Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En het geschieddeH1961 in de dagenH3117 van AmrafelH569, de koningH4428 van SinearH8152, van AriochH746, de koningH4428 van EllasarH495, van Kedor-LaomerH3540, de koningH4428 van ElamH5867, en van TidealH8413, den koningH4428 der volkenH1471;
En het geschiedde in de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, van Arioch, de koning van Ellasar, van Kedor-Laomer, de koning van Elam, en van Tideal, den koning der volken;
KJV
And it came to pass in the days2
of Amraphel3
king4
of Shinar,5
Arioch6
king7
of Ellasar,8
Chedorlaomer9
king10
of Elam,11
and Tidal12
king13
of nations;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Dat zij krijgH4421 voerdenH6213 metH854 BeraH1298, koningH4428 van SodomH5467, en metH854 BirsaH1306, koningH4428 van GomorraH6017, SinabH8134, koningH4428 van AdamaH126, en SemeberH8038, koningH4428 van ZeboimH6636, en de koningH4428 van BelaH1106, datH1931 is ZoarH6820.
Dat zij krijg voerden met Bera, koning van Sodom, en met Birsa, koning van Gomorra, Sinab, koning van Adama, en Semeber, koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar.
KJV
That these made1
war2
with3
Bera4
king5
of Sodom,6
and with Birsha8
king9
of Gomorrah,10
Shinab11
king12
of Admah,13
and Shemeber14
king15
of Zeboiim,16
and the king17
of Bela,18
which is19
Zoar.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
DezeH428 allenH3605 voegden zich samen in het dalH6010 SiddimH7708, datH1931 is de ZoutzeeH4417.
Deze allen voegden zich samen in het dal Siddim, dat is de Zoutzee.
Ook in dit vers
voegden samenH2266
KJV
All these were joined together3
in the vale5
of Siddim,6
which7
is the salt9
sea.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
TwaalfH6240 jarenH8141 hadden zij Kedor-LaomerH3540 gediendH5647; maar in het dertiendeH7969 jaarH8141 vielenH4775 zij af.
Twaalf jaren hadden zij Kedor-Laomer gediend; maar in het dertiende jaar vielen zij af.
KJV
Twelve2
years3
they served4
Chedorlaomer,6
and in the thirteenth7
year9
they rebelled.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Zo kwamH935 Kedor-LaomerH3540 in het veertiendeH6240 jaarH8141, en de koningenH4428, dieH834 metH854 hem waren, en sloegenH5221 de Refaiten in Asteroth-KarnaimH6255, en de ZuzietenH2104 in HamH1990, en de EmietenH368 in Schave-KiriathaimH7741;
Zo kwam Kedor-Laomer in het veertiende jaar, en de koningen, die met hem waren, en sloegen de Refaiten in Asteroth-Karnaim, en de Zuzieten in Ham, en de Emieten in Schave-Kiriathaim;
Ook in dit vers
RefaietenH7497
KJV
And in the fourteenth2
year3
came4
Chedorlaomer,5
and the kings6
that were with him, and smote9
the Rephaims11
in Ashteroth Karnaim,12
and the Zuzims15
in Ham,16
and the Emims18
in Shaveh Kiriathaim,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En de HorietenH2752 opH5921 hun gebergteH2042 SeirH8165, totH5704 aan het effen veldH352 van ParanH6290, hetwelkH834 aan de woestijnH4057 is.
En de Horieten op hun gebergte Seir, tot aan het effen veld van Paran, hetwelk aan de woestijn is.
KJV
And the Horites2
in their mount
Seir,4
unto Elparan,6
which is by9
the wilderness.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Daarna keerden zij wederom, en kwamenH935 totH413 En-MispatH5880, datH1931 is KadesH6946, en sloegenH5221 alH3605 het landH7704 der AmalekietenH6003, en ookH1571 den AmorietH567, die te Hazezon-ThamarH2688 woondeH3427.
Daarna keerden zij wederom, en kwamen tot En-Mispat, dat is Kades, en sloegen al het land der Amalekieten, en ook den Amoriet, die te Hazezon-Thamar woonde.
Ook in dit vers
keerden wederomH7725
KJV
And they returned,1
and came2
to3
Enmishpat,4
which is Kadesh,7
and smote8
all the country11
of the Amalekites,12
and also the Amorites,15
that dwelt16
in Hazezontamar.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Toen toogH3318 de koningH4428 van SodomH5467 uit, en de koningH4428 van GomorraH6017, en de koningH4428 van AdamaH126, en de koningH4428 van ZeboimH6636, en de koningH4428 van BelaH1106, datH1931 is ZoarH6820; en zij steldenH6186 tegen hen slagordenH4421 in het dalH6010 SiddimH7708,
Toen toog de koning van Sodom uit, en de koning van Gomorra, en de koning van Adama, en de koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar; en zij stelden tegen hen slagorden in het dal Siddim,
KJV
And there went out1
the king2
of Sodom,3
and the king4
of Gomorrah,5
and the king6
of Admah,7
and the king8
of Zeboiim,9
and the king10
of Bela11
(the same12
is Zoar;)13
and they joined14
battle16
with them in the vale17
of Siddim;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Tegen Kedor-LaomerH3540, den koningH4428 vanH854 ElamH5867, en TidealH8413, den koningH4428 der volkenH1471, en AmrafelH569, den koningH4428 van SinearH8152, en AriochH746, den koningH4428 van EllasarH495; vierH702 koningenH4428 tegen vijfH2568.
Tegen Kedor-Laomer, den koning van Elam, en Tideal, den koning der volken, en Amrafel, den koning van Sinear, en Arioch, den koning van Ellasar; vier koningen tegen vijf.
KJV
With Chedorlaomer2
the king3
of Elam,4
and with Tidal5
king6
of nations,7
and Amraphel8
king9
of Shinar,10
and Arioch11
king12
of Ellasar;13
four14
kings15
with five.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Het dalH6010 nu van SiddimH7708 was volH875 lijmputtenH875; en de koningenH4428 van SodomH5467 en GomorraH6017 vluchttenH5127, en vielenH5307 aldaarH8033; en de overgeblevenenH7604 vluchttenH5127 naar het gebergteH2022.
Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten, en vielen aldaar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte.
KJV
And the vale1
of Siddim2
was full of slimepits;3
and the kings7
of Sodom8
and Gomorrah9
fled,6
and fell10
there; and they that remained12
fled14
to the mountain.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En zij namenH3947 alH3605 de haveH7399 van SodomH5467 en GomorraH6017, en alH3605 hun spijzeH400, en trokken wegH3212.
En zij namen al de have van Sodom en Gomorra, en al hun spijze, en trokken weg.
KJV
And they took1
all the goods4
of Sodom5
and Gomorrah,6
and all their victuals,9
and went their way.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Ook namenH3947 zij LotH3876, den zoonH1121 van AbramsH87 broederH251, en zijn haveH7399, en trokken wegH3212; want hijH1931 woondeH3427 in SodomH5467.
Ook namen zij Lot, den zoon van Abrams broeder, en zijn have, en trokken weg; want hij woonde in Sodom.
KJV
And they took1
Lot,3
Abram's8
brother's7
son,6
who dwelt11
in Sodom,12
and his goods,5
and departed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Toen kwamH935 er een, die ontkomenH6412 was, en boodschapteH5046 hetH1931 aan AbramH87, den HebreerH5680, die woonachtigH7931 was aan de eikenbossenH436 van MamreH4471, den AmorietH567, broederH251 van EskolH812, en broederH251 van AnerH6063, welke AbramsH87 bondgenotenH1167 waren.
Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, den Hebreer, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, den Amoriet, broeder van Eskol, en broeder van Aner, welke Abrams bondgenoten waren.
KJV
And there came1
one that had escaped,2
and told3
Abram4
the Hebrew;5
for he dwelt7
in the plain8
of Mamre9
the Amorite,10
brother11
of Eshcol,12
and brother13
of Aner:14
and these were confederate16
with Abram.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Als AbramH87 hoordeH8085, datH3588 zijn broederH251 gevangenH7617 was, zo wapendeH7324 hij zijn onderwezenenH2593, de ingeborenenH3211 van zijn huisH1004, driehonderdH7969 en achttienH6240, en hij jaagdeH7291 hen na tot Dan toe.
Als Abram hoorde, dat zijn broeder gevangen was, zo wapende hij zijn onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na tot Dan toe.
KJV
And when Abram2
heard1
that his brother5
was taken captive,4
he armed6
his trained8
servants, born9
in his own house,10
three13
hundred14
and eighteen,12
and pursued15
them unto Dan.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
En hij verdeeldeH2505 zich tegenH5921 hen des nachtsH3915, hijH1931 en zijn knechtenH5650, en sloegH5221 ze; en hij jaagdeH7291 hen na totH5704 HobaH2327 toe, hetwelkH834 is ter linkerhandH8040 van DamaskusH1834.
En hij verdeelde zich tegen hen des nachts, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, hetwelk is ter linkerhand van Damaskus.
KJV
And he divided1
himself against them, he and his servants,5
by night,3
and smote6
them, and pursued7
them unto Hobah,9
which is on the left hand11
of Damascus.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En hij brachtH7725 alleH3605 haveH7399 weder, en ookH1571 LotH3876 zijn broederH251 en deszelfs haveH7399 brachtH7725 hij weder, als ookH1571 de vrouwenH802, en het volkH5971.
En hij bracht alle have weder, en ook Lot zijn broeder en deszelfs have bracht hij weder, als ook de vrouwen, en het volk.
KJV
And he brought back1
all the goods,4
and also brought again10
his brother8
Lot,7
and his goods,9
and the women13
also, and the people.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En de koningH4428 van SodomH5467 toogH3318 uit, hem tegemoetH7125 (nadatH310 hij wedergekeerdH7725 was van het slaanH5221 van Kedor-LaomerH3540, en van de koningenH4428, die metH854 hem waren), tot het dalH6010 SchaveH7740, dat is, hetH1931 dalH6010 des koningsH4428.
En de koning van Sodom toog uit, hem tegemoet (nadat hij wedergekeerd was van het slaan van Kedor-Laomer, en van de koningen, die met hem waren), tot het dal Schave, dat is, het dal des konings.
KJV
And the king2
of Sodom3
went out1
to meet4
him after5
his return6
from the slaughter7
of Chedorlaomer,9
and of the kings11
that were with him, at the valley15
of Shaveh,16
which17
is the king's19
dale.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
En MelchizedekH4442, koningH4428 van SalemH8004, bracht voortH3318 broodH3899 en wijnH3196; en hijH1931 was een priesterH3548 des allerhoogstenH5945 GodsH410.
En Melchizedek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester des allerhoogsten Gods.
KJV
And Melchizedek1
king3
of Salem4
brought forth5
bread6
and wine:7
and he was the priest9
of the most high11
God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
En hij zegendeH1288 hem, en zeideH559: GezegendH1288 zij AbramH87 GodeH410, de AllerhoogsteH5945, Die hemelH8064 en aardeH776 bezitH7069!
En hij zegende hem, en zeide: Gezegend zij Abram Gode, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit!
KJV
And he blessed1
him, and said,2
Blessed3
be Abram4
of the most high6
God,5
possessor7
of heaven8
and earth:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
En gezegendH1288 zij de allerhoogsteH5945 GodH410, DieH834 uw vijandenH6862 in uw handH3027 geleverdH4042 heeft! En hij gafH5414 hem de tiendeH4643 van allesH3605.
En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles.
KJV
And blessed1
be the most high3
God,2
which hath delivered5
thine enemies6
into thy hand.7
And he gave8
him tithes
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
En de koningH4428 van SodomH5467 zeideH559 totH413 AbramH87: GeefH5414 mij de zielenH5315; maar neemH3947 de haveH7399 voor u.
En de koning van Sodom zeide tot Abram: Geef mij de zielen; maar neem de have voor u.
KJV
And the king2
of Sodom3
said1
unto Abram,5
Give6
me the persons,8
and take10
the goods
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Doch AbramH87 zeideH559 totH413 den koningH4428 van SodomH5467: Ik heb mijn handH3027 opgehevenH7311 totH413 den HEEREH3068, den allerhoogsteH5945 GodH410, Die hemelH8064 en aardeH776 bezitH7069;
Doch Abram zeide tot den koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot den HEERE, den allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit;
KJV
And Abram2
said1
to the king4
of Sodom,5
I have lift up6
mine hand7
unto the LORD,9
the most high11
God,10
the possessor12
of heaven13
and earth,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Zo ik van een draadH2339 aan tot een schoenriemH5275 toe, ja, zoH518 ik van allesH3605, datH834 het uwe is, iets nemeH3947! opdat gij nietH3808 zegtH559: IkH589 heb AbramH87 rijkH6238 gemaakt!
Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
KJV
That I will not1
take from a thread2
even to a shoelatchet,5
and that I will not6
take7
any thing that is thine, lest thou shouldest say,12
I have made14
Abram16
rich:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Het zij buitenH1107 mij; alleen watH834 de jongelingenH5288 verteerdH398 hebben, en het deelH2506 dezer mannenH582, dieH834 metH854 mij getogenH1980 zijn, AnerH6063, EskolH812 en MamreH4471, laatH1992 die hun deelH2506 nemenH3947!
Het zij buiten mij; alleen wat de jongelingen verteerd hebben, en het deel dezer mannen, die met mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mamre, laat die hun deel nemen!
KJV
Save1
only that which3
the young men5
have eaten,4
and the portion6
of the men
which went9
with10
me, Aner,11
Eshcol,12
and Mamre;13
let them14
take15
their portion.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
den koning
Versta onder dezen geen zo machtige of grote koningen en monarchen, als wel enigen naderhand geworden zijn; maar zulke regenten, die over enige landen of plaatsen en menigte van mensen regeerden; hetgeen blijkt daaruit, dat die vijf steden Sodom, Gomórra, enz. elk een koning gehad hebben, vs.2.
Hertaald:
den koning
Bedoeld worden hier geen zulke machtige, grote koningen en vorsten als later ontstonden, maar regeerders die over enkele landen of plaatsen en een aantal mensen heersten; dit blijkt uit het feit dat elk van die vijf steden — Sodom, Gomorra, enz. — een eigen koning had, vers 2.
Sinear,
Zie boven Gen. 10:10.
Hertaald:
Sinear,
Zie Gen. 10:10.
Ellasar,
Oppernoordelijk-Susan in Assyrië; verg. boven 2:11, de aantekening op den naam Havila.
Hertaald:
Ellasar,
Het meest noordelijke Susan in Assyrië; vergelijk de aantekening bij Gen. 2:11 over de naam Havila.
Elam,
Een landschap in Perzië, genaamd Elymais, van Elam den zoon van Sem, boven Gen. 10:22.
Hertaald:
Elam,
Een landstreek in Perzië, Elymaïs genoemd, naar Elam de zoon van Sem, zie Gen. 10:22.
der volken;
Het schijnt dat de onderdanen en krijgslieden van dezen koning uit onderscheiden natiën bestonden. Eenigen menen dat het Hebr. woord Gojim hier een naam is van zekere plaats of landschap.
Hertaald:
der volken;
Het lijkt erop dat de onderdanen en soldaten van deze koning uit verschillende volken bestonden. Sommigen menen dat het Hebreeuwse woord Gojim hier de naam van een bepaalde plaats of streek is.
Dat zij krijg voerden
Dit is de eerste oorlog in de Heilige Schrift duidelijk vermeld. Men vindt in geen andere historiën der wereld van enigen oorlog gewag gemaakt, die zo oud is als deze.
Hertaald:
Dat zij krijg voerden
Dit is de eerste oorlog die duidelijk in de Heilige Schrift vermeld wordt. In geen enkele andere wereldgeschiedenis wordt melding gemaakt van een oorlog die zo oud is als deze.
Sodom, Gomórra, Adama, Zebóïm, Zoar
Deze vijf steden, die hier met oorlogen worden gestraft, zijn [ Zoar uitgenomen] niet lang daarna, van wege haar ondragelijke goddeloosheid, met vuur en sulfer uit den hemel verteerd.
Hertaald:
Sodom, Gomórra, Adama, Zebóïm, Zoar
Deze vijf steden, die hier door oorlog gestraft worden, zijn [Zoar uitgezonderd] niet lang daarna vanwege hun ondraaglijke goddeloosheid met vuur en zwavel uit de hemel verteerd.
dat is Zoar
Zie boven Gen. 13:10.
Hertaald:
dat is Zoar
Zie Gen. 13:10.
in
Anders na, of tot. Dit was de laagte, waarin de voormelde steden gelegen waren.
Hertaald:
in
Anders: na, of tot. Dit was de laagvlakte waarin de genoemde steden lagen.
de Zoutzee
Na den ondergang dezer steden aldus genoemd, omdat die landstreek [waarin veel zout- of brakke lijmputten waren, vs.10], geworden is tot een groten stinkenden poel, ook genoemd Lacus Asphaltites. Dat is, de Pek-, of Lijm-zee, als ook de Dode-zee, omdat daarin geen dier levend kon blijven.
Hertaald:
de Zoutzee
Zo genoemd na de ondergang van deze steden, omdat die streek [waar veel zout- of teerputten waren, vers 10] veranderde in een grote, stinkende poel, ook Lacus Asphaltites genoemd — dat is: de Pek- of Teerzee, ook wel de Dode Zee, omdat daar geen enkel dier levend in kon blijven.
gediend;
Zijnde door hem door een voorgaanden krijg, zoals het schijnt, zover bemachtigd, dat zij hem tribuut moesten geven.
Hertaald:
gediend;
Doordat hij hen, naar het schijnt, door een eerdere oorlog zo had onderworpen, dat zij hem schatting moesten betalen.
in het
Hebr. dertien jaren, dat is, dertiende jaar, en zo ook in het volgende vs. veertien, voor het veertiende.
Hertaald:
in het
Hebreeuws: dertien jaren, dat is: het dertiende jaar, en zo ook verderop 'veertien' voor het veertiende.
de Refaïm
Een volk, afkomstig van Kanaän. Zie onder Gen. 15:20. Anders, Reuzen; men meent dat dezen zo genoemd zijn, om hun gezonde kracht en sterkte.
Hertaald:
de Refaïm
Een volk, afkomstig van Kanaän. Zie Gen. 15:20. Anders: Reuzen; men meent dat zij zo genoemd werden vanwege hun gezonde kracht en sterkte.
in Asteroth-Karnáïm,
Een stad over de Jordaan, ook alleen Asteroth genaamd: Deut. 1:4; Joz. 9:10, en Joz. 13:31; haar toenaam is Karnaïm, welke zij schijnt te hebben van wege haar gelegenheid.
Hertaald:
in Asteroth-Karnáïm,
Een stad aan de overkant van de Jordaan, ook alleen Asteroth genoemd: Deut. 1:4; Joz. 9:10, en Joz. 13:31; haar bijnaam Karnaïm lijkt zij aan haar ligging te ontlenen.
de Emim
Zeker volk, hetwelk men meent dat reuzen geweest zijn.
Hertaald:
de Emim
Een bepaald volk, waarvan men meent dat het reuzen waren.
Schave-Kiriatháïm
Een stad van de Rubenieten, naderhand in Gilead gebouwd, eerst, zoals het schijnt, genaamd Schave. Zie onder vs.17; Num. 32:17; Joz. 13:19. Anders, in het effen land.
Hertaald:
Schave-Kiriatháïm
Een stad van de Rubenieten, later gebouwd in Gilead, eerst, naar het schijnt, Schave genoemd. Zie vers 17; Num. 32:17; Joz. 13:19. Anders: in het effen land.
de Horieten
Hebr. Chorieten, een volk, dat in Seïr woonde, gelijk ook Ezau, onder Gen. 32:3, totdat de Edomieten of Ezaus nakomelingen hen van daar verdreven hebben, onder Gen. 36:20; Deut. 2:12, Deut. 2:22.
Hertaald:
de Horieten
Hebreeuws: Chorieten, een volk dat in Seïr woonde, evenals later Ezau, zie Gen. 32:3, totdat de Edomieten of Ezaus nakomelingen hen daarvandaan verdreven hebben, zie Gen. 36:20; Deut. 2:12, Deut. 2:22.
Paran,
Dit is de naam van een stad, het gebergte en het omliggende land. Zie Num. 13:3; Deut. 33:2; 1 Sam. 25:1; Hab. 3:3. Hiervan heeft de woestijn Paran haar naam; onder Gen. 21:21; Num. 10:12.
Hertaald:
Paran,
Dit is de naam van een stad, het gebergte en het omliggende land. Zie Num. 13:3; Deut. 33:2; 1 Sam. 25:1; Hab. 3:3. Hiervan heeft de woestijn Paran haar naam, zie Gen. 21:21; Num. 10:12.
En-Mispat,
Ten tijde van Mozes genoemd Kades, gelegen in de woestijn Sin. Zie Num. 20:1, Num. 20:14, Num. 20:16, Num. 20:22, onderscheiden, naar eniger gevoelen, van Kades Barnea; waarvan te zien is Num. 32:8; Deut. 1:19.
Hertaald:
En-Mispat,
In de tijd van Mozes Kades genoemd, gelegen in de woestijn Sin. Zie Num. 20:1, Num. 20:14, Num. 20:16, Num. 20:22; volgens sommigen te onderscheiden van Kades Barnea, zie Num. 32:8; Deut. 1:19.
land der
Dat is, de inwoners van het land.
Hertaald:
land der
Dat is: de inwoners van het land.
Amalekieten,
Een volk, afkomstig van Ezau, die dit land daarna bewoond hebben. Zie onder Gen. 36:12.
Hertaald:
Amalekieten,
Een volk, afkomstig van Ezau, dat dit land later bewoond heeft. Zie Gen. 36:12.
Emorieter,
Een der volken afkomstig van Kanaän; zie boven Gen. 10:16.
Hertaald:
Emorieter,
Een van de volken afkomstig van Kanaän; zie Gen. 10:16.
Hárezon-Thamar
Hebr. Chatsatson, daarna genoemd Engedi; zie Joz. 15:62; 1 Sam. 24:1; 2 Kron. 20:2.
Hertaald:
Hárezon-Thamar
Hebreeuws: Chatsatson, later Engedi genoemd; zie Joz. 15:62; 1 Sam. 24:1; 2 Kron. 20:2.
vol lijmputten;
Hebr. putten putten. Aldus wordt een woord bij de Hebreën tweemaal gesteld, om de veelheid van enig ding uit te drukken, 2 Kon. 3:16; Jer. 2:13.
Hertaald:
vol lijmputten;
Hebreeuws: putten putten. Zo wordt bij de Hebreeën een woord vaak herhaald om een grote hoeveelheid van iets aan te duiden, 2 Kon. 3:16; Jer. 2:13.
en vielen
Een manier van spreken omtrent degenen, die omkomen in den slag, of anderszins, zie Joz. 8:24-25; Richt. 8:10; Richt. 12:6; 1 Kron. 21:14. De vallenden worden hier gesteld tegen de overgeblevenen. Anders, vielen daar in, of daar heen.
Hertaald:
en vielen
Een uitdrukking voor degenen die in de strijd of anderszins omkomen, zie Joz. 8:24-25; Richt. 8:10; Richt. 12:6; 1 Kron. 21:14. De gevallenen worden hier tegenover de overgeblevenen gesteld. Anders: vielen daarin, of daarheen.
have
Zie boven Gen. 12:5, en onder vs.16, 21.
Hertaald:
have
Zie Gen. 12:5, en verderop vers 16, 21.
want hij
Namel. Lot; zie boven Gen. 13:12.
Hertaald:
want hij
Namelijk: Lot; zie Gen. 13:12.
eikenbossen
Zie boven Gen. 13:18.
Hertaald:
eikenbossen
Zie Gen. 13:18.
bondgenoten
Hebr. Heeren des verbonds. Het woord BAAL betekent in het algemeen dengene, die wat heeft, of ook gebruikt, of die tot iets genegen is, enz. gelijk onder Gen. 37:19, Heer der dromen, die veel dromen heeft; en Gen. 49:23, Heeren der pijlen, die veel pijlen gebruiken; 2 Kon. 1:8. Heer van het haar, die veel van haar heeft; Spr. 29:22. Heer der vergrimming, die tot gramschap genegen is. Alhier, Heeren des verbonds; zijn degenen die een verbond met elkander hebben gesloten.
Hertaald:
bondgenoten
Hebreeuws: heren van het verbond. Het woord baäl betekent in het algemeen degene die iets heeft, of gebruikt, of tot iets geneigd is, enz.; zo betekent in Gen. 37:19 'heer der dromen' iemand die veel droomt, en in Gen. 49:23 'heren der pijlen' degenen die veel pijlen gebruiken; 2 Kon. 1:8 'heer van het haar' iemand met veel haar; Spr. 29:22 'heer der gramschap' iemand die geneigd is tot toorn. Hier: 'heren van het verbond' zijn degenen die met elkaar een verbond gesloten hebben.
broeder
Dat is, zijn neef, zijns broeders Harans zoon; zie boven Gen. 11:27.
Hertaald:
broeder
Dat is: zijn neef, de zoon van zijn broer Haran; zie Gen. 11:27.
onderwezenen,
Of, leerlingen. Het Hebr. woord betekent een, die van jongsaf in enig ding onderwezen is, zij in religie, krijgszaken, of in iets anders. Anders toegeëigenden van zijn huis.
Hertaald:
onderwezenen,
Of: leerlingen. Het Hebreeuwse woord betekent iemand die van jongs af aan in iets onderwezen is, hetzij in religie, krijgskunde, of iets anders. Anders: vertrouwelingen van zijn huis.
Dan toe
Een stad aan den voet van het gebergte Libanon en de noordelijke grens van het land Palestina, tevoren genoemd Leschem, Joz. 19:47, of Lais, Richt. 18:27.
Hertaald:
Dan toe
Een stad aan de voet van het Libanongebergte en de noordelijke grens van Palestina, eerder Leschem genoemd, Joz. 19:47, of Lais, Richt. 18:27.
hij en zijn knechten,
Mitsgaders het volk van Aner, Eskol en Mamre, die als bondgenoten met hem uitgetogen waren. Zie vs.24.
Hertaald:
hij en zijn knechten,
Samen met het volk van Aner, Eskol en Mamre, die als bondgenoten met hem uitgetrokken waren. Zie vers 24.
Damaskus
Dit is de wijdvermaarde hoofdstad in Syrië. Zie Jes. 7:8, Jes. 17:1; Jer. 49:25; Hand. 9:2.
Hertaald:
Damaskus
Dit is de wijdvermaarde hoofdstad van Syrië. Zie Jes. 7:8, Jes. 17:1; Jer. 49:25; Hand. 9:2.
Schave,
Zie boven vs.5.
Hertaald:
Schave,
Zie hierboven bij vers 5.
het dal
Aldus genoemd van wege deze geschiedenis. Zie ook van dit dal, 2 Sam. 18:18.
Hertaald:
het dal
Zo genoemd vanwege deze gebeurtenis. Zie ook over dit dal, 2 Sam. 18:18.
Melchizédek,
Hebr. Melchitsedek, die een voorbeeld was op Christus. Zie Ps. 110:4; Hebr. 7:1.
Hertaald:
Melchizédek,
Hebreeuws: Melchitsedek, die een voorbeeld van Christus was. Zie Ps. 110:4; Hebr. 7:1.
Salem,
Hebr. Schalem, daarna genoemd Jeruzalem.
Hertaald:
Salem,
Hebreeuws: Schalem, later Jeruzalem genoemd.
bracht
Om Abram te vereren en zijn vermoeid heir te verversen, en niet om God daarmede offerande te doen. Want het Hebr. woord, dat hier staat, wordt nergens in de Heilige Schrift voor offeren gebruikt.
Hertaald:
bracht
Om Abram te eren en zijn vermoeide leger te verkwikken, niet om daarmee aan God een offer te brengen. Want het Hebreeuwse woord dat hier staat, wordt nergens in de Heilige Schrift voor offeren gebruikt.
zegende hem,
Als een priester des Allerhoogsten. Zie Hebr. 7:7.
Hertaald:
zegende hem,
Als priester van de Allerhoogste. Zie Hebr. 7:7.
Gezegend
Dat is, van den Heere begenadigd, en met allerlei weldaden naar ziel en lichaam begaafd.
Hertaald:
Gezegend
Dat is: door de HEERE begunstigd, en begiftigd met allerlei weldaden naar ziel en lichaam.
gezegend
Dat is, geloofd en gedankt; gelijk boven Gen. 9:26, onder Gen. 24:27.
Hertaald:
gezegend
Dat is: geloofd en gedankt, zoals in Gen. 9:26, en Gen. 24:27.
gaf hem
Abram gaf aan Melchizedek tienden. Zie Hebr. 7:4 enz., en vergelijk dit met het volgende vs.23.
Hertaald:
gaf hem
Abram gaf tienden aan Melchizedek. Zie Hebr. 7:4, enz., en vergelijk dit met het volgende vers 23.
zielen;
Hebr. de ziel, dat is, de mensen, of personen, of lieden. Zie boven Gen. 12:5.
Hertaald:
zielen;
Hebreeuws: de ziel, dat is: de mensen, of personen, of lieden. Zie Gen. 12:5.
Ik heb
Dat is, Ik heb gezworen met opgeheven hand. Zie deze manier van zweren ook Ex. 6:7; Num. 14:30; Deut. 32:40; Ezech. 20:5-6; Openb. 10:5-6.
Hertaald:
Ik heb
Dat is: Ik heb gezworen met opgeheven hand. Zie deze manier van zweren ook Ex. 6:7; Num. 14:30; Deut. 32:40; Ezech. 20:5-6; Openb. 10:5-6.
Zo ik
Dit is een afgebroken rede, bij de Hebreën zeer gebruikelijk, waardoor zij de straf, die zij verdienen, zo zij vals zweren, plegen te verzwijgen, tonende daarmede dat zij generlei straf uitnemen, maar die overlaten aan het rechtvaardig oordeel van God. Versta dan hier: Wee mij, of God doe mij dit of dat, zo ik, enz. Zie onder Gen. 26:29.
Hertaald:
Zo ik
Dit is een afgebroken zin, bij de Hebreeën zeer gebruikelijk, waarmee zij de straf die zij verdienen als zij vals zweren, plegen te verzwijgen — daarmee tonend dat zij zichzelf geen straf toe-eigenen, maar die overlaten aan het rechtvaardig oordeel van God. Versta hier dus: Wee mij, of: God doe mij dit of dat, als ik, enz. Zie Gen. 26:29.
Het zij
Of, zonder mij, daar ik niets van het uwe zal nemen. Anderen vertalen: behalve alleen wat, enz. Zie dergelijke manier van spreken, onder Gen. 41:16.
Hertaald:
Het zij
Of: zonder mij, want ik zal niets van het uwe nemen. Anderen vertalen: behalve alleen wat, enz. Zie een vergelijkbare uitdrukking in Gen. 41:16.
laat
Laat volgen niet alleen den jongelingen, wat zij van den roof der vijanden verteerd hebben, maar ook aan de drie mannen, wat zij daarvan nog voor hun deel zouden mogen eisen.
Hertaald:
laat
Laat niet alleen de jongemannen krijgen wat zij van de buit van de vijanden verteerd hebben, maar ook de drie mannen wat zij daarvan nog als hun deel zouden mogen opeisen. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas De zoon van Terah, vóór zijn oudere broers Nahor en Haran genoemd (Gen. 11:27) omdat hij de erfgenaam van de beloften was. Op zeventigjarige leeftijd verliet hij met zijn familie Ur der Chaldeeën; later, na de dood van zijn vader in Haran, ontving hij van de HEERE de roeping om naar het onbekende land Kanaän te trekken, 'niet wetende waar hij komen zou' (Hebr. 11:8). Later zou zijn naam veranderd worden in Abraham (Gen. 17:4-5). De zoon van Haran en neef van Abram (Gen. 11:27, 31). Na de dood van zijn vader trok hij mee met zijn grootvader Terah en later met zijn oom Abram naar Kanaän. Later scheidde hij zich van Abram af en vestigde zich bij Sodom (Gen. 13), werd gevangengenomen door Kedorlaomer en door Abram bevrijd (Gen. 14), en werd ten slotte wonderlijk gered uit het brandende Sodom (Gen. 19). De koning van Salem (later Jeruzalem) en 'priester des allerhoogsten Gods', die Abram tegemoet kwam met brood en wijn toen deze terugkeerde van zijn overwinning op Kedorlaomer, en hem zegende; Abram gaf hem daarop de tiende van de buit (Gen. 14:18-20). Vanwege zijn priesterschap zonder vermelde afkomst of opvolging wordt hij in Ps. 110:4 en Hebr. 5-7 gebruikt als een voorafbeelding van het eeuwige priesterschap van Christus, 'naar de ordening van Melchizédek'. De koning van Elam, die met vier verbonden koningen het gebied bij de Dode Zee onderwierp en, toen de daar wonende koningen na twaalf jaar in opstand kwamen, een strafexpeditie ondernam waarbij ook Lot gevangen werd genomen. Abram achtervolgde hem met driehonderdachttien man, versloeg hem bij Dan en bevrijdde Lot met alle buit (Gen. 14). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Ligging: Een laagvlakte in een inzinking van het Iraanse hoogland, ten oosten van Babylonië; het oudere, kleinere gebied lag tussen het Pusht-e-Koeh-gebergte in het westen, de Loer-bergen in het noorden en de Bachtiari-hoogten in het oosten; het latere, grotere gebied strekte zich tot aan de zee in het zuiden uit. Geschiedenis: Reeds in Gen. 10:22 genoemd als nakomeling van Sem. Ten tijde van Abraham was Elam, onder koning Kedor-Laomer, de heersende macht in Neder-Mesopotamië, die zelfs over vorsten als Amrafel van Sinear gezag uitoefende — Kedor-Laomer trok met zijn bondgenoten ver naar het westen om de opstandige koningen van de vlakte te onderwerpen (Gen. 14). Bijbelse betekenis: Toont dat God Abraham al vroeg in aanraking bracht met de grote wereldmachten van zijn tijd; na zijn overwinning op deze machtige koningen weigerde Abram enige buit voor zichzelf te houden (Gen. 14:22-24). Archeologie: Opgravingen bij Susan (Susa), de hoofdstad van Elam in het huidige Iran, hebben een van de oudste steden van het Nabije Oosten blootgelegd, met een lange, grotendeels zelfstandige geschiedenis naast Babylonië en Assyrië. Gen. 10:22; 14:1-17; Jes. 21:2; 22:6; Jer. 25:25; 49:34-39; Ez. 32:24 Ligging: De vallei rond de Zoutzee (de latere Dode Zee), gelegen tussen En-Gedi en de steden van de vlakte; over de precieze ligging (noord- of zuidkant van de Dode Zee) bestaat dezelfde onenigheid als bij de steden van de vlakte zelf (zie Genesis 13). Geschiedenis: Hier versloeg Kedor-Laomer, koning van Elam, met zijn bondgenoten de koningen van Sodom, Gomorra en de overige steden van de vlakte, die twaalf jaar aan hem onderworpen waren geweest maar in het dertiende jaar in opstand kwamen. De vallei was vol asfalt- (of leem-)putten, waarin de vluchtende koningen van Sodom en Gomorra vielen (Gen. 14:10). Bijbelse betekenis: Het toneel van Abrams eerste optreden als bevrijder — hij achtervolgde de overwinnaars tot bij Damascus om zijn neef Lot te bevrijden, en werd bij zijn terugkeer door Melchizedek gezegend. Gen. 14:1-11 Ligging: Door zowel de joodse als de christelijke overlevering (Josephus, de Targums) van oudsher gelijkgesteld met Jeruzalem, mede op grond van Ps. 76:2, waar "Salem" parallel staat aan "Sion". Volgens Gen. 14:17 lag de plaats in de nabijheid van "het dal van Save", ook wel "het dal des konings" genoemd. Geschiedenis: Hier kwam Melchizedek, koning van Salem en priester van God de Allerhoogste, Abram tegemoet met brood en wijn na diens overwinning op de koningen, en zegende hem; Abram gaf hem daarop de tienden van alles. Bijbelse betekenis: Melchizedeks priesterlijk koningschap wordt in Ps. 110:4 en in Hebreeën 5-7 gebruikt als voorafschaduwing van het eeuwige priesterschap van Christus, "naar de ordening van Melchizedek". Recente inzichten: De gelijkstelling van Salem met Jeruzalem wordt door de meeste hedendaagse geleerden nog altijd aangehouden, al hebben sommige recente onderzoekers — mede op grond van vroege Egyptische en Amarna-teksten, die Jeruzalem steevast met een langere naam aanduiden — geopperd dat het Salem uit Genesis 14 mogelijk een andere, kleinere plaats was, bijvoorbeeld in de buurt van Sichem. Gen. 14:18-20; Ps. 76:2; Hebr. 5:6,10; 6:20-7:17 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Na zijn overwinning op de koningen die Lot gevangen hadden genomen, gaf Abram aan Melchizedek, koning van Salem en priester des allerhoogsten Gods, de tienden van alles (Gen. 14:20) — de eerste vermelding van tienden geven in de Bijbel. Later legde ook Jakob de gelofte af om God stipt de tienden te geven van alles wat Hij hem geven zou (Gen. 28:22). Bijbelse betekenis: Het geven van tienden is in de Bijbel een uitdrukking van dankbare erkenning dat alle bezit uiteindelijk van God komt en dat Hem daarom het eerste en beste deel toekomt. Bij Abram gebeurt dit vrijwillig, nog vóór er sprake is van een wet die dit gebood. Typologie: De Hebreeënbrief wijst op het bijzondere van dit moment: Abram, de vader der gelovigen, tiende aan Melchizedek. Diens priesterschap blijkt groter dan het latere Levitische priesterschap dat uit Abram voortkwam, en het is naar het woord van de Hebreeënbrief een beeld van het priesterschap van Christus Zelf (Hebr. 7:1-10). Gen. 14:18-20; Gen. 28:22; Hebr. 7:1-10 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Profeet, priester en koning niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe ambt Vier hoofdstukken na de roeping van Abram, eeuwen vóór Aäron. Er is nog geen priesterschap in Israël en geen koningschap; toch verschijnt hier iemand die beide draagt. Zonder geslachtsregister en zonder wet treedt een priester-koning op, en de Schrift maakt hem tot maat voor het priesterschap van Christus. Abram keert terug van de slag tegen vier koningen, en onderweg komt hem iemand tegemoet over wie de Schrift verder vrijwel zwijgt. Melchizedek, koning van Salem — de kanttekening merkt op dat Salem het latere Jeruzalem is — brengt brood en wijn en zegent hem. Hij is priester des allerhoogsten Gods. De kanttekenaars aarzelen hier niet: Melchizedek was een voorbeeld van Christus, en zij verwijzen naar Psalm 110 en Hebreeën 7. Wat maakt hem dat? Drie dingen die in Israël onmogelijk samengingen. Ten eerste draagt hij twee ambten tegelijk. In Israël zou dat later streng gescheiden zijn: koning Uzzia die het reukoffer wilde brengen, werd melaats de tempel uitgezet. Hier staat één man die priester én koning is, en dat eeuwen vóór Aäron. Ten tweede is hij priester zonder geslachtsregister. Voor het priesterschap van Aäron was afstamming alles; wie zijn papieren niet kon tonen, werd uit het priesterambt geweerd. Van Melchizedek vermeldt de Schrift geen vader, geen moeder en geen einde van dagen. De Hebreeënbrief bouwt daar zijn hele betoog op: niet dat hij die niet hád, maar dat de Schrift ze verzwijgt, en dat hij daardoor Gods Zoon gelijk gemaakt is. Ten derde is hij de meerdere van Abram. Abram geeft hém de tienden, en de mindere wordt door de meerdere gezegend. De Hebreeënbrief trekt daaruit een gevolgtrekking die voor Joodse lezers verrassend was: Levi, die nog in Abrahams lendenen was, heeft in Abraham tienden gegeven aan Melchizedek. Het priesterschap van Aäron buigt zich hier dus vóór het bestaat. Psalm 110 doet er nog een schep bovenop. Daar zweert God aan de Messias: Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek. Dat is geen terloopse vergelijking maar een eed. Wie uit Juda geboren wordt, kan naar de wet nooit priester zijn — tenzij er een ander priesterschap bestaat dan dat van Levi. En dat is precies wat Genesis 14 laat zien, drie verzen lang, en dan verdwijnt hij weer. In het Nieuwe Testament: Psalm 110:4; Hebreeën 5:6, 10; Hebreeën 7:1-17 Hoever dit reikt: De Hebreeënbrief zegt dat Melchizedek de Zoon van God GELIJK GEMAAKT is, niet dat hij de Zoon van God wás. Het zwijgen van de Schrift over zijn afkomst is daarbij het argument. Dat het brood en de wijn op het Avondmaal zouden zien, zegt de Schrift niet; de kanttekening merkt juist op dat het Hebreeuwse woord daar niet over offeren gaat.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Genesis 14
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Melchizedek, priester en koning tegelijk — 14:18-20
Wat betekenen de niveaus?


Genesis 14
Genesis 14:17-18.KruisverwijzingenPsalmen 110:4→Hebreeën 5:6→Hebreeën 5:10→2 Samuël 18:18→Hebreeën 6:20→Psalmen 76:2→Handelingen 16:17→Mattheüs 26:26→
— En de koning van Sodom toog uit, hem tegemoet (nadat hij wedergekeerd was van het slaan van Kedor-Laomer, en van de koningen, die met hem waren), tot het dal Schave, dat is, het dal des konings. En Melchizedek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester des allerhoogsten Gods.
Hier ontmoeten wij iemand die zowel koning als priester was. Voor zover wij weten, was hij de enige die beide ambten tegelijk bekleedde. Daarom is hij een treffend type van die wonderlijke Koning-Priester over Wie wij lezen in Psalm 110 en in de Brief aan de Hebreeën.
Genesis 14:19-20.KruisverwijzingenGenesis 28:22→Genesis 14:22→Lukas 18:12→Hebreeën 7:6→Mattheüs 11:25→Maleachi 3:10→Genesis 24:27→Genesis 27:4→
— En hij zegende hem, en zeide: Gezegend zij Abram Gode, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit! En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles.
Het moet voor Abraham bijzonder verkwikkend zijn geweest een geestverwant te ontmoeten, iemand die hij als zijn meerdere erkende. Hij zal ongetwijfeld vermoeid zijn geweest, al had hij de overwinning behaald. Daarom schonk de Heere hem op dat moment bijzondere verkwikking.
Geliefden, hoe zoet is het wanneer de grotere Melchizedek ons tegemoetkomt! Jezus Christus, onze grote Koning-Priester, ontmoet ons nog altijd en reikt ons brood en wijn aan. Dikwijls zijn de tekenen op Zijn tafel voor ons tot verkwikking geweest, maar hun geestelijke betekenis heeft onze ziel nog veel meer versterkt en vertroost. Er is geen voedsel te vergelijken met het brood en de wijn die onze gezegende Melchizedek ons geeft, namelijk Zijn eigen vlees en bloed.
Daarom mogen wij Hem de tienden geven van alles wat wij bezitten. Ja, wij mogen zelfs zeggen: “O Heere, neem geen tienden, maar neem alles!”
Genesis 14:21.
— En de koning van Sodom zeide tot Abram: Geef mij de zielen; maar neem de have voor u.
Volgens het oorlogsrecht behoorden deze goederen Abraham toe als buit.
Genesis 14:22-23.KruisverwijzingenExodus 6:8→Daniël 12:7→2 Koningen 5:16→Deuteronomium 32:40→Psalmen 24:1→Openbaring 10:5→Esther 9:15→Genesis 17:1→
— Doch Abram zeide tot den koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot den HEERE, den allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit; Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
Soms brengt de voorzienigheid een kind van God in een zeer bijzondere positie. Ter wille van Lot moest Abraham ten strijde trekken tegen de vijanden van de koning van Sodom. Zo hebben ook wij, in de strijd voor de vrijheid van de godsdienst, soms moeten samenwerken met mensen van wie wij evenzeer verschillen als Abraham verschilde van de koning van Sodom. Toch moet voor het recht worden gestreden, onder welke omstandigheden dan ook.
Vroeg of laat komt echter het beslissende moment waarop ons ware karakter openbaar wordt. Zullen wij persoonlijk voordeel zoeken in zo’n samenwerking? Dat verwerpen wij. Wij erkennen dat zij tijdelijk noodzakelijk kan zijn, maar wij zijn er niet aan begonnen om er zelf beter van te worden.
Genesis 14:23.Kruisverwijzingen2 Koningen 5:16→Esther 9:15→2 Korinthe 12:14→Hebreeën 13:5→1 Koningen 13:8→2 Korinthe 11:9→2 Koningen 5:20→
— Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!
De aartsvader staat hier hoger dan de koning. Hij had recht op de gehele oorlogsbuit, maar hij wilde er niets van aannemen, uit vrees dat daardoor de eer van zijn God zou worden aangetast. Abraham wilde niets ontvangen dan wat zijn God hem gaf. Van de koning van Sodom wilde hij niets aannemen.
Ik zie deze verheven onafhankelijkheid graag terug in de gelovige. “Ik heb er recht op,” zegt hij, “maar ik zal het niet aannemen. Wat betekenen louter aardse rechten voor mij? Mijn eerste roeping is de God te eren van Wie ik ben en Die ik dien. Als het aannemen van deze buit Zijn eer zou schaden, dan zal ik nog niet eens een draad of een schoenveter aannemen.”
Genesis 14:24. KruisverwijzingenSpreuken 3:27→Romeinen 13:7→Mattheüs 7:12→1 Korinthe 9:14→1 Timotheüs 5:18→Genesis 14:13→
— Het zij buiten mij; alleen wat de jongelingen verteerd hebben, en het deel dezer mannen, die met mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mamre, laat die hun deel nemen!
Zij hadden daar recht op. Wat wij zelf doen, verwachten wij niet altijd van anderen. Voor een dienaar van God geldt een hogere maatstaf dan voor andere mensen. Daarom kunnen wij soms zien wat anderen doen zonder hen te veroordelen, ook al zouden wij zelf niet op dezelfde wijze kunnen handelen. Als dienaren van de Heere zijn wij immers geroepen tot een hogere levenswandel.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
ABRAHAM REDT LOT EN WORDT DOOR MELCHIZEDEK GEZEGEND.
I. Vers 1-16
In een krijgstocht, die Kedor Laómer van Elam met zijn bondgenoten tegen de van hem afgevallen koningen van het Siddimdal onderneemt, wordt Lot gevangen weggevoerd. Abram ijlt met zijn knechten en verbondenen de zegevierende koning achterna, en bevrijdt niet alleen zijn neef uit diens geweld, maar brengt ook alle overige gevangenen terug.
1. En het geschiedde 1) in de dagen van Amrafel (veroveraar), de koning van Sinear, Babylonië (hoofdstuk. 11:2), waar Nimrod een wereldrijk gesticht had (hoofdstuk. 10:10), maar dat thans tot een heerschappij over deze landstreek alleen was verminderd; van Arioch (de Ariër: Arïa, een stad in Perzië), de koning van Ellasar, waarschijnlijk Artemita in zuidelijk Assyrië, ten noorden van Babylonië; van Kedor-Laómer (band voor een schoof) de koning van Elam of Elymaïs aan de Perzische golf (hoofdstuk. 10:22), en van Tideal (verering), de koning van de volkeren, van de Gojim, heidenen, welke waarschijnlijk in het land woonden, dat later Galilea van de volken (MATTHEUS. 4:15) heette.
1) De geschiedenis, welke in dit hoofdstuk wordt meegedeeld, is vooral om drie redenen belangrijk om vermeld te worden. Het is toch aan te nemen dat Lot de Sodomieten door zachte terechtwijziging, tot boete vermaand heeft, tenzij zij volstrekt niets wilden leren en van hun boosheid geen afstand hebben willen doen. Doch Lot, verlokt en aangetrokken, door de vetheid van de aarde, zich met de bozen en goddelozen vermengd had, werd met dezelfde geselroeden geslagen. Vervolgens, omdat God, medelijden met hem hebbende, Abram tot een redder en bevrijder maakte, die hem, als een gevangene, uit de handen van zijn vijanden verloste, waarbij de ongelooflijke goedheid Gods en Zijn liefde jegens de zijnen, helder aan het licht treedt, door ter wille van één mens veel meer goddelozen tijdelijk te redden. Ten derde, omdat Abram op goddelijke wijze met een schitterende overwinning begiftigd, en door de mond van Melchizedek werd gezegend, in wiens persoon het koningschap en priesterschap van Christus werd afgeschaduwd, zoals uit andere plaatsen in de Schrift blijkt. Wat nu de geschiedenis zelf aangaat, wij hebben hier een schouwspel, zowel van de menselijke hebzucht als van zijn trotsheid. Het menselijk geslacht had zijn drie aartsvaders Sem, Cham en Jafeth nog, door wier aanblik zij herinnerd werden dat zij allen uit één huis en ark, hun oorsprong hadden.
2. Dat zij krijg voerden met de koningen van de vijf steden, die in de Jordaanvlakte lagen, met Bera (zoon van het kwaad), de koning van Sodom (brandstad), en met Birsa (zoon van de goddeloosheid), de koning van Gomorra (verzinking); Sinab (tand van de vader), de koning van Adama (akkerstad), en Semëber (in de hoogte uitstekende) de koning van Zebóïm (Hyenaplaats), en de, koning van Bela (verderf) die waarschijnlijk, dezelfde naam als zijn stad droeg, dat is Zoar (het kleine), alzo genoemd na de geschiedenis, (hoofdstuk. 19:20) vermeld.
Elke Kanaänitische stad had, zo als het boek Jozua bericht, haar koning. De Feniciërs hadden kleinere rijken, die met elkaar verbonden waren.
3. Deze allen voegden zich tezamen toen het vijandelijke leger de grenzen naderde (vs. 8 vv.) in het dal Siddim (vlakte), dat is de Zoutzee, waar nu de Zout- of Dode zee is; daar stelden zij zich in slagorde op en wachtten de aanval af. Zij zelf echter hadden tot de gehele oorlog aanleiding gegeven.
4. Twaalf jaar hadden zij Kedor-Laómer gediend, en hem schatting opgebracht; maar in het dertiende jaar vielen zij af.
5. Zo kwam Kedor-Laómer in het veertiende jaar, en de koningen, die aan hem schatplichtig en met hem waren, en versloegen op hun tocht van Babylonië naar Siddim de naburen van de vijf steden, namelijk de a) Refaïeten of reuzen, een Kanaänitische volksstam van reusachtige lichaamsgrootte, in het landschap Basan of Batanaea (Deuteronomium. 1:4), wonende in Asteroth-Karnaïm (gehoornde Astarten: naar de godin Astarte), en de Zusieten (sterke volken) in Ham (oproer), een stad van de Ammonieten, en de b) Emieten (verschrikking) in Schave, (het veld van) Kiriathaïm (dubbele stad), een tot de Refaïeten behorende volksstam onder aan de Arnon, in het later door de Moabieten bewoonde gebied.
a) Genesis 15:20 b) Deuteronomium. 2:10,11
6. En de, later door de Edomieten verdrevene (Deuteronomium. 2:12) Horieten (holbewoners) op hun gebergte Seïr (bosachtig) dat meer zuidelijk ligt, tot aan het effen veld van Paran (holenoord), hetwelk aan de woestijn is; tot aan een met terpentijnbomen begroeide vlakte in het land Paran, dat aan de Arabische woestijn grenst (hoofdstuk. 21:21, Numeri 10:12 ). Waarschijnlijk is Elath, aan het noorden van de Elanietische golf, bedoeld.
7. Daarna, nadat zij de omwonende volken in het noorden, oosten en westen van Siddim hadden onder gebracht en niets meer van deze te vrezen hadden, keerden zij terug, drongen niet verder naar het zuiden door, maar gingen naar het noordwesten, en kwamen tot En (de bron van) Mispat (gericht) dat is Kades (heiligdom), Kades Barnea, aan de zuidelijke grenzen van Palestina (Numeri 20:12 vv.); en sloegen al het land van de Amalekieten (volk van rovers), de bewoners van die landstreek, die later de Amalekieten toebehoorde, en ook de Emoriet (bergbewoner), die te Hazézon-Thamar (steentjes, of bezwaren van de palm, zo genoemd, omdat de grond moeilijk te begaan was, vanwege de stenen, en omdat er veel palmbomen waren) woonde, in de naburige Engedi, aan de westkust van de Dode zee.
8. Toen de vijanden nu van het zuidwesten in zijn land kwamen, toog de koning van Sodom uit, en de koning van Gomorra, en de koning van Adama, en de koning van Zeboïm, en de koning van Bela, dat is Zoar, en zij stelden tegen hem, gelijk reeds in vs. 3 vermeld is, slagorden in het dal Siddim.
9. Tegen Kedor-Laómer, de koning van Elam, en Tidéal, de koning van de volken, en Amrafel, de koning van Sinear, en Arioch, de koning van Ellasar; vier koningen dus, die tot heden slechts overwonnen hadden, tegen vijf, 1) die het dreigend gevaar zochten af te weren.
1) Uit deze woorden blijkt het grote veldheerstalent van Kedor-Laómer. Eerst heeft hij de omliggende volken overwonnen en weerloos gemaakt; nu stelt hij zijn verbonden leger tegen dat van zijn vijanden. Van buitenaf konden nu de koningen van Sodom en Gomorra geen hulp meer ontvangen.
10. Het dal nu, van Siddim, later de Zoutzee, was vol lijm- of asfalt-putten; 1) daarom hadden zij dit terrein gekozen voor hun slagorden, omdat zij de vijand, wanneer zij hem geslagen hadden, in die lijmputten konden drijven en zo aan een gewisse ondergang ten prooi konden geven. Maar het liep anders af, dan zij gedacht hadden, en zij zelf, de koning van Sodom en Gomorra en de overige met hen verbonden vorsten, vluchtten voor de overmacht van de vijand, en vielen 2) aldaar; en de overgeblevenen van het zwaard en de ontkomenen aan de lijmputten, onder anderen de koning van Sodom (vs. 17), vluchtten naar het gebergte, de in het oosten gelegen Moabitische bergen.
1) Hebr. “putten, putten,” dat is: “putten aan putten.” De nafta, aardhars, lijm of jodenlijm was van zwartachtige kleur en vettige glans. Met enige warmte kon het gesmolten worden en was licht ontvlambaar. “Nog altijd stijgt uit de diepte van de Dode zee aardpek naar de oppervlakte, door de zon en het zout verdroogd en verhard, drijft het als een schors over het water. In Mesopotamië vindt men nog dergelijke wellen van aardpek, en in de omgeving van Baku, aan de Kaspische zee, van Nafta, die men niet te dicht moet naderen, wil men niet het gevaar lopen dat de grond onder zijn voeten wegzinkt. Aan de oevers van de Dode zee zijn zodanige kuilen, waarop de bodem deze aardpek gevonden wordt.
2) “Vielen aldaar.” Hierover lopen de gevoelens uiteen. Sommigen menen, dat zij in de lijmputten gedrongen zijn, anderen, dat zij zich in die putten geworpen hebben, om aldus voor het oog van de haastig vervolgende vijand verborgen te zijn; weer anderen o.a. Calvijn zijn van mening, dat zij in de schromelijke verwarring, ten gevolge van de nederlaag, in plaats van de dood door het staal van de vijand, de dood in de lijmputten hebben gekozen. Met het oog op hetgeen vermeld wordt van de overgeblevenen, is het laatste gevoelen het waarschijnlijkste.
11. En de overwinnende koningen namen, daar het hun om buit te doen was, al de have van Sodom en van Gomorra, en van de andere steden, en al hun spijze en trokken weg.
Het krijgsgebruik van die dagen bracht mee, dat van de overwonnen steden al de tilbare have werd meegenomen en de inwoners als slaven en slavinnen verkocht.
12. Ook namen zij Lot, 1) de zoon van Abram’s broeder, en zijn have, en trokken weg; want hij woonde in Sodom. 2) (hoofdstuk. 13:12)
1) Opmerkelijk zijn de toevoegingen: “Abram’s broeder” en “want hij woonde in Sodom.” Zo worden wij gewezen op Lots verkeerde houding tegenover Abram, en op zijn zonde, om in een landstreek van gruwelen te blijven wonen, alleen om het betere land. God gebruikt nu de vier koningen als een roede om Lot te tuchtigen, tegelijk met de goddeloze inwoners van het dal. Het moest voor hem een waarschuwing zijn, dat hij hen zou verlaten; want wie met goddelozen woont, moet dikwijls in hun straffen delen. Het is de roepstem des Heren tot hem. Openbaring. 18:4.
Toen de oorlog uitbrak, schijnt men Lot, als vreemdeling, niet gedwongen te hebben, om de wapens te voeren. “Hij woonde in Sodom,” en hetgeen vooraf gaat, doet vermoeden, dat hij ongewapend gevangen is genomen in zijn eigen huis.
Het is een veelbetekenende aanwijzing in de Schrift en ernstige wenk en waarschuwing voor allen, die eerst met het volk des Heren omgingen en later zich moedwillig daarvan afzonderden, om dichter bij de wereld, haar weelderige vormen en verleidelijke beschaving te zijn.
Wie bij de goddelozen vertoeft, deelt ook, als God Zijn oordelen zendt, in de plagen van de goddelozen.
2) Werd in hoofdstuk. 13:12 gezegd: dat hij zijn tenten spande tot Sodom toe, hier wordt ons bericht, dat hij reeds in Sodom woonde. Ziedaar de macht van de verleiding.
13. Toen kwam er een, die ontkomen was, 1) en boodschapte het aan Abram, de Hebreeër, de nakomeling van Heber, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre (vetheid), de Emoriet, broeder van Eskol (druiventros), en broeder van Aner (jongeling), welke drie broeders, opperhoofden van de Amorieten, Abram’s bondgenoten waren. Deze waren, omdat zij een verbond tot onderlinge bescherming gesloten hadden, verplicht hem te helpen, en te meer verliet hij zich op hun bereidwilligheid, omdat zijn broederszoon mede onder de gevangenen was.
a) Genesis 13:18
1) Een vluchteling, die Abram opzoekt, moet wel in nadere betrekking tot Lot gestaan hebben.
Dit is het tweede gedeelte van het hoofdstuk, waarin Mozes uiteenzet, hoe God voor zijn knecht Lot zorgde, hem Abram tot een bevrijder heeft gegeven, die hem uit de handen van zijn vijanden verloste. Maar hier ontstaan verschillende vraagstukken, of Abram als privaat persoon zijn gezin mocht wapenen tegen de koningen en een openbare oorlog voeren. Ik nu twijfel niet, dat hij, toegerust met dapperheid, door de Geest gedwongen tot de oorlog, ook door een goddelijk bevel werd bevestigd, opdat hij de grenzen van zijn roeping niet zou overschrijden. Dit moet u niet vreemd voorkomen, omdat hij een bijzondere roeping had en reeds tot koning van dat land was bestemd. Ofschoon het bezit tot een andere tijd was uitgesteld, wilde God toch een bijzonder bewijs van zijn macht geven, welke tot nog toe aan de mensen onbekend was. Een soortgelijk geval lezen wij van Mozes, toen hij de Egyptenaar doodde, lang voor hij als bevrijder en redder van zijn volk optrad.
Die vreemdeling moet wel goede gedachten gehad hebben, èn van Abram’s bereidwilligheid om zijn neef te redden, maar ook van Abram’s macht en kracht, om het tegen het verbonden leger van de vijand op te durven nemen. Wellicht dat ook hoop op zelfbehoud die inwoner van Sodom gedreven heeft, om aan Abram deze boodschap te brengen.
13. Toen kwam er een, die ontkomen was, 1) en boodschapte het aan Abram, de Hebreeër, de nakomeling van Heber, die woonachtig was aan des eikenbossen van Mamre (vetheid), de Emoriet, broeder van Eskol (druiventros), en broeder van Aner (jongeling), welke drie broeders, opperhoofden van de Amorieten, Abram’s bondgenoten waren. Deze waren, omdat zij een verbond tot onderlinge bescherming gesloten hadden, verplicht hem te helpen, en te meer verliet hij zich op hun bereidwilligheid, omdat zijn broederszoon mede onder de gevangenen was.
a) Genesis 13:18
1) Een vluchteling, die Abram opzoekt, moet wel in nadere betrekking tot Lot gestaan hebben.
Dit is het tweede gedeelte van het hoofdstuk, waarin Mozes uiteenzet, hoe God voor zijn knecht Lot zorgde, hem Abram tot een bevrijder heeft gegeven, die hem uit de handen van zijn vijanden verloste. Maar hier ontstaan verschillende vraagstukken, of Abram als privaat persoon zijn gezin mocht wapenen tegen de koningen en een openbare oorlog voeren. Ik nu twijfel niet, dat hij, toegerust met dapperheid, door de Geest gedwongen tot de oorlog, ook door een goddelijk bevel werd bevestigd, opdat hij de grenzen van zijn roeping niet zou overschrijden. Dit moet u niet vreemd voorkomen, omdat hij een bijzondere roeping had en reeds tot koning van dat land was bestemd. Ofschoon het bezit tot een andere tijd was uitgesteld, wilde God toch een bijzonder bewijs van zijn macht geven, welke tot nog toe aan de mensen onbekend was. Een soortgelijk geval lezen wij van Mozes, toen hij de Egyptenaar doodde, lang voor hij als bevrijder en redder van zijn volk optrad.
Die vreemdeling moet wel goede gedachten gehad hebben, èn van Abram’s bereidwilligheid om zijn neef te redden, maar ook van Abram’s macht en kracht, om het tegen het verbonden leger van de vijand op te durven nemen. Wellicht dat ook hoop op zelfbehoud die inwoner van Sodom gedreven heeft, om aan Abram deze boodschap te brengen.
14. Toen Abram hoorde, dat zijn broeder (hoofdstuk. 13:8) gevangen was, wapende hij zijn ondergeschikten, zijn in de wapenen geoefende manschappen, de ingeborenen van zijn huis, geen gekochten, maar ingeborenen die daardoor des te meer vertrouwen hadden. Het getal van hen was driehonderd en achttien; en hij jaagde hen na tot Dan 1) (rechter) toe. 2)
1) Deze naam droeg het eerst later. Hier is niet gemeend het Laïsche Dan (Richteren. 18:29), daar dit aan geen van beide wegen lag, die naar Damascus leiden, maar Dan en Gilead. (Deuteronomium. 34:1,2; 2 Samuel 24:6).
2) Abram, de man van de vrede, van het vorige hoofdstuk, de toegevende, is plotseling in een leeuw veranderd, toen het bericht tot hem kwam, dat Lot, zijn broeder, gevangen weggevoerd is. Een burger van het Godsrijk is hem gewichtig genoeg, om met weinigen een geheel overwinnend leger aan te tasten, en zijn leven en het leven van de zijnen in de waagschaal te stellen. Zo treedt, tegenover de donkere heldenmoed van de wereld in Kedor-Laómer en de zijnen, de schitterende heldenmoed van de hemel op. Tegenover de strijd tot onderdrukking en plundering in zijn duistere gedaante, staat de lichtglans van de strijd tot redding en bevrijding; tegenover de macht van de goddeloosheid en van de mensenverachting in verbond met duivelse machten, de strijd van het geloof, van de liefde en van de hoop in verbond met Jehova.
15. En hij verdeelde zich, met zijn manschappen en bondgenoten in drie groepen, tegenover hen die ‘s nachts, nadat de vijanden, door de overwinningen zorgeloos geworden waren en zich gelegerd hadden, en sloeg ze 1) in het vertrouwen op de bijstand des Heren, jaagde hij hen na tot Hoba (verberging) toe, dat is ter linkerhand, ten noorden van Damascus (vaardigheid).
1) Abram heeft niet alleen heldenmoed in het geloof; hij heeft ook heldenkracht en heldenzin. Zijn knechten zijn mannen, kundig in de wapenhandel. Hij heeft dus geweten, dat men in de boze wereld wapenen nodig heeft en bewapend moet zijn. Hij verwerpt in de strijd een eerlijk verbond niet. Hij handelt in de rechte heldengeest. Het dadelijk opbreken, de welberekende aanval, de overmacht, de overval bij nacht, de snelle vervolging, totdat het doel bereikt is, zijn de oude grondwetten van de krijgskunde. Vermoedelijk heeft Cromwell deze grondwetten van krijgsbeleid van Abram en andere oudtestamentische helden geleerd, en zeer waarschijnlijk, dat Napoleon ook in dit opzicht, de navolger van Cromwell geworden is, zoals weer Gneisenau en Blücher van Napoleon hebben geleerd.
Aan het geloof van Abram moet toegeschreven worden, dat hij een talrijk en goed gedresseerd leger, nog overmoedig door de overwinning, durfde aanvallen. Dat hij echter, met geringe moeite, als overwinnaar uit het strijdperk trad en hen, geheel en al heeft verslagen, die veel sterker in getal waren, is alleen te danken aan de genade Gods.
16. En hij bracht alle geroofde have terug, en ook Lot, zijn broeder, om wie hij de tocht ondernomen had; diens have bracht hij terug, als ook de vrouwen, en het volk, hetwelk de vijanden hadden weggevoerd.
Deze niet gezochte en evenwel duidelijk gebleken overwinning maakt Abram tot heer en meester van het gehele omliggende land, ook van de landstreek, die Lot zich ter woning had gekozen. Geheel de Jordaanvlakte was naar recht van overwinning, thans het eigendom van Abram. Zo werd aan hem aanvankelijk reeds de belofte Gods vervuld en ontving hij in een ongezochte aanleiding voldoende reden, om God steeds meer te geloven. Zo doet de Heere altijd.
II. Vers 17-24
De koning van Sodom en Melchizedek, koning van Salem, komen de terugkerende Abram tegemoet. Melchizedek, tevens een priester Gods, zegent hem. Abram geeft hem van alles de tienden. De koning van Sodom biedt hem de veroverde have voor zijn hulp; Abram weigert alles.
17. En de koning van Sodom toog uit, hem tegemoet 1) (nadat hij wedergekeerd was van het verslaan van Kedor-Laómer en van de koningen, die met hem waren), om hem geluk te wensen en te danken, en over de buit met hem te onderhandelen, tot het dal Schave (vlakte), dat is: het dal van de koning.
1) Uit het Siddimdal langs de Kedron, ontmoette hij Abram op een noordelijk van Jeruzalem gelegen plaats, die waarschijnlijk wegens deze samenkomst het koningsdal genoemd wordt (2 Samuel 18:18), en hetzelfde is als het dal van Josafat.
Anderen denken, o.a. CALVIJN, dat het dal aldaar door de een of andere koning aldus genoemd is.
18. En ook een andere koning kwam hem tegemoet, Melchizedek 1) (koning van de gerechtigheid), koning van Salem 2) (vrede). Deze Melchizedek, die door zijn gehele verschijning, zijn ambt en de plaats, die hij tegenover Abram inneemt, een voorbeeld van Christus is (Psalm. 110:4 Hebreeën 7) bracht brood en wijn. 3) En hij, 4) waarschijnlijk een laatst overgeblevene uit de, anders overal door de Kanaänieten verdrongene, oorspronkelijke bevolking van dat land, was een priester van de allerhoogste God. Midden in het heidense land was de kennis van de ene ware God door hem bewaard, en verenigde hij nog in zijn persoon de priesterlijke met de koninklijke waardigheid.
1) Melchizedek is de ondergaande zon van de eerste openbaring, die met haar laatste stralen degenen beschijnt, die wegens de naderende nacht zijn uitverkoren tot dragers van het licht; maar het zegenend ondergaan van deze zon is tegelijk een voorspelling van een veel heerlijker opgaan; want in Abram zullen gezegend worden alle geslachten van de aarde.
De eerste bewoners van Kanaän na de verstrooiing waren waarschijnlijk Semieten, wellicht uit de stam Lud (hoofdstuk. 10:22). Onder of nevens hen vestigden zich, van het oosten komende, de Kanaänieten, een machtige tak van de Chamitische stam, die zich langzamerhand op de voorgrond drongen.
Wie is Melchizedek geweest? Sommigen menen Henoch of Sem, anderen een engel; maar ten onrechte. Zonder twijfel is hij een van de weinig overgeblevenen geweest, die God nog dienden, waarschijnlijk uit de stam van Lud, de zoon van Sem, gesproten. Hij was koning van Salem, en zowel als nakomeling van Sem, maar bovenal als koning van Salem bood hij hier Abram zijn hulde en onderwerping aan, terwijl hij hem als Priester zegende.
2) Salem, waarschijnlijk het latere Jeru (stad) -Salem. In Psalm. 76:3 wordt Jeruzalem ook Salem genoemd.
3) Brood en wijn geeft hij als koning van het land, opdat Abram en zijn knechten zullen verkwikt en versterkt worden.
De Katholieken zien hierin het misoffer. Tot hun schade! want Melchizedek gaf ook wijn daarbij.
4) Het is niet te loochenen, dat het optreden en de plotselinge verschijning van Melchizedek in het geschiedverhaal een grootse en indrukwekkende indruk maakt. Zijn ouders en afkomst worden niet genoemd; in het boek van de geslachtsrekeningen bij uitnemendheid, wordt ons niets van zijn geslacht gemeld. Als een eenzame en hoog uitstekende bergkruin staat hij daar, groots en verheven te midden van een geslacht en omgeving, waarvan wij geheel andere dingen mochten verwachten, dan vrees voor God en priesterlijke waardigheid.
19. En hij zegende hem, krachtens zijn priesterlijk ambt, en zei in een dichterlijke rede: Gezegend zij Abram Gode, de Allerhoogste, die hemel en aarde bezit! 1)
1) Melchizedek moet ongetwijfeld de kennis van de ware en waarachtige God gehad hebben, om te kunnen zegenen, gelijk hij zegende; hij moet die kennis Gods door zijn eigen hart, door eigen bevinding van de ziel gesmaakt hebben, om dat, wat hij van God en Zijn hoogheid weet, aldus in eigen en oorspronkelijke taal weer te geven.
Met deze woorden erkent Melchizedek de God van Abram als de Soevereine God, Wie toekomt de macht en de heerlijkheid. Met de volgende woorden in vs. 20 als die God, Wiens toezicht over alles gaat, aan Wie Abram alleen de overwinning heeft te danken. Melchizedek Abram zegenende, de handen zegenend uitbreidende, is een voorbeeld van Christus, die, ten hemel varende, Zijn handen priesterlijk uitbreidde over Zijn discipelen.
20. En gezegend zij de Allerhoogste God, die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! 1) En hij, Abram, gaf hem, daar hij hem als zijn priester erkende, de tiende 2) van de gehele buit.
1) Daar Melchizedek priester van de ware God was, was de gift van de tiende een heiliging van de strijd en van de overwinning, gelijk later in Israël het geven van de tienden aan de priester (Leviticus 27:30), en van geschenken uit de strijd tot een wet werd. (Numeri 31:23 vv. 2 Samuel. 8:11. 1 Kronieken 26:27).
2) Wij lezen hier het eerst van “tienden.” Later (Genesis 28:22) deed Jacob de belofte van de “tienden,” en in de woestijn ontvangt Israël het bevel, de tienden van alles te brengen aan de Priesters, aan het Huis des Heren. Ook daar heiligt en bevestigt de Heere God dus een oud gebruik. In Abram geeft Levi de tienden aan Melchizedek. Wij hebben hier reeds een voorafschaduwing van hetgeen in de loop van de eeuwen zou plaats hebben, dat de priester, naar de ordening van Aäron zich zou onderwerpen aan de Priester naar de ordening van Melchizedek, Jezus Christus.
Melchizedek is de laatst overgebleven bloesem van een voorbijgegane ontwikkeling; Abram de kiem en het begin van een ontwikkeling, zeer rijk in verwachtingen en beloften. Melchizedek staat nog in het oude Noachitische verbond, met zijn universalistische (algemene, alle volken omvattende) grondslag, Abram staat reeds in een nieuw verbond met particularistische grondslag. Het universalistisch verbond liep uit in het ergste particularisme, want Melchizedek staat als dienaar en vereerder van God, die met Noach het verbond sloot, alleen in een ontaard geslacht, dat van deze God is afgevallen en aan de macht van de zonde is prijsgegeven. Het particularistisch verbond daarentegen, dat met Abram begint, moet en zal leiden tot het tweede en grootste universalisme, dat alle volken heil zal aanbrengen.
21. En de koning van Sodom, die bij de gift van de tienden aan Melchizedek vreesde, dat Abram de gehele buit als zijn eigendom beschouwde, en aan geen teruggave aan de eerste bezitter dacht, zei tot Abram: Geef mij tenminste, de doden, de vrouwen en het volk (vs. 16); maar neem de have voor u, 1) en geef wat u zelf toekomt aan geen ander.
1) Geen zegegroet, geen woord van God in de mond van de koning! Slechts op het aardse is hij ingesteld.
Wel is het prijzenswaardig, dat hij de mensen dankbaar is, ware het niet dat hij God ondankbaar was, Wiens gestrengheid noch medelijden hem beter hadden gemaakt. Wellicht ook, dat hij door een slaafse vertoning van bescheidenheid, als een arm en van alle goederen beroofd man, de gunst van Abram heeft willen winnen, opdat hij tenminste de gevangenen en de onbeheerde stad zou krijgen.
Abram, als overwinnaar van de meesters van Sodom, en als bezitter van het volk, had zich toch de rechtmatige heerschappij verworven, die Sodom’s koning geheel voorbijgaat.
22. Doch Abram zei tot de koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven 1) tot de HEERE, de allerhoogste God, 2) die hemel en aarde bezit, gelijk Melchizedek mijn Heere, Jehova, mijn Verbondsgod, genoemd heeft, en in wiens naam hij mij heeft gezegend;
1) Voor de eerste maal vinden wij hier een plechtige eedzwering met de opheffing van de handen gemeld.
2) El Eljon. Alzo had Melchizedek de Heere genoemd en Abram, -zulk een diepe indruk heeft het woord en de zegening van deze Priester-Koning op hem gemaakt-,neemt terstond die benaming van God over.
23. En ik heb gezworen, dat ik nog geen schoenveter, het allerminste of geringste, ja, van alles, dat het uwe is, iets neme! 1) Opdat gij, wanneer de Heere mij zegent (hoofdstuk. 12:2) en de Allerhoogste, die hemel en aarde bezit, Melchizedek’s zegen in vervulling brengt, niet zegt bij uzelf of tot anderen: Ik heb Abram rijk gemaakt! 2)
1) Bij de Hebreeën werd dikwijls het gehele eedsformulier niet uitgesproken. Ook hier laat Abram weg de straf, die hem opgelegd mocht worden, indien hij iets, ook maar het geringste behield. Saul zegt (1 Samuel 14:44): Zo doe Hij daartoe, gij moet de dood sterven.
2) Met Melchizedek, de man Gods, verbindt Abram zich, geeft hem tienden, noemt ten teken van zijn gemeenschap de Heere met dezelfde naam als hij; met Sodom’s koning wil hij geen vereniging. Abram wil vrij zijn van alle verplichting, jegens hen, die buiten het verbond met God staan, en dat wel in onvoorwaardelijk geloof aan de belofte Gods; zo is hij een voorbeeld voor hen, die deel aan Christus hebben verkregen. (Romeinen 13:8, 1 Thessalonicenzen. 4:12. 2 Corinthiërs 6:14,15)
Sodom’s goederen zijn geen zegen, verwerp ze om uws Gods wil! Tegenover het eigenbelang, de haatzucht van de wereld, moet Abram zelfs de schijn mijden, met haar van één geest te zijn. De kracht en het wezen van de kennis van de enige God moet hier blijken in de liefde, die om een broeder te bevrijden het leven waagt, maar geen loon wil.
24. Het zij buiten mij; 1) alleen wat de jongelingen, mijn mannen, van de voorraad van de spijzen reeds verteerd hebben, zult gij mij niet in rekening brengen; en het deel van deze mannen, die met mij getogen zijn, en die mijn voorbeeld niet behoeven te volgen: Aner, Eskol en Mamre, laat die hun deel van de buit nemen! 2)
1) Dit kan ook vertaald worden met: “Uitgenomen.”
2) Heeft Abram genoeg aan zijn God en diens belofte, hij wil zijn handelwijze niet opdringen aan hen, die de Heere niet kennen; hij spreekt zelfs voor hen, daar het nemen van hun deel, hun rechtmatig eigendom, geen zondige daad was. Zo is hij ons, Christenen, een voorbeeld. Overal en bij allen moeten de zonden worden afgekeurd en bestreden; wat niet dadelijk zondige genietingen zijn, worde toegestaan, al is het ook, dat wij het niet meer nodig hebben, net zo min als op oudere leeftijd het kinderlijk spelen. Men legge niet op, wat bij onbekendheid een ondraaglijke hand zou zijn, maar leide door woord en voorbeeld tot Hem, die Abram’s geest in het hart geeft. Bij bezit van de hoogste schatten, van de zalige vreugde in Hem, zal alles kunnen gemist worden. Bij het hogere valt het mindere weg. Eist geen vruchten, waar geen boom is, maar zaait het mosterdzaadje, dat een boom wordt.
Er wordt een uitzondering toegevoegd, omdat hij zijn vrijgevigheid niet wil opdringen aan zijn bondgenoten, noch hen aan zijn wetten onderwerpen. Want dit is niet minder een deugd, zo juist te handelen, dat gij anderen niet dwingt uw voorbeeld als regel na te volgen. Een ieder zie toe voor zichzelf, wat zijn roeping met zich meebrengt, wat tot zijn plicht behoort, opdat de een over de ander niet naar eigen maatstaf, een voorbarig vonnis velle. Want het is een al te gevaarlijke pedanterie, wanneer wij anderen dezelfde wetten willen voorschrijven, die wij zelf volgen, ofschoon zij juist zijn en voor onze roeping passende.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel