Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Alzo zijn volbrachtH3615 de hemelH8064 en de aardeH776, en alH3605 hun heirH6635.
Alzo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun heir.
KJV
Thus the heavens2
and the earth3
were finished,1
and all the host of them.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Als nu GodH430 op de zevendeH7637 dagH3117 volbrachtH3615 had Zijn werkH4399, datH834 Hij gemaaktH6213 had, heeft Hij gerustH7673 op den zevendeH7637 dagH3117 van alH3605 Zijn werkH4399, datH834 Hij gemaaktH6213 had.
Als nu God op de zevende dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op den zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had.
KJV
And on the seventh4
day3
God2
ended1
his work5
which he had made;7
and he rested8
on the seventh10
day9
from all his work12
which he had made.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En GodH430 heeft den zevendeH7637 dagH3117 gezegendH1288, en die geheiligdH6942; omdatH3588 Hij op denzelven gerustH7673 heeft van alH3605 Zijn werkH4399, hetwelkH834 GodH430 geschapenH1254 had, om te volmakenH6213.
En God heeft den zevende dag gezegend, en die geheiligd; omdat Hij op denzelven gerust heeft van al Zijn werk, hetwelk God geschapen had, om te volmaken.
KJV
And God2
blessed1
the seventh5
day,4
and sanctified6
it: because8
that in it he had rested10
from all his work12
which God15
created14
and made.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
DitH428 zijn de geboortenH8435 des hemelsH8064 en der aardeH776, als zij geschapenH1254 werden; ten dageH3117 als de HEEREH3068 GodH430 de aardeH776 en den hemelH8064 maakteH6213.
Dit zijn de geboorten des hemels en der aarde, als zij geschapen werden; ten dage als de HEERE God de aarde en den hemel maakte.
KJV
These1
are the generations2
of the heavens3
and of the earth4
when they were created,5
in the day6
that the LORD8
God9
made7
the earth10
and the heavens,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En allenH3605 struikH7880 des veldsH7704, eerH2962 hij in de aardeH776 wasH1961, en alH3605 het kruidH6212 des veldsH7704, eerH2962 het uitsprootH6779; wantH3588 de HEEREH3068 GodH430 had niet doen regenenH4305 opH5921 de aardeH776, en er was geen mensH120 geweest, om den aardbodemH127 te bouwenH5647.
En allen struik des velds, eer hij in de aarde was, en al het kruid des velds, eer het uitsproot; want de HEERE God had niet doen regenen op de aarde, en er was geen mens geweest, om den aardbodem te bouwen.
KJV
And every plant2
of the field3
before4
it was in the earth,6
and every herb8
of the field9
before10
it grew:11
for12
the LORD15
God16
had not13
caused it to rain14
upon the earth,18
and there was not20
a man19
to till21
the ground.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Maar een dampH108 was opgegaanH5927 uitH4480 de aardeH776, en bevochtigdeH8248 den ganseH3605 aardbodemH6440.
Maar een damp was opgegaan uit de aarde, en bevochtigde den ganse aardbodem.
KJV
But there went up2
a mist1
from3
the earth,4
and watered5
the whole face8
of the ground.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En de HEEREH3068 GodH430 had den mensH120 geformeerdH3335 uitH4480 het stofH6083 der aardeH127, en in zijn neusgatenH639 geblazenH5301 de ademH5397 des levensH2416; alzo werdH1961 de mensH120 tot een levendeH2416 zielH5315.
En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.
KJV
And the LORD2
God3
formed1
man5
of the dust6
of7
the ground,8
and breathed9
into his nostrils10
the breath11
of life;12
and man14
became a living16
soul.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Ook had de HEEREH3068 GodH430 een hofH1588 geplantH5193 in EdenH5731, tegen het oostenH6924, en Hij steldeH7760 aldaarH8033 den mensH120, dieH834 Hij geformeerdH3335 had.
Ook had de HEERE God een hof geplant in Eden, tegen het oosten, en Hij stelde aldaar den mens, die Hij geformeerd had.
KJV
And the LORD2
God3
planted1
a garden4
eastward6
in Eden;5
and there8
he put7
the man10
whom11
he had formed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En de HEEREH3068 GodH430 had alleH3605 geboomteH6086 uitH4480 het aardrijkH127 doen spruitenH6779, begeerlijkH2530 voor het gezichtH4758, en goedH2896 tot spijzeH3978; en den boomH6086 des levensH2416 in het middenH8432 van den hofH1588, en de boomH6086 der kennisH1847 des goedsH2896 en des kwaadsH7451.
En de HEERE God had alle geboomte uit het aardrijk doen spruiten, begeerlijk voor het gezicht, en goed tot spijze; en den boom des levens in het midden van den hof, en de boom der kennis des goeds en des kwaads.
KJV
And out4
of the ground5
made1
the LORD2
God3
to grow
every tree7
that is pleasant8
to the sight,9
and good10
for food;11
the tree12
of life13
also in the midst14
of the garden,15
and the tree16
of knowledge17
of good18
and evil.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
En een rivierH5104 was voortgaandeH3318 uit EdenH5731, om deze hofH1588 te bewaterenH8248; en werd van daarH8033 verdeeldH6504, en werdH1961 tot vierH702 hoofdenH7218.
En een rivier was voortgaande uit Eden, om deze hof te bewateren; en werd van daar verdeeld, en werd tot vier hoofden.
KJV
And a river1
went out2
of Eden3
to water4
the garden;6
and from thence it was parted,8
and became into four10
heads.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
De naamH8034 der eersteH259 rivier is PisonH6376; deze is het, die hetH1931 ganseH3605 landH776 van HavilaH2341 omlooptH5437, waar het goudH2091 is.
De naam der eerste rivier is Pison; deze is het, die het ganse land van Havila omloopt, waar het goud is.
KJV
The name1
of the first2
is Pison:3
that4
is it which compasseth5
the whole land8
of Havilah,9
where10
there is gold;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
En hetH1931 goudH2091 van dit landH776 is goedH2896; daarH8033 is ook bedolahH916, en de steenH68 sardonixH7718.
En het goud van dit land is goed; daar is ook bedolah, en de steen sardonix.
KJV
And the gold1
of that3
land2
is good:4
there is bdellium6
and the onyx8
stone.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
En de naamH8034 der tweedeH8145 rivierH5104 is GihonH1521; deze is het, die hetH1931 ganseH3605 landH776 CuschH3568 omlooptH5437.
En de naam der tweede rivier is Gihon; deze is het, die het ganse land Cusch omloopt.
KJV
And the name1
of the second3
river2
is Gihon:4
the same is it that compasseth6
the whole land9
of Ethiopia.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
En de naamH8034 der derdeH7992 rivierH5104 is HiddekelH2313; deze is gaandeH1980 naar hetH1931 oostenH6926 van AssurH804. En de vierdeH7243 rivierH5104 is FrathH6578.
En de naam der derde rivier is Hiddekel; deze is gaande naar het oosten van Assur. En de vierde rivier is Frath.
KJV
And the name1
of the third3
river2
is Hiddekel:4
that is it which goeth toward6
the east7
of Assyria.8
And the fourth10
river9
is Euphrates.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Zo namH3947 de HEEREH3068 GodH430 den mensH120, en zetteH3240 hem in den hofH1588 van EdenH5731, om dien te bouwenH5647, en dien te bewarenH8104.
Zo nam de HEERE God den mens, en zette hem in den hof van Eden, om dien te bouwen, en dien te bewaren.
KJV
And the LORD2
God3
took1
the man,5
and put him6
into the garden7
of Eden8
to dress9
it and to keep
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En de HEEREH3068 GodH430 geboodH6680 den mensH120, zeggendeH559: Van allenH3605 boomH6086 dezes hofsH1588 zult gij vrijelijkH398 etenH398;
En de HEERE God gebood den mens, zeggende: Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten;
KJV
And the LORD2
God3
commanded1
the man,5
saying,6
Of every tree8
of the garden9
thou mayest freely10
eat:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Maar vanH4480 den boomH6086 der kennisH1847 des goedsH2896 en des kwaadsH7451, daarvan zult gij nietH3808 etenH398; want ten dageH3117, als gij daarvan eetH398, zult gij den doodH4191 stervenH4191.
Maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.
KJV
But of the tree1
of the knowledge2
of good3
and evil,4
thou shalt not eat6
of it: for in the day9
that thou eatest10
thereof thou shalt surely12
die.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Ook had de HEEREH3068 GodH430 gesprokenH559: Het is nietH3808 goedH2896, dat de mensH120 alleen zij; Ik zal hem een hulpeH5828 makenH6213, die als tegen hem over zij.
Ook had de HEERE God gesproken: Het is niet goed, dat de mens alleen zij; Ik zal hem een hulpe maken, die als tegen hem over zij.
KJV
And the LORD2
God3
said,1
It is not good5
that the man7
should be6
alone; I will make9
him an help meet11
for him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Want als de HEEREH3068 GodH430 uitH4480 de aardeH127 alH3605 het gedierteH2416 des veldsH7704, en alH3605 het gevogelteH5775 des hemelsH8064 gemaakt had, zo brachtH935 Hij die totH413 AdamH120, om te zienH7200, hoeH4100 hij ze noemenH7121 zou; en zoals AdamH120 alleH3605 levendeH2416 zielH5315 noemenH7121 zoude, dat zou haar naamH8034 zijn.
Want als de HEERE God uit de aarde al het gedierte des velds, en al het gevogelte des hemels gemaakt had, zo bracht Hij die tot Adam, om te zien, hoe hij ze noemen zou; en zoals Adam alle levende ziel noemen zoude, dat zou haar naam zijn.
KJV
And out of the ground5
the LORD2
God3
formed1
every beast7
of the field,8
and every fowl11
of the air;12
and brought13
them unto Adam15
to see16
what he would call18
them: and whatsoever Adam24
called22
every living26
creature,25
that27
was the name thereof.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Zo had AdamH120 genoemdH7121 de namenH8034 van alH3605 het veeH929, en van het gevogelteH5775 des hemelsH8064, en van alH3605 het gedierteH2416 des veldsH7704; maar voor de mensH120 vondH4672 hij geenH3808 hulpeH5828, die als tegen hem over ware.
Zo had Adam genoemd de namen van al het vee, en van het gevogelte des hemels, en van al het gedierte des velds; maar voor de mens vond hij geen hulpe, die als tegen hem over ware.
KJV
And Adam2
gave1
names3
to all cattle,5
and to the fowl6
of the air,7
and to every beast9
of the field;10
but for Adam11
there was not found13
an help meet
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Toen deed de HEEREH3068 GodH430 een diepen slaapH8639 opH5921 AdamH121 vallenH5307, en hij sliepH3462; en Hij namH3947 eenH259 van zijn ribbenH6763, en slootH5462 derzelver plaatsH8478 toe met vleesH1320.
Toen deed de HEERE God een diepen slaap op Adam vallen, en hij sliep; en Hij nam een van zijn ribben, en sloot derzelver plaats toe met vlees.
KJV
And the LORD2
God3
caused1
a deep sleep4
to fall
upon Adam,
and he slept:7
and he took8
one9
of his ribs,10
and closed up11
the flesh
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
En de HEEREH3068 GodH430 bouwdeH1129 de ribbeH6763, dieH834 Hij vanH4480 AdamH120 genomenH3947 had, tot een vrouwH802, en Hij brachtH935 haar totH413 AdamH120.
En de HEERE God bouwde de ribbe, die Hij van Adam genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot Adam.
KJV
And the rib,5
which the LORD2
God3
had taken7
from man,9
made1
he a woman,10
and brought11
her unto the man.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Toen zeideH559 AdamH120: DezeH2063 is ditmaalH6471 beenH6106 van mijn benenH6106, en vleesH1320 van mijn vleesH1320! Men zal haar ManninneH802 hetenH7121, omdatH3588 zij uit den manH376 genomenH3947 is.
Toen zeide Adam: Deze is ditmaal been van mijn benen, en vlees van mijn vlees! Men zal haar Manninne heten, omdat zij uit den man genomen is.
KJV
And Adam2
said,1
This3
is now4
bone5
of my bones,6
and flesh7
of my flesh:8
she9
shall be called10
Woman,11
because she15
was taken14
out of Man.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
DaaromH3651 zal de manH376 zijn vaderH1 en zijn moederH517 verlatenH5800, en zijn vrouwH802 aanklevenH1692; en zijH1961 zullen tot eenH259 vleesH1320 zijn.
Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot een vlees zijn.
KJV
Therefore2
shall a man4
leave3
his father6
and his mother,8
and shall cleave9
unto his wife:10
and they shall be one13
flesh.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
En zij waren beidenH8147 naaktH6174, AdamH120 en zijn vrouwH802; en zij schaamdenH954 zich nietH3808.
En zij waren beiden naakt, Adam en zijn vrouw; en zij schaamden zich niet.
KJV
And they were both2
naked,3
the man4
and his wife,5
and were not ashamed.
hemel
Dat is, de lucht, de hemel, de zon, maan en sterren, mitsgaders de derde hemel met zijne inwoners, de heilige engelen, gelijk zij ook genaamd worden het heir des hemels, 1 Kon. 22:19, verg. boven Gen. 1:1.
Hertaald:
hemel
Dat is: de lucht, de hemel, de zon, maan en sterren, en ook de derde hemel met zijn inwoners, de heilige engelen — zij worden ook wel het heir des hemels genoemd, 1 Kon. 22:19. Vergelijk Gen. 1:1.
al hun
De schepselen, in hemel en aarde begrepen, worden een heir genaamd, niet alleen om hun grote menigte en verscheidenheid, welgestelde orde en zonderlinge sieraad; maar ook omdat zij van God als hun overste worden onderhouden en geregeerd, en Hem steeds ten dienste moeten staan. Alzo Ps. 103:21; Jes. 45:12.
Hertaald:
al hun
De schepselen in hemel en aarde worden een heir genoemd, niet alleen om hun grote aantal, verscheidenheid, goede orde en bijzondere sieraad, maar ook omdat God hen als hun Overste onderhoudt en regeert, en zij Hem voortdurend moeten dienen. Zo ook Ps. 103:21; Jes. 45:12.
heeft Hij gerust
Dat is menselijker wijze van God gesproken; want er wordt gezegd dat Hij rustte, niet omdat Hij moede was van het werken, maar omdat Hij opgehouden heeft enige nieuwe soorten van dingen te scheppen; hoewel Hij nog altijd werkt in het onderhouden en regeren van dezelve. Jes. 40:28; Joh. 5:17.
Hertaald:
heeft Hij gerust
Dit is op menselijke wijze van God gesproken. Er wordt gezegd dat Hij rustte, niet omdat Hij moe was van het werken, maar omdat Hij ophield nieuwe soorten dingen te scheppen — al werkt Hij nog altijd door in het onderhouden en regeren daarvan. Jes. 40:28; Joh. 5:17.
heeft den zevenden
Dat is, God heeft hem verheven boven de andere dagen, en waardiger gemaakt dan dezen. Verg. het woord zegenen met Gen. 24:31. De waardigheid is in het gebruik, hetwelk door het volgende woord heiligen te kennen gegeven wordt, betekenende iets, dat gemeen is, tot een heilig gebruik afzonderen. Alzo Ex. 13:2; Lev. 8:10; Num. 7:1; 1 Kon. 8:64, enz.
Hertaald:
heeft den zevenden
Dat is: God heeft die dag verheven boven de andere dagen en waardiger gemaakt dan die. Vergelijk het woord zegenen met Gen. 24:31. De waardigheid ligt in het gebruik, aangegeven door het volgende woord heiligen: iets wat gewoon is, afzonderen voor een heilig gebruik. Zo ook Ex. 13:2; Lev. 8:10; Num. 7:1; 1 Kon. 8:64, enz.
om te volmaken
Dat is, om tot al zulke gebruiken en einden, als met Gods wijsheid overeenkomen, maar eens iegelijken aard op het sierlijkste en bekwaamste te schikken, zoals zij nu zijn. Anders, scheppende gemaakt had.
Hertaald:
om te volmaken
Dat is: om alles wat Hij gemaakt had, naar Gods wijsheid geschikt, op de mooiste en meest passende manier zijn eigen aard te geven, zoals de dingen nu zijn. Anders gezegd: scheppend voltooid.
geboorten
Dat is, oorsprong of beginselen. Verg. Ps. 90:2 met de aant.
Hertaald:
geboorten
Dat is: oorsprong of begin. Vergelijk Ps. 90:2 met de aantekening daar.
de HEERE God
Na de voleinding van het werk der schepping, wordt hier allereerst God de naam van JHWH gegeven, betekenende den zelfstandige, den zelfwezende, van zichzelven zijnde van eeuwigheid tot eeuwigheid en de oorsprong of oorzaak van het wezen aller dingen, waarom ook deze naam den waren God alleen toekomt. Onthoud dit eens voor al: waar gij voortaan het woord HEERE met grote letters geschreven vindt, dat aldaar in het Hebr. het woord JHWH of korter JAH staat.
Hertaald:
de HEERE God
Na de voltooiing van het scheppingswerk wordt hier voor het eerst de naam JHWH voor God geopenbaard — wat betekent: de Zelfstandige, de Zelf‑zijnde, Die van Zichzelf is van eeuwigheid tot eeuwigheid, en de oorsprong of oorzaak van het bestaan van alle dingen. Daarom komt deze naam ook alleen de ware God toe. Onthoud dit voor het vervolg: waar u voortaan het woord HEERE met hoofdletters geschreven ziet, staat daar in het Hebreeuws het woord JHWH, of korter JAH.
eer hij
Te weten, vóór hunne schepping, toen zij nog niet waren.
Hertaald:
eer hij
Namelijk: vóór hun schepping, toen zij nog niet bestonden.
want de HEERE
De zin is dat God de planten, als: kruiden, struiken, bomen, uit de aarde in de schepping op den derden dag had doen voortkomen, alleen door zijn alvermogend woord, zondere enige middelen, hetzij van den regen der lucht, hetzij van den arbeid der mensen, die toen nog niet waren.
Hertaald:
want de HEERE
De betekenis is dat God de planten — kruiden, struiken, bomen — op de derde dag uit de aarde had laten voortkomen, alleen door zijn almachtige woord, zonder enig middel: geen regen, en geen arbeid van mensen, want die waren er nog niet.
Maar
Te weten, nu of daarna; want Mozes verhaalt nu hier het gewone middel van God in de natuur daargesteld, om kruiden, struiken en bomen uit de aarde voort te brengen, namelijk, den damp, die den regen veroorzaakt en het aardrijk bevochtigt.
Hertaald:
Maar
Namelijk: nu of daarna. Mozes verhaalt hier het gewone middel dat God in de natuur gebruikt om kruiden, struiken en bomen uit de aarde te doen voortkomen, namelijk de damp, die de regen veroorzaakt en de aarde bevochtigt.
een damp
Welke, door de hitte der zon uit het water en de aarde opgetrokken zijnde, stijgt tot in de middenlucht, waar hij door haar koude in wolken verandert, en daarna wederom ontsluit en regen wordt, waarmede het aardrijk dan bevochtigd wordt.
Hertaald:
een damp
Deze damp, door de hitte van de zon uit water en aarde opgetrokken, stijgt op tot in de middenlucht, waar hij door de kou daar in wolken verandert, en daarna weer opent en regen wordt, waarmee de aarde bevochtigd wordt.
den gansen
Hebr. het ganse aangezicht des aardbodems.
Hertaald:
den gansen
Hebreeuws: het gehele aangezicht van de aardbodem.
geformeerd
Of, gebeeld, of gefatsoeneerd, te weten, gelijk een pottenbakker uit leem wat formeert, als: Jes. 45:9; Rom. 9:20-21. Versta dit ten aanzien van des mensen lichaam.
Hertaald:
geformeerd
Of: gevormd, of gefatsoeneerd — zoals een pottenbakker uit leem iets vormt, zie Jes. 45:9; Rom. 9:20-21. Dit slaat op het lichaam van de mens.
uit het
Hebr. stof uit het aardrijk.
Hertaald:
uit het
Hebreeuws: stof uit de aarde.
en in zijn
Dit is menselijker wijze van God gesproken, en wijst ons aan dat de ziel des mensen niet is geschapen uit enige voorgaande materie, gelijk de ziel der beesten, Gen. 1:20-21, Gen. 1:24, maar uit niet, door Gods Geest, en van buiten den mensen ingestort.
Hertaald:
en in zijn
Dit is op menselijke wijze van God gesproken, en het geeft aan dat de ziel van de mens niet geschapen is uit voorafbestaande stof, zoals de ziel van de dieren, Gen. 1:20-21, Gen. 1:24, maar uit niets, door Gods Geest, en van buiten de mens ingeblazen.
levende ziel
Dat is, tot een schepsel, dat met leven begaafd is, bestaande uit een lichaam en een redelijke onsterflijke ziel, tezamen den mens uitmakende.
Hertaald:
levende ziel
Dat is: tot een schepsel begiftigd met leven, bestaand uit een lichaam en een redelijke, onsterfelijke ziel, die samen de mens vormen.
hof
Namelijk, het paradijs of lusthof, dat God voor den mens tot ene woning verordend had.
Hertaald:
hof
Namelijk het paradijs of de lusthof, die God voor de mens tot woning had bestemd.
geplant
Te weten, op den derden dag der schepping, eer de mens geschapen was.
Hertaald:
geplant
Namelijk op de derde dag van de schepping, voordat de mens geschapen was.
Eden,
Eden is de naam van een landschap in Thelassar, het opperdeel in Chaldea, gelijk te zien is 2 Kon. 19:12, en het is onderscheiden van een ander Eden, gelegen bij Damaskus, in Syrië, waarvan te zien is Am. 1:5. Het Hebr. woord Eden betekent wellust, geneugte, vermaking. Dit land wordt alzo genaamd, omdat het een schoon, lustig, edel land was, gelijk zulks te zien is uit het volgende vers van dit hoofdstuk, vs.9, alsook uit Jes. 51:3; Ezech. 28:13, Ezech. 31:16, Ezech. 31:18.
Hertaald:
Eden,
Eden is de naam van een landstreek in Thelassar, het bovenland van Chaldea, zie 2 Kon. 19:12; het is te onderscheiden van een ander Eden bij Damascus, in Syrië, zie Am. 1:5. Het Hebreeuwse woord Eden betekent wellust, genoegen, vermaak. Dit land werd zo genoemd omdat het een mooi, aangenaam, voortreffelijk land was, zoals blijkt uit het volgende vers (vers 9) en ook uit Jes. 51:3; Ezech. 28:13, Ezech. 31:16, Ezech. 31:18.
tegen het oosten,
Hebr. van oosten, of uit oosten, dat is, in het oosteinde van Eden, of ten oosten van de plaats, waar Mozes was, dit schrijvende.
Hertaald:
tegen het oosten,
Hebreeuws: van oosten, of uit oosten, dat is: aan de oostkant van Eden, of ten oosten van de plaats waar Mozes was toen hij dit schreef.
goed
Versta dit van de vruchten der bomen.
Hertaald:
goed
Dit slaat op de vruchten van de bomen.
des levens
Dat is, een teken des levens, betekenende dat de mens het leven van God ontvangen had en behouden zou, zo hij in zijne gehoorzaamheid volhardde, totdat het God believen zou hem in zijn hemelse onsterflijkheid op te nemen.
Hertaald:
des levens
Dat is: een teken van het leven, dat aangaf dat de mens het leven van God ontvangen had en zou behouden zolang hij in gehoorzaamheid volhardde, totdat het God zou behagen hem op te nemen in zijn hemelse onsterfelijkheid.
een rivier
Het gevoelen van enigen is dat dit te verstaan is van de rivier de Eufraat, die ontspringt in het gebergte van groot Armenië, en zich daarna met de rivier Hiddekel of Tigris verenigt, waaruit zich voorts de twee andere rivieren [Pison en Gihon] verdelen, enz.; doch de eigenlijke ligging dezer rivieren is nu onzeker, en wordt daarvan verscheidenlijk door de geleerden gevoeld.
Hertaald:
een rivier
Sommigen menen dat dit de rivier de Eufraat is, die ontspringt in het gebergte van Groot-Armenië en zich later verenigt met de Tigris, waaruit vervolgens de twee andere rivieren (Pison en Gihon) zich weer afsplitsen. De precieze ligging van deze rivieren is echter onzeker en wordt door geleerden verschillend beoordeeld.
uit Eden,
Zie boven de aant. op vs.8. Zij was vloeiende door Eden, tot, in en door den hof, in het land van Eden gelegen.
Hertaald:
uit Eden,
Zie hierboven de aantekening bij vers 8. Zij stroomde door Eden, tot in en door de hof, gelegen in het land Eden.
tot vier
Dat is, hoofdstromen, hoofdrivieren, hoofdwateren. Het woord hoofden betekent hier beginselen van deze vier rivieren.
Hertaald:
tot vier
Dat is: hoofdstromen, hoofdrivieren, hoofdwateren. Het woord 'hoofden' duidt hier op de oorsprongen van deze vier rivieren.
Pison;
Hebr. Pischon. Deze naam wordt nergens elders in de Heilige Schrift gevonden dan hier. Zij is een arm van de rivier Eufraat, vallende, naar veler gevoelen, onder Apamea, in de Tigris, en daarna in de Perzische zee; dragende bij de inwoners den naam van (Pasitigris of Pisotigris.
Hertaald:
Pison;
Hebreeuws: Pischon. Deze naam komt nergens anders in de Heilige Schrift voor dan hier. Het is een zijarm van de Eufraat, die volgens velen bij Apamea in de Tigris uitmondt en daarna in de Perzische Golf, en bij de inwoners bekend staat als Pasitigris of Pisotigris.
Havila
Hebr. Cavilah. Dit is de naam van een landschap, anders [naar de mening van sommige geleerden] ook Suziana genaamd, naar de hoofdstad Suzan, waarvan te zien is Est. 1:2; Dan. 8:2. Zie ook van een ander Havila Gen. 25:18; 1 Sam. 15:7.
Hertaald:
Havila
Hebreeuws: Cavilah. Dit is de naam van een landstreek, door sommige geleerden ook Suziana genoemd, naar de hoofdstad Suzan, zie Est. 1:2; Dan. 8:2. Zie ook een ander Havila in Gen. 25:18; 1 Sam. 15:7.
omloopt,
Hebr. is omlopende.
Hertaald:
omloopt,
Hebreeuws: is omlopende.
bedólah,
Dit is naar sommiger oordeel de naam van een boom; anderen menen dat het de naam is van een edelgesteente. Num. 11:7 wordt de kleur van het manna vergeleken met de verf van bedólah.
Hertaald:
bedólah,
Volgens sommigen de naam van een boom, volgens anderen de naam van een edelsteen. In Num. 11:7 wordt de kleur van het manna vergeleken met die van bedólah.
sardónix.
Hebr. Scholam, de naam van een edelgesteente, waaromtrent verscheiden gevoelen is. Deze naam wordt ook gevonden Ex. 25:7; Ex. 28:9; Ezech. 28:13 enz.
Hertaald:
sardónix.
Hebreeuws: Scholam, de naam van een edelsteen, waarover verschillend gedacht wordt. Deze naam komt ook voor in Ex. 25:7; Ex. 28:9; Ezech. 28:13, enz.
Gihon;
Hebr. Cichon, die door de inwoners des lands [zoals enigen schrijven] genoemd wordt Nahar_sares.
Hertaald:
Gihon;
Hebreeuws: Cichon, die door de inwoners van het land — volgens sommigen — Nahar-sares genoemd wordt.
Cusch
Dit woord begrijpt wel in het algemeen Morenland, Arabië en de gehele landstreek tegen middag, maar hier in het bijzonder Woest-Arabië, hetwelk aan Chaldea grenst.
Hertaald:
Cusch
Dit woord omvat in het algemeen Morenland, Arabië en de gehele streek in het zuiden, maar hier specifiek Woest-Arabië, dat aan Chaldea grenst.
Hiddékel;
Hebr. Chiddekel. Deze is eigenlijk de rivier Tigris, Dan. 10:4, hebbende alsnog de naam van Diglats of Tiglats, zoals enigen schrijven, maar het is hier een arm van de Eufraat, vloeiende in de rivier Tigris, en daarom ook Tigris genoemd.
Hertaald:
Hiddékel;
Hebreeuws: Chiddekel. Dit is eigenlijk de rivier de Tigris, Dan. 10:4, ook bekend onder de naam Diglats of Tiglats volgens sommigen; hier is het een zijtak van de Eufraat die in de Tigris uitmondt, en daarom ook Tigris genoemd wordt.
Assur
Hebr. Aschschur; dat is Assyrië, Assur genaamd naar Assur, den zoon van Sem, Gen. 10:22.
Hertaald:
Assur
Hebreeuws: Aschschur, dat is: Assyrië, genoemd naar Assur, de zoon van Sem, Gen. 10:22.
Frath
Versta hierdoor den voornaamsten arm van de rivier de Eufraat, welke, omdat hij zeer groot is, den naam van de gehele rivier draagt. Zie van deze rivier onder Gen. 15:18; Deut. 1:7; Jer. 13:4.
Hertaald:
Frath
Hiermee wordt de voornaamste arm van de rivier de Eufraat bedoeld, die vanwege zijn grootte de naam van de hele rivier draagt. Zie hierover Gen. 15:18; Deut. 1:7; Jer. 13:4.
gebood
Hebr. gebood aan, of over de mens.
Hertaald:
gebood
Hebreeuws: gebood aan, of over de mens.
den mens,
Te weten, beiden, den man en de vrouw. Zie Gen. 3:1-3.
Hertaald:
den mens,
Namelijk beiden: de man en de vrouw. Zie Gen. 3:1-3.
zult gij vrijelijk
Hebr. etende zult gij eten. Deze manier van spreken, waarbij het woord aldus verdubbeld wordt, vindt men dikwijls in de Heilige Schrift, en dient hier om aan hetgeen verhaald wordt, naar den eis der materie een bijzonder gewicht of opmerking te geven. Alzo ook in het volgende vers (17), alsmede Gen. 3:4, Gen. 3:16, en Gen. 17:13, Gen. 18:18; Joz. 24:10; Jer. 23:17, enz.
Hertaald:
zult gij vrijelijk
Hebreeuws: etende zult gij eten. Deze verdubbelende manier van spreken komt vaak voor in de Heilige Schrift en dient hier om extra gewicht of nadruk te geven aan wat er verteld wordt. Zo ook in het volgende vers (17), en ook in Gen. 3:4, Gen. 3:16, Gen. 17:13, Gen. 18:18; Joz. 24:10; Jer. 23:17, enz.
den dood sterven
Hebr. stervende sterven. Versta hierdoor drieërlei dood: 1e de lichamelijke, met al zijn voorafgaande ellende; 2e de geestelijke dood, die tegelijk lichamelijk en geestelijk is.
Hertaald:
den dood sterven
Hebreeuws: stervende sterven. Hiermee wordt een drievoudige dood bedoeld: ten eerste de lichamelijke dood, met al zijn voorafgaande ellende; ten tweede de geestelijke dood, die tegelijk lichamelijk en geestelijk is.
als tegen hem
Of, voor hem, dat is, die altijd zij als in zijne tegenwoordigheid, hem wel gelijkende, en bereid tot zijn hulp en dienst. Alzo ook onder vs.20.
Hertaald:
als tegen hem
Of: voor hem, dat wil zeggen: iemand die altijd als het ware in zijn tegenwoordigheid is, goed bij hem passend en bereid tot hulp en dienst. Zo ook in vers 20.
bracht Hij
Of, deed hen komen.
Hertaald:
bracht Hij
Of: liet hen komen.
tot Adam,
Anders, tot den mens; en zo in het volgende.
Hertaald:
tot Adam,
Anders: tot de mens; en zo ook verderop.
levende ziel
Zie boven Gen. 1:20.
Hertaald:
levende ziel
Zie hierboven Gen. 1:20.
dat zou haar naam zijn
Of, dat werd, of is zijn naam.
Hertaald:
dat zou haar naam zijn
Of: dat werd, of is zijn naam.
voor den mens
Dat is voor zichzelven.
Hertaald:
voor den mens
Dat is: voor hemzelf.
sloot
Dat is, voor, of in de plaats van de rib, die Hij uit hem genomen had, maakte Hij vlees, en sloot daarmede de geopende plaats toe.
Hertaald:
sloot
Dat is: in plaats van de rib die Hij uit hem genomen had, maakte Hij vlees en sloot daarmee de geopende plaats.
bouwde
Dit is ene gelijkenis genomen van een huis, dat door een kundig meester tot een waardig einde gebouwd wordt.
Hertaald:
bouwde
Dit is een beeld ontleend aan een huis, dat door een kundig bouwmeester wordt opgebouwd tot een waardig doel.
Deze is ditmaal
Of, ditmaal is er, dat is, ik heb nu eindelijk gekregen een gezelschap, mijns gelijke, hetwelk ik tevoren gezocht, doch niet gevonden had.
Hertaald:
Deze is ditmaal
Of: ditmaal is er — dat is: ik heb nu eindelijk een gezellin gekregen, mijns gelijke, die ik eerder gezocht maar niet gevonden had.
verlaten,
Dit neemt niet weg de liefde noch de eer, die men zijnen ouders verschuldigd is, maar het maakt onderscheid tussen de wijze der samenwoning en de grootheid der verbintenis.
Hertaald:
verlaten,
Dit doet niets af aan de liefde of de eer die men aan zijn ouders verschuldigd is, maar het maakt onderscheid tussen de manier van samenwonen en de aard van de verbintenis.
zij schaamden
De reden was hunne volmaaktheid en onnozelheid, waardoor zij niets oneerlijks zagen aan hunne lichamen, noch iets onreins gevoelden aan hunne zielen.
Hertaald:
zij schaamden
De reden hiervoor was hun volmaaktheid en onschuld, waardoor zij niets oneervols zagen aan hun lichamen, en niets onreins voelden in hun zielen. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas De naam die in de Bijbel aan de eerste mens gegeven wordt, en die verwijst naar de aardbodem waaruit hij gevormd is (Hebreeuws: adamah); ook de kleur rood lijkt in beide woorden mee te klinken. Adam werd op de zesde dag geschapen, als laatste en meest voltooide daad van de schepping, naar Gods beeld, en kreeg heerschappij over de dieren. Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Ligging: Een oostwaarts gelegen, goed bevloeid land met weelderige plantengroei, inheemse vijgenbomen en een mild klimaat. De precieze ligging is onzeker. ISBE bespreekt verschillende theorieën, waarvan er twee het meest verdedigd worden: Armenië (waar Tigris en Eufraat ontspringen), of het Eufraatgebied in Babylonië — hetzij bij de monding aan de Perzische Golf, hetzij net boven het oude Babylon. De ligging bij de Perzische Golf wordt door ISBE als de waarschijnlijkste aangemerkt. Geschiedenis: De plaats waar God, na de schepping, de mens plaatste om die te bewerken en te bewaren; na de zondeval werd de mens hieruit verdreven (Gen. 3). Bijbelse betekenis: Eden werd het beeld bij uitstek van het paradijs — een staat van oorspronkelijke onschuld en ongestoorde gemeenschap met God, waarnaar latere profeten teruggrijpen als beeld van herstelde vruchtbaarheid en overvloed. Archeologie: Bij Eridu (Zuid-Irak) is op kleitabletten een oude overlevering gevonden van een heilige tuin met een gewijde palmboom — een "boom des levens", geflankeerd door twee bewakende geestwezens. Dit wordt door sommigen als een spoor van de Eden-traditie gezien. Recente inzichten: In de jaren negentig van de vorige eeuw stelde de Amerikaanse archeoloog Juris Zarins, op basis van satellietbeelden, voor dat Eden aan het hoofd van de Perzische Golf lag — waar Tigris en Eufraat destijds samenkwamen met een inmiddels verdwenen rivier. Dit is in feite een moderne, technisch onderbouwde variant van de Golf-theorie die ISBE zelf al als de waarschijnlijkste aanmerkte. Gen. 2:8-3:24; Gen. 4:16; Jes. 51:3; Ez. 28:13; 31:9,16,18; 36:35; Joël 2:3 Ligging: De eerste van de vier rivieren die uit Eden voortkwamen; zij omvloeide het gehele land Havila. Meest waarschijnlijk te identificeren met de Karun, die van het Medische gebergte afdaalt en vroeger in de Perzische Golf uitmondde. Bijbelse betekenis: Markeert de rijkdom van het land dat zij omvloeit — goud, balsemhars (bdellium) en onyx. Recente inzichten: Satellietopnamen (jaren '90, o.a. door Zarins) brachten een fossiele, drooggevallen rivierbedding aan het licht die door het noorden van Arabië liep (het huidige Wadi al-Batin, ook wel de "Koeweit-rivier" genoemd). Verscheidene onderzoekers hebben dit voorgesteld als de Pison uit Genesis 2. Gen. 2:11 Ligging: Het land dat door de Pison omvloeid werd, rijk aan goed goud, bdellium (balsemhars) en de "schoham-steen" (in onze vertalingen: onyx — vermoedelijk malachiet of turkoois). Geschiedenis: De naam Havila keert later terug als grensaanduiding van het gebied van de Ismaëlieten (Gen. 25:18) en de Amalekieten (1 Sam. 15:7); ook twee latere volken — een uit het geslacht van Cham/Cus, een uit dat van Sem/Joktan — dragen deze naam (Gen. 10:7, 29), te onderscheiden van het geografische Havila hier. Bijbelse betekenis: Beeld van overvloed en rijkdom aan de rand van de bewoonde wereld. Gen. 2:11-12; Gen. 10:7,29; Gen. 25:18; 1 Sam. 15:7 Ligging: De tweede rivier van Eden, die het gehele land Cus omvloeide. Vermoedelijk de Kercha, die vanuit Luristan afdaalt door het gebied dat in de spijkerschriftteksten Kassi heet — waarschijnlijk het bijbelse Cus. Geschiedenis: Niet te verwarren met de gelijknamige bron bij Jeruzalem, die pas veel later in de Bijbel voorkomt (1 Kon. 1) en dan een eigen artikel krijgt. Bijbelse betekenis: In het boek Sirach later figuurlijk gebruikt als beeld van overvloeiende wijsheid. Gen. 2:13 Ligging: De derde rivier, stromend ten oosten van Assyrië; algemeen gelijkgesteld met de Tigris, die ontspringt in Armenië bij het meer Van en, na een zuidoostelijke loop, zich in Babylonië met de Eufraat verenigt tot de Shatt al-Arab. Geschiedenis: Deze rivier stroomt langs Mosoel, de plaats van het oude Ninevé, en nadert bij Bagdad tot op enkele mijlen van de Eufraat; hier voeden talrijke kanalen de vruchtbaarste streken van Babylonië. Bijbelse betekenis: Bevestigt de ligging van Eden in de nabijheid van Assyrië. Gen. 2:14 Ligging: De langste (ca. 1780 mijl) en belangrijkste rivier van West-Azië; in het Oude Testament doorgaans kortweg "de rivier" genoemd. Geschiedenis: De vierde rivier van Eden; later de grens van het land dat God aan Abraham beloofde (Gen. 15:18), en de noordoostgrens van het rijk van David en Salomo. Bijbelse betekenis: Markeert telkens de grens van het beloofde land en van Gods beloften aan Abraham en zijn nageslacht. Gen. 2:14; Gen. 15:18; Deut. 11:24; Joz. 1:4 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Na de zes scheppingsdagen rustte God op de zevende dag van al Zijn werk, zegende die dag en heiligde hem (Gen. 2:2-3). Dit is de eerste vermelding van de rustdag in de Bijbel, nog vóór de wet aan Israël gegeven werd. Bij Israël kreeg de sabbat later een vaste plaats onder de Tien Geboden (Ex. 20:8-11) als wekelijkse rustdag, ingesteld naar het voorbeeld van Gods eigen rust na de schepping. Bijbelse betekenis: De sabbatsrust wijst niet op vermoeidheid bij God, maar op de voltooiing en volkomenheid van Zijn scheppingswerk. Voor de mens is de sabbat een door God gegeven, weldadige onderbreking van de arbeid, gericht op rust en op de dienst van God. Typologie: De Hebreeënbrief wijst verder, naar een rust die overblijft voor het volk van God (Hebr. 4:9-11) — de aardse sabbatsrust als beeld van de blijvende rust die de gelovige in Christus vindt, en van de eeuwige rust die nog wacht. Gen. 2:2-3; Ex. 20:8-11; Ex. 31:12-17; Hebr. 4:1-11 Nadat God de vrouw uit de rib van de man gebouwd had en haar tot hem bracht, sprak Adam zijn erkenning van haar uit, en de Schrift voegt daar de eerste huwelijksinstelling aan toe: "Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot één vlees zijn" (Gen. 2:23-24). Dit gebeurde nog vóór de zondeval, in de staat der rechtheid. Bijbelse betekenis: Het huwelijk is hiermee geen menselijke uitvinding of louter maatschappelijke afspraak, maar een instelling van God Zelf, gegeven bij de schepping: een levenslange, exclusieve verbintenis tussen één man en één vrouw. Typologie: Paulus grijpt uitdrukkelijk terug op deze tekst wanneer hij het huwelijk een verborgenheid noemt die wijst op Christus en Zijn gemeente (Ef. 5:31-32). Zoals man en vrouw één vlees zijn, zo is de gemeente met Christus verenigd: Hij is haar Hoofd en Bruidegom, en zij is Zijn geliefde bruid. Gen. 2:18-24; Matt. 19:4-6; Ef. 5:22-32 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas God bij Zijn volk niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe uitwerking Het werk is af en alles is zeer goed. Deze rust is de enige die de Schrift ooit ongebroken laat zien; vanaf het volgende hoofdstuk is zij iets om naar terug te verlangen. God rust van Zijn werk; die rust blijkt later een belofte te zijn waar de gelovige nog binnengaat. God rust niet omdat Hij moe is, maar omdat het werk af is. Hij zegent die dag en heiligt hem — de eerste keer dat iets in de Schrift geheiligd wordt is geen plaats en geen mens, maar een tijd. De Hebreeënbrief neemt juist deze twee verzen op en trekt er een verrassende lijn uit: die rust is nooit volledig ingegaan, ook niet toen Jozua het volk in Kanaän bracht, en er blijft dus een rust over voor het volk van God. Wie tot Christus komt, houdt op met eigen werk zoals God van het Zijne rustte. De sabbat van Genesis 2 is daarmee niet alleen het slot van de scheppingsweek maar de eerste aankondiging van een rust die pas in Hem gevonden wordt. In het Nieuwe Testament: Hebreeën 4:3-10; Mattheüs 11:28 Nog vóór de zondeval. Het huwelijk staat er als een goede instelling van God, en pas veel later blijkt dat het van meet af aan iets uitbeeldde. Uit de geopende zijde van de slapende Adam komt zijn bruid; Paulus noemt dat een verborgenheid die op Christus en de gemeente ziet. God laat een diepe slaap op Adam vallen, opent zijn zijde en bouwt daaruit de vrouw. Adam ontwaakt en herkent haar als been van zijn benen. Dan volgt het woord waarmee heel de Schrift over het huwelijk spreekt: daarom zal de man zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen. Paulus haalt precies dat vers aan in de Efezebrief en voegt eraan toe dat deze verborgenheid groot is, maar dat hij spreekt met het oog op Christus en de gemeente. Daarmee is dit geen vrome toepassing van later, maar een lezing die de apostel zelf autoriseert. De oude uitleggers hebben de lijn doorgetrokken tot de zijde die aan het kruis geopend werd; dat legt de tekst hier niet uit, maar de gedachte is niet vreemd aan wat Paulus schrijft. In het Nieuwe Testament: Efeze 5:31-32; Openbaring 19:7 Hoever dit reikt: Paulus past het woord over man en vrouw toe op Christus en de gemeente; dat het openen van Adams zijde het geopende zijde van de Gekruisigde voorafschaduwt, is een aloude toepassing en geen uitdrukkelijke uitspraak van de Schrift.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Genesis 2
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De rust van de zevende dag — 2:2-3
De bruid uit de zijde genomen — 2:21-24
Wat betekenen de niveaus?


Genesis 2
Genesis 2:1-8.Kruisverwijzingen1 Korinthe 15:45→Job 33:4→Prediker 12:7→Jesaja 64:8→Hebreeën 4:4→Genesis 3:19→Psalmen 103:14→1 Korinthe 15:47→
— Alzo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun heir. Als nu God op de zevende dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op den zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had. En God heeft den zevende dag gezegend, en die geheiligd; omdat Hij op denzelven gerust heeft van al Zijn werk, hetwelk God geschapen had, om te volmaken. Dit zijn de geboorten des hemels en der aarde, als zij geschapen werden; ten dage als de HEERE God de aarde en den hemel maakte. En allen struik des velds, eer hij in de aarde was, en al het kruid des velds, eer het uitsproot; want de HEERE God had niet doen regenen op de aarde, en er was geen mens geweest, om den aardbodem te bouwen. Maar een damp was opgegaan uit de aarde, en bevochtigde den ganse aardbodem. En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel. Ook had de HEERE God een hof geplant in Eden, tegen het oosten, en Hij stelde aldaar den mens, die Hij geformeerd had.
Alles was gereed voor de mens. Elke vruchtdragende boom diende hem tot voedsel en elk schepsel stond onder zijn gezag, want God had gewild dat hij heerschappij zou hebben over de vissen van de zee, en over de vogels van de lucht, en over het vee, en over de gehele aarde, en over elk kruipend dier dat op de aarde kruipt.
God plaatste de mens, die Hij naar Zijn beeld en gelijkenis had gevormd, niet in een leeg huis of in een oningerichte wereld om hem vervolgens aan zijn lot over te laten. Integendeel, Hij had alles voorbereid wat de mens ooit nodig zou kunnen hebben. Als voltooiing van Zijn scheppingswerk plantte Hij een tuin in het oosten van Eden; en daar plaatste Hij de mens die Hij had gevormd.
Genesis 2:9.KruisverwijzingenGenesis 3:22→Openbaring 2:7→Openbaring 22:14→Openbaring 22:2→Genesis 2:17→Spreuken 11:30→Ezechiël 31:16→Genesis 3:3→
— En de HEERE God had alle geboomte uit het aardrijk doen spruiten, begeerlijk voor het gezicht, en goed tot spijze; en den boom des levens in het midden van den hof, en de boom der kennis des goeds en des kwaads.
En uit de grond liet de HEERE God alle bomen groeien die een lust voor het oog waren en goed om te eten; ook de boom des levens in het midden van de tuin, en de boom der kennis van goed en kwaad.
De boom des levens in het midden van het aardse paradijs was een beeld van de andere boom des levens in het hemelse paradijs, waaruit de kinderen van God nooit zullen worden verdreven, zoals Adam en Eva uit Eden werden verdreven.
Genesis 2:10-14.KruisverwijzingenDaniël 10:4→Psalmen 46:4→Genesis 25:18→Openbaring 22:1→1 Samuël 15:7→Genesis 10:7→Genesis 10:29→Genesis 15:18→
— En een rivier was voortgaande uit Eden, om deze hof te bewateren; en werd van daar verdeeld, en werd tot vier hoofden. De naam der eerste rivier is Pison; deze is het, die het ganse land van Havila omloopt, waar het goud is. En het goud van dit land is goed; daar is ook bedolah, en de steen sardonix. En de naam der tweede rivier is Gihon; deze is het, die het ganse land Cusch omloopt. En de naam der derde rivier is Hiddekel; deze is gaande naar het oosten van Assur. En de vierde rivier is Frath.
De rivier in Eden herinnert ons ook aan de zuivere rivier van het water des levens, helder als kristal, die voortkomt uit de troon van God en van het Lam, waarover wij bijna aan het einde van de Openbaring lezen, die aan Johannes op Patmos werd gegeven. Zo richten zowel het begin als het einde van de Bijbel onze aandacht op de boom des levens en de rivier des levens: eerst in het paradijs hier beneden en vervolgens in het betere paradijs daarboven.
Genesis 2:15.KruisverwijzingenEfeze 4:28→Psalmen 128:2→Genesis 2:8→Genesis 2:2→
— Zo nam de HEERE God den mens, en zette hem in den hof van Eden, om dien te bouwen, en dien te bewaren.
Zelfs in het paradijs had de mens een taak, evenals zij die in heerlijkheid voor de troon van God staan en Hem dag en nacht dienen in Zijn tempel. Ledigheid schenkt geen ware vreugde, maar heilige arbeid zal juist bijdragen aan de gelukzaligheid van de hemel.
Genesis 2:16-17.KruisverwijzingenJakobus 1:15→Romeinen 6:23→Genesis 3:19→Kolossenzen 2:13→Ezechiël 18:4→Genesis 3:17→Ezechiël 33:8→Romeinen 8:2→
— En de HEERE God gebood den mens, zeggende: Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten; Maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.
Blijkbaar was het Adam niet verboden om van de boom des levens te eten, want pas na zijn zondeval werd hij uit Eden verdreven, zoals God zei: “Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke en neme ook van den boom des levens en ete en leve in eeuwigheid.” Hij mocht vrij eten van de vrucht van iedere boom in de hof, behalve van één: “van de boom der kennis van goed en kwaad zult gij niet eten.”
Het was een eenvoudig gebod, maar zelfs voor de mens in zijn staat van onschuld bleek deze beproeving te zwaar. Helaas had zijn zondeval gevolgen voor al zijn nakomelingen, want hij was het verbondshoofd van het menselijk geslacht. Daarom lezen wij: “gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood, en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is.”
Maar gelukkig is er ook een ander Hoofd van het menselijk geslacht. Daarom lezen wij: “Want indien door de misdaad van één de dood geheerst heeft door dien énen, veel meer zullen degenen die den overvloed der genade en der gave der rechtvaardigheid ontvangen, in het leven heersen door dien Enen, namelijk Jezus Christus.”
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
VAN DE SABBATH, DES MENSEN WEZENLIJKE BESTANDDELEN, HET PARADIJS, HET GEBOD VAN GOD, HET HUWELIJK.
IV. Vers 1-3
Na de arbeid van zes dagen rust God op de zevende dag, en zegent en heiligt deze dag.
1. Alzo, gelijk in hoofdstuk 1 verhaald is, zijn volbracht de hemel en de aarde en al hun heer. 1)
1) Het gaat hier om zowel de onzichtbare als de zichtbare wereld en alles, wat zich daarin of daarop bevindt; Gods scheppingsgedachten zijn thans voleindigd.
Wij verwachten een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, daar deze door de zonde van de mensen besmet zijn. Ook de hemelen (wolken en sterrenhemel) zijn voor God niet rein (Job 15:15; 25:5). Op de eerste schepping rustte duisternis, daar zal geen nacht zijn (Openbaring. 22:5), deze aarde bedekten de wateren, daar zal geen zee meer zijn (Openbaring. 21:1)
2. a) Als nu God op de zevende dag volbracht had zijn werk, dat Hij gemaakt had, 1) en er niets meer te scheppen overgebleven was, zodat slechts onderhouding en vernieuwing nodig was, en ook daartoe reeds de krachten in het bestaande gelegd waren, 2) heeft Hij gerust op de zevende dag van al Zijn werk dat Hij gemaakt had. 3) God hield op iets nieuws te scheppen en keerde in de rust van Zijn algenoegzaam wezen terug, waaruit Hij bij en met de schepping als het ware getreden was, en gaf zich nu geheel over aan de zalige vreugde over Zijn zo heerlijk werk.
a) Exodus 20:11; 31:17; Deuteronomium. 5:14; Hebr. 4:4.
1) Zes dagen heeft de Heere gebezigd tot de schepping van aarde en hemel, niet als had Hij, voor Wie een ogenblik als duizend jaar is, die tijdruimte nodig gehad, maar hierdoor wilde Hij ons bepalen bij de beschouwing van elk van Zijn werken. Datzelfde doel heeft Hij ook met Zijn rust op de zevende dag.
2) Daardoor heeft God aan Zijn schepsel een zekere zelfstandigheid gegeven, zodat het zelf steeds op iets nieuws terug kon en moest vallen, want Hij heeft vanwege de samenhang in Hem voortdurend elk onderdeel in Zijn handen, maar Hij kan ook daar, waar Hij Zijn liefde en wijsheid wil planten, onvoorwaardelijk ingrijpen en op een wonderbaarlijke wijze de schepselen in de dienst van Zijn raadsbesluit nemen.
3) De rust des Heren op de zevende dag is niet een zich onttrekken aan alle arbeid. De volkomen rust en de grootste werkzaamheid zijn één in Hem (Johannes 5:17); gelijk ook de Sabbath de mens tot de hoogste werkzaamheid gegeven is, en de rust (sabbatsrust), die voor het volk van God over blijft (Hebr. 4:9) de rust wezen zal van het regeren met Christus, het eeuwig zingen van het lied van het Lam. De rust van Hem, die niet moede noch mat wordt, is een voortdurend verheerlijken van zichzelf in het onderhouden van het geschapene. Zo rust de Schepper, en de Voorzienigheid werkt: het is thans niet meer: “het was avond geweest en het was morgen geweest;” de sabbatviering van de Schepper duurt tot het nieuwe scheppingswerk wordt aangevangen. (Jesaja 65:17).
De rust des Heren is geen “niets doen.” God werkt tot nu toe als de Voorzienigheid. Zo is ook voor ons de rustdag geen dag van slapen, eten of zich vervelen; geen dag om in de dienst van de wereld door te brengen; maar een dag om handenarbeid te staken en in de dienst des Heren werkzaam te zijn, in welke kring God ons ook geplaatst heeft, met welke roeping Hij ons ook geroepen heeft.
3. En God heeft de zevende dag gezegend en die geheiligd, 1) legde een bijzondere zegen op deze dag en zonderde die uit van de overige dagen, opdat de mens, zijn beeld, eveneens op die rustte, omdat Hij op dezelfde gerust heeft van al Zijn werk, hetwelk God geschapen had, om te volmaken, 2) dat is om te onderhouden, of hetwelk Hij scheppende gemaakt had. Voor de reine mens gaf God de sabbatsvreugde; het is een nieuwe Sabbath in de hemel, als de zondige mens wordt herschapen en God zijn eeuwige Sabbath geworden is. Rusten, zegenen, heiligen is het ware Sabbath vieren.
1) In de grondtekst staat een werkwoord, dat oorspronkelijk “afzonderen” betekent. Door afzondering werd iemand of iets heilig. Een lam ten zoenoffer bestemd werd afgezonderd, opdat het een heilig offer zou zijn. De Priester heiligde zich door zich af te zonderen. Zo ook heeft God, de Heere de Sabbath afgezonderd van de overige dagen, en wil Hij dat wij die van de overige dagen als afgezonderd, d.i. als heilig zullen beschouwen. De Heere God gaf aan deze dag een bijzondere zegen. Op de viering van die dag naar Zijn wil, heeft God een bijzondere zegen gezet.
2) Tegenover al die verdichtingen en mythen in de Kosmologieën (stelsels aangaande het ontstaan van de wereld), die buiten de Bijbel voorkomen, schittert het hier voor ons liggende scheppingsverhaal in helder licht der waarheid, en zelfs Jean Paul heeft gezegd: “het eerste blad van de Mozaïsche oorkonde heeft meer gewicht, dan alle folianten van de natuuronderzoekers en wijsgeren.” Wat de met zo veel beslistheid door de nieuwere geologie (aardkunde) vastgestelde scheppingsperioden betreft, deze zijn slechts afgeleid uit de opeenvolging van de verschillende steen- en aardlagen, die de aardkorst vormen, deels uit de in deze lagen gevonden soorten van overblijfselen van planten en dieren. Uit het onderscheid tussen deze en de tegenwoordige planten- en dierenwereld heeft men de conclusie getrokken, dat aan deze schepping een vroegere voorafgegaan moet zijn. Zulk een besluit zou dan alleen aangenomen moeten worden, als de wijze van ontstaan van die steen- en aardlagen volledig bekend zou zijn en ook de verschillende formeringen, in gelijke volgorde en en duidelijk onderscheiden, gevonden werden, wat geenszins het geval is. Het is geenszins bewezen, niet eens zelfs algemeen door de geognosie (kennis van de mijnen) aangenomen, dat elk van die versteningen een eigenaardige planten- en dierenwereld bevatten, noch dat deze zo geheel van de tegenwoordige verschillen, dat deze niet uit die eerste zou kunnen afstammen, noch dat de fossiele (versteende) overblijfselen van mensen van gelijke oudheid als die van de dieren niet voorkomen. Daarbij komt dat Midden-Azië, de wieg van het mensengeslacht, door de oudheidkenners nog in het geheel niet nader onderzocht is, en dat de Bijbel twee gebeurtenissen uit die vorige tijd bericht, waarvan de invloed op de vorming van de aardbodem en op de ontwikkeling van de planten- en dierenwereld geen natuurwetenschap afmeten kan; wij bedoelen de vloek, die, ten gevolge van de val van de stamouders van ons geslacht, door God over de aarde uitgesproken is en waardoor ook de dierenwereld aan het verderf onderworpen werd; (Genesis 3:17; Romeinen 8:20) en de zondvloed, waardoor de aardbodem tot boven de hoogste bergen onder water gezet werd, en alle wezens, die op het droge leefden, behalve het geborgene in de ark, omkwamen. Wie zal het bepalen welke omkeringen van de aarde onder die wateren hebben plaatsgehad? De uitspraken van de geologie mogen nu met het scheppingsverhaal van de Bijbel niet in tegenspraak zijn, de waarheid van de Schrift kunnen zij niet doen wankelen.
Vanwaar is dit scheppingsbericht ontstaan? Zonder twijfel heeft God al die scheppende arbeid reeds aan de eerste mensen geopenbaard; want zonder zulk een openbaring zouden de mensen, noch hun verhouding tot God, noch hun plaats in de wereld juist gekend hebben. De vraag is of deze lering van God aan de eerste mens, door middel van een visioen ten deel gevallen is (wanneer de geschiedenis van de toekomst door Johannes, de ziener van de Openbaringen, in de vorm van een visioen gezien werd, zo zou op gelijke wijze de geschiedenis van het begin aan de eerste mens in een visioen voorgesteld kunnen zijn.”, of van mond tot mond, gelijk de Heer zelf met Mozes van aangezicht tot aangezicht, als een man met zijn vriend, sprak. (Ex. 33:11; Numeri 12:6 vv.; Deuteronomium. 5:4 vv.) Het voor ons liggend bericht toont echter niet het minste spoor van een visioen, maar is duidelijk als eenvoudig geschiedverhaal te erkennen; wij moeten alzo tot het tweede besluiten. Wat nu God aan de eerste mensen over de schepping geopenbaard heeft, dat leverden zij met al het gewichtige, wat zij zelf beleefden en ondervonden, aan hun kinderen en nakomelingen over. Deze overlevering werd door het geslacht der vromen (Genesis 5) getrouw in het geheugen bewaard, zelfs bij de spraakverwarring, wat de inhoud betreft niet vervalst (Genesis 11:10 vv.) en met de kennis en de verering van de ware God van geslacht tot geslacht voortgeplant, totdat zij door Abraham een geestelijk erfgoed van het uitverkoren geslacht werd. Wanneer het schriftelijk opgetekend geworden is, laat zich niet zeker bepalen. Waarschijnlijk reeds geruime tijd vóór Mozes, die het als schriftelijk oorkonde in de Thora of het wetboek van Israël opgenomen heeft.
Bij de hoge leeftijd, die de mensen bereikten, behoefde dit geschiedverhaal niet door vele geslachten heen om tot de schrijver te komen. Adam kan het nog aan Lamech, Noach’s vader, hebben meegedeeld, (Genesis 5:28) Sem weer aan Abraham.
De natuurwetenschap heeft lange tijd de eenheid van het mensengeslacht willen ontkennen, zoals de gelovige die uit de Schrift weet. Zelfs Ooken laat de mensen als kiemen in het zeeslijk zich ontwikkelen, met allerlei kruipende dieren zich voeden, en na vele jaren door een vloed bij menigten op het land geworpen worden. Wanneer nu echter de nieuwere onderzoekingen zekere bewijzen geleverd hebben voor de eenheid van het menselijk geslacht (Wagner, Geschichte der Urwelt; A. v. Humboldt, Kosmos), mag men zich dan niet verheugen, dat de waarheid van de Schrift gehandhaafd wordt? Bij zelfstandig onderzoek van de wetenschap komt zij meer en meer met de Schrift overeen. De grootste natuurgeleerden, Carl Richter, als aardrijkskundige, en Alex v. Humboldt, als natuuronderzoeker, stemmen meestal met hetgeen de Schrift zegt samen.
Doch al ware het ook dat de wetenschap zoveel verschil tussen de mensen zou ontdekken, dat bij natuurlijke voortplanting één mensenpaar hen niet zou hebben kunnen voortbrengen, zo stellen wij het geloof boven de wetenschap. Na het bouwen van Babels toren is door Gods wondermacht een scheiding tussen mensen en mensen gekomen, zodat zij een andere taal spreken, is het ongelooflijker, dat na lang verblijf van de geslachten in andere luchtstreken afwijkingen in schedelvorm enz. ontstonden? Degenen die zich mannen van de wetenschap noemen, spotten dikwijls met het eenvoudig geloof; waarom spotten zij niet liever met hun broeders, die leren, dat de mensen van de aap en de aap van de kikvorsen afstamt, en duizenden dwaasheden meer voorstellen? Wij geloven dat God uit één bloed het hele geslacht van de mensen gemaakt heeft. (Hand. 17:26).
Niet dat alles wat geschapen was niet zeer goed was, maar iets kan zeer goed zijn en toch nog voor volmaking vatbaar. Een kind kan zeer volmaakt ter wereld komen en het is toch bestemd om man of vrouw te worden om zich volkomen te ontwikkelen. Van alles wat geschapen was, was slechts de aanvang geschapen.
I. Vers 4-17
Terugwijzende op de boven slechts kort verhaalde schepping van de mens wordt nu uitvoeriger bericht op welke wijze God de mens gemaakt, welke woonplaats Hij hem aangewezen heeft en welk gebod Hij hem gegeven heeft om zijn trouw daarin te bewijzen.
4. 1) Dit zijn de geboorten van de hemel en van de aarde als zij geschapen werden. Alzo zijn hemel en aarde geworden. Dit zijn de beginselen; ten dage als de Heere God 2) de aarde en de hemel maakte.
1) De woorden in de grondtekst moeten niet, zoals Luther gedaan heeft, verbonden worden met de vorige verzen, maar nadat eerst de schepping in haar totaliteit verhaald is, begint hier een nieuw gedeelte, dat de schepping van de mensheid in het bijzonder behandelt.
Voor de derde maal vinden we hier verhaald, dat God hemel en aarde schiep. Wij kunnen aanmerken dat de schrijver om het groot gewicht van de zaak dit zo dikwijls voorstelde. Bij de leiding door de Heilige Geest in het schrijven, behield ieder van de Godsmannen zijn eigenaardigheden. Duidelijk is hier de kinderlijke stijl op te merken, waarbij het gewichtige herhaaldelijk wordt meegedeeld.
Het doel van Mozes is geweest diep in onze gemoederen in te prenten, de oorsprong van hemel en aarde, hetgeen hij hier door het woord “voortbrenging” (generatio) aanduidt. Want er zijn altijd onaangename en goddeloze mensen geweest, die de eer van God getracht hebben te verduisteren, hetzij door het verdichten van een eeuwige stof, hetzij door de schepping te loochenen. Zó weet de duivel, door zijn listigheid hen van God te vervreemden, die boven anderen scherpzinnig en schrander zijn, dat een ieder voor zich meent God te zijn. Waarom het volstrekt geen overbodige herhaling is, omdat daardoor des te meer de onmiskenbare waarheid in het geheugen wordt geprent, dat de wereld is ontstaan en door Wie zij is gegrondvest, opdat zulk een kennis ons zou opleiden tot de Ontwerper en Schepper.
Van vs. 4 tot het einde van hoofdstuk 8 vinden wij steeds de Heere God (Jahweh Elohiem), uitgezonderd in de woorden van de slang: Genesis 3:1, 3 en 5. Men heeft daarom het gevoelen uitgesproken, dat Genesis uit verschillende brokstukken zou samengebracht zijn. Eigenaardig is echter hier die naamsuitbreiding. In Genesis 1 is God als de Almachtige voorgesteld (in Elohiem ligt de betekenis van verhevenheid boven, en dus van vrijmacht over alles); hier wordt bij die naam “Jehova” (Jahweh, Hij zal zijn) gevoegd, omdat Mozes ons hier wil leren, dat die vrijmachtige de Verbondsgod van het volk van God is dat de Heer van alle schepselen, de God van de gehele wereld, Adam tot zijn eerste verbondskind, tot stadhouder van deze heerschappij gemaakt heeft.
2) De verbinding “de Heere God” moet aanduiden: Jehova is geen ander dan Elohiem. Hij die de grenzen van de schepping ingaat is geen ander dan de boven haar verhevene; de God van Israël geen ander dan de Schepper van de wereld.
5. En alle struiken op het veld, eer hij in de aarde was, en al het kruid op het veld, eer het uitsproot, 1) want 2) de HEERE God had niet doen regenen op de aarde, en er was geen mens geweest, om de aardbodem te bouwen.
1) De aarde die de mens verwacht, is als een beeld van de mensheid die de mensenzoon verwacht.
2) Dit want slaat alleen terug op “uitsproot.” De volle groeikracht en vruchtbaarheid was nog niet aanwezig. Voor deze zijn behalve de verwarmende stralen van de zon, de regendruppels nodig en de bewerking van de grond door mensenhanden.
6. Maar een damp was opgegaan uit de aarde en bevochtigde de gehele aardbodem.
De pas uit de wateren verrezen aarde dampte uit, waardoor de bovenste aardkorst vochtig bleef. Hieruit is het duidelijk, dat de planten nog niet recht groeiden. Eerst moesten deze dampen opstijgen, zich tot regenwolken verenigen en in druppels neervallen.
7. En de HEERE God, toen Hij op de zesde dag sprak: Laat ons mensen maken, en voortgegaan was om dit besluit te volvoeren, had de mens geformeerd uit het a) stof der aarde, had hem zeer kunstig gevormd uit het vochtige stof van de aarde, even als een pottenbakker het leem tot een kunstig vat vormt; want de mens moest naar het lichamelijke aan deze wereld toebehoren, en daarom van haar genomen worden, en in zijn neusgaten geblazen de levensadem; 1) Hij moest ook tegelijk tot een hogere wereld behoren, daarom blies de Heere God in dat reeds volledige lichaam en wel in dat deel, dat voor de mens het orgaan om te ademen zou zijn, en waaraan het leven zich uitwendig zou vertonen; alzo werd de mens b) tot ene levende ziel, alzo kwam er leven in die gevormde stof, maar hij was nu ook de aan God verwante geest; een ziel, die niet als die van de dieren uit de algemene in de natuur verbreide levensgeest, maar onmiddellijk uit God voortgesproten is.
a) 1 Cor. 15:46, 47 b) 1 Cor. 15:45
1) De goddelijke Adem is geworden tot de ziel van de mensen, en die ziel van de mensen is daarom slechts goddelijke Adem. Toen de rest van de wereld door het Woord van God bestond, werd de mens geschapen door Zijn eigen Adem; deze Adem is het zegel en onderpand van onze verwantschap met God, van onze waarde als beeld van God, terwijl de adem, die in de dieren ingeblazen is, d.i. de algemene adem, de overal waaiende levenswind van de natuur is, die in de dieren slechts tot een zekere zelfstandigheid geleid heeft, waardoor de dierenziel niets anders is dan geïndividualiseerde natuurziel van een materiële orde.
“Bewonder, o mens! Over ieder van uw ledematen ging de vinger van God.” Jeremia 64:8; Psalm. 139:14 vv.). Maar bewonder het nog meer, dat gij zijt van Gods geslacht; en bid, gevallen mens! om uit die diepte te worden opgetrokken tot de heerlijkheid van de kinderen van God. Geest en stof staan naast elkaar; zo stond de wereld als Gods schepping naast Hem; de mens was bestemd om de band tussen beide te zijn, door zijn lichaam verenigd met de aarde, door zijn geest verwant met God.
De wetenschap onderscheidt drie rijken: het delfstoffenrijk, het plantenrijk en het dierenrijk. Tot het dierenrijk wordt dan ook de mens gerekend. De gelovige man van de wetenschap plaatst naast die drie nog een vierde: het mensenrijk. Letterlijk staat er: “de Heere God formeerde de Adam,” stof van de aarde (Adamah). Vandaar dus en naam Adam. In het Latijn staat homo (mens) ook in verband met humus (aarde)
8. Ook had de HEERE God een hof geplant in Eden, tegen het Oosten. Reeds op de derde scheppingsdag, toen Hij de aarde met de plantenwereld bekleedde, had Hij een bijzondere plaats verkoren, die Hij boven de anderen liefelijk en schoon tooide; dat was Eden. Niet het in 2 Koningen. 19:12 Jesaja. 37:12 Ezechiël. 23:27 Deze vermelde in Assyrië, maar hoogst waarschijnlijk het Armenische hoogland is hier bedoeld, waar op de hoogste berg Arafat, de ark van Noach rustte (Genesis 8:4). In dit landschap tegen het Oosten, dat is in het oostelijk deel daarvan, maakte de Heere een hof tot een woonplaats voor de mensen, die overeenkwam met het voornemen, dat Hij met de mens had, en Hij stelde aldaar de mens, die Hij geformeerd had.
9. En dit nu was de inrichting van de hof; de HEERE God had alle geboomte uit het aardrijk doen spruiten, begeerlijk voor het gezicht en goed tot spijze, vruchtbomen van verschillende soorten, die niet alleen door hun prachtig aanzien de mens verrukten, maar ook door verscheidenheid van vruchten alle mogelijke behoeften van de mensen konden bevredigen, en behalve deze nog twee andere bomen voor een bijzonder doel bestemd, namelijk a) de boom des levens in het midden van de hof en de boom van de kennis van goed en kwaad. 1) De een zo genoemd naar de belofte, die God daaraan verbonden had, de ander naar de gevolgen, die het gedrag van de mensen ten opzichte van het aan deze boom verbonden verbod, hebben zou.
a) Openbaring. 2:7
1) Wat het paaslam was voor Israël, wat het Avondmaal is voor de Christen, was de boom des levens voor de mens in de staat van de rechtheid; een Sacrament, waardoor en waarbij werd betuigd, dat het opgericht verbond (van de werken) nog onderbreken vaststaat.
De boom des levens werd in Eden geplaatst om een tegenwicht te vormen tegen de natuurwet, volgens welke al wat uit de aarde voortkomt tot ontbinding weerkeert. De boom van de kennis van goed en kwaad werd in Eden geplaatst om de mens in gehoorzaamheid te oefenen. Door die boom komt de mens op de proef, of hij tot vrijheid geroepen, ook vrijwillig het leven in Gods gemeenschap zal blijven kiezen.
10. En ene rivier was voortgaande uit, ontsprong in Eden om deze hof te bewateren; en werd van daar verdeeld, daar waar zij den hof verliet, en werd tot vier hoofden, hoofdwateren, beginselen van stromen, die de zegen van Eden door de gehele wereld moesten verspreiden. (Psalm. 36:9)
11. De naam van de eerste rivier is Pion, de vrij stromende. Acht verschillende rivieren heeft men als deze Pion reeds aangegeven; 1) deze is het, die het gehele land van Havila (streek, oord) omloopt, waar het goud is.
1) Dächsel noemt de Phasis, wanneer het land Havila als dan Colchis zou zijn, van waar volgens de Griekse fabelleer, de Argonauten het gulden vlies zouden gehaald hebben. Deze zou gelegen zijn aan de oostzijde van de Zwarte Zee.
12. En het goud van dit land is goed, daar is ook Bedólah, een doorschijnend en welriekend hars, gelijkende aan was of manna, (Numeri 11:7), en de steen Sardonyx van bleke kleur als de nagel van een vinger, waar het vlees doorheen schemert.
13. En de naam van de tweede rivier is Gihon, voor deze noemt men de Araxas, die in de nabijheid van de Eufraat ontspringt, van het Westen naar het Oosten stroomt en met de Cyrus verenigt, zich in de Kaspische zee uitstort; deze is het, die het gehele land van Cusch, het zwartkleurige Morenland, omloopt, niet het latere Cusch of Ethiopië, Hoofdstuk10:6, maar het Aziatische Cosséa, dat zich naar de Kaukasus uitstrekt.
14. 1) En de naam van de derde rivier is Hiddékel, waarschijnlijk de Tigris (Daniël. 10:4) deze is gaande naar het Oosten van Assur. En de vierde rivier is Frath, de Eufraat.
1) De algemene bron van deze rivieren in vs.10 genoemd, is niet meer te vinden. Door de zondvloed, waarbij de fonteinen van de afgrond geopend werden, is zeker zulk een verandering op de aarde ontstaan, dat geen nauwkeurige overeenstemming meer te vinden is tussen deze beschrijving en de tegenwoordige streek.
Wellicht zal het het wijste zijn om te erkennen, dat de ligging van het Paradijs niet te vinden is. Ook van deze bloem kent men dan de plaats niet meer, daar de adem van de zonde over haar gegaan is. (Psalm. 103:15,16).
15. Zo nam de Heere God, gelijk reeds in vs.8 is aangeduid, de mens en zette hem in de hof van Eden, om die te bouwen en die te bewaren.
Arbeid is voor de mens geen straf maar een zegen; zo was de eerste mens in Eden gesteld, om vrij van vermoeidheid en onrust, die hij eerst later zou leren kennen, de in hem gelegde krachten te ontwikkelen en te gebruiken.
Het “bewaren,” dat hem werd opgedragen “toont aan dat reeds destijds de in de natuur bestaande tegenstellingen met haar belemmerende krachten, om heilzaam te werken, door de mens moesten worden beheerst. Toen evenwel bood de natuur aan de inspanning van de mensen geen onoverwinnelijke tegenstand, gelijk nu dikwijls plaats heeft”.
16. En de Heere God gebood de mens, zeggende: van alle bomen in deze hof zult gij vrijelijk, (letterlijk voorzeker), 1) eten, ook van de boom des levens in het midden van de hof.
1) Van Lingen en Dächsel vertalen het woord “vrijelijk” met “geheel naar uw welgevallen”.
17. Maar van de boom van de kennis van goed en kwaad, 1) daarvan zult gij niet eten: want 2) ten dage als gij daarvan, van de boom van de kennis eet, door eigen ervaring en door opneming in uw ziel het boze leert kennen zult gij de dood (letterlijk en beter vertaald zeker) sterven.
1) De ene boom van deze twee diende dus tot de vorming van de menselijke geest, door oefening in gehoorzaamheid aan het Woord van God; de mens moest door deze tot een kennis komen van goed en kwaad, maar door afwijzing van het kwade, zodat de hem ingeschapene vrijheid tot kiezen zich tot een vrijwillige beslissing voor het goede vormde. De andere boom daarentegen diende tot onderhouding van zijn aardse natuur. De onzondige mens had een lichaam, genomen uit het stof, dat aan onophoudelijke verandering en aan ontbinding onderworpen is. Zo had hij voedsel nodig tot onderhoud, maar ook een vrucht om de ontbinding tegen te gaan en het voor de dood te bewaren. Zeker heeft in die vrucht de kracht gelegen, om dat lichaam van de mensen hoe langer hoe heerlijker te doen worden. Het afsluiten van de boom des levens is daarom voor de mens zijn dood.
Er is niets ongerijmds in het denkbeeld, dat een lichamelijk voedsel niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk leven kan onderhouden. In de wijn enzovoort hebben wij de voorbeelden van stoffelijke genietingen die even veel invloed uitoefenen op de geest als op het lichaam.
Maar wat was, wat bedoelde die boom? Vanwaar zijn eigenaardige naam? Die naam geeft, naar de bedoeling van de Schrift, het eigenaardige karakter en de bijzondere bestemming van deze boom aan, die, niet door de natuur zelf van die boom, maar door de duidelijke aanwijzing en het uitgedrukt gebod van God zelf wordt bepaald. God stelde hem tot een boom van beproeving van Adams gehoorzaamheid of ongehoorzaamheid, om deze het wezenlijk en blijvend onderscheid tussen kwaad en goed te leren kennen. Een sacrament was hij niet, want een sacrament wordt gegeven om dat te genieten en van de boom van de kennis mocht niet gegeten worden.
Waarom stelde God die boom van de kennis, daar Hij vantevoren wist, dat de mens daarvan eten en daardoor vallen zou. “De aard van de gehoorzaamheid brengt mee, dat zij vrijwillig moet zijn. Waar de mogelijkheid niet bestaat, om zich aan het volbrengen van een gebod te onttrekken, kan slechts van blinde noodzakelijkheid gesproken worden. God wilde dat de mens niet slechts gewillig, maar ook vrijwillig het goede doen en op die wijze zich tot de ware vrijheid ontwikkelen zou, die noodzakelijk is om heilig te zijn. Deze beproeving was niet alleen nuttig, maar ook bij het wezen en de bestemming van de mens bepaald noodzakelijk, terwijl hij bovendien door Zijn kracht haar volkomen kon doorstaan.
Zonder vrijheid zou de mens het beeld van God niet zijn, zonder vrije keus van het goede kon hij de rechte beheerser der aarde niet zijn. De zonde nam de vrijheid van de mensen weg; Het is Christus die waarlijk vrij maakt en daardoor de mens weer overwinnaar en heerser van de wereld doet worden. (Johannes 8:36), (1 Johannes 5:4), (Openbaring. 3:21). Bij de vrijheid en de macht, de mens verleend, kon God, alleen door een gebod te geven en daardoor zich zelf als de hoogste Wetgever te openbaren, de alléén besturende blijven, en zonder dit vrijmachtig bestuur zou de Heere geen God zijn. Ook wilde Hij de mens tot die hogere volmaaktheid opleiden, dat hij niet meer vallen en zondigen kon, maar voor altijd in het goede bevestigd zou zijn. Zo maakten de heerlijkheid van de mensen, en Gods eer en liefde tezamen de boom en dat gebod noodzakelijk.
De mens is alzo door God geschapen, dat hij wel kon zondigen, maar niet behoefde te zondigen. Had hij het gebod gehouden, dan was hij in een toestand gekomen, waarin hij niet meer kon zondigen; nu hij echter het proefgebod overtreden heeft kan hij niet anders dan zondigen.
In Adam heeft God, de Heere met de mens een verbond opgericht, het verbond van de weken, waarbij de mens het eeuwige leven wordt beloofd, zo hij het gebod van God houdt, maar waarbij ook met de dood wordt gedreigd, indien hij het gebod overtreedt. Onvoorwaardelijke gehoorzaamheid is de eis van dit verbond, en het eeuwige leven, het loon op de gehoorzaamheid. Dat loon moet echter ook als genadeloon worden beschouwd, daar de Heere God ook zonder de toezegging van het eeuwige leven eisen kon en moest, dat Zijn geboden werden onderhouden.
2) Want deze boom heb Ik tot een boom van beproeving gemaakt en wil u door deze beproeven, of gij aan Mijn stem gehoorzamen en in Mijn liefde blijven zult. Zult gij dat doen en de verzoeking ten kwade, die niet lang uitblijven zal, beslist afwijzen, zo zult gij een grote schrede voorwaarts doen tot het grote doel van uw roeping en ook verder van de boom des levens mogen eten. Maar met het genot van de vruchten van deze levensboom wil ik de zegen voor u verbinden, dat het sterfelijke, dat wegens uw lichaam, dat uit het stof werd genomen, u aanhangt, door het leven verslonden worde, Hoofdstuk 3:24. Zult gij daarentegen de gemeenschap met Mij verbreken en Mijn gebod verlaten, zo zult gij al het verderf van de zonde over u brengen.
II. Vers 18-25🔗
God maakte uit de eerste mens een tweede, bij de man de vrouw, en regelt de betrekking tussen beide.
18. 1) Ook had de Heere God gesproken, als Hij de mens op de boven beschreven wijze gemaakt, hem zijn woonplaats aangewezen en het verbod gegeven had: het is niet goed dat de mens alleen zij; met deze éne mens is mijn scheppingsgedachte niet geheel verwezenlijkt; Ik zal hem een hulpe maken, die, geheel overeenkomstig zijn wezen en als trouwe levensgezellin, als tegenover hem zij, opdat zij met hem in de vertrouwelijkste omgang zij, in de vervulling van zijn beroep (vs.15) hem bijsta en in gemeenschap met hem het menselijk geslacht op aarde voortplante. (Hoofdstuk1:28). Nu verwekte God tevoren in de mens zelf het gevoel van behoefte aan zodanige hulp. (vs.20).
1) De vrouw is geschapen, nadat het verbod gegeven was. Eva heeft het alzo van haar man vernomen, en, als evenbeeld Gods, verstaan. Zo is de man reeds hier gesteld om aan de vrouw het gebod van God te leren, en de vrouw om het van God door hem te ontvangen. Satan keerde deze ordening van God om (hoofdstuk. 3:6). Reeds is in de raad van God bepaald de mens een zegen te geven, vóórdat de mens de behoefte daaraan gevoelt; het is de Heer, die het verlangen opwekt om het te vervullen. Dorstende naar God! waar uw behoefte recht luide spreekt, is het levenswater bij de lippen gebracht. Straks juicht gij: “Vrije genade heeft mij gered!”.
19. Want als de Heere God uit de aarde al het gedierte van het veld, en al het gevogelte van de hemel gemaakt had, (hoofdstuk. 1:24 en 25) zo bracht Hij die, om de mens over de dieren ten heerser te stellen, en het gedierte hem te onderwerpen; ook, opdat de mens van zijn wijsheid bewust zou worden en van het in hem gelegde spraakvermogen het eerste gebruik zou maken, tot Adam, om te zien, hoe hij ze noemen zou: en zo als Adam alle levende ziel noemen zou, dat zou haar naam zijn. 1)
1) “Waarom moest Adam de dieren namen geven? Tot bewijs, dat hij, onder God, hun wettige heer en eigenaar was. Wat ons eigendom is, geven wij een naam. Zo zijn de ouders de naamgevers van hun kinderen, zo geven de uitvinders namen aan hun uitvindingen, en zij hebben er recht toe. Ook de Heer veranderde Abram’s, Saraï’s en Jakob’s namen, toen Hij deze zich ten bijzondere eigendom stelde. Ook zullen zij, die van de Heere zijn, nieuwe namen ontvangen, zo als reeds met Simon, Johannes en Jakobus geschiedde”.
De man is door God zelf “Adam” (van Adamah, d.i. aarde) genoemd.
20. Zo, terwijl de dieren door God hem toegevoerd werden en door dat naderen hem als hun heer huldigden, en hij ze door zijn hem geschonkene wijsheid in het eigenaardige van hun soort erkende, had Adam, niet naar willekeur, maar naar de indruk, die hij bij het aanschouwen van het dier ontvangen had, genoemd de namen 1) van al het vee en van het gevogelte van de hemel, en van al het gedierte van het veld; maar juist bij deze gelegenheid leerde de mens zijn eigen eenzaamheid recht gevoelen. Van iedere diersoort was altijd een paar aanwezig, het mannetje en het wijfje, alleen voor de mens vond hij geen hulpe, die, overeenkomstig zijn wezen, als tegenover hem ware. 2)
1) “Vraagt men van welke spraak zich Adam zal bediend hebben, zo is deze het waarschijnlijkst de Hebreeuwse geweest.”
2) God wil geen kluizenaarsleven. Een paradijs tot woning, een wereld tot bezitting voldoet bij eenzaamheid ons hart niet. Daarom geeft God aan de man de vrouw; aan de gelovige de gemeenschap der heiligen; aan de in Christus gestorvenen het eeuwig paradijs, dat een schare bevatten zal, die niemand tellen kan.
21. Toen, als zijn eenzaamheid door hem met zekere weemoed gevoeld werd, deed de Heere God een diepe slaap op Adam vallen, en hij sliep, hier door buitengewone inwerking van God, en Hij nam één van zijn ribben en sloot deze plaats toe met vlees. 1)
1) Bij de grootste verscheidenheid in al Gods werken, wil de Heer éénheid, daarom neemt Hij de vrouw uit de man. Zo is Adam degene, in wie het gehele mensdom, gelijk het zaad in de plant, bestaat; terwijl één Middelaar (het zaad van de vrouw, en alzo ook uit de man), de Verlosser, zowel van man als van vrouw, zou zijn.
Terwijl de mens thans nog aan elke zij twaalf ribben heeft, menen sommigen, dat er bij Adam eerst dertien zullen zijn geweest. Eenvoudiger is het te verklaren, dat aan Adam één ontnomen is, maar daarom niet aan zijn menselijke nakomelingen.
God heeft de mens geschapen, mannelijk en vrouwelijk heeft Hij hem geformeerd. Op deze wijze is Adam herinnerd, zijn vrouw als zijn beeld te erkennen, en Eva op haar beurt, dat zij zich vrijwillig de man zou onderwerpen, als uit hem genomen.
22. En de Heere God bouwde de ribbe, die Hij a) van Adam genomen had, tot een vrouw (het is geen groter wonder, dat God uit een rib een mens maakt, dan dat Hij dit doet uit de aarde) en Hij bracht haar tot Adam 1) liet hem weer ontwaken, zodat hij nu zag, wat de Heere gedurende zijn slaap hem had toegeschikt (Psalm. 127:2). Zo houd dan iedere man zijn vrouw als een geschenk, hem van God gegeven; en wie een levensgezellin begeert, hij begere ze van Hem.
a) 1 Cor. 11:8
1) Mozes verhaalt hier, hoe de instelling van het huwelijk van goddelijke oorsprong is. Want daar Adam niet naar eigen willekeur zich een vrouw heeft genomen, maar deze hem door God is toegebracht, en hij haar als hem toegewezen ontvangen heeft, blijkt hieruit des te meer de heiligheid van de huwelijkse staat dewijl wij toch weten, dat God de auteur ervan is.
23. Toen zei Adam, vol blijde verwondering: Deze is ditmaal, waarnaar ik tevoren vergeefs zocht, a) been van mijn benen en vlees van mijn vlees, een wezen als ik ben, een tweede ik naast mij, mij toebehorende. En voortgaande, in de macht welke de Heere hem gegeven had, om aan het schepsel namen te geven en met volle recht, omdat zij hem gegeven was, zei hij: Men zal haar Manninne 1) noemen, omdat zij uit de man genomen is. Zo is het gebruik te rechtvaardigen, dat een vrouw haar vaderlijke naam aflegt, om die van haar man aan te nemen.
a) Mal.2:14 Eh.5:30,31
1) Een innerlijke stem zegt het hem, zijn nachtgezicht en wondervolle ontroering is hem daardoor verklaard. God had het hem toen geopenbaard; deze is de begeerde van mijn ziel, de bruid waarnaar mijn hart met onbestemd verlangen onbewust had uitgezien. Hij voelt zich met haar één, door geestelijke gaven verwant. Niet gelijk hijzelf, zal zij onmiddellijk aan de aarde doen denken. Men zal haar Manninne heten, want van de man is deze genomen.
24. In profetische verlichting slaat hij nu een blik in de toekomst van zijn geslacht en gaat voort: a) Daarom om deze innige verwantschap, omdat God haar aan de man toegebracht heeft, zal de man, al zijn bloedverwanten, zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aankleven, b) en zij zullen tot één vlees zijn, 1) één persoon, die door niets weer gedeeld mag worden. (MATTHEUS. 19:5 vv.)
a) Mark. 10:7 Efez. 5:31. b) 1 Cor. 6:16 Efez. 5:28,29.
1) De weduwnaar of weduwe, die waarlijk gehuwd was, kan eerst recht voelen, dat, hetgeen verloren werd, een tweede ik was. Hoeveel temeer moet Christus boven vader en moeder bemind worden, door hen, die één met Hem geworden zijn door het geloof.
25. En zij waren beiden a) naakt, Adam en zijn vrouw, maar zij waren ook beiden rein en nog niet bevlekt door enige zondige begeerte; zij zagen daarom in elkaar niets anders dan het schone en edele schepsel Gods, en zij schaamden zich niet. Naderhand werd dit anders; de geest verloor de heerschappij over het vlees, en daardoor is naaktheid een prikkel tot zonde geworden. Daarom plantte God de mens het schaamtegevoel in, dat in zijn gevallen toestand hem als een engel terzijde staat en aan de vleselijke begeerlijkheden een tegenwicht bieden zou. 1)
a) Hoofdstuk 3:7,21
1) “De mens is nu in zijn beroep; naast zich heeft hij een deelgenoot en om zich heen een tot zijn dienst en tot zijn vreugde geschapen planten- en dierenwereld. Welk een liefelijk, van goddelijke zegeningen overvloeiend begin! Onder de paradijsbomen is er slechts één, achter wiens schrikwekkende schoonheid de dood loert; deze ene is de mens verboden, opdat hij aan de macht van de dood niet onderworpen wordt, maar in gehoorzaamheid aan God overwinne. Het is nu mogelijk. 1. dat de mens in de goede staat waarin hij geschapen is, blijft, en die door onderwerping van eigen wil aan de goddelijke bevestigt. Het is verder 2. mogelijk, dat deze ondergeschiktheid aan God hem ondraaglijk wordt en hij uit eigen beweging zijn eigen ik, in opstand tegen het goddelijke, doet gelden. Het is 3. mogelijk, dat hij, verleid door een reeds aanwezige macht van de boze, de goddelijke wil uit het oog verliest, en, verlokt door de bekoorlijkheid van het verbodene tot ongehoorzaamheid vervalt. Deze laatste mogelijkheid zien wij in het volgend hoofdstuk tot werkelijkheid worden.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel