Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
De HEEREH3068 nu had totH413 AbramH87 gezegdH559: GaH3212 gij uit uw landH776, en uit uw maagschapH4138, en uit uws vadersH1 huisH1004, naarH413 het landH776, datH834 Ik u wijzenH7200 zal.
De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.
KJV
Now the LORD2
had said1
unto Abram,4
Get thee out5
of thy country,7
and from thy kindred,8
and from thy father's10
house,9
unto a land12
that I will shew
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En Ik zal u tot een groot volkH1471 makenH6213, en u zegenenH1288, en uw naamH8034 groot maken; en weesH1961 een zegenH1293!
En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen!
Ook in dit vers
grootH1419
grootH1431
KJV
And I will make of thee1
a great3
nation,2
and I will bless4
thee, and make5
thy name6
great;
and thou shalt be a blessing:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En Ik zal zegenenH1288, die u zegenenH1288, en vervloekenH779, die u vloektH7043; en in u zullen alleH3605 geslachtenH4940 des aardrijksH127 gezegendH1288 worden.
En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.
KJV
And I will bless1
them that bless2
thee, and curse4
him that curseth3
thee: and in thee shall all families8
of the earth9
be blessed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En AbramH87 toogH3212 heen, gelijk de HEEREH3068 tot hem gesprokenH1696 had; en LotH3876 toogH3212 metH854 hem; en AbramH87 was vijfH2568 en zeventigH7657 jarenH8141 oudH1121, toen hij uit HaranH2771 gingH3318.
En Abram toog heen, gelijk de HEERE tot hem gesproken had; en Lot toog met hem; en Abram was vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran ging.
KJV
So Abram2
departed,1
as the LORD6
had spoken4
unto him; and Lot9
went7
with him: and Abram10
was seventy14
and five12
years13
old11
when he departed16
out of Haran.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En AbramH87 namH3947 SaraiH8297, zijn huisvrouwH802, en LotH3876, zijns broedersH251 zoonH1121, en alH3605 hun haveH7399, dieH834 zij verworvenH7408 hadden, en de zielenH5315, dieH834 zij verkregenH6213 hadden in HaranH2771; en zij togenH3318 uit, om te gaanH3212 naar het landH776 KanaanH3667, en zij kwamenH935 in het landH776 KanaanH3667.
En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaan, en zij kwamen in het land Kanaan.
KJV
And Abram2
took1
Sarai4
his wife,5
and Lot7
his brother's9
son,8
and all their substance12
that they had gathered,14
and the souls16
that they had gotten18
in Haran;19
and they went forth20
to go21
into the land22
of Canaan;23
and into the land25
of Canaan26
they came.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En AbramH87 is doorgetogenH5674 in dat landH776, tot aanH5704 de plaatsH4725 SichemH7927, tot aanH5704 het eikenbosH436 MoreH4176; en de KanaanietenH3669 waren toen ter tijdH227 in dat landH776.
En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaanieten waren toen ter tijd in dat land.
KJV
And Abram2
passed through1
the land3
unto the place5
of Sichem,6
unto the plain8
of Moreh.9
And the Canaanite10
was then11
in the land.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Zo verscheenH7200 de HEEREH3068 aanH413 AbramH87, en zeideH559: AanH413 uw zaadH2233 zal Ik ditH2063 landH776 gevenH5414. Toen bouwdeH1129 hij aldaarH8033 een altaarH4196 den HEEREH3068, Die hem aldaar verschenenH7200 was.
Zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den HEERE, Die hem aldaar verschenen was.
KJV
And the LORD2
appeared1
unto Abram,4
and said,5
Unto thy seed6
will I give7
this10
land:9
and there builded11
he an altar13
unto the LORD,14
who appeared
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En hij brakH6275 op van daarH8033 naar het gebergteH2022, tegen het oostenH6924 van Beth-ElH1008, en hij sloegH5186 zijn tentH168 op, zijnde Beth-ElH1008 tegen het westenH3220, en AiH5857 tegen het oostenH6924; en hij bouwdeH1129 aldaarH8033 den HEEREH3068 een altaarH4196, en riepH7121 den naamH8034 des HEERENH3068 aan.
En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-El, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-El tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde aldaar den HEERE een altaar, en riep den naam des HEEREN aan.
KJV
And he removed1
from thence unto a mountain3
on the east4
of Bethel,5
and pitched7
his tent,8
having Bethel6
on the west,11
and Hai12
on the east:13
and there he builded14
an altar16
unto the LORD,17
and called18
upon the name19
of the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Daarna vertrokH5265 AbramH87, gaandeH1980 en trekkendeH5265 naar het zuidenH5045.
Daarna vertrok Abram, gaande en trekkende naar het zuiden.
KJV
And Abram2
journeyed,1
going on3
still4
toward the south.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
En er wasH1961 hongerH7458 in dat landH776; zo toogH3381 AbramH87 af naar EgypteH4714, om daarH8033 als een vreemdeling te verkeren, dewijlH3588 de hongerH7458 zwaarH3515 was in dat landH776.
En er was honger in dat land; zo toog Abram af naar Egypte, om daar als een vreemdeling te verkeren, dewijl de honger zwaar was in dat land.
Ook in dit vers
vreemdeling verkerenH1481
KJV
And there was a famine2
in the land:3
and Abram5
went down4
into Egypt6
to sojourn7
there; for the famine11
was grievous10
in the land.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En het geschieddeH1961, alsH3588 hij naderdeH7126, om in EgypteH4714 te komenH935, dat hij zeideH559 totH413 SaraiH8297, zijn huisvrouwH802: ZieH2009 tochH4994, ik weetH3045, dat gijH859 een vrouwH802 zijt, schoonH3303 van aangezichtH4758.
En het geschiedde, als hij naderde, om in Egypte te komen, dat hij zeide tot Sarai, zijn huisvrouw: Zie toch, ik weet, dat gij een vrouw zijt, schoon van aangezicht.
KJV
And it came to pass, when2
he was come near3
to enter4
into Egypt,5
that he said6
unto Sarai8
his wife,9
Behold10
now,11
I know12
that thou art a fair15
woman14
to look upon:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
En het zal geschiedenH1961, alsH3588 u de EgyptenaarsH4713 zullen zienH7200, zo zullen zij zeggenH559: Dat is zijn huisvrouwH802; en zij zullen mij dodenH2026, en u in het leven behoudenH2421.
En het zal geschieden, als u de Egyptenaars zullen zien, zo zullen zij zeggen: Dat is zijn huisvrouw; en zij zullen mij doden, en u in het leven behouden.
KJV
Therefore it shall come to pass, when the Egyptians5
shall see3
thee, that they shall say,6
This is his wife:7
and they will kill9
me, but they will save thee alive.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
ZegH559 tochH4994: Gij zijt mijn zusterH269; opdat het mij wel gaH3190 om u, en mijn zielH5315 om uwentwil leveH2421.
Zeg toch: Gij zijt mijn zuster; opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwil leve.
KJV
Say,1
I pray thee,2
thou art my sister:3
that5
it may be well6
with me for thy sake; and my soul10
shall live9
because of thee.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
En hetH1931 geschieddeH1961, alsH3588 AbramH87 in EgypteH4714 kwamH935, dat de EgyptenaarsH4713 deze vrouwH802 zagenH7200, dat zij zeerH3966 schoonH3303 was.
En het geschiedde, als Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaars deze vrouw zagen, dat zij zeer schoon was.
KJV
And it came to pass, that, when Abram3
was come2
into Egypt,4
the Egyptians6
beheld5
the woman8
that she was very12
fair.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Ook zagenH7200 haar de vorstenH8269 van FaraoH6547, en prezenH1984 haar bij FaraoH6547; en die vrouwH802 werd weggenomenH3947 naarH413 het huisH1004 van FaraoH6547.
Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.
KJV
The princes3
also of Pharaoh4
saw1
her, and commended5
her before7
Pharaoh:8
and the woman10
was taken9
into Pharaoh's12
house.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En hij deed AbramH87 goedH3190, om harentwilH5668; zodat hij had schapenH6629, en runderenH1241, en ezelenH2543, en knechtenH5650, en maagdenH8198, en ezelinnenH860, en kemelenH1581.
En hij deed Abram goed, om harentwil; zodat hij had schapen, en runderen, en ezelen, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kemelen.
KJV
And he entreated2
Abram1
well
for her sake: and he had sheep,6
and oxen,7
and he asses,8
and menservants,9
and maidservants,10
and she asses,11
and camels.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Maar de HEEREH3068 plaagdeH5060 FaraoH6547 met groteH1419 plagenH5061, ook zijn huisH1004, ter oorzakeH1697 van SaraiH8297, AbramsH87 huisvrouwH802.
Maar de HEERE plaagde Farao met grote plagen, ook zijn huis, ter oorzake van Sarai, Abrams huisvrouw.
KJV
And the LORD2
plagued1
Pharaoh4
and his house8
with great6
plagues5
because of10
Sarai11
Abram's13
wife.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Toen riepH7121 FaraoH6547 AbramH87, en zeideH559: WatH4100 is ditH2063, dat gij mij gedaanH6213 hebt? waaromH4100 hebt gij mij nietH3808 te kennen gegevenH5046, dat zijH1931 uw huisvrouwH802 is?
Toen riep Farao Abram, en zeide: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt? waarom hebt gij mij niet te kennen gegeven, dat zij uw huisvrouw is?
KJV
And Pharaoh2
called1
Abram,3
and said,4
What is this that thou hast done7
unto me? why didst thou not tell11
me that she was thy wife?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
WaaromH4100 hebt gij gezegdH559: ZijH1931 is mijn zusterH269; zodat ik haar mij tot een vrouwH802 zoude genomenH3947 hebben? en nuH6258, zieH2009, daar is uw huisvrouwH802; neemH3947 haar en gaH3212 henen!
Waarom hebt gij gezegd: Zij is mijn zuster; zodat ik haar mij tot een vrouw zoude genomen hebben? en nu, zie, daar is uw huisvrouw; neem haar en ga henen!
KJV
Why saidst thou,2
She is my sister?3
so I might have taken5
her to me to wife:8
now therefore behold thy wife,11
take12
her, and go thy way.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
En FaraoH6547 geboodH6680 zijn mannenH582 vanwegeH5921 hem, en zij geleiddenH7971 hem, en zijn huisvrouwH802, en allesH3605 watH834 hij had.
En Farao gebood zijn mannen vanwege hem, en zij geleidden hem, en zijn huisvrouw, en alles wat hij had.
KJV
And Pharaoh3
commanded1
his men
concerning him: and they sent him away,5
and his wife,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Abram
Te weten, eer hij uit Chaldea vertrokken was, want dit bevel van God was de oorzaak zijner verhuizing uit Chaldea, eer hij nog wist waar hij heentrekken zou; hetwelk hem daarna is geopenbaard. Zie boven Gen. 11:31. Verg. hiermede Hand. 7:3-4.
Hertaald:
Abram
Namelijk voordat hij uit Chaldea vertrokken was, want dit gebod van God was de oorzaak van zijn verhuizing uit Chaldea, nog voordat hij wist waarheen hij zou trekken — dat werd hem later pas bekendgemaakt. Zie Gen. 11:31. Vergelijk Hand. 7:3-4.
Ga gij
Hebr. Ga voor u, of ga u. Dat is, tot uw best; alzo onder Gen. 22:2, idem, vlied voor u, onder Gen. 27:43, onderken voor u, onder Gen. 31:32, doch overigens is dit woordje u, dikwerf in de Hebr. taal als een overtollig bijvoegsel, zoals het sommigen hier ook verstaan.
Hertaald:
Ga gij
Hebreeuws: ga voor u, of ga u. Dat is: tot uw eigen bestwil; zo ook in Gen. 22:2 'vlucht voor u', in Gen. 27:43, en 'onderken voor u' in Gen. 31:32; overigens is het woordje 'u' in het Hebreeuws vaak een overtollige toevoeging, zoals sommigen het hier ook opvatten.
dat Ik u wijzen zal
Hij noemt geen land, om aldus Abrams geloof, gehoorzaamheid en geduld door beproeving te oefenen en openbaar te maken.
Hertaald:
dat Ik u wijzen zal
Hij noemt geen land, om zo Abrams geloof, gehoorzaamheid en geduld door beproeving te oefenen en zichtbaar te maken.
groot volk
Niet alleen ten aanzien van de veelheid der mensen, wier vader gij zult wezen naar het vlees, maar ook ten aanzien van hun waardigheid, omdat zij mijn volk en eigendom zullen zijn, wier vader gij zult zijn naar den geest; Rom. 4:11-12, Rom. 4:16-17, Rom. 9:6-8; Gal. 3:7.
Hertaald:
groot volk
Niet alleen wat het grote aantal mensen betreft, waarvan gij naar het vlees de vader zult zijn, maar ook wat hun waardigheid betreft, omdat zij mijn volk en eigendom zullen zijn, waarvan gij naar de geest de vader zult zijn; Rom. 4:11-12, Rom. 4:16-17, Rom. 9:6-8; Gal. 3:7.
zegenen,
De zegening van God betekent allerlei weldaden, of in het algemeen lichamelijke en geestelijke, aardse en hemelse, tijdelijke en eeuwige, onder 2 Sam. 4:1; Deut. 28:2-4, enz. of in het bijzonder enige derzelve; boven Gen. 1:22, Gen. 1:28; onder Gen. 39:5; Deut. 7:13; Ef. 1:3.
Hertaald:
zegenen,
De zegening van God betekent allerlei weldaden, hetzij in het algemeen lichamelijke en geestelijke, aardse en hemelse, tijdelijke en eeuwige, zie 2 Sam. 4:1; Deut. 28:2-4, enz., hetzij in het bijzonder enkele daarvan; zie Gen. 1:22, Gen. 1:28; Gen. 39:5; Deut. 7:13; Ef. 1:3.
een zegen
Zo gans zeer gezegend, dat gij niet alleen in uzelven mijn zegen bezitten zult, maar dat ook deze zegen door uw zaad over ontallijke anderen uitgespreid zal worden.
Hertaald:
een zegen
Zo overvloedig gezegend, dat gij niet alleen zelf mijn zegen zult bezitten, maar dat deze zegen ook door uw nageslacht over talloze anderen zal worden uitgespreid.
in u
Dat is, in uw zaad, onder Gen. 22:18, en Gen. 26:4, en Gen. 28:14; welk zaad is Christus, Gal. 3:16; die uit Abrahams zaad naar het vlees moest voortkomen, Matt. 1:1, om allen waren gelovigen, wier vader Abraham is, de eeuwige zegening te verwerven en mede te delen; Gal. 3:28-29. Anders, met u, te weten door het geloof in Christus, gelijk Gal. 3:8-9, in u, wordt uitgelegd, met Abraham. Zie ook Rom. 4:11-12, Rom. 4:16.
Hertaald:
in u
Dat is: in uw zaad, zie Gen. 22:18, en Gen. 26:4, en Gen. 28:14; welk zaad Christus is, Gal. 3:16, die naar het vlees uit Abrahams nageslacht zou voortkomen, Matt. 1:1, om alle gelovigen, wier vader Abraham is, de eeuwige zegen te verwerven en mee te delen; Gal. 3:28-29. Anders: met u, namelijk door het geloof in Christus, zoals Gal. 3:8-9 'in u' uitlegt als 'met Abraham'. Zie ook Rom. 4:11-12, Rom. 4:16.
vijf en zeventig jaren
Hebr. een zoon van vijf jaren en zeventig jaar.
Hertaald:
vijf en zeventig jaren
Hebreeuws: een zoon van vijf jaar en zeventig jaar.
Haran ging
Vanwaar hij tevoren met zijn vader Terah uit Chaldea gekomen was, boven Gen. 11:31.
Hertaald:
Haran ging
Vanwaar hij eerder met zijn vader Terah uit Chaldea gekomen was, zie Gen. 11:31.
have,
Dit zijn als de eerstelingen van den beloofden zegen, die Abram en de zijnen ontvangen hebben in Haran. Het Hebr. woord begrijpt in zich allerlei goederen, hetzij vee, of geld en huisraad.
Hertaald:
have,
Dit zijn als het ware de eerstelingen van de beloofde zegen, die Abram en de zijnen in Haran ontvangen hebben. Het Hebreeuwse woord omvat allerlei goederen, hetzij vee, geld of huisraad.
zielen,
Dat is, mensen van dienstbare conditie, die hij veroverd had, en die, welke uit dezen geboren waren; want Abraham had toen nog geen kinderen. Het Hebr. woord hier overgezet zielen, wordt aldus genomen voor mensen of personen, onder Gen. 17:14; Ex. 12:15; Lev. 2:1; Num. 23:10; Deut. 24:7; Richt. 16:30; Marc. 3:4, enz.
Hertaald:
zielen,
Dat is: mensen in een dienende positie, die hij verworven had, en degenen die uit hen geboren waren; want Abraham had toen nog geen kinderen. Het Hebreeuwse woord dat hier met 'zielen' vertaald is, wordt zo ook gebruikt voor mensen of personen, zie Gen. 17:14; Ex. 12:15; Lev. 2:1; Num. 23:10; Deut. 24:7; Richt. 16:30; Marc. 3:4, enz.
Kanaän,
Van de grenzen dezes lands [genaamd naderhand Palestina, het beloofde land, omdat dit Abrahams nakomelingen beloofd werd, onder vs.7] zie boven Gen. 10:19 en de aantekening.
Hertaald:
Kanaän,
Over de grenzen van dit land [later Palestina genoemd, het beloofde land, omdat het aan Abrahams nakomelingen beloofd werd, zie vers 7], zie Gen. 10:19 en de aantekening daar.
Sichem,
Hebr. Scechem, gelegen in het midden van het land Kanaän, in het gebergte Ephraïm, Joz. 21:21; Richt. 8:31; 1 Kron. 6:67; Hand. 7:16; ook genaamd Sichar, Joh. 4:5.
Hertaald:
Sichem,
Hebreeuws: Scechem, gelegen midden in het land Kanaän, in het gebergte Efraïm, Joz. 21:21; Richt. 8:31; 1 Kron. 6:67; Hand. 7:16; ook Sichar genoemd, Joh. 4:5.
eikenbos
Anders, het effen veld. Zie Deut. 11:30; want het Hebr. woord betekent dit beide.
Hertaald:
eikenbos
Anders: het effen veld. Zie Deut. 11:30; want het Hebreeuwse woord kan beide betekenen.
More;
Dit kan zijn de naam van een man, naar wien deze plaats aldus genoemd wordt.
Hertaald:
More;
Dit kan de naam van een man zijn, naar wie deze plaats zo genoemd is.
de Kanaänieten
Hebr. de Kanaänieter, een vervloekt, afgodisch en goddeloos volk, afkomstig van Kanaän, Chams zoon; zie Zach. 14:21.
Hertaald:
de Kanaänieten
Hebreeuws: de Kanaänieter, een vervloekt, afgodisch en goddeloos volk, afkomstig van Kanaän, de zoon van Cham; zie Zach. 14:21.
Zo verscheen de HEERE Abram
Om door een nieuwe openbaring Abram in het geloof te versterken, die het land bewoond zag met Kanaänieten.
Hertaald:
Zo verscheen de HEERE Abram
Om Abram door een nieuwe openbaring in het geloof te versterken, terwijl hij het land door Kanaänieten bewoond zag.
Toen bouwde hij aldaar een altaar
Te weten, om aldaar offeranden, gebeden en dankzeggingen te doen; en den gehelen uiterlijken godsdienst onder de zijnen tegen de afgoderij der Kanaänieten te oefenen; hetwelk geheten wordt den naam des Heeren aanroepen; zie vs.8, en boven Gen. 4:26.
Hertaald:
Toen bouwde hij aldaar een altaar
Namelijk om daar offers, gebeden en dankzeggingen te doen, en de gehele uiterlijke eredienst onder de zijnen te onderhouden tegenover de afgoderij van de Kanaänieten; dit wordt de Naam van de HEERE aanroepen genoemd; zie vers 8, en Gen. 4:26.
Beth-el,
Een stad, gelegen in het land, dat den stam van Benjamin daarna toegevallen is, en aldus eerst genoemd door Jakob, toen hij reisde naar Mesopotamië, maar vóór dien tijd geheten Luz; onder Gen. 28:19.
Hertaald:
Beth-el,
Een stad, gelegen in het gebied dat later aan de stam van Benjamin toeviel, en pas zo genoemd door Jakob toen hij naar Mesopotamië reisde; daarvoor heette het Luz; zie Gen. 28:19.
westen,
Hebr. zee. Hierdoor wordt het westen verstaan, omdat de westzijde van Kanaän aan de zee gelegen was; zie onder Gen. 13:14, en Gen. 28:14; Num. 3:23; Deut. 3:27, enz.
Hertaald:
westen,
Hebreeuws: zee. Hiermee wordt het westen bedoeld, omdat de westkant van Kanaän aan zee lag; zie Gen. 13:14, en Gen. 28:14; Num. 3:23; Deut. 3:27, enz.
Ai
Een stad in het land Kanaän, in den stam van Benjamin, oostwaarts van Bethel gelegen; zie Joz. 7:2.
Hertaald:
Ai
Een stad in het land Kanaän, in de stam van Benjamin, ten oosten van Bethel gelegen; zie Joz. 7:2.
riep den naam
Zie boven Gen. 4:26.
Hertaald:
riep den naam
Zie Gen. 4:26.
gaande en trekkende
Dat is, allengskens en geduriglijk voortreizende.
Hertaald:
gaande en trekkende
Dat is: geleidelijk en voortdurend verder reizend.
honger in
Hier wordt Abrams vertrouwen beproefd.
Hertaald:
honger in
Hier wordt Abrams vertrouwen op de proef gesteld.
dat land;
Te weten, Kanaän, hetwelk wel vruchtbaar was, Deut. 8:7-8, maar nu om de boosheid der inwoners, met onvruchtbaarheid gestraft; Ps. 107:34.
Hertaald:
dat land;
Namelijk: Kanaän, dat wel vruchtbaar was, Deut. 8:7-8, maar nu vanwege de boosheid van de inwoners met onvruchtbaarheid gestraft werd; Ps. 107:34.
zo toog
Verstaande dat hij, om God niet te verzoeken, wel voor enigen tijd mocht vertrekken, om dezen duren tijd te ontgaan.
Hertaald:
zo toog
Om te begrijpen dat hij, om God niet te verzoeken, voor enige tijd mocht vertrekken om deze schaarste te ontlopen.
Egypte,
Een land, in het Hebreeuws genaamd Mitsraïm, van Mitsraïm den zoon van Cham, gelegen in Afrika, grenzende oostwaarts aan de Rode zee en een deel van Arabië; zuidwaarts aan Ethiopië, westwaarts aan Libyë, en noordwaarts aan de Middellandse zee; zeer goed bekend in de Heilige Schrift; onder Gen. 13:10, en Gen. 39:1, enz.
Hertaald:
Egypte,
Een land, in het Hebreeuws Mitsraïm genoemd, naar Mitsraïm de zoon van Cham, gelegen in Afrika, grenzend in het oosten aan de Rode Zee en een deel van Arabië, in het zuiden aan Ethiopië, in het westen aan Libië, en in het noorden aan de Middellandse Zee; zeer bekend in de Heilige Schrift; zie Gen. 13:10, en Gen. 39:1, enz.
ik weet dat gij een vrouw zijt schoon
Hier valt Abram in vleselijke vrees, daar hij wel behoorde zijnen God vertrouwd te hebben.
Hertaald:
ik weet dat gij een vrouw zijt schoon
Hier vervalt Abram in vleselijke vrees, terwijl hij eigenlijk op zijn God had moeten vertrouwen.
mijn ziel
Dat is, mijn persoon; zie boven op vs.5.
Hertaald:
mijn ziel
Dat is: mijn persoon; zie hierboven bij vers 5.
Faraö's vorsten,
Dat is, de voornaamste heren, edellieden en officieren van Faraö's hof, die gemeenlijk met zulke diensten hun vorsten zoeken te behagen.
Hertaald:
Faraö's vorsten,
Dat is: de voornaamste heren, edelen en hovelingen van Farao's hof, die hun vorsten graag met zulke diensten proberen te behagen.
Faraö;
Een algemene titel van alle koningen van Egypte, dien zij behouden hebben, totdat zij naderhand den naam van Plolomaeus bekomen hebben.
Hertaald:
Faraö;
Een algemene titel van alle koningen van Egypte, die zij behielden totdat zij later de naam Ptolemaeus kregen.
weggenomen
Niet naar den koning, maar naar het koninklijke vrouwengetimmer, om aldaar naar de wijze van het land toebereid te worden voor de koning haar tot zijne huisvrouw zou nemen; zie Est. 2:8-9; intussen droeg God zorg voor Abram en de kuisheid zijner huisvrouw.
Hertaald:
weggenomen
Niet naar de koning zelf, maar naar het koninklijke vrouwenverblijf, om daar naar de gebruiken van het land voorbereid te worden voordat de koning haar tot vrouw zou nemen; zie Est. 2:8-9; ondertussen zorgde God voor Abram en de eerbaarheid van zijn vrouw.
naar het huis
Te weten, om geleid te worden naar Faraö's huis. De Hebreën begrijpen dikwijls onder één woord de betekenis van nog een ander, gelijk hier en elders geschiedt met het woord Lakach, nemen. Zie onder Gen. 18:7; Ps. 143:3; Ezech. 28:16.
Hertaald:
naar het huis
Namelijk: om naar Farao's huis geleid te worden. De Hebreeën vatten vaak onder één woord ook de betekenis van een ander samen, zoals hier en elders met het woord lakach, nemen. Zie Gen. 18:7; Ps. 143:3; Ezech. 28:16.
om harentwil;
Omdat hij voorgenomen had haar te trouwen, en dat liever met Abrams vriendschap dan onwil.
Hertaald:
om harentwil;
Omdat hij van plan was haar te trouwen, en dat liever met Abrams instemming dan tegen zijn wil.
schapen, en runderen,
Onder de woorden van schapen en runderen, wordt allerlei klein en groot vee begrepen, gelijk onder Gen. 13:5, en Gen. 20:14, en Gen. 26:14, enz. Zie ook Lev. 1:2.
Hertaald:
schapen, en runderen,
Onder de woorden schapen en runderen wordt allerlei klein en groot vee begrepen, zoals in Gen. 13:5, en Gen. 20:14, en Gen. 26:14, enz. Zie ook Lev. 1:2.
grote plagen,
Wat dit voor plagen geweest zijn, is onzeker; het is zeker dat zij gediend hebben, zowel om de schending van Sarai te verhinderen, als om deze daad des konings en zijn huis te straffen.
Hertaald:
grote plagen,
Wat voor plagen dit precies waren, is onzeker; zeker is dat zij dienden om zowel de schending van Sarai te voorkomen als deze daad van de koning en zijn huis te straffen.
Waarom hebt gij
Faraö wist dit nu zonder twijfel, eensdeels uit de hoedanigheid zijner plaag en de wroeging van zijn conscientie, anderdeels uit de ingeving en openbaring Gods, gelijk op een anderen tijd met Abimélech geschied is; onder Gen. 20:3.
Hertaald:
Waarom hebt gij
Farao wist dit nu zonder twijfel, deels door de aard van zijn plaag en de wroeging van zijn geweten, deels door Gods ingeving en openbaring, zoals later ook bij Abimelech gebeurde; zie Gen. 20:3.
Faraö
Hier staat niet dat Abram enige woorden van verontschuldiging gebruikt heeft, daar hij zonder twijfel zijn zwakheid en onbedachtzaamheid gevoelde en bekende; als ook een bijzondere genade des Heeren, die hij opmerkte in het Goddelijk beleid dezer zaak.
Hertaald:
Faraö
Hier staat niet dat Abram enige woorden van verontschuldiging gebruikt heeft, terwijl hij ongetwijfeld zijn zwakheid en onbezonnenheid voelde en erkende, evenals de bijzondere genade van de HEERE die hij opmerkte in de goddelijke leiding van deze zaak. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas De zoon van Terah, vóór zijn oudere broers Nahor en Haran genoemd (Gen. 11:27) omdat hij de erfgenaam van de beloften was. Op zeventigjarige leeftijd verliet hij met zijn familie Ur der Chaldeeën; later, na de dood van zijn vader in Haran, ontving hij van de HEERE de roeping om naar het onbekende land Kanaän te trekken, 'niet wetende waar hij komen zou' (Hebr. 11:8). Later zou zijn naam veranderd worden in Abraham (Gen. 17:4-5). Een zoon van Terah en broer van Abram en Nahor, vader van Lot (Gen. 11:27-28). Hij stierf al vóór zijn vader Terah, in zijn geboortestad Ur der Chaldeeën, en liet zijn zoon Lot achter. De vrouw en tegelijk halfzuster van Abram (Gen. 11:29; 20:12). Onder deze naam wordt zij voor het eerst genoemd; later, bij de instelling van het verbond der besnijdenis, zou haar naam veranderd worden in Sarah, 'vorstin' (Gen. 17:15), toen haar werd beloofd dat zij, ondanks haar hoge leeftijd, de moeder van de beloofde zoon zou worden. De zoon van Haran en neef van Abram (Gen. 11:27, 31). Na de dood van zijn vader trok hij mee met zijn grootvader Terah en later met zijn oom Abram naar Kanaän. Later scheidde hij zich van Abram af en vestigde zich bij Sodom (Gen. 13), werd gevangengenomen door Kedorlaomer en door Abram bevrijd (Gen. 14), en werd ten slotte wonderlijk gered uit het brandende Sodom (Gen. 19). De jongste zoon van Cham en kleinzoon van Noach (Gen. 9:18, 22). Om de zonde van zijn vader Cham tegenover Noach werd niet Cham, maar Kanaän door Noach vervloekt: 'een knecht der knechten zij hij zijn broederen.' Naar hem is het land Kanaän genoemd, dat later door de Israëlieten in bezit genomen zou worden. Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Ligging: Gelegen tussen de bergen Gerizim en Ebal, op de belangrijke noord-zuidroute door het bergland van Efraïm. Geschiedenis: Deze plaats wordt voor het eerst genoemd bij Abrahams tocht vanuit Haran: bij de eik (het terebint) van More, in de omgeving, richtte hij zijn eerste altaar voor de HEERE in het land Kanaän op (Gen. 12:6v). Waarschijnlijk was het bij diezelfde eik dat Jakob, teruggekeerd uit Paddan-Aram, de vreemde goden begroef (Gen. 35:4); hierheen was hij gekomen na zijn ontmoeting met Ezau (Gen. 33:18). Ten oosten van de stad kocht Jakob een stuk grond van Hemor, Sichems vader, waar hij zijn tent opsloeg en een altaar bouwde, dat hij El-Elohe-Israël noemde (Gen. 33:19v). Hier speelde zich ook de geschiedenis van de ontering van Dina af, met de wraak van Simeon en Levi tot gevolg (Gen. 34). Later liet Abimelech, wiens moeder uit de stad afkomstig was, zich door de mannen van Sichem tot koning maken (Richt. 9). Bijbelse betekenis: De eerste plek in het beloofde land waar een aartsvader een altaar voor de HEERE bouwde — daarmee in zekere zin het geestelijke beginpunt van Israëls aanwezigheid in Kanaän. Gen. 12:6-7; 33:18-20; 34; 35:4; Richt. 9; Hand. 7:16 (als "Sychem") Ligging: Gelegen ten westen van Ai (Gen. 12:8), op de noordgrens van Benjamin (de zuidgrens van Efraïm), aan de top van de weg die vanuit de Jordaanvallei via Ai omhoogloopt. Vertegenwoordigd door het huidige Beitin, circa twintig kilometer ten noorden van Jeruzalem, aan de weg naar Nablus. Er zijn vier bronnen die goed water leveren; in de oudheid werd dit aangevuld met een in de rots uitgehouwen waterbekken. Geschiedenis: Abram sloeg hier zijn tent op tussen Beth-el en Ai en bouwde er een altaar (Gen. 12:8; 13:3v). Beth-El was een koninklijke stad van de Kanaänieten (Joz. 12:16), werd door Jozua veroverd (Joz. 8) en aan Benjamin toegewezen (Joz. 18:22). Later maakte koning Jerobeam het tot koninklijk heiligdom en religieus centrum van het tienstammenrijk (1 Kon. 12:29v), waar hij een van de gouden kalveren plaatste. Tegen de afgodische uitspattingen die zich daar ontwikkelden, spraken de profeten Amos en Hosea felle oordeelswoorden uit; Hosea noemt de plaats spottend Beth-Aven ("huis van onheil") in plaats van Beth-El. Bijbelse betekenis: De plaats van Jakobs droom van de ladder tot in de hemel en van Gods verbondsbelofte aan hem (Gen. 28); later, door Jerobeams afgodische kalverdienst, een symbool van geestelijk verval. Archeologie: Bij het huidige Beitin zijn opgravingen gedaan die muren en gebouwen van het oude Beth-El hebben blootgelegd, al is een deel van de vindplaats sindsdien weer overbouwd door het moderne dorp. Gen. 12:8; 13:3-4; 28:10-19; 35:1-15; Joz. 8; 12:16; 18:22; 1 Kon. 12:29-33; 13; Amos 3:14; 4:4; 5:11; 7:13; Hos. 4:15; 10:5,8,15 Ligging: Het droge grensgebied ten zuiden van het bergland van Juda, met dalen die overwegend oost-west lopen; een geïsoleerde streek zonder grote doorgaande wegen, die tegelijk als een natuurlijke barrière diende tegen legers die vanuit het zuiden zouden optrekken. Geschiedenis: Het Zuiderland was het toneel van veel omzwervingen van Abram (Gen. 12:9; 13:1,3; 20:1); hier ontmoette Hagar de Engel des HEEREN (Gen. 16:7,14); ook Izak (Gen. 24:62) en Jakob (Gen. 37:1; 46:5) woonden er. Mozes zond de verspieders via dit gebied naar het bergland (Num. 13:17,22); in die tijd woonden er de Amalekieten. Bijbelse betekenis: Het gebied waar de aartsvaders bij uitstek als vreemdelingen rondtrokken, tussen het beloofde land en Egypte in. Gen. 12:9; 13:1,3; 16:7,14; 20:1; 24:62; Num. 13:17,22,29 Ligging: Gelegen in het noordoosten van Afrika, begrensd door de Middellandse Zee in het noorden, Palestina/Arabië en de Rode Zee in het oosten, Nubië in het zuiden en de grote woestijn in het westen; het bewoonbare land beperkt zich vrijwel geheel tot de smalle, vruchtbare Nijlvallei en de waaiervormige Delta. Geschiedenis: Een van de oudste beschaafde koninkrijken die de geschiedenis kent, wiens taal (in zijn laatste vorm het Koptisch) van verre verwant is aan de Semitische talen. In Genesis 12 vlucht Abram, gedreven door hongersnood, naar Egypte; hij wordt er gastvrij ontvangen, maar dit gaat gepaard met gevaar voor de eer van zijn vrouw Sarai, die de farao naar zijn hof laat halen (Gen. 12:10-20) — een patroon dat zich later, in andere vorm, herhaalt in de geschiedenis van Jozef en van het volk Israël in de tijd van de uittocht. Bijbelse betekenis: Door de hele Bijbel heen vervult Egypte een dubbele rol: het is zowel een toevluchtsoord in tijden van nood als een plaats van verdrukking waaruit God Zijn volk moet uitleiden — een spanning die al hier, bij Abram, voor het eerst zichtbaar wordt. Gen. 12:10-20; en talrijke latere verwijzingen door de hele Schrift heen © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas God riep Abram, nog voordat hij enig teken of belofte had ontvangen, om zijn land, zijn maagschap en zijns vaders huis te verlaten en te gaan naar een land dat Hij hem wijzen zou. Daarbij gaf Hij de belofte hem tot een groot volk te maken en in hem alle geslachten der aarde te zegenen (Gen. 12:1-3). Abram gehoorzaamde en vertrok, zonder te weten waar hij komen zou (Hebr. 11:8). Bijbelse betekenis: Deze roeping ging geheel van God uit: er is geen enkele aanleiding in de tekst die aan Abram zelf enige verdienste, geschiktheid of voorafgaand zoeken toeschrijft — de HEERE nam het initiatief, en Abram antwoordde in geloof en gehoorzaamheid. Typologie: Paulus wijst uitdrukkelijk naar Abrams roeping als het patroon van hoe God ook nu nog roept en rechtvaardigt: niet naar de werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade (Rom. 4:1-5; vgl. 2 Tim. 1:9). Zo is Abrams roeping een vroeg, sprekend voorbeeld van wat de Reformatie later de vrije, verkiezende genade van God noemde — een roeping die niet op de mens, maar geheel op God rust. Gen. 12:1-3; Hebr. 11:8; Rom. 4:1-5; 2 Tim. 1:9 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het beloofde Zaad niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe De belofte krijgt een naam. Sinds Genesis 3 wachtte de wereld op Eén; nu wordt één man uit Ur geroepen, en van hieraf loopt de heilsgeschiedenis over zijn familie. God roept één man en belooft door hem de hele wereld te zegenen; Paulus noemt dat de aankondiging van het Evangelie. Vijf keer zegt God wat Hij doen zal: Ik zal u tot een groot volk maken, Ik zal u zegenen, Ik zal uw naam groot maken, Ik zal zegenen wie u zegent, en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden. Abram brengt niets in dan gehoorzaamheid aan een bevel om weg te trekken zonder te weten waarheen. Het laatste van die vijf reikt veel verder dan zijn nakomelingschap: het gaat om alle geslachten. Paulus vat dat in de Galatenbrief samen met een zin die weinig aan duidelijkheid overlaat — de Schrift heeft tevoren het Evangelie aan Abraham verkondigd. Wat hier gezegd wordt is dus niet slechts een voorbereiding op het Evangelie, maar het Evangelie zelf, in zaadvorm. In het Nieuwe Testament: Galaten 3:8; Handelingen 3:25; Hebreeën 11:8
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Het is veel gemakkelijker om monnik of non te worden en je in afzondering terug te trekken, dan te midden van goddeloze mensen te leven en toch zelf godvruchtig te blijven. Het is veel moeilijker om handel te drijven met de gewone kooplieden zonder hun gewoonten over te nemen, of je te begeven onder de gangbare denkers zonder te denken zoals zij denken. Juist daarin komt het erop aan de gedachten van God te denken en de wil van de Allerhoogste te gehoorzamen. De Heere nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land dat Ik u wijzen… De Heere nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land dat Ik u wijzen… De Heere nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land dat Ik u wijzen… De Heere nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land dat Ik u wijzen… De Heere nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land dat Ik u wijzen… De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Genesis 12
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
In u zullen alle geslachten gezegend worden — 12:1-3
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
Doe het toch
Treed naar voren
Een persoonlijke roeping
Een krachtdadige roeping is nodig
Zonder God geen zegen
Ga gij uit uw land


Genesis 12
Genesis 12:1. KruisverwijzingenHebreeën 11:8→Openbaring 18:4→Genesis 15:7→Jesaja 41:9→Lukas 14:26→Handelingen 7:2→Nehemia 9:7→Jozua 24:2→
— De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.
Het was Gods bedoeling Zijn waarheid en de zuivere godsdienst in de wereld te bewaren door die toe te vertrouwen aan één man en aan het volk dat uit hem zou voortkomen. Abraham wordt de vader van de gelovigen genoemd, dat wil zeggen de vader van allen die in God geloven. Daarom geldt dat, als wij werkelijk in God geloven, wij ook zullen doen wat Abraham als gelovige deed. Misschien worden wij niet geroepen ons huis en ons vaderland te verlaten, maar ons wacht een taak die nog moeilijker is. Wij moeten ons afzonderen van de mensen onder wie wij leven: wel onder hen wonen, maar niet van hen zijn; wel in de wereld zijn, maar niet van de wereld.
Dat is geen gemakkelijke opgave. Het is veel gemakkelijker om monnik of non te worden en je in afzondering terug te trekken, dan te midden van goddeloze mensen te leven en toch zelf godvruchtig te blijven. Het is veel moeilijker om handel te drijven met de gewone kooplieden zonder hun gewoonten over te nemen, of je te begeven onder de gangbare denkers zonder te denken zoals zij denken. Juist daarin komt het erop aan de gedachten van God te denken en de wil van de Allerhoogste te gehoorzamen.
Genesis 12:2-3. KruisverwijzingenGenesis 22:18→Genesis 26:4→Genesis 27:29→Galaten 3:8→Genesis 18:18→Galaten 3:14→Genesis 28:14→Numeri 24:9→
— En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen! En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.
Hierin ziet u het missionaire karakter van Abrahams nageslacht, als zij dat maar hadden beseft. God zegende hen niet uitsluitend om henzelf, maar met het oog op alle volken: “In u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.”
Genesis 12:4.KruisverwijzingenGenesis 11:27→Genesis 11:31→Hebreeën 11:8→
— En Abram toog heen, gelijk de HEERE tot hem gesproken had; en Lot toog met hem; en Abram was vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran ging.
Hij had al een hoge leeftijd bereikt, maar zonder dat hij het wist of kon vermoeden, lag er nog een eeuw van zijn leven voor hem. Hij had kunnen zeggen: “Heere, ik ben te oud om nog te reizen, te oud om mijn land te verlaten en een zwervend bestaan te beginnen.” Maar zo sprak hij niet. Hem werd bevolen te gaan, en wij lezen eenvoudig: “En Abram toog heen.”
Genesis 12:5-6.KruisverwijzingenDeuteronomium 11:30→Genesis 14:14→Genesis 35:4→Hebreeën 11:9→Genesis 11:31→Richteren 7:1→Genesis 13:7→Hebreeën 11:8→
— En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaan, en zij kwamen in het land Kanaan. En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaanieten waren toen ter tijd in dat land.
Woeste en machtige volken beheersten het land. Het leek allerminst de aangewezen plaats om het erfdeel te zijn van een vreedzaam man als Abraham. God vervult Zijn beloften aan Zijn volk niet altijd onmiddellijk. Want waar zou anders het geloof worden geoefend? Ons leven behoort een leven van geloof te zijn, en dat geloof zal uiteindelijk rijkelijk worden beloond.
Abraham bezat geen voetbreed land dat hij zijn eigendom kon noemen, behalve de grot van Machpela, die hij van de zonen van Heth had gekocht als begraafplaats voor zijn geliefde Sara.
Genesis 12:7. KruisverwijzingenGenesis 17:8→Genesis 13:15→Genesis 18:1→Genesis 17:1→Galaten 3:16→Genesis 13:4→Psalmen 105:9→Genesis 26:25→
— Zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den HEERE, Die hem aldaar verschenen was.
Zo ziet u dat Abraham zijn afgezonderde leven begon met een zegen van de HEERE, zijn God. Later in zijn levensgeschiedenis ontving hij een nog grotere zegen, toen hij na zijn overwinning op de koningen terugkeerde.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
ABRAHAMS ROEPING EN TOCHT NAAR EGYPTE.
I. Vers 1-8
Met Abram begint een nieuwe afdeling van de geschiedenis van het Godsrijk. Hij ontvangt bevel zijn vaderland en zijn familie te verlaten en naar een land te trekken, dat God Hem wijzen zal. Vertrouwende op de hem gegeven belofte, is hij aan de wil des Heren gehoorzaam, komt hij met zijn vrouw Saraï en zijn neef Lot tot aan Kanaän, en verneemt hij in het bos More bij Sichem, dat hij op de bestemde plaats gekomen is.
1. De HEERE nu 1) had tot Abram 2) gezegd; bij de verschijning te Ur in Chaldea, van welke reeds in hoofdstuk. 11:31 gesproken is: Ga gij 3) a) uit uw land, en uit uw familie, en uit uws vaders huis, 4) naar het land 5) dat Ik u thans nog niet noemen, maar u te gelegener tijd wijzen zal.
a) Hand. 7:3 Hebr. 11:8
1) Dit is de weg Gods; eerst verlaten, dan ontvangen. “Verlaat”, spreekt Hij, “wat gij ziet, en kies hetgeen gij niet ziet.” Zie, hoe van den beginne af deze rechtvaardige wordt geoefend, om het onzichtbare te stellen boven het zichtbare, en het toekomende boven hetgeen tegenwoordig is; want God zegt niet, in welk land Hij hem brengen wil, maar door het onbepaalde van het bevel oefent Hij de liefde van de aartsvader tot zich.
Wie God volgen wil moet zich van de wereld en haar boosheid afzonderen, alle tijdelijke troost en de hulp van schepselen laten varen, en zijn vertrouwen geheel en alleen op de Heere zetten.
Met dit woordje “nu” knoopt zich vs.1 aan vs.31 van het vorige hoofdstuk vast.
2) De reden waarom de Heere Abram uit Ur der Chaldeeën riep, is niet ver te zoeken. In hem houdt de Heere de draad van de genade vast en door hem volvoert Hij zijn eeuwig plan van de vrede. De wereld had zich weer verloren in afgoderij en zondendienst en zou weer reddeloos ten onder moeten gaan wanneer God Almachtig niet krachtdadig tussenbeide kwam. Dit laatste geschiedde in de roeping van de vader van de gelovigen.
3) “Ga gij.” In het Hebreeuws Lég, legaa. Niet alleen “ga.” Omdat de roeping persoonlijk tot Abram komt en tot zijn geslacht, maar ook omdat het de Heere met dit bevel wezenlijk ernst is, omdat dit een krachtdadige roeping was.
4) Wie menen dat God dit tot Abram gesproken heeft na de dood van zijn vader, kunnen gemakkelijk door de woorden van Mozes zelf van dwaling overtuigd worden. Want indien Abram reeds niet meer in het vaderland vertoefde en zich ergens anders met zijn huis had gevestigd, dan zou het bevel: Ga uit uw land en uit uw familie en uit uw vaderhuis overbodig zijn geweest. Het gezag van Stefanus, die als een alleszins bevoegd uitlegger kan beschouwd worden, bevestigt dit. Hij nu getuigt duidelijk, dat God Abram verschenen is, toen hij nog was in Mesopotamië, vóórdat hij vertoefde te Haran.
Drievoudig is de eis, welke nu tot hem komt: het verlaten van zijn land, het verlaten van zijn familie, het verlaten van zijn vaderhuis. Alle gemeenschap met het afgodische land en met zijn afgodische familie moest hij prijs geven.
Op de drievoudige eis: het verlaten van zijn land, zijn familie en zijn vaderhuis, volgt een drievoudige belofte: 1. Gods bijzondere leiding naar een nieuw land; 2. een groot nakomelingschap; 3. een geestelijke zegen voor hem en alle geslachten. Die beloften geloofde hij, al bezat hij heen voet grond, al was zijn vrouw onvruchtbaar, al moest hij een vreemdeling zijn in een vreemd land (vs. 2-4), en die beloften zijn vervuld. Neen! wij verliezen nooit, als wij op Gods bevel verlaten, of afstaan, wat ons dierbaar is; want Gods weg is ons arm te maken aan valse schatten, om ons rijk te doen worden in het ware goed.
5) Bij de aanvang van de weg reeds moet Abram leren Gods weg als de enige ware te beschouwen en God te volgen, al weet hij ook niet, welke de uitkomst zal zijn.
2. En Ik 1) zal u, hoewel er voor u zo weinig vooruitzicht is (hoofdstuk. 11:30) tot een groot volk maken; 2) Ik zal een talrijk en aanzienlijk volk uit u laten voortkomen en Ik zal u zegenen, en uw naam groot maken, u beroemd en aanzienlijk maken, tot eer en heerlijkheid brengen, en wees een zegen! 3)
1) Tegenover de drievoudige eis des Heren ook een drievoudige belofte. In vs. 1 reeds de belofte, dat de Heere zijn gids zal zijn en dat, waar hij zijn vaderland en zijn familie verlaat, God hem tot een groot volk zal maken en hem zal zegenen.
2) Tot hiertoe verhaalt Mozes, wat Abram bevolen is te doen, nu voegt hij bij het bevel Gods ook de belofte en dat niet zonder oorzaak. Want omdat wij traag zijn om te gehoorzamen, beveelt God tevergeefs tenzij hij ons tegelijk aanvuurt, door de toevoeging van zijn genade en zijn zegen. Want het is zeker, dat het geloof niet standhoudt, tenzij het gefundeerd is in de belofte van God. Maar ook het geloof alleen schept de gehoorzaamheid. Daarom, opdat nu de gemoederen God op Zijn woord volgen, is het niet voldoende, dat Hij eenvoudig beveelt wat Hij wil, tenzij Hij ook tegelijk zijn zegen belooft.
De belofte diende, om het geloof te versterken, maar de belofte zelf was ook weer van die aard, dat het geloof daardoor geoefend werd, omdat Abram kinderloos en Saraï onvruchtbaar was.
3) “Wees een zegen,” in het Hebreeuws Hejeh Baracha d.i. gij zult een zegen zijn. Calvijn vertaalt, doch o.i. ten onrechte, “opdat gij zijt een zegen,” en verklaart dan aldus: Een geluk wordt hier beloofd, hetwelk wijd en zijn zulk een verwondering zou verwekken, dat men de persoon van Abraham als tot een voorbeeld zou nemen, wanneer men iemand wilde zegenen. Beter is de vertaling in de zin van: gij zult een zegen zijn. In vs. 3 wordt dan nader aangegeven, wat met die uitdrukking bedoeld wordt. Dit, dat wie u zegent, gezegend zal zijn, en wie u niet zegent, maar vervloekt, ook vervloekt zal wezen.
God eist, waar Hij ons gaven schenkt, dat die door ons ten nutte van anderen zullen worden aangewend (1 Petrus. 2:9). Zonder zelf de zegen te hebben verkregen, kunnen wij anderen niet ten zegen zijn; hoe kan een blinde een blinde leiden? Dit is een grote zegen van God, zo Hij ons ten zegen stelt.
3. En Ik zal zegenen, die u zegenen, wie tot u in de rechte betrekking staat, zal Ik zegenen, en daarentegen vervloeken, die u vloekt; a) 1) en in u, 2) door degene, die uit u voortkomen zal, zullen alle geslachten van het aardrijk gezegend worden.
a) Genesis 18:18; 22:12; 26:4; 28:14. Hand. 3:25 Galaten. 3:8
1) Het is opmerkelijk, dat, vóórdat Abram enige gehoorzaamheid betoonde, deze vrije gift van de genade hem werd aangeboden. Het eerste verbond, dat God tot vestiging van Zijn rijk op aarde sloot, de grondslag van elk verbond van later dagtekening, was in de aard van zijn wezen een verbond der genade. (Galaten. 3:15 vv.).
Hier komt op wonderlijke wijze de goedertierenheid Gods aan het licht, omdat Hij als op familiaire wijze met Abram een verdrag sluit, zoals de mensen met bondgenoten en huns gelijken doen. Want dit is de plechtige formule, die bij het aangaan van een verbond tussen koningen en anderen wordt gebruikt; wanneer zij beloven, dat wederkerig vijanden en vrienden voor hen dezelfde zullen zijn.
2) Tot hiertoe stond het woord van de belofte aangaande het vrouwenzaad, als een eenzame ster aan de hemel; met de geschiedenis van Abram wordt de verwachting opnieuw in het hart uitgestort, altijd heerlijker en heerlijker wordt het verlossingsplan des Heren geopenbaard. De eerste wereld was door het vreselijk Godsgericht, door de zondvloed, ten onder gegaan; de tweede begon in de voetstappen van de eerste te wandelen en werd haar gelijkvormig. Toen moest de liefde Gods, die niet verderven, maar behouden wil, een nader genadeverbond aangaan. Wel had de Heere reeds met Noach een verbond gemaakt, maar het had betrekking op de natuur en haar krachten. De mens had bescherming verkregen tegen een verderf door het water, maar geen bescherming, geen macht tegen de zonde. Integendeel, daar de natuur, om de zonde van de mensen, verkocht is onder ijdelheid en dood, zou zij de zondaar in haar zegen tot vloek, tot vervallen in bij- en ongeloof leiden; zelfs in het geslacht van Sem werd lauw; zelfs het geslacht van Terah, Abram’s vader, werd afgoderij geduld en gepleegd. Uit deze vreselijke macht der zonde kon slechts de liefde Gods verlossen, die besloot mens te worden; en om deze menswording van God, die in Christus Jezus is geschied, dit onnavorsbaar geheim, voor te bereiden, dienden de openbaringen Gods van Adam af.
Voor zoveel het vlees aangaat, was Christus in de lendenen van Abram besloten. In Hem, het ware zaad van Abram zouden alle volken gezegend worden. Wat hier reeds aan Abram beloofd wordt, zou eerst volkomen vervuld worden als de Christus verschenen zou zijn. Tot op die tijd van de vervulling zouden gezegend worden in Abram, de volkeren, en de heidenen eerst de ware zegen genieten, als zij in Abram’s zaad door de besnijdenis zouden ingelijfd zijn. In hoofdstuk. 22:18 wordt dit nog duidelijker uiteengezet.
4. 1) En Abram, gehoorzaam aan het woord des Heren, terwijl de roeping hem enigszins gemakkelijk wordt gemaakt, doordat ook Terah met hem optrok, toog heen, 2) uit Ur der Chaldeeën, gelijk de HEERE tot hem (vs. 1) gesproken had, door het geloof (Hebr. 11:8) de Heere gehoorzaam; en Lot, de zoon van Haran, toog met hem; en Abram was vijfenzeventig jaar oud, toen hij uit Haran ging 3) (2083 na de wereldschepping; 1917 voor Christus).
1) Met vs. 4 wordt de draad van de geschiedenis, in vs. 31 van het vorige hoofdstuk begonnen, weer opgevat.
2) Zo vervolgt het tekstverhaal en vermeldt aldus, dat Abram de roeping, mét haar belofte en steun, aanvaardde in het geloof, om die vast te maken in en door het leven. Hij beijverde zich, zoals de Apostel Petrus het noemt, zijn roeping en verkiezing te bevestigen, of zoals de Apostel Paulus dit aangeeft, door te wandelen, waardiglijk aan de roeping, waarmee hij geroepen was.
3) Waarom deze vermelding van Abram’s leeftijd? Om daardoor te doen zien, dat Abram reeds op gevorderde leeftijd geroepen werd en dat daarom de vervulling van de belofte alleen het werk zou zijn van een Almachtig God.
5. a) En Abram, nam 1) Saraï, zijn vrouw, en Lot, de zoon van zijn gestorvenen broeder, en al hun have, die zij in schapen, runderen, geiten, ezels, kamelen, enz. verworven hadden, en de zielen; die zij later verkregen hadden in Haran, knechten en maagden, die zij gekocht hadden, of die hun geboren waren; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, dat de Heere hun tonen zou; en zij kwamen in het land Kanaän. 2)
a) Hand. 7:4
1) Uit de opsomming van wat Abram meenam blijkt duidelijk, dat de eis niet makkelijk was, maar dat er veel voor nodig was, om de roeping te volbrengen.
6. En Abram, omdat hij nog geen bevel had ontvangen, om het voortreizen te staken, is verder getrokken 1) in dat land; hij reisde de gehele oostelijke helft door, tot aan de plaats, waar later Sichem (schouder) lag, tussen de bergen Ebal en Gerizim, een dal vol bronnen, achttien uur ten noorden van Jeruzalem; tot aan het eikenbos, of terpentijnbomen van More (bezitter) en a) de Kanaänieten waren toen in dat land. 2)
a) Genesis 10:18,19; 13:7
1) Hieruit blijkt, dat Abram niet meteen de plaats van de rust vond. Zijn geloof werd reeds meteen op de proef gesteld, omdat hij als het ware de gehele landstreek door moest trekken, voordat hij een plaats had, waar hij kon wonen. Het geloof van Abram echter was van zuiver gehalte. Hij volhardde in zijn geloof aan Gods roeping.
2) De vermelding, dat de Kanaänieten in het land waren dient, opdat de zegen die Abram zo aanstonds, ontvangt (vs.7) des te beter begrepen zal worden, maar ook opdat daardoor zou verklaard worden, waarom de Heere terstond met die belofte komt. Het was toch voor de vrome Abram niet alleen een pijnlijke gedachte te moeten verkeren te midden van zulke goddeloze mensen, maar ook moet was het voor hem een smartelijke zaak, dat het land, dat hij bewonen moest, nog in het bezit was van de Kanaänieten, zodat hij zich slechts op de onbewoonde plaatsen kon vestigen.
7. Toen Abram in deze schoonste streek van het land gekomen was, waarvan een later reiziger zegt: Wij zagen in geheel Palestina niets, dat hiermee te vergelijken was, Zo verscheen de HEERE aan Abram, om hem een hart onder de riem te steken, en ook om hem te verzekeren dat hij daar op de juiste plaats was, dat Kanaän het door God bedoelde land was. Hij zei: a) Aan uw zaad zal Ik dit land geven. 1) Toen bouwde hij daar een altaar 2) voor de HEERE, die hem verschenen was, als een antwoord op de gegeven goddelijke belofte. Door het geloof ziet hij de belofte reeds vervuld, en dankt hij, alsof hij de weldaden reeds ontvangen had.
a) Genesis 13:15; 15:18; 17:8; 24:7,26, Deuteronomium. 34:4
1) God ondersteunt Abram door de belofte, maar welk een belofte? Belooft God hem dit land in eigendom te geven! Als Abram sterft, zal hij een grafspelonk zijn enige bezitting kunnen noemen, wat Kanaän betreft. God belooft, dat aan zijn zaad, aan zijn nakomelingschap, Hij dit land zal geven. Calvijn zegt dan ook zo eigenaardig, nadat hij erop gewezen heeft, dat toen Abram de belofte ontving, hij een grijsaard was en geen zoon had: “De vertroosting had voor het vlees niets smakelijks, maar het geloof heeft een andere smaak.”
Het land Kanaän is ten westen door de Middellandse Zee, ten noorden door de Libanon en de anti-Libanon, ten oosten door Woest-Arabië en ten zuiden door steenachtig Arabië omgeven, en door zijn natuurlijke grenzen van het verkeer met andere volken afgescheiden; de enige rivier van betekenis, de Jordaan, stort zich, nadat zij door de meren Merom en Gennesareth stroomt, in de Dode Zee. Dit land beloofde de Heere aan Zijn uitverkoren volk, opdat het hier bewaard zou blijven voor de afgodendienst van de heidenen, en het geloof aan Hem, de enige God, zou bewaren. Door van Hemzelf gegeven godsdienstwetten wilde de Heere het zo vormen, dat in de volheid van de tijden onder dit volk de Heiland der wereld zou kunnen opstaan.
Het land midden tussen de drie bekende werelddelen, tussen Egypte en de grote Aziatische rijken gelegen, was niet alleen afgesloten, maar was tevens een middelpunt onder de overige landen. Door de nabijheid van het handeldrijvend Fenicië en van de grote handelswegen van de oude wereld, was het midden in de bedrijvigheid van de wereld geplaatst. Zo was het, nadat het eerst de stille en verborgen plaats voor het ontstaan van het Godsrijk was, bijzonder geschikt, om dit naar alle zijden onder de volken uit te breiden.
2) Abram bouwt een altaar, om de Heere een dankoffer te brengen. Het bouwen zelf was reeds bewijs van zijn dankbaarheid en door de bijvoeging: “de Heere, die hem verschenen was,” wordt het duidelijk, dat Abram door het bouwen van dat altaar zich terstond afscheidt van de goddeloze inwoners van het land, en tegenover hun afgoderij verklaart, dat de God, die hem geroepen had, zijn God zou zijn. Dat altaar wordt dan tevens een getuigenis tegen de afgoderij van de Kanaänieten.
8. En hij brak op van daar, door de nood gedwongen, omdat hij geen voedsel had voor zijn vee, naar het gebergte, tegen het oosten van Bethel: zo werd die plaats later genoemd, vroeger heette zij Luz (hoofdstuk. 28:19). Aan de voet van deze berg lag een dal, dat nu nog een van de beste plaatsen is om te weiden; daar zette Abram zich neer, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Bethel, (huis Gods) tegen het westen, en de koningsstad (Jozua 7:2 vv.); Al (hopen) tegen het oosten; en hij bouwde daar voor de HEERE een altaar, gelijk hij ook vroeger, vs. 7 gedaan had, en riep de naam des HEREN aan, 1) en hield ook hier plechtige godsdienstoefeningen met zijn huisgenoten.
1) Dit was niet alleen een licht, dat van Abram’s geloof de in duisternis wandelende Kanaänieten tegenscheen maar ook een middel om zijn eigen gezin te midden van dat verkeerde geslacht bij de kennis Gods te bewaren en daarin op te bouwen. Zo woekere een ieder, die een talent van de Heere ontvangen heeft, en late zijn licht schijnen voor de mensen, ter ere Gods. Al had men een huishouding als Abram, men zou nog tijd genoeg hebben voor openbare en huiselijke godsdienst, indien men slechts wilde. De gierigheid echter is een wortel van alle kwaad, omdat zij geen begeerte naar gemeenschap met God heeft, noch ruimte laat voor aanbidding.
Over “aanroepen van de naam des Heren”, zie Ge 4.26 Waar Abram een woonplaats heeft, daar moet de Heere God een altaar hebben. Hij kan niet zonder huiselijke godsdienstoefening.
II. Vers 9-20
Wegens de honger in Kanaän trekt Abram naar Egypte; geeft daar zijn vrouw voor zijn zuster uit en brengt haar daardoor in groot gevaar; maar de Heere komt te hulp en geeft uitredding.
9. Daarna vertrok Abram van Bethel, om andere weiden te zoeken, gaande en trekkende naar het zuiden, naar de zijde van de Arabische woestijn.
a) Genesis 20:1
10. En er was honger in dat anders zo vruchtbare land; 1) zo toog Abram, zonder andere goddelijke aanwijzing, dan de hem dringende nood, naar het zuidwestelijk van Kanaän gelegen Egypte, 2) waarheen nog heden de Nomadische volken van de omliggende landen vluchten, om daar als een vreemdeling te verkeren, zich tijdelijk op te houden. Hij was daartoe genoodzaakt, omdat de honger zwaar was in dat land, en hem bijzonder drukte, omdat hij voor zijn grote menigte vee grote uitgestrekte weilanden nodig had.
1) Het beloofde land, waarin Abram zich zozeer had verheugd, is nu een land van honger. Deze ondervinding was voor hem een geen geringe beproeving; maar hij geloofde. Hij ging naar Egypte, niet om er zich met zijn huis te vestigen, maar om er “als vreemdeling te verkeren.” Ieder gelovige ondervindt, wanneer zijn geloof onophoudelijk en op velerlei wijzen op de proef wordt gesteld, dat waakzaamheid en gedurig gebed nodig is. Die geloofsbeproevingen zijn voor ons dikwijls moeilijk; maar wij bidden; “Heere! vermeerder ons geloof!” En zijn die beproevingen dan geen gebedsverhoringen? Zie Jak. 1:2,3 en 1 Petrus. 4:12
2) Egypte, ook Mizraïm genoemd (hoofdstuk. 10:6), is de vruchtbare vlakte van noordoostelijk Afrika, welke door twee evenwijdige bergketens gevormd en door de rivier de Nijl doorstroomd wordt. Gewoonlijk wordt het in drie delen verdeeld: Opper-, Beneden- en Midden-Egypte, vroeger slechts in Opper- en Beneden-Egypte. De vruchtbaarheid van het land hangt bijna uitsluitend van de jaarlijkse overstromingen van de Nijl af (vgl. hoofdstuk. 41:4). Egypte was de korenschuur voor Europese en voor Aziatische landen. De luchtgesteldheid is zeer regelmatig, bijzonder in Midden- en Opper-Egypte. Een gloeiende, in de lente dag- en nacht waaiende zuidoostenwind, vliegen en muggen, sprinkhanen en kikvorsen, pest en pokken, oogontsteking en blindheid zijn de zwaarste landplagen. De inlanders met hun bruine huid, plat voorhoofd, grote wangbeenderen en misvormde voeten, stonden in de oudheid algemeen als zeer lelijk bekend. Zij waren verdeeld in verschillende kasten of standen, van welke er oorspronkelijk vier geweest zijn, doch die later tot zeven zijn vermeerderd. (zie Ge 41.46). De oudste geschiedenis van Egypte is vol legenden en slechts brokstukken zijn ons bewaard; tot deze stukken behoort ook de door de Joodse geschiedschrijver Josephus, uit Manetho’s geschiedkundig werk overgenomen vertelling van de inval van de Hyksos (herderskoningen, zie hoofdstuk. 40:11). Eerst met Psammetichus in de 7 de eeuw vóór Christus neemt de geloofwaardige geschiedenis van een Egyptische monarchie haar begin.
11. En het geschiedde, als hij naderde, om in Egypte te komen, 1) als hij Egypte naderde, dat hij zei tot Saraï, zijn vrouw: Zie toch, ik weet, dat gij een vrouw zijt, schoon van aangezicht. 2)
1) Zonder aanwijzing des Heren, Die hem uit Ur geroepen heeft, gaat hij naar Egypte, en waar hij nu het vreemde land steeds meer nadert, komen ook de bezwaren. Bezwaren, die hij niet in de hand des Heren overgeeft, maar welke hij zelf uit de weg wil ruimen.
2) Hoewel Saraï reeds 65 jaar oud was, was zij toch nog een schone vrouw. De schoonheid was in de eerste plaats een geschenk Gods, maar ook omdat zij geen kinderen had gebaard. Ook was zij toen nog in de kracht van haar leven, omdat zij 127 jaar oud is geworden.
12. En het zal geschieden, wanneer u de Egyptenaars zullen zien, en zonder twijfel hun begeerte naar u zal ontbranden, zullen zij zeggen: Dat is zijn vrouw; wij kunnen haar dus niet in onze macht krijgen, dan wanneer wij ons van haar man zullen ontdaan hebben; en zij, bij wie ruwheid en willekeur jegens vreemdelingen bekend zijn, zullen mij doden, en u in het leven behouden.
Kleingeloof maakt altijd vreesachtig. De vrees en angst, welke hij duidelijk door bovengenoemde woorden uitspreekt, komen voort uit kleingeloof. Abram heeft meer een oog voor de bezwaren, dan voor de belofte Gods.
13. a) Zeg toch niet, dat gij mijn vrouw bent; zeg dat gij mijn zuster bent, 1) opdat het mij wel ga om u, 2) en mijn ziel niet om uwentwil gedood worde, maar leve. 3) Zo zal een dreigend gevaar worden afgewend, en de Egyptenaars zullen welwillend en vriendelijk jegens mij zijn; want zij zullen mij toegenegen willen tonen, om u te krijgen. Ik zal hen zolang weten op te houden, totdat wij hun gebied weer verlaten hebben.
a) Genesis 20:12; 26:7
1) Abram’s huwelijk met zijn halfzuster Saraï werd gesloten vóórdat hij door God werd geroepen. Later waren dergelijke verbintenissen zelfs op straffe van de dood verboden (Leviticus 18:9,11; 20:17). Nog heden blijkt uit de beschikkingen Gods, dat huwelijken met bloedverwanten, als van neven en nichten, niet van Hem gewild zijn. Men heeft opgemerkt, dat daar waar deze onder ouders of voorouders hebben plaatsgehad, dikwijls onvruchtbaarheid is (Genesis 11:30), of de kinderen minder helder van geestvermogens zijn, soms idioten, zelfs krankzinnigen worden.
Abram neemt zijn toevlucht tot de leugen; al is het dan ook een halve leugen. Hij raadt Saraï aan zich als zijn zuster voor te doen. Nu was zij ook zijn halfzuster en naaste bloedverwante. Maar toch was zij ook zijn vrouw, en dat deel van de waarheid, dat zij moest zeggen, diende om een ander deel van waarheid te verbergen.
Het doel van Abram was goed, maar in de weg tot dat doel dwaalde hij, zoals dikwijls gebeurt, als wij, ook als wij de toevlucht tot God nemen, in het nemen van ongeoorloofde middelen van Zijn raad afwijken.
De betrekking van zuster had plaats gemaakt voor die van echtgenote. Daardoor had dan ook eerstgenoemde betrekking geheel opgehouden te bestaan.
2) “Opdat het mij wel ga om u,” wordt door deze woorden de geheime bedoeling duidelijk, om nl. nog meer te hebben dan hij al had, of is het dan volgende “en mijn ziel om uwent wille leve” een nadere verklaring van die eerste woorden? Ongetwijfeld het laatste. De angst voor zijn leven staat bij de vader van de gelovigen op de voorgrond. Als Saraï maar niet voor zijn vrouw wordt aangezien, dan zal hij in het leven blijven en daardoor wellicht de gelegenheid hebben om zichzelf en Saraï te redden. In Gods Woord worden ons zowel de deugden als de zonden van Gods kinderen meegedeeld. De Schrift kent geen heiligen, wel gerechtvaardigden en in Christus geheiligde zondaars.
3) Abram’s woord kan niet gerechtvaardigd worden; het is een verloochening van de waarheid, voortkomende uit de zwakheid van zijn geloof. Het ware beter geweest, indien hij de Heere had gevraagd, om uit zijn gevaarlijk toestand geholpen te worden. Bij ingewikkelde toestanden, waarin wij geen uitweg zien, zijn wij vaak geneigd, een dwaalweg in te slaan.
14. En het geschiedde, toen Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaars, zoals hij gevreesd had, deze vrouw zagen, dat zij zeer schoon was, vooral in vergelijking met hun eigen vrouwen.
Saraï viel des te spoediger in het oog, omdat haar gelaatstint geheel anders was dan die van de Egyptische vrouwen.
15. Ook zagen haar de vorsten, de opperste hofbeambten, van de toen regerende koning, die gelijk alle beheersers van dat land de titel van farao (vorst) droeg, en prezen haar bij farao. 1) Saraï werd weggenomen van Abram’s zijde, voordat hij de gelegenheid had met haar te vluchten, en zij werd gebracht naar het huis, de harem van farao, 2) om, nadat de plechtige ceremoniën hadden plaats gehad, de vrouw van de koning te worden.
1) Ofschoon Abram gezondigd had, door te vrezen, toch leert de uitkomst, dat hij niet te vergeefs gevreesd had. Want zijn vrouw werd hem ontnomen en tot de koning gebracht.
2) Daar zij werd weggenomen en in het paleis enige tijd heeft gewoond, menen velen, dat zij door de koning verontreinigd is. Want het is niet aan te nemen, dat die wellustige man, toen hij haar in zijn macht had, haar gespaard heeft. Dit had Abram wel mogelijk gemaakt, omdat hij de genade Gods geen gelegenheid had gegeven voor hem te zorgen, noch de reinheid van zijn echtgenote in Diens hoede en zorg had gesteld. Maar de plaag, die weldra volgde, toont genoegzaam aan, dat door de Heere Zelf er zorg voor gedragen is en daardoor heeft men vrijheid aan te nemen, dat zij ongeschonden bewaard is. Want ofschoon Mozes niet opzettelijk vermeldt, uit vergelijking met een soortgelijk geval, mogen wij veronderstellen, dat het haar niet aan de bescherming Gods heeft ontbroken, God heeft niet geduld, dat zij door de koning van Gerar geschonden werd, dan zullen wij het er voor houden, dat zij aan de wellust van farao blootgesteld is geweest!.
16. En de koning, deed Abram goed, om hem voor de wegneming van Saraï tevreden te stellen; zodat hij had schapen en runderen, en ezels, en knechten en maagden, 1) en ezelinnen en kamelen, 2) alle goederen, die voor een herder de liefste zijn.
1) Onder de maagden, die hij van farao verkreeg, en die hij later aan Saraï schonk, behoorde ook wellicht Hagar (hoofdstuk. 16)
2) Aan tijdelijk goed leed Abram dus in Egypte geen gebrek; maar zijn hoogste en dierbaarste goed op aarde, de vrouw van zijn liefde, had hij verloren, zwakheid zelfs overgegeven. Wat kon dit gemis vergoeden? Abram ontvangt zijn straf, want de Heilige laat ook de afdwalingen van Zijn kinderen niet zonder gevolgen. Hoeveel vrees en angst zal hem vervuld hebben voor de schending van zijn vrouw! Hoe zullen die geschenken hem bitter geweest zijn, omdat zij ontvangen werden voor zo’n prijs!.
17. a) Maar de HEERE, 1) die niet toelaten kon, dat de stammoeder van Zijn uitverkoren geslacht tot een werktuig van vleselijke lust werd vernederd, bezocht 2) farao met grote plagen; ook zijn huis, met lichamelijke ziekten, die verhinderden, dat Saraï geschonden werd, omdat Saraï Abram’s vrouw was.
a) Psalm. 105:12-15
1) Hij, die ons bemint, maakt goed wat wij bederven; verheugt ons waar wij ons zelf bedroeven, en leidt ons waar wij dwalen. Daartoe beweegt Hem Zijn reine Vaderlijke goedheid, waarmee Hij arme zondaren troost als Zijn kinderen.
2) Er wordt gevraagd of de straf, farao opgelegd, rechtvaardig was, omdat het volstrekt zijn bedoeling niet was, om de geliefde van een ander op oneerbare wijze te behandelen, noch de echtgenote van een ander met geweld weg te nemen. Ik antwoord, dat wij de daden van de mensen niet altijd moeten beschouwen volgens onze rechtsbeschouwing, maar ze liever moeten wegen op Gods weegschaal, omdat het dikwijls gebeurt, dat God iets opmerkt, dat Hij rechtvaardig in ons straft, terwijl wij menen dat ons geen schuld treft en wij ons van alle schuld vrij pleiten.
18. Toen riep farao, die niet als een latere zijn hart farao verstokte, Abram, en zei: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt? Waarom hebt gij mij niet te kennen gegeven, dat zij uw vrouw is?
1) Hoe wist farao dat die plagen hem wegens Saraï overkwamen? Door zijn priesters is onwaarschijnlijk. Veeleer is het, dat hij door het karakter van de plagen tot nadenken is gebracht en op voor hem verborgen wijze, maar toch door Goddelijke beschikking, bij Saraï onderzoek heeft gedaan, wie zij was en in welke betrekking zij tot Abram stond en van haar te weten is gekomen, dat zij de wettige vrouw van Abram was. Gelijk de vrouw van Pilatus op bijzondere wijze in de droom veel leed om des Heren wil, alzo zal de Heere God ook aan farao te kennen hebben gegeven, dat dit alleen was omwille van Saraï.
19. Waarom hebt gij gezegd: 1) Zij is mijn zuster; zodat ik haar mij tot een vrouw zou genomen hebben? 2) zie, daar is uw vrouw, neem haar, en ga henen.
1) De bestraffing door een afgodisch vorst is een nieuwe straf voor de gelovige, wegens zijn wantrouwen. Hoe dikwijls moet de wereld, die zo scherp naar de gebreken en zonden van de godvrezenden ziet, ons dienen tot nederigheid en opwekking van waakzaamheid! Zou de wandel van Christenen reiner zijn, waren, zouden zij getrouwer zijn voor elkaar; dan zouden de beschuldigingen van de wereld die diep treffen, minder zijn. De eerste gemeente te Jeruzalem had achting bij het gehele volk. (Hand. 2:47).
2) Hieruit blijkt duidelijk, dat Saraï ongeschonden tot Abram wederkeerde.
20. 1) En farao gaf hem zijn vrouw ongedeerd terug; liet hem de gegeven geschenken, behouden; en gebood zijn mannen, dat zij met hem zouden meegaan, om hem te beschermen tegen alle geweld waaraan hij, afgezien nog van de schoonheid van zijn vrouw, wegens zijn rijkdom blootstond. Zij begeleidden hem, en zijn vrouw en alles wat hij had.
Waarin men ziet ten dele, hoe God de lijdzaamheid en standvastigheid van Abram, zowel door de hongersnood, door welke hij gedwongen was, het land Kanaän, in hetwelk God hem alleen zegen beloofd had, als door de zware verzoeking in Egypte heeft willen beproeven; ten dele hoe Hij de Zijnen in alle zwarigheid en grote verlegenheid uitredt en nooit verlaat; ten dele is hier ook als in een voorbeeld vertoond, wat na enige eeuwen aan het zaad van Abram zou wedervaren in Egypte, hetwelk in Egypte tegenspoed en onderdrukking zou hebben, zoals Abram die had gehad, en tevens een beeld van hetgeen de Egyptenaren zouden ervaren, dat God hen om die onderdrukking zou plagen, zodat zij het zaad van Abram, gelijk zij hier doen aan Abram, verrijkt met hun geschenken en vaten zouden laten gaan.
Deze geschiedenis wordt ons meegedeeld tot eer van God. De betekenis meldt ons Psalm 105:13-15. God beschermt wonderbaar in ‘t grootste gevaar; kastijdt Hij de Zijnen; wanneer zij Hem vergeten; de Heere laat ze toch niet omkomen.
1) Uit het niet vermelden van hetgeen Abram gezegd heeft is niet op te maken, dat hij zich niet verontschuldigd heeft. Het kan zeer goed zijn, dat hij heeft gezwegen en de bestraffing in het woord van farao aanvaard heeft. Dat hij gezwegen heeft, is niet vast te stellen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel