear up, set (over, up), settle, sharpen, establish, (make to) stand(-ing, still, up, upright), best state12לְבַדָּֽנָהH905handbomen, bijzonder, grendelenalone, apart, bar, besides, branch, by self, of each alike, except, only, part, staff, strength
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
30En hij zeide: Dat gij de zeven ooilammeren van mijn hand nemen zult, opdat het mij tot een getuigenis zij, dat ik dezen put gegraven heb.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30En hij zeideH559: Dat gij de zevenH7651ooilammerenH3535 van mijn handH3027nemenH3947 zult, opdat het mij tot een getuigenisH5713zijH1961, dat ik dezen putH875gegravenH2658 heb.En hij zeide: Dat gij de zeven ooilammeren van mijn hand nemen zult, opdat het mij tot een getuigenis zij, dat ik dezen put gegraven heb.
KJVAnd he said,1For these seven4ewe lambs5shalt thou take6of my hand,7that8they may be a witness11unto me, that I have digged13this well.
31Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31DaaromH3651noemdeH7121 men die plaatsH4725Ber-sebaH884, omdatH3588 die beidenH8147daarH8033gezworenH7650 hadden.Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden.
KJVWherefore he called3that place4Beersheba;6because there they sware10both of them.
1עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with2כֵּ֗ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you3קָרָ֛אH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say4לַמָּק֥וֹםH4725plaats, plaatsen, plaatsecountry, [idiom] home, [idiom] open, place, room, space, [idiom] whither(-soever)5הַה֖וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who6בְּאֵ֣רH884Ber-seba, Beer-sebaBeer-shebah7שָׁ֑בַעH884Ber-seba, Beer-sebaBeer-shebah8כִּ֛יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet9שָׁ֥םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither10נִשְׁבְּע֖וּH7650gezworen, zweren, zwoeradjure, charge (by an oath, with an oath), feed to the full (by mistake for H7646 (שָׂבַע)), take an oath, [idiom] straitly, (cause to, make to) swear11שְׁנֵיהֶֽםH8147twee, twaalf, beideboth, couple, double, second, twain, [phrase] twelfth, [phrase] twelve, [phrase] twenty (sixscore) thousand, twice, two
32Alzo maakten zij een verbond te Ber-seba. Daarna stond Abimelech op, en Pichol, zijn krijgsoverste, en zij keerden wederom naar het land der Filistijnen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32Alzo maaktenH3772 zij een verbondH1285 te Ber-sebaH884. Daarna stondH6965AbimelechH40 op, en PicholH6369, zijn krijgsoversteH8269, en zij keerden wederomH7725naarH413 het landH776 der FilistijnenH6430.Alzo maakten zij een verbond te Ber-seba. Daarna stond Abimelech op, en Pichol, zijn krijgsoverste, en zij keerden wederom naar het land der Filistijnen.
KJVThus they made1a covenant2at Beersheba:3then Abimelech6rose up,5and Phichol7the chief captain8of his host,9and they returned10into the land12of the Philistines.
1וַיִּכְרְת֥וּH3772uitgeroeid, uitroeien, afgesnedenbe chewed, be con-(feder-) ate, covenant, cut (down, off), destroy, fail, feller, be freed, hew (down), make a league (covenant), [idiom] lose, perish, [idiom] utterly, [idiom] want2בְרִ֖יתH1285verbond, verbonds, Verbondconfederacy, (con-) feder(-ate), covenant, league3בִּבְאֵ֣רH884Ber-seba, Beer-sebaBeer-shebah4שָׁ֑בַעH884Ber-seba, Beer-sebaBeer-shebah5וַיָּ֣קָםH6965opstaan, stond, Staabide, accomplish, [idiom] be clearer, confirm, continue, decree, [idiom] be dim, endure, [idiom] enemy, enjoin, get up, make good, help, hold, (help to) lift up (again), make, [idiom] but newly, ordain, perform, pitch, raise (up), rear (up), remain, (a-) rise (up) (again, against), rouse up, set (up), (e-) stablish, (make to) stand (up), stir up, strengthen, succeed, (as-, make) sure(-ly), (be) up(-hold, -rising)6אֲבִימֶ֗לֶךְH40Abimelech, AbimelechsAbimelech7וּפִיכֹל֙H6369PicholPhichol8שַׂרH8269vorsten, oversten, overstecaptain (that had rule), chief (captain), general, governor, keeper, lord,(-task-)master, prince(-ipal), ruler, steward9צְבָא֔וֹH6635heirscharen, heir, heirenappointed time, ([phrase]) army, ([phrase]) battle, company, host, service, soldiers, waiting upon, war(-fare)10וַיָּשֻׁ֖בוּH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw11אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)12אֶ֥רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world13פְּלִשְׁתִּֽיםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine
33En hij plantte een bos in Ber-seba, en riep aldaar den Naam des HEEREN, des eeuwigen Gods, aan.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33En hij plantteH5193 een bosH815 in Ber-sebaH884, en riepH7121aldaarH8033 den NaamH8034 des HEERENH3068, des eeuwigenH5769GodsH410, aan.En hij plantte een bos in Ber-seba, en riep aldaar den Naam des HEEREN, des eeuwigen Gods, aan.
KJVAnd Abraham planted1a grove2in Beersheba,3and called5there on the name7of the LORD,8the everlasting10God.
1וַיִּטַּ֥עH5193planten, geplant, plantfastened, plant(-er)2אֶ֖שֶׁלH815geboomte, bosgrove, tree3בִּבְאֵ֣רH884Ber-seba, Beer-sebaBeer-shebah4שָׁ֑בַעH884Ber-seba, Beer-sebaBeer-shebah5וַיִּ֨קְרָאH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say6שָׁ֔םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither7בְּשֵׁ֥םH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report8יְהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)9אֵ֥לH410God, Gods, godGod (god), [idiom] goodly, [idiom] great, idol, might(-y one), power, strong. Compare names in '-el.'10עוֹלָֽםH5769eeuwigheid, eeuwige, eeuwigalway(-s), ancient (time), any more, continuance, eternal, (for, (n-)) ever(-lasting, -more, of old), lasting, long (time), (of) old (time), perpetual, at any time, (beginning of the) world ([phrase] without end). Compare H5331 (נֶצַח), H5703 (עַד)
34En Abraham woonde als vreemdeling vele dagen in het land der Filistijnen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34En AbrahamH85 woonde als vreemdelingH1481veleH7227dagenH3117 in het landH776 der FilistijnenH6430.En Abraham woonde als vreemdeling vele dagen in het land der Filistijnen.
KJVAnd Abraham2sojourned1in the Philistines'4land3many6days.
1וַיָּ֧גָרH1481vreemdelingen, verkeren, vreemdeling verkeertabide, assemble, be afraid, dwell, fear, gather (together), inhabitant, remain, sojourn, stand in awe, (be) stranger, [idiom] surely2אַבְרָהָ֛םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham3בְּאֶ֥רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world4פְּלִשְׁתִּ֖יםH6430Filistijnen, Filistijn, FilistijnsPhilistine5יָמִ֥יםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger6רַבִּֽיםH7227vele, veel, grote(in) abound(-undance, -ant, -antly), captain, elder, enough, exceedingly, full, great(-ly, man, one), increase, long (enough, (time)), (do, have) many(-ifold, things, a time), (ship-)master, mighty, more, (too, very) much, multiply(-tude), officer, often(-times), plenteous, populous, prince, process (of time), suffice(-lent)
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Genesis 21:1— En de HEERE bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en de HEERE deed aan Sara gelijk als Hij gesproken had.Genesis 18:10→Genesis 18:14→Galaten 4:23→1 Samuël 2:21→Genesis 17:19→Galaten 4:28→Genesis 50:24→Lukas 1:68→
Genesis 21:2— En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, dien hem God gezegd had.Hebreeën 11:11→Galaten 4:22→Genesis 17:21→Handelingen 7:8→Genesis 18:14→Genesis 18:10→Genesis 17:19→Romeinen 9:9→
Genesis 21:3— En Abraham noemde den naam zijns zoons, dien hem geboren was, dien hem Sara gebaard had, Izak.Genesis 17:19→Genesis 22:2→Hebreeën 11:18→Jozua 24:3→Romeinen 9:7→Mattheüs 1:2→Genesis 21:6→Genesis 21:12→
Genesis 21:4— En Abraham besneed zijn zoon Izak, zijnde acht dagen oud, gelijk als hem God geboden had.Handelingen 7:8→Lukas 1:6→Johannes 7:22→Exodus 12:48→Deuteronomium 12:32→Leviticus 12:3→Genesis 17:10→Lukas 1:59→
Genesis 21:5— En Abraham was honderd jaren oud, als hem Izak zijn zoon geboren werd.Genesis 17:17→Genesis 17:1→Romeinen 4:19→
Genesis 21:6— En Sara zeide: God heeft mij een lachen gemaakt; al die het hoort, zal met mij lachen.Jesaja 54:1→Genesis 17:17→Genesis 18:12→Psalmen 126:2→Jesaja 49:15→Galaten 4:27→Lukas 1:14→Jesaja 49:21→
Genesis 21:7— Voorts zeide zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd? want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom.Genesis 18:11→Jesaja 49:21→Deuteronomium 4:32→Psalmen 86:8→Psalmen 86:10→Efeze 3:10→Numeri 23:23→2 Thessalonicenzen 1:10→
Genesis 21:8— En het kind werd groot, en werd gespeend; toen maakte Abraham een groten maaltijd op den dag, als Izak gespeend werd.Richteren 14:10→Richteren 14:12→1 Samuël 1:22→1 Koningen 3:15→Genesis 40:20→Genesis 29:22→Genesis 26:30→Genesis 19:3→
Genesis 21:9— En Sara zag den zoon van Hagar, de Egyptische, dien zij Abraham gebaard had, spottende.Genesis 16:15→Galaten 4:29→Genesis 16:1→Psalmen 44:13→Nehemia 4:1→2 Koningen 2:23→Psalmen 22:6→Job 30:1→
Genesis 21:10— En zij zeide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon dezer dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven.Johannes 8:35→1 Johannes 2:19→Genesis 20:11→Mattheüs 22:13→Genesis 17:21→Genesis 36:6→Genesis 25:6→1 Petrus 1:4→
Genesis 21:11— En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon.Genesis 17:18→Hebreeën 12:11→Genesis 22:1→2 Samuël 18:33→Mattheüs 10:37→
Genesis 21:12— Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over den jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden.Hebreeën 11:18→Genesis 17:19→1 Samuël 8:9→Genesis 17:21→1 Samuël 8:7→Jesaja 46:10→Romeinen 9:7→
Genesis 21:13— Doch Ik zal ook den zoon dezer dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is.Genesis 21:18→Genesis 16:10→Genesis 17:20→Genesis 25:12→
Genesis 21:14— Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en nam brood, en een fles water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Ber-seba.Genesis 19:27→Genesis 26:31→Spreuken 27:14→Genesis 37:15→Jesaja 16:8→Genesis 26:33→Genesis 16:7→Genesis 46:1→
Genesis 21:15— Als nu het water van de fles uit was, zo wierp zij het kind onder een van de struiken.2 Koningen 3:9→Psalmen 63:1→Exodus 15:22→Exodus 17:1→Jeremia 14:3→Genesis 21:14→Jesaja 44:12→
Genesis 21:16— En zij ging en zette zich tegenover, afgaande zo verre, als die met de boog schieten; want zij zeide: Dat ik het kind niet zie sterven; en zij zat tegenover, en hief haar stem op, en weende.1 Samuël 24:16→Richteren 2:4→1 Koningen 3:26→Zacharia 12:10→Genesis 27:38→1 Samuël 30:4→Genesis 44:34→Esther 8:6→
Genesis 21:17— En God hoorde de stem van den jongen; en de Engel Gods riep Hagar toe uit den hemel, en zeide tot haar: Wat is u, Hagar? Vrees niet; want God heeft naar des jongens stem gehoord, ter plaatse, waar hij is.Genesis 16:11→Exodus 3:7→Psalmen 50:15→Markus 5:36→Genesis 15:1→Genesis 16:9→Mattheüs 15:32→Jesaja 43:1→
Genesis 21:18— Sta op, hef den jongen op, en houd hem vast met uwe hand; want Ik zal hem tot een groot volk stellen.Genesis 21:13→Genesis 16:10→Genesis 17:20→Genesis 25:12→1 Kronieken 1:29→
Genesis 21:19— En God opende haar ogen, dat zij een waterput zag; en zij ging, en vulde de fles met water, en gaf den jongen te drinken.Numeri 22:31→Jesaja 35:5→Lukas 24:16→2 Koningen 6:17→
Genesis 21:20— En God was met den jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter.Genesis 28:15→Genesis 39:21→Genesis 39:2→Genesis 16:12→Genesis 17:20→Genesis 49:23→Richteren 13:24→Genesis 25:27→
Genesis 21:21— En hij woonde in de woestijn Paran; en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland.Genesis 27:46→Genesis 24:3→Genesis 26:34→Numeri 13:3→Numeri 13:26→1 Samuël 25:1→Numeri 10:12→1 Korinthe 7:38→
Genesis 21:22— Voorts geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, mitsgaders Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat gij doet.Genesis 26:28→Genesis 26:26→Genesis 20:2→Jesaja 8:10→Openbaring 3:9→Genesis 39:2→Hebreeën 13:5→Jesaja 45:14→
Genesis 21:23— Zo zweer mij nu hier bij God: Zo gij mij, of mijn zoon, of mijn neef liegen zult! naar de weldadigheid, die ik bij u gedaan heb, zult gij doen bij mij, en bij het land, waarin gij als vreemdeling verkeert.Jozua 2:12→Genesis 20:14→Hebreeën 6:16→1 Samuël 30:15→Deuteronomium 6:13→1 Samuël 20:13→1 Samuël 20:42→Genesis 31:44→
Genesis 21:24— En Abraham zeide: Ik zal zweren.Romeinen 12:18→Hebreeën 6:16→Genesis 14:13→
Genesis 21:25— En Abraham berispte Abimelech ter oorzake van een waterput, die Abimelechs knechten met geweld genomen hadden.Genesis 26:15→Spreuken 25:9→Exodus 2:15→Richteren 1:15→Genesis 13:7→Genesis 29:8→Spreuken 17:10→Mattheüs 18:15→
Genesis 21:26— Toen zeide Abimelech: Ik heb niet geweten, wie dit stuk gedaan heeft; en ook hebt gij het mij niet aangezegd, en ik heb er ook niet van gehoord, dan heden.Genesis 13:7→2 Koningen 5:20→
Genesis 21:27— En Abraham nam schapen en runderen, en gaf die aan Abimelech; en die beiden maakten een verbond.Ezechiël 17:13→Jesaja 32:8→1 Samuël 18:3→Genesis 26:28→Spreuken 18:24→Spreuken 21:14→Genesis 31:44→Romeinen 1:31→
Genesis 21:29— Zo zeide Abimelech tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die gij bijzonder gesteld hebt?1 Samuël 15:14→Exodus 12:26→Genesis 33:8→
Genesis 21:30— En hij zeide: Dat gij de zeven ooilammeren van mijn hand nemen zult, opdat het mij tot een getuigenis zij, dat ik dezen put gegraven heb.Genesis 31:52→Jozua 24:27→Jozua 22:27→Genesis 31:44→
Genesis 21:31— Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden.Genesis 26:33→Genesis 21:14→1 Koningen 4:25→2 Samuël 17:11→Richteren 20:1→Genesis 26:23→Jozua 15:28→
Genesis 21:32— Alzo maakten zij een verbond te Ber-seba. Daarna stond Abimelech op, en Pichol, zijn krijgsoverste, en zij keerden wederom naar het land der Filistijnen.1 Samuël 18:3→Genesis 31:53→Genesis 26:14→Genesis 14:13→Richteren 13:1→Exodus 13:17→Genesis 26:8→Genesis 21:27→
Genesis 21:33— En hij plantte een bos in Ber-seba, en riep aldaar den Naam des HEEREN, des eeuwigen Gods, aan.Genesis 12:8→Genesis 4:26→Jesaja 40:28→Psalmen 90:2→Deuteronomium 33:27→Jeremia 10:10→Jesaja 57:15→Genesis 26:33→
Genesis 21:34— En Abraham woonde als vreemdeling vele dagen in het land der Filistijnen.1 Kronieken 29:15→Psalmen 39:12→Hebreeën 11:13→Genesis 20:1→1 Petrus 2:11→Hebreeën 11:9→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Genesis 21 vers 1— En de HEERE bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en de HEERE deed aan Sara gelijk als Hij gesproken had.
bezocht
God bezoekt op tweeërlei wijze: òf met enige bijzondere weldaad en vervulling zijner belofte, als onder Gen. 50:24; Ex. 4:31; Ruth 1:6; Ps. 8:5, gelijk het woord hier ook genomen wordt; òf met uivoering van dreigementen en straffen, Ex. 20:5; Deut. 5:9; Ps. 59:6; Jes. 27:1.
Hertaald:bezocht
God bezoekt op tweeërlei wijze: óf met een bijzondere weldaad en de vervulling van zijn belofte, zoals in Gen. 50:24; Ex. 4:31; Ruth 1:6; Ps. 8:5, zoals het woord hier ook gebruikt wordt; óf met de uitvoering van dreigementen en straffen, Ex. 20:5; Deut. 5:9; Ps. 59:6; Jes. 27:1.
Genesis 21 vers 2— En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, dien hem God gezegd had.
in zijn
And. voor zijn ouderdom, en alzo ook vs.7.
Hertaald:in zijn
Anders: vanwege zijn ouderdom; zo ook in vers 7.
ter gezetter
Zie boven, Gen. 18:10, Gen. 18:14.
Hertaald:ter gezetter
Zie Gen. 18:10, Gen. 18:14.
Genesis 21 vers 3— En Abraham noemde den naam zijns zoons, dien hem geboren was, dien hem Sara gebaard had, Izak.
noemde
Maar het bevel des Heeren, boven Gen. 17:19. Zie aldaar de aant.
Hertaald:noemde
Naar het bevel van de HEERE, Gen. 17:19. Zie daar de aantekening.
Genesis 21 vers 4— En Abraham besneed zijn zoon Izak, zijnde acht dagen oud, gelijk als hem God geboden had.
zijnde
Hebr. een zoon van acht dagen. Alzo in het volgende vs.
Hertaald:zijnde
Hebreeuws: een zoon van acht dagen. Zo ook in het volgende vers.
Genesis 21 vers 6— En Sara zeide: God heeft mij een lachen gemaakt; al die het hoort, zal met mij lachen.
lachen gemaakt
Eensdeels der verwondering over de zeldzaamheid dezer zaak; anderdeels der vreugde, omdat velen zich over deze weldaad Gods verblijden zullen.
Hertaald:lachen gemaakt
Deels lachen van verwondering over de zeldzaamheid van deze gebeurtenis, deels van vreugde, omdat velen zich over deze weldaad van God zullen verblijden.
zal met
Dat is, zich met mij verblijden, Luc. 1:58.
Hertaald:zal met
Dat is: zich met mij verblijden, Luc. 1:58.
Genesis 21 vers 7— Voorts zeide zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd? want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom.
zonen
Dat is, een zoon, zijnde het getal van velen naar het gebruik der Heilige Schrift, voor het getal van een somtijds genomen; zoals onder Gen. 46:7, Gen. 46:23; Num. 20:8.
Hertaald:zonen
Dat is: een zoon; het meervoud wordt, naar het gebruik van de Heilige Schrift, soms voor het enkelvoud gebruikt, zoals in Gen. 46:7, Gen. 46:23; Num. 20:8.
Genesis 21 vers 9— En Sara zag den zoon van Hagar, de Egyptische, dien zij Abraham gebaard had, spottende.
spottende
Zonder twijfel den spot daarmede drijvende, dat men zoveel werk van Izak maakte, die lang na hem geboren was. Deze bespotting is uit zulke bitterheid gesproten, dat de apostel haar noemt vervolging, Gal. 4:29.
Hertaald:spottende
Ongetwijfeld spotte hij ermee dat men zoveel drukte maakte om Izak, die lang na hem geboren was. Deze spot kwam voort uit zulke bitterheid dat de apostel haar vervolging noemt, Gal. 4:29.
Genesis 21 vers 10— En zij zeide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon dezer dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven.
niet erven
Hieruit is af te nemen dat Ismael zonder twijfel door insteking van zijn moeder, mede gewag gemaakt heeft van het recht der eerstgeboorte en beërving der goederen. En hierom is Sara zozeer verstoord geweest, zowel tegen de moeder als tegen den zoon.
Hertaald:niet erven
Hieruit is af te leiden dat Ismaël, ongetwijfeld aangespoord door zijn moeder, ook aanspraak heeft gemaakt op het recht van eerstgeboorte en het erven van de goederen. Daarom was Sara zozeer verstoord, zowel op de moeder als op de zoon.
Genesis 21 vers 11— En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon.
was zeer
Dat is, misviel hem zeer, om de liefde, die bij zijn zoon Ismael toedroeg, en om de belofte, die hij van God voor hem gekregen had; boven Gen. 17:18, Gen. 17:20. Kwaad, wordt gezegd, in iemands ogen te zijn, wat hem mishaagt en onaangenaam is; alzo in het volgende vs. en onder Gen. 28:8; Ex. 21:8; Num. 11:10.
Hertaald:was zeer
Dat is: het beviel hem zeer slecht, vanwege de liefde die hij voor zijn zoon Ismaël koesterde, en vanwege de belofte die hij van God voor hem ontvangen had; Gen. 17:18, Gen. 17:20. 'Kwaad zijn in iemands ogen' wil zeggen dat iets hem mishaagt en onaangenaam is; zo ook in het volgende vers en in Gen. 28:8; Ex. 21:8; Num. 11:10.
Genesis 21 vers 12— Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over den jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden.
God
Te weten, des nachts, vs.14
Hertaald:God
Namelijk: 's nachts, vers 14.
al wat
Aangaande deze zaak van Ismaël en Hagar.
Hertaald:al wat
Aangaande deze zaak van Ismaël en Hagar.
Izak
Dat is, Gods volk, bij hetwelk het verbond Gods zal berusten, en inzonderheid de Messias, zullen niet voortkomen van Ismael, maar van Izak; mitsgaders die alleen zullen het ware geslacht van Abraham zijn; niet die naar de natuur vleselijk uit hem zullen voortkomen, gelijk Ismael; maar die door de genade en kracht der geestelijke belofte zijn kinderen zullen zijn, gelijk Izak; zie Rom. 9:6-8.
Hertaald:Izak
Dat is: Gods volk, bij wie het verbond van God zal blijven, en in het bijzonder de Messias, zullen niet voortkomen uit Ismaël, maar uit Izak; en zij alleen zullen het ware nageslacht van Abraham zijn — niet zij die naar het vlees op natuurlijke wijze uit hem voortkomen, zoals Ismaël, maar zij die door de genade en de kracht van de geestelijke belofte zijn kinderen zullen zijn, zoals Izak; zie Rom. 9:6-8.
genoemd
Anders, geroepen worden.
Hertaald:genoemd
Anders: geroepen worden.
Genesis 21 vers 13— Doch Ik zal ook den zoon dezer dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is.
tot een
Zie boven, Gen. 16:10, en Gen. 17:20
Hertaald:tot een
Zie Gen. 16:10, en Gen. 17:20.
omdat hij
Dat is, omdat hij uw zoon is, en dat hij van u afkomstig is.
Hertaald:omdat hij
Dat is: omdat hij uw zoon is en van u afkomstig is.
Genesis 21 vers 14— Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en nam brood, en een fles water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Ber-seba.
brood,
Versta door brood en water, alles wat tot deze reis nodig was.
Hertaald:brood,
Versta onder brood en water alles wat voor deze reis nodig was.
kind,
Te weten, Ismaël, boven genoemd jongen, vs.12, en ond. vs.17. De geestelijke beduiding van deze gehele zaak, zie Gal. 4:23-24, enz.
Hertaald:kind,
Namelijk: Ismaël, hierboven genoemd 'de jongen', vers 12, en verderop vers 17. Voor de geestelijke betekenis van deze hele geschiedenis, zie Gal. 4:23-24, enz.
in de
Gelegen op de zuidelijke grens van Palestina, niet ver van Gerar, en op dezen tijd aldus nog niet genoemd, maar daarna, toen de koning Abimélech omtrent die plaats met Abraham een verbond heeft gemaakt. Zie onder, vs.31.
Hertaald:in de
Gelegen aan de zuidelijke grens van Palestina, niet ver van Gerar. Op dit moment werd zij nog niet zo genoemd, maar pas later, toen koning Abimélech bij die plaats een verbond met Abraham sloot. Zie vers 31.
Genesis 21 vers 15— Als nu het water van de fles uit was, zo wierp zij het kind onder een van de struiken.
zo
Als hij niet langer kunnende aan haar hand gaan, en te groot zijnde om door Hagar te kunnen gedragen worden; want hij was nu omtrent 17 jaren oud. Zie ond. vs.18.
Hertaald:zo
Toen hij niet langer aan haar hand kon lopen en te groot was om door Hagar gedragen te worden; want hij was nu ongeveer zeventien jaar oud. Zie vers 18.
onder
Te weten, om bevrijd te zijn tegen de hitte van de zon, opdat het in stilte onder de schaduw zijn geest, zoals zij meende, mocht geven.
Hertaald:onder
Namelijk: om beschut te zijn tegen de hitte van de zon, zodat hij, zoals zij meende, in stilte onder de schaduw zijn laatste adem kon geven.
Genesis 21 vers 16— En zij ging en zette zich tegenover, afgaande zo verre, als die met de boog schieten; want zij zeide: Dat ik het kind niet zie sterven; en zij zat tegenover, en hief haar stem op, en weende.
zo ver,
Zover als een boogschutter afgaat van zijn perk; of omtrent een boogschot.
Hertaald:zo ver,
Zo ver als een boogschutter zich van zijn doel verwijdert; ofwel: ongeveer een boogschot ver.
Dat ik
Hebr. dat ik niet zie, als het kind sterft, of het sterven des kinds.
Hertaald:Dat ik
Hebreeuws: dat ik niet zie, wanneer het kind sterft, of het sterven van het kind.
Genesis 21 vers 17— En God hoorde de stem van den jongen; en de Engel Gods riep Hagar toe uit den hemel, en zeide tot haar: Wat is u, Hagar? Vrees niet; want God heeft naar des jongens stem gehoord, ter plaatse, waar hij is.
van den
Die ontwijfelbaar niet minder dan de moeder, in dezen droevigen staat zijnde, geschreid heeft.
Hertaald:van den
Die, in deze droevige toestand, ongetwijfeld niet minder dan zijn moeder gehuild heeft.
ter plaatse
Hebr. in hetwelk, of in hetgeen waar hij is.
Hertaald:ter plaatse
Hebreeuws: in dat waarin, of in datgene waar hij is.
Genesis 21 vers 19— En God opende haar ogen, dat zij een waterput zag; en zij ging, en vulde de fles met water, en gaf den jongen te drinken.
God
Niet dat zij tevoren niet zag, maar dat God haar ogen zo bestuurd en gehouden heeft, dat zij dien put niet bemerkte. Verg. Luc. 24:31.
Hertaald:God
Niet dat zij tevoren blind was, maar God had haar ogen zo bestuurd en gesloten gehouden dat zij die put niet opmerkte. Vergelijk Luc. 24:31.
Genesis 21 vers 20— En God was met den jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter.
God was
God was hem gunstig, en zegende hem naar den inhoud zijner belofte, zoveel het tijdelijke betreft. Verg. ond. de aant. op vs.22
Hertaald:God was
God was hem gunstig gezind en zegende hem overeenkomstig zijn belofte, wat het tijdelijke betreft. Vergelijk de aantekening bij vers 22.
een boogschutter
Hebr. een schietende boogschutter. Dat is, een kloek jager en krijgsman. Zie boven, Gen. 16:12.
Hertaald:een boogschutter
Hebreeuws: een schietende boogschutter. Dat is: een kloek jager en krijgsman. Zie Gen. 16:12.
Genesis 21 vers 21— En hij woonde in de woestijn Paran; en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland.
Paran;
Zie bov. Gen. 14:6.
Hertaald:Paran;
Zie Gen. 14:6.
en zijn
Merk hier op het recht der ouders over de kinderen in huwelijkszaken, ja zelfs der moeder alleen. Verg. ond. Gen. 24:3-4, enz.
Hertaald:en zijn
Let hier op het recht van de ouders — ja, zelfs van de moeder alleen — over de kinderen in huwelijkszaken. Vergelijk Gen. 24:3-4, enz.
Genesis 21 vers 22— Voorts geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, mitsgaders Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat gij doet.
terzelfder
Dat is, omtrent den tijd van den maaltijd, hier tevoren vermeld, en van de uitzetting van Hagar en haar zoon.
Hertaald:terzelfder
Dat is: omstreeks de tijd van de maaltijd die hiervoor vermeld werd, en van het wegsturen van Hagar en haar zoon.
Abimélech,
Konint te Gerar, van wien boven Gen. 20:2 gesproken wordt.
Hertaald:Abimélech,
Koning van Gerar, over wie in Gen. 20:2 gesproken wordt.
God is
God de Heere is met de zijnen niet alleen door lichamelijk, maar ook door geestelijke zegeningen, hoewel Abimélech en Pichol eigenlijk hun ogen op den lichamelijken en tijdelijken zegen geslagen hadden. Zie deze manier van spreken ond. Gen. 39:3; Joz. 3:7, en Joz. 7:12; 2 Kron. 1:1.
Hertaald:God is
God de HEERE is met de zijnen, niet alleen door lichamelijke, maar ook door geestelijke zegeningen, hoewel Abimélech en Pichol eigenlijk het oog hadden op de lichamelijke en tijdelijke zegen. Zie deze uitdrukking ook in Gen. 39:3; Joz. 3:7, en Joz. 7:12; 2 Kron. 1:1.
Genesis 21 vers 23— Zo zweer mij nu hier bij God: Zo gij mij, of mijn zoon, of mijn neef liegen zult! naar de weldadigheid, die ik bij u gedaan heb, zult gij doen bij mij, en bij het land, waarin gij als vreemdeling verkeert.
Zo
Versta hierdoor: dat u wee of straf wedervaren moet, of God doe u dit of dat. Zie bov. Gen. 14:23.
Hertaald:Zo
Versta hieronder: dat u onheil of straf mag treffen, ofwel: God doe u dit of dat. Zie Gen. 14:23.
liegen
Of bedriegelijk sprken, of handelen zult met mij.
Hertaald:liegen
Of: bedrieglijk zult spreken of handelen tegenover mij.
Genesis 21 vers 25— En Abraham berispte Abimelech ter oorzake van een waterput, die Abimelechs knechten met geweld genomen hadden.
Abraham
Eer Abraham zweert, wil hij alle achterdocht wegnemen.
Hertaald:Abraham
Voordat Abraham zweert, wil hij eerst alle achterdocht wegnemen.
ter oorzake
Aangezien hij hem gegraven had, en door de dorheid des lands het water zeer moeilijk te bekomen, en daarom hoog nodig en van grote waarde was. Verg. onder, Gen. 26:19-21, enz. Richt. 1:15.
Hertaald:ter oorzake
Aangezien hij hem gegraven had, en water door de dorheid van het land zeer moeilijk te verkrijgen was, en daarom hoognodig en van grote waarde. Vergelijk Gen. 26:19-21, enz.; Richt. 1:15.
Genesis 21 vers 26— Toen zeide Abimelech: Ik heb niet geweten, wie dit stuk gedaan heeft; en ook hebt gij het mij niet aangezegd, en ik heb er ook niet van gehoord, dan heden.
stuk
Hebr. woord, zaak ding.
Hertaald:stuk
Hebreeuws: woord, zaak, ding.
Genesis 21 vers 27— En Abraham nam schapen en runderen, en gaf die aan Abimelech; en die beiden maakten een verbond.
Abraham nam
Te weten, tot een bewijs, 1, dat hij den koning dankbaar was voor de vriendschap van hem ontvangen; 2. dat hij des konings antwoord aannam, belangende den put; 3. dat hij hem en den zijnen beloofde getrouw te wezen.
Hertaald:Abraham nam
Namelijk: als bewijs, ten eerste, dat hij de koning dankbaar was voor de vriendschap die hij van hem ontvangen had; ten tweede, dat hij het antwoord van de koning aangaande de put aanvaardde; ten derde, dat hij beloofde trouw te zijn aan hem en de zijnen.
maakten
Hebr. sneden, hieuwen. Zie boven Gen. 15:18.
Hertaald:maakten
Hebreeuws: sneden, hieuwen. Zie Gen. 15:18.
Genesis 21 vers 28— Doch Abraham stelde zeven ooilammeren der kudde bijzonder.
bijzonder
Hebr. hier alleen; alzo vs.29.
Hertaald:bijzonder
Hebreeuws: hier alleen; zo ook vers 29.
Genesis 21 vers 30— En hij zeide: Dat gij de zeven ooilammeren van mijn hand nemen zult, opdat het mij tot een getuigenis zij, dat ik dezen put gegraven heb.
gegraven
En dat hij dienvolgens mij en den mijnen wettelijk toekomt. Abrahams zorg is niet tevergeefs geweest. Zie onder Gen. 26:15.
Hertaald:gegraven
En dat hij daarom mij en de mijnen wettelijk toebehoort. Abrahams zorg is niet tevergeefs geweest. Zie Gen. 26:15.
Genesis 21 vers 31— Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden.
Ber-séba,
Welke naam hier en boven, vs.14, aan deze plaats en het omliggende land toegeschreven wordt; maar onder, Gen. 26:33, een stad in die landstreek gelegen, die daarna den stam van Juda toegeëigend is; Joz. 15:28; 1 Kon. 19:3; doch door den stam van Simeon bewoond; Joz. 19:2, en is geweest de zuidpale van het land Kanaän, gelijk Dan de noordpale; 2 Sam. 17:11, en 2 Sam. 24:2.
Hertaald:Ber-séba,
Deze naam wordt hier en hierboven, in vers 14, gegeven aan deze plaats en het omliggende land; maar in Gen. 26:33 aan een stad die in die landstreek lag en later aan de stam van Juda is toegewezen, Joz. 15:28; 1 Kon. 19:3, hoewel bewoond door de stam van Simeon, Joz. 19:2. Zij was de zuidgrens van het land Kanaän, zoals Dan de noordgrens was; 2 Sam. 17:11, en 2 Sam. 24:2.
Genesis 21 vers 32— Alzo maakten zij een verbond te Ber-seba. Daarna stond Abimelech op, en Pichol, zijn krijgsoverste, en zij keerden wederom naar het land der Filistijnen.
naar der
Versta naar Gerar, niet ver van deze plaats gelegen.
Hertaald:naar der
Versta: naar Gerar, dat niet ver van deze plaats lag.
Genesis 21 vers 33— En hij plantte een bos in Ber-seba, en riep aldaar den Naam des HEEREN, des eeuwigen Gods, aan.
hij plantte
Te weten, Abraham.
Hertaald:hij plantte
Namelijk: Abraham.
riep
Ontvangen hebbende nieuwe oorzaak tot dankbaarheid, heeft hij den openbaren Godsdienst aldaar gepleegd, zie boven Gen. 4:26.
Hertaald:riep
Nu hij een nieuwe reden tot dankbaarheid had ontvangen, heeft hij daar de openbare eredienst beoefend; zie Gen. 4:26.
des eeuwigen
Hebr. van den God der eeuwigheid.
Hertaald:des eeuwigen
Hebreeuws: van de God van de eeuwigheid.
Genesis 21 vers 34— En Abraham woonde als vreemdeling vele dagen in het land der Filistijnen.
vele dagen
Dat is, langen tijd, aangezien hem de Heere hier zekerheid en rust verleende.
Hertaald:vele dagen
Dat is: lange tijd, aangezien de HEERE hem hier zekerheid en rust schonk.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Abram — verheven vader
De zoon van Terah, vóór zijn oudere broers Nahor en Haran genoemd (Gen. 11:27) omdat hij de erfgenaam van de beloften was. Op zeventigjarige leeftijd verliet hij met zijn familie Ur der Chaldeeën; later, na de dood van zijn vader in Haran, ontving hij van de HEERE de roeping om naar het onbekende land Kanaän te trekken, 'niet wetende waar hij komen zou' (Hebr. 11:8). Later zou zijn naam veranderd worden in Abraham (Gen. 17:4-5).
Sarai — mijn vorstin
De vrouw en tegelijk halfzuster van Abram (Gen. 11:29; 20:12). Onder deze naam wordt zij voor het eerst genoemd; later, bij de instelling van het verbond der besnijdenis, zou haar naam veranderd worden in Sarah, 'vorstin' (Gen. 17:15), toen haar werd beloofd dat zij, ondanks haar hoge leeftijd, de moeder van de beloofde zoon zou worden.
Hagar — vlucht; ook wel: vreemdelinge
De Egyptische slavin van Sarai, die haar aan Abram tot bijvrouw gaf omdat zijzelf onvruchtbaar was (Gen. 16:1-3). Toen zij zwanger was, werd zij hoogmoedig tegen haar meesteres en vluchtte na Sarais hardheid de woestijn in, waar de Engel des HEEREN haar bij een waterbron aantrof en haar beval terug te keren, met de belofte dat haar zoon een zeer talrijk nageslacht zou krijgen. Later, na de geboorte van Izak, werd zij met haar zoon Ismaël definitief weggezonden (Gen. 21).
Abimelech — mijn vader is koning, of: vader van de koning
De Filistijnse koning van Gerar ten tijde van Abraham (Gen. 20:1-18). Zoals Abram eerder in Egypte deed, gaf Abraham ook hier Sara voor zijn zuster uit, waarop Abimelech haar tot zich nam; door Gods ingrijpen in een droom werd zij ongeschonden aan Abraham teruggegeven. Abimelech gaf Abraham daarop kostbare geschenken en berispte hem tegelijk voor zijn misleiding. 'Abimelech' was, evenals 'Farao' voor de Egyptische koningen, een gangbare titel voor de Filistijnse koningen.
Izak — lachen, gelach
De zoon van Abraham en Sara, geboren toen Abraham honderd jaar oud was, precies zoals de HEERE beloofd had (Gen. 21:1-5). Zijn naam herinnert aan het ongelovige lachen van zowel Abraham (Gen. 17:17) als Sara (Gen. 18:12) toen hun deze geboorte was aangekondigd, en later aan Sara's vreugdevolle lach (Gen. 21:6). Als het kind der belofte is Izak in het Nieuwe Testament een voorafbeelding van de gelovigen, 'kinderen der belofte' (Gal. 4:28), en zijn beoogde offering op de berg Moria (Gen. 22) een beeld van de opoffering van Gods eigen Zoon.
Bijbelse PlaatsenPlaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Gerar — Hebreeuws gerar, "kring, gebied"
Ligging: Een stad in de Filistijnse vlakte, ten zuiden van Gaza; de plaats is niet met zekerheid geïdentificeerd, maar wordt vermoed te liggen in een van de zijdalen van de Wadi Sjeria, bij een plek genaamd Oem Djerrar, aan de kust ten zuidwesten van Gaza.
Geschiedenis: Hierheen trok Abraham vanuit het Zuiderland en vestigde hij zich enige tijd (Gen. 20:1), waar hij, net als eerder in Egypte, Sara voor zijn zuster liet doorgaan uit vrees voor zijn leven — waarop Abimelech, de koning van Gerar, haar tot vrouw wilde nemen, totdat God hem in een droom waarschuwde (Gen. 20). Later verbleef ook Izak hier tijdens een hongersnood, met een soortgelijk voorval rond Rebekka (Gen. 26).
Bijbelse betekenis: Toont hoe dezelfde zwakheid — angst en een halve waarheid over Sara — zich bij Abraham herhaalt, en hoe God ook temidden van menselijk tekortschieten Zijn verbondsbeloften trouw bewaart.
Gen. 10:19; 20:1-18; 26:1,6,17,20,26
Beër-Seba — meest waarschijnlijk "put van de eed" (van het Hebreeuwse sjaba, "zweren"); minder waarschijnlijk "put van zeven", naar de zeven ooilammeren die Abraham als getuigenis bij de eed aan Abimelech gaf (Gen. 21:28-31)
Ligging: Gelegen aan de zuidgrens van Juda, op de rand van het bebouwde land, circa 45 kilometer ten zuidwesten van Hebron. Het huidige Bir es-Seba, waar meerdere oude putten zijn teruggevonden; de oudtestamentische stad zelf lag waarschijnlijk enkele kilometers oostelijker, bij het huidige Tell es-Seba.
Geschiedenis: Hier sloten Abraham en Abimelech, koning van Gerar, een verbond nadat er onenigheid was ontstaan over een door Abimelechs knechten met geweld in bezit genomen waterput; Abraham gaf zeven ooilammeren ten teken van het verbond en plantte er een tamarisk, en riep er de Naam van de HEERE, de eeuwige God, aan (Gen. 21:22-33). Later verscheen de HEERE hier ook aan Izak (Gen. 26:23-25) en aan Jakob, op weg naar Egypte (Gen. 46:1-5); ook aan Hagar verscheen hier een Godsopenbaring toen zij met Ismaël bijna van dorst omkwam (Gen. 21:14-19).
Bijbelse betekenis: Een heiligdom waar herhaaldelijk, over drie generaties aartsvaders heen, de HEERE Zich aan Zijn volk openbaarde en Zijn verbond bevestigde; later spreekwoordelijk als zuidelijk grenspunt van het beloofde land in de uitdrukking "van Dan tot Beër-Seba".
Archeologie: Bij het huidige Tell es-Seba zijn opgravingen gedaan naar de resten van de oudtestamentische stad; verschillende oude waterputten in de omgeving worden van oudsher met Abrahams put in verband gebracht.
Christus in dit hoofdstukHeenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Het verbondniveau 1Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toeuitwerking
Ter gezetter tijd geboren — 21:1-14
Vijfentwintig jaar liggen er tussen de belofte van Genesis 12 en dit hoofdstuk. In die jaren is Abraham naar Egypte gegaan en teruggekomen. Hij heeft bij Hagar een zoon gekregen om God een handje te helpen. En Sara is zo oud geworden, dat zij om de belofte lachte toen zij die achter de tentdeur nog eens hoorde herhalen.
Izak wordt geboren op de tijd die God genoemd had, en Paulus leest heel deze geschiedenis als het onderscheid tussen wat het vlees voortbrengt en wat de belofte voortbrengt.
Het hoofdstuk begint met een zin die twee keer hetzelfde zegt: “En de HEERE bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en de HEERE deed aan Sara gelijk als Hij gesproken had.” Wat God gezegd had en wat God deed worden hier naast elkaar gelegd en blijken één ding te zijn. Bezoeken is in de Schrift een woord met twee kanten, tekent de kanttekening aan: God bezoekt met een weldaad waarin Hij Zijn belofte vervult, en Hij bezoekt met de uitvoering van Zijn dreigementen. Hier gaat het om het eerste.
In het tweede vers valt een woord dat gemakkelijk over het hoofd gezien wordt. De zoon wordt geboren ter gezetter tijd — op de tijd die vastgesteld was. Niet te vroeg, want dan was hij een kind van menselijke haast geweest, zoals Ismaël. Niet te laat, want God had een jaar genoemd. Datzelfde gaat het Nieuwe Testament zeggen over de komst van Christus, en dan met bijna dezelfde uitdrukking: wanneer de volheid des tijds gekomen was, heeft God Zijn Zoon uitgezonden. De God Die een uur zet voor de geboorte van Izak, is de God Die een uur zet voor de geboorte van de Zoon.
Sara lachte de eerste keer uit ongeloof; nu lacht zij opnieuw, en zij zegt zelf waarom: “God heeft mij een lachen gemaakt; al die het hoort, zal met mij lachen.” De kanttekening splitst dat lachen keurig uit — het is deels verwondering over de zeldzaamheid van deze gebeurtenis en deels vreugde, omdat velen zich over deze weldaad zullen verblijden.
Dan komt de scherpte. Ismaël spot met al die drukte om de jongere broer. De kanttekening laat zien hoe diep die spot ging: hij kwam voort uit zulke bitterheid dat de apostel haar ronduit vervolging noemt. En God zegt tegen Abraham, die het benauwd krijgt om zijn oudste zoon: “want in Izak zal uw zaad genoemd worden.” De kanttekening trekt daar de lijn die alles draagt. Gods volk, en in het bijzonder de Messias, zullen niet uit Ismaël voortkomen maar uit Izak. En het ware nageslacht van Abraham zijn niet zij die naar het vlees geboren worden, maar zij die door de genade en de kracht van de belofte zijn kinderen zijn.
Paulus doet in Galaten 4 niets anders dan die kanttekening uitschrijven. Twee zonen, twee moeders, twee verbonden, twee Jeruzalems: het ene baart slaven, het andere baart vrijen. En daar staat dan de zin die dit hoofdstuk aan iedere lezer vastknoopt: wij zijn kinderen der belofte, als Izak was. Wie zo gelezen wordt, weet meteen ook waar de spot vandaan komt die hem treft.
Genesis 17:19 — God noemt de zoon bij name en zet er een tijd bij, voordat hij er is.
Genesis 21:2 — Izak wordt geboren ter gezetter tijd, uit een moeder die het niet meer kon.
Genesis 21:12 — In Izak zal uw zaad genoemd worden: de lijn loopt door de belofte, niet door het vlees.
Romeinen 9:7-8 — Niet de kinderen des vleses, maar de kinderen der belofte worden voor het zaad gerekend.
Galaten 4:28 — Wij zijn kinderen der belofte, als Izak was.
Galaten 4:4 — In de volheid des tijds zendt God Zijn Zoon, geworden uit een vrouw.
In het Nieuwe Testament: Galaten 4:22-31; Romeinen 9:7-9; Hebreeën 11:11-12, 17-19; Galaten 4:4
Wat betekenen de niveaus?
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.
Genesis 21:19.KruisverwijzingenNumeri 22:31→Jesaja 35:5→Lukas 24:16→2 Koningen 6:17→ — En God opende haar ogen, dat zij een waterput zag; en zij ging, en vulde de fles met water, en gaf den jongen te drinken. “En God opende haar ogen.” Dezelfde God die de Rode Zee splijt en de Jordaan doet opdrogen, opent ook de ogen van een arme vrouw. Dezelfde God die met al Zijn vurige strijdwagens naar Paran kwam en met al Zijn heiligen naar de Sinaï, en de berg geheel deed roken door Zijn tegenwoordigheid, is Degene van Wie wij lezen: “En God opende haar (dat is Hagar) ogen.” Door de ogen van Hagar te openen, verzekerde God het voortbestaan van het Ismaëlitische volk, dat tot op de dag van vandaag bestaat. Uit het kleine komt het grote voort.
Misschien zijn er mensen die nog maar één ding nodig hebben om het eeuwige leven binnen te gaan: dat hun ogen worden geopend. Moge de Heere hun die genade schenken! O, dat Hij ook nu menige Hagar Zijn heil zou tonen! Waarom zouden dorstige zielen nog langer wachten? Alles is gereed. Zij staan aan de drempel van het heil; alleen hun ogen moeten nog worden geopend.
ISAAK’S GEBOORTE. VERWIJDERING VAN ISMAËL. ABRAHAMS VERBOND MET ABIMELECH.
I. Gen. 21 vers 1-7
Spoedig, nadat Sara door Abimelech vrijgelaten is, wordt zij van Abraham zwanger en baart op de door God aangekondigde tijd, een zoon, die Izaak genoemd en op de achtste dag besneden wordt.
1. 1) En de HEERE, wiens woord waarachtig en getrouw is (Psalm. 33:4, Numeri. 23:19, bezocht 2) Sara, nam haar natuurlijke onvruchtbaarheid weg, en gaf aan haar reeds verstorven lichaam de kracht weer om te ontvangen en te baren, gelijk als Hij, bij de in hoofdstuk. 18 vermelde verschijning, gezegd had (vs.10,14): en de HEERE deed aan Sara, gelijk als Hij, niet slechts toen, maar ook reeds vroeger tot Abraham (hoofdstuk. 17:19) gesproken had.
1) Abraham was van Gerar met zijn vrouw naar Berséba getrokken en had daarheen ook zijn kudden laten komen, die vroeger tussen Kades en Sur weidden. (hoofdstuk. 20:1).
2) “Bezocht Sara.” Hiermee doet de Heilige Schrift het nog eens duidelijk uitkomen, dat de ontvangenis en geboorte van Izaak een bijzonder werk van de Almachtige God was en vrucht van het Verbond, dat met Abraham was opgericht. Niet God (Elohiem), maar de Heere (Jehova) bezocht haar. Daarom volgt er ook onmiddellijk: “gelijk als Hij gezegd had.” Dat bezoeken was: mogelijk maken, wat beloofd was en gesproken.
2. En Sara werd ten gevolge van deze bovennatuurlijke bekwaammaking Gods (Hebr.11:11) bevrucht, a) en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom nadat hij 25 jaar lang op dit beloofde kind had moeten wachten, en wel baarde zij hem ter gezetter tijd, die hem God gezegd had, 1) een jaar na de beide openbaringen (hoofdstuk. 17:21en 18:10,14).
a) Galaten. 4:23
1) Mozes is hier zeer rijk in woorden, om te noemen de grote en rijke vreugde van de aartsvader, die na zoveel droefheid niet alleen een veilige verblijfplaats en een goedertieren koning gevonden heeft; maar ook wordt Sara zwanger en baart hem de erfgenaam van de belofte. Wat tot hiertoe door hem gehoopt en geloofd was, is nu werkelijk aanwezig; de belofte is, om zo te spreken, mens geworden en geboren.
Met de geboorte van Izaak komt een nieuw hoofdpunt in de geslachtslijn van het beloofde zaad. De goddelijke genade en almacht toonde hier bij het nieuwe aanvangspunt van de beloofde lijn, wat zij op oneindig hoger en heerlijker wijze bij het slotpunt daarvan kon en wilde doen. Isaak’s wonderbare geboorte uit het onvruchtbaar en verstorven lichaam is een voorbeeld van de geboorte van Christus uit een maagd.
De bijvoeging “in zijn ouderdom” geschiedt uitdrukkelijk, opdat Isaak’s geboorte voor alle eeuwen een wondervolle geboorte zou zijn, en opdat daardoor de ere Gods zou worden groot gemaakt.
3. En Abraham noemde de naam van zijn zoon, die hem geboren was, die hem Sara gebaard had, naar het woord des Heren (hoofdstuk. 17:19) Izaak (men lacht). 1)
1) Hij ontving de naam, die minder edel schijnt, dan die van Hagar’s zoon, Ismaël (God hoort) (hoofdstuk. 16:11,15). Toch waren in Ismaël slechts menselijke wensen verhoord geworden; de naar een menselijke zwakheid (hoofdstuk. 17:17; 18:12) genoemde Izaak is daarentegen met deze naam een juist beeld van het van hem afstammend volk, dat door zijn geloof en zijn wet, door zijn nauwkeurige plechtigheden en strenge afzondering van de overige volken, dikwijls een spot van de mensen en van de volkeren geweest is, maar waaruit het heil van de wereld voortkomen zou. (Johannes 4:22).
4. En Abraham besneed zijn zoon Izaak, zijnde acht dagen 1) oud, gelijk als hem God (hoofdstuk. 17:11,12) geboden had. 2)
1) Izaak is de eerste, die op de achtste dag besneden werd; bij hem werd de besnijdenis eerst recht van kracht, gelijk de vervulling en het einde ook van deze wet in Christus gekomen is.
Het zal ongetwijfeld voor Abrahams gevoel een harde zaak zijn geweest, aan Izaak, acht dagen na zijn geboorte, de besnijdenis te verrichten. Maar Gods Woord staat bij hem hoger, dan al wat van de aarde is, dan het liefste wat hij bezit. Hij wordt echter tevens gesterkt door de overtuiging, dat, door de besnijdenis, Izaak de Verbondsbelofte deelachtig wordt.
5. En Abraham was honderd jaar oud, toen hem Izaak, zijn zoon, geboren werd (2108 na de wereldschepping; 1792 vóór Christus).
Wederom wordt gemeld, dat aan Abraham op hoge leeftijd Izaak geboren werd, opdat het diep in het geheugen zou worden geprent.
6. En Sara, die vroeger, ongelovig aan de Goddelijke belofte, gelachen had (hoofdstuk. 18:12) zei thans bij de vervulling daarvan: God heeft mij, tot vergelding van mijn lachen, 1) een lachen gemaakt; al, die het hoort, dat ik nog op zo hoge ouderdom gebaard heb, zal met mij, de oude moeder, lachen 2) om mij geluk te wensen.
1) Het is goed, dat Sara haar vroeger ongeloof belijdt en zich daarover schaamt.
2) Bij het lachen van Abraham en Sara komt nog een derde lachen. Behalve het lachen van de vreugde van het geloof en het lachen van het kleingelovig twijfelen, treft dat van verwondering of van de spot van de wereld, de zoon van de belofte, evenals alle kinderen van de belofte.
7. Voorts zei hij in dichterlijke rede: Welaan, laat de mensen lachen, ik lach ook, daar de Heere mij gedaan heeft, wat boven alle menselijk begrip gaat. Wie van de mensen zou Abraham gezegd hebben: 1) Sara heeft zonen gezoogd!2) want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom; nu echter moeten zij het elkaar verhalen en alzo lofredenaars worden van de buitengewone dingen, die de Heere aan mij gedaan heeft.
1) Wat onmogelijk is bij de mensen, is mogelijk bij God. Wacht op de Heere, gij vromen! hoe onmogelijk uw redding ook schijnt! God volbrengt zijn belofte, al duurt het ook lang, al is bij de mens alle hoop vervlogen; want een afgesneden zaak doet Hij op aarde.
2) Sara zoogde haar kind, hoewel zij een voorname vrouw, een vorstin was; dat eist het recht van de natuur, daar God de borsten daartoe gegeven en met melk gevuld heeft. De Heilige Schrift noemt het kinderen baren en zogen als twee verplichtingen van een moeder (Luk.11:27; 23:29; Romeinen Psalm. 22:10). Zo worden ook deze beide onder de weldaden van de grote God gerekend (Genesis 49:25), gelijk het ook een straf was, wanneer God onvruchtbare lichamen en verdroogde borsten gaf (Hos.9:11,14).
Van vreugde spreekt Sara van meerdere zonen, hoewel zij slechts een gebaard heeft, die een is haar zoveel als tien zonen.
Ondertussen moet men er op letten, dat Sara niet alleen haar kind het leven heeft geschonken, maar het ook gezoogd heeft. Want de Heere bereidt niet tevergeefs voor de kinderen, reeds eer zij geboren worden, in de moederborst hun voedsel. Wie Hij de eer van moeder te worden schenkt, die stelt Hij ook in staat voedster te zijn. En wie er bezwaar in vinden hun eigen kinderen te zogen, verbreken zoveel in hen is, een heilige band van de natuur. Indien ziekte of iets anders haar verhindert, is er billijke reden voor verontschuldiging. Maar dat de moeders vrijwillig of uit gemakzucht zich van de moeite, om te zogen, ontslaan, zodat zij eigenlijk slechts half moeder zijn, is een schandelijke zaak.
II. Gen. 21 vers 8-21
Bij gelegenheid van een feest, dat Abraham op de dag van het spenen van Izaak aanrichtte, ziet Sara Ismaël met haar zoon spotten en eist, dat hij met zijn moeder wordt verwijderd. Abraham doet dit; daar God het hem uitdrukkelijk beveelt. Ismaël versmacht bij het doortrekken van de woestijn bijna van dorst. De Heere treedt tussenbeide en is ook verder met de jongen, die in de woestijn, waar zijn moeder met hem blijft, voorspoedig opgroeit.
8. En het kind werd groot, groeide voorspoedig op, en werd, naar de regel van die tijden op ongeveer zes- of zevenjarige leeftijd (1 Samuel 1:23 vv.) gespeend 1) van de moederborst afgenomen. Toen maakte Abraham, verheugd over de zegen Gods, een grote maaltijd 2) voor zijn knechten en vrienden, op de dag dat Izaak gespeend werd.
1) Het spenen had in de regel plaats op zes à zevenjarige leeftijd. Daarmee was het eerste tijdvak van het leven van een kind afgesloten. Het kwam dan onder het opzicht en de tucht van de vader.
2) Waarom maakte Abraham op die dag een grote maaltijd? Waarom niet op de dag van de besnijdenis of bij de geboorte? De reden is niet ver te zoeken. Ook gewis, omdat de dag van de besnijdenis te heilig was, maar bovenal, omdat Abraham nu volkomen in het bezit kwam van de zoon van de belofte. Tot dusver was Izaak nog altijd in de tent van de moeder geweest, nu komt hij onder het onmiddellijk opzicht van Abraham. Is het te verwonderen, dat hij nu zeer verblijd is en hij een grote maaltijd aanricht voor zijn huisgenoten? De Heere keurt deze daad goed, want de Schrift spreekt ervan als een zeer geoorloofde zaak. Nergens verbiedt de Heere het vieren van gezette tijden of de feestmalen; nergens de vrolijkheid, indien slechts alles Hem gewijd is.
9. En Sara zag bij deze gelegenheid de zoon van Hagar, de Egyptische dienstmaagd, die zij Abraham gebaard had, de nu reeds 16 of 17-jarige Ismaël, en hij was spottende; 1) hij veroorloofde zich bij het huiselijk feest spotachtige aanmerkingen; daar zijn nijd tegen de klein broeder, die hem evenals zijn moeder, reeds lang een doorn in het oog was, nu eerst recht te voorschijn kwam; duidelijk bemerkte hij toch nu, dat Abraham er thans niet meer aan dacht hem, de eerstgeborene, tot erfgenaam van zijn goederen te maken (hoofdstuk. 17:18).
1) Dit noemt de Heilige Schrift (Galaten. 4:29) “vervolgen”. Er is ook geen schandelijker en grievender vervolgen, dan het spotten. Dit is dubbel zondig, wanneer het gekeerd is tegen de kinderen van de belofte, de oogappels van God. Wie met het genadewerk Gods spot, spot niet met een mens, maar met God zelf. Het kan zijn, dat Ismaël met de naam Izaak gespot en daarom gelachen heeft.
De zonden en gebreken van de ouders (hoofdstuk. 16:4) blijven gewoonlijk de kinderen bij; daarom moeten ouders, bijzonder de moeders, in de tijd van de zwangerschap, wel toezien, dat zij zich niet met een zonde bevlekken, welke daarna de kinderen hun gehele leven aankleeft.
Wat moet er in haar ziel omgegaan zijn, als haar eigen zondige raad aldus op haar eigen hoofd terugviel. Vroeger, toen zij Abraham de omgang met Hagar aangeraden had, dacht zij er niet om, dat deze een Egyptische, een dochter van Cham was. Nu haar eigen Izaak met de zoon van de vreemdelinge dagelijks omging, dacht zij er wel terdege om en misschien ook aan de waarheid, door een later schriftwoord uitgedrukt: gij zult uw zonde kennen, als zij u zal vinden.
In dit spotten met Izaak tast Ismaël, in de grond van de zaak, God aan. Zijn spotten met Izaak is een spotten met de belofte Gods, welke in Izaak vlees was geworden. Ismaël is hier in het huis van Abraham de vertegenwoordiger van de onheilige wereld, die immer met God en Zijn volk spot.
Hij was een nakomeling van Cham. Het spotten kwam voort uit onbekendheid met en uit ongeloof aan het woord van God.
10. En zij zei, om verdere zaken van die aard (Galaten. 4:29) te voorkomen, die van bedenkelijke aard zouden kunnen worden (hoofdstuk. 4:3 vv.; 37:3 vv.) tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd, die wij nu kunnen ontberen, en haar eveneens overbodigen (hoofdstuk. 16:2) zoon uit; want de zoon van deze overmoedige (hoofdstuk. 16:4 vv.) dienstmaagd, die aan zijn moeder gelijkvormig is, zal waarop zij het toeleggen met mijn zoon, met Izaak, niet erven; 1) a) mijn zoon zal de enige erfgenaam zijn.
a) Galaten. 4:30
1) Zonder twijfel denkt Sara hier in deze eerste plaats aan de tijdelijke meer nog dan aan de geestelijke erfenis, welke Izaak beloofd was. God, de Heere, gebruikt echter ook deze begeerte van Sara, om daardoor Zijn eeuwige raad uit te voeren.
11. En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon, die hij toch reeds zo vele jaren als de erfgenaam van de goddelijken zegen beschouwd had (hoofdstuk. 17:18), en in wie hij zijn eigenvlees en bloed lief had.
Dat Abraham toornig werd is zeer goed te verklaren. De toon, waarop Sara gesproken zal hebben, zal ook niet liefelijk zijn geweest. Het was toch zijn kind, aan wie hij zich door tedere banden van het bloed voelde verbonden.
12. Maar God zei tot Abraham s’ nachts (vs.14) in een droom of gezicht: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen over de jongen 1) en over uw dienstmaagd, dat u thans geraden wordt beide te verwijderen; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem, 2) daar haar wil ditmaal met Mijn raadsbesluiten overeenkomt; want, 3) dit is Mijn raadsbesluit, in Izaak 4) a) zal uw zaad genoemd worden; hij, en niet Ismaël, zal de vader van het beloofde zaad zijn: (hoofdstuk. 17:19,21).
a) Rom.9:7 Hebr.11:18
1) Hoe fijn wordt hier de tedere liefde Gods getekend. Waar de Heere komt, om Abraham te dringen, naar de stem van zijn vrouw te horen, daar kwetst Hij niet, zoals zij, het vaderlijk gevoel van de vader van de gelovigen, noemt Ismaël niet verachtelijk, “de zoon van de dienstmaagd,” maar noemt hem met de tedere naam van “jongen”.
2) Ook datgene, wat ons als verwijt en op bitse toon toegeduwd wordt, kan in een reine schaal een edele kern van waarheid bevatten, die zelfs met Gods wil overeenstemt. Zo was het hier. God bekrachtigt Abraham als Zijn eigen wil, wat hij uit de mond van Sara zo niet graag gehoord had; en Abraham buigt zich in grote zelfverloochening onder de wil van God.
De stem van de vrouw, welke vroeger de man verleidde (Genesis 3:17; 16:2), is hier als de stem van God de stem van de Heilige Schrift. (Galaten. 4:30).
In een gezin kunnen dikwijls zaken voorkomen, waarin vele vrouwen veel wijzer zijn dan de mannen, waarom haar raadgevingen wel overwogen mogen worden. (1 Samuel 25:3,17).
3) Hier wordt de reden aangegeven, waarom Abraham Ismaël moet wegzenden. In Izaak zou de lijn van de belofte worden voortgezet, maar hier spreekt de Heere God het dan ook duidelijk uit, dat Hij Abraham daartoe dwingt, om Zichzelfs wille, en geenszins om daarmee de toorn of de drift van Sara goed te keuren.
4) In het Hebreeuws Bejitschak. Het voorzetsel heeft hier de betekenis van “naar.” De zin is dan deze, dat Izaak en niet Ismaël de stamvader van Abrahams ware nakomelingen zal zijn.
13. Doch Ik zal ook de zoon van deze dienstmaagd tot een volk stellen, gelijk Ik u reeds beloofd heb (Genesis 17:20), omdat hij uw zaad is; 1) gij behoeft u dus over de hardheid niet te beangstigen; gij moet om mijnentwil alles leren verlaten en verloochenen, en alleen bij Mijn woord leven.
1) Hoe smartelijk die maatregel voor Abraham is, toont vs.11. Maar de geloofsheld, die later Izaak kon offeren, moest thans ook Ismaël kunnen opofferen. Het werd hem echter gemakkelijker gemaakt door de belofte, dat zijn verwijdering tot zijn verheffing zou leiden, en dat Gods raadsbesluit over Izaak slechts door deze verwijdering tot werkelijkheid kon komen. Lot werd verwijderd van Abraham, Ismaël van Izaak, Ezau van Jakob, later nog de tien stammen van Juda, eindelijk de ongelovige Joden van het overblijfsel naar de verkiezing van de genade (Rom.10; Galaten. 4) Romeinen. Ook in de Christelijke kerk heeft men de voortzetting van die afzondering. Overigens zijn in het Nieuwe Verbond de meeste Joden afgezonderden geworden, gelijk Ismaël, vele Ismaëlieten daarentegen erfgenamen van Abrahams geloof.
Met dit laatste woord, doet de Heere God een zoete druppel in de lijdensbeker van zijn knecht. Al zal Ismaël niet delen in de geestelijke zegeningen van het verbond; de tijdelijke zullen hem niet onthouden worden. God verzekert hier tevens aan Abraham, dat, als diens oog hem niet meer zal zien, Zijn oog op hem gevestigd zal blijven. Aan de zorg en hoede Gods heeft Abraham Ismaël voortaan alleen toe te vertrouwen.
14. Toen stond Abraham, daar hij wist, wat in deze zaak Gods wil was, ‘s morgens vroeg op 1) en nam brood en een fles water, 2) tot teerkost voor de moeilijke reis door de woestijn, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind en zond haar weg. 3) En zij ging voort in de richting naar haar land, naar Egypte, doch miste spoedig de rechte weg, en dwaalde in de woestijn, die zuidelijk van Berséba (zeven-bron, bron van de eed) de plaats van waar zij was heengegaan, gelegen was.
1) Hoe diep een wonde ook in de heilige man was geslagen door de uitwerping van zijn zoon uit de dubbele vertroosting, waarmee God de smart verzacht, mag hij moed vatten. Hij zendt zijn zoon weg, niet anders, alsof hij zijn eigen ingewanden uitrukt. Maar gewoon om God te gehoorzamen, onderdrukt hij zijn vaderlijke liefde, welke hij niet geheel kan afleggen. Dit is echter het ware bewijs van geloof en vroomheid, dat, wanneer de gelovigen gedwongen worden zich te verloochenen, zij ook de eerste natuurlijke neigingen, die op zichzelf noch slecht, noch misdadig zijn, overgeven aan de wil van God. Het is aan geen twijfel onderhevig, of hij is de gehele nacht met vele zorgen gekweld geweest; heeft met zichzelf op onderscheidene manieren geworsteld, en is door vele pijnlijke gedachten bestormd. Hij stond echter ‘s morgens vroeg op, opdat hij het verlies van zijn kind zou bespoedigen, daar hij weet, dat God het wilde.
2) Waarom zo weinig? Waarom legde hij bij het Hagar op de schouder? Men heeft Abraham van onbarmhartigheid beschuldigd, dat hij haar zo weinig meegaf, en dat hij haar en Ismaël liet gaan zonder geleide. Men vergete echter niet, dat hij haar haar vrijheid teruggaf, en het kan zeer goed zijn, dat het zijn bedoeling geweest is, dat zij zich niet ver van zijn tent zou verwijderen. Wellicht heeft hij gehoopt en ook gedacht, dat zij zich in Kanaän met haar kind zou blijven vestigen en onder de naburen een veilige wijkplaats zou vinden.
3) Slechts door dit verstoten kon het onderscheid tussen de zoon van de genade en de zoon van de natuur bepaald te voorschijn treden; dat dit geschiedde, daaraan is in onze geschiedenis alles gelegen. Nadat dit onderscheid genoegzaam openbaar geworden is, mag Ismaël later ook weer meer nabij komen (hoofdstuk 25:9), en van het goed van zijn rijke vader genieten (hoofdstuk. 2:6)
15. Als nu het water van de fles uit was, zo wierp zij het kind, 1) de knaap, die van de lange vermoeiende reis geheel afgemat was, en bijna van dorst versmachtte, onder een van de struiken; zij legde hem, nadat zij hem lang met veel moeite had voortgesleept, onder een struikgewas neer.
1) Het heeft de schijn, alsof er van een klein kind gesproken wordt: maar een afgematte knaap van 16 jaar, die het gevaar van de woestijn niet kent, wordt voor de beangstigde moeder een arm kind. De uitdrukking: “zij wierp hem” betekent, dat zij hem met aandoening van droefheid en wanhoop, nadat zij hem lang had voortgesleept, snel liet neerzijgen, alsof zij hem tot sterven had neergelegd en dan van hem wegsnelde met het gevoel, dat zij hem opgeofferd heeft. Een reeks van schone trekken van beangstigde moederliefde, ontdekken wij hier. Zij legt haar zoon onder de beschermende schaduw van een struik: zij gaat snel van hem weg; zij zet zich op enige afstand van hem, daar zij hem niet kan zien sterven en evenmin verlaten, en zij weent luid. Zo moest ook Ismaël worden opgeofferd (vs.13), gelijk later Izaak. Door deze nood werd hij gewijd tot een zoon en koning van de woestijn met zijn toekomstig geslacht. Spoedig moest Hagar ook de Oase ontdekken, welke een levensvoorwaarde is voor de woestijnbewoners.
16. En zij ging en zette zich tegenover, afgaande zo verre, als die met de boog schieten; want zij zei: Dat ik het kind niet zie sterven daarom ga ik uit zijn nabijheid; en zij zat tegenover hem, daar haar gevoel haar niet toeliet zich geheel van hem te verwijderen (Jesaja 49:15), en hief haar stem op, en weende.
17. En God hoorde 1) de stem van de jongen, 2) die zich verenigde met de klachten van de moeder; en de Engel Gods, die haar reeds vroeger in de woestijn ontmoet had (hoofdstuk.16:7 vv.), riep Hagar toe uit de hemel, en zei tot haar: Wat is u, Hagar, 3) dat gij moedeloos zijt en niet denkt aan Mij, die u te voren heb aangenomen, en Mijn beloften heb gegeven omtrent deze zoon? Vrees niet 4) want God heeft naar de stem van de jongen reeds gehoord, ter plaatse, waar hij is, 6) in zijn ellendige toestand.
1) Ook onder het struikgewas verborgen, heeft God hem gehoord en verhoord. God is niet in de hemel opgesloten, de eenzaamste en meest verlatene hoort Hij, waar die ook moge zijn.
“God hoorde.” Het is duidelijk, dat Ismaël geroepen heeft; als moeten wij aannemen, dat het slechts een verstandelijk roepen was. De Heere, die let op de stem van de jonge raven, hoorde ook naar hem. Echter niet, omdat Ismaël het verdiende, noch omdat zijn moeder het waardig was, maar om Zichzelfs wille, daar Hij aan Abraham Zijn belofte, omtrent Hagar’s zoon, gegeven had.
2) “De jongen.” Hier en in vs.18 en 20, telkens “de jongen,” niet “Ismaël.” De naam wordt ongetwijfeld met opzet verzwegen door de Schrijver, daar het de naam is van de erfvijand van Israël.
3) “Wat is u Hagar?” Ongetwijfeld een woord van bemoediging, maar in de eerste plaats een woord, hetwelk moet dienen, om haar haar ondankbaarheid aan te duiden en tevens haar ongeloof. Want niet alleen Abraham, maar ook zij heeft de belofte ontvangen. Hagar’s wenen en alles, wat ons hier van haar gezegd wordt, is een bewijs, hoe voor een onbekeerde de beloften Gods in de grond van de zaak geen kracht hebben. Dezelfde belofte doet Abraham de zaak in Gods handen geven, en is voor Hagar als een ijdel niets. De belofte heeft dan ook alleen waarde voor het geloof.
4) “Vrees niet.” Hiermee wil God in haar beangstigd en verslagen gemoed, de hoop op behoud wekken.
5) “Ter plaatse waar hij is.” Wat betekent dit? Wil God Hagar daarmee zeggen, dat, al is hij niet meer in Abrahams tent, God toch nog zijn leidsman is? Of wil Hij haar daarmee zeggen, dat, al heeft zij hem ook onder de boom geworpen, Hij toch niet ver van hem was? Wij geloven het eerste, maar zien daarin tevens een wenk voor Hagar, om naar hem terug te keren, opdat de Heere haar daar de bron wijze, die haar uit de angst en de moeite zal redden. Niet op een afstand van haar zoon, maar in zijn nabijheid was haar plaats.
18. Sta alzo, daar reeds voor u gezorgd is, met moed op, hef de jongen, die gij als verloren hebt neergelegd, weer op, en houd hem vast met uw hand, a) want Ik zal Mijn hand op hem leggen en hem tot een groot volk stellen.
a) Genesis 16:10; 17:20
Bij de jongen was haar plaats, daar zou God haar ogen openen. Belangrijke wenk voor alle gelovigen dat de Heere God in de rechte weg alleen een zegen geeft, èn op tijdelijk èn op geestelijk gebied.
19. En God opende haar ogen, dat zij een waterput zag 1) die zij te voren in haar smart niet had opgemerkt, gelijk dan ook de kunstig gegraven putten in de woestijn door de eigenaars zoveel mogelijk met zand worden verborgen, zodat er kennis toe vereist wordt om deze te vinden; en zij ging, en vulde de fles met water, en gaf de jongen te drinken. Nu zette zij haar reis niet naar Egypte voort, maar kwam op een bewoonbare plaats van de woestijn Kades.
1) Waar God ons Zijn genadige leiding onthoudt, daar zijn wij van alle hulpmiddelen, die voor de hand liggen, zo geheel beroofd, alsof zij ver van ons waren. Bidden wij Hem daarom niet slechts, dat Hij ons het verstand geve, om ze te gebruiken; anders gebeurt het, dat wij midden tussen bronnen met gesloten ogen versmachten.
De Heere had voor Hagar uitkomsten bereid, maar Hij moest haar ook de ogen openen, om die uitkomsten te genieten. Waar de Heere beloften en zegeningen schenkt, maar het rechte licht onthoudt, daar geven die beloften en zegeningen niet, wat zij kunnen zijn voor het gelovige hart. Hagar is hier het beeld van de zondaar, die ontdekt wordt aan het heil, in Christus, voor alle Gods kinderen bereid; maar ook van de gelovige, die van de heilsweldaden een recht gebruik maakt.
Een christen mag op zijn weg de moed niet verliezen; ontbreekt de geloofsmoed, dan is er grote schade; maar de Heere laat de Zijnen niet in moedeloosheid wegzinken.
20. En God was met de jongen, 1) en hij werd groot, een krachtig man, en hij woonde, daar dit met zijn natuur overeen kwam, in de woestijn, en werd, alsof wat zijn moeder deed, toen hij van dorst scheen om te komen (vs.16), een voorspelling van zijn later leven was geweest, een boogschutter.
1) Op bijzondere wijze was de Heere God met Ismaël. Weliswaar op tijdelijk gebied, maar toch, hij was meer dan de andere volkeren een voorwerp van Zijn bijzondere zorg, daar hij een zoon van Abraham was. Ismaël heeft heel zijn leven ondervonden, dat er voor hem beloften Gods lagen.
21. En hij woonde, dit veld van zijn werkzaamheden steeds uitbreidende en het woord des Heren, (hoofdstuk. 16:12) ) vervullende, in de woestijn Paran (landstreek vol van holen), die aan de zuidelijke grenzen van Kanaän tot aan de woestijn Sur voortloopt, en ten zuiden tot aan het voorgebergte van Horeb zich uitstrekt; en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland. 1)
1) Hierdoor wordt het heidense beginsel versterkt. De Ismaëlitische Arabieren zijn dus volgens hun oorsprong uit een dubbele vermenging van Hebreeuws en Egyptisch bloed voortgekomen: blijmoedige geestdrift is in een kluizenaarsachtige en dromerige wereldbeschouwing weggezonken.
Zie de verdere geschiedenis van Ismaëls geslacht in hoofdstuk. 25:12-18.
III. Gen. 21 vers 22-34
Abimelech, bewogen door de goddelijke zegen, die Abraham vergezelt, zoekt een verbond met hem te sluiten. Abraham beklaagt zich over een waterput, die Abimelech’s knechten genomen hadden en ontvangt die terug. Daarop sluit hij het verbond met de koning van de Filistijnen en richt alles tot een langer verblijf te Berséba in.
22. Voorts geschiedde het terzelfder tijd, in welke Izaak gespeend en Ismaël verwijderd werd (vs.8-19) dat Abimelech (reeds in hoofdstuk. 20:1 vv. vermeld) bovendien Pichol (mond van allen, d.i. die over allen beveelt) zijn krijgsoverste, die hij meegebracht had, tot Abraham sprak, hem te Berséba bezoekende, zeggende: God is met u in alles wat gij doet, 1) gelijk ik reeds lang heb opgemerkt.
1) De zegen Gods, die op Abraham rustte, vervulde ook de koning van de Filistijnen met eerbied. Ziedaar een afschaduwing van de zegen, die ook in de dagen van de oude bedeling van het volk een gedeelte van het eigendom op de heidenen overging.
23. Zo zweer mij nu hier bij God: zo gij mij of mijn zoon, of mijn neef liegen zult, 1) ontrouw zult bewijzen of vijandig zijn! naar de weldadigheid, die ik bij u gedaan heb, toen ik u met rijke geschenken liet heengaan en u een vrij verblijf in mijn land toestond (hoofdstuk. 20:14 vv.), zult gij doen bij mij, en bij het land waarin gij als vreemdeling verkeert.
1) “Zo gij mij liegen zult.” De bedoeling is: Zo gij mij met ontrouw zult behandelen, moge God die ontrouw wreken. Bij de Hebreeën was het dikwijls de gewoonte, om een eedsformulier slechts ten halve uit te spreken (zie Ge 14.23). In deze handeling van Abimelech ligt opgesloten, dat hij ervan overtuigd is, dat Abraham eenmaal zeker het land bezitten zal.
24. En Abraham zei: Ik zal zweren; ik verklaar mij bereid volgens uw wil te doen.
25. Doch Abraham, opdat alles vóór hij zwoer, recht tussen hem en de koning zou zijn, berispte Abimelech ter oorzake van een waterput, 1) die Abimelech’s knechten met geweld genomen hadden.
1) In die streken, die zo arm aan water zijn, is het bezit van een eigen put van groot belang (Spreuken. 5:15-17); daarom was het ontnemen van een door hem met moeite gegraven put een groot verlies voor Abraham. Wij zien ‘s mans oprechtheid, dat hij eerst deze zaak wil uit de weg geruimd zien, voordat hij met aanroeping van des Heren naam een verbintenis sluit.
26. Toen zei Abimelech: Ik heb niet geweten, wie dit stuk gedaan heeft; en ook hebt gij het mij niet aangezegd, en ik heb er ook niet van gehoord, dan heden, anders ware u de put reeds lang weer teruggegeven; nu zij het hiermee door mij gedaan.
27. En Abraham nam schapen en runderen, en gaf die aan Abimelech, om hem hierdoor zinnebeeldig van zijn trouw voor de toekomst te verzekeren; en die beiden maakten een verbond. Zo was het ook nog in latere tijd gewoonte, door het aanbieden van geschenken, een verbond te sluiten of te vernieuwen (1 Koningen 15:19 Jesaja. 30:6 ).
28. Doch Abraham stelde, behalve de runderen en schapen, die hij reeds ten geschenke gegeven had, zeven ooilammeren uit de kudde bijzonder, afgezonderd van de anderen.
29. Zo zei Abimelech, die zich daarvan geen verklaring wist te geven, tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die gij bijzonder gesteld hebt?
30. En hij zei: Dat gij de zeven ooilammeren van mijn hand nemen zult, opdat het bij u en uw onderdanen tot een getuigenis zij, dat, gelijk gij uitdrukkelijk door het aannemen van deze lammeren erkent, ik deze put gegraven heb, en alzo het eigendomsrecht daarvan bezit.
31. Daarom noemde men die plaats, waar dit geschiedde, Berséba 1) (zeven-bron, of put van de eed), omdat die beiden daar gezworen hadden.
1) Zweren heet in het Hebreeuws “zevenen”. Het heilig getal zeven was van oudsher het getal van het verbond van God met de mensen, als de vereniging van het goddelijk getal drie, met het aardse getal vier; reden waarom het juist bij godsdienstige verordeningen zo menigmaal wordt herhaald. (Zeven dagen vormen de week; na zeven dagen heeft de besnijdenis plaats). Het schijnt, dat dit getal ook als zinnebeeld werd gebezigd bij het afleggen van plechtige eden, en dat het eed zweren daarvan zijn naam ontleende. Het later als zuidelijke grenspaal bekende Berséba moest dus aan de eed herinneren.
“Toen wij (van het zuiden naar het noorden) verder voorttrokken, hield het losse zand op, en het land deed meer gras met kruid vermengd aanschouwen. Wij doorkruisten daarna de bedding van de Wady-el-Murtubeh, een brede strook land, die de sporen van veel water deed zien. Enige uren later bereikten wij de Wady-es-Scheba, het brede waterbed van een stroom, die slechts ‘s winters vloeit; aan de noordzijde, dicht bij zijn oever, liggen twee diepe putten, die nog altijd Bir-es-Scheba heten; beide hebben overvloed van helder en voortreffelijk water. De bouwvallen zijn hier over een oppervlakte van een kwartier gaans, langs de noordelijke zijde van de waterbedding, verspreid.”
32. Alzo maakten zij, naar het verlangen van de koning, een verbond te Berséba. Daarna stond Abimelech op en Pichol, zijn krijgsoverste, en zij keerden wederom naar het land van de Filistijnen.
33. En hij, Abraham, plantte een bos 1) in Berséba, daar hij na het gesloten verbond met de vorst van dat land, hier langer en vreedzaam dacht te wonen; en riep aldaar de naam des HEREN, de eeuwige God, aan. 2)
1) Hebr. “een tamarisk”, een boom bijna zo hoog als een eik, in Syrië en Egypte algemeen, en bruikbaar tot werk- en brandhout. Dat Abraham een bos plantte, is bewijs, dat er voor de aartsvader een tijd van rust, van rustig wonen aanbreekt.
2) Hoe meer Abraham de Heere leert kennen, des te meer worden de eigenschappen Gods gekend. Gelijk Elohiem (God) zich hem geopenbaard heeft als Jehova (Verbondsgod), zo betoont zich weer Jehova als Elohiem in hogere zin. God, de verhevene is zijn Verbondsgod;
God, de Almachtige doet wonderen voor hem; God, de eeuwige bevestigt zich aan hem in Zijn eeuwige trouw.
Luther vertaalt: “en predikte aldaar de naam, enz.” Abraham roept aan en predikt de naam des Heren. Het een is van het andere niet te scheiden. Het levendig gebed moet vrucht brengen in de verkondiging; de levende verkondiging moet zijn wortel hebben in het gebed.
“En riep de naam des HEREN, de eeuwige God, aan.” “De Heere aanroepen” betekent: des Heren naam prijzen. Dit lezen wij verscheidene malen van de aartsvader. Hier echter heeft het nog een bijzondere betekenis. Deze daad heeft een tweeledig doel. Allereerst, om daarmee God te danken voor de rust, die hem geschonken is, en ten tweede wil Abraham daarmee aan Abimelech tonen, dat hij zijn veiligheid en bescherming niet verwacht in de eerste plaats van het verbond, dat tussen hem en de koning van Gerar is gesloten, hoewel hem dit niet onverschillig is, maar van zijn God, die hier daarom ook de eeuwige God wordt genoemd.
34. En Abraham woonde als vreemdeling 1) vele dagen in het land van de Filistijnen, tot hij later weer naar Hebron ging (hoofdstuk. 23).
1) Mozes roemt van Abraham drie heilige werken: dat hij gearbeid, gepredikt en zijn lange vreemdelingschap geduldig gedragen heeft.
Hier wordt gezegd, dat Abraham in dit land als vreemdeling verkeerde, terwijl hij er toch zijn vaste verblijfplaats had. Waarom? Opdat wij zouden weten, dat hij niet zó opging in de rust, of altijd dacht hij nog aan het woord des Heren, dat hij met zijn nakomelingen tot de 400 jaar vervuld zouden zijn, een bijwoner zou zijn.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel
Ter overdenking
De oneindige Heere acht Zich niet te verheven om ook de kleinste dingen te doen. Hij telt de sterren, maar Hij telt ook de haren op ons hoofd. Bedenk dat dezelfde God die de wereld waarop wij wonen heeft gevormd, ook iedere dauwdruppel vormt. Hij die de bliksem door de hemel doet schieten, geeft ook vleugels aan iedere vlinder en leidt elk visje in de beek. Hij bereidde een grote vis om Jona te verzwelgen, maar ook een klein wormpje om de wonderboom te verdorren. Hoe diep buigt Hij Zich neer! Met dezelfde zorg waarmee Hij het grote bestuurt, heeft Hij ook oog voor de kleinste dingen in het leven van Zijn kinderen. Hij slacht niet alleen het gemeste kalf voor hen, maar trekt hun ook de schoenen aan de voeten.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Genesis 21
Genesis 21:19.KruisverwijzingenNumeri 22:31→Jesaja 35:5→Lukas 24:16→2 Koningen 6:17→
— En God opende haar ogen, dat zij een waterput zag; en zij ging, en vulde de fles met water, en gaf den jongen te drinken.
“En God opende haar ogen.” Dezelfde God die de Rode Zee splijt en de Jordaan doet opdrogen, opent ook de ogen van een arme vrouw. Dezelfde God die met al Zijn vurige strijdwagens naar Paran kwam en met al Zijn heiligen naar de Sinaï, en de berg geheel deed roken door Zijn tegenwoordigheid, is Degene van Wie wij lezen: “En God opende haar (dat is Hagar) ogen.” Door de ogen van Hagar te openen, verzekerde God het voortbestaan van het Ismaëlitische volk, dat tot op de dag van vandaag bestaat. Uit het kleine komt het grote voort.
Misschien zijn er mensen die nog maar één ding nodig hebben om het eeuwige leven binnen te gaan: dat hun ogen worden geopend. Moge de Heere hun die genade schenken! O, dat Hij ook nu menige Hagar Zijn heil zou tonen! Waarom zouden dorstige zielen nog langer wachten? Alles is gereed. Zij staan aan de drempel van het heil; alleen hun ogen moeten nog worden geopend.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
ISAAK’S GEBOORTE. VERWIJDERING VAN ISMAËL. ABRAHAMS VERBOND MET ABIMELECH.
I. Gen. 21 vers 1-7
Spoedig, nadat Sara door Abimelech vrijgelaten is, wordt zij van Abraham zwanger en baart op de door God aangekondigde tijd, een zoon, die Izaak genoemd en op de achtste dag besneden wordt.
1. 1) En de HEERE, wiens woord waarachtig en getrouw is (Psalm. 33:4, Numeri. 23:19, bezocht 2) Sara, nam haar natuurlijke onvruchtbaarheid weg, en gaf aan haar reeds verstorven lichaam de kracht weer om te ontvangen en te baren, gelijk als Hij, bij de in hoofdstuk. 18 vermelde verschijning, gezegd had (vs.10,14): en de HEERE deed aan Sara, gelijk als Hij, niet slechts toen, maar ook reeds vroeger tot Abraham (hoofdstuk. 17:19) gesproken had.
1) Abraham was van Gerar met zijn vrouw naar Berséba getrokken en had daarheen ook zijn kudden laten komen, die vroeger tussen Kades en Sur weidden. (hoofdstuk. 20:1).
2) “Bezocht Sara.” Hiermee doet de Heilige Schrift het nog eens duidelijk uitkomen, dat de ontvangenis en geboorte van Izaak een bijzonder werk van de Almachtige God was en vrucht van het Verbond, dat met Abraham was opgericht. Niet God (Elohiem), maar de Heere (Jehova) bezocht haar. Daarom volgt er ook onmiddellijk: “gelijk als Hij gezegd had.” Dat bezoeken was: mogelijk maken, wat beloofd was en gesproken.
2. En Sara werd ten gevolge van deze bovennatuurlijke bekwaammaking Gods (Hebr.11:11) bevrucht, a) en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom nadat hij 25 jaar lang op dit beloofde kind had moeten wachten, en wel baarde zij hem ter gezetter tijd, die hem God gezegd had, 1) een jaar na de beide openbaringen (hoofdstuk. 17:21en 18:10,14).
a) Galaten. 4:23
1) Mozes is hier zeer rijk in woorden, om te noemen de grote en rijke vreugde van de aartsvader, die na zoveel droefheid niet alleen een veilige verblijfplaats en een goedertieren koning gevonden heeft; maar ook wordt Sara zwanger en baart hem de erfgenaam van de belofte. Wat tot hiertoe door hem gehoopt en geloofd was, is nu werkelijk aanwezig; de belofte is, om zo te spreken, mens geworden en geboren.
Met de geboorte van Izaak komt een nieuw hoofdpunt in de geslachtslijn van het beloofde zaad. De goddelijke genade en almacht toonde hier bij het nieuwe aanvangspunt van de beloofde lijn, wat zij op oneindig hoger en heerlijker wijze bij het slotpunt daarvan kon en wilde doen. Isaak’s wonderbare geboorte uit het onvruchtbaar en verstorven lichaam is een voorbeeld van de geboorte van Christus uit een maagd.
De bijvoeging “in zijn ouderdom” geschiedt uitdrukkelijk, opdat Isaak’s geboorte voor alle eeuwen een wondervolle geboorte zou zijn, en opdat daardoor de ere Gods zou worden groot gemaakt.
3. En Abraham noemde de naam van zijn zoon, die hem geboren was, die hem Sara gebaard had, naar het woord des Heren (hoofdstuk. 17:19) Izaak (men lacht). 1)
1) Hij ontving de naam, die minder edel schijnt, dan die van Hagar’s zoon, Ismaël (God hoort) (hoofdstuk. 16:11,15). Toch waren in Ismaël slechts menselijke wensen verhoord geworden; de naar een menselijke zwakheid (hoofdstuk. 17:17; 18:12) genoemde Izaak is daarentegen met deze naam een juist beeld van het van hem afstammend volk, dat door zijn geloof en zijn wet, door zijn nauwkeurige plechtigheden en strenge afzondering van de overige volken, dikwijls een spot van de mensen en van de volkeren geweest is, maar waaruit het heil van de wereld voortkomen zou. (Johannes 4:22).
4. En Abraham besneed zijn zoon Izaak, zijnde acht dagen 1) oud, gelijk als hem God (hoofdstuk. 17:11,12) geboden had. 2)
1) Izaak is de eerste, die op de achtste dag besneden werd; bij hem werd de besnijdenis eerst recht van kracht, gelijk de vervulling en het einde ook van deze wet in Christus gekomen is.
Het zal ongetwijfeld voor Abrahams gevoel een harde zaak zijn geweest, aan Izaak, acht dagen na zijn geboorte, de besnijdenis te verrichten. Maar Gods Woord staat bij hem hoger, dan al wat van de aarde is, dan het liefste wat hij bezit. Hij wordt echter tevens gesterkt door de overtuiging, dat, door de besnijdenis, Izaak de Verbondsbelofte deelachtig wordt.
5. En Abraham was honderd jaar oud, toen hem Izaak, zijn zoon, geboren werd (2108 na de wereldschepping; 1792 vóór Christus).
Wederom wordt gemeld, dat aan Abraham op hoge leeftijd Izaak geboren werd, opdat het diep in het geheugen zou worden geprent.
6. En Sara, die vroeger, ongelovig aan de Goddelijke belofte, gelachen had (hoofdstuk. 18:12) zei thans bij de vervulling daarvan: God heeft mij, tot vergelding van mijn lachen, 1) een lachen gemaakt; al, die het hoort, dat ik nog op zo hoge ouderdom gebaard heb, zal met mij, de oude moeder, lachen 2) om mij geluk te wensen.
1) Het is goed, dat Sara haar vroeger ongeloof belijdt en zich daarover schaamt.
2) Bij het lachen van Abraham en Sara komt nog een derde lachen. Behalve het lachen van de vreugde van het geloof en het lachen van het kleingelovig twijfelen, treft dat van verwondering of van de spot van de wereld, de zoon van de belofte, evenals alle kinderen van de belofte.
7. Voorts zei hij in dichterlijke rede: Welaan, laat de mensen lachen, ik lach ook, daar de Heere mij gedaan heeft, wat boven alle menselijk begrip gaat. Wie van de mensen zou Abraham gezegd hebben: 1) Sara heeft zonen gezoogd!2) want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom; nu echter moeten zij het elkaar verhalen en alzo lofredenaars worden van de buitengewone dingen, die de Heere aan mij gedaan heeft.
1) Wat onmogelijk is bij de mensen, is mogelijk bij God. Wacht op de Heere, gij vromen! hoe onmogelijk uw redding ook schijnt! God volbrengt zijn belofte, al duurt het ook lang, al is bij de mens alle hoop vervlogen; want een afgesneden zaak doet Hij op aarde.
2) Sara zoogde haar kind, hoewel zij een voorname vrouw, een vorstin was; dat eist het recht van de natuur, daar God de borsten daartoe gegeven en met melk gevuld heeft. De Heilige Schrift noemt het kinderen baren en zogen als twee verplichtingen van een moeder (Luk.11:27; 23:29; Romeinen Psalm. 22:10). Zo worden ook deze beide onder de weldaden van de grote God gerekend (Genesis 49:25), gelijk het ook een straf was, wanneer God onvruchtbare lichamen en verdroogde borsten gaf (Hos.9:11,14).
Van vreugde spreekt Sara van meerdere zonen, hoewel zij slechts een gebaard heeft, die een is haar zoveel als tien zonen.
Ondertussen moet men er op letten, dat Sara niet alleen haar kind het leven heeft geschonken, maar het ook gezoogd heeft. Want de Heere bereidt niet tevergeefs voor de kinderen, reeds eer zij geboren worden, in de moederborst hun voedsel. Wie Hij de eer van moeder te worden schenkt, die stelt Hij ook in staat voedster te zijn. En wie er bezwaar in vinden hun eigen kinderen te zogen, verbreken zoveel in hen is, een heilige band van de natuur. Indien ziekte of iets anders haar verhindert, is er billijke reden voor verontschuldiging. Maar dat de moeders vrijwillig of uit gemakzucht zich van de moeite, om te zogen, ontslaan, zodat zij eigenlijk slechts half moeder zijn, is een schandelijke zaak.
II. Gen. 21 vers 8-21
Bij gelegenheid van een feest, dat Abraham op de dag van het spenen van Izaak aanrichtte, ziet Sara Ismaël met haar zoon spotten en eist, dat hij met zijn moeder wordt verwijderd. Abraham doet dit; daar God het hem uitdrukkelijk beveelt. Ismaël versmacht bij het doortrekken van de woestijn bijna van dorst. De Heere treedt tussenbeide en is ook verder met de jongen, die in de woestijn, waar zijn moeder met hem blijft, voorspoedig opgroeit.
8. En het kind werd groot, groeide voorspoedig op, en werd, naar de regel van die tijden op ongeveer zes- of zevenjarige leeftijd (1 Samuel 1:23 vv.) gespeend 1) van de moederborst afgenomen. Toen maakte Abraham, verheugd over de zegen Gods, een grote maaltijd 2) voor zijn knechten en vrienden, op de dag dat Izaak gespeend werd.
1) Het spenen had in de regel plaats op zes à zevenjarige leeftijd. Daarmee was het eerste tijdvak van het leven van een kind afgesloten. Het kwam dan onder het opzicht en de tucht van de vader.
2) Waarom maakte Abraham op die dag een grote maaltijd? Waarom niet op de dag van de besnijdenis of bij de geboorte? De reden is niet ver te zoeken. Ook gewis, omdat de dag van de besnijdenis te heilig was, maar bovenal, omdat Abraham nu volkomen in het bezit kwam van de zoon van de belofte. Tot dusver was Izaak nog altijd in de tent van de moeder geweest, nu komt hij onder het onmiddellijk opzicht van Abraham. Is het te verwonderen, dat hij nu zeer verblijd is en hij een grote maaltijd aanricht voor zijn huisgenoten? De Heere keurt deze daad goed, want de Schrift spreekt ervan als een zeer geoorloofde zaak. Nergens verbiedt de Heere het vieren van gezette tijden of de feestmalen; nergens de vrolijkheid, indien slechts alles Hem gewijd is.
9. En Sara zag bij deze gelegenheid de zoon van Hagar, de Egyptische dienstmaagd, die zij Abraham gebaard had, de nu reeds 16 of 17-jarige Ismaël, en hij was spottende; 1) hij veroorloofde zich bij het huiselijk feest spotachtige aanmerkingen; daar zijn nijd tegen de klein broeder, die hem evenals zijn moeder, reeds lang een doorn in het oog was, nu eerst recht te voorschijn kwam; duidelijk bemerkte hij toch nu, dat Abraham er thans niet meer aan dacht hem, de eerstgeborene, tot erfgenaam van zijn goederen te maken (hoofdstuk. 17:18).
1) Dit noemt de Heilige Schrift (Galaten. 4:29) “vervolgen”. Er is ook geen schandelijker en grievender vervolgen, dan het spotten. Dit is dubbel zondig, wanneer het gekeerd is tegen de kinderen van de belofte, de oogappels van God. Wie met het genadewerk Gods spot, spot niet met een mens, maar met God zelf. Het kan zijn, dat Ismaël met de naam Izaak gespot en daarom gelachen heeft.
De zonden en gebreken van de ouders (hoofdstuk. 16:4) blijven gewoonlijk de kinderen bij; daarom moeten ouders, bijzonder de moeders, in de tijd van de zwangerschap, wel toezien, dat zij zich niet met een zonde bevlekken, welke daarna de kinderen hun gehele leven aankleeft.
Wat moet er in haar ziel omgegaan zijn, als haar eigen zondige raad aldus op haar eigen hoofd terugviel. Vroeger, toen zij Abraham de omgang met Hagar aangeraden had, dacht zij er niet om, dat deze een Egyptische, een dochter van Cham was. Nu haar eigen Izaak met de zoon van de vreemdelinge dagelijks omging, dacht zij er wel terdege om en misschien ook aan de waarheid, door een later schriftwoord uitgedrukt: gij zult uw zonde kennen, als zij u zal vinden.
In dit spotten met Izaak tast Ismaël, in de grond van de zaak, God aan. Zijn spotten met Izaak is een spotten met de belofte Gods, welke in Izaak vlees was geworden. Ismaël is hier in het huis van Abraham de vertegenwoordiger van de onheilige wereld, die immer met God en Zijn volk spot.
Hij was een nakomeling van Cham. Het spotten kwam voort uit onbekendheid met en uit ongeloof aan het woord van God.
10. En zij zei, om verdere zaken van die aard (Galaten. 4:29) te voorkomen, die van bedenkelijke aard zouden kunnen worden (hoofdstuk. 4:3 vv.; 37:3 vv.) tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd, die wij nu kunnen ontberen, en haar eveneens overbodigen (hoofdstuk. 16:2) zoon uit; want de zoon van deze overmoedige (hoofdstuk. 16:4 vv.) dienstmaagd, die aan zijn moeder gelijkvormig is, zal waarop zij het toeleggen met mijn zoon, met Izaak, niet erven; 1) a) mijn zoon zal de enige erfgenaam zijn.
a) Galaten. 4:30
1) Zonder twijfel denkt Sara hier in deze eerste plaats aan de tijdelijke meer nog dan aan de geestelijke erfenis, welke Izaak beloofd was. God, de Heere, gebruikt echter ook deze begeerte van Sara, om daardoor Zijn eeuwige raad uit te voeren.
11. En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon, die hij toch reeds zo vele jaren als de erfgenaam van de goddelijken zegen beschouwd had (hoofdstuk. 17:18), en in wie hij zijn eigenvlees en bloed lief had.
Dat Abraham toornig werd is zeer goed te verklaren. De toon, waarop Sara gesproken zal hebben, zal ook niet liefelijk zijn geweest. Het was toch zijn kind, aan wie hij zich door tedere banden van het bloed voelde verbonden.
12. Maar God zei tot Abraham s’ nachts (vs.14) in een droom of gezicht: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen over de jongen 1) en over uw dienstmaagd, dat u thans geraden wordt beide te verwijderen; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem, 2) daar haar wil ditmaal met Mijn raadsbesluiten overeenkomt; want, 3) dit is Mijn raadsbesluit, in Izaak 4) a) zal uw zaad genoemd worden; hij, en niet Ismaël, zal de vader van het beloofde zaad zijn: (hoofdstuk. 17:19,21).
a) Rom.9:7 Hebr.11:18
1) Hoe fijn wordt hier de tedere liefde Gods getekend. Waar de Heere komt, om Abraham te dringen, naar de stem van zijn vrouw te horen, daar kwetst Hij niet, zoals zij, het vaderlijk gevoel van de vader van de gelovigen, noemt Ismaël niet verachtelijk, “de zoon van de dienstmaagd,” maar noemt hem met de tedere naam van “jongen”.
2) Ook datgene, wat ons als verwijt en op bitse toon toegeduwd wordt, kan in een reine schaal een edele kern van waarheid bevatten, die zelfs met Gods wil overeenstemt. Zo was het hier. God bekrachtigt Abraham als Zijn eigen wil, wat hij uit de mond van Sara zo niet graag gehoord had; en Abraham buigt zich in grote zelfverloochening onder de wil van God.
De stem van de vrouw, welke vroeger de man verleidde (Genesis 3:17; 16:2), is hier als de stem van God de stem van de Heilige Schrift. (Galaten. 4:30).
In een gezin kunnen dikwijls zaken voorkomen, waarin vele vrouwen veel wijzer zijn dan de mannen, waarom haar raadgevingen wel overwogen mogen worden. (1 Samuel 25:3,17).
3) Hier wordt de reden aangegeven, waarom Abraham Ismaël moet wegzenden. In Izaak zou de lijn van de belofte worden voortgezet, maar hier spreekt de Heere God het dan ook duidelijk uit, dat Hij Abraham daartoe dwingt, om Zichzelfs wille, en geenszins om daarmee de toorn of de drift van Sara goed te keuren.
4) In het Hebreeuws Bejitschak. Het voorzetsel heeft hier de betekenis van “naar.” De zin is dan deze, dat Izaak en niet Ismaël de stamvader van Abrahams ware nakomelingen zal zijn.
13. Doch Ik zal ook de zoon van deze dienstmaagd tot een volk stellen, gelijk Ik u reeds beloofd heb (Genesis 17:20), omdat hij uw zaad is; 1) gij behoeft u dus over de hardheid niet te beangstigen; gij moet om mijnentwil alles leren verlaten en verloochenen, en alleen bij Mijn woord leven.
1) Hoe smartelijk die maatregel voor Abraham is, toont vs.11. Maar de geloofsheld, die later Izaak kon offeren, moest thans ook Ismaël kunnen opofferen. Het werd hem echter gemakkelijker gemaakt door de belofte, dat zijn verwijdering tot zijn verheffing zou leiden, en dat Gods raadsbesluit over Izaak slechts door deze verwijdering tot werkelijkheid kon komen. Lot werd verwijderd van Abraham, Ismaël van Izaak, Ezau van Jakob, later nog de tien stammen van Juda, eindelijk de ongelovige Joden van het overblijfsel naar de verkiezing van de genade (Rom.10; Galaten. 4) Romeinen. Ook in de Christelijke kerk heeft men de voortzetting van die afzondering. Overigens zijn in het Nieuwe Verbond de meeste Joden afgezonderden geworden, gelijk Ismaël, vele Ismaëlieten daarentegen erfgenamen van Abrahams geloof.
Met dit laatste woord, doet de Heere God een zoete druppel in de lijdensbeker van zijn knecht. Al zal Ismaël niet delen in de geestelijke zegeningen van het verbond; de tijdelijke zullen hem niet onthouden worden. God verzekert hier tevens aan Abraham, dat, als diens oog hem niet meer zal zien, Zijn oog op hem gevestigd zal blijven. Aan de zorg en hoede Gods heeft Abraham Ismaël voortaan alleen toe te vertrouwen.
14. Toen stond Abraham, daar hij wist, wat in deze zaak Gods wil was, ‘s morgens vroeg op 1) en nam brood en een fles water, 2) tot teerkost voor de moeilijke reis door de woestijn, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind en zond haar weg. 3) En zij ging voort in de richting naar haar land, naar Egypte, doch miste spoedig de rechte weg, en dwaalde in de woestijn, die zuidelijk van Berséba (zeven-bron, bron van de eed) de plaats van waar zij was heengegaan, gelegen was.
1) Hoe diep een wonde ook in de heilige man was geslagen door de uitwerping van zijn zoon uit de dubbele vertroosting, waarmee God de smart verzacht, mag hij moed vatten. Hij zendt zijn zoon weg, niet anders, alsof hij zijn eigen ingewanden uitrukt. Maar gewoon om God te gehoorzamen, onderdrukt hij zijn vaderlijke liefde, welke hij niet geheel kan afleggen. Dit is echter het ware bewijs van geloof en vroomheid, dat, wanneer de gelovigen gedwongen worden zich te verloochenen, zij ook de eerste natuurlijke neigingen, die op zichzelf noch slecht, noch misdadig zijn, overgeven aan de wil van God. Het is aan geen twijfel onderhevig, of hij is de gehele nacht met vele zorgen gekweld geweest; heeft met zichzelf op onderscheidene manieren geworsteld, en is door vele pijnlijke gedachten bestormd. Hij stond echter ‘s morgens vroeg op, opdat hij het verlies van zijn kind zou bespoedigen, daar hij weet, dat God het wilde.
2) Waarom zo weinig? Waarom legde hij bij het Hagar op de schouder? Men heeft Abraham van onbarmhartigheid beschuldigd, dat hij haar zo weinig meegaf, en dat hij haar en Ismaël liet gaan zonder geleide. Men vergete echter niet, dat hij haar haar vrijheid teruggaf, en het kan zeer goed zijn, dat het zijn bedoeling geweest is, dat zij zich niet ver van zijn tent zou verwijderen. Wellicht heeft hij gehoopt en ook gedacht, dat zij zich in Kanaän met haar kind zou blijven vestigen en onder de naburen een veilige wijkplaats zou vinden.
3) Slechts door dit verstoten kon het onderscheid tussen de zoon van de genade en de zoon van de natuur bepaald te voorschijn treden; dat dit geschiedde, daaraan is in onze geschiedenis alles gelegen. Nadat dit onderscheid genoegzaam openbaar geworden is, mag Ismaël later ook weer meer nabij komen (hoofdstuk 25:9), en van het goed van zijn rijke vader genieten (hoofdstuk. 2:6)
15. Als nu het water van de fles uit was, zo wierp zij het kind, 1) de knaap, die van de lange vermoeiende reis geheel afgemat was, en bijna van dorst versmachtte, onder een van de struiken; zij legde hem, nadat zij hem lang met veel moeite had voortgesleept, onder een struikgewas neer.
1) Het heeft de schijn, alsof er van een klein kind gesproken wordt: maar een afgematte knaap van 16 jaar, die het gevaar van de woestijn niet kent, wordt voor de beangstigde moeder een arm kind. De uitdrukking: “zij wierp hem” betekent, dat zij hem met aandoening van droefheid en wanhoop, nadat zij hem lang had voortgesleept, snel liet neerzijgen, alsof zij hem tot sterven had neergelegd en dan van hem wegsnelde met het gevoel, dat zij hem opgeofferd heeft. Een reeks van schone trekken van beangstigde moederliefde, ontdekken wij hier. Zij legt haar zoon onder de beschermende schaduw van een struik: zij gaat snel van hem weg; zij zet zich op enige afstand van hem, daar zij hem niet kan zien sterven en evenmin verlaten, en zij weent luid. Zo moest ook Ismaël worden opgeofferd (vs.13), gelijk later Izaak. Door deze nood werd hij gewijd tot een zoon en koning van de woestijn met zijn toekomstig geslacht. Spoedig moest Hagar ook de Oase ontdekken, welke een levensvoorwaarde is voor de woestijnbewoners.
16. En zij ging en zette zich tegenover, afgaande zo verre, als die met de boog schieten; want zij zei: Dat ik het kind niet zie sterven daarom ga ik uit zijn nabijheid; en zij zat tegenover hem, daar haar gevoel haar niet toeliet zich geheel van hem te verwijderen (Jesaja 49:15), en hief haar stem op, en weende.
17. En God hoorde 1) de stem van de jongen, 2) die zich verenigde met de klachten van de moeder; en de Engel Gods, die haar reeds vroeger in de woestijn ontmoet had (hoofdstuk.16:7 vv.), riep Hagar toe uit de hemel, en zei tot haar: Wat is u, Hagar, 3) dat gij moedeloos zijt en niet denkt aan Mij, die u te voren heb aangenomen, en Mijn beloften heb gegeven omtrent deze zoon? Vrees niet 4) want God heeft naar de stem van de jongen reeds gehoord, ter plaatse, waar hij is, 6) in zijn ellendige toestand.
1) Ook onder het struikgewas verborgen, heeft God hem gehoord en verhoord. God is niet in de hemel opgesloten, de eenzaamste en meest verlatene hoort Hij, waar die ook moge zijn.
“God hoorde.” Het is duidelijk, dat Ismaël geroepen heeft; als moeten wij aannemen, dat het slechts een verstandelijk roepen was. De Heere, die let op de stem van de jonge raven, hoorde ook naar hem. Echter niet, omdat Ismaël het verdiende, noch omdat zijn moeder het waardig was, maar om Zichzelfs wille, daar Hij aan Abraham Zijn belofte, omtrent Hagar’s zoon, gegeven had.
2) “De jongen.” Hier en in vs.18 en 20, telkens “de jongen,” niet “Ismaël.” De naam wordt ongetwijfeld met opzet verzwegen door de Schrijver, daar het de naam is van de erfvijand van Israël.
3) “Wat is u Hagar?” Ongetwijfeld een woord van bemoediging, maar in de eerste plaats een woord, hetwelk moet dienen, om haar haar ondankbaarheid aan te duiden en tevens haar ongeloof. Want niet alleen Abraham, maar ook zij heeft de belofte ontvangen. Hagar’s wenen en alles, wat ons hier van haar gezegd wordt, is een bewijs, hoe voor een onbekeerde de beloften Gods in de grond van de zaak geen kracht hebben. Dezelfde belofte doet Abraham de zaak in Gods handen geven, en is voor Hagar als een ijdel niets. De belofte heeft dan ook alleen waarde voor het geloof.
4) “Vrees niet.” Hiermee wil God in haar beangstigd en verslagen gemoed, de hoop op behoud wekken.
5) “Ter plaatse waar hij is.” Wat betekent dit? Wil God Hagar daarmee zeggen, dat, al is hij niet meer in Abrahams tent, God toch nog zijn leidsman is? Of wil Hij haar daarmee zeggen, dat, al heeft zij hem ook onder de boom geworpen, Hij toch niet ver van hem was? Wij geloven het eerste, maar zien daarin tevens een wenk voor Hagar, om naar hem terug te keren, opdat de Heere haar daar de bron wijze, die haar uit de angst en de moeite zal redden. Niet op een afstand van haar zoon, maar in zijn nabijheid was haar plaats.
18. Sta alzo, daar reeds voor u gezorgd is, met moed op, hef de jongen, die gij als verloren hebt neergelegd, weer op, en houd hem vast met uw hand, a) want Ik zal Mijn hand op hem leggen en hem tot een groot volk stellen.
a) Genesis 16:10; 17:20
Bij de jongen was haar plaats, daar zou God haar ogen openen. Belangrijke wenk voor alle gelovigen dat de Heere God in de rechte weg alleen een zegen geeft, èn op tijdelijk èn op geestelijk gebied.
19. En God opende haar ogen, dat zij een waterput zag 1) die zij te voren in haar smart niet had opgemerkt, gelijk dan ook de kunstig gegraven putten in de woestijn door de eigenaars zoveel mogelijk met zand worden verborgen, zodat er kennis toe vereist wordt om deze te vinden; en zij ging, en vulde de fles met water, en gaf de jongen te drinken. Nu zette zij haar reis niet naar Egypte voort, maar kwam op een bewoonbare plaats van de woestijn Kades.
1) Waar God ons Zijn genadige leiding onthoudt, daar zijn wij van alle hulpmiddelen, die voor de hand liggen, zo geheel beroofd, alsof zij ver van ons waren. Bidden wij Hem daarom niet slechts, dat Hij ons het verstand geve, om ze te gebruiken; anders gebeurt het, dat wij midden tussen bronnen met gesloten ogen versmachten.
De Heere had voor Hagar uitkomsten bereid, maar Hij moest haar ook de ogen openen, om die uitkomsten te genieten. Waar de Heere beloften en zegeningen schenkt, maar het rechte licht onthoudt, daar geven die beloften en zegeningen niet, wat zij kunnen zijn voor het gelovige hart. Hagar is hier het beeld van de zondaar, die ontdekt wordt aan het heil, in Christus, voor alle Gods kinderen bereid; maar ook van de gelovige, die van de heilsweldaden een recht gebruik maakt.
Een christen mag op zijn weg de moed niet verliezen; ontbreekt de geloofsmoed, dan is er grote schade; maar de Heere laat de Zijnen niet in moedeloosheid wegzinken.
20. En God was met de jongen, 1) en hij werd groot, een krachtig man, en hij woonde, daar dit met zijn natuur overeen kwam, in de woestijn, en werd, alsof wat zijn moeder deed, toen hij van dorst scheen om te komen (vs.16), een voorspelling van zijn later leven was geweest, een boogschutter.
1) Op bijzondere wijze was de Heere God met Ismaël. Weliswaar op tijdelijk gebied, maar toch, hij was meer dan de andere volkeren een voorwerp van Zijn bijzondere zorg, daar hij een zoon van Abraham was. Ismaël heeft heel zijn leven ondervonden, dat er voor hem beloften Gods lagen.
21. En hij woonde, dit veld van zijn werkzaamheden steeds uitbreidende en het woord des Heren, (hoofdstuk. 16:12) ) vervullende, in de woestijn Paran (landstreek vol van holen), die aan de zuidelijke grenzen van Kanaän tot aan de woestijn Sur voortloopt, en ten zuiden tot aan het voorgebergte van Horeb zich uitstrekt; en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland. 1)
1) Hierdoor wordt het heidense beginsel versterkt. De Ismaëlitische Arabieren zijn dus volgens hun oorsprong uit een dubbele vermenging van Hebreeuws en Egyptisch bloed voortgekomen: blijmoedige geestdrift is in een kluizenaarsachtige en dromerige wereldbeschouwing weggezonken.
Zie de verdere geschiedenis van Ismaëls geslacht in hoofdstuk. 25:12-18.
III. Gen. 21 vers 22-34
Abimelech, bewogen door de goddelijke zegen, die Abraham vergezelt, zoekt een verbond met hem te sluiten. Abraham beklaagt zich over een waterput, die Abimelech’s knechten genomen hadden en ontvangt die terug. Daarop sluit hij het verbond met de koning van de Filistijnen en richt alles tot een langer verblijf te Berséba in.
22. Voorts geschiedde het terzelfder tijd, in welke Izaak gespeend en Ismaël verwijderd werd (vs.8-19) dat Abimelech (reeds in hoofdstuk. 20:1 vv. vermeld) bovendien Pichol (mond van allen, d.i. die over allen beveelt) zijn krijgsoverste, die hij meegebracht had, tot Abraham sprak, hem te Berséba bezoekende, zeggende: God is met u in alles wat gij doet, 1) gelijk ik reeds lang heb opgemerkt.
1) De zegen Gods, die op Abraham rustte, vervulde ook de koning van de Filistijnen met eerbied. Ziedaar een afschaduwing van de zegen, die ook in de dagen van de oude bedeling van het volk een gedeelte van het eigendom op de heidenen overging.
23. Zo zweer mij nu hier bij God: zo gij mij of mijn zoon, of mijn neef liegen zult, 1) ontrouw zult bewijzen of vijandig zijn! naar de weldadigheid, die ik bij u gedaan heb, toen ik u met rijke geschenken liet heengaan en u een vrij verblijf in mijn land toestond (hoofdstuk. 20:14 vv.), zult gij doen bij mij, en bij het land waarin gij als vreemdeling verkeert.
1) “Zo gij mij liegen zult.” De bedoeling is: Zo gij mij met ontrouw zult behandelen, moge God die ontrouw wreken. Bij de Hebreeën was het dikwijls de gewoonte, om een eedsformulier slechts ten halve uit te spreken (zie Ge 14.23). In deze handeling van Abimelech ligt opgesloten, dat hij ervan overtuigd is, dat Abraham eenmaal zeker het land bezitten zal.
24. En Abraham zei: Ik zal zweren; ik verklaar mij bereid volgens uw wil te doen.
25. Doch Abraham, opdat alles vóór hij zwoer, recht tussen hem en de koning zou zijn, berispte Abimelech ter oorzake van een waterput, 1) die Abimelech’s knechten met geweld genomen hadden.
1) In die streken, die zo arm aan water zijn, is het bezit van een eigen put van groot belang (Spreuken. 5:15-17); daarom was het ontnemen van een door hem met moeite gegraven put een groot verlies voor Abraham. Wij zien ‘s mans oprechtheid, dat hij eerst deze zaak wil uit de weg geruimd zien, voordat hij met aanroeping van des Heren naam een verbintenis sluit.
26. Toen zei Abimelech: Ik heb niet geweten, wie dit stuk gedaan heeft; en ook hebt gij het mij niet aangezegd, en ik heb er ook niet van gehoord, dan heden, anders ware u de put reeds lang weer teruggegeven; nu zij het hiermee door mij gedaan.
27. En Abraham nam schapen en runderen, en gaf die aan Abimelech, om hem hierdoor zinnebeeldig van zijn trouw voor de toekomst te verzekeren; en die beiden maakten een verbond. Zo was het ook nog in latere tijd gewoonte, door het aanbieden van geschenken, een verbond te sluiten of te vernieuwen (1 Koningen 15:19 Jesaja. 30:6 ).
28. Doch Abraham stelde, behalve de runderen en schapen, die hij reeds ten geschenke gegeven had, zeven ooilammeren uit de kudde bijzonder, afgezonderd van de anderen.
29. Zo zei Abimelech, die zich daarvan geen verklaring wist te geven, tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die gij bijzonder gesteld hebt?
30. En hij zei: Dat gij de zeven ooilammeren van mijn hand nemen zult, opdat het bij u en uw onderdanen tot een getuigenis zij, dat, gelijk gij uitdrukkelijk door het aannemen van deze lammeren erkent, ik deze put gegraven heb, en alzo het eigendomsrecht daarvan bezit.
31. Daarom noemde men die plaats, waar dit geschiedde, Berséba 1) (zeven-bron, of put van de eed), omdat die beiden daar gezworen hadden.
1) Zweren heet in het Hebreeuws “zevenen”. Het heilig getal zeven was van oudsher het getal van het verbond van God met de mensen, als de vereniging van het goddelijk getal drie, met het aardse getal vier; reden waarom het juist bij godsdienstige verordeningen zo menigmaal wordt herhaald. (Zeven dagen vormen de week; na zeven dagen heeft de besnijdenis plaats). Het schijnt, dat dit getal ook als zinnebeeld werd gebezigd bij het afleggen van plechtige eden, en dat het eed zweren daarvan zijn naam ontleende. Het later als zuidelijke grenspaal bekende Berséba moest dus aan de eed herinneren.
“Toen wij (van het zuiden naar het noorden) verder voorttrokken, hield het losse zand op, en het land deed meer gras met kruid vermengd aanschouwen. Wij doorkruisten daarna de bedding van de Wady-el-Murtubeh, een brede strook land, die de sporen van veel water deed zien. Enige uren later bereikten wij de Wady-es-Scheba, het brede waterbed van een stroom, die slechts ‘s winters vloeit; aan de noordzijde, dicht bij zijn oever, liggen twee diepe putten, die nog altijd Bir-es-Scheba heten; beide hebben overvloed van helder en voortreffelijk water. De bouwvallen zijn hier over een oppervlakte van een kwartier gaans, langs de noordelijke zijde van de waterbedding, verspreid.”
32. Alzo maakten zij, naar het verlangen van de koning, een verbond te Berséba. Daarna stond Abimelech op en Pichol, zijn krijgsoverste, en zij keerden wederom naar het land van de Filistijnen.
33. En hij, Abraham, plantte een bos 1) in Berséba, daar hij na het gesloten verbond met de vorst van dat land, hier langer en vreedzaam dacht te wonen; en riep aldaar de naam des HEREN, de eeuwige God, aan. 2)
1) Hebr. “een tamarisk”, een boom bijna zo hoog als een eik, in Syrië en Egypte algemeen, en bruikbaar tot werk- en brandhout. Dat Abraham een bos plantte, is bewijs, dat er voor de aartsvader een tijd van rust, van rustig wonen aanbreekt.
2) Hoe meer Abraham de Heere leert kennen, des te meer worden de eigenschappen Gods gekend. Gelijk Elohiem (God) zich hem geopenbaard heeft als Jehova (Verbondsgod), zo betoont zich weer Jehova als Elohiem in hogere zin. God, de verhevene is zijn Verbondsgod;
God, de Almachtige doet wonderen voor hem; God, de eeuwige bevestigt zich aan hem in Zijn eeuwige trouw.
Luther vertaalt: “en predikte aldaar de naam, enz.” Abraham roept aan en predikt de naam des Heren. Het een is van het andere niet te scheiden. Het levendig gebed moet vrucht brengen in de verkondiging; de levende verkondiging moet zijn wortel hebben in het gebed.
“En riep de naam des HEREN, de eeuwige God, aan.” “De Heere aanroepen” betekent: des Heren naam prijzen. Dit lezen wij verscheidene malen van de aartsvader. Hier echter heeft het nog een bijzondere betekenis. Deze daad heeft een tweeledig doel. Allereerst, om daarmee God te danken voor de rust, die hem geschonken is, en ten tweede wil Abraham daarmee aan Abimelech tonen, dat hij zijn veiligheid en bescherming niet verwacht in de eerste plaats van het verbond, dat tussen hem en de koning van Gerar is gesloten, hoewel hem dit niet onverschillig is, maar van zijn God, die hier daarom ook de eeuwige God wordt genoemd.
34. En Abraham woonde als vreemdeling 1) vele dagen in het land van de Filistijnen, tot hij later weer naar Hebron ging (hoofdstuk. 23).
1) Mozes roemt van Abraham drie heilige werken: dat hij gearbeid, gepredikt en zijn lange vreemdelingschap geduldig gedragen heeft.
Hier wordt gezegd, dat Abraham in dit land als vreemdeling verkeerde, terwijl hij er toch zijn vaste verblijfplaats had. Waarom? Opdat wij zouden weten, dat hij niet zó opging in de rust, of altijd dacht hij nog aan het woord des Heren, dat hij met zijn nakomelingen tot de 400 jaar vervuld zouden zijn, een bijwoner zou zijn.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel