Gratis Studiebijbel – Spurgeon Studiebijbel SV

Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar

De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.

Over deze StudieBijbel

Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.

De Bijbeltekst

De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.

De kanttekeningen

De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.

De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.

Het commentaar, de citaten en de overdenkingen

Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.

De verklaring van Dächsel

Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.

Namen, plaatsen en begrippen

De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.

Christus in dit hoofdstuk

Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.

Waarom deze uitgave bijzonder is

Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.

Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.

© Teun van der Plas

Genesis 20

1 En Abraham reisde van daar naar het land van het zuiden, en woonde tussen Kades en tussen Sur; en hij verkeerde als vreemdeling te Gerar.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

1 En AbrahamH85 reisdeH5265 van daarH8033 naar het landH776 van het zuidenH5045, en woondeH3427 tussenH996 KadesH6946 en tussenH996 SurH7793; en hij verkeerde als vreemdelingH1481 te GerarH1642. En Abraham reisde van daar naar het land van het zuiden, en woonde tussen Kades en tussen Sur; en hij verkeerde als vreemdeling te Gerar.

KJV And Abraham3 journeyed1 from thence toward the south5 country,4 and dwelled6 between Kadesh8 and Shur,10 and sojourned11 in Gerar.

1 וַיִּסַּ֨ע H5265 verreisden, reisden, optrekken cause to blow, bring, get, (make to) go (away, forth, forward, onward, out), (take) journey, march, remove, set aside (forward), [idiom] still, be on his (go their) way 2 מִשָּׁ֤ם H8033 daar, aldaar, derwaarts in it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither 3 אַבְרָהָם֙ H85 Abraham, Abrahams, zoon Abraham 4 אַ֣רְצָה H776 land, aarde, lands [idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world 5 הַנֶּ֔גֶב H5045 zuiden, zuidwaarts, Zuiden south (country, side, -ward) 6 וַיֵּ֥שֶׁב H3427 inwoners, wonen, woonden (make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry 7 בֵּין H996 tussen among, asunder, at, between (-twixt...and), [phrase] from (the widest), [idiom] in, out of, whether (it be...or), within 8 קָדֵ֖שׁ H6946 Kades Kadesh. Compare H6947 (קָדֵשׁ בַּרְנֵעַ) 9 וּבֵ֣ין H996 tussen among, asunder, at, between (-twixt...and), [phrase] from (the widest), [idiom] in, out of, whether (it be...or), within 10 שׁ֑וּר H7793 Sur Shur 11 וַיָּ֖גָר H1481 vreemdelingen, verkeren, vreemdeling verkeert abide, assemble, be afraid, dwell, fear, gather (together), inhabitant, remain, sojourn, stand in awe, (be) stranger, [idiom] surely 12 בִּגְרָֽר H1642 Gerar Gerar
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
2 Als nu Abraham van Sara, zijn huisvrouw, gezegd had: Zij is mijn zuster, zo zond Abimelech, de koning van Gerar, en nam Sara weg.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

2 Als nu AbrahamH85 van SaraH8283, zijn huisvrouwH802, gezegdH559 had: ZijH1931 is mijn zusterH269, zo zondH7971 AbimelechH40, de koningH4428 van GerarH1642, en namH3947 SaraH8283 weg. Als nu Abraham van Sara, zijn huisvrouw, gezegd had: Zij is mijn zuster, zo zond Abimelech, de koning van Gerar, en nam Sara weg.

KJV And Abraham2 said1 of3 Sarah4 his wife,5 She is my sister:6 and Abimelech9 king10 of Gerar11 sent,8 and took12 Sarah.

1 וַיֹּ֧אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 2 אַבְרָהָ֛ם H85 Abraham, Abrahams, zoon Abraham 3 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 4 שָׂרָ֥ה H8283 Sara, sara Sarah 5 אִשְׁתּ֖וֹ H802 vrouw, vrouwen, huisvrouw (adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English 6 אֲחֹ֣תִי H269 zuster, zusters, zusteren (an-) other, sister, together 7 הִ֑וא H1931 hij, het, zij he, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who 8 וַיִּשְׁלַ֗ח H7971 zond, gezonden, zenden [idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out) 9 אֲבִימֶ֨לֶךְ֙ H40 Abimelech, Abimelechs Abimelech 10 מֶ֣לֶךְ H4428 koning, konings, koningen king, royal 11 גְּרָ֔ר H1642 Gerar Gerar 12 וַיִּקַּ֖ח H3947 nam, nemen, genomen accept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win 13 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 14 שָׂרָֽה H8283 Sara, sara Sarah
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
3 Maar God kwam tot Abimelech in een droom des nachts, en Hij zeide tot hem: Zie, gij zijt dood om der vrouwe wil, die gij weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

3 Maar GodH430 kwamH935 totH413 AbimelechH40 in een droomH2472 des nachtsH3915, en Hij zeideH559 tot hem: ZieH2005, gij zijt doodH4191 om der vrouweH802 wilH834, die gij weggenomenH3947 hebt; want zijH1931 is met een manH1167 getrouwdH1166. Maar God kwam tot Abimelech in een droom des nachts, en Hij zeide tot hem: Zie, gij zijt dood om der vrouwe wil, die gij weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd.

KJV But God2 came1 to Abimelech4 in a dream5 by night,6 and said7 to him, Behold, thou art but a dead man,10 for the woman12 which thou hast taken;14 for she is a man's17 wife.

1 וַיָּבֹ֧א H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 2 אֱלֹהִ֛ים H430 God, Gods, goden angels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty 3 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 4 אֲבִימֶ֖לֶךְ H40 Abimelech, Abimelechs Abimelech 5 בַּחֲל֣וֹם H2472 droom, dromen, drooms dream(-er) 6 הַלָּ֑יְלָה H3915 nacht, nachts, nachten (mid-)night (season) 7 וַיֹּ֣אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 8 ל֗וֹ 9 הִנְּךָ֥ H2009 ziet, zie behold, lo, see 10 מֵת֙ H4191 sterven, stierf, gedood [idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise 11 עַל H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 12 הָאִשָּׁ֣ה H802 vrouw, vrouwen, huisvrouw (adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English 13 אֲשֶׁר H834 die, dat, wat [idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection 14 לָקַ֔חְתָּ H3947 nam, nemen, genomen accept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win 15 וְהִ֖וא H1931 hij, het, zij he, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who 16 בְּעֻ֥לַת H1166 getrouwd, getrouwde, Man have dominion (over), be husband, marry(-ried, [idiom] wife) 17 בָּֽעַל H1167 burgers, heer, man [phrase] archer, [phrase] babbler, [phrase] bird, captain, chief man, [phrase] confederate, [phrase] have to do, [phrase] dreamer, those to whom it is due, [phrase] furious, those that are given to it, great, [phrase] hairy, he that hath it, have, [phrase] horseman, husband, lord, man, [phrase] married, master, person, [phrase] sworn, they of

Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.

Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
4 Doch Abimelech was tot haar niet genaderd; daarom zeide hij: Heere! zult Gij dan ook een rechtvaardig volk doden?
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

4 Doch AbimelechH40 was totH413 haar nietH3808 genaderdH7126; daarom zeideH559 hij: HeereH136! zult Gij dan ookH1571 een rechtvaardigH6662 volkH1471 dodenH2026? Doch Abimelech was tot haar niet genaderd; daarom zeide hij: Heere! zult Gij dan ook een rechtvaardig volk doden?

KJV But Abimelech1 had not come near3 her: and he said,5 Lord,6 wilt thou slay10 also a righteous9 nation?

1 וַאֲבִימֶ֕לֶךְ H40 Abimelech, Abimelechs Abimelech 2 לֹ֥א H3808 niet, geen, noch [idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without 3 קָרַ֖ב H7126 offeren, naderen, naderde (cause to) approach, (cause to) bring (forth, near), (cause to) come (near, nigh), (cause to) draw near (nigh), go (near), be at hand, join, be near, offer, present, produce, make ready, stand, take 4 אֵלֶ֑יהָ H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 5 וַיֹּאמַ֕ר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 6 אֲדֹנָ֕י H136 Heere, HEERE, Heeren (my) Lord 7 הֲג֥וֹי H1471 heidenen, volken, volk Gentile, heathen, nation, people 8 גַּם H1571 ook, zelfs, ja again, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea 9 צַדִּ֖יק H6662 rechtvaardige, rechtvaardigen, rechtvaardig just, lawful, righteous (man) 10 תַּהֲרֹֽג H2026 doden, gedood, doodde destroy, out of hand, kill, murder(-er), put to (death), make (slaughter), slay(-er), [idiom] surely
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
5 Heeft hij zelf mij niet gezegd: Zij is mijn zuster? en zij, ook zij heeft gezegd: Hij is mijn broeder. In oprechtheid mijns harten en in reinheid mijner handen, heb ik dit gedaan.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

5 Heeft hij zelfH1931 mij nietH3808 gezegdH559: Zij is mijn zusterH269? en zij, ookH1571 zij heeft gezegdH559: Hij is mijn broederH251. In oprechtheidH8537 mijns hartenH3824 en in reinheidH5356 mijner handenH3709, heb ik ditH2063 gedaanH6213. Heeft hij zelf mij niet gezegd: Zij is mijn zuster? en zij, ook zij heeft gezegd: Hij is mijn broeder. In oprechtheid mijns harten en in reinheid mijner handen, heb ik dit gedaan.

KJV Said3 he not unto me, She2 is my sister?5 and she,6 even8 she7 herself said,10 He is my brother:11 in the integrity13 of my heart14 and innocency15 of my hands16 have I done

1 הֲלֹ֨א H3808 niet, geen, noch [idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without 2 ה֤וּא H1931 hij, het, zij he, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who 3 אָֽמַר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 4 לִי֙ 5 אֲחֹ֣תִי H269 zuster, zusters, zusteren (an-) other, sister, together 6 הִ֔וא H1931 hij, het, zij he, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who 7 וְהִֽיא H1931 hij, het, zij he, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who 8 גַם H1571 ook, zelfs, ja again, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea 9 הִ֥וא H1931 hij, het, zij he, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who 10 אָֽמְרָ֖ה H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 11 אָחִ֣י H251 broederen, broeder, broeders another, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-' 12 ה֑וּא H1931 hij, het, zij he, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who 13 בְּתָם H8537 oprechtheid, oprechtigheid, eenvoudigheid full, integrity, perfect(-ion), simplicity, upright(-ly, -ness), at a venture. See H8550 (תֻּמִּים) 14 לְבָבִ֛י H3824 hart, harten, harte [phrase] bethink themselves, breast, comfortably, courage, ((faint), (tender-) heart(-ed), midst, mind, [idiom] unawares, understanding 15 וּבְנִקְיֹ֥ן H5356 onschuld, reinheid cleanness, innocency 16 כַּפַּ֖י H3709 handen, hand, reukschaal branch, [phrase] foot, hand((-ful), -dle, (-led)), hollow, middle, palm, paw, power, sole, spoon 17 עָשִׂ֥יתִי H6213 doen, gedaan, maakte accomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use 18 זֹֽאת H2063 dit, deze, dat hereby (-in, -with), it, likewise, the one (other, same), she, so (much), such (deed), that, therefore, these, this (thing), thus
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
6 En God zeide tot hem in den droom: Ik heb ook geweten, dat gij dit in oprechtheid uws harten gedaan hebt, en Ik heb u ook belet van tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten, haar aan te roeren.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

6 En GodH430 zeideH559 totH413 hem in den droomH2472: IkH595 heb ookH1571 gewetenH3045, dat gij ditH2063 in oprechtheidH8537 uws hartenH3824 gedaanH6213 hebt, en Ik heb u ookH1571 beletH2820 van tegen MijH595 te zondigenH2398; daaromH3651 heb Ik u nietH3808 toegelatenH5414, haar aan te roerenH5060. En God zeide tot hem in den droom: Ik heb ook geweten, dat gij dit in oprechtheid uws harten gedaan hebt, en Ik heb u ook belet van tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten, haar aan te roeren.

KJV And God3 said1 unto him in a dream,4 Yea,5 I know7 that thou didst11 this in the integrity9 of thy heart;10 for I also withheld13 thee from sinning17 against me: therefore suffered22 I thee not to touch

1 וַיֹּאמֶר֩ H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 2 אֵלָ֨יו H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 3 הָֽאֱלֹהִ֜ים H430 God, Gods, goden angels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty 4 בַּחֲלֹ֗ם H2472 droom, dromen, drooms dream(-er) 5 גַּ֣ם H1571 ook, zelfs, ja again, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea 6 אָנֹכִ֤י H595 ik, mij I, me, [idiom] which 7 יָדַ֨עְתִּי֙ H3045 weten, weet, bekend acknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot 8 כִּ֤י H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 9 בְתָם H8537 oprechtheid, oprechtigheid, eenvoudigheid full, integrity, perfect(-ion), simplicity, upright(-ly, -ness), at a venture. See H8550 (תֻּמִּים) 10 לְבָבְךָ֙ H3824 hart, harten, harte [phrase] bethink themselves, breast, comfortably, courage, ((faint), (tender-) heart(-ed), midst, mind, [idiom] unawares, understanding 11 עָשִׂ֣יתָ H6213 doen, gedaan, maakte accomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use 12 זֹּ֔את H2063 dit, deze, dat hereby (-in, -with), it, likewise, the one (other, same), she, so (much), such (deed), that, therefore, these, this (thing), thus 13 וָאֶחְשֹׂ֧ךְ H2820 onthouden, belet, inhouden assuage, [idiom] darken, forbear, hinder, hold back, keep (back), punish, refrain, reserve, spare, withhold 14 גַּם H1571 ook, zelfs, ja again, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea 15 אָנֹכִ֛י H595 ik, mij I, me, [idiom] which 16 אֽוֹתְךָ֖ H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 17 מֵחֲטוֹ H2398 gezondigd, zondigen, zondigt bear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass 18 לִ֑י 19 עַל H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 20 כֵּ֥ן H3651 daarom, alzo, zo [phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you 21 לֹא H3808 niet, geen, noch [idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without 22 נְתַתִּ֖יךָ H5414 gegeven, geven, gaf add, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield 23 לִנְגֹּ֥עַ H5060 aangeroerd, aanroert, aanroeren beat, ([idiom] be able to) bring (down), cast, come (nigh), draw near (nigh), get up, happen, join, near, plague, reach (up), smite, strike, touch 24 אֵלֶֽיהָ H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
7 Zo geef dan nu dezes mans huisvrouw weder; want hij is een profeet, en hij zal voor u bidden, opdat gij leeft; maar zo gij haar niet wedergeeft, weet, dat gij voorzeker sterven zult, gij, en al wat uwes is!
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

7 Zo geefH7725 dan nu dezes mansH376 huisvrouwH802 weder; wantH3588 hij is een profeetH5030, en hijH1931 zal voor u biddenH6419, opdat gij leeftH2421; maarH3588 zoH518 gij haar nietH369 wedergeeftH7725, weetH3045, dat gij voorzekerH4191 stervenH4191 zult, gij, en alH3605 watH834 uwes is! Zo geef dan nu dezes mans huisvrouw weder; want hij is een profeet, en hij zal voor u bidden, opdat gij leeft; maar zo gij haar niet wedergeeft, weet, dat gij voorzeker sterven zult, gij, en al wat uwes is!

KJV Now therefore restore2 the man4 his wife;3 for he is a prophet,6 and he shall pray8 for thee,9 and thou shalt live:10 and if thou restore13 her not, know14 thou that thou shalt surely16 die,

1 וְעַתָּ֗ה H6258 nu, dan henceforth, now, straightway, this time, whereas 2 הָשֵׁ֤ב H7725 wederkeren, keerde, keren ((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw 3 אֵֽשֶׁת H802 vrouw, vrouwen, huisvrouw (adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English 4 הָאִישׁ֙ H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 5 כִּֽי H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 6 נָבִ֣יא H5030 profeet, profeten, Profeet prophecy, that prophesy, prophet 7 ה֔וּא H1931 hij, het, zij he, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who 8 וְיִתְפַּלֵּ֥ל H6419 bidden, bad, bid intreat, judge(-ment), (make) pray(-er, -ing), make supplication 9 בַּֽעַדְךָ֖ H1157 voor, om; door heen about, at by (means of), for, over, through, up (-on), within 10 וֶֽחְיֵ֑ה H2421 leven, leefde, levend keep (leave, make) alive, [idiom] certainly, give (promise) life, (let, suffer to) live, nourish up, preserve (alive), quicken, recover, repair, restore (to life), revive, ([idiom] God) save (alive, life, lives), [idiom] surely, be whole 11 וְאִם H518 zo, indien, of (and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet 12 אֵֽינְךָ֣ H369 geen, niet, niemand else, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן) 13 מֵשִׁ֗יב H7725 wederkeren, keerde, keren ((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw 14 דַּ֚ע H3045 weten, weet, bekend acknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot 15 כִּי H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 16 מ֣וֹת H4191 sterven, stierf, gedood [idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise 17 תָּמ֔וּת H4191 sterven, stierf, gedood [idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise 18 אַתָּ֖ה H859 gij, gijlieden, u thee, thou, ye, you 19 וְכָל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 20 אֲשֶׁר H834 die, dat, wat [idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection 21 לָֽךְ
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
8 Toen stond Abimelech des morgens vroeg op, en riep al zijn knechten, en sprak al deze woorden voor hun oren. En die mannen vreesden zeer.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

8 Toen stondH7925 AbimelechH40 des morgensH1242 vroegH7925 op, en riepH7121 alH3605 zijn knechtenH5650, en sprakH1696 alH3605 deze woordenH1697 voor hun orenH241. En die mannenH582 vreesdenH3372 zeerH3966. Toen stond Abimelech des morgens vroeg op, en riep al zijn knechten, en sprak al deze woorden voor hun oren. En die mannen vreesden zeer.

KJV Therefore Abimelech2 rose early1 in the morning,3 and called4 all his servants,6 and told7 all these things10 in their ears:12 and the men were sore15 afraid.

1 וַיַּשְׁכֵּ֨ם H7925 vroeg, stond, stonden (arise, be up, get (oneself) up, rise up) early (betimes), morning 2 אֲבִימֶ֜לֶךְ H40 Abimelech, Abimelechs Abimelech 3 בַּבֹּ֗קֶר H1242 morgen, morgens, morgenstond ([phrase]) day, early, morning, morrow 4 וַיִּקְרָא֙ H7121 riep, noemde, roepen bewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say 5 לְכָל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 6 עֲבָדָ֔יו H5650 knechten, knecht, knechts [idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant 7 וַיְדַבֵּ֛ר H1696 gesproken, sprak, spreken answer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work 8 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 9 כָּל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 10 הַדְּבָרִ֥ים H1697 woord, woorden, zaak act, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work 11 הָאֵ֖לֶּה H428 deze, dit, dezen an-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m) 12 בְּאָזְנֵיהֶ֑ם H241 oren, oor, Oren [phrase] advertise, audience, [phrase] displease, ear, hearing, [phrase] show 13 וַיִּֽירְא֥וּ H3372 vrezen, vreesde, Vrees affright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing) 14 הָאֲנָשִׁ֖ים H376 man, mannen, ieder also, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה) 15 מְאֹֽד H3966 zeer, gans, grote diligently, especially, exceeding(-ly), far, fast, good, great(-ly), [idiom] louder and louder, might(-ily, -y), (so) much, quickly, (so) sore, utterly, very ([phrase] much, sore), well

Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.

Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
9 En Abimelech riep Abraham, en zeide tot hem: Wat hebt gij ons gedaan? en wat heb ik tegen u gezondigd, dat gij over mij en over mijn koninkrijk een grote zonde gebracht hebt? gij hebt daden met mij gedaan, die niet zouden gedaan worden.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

9 En AbimelechH40 riepH7121 AbrahamH85, en zeideH559 tot hem: Wat hebt gij ons gedaanH6213? en wat heb ik tegen u gezondigdH2398, dat gij over mij en over mijn koninkrijkH4467 een groteH1419 zondeH2401 gebrachtH935 hebt? gij hebt dadenH4639 met mij gedaan, dieH834 nietH3808 zouden gedaan worden. En Abimelech riep Abraham, en zeide tot hem: Wat hebt gij ons gedaan? en wat heb ik tegen u gezondigd, dat gij over mij en over mijn koninkrijk een grote zonde gebracht hebt? gij hebt daden met mij gedaan, die niet zouden gedaan worden.

KJV Then Abimelech2 called1 Abraham,3 and said4 unto him, What hast thou done7 unto us? and what have I offended10 thee, that thou hast brought13 on me and on my kingdom16 a great18 sin?17 thou hast done22 deeds19 unto me that ought not to be done.

1 וַיִּקְרָ֨א H7121 riep, noemde, roepen bewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say 2 אֲבִימֶ֜לֶךְ H40 Abimelech, Abimelechs Abimelech 3 לְאַבְרָהָ֗ם H85 Abraham, Abrahams, zoon Abraham 4 וַיֹּ֨אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 5 ל֜וֹ 6 מֶֽה H4100 wat, waarom, hoe how (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why 7 עָשִׂ֤יתָ H6213 doen, gedaan, maakte accomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use 8 לָּ֨נוּ֙ 9 וּמֶֽה H4100 wat, waarom, hoe how (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why 10 חָטָ֣אתִי H2398 gezondigd, zondigen, zondigt bear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass 11 לָ֔ךְ 12 כִּֽי H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 13 הֵבֵ֧אתָ H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 14 עָלַ֛י H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 15 וְעַל H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 16 מַמְלַכְתִּ֖י H4467 koninkrijk, koninkrijken, koninkrijks kingdom, king's, reign, royal 17 חֲטָאָ֣ה H2401 zonde, zondoffer sin (offering) 18 גְדֹלָ֑ה H1419 grote, groot, groten [phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very 19 מַעֲשִׂים֙ H4639 werk, werken, daden act, art, [phrase] bakemeat, business, deed, do(-ing), labor, thing made, ware of making, occupation, thing offered, operation, possession, [idiom] well, (handy-, needle-, net-) work(ing, -manship), wrought 20 אֲשֶׁ֣ר H834 die, dat, wat [idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection 21 לֹא H3808 niet, geen, noch [idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without 22 יֵֽעָשׂ֔וּ H6213 doen, gedaan, maakte accomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use 23 עָשִׂ֖יתָ H6213 doen, gedaan, maakte accomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use 24 עִמָּדִֽי H5978 met, bij against, by, from, [phrase] me, [phrase] mine, of, [phrase] that I take, unto, upon, with(-in.)
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
10 Voorts zeide Abimelech tot Abraham: Wat hebt gij gezien, dat gij deze zaak gedaan hebt?
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

10 Voorts zeideH559 AbimelechH40 totH413 AbrahamH85: WatH4100 hebt gij gezienH7200, dat gij dezeH2088 zaakH1697 gedaanH6213 hebt? Voorts zeide Abimelech tot Abraham: Wat hebt gij gezien, dat gij deze zaak gedaan hebt?

KJV And Abimelech2 said1 unto Abraham,4 What5 sawest thou,6 that thou hast done8 this thing?

1 וַיֹּ֥אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 2 אֲבִימֶ֖לֶךְ H40 Abimelech, Abimelechs Abimelech 3 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 4 אַבְרָהָ֑ם H85 Abraham, Abrahams, zoon Abraham 5 מָ֣ה H4100 wat, waarom, hoe how (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why 6 רָאִ֔יתָ H7200 zag, zien, gezien advise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions 7 כִּ֥י H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 8 עָשִׂ֖יתָ H6213 doen, gedaan, maakte accomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use 9 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 10 הַדָּבָ֥ר H1697 woord, woorden, zaak act, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work 11 הַזֶּֽה H2088 dit, deze, dezen he, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
11 En Abraham zeide: Want ik dacht: alleen is de vreze Gods in deze plaats niet, zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

11 En AbrahamH85 zeideH559: WantH3588 ik dachtH559: alleen is de vrezeH3374 GodsH430 in dezeH2088 plaatsH4725 nietH369, zodat zij mij om mijner huisvrouwH802 wilH1697 zullen dodenH2026. En Abraham zeide: Want ik dacht: alleen is de vreze Gods in deze plaats niet, zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden.

KJV And Abraham2 said,1 Because I thought,4 Surely5 the fear7 of God8 is not in this place;9 and they will slay me11 for my wife's14 sake.

1 וַיֹּ֨אמֶר֙ H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 2 אַבְרָהָ֔ם H85 Abraham, Abrahams, zoon Abraham 3 כִּ֣י H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 4 אָמַ֗רְתִּי H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 5 רַ֚ק H7535 alleen, slechts but, even, except, howbeit howsoever, at the least, nevertheless, nothing but, notwithstanding, only, save, so (that), surely, yet (so), in any wise 6 אֵין H369 geen, niet, niemand else, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן) 7 יִרְאַ֣ת H3374 vreze, vrees, vrezen [idiom] dreadful, [idiom] exceedingly, fear(-fulness) 8 אֱלֹהִ֔ים H430 God, Gods, goden angels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty 9 בַּמָּק֖וֹם H4725 plaats, plaatsen, plaatse country, [idiom] home, [idiom] open, place, room, space, [idiom] whither(-soever) 10 הַזֶּ֑ה H2088 dit, deze, dezen he, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ) 11 וַהֲרָג֖וּנִי H2026 doden, gedood, doodde destroy, out of hand, kill, murder(-er), put to (death), make (slaughter), slay(-er), [idiom] surely 12 עַל H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 13 דְּבַ֥ר H1697 woord, woorden, zaak act, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work 14 אִשְׁתִּֽי H802 vrouw, vrouwen, huisvrouw (adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
12 En ook is zij waarlijk mijn zuster; zij is mijns vaders dochter, maar niet mijner moeder dochter; en zij is mij ter vrouwe geworden.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

12 En ookH1571 is zij waarlijkH546 mijn zusterH269; zij is mijns vadersH1 dochterH1323, maar nietH3808 mijner moederH517 dochterH1323; en zij isH1961 mij ter vrouweH802 geworden. En ook is zij waarlijk mijn zuster; zij is mijns vaders dochter, maar niet mijner moeder dochter; en zij is mij ter vrouwe geworden.

KJV And yet indeed2 she is my sister;3 she is the daughter4 of my father,5 but not the daughter9 of my mother;10 and she became my wife.

1 וְגַם H1571 ook, zelfs, ja again, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea 2 אָמְנָ֗ה H546 Voorwaar, waarlijk indeed 3 אֲחֹתִ֤י H269 zuster, zusters, zusteren (an-) other, sister, together 4 בַת H1323 dochter, dochteren, onderhorige plaatsen apple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village 5 אָבִי֙ H1 vader, vaderen, vaders chief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-' 6 הִ֔וא H1931 hij, het, zij he, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who 7 אַ֖ךְ H389 doch, alleen; voorzeker also, in any wise, at least, but, certainly, even, howbeit, nevertheless, notwithstanding, only, save, surely, of a surety, truly, verily, [phrase] wherefore, yet (but) 8 לֹ֣א H3808 niet, geen, noch [idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without 9 בַת H1323 dochter, dochteren, onderhorige plaatsen apple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village 10 אִמִּ֑י H517 moeder, moeders dam, mother, [idiom] parting 11 וַתְּהִי H1961 zijn, geschiedde, was beacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use 12 לִ֖י 13 לְאִשָּֽׁה H802 vrouw, vrouwen, huisvrouw (adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
13 En het is geschied, als God mij uit mijns vaders huis deed dwalen, zo sprak ik tot haar: Dit zij uw weldadigheid, die gij bij mij doen zult; aan alle plaatsen waar wij komen zullen, zeg van mij: Hij is mijn broeder!
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

13 En het is geschiedH1961, als GodH430 mij uit mijns vadersH1 huisH1004 deed dwalenH8582, zo sprakH559 ik tot haar: DitH2088 zij uw weldadigheidH2617, die gij bij mij doenH6213 zult; aanH413 alleH3605 plaatsenH4725 waar wij komenH935 zullen, zegH559 van mij: HijH1931 is mijn broederH251! En het is geschied, als God mij uit mijns vaders huis deed dwalen, zo sprak ik tot haar: Dit zij uw weldadigheid, die gij bij mij doen zult; aan alle plaatsen waar wij komen zullen, zeg van mij: Hij is mijn broeder!

KJV And it came to pass, when God5 caused me to wander3 from my father's7 house,6 that I said8 unto her, This is thy kindness11 which thou shalt shew13 unto me; at every place17 whither we shall come,19 say21 of me, He is my brother.

1 וַיְהִ֞י H1961 zijn, geschiedde, was beacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use 2 כַּאֲשֶׁ֧ר H834 die, dat, wat [idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection 3 הִתְע֣וּ H8582 dwalen, dolen, verleid (cause to) go astray, deceive, dissemble, (cause to, make to) err, pant, seduce, (make to) stagger, (cause to) wander, be out of the way 4 אֹתִ֗י H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 5 אֱלֹהִים֮ H430 God, Gods, goden angels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty 6 מִבֵּ֣ית H1004 huis, huizen, huize court, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out) 7 אָבִי֒ H1 vader, vaderen, vaders chief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-' 8 וָאֹמַ֣ר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 9 לָ֔הּ 10 זֶ֣ה H2088 dit, deze, dezen he, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ) 11 חַסְדֵּ֔ךְ H2617 goedertierenheid, weldadigheid, goedertierenheden favour, good deed(-liness, -ness), kindly, (loving-) kindness, merciful (kindness), mercy, pity, reproach, wicked thing 12 אֲשֶׁ֥ר H834 die, dat, wat [idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection 13 תַּעֲשִׂ֖י H6213 doen, gedaan, maakte accomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use 14 עִמָּדִ֑י H5978 met, bij against, by, from, [phrase] me, [phrase] mine, of, [phrase] that I take, unto, upon, with(-in.) 15 אֶ֤ל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 16 כָּל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 17 הַמָּקוֹם֙ H4725 plaats, plaatsen, plaatse country, [idiom] home, [idiom] open, place, room, space, [idiom] whither(-soever) 18 אֲשֶׁ֣ר H834 die, dat, wat [idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection 19 נָב֣וֹא H935 komen, kwam, kwamen abide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way 20 שָׁ֔מָּה H8033 daar, aldaar, derwaarts in it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither 21 אִמְרִי H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 22 לִ֖י 23 אָחִ֥י H251 broederen, broeder, broeders another, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-' 24 הֽוּא H1931 hij, het, zij he, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
14 Toen nam Abimelech schapen en runderen, ook dienstknechten en dienstmaagden, en gaf dezelve aan Abraham; en hij gaf hem Sara zijn huisvrouw weder.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

14 Toen namH3947 AbimelechH40 schapenH6629 en runderenH1241, ook dienstknechtenH5650 en dienstmaagdenH8198, en gafH5414 dezelve aan AbrahamH85; en hij gaf hem SaraH8283 zijn huisvrouwH802 weder. Toen nam Abimelech schapen en runderen, ook dienstknechten en dienstmaagden, en gaf dezelve aan Abraham; en hij gaf hem Sara zijn huisvrouw weder.

KJV And Abimelech2 took1 sheep,3 and oxen,4 and menservants,5 and womenservants,6 and gave7 them unto Abraham,8 and restored9 him Sarah12 his wife.

1 וַיִּקַּ֨ח H3947 nam, nemen, genomen accept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win 2 אֲבִימֶ֜לֶךְ H40 Abimelech, Abimelechs Abimelech 3 צֹ֣אן H6629 schapen, kudde, klein vee (small) cattle, flock ([phrase] -s), lamb ([phrase] -s), sheep(-cote, -fold, -shearer, -herds) 4 וּבָקָ֗ר H1241 runderen, rund, koeien beeve, bull ([phrase] -ock), [phrase] calf, [phrase] cow, great (cattle), [phrase] heifer, herd, kine, ox 5 וַעֲבָדִים֙ H5650 knechten, knecht, knechts [idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant 6 וּשְׁפָחֹ֔ת H8198 dienstmaagd, dienstmaagden, maagden (bond-, hand-) maid(-en, -servant), wench, bondwoman, womanservant 7 וַיִּתֵּ֖ן H5414 gegeven, geven, gaf add, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield 8 לְאַבְרָהָ֑ם H85 Abraham, Abrahams, zoon Abraham 9 וַיָּ֣שֶׁב H7725 wederkeren, keerde, keren ((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw 10 ל֔וֹ 11 אֵ֖ת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 12 שָׂרָ֥ה H8283 Sara, sara Sarah 13 אִשְׁתּֽוֹ H802 vrouw, vrouwen, huisvrouw (adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
15 En Abimelech zeide: Zie, mijn land is voor uw aangezicht; woon, waar het goed is in uw ogen.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

15 En AbimelechH40 zeideH559: ZieH2009, mijn landH776 is voor uw aangezichtH6440; woonH3427, waar het goedH2896 is in uw ogenH5869. En Abimelech zeide: Zie, mijn land is voor uw aangezicht; woon, waar het goed is in uw ogen.

KJV And Abimelech2 said,1 Behold, my land4 is before thee:5 dwell8 where it pleaseth6

1 וַיֹּ֣אמֶר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 2 אֲבִימֶ֔לֶךְ H40 Abimelech, Abimelechs Abimelech 3 הִנֵּ֥ה H2009 ziet, zie behold, lo, see 4 אַרְצִ֖י H776 land, aarde, lands [idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world 5 לְפָנֶ֑יךָ H6440 aangezicht, voor, aangezichten [phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you 6 בַּטּ֥וֹב H2896 goed, goede, beter beautiful, best, better, bountiful, cheerful, at ease, [idiom] fair (word), (be in) favour, fine, glad, good (deed, -lier, -liest, -ly, -ness, -s), graciously, joyful, kindly, kindness, liketh (best), loving, merry, [idiom] most, pleasant, [phrase] pleaseth, pleasure, precious, prosperity, ready, sweet, wealth, welfare, (be) well(-favoured) 7 בְּעֵינֶ֖יךָ H5869 ogen, oog, verf affliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves) 8 שֵֽׁב H3427 inwoners, wonen, woonden (make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
16 En tot Sara zeide hij: Zie, ik heb uw broeder duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel der ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

16 En tot SaraH8283 zeideH559 hij: ZieH2009, ik heb uw broederH251 duizendH505 zilverlingenH3701 gegevenH5414; zieH2009, hij zijH1931 u een dekselH3682 der ogenH5869, allenH3605, die met u zijn, ja, bij allenH3605, en wees geleerdH3198. En tot Sara zeide hij: Zie, ik heb uw broeder duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel der ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd.

KJV And unto Sarah1 he said,2 Behold, I have given4 thy brother7 a thousand5 pieces of silver:6 behold, he is to thee a covering11 of the eyes,12 unto all that are with thee, and with all other: thus she was reproved.

1 וּלְשָׂרָ֣ה H8283 Sara, sara Sarah 2 אָמַ֗ר H559 zeide, zeggende, zegt answer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet 3 הִנֵּ֨ה H2009 ziet, zie behold, lo, see 4 נָתַ֜תִּי H5414 gegeven, geven, gaf add, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield 5 אֶ֤לֶף H505 duizend, duizenden, twee duizend thousand 6 כֶּ֨סֶף֙ H3701 zilver, geld, zilveren money, price, silver(-ling) 7 לְאָחִ֔יךְ H251 broederen, broeder, broeders another, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-' 8 הִנֵּ֤ה H2009 ziet, zie behold, lo, see 9 הוּא H1931 hij, het, zij he, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who 10 לָךְ֙ 11 כְּס֣וּת H3682 deksel, opperkleeds covering, raiment, vesture 12 עֵינַ֔יִם H5869 ogen, oog, verf affliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves) 13 לְכֹ֖ל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 14 אֲשֶׁ֣ר H834 die, dat, wat [idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection 15 אִתָּ֑ךְ H854 met, van, bij against, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix 16 וְאֵ֥ת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 17 כֹּ֖ל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 18 וְנֹכָֽחַת H3198 bestraft, bestraffen, straffen appoint, argue, chasten, convince, correct(-ion), daysman, dispute, judge, maintain, plead, reason (together), rebuke, reprove(-r), surely, in any wise
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
17 En Abraham bad tot God; en God genas Abimelech, en zijn huisvrouw, en zijn dienstmaagden, zodat zij baarden.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

17 En AbrahamH85 badH6419 totH413 GodH430; en GodH430 genasH7495 AbimelechH40, en zijn huisvrouwH802, en zijn dienstmaagdenH519, zodat zij baardenH3205. En Abraham bad tot God; en God genas Abimelech, en zijn huisvrouw, en zijn dienstmaagden, zodat zij baarden.

KJV So Abraham2 prayed1 unto God:4 and God6 healed5 Abimelech,8 and his wife,10 and his maidservants;11 and they bare

1 וַיִּתְפַּלֵּ֥ל H6419 bidden, bad, bid intreat, judge(-ment), (make) pray(-er, -ing), make supplication 2 אַבְרָהָ֖ם H85 Abraham, Abrahams, zoon Abraham 3 אֶל H413 tot, naar, aan about, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in) 4 הָאֱלֹהִ֑ים H430 God, Gods, goden angels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty 5 וַיִּרְפָּ֨א H7495 genezen, gezond, helen cure, (cause to) heal, physician, repair, [idiom] thoroughly, make whole. See H7503 (רָפָה) 6 אֱלֹהִ֜ים H430 God, Gods, goden angels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty 7 אֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 8 אֲבִימֶ֧לֶךְ H40 Abimelech, Abimelechs Abimelech 9 וְאֶת H853 wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald (as such unrepresented in English) 10 אִשְׁתּ֛וֹ H802 vrouw, vrouwen, huisvrouw (adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English 11 וְאַמְהֹתָ֖יו H519 dienstmaagd, dienstmaagden, maagden (hand-) bondmaid(-woman), maid(-servant) 12 וַיֵּלֵֽדוּ H3205 gewon, baarde, geboren bear, beget, birth(-day), born, (make to) bring forth (children, young), bring up, calve, child, come, be delivered (of a child), time of delivery, gender, hatch, labour, (do the office of a) midwife, declare pedigrees, be the son of, (woman in, woman that) travail(-eth, -ing woman)
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
18 Want de HEERE had al de baarmoeders van het huis van Abimelech ganselijk toegesloten, ter oorzake van Sara, Abrahams huisvrouw.
א

Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.

18 WantH3588 de HEEREH3068 had alH3605 de baarmoedersH7358 van het huisH1004 van AbimelechH40 ganselijkH6113 toegeslotenH6113, ter oorzakeH1697 van SaraH8283, AbrahamsH85 huisvrouwH802. Want de HEERE had al de baarmoeders van het huis van Abimelech ganselijk toegesloten, ter oorzake van Sara, Abrahams huisvrouw.

KJV For the LORD4 had fast2 closed up3 all the wombs7 of the house8 of Abimelech,9 because11 of Sarah12 Abraham's14 wife.

1 כִּֽי H3588 want, dat, maar and, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet 2 עָצֹ֤ר H6113 opgehouden, besloten, beslotene [idiom] be able, close up, detain, fast, keep (self close, still), prevail, recover, refrain, [idiom] reign, restrain, retain, shut (up), slack, stay, stop, withhold (self) 3 עָצַר֙ H6113 opgehouden, besloten, beslotene [idiom] be able, close up, detain, fast, keep (self close, still), prevail, recover, refrain, [idiom] reign, restrain, retain, shut (up), slack, stay, stop, withhold (self) 4 יְהוָ֔ה H3068 HEERE Jehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה) 5 בְּעַ֥ד H1157 voor, om; door heen about, at by (means of), for, over, through, up (-on), within 6 כָּל H3605 al, alle, ganse (in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever) 7 רֶ֖חֶם H7358 baarmoeder, baarmoeders, lijf matrix, womb 8 לְבֵ֣ית H1004 huis, huizen, huize court, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out) 9 אֲבִימֶ֑לֶךְ H40 Abimelech, Abimelechs Abimelech 10 עַל H5921 op, over, aan above, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with 11 דְּבַ֥ר H1697 woord, woorden, zaak act, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work 12 שָׂרָ֖ה H8283 Sara, sara Sarah 13 אֵ֥שֶׁת H802 vrouw, vrouwen, huisvrouw (adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English 14 אַבְרָהָֽם H85 Abraham, Abrahams, zoon Abraham
Meer over de grondtalen en de Strong's-nummers
Kruisverwijzingen Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Genesis 20:1 Genesis 26:6 Genesis 18:1 Genesis 26:1 Genesis 16:7 Genesis 16:14 Genesis 16:1 Genesis 14:7 Deuteronomium 1:19
Genesis 20:2 Genesis 26:7 Genesis 12:15 Genesis 12:11 Kolossenzen 3:9 2 Kronieken 19:2 Genesis 26:16 Prediker 7:20 Genesis 26:1
Genesis 20:3 Genesis 20:7 Job 33:15 Psalmen 105:14 Mattheüs 1:20 Mattheüs 27:19 Genesis 31:24 Ezechiël 33:14 Genesis 37:5
Genesis 20:4 Genesis 18:23 1 Kronieken 21:17 Genesis 20:6 2 Samuël 4:11 Genesis 20:17 Genesis 19:24
Genesis 20:5 Psalmen 7:8 1 Koningen 9:4 Spreuken 11:3 2 Koningen 20:3 Psalmen 26:6 2 Korinthe 1:12 Job 33:9 Psalmen 78:72
Genesis 20:6 1 Samuël 25:34 1 Samuël 25:26 Psalmen 51:4 Genesis 31:7 Genesis 39:9 Genesis 26:11 Leviticus 6:2 Genesis 35:5
Genesis 20:7 Job 42:8 1 Samuël 7:5 2 Samuël 24:17 2 Koningen 5:11 Numeri 16:32 Genesis 2:17 1 Johannes 5:16 Ezechiël 33:8
Genesis 20:9 Genesis 12:18 Genesis 26:10 Genesis 34:7 Genesis 39:9 Romeinen 2:11 Hebreeën 13:4 Genesis 38:24 Exodus 32:35
Genesis 20:11 Genesis 12:12 Genesis 26:7 Spreuken 16:6 Genesis 42:18 Nehemia 5:15 Job 1:1 Spreuken 8:13 Psalmen 14:4
Genesis 20:12 Genesis 11:29 Genesis 12:13 1 Thessalonicenzen 5:22
Genesis 20:13 Genesis 12:1 Genesis 12:9 Hebreeën 11:8 Handelingen 7:3 1 Samuël 23:21 Psalmen 64:5 Handelingen 5:9 Genesis 12:11
Genesis 20:14 Genesis 12:16 Genesis 12:19 Genesis 20:11 Genesis 20:2 Genesis 20:7
Genesis 20:15 Genesis 13:9 Genesis 34:10 Genesis 47:6
Genesis 20:16 Spreuken 27:5 Genesis 20:5 Genesis 24:65 1 Kronieken 21:3 Spreuken 25:12 Genesis 26:11 Openbaring 3:19 Spreuken 9:8
Genesis 20:17 Jakobus 5:16 Filippenzen 4:6 1 Samuël 5:11 Job 42:9 Mattheüs 7:7 Spreuken 15:29 Genesis 29:31 1 Thessalonicenzen 5:25
Genesis 20:18 Genesis 12:17 1 Samuël 1:6 Genesis 16:2 Genesis 20:7 Genesis 30:2 1 Samuël 5:10
Kanttekeningen De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Genesis 20 vers 1

van daar Te weten, van de eikenbossen, Mamre, bij Hebron. Zie Gen. 13:18, en Gen. 14:13 en Gen. 18:1.

Hertaald: van daar Namelijk: van de eikenbossen van Mamre, bij Hebron. Zie Gen. 13:18, en Gen. 14:13 en Gen. 18:1.

naar het Hebron en Mamre waren wel in het zuidelijk einde van Palestina gelegen, maar Abraham is nog meer zuidwaarts getrokken, om redenen die de Heilige Schrift niet meldt.

Hertaald: naar het Hebron en Mamre lagen weliswaar in het zuidelijke deel van Palestina, maar Abraham trok nog verder zuidwaarts, om redenen die de Heilige Schrift niet vermeldt.

Kades Zie boven Gen. 14:7.

Hertaald: Kades Zie Gen. 14:7.

Sur; Zie boven Gen. 16:7.

Hertaald: Sur; Zie Gen. 16:7.

Gerar Een stad, gelegen in het zuiden van Kanaän, niet ver van Berseba en Ziklag; zie boven Gen. 10:19, onder Gen. 26:1, en 2 Kron. 14:13.

Hertaald: Gerar Een stad in het zuiden van Kanaän, niet ver van Berseba en Ziklag; zie Gen. 10:19, Gen. 26:1, en 2 Kron. 14:13.

Genesis 20 vers 2

gezegd Te weten, uit gelijke vrees, als hem ook tevoren toen hij naar Egypte reisde, overkomen was. Zie boven Gen. 11:29, en Gen. 12:13, en in dit hoofdst. vs.12.

Hertaald: gezegd Namelijk: uit dezelfde vrees als hem eerder overkwam toen hij naar Egypte reisde. Zie Gen. 11:29, en Gen. 12:13, en in dit hoofdstuk vers 12.

Abimélech, Men meent dat deze naam den koningen van dat land gemeen is geweest, gelijk de naam Faraö in Egypte. Zie boven Gen. 12:15, verg. onder Gen. 26:1; Ps. 34:1.

Hertaald: Abimélech, Men neemt aan dat deze naam gebruikelijk was voor de koningen van dat land, zoals de naam Farao in Egypte. Zie Gen. 12:15, vergelijk Gen. 26:1; Ps. 34:1.

Genesis 20 vers 3

in een God heeft in voorgaande tijden zich geopenbaard door dromen, niet alleen den zijnen, maar ook aan degenen, die vreemd van zijn volk waren, en dat ten beste van de zijnen. Zie onder Gen. 28:12, en Gen. 31:24, en Gen. 40:8, en Gen. 41:1; Dan. 2:1, en Dan. 4:5.

Hertaald: in een God heeft zich in vroegere tijden door dromen geopenbaard, niet alleen aan de zijnen, maar ook aan hen die geen deel van zijn volk waren, en dat ten goede van de zijnen. Zie Gen. 28:12, en Gen. 31:24, en Gen. 40:8, en Gen. 41:1; Dan. 2:1, en Dan. 4:5.

gij zijt Anders, gij gaat sterven; dat is, gij zult straks sterven, zo gij deze vrouw niet terstond ongeschonden wedergeeft. Verg. onder vs.7, en zie deze manier van spreken onder Gen. 30:1, en Gen. 48:21, en Gen. 50:24.

Hertaald: gij zijt Anders: gij gaat sterven; dat is: gij zult spoedig sterven, als gij deze vrouw niet meteen ongeschonden teruggeeft. Vergelijk vers 7, en zie deze uitdrukking in Gen. 30:1, en Gen. 48:21, en Gen. 50:24.

Genesis 20 vers 4

genaderd; Dat is, hij had haar niet beslapen. Deze manier van spreken komt overeen met een vrouw bekennen, boven Gen. 4:1; tot een vrouw ingaan, boven Gen. 6:4; of een vrouw aanroeren, Spr. 6:29; 1 Kor. 7:1, en onder vs.6. Versta, dat hij door God belet was door ziekte. Zie onder vs.6, 17.

Hertaald: genaderd; Dat is: hij had geen gemeenschap met haar gehad. Deze uitdrukking komt overeen met 'een vrouw kennen', Gen. 4:1, 'tot een vrouw ingaan', Gen. 6:4, of 'een vrouw aanraken', Spr. 6:29; 1 Kor. 7:1, en vers 6 hierna. Bedoeld wordt dat hij door God verhinderd was, door ziekte. Zie vers 6, 17.

rechtvaardig Dat is, onschuldig en onnozel in deze zaak. Verg. 2 Sam. 4:11.

Hertaald: rechtvaardig Dat is: onschuldig en argeloos in deze zaak. Vergelijk 2 Sam. 4:11.

volk Dat is, niet alleen mijn huisgezin, gelijk vs.17, maar ook de andere onderdanen, gelijk vs.9.

Hertaald: volk Dat is: niet alleen mijn huisgezin, zoals in vers 17, maar ook de andere onderdanen, zoals in vers 9.

Genesis 20 vers 5

In Dat is, hierin is mijn hart zuiver van een overspelig voornemen, en mijn lichaam van onkuische daad. Zo wordt de inwendige en uitwendige onschuld en ongeveinsdheid, òf in het algemeen van den gehelen wandel der vromen, òf in het bijzonder van enige zaak en enig werk ook elder uitgedrukt, zo als 1 Kon. 9:4; 1 Kron. 29:17; Ps. 24:4, en Ps. 73:13, en Ps. 78:72, en Ps. 101:2.

Hertaald: In Dat is: hierin is mijn hart zuiver van overspelig voornemen, en mijn lichaam van onkuise daad. Zo wordt de innerlijke en uiterlijke onschuld en oprechtheid, hetzij in het algemeen over de hele levenswandel van de vromen, hetzij in het bijzonder over een bepaalde zaak, ook elders uitgedrukt, zoals in 1 Kon. 9:4; 1 Kron. 29:17; Ps. 24:4, en Ps. 73:13, en Ps. 78:72, en Ps. 101:2.

mijner Hebr. mijner palmen, of van het hol mijner handen. Zie Job 17:9.

Hertaald: mijner Hebreeuws: mijner palmen, of van de holte van mijn handen. Zie Job 17:9.

Genesis 20 vers 6

gij dit Hiermede wil God niet zeggen dat hij ten enenmale in het nemen van Sara onschuldig was, maar ten aanzien van het voornemen en de daad des overspels. Zelfs een enkel ongeveinsd voornemen, in een kwade daad, maar uit onbedachtzaamheid of onwetenden ijver spruitende, wordt aldus uitgedrukt, gelijk 2 Sam. 15:11; 1 Kon. 22:34, en 2 Kron. 18:33.

Hertaald: gij dit Hiermee wil God niet zeggen dat hij in het nemen van Sara volkomen onschuldig was, maar wel wat het voornemen en de daad van overspel betreft. Zelfs een enkel, ongeveinsd voornemen tot een kwade daad, dat echter uit onbedachtzaamheid of onwetende ijver voortkomt, wordt zo uitgedrukt, zoals in 2 Sam. 15:11; 1 Kon. 22:34, en 2 Kron. 18:33.

van tegen De misdaad aan Sara en Abraham rekent God als hemzelven aangedaan; verg. Ps. 51:6, en Ps. 105:14-15, Hand. 9:5.

Hertaald: van tegen Het onrecht dat Sara en Abraham is aangedaan, rekent God als Hemzelf aangedaan; vergelijk Ps. 51:6, en Ps. 105:14-15, Hand. 9:5.

toegelaten Hebr. gegeven.

Hertaald: toegelaten Hebreeuws: gegeven.

Genesis 20 vers 7

een profeet Dat is, een man Gods, van zonderlinge wetenschap en godvruchtigheid, aan wien Ik Mij zeer vrijelijk openbaar, en dien Ik zeer liefheb en die Mij waardig is.

Hertaald: een profeet Dat is: een man Gods, met bijzondere kennis en godsvrucht, aan wie Ik Mij zeer vrijmoedig openbaar, en die Ik zeer liefheb en die Mij waardig is.

hij zal Of, laat hem voor u bidden.

Hertaald: hij zal Of: laat hem voor u bidden.

al wat uwes is Of, al wie de uwen zijn.

Hertaald: al wat uwes is Of: allen die van u zijn.

Genesis 20 vers 8

knechten, Versta, raadsheren, officieren en voornaamste hovelingen. Alzo 1 Kon. 1:2, en 1 Kon. 10:5; 2 Kon. 6:8; 2 Kron. 24:25.

Hertaald: knechten, Bedoeld worden raadslieden, ambtenaren en de voornaamste hovelingen. Zo ook 1 Kon. 1:2, en 1 Kon. 10:5; 2 Kon. 6:8; 2 Kron. 24:25.

woorden Of, zaken; te weten, die hem in den droom waren wedervaren. Alzo ook onder, vs.10, en Gen. 24:66, enz.

Hertaald: woorden Of: zaken; namelijk wat hem in de droom overkomen was. Zo ook in vers 10, en Gen. 24:66, enz.

voor hun Dat is, dat zij die hoorden.

Hertaald: voor hun Dat is: zodat zij het hoorden.

vreesden Als hebbende ten dienste van hun koning het nemen van Sara gevorderd. Verg. boven Gen. 12:15.

Hertaald: vreesden Omdat zij, ten dienste van hun koning, het nemen van Sara bevorderd hadden. Vergelijk Gen. 12:15.

Genesis 20 vers 9

een grote zonde Dat is, gij zoudt, door uw onbedachtzaamheid, de grote zonde des overspels en de straf daarvan over ons allen gebracht hebben. Het is opmerkelijk in dezen heidensen koning, dat hij het overspel, zelfs in den tijd [vóór de wet] gehouden heeft voor zulk een gruwelijke zonde, dat ook zijn ganse koninkrijk zijnenthalve daarom zou hebben moeten lijden. Zie onder Gen. 38:24; Lev. 20:10; Deut. 22:22; 2 Sam. 12:5; 2 Sam. 12:10-11; Jer. 29:22-23; Ezech. 16:38, Ezech. 16:40, en Ezech. 23:45, Ezech. 23:47; Joh. 8:5.

Hertaald: een grote zonde Dat is: gij zoudt door uw onbedachtzaamheid de grote zonde van overspel en de straf daarvoor over ons allen gebracht hebben. Het is opmerkelijk bij deze heidense koning, dat hij overspel — zelfs in de tijd vóór de wet — beschouwde als zo'n zware zonde, dat zelfs zijn hele koninkrijk daarvoor zou moeten lijden. Zie Gen. 38:24; Lev. 20:10; Deut. 22:22; 2 Sam. 12:5; 2 Sam. 12:10-11; Jer. 29:22-23; Ezech. 16:38, Ezech. 16:40, en Ezech. 23:45, Ezech. 23:47; Joh. 8:5.

die niet Dat is, die ongeoorloofd en onbetamelijk zijn. Zie dezelfde manier van spreken onder Gen. 34:7; Lev. 4:2, Lev. 4:13.

Hertaald: die niet Dat is: die ongeoorloofd en onbetamelijk zijn. Zie dezelfde uitdrukking in Gen. 34:7; Lev. 4:2, Lev. 4:13.

Genesis 20 vers 10

Wat hebt Of, wat hebt gij ingezien, of opgemerkt, dat u bewogen heeft om dit te doen?

Hertaald: Wat hebt Of: wat hebt gij gezien, of opgemerkt, dat u ertoe bewogen heeft dit te doen?

Genesis 20 vers 11

ik dacht Hebr. ik zeide, dat is, ik dacht. Aldus wordt zeggen voor denken genomen; Ex. 2:14; Joz. 22:34; 1 Kon. 5:5; 2 Kron. 2:1; Jes. 8:12; Hand. 7:28.

Hertaald: ik dacht Hebreeuws: ik zeide, dat is: ik dacht. Zo wordt 'zeggen' vaak gebruikt voor 'denken'; Ex. 2:14; Joz. 22:34; 1 Kon. 5:5; 2 Kron. 2:1; Jes. 8:12; Hand. 7:28.

alleen is Hij schijnt te willen zeggen: hier is wel een schone landstreek en alle overvloed, maar alleen ontbreekt de vreze Gods. And. zekerlijk is, enz.

Hertaald: alleen is Hij lijkt te willen zeggen: hier is wel een mooie streek en overvloed van alles, maar alleen de vreze Gods ontbreekt. Anders: zekerlijk is, enz.

huisvrouw Hebr. om de zaak van mijn huisvrouw.

Hertaald: huisvrouw Hebreeuws: om de zaak van mijn vrouw.

Genesis 20 vers 12

zij is Zie boven Gen. 11:29.

Hertaald: zij is Zie Gen. 11:29.

Genesis 20 vers 13

deed dwalen, Hoewel de naam Gods ELOHIM, die in het getal van velen staat, gewoonlijk gevoegd wordt bij een woord, dat in het eenvoudig staat, hetwelk betekent de enigheid des Goddelijken wezens, nochtans wordt het hier gevoegd bij een woord, dat ook in het getal van velen staat, om [zoals sommige geleerden oordelen] te betekenen de drievuldigheid der personen, Hebr. Als mij ELOHIM deden dwalen. Zie dergelijke manier van spreken, onder Gen. 35:7; Joz. 24:19; 2 Sam. 7:23; Ps. 58:12; Jer. 10:10.

Hertaald: deed dwalen, Hoewel de naam van God, Elohim, die in het meervoud staat, meestal gecombineerd wordt met een werkwoord in het enkelvoud, om de eenheid van het Goddelijke wezen aan te geven, wordt hij hier gecombineerd met een werkwoord dat ook in het meervoud staat, om [zoals sommige geleerden menen] de drievuldigheid van de Personen aan te duiden. Hebreeuws: toen Elohim mij deden dwalen. Zie een vergelijkbare uitdrukking in Gen. 35:7; Joz. 24:19; 2 Sam. 7:23; Ps. 58:12; Jer. 10:10.

aan alle Hiermede schijnt Abraham te willen zeggen dat hij, uit zijns vaders huis trekkende, vermoedde dat hij geen vreze Gods vinden zou bij enige volken, tot welke hij zou komen; zodat die van Gerar dit zich in het bijzonder niet hadden aan te trekken.

Hertaald: aan alle Hiermee lijkt Abraham te willen zeggen dat hij, toen hij uit zijn vaders huis vertrok, vermoedde dat hij bij geen enkel volk waar hij zou komen de vreze Gods zou aantreffen; zodat die van Gerar zich dit niet in het bijzonder hoefden aan te trekken.

Genesis 20 vers 14

Toen nam Dit, mitsgaders het vorafgaande en volgende, is een uitzonderlinge beleefdheid in een heidensen koning, voortgekomen uit Gods beleid en regering.

Hertaald: Toen nam Dit, evenals wat eraan voorafgaat en volgt, is uitzonderlijke beleefdheid voor een heidense koning, en kwam voort uit Gods bestel en bestuur.

Genesis 20 vers 15

voor uw Dat is, voor u open en ten uwen beste. And. deed Faraö, boven Gen. 12:19-20. Zie boven, Gen. 12:13.

Hertaald: voor uw Dat is: voor u open en tot uw beschikking. Anders: deed Farao, zie Gen. 12:19-20. Zie Gen. 12:13.

Genesis 20 vers 16

uw broeder Hiermede geeft hij Sara bedektelijk te verstaan, dat zij gelegenheid gegeven had tot dit kwaad, zeggende dat Abraham haar broeder was.

Hertaald: uw broeder Hiermee geeft hij Sara indirect te verstaan dat zij aanleiding had gegeven tot dit kwaad, door te zeggen dat Abraham haar broer was.

duizend Hebr. duizend zilvers. Dat is, naar het algemeen gevoelen, duizend zilveren sikkels, of zilverlingen. En alzo er tweeërlei sikkels waren, de burgerlijke sikkel, bedragende wat meer dan een oord (een vierde deel van een rijksdaalder); de ander, des heiligdoms, wegende dubbel zoveel; zo wordt gemeend dat hier gemeente of burgerlijke sikkels te verstaan zijn; makende deze duizend zilverlingen weinig meer dan de som van 250 rijksdaalders.

Hertaald: duizend Hebreeuws: duizend zilverstukken. Dat is, naar algemene opvatting: duizend zilveren sikkels. Aangezien er twee soorten sikkels waren — de gewone, ter waarde van iets meer dan een kwart rijksdaalder, en die van het heiligdom, die dubbel zo zwaar woog — wordt aangenomen dat hier gewone sikkels bedoeld worden; dit maakt deze duizend zilverstukken iets meer dan 250 rijksdaalders.

zij u Dat is, beken na dezen vrijelijk dat hij uw echte man is, en dek uw aangezicht, tot een teken dat gij getrouwd zijt, en dat hij daarom een schut en scherm uwer kuisheid is. Zie van dit dekken des aangezichts van de vrouwen, onder Gen. 24:65, en 1 Kor. 11:10. Anders, het zij u tot een deksel, enz., te weten, het geld zij u gegeven om zulk een deksel te kopen.

Hertaald: zij u Dat is: erken voortaan vrijuit dat hij uw echte man is, en bedek uw gezicht, als teken dat gij getrouwd zijt en dat hij daarom een bescherming van uw eerbaarheid is. Zie over dit bedekken van het gezicht van vrouwen Gen. 24:65, en 1 Kor. 11:10. Anders: het zij u tot een bedekking, enz., namelijk: het geld is u gegeven om zo'n bedekking te kopen.

allen, Dat is, niet alleen, die bij u verkeren, maar ook bij de vreemden.

Hertaald: allen, Dat is: niet alleen bij hen die u omringen, maar ook bij vreemden.

en wees Dat is, wees geleerd en gewaarschuwd, om hierna voorzichtiger te zijn; of, en dit alles opdat gij geleerd zijt. Sommigen nemen dit, gelijk Mozes' woorden, aldus: zo werd zij bestraft.

Hertaald: en wees Dat is: wees geleerd en gewaarschuwd, om hierna voorzichtiger te zijn; of: en dit alles opdat gij het leert. Sommigen vatten dit, als woorden van Mozes, zo op: zo werd zij terechtgewezen.

Genesis 20 vers 17

Abraham Zie boven, vs.7.

Hertaald: Abraham Zie hierboven bij vers 7.

genas Zodat hij niet stierf aan de ziekte, gelijk God de HEERE hem bedreigd had, vs.3, 7.

Hertaald: genas Zodat hij niet stierf aan de ziekte, zoals God de HEERE hem gedreigd had, vers 3, 7.

zodat Dat is, baren konden. Zie het volgende vers.

Hertaald: zodat Dat is: konden baren. Zie het volgende vers.

Genesis 20 vers 18

ganselijk Hebr. toesluitende toegesloten voor alle baarmoeder, dat is, Hij had haar onvruchtbaar gemaakt. Zie deze manier van spreken 1 Sam. 1:5-6; daarentegen betekent de opening der baarmoeder, de gave der vruchtbaarheid, ond Gen. 29:31.

Hertaald: ganselijk Hebreeuws: toesluitend toegesloten voor elke baarmoeder, dat is: Hij had haar onvruchtbaar gemaakt. Zie deze uitdrukking in 1 Sam. 1:5-6; daarentegen betekent de opening van de baarmoeder de gave van vruchtbaarheid, zie Gen. 29:31.

ter oorzake Hebr. om de zaak van Sara.

Hertaald: ter oorzake Hebreeuws: om de zaak van Sara.

© Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas

Bijbelse Namen Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Abram  — verheven vader

De zoon van Terah, vóór zijn oudere broers Nahor en Haran genoemd (Gen. 11:27) omdat hij de erfgenaam van de beloften was. Op zeventigjarige leeftijd verliet hij met zijn familie Ur der Chaldeeën; later, na de dood van zijn vader in Haran, ontving hij van de HEERE de roeping om naar het onbekende land Kanaän te trekken, 'niet wetende waar hij komen zou' (Hebr. 11:8). Later zou zijn naam veranderd worden in Abraham (Gen. 17:4-5).

Sarai  — mijn vorstin

De vrouw en tegelijk halfzuster van Abram (Gen. 11:29; 20:12). Onder deze naam wordt zij voor het eerst genoemd; later, bij de instelling van het verbond der besnijdenis, zou haar naam veranderd worden in Sarah, 'vorstin' (Gen. 17:15), toen haar werd beloofd dat zij, ondanks haar hoge leeftijd, de moeder van de beloofde zoon zou worden.

Abimelech  — mijn vader is koning, of: vader van de koning

De Filistijnse koning van Gerar ten tijde van Abraham (Gen. 20:1-18). Zoals Abram eerder in Egypte deed, gaf Abraham ook hier Sara voor zijn zuster uit, waarop Abimelech haar tot zich nam; door Gods ingrijpen in een droom werd zij ongeschonden aan Abraham teruggegeven. Abimelech gaf Abraham daarop kostbare geschenken en berispte hem tegelijk voor zijn misleiding. 'Abimelech' was, evenals 'Farao' voor de Egyptische koningen, een gangbare titel voor de Filistijnse koningen.

Alle bijbelse namen in één overzicht →

Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas

Bijbelse Plaatsen Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Sur  — Hebreeuws voor "muur"; verwijst mogelijk naar de bergwand van het Tih-plateau, die vanaf de kustvlakte gezien als een muur oprijst

Ligging: Een woestijn ten oosten van de Golf van Suez, tegenover Egypte, op de weg naar Assyrië (Gen. 25:18).

Geschiedenis: Hierheen vluchtte Hagar, de Egyptische slavin van Sarai, toen zij voor haar meesteres wegvluchtte; onderweg, bij een bron "op de weg naar Sur", ontmoette de Engel des HEEREN haar (Gen. 16:7). Abraham woonde later "tussen Kades en Sur" (Gen. 20:1). Na de doortocht door de Schelfzee trokken de Israëlieten de woestijn Sur in, die zich drie dagreizen ver naar het zuiden uitstrekte (Ex. 15:22).

Bijbelse betekenis: De plaats waar Hagar, gevlucht en radeloos, als eerste mens in de Bijbel de HEERE een naam geeft: "Gij, God, ziet mij" — een aanwijzing dat Gods zorg zich ook uitstrekt tot wie buiten het verbondsvolk lijkt te vallen.

Gen. 16:7; 20:1; 25:18; Ex. 15:22; 1 Sam. 15:7; 27:8

Gerar  — Hebreeuws gerar, "kring, gebied"

Ligging: Een stad in de Filistijnse vlakte, ten zuiden van Gaza; de plaats is niet met zekerheid geïdentificeerd, maar wordt vermoed te liggen in een van de zijdalen van de Wadi Sjeria, bij een plek genaamd Oem Djerrar, aan de kust ten zuidwesten van Gaza.

Geschiedenis: Hierheen trok Abraham vanuit het Zuiderland en vestigde hij zich enige tijd (Gen. 20:1), waar hij, net als eerder in Egypte, Sara voor zijn zuster liet doorgaan uit vrees voor zijn leven — waarop Abimelech, de koning van Gerar, haar tot vrouw wilde nemen, totdat God hem in een droom waarschuwde (Gen. 20). Later verbleef ook Izak hier tijdens een hongersnood, met een soortgelijk voorval rond Rebekka (Gen. 26).

Bijbelse betekenis: Toont hoe dezelfde zwakheid — angst en een halve waarheid over Sara — zich bij Abraham herhaalt, en hoe God ook temidden van menselijk tekortschieten Zijn verbondsbeloften trouw bewaart.

Gen. 10:19; 20:1-18; 26:1,6,17,20,26

Alle bijbelse plaatsen in één overzicht →

© Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas

Christus in dit hoofdstuk Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk

Ik heb u belet — 20:1-7

Het beloofde Zaad niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding uitwerking

De belofte van een zoon binnen een jaar is nog vers, en Sodom is nog maar net verwoest. En dan doet Abraham voor de tweede keer wat hij eerder in Egypte deed: hij noemt zijn vrouw zijn zuster.

De moeder van het beloofde kind komt in het huis van een vreemde koning terecht, en God grijpt in bij de koning en niet bij Abraham.

Het is een pijnlijk hoofdstuk. Abraham is de man aan wie de belofte gedaan is, en hij brengt haar zelf in gevaar. Abimelech neemt Sara weg, en zij is de vrouw uit wie het beloofde kind geboren moet worden.

Wat er dan gebeurt, gebeurt buiten Abraham om. God komt tot Abimelech in een droom en zegt hem onomwonden dat hij een dood man is om deze vrouw. Abimelech pleit zijn onschuld, en het antwoord dat hij krijgt is de kern van dit hoofdstuk: “Ik heb ook geweten, dat gij dit in oprechtheid uws harten gedaan hebt, en Ik heb u ook belet van tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten, haar aan te roeren.”

Ik heb u belet. De belofte werd dus niet bewaard door de trouw van de man die haar gekregen had, maar doordat God een heiden tegenhield.

Zo gaat het in deze lijn telkens. De vrouw is onvruchtbaar. Het kind wordt gevraagd op een altaar. De zonen strijden in de moederschoot, en de lijn loopt verder door een schoondochter aan de kant van de weg. Jozef wordt verkocht. Athalia roeit het koninklijk zaad uit, en één kind wordt in een slaapkamer verborgen. Telkens hangt alles aan een draad, en telkens houdt de draad — niet omdat de dragers betrouwbaar zijn.

Het slot van het gedeelte heeft nog een wrange wending. Abimelech moet Sara teruggeven, en er staat bij waarom: “want hij is een profeet, en hij zal voor u bidden, opdat gij leeft.” De kanttekening legt dat woord profeet uit als een man Gods aan wie God Zich vrijelijk openbaart.

De man die deze hele toestand veroorzaakt heeft, is dus de man voor wiens gebed de koning leven zal. Zo blijft het ambt staan waar de man tekortschiet. Dat is niet vreemd in de Schrift, maar het is wel de reden waarom deze lijn ergens anders moet uitkomen dan bij Abraham. Zij komt uit bij Eén Die tegelijk de Voorbidder is en Zelf niets goed te maken heeft.

  1. Genesis 18:10 — Sara zal binnen een jaar een zoon hebben.
  2. Genesis 20:2 — En dan geeft Abraham haar uit voor zijn zuster.
  3. Genesis 20:6 — God houdt Abimelech tegen: Ik heb u belet.
  4. Genesis 20:7 — En dezelfde Abraham moet voor hem bidden.
  5. Genesis 21:2 — Zo wordt het beloofde kind toch geboren.
  6. Hebreeën 7:26 — De Voorbidder Die later komt, hoeft niets goed te maken.

In het Nieuwe Testament: Genesis 12:17; Genesis 17:19; Genesis 18:10; 2 Koningen 11:2; Hebreeën 7:26; Johannes 17:9

Hoever dit reikt: Het Nieuwe Testament haalt dit hoofdstuk niet aan. Dat het hier over de bewaring van de belofte gaat, blijkt uit de plaats in het verhaal: de aankondiging van Izaks geboorte staat er vlak voor. De vergelijking met de voorbede van Christus rust op twee dingen: het woord profeet, en het gebed dat Abraham voor Abimelech doen moet. Verder gaat zij niet.

Wat betekenen de niveaus?

Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.

  1. niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
  2. niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
  3. niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
  4. niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst

Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.

Alle heenwijzingen naar Christus in één overzicht →

© Teun van der Plas

Genesis 20

Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.

© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content