Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Alzo toogH5927 AbramH87 op uit EgypteH4714 naar het zuidenH5045, hij en zijn huisvrouwH802, en alH3605 watH834 hij had, en LotH3876 metH5973 hem.
Alzo toog Abram op uit Egypte naar het zuiden, hij en zijn huisvrouw, en al wat hij had, en Lot met hem.
KJV
And Abram2
went up1
out of Egypt,3
he, and his wife,5
and all that he had, and Lot9
with him, into the south.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En AbramH87 was zeerH3966 rijkH3513, in veeH4735, in zilverH3701, en in goudH2091.
En Abram was zeer rijk, in vee, in zilver, en in goud.
KJV
And Abram1
was very3
rich2
in cattle,4
in silver,5
and in gold.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En hij gingH3212, volgens zijn reizenH4550, van het zuidenH5045 totH5704 Beth-ElH1008 toe, tot aan de plaatsH4725, waar zijnH1961 tentH168 in het beginH8462 geweest was, tussen Beth-ElH1008, en tussenH996 AiH5857;
En hij ging, volgens zijn reizen, van het zuiden tot Beth-El toe, tot aan de plaats, waar zijn tent in het begin geweest was, tussen Beth-El, en tussen Ai;
KJV
And he went1
on his journeys2
from the south3
even to Bethel,5
unto the place8
where his tent12
had been10
at the beginning,13
between Bethel6
and Hai;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
TotH413 de plaatsH4725 des altaarsH4196, datH834 hij in het eerstH7223 daarH8033 gemaaktH6213 had; en AbramH87 heeft aldaarH8033 den NaamH8034 des HEERENH3068 aangeroepenH7121.
Tot de plaats des altaars, dat hij in het eerst daar gemaakt had; en Abram heeft aldaar den Naam des HEEREN aangeroepen.
KJV
Unto the place2
of the altar,3
which he had made5
there at the first:7
and there Abram10
called8
on the name11
of the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En LotH3876, die metH854 AbramH87 toogH1980, had ookH1571 schapenH6629, en runderenH1241, en tentenH168.
En Lot, die met Abram toog, had ook schapen, en runderen, en tenten.
KJV
And Lot2
also, which went3
with4
Abram,5
had flocks,7
and herds,8
and tents.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En dat landH776 droegH5375 hen nietH3808, om samenH3162 te wonenH3427; wantH3588 hun haveH7399 was veleH7227, zodat zij samenH3162 nietH3808 kondenH3201 wonenH3427.
En dat land droeg hen niet, om samen te wonen; want hun have was vele, zodat zij samen niet konden wonen.
KJV
And the land4
was not able to bear2
them, that they might dwell5
together:6
for their substance9
was great,10
so that they could12
not dwell13
together.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En er wasH1961 twistH7379 tussenH996 de herdersH7462 van AbramsH87 veeH4735, en tussenH996 de herdersH7462 van LotsH3876 veeH4735. Ook woondenH3427 toen de KanaanietenH3669 en FerezietenH6522 in dat landH776.
En er was twist tussen de herders van Abrams vee, en tussen de herders van Lots vee. Ook woonden toen de Kanaanieten en Ferezieten in dat land.
KJV
And there was a strife2
between the herdmen
of Abram's6
cattle5
and the herdmen
of Lot's10
cattle:9
and the Canaanite11
and the Perizzite12
dwelled14
then in the land.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En AbramH87 zeideH559 totH413 LotH3876: LaatH1961 tochH4994 geenH408 twistingH4808 zijn tussenH996 mij en tussenH996 u, en tussenH996 mijn herdersH7462 en tussenH996 uw herdersH7462; wantH3588 wij zijn mannenH582 broedersH251.
En Abram zeide tot Lot: Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u, en tussen mijn herders en tussen uw herders; want wij zijn mannen broeders.
KJV
And Abram2
said1
unto Lot,4
Let there be7
no5
strife,8
I pray thee, between me and thee, and between my herdmen
and thy herdmen;
for we
be brethren.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Is nietH3808 het ganseH3605 landH776 voor uw aangezichtH6440? ScheidH6504 u tochH4994 van mij; zoH518 gij de linkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo gij de rechterhand, zo zal ik ter linkerhand gaan.
Is niet het ganse land voor uw aangezicht? Scheid u toch van mij; zo gij de linkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo gij de rechterhand, zo zal ik ter linkerhand gaan.
Ook in dit vers
rechterhandH3225
rechterhandH3231
linkerhandH8040
linkerhandH8041
KJV
Is not the whole land3
before thee?4
separate thyself,5
I pray thee, from me: if thou wilt take the left hand,9
then I will go to the right;10
or if thou depart to the right hand,12
then I will go to the left.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
En LotH3876 hiefH5375 zijn ogenH5869 op, en hij zagH7200 de ganse vlakteH3603 der JordaanH3383, datH3588 zij die geheelH3605 bevochtigdeH4945; eerH6440 de HEEREH3068 SodomH5467 en GomorraH6017 verdorvenH7843 had, was zij als de hofH1588 des HEERENH3068, als EgyptelandH776, als gij komtH935 te ZoarH6820.
En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de ganse vlakte der Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer de HEERE Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof des HEEREN, als Egypteland, als gij komt te Zoar.
KJV
And Lot2
lifted up1
his eyes,4
and beheld5
all the plain8
of Jordan,9
that it was well watered12
every where, before13
the LORD15
destroyed14
Sodom17
and Gomorrah,19
even as the garden20
of the LORD,21
like the land22
of Egypt,23
as thou comest24
unto Zoar.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Zo koosH977 LotH3876 voor zich de ganseH3605 vlakteH3603 der JordaanH3383, en LotH3876 trokH5265 tegenH5921 het oostenH6924; en zij werden gescheidenH6504, de een van den anderH251.
Zo koos Lot voor zich de ganse vlakte der Jordaan, en Lot trok tegen het oosten; en zij werden gescheiden, de een van den ander.
KJV
Then Lot3
chose1
him all the plain6
of Jordan;7
and Lot9
journeyed8
east:10
and they separated themselves11
the one12
from the other.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
AbramH87 dan woondeH3427 in het landH776 KanaanH3667; en LotH3876 woondeH3427 in de stedenH5892 der vlakteH3603, en sloeg tentenH167 totH5704 aan SodomH5467 toe.
Abram dan woonde in het land Kanaan; en Lot woonde in de steden der vlakte, en sloeg tenten tot aan Sodom toe.
KJV
Abram1
dwelled2
in the land3
of Canaan,4
and Lot5
dwelled6
in the cities7
of the plain,8
and pitched his tent9
toward10
Sodom.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
En de mannenH582 van SodomH5467 waren boosH7451, en groteH3966 zondaarsH2400 tegen den HEEREH3068.
En de mannen van Sodom waren boos, en grote zondaars tegen den HEERE.
KJV
But the men
of Sodom2
were wicked3
and sinners4
before the LORD5
exceedingly.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
En de HEEREH3068 zeideH559 totH413 AbramH87, nadatH310 LotH3876 van hem gescheidenH6504 was: HefH5375 uw ogenH5869 op, en zieH7200 vanH4480 de plaatsH4725, waar gijH859 zijt noordwaartsH6828 en zuidwaartsH5045, en oostwaartsH6924 en westwaartsH3220.
En de HEERE zeide tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was: Hef uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en westwaarts.
KJV
And the LORD1
said2
unto Abram,4
after5
that Lot7
was separated6
from him, Lift up9
now thine eyes,11
and look12
from the place14
where thou art northward,18
and southward,19
and eastward,20
and westward:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
WantH3588 alH3605 dit landH776, dat gij zietH7200, zal Ik u gevenH5414, en aan uw zaadH2233, totH5704 in eeuwigheidH5769.
Want al dit land, dat gij ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid.
KJV
For all the land4
which thou seest,7
to thee will I give it,9
and to thy seed10
for11
ever.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En Ik zal uw zaadH2233 stellenH7760 als het stofH6083 der aardeH776, zodat, indienH518 iemandH376 het stofH6083 der aardeH776 zal kunnen tellenH4487, zal ookH1571 uw zaadH2233 geteldH4487 worden.
En Ik zal uw zaad stellen als het stof der aarde, zodat, indien iemand het stof der aarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden.
KJV
And I will make1
thy seed3
as the dust4
of the earth:5
so that6
if a man9
can8
number10
the dust12
of the earth,13
then shall thy seed15
also be numbered.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
MaakH6965 u op, wandelH1980 door dit landH776, in zijn lengteH753 en in zijn breedteH7341, wantH3588 Ik zal het u gevenH5414.
Maak u op, wandel door dit land, in zijn lengte en in zijn breedte, want Ik zal het u geven.
KJV
Arise,1
walk2
through the land3
in the length4
of it and in the breadth5
of it; for I will give
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
En AbramH87 sloeg tentenH167 op, en kwamH935 en woondeH3427 aan de eikenbossenH436 van MamreH4471, dieH834 bij HebronH2275 zijn; en hij bouwdeH1129 aldaarH8033 den HEEREH3068 een altaarH4196.
En Abram sloeg tenten op, en kwam en woonde aan de eikenbossen van Mamre, die bij Hebron zijn; en hij bouwde aldaar den HEERE een altaar.
KJV
Then Abram2
removed his tent,1
and came3
and dwelt4
in the plain5
of Mamre,6
which is in Hebron,8
and built9
there an altar11
unto the LORD.
zuiden,
Dat is, naar het zuidelijke gedeelte van Kanaän.
Hertaald:
zuiden,
Dat is: naar het zuidelijke deel van Kanaän.
zeer rijk
Hebr. zeer zwaar. Aldus gevoelde Abram de waarheid van de goddelijke belofte. Hij meende slechts den honger te ontgaan, en hij werd nog daarenboven zo verrijkt.
Hertaald:
zeer rijk
Hebreeuws: zeer zwaar. Zo ondervond Abram de waarheid van de goddelijke belofte. Hij dacht alleen de honger te ontlopen, en werd daarbovenop nog rijk gezegend.
volgens zijn reizen,
Dat is, volgende de wegen en plaatsen, door welke hij tevoren naar Egypte gereisd was; zie boven Gen. 12:9, of, hij reisde zoals het vervoeren van zijn goederen en het voortgaan van zijn beesten dat lijden konden.
Hertaald:
volgens zijn reizen,
Dat is: langs de wegen en plaatsen waarlangs hij eerder naar Egypte gereisd was; zie Gen. 12:9. Of: hij reisde zo snel als het vervoer van zijn bezittingen en het voortgaan van zijn vee dat toeliet.
Beth-el
Zie boven Gen. 12:8.
Hertaald:
Beth-el
Zie Gen. 12:8.
in het begin
Zie boven Gen. 12:6, Gen. 12:8.
Hertaald:
in het begin
Zie Gen. 12:6, Gen. 12:8.
Ai
Zie boven Gen. 12:8.
Hertaald:
Ai
Zie Gen. 12:8.
den naam des HEEREN
Verg. boven Gen. 4:26.
Hertaald:
den naam des HEEREN
Vergelijk Gen. 4:26.
droeg
Dat is, kon hen niet dragen.
Hertaald:
droeg
Dat is: kon hen niet dragen.
En er was twist
Zie hoofdstuk Gen. 21:26, waar van gelijken twist gesproken wordt.
Hertaald:
En er was twist
Zie Gen. 21:26, waar een vergelijkbare twist beschreven wordt.
woonden
Dewijl de oude ingezetenen niet veel plaats in een gedeelte van het land voor de vreemden overlieten, zo konden Abram en Lot, die zeer machtig in vee waren, en daarom bij de inwoners buiten twijfel benijd waren, niet wel tezamen in één oord hun behoeften aan weiden vinden; waaruit niet alleen twist onder de herders van Abram en Lot gerezen is, maar ook zwarigheid van de Kanaänieten hun overkomen Kon. Zie onder Gen. 21:25, en Gen. 26:15, Gen. 26:20-21.
Hertaald:
woonden
Omdat de oorspronkelijke bewoners niet veel ruimte overlieten voor vreemdelingen in een deel van het land, konden Abram en Lot, die zeer rijk waren aan vee en daarom door de inwoners ongetwijfeld benijd werden, niet goed samen in één gebied voldoende weidegrond vinden; hieruit ontstond niet alleen twist tussen de herders van Abram en Lot, maar ook moeilijkheden met de Kanaänieten. Zie Gen. 21:25, en Gen. 26:15, Gen. 26:20-21.
want wij zijn mannen broeders
Wij zijn mannen broeders, niet alleen naar het vlees, want ik ben uw oom, en gij zijt mijn neef, maar ook naar den geest, want wij dienen één God, en zouden met onzen twist de ingezetenen ergeren en onzen godsdienst schande aandoen.
Hertaald:
want wij zijn mannen broeders
Wij zijn broeders, niet alleen naar het vlees, want ik ben uw oom en gij zijt mijn neef, maar ook naar de geest, want wij dienen één God, en zouden met onze twist de inwoners ergeren en onze godsdienst tot schande maken.
Is niet het ganse land
Zulk een manier van vragen betekent een grote verzekering; alzo onder Gen. 20:5; Ex. 14:12; Richt. 4:6.
Hertaald:
Is niet het ganse land
Zo'n vraag drukt een grote zekerheid uit; zo ook in Gen. 20:5; Ex. 14:12; Richt. 4:6.
voor uw aangezicht?
Dat is, voor u open, om door u gebruikt te mogen worden. Zie gelijke manier van spreken, onder Gen. 20:15, en Gen. 34:10, Gen. 34:21, Gen. 47:6.
Hertaald:
voor uw aangezicht?
Dat is: voor u open, om door u gebruikt te worden. Zie een vergelijkbare uitdrukking in Gen. 20:15, en Gen. 34:10, Gen. 34:21, Gen. 47:6.
kiest,
Dit woord is hier ingevoegd uit het volgende vs.11.
Hertaald:
kiest,
Dit woord is hier toegevoegd vanuit het volgende vers 11.
Jordaan,
Dit is de naam van een rivier, bevochtigende het land Kanaän, en spruitende uit twee fonteinen aan het gebergte Libanon, welke genaamd worden Jor en Dan.
Hertaald:
Jordaan,
Dit is de naam van een rivier die het land Kanaän bevochtigt, ontspringend uit twee bronnen bij het Libanongebergte, genaamd Jor en Dan.
hof
Hiermede wordt verstaan de hof Eden, dien God geplant had, of de hof des Heeren, dat is, een uitermate schone hof; gelijk het leger Gods, 1 Kron. 12:22. Gods bergen, Ps. 36:7. De cederen Gods, Ps. 80:11. De worstelingen Gods, onder Gen. 30:8. Dat is, zeer grote. Het woord God /bt hier uitnemendheid.
Hertaald:
hof
Hiermee wordt de hof van Eden bedoeld, die God geplant had, of de hof van de HEERE, dat is: een buitengewoon mooie tuin; net zoals 'het leger Gods', 1 Kron. 12:22, 'Gods bergen', Ps. 36:7, 'de ceders Gods', Ps. 80:11, 'de worstelingen Gods', Gen. 30:8 — dat is: zeer groot. Het woord God geeft hier voortreffelijkheid aan.
als Egypteland,
Zie Eze 31, waar een vergelijking gemaakt wordt tussen de vruchtbaarheid van Egypte en Assyrië.
Hertaald:
als Egypteland,
Zie Ezech. 31, waar een vergelijking gemaakt wordt tussen de vruchtbaarheid van Egypte en Assyrië.
Zoar
Hebr. Tsohar, een stad gelegen omtrent Sodom en Gomórra, welke dezen naam heeft gekregen toen Lot daarin vluchtte; onder Gen. 19:23; zijnde tevoren genaamd Bela; onder Gen. 14:2.
Hertaald:
Zoar
Hebreeuws: Tsohar, een stad bij Sodom en Gomorra, die deze naam kreeg toen Lot erheen vluchtte; zie Gen. 19:23; eerder Bela genoemd, zie Gen. 14:2.
de een van den ander
Hebr. de man van zijn broeder.
Hertaald:
de een van den ander
Hebreeuws: de man van zijn broeder.
zondaars
Hebr. Zondaars tegen den Heere zeer. Niettegenstaande de grote boosheid der Sodomieten en andere omliggende volken, verkoos Lot deze landstreek, vanwege haar schoonheid. Anders, voor den Heere. Verg. boven Gen. 6:11, en Gen. 10:9.
Hertaald:
zondaars
Hebreeuws: zeer grote zondaars tegen de HEERE. Ondanks de grote boosheid van de Sodomieten en andere omliggende volken koos Lot toch deze streek, vanwege haar schoonheid. Anders: voor de HEERE. Vergelijk Gen. 6:11, en Gen. 10:9.
En de HEERE zeide
God troost Abram over het vertrek van zijn neef, en de verkiezing der schone landstreek.
Hertaald:
En de HEERE zeide
God troost Abram over het vertrek van zijn neef en diens keuze voor de mooie landstreek.
westwaarts
Hebr. naar de zee, boven Gen. 12:8.
Hertaald:
westwaarts
Hebreeuws: naar de zee, zie Gen. 12:8.
Al dit land, dat gij ziet,
Niet wat hij toen gans zag, maar wat hem gans beloofd werd.
Hertaald:
Al dit land, dat gij ziet,
Niet alleen wat hij toen letterlijk zag, maar wat hem in zijn geheel beloofd werd.
zal Ik
Wel tot een aardse herberg voor uw vleselijk zaad, maar ook tot een teken van het hemelse vaderland voor uw geestelijk zaad. Verg. Hebr. 11:9-10, 14-16.
Hertaald:
zal Ik
Wel als een aardse woonplaats voor uw vleselijk nageslacht, maar ook als teken van het hemelse vaderland voor uw geestelijk nageslacht. Vergelijk Hebr. 11:9-10, 14-16.
u geven,
Te weten, u het recht tot het aardse Kanaän, en uw zaad naar het vlees te zijner tijd de dadelijke bezitting; daarna u en uw geestelijk zaad, hier het recht tot het hemelse Kanaän en hierna de eeuwige bezitting daarvan; alles uit genade.
Hertaald:
u geven,
Namelijk: u het recht op het aardse Kanaän geven, en uw nageslacht naar het vlees te zijner tijd het feitelijke bezit; daarna u en uw geestelijk nageslacht het recht op het hemelse Kanaän en later het eeuwige bezit daarvan; alles uit genade.
tot in eeuwigheid
Dat is, een langen tijd, te weten, totdat de Messias, het zaad der zegening, uit uw vlees geboren zijnde, het werk der verlossing op aarde zal volbracht hebben. Het /hw wordt in andere betekenissen dikwijls genomen voor den gansen tijd der wet. Zie onder Gen. 17:13, en Gen. 48:4; Ps. 132:4. Of, eigenlijk in eeuwigheid, ten aanzien van het geestelijke Kanaän en het geestelijke zaad.
Hertaald:
tot in eeuwigheid
Dat is: een lange tijd, totdat de Messias, het zaad van de zegening, uit uw vlees geboren, het verlossingswerk op aarde volbracht zal hebben. Dit woord wordt ook vaak gebruikt voor de hele tijd van de wet. Zie Gen. 17:13, en Gen. 48:4; Ps. 132:4. Of eigenlijk: in eeuwigheid, wat betreft het geestelijke Kanaän en het geestelijke nageslacht.
zaad
Abrams zaad en het stof der aarde worden vergeleken met elkander, ten aanzien niet van een gelijk getal, maar van een grote menigte, die bij de mensen ontelbaar is; zie dergelijke manier van spreken, onder Gen. 15:5, en Gen. 22:17, en Gen. 32:12.
Hertaald:
zaad
Abrams nageslacht en het stof van de aarde worden met elkaar vergeleken, niet wat een gelijk aantal betreft, maar wat een grote, voor mensen ontelbare menigte betreft; zie eenzelfde uitdrukking in Gen. 15:5, en Gen. 22:17, en Gen. 32:12.
sloeg tenten op,
Dat is, in het reizen en vertrekken sloeg hij hier en daar zijn tenten op.
Hertaald:
sloeg tenten op,
Dat is: tijdens het reizen en trekken sloeg hij hier en daar zijn tenten op.
eikenbossen
Anders, in de effen velden.
Hertaald:
eikenbossen
Anders: in de effen velden.
Mamre,
Deze Mamre was een Amorieter, wonende bij Hebron. Zie onder Gen. 14:13, Gen. 14:24, en hij is te onderscheiden van More, boven Gen. 12:6.
Hertaald:
Mamre,
Deze Mamre was een Amoriet, wonend bij Hebron. Zie Gen. 14:13, Gen. 14:24; hij is te onderscheiden van More, zie Gen. 12:6.
bij Hebron zijn;
Of, die te Hebron is; welke stad in dezen tijd was genoemd Kiriath-Arba, of de stad Arba, maar naderhand Hebron. Zie onder Gen. 23:2, en Gen. 35:27; Num. 13:22; Joz. 14:15; 2 Sam. 5:5.
Hertaald:
bij Hebron zijn;
Of: die te Hebron is; deze stad heette in die tijd Kiriath-Arba, of de stad Arba, later Hebron. Zie Gen. 23:2, en Gen. 35:27; Num. 13:22; Joz. 14:15; 2 Sam. 5:5. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas De zoon van Terah, vóór zijn oudere broers Nahor en Haran genoemd (Gen. 11:27) omdat hij de erfgenaam van de beloften was. Op zeventigjarige leeftijd verliet hij met zijn familie Ur der Chaldeeën; later, na de dood van zijn vader in Haran, ontving hij van de HEERE de roeping om naar het onbekende land Kanaän te trekken, 'niet wetende waar hij komen zou' (Hebr. 11:8). Later zou zijn naam veranderd worden in Abraham (Gen. 17:4-5). De zoon van Haran en neef van Abram (Gen. 11:27, 31). Na de dood van zijn vader trok hij mee met zijn grootvader Terah en later met zijn oom Abram naar Kanaän. Later scheidde hij zich van Abram af en vestigde zich bij Sodom (Gen. 13), werd gevangengenomen door Kedorlaomer en door Abram bevrijd (Gen. 14), en werd ten slotte wonderlijk gered uit het brandende Sodom (Gen. 19). De jongste zoon van Cham en kleinzoon van Noach (Gen. 9:18, 22). Om de zonde van zijn vader Cham tegenover Noach werd niet Cham, maar Kanaän door Noach vervloekt: 'een knecht der knechten zij hij zijn broederen.' Naar hem is het land Kanaän genoemd, dat later door de Israëlieten in bezit genomen zou worden. Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Ligging: Omvatte vijf steden: Sodom, Gomorra, Adama, Zebojim en Zoar. Over de precieze ligging bestaat al sinds de oudheid onenigheid. De traditionele opvatting plaatst de vlakte aan het zuideinde van de Dode Zee, mede op grond van de nog altijd bestaande naam Djebel Oesdoem ("berg Sodom"). Er is echter ook gewicht toegekend aan de opvatting dat de vlakte juist ten noorden van de Dode Zee lag — dat gebied is namelijk zichtbaar vanaf de hoogte bij Beth-El, waar Abram en Lot uitkeken, terwijl het zuideinde van het meer dat niet is. Geschiedenis: Lot koos deze rijk bevloeide vlakte, "als de hof des HEEREN, als Egypteland", toen hij zich van Abram afscheidde (Gen. 13:10-12). Later werd het gebied getroffen door de verwoesting van Sodom en Gomorra (Gen. 19). Bijbelse betekenis: Lots keuze voor de ogenschijnlijk aantrekkelijke, welige vlakte staat in schril contrast met de latere ondergang ervan — een beeld van hoe uiterlijke voorspoed geestelijk gevaar kan verbergen. Archeologie: Opgravingen bij Bab edh-Dhra en Numeira, aan de zuidoostoever van de Dode Zee, hebben omvangrijke vroegbronstijdse nederzettingen met uitgestrekte kerkhoven blootgelegd, die door sommige archeologen met de steden van de vlakte in verband worden gebracht. Recente inzichten: Recenter onderzoek — onder meer rond Tell el-Hammam, ten noordoosten van de Dode Zee — heeft de discussie over de precíeze ligging van de vlakte opnieuw geopend, als alternatief voor de traditionele identificatie bij Bab edh-Dhra/Numeira. Deze geografische identificatievraag blijft onder geleerden omstreden en onopgelost; vastgehouden wordt hier aan wat de Schrift zelf leert: de verwoesting van Sodom en Gomorra was geen natuurramp, maar een rechtstreeks Godsoordeel — de HEERE deed zwavel en vuur regenen "van den HEERE uit den hemel" (Gen. 19:24). Gen. 13:10-12; 19:17,25,28-29; Deut. 34:3 Ligging: Een van de vijf steden van de vlakte, waarschijnlijk gelegen in het gebied ten zuiden van de Dode Zee, tegenwoordig door water bedekt; de naam leeft nog voort in de bergnaam Djebel Oesdoem. Geschiedenis: Door vuur uit de hemel verwoest in de dagen van Abraham en Lot (Gen. 19:24), nadat de goddeloosheid van haar inwoners tot een spreekwoord was geworden. Twee van de andere steden van de vlakte, Adama en Zeboim, worden door de profeet Hosea eeuwen later aangrijpend gebruikt: de HEERE vraagt Zich af of Hij Efraïm net zo zal moeten prijsgeven als deze verwoeste steden, maar Zijn ontferming wint het — "Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is te zamen ontstoken" (Hos. 11:8). Bijbelse betekenis: Het lot van Sodom en Gomorra wordt door de hele Schrift heen gebruikt als waarschuwend voorbeeld voor hen die het evangelie verwerpen (Matt. 10:15; 11:24; 2 Petr. 2:6; Judas :7); ook figuurlijk gebruikt in Openb. 11:8. Gen. 13:10,13; 18:16-19:29; Deut. 29:23; Hos. 11:8; Jes. 1:9-10; Matt. 10:15; 2 Petr. 2:6; Judas :7; Openb. 11:8 Ligging: Samen met Sodom een van de vijf steden van de vlakte; de exacte ligging is, net als bij Sodom, onzeker. Geschiedenis: Samen met Sodom door vuur uit de hemel verwoest (Gen. 19:24-25). Bijbelse betekenis: Wordt, evenals Sodom, herhaaldelijk als toonbeeld van goddeloosheid en van Gods rechtvaardig oordeel aangehaald door de profeten en in het Nieuwe Testament. Gen. 13:10; 18:20; 19:24-28; Jes. 1:9-10; 13:19; Jer. 23:14; 49:18; 50:40; Amos 4:11; Matt. 10:15; Rom. 9:29; 2 Petr. 2:6; Judas :7 Ligging: Circa 32 kilometer ten zuiden van Jeruzalem, gelegen in een open dal, ruim 900 meter boven zeeniveau — een van de oudste en belangrijkste steden van Zuid-Palestina. Volgens Num. 13:22 gesticht vóór Zoan (Tanis) in Egypte. Geschiedenis: Hier woonde Abram bij de eiken van Mamre (Gen. 13:18); vandaar trok hij Lot te hulp na diens gevangenneming (Gen. 14); hier werd zijn naam veranderd in Abraham (Gen. 17); hier kwamen de drie mannen met de belofte van een zoon (Gen. 18); hier stierf Sara, en kocht Abraham de spelonk van Machpela als haar graf (Gen. 23) — de begraafplaats van vrijwel alle aartsvaders en hun vrouwen, behalve Rachel. Later werd Hebron een Levitische stad en vrijstad (Joz. 21); hier regeerde David zevenenhalf jaar voordat hij Jeruzalem tot zijn hoofdstad maakte (2 Sam. 5); hier ontstond ook de opstand van Absalom (2 Sam. 15). Bijbelse betekenis: De plaats die door de hele aartsvadergeschiedenis heen steeds opnieuw terugkeert als woonplaats en begraafplaats van Abraham, Izak en Jakob — daarmee in zekere zin het geestelijke thuis van de patriarchen in het beloofde land. Archeologie: De oudtestamentische stad wordt gezocht op de heuvel er-Roemeidi, ten westen van het huidige Hebron, waar cyclopische muren en andere sporen van oude bewoning zijn aangetroffen; een grondige opgraving van deze heuvel had in 1915 nog niet plaatsgevonden. Gen. 13:18; 14:13; 17:1-5; 18:1; 23; 35:27; 37:14; Num. 13:22; Joz. 14:12-15; 21:11; 2 Sam. 5:1-5; 15:7-10 Ligging: De "eiken" (of terebinten) van Mamre, waar Abram zijn tent opsloeg, worden beschreven als gelegen "in Hebron" (Gen. 13:18); Mamre wordt zelfs met Hebron zelf gelijkgesteld (Gen. 23:19). De overlevering over de precieze locatie van de boom verschilt door de eeuwen heen, telkens bepaald door de aanwezigheid van een geschikte oude boom; de vroegste overlevering wees Ramet el-Chalil aan, een latere (vanaf de 12e eeuw) een plek een stukje ten noordwesten van het huidige Hebron. Geschiedenis: Hier bouwde Abram een altaar voor de HEERE (Gen. 13:18); hier ontving hij de drie mannen/engelen met de belofte van Izaks geboorte (Gen. 18); ten oosten van Mamre lag de spelonk van Machpela, waar Sara, Abraham, Izak, Rebekka, Lea en Jakob begraven werden (Gen. 23:17,19; 25:9; 49:30; 50:13). Bijbelse betekenis: De plek van Gods verschijning aan Abraham met de belofte van de zoon der belofte — een van de meest intieme ontmoetingen tussen God en een aartsvader in de hele Schrift. Archeologie: Bij Ramet el-Chalil, de vroegste overgeleverde locatie, bevinden zich de resten van een door Herodes en later door keizer Constantijn aangelegde ommuurde heilige plaats; een eeuwenoude, inmiddels afstervende steeneik bij het huidige Hebron wordt sinds de 12e eeuw als "Abrahams eik" vereerd. Gen. 13:18; 14:13,24; 18:1; 23:17,19; 25:9; 35:27; 49:30; 50:13 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het verbond niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding uitwerking Abram komt rijk terug uit Egypte, en zijn neef Lot is met hem meegereisd. Zij hebben samen te veel vee voor het land dat zij bewonen, en hun herders krijgen ruzie. Er moet iets gebeuren, en Abram is de oudste en de geroepene; hij mag kiezen. Abram geeft zijn recht op de eerste keus weg, en krijgt van God daarna het hele land dat hij niet gekozen heeft. Wat Abram zegt is een staaltje van bescheidenheid dat men in het Oosten van die tijd niet zou verwachten van de oudste: “Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u, en tussen mijn herders en tussen uw herders; want wij zijn mannen broeders.” En dan doet hij afstand van wat hem toekomt: is niet het ganse land voor uw aangezicht? Zo gij de linkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan. Dat is geen zwakte maar berekening van een andere soort. Abram heeft een belofte van God gekregen over dit land. Wie zoiets in handen heeft, hoeft niet te vechten om een stuk weide. Lot kijkt en kiest, en de verteller laat precies zien waar hij naar keek. Hij zag de vlakte van de Jordaan, wel bevochtigd, als de hof des HEEREN, als Egypteland. Het is de mooiste grond die er te zien is. Maar er wordt in dezelfde adem iets bij verteld dat hij kennelijk niet meewoog: de mannen van Sodom waren boos en grote zondaars tegen de HEERE. Lot koos naar het uitzicht en niet naar de buren, en hij trok zijn tenten tot aan Sodom toe. In het volgende hoofdstuk blijkt die zin al zijn prijs te hebben. En dan komt het vers waar dit hoofdstuk om draait, en let op de tijdsbepaling erin: “En de HEERE zeide tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was: Hef uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt.” Pas nadat hij heeft losgelaten, wordt hem gezegd te kijken. En wat hij dan te zien krijgt is niet een deel maar het geheel: al dit land dat gij ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. Bij Lot ging het om een vlakte, hier om vier windstreken. Er staat nog iets bij dat vooruitwijst: uw zaad zal zijn als het stof der aarde. Dat is dezelfde belofte die in Genesis 12 begon. Galaten 3 spitst haar toe op één Persoon: er staat niet zaden, in het meervoud, maar één zaad, en dat is Christus. Wat Abram hier ontvangt zonder ervoor te vechten, is dus niet alleen grond. Het slot van het hoofdstuk is even eenvoudig als veelzeggend. Lot trekt naar Sodom. Abram gaat wonen bij de eikenbossen van Mamre en bouwt daar een altaar. De ene beweegt zich naar de stad, de andere bouwt een plaats om te aanbidden. De regel die hier zichtbaar wordt, is later door Christus in gewone woorden gezegd: wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; en de zachtmoedigen zullen het aardrijk beërven. Abram deed op één middag wat die woorden betekenen, en het land dat hij niet koos werd hem gegeven. In het Nieuwe Testament: Galaten 3:16; Mattheüs 5:5; Hebreeën 11:8-10; Romeinen 4:13; Filippenzen 2:5-7 Hoever dit reikt: Het Nieuwe Testament haalt Genesis 13 niet aan. Wat vaststaat is de belofte zelf: het land en het zaad, die in Galaten 3 en Romeinen 4 uitdrukkelijk op Christus en op het geloof betrokken worden. Dat Abram hier vooruitloopt op wat Christus later zou zeggen over het prijsgeven van eigen recht, is een gevolgtrekking uit de gelijkenis van de houding, geen uitspraak van de tekst.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Genesis 13
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Kies u eerst — 13:5-17
Wat betekenen de niveaus?


Genesis 13
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
ABRAM EN LOT SCHEIDEN VAN ELKAAR.
I. Vers 1-13
Teruggekeerd tot de plaats tussen Bethel en Al waar zij vroeger gelegerd waren, blijkt het, dat de weiden niet meer toereikend zijn voor de groter geworden kudden van Abram en Lot: Abram stelt daarom zijn neef voor van elkaar te scheiden, en laat hem kiezen, waarheen hij zich begeven wil. Lot kiest de vlakte van de Jordaan en slaat zijn tenten bij Sodom op.
1. Alzo toog Abram op 1) uit Egypte, waar hij zich slechts voor een tijd had willen ophouden en in naar het zuiden van Kanaän, dezelfde streek, die hij vroeger wegens honger verlaten had (hoofdstuk. 12:10); hij en zijn vrouw, en al wat hij had, 2) en Lot, die eveneens in Egypte geweest was, met hem.
1) Uit Egypte naar Kanaän gaan, heet altijd: “optrekken”, van Kanaän naar Egypte gaan: “aftrekken, nederwaarts gaan”.
2) Dit is niet zonder bedoeling. Hiermee wil de Schrift nadrukkelijk doen uitkomen, dat, door de trouwe zorg van zijn Verbondsgod, Abram ongedeerd uit Egypte was teruggekomen. Niets werd gemist.
2. En Abram was zeer rijk in vee, in zilver en in goud, dat hij door de ruilhandel met de Kanaänieten verkregen had; zó spoedig vervulde God een gedeelte van Zijnbelofte: Ik zal u zegenen. (hoofdstuk. 12:2).
3. En hij ging, reizen, nergens rustende of zijn tabernakelen opslaande met het doel, om er voorgoed te blijven, van het zuiden tot Bethel toe, tot aan de plaats, waar zijn tent in het begin geweest was (hoofdstuk. 12:8), tussen Bethel en tussen Al.
Abram was niet eerder gerust, voordat hij weer de plaats had bereikt, vanwaar hij was uitgetogen.
4. Tot de plaats van het altaar, dat hij eerder daar gemaakt had: en Abram heeft daar des a) naam des HEREN aangeroepen. 1) Abram dacht hier langer te blijven, daarom begon bij het nog aanwezige altaar weer een geregelde Godsverering.
a) Genesis 4:26; 12:8
1) De rijkdom van Abram is van ouds af als een voorbeeld aangevoerd, dat ook rijken godvrezend en vromen rijk kunnen zijn. Dit is niet in tegenspraak met het woord van Christus (MATTHEUS. 18:24); want Christus zelf heeft deze woorden nader verklaard (Genesis 4:26) in de zin, dat men door Gods genade, bij de rijkdom, armoede van de geest bezitten kan.
De rijkdom verwijdert Abram niet, zoals dikwijls het geval is (Spreuken. 30:8 en 9), van de dienst des Heren; toch ligt er ook voor hem een gevaar in. (vs.5 vv.).
De aanroeping des Heren wordt daarom met het altaar verbonden, omdat hij, door de offerande, die hij bracht, getuigde dat hij God vereerde, opdat de Kanaänieten zouden weten, dat hij zich niet overgegeven had aan hun afgoderijen.
5. En Lot, die met Abram optrok, had ook schapen, runderen en een talrijke kudde van klein en groot vee en een menigte tenten voor zich en de zijnen.
Wel tot Abram, maar niet tot Lot was de roeping gekomen; wel was Abram bestemd om in zijn eigen geslacht de dienst van God te bewaren en drager van het heil te zijn, maar niet Lot. Lot moest noodzakelijk van Abram gescheiden worden, wanneer de raad Gods ten opzichte van Abram zou worden volvoerd. En die raad werd volvoerd. Als middel daartoe dient de rijkdom van Abram en Lot, waardoor er twist komt tussen beide herders. Lot deelt als in de onmiddellijke nabijheid van Abram, ook in de zegeningen van die dienstknecht Gods.
6. a) Dat land droeg hen ten laatste niet, om samen te wonen, want hun have was groot, door de zegen des Heren, die om Abram’s wil Lot zegende (hoofdstuk. 12:3) zodat zij samen niet konden wonen.
a) Genesis 36:7
7. Eer was twist tussen de herders van Abram’s vee en tussen de herders van Lots vee. 1) De weiden en vooral de waterputten, die van zoveel waarde in het Oosten waren, konden in de behoeften van al dat vee niet voorzien; daarom geraakten de herders dagelijks in onenigheid met elkaar. Van beide zijden wilde men de voorrang hebben, en het is niet onwaarschijnlijk, dat Lots herders altijd zich het beste en meeste toe-eigenden. a) Ook woonden toen de Kanaänieten en de Ferezieten, 2) als de eigenlijke bezitters in dat land, zodat de herders van Abram en Lot zich niet verder konden uitbreiden, en er gevaar was ook met deze in twist te zullen komen. Er bleef dus niets over, dan van elkaar te scheidden.
a) Genesis 12:6
1) Voor de eerste maal dat in de Heilige Schrift van rijkdom sprake is, wordt ons tevens een nadelig gevolg daarvan gemeld. De rijkdom wordt Abram tot een last, daar hij geen ruimte genoeg voor zijn vee vindt; dit brengt verdeeldheid teweeg; hij moet scheiden van zijn neef.
2) De Ferezieten komen onder de Kanaänietische stammen (hoofdstuk. 10:15-19) niet voor, maar slechts in de telling van de bewoners van het land (hoofdstuk 15:20, Exodus 3:8, Deuteronomium. 7:1 en Jozua. 11:3). Wij vinden hen in verschillende delen van het land. Het zijn de bewoners van het platte land (Ferazoth = verspreid wonende), die zich op akkerbouw en veeteelt toelegden (Ezechiël 38:11 Zacheria. 2:4 ). Deze waren in het bezit van het beste land, en voor Lot en Abram bleef slechts over wat zij versmaad hadden.
Niet te vergeefs is de toevoeging van deze woorden. Zij wijzen ons op het onvoorzichtige en onberaden doen van die herders. De Kanaänieten en Ferezieten, de oorspronkelijke bewoners van het land en echte kinderen van Cham waren van nature vijanden, zowel van Abram als van Lot; omdat deze èn vreemdelingen waren èn bovendien een vreemde godsdienst hadden. Bij en te midden van zoveel vijanden en benijders is eenheid van gelijkgezinden hoogstnodig.
8. En Abram had nu, als oom en als bestuurder van het gezelschap, maar meer nog, omdat aan hem en niet aan Lot, dit land door God beloofd was, tot zijn neef kunnen zeggen: verlaat dit oord en zet u elders neer. In plaats daarvan zei hij tot Lot op vriendelijke toon, met geen woord van zijn voorrang sprekende: Laat er toch geen twist zijn tussen mij en tussen u, want daartoe zou het spoedig kunnen komen, dat er twist bestaat tussen mijn herders en tussen uw herders, wat mij verdriet doet. Dat mag niet zijn: wij zijn mannenbroeders, wij zijn bloedverwanten, en wat nog meer zegt, wij dienen beiden de enige God.
9. a) 1) Is niet alles uw land wat u ziet, daar ik, mij opofferende, u vrijheid geef te gaan, waar gij wilt en ik daarvan afstand doe? Scheid u toch van mij; want het is beter, dat wij van elkaar gaan, dan dat wij in twist tezamen leven. Ik zal u de scheiding zo gemakkelijk mogelijk maken, mij is het toch niet te doen om voordeel, maar om vrede; aan u laat ik de keus; zo gij de linkerhand 2) kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo gij de rechterhand kiest, zo zal ik ter linkerhand gaan. 3)
a) Genesis 20:15; 34:10
1) Met deze woorden wijkt Abram uit eigen beweging, om de twist te doen eindigen. Het gehele land biedt hij Lot aan, indien maar de twist tussen hem en zijn neef worde voorkomen.
2) De Oosterling richt zich bij de bepaling van de hemelstreken naar het Oosten (= Oriens, van daar “zich oriënteren”; alzo is de “linkerhand” het noorden, de “rechterhand” het zuiden.
3) Hier blijkt Abram’s onbaatzuchtigheid; het schijnt ook, dat hier een geloofsdaad wordt meegedeeld. Uit liefde tot de vrede laat hij aan Lot de keuze, in zijn binnenste overtuigd, dat God die zo zou besturen, dat Zijn belofte zou vervuld worden. Zo koos Lot uit vrije beweging Kanaän te verlaten; niet door uitwendige dwang noopte hem; in dat alles werd de raad Gods volbracht. Abram openbaarde tegelijkertijd zijn nederigheid en zachtmoedigheid, omdat hij, ofschoon hij Lots oom was, hem zijn broeder noemt en hem de keuze overlaat.
De vrede is vreugde van het gemoed, rust van de ziel, eenvoudigheid van het hart, een band van liefde. Hij verwijdert geheime wrok en verborgen vijandschap, staakt de strijd, stilt de toorn, beschaamt de hoogmoedigen, bemint de nederigen, verenigt de verdeelden, verzoent de vijanden. Bij iedereen is hij bemind, hij verheft zich niet en is niet opgeblazen. Wie de vrede heeft, houde hem; waar hij gemist wordt, beijvere men zich, om hem te verkrijgen.
10. En Lot, die het zich liet welgevallen, de keuze te doen, hief zijn ogen op, en, daar hij het spoedig met zichzelf eens was, waarheen hij gaan zou, ging op weg, om nader te onderzoeken, en hij zag (bezag) de gehele Jordaanvlakte, de vlakte aan beide zijden van die rivier, van het meer Gennesareth tot aan het dal van Siddim; en bevond, dat zij (de Jordaan) die vlakte geheel bevochtigde door haar zijtakken; eer de HEERE Sodom en Gomorra verdorven had, a) was zij als de hof des HEREN, als Egypteland, zo waterrijk, als eens de hof, door de Heere in Eden geplant (hoofdstuk. 2:8,10, Numeri 24:6). Nu 1), als Egypte. Ver strekte zich dat heerlijke oord uit; als gij komt te Zoar (het kleine), dat toen nog Bela (verderf) werd genoemd.
a) Hoofdstuk. 19:24 vv.
1) “Als de hof des Heren, als Egypteland.” Deze beide uitdrukkingen dienen om nader uiteen te zetten, wat er vooraf gaat, dat de Jordaan nl. die vlakte geheel bevochtigde. Gelijk het Paradijs door een rivier bevochtigd werd en Egypteland door de Nijl, alzo werden die vlakten ook door de Jordaan bevochtigd.
11. Zo koos Lot, als hij van zijn onderzoekingsreis was teruggekeerd, en bij Abram was gekomen, voor zich de gehele 1) Jordaanvlakte; en Lot brak spoedig op van Bethel, omdat hij deze gaarne voor een betere landstreek verliet, en trok naar het oosten; zo werden zij gescheiden, de een van de ander in volle vrede en onder Abram’s zegenbeden.
1) De inhaligheid van Lot komt hier ten volle uit. Hij kiest, na goed te hebben onderzocht, het beste, en, afgunstig in zijn begeerlijkheid, bepaalt hij voor zichzelf een uitgestrektheid, die veel te groot is; hij kiest “de gehele vlakte van de Jordaan.” De gierige gunt zelfs aan anderen niet, wat hij zelf niet in bezit nemen kan. Aanbiddelijk zijn Gods wegen. Abram, die aan het aardse goed niet zó gehecht is, dat hij er zijn afgod van maakt, wordt door de Heere met rijkdom gezegend; Lot heeft een droevig leven en kwelt zijn ziel; wil hij zijn afgod niet afbreken, de Heere doet het voor de rechtvaardige, en laat de vlakte verzinken. Lot eindigt zijn leven in een spelonk. Neen! het is niet hetzelfde hoe de gelovige leeft.
2) “Zij werden gescheiden.” Zo volvoert God Zijn plannen met Abram. Terah sterft in Haran en nu verlaat Lot hem ook, opdat het “ga gij” ten volle tot vervulling zou komen. Niet opeens heeft de scheiding van al wat hem lief is plaats, maar bij tussenpozen, opdat het geloof wel beproefd zou worden, maar niet geschokt. Zo handelt God, de Heere, ook op geestelijk gebied, dikwijls met Zijn kinderen; Hij, die weet van welk maaksel zij zijn. In de weg, die God met Abram houdt, is duidelijk Zijn opvoedende hand te herkennen. De afzondering van Lot is een beeld van de heiliging van de zondaar. Abram was bestemd de vader, ook op geestelijk gebied, te zijn van een afgezonderd, d.i. van een heilig volk. In de heiliging wordt de roeping bevestigd.
12. Abram woonde in het land Kanaän, het land hem door God beloofd, en Lot woonde in de steden in de vlakte, in het gebied van de vijf steden: Sodom, Gomorra, Adama, Zeboïm en Bela; en, het eentonige herdersleven moe, sloeg hij tenten tot aan Sodom toe, om het in zijn ogen aangename stadsleven in zijn onmiddellijke nabijheid te hebben.
Door de scheiding van zijn vaderlijke vriend wiens raadgevingen en wenken hij nu ook moet missen, komt Lot er toe, om nu ook geheel van levenswijze te veranderen. Tot aan Sodom toe slaat hij zijn tenten op en kiest daarmee reeds in beginsel het stadsleven boven het herdersleven. Straks verlaat hij geheel zijn tenten en vestigt zich in Sodom met zijn huis.
13. a) En, hoe goed Lot ook, naar zijn eigen mening, gekozen had, en hoe schoon en vruchtbaar het land ook was, hij had het slechtste gekozen en moest daar veel zielenleed ondervinden: want de mannen van Sodom waren boos, en grote zondaars tegen de HEERE. 1)
a) Genesis 18:20 Ezechiël. 16:49
1) Hoe rijker en vruchtbaarder een land is, des te erger zijn dikwijls de mensen; een goed land draagt zelden vromen; onze benen kunnen moeilijk de weelde dragen.
Lot meende, dat hij gelukkig was, omdat hem zulk een rijke verblijfplaats was te beurt gevallen, maar eindelijk leert hij, dat de keuze, die hij in zijn haast en niet minder in zijn begeerlijkheid had genomen, voor hem zelf in een ongelukkige was veranderd, omdat hij nu in aanraking komt met de trotse en van God afkerige inwoners, wier zeden te verdragen hem veel moeilijker wordt, dan wanneer hij met onvruchtbaarheid van de grond had moeten worstelen. Zo, ziet hij in verleid door de bekoorlijke ligging van het gekozen land, wordt hij gestraft voor zijn dwaze begeerlijkheid.
Waar de gemeenschap met Gods volk wordt prijsgegeven, daar vervalt men allicht tot de omgang met de wereld.
II. Vers 14-18
Nauwelijks is Lot weggetrokken, of de Heere geeft opnieuw aan Abram de belofte, dat hij dit land erfelijk bezitten zal. Hij beveelt hem het in de lengte en breedte door te trekken. Abram doet dit en kiest het bos van Mamre bij Hebron, tot zijn woonplaats.
14. En de HEERE zei tot Abram, om hem te troosten en te bemoedigen, nadat Lot van hem gescheiden was, en hij van al zijn familie was afgezonderd: Hef uw ogen op, gelijk Lot gedaan heeft uit eigenbelang en begerigheid, maar gij in het geloof; en zie de plaats, waar gij zijt, noordwaarts, en zuidwaarts, en oostwaarts, en westwaarts.
Lot had alleen naar het oosten gezien. Abram moet naar alle zijden zijn oog richten.
15. a) Want al dit land, 1) dat gij ziet, zal Ik u 2) en uw zaad geven tot in eeuwigheid. 3)
a) Genesis 12:7; 15:7,18; 26:4 Deuteronomium. 34:4 Handelingen 7:5
1) In het geloof heeft Abram de wereld en haar goederen gering geacht en vond des te rijkere zegen.
Zie hier het bewijs van de waarheid van Jezus’ woord: Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beërven. (MATTHEUS. 5:5, vgl. Psalm. 25:12,13 )
2) De klemtoon valt op u. Lot had zich wederrechtelijk eigenlijk een deel van Abram’s bezitting, hoewel met zijn toestemming, genomen. God belooft hier het gehele Kanaän aan zijn knecht en aan diens zaad.
3) Al wat God teweeg brengt is eeuwig. Hij doet of geeft eigenlijk nooit iets vergankelijks. Ook het vergankelijke, dat wij van Hem ontvangen, geeft Hij bepaaldelijk met het oog op het eeuwige, en indien de mens het aanneemt in het geloof, draagt het eeuwige vruchten. Het land Kanaän is het zinnebeeld van de hogere wereld, die de gelovigen, welke kinderen Abrahams zijn, zullen bezitten, en slechts met dat oogmerk heeft zijn lichamelijke nakomelingschap Kanaän bezeten, opdat voor het Godsrijk over de ganse aarde de weg gebaand zou worden. (Romeinen 4:13).
16. a) En Ik zal uw zaad stellen als het stof der aarde; zodat, indien iemand het stof der aarde zal kunnen tellen, zo zal ook uw zaad geteld worden. Een groot volk zal uit u voortkomen (Openbaring. 7:9).
a) Genesis 15:5; 17:4 Deuteronomium. 10:22 Jeremia 33:22 Romeinen 4:17,18 Hebr.11:12.
Wat reeds vroeger in Genesis 12:7 aan Abram beloofd was, wordt nu met grote kracht herhaald. Maar nu wordt bovendien gewezen op het geheel en onverdeeld bezit van het land, op de buitengewone vermenigvuldiging van Abram’s nakroost en op het eeuwigdurend bezit.
17. Maak u op van de plaats, waar gij thans woont; wandel door dit land, in zijn lengte en in zijn breedte, om het op profetische en zinnebeeldige wijze in bezit te nemen; want Ik zal het u geven; nu reeds kunt gij uzelf als heer en meester daarvan beschouwen; de tegenwoordige inwoners worden er slechts voor een tijd in geduld.
In het eerste hoofddeel van de gewijde geschiedenis, gedurende de tijd van het paradijs en voor de tijd van de zondvloed, is God de mens meer onmiddellijk en op waarneembare wijze nabij; de vromen, zoals Henoch, wandelen met Hem. Maar dit wonen Gods onder de mensen neemt met de zondvloed een einde. God trekt zich als het ware in de hemel terug, om voortaan vandaar uit zich te openbaren; toch is het doel geen ander, dan om weer in de mensheid woning te maken. In het tweede hoofddeel, gedurende de patriarchale tijd, vertoont God zich weer zichtbaar en verkeert persoonlijk met de mensen; deels openbaart Hij zich in voor de zinnen zichtbare gedaante, deels stelt Hij zich aan het inwendig oog van de mensen voor, nadat zij in een toestand van geestverrukking gekomen zijn; of Hij verschijnt hun in de droom. Toch is dat nog geen wonen op aarde; want de Heere verwijdert zich weer of vaart ten hemel op; Zijn verschijnen is slechts een naspel van het verledene, een voorspel van de toekomst.
Met deze woorden wordt Abram geroepen het woord Gods gelovig aan te nemen. Zijn wandelen door het gehele land, moet een zichtbaar teken zijn, dat hij zich, in de belofte, reeds als eigenaar kent.
18. En Abram sloeg tenten op, nu hier dan daar, volgens het bevel van God (vs. 17), en kwam, nadat hij het land in zijn lengte en breedte was doorgegaan, en woonde bij de eiken- of terpentijn bossen van Mamre (hoofdstuk. 14:13,14), die bij Hebron 1) zijn; en bouwde aldaar, gelijk vroeger te Sichem en daarna bij Bethel (hoofdstuk. 12:7,8), de HEERE een altaar. 2)
1) “Hebron” (verbond) is de naam, welke de plaats later droeg. De naam wordt hier dus als bij voorbaat gebruikt. Vroeger heette, zij: “Kirjath-Arba,” naar de Enakiet Arba; later, vóórdat David Jeruzalem had veroverd, was deze stad zijn koningszetel. (zie Ge 33.20).
Hier heeft de patriarchenfamilie het langst en het liefst gewoond, hier haar doden begraven. (hoofdstuk. 23:17 vv.; 35:27; 49:29 vv.)
2) Abram bracht zijn kerk overal mee. Zo moeten ook wij, waar wij ooit mochten heentrekken ons Bethel (Godshuis) hebben.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel