Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1Doch Sarai, Abrams huisvrouw, baarde hem niet; en zij had een Egyptische dienstmaagd, welker naam was Hagar.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1Doch SaraiH8297, AbramsH87huisvrouwH802, baardeH3205 hem nietH3808; en zij had een EgyptischeH4713dienstmaagdH8198, welker naamH8034 was HagarH1904.Doch Sarai, Abrams huisvrouw, baarde hem niet; en zij had een Egyptische dienstmaagd, welker naam was Hagar.
KJVNow Sarai1Abram's3wife2bare5him no4children:and she had an handmaid,8an Egyptian,9whose name10was Hagar.
1וְשָׂרַי֙H8297SaraiSarai2אֵ֣שֶׁתH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English3אַבְרָ֔םH87Abram, AbramsAbram4לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without5יָלְדָ֖הH3205gewon, baarde, geborenbear, beget, birth(-day), born, (make to) bring forth (children, young), bring up, calve, child, come, be delivered (of a child), time of delivery, gender, hatch, labour, (do the office of a) midwife, declare pedigrees, be the son of, (woman in, woman that) travail(-eth, -ing woman)6ל֑וֹ7וְלָ֛הּ8שִׁפְחָ֥הH8198dienstmaagd, dienstmaagden, maagden(bond-, hand-) maid(-en, -servant), wench, bondwoman, womanservant9מִצְרִ֖יתH4713Egyptenaars, Egyptische, EgyptenaarEgyptian, of Egypt10וּשְׁמָ֥הּH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report11הָגָֽרH1904HagarHagar
2Zo zeide Sarai tot Abram: Zie toch, de HEERE heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Sarai.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2Zo zeideH559SaraiH8297totH413AbramH87: ZieH2009tochH4994, de HEEREH3068 heeft mij toegeslotenH6113, dat ik niet bareH3205; gaH935tochH4994 in totH413 mijn dienstmaagdH8198, misschien zal ik uit haar gebouwdH1129 worden. En AbramH87hoordeH8085 naar de stemH6963 van SaraiH8297.Zo zeide Sarai tot Abram: Zie toch, de HEERE heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Sarai.
KJVAnd Sarai2said1unto Abram,4Behold now, the LORD8hath restrained me7from bearing:9I pray thee, go in10unto my maid;13it may14be that I may obtain children15by her. And Abram18hearkened17to the voice19of Sarai.
1וַתֹּ֨אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2שָׂרַ֜יH8297SaraiSarai3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4אַבְרָ֗םH87Abram, AbramsAbram5הִנֵּהH2009ziet, ziebehold, lo, see6נָ֞אH4994toch, doch, OchI beseech (pray) thee (you), go to, now, oh7עֲצָרַ֤נִיH6113opgehouden, besloten, beslotene[idiom] be able, close up, detain, fast, keep (self close, still), prevail, recover, refrain, [idiom] reign, restrain, retain, shut (up), slack, stay, stop, withhold (self)8יְהוָה֙H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)9מִלֶּ֔דֶתH3205gewon, baarde, geborenbear, beget, birth(-day), born, (make to) bring forth (children, young), bring up, calve, child, come, be delivered (of a child), time of delivery, gender, hatch, labour, (do the office of a) midwife, declare pedigrees, be the son of, (woman in, woman that) travail(-eth, -ing woman)10בֹּאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way11נָא֙H4994toch, doch, OchI beseech (pray) thee (you), go to, now, oh12אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)13שִׁפְחָתִ֔יH8198dienstmaagd, dienstmaagden, maagden(bond-, hand-) maid(-en, -servant), wench, bondwoman, womanservant14אוּלַ֥יH194misschien, mogelijkif so be, may be, peradventure, unless15אִבָּנֶ֖הH1129bouwen, gebouwd, bouwde(begin to) build(-er), obtain children, make, repair, set (up), [idiom] surely16מִמֶּ֑נָּהH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with17וַיִּשְׁמַ֥עH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness18אַבְרָ֖םH87Abram, AbramsAbram19לְק֥וֹלH6963stem, geluid, geruis[phrase] aloud, bleating, crackling, cry ([phrase] out), fame, lightness, lowing, noise, [phrase] hold peace, (pro-) claim, proclamation, [phrase] sing, sound, [phrase] spark, thunder(-ing), voice, [phrase] yell20שָׂרָֽיH8297SaraiSarai
3Zo nam Sarai, Abrams huisvrouw, de Egyptische Hagar, haar dienstmaagd, ten einde van tien jaren, welke Abram in het land Kanaan gewoond had, en zij gaf haar aan Abram, haar man, hem tot een vrouw.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3Zo namH3947SaraiH8297, AbramsH87huisvrouwH802, de EgyptischeH4713HagarH1904, haar dienstmaagdH8198, ten eindeH7093 van tienH6235jarenH8141, welke AbramH87 in het landH776KanaanH3667gewoondH3427 had, en zij gafH5414 haar aan AbramH87, haar manH376, hem tot een vrouwH802.Zo nam Sarai, Abrams huisvrouw, de Egyptische Hagar, haar dienstmaagd, ten einde van tien jaren, welke Abram in het land Kanaan gewoond had, en zij gaf haar aan Abram, haar man, hem tot een vrouw.
KJVAnd Sarai2Abram's4wife3took1Hagar6her maid8the Egyptian,7after9Abram13had dwelt12ten10years11in the land14of Canaan,15and gave16her to her husband19Abram18to be his wife.
1וַתִּקַּ֞חH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win2שָׂרַ֣יH8297SaraiSarai3אֵֽשֶׁתH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English4אַבְרָ֗םH87Abram, AbramsAbram5אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6הָגָ֤רH1904HagarHagar7הַמִּצְרִית֙H4713Egyptenaars, Egyptische, EgyptenaarEgyptian, of Egypt8שִׁפְחָתָ֔הּH8198dienstmaagd, dienstmaagden, maagden(bond-, hand-) maid(-en, -servant), wench, bondwoman, womanservant9מִקֵּץ֙H7093einde, uiterste[phrase] after, (utmost) border, end, (in-) finite, [idiom] process10עֶ֣שֶׂרH6235tien, tienen, tienmaalten, (fif-, seven-) teen11שָׁנִ֔יםH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)12לְשֶׁ֥בֶתH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry13אַבְרָ֖םH87Abram, AbramsAbram14בְּאֶ֣רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world15כְּנָ֑עַןH3667Kanaan, koophandel, KanaanietenCanaan, merchant, traffick16וַתִּתֵּ֥ןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield17אֹתָ֛הּH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)18לְאַבְרָ֥םH87Abram, AbramsAbram19אִישָׁ֖הּH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)20ל֥וֹ21לְאִשָּֽׁהH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English
4En hij ging in tot Hagar, en zij ontving. Als zij nu zag, dat zij ontvangen had, zo werd haar vrouw veracht in haar ogen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4En hij gingH935 in totH413HagarH1904, en zij ontvingH2029. Als zij nu zagH7200, datH3588 zij ontvangenH2029 had, zo werd haar vrouwH1404verachtH7043 in haar ogenH5869.En hij ging in tot Hagar, en zij ontving. Als zij nu zag, dat zij ontvangen had, zo werd haar vrouw veracht in haar ogen.
KJVAnd he went in1unto Hagar,3and she conceived:4and when she saw5that she had conceived,7her mistress9was despised8in her eyes.
1וַיָּבֹ֥אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way2אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3הָגָ֖רH1904HagarHagar4וַתַּ֑הַרH2029bevrucht, zwanger, ontvangenbeen, be with child, conceive, progenitor5וַתֵּ֨רֶא֙H7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions6כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet7הָרָ֔תָהH2029bevrucht, zwanger, ontvangenbeen, be with child, conceive, progenitor8וַתֵּקַ֥לH7043lichter, vloeken, vloekteabate, make bright, bring into contempt, (ac-) curse, despise, (be) ease(-y, -ier), (be a, make, make somewhat, move, seem a, set) light(-en, -er, -ly, -ly afflict, -ly esteem, thing), [idiom] slight(-ly), be swift(-er), (be, be more, make, re-) vile, whet9גְּבִרְתָּ֖הּH1404vrouw, koninginlady, mistress10בְּעֵינֶֽיהָH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)
5Toen zeide Sarai tot Abram: Mijn ongelijk is op u; ik heb mijn dienstmaagd in uw schoot gegeven; nu zij ziet, dat zij ontvangen heeft, zo ben ik veracht in haar ogen; de HEERE rechte tussen mij en tussen u!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5Toen zeideH559SaraiH8297totH413AbramH87: Mijn ongelijkH2555 is opH5921 u; ikH595 heb mijn dienstmaagdH8198 in uw schootH2436gegevenH5414; nu zij zietH7200, datH3588 zij ontvangenH2029 heeft, zo ben ik verachtH7043 in haar ogenH5869; de HEEREH3068rechteH8199 tussen mij en tussen u!Toen zeide Sarai tot Abram: Mijn ongelijk is op u; ik heb mijn dienstmaagd in uw schoot gegeven; nu zij ziet, dat zij ontvangen heeft, zo ben ik veracht in haar ogen; de HEERE rechte tussen mij en tussen u!
KJVAnd Sarai2said1unto Abram,4My wrong5be upon thee: I have given8my maid9into thy bosom;10and when she saw11that she had conceived,13I was despised14in her eyes:15the LORD17judge
1וַתֹּ֨אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2שָׂרַ֣יH8297SaraiSarai3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4אַבְרָם֮H87Abram, AbramsAbram5חֲמָסִ֣יH2555geweld, gewelds, wrevelcruel(-ty), damage, false, injustice, [idiom] oppressor, unrighteous, violence (against, done), violent (dealing), wrong6עָלֶיךָ֒H5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with7אָנֹכִ֗יH595ik, mijI, me, [idiom] which8נָתַ֤תִּיH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield9שִׁפְחָתִי֙H8198dienstmaagd, dienstmaagden, maagden(bond-, hand-) maid(-en, -servant), wench, bondwoman, womanservant10בְּחֵיקֶ֔ךָH2436schoot, boezem, schootsbosom, bottom, lap, midst, within11וַתֵּ֨רֶא֙H7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions12כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet13הָרָ֔תָהH2029bevrucht, zwanger, ontvangenbeen, be with child, conceive, progenitor14וָאֵקַ֖לH7043lichter, vloeken, vloekteabate, make bright, bring into contempt, (ac-) curse, despise, (be) ease(-y, -ier), (be a, make, make somewhat, move, seem a, set) light(-en, -er, -ly, -ly afflict, -ly esteem, thing), [idiom] slight(-ly), be swift(-er), (be, be more, make, re-) vile, whet15בְּעֵינֶ֑יהָH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)16יִשְׁפֹּ֥טH8199richten, richtte, rechters[phrase] avenge, [idiom] that condemn, contend, defend, execute (judgment), (be a) judge(-ment), [idiom] needs, plead, reason, rule17יְהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)18בֵּינִ֥יH996tussenamong, asunder, at, between (-twixt...and), [phrase] from (the widest), [idiom] in, out of, whether (it be...or), within19וּבֵינֶֽיׄךָH996tussenamong, asunder, at, between (-twixt...and), [phrase] from (the widest), [idiom] in, out of, whether (it be...or), within
6En Abram zeide tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6En AbramH87zeideH559totH413SaraiH8297: ZieH2009 uw dienstmaagdH8198 is in uw handH3027; doeH6213 haar, wat goedH2896 is in uw ogenH5869. En SaraiH8297vernederdeH6031 haar, en zij vluchtteH1272 van haar aangezichtH6440.En Abram zeide tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht.
KJVBut Abram2said1unto Sarai,4Behold, thy maid6is in thy hand;7do8to her as it pleaseth thee.10And when Sarai13dealt hardly with12her, she fled14from her face.
7En de Engel des HEEREN vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op den weg van Sur.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7En de EngelH4397 des HEERENH3068vondH4672 haar aanH5921 een waterfonteinH5869 in de woestijnH4057, aanH5921 de fonteinH5869 op den wegH1870 van SurH7793.En de Engel des HEEREN vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op den weg van Sur.
KJVAnd the angel2of the LORD3found her1by a fountain5of water6in the wilderness,7by the fountain9in the way10to Shur.
1וַֽיִּמְצָאָ֞הּH4672gevonden, vinden, vond[phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on2מַלְאַ֧ךְH4397Engel, boden, engelambassador, angel, king, messenger3יְהוָ֛הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)4עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with5עֵ֥יןH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)6הַמַּ֖יִםH4325water, wateren, waters[phrase] piss, wasting, water(-ing, (-course, -flood, -spring))7בַּמִּדְבָּ֑רH4057woestijn, wildernis, spraakdesert, south, speech, wilderness8עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with9הָעַ֖יִןH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)10בְּדֶ֥רֶךְH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)11שֽׁוּרH7793SurShur
8En hij zeide: Hagar, gij, dienstmaagd van Sarai! van waar komt gij, en waar zult gij heengaan? En zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouw Sarai!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8En hij zeideH559: HagarH1904, gij, dienstmaagdH8198 van SaraiH8297! van waar komtH935 gij, en waar zult gij heengaanH3212? En zij zeideH559: IkH595 ben vluchtendeH1272 van het aangezichtH6440 mijner vrouwH1404SaraiH8297!En hij zeide: Hagar, gij, dienstmaagd van Sarai! van waar komt gij, en waar zult gij heengaan? En zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouw Sarai!
KJVAnd he said,1Hagar,2Sarai's4maid,3whence5camest thou?7and whither wilt thou go?9And she said,10I flee15from the face11of my mistress13Sarai.
1וַיֹּאמַ֗רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2הָגָ֞רH1904HagarHagar3שִׁפְחַ֥תH8198dienstmaagd, dienstmaagden, maagden(bond-, hand-) maid(-en, -servant), wench, bondwoman, womanservant4שָׂרַ֛יH8297SaraiSarai5אֵֽיH335waar?; hoe?how, what, whence, where, whether, which (way)6מִזֶּ֥הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)7בָ֖אתH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way8וְאָ֣נָהH575Hoe, waarhenen, lang[phrase] any (no) whither, now, where, whither(-soever)9תֵלֵ֑כִיH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak10וַתֹּ֕אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet11מִפְּנֵי֙H6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you12שָׂרַ֣יH8297SaraiSarai13גְּבִרְתִּ֔יH1404vrouw, koninginlady, mistress14אָנֹכִ֖יH595ik, mijI, me, [idiom] which15בֹּרַֽחַתH1272vluchtte, vlood, gevlodenchase (away); drive away, fain, flee (away), put to flight, make haste, reach, run away, shoot
9Toen zeide de Engel des HEEREN tot haar: Keer weder tot uw vrouw, en verneder u onder haar handen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9Toen zeideH559 de EngelH4397 des HEERENH3068 tot haar: Keer weder totH413 uw vrouwH1404, en vernederH6031 u onderH8478 haar handenH3027.Toen zeide de Engel des HEEREN tot haar: Keer weder tot uw vrouw, en verneder u onder haar handen.
KJVAnd the angel3of the LORD4said1unto her, Return5to thy mistress,7and submit8thyself under her hands.
1וַיֹּ֤אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2לָהּ֙3מַלְאַ֣ךְH4397Engel, boden, engelambassador, angel, king, messenger4יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5שׁ֖וּבִיH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw6אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)7גְּבִרְתֵּ֑ךְH1404vrouw, koninginlady, mistress8וְהִתְעַנִּ֖יH6031verootmoedigen, verdrukt, verkrachtabase self, afflict(-ion, self), answer (by mistake for H6030 (עָנָה)), chasten self, deal hardly with, defile, exercise, force, gentleness, humble (self), hurt, ravish, sing (by mistake for H6030 (עָנָה)), speak (by mistake for H6030 (עָנָה)), submit self, weaken, [idiom] in any wise9תַּ֥חַתH8478onder, plaats, vooras, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with10יָדֶֽיהָH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves
10Voorts zeide de Engel des HEEREN tot haar: Ik zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10Voorts zeideH559 de EngelH4397 des HEERENH3068 tot haar: Ik zal uw zaadH2233grotelijksH7235vermenigvuldigenH7235, zodat het vanwege de menigteH7230nietH3808 zal geteldH5608 worden.Voorts zeide de Engel des HEEREN tot haar: Ik zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden.
KJVAnd the angel3of the LORD4said1unto her, I will multiply5thy seed8exceedingly,6that it shall not be numbered10for multitude.
1וַיֹּ֤אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2לָהּ֙3מַלְאַ֣ךְH4397Engel, boden, engelambassador, angel, king, messenger4יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5הַרְבָּ֥הH7235veel, vermenigvuldigen, vermenigvuldigd(bring in) abundance ([idiom] -antly), [phrase] archer (by mistake for H7232 (רָבַב)), be in authority, bring up, [idiom] continue, enlarge, excel, exceeding(-ly), be full of, (be, make) great(-er, -ly, [idiom] -ness), grow up, heap, increase, be long, (be, give, have, make, use) many (a time), (any, be, give, give the, have) more (in number), (ask, be, be so, gather, over, take, yield) much (greater, more), (make to) multiply, nourish, plenty(-eous), [idiom] process (of time), sore, store, thoroughly, very6אַרְבֶּ֖הH7235veel, vermenigvuldigen, vermenigvuldigd(bring in) abundance ([idiom] -antly), [phrase] archer (by mistake for H7232 (רָבַב)), be in authority, bring up, [idiom] continue, enlarge, excel, exceeding(-ly), be full of, (be, make) great(-er, -ly, [idiom] -ness), grow up, heap, increase, be long, (be, give, have, make, use) many (a time), (any, be, give, give the, have) more (in number), (ask, be, be so, gather, over, take, yield) much (greater, more), (make to) multiply, nourish, plenty(-eous), [idiom] process (of time), sore, store, thoroughly, very7אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8זַרְעֵ֑ךְH2233zaad, zaads, zaadzaaiende[idiom] carnally, child, fruitful, seed(-time), sowing-time9וְלֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without10יִסָּפֵ֖רH5608schrijver, vertellen, tellencommune, (ac-) count; declare, number, [phrase] penknife, reckon, scribe, shew forth, speak, talk, tell (out), writer11מֵרֹֽבH7230menigte, veelheid, grootheidabundance(-antly), all, [idiom] common (sort), excellent, great(-ly, -ness, number), huge, be increased, long, many, more in number, most, much, multitude, plenty(-ifully), [idiom] very (age)
11Ook zeide des HEEREN Engel tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoon baren, en gij zult zijn naam Ismael noemen, omdat de HEERE uw verdrukking aangehoord heeft.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11Ook zeideH559 des HEERENH3068EngelH4397totH413 haar: ZieH2009, gij zijt zwangerH2030, en zult een zoonH1121barenH3205, en gij zult zijn naamH8034IsmaelH3458noemenH7121, omdatH3588 de HEEREH3068 uw verdrukkingH6040aangehoordH8085 heeft.Ook zeide des HEEREN Engel tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoon baren, en gij zult zijn naam Ismael noemen, omdat de HEERE uw verdrukking aangehoord heeft.
KJVAnd the angel3of the LORD4said1unto her, Behold,5thou art with child,6and shalt bear7a son,8and shalt call9his name10Ishmael;11because the LORD14hath heard13thy affliction.
1וַיֹּ֤אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2לָהּ֙3מַלְאַ֣ךְH4397Engel, boden, engelambassador, angel, king, messenger4יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5הִנָּ֥ךְH2009ziet, ziebehold, lo, see6הָרָ֖הH2030zwanger, zwangere, bevrucht(be, woman) with child, conceive, [idiom] great7וְיֹלַ֣דְתְּH3205gewon, baarde, geborenbear, beget, birth(-day), born, (make to) bring forth (children, young), bring up, calve, child, come, be delivered (of a child), time of delivery, gender, hatch, labour, (do the office of a) midwife, declare pedigrees, be the son of, (woman in, woman that) travail(-eth, -ing woman)8בֵּ֑ןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth9וְקָרָ֤אתH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say10שְׁמוֹ֙H8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report11יִשְׁמָעֵ֔אלH3458IsmaelIshmael12כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet13שָׁמַ֥עH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness14יְהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)15אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)16עָנְיֵֽךְH6040ellende, verdrukking, drukafflicted(-ion), trouble
12En hij zal een woudezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broederen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12En hijH1931 zal een woudezelH6501 van een mensH120 zijn; zijn handH3027 zal tegen allenH3605 zijn, en de handH3027 van allenH3605 tegen hem; en hij zal wonenH7931 voor het aangezichtH6440 van alH3605 zijn broederenH251.En hij zal een woudezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broederen.
KJVAnd he will be a wild3man;4his hand5will be against every man, and every man's hand7against him; and he shall dwell14in the presence11of all his brethren.
1וְה֤וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who2יִהְיֶה֙H1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use3פֶּ֣רֶאH6501woudezel, woudezels, woudezelenwild (ass)4אָדָ֔םH120mens, mensen, Adam[idiom] another, [phrase] hypocrite, [phrase] common sort, [idiom] low, man (mean, of low degree), person5יָד֣וֹH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves6בַכֹּ֔לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)7וְיַ֥דH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves8כֹּ֖לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)9בּ֑וֹ10וְעַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with11פְּנֵ֥יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you12כָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)13אֶחָ֖יוH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'14יִשְׁכֹּֽןH7931wonen, woont, woneabide, continue, (cause to, make to) dwell(-er), have habitation, inhabit, lay, place, (cause to) remain, rest, set (up)
13En zij noemde den Naam des HEEREN, Die tot haar sprak: Gij, God des aanziens! want zij zeide: Heb ik ook hier gezien naar Dien, Die mij aanziet?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13En zij noemdeH7121 den NaamH8034 des HEERENH3068, Die totH413 haar sprakH1696: GijH859, GodH410 des aanziensH7210! wantH3588 zij zeideH559: Heb ik ookH1571hierH1988gezienH7200 naar Dien, Die mij aanzietH7210?En zij noemde den Naam des HEEREN, Die tot haar sprak: Gij, God des aanziens! want zij zeide: Heb ik ook hier gezien naar Dien, Die mij aanziet?
KJVAnd she called1the name2of the LORD3that spake4unto her, Thou God7seest me:8for she said,10Have I also here12looked13after him14that seeth me?
1וַתִּקְרָ֤אH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say2שֵׁםH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report3יְהוָה֙H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)4הַדֹּבֵ֣רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work5אֵלֶ֔יהָH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)6אַתָּ֖הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you7אֵ֣לH410God, Gods, godGod (god), [idiom] goodly, [idiom] great, idol, might(-y one), power, strong. Compare names in '-el.'8רֳאִ֑יH7210aanzien, aanziens, aanzietgazingstock, look to, (that) see(-th)9כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet10אָֽמְרָ֗הH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet11הֲגַ֥םH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea12הֲלֹ֛םH1988hierhere, hither(-(to)), thither13רָאִ֖יתִיH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions14אַחֲרֵ֥יH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with15רֹאִֽיH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions
14Daarom noemde men dien put, den put Lachai-Roi; ziet, hij is tussen Kades en tussen Bered.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14DaaromH3651noemdeH7121 men dien put, den put Lachai-RoiH2416; zietH2009, hij is tussenH996KadesH6946 en tussenH996BeredH1260.Daarom noemde men dien put, den put Lachai-Roi; ziet, hij is tussen Kades en tussen Bered.
Ook in dit vers
putH875
putH883
KJVWherefore the well4was called3Beerlahairoi;5behold, it is between Kadesh10and Bered.
1עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with2כֵּן֙H3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you3קָרָ֣אH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say4לַבְּאֵ֔רH875put, puts, waterputpit, well5בְּאֵ֥רH883putBeer-lahai-roi6לַחַ֖יH883putBeer-lahai-roi7רֹאִ֑יH883putBeer-lahai-roi8הִנֵּ֥הH2009ziet, ziebehold, lo, see9בֵיןH996tussenamong, asunder, at, between (-twixt...and), [phrase] from (the widest), [idiom] in, out of, whether (it be...or), within10קָדֵ֖שׁH6946KadesKadesh. Compare H6947 (קָדֵשׁ בַּרְנֵעַ)11וּבֵ֥יןH996tussenamong, asunder, at, between (-twixt...and), [phrase] from (the widest), [idiom] in, out of, whether (it be...or), within12בָּֽרֶדH1260BeredBered
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
15En Hagar baarde Abram een zoon; en Abram noemde den naam zijns zoons, die Hagar gebaard had, Ismael.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15En HagarH1904baardeH3205AbramH87 een zoonH1121; en AbramH87noemdeH7121 den naamH8034 zijns zoonsH1121, dieH834HagarH1904gebaardH3205 had, IsmaelH3458.En Hagar baarde Abram een zoon; en Abram noemde den naam zijns zoons, die Hagar gebaard had, Ismael.
16En Abram was zes en tachtig jaren oud, toen Hagar Ismael aan Abram baarde.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16En AbramH87 was zesH8337 en tachtigH8084jarenH8141oudH1121, toen HagarH1904IsmaelH3458 aan AbramH87baardeH3205.En Abram was zes en tachtig jaren oud, toen Hagar Ismael aan Abram baarde.
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Genesis 16:1— Doch Sarai, Abrams huisvrouw, baarde hem niet; en zij had een Egyptische dienstmaagd, welker naam was Hagar.Galaten 4:24→Genesis 12:16→Genesis 15:2→Genesis 21:21→Lukas 1:36→Lukas 1:7→Genesis 21:9→Genesis 25:21→
Genesis 16:2— Zo zeide Sarai tot Abram: Zie toch, de HEERE heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Sarai.Genesis 17:16→Genesis 30:9→Genesis 18:10→Genesis 30:2→Psalmen 127:3→Genesis 3:12→Ruth 4:11→Exodus 21:4→
Genesis 16:3— Zo nam Sarai, Abrams huisvrouw, de Egyptische Hagar, haar dienstmaagd, ten einde van tien jaren, welke Abram in het land Kanaan gewoond had, en zij gaf haar aan Abram, haar man, hem tot een vrouw.Genesis 16:5→Genesis 12:4→Genesis 30:4→2 Samuël 5:13→Genesis 30:9→1 Koningen 11:3→Galaten 4:25→Genesis 25:6→
Genesis 16:4— En hij ging in tot Hagar, en zij ontving. Als zij nu zag, dat zij ontvangen had, zo werd haar vrouw veracht in haar ogen.Spreuken 30:20→Spreuken 30:23→2 Samuël 6:16→1 Korinthe 13:4→1 Samuël 1:6→1 Korinthe 4:6→
Genesis 16:5— Toen zeide Sarai tot Abram: Mijn ongelijk is op u; ik heb mijn dienstmaagd in uw schoot gegeven; nu zij ziet, dat zij ontvangen heeft, zo ben ik veracht in haar ogen; de HEERE rechte tussen mij en tussen u!Genesis 31:53→Exodus 5:21→1 Samuël 24:12→Lukas 10:40→Psalmen 35:23→Psalmen 43:1→Psalmen 7:8→2 Kronieken 24:22→
Genesis 16:6— En Abram zeide tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht.Psalmen 106:41→Spreuken 15:17→Genesis 24:10→Spreuken 15:1→Spreuken 29:19→1 Petrus 3:7→Genesis 13:8→Exodus 2:15→
Genesis 16:7— En de Engel des HEEREN vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op den weg van Sur.Genesis 25:18→Exodus 15:22→Genesis 22:11→Genesis 31:11→Genesis 20:1→1 Samuël 15:7→Genesis 22:15→Genesis 21:17→
Genesis 16:8— En hij zeide: Hagar, gij, dienstmaagd van Sarai! van waar komt gij, en waar zult gij heengaan? En zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouw Sarai!Genesis 3:9→Genesis 4:10→Prediker 10:4→1 Timotheüs 6:1→Jeremia 2:17→Genesis 16:4→Genesis 16:1→1 Samuël 26:19→
Genesis 16:9— Toen zeide de Engel des HEEREN tot haar: Keer weder tot uw vrouw, en verneder u onder haar handen.Prediker 10:4→1 Petrus 2:18→Titus 2:9→Efeze 5:21→1 Petrus 5:5→Efeze 6:5→
Genesis 16:10— Voorts zeide de Engel des HEEREN tot haar: Ik zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden.Genesis 17:20→Genesis 21:13→Genesis 22:15→Genesis 25:12→Johannes 1:18→Richteren 6:11→Genesis 21:18→Genesis 21:16→
Genesis 16:11— Ook zeide des HEEREN Engel tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoon baren, en gij zult zijn naam Ismael noemen, omdat de HEERE uw verdrukking aangehoord heeft.Exodus 3:7→Exodus 2:23→Lukas 1:13→Exodus 3:9→1 Samuël 1:20→Lukas 1:63→Genesis 17:19→Psalmen 22:24→
Genesis 16:12— En hij zal een woudezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broederen.Genesis 25:18→Job 39:5→Genesis 21:20→Genesis 27:40→Job 11:12→
Genesis 16:13— En zij noemde den Naam des HEEREN, Die tot haar sprak: Gij, God des aanziens! want zij zeide: Heb ik ook hier gezien naar Dien, Die mij aanziet?Genesis 32:30→Psalmen 139:1→Spreuken 15:3→Spreuken 5:21→Richteren 6:24→Genesis 16:9→Exodus 34:5→Genesis 31:42→
Genesis 16:14— Daarom noemde men dien put, den put Lachai-Roi; ziet, hij is tussen Kades en tussen Bered.Numeri 13:26→Genesis 24:62→Genesis 25:11→Genesis 21:31→Genesis 14:7→
Genesis 16:15— En Hagar baarde Abram een zoon; en Abram noemde den naam zijns zoons, die Hagar gebaard had, Ismael.Genesis 25:12→Genesis 37:27→Genesis 16:11→Genesis 17:18→Galaten 4:22→Genesis 21:9→1 Kronieken 1:28→Genesis 17:20→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Genesis 16 vers 2— Zo zeide Sarai tot Abram: Zie toch, de HEERE heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Sarai.
toegesloten,
Dat is, onvruchtbaar gemaakt. Verg. onder, hoofdstuk Gen. 20:18.
Hertaald:toegesloten,
Dat is: onvruchtbaar gemaakt. Vergelijk Gen. 20:18.
ga toch
Zie boven Gen. 6:4; zo ook onder vs.4. Sarai aan eigen lijfsvrucht wanhopende, en nochtans naar het beloofde zaad hartelijk verlangende, vergeet zichzelve zover, dat zij, zonder God te vragen, haar man raadt door dit middel, dat wel in dien tijd algemeen, maar tegen de eerste instelling des huwelijks strijdig was, de vervulling van Gods belofte te verzoeken.
Hertaald:ga toch
Zie Gen. 6:4; zo ook in vers 4. Sarai, wanhopend aan haar eigen vruchtbaarheid maar toch vurig verlangend naar het beloofde nageslacht, vergeet zichzelf zover dat zij, zonder God te raadplegen, haar man aanraadt om via een middel dat weliswaar in die tijd algemeen gebruikelijk was, maar tegen de oorspronkelijke instelling van het huwelijk inging, de vervulling van Gods belofte te bespoedigen.
misschien
Zo deed dan Sarai dit om te beproeven of Abram uit Hagar een zoon zou bekomen, dien zij voor haar eigen mocht houden, als uit hare maagd in haar huis haar geboren. Zie onder Gen. 30:3; Ex. 21:4.
Hertaald:misschien
Sarai deed dit om te kijken of Abram uit Hagar een zoon zou krijgen die zij als de hare kon beschouwen, alsof deze uit haar dienstmaagd in haar eigen huis geboren was. Zie Gen. 30:3; Ex. 21:4.
gebouwd
De manier van spreken, bouwen, of het huis bouwen, vindt men ook onder, Gen. 30:3; Ruth 4:11; Deut. 25:9; zij betekent het geslacht onderhouden en uitbreiden.
Hertaald:gebouwd
De uitdrukking 'bouwen', of 'het huis bouwen', komt ook voor in Gen. 30:3; Ruth 4:11; Deut. 25:9; het betekent het nageslacht onderhouden en uitbreiden.
Abram hoord
Abram, zonder God, wiens belofte dit aanging, eens te vragen, laat zich van Sarai, niet door onkuisen lust, maar om de redenen die zij voortbracht, en die hem mede ter harte gingen, overreden; te meer, omdat het hem nog verborgen was, of het beloofde zaad hem uit Sarai, of uit een andere zou geboren worden.
Hertaald:Abram hoord
Abram, zonder God — wiens belofte dit toch betrof — te raadplegen, laat zich door Sarai overreden, niet uit onkuise begeerte maar vanwege de redenen die zij aandroeg en die hem ook raakten; temeer omdat het hem nog onbekend was of het beloofde nageslacht uit Sarai of uit een ander zou geboren worden.
Genesis 16 vers 3— Zo nam Sarai, Abrams huisvrouw, de Egyptische Hagar, haar dienstmaagd, ten einde van tien jaren, welke Abram in het land Kanaan gewoond had, en zij gaf haar aan Abram, haar man, hem tot een vrouw.
ten einde
Te weten, nadat hij uit Haran gescheiden, en in het land Kanaän gekomen was.
Hertaald:ten einde
Namelijk: nadat hij uit Haran vertrokken en in het land Kanaän aangekomen was.
zij gaf
Misbruikende de macht [die zij overigens had] over haar dienstmaagd en het lichaam van haar man, 1 Kor. 7:4.
Hertaald:zij gaf
Door misbruik te maken van de macht [die zij overigens had] over haar dienstmaagd en het lichaam van haar man, 1 Kor. 7:4.
hem tot
Versta, ene vrouw, zijnde van minder waardigheid dan de eerste, daar Hagar dienstmaagd en onder het gebied van haar vrouwe Sarai bleef, vs.4, 8,9. Zie voorts van dusdanige bijvrouwen onder Gen. 25:6, en Gen. 30:3, Gen. 30:9. Omtrent de geestelijke beduiding van dit huwelijk, zie Gal. 4:22, enz.
Hertaald:hem tot
Namelijk: een vrouw van mindere rang dan de eerste, aangezien Hagar dienstmaagd bleef, onder het gezag van haar meesteres Sarai, vers 4, 8, 9. Zie verder over dergelijke bijvrouwen Gen. 25:6, en Gen. 30:3, Gen. 30:9. Over de geestelijke betekenis van dit huwelijk, zie Gal. 4:22, enz.
Genesis 16 vers 4— En hij ging in tot Hagar, en zij ontving. Als zij nu zag, dat zij ontvangen had, zo werd haar vrouw veracht in haar ogen.
veracht in
Hebr. licht, dat is, klein geacht.
Hertaald:veracht in
Hebreeuws: licht, dat is: gering geacht.
Genesis 16 vers 5— Toen zeide Sarai tot Abram: Mijn ongelijk is op u; ik heb mijn dienstmaagd in uw schoot gegeven; nu zij ziet, dat zij ontvangen heeft, zo ben ik veracht in haar ogen; de HEERE rechte tussen mij en tussen u!
Mijn ongelijk
Dat is, het ongelijk, dat mij wordt aangedaan. Dit heeft Sarai gesproken uit ongeduld.
Hertaald:Mijn ongelijk
Dat is: het onrecht dat mij wordt aangedaan. Dit zei Sarai uit ongeduld.
is op u;
Of, om u, om uwentwille, het is u toe te rekenen, omdat gij wel merkt dat Hagar mij versmaadt, en gij haar daarover niet bestraft.
Hertaald:is op u;
Of: om u, om uwentwil, het is aan u toe te rekenen, omdat u wel merkt dat Hagar mij versmaadt, en u haar daarover niet bestraft.
HEERE
Uit zwakheid beveelt zij de zaad aan Gods oordeel, mits Hij straffe dengene die ongelijk heeft, zo hij daarin niet voorziet. Vergelijk 1 Sam. 24:13, 1 Sam. 24:16.
Hertaald:HEERE
Uit zwakheid legt zij de zaak aan Gods oordeel voor, opdat Hij degene die ongelijk heeft zou straffen, als hij het zelf niet zou rechtzetten. Vergelijk 1 Sam. 24:13, 1 Sam. 24:16.
Genesis 16 vers 6— En Abram zeide tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht.
in uw hand
Dat is, in uw geweld, onder uw gebied of macht, gelijk ook, Gen. 24:10, en hoofdstuk Gen. 39:4, Gen. 39:6, Gen. 39:8; Num. 31:49; Joz. 9:25; 1 Sam. 14:48; 2 Kon. 8:20. Abram wil zeggen: Ofschoon ik haar tot een tweede vrouw genomen heb, zo heb ik haar nochtans aan uw gebied niet onttrokken; daarom, zo zij misdoet, gebruik uw recht, als over ene die onder u staat.
Hertaald:in uw hand
Dat is: in uw macht, onder uw gezag of bevoegdheid, zoals ook Gen. 24:10, en Gen. 39:4, Gen. 39:6, Gen. 39:8; Num. 31:49; Joz. 9:25; 1 Sam. 14:48; 2 Kon. 8:20. Abram bedoelt: hoewel ik haar als tweede vrouw genomen heb, heb ik haar toch niet aan uw gezag onttrokken; dus, als zij verkeerd handelt, gebruik uw recht, als over iemand die onder u staat.
Genesis 16 vers 7— En de Engel des HEEREN vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op den weg van Sur.
de engel
Dat is, het hoofd der engelen, de Heere Christus, die daarom ook HEERE genoemd wordt, vs.13, en Gen. 18:26, Gen. 18:33; Richt. 6:14, en Richt. 13:19, Richt. 13:22.
Hertaald:de engel
Dat is: het hoofd van de engelen, de Heere Christus, die daarom ook HEERE genoemd wordt, vers 13, en Gen. 18:26, Gen. 18:33; Richt. 6:14, en Richt. 13:19, Richt. 13:22.
vond haar
Dit woordje drukt uit het wakende oog des Heeren over deze dwalende en bedroefde Hagar.
Hertaald:vond haar
Dit woordje drukt het wakende oog van de HEERE uit over deze dwalende en bedroefde Hagar.
Sur
Hebr. Schur. Vanwaar men ging naar Egypte, waarvan zij was; zie onder Gen. 25:18; Ex. 15:22; en 1 Sam. 15:7.
Hertaald:Sur
Hebreeuws: Schur. Vanwaar men naar Egypte ging, waar zij vandaan was; zie Gen. 25:18; Ex. 15:22; en 1 Sam. 15:7.
Genesis 16 vers 10— Voorts zeide de Engel des HEEREN tot haar: Ik zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden.
Ik zal uw
Hier wordt den engel een Goddelijk werk toegeschreven, waaruit men verstaan kan, dat hij niet een schepsel, maar de Schepper zelf is.
Hertaald:Ik zal uw
Hier wordt aan de engel een goddelijk werk toegeschreven, waaruit men kan begrijpen dat hij niet een schepsel, maar de Schepper zelf is.
grotelijks
Hebr. vermenigvuldigende vermenigvuldigen. Deze lichamelijke zegen is te onderscheiden van den geestelijken, welke bleef bij het zaad der belofte.
Hertaald:grotelijks
Hebreeuws: vermenigvuldigend vermenigvuldigen. Deze lichamelijke zegen is te onderscheiden van de geestelijke, die bij het zaad van de belofte bleef.
Genesis 16 vers 11— Ook zeide des HEEREN Engel tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoon baren, en gij zult zijn naam Ismael noemen, omdat de HEERE uw verdrukking aangehoord heeft.
uw verdrukking
Hebr. naar uw ellende gehoord heeft.
Hertaald:uw verdrukking
Hebreeuws: naar uw ellende gehoord heeft.
Genesis 16 vers 12— En hij zal een woudezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broederen.
woudezel
Dat is een wild, woest mens, gelijk een wilde of woudezel, daaronder begrepen dat hij zou zijn een onversaagd en vreeslijk krijgsman. Zie onder, hoofdstuk Gen. 21:20.
Hertaald:woudezel
Dat is: een wild, woest mens, zoals een wilde of woudezel, waarmee bedoeld wordt dat hij een onversaagd en gevreesd krijgsman zou zijn. Zie Gen. 21:20.
zijn hand zal
Dat is, tot vechten en oorlogen zal hij ieder tergen, en zal ook daarom door anderen getergd worden. Versta dit niet alleen van zijn persoon, maar ook van zijn nakomelingen.
Hertaald:zijn hand zal
Dat is: tot vechten en oorlogvoeren zal hij iedereen tarten, en zal daarom ook door anderen getart worden. Dit slaat niet alleen op zijn persoon, maar ook op zijn nakomelingen.
en hij zal wonen
De zin is, dat hij de grenzen zijner woning wijd en breed zou uitspreiden, tot onder zijn maagschap, die hij niet zou vrezen, maar haar stoutelijk het aangezicht bieden. Zie onder, Gen. 25:18.
Hertaald:en hij zal wonen
De betekenis is dat hij de grenzen van zijn woongebied wijd en breed zou uitspreiden, zelfs tegenover zijn verwanten, die hij niet zou vrezen maar vrijmoedig zou trotseren. Zie Gen. 25:18.
Genesis 16 vers 13— En zij noemde den Naam des HEEREN, Die tot haar sprak: Gij, God des aanziens! want zij zeide: Heb ik ook hier gezien naar Dien, Die mij aanziet?
naam des HEEREN,
Hier wordt de voornoemde engel uitdrukkelijk JHWH, de HEERE, genoemd. Verg. boven vs.7.
Hertaald:naam des HEEREN,
Hier wordt de eerder genoemde engel uitdrukkelijk JHWH, de HEERE, genoemd. Vergelijk vers 7.
Gij God
Dat is, die alle dingen ziet, en mij nu ook in deze mijn zware ellende ten goede aangezien hebt, mij op den rechten weg helpende en vertroostende.
Hertaald:Gij God
Dat is: die alles ziet, en mij nu ook in deze zware ellende goedgunstig hebt aangezien, mij op de rechte weg helpend en vertroostend.
Heb ik ook
Dat is, is het geen wonder, dat ik hier nu nog het licht aanschouw, en in het leven ben, nadat Hij mij verschenen is, die naar mij in dezen mijn bedrukten staat omgezien heeft? Zij meende dat zij sterven zou, omdat zij den Heere gezien had. Verg. onder Gen. 32:30; Ex. 24:11; Richt. 13:22.
Hertaald:Heb ik ook
Dat is: is het geen wonder dat ik hier nu nog leef, nadat Hij aan mij verschenen is, die naar mij in mijn benarde toestand omgezien heeft? Zij dacht dat zij zou sterven, omdat zij de HEERE gezien had. Vergelijk Gen. 32:30; Ex. 24:11; Richt. 13:22.
Genesis 16 vers 14— Daarom noemde men dien put, den put Lachai-Roi; ziet, hij is tussen Kades en tussen Bered.
Lachai-Róï;
Dat is, des levenden die mij ziet. Zij noemde den put naar zichzelve, omdat zij in het leven gebleven was, nadat zij den Heere gezien had; en ook naar den Heere, omdat Hij haar gunstig aangezien had; doch anderen menen dat beide benamingen op God zien, die leeft en alles ziet.
Hertaald:Lachai-Róï;
Dat is: van de Levende die mij ziet. Zij noemde de put naar zichzelf, omdat zij in leven gebleven was nadat zij de HEERE gezien had, en ook naar de HEERE, omdat Hij haar genadig had aangezien; anderen menen echter dat beide namen op God slaan, die leeft en alles ziet.
Kades
Zie boven Gen. 14:7, en de aant.
Hertaald:Kades
Zie Gen. 14:7, en de aantekening daar.
Genesis 16 vers 15— En Hagar baarde Abram een zoon; en Abram noemde den naam zijns zoons, die Hagar gebaard had, Ismael.
Ismaël.
Ontwijfelbaar door Hagar onderricht zijnde, dat God den naam van het kind aldus genoemd had; zie vs.11.
Hertaald:Ismaël.
Ongetwijfeld doordat Hagar verteld had dat God het kind zo genoemd had; zie vers 11.
Genesis 16 vers 16— En Abram was zes en tachtig jaren oud, toen Hagar Ismael aan Abram baarde.
was zes en tachtig
Hebr. een zoon van tachtig jaren en zes jaren, alzo in het eerste Gen. 17:1, van het volgende hoofdstuk.
Hertaald:was zes en tachtig
Hebreeuws: een zoon van tachtig jaar en zes jaar, zo ook in het begin van Gen. 17:1, het volgende hoofdstuk.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Abram — verheven vader
De zoon van Terah, vóór zijn oudere broers Nahor en Haran genoemd (Gen. 11:27) omdat hij de erfgenaam van de beloften was. Op zeventigjarige leeftijd verliet hij met zijn familie Ur der Chaldeeën; later, na de dood van zijn vader in Haran, ontving hij van de HEERE de roeping om naar het onbekende land Kanaän te trekken, 'niet wetende waar hij komen zou' (Hebr. 11:8). Later zou zijn naam veranderd worden in Abraham (Gen. 17:4-5).
Sarai — mijn vorstin
De vrouw en tegelijk halfzuster van Abram (Gen. 11:29; 20:12). Onder deze naam wordt zij voor het eerst genoemd; later, bij de instelling van het verbond der besnijdenis, zou haar naam veranderd worden in Sarah, 'vorstin' (Gen. 17:15), toen haar werd beloofd dat zij, ondanks haar hoge leeftijd, de moeder van de beloofde zoon zou worden.
Hagar — vlucht; ook wel: vreemdelinge
De Egyptische slavin van Sarai, die haar aan Abram tot bijvrouw gaf omdat zijzelf onvruchtbaar was (Gen. 16:1-3). Toen zij zwanger was, werd zij hoogmoedig tegen haar meesteres en vluchtte na Sarais hardheid de woestijn in, waar de Engel des HEEREN haar bij een waterbron aantrof en haar beval terug te keren, met de belofte dat haar zoon een zeer talrijk nageslacht zou krijgen. Later, na de geboorte van Izak, werd zij met haar zoon Ismaël definitief weggezonden (Gen. 21).
Ismaël — God hoort
De zoon van Abram en Hagar, geboren toen Abram zesentachtig jaar oud was (Gen. 16:15-16). Zijn naam verwijst naar de woorden van de Engel tot Hagar: 'de HEERE heeft uw verdrukking aangehoord.' Hij groeide op als een 'woudezel van een mens', werd op dertienjarige leeftijd besneden (Gen. 17:25), en werd, na de geboorte van Izak, met zijn moeder weggezonden. Hij vestigde zich in de woestijn Paran en werd de stamvader van twaalf vorsten, de Ismaëlieten.
Kanaän — onderworpene, vernederde
De jongste zoon van Cham en kleinzoon van Noach (Gen. 9:18, 22). Om de zonde van zijn vader Cham tegenover Noach werd niet Cham, maar Kanaän door Noach vervloekt: 'een knecht der knechten zij hij zijn broederen.' Naar hem is het land Kanaän genoemd, dat later door de Israëlieten in bezit genomen zou worden.
Bijbelse PlaatsenPlaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Egypte — in de Bijbel doorgaans Mizraïm genoemd — een tweevoudsvorm (dual) in het Hebreeuws, die wijst op de twee natuurlijke delen van het land: Beneden-Egypte (de Delta) en Boven-Egypte
Ligging: Gelegen in het noordoosten van Afrika, begrensd door de Middellandse Zee in het noorden, Palestina/Arabië en de Rode Zee in het oosten, Nubië in het zuiden en de grote woestijn in het westen; het bewoonbare land beperkt zich vrijwel geheel tot de smalle, vruchtbare Nijlvallei en de waaiervormige Delta.
Geschiedenis: Een van de oudste beschaafde koninkrijken die de geschiedenis kent, wiens taal (in zijn laatste vorm het Koptisch) van verre verwant is aan de Semitische talen. In Genesis 12 vlucht Abram, gedreven door hongersnood, naar Egypte; hij wordt er gastvrij ontvangen, maar dit gaat gepaard met gevaar voor de eer van zijn vrouw Sarai, die de farao naar zijn hof laat halen (Gen. 12:10-20) — een patroon dat zich later, in andere vorm, herhaalt in de geschiedenis van Jozef en van het volk Israël in de tijd van de uittocht.
Bijbelse betekenis: Door de hele Bijbel heen vervult Egypte een dubbele rol: het is zowel een toevluchtsoord in tijden van nood als een plaats van verdrukking waaruit God Zijn volk moet uitleiden — een spanning die al hier, bij Abram, voor het eerst zichtbaar wordt.
Gen. 12:10-20; en talrijke latere verwijzingen door de hele Schrift heen
Sur — Hebreeuws voor "muur"; verwijst mogelijk naar de bergwand van het Tih-plateau, die vanaf de kustvlakte gezien als een muur oprijst
Ligging: Een woestijn ten oosten van de Golf van Suez, tegenover Egypte, op de weg naar Assyrië (Gen. 25:18).
Geschiedenis: Hierheen vluchtte Hagar, de Egyptische slavin van Sarai, toen zij voor haar meesteres wegvluchtte; onderweg, bij een bron "op de weg naar Sur", ontmoette de Engel des HEEREN haar (Gen. 16:7). Abraham woonde later "tussen Kades en Sur" (Gen. 20:1). Na de doortocht door de Schelfzee trokken de Israëlieten de woestijn Sur in, die zich drie dagreizen ver naar het zuiden uitstrekte (Ex. 15:22).
Bijbelse betekenis: De plaats waar Hagar, gevlucht en radeloos, als eerste mens in de Bijbel de HEERE een naam geeft: "Gij, God, ziet mij" — een aanwijzing dat Gods zorg zich ook uitstrekt tot wie buiten het verbondsvolk lijkt te vallen.
Gen. 16:7; 20:1; 25:18; Ex. 15:22; 1 Sam. 15:7; 27:8
Beer-Lahai-Roi — Hebreeuws beër lachai roï, "put van de Levende, Die mij ziet" — de naam die Hagar zelf aan de bron gaf, nadat zij daar de HEERE "Gij, God, ziet mij" had genoemd
Ligging: Een bron in de woestijn, "op de weg naar Sur", gelegen tussen Kades en Bered, in het Zuiderland (Negeb).
Geschiedenis: Hier verscheen de Engel des HEEREN aan de gevluchte Hagar met de belofte dat haar nageslacht zeer talrijk zou worden en dat haar zoon Ismaël genoemd zou worden (Gen. 16:7-14). Later woonde Izak een tijd in de omgeving van deze bron (Gen. 24:62; 25:11).
Bijbelse betekenis: De plaats waar voor het eerst in de Schrift een mens de HEERE een naam geeft, als antwoord op de ervaring gezien en gekend te zijn door God in de diepste verlatenheid.
Christus in dit hoofdstukHeenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De Engel des HEERENniveau 2Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsenfunctie
De God Die haar zag in de woestijn — 16:7-14
Hagar is de eerste mens in de Bijbel die wegloopt. Zij is een Egyptische slavin in het huis van Abram. Zij draagt een kind dat haar meesteres zelf bedacht heeft en dat haar meesteres nu haat. En zij slaat de woestijn in langs de weg naar Sur — de weg terug naar Egypte. Niemand roept haar na.
Een weggelopen slavin krijgt bezoek van de Engel des HEEREN, en zij wordt de eerste mens in de Schrift die God een naam geeft.
Er staat een klein werkwoord in het zevende vers waar de kanttekening bij stilstaat: “En de Engel des HEEREN vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op den weg van Sur.” Dat woordje vond drukt volgens de kanttekening het wakende oog van de HEERE uit over deze dwalende en bedroefde vrouw. Zij was voor iedereen zoek, maar niet voor Hem.
Wie is deze Engel? De kanttekening antwoordt zonder omhaal: het hoofd van de engelen, de Heere Christus, Die daarom ook HEERE genoemd wordt. Drie dingen in het hoofdstuk zelf dwingen tot die uitleg. Hij belooft haar iets dat een bode namens een ander nooit beloven kan: “Ik zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen.” Hier wordt aan de engel een goddelijk werk toegeschreven, merkt de kanttekening op, waaruit men kan begrijpen dat Hij geen schepsel is maar de Schepper Zelf. Hij weet bovendien wat er van het ongeboren kind worden zal. En wanneer Hagar Hem antwoordt, noemt de Schrift Hem niet langer de Engel maar de HEERE.
Dat derde is het grootste. Zij noemt Hem: “Gij, God des aanziens!” Dat wil zeggen: Hij Die alles ziet, en Die mij nu ook in deze zware ellende goedgunstig heeft aangezien. Daarna vraagt zij zich verwonderd af of zij hier werkelijk nog leeft nadat zij Hem gezien heeft, want dat had zij niet verwacht. De put draagt sindsdien haar verwondering als naam: Lachai-Roi, de put van de Levende Die mij ziet.
Hier ligt de lijn naar het Evangelie open. Johannes schrijft dat niemand ooit God gezien heeft, en dat de eniggeboren Zoon Hem ons verklaard heeft. Er is dus een zien van God waaraan een mens sterft, en er is een zien van God waardoor een mens leeft; het onderscheid tussen die twee is de Zoon. Hagar heeft die dag aan de goede kant van dat onderscheid gestaan zonder het te kunnen benoemen.
Wat Hij haar vervolgens opdraagt is opmerkelijk. Hij zegt niet dat zij verder mag lopen, maar: keer weder tot uw vrouw. Hij haalt haar niet uit haar leven weg, Hij stuurt haar erin terug met een belofte in haar handen. Zo gaat de God Die ziet om met een mens die gezien is.
Genesis 16:7 — De Engel des HEEREN vindt een weggelopen slavin bij een bron in de woestijn.
Genesis 16:10 — Hij belooft wat alleen God beloven kan: haar zaad te vermenigvuldigen.
Genesis 16:13 — Zij noemt Hem de HEERE en geeft Hem een naam: Gij, God des aanziens.
Exodus 3:2-6 — Dezelfde Engel spreekt uit het braambos als de God van Abraham, Izak en Jakob.
Johannes 1:18 — Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon heeft Hem ons verklaard.
Johannes 4:29 — Weer een vrouw buiten Israël, weer bij een bron, weer doorzien en niet verstoten.
In het Nieuwe Testament: Johannes 1:18; Johannes 4:29; Exodus 3:2-6; Galaten 4:24-25
Hoever dit reikt: Het Nieuwe Testament haalt Genesis 16 niet aan om deze Engel als Christus aan te wijzen. Wat wél vaststaat is dat de Schrift Hem in vers 13 zelf de HEERE noemt, Hem een goddelijk werk toeschrijft en Hem laat spreken als God. Dat Hij daarom de Zoon is en niet de Vader, is de gevolgtrekking van de kanttekenaars uit alle plaatsen waar deze Engel optreedt. Het is dus een sterk onderbouwde uitleg en geen woordelijke uitspraak van de Schrift zelf.
Wat betekenen de niveaus?
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.
Genesis 16:1.KruisverwijzingenGalaten 4:24→Genesis 12:16→Genesis 15:2→Genesis 21:21→Lukas 1:36→Lukas 1:7→Genesis 21:9→Genesis 25:21→ — Doch Sarai, Abrams huisvrouw, baarde hem niet; en zij had een Egyptische dienstmaagd, welker naam was Hagar. “En zij had een Egyptische dienstmaagd, welker naam was Hagar.” Hagar had vele jaren in het huis van Abraham gewoond. Dat was geen gering voorrecht. Terwijl de rest van de wereld nog in het heidendom verkeerde, straalde het licht van God helder in de tent van Abraham. Abraham was niet alleen zelf een aanbidder van de Allerhoogste God, maar hij droeg ook zijn hele huis op om Hem te aanbidden. Wij mogen er zeker van zijn dat er gezinsbijeenkomsten werden gehouden voor de godsdienstoefening, waarin de aartsvader zowel door onderwijs als door zijn voorbeeld de kennis van de ware God overdroeg aan allen die in zijn dienst stonden. Hij bevond zich in het middelpunt van Gods licht in de wereld, terwijl rondom hem de diepe duisternis van het heidendom heerste.
Genesis 16:6-7.KruisverwijzingenGenesis 25:18→Exodus 15:22→Psalmen 106:41→Spreuken 15:17→Genesis 24:10→Spreuken 15:1→Spreuken 29:19→1 Petrus 3:7→ — En Abram zeide tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht. En de Engel des HEEREN vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op den weg van Sur. “Gij, God des aanziens!” Verdriet heeft een welsprekende stem wanneer barmhartigheid de luisteraar is. Ik meen haar daar te zien: haar ogen rood van het huilen, haar geest gebroken door de ontberingen van haar reis. Even zit zij neer om uit te rusten en weer op krachten te komen, vastbesloten niet toe te geven en nooit meer terug te keren. Maar vervolgens huivert zij opnieuw voor de duisternis die vóór haar ligt en vreest zij verder te gaan. In die toestand ontmoette God haar. In elk opzicht was zij een eenzame en verstoten vrouw. Zij had de enige plaats verlaten waar zij nog onderdak had kunnen vinden. Zij was de woestijn ingetrokken, zonder vader, zonder moeder, zonder broer of zuster die voor haar zorgden. Zij had zich afgekeerd van degenen die nog enige belangstelling voor haar hadden, en nu was zij helemaal alleen – alleen, alleen in een woestijnland, zonder een oog dat medelijden had of een hand die haar hielp. Juist onder die bijzondere omstandigheden, waarin beproeving en zonde met elkaar verweven waren, ontmoette God haar.
Genesis 16:13.KruisverwijzingenGenesis 32:30→Psalmen 139:1→Spreuken 15:3→Spreuken 5:21→Richteren 6:24→Genesis 16:9→Exodus 34:5→Genesis 31:42→ — En zij noemde den Naam des HEEREN, Die tot haar sprak: Gij, God des aanziens! want zij zeide: Heb ik ook hier gezien naar Dien, Die mij aanziet? “Gij, God, ziet mij.“ Toen drong tot haar door wat zij misschien al eerder had gehoord, maar nooit werkelijk had gevoeld. “Er is een God. God is niet een ongrijpbare Gestalte ver weg, Die niets met mij te maken heeft, maar God is hier, hier, en Hij ziet mij. God bemoeit Zich met mij – niet ver weg, niet slapend en niet blind – maar God ziet mij.” O, wat is het heerlijk wanneer die overtuiging in de ziel doorbreekt: “Ik ben niet alleen, ik sta er niet helemaal alleen voor. Er is een God, een God Die mij ziet en Zich zo met mij bezighoudt dat Hij tot mij spreekt.”
Saraï geeft haar dienstmaagd Hagar aan Abram tot een bijvrouw, om uit haar gebouwd te worden: deze wordt zwanger, verheft zich daarom boven haar meesteres en gaat, als zij daarom gestraft wordt, op de vlucht.
1. Doch Saraï, Abram’s vrouw, die reeds bij haar verblijf in Kanaän voor onvruchtbaar werd behouden (hoofdstuk. 11:30), baarde, ook de eerste vijf jaar na het gezicht, waarin aan Abram een erfgenaam beloofd was (hoofdstuk 15:4), hem niet. Toen gaf zij ten laatste de hoop op, om nog moeder te worden; en zij had een Egyptische dienstmaagd (zie “Ge 12.16), wier naam was Hagar (vlucht).
2. Zo zei Saraï tot Abram: 1) Zie toch, de HEERE 2) heeft wel aan u een zoon beloofd, die uit uw lijf voortkomen zal, maar van mij heeft Hij niet gezegd dat ik de moeder daarvan zal zijn; integendeel, gelijk duidelijk blijkt, heeft Hij mij toegesloten, dat ik niet bare. Waarom zou ik langer de vervulling van de goddelijke belofte in de weg staan? 3) Ga toch in tot mijn dienstmaagd: doe als de andere mannen en neem u een bijvrouw; 4) ik zelf zal u mijn dienstmaagd daartoe geven; misschien zal ik uit haar gebouwd worden; 5) misschien behaagt het de Heere haar een kind te schenken; dat zou dan, omdat zij mijn lijfeigene is, niet haar, maar mijn kind heten, en ik zou daardoor een zoon, een erfgenaam verkrijgen. En Abram 6) antwoordde haar niet: Laat ons de Heere niet vooruitlopen, noch de Almachtige trachten te hulp te komen; laat ons wachten, wat Hij doen zal. Gelijk eens Adam, zo liet zich ook Abram door de vrouw verleiden, om het door haar aangebodene aan te nemen, en hij hoorde naar de stem van Saraï. Hij beschouwde haar voorstel als goed; die was ook goed gemeend; voor Saraï was dit voorstel een zelfverloochening, hoewel het inderdaad zondig was. (Galaten. 3:3).
1) Bij alle heidense volken, ook bij de meest beschaafde in de oudheid werden de vrouwen als slavinnen behandeld; bij de vrouwen van de Heilige Schrift zien wij duidelijk de invloed van de vreze Gods in de toestand van de vrouw; zij zijn geen slavinnen van de man, maar, hoewel hem onderworpen, staan zij als vrije naast hem. Saraï spreekt altijd op de toon van vrijheid en van onafhankelijkheid. Het is haar welbehagen, dat zij Hagar aan Abram geeft; het is haarbelang, het is haar eer, die zij wil handhaven.
2) Alles te beschouwen als komende van God, zowel het kwade als het goede Jesaja 45:7 Amos.3:6 ), is een teken van godsvrucht. Wij mochten wel wat meer de vinger Gods zien, daar waar Hij geeft of ontneemt, waar wij verblijd zijn of treuren.
3) Niet slechts het doel, maar ook het middel moet aan God overgelaten worden (Rom.11:36). Saraï vergeet de Heere niet; zij gelooft Zijn beloften, maar zij wil haar eigen weg gaan om de belofte vervuld te zien; en daarin zondigt zij, zoals later Rebekka, en nog meer een Jehu. Dit is een waarschuwing voor Christenen, opdat zij niet, met de geest beginnende, met het vlees eindigen (Galaten. 3:3), noch kwade dingen doen met een goed doel voor ogen (Rom.3:8), noch door eigen werk het werk Gods ontheiligen. Het hart is zo arglistig! “O! als God ons onze wegen laat gaan, onze toekomst laat regelen, ons huis tooien, zonder dat wij met Hem raadplegen, dan is het nimmer goed. Wie zich van Hem verwijdert en verre van Hem geluk, heil of leven zoekt, die heeft slecht gerekend. Zijn licht is onzeker, zijn tred ongewis, de grond wankelt, zijn lamp wordt spoedig uitgeblust in duisternis.
4) In die oude tijden nam de man, behalve zijn vrouw of vrouwen, bijvrouwen uit de slavinnen (hoofdstuk. 22:24; 25:6; 10:3-13; 36:12). De kinderen uit deze werden gewoonlijk met geschenken weggezonden, in plaats van, als de wettige kinderen, een erfdeel te ontvangen; zij werden echter mede in de geslachtsregister opgenomen. De Mozaïsche wet heeft dit later niet door een afzonderlijk verbod op geheven, maar dit even als het andere, dat in de echtelijke stand tegen Gods ordening was; om de hardheid van het hart geduld. (MATTHEUS. 19:8).
5) Een gewone Hebreeuwse spreekwijze voor ons “moeder worden.” Uit overdreven geloofsijver wordt deze hartstochtelijke begeerte van Saraï geboren. Maar, omdat deze niet aan God werd onderworpen, zodat zij Zijn tijd afwachtte, verviel zij tot polygamie, welke niets anders is, dan een vernietiging van de heilige huwelijkse staat. Verder, daar Saraï, een zo heilige vrouw, tot hetzelfde ongeduld, waarvan zij zelf brandde, ook haar man prikkelde; laten wij hieruit leren, hoe wij hebben te waken, dat satan ons niet heimelijk en op bedrieglijke wijze in het verderf storte. Want hij gebruikt niet slechts de goddelozen en slechten, die met opzet ons geloof bestoken, maar opdat hij de onvoorzichtigen in zijn netten vange, valt hij ons heimelijk en tersluiks aan door de goeden en eenvoudigen, en voor die hinderlagen heeft men zich te meer te wachten, opdat hij ons van die zijde niet onverhoeds overvalle.
Wat Saraï ontbrak, was niet het geloof in de belofte des Heren, maar het juiste licht op de belofte en bovenal een wachten op des Heren tijd.
6) Abram’s geloof wankelde, omdat hij op het woord Gods afgaande, op aandrijven van zijn vrouw, tot een middel de toevlucht nam, dat van Gods zijde verboden was, maar het fundament behield hij, omdat hij niet twijfelde of God zou zich eindelijk als de Waarachtige openbaren. Door dit voorbeeld leren wij, dat er geen reden is, waarom wij in onze zielen zouden twijfelen, wanneer satan ons geloof bestrijdt, de waarheid Gods niet in onze harten aan het wankelen wordt gebracht. Ondertussen, als wij zien, dat Abram, die jaren lang als een beeld van een onverwinnelijk atleet, sierlijk had geschitterd en zulke krachtige aanvallen had verduurd, nu in één ogenblik voor een beproeving bezwijkt, wie van ons heeft dan niet voor soortgelijk gevaar te vrezen?.
3. Zo nam Saraï, Abram’s vrouw, de Egyptische Hagar, haar dienstmaagd, na de tien jaar, dat Abram in het land Kanaän gewoond had, en zij gaf haar aan Abram, haar man, hem tot een vrouw. 1) Abram was nu 85, Saraï 75 jaar oud.
1) “Hem tot een vrouw.” Hieruit blijkt duidelijk, dat de Heilige Schrift zelfs alle gedachte aan een verbinding uit wellust wil verwijderen; dat de bedoeling van Saraï een heilig karakter droeg, al was de daad op zichzelf te veroordelen.
4. En hij ging in tot Hagar en zij ontving, gelijk Saraï gewenst had. De treurige gevolgen, van deze zaak, als afwijking van de ordening van God, bleven niet uit; want, als zij, Hagar, nu zag, dat zij ontvangen had, zo werd haar vrouw, haar meesteres, veracht 1) in haar ogen, en zij toonde die geringachting door haar daden.
1) In het oosten werd kinderloosheid tot een schande gerekend, en een gezin met vele kinderen als een zegen Gods (1 Samuel 1:2-6). Hagar zag nu met minachting neer op de kinderloze Saraï. Daarmee begint de straf voor Saraï wegens haar vooruit lopen van de wegen des Heren. Hagar is het beeld van de grofste ondankbaarheid.
5. Toen zei Saraï tot Abram, geheel naar de wijze van de natuurlijke mens, die, als hem de gevolgen van zijn afdwalingen overkomen, niet over zichzelf, noch over zijn eigen zonde klaagt (Klaagt. 3:39), maarliever anderen daarvoor verantwoordelijk stelt: Mijn ongelijk is op u; 1) gij zijt de oorzaak van mijn leed; ik heb mijn dienstmaagd in uw schoot gegeven, en alzo haar, die niets dan een slavin was, verhoogd; aan mij heeft zij het te danken. Nu zij ziet, dat zij ontvangen heeft, zo ben ik veracht in haar ogen, en niet slechts verheft zij zich boven mij, maar ook gij hebt schuld daaraan, daar gij haar vrij laat begaan. De HEERE rechte tussen mij en tussen u; 2) zo gij mij geen recht doet, zo moge de Heere mij recht doen, ook tegenover u.
1) Het onbillijk en onredelijk klagen van Saraï tegen Abram is voor hem de straf op zijn klein geloof.
2) In haar toorn misbruikt zij de naam des Heren en roept met deze woorden de Heere God tot wreker aan. Zo heeft de misplaatste toorn en gramschap haar vervoerd.
6. En Abram, brengt geen enkel woord in tegen de beledigende taal van zijn vrouw, maar zei tot Saraï: Zie uw dienstmaagd is, in uw hand; ik heb haar niet van u losgemaakt, door haar tot bijvrouw te nemen; doe haar, wat goed is in uw eigen ogen. 1) En Saraï vernederde 2) haar en zij, Hagar, vluchtte van haar aangezicht, 3) naar Egypte, haar geboorteland, en bracht zo haar naam, de vluchteling, in vervulling.
1) Hiermee toont de vader van de gelovigen, dat hij niet met zijn vrouw wil twisten, maar dat hij, ter wille van de huiselijke vrede, voor dit ogenblik zijn mannelijke en vaderlijke liefde, zoals Calvijn zegt, ten offer brengt. In dat “uw dienstmaagd” ligt tevens een zacht verwijt verscholen. Abram wil daarmee zeggen, dat Saraï zelf oorzaak is van alles, omdat zij Hagar van de rang van dienstmaagd (slavin) tot die van vrouw heeft verheven. Saraï heeft dit ook gevoeld, zoals duidelijk blijkt uit het volgende.
2) In het Hebreeuws Teanéha, “vernederen” in de zin van: in slechtere conditie brengen; in verband met het stamverwante Arabisch, “in rang terugstellen.” De betekenis is niet, dat zij Hagar tot hardere arbeid doemde, maar dat zij haar van de rang van vrouw of bijvrouw van Abram, weer tot die van slavin terugbracht en haar dus het recht ontnam, zich als vrouw van Abram te gedragen en als zodanig op te treden. Hagar vluchtte dan ook niet, omdat zij door Saraï hard behandeld werd, maar omdat zij die terugstelling in rang en stand niet kon verdragen.
3) Zo hebben Saraï en Abram, in plaats van de vervulling van hun wensen te verkrijgen, slechts verdriet, en, gelijk het scheen, nog het verlies van hun dienstmaagd, van hun eigendunkelijke raad ingeoogst.
Het brengt enkel onheil te weeg, als men door vleselijke middelen, al is het met een goed doel, des Heren voornemen wil ten uitvoer brengen.
II. Vers 7-14
Op weg naar haar land verschijnt de Engel des Heren aan Hagar, beweegt haar tot terugkeren, en voorzegt, wat er van het kindje worden zal, dat zij onder het hart draagt.
7. En de Engel 1) des HEREN, van een gewone Engel wel te onderscheiden; hier voor de eerste maal vermeld, die in de persoon van Christus vlees geworden is, en reeds onder het Oude Verbond, de gedaante van een mens of een Engel aannam, en nu ook als gezant van God achter Hagar aangegaan was, om haar van haar weg terug te leiden; die Engel des Heren vond 2) haar aan een waterfontein in de zuidwestelijk van Kanaän gelegen, zeven dagreizen lange woestijn, namelijk aan de fontein op de weg van Sur 3) (muur). Tot hiertoe was Hagar al vluchtende gekomen; nu waren haar krachten van de vermoeiende tocht door het barre zand en het eenzaam oord geheel uitgeput. Zo lag zij bij de bron; zij verlangde er wellicht naar, dat er iemand mocht komen en zich haar lot aantrekken (vs. 13). En wie kwam er en trok zich haar lot aan? De Heere zelf in Zijn voorkomende genade, die ook haar om Abram’s wil zegende.
1) Door heel het Oude Testament wordt er een bestendig onderscheid gemaakt tussen God, die in het verborgene woont, en het Wezen, dat God openbaart bij uitnemendheid, en dat waar het Hem openbaart, tevens aan God gelijk is. Dat Wezen, die openbaring Gods, die aan Hem gelijk, en tevens van Hem onderscheiden is, heet doorgaans: “de gezant (Engel) des Heren” (Maleach Jehova) en ook zonder meer “God” (El, Elohiem, Adonaï en Jehova). Deze Engel des Heren is reeds de leidsman van de aartsvaders (hoofdstuk. 47:15,16). Deze is het, die Mozes roept (Exodus 3:2 vv.) en het volk van Israël leidt door de woestijn (Exodus 14:19; 23:20; Jesaja. 63:9). Hij is de voorvechter van de Israëlieten in Kanaän (Jozua 5:13) en ook later de gids en bestuurder van het volk van het verbond (Richteren. 2:1 vv.; 6:11; 13:3). Bij Jesaja heet Hij: de “Engel des aangezichts” (Jesaja 63:9), bij Daniël: “MICHAËL” (Daniël. 10:13 vv.). Bij de laatstgenoemde profeet zendt Hij Gabriël tot deze. Bij Zacharia, meer hij het nieuw te bouwen Jeruzalem af, en zendt Hij de Engel tot de Godsman, die met deze spreekt (Zacheria 1:2). Bij Maleachi komt Hij voor als de Engel van het Verbond, wiens komst door het volk met smachtend verlangen wordt tegemoet gezien, en van wie het aan dat volk wordt beloofd, dat Hij tot Zijn tempel zal wederkeren (Mal. 3:1). Nergens spreekt in het Oude Testament enige Engel rechtstreeks als God; de Engel Gabriël bij Daniël en de Engel, die bij Zacharias met de profeet spreekt, onderscheiden zich kennelijk van Jehova. De gezant des Heren daarentegen, zowel op deze plaats als elders spreekt zeer dikwijls als Jehova, en Zijn verschijning wordt meermalen aangemerkt, als die van God, de Allerhoogste zelf, God getuigt uitdrukkelijk van deze Engel: “Mijn naam (Mijn geopenbaard wezen) is in Hem.” (Exodus 23:21). Zijn naam, “gezant” of “Engel” moet in zeer algemene betekenis worden verstaan, en geenszins zo worden opgevat, als gaf die de natuur van een soort van wezens of van Engelen te kennen, welke Hij zou hebben aangenomen (Hebr. 2:16). In het Nieuwe Testament hebben: “Woord, Zoon, Evenbeeld, Afschijnsel Gods” dezelfde betekenis als: “het aangezicht Gods, dat naar de mensen toegekeerd is; de openbaring van de verborgen God.” Betrekking heeft hierop in het bijzonder de door Christus herhaaldelijk gebezigde uitdrukking: “die Mij gezonden heeft” en “Ik ben van de Vader gezonden” (MATTHEUS. 10:40; Luc. 10:16), Joh. 5:23; 6:29; 17:3, gelijk Hij in Hebr. 3:1 “Apostel” heet. De eens te verwachten verschijning van deze Godmens op de aarde, wordt door het gehele Oude Testament heen op tweeërlei wegen voorbereid; aan de een zijde wordt een menselijk gezant beloofd, die boven alles groot en heerlijk zou zijn (later de Messias, de Gezalfde des Heren), aan wie tevens goddelijke namen, eigenschappen en werken worden toegeschreven (hoofdstuk. 49:10. Psalm. 2; 110; Jesaja. 2:5. Micha 5:1 ); en aan de andere kant komt de persoonlijke onderscheiding tussen de verborgen God en het Wezen, waarin God zichzelf openbaart, steeds duidelijker en ondubbelzinniger uit, waarom dan ook Johannes, de wegbereider des Heren, in Christus de Eeuwige erkende, die boven alles was. (Johannes 1:15; 3:31).
2) “De Engel vond haar.” Wat wil de Heilige Geest daarmee anders zeggen, dan dat de Heere haar gangen had nagespeurd, haar niet had losgelaten, toen zij zich uit het huis van Abram verwijderde, maar zich over haar was blijven ontfermen.
3) Dat zij zich op de weg van Sur bevond, wijst duidelijk aan, dat zij van plan was naar haar vaderland terug te keren.
8. En Hij, wilde haar bewust doen worden overijling en haar verkeerdheid, zei: Hagar, gij dienstmaagd 1) van Saraï! Vanwaar komt gij, en waar zult gij heengaan? 2) Is dit de plaats waar Saraï’s lijfeigene behoort te wezen? Zij nu maakte geen verontschuldigingen, verootmoedigd door de majesteit van Hem, die tot haar sprak; en Zij zei: Ik ben vluchtende van het aangezicht van mijn vrouw Saraï! 3)
1) Dat “Hagar, gij dienstmaagd van Saraï,” stelde in een enkel ogenblik geheel haar handelwijze van heden, van gisteren en eerder, in een veroordelend licht, en, ofschoon het over Saraï’s ontvlamde hartstocht geen goedkeuring wegdroeg, gaf het haar een zakelijke wenk, omtrent haar roeping en plicht.
Hiermee laat de Heere het duidelijk aan Hagar voelen, dat, al is zij gevlucht en niet meer in het huis van Saraï, haar toestand voor Hem niet is veranderd. Voor de Heere is en blijft zij de dienstmaagd, de slavin van Saraï, totdat straks Abram zelf, naar de beschikking Gods, haar in vrijheid zal heenzenden. Door Hagar aan te spreken als dienstmaagd, heeft God ook die stand als volkomen wettig erkend, en is dit een woord, een vingerwijzing voor allen, om degenen, die over ons gesteld zijn, volgens de ordonnantiën Gods, gehoorzaam te zijn.
2) De Engel des Heren vraagt dit niet, alsof hij over de zaak in twijfel stond, maar, om haar geen gelegenheid te geven met uitvluchten te komen, verwijt Hij haar in weinig woorden haar vlucht. Alsof Hij zeggen wilde: in uw verlaten toestand komt gij met omzwerven niets verder, omdat gij de hand van God toch niet kunt ontvluchten, die u daar uw plaats heeft aangewezen.
Door dat “waar gaat gij heen” onmiddellijk volgende op het “vanwaar komt gij,” heeft de Heere haar ook willen bepalen bij het feit, dat zij, door Abram’s tent te verlaten, de dienst Gods verliet, en door haar vaderland weer op te zoeken, zich zou overgeven aan de afgodendienst.
3) Hoewel ons niet meegedeeld wordt, op welk een wijze de Heere haar verscheen, mogen wij toch veronderstellen, dat Hij haar in een gedaante is verschenen, die op haar de diepste indruk maakte, zodat haar de moed ontbrak, om ook maar één enkele verontschuldiging te maken, zodat zij terstond haar schuld voor Hem beleed.
9. Toen zei de Engel des Heren tot haar: Uw weg is geen goede weg, keer weer tot uw vrouw en verneder u onder haar handen, 1) in plaats van haar met trotsheid te behandelen;
1) Hagar was Saraï’s lijfeigene; door haar vlucht pleegde zij diefstal. God wil dat niet en brengt haar terug tot haar plicht (Zo ook Onesimus; zie de brief aan Filemon). Hij zelf zal haar vrij maken. Dat was een roepstem van de Goede Herder, die het verdwaalde schaap terugbrengen wil.
10. Voorts zei de Engel des HEREN tot haar, opdat zij zou weten, wat grote dingen de Heere met haar voor had, en welke Hij nog aan haar zou doen, die reeds berouw gevoelde over haar dwaze stap en in haar hart teruggekeerd was: IK zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden; want het kind, dat gij onder het hart draagt, is Abram’s zaad, en Ik zal ook aan dit kind vervullen, wat Ik van de lichamelijke zegen aan Abram (hoofdstuk. 13:16) beloofd heb. 1)
1) Abram is door zijn wettig huwelijk de vader van het uitverkoren volk van God geworden; door zijn gemeenschap met de dienstmaagd, de vader van de Islam.
Arabië werd tot een weg van zwervende horden van de tropische (hete) gewesten van Noord-Afrika en Zuid-Azië, tot een bron van mensen, wier stroom sedert duizenden jaren wijd en zijn naar Oosten en Westen zich uitgestort heeft.
Na het woord van bestraffing en terechtwijzing komt de Heere met een belofte en geeft daarmee ook aan Hagar het bewijs van Zijn goddelijk mededogen.
11. Ook zei des HEREN Engel tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoon baren, en gij zult zijn naam, tot herinnering aan deze geschiedenis en de belofte, die Ik u gegeven heb, Ismaël noemen, 1) dat is: God verhoort; omdat de HEERE uw verdrukking aangezien en aangehoord heeft. 2)
1) Ismaël is de eerste, wie reeds vóór de geboorte een naam wordt gegeven. Na hem geschiedt dit ook met Izaak (Genesis 17:19), met Salomo (1 Kronieken 23:9), met Josia (1 Koningen 13:2), met Kores of Cyrus Jesaja 45:1), met Johannes de Doper (Luc. 1:13) en eindelijk met de Heiland zelf (Luc. 1:31, MATTHEUS. 1:21 )
2) Onze smarten, onze ziekten zijn reeds gebeden, zo wij geliefden zijn van God. De Heere snelt te hulp, gelijk een vader doet als het kind in nood is, ook zonder dat het kind om bijstand roept; daarom helpt ook hij, die de Geest des Heren heeft, de ellendigen, en wacht hij niet totdat eerst zijn hulp is gevraagd. God hoort onze verdrukking aan, en zo hij beveelt dat wij ons onderwerpen, weet Hij het wonderlijk met Zijn zegeningen goed te maken.
Ook hier blijkt weer de vrijmacht Gods, maar ook tevens de vervulling van het woord: “Eer zij roepen zal Ik antwoorden.” Uit eigen beweging, naar Zijn vrijmachtig welbehagen, ontfermt de Heere zich hier over de vluchtende Hagar.
12. En hij zal een woudezel 1) van een mens zijn, wild als een woudezel, die de eenzaamheid lief heeft en zich door niemand laat temmen; zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem, 2) met niemand zal hij in vrede leven; en a) hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broederen, 3) (Genesis 25:18)
1) Een hoogst merkwaardige profetie en een eigenaardige betekenis! De wilde ezel is een schoon dier, hoger op de poten dan de tamme, met donkere, wollige manen, een hoog gewelfd voorhoofd, lange, recht opstaande oren, zilverkleurig haar met donkerbruine borstelige streep op de rug, door een soortgelijke gekruist. Het is een vlug en schuw dier, dat in de woestijn woont, slechts met moeite geveld, maar nooit getemd wordt. Een heerlijke beschrijving van dit dier vinden wij bij Job (9:8-12). De uiterste verwoesting schildert de profeet met dit woord: “de plaats waar de woudezels zich vermaken.” Jesaja 32:14). De grenzeloze liefde van de Bedoeïenen tot de vrijheid, hun neiging, om zonder enige beperking in de woestijn rond te zwerven, hun verachting van alle geregelde levenswijze, met name van het leven in steden, hun hardnekkige afscheiding van anderen, dat alles wordt ons onder dit beeld aangeduid. Slechts enkele delen van hun land zijn enige tijd onder het juk gebracht; maar telkens moesten ook weer de overwinnaars de vriendschap van een volk zoeken, dat niet zonder gevaar kan worden aangerand, en dat slechts tevergeefs kan worden bestreden. “Zij leven onder de blote hemel” (zegt Diodor. 19:94) en noemen de onbewoonde woestijn, waar geen water te vinden is, hun vaderland. Een wet verbiedt hun het zaaien en planten van vruchtbomen; het drinken van wijn en het bouwen van huizen; wie in strijd daarmee handelt, wordt ter dood veroordeeld. Deze wet berust op hun mening, dat allen, die dergelijke zaken bezitten, door machtigeren dan zij, zouden kunnen genoodzaakt worden, hun bevelen te gehoorzamen.
Calvijn vertaalt het woord in de grondtekst door “woest” en omschrijft het dan aldus: dat hij, nl. Ismaël, een zeer oorlogszuchtig man zou zijn, vreselijk voor zijn vijanden, en zo; dat niemand hem ongestraft zou kunnen aanvallen. Hetgeen volgt, schijnt zijn gevoelen te bevestigen, hoewel het ook te verdedigen is, dat door de eerste woorden meer de levenswijze van Ismaël en zijn nakomelingschap wordt aangeduid en door “zijn hand enz.” hun karakter en hun positie tegenover hun medemensen en de andere volken in de wereld.
2) In de woestijn is ieder een vijand van de anderen, zo zeggen de Arabieren in Nubië nog heden, en zij beroepen zich, met welgevallen op hun leefwijze ziende, op deze uitspraak Gods in onze Bijbel.
3) Wat betekent deze uitdrukking? Geheel verwerpelijk is de verklaring, dat hij en zijn nakomelingschap tegen het Oosten zouden wonen. De Heere wil ook door deze woorden wijzen op de eigenaardige positie, welke het volk van de Ismaëlieten zal innemen onder de andere volken. Deze positie namelijk, dat het zich nooit zal vermengen met de anderen, een op zichzelf staand volk zal zijn en blijven, te allen tijde zich van de andere volken zal blijven afscheiden. Deze laatste woorden staan dan ook in onafscheidelijk verband met de vorige en zijn volstrekt geen aanhangsel ervan.
13. En zij, de waterput verlatende en tot haar meesteres terugkerende, noemde de naam des HEREN die tot haar sprak, want zij erkende duidelijk de Engel voor de Heere zelf, nadat Hij zo bepaald in Zijn woorden Zich geopenbaard had: Gij God van het aanzien, 1) want zij zei: Heb ik ook hier gezien naar Die, die mij aanziet; 2)
1) God komt u in uw woestijn tegen; Hij roept uw geweten wakker, Hij beveelt: “Keer om, bekeer u;” en komt met Zijn genade u tegemoet.
De standen zijn in dit leven zeer ongelijk. Daarom moet men zich aan deze troost vasthouden, die hier de Engel aanwijst en denken: “Ziet, gij zijt een knecht, een dienstmaagd, arm enz. Laat u dit echter een goede troost zijn, dat uw God heren en knechten, rijken en armen met hetzelfde oog aanziet.
2) Al was de liefelijke verschijning van de bode van God geweken, al ruiste zijn woord ook niet meer om haar heen, in hem had zij de hoge Zender, de God van Abram herkend, die ook op haar wilde neerzien, op haar, die naar die God nooit had omgezien, die in haar wanhoop en vertwijfeling om die God niet had gedacht. Voor het eerst in haar leven heeft zij een eigen naam voor die God gevonden. Meer dan eens had zij in Abram’s huis de naam van God gehoord, maar die daarom nog niet begrepen. Iets wellicht daarbij gevoeld, maar toch zijn inhoud niet gevat: Maar nu weet zij, wie die God van Abram is. Het is die Ontzaglijke God (Elohiem), die ook haar heeft aangezien.
De gedachte die hieraan ten grondslag ligt is deze: de aanblik van God overweldigt en verslindt zo al het overige, dat, wie Hem heeft gezien, niets anders meer zien kan, d.i. sterven moet. De vrees dat de mens, aan wie God, of een God, een goddelijk wezen verschenen is, sterven moet, wordt in de hele, ook in de heidense oudheid teruggevonden. Maar wat bij de heidenen niets anders was dan een donker gevoel van Gods grootheid en Majesteit, dat is in het Oude Testament, tenminste daar, waar het meer verlichte voorkomt, een diep besef van de onwaardigheid van de zondige mens, om te verschijnen voor de Heilige God (Jesaja 6:5). Het in het Oude Testament zeer dikwijls aangeduid, algemeen geloof, dat men God niet kon zien zonder te sterven (Genesis 32:30, Richteren. 6:22 13:23) wordt door God Zelf bekrachtigd (Ex. 33:18-20) en toch tevens door een reeks van feiten weerlegd (Ex. 24:10-11). Wat voor het schepsel wegens zijn verdorvenheid onmogelijk is, dat kan door Gods barmhartigheid en genade, die de mens ontzondigt en de indruk van Zijn heiligheid tempert en verzacht, mogelijk worden. Vandaar de kinderlijke vreugde, wanneer de mens zich na het aanschouwen van een openbaring van God verkwikt, opgewekt en genezen voelt, totdat zich ten laatste de volle heerlijkheid Gods openbaart, en zij, die in Hem geloven, blijmoedig kunnen uitroepen: “Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, wij hebben Hem met onze ogen gezien en met onze handen aangeraakt.” (Johannes 1:14, 1 Joh. 1:1).
14. Daarom noemde men die put, waar Hagar die openbaring des Heren gehad had, de put a) Lachaï-Roï, dat is bron van de levende en ziende; ziet, hij is aan de zuidelijke grenzen van Kanaän, tussen Kades (hoofdstuk. 14:7) en tussen het westelijk gelegene Bered (hagel), misschien el Dschifar.
a) Genesis 24:62; 25:11
Door Hagar was tot herinnering aan deze ontmoeting die put aldus genoemd, en deze naam is sedert die tijd in zwang geweest.
III. Vers 15 en 16
Naar huis teruggekeerd baart Hagar een zoon, die Abram volgens het goddelijk bevel “Ismaël” noemt.
15. a) En Hagar, teruggekeerd 1) in gehoorzaamheid aan God, baarde Abram 2) een zoon; en Abram, die het goddelijk bevel (vs. 11) met de gehele gebeurtenis van haar vernomen had, noemde de naam van zijn zoon, die Hagar gebaard had, Ismaël. 3)
a) Galaten. 4:22
1) Het terugkeren van Hagar, zonder enige conditie te stellen, is bevestiging van haar geloof. Daardoor maakt zij voor haarzelf haar roeping en verkiezing vast. Het is de gehoorzaamheid van het geloof, welke zij hier betoont.
2) Niet zonder reden staat hier: “baarde Abram een zoon,” en zo aanstonds “noemde de naam van zijn zoon”. Daarmee wordt uitdrukkelijk geleerd, dat Ismaël een zoon van Abram was, die voor Abram’s rekening kwam, maar ook, dat hij nl. Abram werkelijk zou zorgen voor de opvoeding van Ismaël, als zijn zoon, De Arabier, zich in trotse waan beroepende op dit verhaal, beweert het recht te hebben op alle landen, die hij zich verkiest, als voortgesproten uit de eerstgeborene van Abram, en alzo groot te zijn boven de Israëliet.
3) Dat Abram terstond bereid is die zoon Ismaël te noemen, getuigt tevens van zijn dankbaarheid voor de genade, aan Hagar bewezen.
16. En Abram was zesentachtig jaar oud, toen Hagar Ismaël aan Abram baarde; dus is Ismaël geboren in het jaar 2094 na de wereldschepping, of 1906 vóór Christus.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Genesis 16
Genesis 16:1.KruisverwijzingenGalaten 4:24→Genesis 12:16→Genesis 15:2→Genesis 21:21→Lukas 1:36→Lukas 1:7→Genesis 21:9→Genesis 25:21→
— Doch Sarai, Abrams huisvrouw, baarde hem niet; en zij had een Egyptische dienstmaagd, welker naam was Hagar.
“En zij had een Egyptische dienstmaagd, welker naam was Hagar.” Hagar had vele jaren in het huis van Abraham gewoond. Dat was geen gering voorrecht. Terwijl de rest van de wereld nog in het heidendom verkeerde, straalde het licht van God helder in de tent van Abraham. Abraham was niet alleen zelf een aanbidder van de Allerhoogste God, maar hij droeg ook zijn hele huis op om Hem te aanbidden. Wij mogen er zeker van zijn dat er gezinsbijeenkomsten werden gehouden voor de godsdienstoefening, waarin de aartsvader zowel door onderwijs als door zijn voorbeeld de kennis van de ware God overdroeg aan allen die in zijn dienst stonden. Hij bevond zich in het middelpunt van Gods licht in de wereld, terwijl rondom hem de diepe duisternis van het heidendom heerste.
Genesis 16:6-7.KruisverwijzingenGenesis 25:18→Exodus 15:22→Psalmen 106:41→Spreuken 15:17→Genesis 24:10→Spreuken 15:1→Spreuken 29:19→1 Petrus 3:7→
— En Abram zeide tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht. En de Engel des HEEREN vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op den weg van Sur.
“Gij, God des aanziens!” Verdriet heeft een welsprekende stem wanneer barmhartigheid de luisteraar is. Ik meen haar daar te zien: haar ogen rood van het huilen, haar geest gebroken door de ontberingen van haar reis. Even zit zij neer om uit te rusten en weer op krachten te komen, vastbesloten niet toe te geven en nooit meer terug te keren. Maar vervolgens huivert zij opnieuw voor de duisternis die vóór haar ligt en vreest zij verder te gaan. In die toestand ontmoette God haar. In elk opzicht was zij een eenzame en verstoten vrouw. Zij had de enige plaats verlaten waar zij nog onderdak had kunnen vinden. Zij was de woestijn ingetrokken, zonder vader, zonder moeder, zonder broer of zuster die voor haar zorgden. Zij had zich afgekeerd van degenen die nog enige belangstelling voor haar hadden, en nu was zij helemaal alleen – alleen, alleen in een woestijnland, zonder een oog dat medelijden had of een hand die haar hielp. Juist onder die bijzondere omstandigheden, waarin beproeving en zonde met elkaar verweven waren, ontmoette God haar.
Genesis 16:13.KruisverwijzingenGenesis 32:30→Psalmen 139:1→Spreuken 15:3→Spreuken 5:21→Richteren 6:24→Genesis 16:9→Exodus 34:5→Genesis 31:42→
— En zij noemde den Naam des HEEREN, Die tot haar sprak: Gij, God des aanziens! want zij zeide: Heb ik ook hier gezien naar Dien, Die mij aanziet?
“Gij, God, ziet mij.“ Toen drong tot haar door wat zij misschien al eerder had gehoord, maar nooit werkelijk had gevoeld. “Er is een God. God is niet een ongrijpbare Gestalte ver weg, Die niets met mij te maken heeft, maar God is hier, hier, en Hij ziet mij. God bemoeit Zich met mij – niet ver weg, niet slapend en niet blind – maar God ziet mij.” O, wat is het heerlijk wanneer die overtuiging in de ziel doorbreekt: “Ik ben niet alleen, ik sta er niet helemaal alleen voor. Er is een God, een God Die mij ziet en Zich zo met mij bezighoudt dat Hij tot mij spreekt.”
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
HAGAR BAART ISMAËL.
I. Vers 1-6
Saraï geeft haar dienstmaagd Hagar aan Abram tot een bijvrouw, om uit haar gebouwd te worden: deze wordt zwanger, verheft zich daarom boven haar meesteres en gaat, als zij daarom gestraft wordt, op de vlucht.
1. Doch Saraï, Abram’s vrouw, die reeds bij haar verblijf in Kanaän voor onvruchtbaar werd behouden (hoofdstuk. 11:30), baarde, ook de eerste vijf jaar na het gezicht, waarin aan Abram een erfgenaam beloofd was (hoofdstuk 15:4), hem niet. Toen gaf zij ten laatste de hoop op, om nog moeder te worden; en zij had een Egyptische dienstmaagd (zie “Ge 12.16), wier naam was Hagar (vlucht).
2. Zo zei Saraï tot Abram: 1) Zie toch, de HEERE 2) heeft wel aan u een zoon beloofd, die uit uw lijf voortkomen zal, maar van mij heeft Hij niet gezegd dat ik de moeder daarvan zal zijn; integendeel, gelijk duidelijk blijkt, heeft Hij mij toegesloten, dat ik niet bare. Waarom zou ik langer de vervulling van de goddelijke belofte in de weg staan? 3) Ga toch in tot mijn dienstmaagd: doe als de andere mannen en neem u een bijvrouw; 4) ik zelf zal u mijn dienstmaagd daartoe geven; misschien zal ik uit haar gebouwd worden; 5) misschien behaagt het de Heere haar een kind te schenken; dat zou dan, omdat zij mijn lijfeigene is, niet haar, maar mijn kind heten, en ik zou daardoor een zoon, een erfgenaam verkrijgen. En Abram 6) antwoordde haar niet: Laat ons de Heere niet vooruitlopen, noch de Almachtige trachten te hulp te komen; laat ons wachten, wat Hij doen zal. Gelijk eens Adam, zo liet zich ook Abram door de vrouw verleiden, om het door haar aangebodene aan te nemen, en hij hoorde naar de stem van Saraï. Hij beschouwde haar voorstel als goed; die was ook goed gemeend; voor Saraï was dit voorstel een zelfverloochening, hoewel het inderdaad zondig was. (Galaten. 3:3).
1) Bij alle heidense volken, ook bij de meest beschaafde in de oudheid werden de vrouwen als slavinnen behandeld; bij de vrouwen van de Heilige Schrift zien wij duidelijk de invloed van de vreze Gods in de toestand van de vrouw; zij zijn geen slavinnen van de man, maar, hoewel hem onderworpen, staan zij als vrije naast hem. Saraï spreekt altijd op de toon van vrijheid en van onafhankelijkheid. Het is haar welbehagen, dat zij Hagar aan Abram geeft; het is haarbelang, het is haar eer, die zij wil handhaven.
2) Alles te beschouwen als komende van God, zowel het kwade als het goede Jesaja 45:7 Amos.3:6 ), is een teken van godsvrucht. Wij mochten wel wat meer de vinger Gods zien, daar waar Hij geeft of ontneemt, waar wij verblijd zijn of treuren.
3) Niet slechts het doel, maar ook het middel moet aan God overgelaten worden (Rom.11:36). Saraï vergeet de Heere niet; zij gelooft Zijn beloften, maar zij wil haar eigen weg gaan om de belofte vervuld te zien; en daarin zondigt zij, zoals later Rebekka, en nog meer een Jehu. Dit is een waarschuwing voor Christenen, opdat zij niet, met de geest beginnende, met het vlees eindigen (Galaten. 3:3), noch kwade dingen doen met een goed doel voor ogen (Rom.3:8), noch door eigen werk het werk Gods ontheiligen. Het hart is zo arglistig! “O! als God ons onze wegen laat gaan, onze toekomst laat regelen, ons huis tooien, zonder dat wij met Hem raadplegen, dan is het nimmer goed. Wie zich van Hem verwijdert en verre van Hem geluk, heil of leven zoekt, die heeft slecht gerekend. Zijn licht is onzeker, zijn tred ongewis, de grond wankelt, zijn lamp wordt spoedig uitgeblust in duisternis.
4) In die oude tijden nam de man, behalve zijn vrouw of vrouwen, bijvrouwen uit de slavinnen (hoofdstuk. 22:24; 25:6; 10:3-13; 36:12). De kinderen uit deze werden gewoonlijk met geschenken weggezonden, in plaats van, als de wettige kinderen, een erfdeel te ontvangen; zij werden echter mede in de geslachtsregister opgenomen. De Mozaïsche wet heeft dit later niet door een afzonderlijk verbod op geheven, maar dit even als het andere, dat in de echtelijke stand tegen Gods ordening was; om de hardheid van het hart geduld. (MATTHEUS. 19:8).
5) Een gewone Hebreeuwse spreekwijze voor ons “moeder worden.” Uit overdreven geloofsijver wordt deze hartstochtelijke begeerte van Saraï geboren. Maar, omdat deze niet aan God werd onderworpen, zodat zij Zijn tijd afwachtte, verviel zij tot polygamie, welke niets anders is, dan een vernietiging van de heilige huwelijkse staat. Verder, daar Saraï, een zo heilige vrouw, tot hetzelfde ongeduld, waarvan zij zelf brandde, ook haar man prikkelde; laten wij hieruit leren, hoe wij hebben te waken, dat satan ons niet heimelijk en op bedrieglijke wijze in het verderf storte. Want hij gebruikt niet slechts de goddelozen en slechten, die met opzet ons geloof bestoken, maar opdat hij de onvoorzichtigen in zijn netten vange, valt hij ons heimelijk en tersluiks aan door de goeden en eenvoudigen, en voor die hinderlagen heeft men zich te meer te wachten, opdat hij ons van die zijde niet onverhoeds overvalle.
Wat Saraï ontbrak, was niet het geloof in de belofte des Heren, maar het juiste licht op de belofte en bovenal een wachten op des Heren tijd.
6) Abram’s geloof wankelde, omdat hij op het woord Gods afgaande, op aandrijven van zijn vrouw, tot een middel de toevlucht nam, dat van Gods zijde verboden was, maar het fundament behield hij, omdat hij niet twijfelde of God zou zich eindelijk als de Waarachtige openbaren. Door dit voorbeeld leren wij, dat er geen reden is, waarom wij in onze zielen zouden twijfelen, wanneer satan ons geloof bestrijdt, de waarheid Gods niet in onze harten aan het wankelen wordt gebracht. Ondertussen, als wij zien, dat Abram, die jaren lang als een beeld van een onverwinnelijk atleet, sierlijk had geschitterd en zulke krachtige aanvallen had verduurd, nu in één ogenblik voor een beproeving bezwijkt, wie van ons heeft dan niet voor soortgelijk gevaar te vrezen?.
3. Zo nam Saraï, Abram’s vrouw, de Egyptische Hagar, haar dienstmaagd, na de tien jaar, dat Abram in het land Kanaän gewoond had, en zij gaf haar aan Abram, haar man, hem tot een vrouw. 1) Abram was nu 85, Saraï 75 jaar oud.
1) “Hem tot een vrouw.” Hieruit blijkt duidelijk, dat de Heilige Schrift zelfs alle gedachte aan een verbinding uit wellust wil verwijderen; dat de bedoeling van Saraï een heilig karakter droeg, al was de daad op zichzelf te veroordelen.
4. En hij ging in tot Hagar en zij ontving, gelijk Saraï gewenst had. De treurige gevolgen, van deze zaak, als afwijking van de ordening van God, bleven niet uit; want, als zij, Hagar, nu zag, dat zij ontvangen had, zo werd haar vrouw, haar meesteres, veracht 1) in haar ogen, en zij toonde die geringachting door haar daden.
1) In het oosten werd kinderloosheid tot een schande gerekend, en een gezin met vele kinderen als een zegen Gods (1 Samuel 1:2-6). Hagar zag nu met minachting neer op de kinderloze Saraï. Daarmee begint de straf voor Saraï wegens haar vooruit lopen van de wegen des Heren. Hagar is het beeld van de grofste ondankbaarheid.
5. Toen zei Saraï tot Abram, geheel naar de wijze van de natuurlijke mens, die, als hem de gevolgen van zijn afdwalingen overkomen, niet over zichzelf, noch over zijn eigen zonde klaagt (Klaagt. 3:39), maarliever anderen daarvoor verantwoordelijk stelt: Mijn ongelijk is op u; 1) gij zijt de oorzaak van mijn leed; ik heb mijn dienstmaagd in uw schoot gegeven, en alzo haar, die niets dan een slavin was, verhoogd; aan mij heeft zij het te danken. Nu zij ziet, dat zij ontvangen heeft, zo ben ik veracht in haar ogen, en niet slechts verheft zij zich boven mij, maar ook gij hebt schuld daaraan, daar gij haar vrij laat begaan. De HEERE rechte tussen mij en tussen u; 2) zo gij mij geen recht doet, zo moge de Heere mij recht doen, ook tegenover u.
1) Het onbillijk en onredelijk klagen van Saraï tegen Abram is voor hem de straf op zijn klein geloof.
2) In haar toorn misbruikt zij de naam des Heren en roept met deze woorden de Heere God tot wreker aan. Zo heeft de misplaatste toorn en gramschap haar vervoerd.
6. En Abram, brengt geen enkel woord in tegen de beledigende taal van zijn vrouw, maar zei tot Saraï: Zie uw dienstmaagd is, in uw hand; ik heb haar niet van u losgemaakt, door haar tot bijvrouw te nemen; doe haar, wat goed is in uw eigen ogen. 1) En Saraï vernederde 2) haar en zij, Hagar, vluchtte van haar aangezicht, 3) naar Egypte, haar geboorteland, en bracht zo haar naam, de vluchteling, in vervulling.
1) Hiermee toont de vader van de gelovigen, dat hij niet met zijn vrouw wil twisten, maar dat hij, ter wille van de huiselijke vrede, voor dit ogenblik zijn mannelijke en vaderlijke liefde, zoals Calvijn zegt, ten offer brengt. In dat “uw dienstmaagd” ligt tevens een zacht verwijt verscholen. Abram wil daarmee zeggen, dat Saraï zelf oorzaak is van alles, omdat zij Hagar van de rang van dienstmaagd (slavin) tot die van vrouw heeft verheven. Saraï heeft dit ook gevoeld, zoals duidelijk blijkt uit het volgende.
2) In het Hebreeuws Teanéha, “vernederen” in de zin van: in slechtere conditie brengen; in verband met het stamverwante Arabisch, “in rang terugstellen.” De betekenis is niet, dat zij Hagar tot hardere arbeid doemde, maar dat zij haar van de rang van vrouw of bijvrouw van Abram, weer tot die van slavin terugbracht en haar dus het recht ontnam, zich als vrouw van Abram te gedragen en als zodanig op te treden. Hagar vluchtte dan ook niet, omdat zij door Saraï hard behandeld werd, maar omdat zij die terugstelling in rang en stand niet kon verdragen.
3) Zo hebben Saraï en Abram, in plaats van de vervulling van hun wensen te verkrijgen, slechts verdriet, en, gelijk het scheen, nog het verlies van hun dienstmaagd, van hun eigendunkelijke raad ingeoogst.
Het brengt enkel onheil te weeg, als men door vleselijke middelen, al is het met een goed doel, des Heren voornemen wil ten uitvoer brengen.
II. Vers 7-14
Op weg naar haar land verschijnt de Engel des Heren aan Hagar, beweegt haar tot terugkeren, en voorzegt, wat er van het kindje worden zal, dat zij onder het hart draagt.
7. En de Engel 1) des HEREN, van een gewone Engel wel te onderscheiden; hier voor de eerste maal vermeld, die in de persoon van Christus vlees geworden is, en reeds onder het Oude Verbond, de gedaante van een mens of een Engel aannam, en nu ook als gezant van God achter Hagar aangegaan was, om haar van haar weg terug te leiden; die Engel des Heren vond 2) haar aan een waterfontein in de zuidwestelijk van Kanaän gelegen, zeven dagreizen lange woestijn, namelijk aan de fontein op de weg van Sur 3) (muur). Tot hiertoe was Hagar al vluchtende gekomen; nu waren haar krachten van de vermoeiende tocht door het barre zand en het eenzaam oord geheel uitgeput. Zo lag zij bij de bron; zij verlangde er wellicht naar, dat er iemand mocht komen en zich haar lot aantrekken (vs. 13). En wie kwam er en trok zich haar lot aan? De Heere zelf in Zijn voorkomende genade, die ook haar om Abram’s wil zegende.
1) Door heel het Oude Testament wordt er een bestendig onderscheid gemaakt tussen God, die in het verborgene woont, en het Wezen, dat God openbaart bij uitnemendheid, en dat waar het Hem openbaart, tevens aan God gelijk is. Dat Wezen, die openbaring Gods, die aan Hem gelijk, en tevens van Hem onderscheiden is, heet doorgaans: “de gezant (Engel) des Heren” (Maleach Jehova) en ook zonder meer “God” (El, Elohiem, Adonaï en Jehova). Deze Engel des Heren is reeds de leidsman van de aartsvaders (hoofdstuk. 47:15,16). Deze is het, die Mozes roept (Exodus 3:2 vv.) en het volk van Israël leidt door de woestijn (Exodus 14:19; 23:20; Jesaja. 63:9). Hij is de voorvechter van de Israëlieten in Kanaän (Jozua 5:13) en ook later de gids en bestuurder van het volk van het verbond (Richteren. 2:1 vv.; 6:11; 13:3). Bij Jesaja heet Hij: de “Engel des aangezichts” (Jesaja 63:9), bij Daniël: “MICHAËL” (Daniël. 10:13 vv.). Bij de laatstgenoemde profeet zendt Hij Gabriël tot deze. Bij Zacharia, meer hij het nieuw te bouwen Jeruzalem af, en zendt Hij de Engel tot de Godsman, die met deze spreekt (Zacheria 1:2). Bij Maleachi komt Hij voor als de Engel van het Verbond, wiens komst door het volk met smachtend verlangen wordt tegemoet gezien, en van wie het aan dat volk wordt beloofd, dat Hij tot Zijn tempel zal wederkeren (Mal. 3:1). Nergens spreekt in het Oude Testament enige Engel rechtstreeks als God; de Engel Gabriël bij Daniël en de Engel, die bij Zacharias met de profeet spreekt, onderscheiden zich kennelijk van Jehova. De gezant des Heren daarentegen, zowel op deze plaats als elders spreekt zeer dikwijls als Jehova, en Zijn verschijning wordt meermalen aangemerkt, als die van God, de Allerhoogste zelf, God getuigt uitdrukkelijk van deze Engel: “Mijn naam (Mijn geopenbaard wezen) is in Hem.” (Exodus 23:21). Zijn naam, “gezant” of “Engel” moet in zeer algemene betekenis worden verstaan, en geenszins zo worden opgevat, als gaf die de natuur van een soort van wezens of van Engelen te kennen, welke Hij zou hebben aangenomen (Hebr. 2:16). In het Nieuwe Testament hebben: “Woord, Zoon, Evenbeeld, Afschijnsel Gods” dezelfde betekenis als: “het aangezicht Gods, dat naar de mensen toegekeerd is; de openbaring van de verborgen God.” Betrekking heeft hierop in het bijzonder de door Christus herhaaldelijk gebezigde uitdrukking: “die Mij gezonden heeft” en “Ik ben van de Vader gezonden” (MATTHEUS. 10:40; Luc. 10:16), Joh. 5:23; 6:29; 17:3, gelijk Hij in Hebr. 3:1 “Apostel” heet. De eens te verwachten verschijning van deze Godmens op de aarde, wordt door het gehele Oude Testament heen op tweeërlei wegen voorbereid; aan de een zijde wordt een menselijk gezant beloofd, die boven alles groot en heerlijk zou zijn (later de Messias, de Gezalfde des Heren), aan wie tevens goddelijke namen, eigenschappen en werken worden toegeschreven (hoofdstuk. 49:10. Psalm. 2; 110; Jesaja. 2:5. Micha 5:1 ); en aan de andere kant komt de persoonlijke onderscheiding tussen de verborgen God en het Wezen, waarin God zichzelf openbaart, steeds duidelijker en ondubbelzinniger uit, waarom dan ook Johannes, de wegbereider des Heren, in Christus de Eeuwige erkende, die boven alles was. (Johannes 1:15; 3:31).
2) “De Engel vond haar.” Wat wil de Heilige Geest daarmee anders zeggen, dan dat de Heere haar gangen had nagespeurd, haar niet had losgelaten, toen zij zich uit het huis van Abram verwijderde, maar zich over haar was blijven ontfermen.
3) Dat zij zich op de weg van Sur bevond, wijst duidelijk aan, dat zij van plan was naar haar vaderland terug te keren.
8. En Hij, wilde haar bewust doen worden overijling en haar verkeerdheid, zei: Hagar, gij dienstmaagd 1) van Saraï! Vanwaar komt gij, en waar zult gij heengaan? 2) Is dit de plaats waar Saraï’s lijfeigene behoort te wezen? Zij nu maakte geen verontschuldigingen, verootmoedigd door de majesteit van Hem, die tot haar sprak; en Zij zei: Ik ben vluchtende van het aangezicht van mijn vrouw Saraï! 3)
1) Dat “Hagar, gij dienstmaagd van Saraï,” stelde in een enkel ogenblik geheel haar handelwijze van heden, van gisteren en eerder, in een veroordelend licht, en, ofschoon het over Saraï’s ontvlamde hartstocht geen goedkeuring wegdroeg, gaf het haar een zakelijke wenk, omtrent haar roeping en plicht.
Hiermee laat de Heere het duidelijk aan Hagar voelen, dat, al is zij gevlucht en niet meer in het huis van Saraï, haar toestand voor Hem niet is veranderd. Voor de Heere is en blijft zij de dienstmaagd, de slavin van Saraï, totdat straks Abram zelf, naar de beschikking Gods, haar in vrijheid zal heenzenden. Door Hagar aan te spreken als dienstmaagd, heeft God ook die stand als volkomen wettig erkend, en is dit een woord, een vingerwijzing voor allen, om degenen, die over ons gesteld zijn, volgens de ordonnantiën Gods, gehoorzaam te zijn.
2) De Engel des Heren vraagt dit niet, alsof hij over de zaak in twijfel stond, maar, om haar geen gelegenheid te geven met uitvluchten te komen, verwijt Hij haar in weinig woorden haar vlucht. Alsof Hij zeggen wilde: in uw verlaten toestand komt gij met omzwerven niets verder, omdat gij de hand van God toch niet kunt ontvluchten, die u daar uw plaats heeft aangewezen.
Door dat “waar gaat gij heen” onmiddellijk volgende op het “vanwaar komt gij,” heeft de Heere haar ook willen bepalen bij het feit, dat zij, door Abram’s tent te verlaten, de dienst Gods verliet, en door haar vaderland weer op te zoeken, zich zou overgeven aan de afgodendienst.
3) Hoewel ons niet meegedeeld wordt, op welk een wijze de Heere haar verscheen, mogen wij toch veronderstellen, dat Hij haar in een gedaante is verschenen, die op haar de diepste indruk maakte, zodat haar de moed ontbrak, om ook maar één enkele verontschuldiging te maken, zodat zij terstond haar schuld voor Hem beleed.
9. Toen zei de Engel des Heren tot haar: Uw weg is geen goede weg, keer weer tot uw vrouw en verneder u onder haar handen, 1) in plaats van haar met trotsheid te behandelen;
1) Hagar was Saraï’s lijfeigene; door haar vlucht pleegde zij diefstal. God wil dat niet en brengt haar terug tot haar plicht (Zo ook Onesimus; zie de brief aan Filemon). Hij zelf zal haar vrij maken. Dat was een roepstem van de Goede Herder, die het verdwaalde schaap terugbrengen wil.
10. Voorts zei de Engel des HEREN tot haar, opdat zij zou weten, wat grote dingen de Heere met haar voor had, en welke Hij nog aan haar zou doen, die reeds berouw gevoelde over haar dwaze stap en in haar hart teruggekeerd was: IK zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden; want het kind, dat gij onder het hart draagt, is Abram’s zaad, en Ik zal ook aan dit kind vervullen, wat Ik van de lichamelijke zegen aan Abram (hoofdstuk. 13:16) beloofd heb. 1)
1) Abram is door zijn wettig huwelijk de vader van het uitverkoren volk van God geworden; door zijn gemeenschap met de dienstmaagd, de vader van de Islam.
Arabië werd tot een weg van zwervende horden van de tropische (hete) gewesten van Noord-Afrika en Zuid-Azië, tot een bron van mensen, wier stroom sedert duizenden jaren wijd en zijn naar Oosten en Westen zich uitgestort heeft.
Na het woord van bestraffing en terechtwijzing komt de Heere met een belofte en geeft daarmee ook aan Hagar het bewijs van Zijn goddelijk mededogen.
11. Ook zei des HEREN Engel tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoon baren, en gij zult zijn naam, tot herinnering aan deze geschiedenis en de belofte, die Ik u gegeven heb, Ismaël noemen, 1) dat is: God verhoort; omdat de HEERE uw verdrukking aangezien en aangehoord heeft. 2)
1) Ismaël is de eerste, wie reeds vóór de geboorte een naam wordt gegeven. Na hem geschiedt dit ook met Izaak (Genesis 17:19), met Salomo (1 Kronieken 23:9), met Josia (1 Koningen 13:2), met Kores of Cyrus Jesaja 45:1), met Johannes de Doper (Luc. 1:13) en eindelijk met de Heiland zelf (Luc. 1:31, MATTHEUS. 1:21 )
2) Onze smarten, onze ziekten zijn reeds gebeden, zo wij geliefden zijn van God. De Heere snelt te hulp, gelijk een vader doet als het kind in nood is, ook zonder dat het kind om bijstand roept; daarom helpt ook hij, die de Geest des Heren heeft, de ellendigen, en wacht hij niet totdat eerst zijn hulp is gevraagd. God hoort onze verdrukking aan, en zo hij beveelt dat wij ons onderwerpen, weet Hij het wonderlijk met Zijn zegeningen goed te maken.
Ook hier blijkt weer de vrijmacht Gods, maar ook tevens de vervulling van het woord: “Eer zij roepen zal Ik antwoorden.” Uit eigen beweging, naar Zijn vrijmachtig welbehagen, ontfermt de Heere zich hier over de vluchtende Hagar.
12. En hij zal een woudezel 1) van een mens zijn, wild als een woudezel, die de eenzaamheid lief heeft en zich door niemand laat temmen; zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem, 2) met niemand zal hij in vrede leven; en a) hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broederen, 3) (Genesis 25:18)
1) Een hoogst merkwaardige profetie en een eigenaardige betekenis! De wilde ezel is een schoon dier, hoger op de poten dan de tamme, met donkere, wollige manen, een hoog gewelfd voorhoofd, lange, recht opstaande oren, zilverkleurig haar met donkerbruine borstelige streep op de rug, door een soortgelijke gekruist. Het is een vlug en schuw dier, dat in de woestijn woont, slechts met moeite geveld, maar nooit getemd wordt. Een heerlijke beschrijving van dit dier vinden wij bij Job (9:8-12). De uiterste verwoesting schildert de profeet met dit woord: “de plaats waar de woudezels zich vermaken.” Jesaja 32:14). De grenzeloze liefde van de Bedoeïenen tot de vrijheid, hun neiging, om zonder enige beperking in de woestijn rond te zwerven, hun verachting van alle geregelde levenswijze, met name van het leven in steden, hun hardnekkige afscheiding van anderen, dat alles wordt ons onder dit beeld aangeduid. Slechts enkele delen van hun land zijn enige tijd onder het juk gebracht; maar telkens moesten ook weer de overwinnaars de vriendschap van een volk zoeken, dat niet zonder gevaar kan worden aangerand, en dat slechts tevergeefs kan worden bestreden. “Zij leven onder de blote hemel” (zegt Diodor. 19:94) en noemen de onbewoonde woestijn, waar geen water te vinden is, hun vaderland. Een wet verbiedt hun het zaaien en planten van vruchtbomen; het drinken van wijn en het bouwen van huizen; wie in strijd daarmee handelt, wordt ter dood veroordeeld. Deze wet berust op hun mening, dat allen, die dergelijke zaken bezitten, door machtigeren dan zij, zouden kunnen genoodzaakt worden, hun bevelen te gehoorzamen.
Calvijn vertaalt het woord in de grondtekst door “woest” en omschrijft het dan aldus: dat hij, nl. Ismaël, een zeer oorlogszuchtig man zou zijn, vreselijk voor zijn vijanden, en zo; dat niemand hem ongestraft zou kunnen aanvallen. Hetgeen volgt, schijnt zijn gevoelen te bevestigen, hoewel het ook te verdedigen is, dat door de eerste woorden meer de levenswijze van Ismaël en zijn nakomelingschap wordt aangeduid en door “zijn hand enz.” hun karakter en hun positie tegenover hun medemensen en de andere volken in de wereld.
2) In de woestijn is ieder een vijand van de anderen, zo zeggen de Arabieren in Nubië nog heden, en zij beroepen zich, met welgevallen op hun leefwijze ziende, op deze uitspraak Gods in onze Bijbel.
3) Wat betekent deze uitdrukking? Geheel verwerpelijk is de verklaring, dat hij en zijn nakomelingschap tegen het Oosten zouden wonen. De Heere wil ook door deze woorden wijzen op de eigenaardige positie, welke het volk van de Ismaëlieten zal innemen onder de andere volken. Deze positie namelijk, dat het zich nooit zal vermengen met de anderen, een op zichzelf staand volk zal zijn en blijven, te allen tijde zich van de andere volken zal blijven afscheiden. Deze laatste woorden staan dan ook in onafscheidelijk verband met de vorige en zijn volstrekt geen aanhangsel ervan.
13. En zij, de waterput verlatende en tot haar meesteres terugkerende, noemde de naam des HEREN die tot haar sprak, want zij erkende duidelijk de Engel voor de Heere zelf, nadat Hij zo bepaald in Zijn woorden Zich geopenbaard had: Gij God van het aanzien, 1) want zij zei: Heb ik ook hier gezien naar Die, die mij aanziet; 2)
1) God komt u in uw woestijn tegen; Hij roept uw geweten wakker, Hij beveelt: “Keer om, bekeer u;” en komt met Zijn genade u tegemoet.
De standen zijn in dit leven zeer ongelijk. Daarom moet men zich aan deze troost vasthouden, die hier de Engel aanwijst en denken: “Ziet, gij zijt een knecht, een dienstmaagd, arm enz. Laat u dit echter een goede troost zijn, dat uw God heren en knechten, rijken en armen met hetzelfde oog aanziet.
2) Al was de liefelijke verschijning van de bode van God geweken, al ruiste zijn woord ook niet meer om haar heen, in hem had zij de hoge Zender, de God van Abram herkend, die ook op haar wilde neerzien, op haar, die naar die God nooit had omgezien, die in haar wanhoop en vertwijfeling om die God niet had gedacht. Voor het eerst in haar leven heeft zij een eigen naam voor die God gevonden. Meer dan eens had zij in Abram’s huis de naam van God gehoord, maar die daarom nog niet begrepen. Iets wellicht daarbij gevoeld, maar toch zijn inhoud niet gevat: Maar nu weet zij, wie die God van Abram is. Het is die Ontzaglijke God (Elohiem), die ook haar heeft aangezien.
De gedachte die hieraan ten grondslag ligt is deze: de aanblik van God overweldigt en verslindt zo al het overige, dat, wie Hem heeft gezien, niets anders meer zien kan, d.i. sterven moet. De vrees dat de mens, aan wie God, of een God, een goddelijk wezen verschenen is, sterven moet, wordt in de hele, ook in de heidense oudheid teruggevonden. Maar wat bij de heidenen niets anders was dan een donker gevoel van Gods grootheid en Majesteit, dat is in het Oude Testament, tenminste daar, waar het meer verlichte voorkomt, een diep besef van de onwaardigheid van de zondige mens, om te verschijnen voor de Heilige God (Jesaja 6:5). Het in het Oude Testament zeer dikwijls aangeduid, algemeen geloof, dat men God niet kon zien zonder te sterven (Genesis 32:30, Richteren. 6:22 13:23) wordt door God Zelf bekrachtigd (Ex. 33:18-20) en toch tevens door een reeks van feiten weerlegd (Ex. 24:10-11). Wat voor het schepsel wegens zijn verdorvenheid onmogelijk is, dat kan door Gods barmhartigheid en genade, die de mens ontzondigt en de indruk van Zijn heiligheid tempert en verzacht, mogelijk worden. Vandaar de kinderlijke vreugde, wanneer de mens zich na het aanschouwen van een openbaring van God verkwikt, opgewekt en genezen voelt, totdat zich ten laatste de volle heerlijkheid Gods openbaart, en zij, die in Hem geloven, blijmoedig kunnen uitroepen: “Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, wij hebben Hem met onze ogen gezien en met onze handen aangeraakt.” (Johannes 1:14, 1 Joh. 1:1).
14. Daarom noemde men die put, waar Hagar die openbaring des Heren gehad had, de put a) Lachaï-Roï, dat is bron van de levende en ziende; ziet, hij is aan de zuidelijke grenzen van Kanaän, tussen Kades (hoofdstuk. 14:7) en tussen het westelijk gelegene Bered (hagel), misschien el Dschifar.
a) Genesis 24:62; 25:11
Door Hagar was tot herinnering aan deze ontmoeting die put aldus genoemd, en deze naam is sedert die tijd in zwang geweest.
III. Vers 15 en 16
Naar huis teruggekeerd baart Hagar een zoon, die Abram volgens het goddelijk bevel “Ismaël” noemt.
15. a) En Hagar, teruggekeerd 1) in gehoorzaamheid aan God, baarde Abram 2) een zoon; en Abram, die het goddelijk bevel (vs. 11) met de gehele gebeurtenis van haar vernomen had, noemde de naam van zijn zoon, die Hagar gebaard had, Ismaël. 3)
a) Galaten. 4:22
1) Het terugkeren van Hagar, zonder enige conditie te stellen, is bevestiging van haar geloof. Daardoor maakt zij voor haarzelf haar roeping en verkiezing vast. Het is de gehoorzaamheid van het geloof, welke zij hier betoont.
2) Niet zonder reden staat hier: “baarde Abram een zoon,” en zo aanstonds “noemde de naam van zijn zoon”. Daarmee wordt uitdrukkelijk geleerd, dat Ismaël een zoon van Abram was, die voor Abram’s rekening kwam, maar ook, dat hij nl. Abram werkelijk zou zorgen voor de opvoeding van Ismaël, als zijn zoon, De Arabier, zich in trotse waan beroepende op dit verhaal, beweert het recht te hebben op alle landen, die hij zich verkiest, als voortgesproten uit de eerstgeborene van Abram, en alzo groot te zijn boven de Israëliet.
3) Dat Abram terstond bereid is die zoon Ismaël te noemen, getuigt tevens van zijn dankbaarheid voor de genade, aan Hagar bewezen.
16. En Abram was zesentachtig jaar oud, toen Hagar Ismaël aan Abram baarde; dus is Ismaël geboren in het jaar 2094 na de wereldschepping, of 1906 vóór Christus.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel