Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1En Abraham reisde van daar naar het land van het zuiden, en woonde tussen Kades en tussen Sur; en hij verkeerde als vreemdeling te Gerar.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1En AbrahamH85reisdeH5265 van daarH8033 naar het landH776 van het zuidenH5045, en woondeH3427tussenH996KadesH6946 en tussenH996SurH7793; en hij verkeerde als vreemdelingH1481 te GerarH1642.En Abraham reisde van daar naar het land van het zuiden, en woonde tussen Kades en tussen Sur; en hij verkeerde als vreemdeling te Gerar.
2Als nu Abraham van Sara, zijn huisvrouw, gezegd had: Zij is mijn zuster, zo zond Abimelech, de koning van Gerar, en nam Sara weg.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2Als nu AbrahamH85 van SaraH8283, zijn huisvrouwH802, gezegdH559 had: ZijH1931 is mijn zusterH269, zo zondH7971AbimelechH40, de koningH4428 van GerarH1642, en namH3947SaraH8283 weg.Als nu Abraham van Sara, zijn huisvrouw, gezegd had: Zij is mijn zuster, zo zond Abimelech, de koning van Gerar, en nam Sara weg.
KJVAnd Abraham2said1of3Sarah4his wife,5She is my sister:6and Abimelech9king10of Gerar11sent,8and took12Sarah.
1וַיֹּ֧אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אַבְרָהָ֛םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4שָׂרָ֥הH8283Sara, saraSarah5אִשְׁתּ֖וֹH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English6אֲחֹ֣תִיH269zuster, zusters, zusteren(an-) other, sister, together7הִ֑ואH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who8וַיִּשְׁלַ֗חH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)9אֲבִימֶ֨לֶךְ֙H40Abimelech, AbimelechsAbimelech10מֶ֣לֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal11גְּרָ֔רH1642GerarGerar12וַיִּקַּ֖חH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win13אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14שָׂרָֽהH8283Sara, saraSarah
3Maar God kwam tot Abimelech in een droom des nachts, en Hij zeide tot hem: Zie, gij zijt dood om der vrouwe wil, die gij weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3Maar GodH430kwamH935totH413AbimelechH40 in een droomH2472 des nachtsH3915, en Hij zeideH559 tot hem: ZieH2005, gij zijt doodH4191 om der vrouweH802wilH834, die gij weggenomenH3947 hebt; want zijH1931 is met een manH1167getrouwdH1166.Maar God kwam tot Abimelech in een droom des nachts, en Hij zeide tot hem: Zie, gij zijt dood om der vrouwe wil, die gij weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd.
KJVBut God2came1to Abimelech4in a dream5by night,6and said7to him, Behold, thou art but a dead man,10for the woman12which thou hast taken;14for she is a man's17wife.
1וַיָּבֹ֧אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way2אֱלֹהִ֛יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4אֲבִימֶ֖לֶךְH40Abimelech, AbimelechsAbimelech5בַּחֲל֣וֹםH2472droom, dromen, droomsdream(-er)6הַלָּ֑יְלָהH3915nacht, nachts, nachten(mid-)night (season)7וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet8ל֗וֹ9הִנְּךָ֥H2009ziet, ziebehold, lo, see10מֵת֙H4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise11עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with12הָאִשָּׁ֣הH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English13אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection14לָקַ֔חְתָּH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win15וְהִ֖ואH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who16בְּעֻ֥לַתH1166getrouwd, getrouwde, Manhave dominion (over), be husband, marry(-ried, [idiom] wife)17בָּֽעַלH1167burgers, heer, man[phrase] archer, [phrase] babbler, [phrase] bird, captain, chief man, [phrase] confederate, [phrase] have to do, [phrase] dreamer, those to whom it is due, [phrase] furious, those that are given to it, great, [phrase] hairy, he that hath it, have, [phrase] horseman, husband, lord, man, [phrase] married, master, person, [phrase] sworn, they of
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
4Doch Abimelech was tot haar niet genaderd; daarom zeide hij: Heere! zult Gij dan ook een rechtvaardig volk doden?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4Doch AbimelechH40 was totH413 haar nietH3808genaderdH7126; daarom zeideH559 hij: HeereH136! zult Gij dan ookH1571 een rechtvaardigH6662volkH1471dodenH2026?Doch Abimelech was tot haar niet genaderd; daarom zeide hij: Heere! zult Gij dan ook een rechtvaardig volk doden?
KJVBut Abimelech1had not come near3her: and he said,5Lord,6wilt thou slay10also a righteous9nation?
1וַאֲבִימֶ֕לֶךְH40Abimelech, AbimelechsAbimelech2לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without3קָרַ֖בH7126offeren, naderen, naderde(cause to) approach, (cause to) bring (forth, near), (cause to) come (near, nigh), (cause to) draw near (nigh), go (near), be at hand, join, be near, offer, present, produce, make ready, stand, take4אֵלֶ֑יהָH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)5וַיֹּאמַ֕רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet6אֲדֹנָ֕יH136Heere, HEERE, Heeren(my) Lord7הֲג֥וֹיH1471heidenen, volken, volkGentile, heathen, nation, people8גַּםH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea9צַדִּ֖יקH6662rechtvaardige, rechtvaardigen, rechtvaardigjust, lawful, righteous (man)10תַּהֲרֹֽגH2026doden, gedood, dooddedestroy, out of hand, kill, murder(-er), put to (death), make (slaughter), slay(-er), [idiom] surely
5Heeft hij zelf mij niet gezegd: Zij is mijn zuster? en zij, ook zij heeft gezegd: Hij is mijn broeder. In oprechtheid mijns harten en in reinheid mijner handen, heb ik dit gedaan.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5Heeft hij zelfH1931 mij nietH3808gezegdH559: Zij is mijn zusterH269? en zij, ookH1571 zij heeft gezegdH559: Hij is mijn broederH251. In oprechtheidH8537 mijns hartenH3824 en in reinheidH5356 mijner handenH3709, heb ik ditH2063gedaanH6213.Heeft hij zelf mij niet gezegd: Zij is mijn zuster? en zij, ook zij heeft gezegd: Hij is mijn broeder. In oprechtheid mijns harten en in reinheid mijner handen, heb ik dit gedaan.
KJVSaid3he not unto me, She2is my sister?5and she,6even8she7herself said,10He is my brother:11in the integrity13of my heart14and innocency15of my hands16have I done
1הֲלֹ֨אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2ה֤וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who3אָֽמַרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet4לִי֙5אֲחֹ֣תִיH269zuster, zusters, zusteren(an-) other, sister, together6הִ֔ואH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who7וְהִֽיאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who8גַםH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea9הִ֥ואH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who10אָֽמְרָ֖הH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet11אָחִ֣יH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'12ה֑וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who13בְּתָםH8537oprechtheid, oprechtigheid, eenvoudigheidfull, integrity, perfect(-ion), simplicity, upright(-ly, -ness), at a venture. See H8550 (תֻּמִּים)14לְבָבִ֛יH3824hart, harten, harte[phrase] bethink themselves, breast, comfortably, courage, ((faint), (tender-) heart(-ed), midst, mind, [idiom] unawares, understanding15וּבְנִקְיֹ֥ןH5356onschuld, reinheidcleanness, innocency16כַּפַּ֖יH3709handen, hand, reukschaalbranch, [phrase] foot, hand((-ful), -dle, (-led)), hollow, middle, palm, paw, power, sole, spoon17עָשִׂ֥יתִיH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use18זֹֽאתH2063dit, deze, dathereby (-in, -with), it, likewise, the one (other, same), she, so (much), such (deed), that, therefore, these, this (thing), thus
6En God zeide tot hem in den droom: Ik heb ook geweten, dat gij dit in oprechtheid uws harten gedaan hebt, en Ik heb u ook belet van tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten, haar aan te roeren.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6En GodH430zeideH559totH413 hem in den droomH2472: IkH595 heb ookH1571gewetenH3045, dat gij ditH2063 in oprechtheidH8537 uws hartenH3824gedaanH6213 hebt, en Ik heb u ookH1571beletH2820 van tegen MijH595 te zondigenH2398; daaromH3651 heb Ik u nietH3808toegelatenH5414, haar aan te roerenH5060.En God zeide tot hem in den droom: Ik heb ook geweten, dat gij dit in oprechtheid uws harten gedaan hebt, en Ik heb u ook belet van tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten, haar aan te roeren.
KJVAnd God3said1unto him in a dream,4Yea,5I know7that thou didst11this in the integrity9of thy heart;10for I also withheld13thee from sinning17against me: therefore suffered22I thee not to touch
1וַיֹּאמֶר֩H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אֵלָ֨יוH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3הָֽאֱלֹהִ֜יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty4בַּחֲלֹ֗םH2472droom, dromen, droomsdream(-er)5גַּ֣םH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea6אָנֹכִ֤יH595ik, mijI, me, [idiom] which7יָדַ֨עְתִּי֙H3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot8כִּ֤יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet9בְתָםH8537oprechtheid, oprechtigheid, eenvoudigheidfull, integrity, perfect(-ion), simplicity, upright(-ly, -ness), at a venture. See H8550 (תֻּמִּים)10לְבָבְךָ֙H3824hart, harten, harte[phrase] bethink themselves, breast, comfortably, courage, ((faint), (tender-) heart(-ed), midst, mind, [idiom] unawares, understanding11עָשִׂ֣יתָH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use12זֹּ֔אתH2063dit, deze, dathereby (-in, -with), it, likewise, the one (other, same), she, so (much), such (deed), that, therefore, these, this (thing), thus13וָאֶחְשֹׂ֧ךְH2820onthouden, belet, inhoudenassuage, [idiom] darken, forbear, hinder, hold back, keep (back), punish, refrain, reserve, spare, withhold14גַּםH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea15אָנֹכִ֛יH595ik, mijI, me, [idiom] which16אֽוֹתְךָ֖H853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)17מֵחֲטוֹH2398gezondigd, zondigen, zondigtbear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass18לִ֑י19עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with20כֵּ֥ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you21לֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without22נְתַתִּ֖יךָH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield23לִנְגֹּ֥עַH5060aangeroerd, aanroert, aanroerenbeat, ([idiom] be able to) bring (down), cast, come (nigh), draw near (nigh), get up, happen, join, near, plague, reach (up), smite, strike, touch24אֵלֶֽיהָH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)
7Zo geef dan nu dezes mans huisvrouw weder; want hij is een profeet, en hij zal voor u bidden, opdat gij leeft; maar zo gij haar niet wedergeeft, weet, dat gij voorzeker sterven zult, gij, en al wat uwes is!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7Zo geefH7725 dan nu dezes mansH376huisvrouwH802 weder; wantH3588 hij is een profeetH5030, en hijH1931 zal voor u biddenH6419, opdat gij leeftH2421; maarH3588zoH518 gij haar nietH369wedergeeftH7725, weetH3045, dat gij voorzekerH4191stervenH4191 zult, gij, en alH3605watH834 uwes is!Zo geef dan nu dezes mans huisvrouw weder; want hij is een profeet, en hij zal voor u bidden, opdat gij leeft; maar zo gij haar niet wedergeeft, weet, dat gij voorzeker sterven zult, gij, en al wat uwes is!
KJVNow therefore restore2the man4his wife;3for he is a prophet,6and he shall pray8for thee,9and thou shalt live:10and if thou restore13her not, know14thou that thou shalt surely16die,
1וְעַתָּ֗הH6258nu, danhenceforth, now, straightway, this time, whereas2הָשֵׁ֤בH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw3אֵֽשֶׁתH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English4הָאִישׁ֙H376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)5כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet6נָבִ֣יאH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet7ה֔וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who8וְיִתְפַּלֵּ֥לH6419bidden, bad, bidintreat, judge(-ment), (make) pray(-er, -ing), make supplication9בַּֽעַדְךָ֖H1157voor, om; door heenabout, at by (means of), for, over, through, up (-on), within10וֶֽחְיֵ֑הH2421leven, leefde, levendkeep (leave, make) alive, [idiom] certainly, give (promise) life, (let, suffer to) live, nourish up, preserve (alive), quicken, recover, repair, restore (to life), revive, ([idiom] God) save (alive, life, lives), [idiom] surely, be whole11וְאִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet12אֵֽינְךָ֣H369geen, niet, niemandelse, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן)13מֵשִׁ֗יבH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw14דַּ֚עH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot15כִּיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet16מ֣וֹתH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise17תָּמ֔וּתH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise18אַתָּ֖הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you19וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)20אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection21לָֽךְ
8Toen stond Abimelech des morgens vroeg op, en riep al zijn knechten, en sprak al deze woorden voor hun oren. En die mannen vreesden zeer.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8Toen stondH7925AbimelechH40 des morgensH1242vroegH7925 op, en riepH7121alH3605 zijn knechtenH5650, en sprakH1696alH3605 deze woordenH1697 voor hun orenH241. En die mannenH582vreesdenH3372zeerH3966.Toen stond Abimelech des morgens vroeg op, en riep al zijn knechten, en sprak al deze woorden voor hun oren. En die mannen vreesden zeer.
KJVTherefore Abimelech2rose early1in the morning,3and called4all his servants,6and told7all these things10in their ears:12and the menwere sore15afraid.
1וַיַּשְׁכֵּ֨םH7925vroeg, stond, stonden(arise, be up, get (oneself) up, rise up) early (betimes), morning2אֲבִימֶ֜לֶךְH40Abimelech, AbimelechsAbimelech3בַּבֹּ֗קֶרH1242morgen, morgens, morgenstond([phrase]) day, early, morning, morrow4וַיִּקְרָא֙H7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say5לְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)6עֲבָדָ֔יוH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant7וַיְדַבֵּ֛רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work8אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)10הַדְּבָרִ֥יםH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work11הָאֵ֖לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)12בְּאָזְנֵיהֶ֑םH241oren, oor, Oren[phrase] advertise, audience, [phrase] displease, ear, hearing, [phrase] show13וַיִּֽירְא֥וּH3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)14הָאֲנָשִׁ֖יםH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)15מְאֹֽדH3966zeer, gans, grotediligently, especially, exceeding(-ly), far, fast, good, great(-ly), [idiom] louder and louder, might(-ily, -y), (so) much, quickly, (so) sore, utterly, very ([phrase] much, sore), well
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
9En Abimelech riep Abraham, en zeide tot hem: Wat hebt gij ons gedaan? en wat heb ik tegen u gezondigd, dat gij over mij en over mijn koninkrijk een grote zonde gebracht hebt? gij hebt daden met mij gedaan, die niet zouden gedaan worden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9En AbimelechH40riepH7121AbrahamH85, en zeideH559 tot hem: Wat hebt gij ons gedaanH6213? en wat heb ik tegen u gezondigdH2398, dat gij over mij en over mijn koninkrijkH4467 een groteH1419zondeH2401gebrachtH935 hebt? gij hebt dadenH4639 met mij gedaan, dieH834nietH3808 zouden gedaan worden.En Abimelech riep Abraham, en zeide tot hem: Wat hebt gij ons gedaan? en wat heb ik tegen u gezondigd, dat gij over mij en over mijn koninkrijk een grote zonde gebracht hebt? gij hebt daden met mij gedaan, die niet zouden gedaan worden.
KJVThen Abimelech2called1Abraham,3and said4unto him, What hast thou done7unto us? and what have I offended10thee, that thou hast brought13on me and on my kingdom16a great18sin?17thou hast done22deeds19unto me that ought not to be done.
1וַיִּקְרָ֨אH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say2אֲבִימֶ֜לֶךְH40Abimelech, AbimelechsAbimelech3לְאַבְרָהָ֗םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham4וַיֹּ֨אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet5ל֜וֹ6מֶֽהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why7עָשִׂ֤יתָH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use8לָּ֨נוּ֙9וּמֶֽהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why10חָטָ֣אתִיH2398gezondigd, zondigen, zondigtbear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass11לָ֔ךְ12כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet13הֵבֵ֧אתָH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way14עָלַ֛יH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with15וְעַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with16מַמְלַכְתִּ֖יH4467koninkrijk, koninkrijken, koninkrijkskingdom, king's, reign, royal17חֲטָאָ֣הH2401zonde, zondoffersin (offering)18גְדֹלָ֑הH1419grote, groot, groten[phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very19מַעֲשִׂים֙H4639werk, werken, dadenact, art, [phrase] bakemeat, business, deed, do(-ing), labor, thing made, ware of making, occupation, thing offered, operation, possession, [idiom] well, (handy-, needle-, net-) work(ing, -manship), wrought20אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection21לֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without22יֵֽעָשׂ֔וּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use23עָשִׂ֖יתָH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use24עִמָּדִֽיH5978met, bijagainst, by, from, [phrase] me, [phrase] mine, of, [phrase] that I take, unto, upon, with(-in.)
10Voorts zeide Abimelech tot Abraham: Wat hebt gij gezien, dat gij deze zaak gedaan hebt?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10Voorts zeideH559AbimelechH40totH413AbrahamH85: WatH4100 hebt gij gezienH7200, dat gij dezeH2088zaakH1697gedaanH6213 hebt?Voorts zeide Abimelech tot Abraham: Wat hebt gij gezien, dat gij deze zaak gedaan hebt?
11En Abraham zeide: Want ik dacht: alleen is de vreze Gods in deze plaats niet, zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11En AbrahamH85zeideH559: WantH3588 ik dachtH559: alleen is de vrezeH3374GodsH430 in dezeH2088plaatsH4725nietH369, zodat zij mij om mijner huisvrouwH802wilH1697 zullen dodenH2026.En Abraham zeide: Want ik dacht: alleen is de vreze Gods in deze plaats niet, zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden.
KJVAnd Abraham2said,1Because I thought,4Surely5the fear7of God8is not in this place;9and they will slay me11for my wife's14sake.
1וַיֹּ֨אמֶר֙H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אַבְרָהָ֔םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham3כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet4אָמַ֗רְתִּיH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet5רַ֚קH7535alleen, slechtsbut, even, except, howbeit howsoever, at the least, nevertheless, nothing but, notwithstanding, only, save, so (that), surely, yet (so), in any wise6אֵיןH369geen, niet, niemandelse, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן)7יִרְאַ֣תH3374vreze, vrees, vrezen[idiom] dreadful, [idiom] exceedingly, fear(-fulness)8אֱלֹהִ֔יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty9בַּמָּק֖וֹםH4725plaats, plaatsen, plaatsecountry, [idiom] home, [idiom] open, place, room, space, [idiom] whither(-soever)10הַזֶּ֑הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)11וַהֲרָג֖וּנִיH2026doden, gedood, dooddedestroy, out of hand, kill, murder(-er), put to (death), make (slaughter), slay(-er), [idiom] surely12עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with13דְּבַ֥רH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work14אִשְׁתִּֽיH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English
12En ook is zij waarlijk mijn zuster; zij is mijns vaders dochter, maar niet mijner moeder dochter; en zij is mij ter vrouwe geworden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12En ookH1571 is zij waarlijkH546 mijn zusterH269; zij is mijns vadersH1dochterH1323, maar nietH3808 mijner moederH517dochterH1323; en zij isH1961 mij ter vrouweH802 geworden.En ook is zij waarlijk mijn zuster; zij is mijns vaders dochter, maar niet mijner moeder dochter; en zij is mij ter vrouwe geworden.
KJVAnd yet indeed2she is my sister;3she is the daughter4of my father,5but not the daughter9of my mother;10and she became my wife.
1וְגַםH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea2אָמְנָ֗הH546Voorwaar, waarlijkindeed3אֲחֹתִ֤יH269zuster, zusters, zusteren(an-) other, sister, together4בַתH1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village5אָבִי֙H1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'6הִ֔ואH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who7אַ֖ךְH389doch, alleen; voorzekeralso, in any wise, at least, but, certainly, even, howbeit, nevertheless, notwithstanding, only, save, surely, of a surety, truly, verily, [phrase] wherefore, yet (but)8לֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without9בַתH1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village10אִמִּ֑יH517moeder, moedersdam, mother, [idiom] parting11וַתְּהִיH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use12לִ֖י13לְאִשָּֽׁהH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English
13En het is geschied, als God mij uit mijns vaders huis deed dwalen, zo sprak ik tot haar: Dit zij uw weldadigheid, die gij bij mij doen zult; aan alle plaatsen waar wij komen zullen, zeg van mij: Hij is mijn broeder!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13En het is geschiedH1961, als GodH430 mij uit mijns vadersH1huisH1004 deed dwalenH8582, zo sprakH559 ik tot haar: DitH2088 zij uw weldadigheidH2617, die gij bij mij doenH6213 zult; aanH413alleH3605plaatsenH4725 waar wij komenH935 zullen, zegH559 van mij: HijH1931 is mijn broederH251!En het is geschied, als God mij uit mijns vaders huis deed dwalen, zo sprak ik tot haar: Dit zij uw weldadigheid, die gij bij mij doen zult; aan alle plaatsen waar wij komen zullen, zeg van mij: Hij is mijn broeder!
KJVAnd it came to pass, when God5caused me to wander3from my father's7house,6that I said8unto her, This is thy kindness11which thou shalt shew13unto me; at every place17whither we shall come,19say21of me, He is my brother.
1וַיְהִ֞יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2כַּאֲשֶׁ֧רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection3הִתְע֣וּH8582dwalen, dolen, verleid(cause to) go astray, deceive, dissemble, (cause to, make to) err, pant, seduce, (make to) stagger, (cause to) wander, be out of the way4אֹתִ֗יH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5אֱלֹהִים֮H430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty6מִבֵּ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)7אָבִי֒H1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'8וָאֹמַ֣רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet9לָ֔הּ10זֶ֣הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)11חַסְדֵּ֔ךְH2617goedertierenheid, weldadigheid, goedertierenhedenfavour, good deed(-liness, -ness), kindly, (loving-) kindness, merciful (kindness), mercy, pity, reproach, wicked thing12אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection13תַּעֲשִׂ֖יH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use14עִמָּדִ֑יH5978met, bijagainst, by, from, [phrase] me, [phrase] mine, of, [phrase] that I take, unto, upon, with(-in.)15אֶ֤לH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)16כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)17הַמָּקוֹם֙H4725plaats, plaatsen, plaatsecountry, [idiom] home, [idiom] open, place, room, space, [idiom] whither(-soever)18אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection19נָב֣וֹאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way20שָׁ֔מָּהH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither21אִמְרִיH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet22לִ֖י23אָחִ֥יH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'24הֽוּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who
14Toen nam Abimelech schapen en runderen, ook dienstknechten en dienstmaagden, en gaf dezelve aan Abraham; en hij gaf hem Sara zijn huisvrouw weder.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14Toen namH3947AbimelechH40schapenH6629 en runderenH1241, ook dienstknechtenH5650 en dienstmaagdenH8198, en gafH5414 dezelve aan AbrahamH85; en hij gaf hem SaraH8283 zijn huisvrouwH802 weder.Toen nam Abimelech schapen en runderen, ook dienstknechten en dienstmaagden, en gaf dezelve aan Abraham; en hij gaf hem Sara zijn huisvrouw weder.
15En Abimelech zeide: Zie, mijn land is voor uw aangezicht; woon, waar het goed is in uw ogen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15En AbimelechH40zeideH559: ZieH2009, mijn landH776 is voor uw aangezichtH6440; woonH3427, waar het goedH2896 is in uw ogenH5869.En Abimelech zeide: Zie, mijn land is voor uw aangezicht; woon, waar het goed is in uw ogen.
KJVAnd Abimelech2said,1Behold, my land4is before thee:5dwell8where it pleaseth6
16En tot Sara zeide hij: Zie, ik heb uw broeder duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel der ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16En tot SaraH8283zeideH559 hij: ZieH2009, ik heb uw broederH251duizendH505zilverlingenH3701gegevenH5414; zieH2009, hij zijH1931 u een dekselH3682 der ogenH5869, allenH3605, die met u zijn, ja, bij allenH3605, en wees geleerdH3198.En tot Sara zeide hij: Zie, ik heb uw broeder duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel der ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd.
KJVAnd unto Sarah1he said,2Behold, I have given4thy brother7a thousand5pieces of silver:6behold, he is to thee a covering11of the eyes,12unto all that are with thee, and with all other: thus she was reproved.
1וּלְשָׂרָ֣הH8283Sara, saraSarah2אָמַ֗רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet3הִנֵּ֨הH2009ziet, ziebehold, lo, see4נָתַ֜תִּיH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield5אֶ֤לֶףH505duizend, duizenden, twee duizendthousand6כֶּ֨סֶף֙H3701zilver, geld, zilverenmoney, price, silver(-ling)7לְאָחִ֔יךְH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'8הִנֵּ֤הH2009ziet, ziebehold, lo, see9הוּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who10לָךְ֙11כְּס֣וּתH3682deksel, opperkleedscovering, raiment, vesture12עֵינַ֔יִםH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)13לְכֹ֖לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)14אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection15אִתָּ֑ךְH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix16וְאֵ֥תH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)17כֹּ֖לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)18וְנֹכָֽחַתH3198bestraft, bestraffen, straffenappoint, argue, chasten, convince, correct(-ion), daysman, dispute, judge, maintain, plead, reason (together), rebuke, reprove(-r), surely, in any wise
17En Abraham bad tot God; en God genas Abimelech, en zijn huisvrouw, en zijn dienstmaagden, zodat zij baarden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17En AbrahamH85badH6419totH413GodH430; en GodH430genasH7495AbimelechH40, en zijn huisvrouwH802, en zijn dienstmaagdenH519, zodat zij baardenH3205.En Abraham bad tot God; en God genas Abimelech, en zijn huisvrouw, en zijn dienstmaagden, zodat zij baarden.
KJVSo Abraham2prayed1unto God:4and God6healed5Abimelech,8and his wife,10and his maidservants;11and they bare
1וַיִּתְפַּלֵּ֥לH6419bidden, bad, bidintreat, judge(-ment), (make) pray(-er, -ing), make supplication2אַבְרָהָ֖םH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4הָאֱלֹהִ֑יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty5וַיִּרְפָּ֨אH7495genezen, gezond, helencure, (cause to) heal, physician, repair, [idiom] thoroughly, make whole. See H7503 (רָפָה)6אֱלֹהִ֜יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty7אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8אֲבִימֶ֧לֶךְH40Abimelech, AbimelechsAbimelech9וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10אִשְׁתּ֛וֹH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English11וְאַמְהֹתָ֖יוH519dienstmaagd, dienstmaagden, maagden(hand-) bondmaid(-woman), maid(-servant)12וַיֵּלֵֽדוּH3205gewon, baarde, geborenbear, beget, birth(-day), born, (make to) bring forth (children, young), bring up, calve, child, come, be delivered (of a child), time of delivery, gender, hatch, labour, (do the office of a) midwife, declare pedigrees, be the son of, (woman in, woman that) travail(-eth, -ing woman)
18Want de HEERE had al de baarmoeders van het huis van Abimelech ganselijk toegesloten, ter oorzake van Sara, Abrahams huisvrouw.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18WantH3588 de HEEREH3068 had alH3605 de baarmoedersH7358 van het huisH1004 van AbimelechH40ganselijkH6113toegeslotenH6113, ter oorzakeH1697 van SaraH8283, AbrahamsH85huisvrouwH802.Want de HEERE had al de baarmoeders van het huis van Abimelech ganselijk toegesloten, ter oorzake van Sara, Abrahams huisvrouw.
KJVFor the LORD4had fast2closed up3all the wombs7of the house8of Abimelech,9because11of Sarah12Abraham's14wife.
1כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet2עָצֹ֤רH6113opgehouden, besloten, beslotene[idiom] be able, close up, detain, fast, keep (self close, still), prevail, recover, refrain, [idiom] reign, restrain, retain, shut (up), slack, stay, stop, withhold (self)3עָצַר֙H6113opgehouden, besloten, beslotene[idiom] be able, close up, detain, fast, keep (self close, still), prevail, recover, refrain, [idiom] reign, restrain, retain, shut (up), slack, stay, stop, withhold (self)4יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5בְּעַ֥דH1157voor, om; door heenabout, at by (means of), for, over, through, up (-on), within6כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)7רֶ֖חֶםH7358baarmoeder, baarmoeders, lijfmatrix, womb8לְבֵ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)9אֲבִימֶ֑לֶךְH40Abimelech, AbimelechsAbimelech10עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with11דְּבַ֥רH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work12שָׂרָ֖הH8283Sara, saraSarah13אֵ֥שֶׁתH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English14אַבְרָהָֽםH85Abraham, Abrahams, zoonAbraham
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Genesis 20:1— En Abraham reisde van daar naar het land van het zuiden, en woonde tussen Kades en tussen Sur; en hij verkeerde als vreemdeling te Gerar.Genesis 26:6→Genesis 18:1→Genesis 26:1→Genesis 16:7→Genesis 16:14→Genesis 16:1→Genesis 14:7→Deuteronomium 1:19→
Genesis 20:2— Als nu Abraham van Sara, zijn huisvrouw, gezegd had: Zij is mijn zuster, zo zond Abimelech, de koning van Gerar, en nam Sara weg.Genesis 26:7→Genesis 12:15→Genesis 12:11→Kolossenzen 3:9→2 Kronieken 19:2→Genesis 26:16→Prediker 7:20→Genesis 26:1→
Genesis 20:3— Maar God kwam tot Abimelech in een droom des nachts, en Hij zeide tot hem: Zie, gij zijt dood om der vrouwe wil, die gij weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd.Genesis 20:7→Job 33:15→Psalmen 105:14→Mattheüs 1:20→Mattheüs 27:19→Genesis 31:24→Ezechiël 33:14→Genesis 37:5→
Genesis 20:4— Doch Abimelech was tot haar niet genaderd; daarom zeide hij: Heere! zult Gij dan ook een rechtvaardig volk doden?Genesis 18:23→1 Kronieken 21:17→Genesis 20:6→2 Samuël 4:11→Genesis 20:17→Genesis 19:24→
Genesis 20:5— Heeft hij zelf mij niet gezegd: Zij is mijn zuster? en zij, ook zij heeft gezegd: Hij is mijn broeder. In oprechtheid mijns harten en in reinheid mijner handen, heb ik dit gedaan.Psalmen 7:8→1 Koningen 9:4→Spreuken 11:3→2 Koningen 20:3→Psalmen 26:6→2 Korinthe 1:12→Job 33:9→Psalmen 78:72→
Genesis 20:6— En God zeide tot hem in den droom: Ik heb ook geweten, dat gij dit in oprechtheid uws harten gedaan hebt, en Ik heb u ook belet van tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten, haar aan te roeren.1 Samuël 25:34→1 Samuël 25:26→Psalmen 51:4→Genesis 31:7→Genesis 39:9→Genesis 26:11→Leviticus 6:2→Genesis 35:5→
Genesis 20:7— Zo geef dan nu dezes mans huisvrouw weder; want hij is een profeet, en hij zal voor u bidden, opdat gij leeft; maar zo gij haar niet wedergeeft, weet, dat gij voorzeker sterven zult, gij, en al wat uwes is!Job 42:8→1 Samuël 7:5→2 Samuël 24:17→2 Koningen 5:11→Numeri 16:32→Genesis 2:17→1 Johannes 5:16→Ezechiël 33:8→
Genesis 20:9— En Abimelech riep Abraham, en zeide tot hem: Wat hebt gij ons gedaan? en wat heb ik tegen u gezondigd, dat gij over mij en over mijn koninkrijk een grote zonde gebracht hebt? gij hebt daden met mij gedaan, die niet zouden gedaan worden.Genesis 12:18→Genesis 26:10→Genesis 34:7→Genesis 39:9→Romeinen 2:11→Hebreeën 13:4→Genesis 38:24→Exodus 32:35→
Genesis 20:11— En Abraham zeide: Want ik dacht: alleen is de vreze Gods in deze plaats niet, zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden.Genesis 12:12→Genesis 26:7→Spreuken 16:6→Genesis 42:18→Nehemia 5:15→Job 1:1→Spreuken 8:13→Psalmen 14:4→
Genesis 20:12— En ook is zij waarlijk mijn zuster; zij is mijns vaders dochter, maar niet mijner moeder dochter; en zij is mij ter vrouwe geworden.Genesis 11:29→Genesis 12:13→1 Thessalonicenzen 5:22→
Genesis 20:13— En het is geschied, als God mij uit mijns vaders huis deed dwalen, zo sprak ik tot haar: Dit zij uw weldadigheid, die gij bij mij doen zult; aan alle plaatsen waar wij komen zullen, zeg van mij: Hij is mijn broeder!Genesis 12:1→Genesis 12:9→Hebreeën 11:8→Handelingen 7:3→1 Samuël 23:21→Psalmen 64:5→Handelingen 5:9→Genesis 12:11→
Genesis 20:14— Toen nam Abimelech schapen en runderen, ook dienstknechten en dienstmaagden, en gaf dezelve aan Abraham; en hij gaf hem Sara zijn huisvrouw weder.Genesis 12:16→Genesis 12:19→Genesis 20:11→Genesis 20:2→Genesis 20:7→
Genesis 20:15— En Abimelech zeide: Zie, mijn land is voor uw aangezicht; woon, waar het goed is in uw ogen.Genesis 13:9→Genesis 34:10→Genesis 47:6→
Genesis 20:16— En tot Sara zeide hij: Zie, ik heb uw broeder duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel der ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd.Spreuken 27:5→Genesis 20:5→Genesis 24:65→1 Kronieken 21:3→Spreuken 25:12→Genesis 26:11→Openbaring 3:19→Spreuken 9:8→
Genesis 20:17— En Abraham bad tot God; en God genas Abimelech, en zijn huisvrouw, en zijn dienstmaagden, zodat zij baarden.Jakobus 5:16→Filippenzen 4:6→1 Samuël 5:11→Job 42:9→Mattheüs 7:7→Spreuken 15:29→Genesis 29:31→1 Thessalonicenzen 5:25→
Genesis 20:18— Want de HEERE had al de baarmoeders van het huis van Abimelech ganselijk toegesloten, ter oorzake van Sara, Abrahams huisvrouw.Genesis 12:17→1 Samuël 1:6→Genesis 16:2→Genesis 20:7→Genesis 30:2→1 Samuël 5:10→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Genesis 20 vers 1— En Abraham reisde van daar naar het land van het zuiden, en woonde tussen Kades en tussen Sur; en hij verkeerde als vreemdeling te Gerar.
van daar
Te weten, van de eikenbossen, Mamre, bij Hebron. Zie Gen. 13:18, en Gen. 14:13 en Gen. 18:1.
Hertaald:van daar
Namelijk: van de eikenbossen van Mamre, bij Hebron. Zie Gen. 13:18, en Gen. 14:13 en Gen. 18:1.
naar het
Hebron en Mamre waren wel in het zuidelijk einde van Palestina gelegen, maar Abraham is nog meer zuidwaarts getrokken, om redenen die de Heilige Schrift niet meldt.
Hertaald:naar het
Hebron en Mamre lagen weliswaar in het zuidelijke deel van Palestina, maar Abraham trok nog verder zuidwaarts, om redenen die de Heilige Schrift niet vermeldt.
Kades
Zie boven Gen. 14:7.
Hertaald:Kades
Zie Gen. 14:7.
Sur;
Zie boven Gen. 16:7.
Hertaald:Sur;
Zie Gen. 16:7.
Gerar
Een stad, gelegen in het zuiden van Kanaän, niet ver van Berseba en Ziklag; zie boven Gen. 10:19, onder Gen. 26:1, en 2 Kron. 14:13.
Hertaald:Gerar
Een stad in het zuiden van Kanaän, niet ver van Berseba en Ziklag; zie Gen. 10:19, Gen. 26:1, en 2 Kron. 14:13.
Genesis 20 vers 2— Als nu Abraham van Sara, zijn huisvrouw, gezegd had: Zij is mijn zuster, zo zond Abimelech, de koning van Gerar, en nam Sara weg.
gezegd
Te weten, uit gelijke vrees, als hem ook tevoren toen hij naar Egypte reisde, overkomen was. Zie boven Gen. 11:29, en Gen. 12:13, en in dit hoofdst. vs.12.
Hertaald:gezegd
Namelijk: uit dezelfde vrees als hem eerder overkwam toen hij naar Egypte reisde. Zie Gen. 11:29, en Gen. 12:13, en in dit hoofdstuk vers 12.
Abimélech,
Men meent dat deze naam den koningen van dat land gemeen is geweest, gelijk de naam Faraö in Egypte. Zie boven Gen. 12:15, verg. onder Gen. 26:1; Ps. 34:1.
Hertaald:Abimélech,
Men neemt aan dat deze naam gebruikelijk was voor de koningen van dat land, zoals de naam Farao in Egypte. Zie Gen. 12:15, vergelijk Gen. 26:1; Ps. 34:1.
Genesis 20 vers 3— Maar God kwam tot Abimelech in een droom des nachts, en Hij zeide tot hem: Zie, gij zijt dood om der vrouwe wil, die gij weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd.
in een
God heeft in voorgaande tijden zich geopenbaard door dromen, niet alleen den zijnen, maar ook aan degenen, die vreemd van zijn volk waren, en dat ten beste van de zijnen. Zie onder Gen. 28:12, en Gen. 31:24, en Gen. 40:8, en Gen. 41:1; Dan. 2:1, en Dan. 4:5.
Hertaald:in een
God heeft zich in vroegere tijden door dromen geopenbaard, niet alleen aan de zijnen, maar ook aan hen die geen deel van zijn volk waren, en dat ten goede van de zijnen. Zie Gen. 28:12, en Gen. 31:24, en Gen. 40:8, en Gen. 41:1; Dan. 2:1, en Dan. 4:5.
gij zijt
Anders, gij gaat sterven; dat is, gij zult straks sterven, zo gij deze vrouw niet terstond ongeschonden wedergeeft. Verg. onder vs.7, en zie deze manier van spreken onder Gen. 30:1, en Gen. 48:21, en Gen. 50:24.
Hertaald:gij zijt
Anders: gij gaat sterven; dat is: gij zult spoedig sterven, als gij deze vrouw niet meteen ongeschonden teruggeeft. Vergelijk vers 7, en zie deze uitdrukking in Gen. 30:1, en Gen. 48:21, en Gen. 50:24.
Genesis 20 vers 4— Doch Abimelech was tot haar niet genaderd; daarom zeide hij: Heere! zult Gij dan ook een rechtvaardig volk doden?
genaderd;
Dat is, hij had haar niet beslapen. Deze manier van spreken komt overeen met een vrouw bekennen, boven Gen. 4:1; tot een vrouw ingaan, boven Gen. 6:4; of een vrouw aanroeren, Spr. 6:29; 1 Kor. 7:1, en onder vs.6. Versta, dat hij door God belet was door ziekte. Zie onder vs.6, 17.
Hertaald:genaderd;
Dat is: hij had geen gemeenschap met haar gehad. Deze uitdrukking komt overeen met 'een vrouw kennen', Gen. 4:1, 'tot een vrouw ingaan', Gen. 6:4, of 'een vrouw aanraken', Spr. 6:29; 1 Kor. 7:1, en vers 6 hierna. Bedoeld wordt dat hij door God verhinderd was, door ziekte. Zie vers 6, 17.
rechtvaardig
Dat is, onschuldig en onnozel in deze zaak. Verg. 2 Sam. 4:11.
Hertaald:rechtvaardig
Dat is: onschuldig en argeloos in deze zaak. Vergelijk 2 Sam. 4:11.
volk
Dat is, niet alleen mijn huisgezin, gelijk vs.17, maar ook de andere onderdanen, gelijk vs.9.
Hertaald:volk
Dat is: niet alleen mijn huisgezin, zoals in vers 17, maar ook de andere onderdanen, zoals in vers 9.
Genesis 20 vers 5— Heeft hij zelf mij niet gezegd: Zij is mijn zuster? en zij, ook zij heeft gezegd: Hij is mijn broeder. In oprechtheid mijns harten en in reinheid mijner handen, heb ik dit gedaan.
In
Dat is, hierin is mijn hart zuiver van een overspelig voornemen, en mijn lichaam van onkuische daad. Zo wordt de inwendige en uitwendige onschuld en ongeveinsdheid, òf in het algemeen van den gehelen wandel der vromen, òf in het bijzonder van enige zaak en enig werk ook elder uitgedrukt, zo als 1 Kon. 9:4; 1 Kron. 29:17; Ps. 24:4, en Ps. 73:13, en Ps. 78:72, en Ps. 101:2.
Hertaald:In
Dat is: hierin is mijn hart zuiver van overspelig voornemen, en mijn lichaam van onkuise daad. Zo wordt de innerlijke en uiterlijke onschuld en oprechtheid, hetzij in het algemeen over de hele levenswandel van de vromen, hetzij in het bijzonder over een bepaalde zaak, ook elders uitgedrukt, zoals in 1 Kon. 9:4; 1 Kron. 29:17; Ps. 24:4, en Ps. 73:13, en Ps. 78:72, en Ps. 101:2.
mijner
Hebr. mijner palmen, of van het hol mijner handen. Zie Job 17:9.
Hertaald:mijner
Hebreeuws: mijner palmen, of van de holte van mijn handen. Zie Job 17:9.
Genesis 20 vers 6— En God zeide tot hem in den droom: Ik heb ook geweten, dat gij dit in oprechtheid uws harten gedaan hebt, en Ik heb u ook belet van tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten, haar aan te roeren.
gij dit
Hiermede wil God niet zeggen dat hij ten enenmale in het nemen van Sara onschuldig was, maar ten aanzien van het voornemen en de daad des overspels. Zelfs een enkel ongeveinsd voornemen, in een kwade daad, maar uit onbedachtzaamheid of onwetenden ijver spruitende, wordt aldus uitgedrukt, gelijk 2 Sam. 15:11; 1 Kon. 22:34, en 2 Kron. 18:33.
Hertaald:gij dit
Hiermee wil God niet zeggen dat hij in het nemen van Sara volkomen onschuldig was, maar wel wat het voornemen en de daad van overspel betreft. Zelfs een enkel, ongeveinsd voornemen tot een kwade daad, dat echter uit onbedachtzaamheid of onwetende ijver voortkomt, wordt zo uitgedrukt, zoals in 2 Sam. 15:11; 1 Kon. 22:34, en 2 Kron. 18:33.
van tegen
De misdaad aan Sara en Abraham rekent God als hemzelven aangedaan; verg. Ps. 51:6, en Ps. 105:14-15, Hand. 9:5.
Hertaald:van tegen
Het onrecht dat Sara en Abraham is aangedaan, rekent God als Hemzelf aangedaan; vergelijk Ps. 51:6, en Ps. 105:14-15, Hand. 9:5.
toegelaten
Hebr. gegeven.
Hertaald:toegelaten
Hebreeuws: gegeven.
Genesis 20 vers 7— Zo geef dan nu dezes mans huisvrouw weder; want hij is een profeet, en hij zal voor u bidden, opdat gij leeft; maar zo gij haar niet wedergeeft, weet, dat gij voorzeker sterven zult, gij, en al wat uwes is!
een profeet
Dat is, een man Gods, van zonderlinge wetenschap en godvruchtigheid, aan wien Ik Mij zeer vrijelijk openbaar, en dien Ik zeer liefheb en die Mij waardig is.
Hertaald:een profeet
Dat is: een man Gods, met bijzondere kennis en godsvrucht, aan wie Ik Mij zeer vrijmoedig openbaar, en die Ik zeer liefheb en die Mij waardig is.
hij zal
Of, laat hem voor u bidden.
Hertaald:hij zal
Of: laat hem voor u bidden.
al wat uwes is
Of, al wie de uwen zijn.
Hertaald:al wat uwes is
Of: allen die van u zijn.
Genesis 20 vers 8— Toen stond Abimelech des morgens vroeg op, en riep al zijn knechten, en sprak al deze woorden voor hun oren. En die mannen vreesden zeer.
Hertaald:knechten,
Bedoeld worden raadslieden, ambtenaren en de voornaamste hovelingen. Zo ook 1 Kon. 1:2, en 1 Kon. 10:5; 2 Kon. 6:8; 2 Kron. 24:25.
woorden
Of, zaken; te weten, die hem in den droom waren wedervaren. Alzo ook onder, vs.10, en Gen. 24:66, enz.
Hertaald:woorden
Of: zaken; namelijk wat hem in de droom overkomen was. Zo ook in vers 10, en Gen. 24:66, enz.
voor hun
Dat is, dat zij die hoorden.
Hertaald:voor hun
Dat is: zodat zij het hoorden.
vreesden
Als hebbende ten dienste van hun koning het nemen van Sara gevorderd. Verg. boven Gen. 12:15.
Hertaald:vreesden
Omdat zij, ten dienste van hun koning, het nemen van Sara bevorderd hadden. Vergelijk Gen. 12:15.
Genesis 20 vers 9— En Abimelech riep Abraham, en zeide tot hem: Wat hebt gij ons gedaan? en wat heb ik tegen u gezondigd, dat gij over mij en over mijn koninkrijk een grote zonde gebracht hebt? gij hebt daden met mij gedaan, die niet zouden gedaan worden.
een grote zonde
Dat is, gij zoudt, door uw onbedachtzaamheid, de grote zonde des overspels en de straf daarvan over ons allen gebracht hebben. Het is opmerkelijk in dezen heidensen koning, dat hij het overspel, zelfs in den tijd [vóór de wet] gehouden heeft voor zulk een gruwelijke zonde, dat ook zijn ganse koninkrijk zijnenthalve daarom zou hebben moeten lijden. Zie onder Gen. 38:24; Lev. 20:10; Deut. 22:22; 2 Sam. 12:5; 2 Sam. 12:10-11; Jer. 29:22-23; Ezech. 16:38, Ezech. 16:40, en Ezech. 23:45, Ezech. 23:47; Joh. 8:5.
Hertaald:een grote zonde
Dat is: gij zoudt door uw onbedachtzaamheid de grote zonde van overspel en de straf daarvoor over ons allen gebracht hebben. Het is opmerkelijk bij deze heidense koning, dat hij overspel — zelfs in de tijd vóór de wet — beschouwde als zo'n zware zonde, dat zelfs zijn hele koninkrijk daarvoor zou moeten lijden. Zie Gen. 38:24; Lev. 20:10; Deut. 22:22; 2 Sam. 12:5; 2 Sam. 12:10-11; Jer. 29:22-23; Ezech. 16:38, Ezech. 16:40, en Ezech. 23:45, Ezech. 23:47; Joh. 8:5.
die niet
Dat is, die ongeoorloofd en onbetamelijk zijn. Zie dezelfde manier van spreken onder Gen. 34:7; Lev. 4:2, Lev. 4:13.
Hertaald:die niet
Dat is: die ongeoorloofd en onbetamelijk zijn. Zie dezelfde uitdrukking in Gen. 34:7; Lev. 4:2, Lev. 4:13.
Genesis 20 vers 10— Voorts zeide Abimelech tot Abraham: Wat hebt gij gezien, dat gij deze zaak gedaan hebt?
Wat hebt
Of, wat hebt gij ingezien, of opgemerkt, dat u bewogen heeft om dit te doen?
Hertaald:Wat hebt
Of: wat hebt gij gezien, of opgemerkt, dat u ertoe bewogen heeft dit te doen?
Genesis 20 vers 11— En Abraham zeide: Want ik dacht: alleen is de vreze Gods in deze plaats niet, zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden.
ik dacht
Hebr. ik zeide, dat is, ik dacht. Aldus wordt zeggen voor denken genomen; Ex. 2:14; Joz. 22:34; 1 Kon. 5:5; 2 Kron. 2:1; Jes. 8:12; Hand. 7:28.
Hertaald:ik dacht
Hebreeuws: ik zeide, dat is: ik dacht. Zo wordt 'zeggen' vaak gebruikt voor 'denken'; Ex. 2:14; Joz. 22:34; 1 Kon. 5:5; 2 Kron. 2:1; Jes. 8:12; Hand. 7:28.
alleen is
Hij schijnt te willen zeggen: hier is wel een schone landstreek en alle overvloed, maar alleen ontbreekt de vreze Gods. And. zekerlijk is, enz.
Hertaald:alleen is
Hij lijkt te willen zeggen: hier is wel een mooie streek en overvloed van alles, maar alleen de vreze Gods ontbreekt. Anders: zekerlijk is, enz.
huisvrouw
Hebr. om de zaak van mijn huisvrouw.
Hertaald:huisvrouw
Hebreeuws: om de zaak van mijn vrouw.
Genesis 20 vers 12— En ook is zij waarlijk mijn zuster; zij is mijns vaders dochter, maar niet mijner moeder dochter; en zij is mij ter vrouwe geworden.
zij is
Zie boven Gen. 11:29.
Hertaald:zij is
Zie Gen. 11:29.
Genesis 20 vers 13— En het is geschied, als God mij uit mijns vaders huis deed dwalen, zo sprak ik tot haar: Dit zij uw weldadigheid, die gij bij mij doen zult; aan alle plaatsen waar wij komen zullen, zeg van mij: Hij is mijn broeder!
deed dwalen,
Hoewel de naam Gods ELOHIM, die in het getal van velen staat, gewoonlijk gevoegd wordt bij een woord, dat in het eenvoudig staat, hetwelk betekent de enigheid des Goddelijken wezens, nochtans wordt het hier gevoegd bij een woord, dat ook in het getal van velen staat, om [zoals sommige geleerden oordelen] te betekenen de drievuldigheid der personen, Hebr. Als mij ELOHIM deden dwalen. Zie dergelijke manier van spreken, onder Gen. 35:7; Joz. 24:19; 2 Sam. 7:23; Ps. 58:12; Jer. 10:10.
Hertaald:deed dwalen,
Hoewel de naam van God, Elohim, die in het meervoud staat, meestal gecombineerd wordt met een werkwoord in het enkelvoud, om de eenheid van het Goddelijke wezen aan te geven, wordt hij hier gecombineerd met een werkwoord dat ook in het meervoud staat, om [zoals sommige geleerden menen] de drievuldigheid van de Personen aan te duiden. Hebreeuws: toen Elohim mij deden dwalen. Zie een vergelijkbare uitdrukking in Gen. 35:7; Joz. 24:19; 2 Sam. 7:23; Ps. 58:12; Jer. 10:10.
aan alle
Hiermede schijnt Abraham te willen zeggen dat hij, uit zijns vaders huis trekkende, vermoedde dat hij geen vreze Gods vinden zou bij enige volken, tot welke hij zou komen; zodat die van Gerar dit zich in het bijzonder niet hadden aan te trekken.
Hertaald:aan alle
Hiermee lijkt Abraham te willen zeggen dat hij, toen hij uit zijn vaders huis vertrok, vermoedde dat hij bij geen enkel volk waar hij zou komen de vreze Gods zou aantreffen; zodat die van Gerar zich dit niet in het bijzonder hoefden aan te trekken.
Genesis 20 vers 14— Toen nam Abimelech schapen en runderen, ook dienstknechten en dienstmaagden, en gaf dezelve aan Abraham; en hij gaf hem Sara zijn huisvrouw weder.
Toen nam
Dit, mitsgaders het vorafgaande en volgende, is een uitzonderlinge beleefdheid in een heidensen koning, voortgekomen uit Gods beleid en regering.
Hertaald:Toen nam
Dit, evenals wat eraan voorafgaat en volgt, is uitzonderlijke beleefdheid voor een heidense koning, en kwam voort uit Gods bestel en bestuur.
Genesis 20 vers 15— En Abimelech zeide: Zie, mijn land is voor uw aangezicht; woon, waar het goed is in uw ogen.
voor uw
Dat is, voor u open en ten uwen beste. And. deed Faraö, boven Gen. 12:19-20. Zie boven, Gen. 12:13.
Hertaald:voor uw
Dat is: voor u open en tot uw beschikking. Anders: deed Farao, zie Gen. 12:19-20. Zie Gen. 12:13.
Genesis 20 vers 16— En tot Sara zeide hij: Zie, ik heb uw broeder duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel der ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd.
uw broeder
Hiermede geeft hij Sara bedektelijk te verstaan, dat zij gelegenheid gegeven had tot dit kwaad, zeggende dat Abraham haar broeder was.
Hertaald:uw broeder
Hiermee geeft hij Sara indirect te verstaan dat zij aanleiding had gegeven tot dit kwaad, door te zeggen dat Abraham haar broer was.
duizend
Hebr. duizend zilvers. Dat is, naar het algemeen gevoelen, duizend zilveren sikkels, of zilverlingen. En alzo er tweeërlei sikkels waren, de burgerlijke sikkel, bedragende wat meer dan een oord (een vierde deel van een rijksdaalder); de ander, des heiligdoms, wegende dubbel zoveel; zo wordt gemeend dat hier gemeente of burgerlijke sikkels te verstaan zijn; makende deze duizend zilverlingen weinig meer dan de som van 250 rijksdaalders.
Hertaald:duizend
Hebreeuws: duizend zilverstukken. Dat is, naar algemene opvatting: duizend zilveren sikkels. Aangezien er twee soorten sikkels waren — de gewone, ter waarde van iets meer dan een kwart rijksdaalder, en die van het heiligdom, die dubbel zo zwaar woog — wordt aangenomen dat hier gewone sikkels bedoeld worden; dit maakt deze duizend zilverstukken iets meer dan 250 rijksdaalders.
zij u
Dat is, beken na dezen vrijelijk dat hij uw echte man is, en dek uw aangezicht, tot een teken dat gij getrouwd zijt, en dat hij daarom een schut en scherm uwer kuisheid is. Zie van dit dekken des aangezichts van de vrouwen, onder Gen. 24:65, en 1 Kor. 11:10. Anders, het zij u tot een deksel, enz., te weten, het geld zij u gegeven om zulk een deksel te kopen.
Hertaald:zij u
Dat is: erken voortaan vrijuit dat hij uw echte man is, en bedek uw gezicht, als teken dat gij getrouwd zijt en dat hij daarom een bescherming van uw eerbaarheid is. Zie over dit bedekken van het gezicht van vrouwen Gen. 24:65, en 1 Kor. 11:10. Anders: het zij u tot een bedekking, enz., namelijk: het geld is u gegeven om zo'n bedekking te kopen.
allen,
Dat is, niet alleen, die bij u verkeren, maar ook bij de vreemden.
Hertaald:allen,
Dat is: niet alleen bij hen die u omringen, maar ook bij vreemden.
en wees
Dat is, wees geleerd en gewaarschuwd, om hierna voorzichtiger te zijn; of, en dit alles opdat gij geleerd zijt. Sommigen nemen dit, gelijk Mozes' woorden, aldus: zo werd zij bestraft.
Hertaald:en wees
Dat is: wees geleerd en gewaarschuwd, om hierna voorzichtiger te zijn; of: en dit alles opdat gij het leert. Sommigen vatten dit, als woorden van Mozes, zo op: zo werd zij terechtgewezen.
Genesis 20 vers 17— En Abraham bad tot God; en God genas Abimelech, en zijn huisvrouw, en zijn dienstmaagden, zodat zij baarden.
Abraham
Zie boven, vs.7.
Hertaald:Abraham
Zie hierboven bij vers 7.
genas
Zodat hij niet stierf aan de ziekte, gelijk God de HEERE hem bedreigd had, vs.3, 7.
Hertaald:genas
Zodat hij niet stierf aan de ziekte, zoals God de HEERE hem gedreigd had, vers 3, 7.
zodat
Dat is, baren konden. Zie het volgende vers.
Hertaald:zodat
Dat is: konden baren. Zie het volgende vers.
Genesis 20 vers 18— Want de HEERE had al de baarmoeders van het huis van Abimelech ganselijk toegesloten, ter oorzake van Sara, Abrahams huisvrouw.
ganselijk
Hebr. toesluitende toegesloten voor alle baarmoeder, dat is, Hij had haar onvruchtbaar gemaakt. Zie deze manier van spreken 1 Sam. 1:5-6; daarentegen betekent de opening der baarmoeder, de gave der vruchtbaarheid, ond Gen. 29:31.
Hertaald:ganselijk
Hebreeuws: toesluitend toegesloten voor elke baarmoeder, dat is: Hij had haar onvruchtbaar gemaakt. Zie deze uitdrukking in 1 Sam. 1:5-6; daarentegen betekent de opening van de baarmoeder de gave van vruchtbaarheid, zie Gen. 29:31.
ter oorzake
Hebr. om de zaak van Sara.
Hertaald:ter oorzake
Hebreeuws: om de zaak van Sara.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Abram — verheven vader
De zoon van Terah, vóór zijn oudere broers Nahor en Haran genoemd (Gen. 11:27) omdat hij de erfgenaam van de beloften was. Op zeventigjarige leeftijd verliet hij met zijn familie Ur der Chaldeeën; later, na de dood van zijn vader in Haran, ontving hij van de HEERE de roeping om naar het onbekende land Kanaän te trekken, 'niet wetende waar hij komen zou' (Hebr. 11:8). Later zou zijn naam veranderd worden in Abraham (Gen. 17:4-5).
Sarai — mijn vorstin
De vrouw en tegelijk halfzuster van Abram (Gen. 11:29; 20:12). Onder deze naam wordt zij voor het eerst genoemd; later, bij de instelling van het verbond der besnijdenis, zou haar naam veranderd worden in Sarah, 'vorstin' (Gen. 17:15), toen haar werd beloofd dat zij, ondanks haar hoge leeftijd, de moeder van de beloofde zoon zou worden.
Abimelech — mijn vader is koning, of: vader van de koning
De Filistijnse koning van Gerar ten tijde van Abraham (Gen. 20:1-18). Zoals Abram eerder in Egypte deed, gaf Abraham ook hier Sara voor zijn zuster uit, waarop Abimelech haar tot zich nam; door Gods ingrijpen in een droom werd zij ongeschonden aan Abraham teruggegeven. Abimelech gaf Abraham daarop kostbare geschenken en berispte hem tegelijk voor zijn misleiding. 'Abimelech' was, evenals 'Farao' voor de Egyptische koningen, een gangbare titel voor de Filistijnse koningen.
Bijbelse PlaatsenPlaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Sur — Hebreeuws voor "muur"; verwijst mogelijk naar de bergwand van het Tih-plateau, die vanaf de kustvlakte gezien als een muur oprijst
Ligging: Een woestijn ten oosten van de Golf van Suez, tegenover Egypte, op de weg naar Assyrië (Gen. 25:18).
Geschiedenis: Hierheen vluchtte Hagar, de Egyptische slavin van Sarai, toen zij voor haar meesteres wegvluchtte; onderweg, bij een bron "op de weg naar Sur", ontmoette de Engel des HEEREN haar (Gen. 16:7). Abraham woonde later "tussen Kades en Sur" (Gen. 20:1). Na de doortocht door de Schelfzee trokken de Israëlieten de woestijn Sur in, die zich drie dagreizen ver naar het zuiden uitstrekte (Ex. 15:22).
Bijbelse betekenis: De plaats waar Hagar, gevlucht en radeloos, als eerste mens in de Bijbel de HEERE een naam geeft: "Gij, God, ziet mij" — een aanwijzing dat Gods zorg zich ook uitstrekt tot wie buiten het verbondsvolk lijkt te vallen.
Gen. 16:7; 20:1; 25:18; Ex. 15:22; 1 Sam. 15:7; 27:8
Gerar — Hebreeuws gerar, "kring, gebied"
Ligging: Een stad in de Filistijnse vlakte, ten zuiden van Gaza; de plaats is niet met zekerheid geïdentificeerd, maar wordt vermoed te liggen in een van de zijdalen van de Wadi Sjeria, bij een plek genaamd Oem Djerrar, aan de kust ten zuidwesten van Gaza.
Geschiedenis: Hierheen trok Abraham vanuit het Zuiderland en vestigde hij zich enige tijd (Gen. 20:1), waar hij, net als eerder in Egypte, Sara voor zijn zuster liet doorgaan uit vrees voor zijn leven — waarop Abimelech, de koning van Gerar, haar tot vrouw wilde nemen, totdat God hem in een droom waarschuwde (Gen. 20). Later verbleef ook Izak hier tijdens een hongersnood, met een soortgelijk voorval rond Rebekka (Gen. 26).
Bijbelse betekenis: Toont hoe dezelfde zwakheid — angst en een halve waarheid over Sara — zich bij Abraham herhaalt, en hoe God ook temidden van menselijk tekortschieten Zijn verbondsbeloften trouw bewaart.
Christus in dit hoofdstukHeenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Ik heb u belet — 20:1-7
Het beloofde Zaadniveau 3Verantwoorde typologische of heilshistorische verbindinguitwerking
De belofte van een zoon binnen een jaar is nog vers, en Sodom is nog maar net verwoest. En dan doet Abraham voor de tweede keer wat hij eerder in Egypte deed: hij noemt zijn vrouw zijn zuster.
De moeder van het beloofde kind komt in het huis van een vreemde koning terecht, en God grijpt in bij de koning en niet bij Abraham.
Het is een pijnlijk hoofdstuk. Abraham is de man aan wie de belofte gedaan is, en hij brengt haar zelf in gevaar. Abimelech neemt Sara weg, en zij is de vrouw uit wie het beloofde kind geboren moet worden.
Wat er dan gebeurt, gebeurt buiten Abraham om. God komt tot Abimelech in een droom en zegt hem onomwonden dat hij een dood man is om deze vrouw. Abimelech pleit zijn onschuld, en het antwoord dat hij krijgt is de kern van dit hoofdstuk: “Ik heb ook geweten, dat gij dit in oprechtheid uws harten gedaan hebt, en Ik heb u ook belet van tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten, haar aan te roeren.”
Ik heb u belet. De belofte werd dus niet bewaard door de trouw van de man die haar gekregen had, maar doordat God een heiden tegenhield.
Zo gaat het in deze lijn telkens. De vrouw is onvruchtbaar. Het kind wordt gevraagd op een altaar. De zonen strijden in de moederschoot, en de lijn loopt verder door een schoondochter aan de kant van de weg. Jozef wordt verkocht. Athalia roeit het koninklijk zaad uit, en één kind wordt in een slaapkamer verborgen. Telkens hangt alles aan een draad, en telkens houdt de draad — niet omdat de dragers betrouwbaar zijn.
Het slot van het gedeelte heeft nog een wrange wending. Abimelech moet Sara teruggeven, en er staat bij waarom: “want hij is een profeet, en hij zal voor u bidden, opdat gij leeft.” De kanttekening legt dat woord profeet uit als een man Gods aan wie God Zich vrijelijk openbaart.
De man die deze hele toestand veroorzaakt heeft, is dus de man voor wiens gebed de koning leven zal. Zo blijft het ambt staan waar de man tekortschiet. Dat is niet vreemd in de Schrift, maar het is wel de reden waarom deze lijn ergens anders moet uitkomen dan bij Abraham. Zij komt uit bij Eén Die tegelijk de Voorbidder is en Zelf niets goed te maken heeft.
Genesis 18:10 — Sara zal binnen een jaar een zoon hebben.
Genesis 20:2 — En dan geeft Abraham haar uit voor zijn zuster.
Genesis 20:6 — God houdt Abimelech tegen: Ik heb u belet.
Genesis 20:7 — En dezelfde Abraham moet voor hem bidden.
Genesis 21:2 — Zo wordt het beloofde kind toch geboren.
Hebreeën 7:26 — De Voorbidder Die later komt, hoeft niets goed te maken.
In het Nieuwe Testament: Genesis 12:17; Genesis 17:19; Genesis 18:10; 2 Koningen 11:2; Hebreeën 7:26; Johannes 17:9
Hoever dit reikt: Het Nieuwe Testament haalt dit hoofdstuk niet aan. Dat het hier over de bewaring van de belofte gaat, blijkt uit de plaats in het verhaal: de aankondiging van Izaks geboorte staat er vlak voor. De vergelijking met de voorbede van Christus rust op twee dingen: het woord profeet, en het gebed dat Abraham voor Abimelech doen moet. Verder gaat zij niet.
Wat betekenen de niveaus?
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.
SARA WORDT DOOR ABIMELECH ABRAHAM ONTNOMEN EN MET ERE WEERGEGEVEN.
I. Gen. 20 vers 1-7
Te Gerar, waarheen Abraham na Sodom’s verwoesting zich begeeft, geeft hij Sara, even als vroeger in Egypte (hoofdstuk. 12:10 vv.), voor zijn zuster uit. Abimelech laat even als toen Farao, haar van zijn huis halen. God komt aanstonds tussenbeide en slaat de koning met een gevaarlijke ziekte, openbaart hem in de droom de ware gesteldheid van de zaak, en dringt hem om aan de profeet, waarvoor hij Abraham verklaart, zijn vrouw terug te geven, deze zou dan voor hem bidden, dat het gevaar waarin hij verkeerde, voorbij mocht gaan.
1. En Abraham bleef, na de verwoesting van de vier steden, niet lang meer bij Hebron, maar reisde van daar, misschien om de smartelijke indruk, die de Dode zee bij hem opwekte, naar het land van het zuiden, en woonde, sloeg zijn tenten op voor zijn kudden en zijn gezin, tussen Kades en tussen Sur (Genesis 16:7,14); en hij verkeerde als vreemdeling te Gerar 1) (vreemdelingschap); hij zette zich neer in de hoofdstad van dat gebied, dat buiten het eigenlijke Kanaän lag.
1) De Filistijnen, afstammelingen van Cham (hoofdstuk. 10:1) zijn na de Kanaänieten in Palestina gekomen en hebben deze, in vereniging met de Kafthorieten, verdreven. Naar hen heet het land Palestina.
2. Hoewel Abraham reeds eenmaal door God gestraft was geworden in Egypte (hoofdstuk 12:10 vv.), omdat hij omtrent Sara gelogen had, verviel hij nochtans weer in dezelfde zonde. Als nu Abraham van Sara, zijn vrouw, gezegd had: Zij is mijn zuster, a) zo zond Abimelech, die deze titel, koningsvader, evenals de andere vorsten van de Filistijnen, droeg (hoofdstuk. 26:1 vv.; Psalm. 34:1; 1 Samuel. 21:11 vv. ), de koning van Gerar, en nam Sara weg 1) wellicht om door verzwagering met de rijke herdersvorst zijn macht en zijn aanzien te vergroten (hoofdstuk. 21:22). Sara kan bovendien, ondanks haar vergevorderde leeftijd van bijna negentig jaar, een schoonheid geweest zijn, daar wegens de haar teruggegevene bestemming, om moeder te worden, ook haar vrouwelijke natuur zal verjongd zijn.
a) Genesis 26:7
1) De mens, die zich eens aan een zonde heeft overgegeven, vervalt gemakkelijk weer in hetzelfde kwaad. Ieder zondaar heeft zijn eigenaardige zwakheid, die zich telkens weer openbaart; elk herhaald toegeven is weer groter zonde. Abraham had Hebron niet moeten verlaten; want als men de van God aangewezene plaats met een andere gaat verwisselen, komt men in moeite. Toch wil de Heere Zijn vriend, die zijn eigen weg is gegaan, en aan onwaarheid spreken in ongeloof zich heeft schuldig gemaakt, niet aan zichzelf overlaten. De afkomst van Israël moet onbesmet zijn. Izaak mag niet aangezien worden voor een zoon van Abimelech. Wederom zijn Abrahams angsten zijn straf en moet hij ‘s konings bestraffing ondervinden; nochtans maakt God goed, wat Zijn dienaar bedorven heeft.
Wat goed is kwaad te maken verstaan wij wel; daar zijn wij meesters in; maar wat kwaad is goed te maken, dat is Gods kunstwerk.
Was Abraham vergeten, welke kastijding Gods hem getroffen had in Egypte? Of heeft hij gehoopt, dat het hem nu beter zal afgaan? Het eerste is moeilijk te geloven, al is het waar, dat de mens zowel de weldaden als de straffen Gods spoedig vergeet. Ook het tweede is te verwerpen. Hier was het niet, zoals in Egypte, een voorbedachte leugen. Wij hebben het ons zo voor te stellen, dat Abimelech bekoord door de schoonheid van Sara, haar tot vrouw begeerd heeft, niet wetende, dat het Abrahams vrouw was, en dat Abraham, op het ogenblik, dat men hem zijn vrouw afnam, door een ogenblikkelijke vrees is overvallen, en nu weer gezegd heeft, dat zij zijn zuster was. Toen hij naar het Filistijnenland reisde, heeft hij er niet om gedacht, dat een vreemde de 90-jarige Sara tot vrouw zou begeren.
3. Maar God sloeg aanstonds de koning en zijn knechten met een zware ziekte, zodat hij haar niet kon naderen (vs.6), daar hij echter nog niet zo geheel in het heidendom was weggezonken, dat hij voor een goddelijke openbaring onvatbaar was, kwam God tot Abimelech in een droom 1) ’ s nachts, om zelf hem te verklaren, wat die plaag te betekenen had, terwijl Farao in hetzelfde geval (hoofdstuk. 12:17 vv.) eerst zijn waarzeggers raadplegen moest, en Hij zei tot hem: Zie gij zijt dood, de ziekte zal u tot de dood brengen, om der vrouwe wil, die gij weggenomen hebt, want zij is met een man getrouwd. 2)
1) Deze openbaring, door dromen, was onder de Oude Bedeling de laagste vorm van Gods openbaring, waarmee ook heidenen werden verwaardigd.
2) Ongetwijfeld ligt ook hierin, dat God, Abraham in bescherming nemende, Abimelech kastijdt, omdat hij Sara weggenomen heeft, maar ook ligt hierin een vermaning tegen alle echtbreuk en overspel in het algemeen.
4. Doch Abimelech, verhinderd door zijn ziekte, was tot haar niet genaderd; daarom zei hij: Heere! 1) wanneer Gij echtbreuk zo hard straft, zult Gij dan ook een rechtvaardig volk, 2) mensen die zich daaraan nog niet schuldig gemaakt hebben, doden.
1) Adonai, niet Jehova, omdat er wel gesproken wordt door een vereerder van de ware God, maar niet door iemand, die gelijk Abraham, deelgenoot is van het bijzonder verbond van de genade. Het schijnt, dat deze Filistijnen destijds nog niet bepaald afgodendienaars waren. Nochtans kenden zij God niet als Jehova, als de God, die met Zijn knechten het genadeverbond van de belofte, gesloten had.
2) Abimelech gevoelt zich onschuldig. Het recht van een harem te houden, of in polygamie te leven: het recht van de vorsten, om ongehuwden in hun harem te halen, staat bij hem vast. Hij acht alzo zichzelf onschuldig en zijn hand rein, in zoverre Abraham en Sara zelf de aanleiding hebben gegeven, dat hij in de rechten van anderen heeft ingegrepen.
Hoe menigeen, die diep schuldig is, houdt zich voor rechtvaardig, omdat hij één misdaad niet bedreef, en vergeet daarbij zijn andere zonden! Daarom wordt God in Zijn straffen niet gerechtvaardigd, en is het alsof elke ramp onverdiend is!.
Abimelech paart aan godvruchtige ootmoed zedelijke trots.
5. Heeft hij zelf, wiens vrouw zij is, gelijk ik thans eerst verneem, mij niet gezegd: Zij is mijn zuster, en zij, ook zij heeft gezegd: Hij is mijn broeder. In oprechtheid, eenvoudigheid, van mijn hart en in reinheid van mijn handen, daar ik haar niet genomen zou hebben, zo ik geweten had, dat zij gehuwd was, heb ik dit gedaan, wat Gij nu zo zwaar aan mij wreken wilt.
6. En God zei tot hem in de droom: Ik heb ook geweten, dat gij dit in oprechtheid van uw hart gedaan hebt, en Ik heb u ook belet 1) van tegen Mij 2) te zondigen; daarom heb Ik u, door de toegezonden ziekte, niet toegelaten, haar aan te roeren.
1) De Heere geeft Abimelech getuigenis, omdat hij, op zichzelf beschouwd, onschuldig is; maar tegelijk zegt Hij hem, dat niet hij, maar de Heere zelf de oorzaak is, dat hij niet tot zonde is vervallen. Dat de hand des Heren hem van het kwade heeft teruggehouden.
2) Hier is wel in het oog te houden, dat men zondigt tegen God, als men dingen doet, die, als zonden van het vlees, de mens gering voorkomen. Niet alleen om Abrahams wille, maar ook om de wille van Abimelech zelf, heeft God hem weerhouden te zondigen. Dit straalt hierin duidelijk door.
7. Zo geef dan nu deze man zijn vrouw terug, want hij is een profeet, 1) een drager van Mijn woord en van Mijn belofte; hij staat tot Mij in een bijzondere betrekking (hoofdstuk. 15:18; 17:10), waarom Ik hem niet mag laten aantasten (Psalm. 105:15), en hij zal, wanneer gij aan mijn eis voldaan hebt, voor u bidden, opdat gij leeft. Juist omdat hij een profeet is, zal zijn voorspraak bij Mij van kracht zijn; het gebed van deze rechtvaardige zal veel vermogen, gij zult dan behouden worden, maar zo gij haar niet wedergeeft, weet, dat gij voorzeker sterven zult, gij en al wat van uw is, 2) uw gehele hof.
1) Wij hebben Abraham reeds leren kennen als een koninklijk krijgsheld in zijn strijd tegen Kedor-Laómer (hoofdstuk. 14); wij zagen in hem de priester, toen hij voor Sodom bad; hier wordt hij profeet genoemd. Als zijn profetisch werk wordt hier de voorbede genoemd. Zo hangen de werkzaamheden van profeten en priesters ten nauwste samen.
Als een gekende des Heren en als een voorbidder heeft de Schrift hem reeds getoond. Hier leren wij hem kennen als profeet.
2) Heeft God in den beginne gezegd: “Gij zijt dood,” om de overtreder vrees aan te jagen en zijn geweten te treffen, hier komt God met zijn bedreigingen, opdat toch zijn woord zal gehoorzaamd worden. Want indien Abimelech niet gehoorzaamt, zal hij ook zijn gezin in het verderf slepen.
II. Gen. 20 vers 8-18
Abimelech ontbiedt Abraham in een vergadering, die hij de volgende morgen met zijn hovelingen houdt; verwijt hem zijn handelwijze, waardoor hij over hem en zijn rijk een grote zonde zou gebracht hebben; geeft hem Sara met aanzienlijke geschenken terug, en wordt nu op Abrahams voorbede van de plaag, waarmee hij en zijn heer geslagen was, weer vrij.
8. Toen stond Abimelech ‘s morgens vroeg op, om het goddelijk bevel zo spoedig mogelijk te volbrengen, en riep al zijn knechten, zijn hofbeambten en dienaars tezamen, en sprak al deze woorden, die de Heere met hem in de droom gesproken had, de ontvangen bestraffing en terechtwijzing, voor hun oren. En die mannen vreesden zeer, 1) zij werden door de rede van de koning zo getroffen, dat zij erkenden met de levende God te doen te hebben, en alles te moeten doen, om de misslag te herstellen.
1) Het doet ons Abimelech als een koning van een open karakter kennen, dat hij door de mededeling van die woorden Gods zich voor zijn knechten verootmoedigt. Verootmoedigend is het voor hem, dat hij in onwetendheid een gevaarlijke misslag zou gedaan hebben, en vervolgens, dat hij genoodzaakt is, aan de vreemdeling zijn vrouw terug te geven. Het spreekt ook voor zijn huis en zijn hofhouding, dat zich zijn vreze Gods aan zijn knechten meedeelt.
9. En Abimelech riep vervolgens Abraham en zei tot hem, in tegenwoordigheid van zijn nog vergaderde, hovelingen: Wat hebt gij ons gedaan, dat gij uw echtelijke verbintenis ons verzwegen hebt, en wat heb ik tegen u gezondigd, welkkwaad heb ik u gedaan, dat gij over mij en over mijn koninkrijk een grote zonde gebracht hebt? nadat ik haar heb genomen, en, zo God het niet verhoed had, echtbreuk zou hebben gepleegd. Gij hebt daardoor ons in ziekten gestort en zou een gericht Gods over ons gebracht hebben. Gij hebt daden met mij gedaan, die niet zouden gedaan worden, 1)die niet geoorloofd zijn te doen.
1) Uit deze woorden spreekt zowel een aanklacht tegen Abraham als een belijdenis van schuld tegenover hem.
Hoe beschamend is deze koning van de Filistijnen voor Christenen, die tegenover anderen nooit over begaan onrecht een woord van schuldbelijdenis op hun lippen willen nemen!.
10. Voorts zei Abimelech tot Abraham, die in het gevoel van zijn schuld eerst zweeg en zich niet wist te verantwoorden: Wat hebt gij gezien, welk kwaad hebt gij in ons opgemerkt, dat gij deze zaak gedaan hebt? Gij moet er toch een reden voor gehad hebben.
11. En Abraham zei: Want ik dacht 1) alleen is de vreze Gods in deze plaats niet, maar er heerst, gelijk elders, ruwe willekeur tegenover de vreemdeling, zodat zij mij om mijner vrouw wil, zullen doden, 2) om in het bezit van haar te komen. Zij zullen mij echter niets doen, maar integendeel mijn gunst zoeken te verwerven, wanneer ik zeg, dat zij mijn zuster is (hoofdstuk. 12:11-13).
1) Of: “indien er eens geen vreze Gods aan deze plaats ware, zo zouden zij mij om mijn vrouw doden”.
2) Zo vindt ieder makkelijk een verontschuldiging voor zijn zonde.
12. En ook is dat geen leugen, zij is waarlijk mijn zuster 1) zij is de dochter van mijn vader, maar niet van mijn moeder; en zij is mijn vrouw geworden.
1) Abraham dwaalt; de betrekking van broeder en zuster is zo goed als opgeheven door de echtelijke verbintenis bovendien noemde hij de eerste, om de tweede te ontkennen.
Sommigen zijn van gevoelen, dat Sara de wettige zuster geweest is van Abraham, maar niet van dezelfde moeder, zodat zij uit een tweede vrouw is geboren. Daar echter deze naam bij de Hebreeën een uitgestrekte betekenis heeft, omhels ik gaarne een ander gevoelen, dat zij in de tweede graad zijn zuster is geweest; dat zij wel een gemeenschappelijke vader hebben gehad, maar in dit geval een grootvader, uit wie dan de broeders wettig zijn afgestamd.
En het is geschied, als God mij uit mijns vaders huis deed dwalen, en mij het zwerven in de vreemde oplegde, waaraan zo vele gevaren, voornamelijk om de schoonheid van mijn vrouw, voor mij verbonden waren, zo sprak ik tot haar: Dit zij uw weldadigheid, die gij bij mij doen zult; bewijs mij deze gunst: aan alle plaatsen, waar wij komen zullen, a) zeg van mij: Hij is mijn broeder! Gij ziet dus, wij hebben met u geen bijzonder doel gehad, noch hier iets bijzonders kwaads gezien; het is een maatregel van voorzichtigheid, die ik hier, evenals overal elders, heb aangewend, daar ik de betere gezindheid van u en uw volk niet kende.
a) Genesis 12:13
Dr. Van Ronkel vertaalt: “als de Goden uit mijns vaders huis mij verleidden.” Deze vertaling is ook te verdedigen, zie Jesaja. 3:12; 9:15, Jesaja. 63:17, waar ditzelfde werkwoord gebruikt wordt, met het voorzetsel Nb gelijk als hier, kan het niet anders dan door “dwalen” of “doen dwalen” vertaald worden.
14. Toen nam Abimelech schapen en runderen, ook dienstknechten en dienstmaagden, en gaf deze aan Abraham, om hem enige schadevergoeding te geven; en hij gaf hem Sara, zijn vrouw, terug.
15. En Abimelech handelde op een andere wijze als Farao, die Abraham uit zijn land liet gaan (hoofdstuk. 12:19), en zei: Zie, mijn land is voor uw aangezicht; woon, waar het goed is in uw ogen, en gij zult veilig zijn onder mijn bescherming.
16. En tot Sara zei hij, toen hij haar aan Abraham teruggaf: Zie, ik heb uw broeder, gelijk gij hem zelf genoemd hebt, en waardoor gij mij tot zonde zou gebracht hebben, behalve de andere geschenken, duizend zilverlingen 1) gegeven, om, hetgeen ik in onwetendheid deed, weer goed te maken; zie, hij zij u een deksel voor de ogen, 2) noem hem voortaan niet meer uw broeder, terwille van allen, die met u zijn, ja bij allen, zonder onderscheid, en wees door deze gebeurtenis geleerd; gewaarschuwd, om niet meer uw verbintenis met Abraham te loochenen.
1) Zie opm. Exodus. 30:13.
2) “Hij zij u een deksel voor de ogen.” Wat bedoelt Abimelech met deze woorden? Calvijn verklaart aldus: “Gij, indien gij een man zou missen, zou aan vele gevaren blootgesteld zijn; nu, ofschoon God voor u als bewaker van uw reinheid is opgetreden, betaamde het u toch, onder die sluier te schuilen. Waarom derhalve hebt gij u vrijwillig bloot gegeven?” Het was een rechtmatige bestraffing, omdat Sara, verbergende dat zij in de macht van een man zijnde, zichzelf van haar natuurlijke bescherming had beroofd. Anderen zijn van mening, dat Abimelech bedoelde, dat hij Abraham duizend zilverlingen had gegeven, opdat voor de gehele som, of een gedeelte daarvan, hij Sara een sluier zou kopen of een hoofdbedekking, waardoor de gehuwde van de ongehuwde vrouw wordt onderscheiden.
Het komt ons voor, dat Gerars koning, met dat geschenk van 1000 zilverlingen aan Abraham te geven, Sara op haar positie van vrouw van Abraham heeft willen wijzen. Hij gaf het niet aan haar, maar aan haar man. Was zij zijn zuster geweest, dan had ook zij het kunnen ontvangen. En nu wijst hij haar verder op haar roeping, om nooit weer te verbergen, dat zij de wettige vrouw van een man is. Abraham zij, als haar wettige echtgenoot, degene, die, door altijd rond en open voor zijn betrekking tot haar uit te komen, haar verbergt en beschermt voor de onbescheiden blikken en handelingen van anderen.
17. En Abraham, hoewel Abimelech hem niet bepaald om de voorbede gevraagd had, welke God hem had toegezegd (vs.7), gevoelde toch zelf wat hij doen moest, daar hij de koning in gevaar had gebracht en deze zo edelmoedig gehandeld had. Hij bad tot God: 1) en God genas Abimelech van zijn ziekte (vs.3), en evenzo zijn vrouw, en zijn dienstmaagden, zijn bijvrouwen, zodat zij baarden.
1) Hieraan zal verootmoediging voor zijn eigen ongeloof en zijn leugen zijn voorafgegaan. Er is toch in de gelovige, bij de bewustheid van eigen overtreding, geen vrijmoedigheid, om als voorspraak voor anderen op te treden, zonder dat hij tevens, en wel in de eerste plaats zijn eigen schuld beleden, en Gods genadige schuldvergiffenis voor zichzelf ootmoedig ingeroepen heeft.
Wat de voorzienige en getrouwe God van Abraham over Abimelech’s land en huis als straf van Zijn hand had uitgezonden, dat juist moest het middel wezen om Sara’s eer te redden en om voor Abraham later zelfs elke schaduw van twijfeling af te snijden. Zuiver en ongeschonden, ook naar het oordeel van de bondgenoot, moest de volle en loutere vervulling van Gods beloften kunnen blijken. Ook de Heere handhaaft de regel, door ons maar al te zeer veronachtzaamd: “vermijd ook de schijn van het kwaad.” Ja ook terwille, niet slechts “ter oorzake” van Sara werden allen in Gerar voor een tijd met onvruchtbaarheid geslagen.
18. Want de HEERE had, al die tijd, dat Abimelech Sara in zijn harem gehad had, alle baarmoeders van het huis van Abimelech geheel toegesloten. Alle vrouwen, die zich ingezegende omstandigheden bevonden, had de Heere geslagen, zodat haar de kracht ontbrak om voort te brengen Jesaja 37:3) ter oorzake van Sara Abrahams vrouw, omdat de moederschoot in gevaar was ontheiligd te worden door haar, die nu spoedig (hoofdstuk. 21:1, 2) de zoon van de belofte ontvangen zou.
Twee zaken zijn hier niet te vergeten. 1e. dat God ervoor zorgde, dat, als straks Izaak geboren werd, elke twijfel aan de wondermacht Gods werd voorkomen, en 2e. dat ook deze weg voor Abraham nog een beproevingsweg was. Eindelijk scheen de belofte vervuld te worden, dat hem uit Sara een zoon, de zoon van de belofte, zou geboren worden, en nu was het, alsof alle hoop de bodem werd ingeslagen, daar Sara in de macht van Abimelech was.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Genesis 20
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
SARA WORDT DOOR ABIMELECH ABRAHAM ONTNOMEN EN MET ERE WEERGEGEVEN.
I. Gen. 20 vers 1-7
Te Gerar, waarheen Abraham na Sodom’s verwoesting zich begeeft, geeft hij Sara, even als vroeger in Egypte (hoofdstuk. 12:10 vv.), voor zijn zuster uit. Abimelech laat even als toen Farao, haar van zijn huis halen. God komt aanstonds tussenbeide en slaat de koning met een gevaarlijke ziekte, openbaart hem in de droom de ware gesteldheid van de zaak, en dringt hem om aan de profeet, waarvoor hij Abraham verklaart, zijn vrouw terug te geven, deze zou dan voor hem bidden, dat het gevaar waarin hij verkeerde, voorbij mocht gaan.
1. En Abraham bleef, na de verwoesting van de vier steden, niet lang meer bij Hebron, maar reisde van daar, misschien om de smartelijke indruk, die de Dode zee bij hem opwekte, naar het land van het zuiden, en woonde, sloeg zijn tenten op voor zijn kudden en zijn gezin, tussen Kades en tussen Sur (Genesis 16:7,14); en hij verkeerde als vreemdeling te Gerar 1) (vreemdelingschap); hij zette zich neer in de hoofdstad van dat gebied, dat buiten het eigenlijke Kanaän lag.
1) De Filistijnen, afstammelingen van Cham (hoofdstuk. 10:1) zijn na de Kanaänieten in Palestina gekomen en hebben deze, in vereniging met de Kafthorieten, verdreven. Naar hen heet het land Palestina.
2. Hoewel Abraham reeds eenmaal door God gestraft was geworden in Egypte (hoofdstuk 12:10 vv.), omdat hij omtrent Sara gelogen had, verviel hij nochtans weer in dezelfde zonde. Als nu Abraham van Sara, zijn vrouw, gezegd had: Zij is mijn zuster, a) zo zond Abimelech, die deze titel, koningsvader, evenals de andere vorsten van de Filistijnen, droeg (hoofdstuk. 26:1 vv.; Psalm. 34:1; 1 Samuel. 21:11 vv. ), de koning van Gerar, en nam Sara weg 1) wellicht om door verzwagering met de rijke herdersvorst zijn macht en zijn aanzien te vergroten (hoofdstuk. 21:22). Sara kan bovendien, ondanks haar vergevorderde leeftijd van bijna negentig jaar, een schoonheid geweest zijn, daar wegens de haar teruggegevene bestemming, om moeder te worden, ook haar vrouwelijke natuur zal verjongd zijn.
a) Genesis 26:7
1) De mens, die zich eens aan een zonde heeft overgegeven, vervalt gemakkelijk weer in hetzelfde kwaad. Ieder zondaar heeft zijn eigenaardige zwakheid, die zich telkens weer openbaart; elk herhaald toegeven is weer groter zonde. Abraham had Hebron niet moeten verlaten; want als men de van God aangewezene plaats met een andere gaat verwisselen, komt men in moeite. Toch wil de Heere Zijn vriend, die zijn eigen weg is gegaan, en aan onwaarheid spreken in ongeloof zich heeft schuldig gemaakt, niet aan zichzelf overlaten. De afkomst van Israël moet onbesmet zijn. Izaak mag niet aangezien worden voor een zoon van Abimelech. Wederom zijn Abrahams angsten zijn straf en moet hij ‘s konings bestraffing ondervinden; nochtans maakt God goed, wat Zijn dienaar bedorven heeft.
Wat goed is kwaad te maken verstaan wij wel; daar zijn wij meesters in; maar wat kwaad is goed te maken, dat is Gods kunstwerk.
Was Abraham vergeten, welke kastijding Gods hem getroffen had in Egypte? Of heeft hij gehoopt, dat het hem nu beter zal afgaan? Het eerste is moeilijk te geloven, al is het waar, dat de mens zowel de weldaden als de straffen Gods spoedig vergeet. Ook het tweede is te verwerpen. Hier was het niet, zoals in Egypte, een voorbedachte leugen. Wij hebben het ons zo voor te stellen, dat Abimelech bekoord door de schoonheid van Sara, haar tot vrouw begeerd heeft, niet wetende, dat het Abrahams vrouw was, en dat Abraham, op het ogenblik, dat men hem zijn vrouw afnam, door een ogenblikkelijke vrees is overvallen, en nu weer gezegd heeft, dat zij zijn zuster was. Toen hij naar het Filistijnenland reisde, heeft hij er niet om gedacht, dat een vreemde de 90-jarige Sara tot vrouw zou begeren.
3. Maar God sloeg aanstonds de koning en zijn knechten met een zware ziekte, zodat hij haar niet kon naderen (vs.6), daar hij echter nog niet zo geheel in het heidendom was weggezonken, dat hij voor een goddelijke openbaring onvatbaar was, kwam God tot Abimelech in een droom 1) ’ s nachts, om zelf hem te verklaren, wat die plaag te betekenen had, terwijl Farao in hetzelfde geval (hoofdstuk. 12:17 vv.) eerst zijn waarzeggers raadplegen moest, en Hij zei tot hem: Zie gij zijt dood, de ziekte zal u tot de dood brengen, om der vrouwe wil, die gij weggenomen hebt, want zij is met een man getrouwd. 2)
1) Deze openbaring, door dromen, was onder de Oude Bedeling de laagste vorm van Gods openbaring, waarmee ook heidenen werden verwaardigd.
2) Ongetwijfeld ligt ook hierin, dat God, Abraham in bescherming nemende, Abimelech kastijdt, omdat hij Sara weggenomen heeft, maar ook ligt hierin een vermaning tegen alle echtbreuk en overspel in het algemeen.
4. Doch Abimelech, verhinderd door zijn ziekte, was tot haar niet genaderd; daarom zei hij: Heere! 1) wanneer Gij echtbreuk zo hard straft, zult Gij dan ook een rechtvaardig volk, 2) mensen die zich daaraan nog niet schuldig gemaakt hebben, doden.
1) Adonai, niet Jehova, omdat er wel gesproken wordt door een vereerder van de ware God, maar niet door iemand, die gelijk Abraham, deelgenoot is van het bijzonder verbond van de genade. Het schijnt, dat deze Filistijnen destijds nog niet bepaald afgodendienaars waren. Nochtans kenden zij God niet als Jehova, als de God, die met Zijn knechten het genadeverbond van de belofte, gesloten had.
2) Abimelech gevoelt zich onschuldig. Het recht van een harem te houden, of in polygamie te leven: het recht van de vorsten, om ongehuwden in hun harem te halen, staat bij hem vast. Hij acht alzo zichzelf onschuldig en zijn hand rein, in zoverre Abraham en Sara zelf de aanleiding hebben gegeven, dat hij in de rechten van anderen heeft ingegrepen.
Hoe menigeen, die diep schuldig is, houdt zich voor rechtvaardig, omdat hij één misdaad niet bedreef, en vergeet daarbij zijn andere zonden! Daarom wordt God in Zijn straffen niet gerechtvaardigd, en is het alsof elke ramp onverdiend is!.
Abimelech paart aan godvruchtige ootmoed zedelijke trots.
5. Heeft hij zelf, wiens vrouw zij is, gelijk ik thans eerst verneem, mij niet gezegd: Zij is mijn zuster, en zij, ook zij heeft gezegd: Hij is mijn broeder. In oprechtheid, eenvoudigheid, van mijn hart en in reinheid van mijn handen, daar ik haar niet genomen zou hebben, zo ik geweten had, dat zij gehuwd was, heb ik dit gedaan, wat Gij nu zo zwaar aan mij wreken wilt.
6. En God zei tot hem in de droom: Ik heb ook geweten, dat gij dit in oprechtheid van uw hart gedaan hebt, en Ik heb u ook belet 1) van tegen Mij 2) te zondigen; daarom heb Ik u, door de toegezonden ziekte, niet toegelaten, haar aan te roeren.
1) De Heere geeft Abimelech getuigenis, omdat hij, op zichzelf beschouwd, onschuldig is; maar tegelijk zegt Hij hem, dat niet hij, maar de Heere zelf de oorzaak is, dat hij niet tot zonde is vervallen. Dat de hand des Heren hem van het kwade heeft teruggehouden.
2) Hier is wel in het oog te houden, dat men zondigt tegen God, als men dingen doet, die, als zonden van het vlees, de mens gering voorkomen. Niet alleen om Abrahams wille, maar ook om de wille van Abimelech zelf, heeft God hem weerhouden te zondigen. Dit straalt hierin duidelijk door.
7. Zo geef dan nu deze man zijn vrouw terug, want hij is een profeet, 1) een drager van Mijn woord en van Mijn belofte; hij staat tot Mij in een bijzondere betrekking (hoofdstuk. 15:18; 17:10), waarom Ik hem niet mag laten aantasten (Psalm. 105:15), en hij zal, wanneer gij aan mijn eis voldaan hebt, voor u bidden, opdat gij leeft. Juist omdat hij een profeet is, zal zijn voorspraak bij Mij van kracht zijn; het gebed van deze rechtvaardige zal veel vermogen, gij zult dan behouden worden, maar zo gij haar niet wedergeeft, weet, dat gij voorzeker sterven zult, gij en al wat van uw is, 2) uw gehele hof.
1) Wij hebben Abraham reeds leren kennen als een koninklijk krijgsheld in zijn strijd tegen Kedor-Laómer (hoofdstuk. 14); wij zagen in hem de priester, toen hij voor Sodom bad; hier wordt hij profeet genoemd. Als zijn profetisch werk wordt hier de voorbede genoemd. Zo hangen de werkzaamheden van profeten en priesters ten nauwste samen.
Als een gekende des Heren en als een voorbidder heeft de Schrift hem reeds getoond. Hier leren wij hem kennen als profeet.
2) Heeft God in den beginne gezegd: “Gij zijt dood,” om de overtreder vrees aan te jagen en zijn geweten te treffen, hier komt God met zijn bedreigingen, opdat toch zijn woord zal gehoorzaamd worden. Want indien Abimelech niet gehoorzaamt, zal hij ook zijn gezin in het verderf slepen.
II. Gen. 20 vers 8-18
Abimelech ontbiedt Abraham in een vergadering, die hij de volgende morgen met zijn hovelingen houdt; verwijt hem zijn handelwijze, waardoor hij over hem en zijn rijk een grote zonde zou gebracht hebben; geeft hem Sara met aanzienlijke geschenken terug, en wordt nu op Abrahams voorbede van de plaag, waarmee hij en zijn heer geslagen was, weer vrij.
8. Toen stond Abimelech ‘s morgens vroeg op, om het goddelijk bevel zo spoedig mogelijk te volbrengen, en riep al zijn knechten, zijn hofbeambten en dienaars tezamen, en sprak al deze woorden, die de Heere met hem in de droom gesproken had, de ontvangen bestraffing en terechtwijzing, voor hun oren. En die mannen vreesden zeer, 1) zij werden door de rede van de koning zo getroffen, dat zij erkenden met de levende God te doen te hebben, en alles te moeten doen, om de misslag te herstellen.
1) Het doet ons Abimelech als een koning van een open karakter kennen, dat hij door de mededeling van die woorden Gods zich voor zijn knechten verootmoedigt. Verootmoedigend is het voor hem, dat hij in onwetendheid een gevaarlijke misslag zou gedaan hebben, en vervolgens, dat hij genoodzaakt is, aan de vreemdeling zijn vrouw terug te geven. Het spreekt ook voor zijn huis en zijn hofhouding, dat zich zijn vreze Gods aan zijn knechten meedeelt.
9. En Abimelech riep vervolgens Abraham en zei tot hem, in tegenwoordigheid van zijn nog vergaderde, hovelingen: Wat hebt gij ons gedaan, dat gij uw echtelijke verbintenis ons verzwegen hebt, en wat heb ik tegen u gezondigd, welkkwaad heb ik u gedaan, dat gij over mij en over mijn koninkrijk een grote zonde gebracht hebt? nadat ik haar heb genomen, en, zo God het niet verhoed had, echtbreuk zou hebben gepleegd. Gij hebt daardoor ons in ziekten gestort en zou een gericht Gods over ons gebracht hebben. Gij hebt daden met mij gedaan, die niet zouden gedaan worden, 1)die niet geoorloofd zijn te doen.
1) Uit deze woorden spreekt zowel een aanklacht tegen Abraham als een belijdenis van schuld tegenover hem.
Hoe beschamend is deze koning van de Filistijnen voor Christenen, die tegenover anderen nooit over begaan onrecht een woord van schuldbelijdenis op hun lippen willen nemen!.
10. Voorts zei Abimelech tot Abraham, die in het gevoel van zijn schuld eerst zweeg en zich niet wist te verantwoorden: Wat hebt gij gezien, welk kwaad hebt gij in ons opgemerkt, dat gij deze zaak gedaan hebt? Gij moet er toch een reden voor gehad hebben.
11. En Abraham zei: Want ik dacht 1) alleen is de vreze Gods in deze plaats niet, maar er heerst, gelijk elders, ruwe willekeur tegenover de vreemdeling, zodat zij mij om mijner vrouw wil, zullen doden, 2) om in het bezit van haar te komen. Zij zullen mij echter niets doen, maar integendeel mijn gunst zoeken te verwerven, wanneer ik zeg, dat zij mijn zuster is (hoofdstuk. 12:11-13).
1) Of: “indien er eens geen vreze Gods aan deze plaats ware, zo zouden zij mij om mijn vrouw doden”.
2) Zo vindt ieder makkelijk een verontschuldiging voor zijn zonde.
12. En ook is dat geen leugen, zij is waarlijk mijn zuster 1) zij is de dochter van mijn vader, maar niet van mijn moeder; en zij is mijn vrouw geworden.
1) Abraham dwaalt; de betrekking van broeder en zuster is zo goed als opgeheven door de echtelijke verbintenis bovendien noemde hij de eerste, om de tweede te ontkennen.
Sommigen zijn van gevoelen, dat Sara de wettige zuster geweest is van Abraham, maar niet van dezelfde moeder, zodat zij uit een tweede vrouw is geboren. Daar echter deze naam bij de Hebreeën een uitgestrekte betekenis heeft, omhels ik gaarne een ander gevoelen, dat zij in de tweede graad zijn zuster is geweest; dat zij wel een gemeenschappelijke vader hebben gehad, maar in dit geval een grootvader, uit wie dan de broeders wettig zijn afgestamd.
a) Genesis 12:13
Dr. Van Ronkel vertaalt: “als de Goden uit mijns vaders huis mij verleidden.” Deze vertaling is ook te verdedigen, zie Jesaja. 3:12; 9:15, Jesaja. 63:17, waar ditzelfde werkwoord gebruikt wordt, met het voorzetsel Nb gelijk als hier, kan het niet anders dan door “dwalen” of “doen dwalen” vertaald worden.
14. Toen nam Abimelech schapen en runderen, ook dienstknechten en dienstmaagden, en gaf deze aan Abraham, om hem enige schadevergoeding te geven; en hij gaf hem Sara, zijn vrouw, terug.
15. En Abimelech handelde op een andere wijze als Farao, die Abraham uit zijn land liet gaan (hoofdstuk. 12:19), en zei: Zie, mijn land is voor uw aangezicht; woon, waar het goed is in uw ogen, en gij zult veilig zijn onder mijn bescherming.
16. En tot Sara zei hij, toen hij haar aan Abraham teruggaf: Zie, ik heb uw broeder, gelijk gij hem zelf genoemd hebt, en waardoor gij mij tot zonde zou gebracht hebben, behalve de andere geschenken, duizend zilverlingen 1) gegeven, om, hetgeen ik in onwetendheid deed, weer goed te maken; zie, hij zij u een deksel voor de ogen, 2) noem hem voortaan niet meer uw broeder, terwille van allen, die met u zijn, ja bij allen, zonder onderscheid, en wees door deze gebeurtenis geleerd; gewaarschuwd, om niet meer uw verbintenis met Abraham te loochenen.
1) Zie opm. Exodus. 30:13.
2) “Hij zij u een deksel voor de ogen.” Wat bedoelt Abimelech met deze woorden? Calvijn verklaart aldus: “Gij, indien gij een man zou missen, zou aan vele gevaren blootgesteld zijn; nu, ofschoon God voor u als bewaker van uw reinheid is opgetreden, betaamde het u toch, onder die sluier te schuilen. Waarom derhalve hebt gij u vrijwillig bloot gegeven?” Het was een rechtmatige bestraffing, omdat Sara, verbergende dat zij in de macht van een man zijnde, zichzelf van haar natuurlijke bescherming had beroofd. Anderen zijn van mening, dat Abimelech bedoelde, dat hij Abraham duizend zilverlingen had gegeven, opdat voor de gehele som, of een gedeelte daarvan, hij Sara een sluier zou kopen of een hoofdbedekking, waardoor de gehuwde van de ongehuwde vrouw wordt onderscheiden.
Het komt ons voor, dat Gerars koning, met dat geschenk van 1000 zilverlingen aan Abraham te geven, Sara op haar positie van vrouw van Abraham heeft willen wijzen. Hij gaf het niet aan haar, maar aan haar man. Was zij zijn zuster geweest, dan had ook zij het kunnen ontvangen. En nu wijst hij haar verder op haar roeping, om nooit weer te verbergen, dat zij de wettige vrouw van een man is. Abraham zij, als haar wettige echtgenoot, degene, die, door altijd rond en open voor zijn betrekking tot haar uit te komen, haar verbergt en beschermt voor de onbescheiden blikken en handelingen van anderen.
17. En Abraham, hoewel Abimelech hem niet bepaald om de voorbede gevraagd had, welke God hem had toegezegd (vs.7), gevoelde toch zelf wat hij doen moest, daar hij de koning in gevaar had gebracht en deze zo edelmoedig gehandeld had. Hij bad tot God: 1) en God genas Abimelech van zijn ziekte (vs.3), en evenzo zijn vrouw, en zijn dienstmaagden, zijn bijvrouwen, zodat zij baarden.
1) Hieraan zal verootmoediging voor zijn eigen ongeloof en zijn leugen zijn voorafgegaan. Er is toch in de gelovige, bij de bewustheid van eigen overtreding, geen vrijmoedigheid, om als voorspraak voor anderen op te treden, zonder dat hij tevens, en wel in de eerste plaats zijn eigen schuld beleden, en Gods genadige schuldvergiffenis voor zichzelf ootmoedig ingeroepen heeft.
Wat de voorzienige en getrouwe God van Abraham over Abimelech’s land en huis als straf van Zijn hand had uitgezonden, dat juist moest het middel wezen om Sara’s eer te redden en om voor Abraham later zelfs elke schaduw van twijfeling af te snijden. Zuiver en ongeschonden, ook naar het oordeel van de bondgenoot, moest de volle en loutere vervulling van Gods beloften kunnen blijken. Ook de Heere handhaaft de regel, door ons maar al te zeer veronachtzaamd: “vermijd ook de schijn van het kwaad.” Ja ook terwille, niet slechts “ter oorzake” van Sara werden allen in Gerar voor een tijd met onvruchtbaarheid geslagen.
18. Want de HEERE had, al die tijd, dat Abimelech Sara in zijn harem gehad had, alle baarmoeders van het huis van Abimelech geheel toegesloten. Alle vrouwen, die zich ingezegende omstandigheden bevonden, had de Heere geslagen, zodat haar de kracht ontbrak om voort te brengen Jesaja 37:3) ter oorzake van Sara Abrahams vrouw, omdat de moederschoot in gevaar was ontheiligd te worden door haar, die nu spoedig (hoofdstuk. 21:1, 2) de zoon van de belofte ontvangen zou.
Twee zaken zijn hier niet te vergeten. 1e. dat God ervoor zorgde, dat, als straks Izaak geboren werd, elke twijfel aan de wondermacht Gods werd voorkomen, en 2e. dat ook deze weg voor Abraham nog een beproevingsweg was. Eindelijk scheen de belofte vervuld te worden, dat hem uit Sara een zoon, de zoon van de belofte, zou geboren worden, en nu was het, alsof alle hoop de bodem werd ingeslagen, daar Sara in de macht van Abimelech was.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel