Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
BroedersG80, indienG1437 ookG2532 een mensG444 vervallenG4301 ware doorG1722 enigeG5100 misdaadG3900, gijG4771, die geestelijkG4152 zijt, brengtG2675 den zodanigeG5108 te rechtG2675 metG1722 den geestG4151 der zachtmoedigheidG4236; ziendeG4648 op uzelven, opdat ookG2532 gijG4771 nietG3361 verzochtG3985 wordt.
Broeders, indien ook een mens vervallen ware door enige misdaad, gij, die geestelijk zijt, brengt den zodanige te recht met den geest der zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook gij niet verzocht wordt.
KJV
Brethren,1
if2
a man5
be overtaken4
in6
a7
fault,8
ye
which10
are spiritual,11
restore12
such an one14
in15
the spirit16
of meekness;
considering18
thyself,19
lest20
thou9
also3
be tempted.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
DraagtG941 elkanders lastenG922, enG2532 vervultG378 alzoG3779 de wetG3551 van ChristusG5547.
Draagt elkanders lasten, en vervult alzo de wet van Christus.
KJV
Bear ye4
one another's1
burdens,3
and5
so6
fulfil7
the law9
of Christ.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
WantG1063 zoG1487 iemandG1536 meentG1380 ietsG5100 te zijnG1510, daar hij nietsG3367 isG1510, die bedriegtG5422 zichzelvenG1438 in zijn gemoedG5422.
Want zo iemand meent iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt zichzelven in zijn gemoed.
KJV
For2
if a man
think himself3
to be
something,4
when he is
nothing,7
he deceiveth10
himself.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
MaarG1161 een iegelijkG1538 beproeveG1381 zijn eigenG1438 werkG2041; en alsdanG5119 zal hij aanG1519 zichzelven alleen roemG2745 hebbenG2192, en nietG3756 aanG1519 een anderen.
Maar een iegelijk beproeve zijn eigen werk; en alsdan zal hij aan zichzelven alleen roem hebben, en niet aan een anderen.
KJV
But2
let5
every man6
prove
his own4
work,3
and7
then8
shall he have14
rejoicing13
in9
himself10
alone,11
and15
not16
in17
another.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WantG1063 een iegelijkG1538 zal zijn eigenG2398 pakG5413 dragenG941.
Want een iegelijk zal zijn eigen pak dragen.
KJV
For2
every man1
shall bear6
his own4
burden.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
EnG1161 die onderwezenG2727 wordt inG1722 het WoordG3056, dele medeG2841 van alleG3956 goederenG18 dengene, die hem onderwijstG2727.
En die onderwezen wordt in het Woord, dele mede van alle goederen dengene, die hem onderwijst.
KJV
Let2
him that is taught4
in the word6
communicate1
unto him that teacheth8
in9
all10
good things.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
DwaaltG4105 niet; GodG2316 laat Zich niet bespottenG3456; wantG1063 zoG1437 watG3739 de mensG444 zaaitG4687, dat zal hij ookG2532 maaienG2325.
Dwaalt niet; God laat Zich niet bespotten; want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien.
KJV
Be2
not1
deceived;
God3
is5
not4
mocked:
for7
whatsoever6
a man10
soweth,9
that
shall he13
also12
reap.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
WantG3754 die in zijn eigen vleesG4561 zaaitG4687, zal uitG1537 het vleesG4561 verderfenisG5356 maaienG2325; maarG1161 die inG1519 den GeestG4151 zaaitG4687, zal uitG1537 den GeestG4151 het eeuwigeG166 levenG2222 maaienG2325.
Want die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien; maar die in den Geest zaait, zal uit den Geest het eeuwige leven maaien.
KJV
For1
he that soweth3
to4
his7
flesh6
shall11
of8
the flesh10
reap22
corruption;12
but14
he that soweth15
to16
the Spirit18
shall
of19
the Spirit21
reap
life23
everlasting.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
DochG1161 laat ons, goedG2570 doendeG4160, nietG3361 vertragenG1573; wantG1063 te zijner tijdG2540 zullen wij maaienG2325, zo wij nietG3361 verslappenG1590.
Doch laat ons, goed doende, niet vertragen; want te zijner tijd zullen wij maaien, zo wij niet verslappen.
KJV
And2
let us6
not5
be weary
in well3
doing:4
for8
in due9
season7
we shall reap,10
if we faint12
not.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
ZoG3767 dan, terwijlG5613 wij tijdG2540 hebbenG2192, laat ons goedG18 doen aanG4314 allenG3956, maarG1161 meestG3122 aanG4314 de huisgenotenG3609 des geloofsG4102.
Zo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goed doen aan allen, maar meest aan de huisgenoten des geloofs.
KJV
As3
we have5
therefore1
opportunity,4
let us do6
good8
unto9
all10
men, especially12
unto13
them who are of the household15
of faith.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
ZietG3708, hoeG4080 groten briefG1121 ik uG4771 geschrevenG1125 heb met mijnG1699 handG5495.
Ziet, hoe groten brief ik u geschreven heb met mijn hand.
KJV
Ye see
how large2
a letter4
I have written5
unto you
with mine own7
hand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Al degenen, die een schoon gelaatG2146 willenG2309 tonenG2146 naar het vleesG4561, dieG3778 noodzakenG315 uG4771 besnedenG4059 te worden, alleenlijk opdatG2443 zij vanwege het kruisG4716 van ChristusG5547 nietG3361 zouden vervolgdG1377 worden.
Al degenen, die een schoon gelaat willen tonen naar het vlees, die noodzaken u besneden te worden, alleenlijk opdat zij vanwege het kruis van Christus niet zouden vervolgd worden.
KJV
As many as1
desire2
to make a fair shew3
in4
the flesh,5
they6
constrain7
you
to be circumcised;9
only10
lest
they should suffer persecution17
for the cross14
of Christ.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
WantG1063 ook zijzelven, die besnedenG4059 worden, houdenG5442 de wetG3551 niet; maarG235 zij willenG2309, dat gijG4771 besnedenG4059 wordt, opdat zij inG1722 uw vleesG4561 roemenG2744 zouden.
Want ook zijzelven, die besneden worden, houden de wet niet; maar zij willen, dat gij besneden wordt, opdat zij in uw vlees roemen zouden.
Ook in dit vers
zelvenG846
KJV
For2
neither1
they themselves5
who are circumcised4
keep7
the law;6
but8
desire9
to have11
you
circumcised,
that12
they may glory17
in13
your15
flesh.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Maar het zij verreG3361 van mij, dat ik zou roemenG2744, andersG1508 dan inG1722 het kruisG4716 van onzen HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547; door WelkenG3739 de wereldG2889 mij gekruisigdG4717 is, en ik der wereldG2889.
Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus; door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.
KJV
But2
God forbid3
that I
should glory,5
save
in8
the cross10
of our
Lord12
Jesus14
Christ,15
by16
whom17
the world19
is crucified20
unto me,
and I21
unto the world.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
WantG1063 inG1722 ChristusG5547 JezusG2424 heeft noch besnijdenisG4061 enigeG5100 krachtG2480, noch voorhuidG203, maarG235 een nieuwG2537 schepselG2937.
Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel.
KJV
For2
in1
Christ3
Jesus4
neither5
circumcision6
availeth8
any thing,7
nor9
uncircumcision,10
but11
a new12
creature.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
EnG2532 zovelenG3745 als er naar dezenG5129 regelG2583 zullen wandelenG4748, over dezelve zal zijn vredeG1515 en barmhartigheidG1656, enG2532 overG1909 het IsraelG2474 GodsG2316.
En zovelen als er naar dezen regel zullen wandelen, over dezelve zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israel Gods.
KJV
And1
as many as2
walk6
according to4
this
rule,
peace7
be on8
them,9
and10
mercy,11
and12
upon13
the Israel15
of God.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Voorts, niemandG3367 doe mijG1473 moeiteG2873 aan; wantG1063 ikG1473 draagG941 de littekenenG4742 van den HeereG2962 JezusG2424 inG1722 mijn lichaamG4983.
Voorts, niemand doe mij moeite aan; want ik draag de littekenen van den Heere Jezus in mijn lichaam.
KJV
From henceforth
let6
no man5
trouble
me:3
for8
I4
bear18
in14
my
body16
the marks10
of the Lord12
Jesus.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
De genadeG5485 vanG575 onzen HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547 zij metG3326 uw geestG4151, broedersG80! AmenG281.
De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met uw geest, broeders! Amen.
KJV
Brethren,12
the grace2
of our
Lord4
Jesus6
Christ7
be with8
your
spirit.10
Amen.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord. De gemerkte woorden tussen haken zijn het onderschrift bij deze brief. De Textus Receptus zet dat aan het slot van dertien brieven van Paulus en van de Hebreeënbrief: een aantekening van de overlevering over afzender, plaats en bezorger. Het is geen woord van de brief zelf, de oudste handschriften hebben het niet, en de Statenvertaling neemt het in het vers niet op.
vervallen ware
Of, voorgekomen, verrast, namelijk uit onvoorzichtigheid, of zwakheid, niet uit moedwillig opzet.
Hertaald:
vervallen ware
Of: overvallen, verrast, namelijk uit onvoorzichtigheid of zwakheid, niet uit moedwillige opzet.
door
Grieks in.
Hertaald:
door
Grieks: in.
enige misdaad, gij,
Namelijk waardoor hij u of anderen heeft geërgerd.
Hertaald:
enige misdaad, gij,
Namelijk een misstap waardoor hij u of anderen geërgerd heeft.
die geestelijk zijt,
Dat is, die door Gods Geest verlicht zijt, en begaafd met bekwaamheid om anderen te kunnen vermanen. Zie 1 Kor. 3:1.
Hertaald:
die geestelijk zijt,
Dat is: u die door Gods Geest verlicht bent en met de geschiktheid begiftigd om anderen te kunnen aansporen. Zie 1 Kor. 3:1.
brengt den zodanige
Namelijk met goede onderwijzing en vermaning. Het Griekse woord betekent eigenlijk heelmaken, volmaken, het gebrek vervullen, of iets herstellen. Zie Matt. 4:21.
Hertaald:
brengt den zodanige
Namelijk met goed onderwijs en aansporing. Het Griekse woord betekent eigenlijk heel maken, volmaken, het gebrek aanvullen of iets herstellen. Zie Matth. 4:21.
met den geest der
Grieks in den geest.
Hertaald:
met den geest der
Grieks: in de geest.
ziende op uzelven,
Dat is, gedenkende aan zijn eigen zwakheden, dat hij ook daardoor lichtelijk met dergelijke zonden zou kunnen overvallen worden.
Hertaald:
ziende op uzelven,
Dat is: denkend aan zijn eigen zwakheden, en eraan dat hij daardoor ook licht door dergelijke zonden overvallen zou kunnen worden.
verzocht wordt
Dat is, door verzoekingen des duivels en des vleesches tot dergelijke zonden gebracht wordt.
Hertaald:
verzocht wordt
Dat is: door verzoekingen van de duivel en van het vlees tot dergelijke zonden gebracht wordt.
Draagt elkanders
Dat is, helpt dragen, om die te verdragen, beteren, en weg te nemen met Christelijke bescheidenheid en medelijden.
Hertaald:
Draagt elkanders
Dat is: help ze dragen, om ze te verdragen, te verbeteren en weg te nemen, met christelijke bescheidenheid en medelijden.
lasten, en
Dat is, zwakheden en gebreken, die als een zware last op de mensen liggen.
Hertaald:
lasten, en
Dat is: zwakheden en gebreken, die als een zware last op de mensen liggen.
vervult alzo
Dat is, voldoet, volbrengt, onderhoudt.
Hertaald:
vervult alzo
Dat is: voldoe aan, volbreng, onderhoud.
de wet van Christus
Namelijk van elkander lief te hebben, Joh. 13:34-35; welke, hoewel ze ook van Mozes beschreven is, Lev. 19:18, zo wordt zij Christus' wet bijzonderlijk genoemd, omdat Hij dezelve zijnen discipelen op het hoogste heeft bevolen, zo met vermanen als met Zijn voorbeeld Joh. 15:12; 1 Joh. 3:16.
Hertaald:
de wet van Christus
Namelijk de wet om elkaar lief te hebben, Joh. 13:34-35. Hoewel die ook door Mozes opgeschreven is, Lev. 19:18, wordt zij toch in het bijzonder de wet van Christus genoemd, omdat Hij die Zijn discipelen ten sterkste bevolen heeft, zowel met aansporing als met Zijn voorbeeld, Joh. 15:12; 1 Joh. 3:16.
meent iets te zijn,
Dat is, meent iets groots, heiligs of bijzonders te zijn, veel van zichzelven houdt, en acht dat hij beter is dan zijn naasten. Waaruit gemeenlijk spruit, dat men de gebreken des naasten zo hard bestraft.
Hertaald:
meent iets te zijn,
Dat is: meent iets groots, heiligs of bijzonders te zijn, veel van zichzelf denkt en meent dat hij beter is dan zijn naasten. Daaruit komt gewoonlijk voort dat men de gebreken van de naaste zo hard bestraft.
daar hij niets
Dat is, daar hij uit zichzelven niets goeds heeft, en al wat hij heeft van God heeft ontvangen; 1 Kor. 4:7; 2 Kor. 3:5.
Hertaald:
daar hij niets
Dat is: terwijl hij uit zichzelf niets goeds heeft en alles wat hij heeft van God ontvangen heeft; 1 Kor. 4:7; 2 Kor. 3:5.
bedriegt zichzelven
Dat is, maakt zichzelven dwaselijk wijs, hetgeen zo niet is.
Hertaald:
bedriegt zichzelven
Dat is: maakt zichzelf dwaselijk wijs wat niet zo is.
beproeve
Dat is, onderzoeke en toetse, niet naar zijn eigen goeddunken, maar naar den regel en toetssteen van de wet Gods.
Hertaald:
beproeve
Dat is: onderzoeke en toetse, niet naar zijn eigen inzicht, maar naar de regel en de toetssteen van de wet van God.
zijn eigen werk;
Dat is, zijn eigen doen en handelingen; niet zozeer het doen van anderen.
Hertaald:
zijn eigen werk;
Dat is: zijn eigen doen en handelen, niet zozeer het doen van anderen.
alsdan zal hij
Namelijk als hij bevindt dat zijn doen met de wet Gods overeenkomt.
Hertaald:
alsdan zal hij
Namelijk wanneer hij bevindt dat zijn doen met de wet van God overeenkomt.
aan zichzelven
Dat is, uit zijn eigen goeden wandel, en in zijn eigen conscientie.
Hertaald:
aan zichzelven
Dat is: uit zijn eigen goede levenswandel, en in zijn eigen geweten.
roem hebben,
Dat is, met goede conscientie zal mogen roemen, niet van zijne waardigheid of verdiensten, Rom. 3:27; 1 Kor. 1:29, 1 Kor. 1:31; maar dat hij oprechtelijk voor God wandelt naar Zijne wet; 1 Kor. 9:15; 2 Kor. 1:12.
Hertaald:
roem hebben,
Dat is: dat hij met een goed geweten mag roemen — niet over zijn waardigheid of verdiensten, Rom. 3:27; 1 Kor. 1:29, 1 Kor. 1:31, maar erover dat hij oprecht voor God wandelt naar Zijn wet; 1 Kor. 9:15; 2 Kor. 1:12.
niet aan een anderen
Dat is, niet zich met anderen vergelijkende, die hij zou menen zo goed niet te zijn, als hij, gelijk de Farizeër deed; Luc. 18:11.
Hertaald:
niet aan een anderen
Dat is: zich niet vergelijkend met anderen, van wie hij zou menen dat zij niet zo goed zijn als hij, zoals de farizeeër deed; Luk. 18:11.
zijn eigen pak dragen
Dat is, Gode rekenschap geven van zijn eigen werken, en naar zijn eigen doen geoordeeld worden.
Hertaald:
zijn eigen pak dragen
Dat is: God rekenschap geven van zijn eigen werken, en naar zijn eigen doen geoordeeld worden.
onderwezen wordt
Het Griekse woord catechoumenos betekent wel iemand, die in de eerste beginselen van den godsdienst wordt onderwezen, maar hier wordt het breder genomen voor allerlei toehoorders, die door de predikatie des goddelijken woords in de Christelijke religie worden onderwezen, van welken staat zij ook zijn.
Hertaald:
onderwezen wordt
Het Griekse woord katechoumenos duidt wel op iemand die in de eerste beginselen van de godsdienst onderwezen wordt, maar hier wordt het ruimer gebruikt voor allerlei hoorders die door de prediking van het goddelijke Woord in de christelijke religie onderwezen worden, van welke stand zij ook zijn.
in het Woord,
Namelijk Gods.
Hertaald:
in het Woord,
Namelijk het Woord van God.
dele mede
Dat is, geve ook zijn deel tot onderhoud der leraars.
Hertaald:
dele mede
Dat is: geve ook zijn deel voor het onderhoud van de leraars.
van alle goederen
Grieks in alle goederen; dat is, mildelijk, opdat de leraars des te beter, zonder verhindernis, al hunnen tijd tot het bedienen van hun ambt mogen besteden.
Hertaald:
van alle goederen
Grieks: in alle goederen; dat is: mild, opdat de leraars des te beter, zonder verhindering, al hun tijd aan de uitoefening van hun ambt kunnen besteden.
onderwijst
Grieks catechiseert; gelijk tevoren.
Hertaald:
onderwijst
Grieks: catechiseert; zoals eerder.
Dwaalt niet;
Dat is, wilt uzelven niet ijdelijk inbeelden of laten wijsmaken.
Hertaald:
Dwaalt niet;
Dat is: beeld u niets vergeefs in en laat u niets wijsmaken.
bespotten; want
Grieks God wordt niet gespot; namelijk met ijdele uitvluchten, die vele gebruiken om de bevelen Gods niet te gehoorzamen; dewijl Hij die uitvluchten niet aanneemt, en ook niet zonder straf laat henengaan.
Hertaald:
bespotten; want
Grieks: God wordt niet bespot; namelijk met lege uitvluchten, die velen gebruiken om de bevelen van God niet te gehoorzamen. Want Hij neemt die uitvluchten niet aan en laat ze ook niet ongestraft.
zaait,
Dat is, medegedeeld zal hebben zo aan de leraars, waarvan tevoren gesproken is, als aan de armen, waarvan hij in het volgende spreekt; ene gelijkenis, waarmede de overvloedige vrucht der mededeelzaamheid aangewezen wordt. Gelijk uit een graan dat gezaaid wordt, dikwijls honderd wederom opwassen en gemaaid worden; Gen. 26:12. Zie van dezelve 2 Kor. 9:6.
Hertaald:
zaait,
Dat is: uitgedeeld zal hebben, zowel aan de leraars, waarover eerder gesproken is, als aan de armen, waarover hij in het volgende spreekt. Dit is een vergelijking waarmee de overvloedige vrucht van de mildheid wordt aangewezen: zoals er uit één graankorrel die gezaaid wordt dikwijls honderd opkomen en gemaaid worden; Gen. 26:12. Zie hierover 2 Kor. 9:6.
in zijn eigen vlees
Die zijne goederen besteedt alleen om wellustiglijk daarvan te leven, of schatten voor zichzelven te vergaderen, en niet denkt op de onderhouding der kerkedienaars, noch der armen.
Hertaald:
in zijn eigen vlees
Dat is: wie zijn goederen alleen besteedt om daar in genot van te leven, of om schatten voor zichzelf te verzamelen, en niet denkt aan het onderhoud van de kerkdienaars of van de armen.
uit het vlees
Dat is, uit dit misbruik der goederen, die alleen tot zijn vlees besteed worden.
Hertaald:
uit het vlees
Dat is: uit dit misbruik van de goederen, die alleen aan zijn vlees besteed worden.
verderfenis
Namelijk, tijdelijk en eeuwig.
Hertaald:
verderfenis
Namelijk tijdelijk en eeuwig verderf.
maaien; maar die
Dat is, daarvan zal hij vergelding en vrucht verkrijgen.
Hertaald:
maaien; maar die
Dat is: daarvan zal hij vergelding en vrucht krijgen.
in den Geest zaait,
Dat is, die zijne goederen besteedt tot geestelijke zaken, om Gods eer en de zaligheid der mensen daardoor te bevorderen, en den armen goed te doen.
Hertaald:
in den Geest zaait,
Dat is: wie zijn goederen besteedt aan geestelijke zaken, om daarmee de eer van God en de zaligheid van de mensen te bevorderen en de armen goed te doen.
uit den Geest
Dat is, overmits hij zijne goederen tot geestelijke zaken besteed heeft.
Hertaald:
uit den Geest
Dat is: omdat hij zijn goederen aan geestelijke zaken besteed heeft.
het eeuwige leven maaien
Dat is, niet alleen hier in dit leven tijdelijken zegen ontvangen, maar ook hiernamaals de eeuwige gelukzaligheid, als ene vrucht der weldadigheid, niet uitverdienste, maar uit genade. Zie Matt. 25:34-35, enz.
Hertaald:
het eeuwige leven maaien
Dat is: niet alleen hier in dit leven tijdelijke zegen ontvangen, maar ook hierna de eeuwige gelukzaligheid, als een vrucht van de weldadigheid — niet uit verdienste, maar uit genade. Zie Matth. 25:34-35, enzovoort.
goed doende,
Dat is, weldadigheid betonende.
Hertaald:
goed doende,
Dat is: weldadigheid betonen.
niet vertragen;
Het Griekse woord betekent door enig kwaad in het goede verslappen; gelijk veeltijds geschiedt in deze zaak, omdat de menigte der armen groot is, en onder hen dikwijls vele onwaardigen vele ondankbaren zijn; en omdat de tijd van de vergelding niet terstond komt.
Hertaald:
niet vertragen;
Het Griekse woord betekent door iets onaangenaams in het goede verslappen. Dat gebeurt in deze zaak vaak, omdat het aantal armen groot is, er onder hen dikwijls veel onwaardigen en veel ondankbaren zijn, en de tijd van de vergelding niet meteen komt.
te zijner tijd
Dat is, hoewel de tijd van vergelding uitgesteld wordt, gelijk er tijd is tussen zaaien en maaien, zo zal evenwel dezelve zekerlijk komen.
Hertaald:
te zijner tijd
Dat is: hoewel de tijd van de vergelding uitgesteld wordt, zoals er tijd verloopt tussen zaaien en oogsten, zal die tijd toch zeker komen.
maaien, zo wij
Zie vs.8.
Hertaald:
maaien, zo wij
Zie vers 8.
verslappen
Grieks ontbonden, of, losgemaakt zijn.
Hertaald:
verslappen
Grieks: ontbonden of losgemaakt zijn.
terwijl wij tijd
Namelijk om te zaaien, dat is, om den armen goed te doen; hetwelk in den tijd dezes levens moet geschieden, die kort en onzeker is.
Hertaald:
terwijl wij tijd
Namelijk tijd om te zaaien, dat is: om de armen goed te doen; en dat moet gebeuren in de tijd van dit leven, die kort en onzeker is.
goed doen aan
Grieks het goede werken; dat is, weldadigheid betonen.
Hertaald:
goed doen aan
Grieks: het goede werken; dat is: weldadigheid betonen.
allen, maar meest
Namelijk armen, of anderen, die onze hulp en bijstand nodig hebben. Zie Luc. 10:36-37.
Hertaald:
allen, maar meest
Namelijk armen, of anderen die onze hulp en bijstand nodig hebben. Zie Luk. 10:36-37.
huisgenoten des geloofs
Dat is, de gelovige Christenen, die met ons ledematen zijn der gemeente, welke is het huis des levenden Gods, 1 Tim. 3:15; aan dezen zijn wij meer verbonden, en het zou onbehoorlijk zijn dat zij, die tot één huis behoren, elkander honger en gebrek zouden laten lijden.
Hertaald:
huisgenoten des geloofs
Dat is: de gelovige christenen, die met ons leden zijn van de gemeente, die het huis van de levende God is, 1 Tim. 3:15. Aan hen zijn wij meer verbonden, en het zou ongepast zijn wanneer zij die tot één huis behoren elkaar honger en gebrek zouden laten lijden.
Ziet,
Of, gij ziet.
Hertaald:
Ziet,
Of: u ziet.
hoe groten brief
Of, met hoevele woorden, of schriften.
Hertaald:
hoe groten brief
Of: met hoeveel woorden, of met hoeveel schrift.
met mijne hand
Namelijk zonder dat door de hand van een ander te hebben laten schrijven, gelij hij wel heeft gedaan Rom. 16:22, en alleen zijnen naam met de groetenis daar onder geschreven, 1 Kor. 16:21; Kol. 4:18; daarmede toont hij dan hoezeer dat hij de Galaten acht; en heeft zulks gedaan opdat de valse apostelen niet zouden zeggen dat het Paulus' brief niet was, of een anderen brief, alsof die van hem geschreven ware, in plaats van dien zouden voortbrengen, gelijk zij wel plachten te doen, 2 Thess. 2:2.
Hertaald:
met mijne hand
Namelijk zonder het door de hand van een ander te hebben laten schrijven, zoals hij wel gedaan heeft in Rom. 16:22, waar hij alleen zijn naam met de groet eronder schreef, 1 Kor. 16:21; Kol. 4:18. Daarmee laat hij dus zien hoe hoog hij de Galaten acht. Hij heeft dat ook gedaan opdat de valse apostelen niet zouden zeggen dat het niet de brief van Paulus was, of in plaats daarvan een andere brief zouden voortbrengen alsof die door hem geschreven was, zoals zij gewoonlijk wel deden, 2 Thess. 2:2.
die een schoon
Of, die willen wel aangezien, of aanzienlijk zijn. Hij verstaat hier de valse apostelen.
Hertaald:
die een schoon
Of: die er goed uit willen zien, of aanzienlijk willen zijn. Hij bedoelt hier de valse apostelen.
naar het vlees,
Grieks in het vlees; dat is, door het onderhouden van de uiterlijke en lichamelijke ceremoniën.
Hertaald:
naar het vlees,
Grieks: in het vlees; dat is: door het onderhouden van de uiterlijke en lichamelijke ceremoniën.
vanwege het kruis
Dat is, om de leer van Christus, die zo genoemd wordt, omdat haar somma en inhoud is, dat door het kruis van Christus het leven ons verkregen is; 1 Kor. 2:2.
Hertaald:
vanwege het kruis
Dat is: om de leer van Christus, die zo genoemd wordt omdat haar kern en inhoud is dat door het kruis van Christus het leven voor ons verkregen is; 1 Kor. 2:2.
niet zouden vervolgd worden
Namelijk van de Joden, gelijk wij dagelijks van hen meest vervolgd worden, omdat wij leren dat de wet van Mozes door Christus vervuld en afgedaan is.
Hertaald:
niet zouden vervolgd worden
Namelijk door de Joden, zoals wij dagelijks vooral door hen vervolgd worden, omdat wij leren dat de wet van Mozes door Christus vervuld en afgeschaft is.
die besneden worden,
Namelijk en de besnijdenis zo sterk drijven als ter zaligheid nog nodig.
Hertaald:
die besneden worden,
Namelijk zij die de besnijdenis zo sterk verbreiden alsof die nog tot zaligheid nodig is.
houden de wet niet;
Namelijk in de andere stukken, die mede in de wet geboden worden, maar leiden een ongeregeld of geveinsd leven.
Hertaald:
houden de wet niet;
Namelijk in de andere punten die ook in de wet geboden worden; zij leiden een ongeregeld of geveinsd leven.
in uw vlees roemen
Dat is, zij onder u vele aanhangers mogen krijgen en daarvan ijdellijk roemen bij de Joden.
Hertaald:
in uw vlees roemen
Dat is: dat zij onder u veel aanhangers zouden krijgen en daarover bij de Joden ijdel zouden roemen.
dan in het kruis van
Dat is, in de rechtzinnige leer van Christus voor ons gekruisigd; 1 Kor. 2:2.
Hertaald:
dan in het kruis van
Dat is: in de zuivere leer van Christus, Die voor ons gekruisigd is; 1 Kor. 2:2.
door Welken
Namelijk kruis van Christus; of, Christus den gekruisigde. De zin komt overeen uit.
Hertaald:
door Welken
Namelijk door het kruis van Christus; of: door Christus, de Gekruisigde. De betekenis komt op hetzelfde neer.
de wereld
Dat is, de eer, gunst en aanzienlijkheid bij de mensen.
Hertaald:
de wereld
Dat is: de eer, de gunst en het aanzien bij de mensen.
mij gekruisigd is,
Dat is, van mij veracht en verworpen wordt.
Hertaald:
mij gekruisigd is,
Dat is: door mij veracht en verworpen wordt.
ik der wereld
Namelijk dewijl ik om de leer van Christus van de wereld veracht, vervolgd en verstoten wordt; 1 Kor. 4:12-13.
Hertaald:
ik der wereld
Namelijk omdat ik om de leer van Christus door de wereld veracht, vervolgd en verstoten word; 1 Kor. 4:12-13.
in Christus Jezus
Dat is, in het rijk en de gemeente van Christus, of, naar de leer van Christus. Zie Gal. 5:6.
Hertaald:
in Christus Jezus
Dat is: in het rijk en de gemeente van Christus, of: naar de leer van Christus. Zie Gal. 5:6.
enige kracht,
Namelijk om door de besnijdenis het eeuwige leven te verkrijgen, of door de voorhuid verhinderd te worden van hetzelve te verkrijgen.
Hertaald:
enige kracht,
Namelijk om door de besnijdenis het eeuwige leven te verkrijgen, of om door de voorhuid verhinderd te worden het te verkrijgen.
nieuw schepsel
Of, nieuw creatuur, of, waardoor verstaan wordt de wedergeboorte en vernieuwing des mensen door den Heiligen Geest. Zie 2 Kor. 5:17.
Hertaald:
nieuw schepsel
Of: een nieuw creatuur. Daaronder wordt de wedergeboorte en de vernieuwing van de mens door de Heilige Geest verstaan. Zie 2 Kor. 5:17.
naar dezen regel
Dat is, naar deze leer, die ik in dezen zendbrief van de rechtvaardigmaking des mensen voor God, van de Christelijke vrijheid, en van den Christelijken wandel heb voorgesteld en verklaard.
Hertaald:
naar dezen regel
Dat is: naar deze leer, die ik in deze brief over de rechtvaardigmaking van de mens voor God, over de christelijke vrijheid en over de christelijke levenswandel heb voorgehouden en verklaard.
zal zijn
Of zij.
Hertaald:
zal zijn
Of: zij.
vrede en
Dat is, allerlei geestelijke zegeningen, en voornamelijk verzoening met God en verzekering daarvan door den Heiligen Geest in hun gemoed; Rom. 5:1.
Hertaald:
vrede en
Dat is: allerlei geestelijke zegeningen, en vooral verzoening met God en de zekerheid daarvan door de Heilige Geest in hun gemoed; Rom. 5:1.
barmhartigheid, en
Namelijk van God, die de fontein is, waaruit de verzoening en zaligheid des mensen vloeit.
Hertaald:
barmhartigheid, en
Namelijk barmhartigheid van God, Die de bron is waaruit de verzoening en de zaligheid van de mens voortvloeien.
over het Israël Gods
Dat is, over alle ware gelovigen, die oprechte Israëlieten zijn en van God daarvoor gekend worden; hetwelk hij daarbij doet om deze van de Israëlieten naar het vlees te onderscheiden. Zie Rom. 2:28-29, en Rom. 9:6, enz.
Hertaald:
over het Israël Gods
Dat is: over alle ware gelovigen, die oprechte Israëlieten zijn en door God als zodanig gekend worden. Hij voegt dat eraan toe om hen te onderscheiden van de Israëlieten naar het vlees. Zie Rom. 2:28-29 en Rom. 9:6, enzovoort.
niemand doe mij
Namelijk van deze valse apostelen. Dit spreekt hij met apostolische autoriteit om hun verderen moedwil te bedwingen.
Hertaald:
niemand doe mij
Namelijk niemand van deze valse apostelen. Dit zegt hij met apostolisch gezag, om hun verdere moedwil te bedwingen.
de littekenen van
Namelijk van de slagen, banden en wonden, die ik om Christus en Zijne leer ontvangen heb. Hiermede wil hij tonen dat hij gene vervolging heeft ontzien, gelijk de valse apostelen deden. Zie 2 Kor. 11:23, enz.
Hertaald:
de littekenen van
Namelijk de tekens van de slagen, boeien en wonden die ik om Christus en om Zijn leer ontvangen heb. Hiermee wil hij laten zien dat hij geen vervolging ontzien heeft, zoals de valse apostelen wel deden. Zie 2 Kor. 11:23, enzovoort.
De genade van
Dat is een groet en wens, met welken de apostel zijne zendbrieven eindigt, gelijk hij zelf betuigt, 2 Thess. 3:17. Zie ook Rom. 16:24; 1 Kor. 16:23, en 2 Kor. 13:13.
Hertaald:
De genade van
Dit is een groet en een wens waarmee de apostel zijn brieven besluit, zoals hij zelf betuigt in 2 Thess. 3:17. Zie ook Rom. 16:24; 1 Kor. 16:23 en 2 Kor. 13:13.
geest
Dat is, ziel, gemoed.
Hertaald:
geest
Dat is: ziel, gemoed. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Laten wij dus, terwijl wij gelegenheid hebben, goeddoen aan allen… Galaten 6:10 Misschien heb je niet vaak mensen op straat zien bedelen, maar op sommige plaatsen in het… Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen anders dan in het kruis van onze Here Jezus Christus; door welke de wereld mij gekruisigd is en… Dwaal niet; God laat zich niet bespotten: want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien. Gal. 6:7 Beide Luther en Calvijn beperken deze woorden tot het… Draag elkaars lasten en vervul alzo de wet van Christus." "Want een ieder zal zijn eigen pak dragen."Gal. 6:2, 5 De Galaten waren blijkbaar zeer ingenomen met de… Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onze Heere Jezus Christus; door Welke de wereld mij gekruisigd is, en… Dwaalt niet; God laat Zich niet bespotten; want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien. Want die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees… Die in de Geest zaait, zal uit de Geest het eeuwige leven maaien. Gal. 6:8 Zaaien lijkt een bezigheid, die verlies oplevert, want wij strooien goed koren in de… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Galaten 6
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Verdiepende artikelen
De orgeldraaier
Gal. 6:14 - Drievoudige kruisiging
Gal. 6:7 - Zaaien en maaien
Gal. 6:2, 5 - Draag elkaars lasten
In het juiste perspectief
De God van de Bijbel
Die in de Geest zaait, zal uit de Geest het eeuwige leven maaien


Galaten 6
Galaten 6:1
KruisverwijzingenRomeinen 15:1→2 Timotheüs 2:25→2 Thessalonicenzen 3:15→Hebreeën 12:13→1 Johannes 5:16→Judas 1:22→1 Petrus 3:15→2 Korinthe 2:7→— Broeders, indien ook een mens vervallen ware door enige misdaad, gij, die geestelijk zijt, brengt den zodanige te recht met den geest der zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook gij niet verzocht wordt.
Wanneer christenen in een fout vervallen, komt dat doordat zij langzaam reizen op de weg naar de hemel. Vandaar de uitdrukking “vervallen ware door enige misdaad”: hij zou niet vervallen zijn als hij sneller gereisd had. Was zijn hart vlug geweest op de wegen van de Heere, dan zou hij de verzoeking hebben voorbijgestreefd. Nu is het maar al te vaak de gewoonte, valt een broeder in zonde, hem neer te duwen, hem uit te sluiten en te vergeten. Maar geestelijk gezinde mensen mogen dat niet doen. Wij moeten het herstel van de broeder zoeken. Is er niet meer blijdschap over het schaap dat verloren was dan over hen die niet afgedwaald zijn? Hebben wij niet alle reden om zachtmoedig met afdwalenden om te gaan, aangezien wij niet kunnen zeggen dat wij zelf niet ooit diezelfde vriendelijke hulp nodig zullen hebben? Was hij trager geweest van gang, dan had de fout hem nog niet ingehaald; maar hij is “vervallen ware door enige misdaad.” Wat dan? Hem uit de gemeente zetten? Niets meer met hem te maken willen hebben? Nee. Zet zijn botten weer recht, als zij gebroken zijn; breng hem weer op zijn plaats. Help hem beter te lopen dan tevoren. Wat zou u wensen dat anderen voor u zouden doen, als u in de positie van deze gevallene verkeerde? De apostel zegt niet dat u moet zien op uzelf opdat u ook niet vervalt, maar: “ziende op uzelven, opdat ook gij niet verzocht wordt” — alsof hij zeggen wil: het is voldoende dat de verzoeking tot u komt, en u zult eraan toegeven. Wie meent dat anderen verstoten moeten worden omdat zij een fout begaan hebben, is in zijn hart zo hoogmoedig. Hij hoeft zelf maar verzocht te worden om ook te vallen.
Galaten 6:2
KruisverwijzingenRomeinen 15:1→Johannes 13:34→1 Johannes 4:21→Jakobus 2:8→1 Thessalonicenzen 5:14→Johannes 15:12→Johannes 13:14→Exodus 23:5→— Draagt elkanders lasten, en vervult alzo de wet van Christus.
Help uw broeders. Ziet u dat zij meer te doen hebben dan zij aankunnen, neem dan een deel van hun arbeid op u. Hebben zij een zwaarder pak te dragen dan zij kunnen torsen, tracht dan uw schouder eronder te zetten, en zo hun last te verlichten.
Galaten 6:3
Kruisverwijzingen1 Korinthe 3:18→2 Korinthe 12:11→1 Korinthe 8:2→Romeinen 12:3→2 Timotheüs 3:13→Galaten 2:6→Spreuken 26:12→2 Korinthe 3:5→— Want zo iemand meent iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt zichzelven in zijn gemoed.
Paulus zegt niet: hij bedriegt andere mensen; nee, “die bedriegt zichzelven in zijn gemoed.” Als algemene regel doorzien andere mensen hem wel, zij leren wat hij werkelijk is, maar hij bedriegt zichzelf. Het heeft geen nut uw vermogen op vele miljoenen te schatten, want dat maakt het niet zo. Het heeft ook geen nut uzelf zeer hoog te schatten, want dat maakt het evenmin zo.
Galaten 6:4-5
Kruisverwijzingen2 Korinthe 13:5→Jeremia 32:19→Romeinen 14:10→1 Johannes 3:19→1 Korinthe 11:28→1 Korinthe 3:8→Galaten 6:13→1 Korinthe 1:12→— Maar een iegelijk beproeve zijn eigen werk; en alsdan zal hij aan zichzelven alleen roem hebben, en niet aan een anderen. Want een iegelijk zal zijn eigen pak dragen.
Er zijn, alles bijeengenomen, lasten van zorg en verdriet die wij elkaar kunnen helpen dragen; maar de last van verantwoordelijkheid voor God moet ieder voor zichzelf dragen. De taak van dienst aan de Meester moet persoonlijk gedragen worden; en laten wij die graag op ons nemen, aangezien Christus zoveel voor ons gedaan heeft. En hoe anders kunnen wij dankbaarheid tonen dan door Hem te dienen?
Galaten 6:6-7
Kruisverwijzingen2 Korinthe 9:6→Hosea 10:12→Romeinen 2:6→Spreuken 11:18→1 Korinthe 15:33→Hosea 8:7→Efeze 5:6→1 Korinthe 6:9→— En die onderwezen wordt in het Woord, dele mede van alle goederen dengene, die hem onderwijst. Dwaalt niet; God laat Zich niet bespotten; want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien.
Paulus verbindt dit met de ondersteuning van hen die leraars van de waarheid zijn. Ik heb weleens gedacht: in bepaalde gemeenten waar Gods dienstknechten uitgehongerd zijn, is het niet zo vreemd dat ook het volk uitgehongerd is. Zij dachten zo weinig aan hun voorganger dat zij hem in nood lieten; het was dus niet vreemd dat zij, omdat zij weinig zaaiden, ook weinig maaiden.
Galaten 6:8
KruisverwijzingenJakobus 3:18→Romeinen 8:13→2 Petrus 2:19→Romeinen 6:21→Galaten 6:7→Prediker 11:6→Job 4:8→Spreuken 22:8→— Want die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien; maar die in den Geest zaait, zal uit den Geest het eeuwige leven maaien.
Hij zal maaien wat vlees uiteindelijk altijd wordt: verderfenis. Wat is het einde van het vlees? Het schoonste vlees, ooit uit de fraaiste vorm gevormd, eindigt in verderf; en leven wij voor het vlees, en zaaien wij daarin, dan zullen wij verderfenis maaien. Zaait iemand onkruid, dan maait hij onkruid. Zaait hij tarwe, dan maait hij tarwe. Zaaien wij in het vlees, dan maaien wij verderfenis. Zaaien wij in de Geest, dan zullen wij het eeuwige leven maaien.
Galaten 6:9
Kruisverwijzingen1 Korinthe 15:58→2 Thessalonicenzen 3:13→Jesaja 40:30→Hebreeën 10:35→Hebreeën 12:3→Jakobus 5:7→1 Petrus 3:17→1 Petrus 2:15→— Doch laat ons, goed doende, niet vertragen; want te zijner tijd zullen wij maaien, zo wij niet verslappen.
Het is jammer om net op het moment dat het tijd wordt om te maaien, moe te worden; zaai dus voort, broeder en zuster, zaai voort!
Galaten 6:10
KruisverwijzingenHebreeën 13:16→Spreuken 3:27→Efeze 2:19→Titus 3:8→3 Johannes 1:5→Johannes 12:35→1 Thessalonicenzen 5:15→Mattheüs 12:50→— Zo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goed doen aan allen, maar meest aan de huisgenoten des geloofs.
Strek uw liefde, uw barmhartigheid, uit tot heel de mensheid. Maar laat het middelpunt van die kring liggen in het huis waar God u geplaatst heeft, in het huisgezin van Zijn volk: “meest aan de huisgenoten des geloofs.”
Galaten 6:11
Kruisverwijzingen1 Korinthe 16:21→Romeinen 16:22→— Ziet, hoe groten brief ik u geschreven heb met mijn hand.
Ik veronderstel dat hij bedoelde: kijk eens wat grote letters ik gemaakt heb. Mijn ogen zijn zwak. Wanneer ik een brief schrijf, in de duisternis van deze kerker, met mijn zwakke ogen en mijn geboeide handen, moet ik daarom in blokletters schrijven. Zo geef ik u die in grote letters. Welnu, zegt hij, voer het dan ook uit in grote letters. U ziet met hoe grote letters ik u geschreven heb; benadruk het dus alles, neem het als een nadrukkelijke zaak, en voer het uit met grote toewijding. Aangezien ik dit met mijn eigen hand geschreven heb, en geen schrijver gebruikt heb, smeek ik u er des te meer aandacht aan te schenken. U Galaten schijnt zo behekst te zijn, dat ik u zou willen bevrijden van de valse leer en een boze geest. Zelfs een brief met mijn eigen bloed zou ik daarvoor willen schrijven, was het nodig.
Galaten 6:12-13
KruisverwijzingenGalaten 5:11→Handelingen 15:1→Galaten 2:3→Kolossenzen 2:23→2 Korinthe 11:13→Mattheüs 6:2→Galaten 6:13→Filippenzen 3:18→— Al degenen, die een schoon gelaat willen tonen naar het vlees, die noodzaken u besneden te worden, alleenlijk opdat zij vanwege het kruis van Christus niet zouden vervolgd worden. Want ook zijzelven, die besneden worden, houden de wet niet; maar zij willen, dat gij besneden wordt, opdat zij in uw vlees roemen zouden.
Zie, zeggen zij, deze heidenen. Wij hebben hen bekeerd, en wij hebben hen laten besnijden. Is dat niet iets wonderbaarlijks? Nee, helemaal niet, zegt Paulus.
Galaten 6:14
KruisverwijzingenRomeinen 6:6→Filippenzen 3:3→Job 31:24→Romeinen 1:16→Galaten 5:24→2 Korinthe 12:10→Galaten 2:20→1 Korinthe 2:2→— Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus; door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.
Ik heb opgehouden mij te bekommeren om roem in mensen, en om andere mensen te doen roemen in mijn bekeerlingen. De wereld is dood voor mij, en ik voor de wereld.
Galaten 6:15-17
KruisverwijzingenGalaten 3:29→2 Korinthe 5:17→Filippenzen 3:3→Romeinen 9:6→Galaten 3:7→1 Korinthe 7:19→Galaten 5:6→1 Petrus 2:5→— Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel. En zovelen als er naar dezen regel zullen wandelen, over dezelve zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israel Gods. Voorts, niemand doe mij moeite aan; want ik draag de littekenen van den Heere Jezus in mijn lichaam.
Ik draag de littekens van de zweepslagen op mijn lichaam. Ik ben de gebrandmerkte slaaf van Jezus Christus. Er is geen manier om deze merktekens van mij weg te krijgen. Ik kan niet weglopen. Ik kan niet ontkennen dat Hij mijn Meester en mijn Eigenaar is: “ik draag de littekenen van den Heere Jezus in mijn lichaam.”
Galaten 6:18
Kruisverwijzingen2 Timotheüs 4:22→Romeinen 16:20→Filemon 1:25→Openbaring 22:21→2 Korinthe 13:14→Romeinen 16:23→— De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met uw geest, broeders! Amen.
En dat is onze zegenbede voor u. Moge de Heere die aan ieder van u vervullen!
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Broeders, a) als ook een mens, iemand uit uw midden (vgl. 1 Kor. 11: 28. Jak. 5: 19), overvallen was door enige misdaad, die hij begaan heeft zonder eigenlijk vooraf bedacht te hebben wat hij deed (Lev. 5: 4), u, die geestelijk bent, die nog in het bezit bent van de Heilige Geest en diens gaven (1Kor. 2: 15; 3: 1; 14: 37, brengt deze terecht met de geest van de zachtmoedigheid (Gal. 5: 22. 1 Kor. 4: 21 Doe dat, u, die uzelf meent te mogen rekenen onder degenen die geestelijk zijn, die meent te staan, ziende op uzelf, wakend, opdat ook u niet verzocht wordt en tot een val komt; dat zal u meer geschikt maken om terecht te brengen en de zachtmoedige geest, die daarvoor nodig is, bij u opwekken (1 Thessalonicenzen. 5: 14).
Rom. 14: 1; 15: 1. 1 Kor. 9: 22.
In plaats van hetgeen men boven de anderen vooruit heeft, of wat men verkeerd bij hen opmerkt in het oog te houden om zich boven hen te verheffen en hen daardoor te kwetsen (vs. 1), moet de Christen als een, die in de geest wandelt, de naaste op het rechte pad leiden, waar hij hem ziet dwalen en ook de lasten helpen dragen, die hem drukken.
De apostel gebruikt zachte, vaderlijke woorden. Ten eerste noemt hij ze “broeders”, om meer vriendelijk en zacht te vermanen als een, die iets bidt van de zijnen, dan met geweld tegenover minderen en onderdanen. Vervolgens zegt hij “een mens” alsof hij wilde zeggen: Wat kan een mens eer en lichter overkomen, dan dat hij tot een val komt, bedrogen wordt, op een dwaalweg raakt? Hij wijst door dit woord aan, met welke ogen wij de fouten en verkeerdheden van andere mensen moeten aanzien, namelijk met ogen van medelijden en ontferming; wij moeten ons altijd meer haasten en bereid zijn om iets te helpen onderdrukken en terecht te brengen, dan om het te verbreiden en openbaar te maken. Verder zegt hij “overvallen was door enige misdaad” d. i. wanneer de duivel of het vlees hem onvoorziens tot een val heeft gebracht, waarmee hij eveneens leert, de zonde van de naaste te verzachten. Als iemand niet duidelijk uit verharde boosheid en zonder verbetering zondigt, dan is onze plicht, dit niet toe te schrijven aan zijn boosheid, maar aan onachtzaamheid, of ook aan zijn zwakheid.
Als iemand overvallen is door enige misdaad, dan moeten zij zich met hem bezig houden, die geestelijk zijn. Paulus zegt met opzet niet, wie de geestelijken onder de Galaten zijn. Hij laat het aan ieder over om te onderzoeken of hij tot hen behoort, hij zal dan van de Geest, die hij bezit, ook zachtmoedigheid ontvangen en geleerd hebben en kan nu wat hij bezit ook betonen, door zich niet trots en eigengerechtig terug te trekken van de gevallene, maar hem met de geest van de zachtmoedigheid terecht te helpen.
Men brengt terecht door vermanen, bestraffen, overtuigen vertroosten enz. Daartoe behoort echter de Geest, aan de ene kant geen blinde liefde, geen verontschuldigen van het kwaad en aan de andere kant geen strengheid, maar een diep inzicht in het Evangelie.
Slechts in de geest van de zachtmoedigheid ligt geneeskracht. Wat met bitterheid geschiedt, verbetert niet. Tot een terechtbrengen met zachtmoedigheid zal het echter komen, als ieder op zichzelf ziet, zijn eigen zwakheid en zonde voor ogen houdt en zo het terechtbrengen niet aanwendt tot eigen roem, maar tot zelfverbetering.
Als een algemene vermaning elk in het bijzonder aangaat en moet worden ingescherpt, wordt met nadruk de tweede persoon gebruikt, dat aan de rede meer levendigheid geeft (vgl. Rom. 14: 4 en 10); dit doet Paulus met de woorden: “ziende op uzelf, opdat ook u niet verzocht wordt. ” Die wending is nu van te meer betekenis, omdat het verzocht worden juist aan ieder in het bijzonder plaats heeft en door het persoonlijk aanspreken van hem het gevaar hem te meer onder het oog wordt gebracht.
De apostel spreekt dan ook zeer gematigd en bescheiden. Hij zegt niet “opdat u niet valt”, maar “opdat u niet verzocht wordt. ” Hij noemt de val van een ander een verzoeking, als wilde hij zeggen: “als u viel zo zou ik willen zeggen, dat uw val meer een verzoeking, dan een zonde geweest is; verontschuldigt ook u met diezelfde zachtmoedigheid het struikelen en vallen van uw broeder. ” Dit is nu een zeer ernstige vermaning, die een ieder moest bewegen over de gevallenen niet al te streng en snel te handelen. Augustinus zegt: er is geen zonde, die iemand doet, die ook niet een ander kan doen. Wij wandelen in dit leven op een glibberige en gladde weg. Willen wij trots zijn en ons teveel verheffen, dan is het te voorzien dat wij struikelen en vallen. ” Een van wie in het leven van de vaderen staat geschreven, dat toen hem werd meegedeeld, hoe een van zijn broeders in hoererij was vervallen, heeft juist en goed geantwoord: “hij is gisteren gevallen, ik kan heden ook vallen.”
a) Draag elkanders lasten, alles, op geestelijk en lichamelijk gebied, wat een ander drukt. Neemt het op uw schouders alsof het uw eigen last was; probeer het even ernstig uit de weg te ruimen, alsof het uzelf persoonlijk aanging en vervul zo, door wederkerig elkaar te helpen dragen, de wet van Christus. De Heere Jezus heeft onze ziekten op Zich genomen en onze ziekte gedragen en nu verlangt Hij ook van de Zijn, dat zij Zijn kruis op zich nemen en Hem navolgen. U zult dus, door de eerste vermaning op te volgen, in zo verre de wet van Christus volkomen vervullen, dat u het hoogste doet, dat gedaan kan worden.
MATTHEUS. 11: 29. Joh. 13: 14. Rom. 15: 1. 1 Thessalonicenzen. 5: 14.
De uitleggers strijden erover van welke last de apostel hier spreekt. Sommigen denken aan onvolkomenheden en zwakheden, die ons drukken of anderen tot last zijn, anderen aan de schulden, die het geweten verontrusten en weer anderen in het algemeen aan kruis en lijden. Mocht men toch hier, evenals op zo vele andere plaatsen erkennen, dat het veelbetekenend woord van de Schrift niet altijd binnen een beperkt begrip kan worden gesloten, maar vaak alles omvat wat van gelijke aard is!
Ziet men alleen op het verband met het voorgaande, dan schijnt de eis alleen te doelen op de behandeling van de zondaars. Omdat echter de apostel erbij voegt: “en vervult” of “zo zult u vervullen de wet van Christus” moet hij het in zo ruime zin bedoelen, dat het van gelijke omvang is als hetgeen hij de wet van Christus noemt. Hij breidt die dus uit tot de vermaning om een werkzaam deel te nemen aan alles wat de naaste een last zou kunnen zijn. Als er dus een leed is, moet men niet alleen meevoelen, maar ook de last helpen dragen en als er zonden zijn, moet men zich de zondaar aantrekken, om hem terecht te helpen. Dit is nu met het vroeger genoemd gebod (Hoofdstuk 5: 13) “dient elkaar door de liefde” werkelijk een; het wordt nu als vervulling en wel zoals de uitdrukking, die in de grondtekst staat, aanwijst, als een volkomen vervulling van de wet van Christus voorgesteld, om de Galaten voor te houden, die gereed waren, zich aan de wet van Mozes te onderwerpen, hoezeer het hun plicht was te doen wat Christus eist (1 Kor. 9: 2. Kol. 2: 11). Was vroeger de vermaning, gegeven (Hoofdstuk 5: 14) om elkaar te dienen, waarvan men wel mag zeggen, dat zij zich plaatst tegenover de eis van een dienen onder de wet, daardoor aangedrongen dat de gehele wet van Mozes vervuld is in het gebod van de liefde tot de naaste, zo wordt hier de gelijksoortige eis, dat ieder de last van de ander tot zijn eigen last moet maken, ingescherpt door de herinnering, dat haar te vervullen mag genoemd worden, het vervullen van de wet van Christus.
De Mozaische wet kreeg bij de Galaten een betekenis, die haar van de kant van de Christenen in het geheel niet toekwam. Zij wilden “onder de wet” zijn (Hoofdstuk 4: 21) en daardoor ging het “in de wet van Christus zijn” (1 Kor. 9: 21) verloren. Als nu de apostel zegt, dat de wet van Christus geheel volmaakt, of volkomen vervuld werd door het dragen van een anders lasten, dan is de gedachte deze, dat zonder dat wederkerig elkanders lasten dragen de vervulling van de wet nog niet volkomen was; daardoor werd teweeggebracht, wat zonder dat aan de volkomen vervulling van deze wet ontbrak.
Augustinus vergelijkt de kerk met een kudde herten, die, als zij om weiden te zoeken een rivier doorzwemt, de koppen met hoornen belast op de rug van een ander legt, terwijl als het hert, dat vooraan zwemt, moe wordt, dit met een ander van plaats verwisselt. Zo draagt ieder van de last van de ander en niet een verdrinkt, omdat de wederkerige begeerte om ten steun te verstrekken het overtrekken gemakkelijk maakt. Slechts een enkel stuk van het leven van het geloof belijden de Christenen in het “Onze Vader” met de woorden van de vijfde bede: “gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. ” Geschiedt dit ene, dan geschiedt alles wat voor God behaagt; want in dit ene viert de liefde, waardoor het geloof werkzaam is, haar hoogste zegefeest over onze oude mens.
Want als iemand denkt dat hij daarom ontheven is van de plicht om de lasten van een ander te dragen, omdat anderen geen lasten voor hem behoeven te dragen, als hij meent iets te zijn, een, die boven de gebreken en zwakheden van anderen verheven is, omdat hij niets is, dat zou hij moeten erkennen, als hij niet door zijn blindheid verhinderd werd zichzelf op de juiste prijs te schatten (2 Kor. 12: 11. Rom. 3: 23. Luk. 17: 10), die bedriegt zichzelf in zijn gemoed en de waarheid is in hem niet (1 Kor. 8: 2. Joh. 1: 8. Jak. 1: 26. Openbaring 3: 17).
Laat u niet door zo’n verblinding, die uit de vergelijking met anderen haar voedsel trekt, over uzelf misleiden, maar een ieder beproeft zijn eigen werk, al zijn handelen en gezind zijn (1 Petrus 1: 17. Openbaring 22: 12), hoe het daarmee voor de Heere gesteld is (1 Kor. 11: 28). En wanneer hij dan bij zich bevindt wat lofwaardig is, zoals dat zeer goed het geval kan zijn (1 Kor. 15: 10. 2 Kor. 1: 12; 11: 18 vv. dan zal hij aan zichzelf alleen roem hebben en niet, zoals bijvoorbeeld de Farizeeër, die zich met rovers, onrechtvaardigen enz. vergeleek (Luk. 18: 11), aan een ander, die laatste roem toch in elk geval een ijdele en nietswaardige is.
Ook zal hem, die echt zijn eigen werk met ernst en oprechtheid onderzoekt, de lust, om aan een ander roem te hebben, wel vanzelf vergaan; a) want een ieder zal zijn eigen pak dragen. Niemand zal zo’n beproeving werkelijk volbrengen zonder te voelen dat zijn geweten belast is door vele zonden en gebreken. Dit nu zal hem gewillig en bereid maken om de lasten van anderen te dragen, opdat deze weer de zijne dragen (vs. 2).
Ps. 62: 13. Jer. 17: 10; 32: 19. 1 Kor. 3: 8. 2 Kor. 5: 10. Openbaring 2: 23; 22: 12.
Het is de eigenschap en de natuur van ijdele eer, dat zij zich met die allen vergelijkt, die haar te gering en haar niet gelijk zijn, uit welke vergelijking dan snel volgt verachting van het lagere en mindere en opgeblazen verhovaardiging op eigen goedheid. De ijdele eer verblijdt zich niet zozeer daarover, dat zij iets heeft of niet, maar integendeel, dat anderen niets zijn en niets hebben. Daarom verbiedt de apostel dat iemand zijn eer heeft aan een ander en vermaant hij, dat ieder zijn eigen werk beproeft. Men moet het doen en laten van andere mensen zonder afkeuring laten, niet de daden en het leven van anderen bevitten en vragen hoe boos de naaste is, maar men moet zien, hoe vroom hij is.
Die van uitwendige, hoogmoedige gedragingen en van inwendige ijdele verkeerdheid vrij wil worden, die oefent getrouw en juist het zelf beproeven uit. Hij vergelijkt zich niet met anderen en zoeke zijn roem niet aan anderen en in vergelijking met anderen, maar hij vergelijkt zichzelf met hetgeen hij in zijn omstandigheden moet zijn, met het goddelijk beeld voor zich, dat hem zijn roeping tot Christus voorhoudt, het beeld, dat hij in Gods woord en Christus voorbeeld vindt. Dan zal hij, als er ooit een roem zal zijn, die niet zo in zich vinden, ook niet zo uitspreken, dat anderen worden geërgerd, en tot strijd en haat ontvlamd (Hoofdstuk 5: 26), maar hij zal slechts roem voor zichzelf hebben en in vergelijking met zichzelf; dat zal dan niemand tot aanstoot zijn. Waarschijnlijk zal het echter met dat roemen niet veel geven. Het zelfonderzoek zal tot zelf-, tot zondekennis leiden. Het zal hem gaan, zoals in vs. 5 wordt gezegd: ieder zal zijn eigen pak, zijn onvolkomenheid, zijn boze neiging, zijn verderf vinden; hij zal het dragen als een last en met berouwen geklaag bewenen, dat hij niet is, wat hij zijn kon, laat staan wat hij zijn moest.
a) En die, om hier over te gaan tot een ander punt, dat echter niettemin in verband staat met de vermaning in vs. 2 – die onderwezen wordt in het woord van de genade van God in Christus en over de weg tot zaligheid (1 Thessalonicenzen. 1: 6. Fil. 1: 14. Hand. 6: 4; 8: 4; 14: 25. dele mede van alle goederen aan degene, die hem onderwijst, zijn leermeester (1 Kor. 9: 4 vv. 2 Kor. 11: 7 vv. vv. 1 Tim. 5: 17).
Rom. 15: 27.
Paulus had in vs. 2 de lezers vermaand, dat de een de lasten van de ander in Christelijke liefde zou dragen. De lasten van anderen, dat is in het algemeen alle zaken, die drukken, maar vooral de zondenlast. Nu maant hij zijn lezers aan, in het bijzonder hun leermeesters, omdat zij hen in het woord onderrichten, de zorgen voor hun aards onderhoud, die ook een species van de daar genoemde lasten zijn, van de schouders af te nemen.
Zichtbaar spoedt Paulus zich voort tot het einde en al dan kan hij niet nalaten om de Galaten nog dit gebod op het hart te drukken, omdat hij ervaren had dat zij, die daar in het woord arbeidden, veel gebrek leden.
Ik houd het er voor dat de gemeenten in Galatië, Corinthiërs en elders om geen andere reden verleid zijn door de valse apostelen, dan omdat zij hun ware leraars zo weinig geteld hebben. Die onze Heere God geen penning wil geven, van wie hij toch allerlei zegen en het eeuwige leven heeft, die overkomt recht, dat hij de duivel guldens moet geven, van wie hij toch allerlei ongeluk en de dood moet wachten.
Dwaal niet, God laat Zich niet bespotten. Laat u niet door de dwaasheid en trotsheid van uw natuurlijk hart wijsmaken, dat God Zich om de tuin zou laten leiden, zodat men, geen acht slaande op Zijn gebod, gerust zou kunnen doen wat men wil en voor vergelding en straf niet verder zou hoeven te vrezen. Hij heeft integendeel het menselijk handelen geplaatst onder de wet van een juist overeenstemmende vergelding: Want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien (Spr. 22: 8. Hos. 8: 7. 2 Kor. 9: 6).
Bij hetgeen ik zei in de zo-even uitgesproken zin is in de eerste plaats gedacht aan de aardse, tijdelijke goederen. Deze worden een slecht of een goed zaad, naar het doel waarvoor men ze gebruikt, of, om bij het vroeger gebruikte beeld te blijven, naar de akker, waarop men het zaad uitstroomt. Zo ontvouwt zich het bovenstaande woord in twee andere: want die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees, dat aan het verderf onderworpen is (1 Kor. 15: 50), verderfenis maaien (2 Petrus 2: 12 Fil. 3: 19), maar die in de geest, niet in zijn eigen geest, maar in de Heilige Geest zaait, zal uit de Geest, waaraan hij het zaad heeft toevertrouwd het eeuwige leven maaien (Rom. 8: 13).
Wat betekenen de woorden: “Dwaal niet, God laat Zich niet bespotten? ” Zij staan onmiddellijk na de woorden, die tot milddadigheid jegens de dienaars van het woord aanmanen. Het is, evenals de apostel die zoals bekend is, zelf in het geheel geen bezoldiging aannam, maar van de opbrengst van zijn, vaak nachtelijke handenarbeid leefde, op het gelaat van de Galaten, voor wie zijn brief moest worden gelezen, een spottende trek vooraf had gelezen, alsof hij vermoed had dat de Galaten de aanmaning voor de dienaars van het woord milddadig te zijn, hem ten kwade zouden duiden. Daartegenover vervult hem grote ernst en zijn pen schrijft de scherpe woorden over de zelfmisleiding van hen, die geloven dat zij de leraars de geloofsgenoten, de armen konden vergeten en toch Christenen zijn. Nee, nee, de Heere eist van de Zijnen gehoorzaamheid. Ongehoorzaamheid aan Zijn gebod, ook aan Zijn gebod om milddadig te zijn jegens de dienaars van het woord en de geloofsgenoten, is spotten met God, spotten met Hem, die Zich niet laat bespotten.
De dwaze mens beeldt zich makkelijk in dat het met de ernst van God, met Zijn dreigingen en gerichten, niet zo nauw wordt genomen. God wordt op directe manier bespot als men Hem lastert, op indirecte manier als men ook Zijn geboden niet volbrengt: het laatste komt vaak voor. Nu geeft de apostel in overweging dat de toekomst en het heden in het nauwste verband staan. De toekomstige toestand zal niet slechts in chronologische orde op het tegenwoordige leven volgen, maar het product ervan zijn; beide zullen in zo’n wezenlijk verband staan als zaaien en oogsten.
Men spot met God, als men op wanhopige manier denkt dat Hij ten slotte zwart voor wit zal houden, dat Hij hem, die onkruid gezaaid heeft, koren zal laten oogsten, dat Hij de zonde, waaraan men de naam van deugd heeft gegeven, belonen zal. Door zulke valse grondstellingen, die zeker, als men ze op het papier leest, tegen de eerste gronden van de menselijke kennis indruisen, wordt evenwel de gehele wereld geregeerd.
Bij de ongewijde schrijvers (bijvoorbeeld Cic. de orat. 2: 65: ut sementem feceris, ita metes) is de overeenstemming tussen de te oogsten vrucht en het gezaaide zaad, zoals die in de natuur gegrond is, een gewoon beeld van het nauwe verband waarin van de kant van God de vergelding bij het oordeel met de zedelijke daden van de mensen in het tijdelijke leven staat. Is dienvolgens de vergelding, die ons handelen vindt volstrekt niet iets toevalligs, is die integendeel slechts hetgeen zij door het zaad moest worden, dan is ons daarmee in de hand gegeven, onze oogst te bepalen, zo zeker als het zaaien van ons afhangt. Willen wij dus een vrucht, die ons behaagt, dan moeten wij het zaaien er naar inrichten; nooit zal het lukken om een anderen oogst te verkrijgen, dan zo een, als met het zaaien in overeenstemming is.
Opdat nu de lezers bedenken wat een ernstige zaak het is om goed de besteden wat men bezit, verandert de apostel de zin, dat ieder zal oogsten wat hij nu zaait, in vs. 8 in een anderen, dat ieder van daar zal oogsten, waarheen hij nu zaait.
Evenals in het algemeen het toekomstig lot van de mensen in de eeuwigheid zal overeenkomen met zijn leven in deze tijd, zoals met het zaad de oogst in overeenstemming is (want van gezaaide tarwe oogst men tarwe en als onkruid gezaaid is oogst men onkruid), zo zal inzonderheid de eeuwige oogst van het zaaien van het tijdelijk goed zich richten naar het zaadveld, waarin men het heeft gezaaid; waarop of waarin de mens zaait, van daar zal hij oogsten. “Zaaien” is hier volgens het verband overgeven of aanwenden. Nu kan men ook zeker geestelijke gaven op of in zijn vlees zaaien. De eergierigen zijn zulke zaaiers; voornamelijk heeft het echter betrekking op het tijdelijke goed (vgl. 2 Kor. 9: 9). Op zijn vlees zaait hij, die zijn tijdelijk goed aanwendt tot verzadiging van zijn vleselijke begeerten, zich naast de Mammon niemand anders tot vriend maakt dan zichzelf in zijn beluste oude Adam (Luk. 12: 19). Deze zal, zo wordt gezegd van zo’n bewerker van de akker van het vlees, van het vlees maaien, namelijk verderf of onkruid. Alles zal verstikken evenals het zaad onder de aarde; alles, wat iemand in het vlees zaait, zal zonder opbrengst of vrucht zijn, die mocht opwassen tot een heerlijken oogst van de eeuwigheid. Maar die op de Geest zaait (niet op zijn eigen, maar op de Geest van Christus in zich), die tijdelijk goed tot de bedoelingen van de Heilige Geest besteedt, de leraars van het Evangelie voedt, de arme geloofsgenoten en iedere behoeftige naar kunnen doen weldoet (vs. 10), die zal van de Geest oogsten, namelijk eeuwig leven. De Geest, die het leven is, zal de dode stof van het tijdelijk goed, dat hem ten gebruike is gegeven, aannemen en vruchtbaar maken voor het eeuwige leven (1 Tim. 6: 17 vv.). Die de akker van de Geest met zijn tijdelijke goederen voorziet, verdient het eeuwige leven niet, maar hij bevordert het eeuwige leven bij zich en anderen tot onafgebrokene oogstvreugde; want uit het onderhouden van de predikers van het Evangelie komt toch bevordering van de Evangelie-prediking voort en als deze prediking zich uitbreidt en op aarde onderhouden wordt, wordt het veld van de Geest wit tot de oogst van leven en zaligheid.
Deze tweeërlei oogst in de eeuwigheid beantwoordt aan tweeërlei zaaien in deze tijd van het leven. Die in zijn eigen vlees zaait, zegt de apostel, zal uit het vlees verderfenis maaien. Er is op dit zedelijk gebied een zaaien, waarbij men op geen andere akker zaait dan op die van het eigen vlees, dat wil zeggen van de aangeboren zondige natuur. Dit doet niet alleen hij, die zich door de bewegingen en begeerlijkheden van zijn eigen vlees tot allerlei zondig bedrijf, gesprek en gedichtsel laat verleiden, maar ook hij, die hetgeen hij schijnt en meent goed te doen, uit eigenliefde, naar eigen goeddunken doet, tot eigen eer verricht. Want eigenliefde, eigen goeddunken, eigen eer, dat is alles vleselijk en het eigen vlees. Uit deze akker van het vlezes spruit geen andere oogst dan die van de verderfenis. Wat men dwalend, wat men zichzelf bedriegend, zich in de zaaitijd daarvan beter of anders moge voorstellen, in de oogsttijd zal men het aldus bevinden. Die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien; hij is dit, dunkt ons, wil ons de apostel doen voelen, door ons op het noodzakelijk verband van zaaien en maaien te wijzen, hij is de schepper en beschikker van zijn eigen rampzaligheid. Hij heeft die rampzaligheid niet slechts verdiend, maar hij heeft haar gemaakt en hij heeft haar gemaakt tot wat zij voor hem is en eeuwig wezen zal. Dit is zijn rampzaligheid: eeuwig voor zich te zien eeuwig te smaken, eeuwig te teren op hetgeen hij eenmaal gezaaid heeft en dat zonder opnieuw te kunnen zaaien zonder op enige verkwikking, die van elders komt, te mogen hopen, zonder van deze hele afschuwelijke oogst ook maar een korrel in de aren een aar in de halm een halm in de donkere schoot van de aarde te kunnen terugdringen! Zich eeuwig te herinneren elke zondige neiging, die men gevoeld, elke zondige weg, waarop men zich begeven, elke zondige daad, die men begaan heeft, het hele zondige leven eeuwig voor de geest te zien staan, terwijl duizend stemmen uitroepen: Gedenk! Ook te gedenken, eeuwig te gedenken aan de boze strijd, die men met toenemende verharding, met opklimmende bedwelming (helaas! nu zijn er geen bedwelmingen meer) van dag tot dag gestreden heeft tegen de inspraak van het binnenste, tegen de uitspraak van God, tegen duizend hemelse roepstemmen en tegen de Heilige Geest; ziedaar de oogst voor het geweten, het oneindige voedsel voor de worm, die niet sterft! De vergiftigde aard, de verwoestende kracht van de zonde en van elke zonde in zichzelf waar te nemen, zonder de mogelijkheid van enig verder zelfbedrog; eeuwig te zijn en te zien wat men is, wat men zichzelf op de weg van de zonde gemaakt heeft en zich daarenboven omringd te vinden van slachtoffers van ons zondig, van ons verleidelijk voorbeeld. Ziedaar de oogst voor een bij het licht van de eeuwigheid verhelderd verstand. Die in de Geest zaait, zal uit de geest het eeuwige leven maaien. Daar is een zaaien in de geest: d. i. een zaaien op de nieuwe en betere akker, die de Geest van God te voorschijn geroepen heeft, die zijn zegen menigmaal mag indrinken en waarop zijn zegen rust. Wat uit vlees geboren is, dat is vlees; maar wat uit de Geest geboren is, dat is geest. Er is een wedergeboorte van de mensen uit de Geest van God. Zij valt hem ten deel, die de doemwaardigheid van het vlees en de verderfelijkheid van het zaaien in het vlees inziet en bij de genade en de almacht van God zoekt wat hij nodig heeft en nergens anders vinden kan. Zij is het deel van die mens, die door ootmoed en geloof op de roepstem van de liefde van God in het Evangelie tot Zijn genade in Christus en tot de gemeenschap van Zijn Heilige Geest gekomen is. Wat die man doet uit liefde en dankbaarheid voor die God, die hem in Christus met Zichzelf verzoent, die hem door Zijn Geest tot een ander mens gemaakt heeft; wat die man doet tot eer van de Heiland, die hem met Zijn bloed gekocht heeft tot eer van die Vader, die ook hem heeft aangenomen tot Zijn kind, dat is in de Geest gezaaid, dat groeit, terwijl hij slaapt en het groeit tot een oogst van eeuwige genietingen op. Het eeuwige leven is een genadegift van God, door Jezus Christus, zijn Heer; maar wat in dat eeuwige leven door hem genoten zal worden en hoe het voor hem zijn zal, dat staat naar de bedeling van diezelfde genade tot hetgeen door hem in dit leven uit het juiste beginsel goed gedaan is, in noodzakelijk verband als van zaaiing tot oogst. Die in de Geest zaait zal uit de Geest eeuwig leven; want zo staat hier en niet het eeuwig leven; die in de Geest zaait zal uit de Geest eeuwig leven maaien. Zeker, hij, die in de Geest zaait, werkt aan zijn eigen hemelvreugde. Wie zal begroten de oogst van genietingen, die daar zonder ophouden zal worden ingezameld door dat geheiligde verstand, dat zich hier geoefend heeft zijn overleggingen gevangen te geven tot de gehoorzaamheid van Christus, maar daar tot een volkomen kennen is verwaardigd? Door dat geheugen, dat door de Heiland zelf zal worden gescherpt, als Hij met welgevallen en goedkeuring de werken van liefde en barmhartigheid aan de minste van Zijn broeders, als aan Hem gedaan, zal opletten en toerekenen? Door dat hart en die ziel, door inwendig werk van een dagelijkse verootmoediging, geloofsoefening, zelfverloochening, heiligmaking vatbaar gemaakt voor het geluk van de heiligheid, voor de aanschouwing van God en voor de eer van de verheerlijking met Christus? De werken van het vlezes zijn openbaar: overspel, hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid, afgoderij, venijngevingen, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, gekijf, tweedracht, ketterijen, nijd, moord, dronkenschappen, brasserijen en dergelijke; en vreselijk is het in te denken, die wroegingen en pijnen de enkele herinnering zulker gruwelen ter plaatse van de rampzaligheid teweeg moet brengen. Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, matigheid en wie (tenzij de voorsmaak van deze gelukzaligheden reeds hier in het hart zij) zal ons een denkbeeld geven van de verscheidenheid en de volkomenheid van de genietingen, die bij het licht van de eeuwigheid erkend zullen worden voor de vrucht van deze vrucht?
Maar laat ons (om hier de vermaning in vs. 6 weer op te vatten en die met betrekking tot het gezegde in vs. 7 en 8 meer algemeen en gedeeltelijk nog sterker te maken) goeddoende niet vertragen. Laat ons overvloediger worden in betoningen van de dienende, helpende liefde (Hoofdstuk 5: 13), hoeveel er ook in deze tijd moge samenspannen om ons moe te maken (2 Thessalonicenzen. 3: 13); want te Zijner tijd, op de door God daarvoor bestemde tijd, namelijk op de jongste dag en in de dan volgende eeuwigheid (MATTHEUS. 13: 30. 1 Tim. 6: 14), zullen wij maaien, als wij niet verslappen.
Omdat hij nu aan het einde komt en de brief wil besluiten, vermaant Paulus in het algemeen tot alle goede werken, die de Christenen moeten doen, als wilde hij zeggen: Laat ons niet alleen jegens de predikers, maar ook jegens alle anderen mild en weldadig zijn en niet moe noch verdrietig worden; want niet hij, die begint, maar die volhardt zal zalig worden. Want het is een verkeerde zaak, als iemand zich twee of drie keer aangrijpt en iets goeds doet. Maar om altijd voort te gaan en goed te doen en niet moe te worden bij de grote boosheid en ondankbaarheid van hen, aan wie men weldoet, dat is moeilijk en kost veel strijd.
De beide hoofdredenen, waarom de mens zich afkeert van het goede en van het geestelijk leven, zijn een traag en laf verslappen in de arbeid en een ongeduld uit zucht om te genieten, dat reeds hier wil bevredigd worden en eeuwige goederen geringschat. Rust en loon worden echter slechts op de door God bestemde tijd en na getrouw volharden ten deel.
Het “als wij niet verslappen” aan het einde van het vers, staat tot het “niet vertragen”, evenals het “maaien” tot het “goed doen”. De apostel wil het “laat ons niet vertragen” in het doen van het goede op het hart drukken en hoezeer dient daartoe dit wijzen op de oogst in de hemel, die wel een begin, maar geen einde heeft.
Ten onrechte wordt het laatste woord door velen vertaald met “zonder ophouden”; er staat “niet verslappend”, dat wel zal betekenen het verslappen in het goed doen en niet dat wij niet in het maaien zullen verslappen.
Zo dan, terwijl wij tijd hebben, terwijl wij nog goed kunnen doen, voordat de nacht komt, waarin niemand werken kan (Joh. 9: 4), laat ons goed doen aan allen zonder uitzondering, aan Joden en heidenen, aan vrienden en vijanden, aan dankbaren en ondankbaren, naburen en vrienden (2 Petrus 1: 7. 1 Thessalonicenzen. 3: 12), maar meest aan de huisgenoten van het geloof (1 Tim. 5: 8), d. i. aan de Christelijke broeders, onze mede-Christenen.
De herinnering aan de oogsttijd dringt aan tot het waarnemen van de zaaitijd.
Dat wij heden werkelijk geschikte tijd hebben om te doen wat wij moeten, vormt de grond, waarop de vermaning wordt gebouwd om het te doen. Dit zou zeker een min juiste gedachte geven, wanneer, zoals de uitleggers meestal menen, de bedoeling was, dat de tegenwoordige tijd van zaaien met het begin van de oogst eindigde.
Er wordt hier niet gehandeld over een voor God welgevallig gedrag in het algemeen en alleen; door de verbinding met “aan” krijgt het integendeel een nadere bepaling, deze namelijk, dat alleen kan gedacht worden aan het goed doen, dat anderen ten nutte is. Is nu dit bedoeld, waarvan dan ook wordt gezegd, dat men het allermeest verschuldigd is aan de huisgenoten van het geloof, dan is het tevens duidelijk dat de tijd daartoe nog voor het begin van de oogst een einde zou kunnen hebben. Evenals voor de Heere de tijd van Zijn weldoen en werken een einde had, toen Zijn lijden begon, zo zal er voor de Christenen een uur van bestrijding komen, waarin zij slechts het lijden zullen kunnen dragen, maar niet de een de ander het goede zal kunnen doen. Daarom moeten wij de nu gegeven tijd ons ten nutte maken en gebruiken (Kol. 4: 5. Efeze. 5: 16). Dat die gelegenheden ophouden en dat er een tijd van oogsten zal komen, dient beide, elk op zijn wijze, om de vermaning aan te dringen, dat de een de ander wat hij bezit en waarover hij te beschikken heeft, ten goede laat komen.
De apostel breidt hier zijn leer uit in de breedte, die niet minder uitgestrekt is dan de lengte in vs. 9 (“niet vertragen; laat ons goed doen, zegt hij, aan allen zonder enig aanzien des persoons. U ziet wat een grote ruimte er is voor de Christelijke goedwilligheid; want zij moet rond zijn, d. i. volkomen, zoals Christus zegt (MATTHEUS. 5: 43 vv.). Toch stelt Paulus op de voorgrond, die geloofsgenoten zijn, waaronder voornamelijk de predikers en vervolgens alle andere gelovigen behoren.
Wij zijn meer verbonden aan hen, die met ons hetzelfde geloof,een Heer, een doop hebben (Efeze. 4: 4 vv.). Het mede bezitten van het geloof, dat wij belijden, geeft een bijzondere aanspraak op de betoning van onze liefde.
Omdat de begrensde mens zich genoodzaakt ziet, zelfs in de feitelijke liefdebetoning zich perken te stellen, omdat zijn middelen niet voldoende zijn om allen te helpen, wijst ook de apostel in de eerste plaats op de geloofsgenoten (en doelt hij misschien reeds op de collecte, die hij op het oog had 1 Kor. 16: 1). Daarin ligt geen beperking van de liefde zelf, maar alleen een beperking van haar beoefening om onvoldoende middelen.
Heeft ieder mens op ons rechts-aanspraak, omdat hij met ons de adem van het leven van een en dezelfde God en Schepper heeft, nog veel meer heeft recht op onze zorg en liefde hij, die met ons behalve deze adem van het leven, ook nog de Geest uit God heeft ontvangen.
III. Vs. 11-16.KruisverwijzingenGalaten 3:29→2 Korinthe 5:17→Romeinen 9:6→Romeinen 6:6→Galaten 3:7→1 Korinthe 7:19→Galaten 5:6→1 Petrus 2:5→
— Ziet, hoe groten brief ik u geschreven heb met mijn hand. Al degenen, die een schoon gelaat willen tonen naar het vlees, die noodzaken u besneden te worden, alleenlijk opdat zij vanwege het kruis van Christus niet zouden vervolgd worden. Want ook zijzelven, die besneden worden, houden de wet niet; maar zij willen, dat gij besneden wordt, opdat zij in uw vlees roemen zouden. Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus; door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld. Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel. En zovelen als er naar dezen regel zullen wandelen, over dezelve zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israel Gods.
De apostel, wie het schrijven moeilijk viel en die daarom zijn brieven door een schrijver liet optekenen, zodat hij zelf slechts het noodzakelijkste erbij voegde (2 Thessalonicenzen. 3: 17 v. 1 Kor. 16: 21) had, omdat de geestelijke nood van de Galaten hem bijzonder ter harte ging, deze brief geheel eigenhandig geschreven. Terwijl hij hen nu hier opmerkzaam maakt op het offer in tijd en moeite, dat hij hun daarmee heeft gebracht, om hun harten weer voor zich en zijn Evangelie te winnen, stelt hij daar tegenover de vleselijke gezindheid, waarmee de dwaalleraars zich voor hun aanhang moeite geven. Hij karakteriseert hun werk als voortgekomen uit geheel onzuivere motieven. Zij hadden niet het zielenheil van de Galaten op het oog, maar alleen wat de Joodse proselietenmakerij kon bevorderen. Hij houdt hen nu het kruis van Christus voor, dat het voorwerp is van zijn roem en de kracht van zijn leven en spreekt nu de zegen uit over hen, die zich naar het richtsnoer van het waar Christelijk geloof zullen gedragen, in het bijzonder ook over het Israel van God, over hen, die uit de Joden gelovig geworden zijn.
Zie wat een grote brief ik u geschreven heb met mijn eigen hand, terwijl ik anders mijn brieven een helper in de pen geef en alleen aan het slot enige weinige woorden eigenhandig bijvoeg (“Ro 16: 23” en “Ro 16: 24”). Voor u heb ik mij de moeite, die het schrijven mij veroorzaakt, getroost.
Het “ziet”, waarmee de apostel deze afdeling begint, wijst er op dat op iets bijzonders wordt opmerkzaam gemaakt (1 Joh. 3: 1). Het is nu echter de vraag, wat dat bijzondere, dat buitengewone bij het schrijven van deze brief is, waaruit de Galaten Paulus’ bijzondere liefde kunnen opmerken. Luther zegt daarvan het volgende: “De apostel wil zeggen: ik heb aan geen gemeente ooit zo’n lange brief met mijn eigen hand geschreven. ” De andere brieven had hij een ander gedicteerd, alleen de groet en de ondertekening had hij met eigen hand geschreven, zoals men aan het einde van zijn brieven kan zien. Toch is het te betwijfelen, of de betekenis van de door Paulus gebruikte woorden die verklaring toelaat. Het is niet de lengte van de brief op zichzelf, waarop de apostel in het bijzonder drukt, omdat toch de omvang in vergelijking met de brieven aan de Romeinen en Corinthiërs geenszins zo bijzonder is en hoogstens in vergelijking met die aan Filemon (Phm. 1: 19) uitsteekt, maar het is de lengte voor zijn kracht tot schrijven, die in de vorm van de letters zeker wel is zichtbaar geweest en misschien staat de moeite, die hij ten gevolge van dat gebrek zich heelt moeten getroosten, om eigenhandig een vrij lange brief te schrijven, in verband met hetgeen hij in vs. 17 in gedachte heeft bij de woorden: “niemand doe mij moeite aan. ” In Hoofdstuk 4: 20 riep hij de Galaten toe: “ik wilde, dat ik nu tegenwoordig bij u was en mijn stem mocht veranderen. ” Hij heeft hetgeen aan het krachtige van zijn rede ontbrak, als hij niet kon, wat hij zozeer wenste, door eigenhandig schrijven proberen te vergoeden, maar zichzelf daardoor geen gering bezwaar opgelegd en bij de arbeid, die juist te Efeze zo zwaar op hem drukte (Hand. 20: 18 vv. ; 31: 34) een groot offer voor hen gebracht; dat moeten zij dan weten en waarderen, opdat het geen vergeefse moeite en verloren tijd zal zijn. Het is niet verkeerd, merkt Spener hierbij op, als predikers jegens hun toehoorders, als hun liefde en hun vertrouwen begint te wankelen, spreken van hun zorg en moeite.
Al degenen, die zich bij de Joodse ijveraars voor de wet, wier vijandschap zij vrezen en een schoon gelaat willen tonen naar het vlees, door iets wat met hun vleselijke gezindheid overeenstemt, die noodzaken u besneden te worden. Zij proberen u de besnijdenis op te dringen met geen andere dan zelfzuchtige bedoelingen, alleen, opdat zij vanwege het kruis van Christus niet vervolgd zouden worden, zoals hun zeker zou overkomen als zij bleven bij de prediking van de ware Christelijke zaligheid (Hoofdstuk 5: 11. 1 Kor. 1: 23).
Het is hun echter niet om de wet zelf en het opvolgen van haar geboden te doen, als zij aandringen op de besnijdenis. Want ook zij zelf, die besneden worden (de uitdrukking, hier in de grondtekst gebruikt, zou vertaald moeten worden: de besnijdenis-mensen (Hoofdstuk 5: 3), d. i. die mensen, die bij zich en anderen zozeer met de besnijdenis zijn ingenomen, dat daarover al hun peinzen en denken is), houden de wet niet (MATTHEUS. 23: 3 v.), maar zij willen, evenals de Joodse proselietenmakers (MATTHEUS. 23: 15), dat u besneden wordt, opdat, als dat gebeurd is, zij in uw vlees, waarvan nu de bekering openbaar geworden is (Efeze 2: 11), roemen zouden, alsof zij iets groots hadden teweeggebracht.
Niet een oprechte, alhoewel tevens verkeerde overtuiging over de noodzakelijkheid van het waarnemen van de wet dringt hen, die u willen noodzaken u te laten besnijden, zegt Paulus; want zij zelf vervullen de wet niet en tonen daardoor het onware van hun ijver. Het motief, dat hen drijft, is integendeel deels mensenvrees, omdat zij de moeilijkheden willen ontgaan, waaraan de getrouwe belijders van het kruis van Christus vanwege de Joden zijn blootgesteld, deels menseneer, omdat zij zich verheffen op de macht, die zij over u hebben.
Het kruis van Christus berokkende hun, die het zo wisten te maken, dat aan de Joodse trots geen ergernis werd gegeven, ten gevolge van hun prediking van de besnijdenis, geen vervolging. Men vergaf hun graag hun Messiaanse meningen, als zij maar voor het gouden beeld van de Joodse nationaliteit knielden en door hun Messiasijver het volk van de Joden, of, zoals men zei, het volk van God, door groei uit de heidenen vermeerderden. Deze tekst is toepasselijk op de aardsgezinden, die het woord van het koninkrijk van de hemelen in de mond hebben, op hen, die mensen-eer begeren en toch voorgeven Christus, de Heere, te dienen. Die lafhartige wekelingen verzwijgen en verloochenen gedurig dat stuk van de goddelijke waarheid, waartegen de tijdgeest of de openbare mening het meest gekant is en tot de prijs om zonder vervolging te blijven, roken zij de moderne afgoden, dwaas verheugd over hun roem voor de wereld, die hen hoogst Christelijke mannen noemt, die met hun tijd mee vooruitgaan.
Er zijn ten allen tijde punten, waarover de wereld wil, dat men haar toegeeft en daarvoor wil zij dan het overige onbestreden laten. Die zich niet met dat onzuivere mengsel inlaat, moet niet alleen vervolging ondergaan, maar ook het verwijt dragen dat hij zelf de schuld er van is, dat hij alleen door zijn eigenzinnigheid in lijden is.
De tweede berisping heeft betrekking op de huichelarij van deze mensen; zij stellen er niet werkelijk prijs op, dat de wet juist wordt waargenomen, zij willen maar pronken met zeer vele proselieten. In de woorden: “opdat zij in uw vlees roemen zouden”, ligt een bittere grote. In plaats van de zielen van de mensen te zoeken, beroemen zich die letterzifters van het vlees op hen, die zij hebben bewogen zich te laten besnijden.
Het is een eigenschap van valse leraars en ijveraars voor de godsdienst, voor wie het slechts om het uitwendige te doen is, iemand tot hun religie over te halen, het moge later met hen gaan zo het wil.
Daartoe, dat de wereld voor mij gekruisigd is en ik voor de wereld, behoort nu ook de grondstelling, die ik tegenover die mannen van de besnijdenis (vs. 13) volg (1 Kor. 7: 17 v.). a) Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel. Het komt in de nieuwe verhouding, die door Hem hersteld is, er niet op aan of men een besnedene of onbesnedene is, maar alleen dat men tot het nieuwe leven, dat nu geopenbaard is, zich laat opwekken en vormen (Hoofdstuk 5: 6. 1 Kor. 7: 19. v. 2 Kor. 5: 17 a) MATTHEUS. 12: 50. Joh. 15: 14).
En zo velen onder u, als er naar deze regel, naar het richtsnoer van de zo-even uitgesproken waarheid, zullen wandelen, zodat zij, of er niet van zijn afgeweken, of, zo zij zich door de dwaalleraars op verkeerde wegen hebben laten leiden (Hoofdstuk 4: 21; 5: 2 vv.), maar zich door mijn woorden weer op de juiste weg hebben laten terugbrengen en daarop verder blijven, over deze zal een zegen zijn. Hun zal van boven worden gegeven vrede in deze tijd en barmhartigheid in de dag van het oordeel (vgl. 1 Tim. 1: 2. 2 Tim. 1: 2. 2 Joh. 1: 3. 1: 2) en wel over het israel van God, niet over dat Israel, dat het zuiver naar het vlees is (1 Kor. 10: 18), maar dat bestaat in het overblijfsel naar de verkiezing van de genade (Rom. 9: 6 vv. ; 11: 5.).
Tegenover het anathema over de dwaalleraars aan het begin van deze brief (Hoofdstuk 1: 8 v.) staat deze zegenwens over de ware gelovigen aan het einde. De vrede van God is de uitgieting van de barmhartigheid. Daarom is Paulus anders gewoon in zijn zegenwensen de barmhartigheid, evenals de genade voor de vrede te plaatsen; hier roept hij echter vrede over hen, die deel hebben aan het woord in Rom. 5: 1, om later bij dit aanwezige geluk, dat de vredewens tot inhoud heeft, het toekomstige te voegen in de wens van de barmhartigheid, die hier zeker even gemeend is als die in 2 Tim. 1: 18 Onesiforus en zijn huis wordt toegewenst.
De bewerking van de wens tot hen, die volgens de ware Christelijke regel wandelen, moet natuurlijk niet worden gedacht als een boosaardige uitsluiting van de anderen; de liefdevolle apostel zou graag de gehele wereld willen zegenen. Maar wel zijn de anderen, wat hun gemoedsgesteldheid aangaat, ongeschikt om de zegen in zich op te nemen (MATTHEUS. 12: 13. Joh. 17: 9); zij zullen integendeel, met name wat de dwaalleraars zelf aangaat (Hoofdstuk 5: 10), hun oordeel dragen.
Met de woorden: “en over het Israel van God” verklaart Paulus uitdrukkelijk en nadrukkelijk en juist daarom als bij manier van een toevoegsel, dat hij de gelovige Israelieten als het Israel
van God mede onder hen bedoelde, wie hij vrede en barmhartigheid toewenst. Hij laat echter dit toevoegsel volgen en juist in deze vorm, opdat men niet zou zeggen, dat hij Israel het volk van God niet wilde laten blijven en op onnatuurlijke manier vijand van zijn volk was geworden, waartegen wij hem ook op andere plaatsen zich zien verdedigen (Rom. 9: 1 vv.) en hier had hij bijzondere aanleiding om zich daartegen te beschutten. Ja, de gelovige Israelieten hebben in zijn ogen niet opgehouden Israel te zijn, zij zijn voor hem niet verdwenen in de wereld van de volken, als zij Christenen zijn geworden; het is even verre van hem het besneden zijn als het onbesneden zijn te houden voor niet te rijmen met het Christendom. De toevoeging dient hoofdzakelijk om dit te verzekeren, vooral daardoor, dat hij in onderscheiding van de zin, waaraan welken hij dit toevoegt, het niet zegt van iedere Israeliet in het bijzonder, maar van het Israel als geheel.
E. In het slotwoord, dat wij in de beide laatste verzen vinden, wendt de apostel zich tot de dwaalleraars met de eis om hem, de apostel, die de lidtekens van Christus in de striemen en naden, die hij in zijn lichaam heeft, draagt, verder zo’n moeite niet aan te doen, als de Galaten hem door die verkeerdheid hebben aangedaan. Daarna laat hij de zegenwens ten besluite volgen, niet zonder een “Broeders! ” dat door de ongewone wijze, waarop het geplaatst is, dubbel vriendelijk klinkt. Dat woord moet alle smartelijk gevoel, dat wellicht als gevolg van de harde uitingen van zijn ontevredenheid zou kunnen achterblijven, veranderen in een hartelijke genegenheid jegens hem.
Voorts, niemand doe mij moeite aan. Moeilijkheden en smarten, zoals die dwaalleraars in Galatië met hun ophitsen tegen mijn apostolisch gezag en apostolische arbeid mij veroorzaakt hebben, voorstellingen om u op te dringen, dat van mij het ware niet kon komen, maar dit eerst door hen aan de gemeenten moest worden gebracht, mogen verre van mij blijven. Ik heb die smartelijke zaken echt niet verdiend: want ik draag in de achtergebleven sporen van de mishandelingen, door mij geleden (2 Kor. 4: 10; 11: 24 v.), de lidtekens van de Heere Jezus Christus in mijn lichaam. Deze wijzen duidelijk aan, dat ik een door Hem erkend en bevestigd dienstknecht van Hem ben en zo hoeft niemand, die zich een verbeteraar waant, zich in mijn arbeidsveld in te dringen, dat de Heere mij heeft gegeven (2 Kor. 10: 15 v.).
Op de zegenwens voor de gelovigen volgt hier een ernstige afwijzing van de boze tegenstanders. Paulus plaatst hier zijn apostolisch gezag en zijn moeitevol werken in de dienst van de Heere met rechtmatige trots op de voorgrond en verlangt dat men zijn moeite niet met nieuwe lasten verzwaart.
Lidtekens zijn de tekens, die de slaven als tekens van hun meesters, de soldaten als tekens van hun legerhoofden, de misdadigers als tekens van hun misdaden en bij enige volken van het Oosten, bijvoorbeeld bij de Perzen en ASSYRIëRS, als tekens van hun God, meestal op voorhoofd of hand (Openbaring 7: 3; 13: 6), ook in de hals of elders op het lichaam, zoveel mogelijk op onuitwisbare wijze waren ingedrukt of ingebrand. De tekens bestonden gewoonlijk in enige letters of in de naam van de meester. De lidtekens van de Heere Jezus zijn dus die tekens, die aanwijzen dat de Heere Jezus de Meester van Paulus is. Zij zijn, zoals uit de uitdrukking “in mijn lichaam” blijkt, de wonden aan het lichaam, die hem in de dienst van het Evangelie waren toegebracht. Deze was zijn beste signalement, “dat hij echt een dienstknecht van de Heere was.”
Wellicht zinspeelt de apostel tevens op een ons niet nader bekende bezoeking (vgl. Hand. 20: 19), die hem toen overkomen is, toen hij schreef.
De genade van onze Heere Jezus Christus zij met uw geest (Fil. 4: 23. 2 Tim. 4: 22. 4. 23 2Ti Filemon 1: 25), broeders! Amen.
Dat de genade van de Heere Jezus, de almachtige helpster, zij met hun geest of met hun inwendige mens, dat vat van de Heilige Geest en het wederbare tot echt geestelijke mensen door het geloof aan het enige Evangelie, wenst de apostel ten slotte hun toe, die hij heeft moeten toeroepen (Hoofdstuk 3: 3) “U bent met de Geest begonnen, voleindigt u nu met het vlees. ” Het vertrouwen, dat de genade van de Heere hun geheiligde geest de overwinning zal geven over hun weerbarstig vlees (Hoofdstuk 5: 10) legt hij in het laatste woord “Broeders”, dat geen andere brief sluit, dan alleen deze aan de Galaten. Hij heeft gewonnen, maar niet hij, de genade van onze Heere Jezus Christus, die hier de Galaten aangrijpt, heeft gewonnen en de zege behaald, als zij zeggen: “Amen, wij zijn broeders van onze Paulus in het huis van het Israel van God. Wij zijn het en willen het blijven. “U valse broeders (2 Kor. 11: 26), ga heen!”
SLOTWOORD OP DE BRIEF AAN DE GALATEN
In de zestiende eeuw was de tijd gekomen, dat de Germaanse volken mondig zouden worden en bevrijd van hun pedagoog (tuchtmeester), die hen met zijn schooltheologie en priestertucht de middeleeuwen had doorgeleid (Hoofdstuk 4: 1 vv.). Ook voor hen was de volheid van de tijden gekomen, dat zij in Christus vrij werden van de heerschappij van de nieuwe wet, waartoe het Christendom door de Roomse kerk was gemaakt, de tijd om het kindschap te ontvangen. In deze tijd schreef Luther de schriften “over de vrijheid van een Christen-mens” en “over de Babylonische ballingschap”, de Galaten-brieven van de 16de eeuw. De Galaten-brief van Paulus was de banier die de beweging van de reformatie vooraf ging waarom Luther die door een dubbele verklaring aan zijn tijd voor ogen gesteld heeft.
De grote ketterij van onze tijd is de rechtvaardiging door waarneming van de natuurlijke zedenwet, die slechts de schaduw is van de Tien geboden. Daarbij verloochent men dan het geloof geheel, of houdt zich onverschillig over de betekenis daarvan. Ook deze is alleen te overwinnen door de leer, die Paulus in zijn brieven aan de Galaten en aan de Romeinen heeft ontwikkeld.
Wat de apostel voor de Romeinen op het hart heeft is een apologie van zijn werkzaamheid; en omdat zij mondeling over dit alles nog niets echts hadden vernomen, verkrijgt ons ten nutte de uiteenzetting van beide onderwerpen een stelselmatige volledigheid, zoals die nergens elders wordt gevonden. de Galaten drukt hij diezelfde waarheden op het hart, maar bij hen, die door hem zelf onderricht waren, doet hij het met een kortheid en gedrongenheid, die, zo niet de brief aan de Romeinen tot opheldering diende, onoplosbare moeilijkheden voor ons zou inhouden tot juist begrip.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel