Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
PaulusG3972, een apostelG652,, geroepen nietG3756 vanG575 mensenG444, noch doorG1223 een mensG444, maarG235 doorG1223 JezusG2424 ChristusG5547, enG2532 GodG2316 den VaderG3962, Die HemG846 uitG1537 de dodenG3498 opgewektG1453 heeft),
Paulus, een apostel,, geroepen niet van mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God den Vader, Die Hem uit de doden opgewekt heeft),
KJV
Paul,1
an apostle,2
(not3
of4
men,5
neither6
by7
man,8
but9
by10
Jesus11
Christ,12
and13
God14
the Father,15
who16
raised17
him18
from19
the dead;)
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
EnG2532 alG3956 de broedersG80, die met mijG1473 zijn, aan de GemeentenG1577 van GalatieG1053:
En al de broeders, die met mij zijn, aan de Gemeenten van Galatie:
KJV
And1
all5
the brethren6
which are with3
me,
unto the churches8
of Galatia:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
GenadeG5485 zij uG4771 enG2532 vredeG1515 vanG575 GodG2316 den VaderG3962, enG2532 onzen HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547;
Genade zij u en vrede van God den Vader, en onzen Heere Jezus Christus;
KJV
Grace1
be to you
and3
peace4
from5
God6
the Father,7
and8
from our
Lord9
Jesus11
Christ,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Die ZichzelvenG1438 gegevenG1325 heeft voor onze zondenG266, opdat Hij ons trekkenG1807 zou uitG1537 deze tegenwoordigeG1764 bozeG4190 wereldG165, naarG2596 den wilG2307 van onzen GodG2316 enG2532 VaderG3962;
Die Zichzelven gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar den wil van onzen God en Vader;
KJV
Who1
gave2
himself3
for4
our
sins,6
that8
he might deliver9
us
from11
this present13
evil15
world,14
according16
to the will18
of God20
and21
our
Father:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Denwelken zij de heerlijkheidG1391 inG1519 alle eeuwigheidG165. AmenG281.
Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
KJV
To whom1
be glory3
for4
ever6
and ever.8
Amen.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Ik verwonderG2296 mij, datG3754 gij zoG3779 haastG5030 wijkende van dengene, die u in de genadeG5485 van ChristusG5547 geroepenG2564 heeft, overgebrachtG3346 wordt totG1519 een anderG2087 EvangelieG2098;
Ik verwonder mij, dat gij zo haast wijkende van dengene, die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander Evangelie;
Ook in dit vers
[wijkende]G575
KJV
I marvel1
that2
ye are5
so3
soon4
removed
from6
him that called8
you
into10
the grace11
of Christ12
unto13
another14
gospel:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Daar er geen anderG243 isG1510; maar er zijnG1510 sommigenG5100, dieG3739 uG4771 ontroerenG5015, enG2532 het EvangelieG2098 van ChristusG5547 willenG2309 verkerenG3344.
Daar er geen ander is; maar er zijn sommigen, die u ontroeren, en het Evangelie van Christus willen verkeren.
KJV
Which1
is
not2
another;4
but there be
some7
that
trouble10
you,
and12
would13
pervert14
the gospel16
of Christ.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
DochG235 al wareG1437 het ookG2532, dat wij, ofG2228 een engelG32 uitG1537 den hemelG3772 u een EvangelieG2097 verkondigde, buitenG3844 hetgeenG3739 wij uG4771 verkondigdG2097 hebben, die zijG1510 vervloektG331.
Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.
KJV
But1
though2
we,
or5
an angel6
from7
heaven,8
preach any other gospel9
unto you
than11
that which12
we have preached13
unto you,
let him be
accursed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
GelijkG5613 wij te voren gezegd hebben, zo zegG3004 ik ookG2532 nu wederomG3825: Indien uG4771 iemandG5209 een EvangelieG2097 verkondigt, buitenG3844 hetgeenG3739 gij ontvangenG3880 hebt, die zijG1510 vervloektG331.
Gelijk wij te voren gezegd hebben, zo zeg ik ook nu wederom: Indien u iemand een Evangelie verkondigt, buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt.
KJV
As1
we said before,
so3
say I6
now4
again,5
If any
man preach10
any other11
gospel
unto you
than
that12
ye have received,13
let him be
accursed.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Want predikG3982 ik nu de mensenG444, of GodG2316? Of zoekG2212 ik mensenG444 te behagenG700? WantG1063 indienG1487 ik nog mensenG444 behaagdeG700, zo wareG2252 ik geenG3756 dienstknechtG1401 van ChristusG5547.
Want predik ik nu de mensen, of God? Of zoek ik mensen te behagen? Want indien ik nog mensen behaagde, zo ware ik geen dienstknecht van Christus.
KJV
For2
do I4
now1
persuade
men,3
or5
God?7
or8
do I seek9
to please11
men?10
for13
if12
I16
yet14
pleased
men,15
I should20
not19
be
the servant18
of Christ.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
MaarG1161 ik maakG1107 uG4771 bekendG1107, broedersG80, datG3754 het EvangelieG2098, hetwelk vanG5259 mijG1473 verkondigdG2097 is, nietG3756 is naarG2596 den mensG444.
Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, hetwelk van mij verkondigd is, niet is naar den mens.
KJV
But2
I certify1
you,
brethren,4
that11
the gospel6
which5
was preached8
of9
me
is
not12
after14
man.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
WantG1063 ikG1473 heb ook hetzelveG846 niet van een mensG444 ontvangenG3880, noch geleerdG1321, maarG235 doorG1223 de openbaringG602 van JezusG2424 ChristusG5547.
Want ik heb ook hetzelve niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus.
KJV
For2
I3
neither1
received6
it7
of4
man,5
neither8
was I taught9
it, but10
by11
the revelation12
of Jesus13
Christ.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Want gij hebt mijnG1699 omgangG391 gehoordG191, die eertijdsG4218 inG1722 het JodendomG2454 was, datG3754 ik uitnemendG2596 zeer de GemeenteG1577 GodsG2316 vervolgdeG1377, enG2532 dezelveG846 verwoestteG4199;
Want gij hebt mijn omgang gehoord, die eertijds in het Jodendom was, dat ik uitnemend zeer de Gemeente Gods vervolgde, en dezelve verwoestte;
KJV
For2
ye have heard1
of my4
conversation5
in time past6
in7
the Jews' religion,9
how that10
beyond11
measure12
I persecuted13
the church15
of God,17
and18
wasted19
it:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
EnG2532 dat ikG1473 in het JodendomG2454 toenamG4298 boven velenG4183 van mijn ouderdomG4915 inG1722 mijn geslachtG1085, zijnde overvloedigG4056 ijverigG2207 voor mijn vaderlijkeG3967 inzettingenG3862.
En dat ik in het Jodendom toenam boven velen van mijn ouderdom in mijn geslacht, zijnde overvloedig ijverig voor mijn vaderlijke inzettingen.
KJV
And1
profited2
in3
the Jews' religion5
above6
many7
my equals8
in9
mine own
nation,11
being15
more exceedingly
zealous14
of the traditions19
of my
fathers.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
MaarG1161 wanneer het GodeG2316 behaagdG2106 heeft, Die mijG1473 vanG1537 mijner moedersG3384 lijfG2836 aan afgezonderdG873 heeft, en geroepenG2564 doorG1223 Zijn genadeG5485,
Maar wanneer het Gode behaagd heeft, Die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijn genade,
KJV
But2
when1
it pleased3
God,5
who4
separated7
me
from9
my
mother's11
womb,10
and13
called14
me by15
his18
grace,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Zijn ZoonG5207 in mij te openbarenG601, opdatG2443 ikG1473 DenzelvenG846 door het EvangelieG2097 onderG1722 de heidenenG1484 zou verkondigenG2097, zo ben ik terstondG2112 nietG3756 te rade gegaanG4323 met vleesG4561 enG2532 bloedG129;
Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Denzelven door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik terstond niet te rade gegaan met vlees en bloed;
KJV
To reveal1
his4
Son3
in5
me,
that7
I might preach8
him9
among10
the heathen;12
immediately13
I conferred15
not14
with flesh16
and17
blood:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En ben niet wederomG3825 gegaanG424 naarG1519 JeruzalemG2414, totG4314 degenen, die voor mijG1473 apostelenG652 waren; maarG235 ik gingG565 henen naarG1519 ArabieG688, en keerdeG5290 wederom naarG1519 DamaskusG1154.
En ben niet wederom gegaan naar Jeruzalem, tot degenen, die voor mij apostelen waren; maar ik ging henen naar Arabie, en keerde wederom naar Damaskus.
KJV
Neither1
went I up2
to3
Jerusalem4
to5
them which were apostles9
before7
me;
but10
I went11
into12
Arabia,13
and14
returned16
again15
unto17
Damascus.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Daarna kwam ik naG3326 drieG5140 jarenG2094 weder te JeruzalemG2414 omG1519 PetrusG4074 te bezoekenG2477, enG2532 ik bleefG1961 bijG4314 hemG846 vijftienG1178 dagenG2250.
Daarna kwam ik na drie jaren weder te Jeruzalem om Petrus te bezoeken, en ik bleef bij hem vijftien dagen.
KJV
Then1
after2
three4
years3
I went up5
to6
Jerusalem7
to see8
Peter,9
and10
abode11
with12
him13
fifteen15
days.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
En zagG1492 geen anderG2087 van de apostelenG652, dan JakobusG2385, den broederG2962 des HeerenG80.
En zag geen ander van de apostelen, dan Jakobus, den broeder des Heeren.
KJV
But2
other1
of the apostles4
saw I
none,5
save
James9
the Lord's13
brother.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
HetgeenG3739 nuG1161 ik uG4771 schrijfG1125, zietG3708, ik getuig voor GodG2316, dat ik nietG3756 liegG5574!
Hetgeen nu ik u schrijf, ziet, ik getuig voor God, dat ik niet lieg!
Ook in dit vers
[getuig]G1799
KJV
Now2
the things which1
I write3
unto you,
behold,
before6
God,8
I lie11
not.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Daarna ben ik gekomenG2064 inG1519 de gewestenG2824 van SyrieG4947 enG2532 van CilicieG2791.
Daarna ben ik gekomen in de gewesten van Syrie en van Cilicie.
KJV
Afterwards1
I came2
into3
the regions5
of Syria7
and8
Cilicia;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
EnG1161 ik was van aangezichtG4383 onbekendG50 aan de GemeentenG1577 in JudeaG2449, die inG1722 ChristusG5547 zijn.
En ik was van aangezicht onbekend aan de Gemeenten in Judea, die in Christus zijn.
KJV
And2
was
unknown3
by face5
unto the churches7
of Judaea9
which4
were in11
Christ:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Maar zijG1510 hadden alleenlijk gehoordG191, datG3754 men zeide: Degene, die ons eertijdsG4218 vervolgdeG1377, verkondigtG2097 nu het geloofG4102, hetwelkG3739 hij eertijdsG4218 verwoestteG4199.
Maar zij hadden alleenlijk gehoord, dat men zeide: Degene, die ons eertijds vervolgde, verkondigt nu het geloof, hetwelk hij eertijds verwoestte.
KJV
But2
they had
heard3
only,1
That5
he which persecuted7
us
in times past9
now10
preacheth11
the faith13
which14
once15
he destroyed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
EnG2532 zij verheerlijktenG1392 GodG2316 inG1722 mijG1473.
En zij verheerlijkten God in mij.
KJV
And1
they glorified2
God6
in3
me.
een apostel,
Zie van dit woord, Luc. 6:13.
Hertaald:
een apostel,
Zie over dit woord Luk. 6:13.
niet van mensen,
Namelijk die bloot mensen, of niet dan mensen zijn. Deze beschrijving doet de apostel daarbij, om zijn apostolische beroeping en gezag staande te houden tegen de lasteringen der valse apostelen, die zeiden dat hij niet wettiglijk tot het apostelschap was beroepen. Want er zijn tweeërlei wettige beroepingen tot den dienst des Woords; een die gewoon is, welke wel van God geschiedt, maar door mensen, de orde Gods daarin volgende: zodanige is de beroeping van de gewone dienaren des Woords. En er is ene beroeping, die zonder dienst der mensen van God zelf, of van den Heere Christus geschiedt; zodanig is geweest de beroeping der profeten in het Oude Testament, en der apostelen in het Nieuwe Testament. Deze beroeping is buitengewoon, en altijd vergezelschapt met de gave van niet te kunnen dwalen in het leren, 2 Petr. 1:21; Joh. 16:13. Dat de apostel Paulus door zulke een extra-ordinaire beroeping geroepen is, wordt klaarlijk beschreven Hand. 9:22.
Hertaald:
niet van mensen,
Namelijk mensen die louter mens zijn, en niets meer dan dat. De apostel voegt deze omschrijving eraan toe om zijn apostolische roeping en gezag te handhaven tegen de lasteringen van de valse apostelen, die zeiden dat hij niet op wettige wijze tot het apostelschap geroepen was. Want er zijn twee soorten wettige roepingen tot de dienst van het Woord. De ene is de gewone: die komt wel van God, maar gaat door mensen heen, die daarin de orde van God volgen; zo is de roeping van de gewone dienaars van het Woord. En er is een roeping die zonder de dienst van mensen door God Zelf of door de Heere Christus gebeurt; zo is de roeping van de profeten in het Oude Testament en van de apostelen in het Nieuwe Testament geweest. Die roeping is buitengewoon en gaat altijd samen met de gave dat men in het leren niet kan dwalen, 2 Petr. 1:21; Joh. 16:13. Dat de apostel Paulus door zulk een buitengewone roeping geroepen is, wordt duidelijk beschreven in Hand. 9:22.
Die Hem uit
En daarmede openlijk heeft betoond dat Hij de eigen Zoon Gods was. Zie Hand. 13:32; Rom. 1:4.
Hertaald:
Die Hem uit
En daarmee heeft Hij openlijk bewezen dat Hij de eigen Zoon van God was. Zie Hand. 13:32; Rom. 1:4.
al de broeders,
Namelijk niet alleen mijne medebroeders in den dienst, maar ook al de andere gelovigen. Dit doet de apostel daarbij, niet zozeer om zijn schrijven daarmede aanzienlijk te maken, als om door de eenstemmigheid der gemeente met hem, de gemeenten van Galatië te beter te bewegen tot aflegging hunner dwalingen.
Hertaald:
al de broeders,
Namelijk niet alleen mijn medebroeders in de dienst, maar ook alle andere gelovigen. De apostel voegt dit erbij, niet zozeer om zijn brief daarmee aanzien te geven, maar om de gemeenten van Galatië door de eenstemmigheid van de gemeente met hem des te beter te bewegen hun dwalingen af te leggen.
Galatië
Galatië was een van de grootste provinciën in Klein-Azië, grenzende aan Frygië, Bithynië, Pontus, Cappadocië en Pamfilië; was alzo genaamd van een volk, dat uit Gallië, nu Frankrijk genaamd, gekomen zijnde, die provincie ingenomen en lang bewoond heeft. Zie Hand. 16:6; 1 Kor. 16:1; 2 Tim. 4:10; 1 Petr. 1:1.
Hertaald:
Galatië
Galatië was een van de grootste provincies in Klein-Azië, grenzend aan Frygië, Bithynië, Pontus, Cappadocië en Pamfylië. Het is zo genoemd naar een volk dat uit Gallië — nu Frankrijk genoemd — gekomen was, die provincie had ingenomen en er lang gewoond heeft. Zie Hand. 16:6; 1 Kor. 16:1; 2 Tim. 4:10; 1 Petr. 1:1.
Zichzelven
Namelijk vrijwillig; Fil. 2:8.
Hertaald:
Zichzelven
Namelijk vrijwillig; Filipp. 2:8.
gegeven heeft
Namelijk in den dood. Dit voegt de apostel in het begin daarbij, omdat dit bewijs alleen genoegzaam is, om de leer der valse apostelen te wederleggen. Want hij zou tevergeefs zulks gedaan hebben, indien de mens door de werken der wet kon gerechtvaardigd worden. Zie Gal. 2:21.
Hertaald:
gegeven heeft
Namelijk in de dood. Dit voegt de apostel aan het begin erbij, omdat dit bewijs alleen al genoeg is om de leer van de valse apostelen te weerleggen. Want Hij zou dat tevergeefs gedaan hebben als de mens door de werken van de wet gerechtvaardigd kon worden. Zie Gal. 2:21.
voor onze zonden,
Namelijk om die te verzoenen door zijnen dood; 1 Joh. 1:7, en 1 Joh. 2:2. Zodat de verzoening en vergeving der zonden daarin alleen, en niet in de werken der wet, moet gezocht worden.
Hertaald:
voor onze zonden,
Namelijk om die door Zijn dood te verzoenen; 1 Joh. 1:7 en 1 Joh. 2:2. Dus moeten de verzoening en de vergeving van de zonden alleen daarin gezocht worden en niet in de werken van de wet.
wereld,
Grieks eeuw; dat is, uit den zondigen en ellendigen staat, waarin de gehele wereld gelegen is; 1 Joh. 5:19.
Hertaald:
wereld,
Grieks: eeuw; dat is: uit de zondige en ellendige staat waarin de hele wereld ligt; 1 Joh. 5:19.
naar den wil
Dat is, naar het eeuwig besluit en welbehagen, Hand. 2:23, en Hand. 4:28; Hebr. 10:7, Hebr. 10:10. Zo is dan de Vader met dit rantsoen Zijns Zoons tevreden.
Hertaald:
naar den wil
Dat is: naar het eeuwige besluit en welbehagen, Hand. 2:23 en Hand. 4:28; Hebr. 10:7, Hebr. 10:10. Zo is de Vader dus tevreden met dit rantsoen van Zijn Zoon.
in alle eeuwigheid
Grieks tot eeuwen der eeuwen, of tot eeuwigheden der eeuwigheden. Hebreeuws.
Hertaald:
in alle eeuwigheid
Grieks: tot eeuwen der eeuwen, of tot eeuwigheden der eeuwigheden. Dit is een hebraïsme.
Ik verwonder mij,
Deze verwondering is ook vergezelschapt geweest met een groot mishagen en droefenis.
Hertaald:
Ik verwonder mij,
Deze verwondering ging ook samen met groot misnoegen en verdriet.
zo haast
Dat is, in zo korten tijd, nadat gij het Evangelie van ons ontvangen hebt; of, nadat de verleiders u anders geleerd hebben. Daarmede bestraft hij hunne lichtvaardigheid.
Hertaald:
zo haast
Dat is: in zo korte tijd nadat u het Evangelie van ons ontvangen hebt; of: nadat de verleiders u anders geleerd hebben. Daarmee bestraft hij hun lichtvaardigheid.
wijkende van
Namelijk van God, die u door onze predikatie geroepen heeft, om u door de genade van Christus, en niet door de werken der wet, zalig te maken. Of, wijkende van Christus, die u geroepen heeft in de genade.
Hertaald:
wijkende van
Namelijk van God, Die u door onze prediking geroepen heeft om u zalig te maken door de genade van Christus en niet door de werken van de wet. Of: afwijkend van Christus, Die u in de genade geroepen heeft.
overgebracht wordt
Namelijk van degenen, die u verleiden; welken Hij de meeste schuld geeft, omdat hij hoop had hen wederom op den rechten weg te brengen; Gal. 5:10.
Hertaald:
overgebracht wordt
Namelijk door hen die u verleiden. Hij legt de meeste schuld bij hen, omdat hij hoop had de Galaten weer op de rechte weg te brengen; Gal. 5:10.
tot een ander Evangelie;
Dat is, tot een andere leer om zalig te worden, die de verleiders wel het Evangelie noemen, maar die het rechte Evangelie niet is, en verre verschilt van hetgeen wij u gepredikt hebben.
Hertaald:
tot een ander Evangelie;
Dat is: tot een andere leer om zalig te worden, die de verleiders wel het Evangelie noemen, maar die niet het echte Evangelie is en ver afstaat van wat wij u gepredikt hebben.
Daar er geen ander is;
Grieks hetwelk geen ander is; Namelijk dan hetgeen, of dan, hetgeen wij u gepredikt hebben. Zie Hand. 4:12.
Hertaald:
Daar er geen ander is;
Grieks: dat geen ander is; namelijk dan wat wij u gepredikt hebben. Zie Hand. 4:12.
maar er zijn sommigen,
Namelijk die uit de secte der Farizeën zich tot den Christelijken godsdienst begeven hebbende, de wet en het Evangelie, en de rechtvaardigheid der werken met de rechtvaardigheid des geloofs zochten te vermengen. Zie Hand. 15:5.
Hertaald:
maar er zijn sommigen,
Namelijk zij die uit de partij van de farizeeën tot de christelijke godsdienst waren overgegaan en de wet en het Evangelie, en de rechtvaardigheid van de werken met de rechtvaardigheid van het geloof probeerden te vermengen. Zie Hand. 15:5.
verkeren
Dat is, vervalsen, ijdel of teniet maken.
Hertaald:
verkeren
Dat is: vervalsen, krachtloos of teniet maken.
wij, of
Namelijk ik en de broeders, die bij mij zijn. Of, wij apostelen.
Hertaald:
wij, of
Namelijk ik en de broeders die bij mij zijn. Of: wij apostelen.
een engel uit
Dit is wel in zichzelve niet mogelijk, maar de apostel wil met het stellen dezer onmogelijke veronderstelling te krachtiger aanwijzen de zekerheid van den vloek, die komen zal over degenen, die een ander Evangelie prediken. Zie dergelijke Joh. 8:55; 1 Kor. 13:2.
Hertaald:
een engel uit
Dit is in zichzelf niet mogelijk, maar de apostel wil met deze onmogelijke veronderstelling des te krachtiger de zekerheid aanwijzen van de vloek die zal komen over hen die een ander Evangelie prediken. Zie iets dergelijks in Joh. 8:55; 1 Kor. 13:2.
buiten hetgeen wij
Dat is, niet alleen tegen hetzelve, maar ook die iets daarbij doen, buiten hetgeen wij gepredikt hebben; hetwelk de valse apostelen deden, lerende dat men niet alleen door het geloof, maar ook door de werken der wet gerechtvaardigd wordt.
Hertaald:
buiten hetgeen wij
Dat is: niet alleen wie daartegen prediken, maar ook wie er iets aan toevoegen, buiten wat wij gepredikt hebben. Dat deden de valse apostelen, door te leren dat men niet alleen door het geloof, maar ook door de werken van de wet gerechtvaardigd wordt.
vervloekt
Grieks Anathema; dat is, vervloeking. Zie van dit woord Rom. 9:3; 1 Kor. 16:22.
Hertaald:
vervloekt
Grieks: anathema; dat is: vervloeking. Zie over dit woord Rom. 9:3; 1 Kor. 16:22.
te voren gezegd
Namelijk in vs.8.
Hertaald:
te voren gezegd
Namelijk in vers 8.
wederom
Namelijk om te tonen dat dit van mij niet uit haastigheid is gezegd.
Hertaald:
wederom
Namelijk om te laten zien dat ik dit niet in een opwelling gezegd heb.
ontvangen hebt,
Namelijk door onze predikatie hebt gehoord en aangenomen.
Hertaald:
ontvangen hebt,
Namelijk door onze prediking gehoord en aangenomen hebt.
predik ik nu
Grieks raad ik nu aan de mensen of God? Namelijk te horen of geloven. Want het Griekse woord, dat de apostel hier gebruikt, alsook Hand. 28:23, en 2 Kor. 5:11, betekent eigenlijk iemand met redenen bewegen of overreden, en is hier de zin: Zoek ik in mijne predikatiën u te bewegen, dat gij mij of enig mens zoudt aanhangen? Hij wil zeggen: dat doe ik geenszins.
Hertaald:
predik ik nu
Grieks: overreed ik nu mensen of God? Namelijk om te horen of te geloven. Want het Griekse woord dat de apostel hier gebruikt, ook in Hand. 28:23 en 2 Kor. 5:11, betekent eigenlijk iemand met redenen bewegen of overreden. De betekenis is hier: probeer ik u in mijn preken te bewegen mij of enig ander mens aan te hangen? Hij wil zeggen: dat doe ik in geen geval.
of God?
Dat is, dat gij uw vertrouwen zoudt stellen op God in Christus; hetwelk, wil hij zeggen, ik doe in al mijne predikatiën.
Hertaald:
of God?
Dat is: dat u uw vertrouwen op God in Christus zou stellen; en dat doe ik, wil hij zeggen, in al mijn preken.
Of zoek ik mensen
Dat is, zoek ik in mijne predikatiën de gunst van enige mensen? Geenszins, wil hij zeggen. En dit schijnt dat de valse apostelen den Galaten zochten wijs te maken, om de leer des apostels verdacht te maken.
Hertaald:
Of zoek ik mensen
Dat is: zoek ik in mijn preken de gunst van bepaalde mensen? In geen geval, wil hij zeggen. Het lijkt erop dat de valse apostelen dit de Galaten wilden wijsmaken om de leer van de apostel verdacht te maken.
nog
Namelijk nu tot Christus bekeerd zijnde, gelijk ik deed in het Jodendom, als ik, om den hogepriesters en Joden te behagen, de gemeente vervolgde.
Hertaald:
nog
Namelijk nu ik tot Christus bekeerd ben, zoals ik deed in het Jodendom, toen ik de gemeente vervolgde om de hogepriesters en de Joden te behagen.
mensen
Namelijk die van Christus vreemd zijn, of naar hunne gezindheid willen gepredikt hebben; 2 Tim. 4:3. Anderszins mogen en moeten ook de vrome leraars zich zo gedragen in leer en leven, dat zij den vromen en Godzaligen mensen in Christus mogen behagen; 1 Kor. 10:33.
Hertaald:
mensen
Namelijk mensen die vreemd zijn van Christus, of die de prediking naar hun eigen zin willen hebben; 2 Tim. 4:3. Overigens mogen en moeten de vrome leraars zich in leer en leven zo gedragen dat zij de vrome en godvrezende mensen in Christus behagen; 1 Kor. 10:33.
behaagde, zo
Dat is, alleen hunne gunst zocht in het prediken.
Hertaald:
behaagde, zo
Dat is: alleen hun gunst zocht in het prediken.
dienstknecht van Christus
Dat is, een waar, oprecht en getrouw dienstknecht. Want niemand kan twee heren dienen; Matt. 6:24.
Hertaald:
dienstknecht van Christus
Dat is: een waar, oprecht en trouw dienstknecht. Want niemand kan twee heren dienen; Matth. 6:24.
niet is naar den mens
Dat is, mij is niets van mensen gegeven, of van mijzelven versierd, of steunende op gezag van enige mensen, gelijk in vs.12 verklaard wordt.
Hertaald:
niet is naar den mens
Dat is: mij is niets door mensen gegeven, en ik heb het niet zelf bedacht of op het gezag van mensen gebaseerd, zoals in vers 12 verklaard wordt.
niet van een mens
De apostel wil daarmede niet verwerpen de onderwijzing in de leer des Evangelies, die door mensen gewoonlijk geschiedt, 2 Tim. 3:15; maar wil zeggen dat hij als een apostel op zulke gewone wijze deze leer niet heeft ontvangen, maar door een extra-ordinaire openbaring en onderwijzing van Christus zelven. Zie Hand. 9:3; 1 Kor. 15:8, en 2Co 12.
Hertaald:
niet van een mens
De apostel wil daarmee niet het onderwijs in de leer van het Evangelie verwerpen dat gewoonlijk door mensen gebeurt, 2 Tim. 3:15. Hij wil zeggen dat hij als apostel deze leer niet op die gewone manier ontvangen heeft, maar door een buitengewone openbaring en onderwijzing van Christus Zelf. Zie Hand. 9:3; 1 Kor. 15:8 en 2 Kor. 12.
eertijds in
Namelijk eer ik tot den Christelijken godsdienst bekeerd was.
Hertaald:
eertijds in
Namelijk voordat ik tot de christelijke godsdienst bekeerd was.
uitnemend zeer
Deze vervolging van Paulus wordt beschreven Hand. 7:58, en Hand. 9:1, enz., en Hand. 22:4-5.
Hertaald:
uitnemend zeer
Deze vervolging door Paulus wordt beschreven in Hand. 7:58 en Hand. 9:1, enzovoort, en Hand. 22:4-5.
verwoestte;
Dat is, dezelve, zoveel in mij was, gans zocht uit te roeien en verdelgen.
Hertaald:
verwoestte;
Dat is: die zocht ik, voor zover het aan mij lag, helemaal uit te roeien en te verdelgen.
van mijn ouderdom
Dat is, jonge lieden. Zie Hand. 7:58. Dat drukt hij uit, opdat hij niet zou schijnen zich uit laatdunkendheid te stellen boven de oude leraars der Joden.
Hertaald:
van mijn ouderdom
Dat is: jonge mensen. Zie Hand. 7:58. Dat zegt hij met nadruk, om niet de schijn te geven dat hij zich uit eigenwaan boven de oude leraars van de Joden stelde.
in mijn geslacht,
Dat is, onder de Joden.
Hertaald:
in mijn geslacht,
Dat is: onder de Joden.
overvloedig ijverig
Grieks overvloediglijker een ijveraar; namelijk met een ijver, die niet was met wetenschap, Rom. 10:2; Fil. 3:5-6; 1 Tim. 1:13. Hiermede bestraft hij ook den verkeerden ijver der Joden in zijn persoon.
Hertaald:
overvloedig ijverig
Grieks: overvloediger een ijveraar; namelijk met een ijver die niet met kennis gepaard ging, Rom. 10:2; Filipp. 3:5-6; 1 Tim. 1:13. Hiermee bestraft hij in zijn eigen persoon ook de verkeerde ijver van de Joden.
voor mijn vaderlijke
Namelijk van welke ik meer hield, dan van de leer der profeten. Wat dit voor inzettingen waren, kan men zien Matt. 5:21, enz., en Matt. 15:2, en Matt. 23:3, enz.; Marc. 7:5, enz.; 1 Petr. 1:18.
Hertaald:
voor mijn vaderlijke
Namelijk inzettingen waaraan ik meer hield dan aan de leer van de profeten. Wat voor inzettingen dit waren, kan men zien in Matth. 5:21, enzovoort, en Matth. 15:2 en Matth. 23:3, enzovoort; Mark. 7:5, enzovoort; 1 Petr. 1:18.
inzettingen
Grieks overleveringen; namelijk niet alleen die in de Schriftuur geboden en beschreven zijn, maar ook die, welke van mensen ingesteld, en van de ouders aan de kinderen als van hand tot hand overgeleverd waren.
Hertaald:
inzettingen
Grieks: overleveringen; namelijk niet alleen die in de Schrift geboden en beschreven zijn, maar ook die door mensen ingesteld waren en door de ouders aan de kinderen als van hand tot hand waren doorgegeven.
van mijner moeders
Grieks uit; dat is, eer ik van mijne moeder geboren was. Zie dergelijke Jer. 1:5.
Hertaald:
van mijner moeders
Grieks: uit; dat is: voordat ik uit mijn moeder geboren was. Zie iets dergelijks in Jer. 1:5.
afgezonderd heeft,
Dat is, voorgenomen en besloten heeft, mij af te zonderen uit den algemenen hoop van de andere mensen, om te zijner tijd tot een apostel te beroepen.
Hertaald:
afgezonderd heeft,
Dat is: Die voorgenomen en besloten heeft mij af te zonderen uit de gewone menigte van de andere mensen, om mij op Zijn tijd tot apostel te roepen.
door Zijn genade,
Namelijk als de enige oorzaak, waarom Hij dat gedaan heeft, en derhalve zonder enige waardigheid of verdiensten in mij voorgezien; gelijk ook tevoren Gods welbehagen de oorzaak daarvan gesteld wordt. Zie Ef. 1:5-6, Ef. 1:9, Ef. 1:11.
Hertaald:
door Zijn genade,
Namelijk als de enige oorzaak waarom Hij dat gedaan heeft, en dus zonder dat er enige waardigheid of verdienste in mij vooruit gezien werd. Zo wordt ook eerder Gods welbehagen als de oorzaak daarvan gesteld. Zie Ef. 1:5-6, Ef. 1:9, Ef. 1:11.
Zijn Zoon
Namelijk Jezus Christus den waren Messias.
Hertaald:
Zijn Zoon
Namelijk Jezus Christus, de ware Messias.
in mij te openbaren,
Dat is, aan mij; in mijne ziel. Of, door mij te openbaren, dat is, bekend te maken, dat ik Hem voor den Zoon Gods en den waren Messias heb erkend, en in Hem geloof; Matt. 16:17.
Hertaald:
in mij te openbaren,
Dat is: aan mij, in mijn ziel. Of: door mij te openbaren, dat is: bekend te maken dat ik Hem als de Zoon van God en de ware Messias erkend heb en in Hem geloof; Matth. 16:17.
terstond niet te
Namelijk zo haast ik tot Christus bekeerd ben geweest.
Hertaald:
terstond niet te
Namelijk zodra ik tot Christus bekeerd was.
rade gegaan
Dat is, over de leer van het Evangelie met iemand gesproken en gehandeld, om in dezelve beter of breder onderwezen te worden.
Hertaald:
rade gegaan
Dat is: met iemand over de leer van het Evangelie gesproken en overlegd, om daarin beter of uitvoeriger onderwezen te worden.
met vlees en
Dat is, met enige mensen, die uit vlees en bloed bestaan. Zie dergelijke wijze van spreken Matt. 16:17; Ef. 6:12, ook zelfs niet met mijn eigen natuurlijk vernuft.
Hertaald:
met vlees en
Dat is: met mensen, die uit vlees en bloed bestaan. Zie een dergelijke manier van spreken in Matth. 16:17; Ef. 6:12; en ook niet met mijn eigen natuurlijke verstand.
niet wederom gegaan
Of, niet opgegaan; gelijk ook vs.18. Dit schijnt te strijden met hetgeen Lukas zegt, Hand. 9:26. Doch hetgeen Lukas daar zegt, moet verstaan worden geschied te zijn nadat Paulus drie jaren in Arabië geweest zijnde, vandaar wederom te Damaskus gekomen was. Want Lukas maakt aldaar geen gewag van Paulus' reis naar Arabië, gelijk hij ook vele andere daden en reizen van Paulus nalaat, die Paulus zelf verhaalt 2Co 11, 12.
Hertaald:
niet wederom gegaan
Of: niet opgegaan; zo ook in vers 18. Dit lijkt te strijden met wat Lukas zegt in Hand. 9:26. Maar wat Lukas daar zegt, moet zo verstaan worden dat het gebeurd is nadat Paulus drie jaar in Arabië geweest was en van daar weer in Damaskus was gekomen. Want Lukas maakt daar geen gewag van de reis van Paulus naar Arabië, zoals hij ook veel andere daden en reizen van Paulus weglaat die Paulus zelf vertelt in 2 Kor. 11 en 12.
voor mij apostelen
Namelijk iemand van de twaalven, die lang vóór mij tot het apostelschap waren beroepen.
Hertaald:
voor mij apostelen
Namelijk iemand van de twaalf, die lang vóór mij tot het apostelschap geroepen waren.
Arabië
Een landschap, gelegen ten zuiden van het Joodse land, waarin de berg Sinai was, Gal. 4:25, tussen de Rode Zee en de inham van Perzië.
Hertaald:
Arabië
Een gebied ten zuiden van het Joodse land, waarin de berg Sinaï lag, Gal. 4:25, tussen de Rode Zee en de Perzische Golf.
Damaskus
Van deze stad zie de aantekeningen Hand. 9:2.
Hertaald:
Damaskus
Over deze stad zie de aantekeningen bij Hand. 9:2.
na drie jaren
Namelijk die ik zo in Arabië, als te Damaskus geweest was.
Hertaald:
na drie jaren
Namelijk de drie jaren die ik zowel in Arabië als in Damaskus geweest was.
te bezoeken,
Het Griekse woord betekent iemand te gaan zien of bezoeken, om hem te horen, en met hem te spreken en te handelen.
Hertaald:
te bezoeken,
Het Griekse woord betekent iemand gaan bekijken of bezoeken om hem te horen en met hem te spreken en te overleggen.
Jakobus,
Daar zijn er twee geweest onder de apostelen van dezen naam. Zie van beiden Matt. 10:2-3; Hand. 12:2, Hand. 12:17 en van dezen Hand. 12:17 en Hand. 15:13.
Hertaald:
Jakobus,
Er zijn onder de apostelen twee mannen met deze naam geweest. Zie over hen beiden Matth. 10:2-3; Hand. 12:2, Hand. 12:17, en over deze Jakobus Hand. 12:17 en Hand. 15:13.
den broeder
Dat is, neef, een Hebreeuwse wijze van spreken. Zie Gen. 14:14; Matt. 12:46-47; 1 Kor. 9:5; van dezen zie Matt. 10:3, Marc. 15:40.
Hertaald:
den broeder
Dat is: bloedverwant; dit is een Hebreeuwse manier van spreken. Zie Gen. 14:14; Matth. 12:46-47; 1 Kor. 9:5; over deze persoon zie Matth. 10:3, Mark. 15:40.
Hetgeen nu
Namelijk aangaande dat ik het Evangelie van Christus zelf heb ontvangen, zonder enige beroeping of onderwijzing van mensen.
Hertaald:
Hetgeen nu
Namelijk wat ik gezegd heb over het feit dat ik het Evangelie van Christus Zelf ontvangen heb, zonder enige roeping of onderwijzing van mensen.
voor God,
Eene wijze van eedzweren, met welke de apostel nodig geacht heeft dit te bevestigen, om de gewichtigheid der zaak. Zie Rom. 9:1.
Hertaald:
voor God,
Dit is een vorm van eedzwering, die de apostel nodig vond om dit te bevestigen, vanwege het gewicht van de zaak. Zie Rom. 9:1.
Syrië en van Cilicië
Deze zijn landschappen, gelegen in Azië. Zie van dezelve Matt. 4:24; Hand. 15:23, Hand. 15:41, en Hand. 27:5.
Hertaald:
Syrië en van Cilicië
Dit zijn gebieden in Azië. Zie daarover Matth. 4:24; Hand. 15:23, Hand. 15:41 en Hand. 27:5.
in Judéa,
Namelijk al zou ik, volgens mijne beroeping, het Evangelie prediken niet onder de Joden aldaar, maar onder de heidenen. Zie vs.16.
Hertaald:
in Judéa,
Namelijk omdat ik volgens mijn roeping het Evangelie niet onder de Joden daar, maar onder de heidenen moest prediken. Zie vers 16.
die in Christus
Dat is, die de Christelijke leer hebben aangenomen en belijden.
Hertaald:
die in Christus
Dat is: die de christelijke leer hebben aangenomen en belijden.
Degene, die
Namelijk Paulus. Dit zijn de woorden der voorzegde gemeenten, die Paulus herhaalt.
Hertaald:
Degene, die
Namelijk Paulus. Dit zijn de woorden van de genoemde gemeenten, die Paulus herhaalt.
ons eertijds vervolgde,
Namelijk Christenen.
Hertaald:
ons eertijds vervolgde,
Namelijk de christenen.
het geloof,
Dat is, de leer van het Evangelie, die men ter zaligheid moet geloven. Zie dergelijke wijze van spreken 1 Tim. 1:19, vergelijk met 2 Tim. 2:18.
Hertaald:
het geloof,
Dat is: de leer van het Evangelie, die men tot zaligheid moet geloven. Zie een dergelijke manier van spreken in 1 Tim. 1:19, vergeleken met 2 Tim. 2:18.
verwoestte
Zie vs.13.
Hertaald:
verwoestte
Zie vers 13.
in mij
Grieks om mijnentwil; dat is, om de genade, die mij God gedaan heeft.
Hertaald:
in mij
Grieks: om mijnentwil; dat is: om de genade die God mij bewezen heeft. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Ligging: Een landstreek in het binnenland van Klein-Azië; als Romeinse provincie omvatte zij ook Zuid-Galatië, met de reeds bestaande steden Antiochië in Pisidië, Ikonium, Lystre en Derbe. Geschiedenis: Paulus stichtte hier gemeenten tijdens zijn eerste en tweede zendingsreis (vgl. de reeds bestaande steden Antiochië in Pisidië, Ikonium, Lystre en Derbe) en richtte later zijn brief "aan de Gemeenten van Galátíe" (Gal. 1:2), verwonderd dat zij zich zo snel van het zuivere Evangelie afkeerden tot een ander evangelie, onder invloed van Judaïserende dwaalleraars die de besnijdenis als noodzakelijk voor de zaligheid predikten. Bijbelse betekenis: De brief aan de Galaten is de klassieke, vurige verdediging van de Schrift tegen elke leer die de rechtvaardiging door het geloof alleen, zonder de werken der wet, wil aanvullen of ondermijnen — "een weinig zuurdesem verzuurt het gehele deeg" (Gal. 5:9) blijft een tijdloze waarschuwing tegen elke vermenging van genade en eigen werk. Recente inzichten: Het binnenland van centraal Turkije, rondom het huidige Ankara. Hand. 16:6; 18:23; Gal. 1:1-2; 1 Petr. 1:1 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De Engel des HEEREN niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe In Galatië wordt gezegd dat Paulus zijn boodschap uit de tweede hand heeft en haar bijgeschaafd heeft om mensen te behagen. Hij verdedigt zich niet met getuigen maar met zijn eigen geschiedenis. Hij zegt waar zijn Evangelie vandaan komt, en het antwoord is geen leerschool maar een openbaring. **De stelling.** “Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, hetwelk van mij verkondigd is, niet is naar den mens. Want ik heb ook hetzelve niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus.” Niet ontvangen, niet geleerd. Twee manieren waarop kennis normaal binnenkomt, en hij sluit ze allebei uit. **Waarom hij dat kan zeggen.** Hij herinnert aan wat hij was: hij vervolgde de gemeente Gods uitnemend zeer en verwoestte haar, en hij nam in het Jodendom toe boven velen van zijn leeftijd. Dat is geen man die langzaam overtuigd raakte. Wie hem kende, wist dat er iets van buiten gebeurd moest zijn. **De zin waar deze post om draait.** “Maar wanneer het Gode behaagd heeft, Die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijn genade.” En dan het doel: “Zijn Zoon in mij te openbaren.” Drie dingen staan daar achter elkaar: afgezonderd van vóór zijn geboorte, geroepen door genade, en toen pas de openbaring. De kanttekening legt dat afzonderen uit als Gods voornemen: hem uit de hoop van de mensen afzonderen en te zijner tijd tot apostel roepen. Zij wijst daarbij op Jeremia, die hetzelfde over zichzelf hoorde. **Wat er bijzonder aan is.** Er staat niet: aan mij, maar **in mij**. Bij Damascus was er een licht en een stem — dat gebeurde aan hem, en de reisgenoten stonden erbij. Wat hij hier beschrijft gaat een stap verder: Christus werd hem van binnen bekendgemaakt. Zo staat dit in de lijn van de verschijningen op een eigen plaats. Mozes zag een struik die brandde. Jesaja zag zomen die de tempel vulden. Johannes viel als dood aan Zijn voeten. Hier is er niets te zien voor een omstander, en toch is het van dezelfde orde. **Waartoe het diende.** Er staat een doel bij, en dat is niet zijn eigen rust: “Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Denzelven door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen.” En dan het gevolg, in één droge zin: zo ben ik terstond niet te rade gegaan met vlees en bloed. In het Nieuwe Testament: Handelingen 9:3-5; Jeremia 1:5; Jesaja 49:1; 2 Korintiers 4:6; Handelingen 26:16; Efeziers 3:3 Hoever dit reikt: De kanttekening verklaart het afgezonderd zijn van moeders lijf aan als Gods voornemen, en wijst op Jeremia 1. Hoe deze openbaring zich verhoudt tot wat er op de weg naar Damascus gebeurde, wordt hier niet uitgewerkt; Paulus noemt beide elders als één geheel.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Wat ik u schrijf, zie, ik getuig voor God dat ik niet lieg. Galaten 1:20 Nu zal ik je een ander verhaal vertellen over twee mannen die vrienden… Zo ben ik terstond niet te rade gegaan met vlees en bloed. Gal. 1:16 De bekering van Paulus is een merkwaardig bewijs van de waarheid van het Christendom. De… Die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar de wil van onze God en Vader. Galaten 1:4 Er is… Genade zij u en vrede van God de Vader, en onze Heere Jezus Christus; Die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze… Ik verwonder mij, dat gij zo haast wijkende van dengene, die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander Evangelie; Daar er geen ander… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Galaten 1
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Zijn Zoon in mij te openbaren — 1:11-16
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Wat wij ECHT geloven
Gal. 1:16 - Niet te rade gaan met vlees en bloed
De prikkel verloren
Door Zijn kracht de zonden weerstaan
De ware God


Galaten 1
Galaten 1:1
KruisverwijzingenGalaten 1:11→Handelingen 9:15→Handelingen 22:10→Hebreeën 13:20→Handelingen 9:6→Handelingen 22:14→Romeinen 10:9→2 Korinthe 1:1→— Paulus, een apostel,, geroepen niet van mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God den Vader, Die Hem uit de doden opgewekt heeft),
Paulus begint deze brief met het vermelden van zijn ambt als apostel. In Galatië had hij het grote verdriet ondervonden dat zijn apostelschap in twijfel werd getrokken. Geeft hij daarom zijn aanspraak op dat ambt op, en trekt hij zich terug van het werk? Geen ogenblik; hij begint zijn brief aan de Galaten juist met de verklaring zichzelf te zijn “geroepen niet van mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus.” Zijn tegenstanders hadden gezegd: Paulus is nooit een van de twaalf apostelen van de Zaligmaker geweest; hij is niet zoals zij die door Christus Zelf zijn opgeleid. Hij heeft ongetwijfeld zijn leer van hen overgenomen, en is niet meer dan een wederverkoper van andermans waar. Nee, zegt Paulus, ik ben net zo waarlijk apostel als enig ander van de twaalf: “geroepen niet van mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God den Vader, Die Hem uit de doden opgewekt heeft.”
Galaten 1:2
KruisverwijzingenFilippenzen 4:21→1 Korinthe 16:1→Handelingen 18:23→Handelingen 15:41→Filippenzen 2:22→Handelingen 9:31→Handelingen 16:5→— En al de broeders, die met mij zijn, aan de Gemeenten van Galatie:
Paulus hield er altijd van anderen bij zich te betrekken in zijn christelijke dienst. Hij was niet iemand die op zijn eigen hoge paard wilde zitten en zich afzijdig wilde houden van zijn broeders in Christus. Hij noemt vaak de oprechte mannen die met hem waren, ook al waren zij in gaven en genade verre zijn mindere. Vaak voegt hij zulke mannen als Timotheüs en Silvanus bij zichzelf, en hier voegt hij toe: “al de broeders, die met mij zijn, aan de Gemeenten van Galatië.”
Galaten 1:3
Kruisverwijzingen2 Thessalonicenzen 1:2→1 Korinthe 1:3→2 Korinthe 13:14→Romeinen 1:7→2 Johannes 1:3→Filippenzen 1:2→Kolossenzen 1:2→Efeze 1:2→— Genade zij u en vrede van God den Vader, en onzen Heere Jezus Christus;
Het is eigen aan het Evangelie anderen het goede toe te wensen. Daarom begint Paulus de eigenlijke brief met een zegenbede: “genade zij u en vrede.” Geliefde vrienden, mag u allen een volheid van deze twee goede dingen hebben! Genade komt terecht eerst, en vrede daarna. Vrede vóór genade zou gevaarlijk zijn, ja verderfelijk. Maar moge u altijd genoeg genade hebben om u te leiden tot een diepe en blijde vrede! Deze twee dingen horen heerlijk bij elkaar — genade en vrede — en het is de beste genade en de beste vrede, aangezien zij komen “van God den Vader, en onzen Heere Jezus Christus.”
Galaten 1:4-5
KruisverwijzingenMattheüs 20:28→Galaten 2:20→Romeinen 12:2→2 Korinthe 4:4→Efeze 2:2→Romeinen 4:25→Filippenzen 4:20→1 Thessalonicenzen 3:13→— Die Zichzelven gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar den wil van onzen God en Vader; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
Hier is de leer van de verzoening, die Paulus altijd zo snel mogelijk in zijn prediking en zijn schrijven inbrengt: “Die Zichzelven gegeven heeft voor onze zonden.” Luther zegt het treffend: Christus heeft Zich nooit gegeven voor onze gerechtigheid. Hij heeft Zich gegeven voor onze zonden, omdat er geen andere weg was om ons te redden dan door een offer voor de zonde. Het plaatsvervangend karakter van Christus’ dood moet altijd worden opgemerkt. Onze Heere Jezus Christus doet Zelf onze zonde weg, opdat wij daaruit zouden opstaan en een rein en heilig volk zouden worden. Zo worden wij verlost uit deze tegenwoordige boze wereld, en gebracht tot gehoorzaamheid aan de wil van God.
Galaten 1:6
Kruisverwijzingen2 Korinthe 11:4→Galaten 5:7→Psalmen 106:13→Jesaja 29:13→Romeinen 10:3→Galaten 5:4→Johannes 9:30→1 Korinthe 4:15→— Ik verwonder mij, dat gij zo haast wijkende van dengene, die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander Evangelie;
De Galaten waren een zeer wispelturig volk. Sommigen hebben gezegd dat zij een kolonie waren uit Gallië, en dat zij iets deelden van de wispelturigheid die aan het karakter van de Galliërs wordt toegeschreven. Ik weet niet hoe waar dat is. Maar zeker is dat zij al zeer snel van het Evangelie schenen af te wijken, het te vervalsen, en te vervallen tot ritualisme en tot sacramentsverering. Zij vervielen tot zaligheid door werken, en tot al de dwalingen waarin mensen gewoonlijk vallen wanneer zij van het Evangelie afwijken.
Galaten 1:7
KruisverwijzingenHandelingen 15:24→Galaten 5:10→2 Korinthe 11:13→Galaten 5:12→2 Korinthe 2:17→Romeinen 16:17→Handelingen 15:1→Openbaring 20:3→— Daar er geen ander is; maar er zijn sommigen, die u ontroeren, en het Evangelie van Christus willen verkeren.
“Een ander Evangelie”, terwijl er geen ander is; want er zijn niet twee Evangeliën, evenmin als er twee Goden zijn. Er is maar één boodschap van God, van goed nieuws voor de mensen. Keert u zich daarvan af, dan keert u zich tot een leugen, tot iets dat u moeite zal brengen, dat u zal verkeren, en dat u zal doen afdwalen.
Galaten 1:8
Kruisverwijzingen1 Korinthe 16:22→2 Korinthe 11:13→Romeinen 9:3→Openbaring 22:18→Mattheüs 25:41→Galaten 1:9→2 Petrus 2:14→1 Timotheüs 1:19→— Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.
Paulus is geen dweper, geen ijlende geestdrijver; toch kan hij de gedachte aan een vals evangelie niet verdragen. In zijn plechtige vervloeking sluit hij zichzelf in, en al de broeders met hem, ja zelfs de engelen van God, indien zij een ander evangelie zouden verkondigen. Laat hem vervloekt zijn, zegt hij, en zo is het.
Galaten 1:9
KruisverwijzingenOpenbaring 22:18→Spreuken 30:6→Romeinen 16:17→Deuteronomium 4:2→Deuteronomium 12:32→2 Korinthe 1:17→2 Korinthe 13:1→Filippenzen 3:1→— Gelijk wij te voren gezegd hebben, zo zeg ik ook nu wederom: Indien u iemand een Evangelie verkondigt, buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt.
De hedendaagse manier van spreken zou zijn: laten wij ons met hem verbroederen; hij is een man van oorspronkelijke gedachten. U zou toch niet alle mensen willen binden aan één manier van spreken? Misschien, heeft hij al fouten gemaakt, brengt u hem nog tot uw denkwijze door hem vriendelijk in uw gemeenschap op te nemen. Nee, zegt Paulus: “gelijk wij te voren gezegd hebben, zo zeg ik ook nu wederom: Indien u iemand een Evangelie verkondigt, buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt.”
Galaten 1:10
Kruisverwijzingen1 Thessalonicenzen 2:4→Handelingen 5:29→Jakobus 4:4→Efeze 6:6→Romeinen 2:29→2 Korinthe 5:9→Handelingen 4:19→Mattheüs 22:16→— Want predik ik nu de mensen, of God? Of zoek ik mensen te behagen? Want indien ik nog mensen behaagde, zo ware ik geen dienstknecht van Christus.
Hij zou geen dienstknecht van Christus zijn, als hij mensen behaagde. Wie wij trachten te behagen, zijn onze meesters. Tracht iemand het gewone volk te behagen, of de verfijnde enkeling, dan zijn dat zijn meesters, en zal hij hun slaaf zijn. Maar tracht hij zijn God te behagen, dan is hij werkelijk een vrij mens.
Galaten 1:11-17
KruisverwijzingenMattheüs 16:17→Handelingen 8:3→Jesaja 49:5→Jesaja 49:1→Jeremia 1:5→Handelingen 26:4→Handelingen 9:21→Handelingen 9:15→— Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, hetwelk van mij verkondigd is, niet is naar den mens. Want ik heb ook hetzelve niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus. Want gij hebt mijn omgang gehoord, die eertijds in het Jodendom was, dat ik uitnemend zeer de Gemeente Gods vervolgde, en dezelve verwoestte; En dat ik in het Jodendom toenam boven velen van mijn ouderdom in mijn geslacht, zijnde overvloedig ijverig voor mijn vaderlijke inzettingen. Maar wanneer het Gode behaagd heeft, Die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijn genade, Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Denzelven door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik terstond niet te rade gegaan met vlees en bloed; En ben niet wederom gegaan naar Jeruzalem, tot degenen, die voor mij apostelen waren; maar ik ging henen naar Arabie, en keerde wederom naar Damaskus.
Paulus verlangde er vurig naar dat de christenen van Galatië zouden begrijpen dat hij geen loutere naprater van andermans leerstellingen was. Wat hij leerde was hem rechtstreeks door God geopenbaard, op bovennatuurlijke wijze. Zij wisten dat hij een zeer vastberaden tegenstander van het Evangelie was geweest. Sterker nog, hij was een man van zo’n grote vastberadenheid dat hij alles wat hij deed met heel zijn kracht deed. Zodra God hem dus Christus geopenbaard had, zodat hij wist dat Jezus de Messias was, zocht hij ernstig nog meer van de waarheid te leren. Dat deed hij niet door naar de apostelen te Jeruzalem te gaan om van hen te lenen, maar door zich alleen terug te trekken in de woeste streken van Arabië. Daar leerde hij, door overdenking van het Woord en door gemeenschap met God, nog meer aangaande de goddelijke verborgenheden.
Paulus voorzag wat over hem gezegd zou worden in latere eeuwen. En waarlijk, tot op de dag van vandaag wordt de felste aanval op het christendom altijd gericht op de leer van de apostel Paulus. De mensen die ongemerkt onder ons binnensluipen, spreken vlot over hun grote eerbied voor Christus, maar geen enkele voor Paulus. Toch is Paulus de apostel van Christus. Paulus spreekt alleen wat hem persoonlijk door de Heere Zelf geopenbaard is, en hij moet in alles aanvaard worden als sprekend door goddelijke openbaring.
Galaten 1:13-14
KruisverwijzingenHandelingen 8:3→Handelingen 26:4→Handelingen 9:21→Handelingen 22:3→1 Timotheüs 1:13→Filippenzen 3:6→Handelingen 26:9→1 Korinthe 15:9→— Want gij hebt mijn omgang gehoord, die eertijds in het Jodendom was, dat ik uitnemend zeer de Gemeente Gods vervolgde, en dezelve verwoestte; En dat ik in het Jodendom toenam boven velen van mijn ouderdom in mijn geslacht, zijnde overvloedig ijverig voor mijn vaderlijke inzettingen.
Hij was een Jood door en door. Hij nam nooit iets op zonder het grondig door te zetten; zo geloofde hij, terwijl hij het Jodendom aanhing, het ook werkelijk. Hij was geen huichelaar, geen veinzer, en streed er dus voor met hand en tand. Deze man was het die later het christendom predikte dat hij van Christus ontvangen had. Kennelijk had hij het niet van zijn ouders overgenomen, want die hadden hem heel anders geleerd. Zijn godsdienst was niet de vrucht van zijn opvoeding, maar kwam tot hem van God. En dat tot hem, die de meest onwaarschijnlijke persoon in het hele land leek om die ooit te ontvangen.
Galaten 1:15-16
KruisverwijzingenMattheüs 16:17→Jesaja 49:5→Jesaja 49:1→Jeremia 1:5→Handelingen 9:15→Romeinen 1:1→Handelingen 13:2→Romeinen 8:30→— Maar wanneer het Gode behaagd heeft, Die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijn genade, Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Denzelven door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik terstond niet te rade gegaan met vlees en bloed;
Hij voelde zich goddelijk geroepen het Evangelie te prediken. Christus openbaarde Zich aan hem op de weg naar Damaskus. Zodra hij bekeerd was, wachtte hij niet totdat iemand hem zou ordenen of verder zou onderwijzen, maar hij zegt: “zo ben ik terstond niet te rade gegaan met vlees en bloed.”
Galaten 1:17
Kruisverwijzingen2 Korinthe 11:32→Handelingen 9:20→Galaten 1:18→— En ben niet wederom gegaan naar Jeruzalem, tot degenen, die voor mij apostelen waren; maar ik ging henen naar Arabie, en keerde wederom naar Damaskus.
Wat hij daar deed, weten wij niet; maar waarschijnlijk had hij daar een tijd van stille overdenking en gebed, geheel alleen: “ik ging henen naar Arabië.” Het beste wat wij soms kunnen doen, is ons terugtrekken van de stemmen van mensen, en alleen naar de stem van God te luisteren. Vervolgens keerde hij terug naar Damaskus om te getuigen van Christus juist in de stad waar hij eerst heen gegaan was om de heiligen te vervolgen.
Galaten 1:18
KruisverwijzingenHandelingen 9:22→Handelingen 9:26→Handelingen 22:17→— Daarna kwam ik na drie jaren weder te Jeruzalem om Petrus te bezoeken, en ik bleef bij hem vijftien dagen.
Dat wil zeggen “na drie jaren”, wat laat zien dat hij daar niet heen ging om enige opdracht van Petrus te ontvangen. Hij had al drie jaar voor zijn Heere en Meester gewerkt voordat hij ooit het aangezicht van een apostel zag.
Galaten 1:19
KruisverwijzingenMattheüs 13:55→Mattheüs 12:46→Markus 6:3→1 Korinthe 9:5→Jakobus 1:1→Handelingen 1:13→Mattheüs 10:3→Lukas 6:15→— En zag geen ander van de apostelen, dan Jakobus, den broeder des Heeren.
Hij had een ontmoeting met de apostel Jakobus. Deze was waarschijnlijk de voornaamste voorganger van de gemeente te Jeruzalem, dus ging Paulus naar hem toe en had een gesprek met hem.
Galaten 1:20
KruisverwijzingenRomeinen 9:1→2 Korinthe 11:31→2 Korinthe 11:10→— Hetgeen nu ik u schrijf, ziet, ik getuig voor God, dat ik niet lieg!
Ik heb mijn kennis van Christus van geen van deze heilige mannen ontvangen, en ben dus geen naprater van enige andere apostel. Ik ben door Christus Zelf uitgezonden, en door Hem onderwezen door openbaring, zodat ik net zo goed een apostel van Christus ben als enige van hen.
Galaten 1:21-22
Kruisverwijzingen1 Thessalonicenzen 2:14→Handelingen 9:30→Handelingen 6:9→Handelingen 11:25→Handelingen 15:23→Handelingen 15:41→Handelingen 13:1→Romeinen 16:7→— Daarna ben ik gekomen in de gewesten van Syrie en van Cilicie. En ik was van aangezicht onbekend aan de Gemeenten in Judea, die in Christus zijn.
Zij kenden hem niet; het is duidelijk dat hij daar niet geweest was om door hen onderwezen te worden, want anders zouden zij hun beroemde leerling herkend hebben.
Galaten 1:23-24
KruisverwijzingenHandelingen 11:18→2 Korinthe 9:13→Handelingen 9:26→Handelingen 9:20→Handelingen 9:13→1 Korinthe 15:8→Handelingen 6:7→1 Timotheüs 1:13→— Maar zij hadden alleenlijk gehoord, dat men zeide: Degene, die ons eertijds vervolgde, verkondigt nu het geloof, hetwelk hij eertijds verwoestte. En zij verheerlijkten God in mij.
Broeders en zusters, mogen ook u en ik zo leven, dat christenmensen God in ons verheerlijken! Mogen zij zich vaak verwonderen over de machtige genade die zo’n verandering in ons heeft bewerkt. En mogen zij, wanneer zij ons ijverig en vurig zien, zich verbazen over de wonderbare genade van God die ons heeft gebracht tot zo’n toewijding aan Christus!
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
A. Dadelijk bij het begin van dit schrijven, dat waarschijnlijk aan het einde van het jaar 54 na Christus uit Efeze aan de gemeenten in Galatië gericht is, spreekt zich de diepe gemoedsbeweging van de apostel uit en wel zowel in de eerste als in de tweede helft van de inleiding.
I. Vs. 1-5.KruisverwijzingenMattheüs 20:28→Galaten 2:20→Romeinen 12:2→2 Korinthe 4:4→Efeze 2:2→Galaten 1:11→Filippenzen 4:21→1 Korinthe 16:1→
— Paulus, een apostel,, geroepen niet van mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God den Vader, Die Hem uit de doden opgewekt heeft), En al de broeders, die met mij zijn, aan de Gemeenten van Galatie: Genade zij u en vrede van God den Vader, en onzen Heere Jezus Christus; Die Zichzelven gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar den wil van onzen God en Vader; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
Zoals gewoonlijk in de Paulinische brieven vinden wij eerst aanspraak en groet van de apostel, maar het verschilt hier in zo verre van anders, als eensdeels aan de kant van de schrijver zeer nadrukkelijk diens goddelijke roeping tot het apostelschap op de voorgrond wordt gesteld, aan de andere kant voor de lezers elk eervol predikaat wordt weggelaten, daarentegen aan de groet wordt toegevoegd een wijzen op de betekenis van Christus’ verlossingsdood en een loven van God de Vader. Wij zien reeds hier, hoe het bij de Galaten stond, dat namelijk deels de erkenning van de volle zelfstandigheid van de apostolische waarde van Paulus aan het wankelen was gebracht, deels door overhelling tot de Joodse wet de volkomen voldoening van Christus’ verlossingsdood betwijfeld werd. Tegen deze volkomen voldoening bezwaren te willen verheffen, omdat men zich verplicht achtte voor de wet te ijveren, zou, zo geeft Paulus te kennen, niet slechts een vernedering zijn van Christus, maar ook een schenden van de eer, die aan God de Vader om Zijn van eeuwigheid genomen raadsbesluit tot zaligheid toekomt (Efeze 1: 3 vv.).
Ik Paulus, een apostel, geroepen niet door mensen, noch door een mens Hand. 18: 23, maar, evenals de twaalf (Luk. 6: 13 vv.), a) door Jezus Christus als Middelaar (Rom. 1: 15) en God de Vader, als hoogste oorzaak, die Hem, Jezus Christus, uit de doden opgewekt heeft en daarmee gesteld heeft tot erfgenaam over alles (Hebr. 1: 2).
Tit. 1: 3.
Paulus noemt zich hier, evenals in de aanspraken van verscheidene andere brieven, apostel in de hoogste zin, zichzelf met de twaalf apostelen, die door de Heere onmiddellijk waren geroepen en door Hemzelf reeds aldus waren genoemd (Luk. 6: 13) geheel gelijkstellend (vgl. vs. 17 en Hoofdstuk 2: 8). Juist daarom wordt in alle aanspraken, wanneer ook helpers van de apostel worden genoemd als die ook de brief schreven (1 Kor. 1: 1. 2 Kor. 1: 1. Kol. 1: 1) het predikaat “apostelen” toch alleen over Paulus gezegd. Verbindt hij zich met een aanzienlijke helper, zoals Timotheus, dan zegt hij niet “apostelen”, maar “dienstknechten van Jezus Christus” (Fil. 1: 1). Anders dan in andere aanspraken van zijn brieven, waarin hij zijn apostolaat alleen noemt als komend van God en Christus, beschrijft hij in de aanspraak van onze brief het ontstaan van zijn apostolaat dadelijk met het oog op de aanvallen van zijn tegenstanders daartegen (vs. 11 vv.). Hij doet dat eerst negatief, als “niet door mensen noch door een mens” en dan positief als “door Jezus Christus en God de Vader.”
Het onderscheid tussen “door mensen” en “door een mens” bestaat daarin, dat het eerste te kennen geeft, waarvan een zaak uitgaat, of de meer verwijderde hoogste oorzaak, het tweede dat wat haar bewerkt, of de meer nabij zijnde, de onmiddellijke oorzaak. In het tweede lid staat het enkelvoud, dat waarschijnlijk daarom plaats heeft, omdat het onmiddellijk daarop volgende en daaraan tegengestelde “door Jezus Christus” een singularis heeft. Paulus zegt dus, dat hij een apostel was noch door mensen, want dan zou hem de goddelijke zending ontbreken, noch door menselijk bemiddeling, want dan zou hij, hoewel door God gezonden, op gelijke lijn met een Timotheus en alle arbeiders van het Evangelie staan, die door mensen in hun bediening gesteld waren en niet op gelijke lijn met de twaalf apostelen, die door de Heere persoonlijk waren geroepen.
Hoewel nu het “door” in de eerste plaats de werkende oorzaak uitdrukt, is die betekenis toch niet zo de enige, dat Paulus “God de Vader” niet met “door” zou hebben kunnen verbinden. Was hij echter alleen streng gebleven bij het grammatische parallellisme, dan had hij moeten zeggen: “maar door Jezus Christus en door God de Vader; ” hij zegt echter ook elders (Efeze. 1: 1) van de oorsprong van het apostolaat “door de wil van God.”
Het is van belang dat hier (als ook in vs. 12) niet alleen God, maar ook Christus genoemd wordt als tegenstelling tegen elke menselijke bemiddeling, omdat deze toch anders zo bepaald bij Paulus in Zijn menselijke natuur wordt voorgesteld (Rom. 5: 15. 1 Kor. 15: 21, 47). In zo’n tegenstelling tot alle mensen kan Christus bij de apostel slechts als de Verheerlijkte optreden, omdat Hij nu door de opstanding bewezen is, Gods Zoon te zijn (Rom. 1: 4) en de Heere is geworden, door wie de gelovigen reeds alles is teweeggebracht (1 Kor. 8: 6). Boven de tegenwoordige mensheid is Hij, als eersteling van de opstanding voor de toekomstige wereldorde (1 Kor. 15: 23), als de Heer, die boven de aarde geplaatst is, volkomen boven de gemeente verheven. Deze is de reden, dat Paulus juist hier spreekt van de opwekking van Christus door God de Vader.
En al de broeders, die hier te Efeze, als mijn medearbeiders (Fil. 4: 21) met mij zijn, aan de gemeenten van Galatië (vgl. bij Hand. 16: 8 en 18: 23:
Paulus voegt bij zijn naam de woorden: “en al de broeders, die met mij zijn. ” Zo moesten de lezers weten, dat alle broeders, die op dat ogenblik de omgeving van de apostel uitmaakten, ook deel hadden aan de inhoud van de brief, maar alleen op zo’n manier, als dit bij een brief het geval kon zijn, waarin hij zich doorgaans als deze Paulus in de eerste persoon singularis tegenover de lezers stelt; zij moesten weten, dat hij allen, die hem omgaven, in kennis gesteld had met hetgeen de brief in het algemeen en bijzonder ook over zijn eigen persoon en de geschiedenis van zijn apostelschap bevatte en dat deze voor hun deel uitdrukkelijk daarmee instemden en ook die uitwerking ervan wensten, die hij daarmee op het oog had. (V.).
Misschien wil Paulus ook door het “al”, dat hij op niet gewone manier hier uitdrukkelijk zegt, de mening, zoals het schijnt, door zijn tegenstanders verbreid, alsof degenen, die bij hem waren, niet overeenstemden met de leer in zijn brieven verkondigd, weerleggen. Men had toch volgens Hoofdstuk 5: 11 de mening verbreid, dat ook Paulus zelf nog op de besnijdenis drukte, waarschijnlijk omdat hij Timotheus had laten besnijden (Hand. 16: 3). Nu behoorde deze zeker tot de omgeving van de apostel te Efeze (Hand. 19: 22) en van hem als een later besnedene, kon men met een zekere schijn van waarheid een niet overeenstemmen met de leer van de brief beweren.
De pluralis “aan de gemeenten van Galatië” wijst aan, dat de brief als een rondgaande moet worden gedacht, die aan de verschillende gemeenten, welke waarschijnlijk in de grotere steden van Galatië waren ontstaan, gericht was. Het ontbreken van alle eervolle namen en woorden moet worden toegeschreven aan de ontevredenheid, die Paulus tegen de gemeenten van Galatië gevoelde.
Ook vervolgens onthoudt hij zich van alle schone betuigingen over de Christelijke staat van de lezers, die elders door hem worden gebruikt; hij begint zelfs in vs. 6 dadelijk met een berisping. In geen andere brief, ook niet in de beide vroegst geschrevene (1 Thessalonicenzen. 1: 1. 2 Thessalonicenzen. 1: 1 heeft hij de aanspraak zo naakt en zonder een enkel woord van erkenning te laten volgen, gesteld als hier.
Hoewel nu Paulus aan de Christeen in Galatië geen bijzondere eretitel geeft, verwaardigt hij ze toch nog gemeenten te heten. Grote dogmatische en ethische gebreken van een gemeente geven dus nog geen juist haar dat predikaat te weigeren, of niet meer toe te kennen.
Er blijft nog in een menigte een Christelijke kerk, hoewel ook grote dwalingen bestaan, zo lang Gods woord en de heilige sacramenten bediend worden.
a) Genade zij u en vrede van God de Vader en onze (anders gewoonlijk: “van God, onze Vader en de” Rom. 1: 7. 1 Kor. 1: 3. 2 Kor. 1: 2, Efeze. 1: 2. Fil. 1: 2. Kol. 1: 2. 1 Thessalonicenzen. 1: 1. 2 Thessalonicenzen. 1: 2 Filemon 1: 3. vgl. ook 2 Tim. 1: 2. Tit. 1: 4 en 1 Tim. 1: 2, Heere Jezus Christus.
1 Petrus 1: 2.
a) Die (namelijk Jezus Christus), Zichzelf gegeven heeft tot een verzoening voor onze zonden en wel in de dood van het kruis (MATTHEUS. 20: 28. Efeze. 5: 25. 1 Tim. 2: 6. Tit. 2: 14) opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, die door de god van deze wereld (2 Kor. 4: 4) beheerst is, uit hun zondige, ellendige en strafwaardige toestand, waaruit de wet hen niet kon verlossen (Hand. 2: 40. Kol. 2: 14), naar de wil van onze God en Vader (1 Kor. 15: 24. Efeze 1: 3. Fil. 4: 20. 1 Thessalonicenzen. 1: 3; 3: 11 en 13).
Gal. 2: 20. Hebr. 9: 14.
Deze God en Vader (Fil. 4: 20) zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen! (1 Tim. 1: 17. Rom. 11: 36; 16: 27)
In vers 1 raakt Paulus de persoonlijke, hier raakt hij de zakelijke vraag aan, die hij vervolgens behandelt.
Zie hoe hij alle woorden richt tegen de eigengerechtigheid.
De werkzaamheid van de Verlosser stelt Paulus voor als zo een waaraan voor de Galaten dringend behoefte was. Terwijl het “die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden” op de verzoening doelt, heeft het “opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld” betrekking op de verlossing van de verzoenden. Nu moest de Galaten hun nieuwe zonde van wankelmoedigheid en ongeloof door Christus worden vergeven; zij moesten echter ook geheel van de boze wereld worden afgescheiden, door welke invloed zij waren verleid.
De gedachte in Hoofdstuk 2: 21 uitgedrukt, dat als gerechtigheid door de wet wordt teweeg gebracht, Christus voor niets gestorven was, spreekt Paulus reeds hier uit als de hoofdtoon van de brief, voor zo verre deze over de leer handelt. Wij zullen, zo geeft hij nu duidelijk te kennen, op geen andere manier van het treurige heden verlost worden, dan wanneer voor ons de dood van Christus wordt tot verzoening van onze zonden en tot onze verlossing, maar alles wat niet Christus is behoort tot dat treurige heden, ook de wet, als men die iets wil laten zijn naast Hem.
De verlossing berust op een ondoorgrondelijk raadsbesluit van de Vader, wiens barmhartigheid, aan de ene kant doet uitkomen de grootheid van de ellende, waaraan de verlosten zijn ontkomen, aan de andere kant de apostel dringt tot een verheerlijking van God, zoals die nergens anders in het begin van een brief meer voorkomt (Windischmann, een katholiek exegeet; wij verblijden ons van deze juist bij deze brief veel gebruik te kunnen maken).
II. Vs. 6-10.Kruisverwijzingen1 Thessalonicenzen 2:4→Handelingen 5:29→Handelingen 15:24→Jakobus 4:4→2 Korinthe 11:4→Efeze 6:6→Romeinen 2:29→Galaten 5:7→
— Ik verwonder mij, dat gij zo haast wijkende van dengene, die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander Evangelie; Daar er geen ander is; maar er zijn sommigen, die u ontroeren, en het Evangelie van Christus willen verkeren. Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt. Gelijk wij te voren gezegd hebben, zo zeg ik ook nu wederom: Indien u iemand een Evangelie verkondigt, buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt. Want predik ik nu de mensen, of God? Of zoek ik mensen te behagen? Want indien ik nog mensen behaagde, zo ware ik geen dienstknecht van Christus.
Evenals de apostel reeds in de aanspraak en groet zijn ontevredenheid over de Galaten heeft te kennen gegeven en de ware leer tegenover de dwaalleer, waartoe zij zich lieten verleiden, in hoofdzaken kort had vastgesteld, zo laat hij ook nu verder de dankzegging achterwege, die hij anders gewoonlijk uitspreekt, voor de genade en het heil, dat de lezer ten dele geworden is. Hij begint dadelijk met een scherpe berisping over de afval van de Galaten tot de onevangelische stellingen van zekere dwaalleraars, die na hem bij hen zijn ingedrongen en hen zo snel van de echt Christelijke waarheid hebben afgeleid. Nadat hij reeds vroeger ieder, wie hij ook was, die een ander Evangelie bracht dan hetgeen hij hun had bekend gemaakt, onder het anathema had gesteld, legt hij dat nu op die verleiders van de Galaten en rechtvaardigt dit zijn scherp en beslist optreden met zijn roeping als dienaar van Christus; want zodanig een is slechts hij, die de gunst van mensen onvoorwaardelijk achterstelt bij de gunst van God. Hij mag niet spreken of handelen om mensen te behagen; hij moet, al stootte hij daarmee ook de mensen voor het hoofd, met alle scherpte en strengheid oordelen over hen, die het Evangelie veranderen en proberen te vernietigen.
Ik verwonder mij (Mark. 6: 6) dat u, terwijl ik bij mijn tweede verblijf onder u vóór een jaar (Hand. 18: 23 b) u zo ernstig voor afval heb gewaarschuwd, zo haast, zo gemakkelijk, zonder dat de verleiders veel moeite voor hun werk hebben hoeven aan te wenden, wijkend van degene, die u in de genade van Christus geroepen heeft, namelijk van God (Hoofdstuk 5: 8. Rom. 8: 30; 9: 24. 1 Kor. 1: 9), overgebracht wordt tot een ander evangelie, dat u niet heeft aangenomen (2 Kor. 11: 4)
Omdat er geen ander evangelie is; maar er zijn sommigen, die u ontroeren (Hand. 15: 1 en 24) en het evangelie van Christus willen verkeren. Wij moeten toch wat die dwaalleraars onder het uithangbord van een anderevangelie u brengen (Hoofdstuk 5: 4), ontroering van het geweten en verkering van het evangelie van Christus noemen.
De apostel laat hier niet een woord voorafgaan, waarin hij op de voorgrond stelt wat in de lezers te roemen is, zoals in andere brieven, zelfs in die aan de Corinthiërs (in Kor. 1: 3 vv. wordt hij ten minste wegens de laatste persoonlijk ondervonden redding en de gezegende gevolgen, omdat aan voor de Christelijke gemeente verbonden, tot lof van God gedrongen). Hij grijpt dadelijk de zaak zelf aan. Waarschijnlijk schreef bij dadelijk na het ontvangen van de berichten over de afval van de Galaten nog in een opgewekte stemming, die hem niet toeliet om de gewone dankzeggende en vriendelijke woorden neer te schrijven – een smartelijke verontwaardiging (2 Kor. 11: 29), die te rechtvaardigen is, omdat bij de Galaten juist de grond en de hoofdtaak van zijn Evangelie dreigde in te storten.
De reden van Paulus diepe smart ligt aan de een kant in de van te voren vermelde heerlijkheid van de zaligheid, vroeger ook door de Galaten ingezien, die men nu tegen de armoede van de wet wilde verruilen, aan de andere kant in de grote spoed, waarmee de zinsverandering bij het volk was teweeggebracht. Het best verklaart men het “zo haast” van de kortheid van de tijd, waarin het de verleiders gelukt was de gemeente in verwarring te brengen. In de woorden: “dat u zo haast wijkend van degene, die u in de genade van Christus geroepen heeft” is de gehele afval van de Galaten geschilderd. God had ze geroepen in de genade van Christus, zij keerden zich van die genade tot de wet. De dwaalleraars, die hen verleidden, noemden hun prediking over het verbindende van de wet ook met de erenaam “Evangelie” en drukten daarbij erop, dat het van het Paulinische onderscheiden was. Paulus bedient zich nu in het woord “een ander Evangelie” van hun manier van uitdrukking; hij voelt zich echter gedrongen er dadelijk bij te voegen, waarin dan dat zogenaamde andere Evangelie bestond en karakteriseert het met de woorden: “omdat er geen ander is; maar er zijn sommigen, die u ontroeren en het Evangelie van Christus willen verkeren. ” Dit Evangelie, onderscheiden van het door Paulus gepredikte, was daarom niets anders, dan een omkering van het Evangelie van Christus, die door onruststokers was beproefd, terwijl de Paulinische leer alleen het Evangelie is.
Met grote blijdschap hadden de Galaten de blijde boodschap van de apostel aangehoord, dat Christus ook voor hen, de heidenen, was gestorven en opgestaan, dat in Zijn kruisdood een oude wereld was vergaan, in Zijn opstanding een nieuwe tot aan zijn was gekomen – dat de zaligheid niet meer in de wet van Mozes en hun de grenzen van het volk van Israël was gebonden, maar alleen berustte in het geloof in Jezus, de Gekruisigde en Opgestane en alleen in dit geloof en de in Hem verleende Geest, de Geest van Jezus Christus, haar wet en regel en bevestiging had (Hoofdstuk 3: 1; 4: 14 v.). Er waren echter van Jeruzalem zendelingen van de grote Farizese partij in de gemeente, evenals vroeger naar Antiochië (Hand. 15: 1), zo ook tot de Galaten gekomen; deze hadden hun gezegd, dat hun Christendom niet volkomen was als zij de besnijdenis er niet bijvoegden. De belofte van de zaligheid en haar vervulling gold alleen het zaad van Abraham, welks kenteken de besnijdenis was. God kon niet ontrouw worden aan het verbond, dat Hij met Abraham had gesloten; alleen hij, die binnen de wet stond, wier eerste gebod de besnijdenis was, had echt deel aan het rijk van God en de heerlijkheid, die aanstaande was. Alleen in de wet, de enige openbaring van Gods heilige wil, was de beperking, dat hun Christelijk leven niet verviel tot onheiligheid en vleselijkheid. Zonder de wet en het gebonden zijn van de mens aan haar was er alleen een onzedelijke willekeur, zoals het heidendom in zijn zedeloosheid en vleselijke dienst aanwees. Wat echter vooral de doorslag zal hebben gegeven bij de Galaten, die een zeker gezag nodig hadden, dat was de uiteenzetting van de Judaïsten, dat zij een hoger gezag voor zich hadden, dan de Galaten in hem, die hen bekeerd had. Dat waren de eigenlijke apostelen, die te Jeruzalem binnen alle grenzen van de wet leefden en die geenszins hadden opgeheven. Deze moesten als degenen, die met de Messias hadden omgegaan, toch wel het ware Evangelie bezitten, terwijl Paulus, die pas na de dood van de Heere bekeerd was, zijn Evangelie slechts van deze kon hebben ontvangen. Daarom moest hij dan ook slechts als een helper van hen beschouwd worden en zijn werk moest door hen worden aangevuld en verbeterd; hiertoe nu waren zij gekomen. Daarbij, dat de Galaten zich zo snel tot dit vervalst Evangelie gekeerd hadden, moet men denken aan het veranderlijk karakter van de Kelten, zoals dat een Julius Caesar reeds in het oog liep en in zekere mate die natie is bijgebleven, die als de beheerseres van de mode moet beschouwd worden en wier macht, wier aard de verandering is.
a) Maar, wat ook enigen (vs. 7) ten hun gunste mogen zeggen, ik zeg daartegen: al was het ook dat wij, ik zelf of mijn medearbeiders (vs. 2), of zelfs een engel uit de hemel u een evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij, ik en zij, die mij vergezelden, toen wij u tot Christus bekeerden (Hand. 16: 6), u verkondigd hebben, die zij vervloekt, die zij een anathema, die zij in de ban gedaan (1 Kor. 16: 22. Hand. 23: 14).
2 Kor. 11: 14.
Zoals wij van te voren, toen wij de vorige maal Hand. 18: 23 bij u waren, gezegd hebben, zo zeg ik ook nu weer (vgl. Hoofdstuk 5: 3): Als u iemand, wie hij ook zij (en nu doelt mijn woord bepaald op hen, die tot u zijn gekomen als degenen, voor wie ik u toen wilde waarschuwen), een evangelie verkondigt buiten hetgeen u van ons ontvangen heeft, die zij vervloekt, zodat hij zijn oordeel draagt (Hoofdstuk 5: 10. 2 Thessalonicenzen. 1: 9).
Wij mogen afwijkingen van de waarheid van het Evangelie geenszins gering achten – het tegendeel, zoals het woord van de apostel op deze plaats aanwijst. Paulus was volkomen in zijn juist als hij een vloek over de dwaalleraars uitspraak en hen daarmee aan het eeuwig verderf overgaf. Hij had daartoe juist om de misdaad, die zij pleegden door hun dwaalleer en die was tweevoudig: aan de personen, wier geweten zij in onrust brachten en in gevaar leidden, om zich te bedriegen over het heil van hun zielen; en aan de zaak, omdat zij het Evangelie van Christus aanraakten. Zij vergrepen zich aan heilige rechten; daarom was hun handelwijze een doemwaardige. Dat echter zijn verdoemen niet voortkomt uit een gekrenkt zijn, omdat zij zijn leer hadden verworpen, wijst Paulus daardoor duidelijk aan, dat hij zichzelf voor het geval, dat hij anders zou leren, onder de vloek plaatst. Het anathema betreft overigens natuurlijk alleen deze handelwijze van de dwaalleraars. Door dat sterke optreden van de apostel was allerminst de wens uitgesproken, dat zij het verkeerde van hun handelwijze mochten inzien en tot kennis van de waarheid komen. Het was echter hier de plaats niet, om dat uit te spreken. Paulus spreekt zichzelf met volle ernst uit tegenover de dwaalleraars, om de Galaten de ogen te openen en hen los te maken uit de strikken, waarin zij zich hadden laten vangen.
Geen schepsel heeft de macht om iets in het Evangelie te veranderen, of erbij te voegen, van wat voor voorname stand, ambt, ontwikkeling, heiligheid en wonderbare kracht hij ook was; zelfs niet de gehele kerk, noch haar leraars, noch haar conciliën en dergelijke. Heeft het plaats, dan is het onderzoek overbodig, het is verwerpelijk, omdat het nieuw, omdat het iets anders is.
Het bevreemdt u wellicht, dat ik het zo-even gezegde in vs. 9 zonder enige bedenking heb uitgesproken, dat ik over Christelijke broeders, zoals u ze noemt, voor wie het naar uw mening heilige ernst is met de zaak, die zij voorstaan en die voor hun leer zulke belangrijke grondenweten aan te voeren, zo’n zwaar oordeel durf vellen. Hierop kan ik u antwoorden, want a) predik ik nu, sinds ik in de dienst van Christus ben getreden, de mensen, of niet veel meer God? Zoek ik door de manier, waarop ik mijn ambt bedien, mensen voor mij te winnen, of God te verheerlijken? b) Of zoek ik door hetgeen ik schrijf mensen te behagen? Want als ik nog mensen behaagde, zoals dat wel vroeger bij mij het geval was (vs. 14), dan was ik geen dienstknecht van Christus (MATTHEUS. 6: 24. Luk. 6: 26. Joh. 17: 14) en dan zou ik niet zo spreken en handelen dat die “sommigen” in vs. 7 geenszins voor mij ten gunste werden gestemd, maar integendeel tegen mij vertoornd werden.
1 Thessalonicenzen. 2: 4. b) Jak. 4: 4.
Dat Paulus in vs. 9 zijn reeds vroeger uitgesproken oordeel (vs. 8) voor zijn lezers, die voor zijn tegenstanders meer of minder ingenomen waren, zo duidelijk en sterk herhaalt, moest deze treffen. Nu verklaart hij in vs. 10 hun dit daaruit, dat zijn handelwijze nu niet is om mensen te winnen, maar God. Hij zoekt niet mensen te zijn gunste te stemmen, of aan zijn zijde te trekken; in welk geval hij toch zo moest schrijven, als dat de aangenaamste indruk op hen maakte, in plaats van hen met zo’n scherp vonnis te treffen; want hij denkt bij “mensen” zeker aan hen, die hij volgens de mening van de lezers vriendelijker had moeten behandelen, om met hen verzoend te worden. Hij schrijft integendeel als een, die het te doen is om God te winnen. Hij schrijft met opzien tot God, van wie hij begeerde dat Hij de lezers uit hun verzoeking en dat gevaar mocht redden. Door deze wens laat hij zich besturen en hij schrijft daarom, zoals het juist is om God tot hulp te kunnen hebben, zoals dan ook in het algemeen zijn streven niet was om mensen te behagen. Hij was geen dienstknecht van Christus, als de tijd om mensen te behagen, voor hem niet voorbij was.
De vergelijking van onze plaats met 1 Kor. 10: 33 “zoals ik ook in alles allen behaag” leert, hoe behoedzaam, schijnbaar geheel in het algemeen uitgesproken woorden van de apostel, zoals de zo-even genoemde, moeten worden opgevat. Slechts zo lang kan Paulus en zoals hij, ieder waar dienstknecht, ieder in alles behagen, als het slechts eigen wil en voordeel aangaat en het doel van dit streven om mensen te behagen, hun eeuwige zaligheid is (“opdat zij behouden mogen worden. Waar echter het mensenbehagen alleen kan worden verkregen door eeuwige waarheden en de goddelijke wet eraan te geven, daar is van toepassing wat Paulus hier zegt. De ware pastorale wijsheid moet zich bewegen tussen die beide uitspraken, die zeer goed te verenigen zijn.
B. Het eerste apologetische deel van de brief handelt over de eigen persoon van de apostel. In vs. 8 v. had Paulus ieder, die een ander Evangelie predikte, dan hij met zijn medehelpers de Galaten verkondigd had, met een vloek beladen. Nu moest hij aanwijzen, dat juist dit zijn Evangelie hetzelfde was als het Evangelie van Christus. Had hij in vs. 1 zichzelf genoemd een apostel niet door mensen noch door en mens geroepen, maar door Jezus Christus en God de Vader, nu moest hij de waarheid van die getuigenis aanwijzen door mededeling van die voorvallen van zijn leven, waaruit dit onweersprekelijk bleek. Van deze dubbele plicht kwijt hij zich beter in een drievoudige uiteenzetting, die van vs. 11 tot Hoofdstuk 2: 21 voortgaat.
I. Vs. 11-24.KruisverwijzingenMattheüs 16:17→Handelingen 8:3→Jesaja 49:5→Jesaja 49:1→Jeremia 1:5→Romeinen 9:1→Handelingen 26:4→Handelingen 9:21→
— Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, hetwelk van mij verkondigd is, niet is naar den mens. Want ik heb ook hetzelve niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus. Want gij hebt mijn omgang gehoord, die eertijds in het Jodendom was, dat ik uitnemend zeer de Gemeente Gods vervolgde, en dezelve verwoestte; En dat ik in het Jodendom toenam boven velen van mijn ouderdom in mijn geslacht, zijnde overvloedig ijverig voor mijn vaderlijke inzettingen. Maar wanneer het Gode behaagd heeft, Die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijn genade, Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Denzelven door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik terstond niet te rade gegaan met vlees en bloed; En ben niet wederom gegaan naar Jeruzalem, tot degenen, die voor mij apostelen waren; maar ik ging henen naar Arabie, en keerde wederom naar Damaskus. Daarna kwam ik na drie jaren weder te Jeruzalem om Petrus te bezoeken, en ik bleef bij hem vijftien dagen. En zag geen ander van de apostelen, dan Jakobus, den broeder des Heeren. Hetgeen nu ik u schrijf, ziet, ik getuig voor God, dat ik niet lieg!
In deze afdeling wordt gehandeld over de oorsprong van het Paulinische Evangelie als niet van de mens, maar door de openbaring van Jezus Christus zelf de apostel ten doel geworden, die stelling dan ook meteen bovenaan wordt geplaatst (vs. 11 en 12). Vervolgens wijst Paulus op zijn bekende vorige wandel in het Jodendom, waaruit blijkt hoe weinig hij menselijke aanleiding en voorbereiding tot het Evangelie had gehad, integendeel, de sterkste tegenspraak daartegen voor hem was geweest, totdat het God had behaagd Zijn Zoon in hem te openbaren, om hem tot apostel van de heidenen te maken. Hij heeft niet gemeend, die goddelijke openbaring door samenspreken met mensen, zelfs niet met de hoofdapostelen te moeten bevestigen of aanvullen, maar die gedurende een eenzaamheid van drie jaren laten ontwikkelen (vs. 13-17). Pas daarna was hij naar Jeruzalem gekomen om persoonlijk met Petrus kennis te maken. Vijftien dagen was hij bij hem gebleven en van de andere apostelen had hij alleen Jakobus, de broeder van de Heere, gezien (vs. 18-20) Nu was hij in de landstreken van Syrië en Cilicië gegaan zonder aan de Christelijke gemeenten ook maar van aangezicht bekend te zijn geworden. Zij wisten alleen van de bekering van hem, hun vroegere vervolger en hoe hij nu datzelfde Evangelie predikte, dat hij vroeger trachtte te verwoesten en zij prezen God over hem (vs. 21-24).
a) Maar ik maak u, om nu over het hoofdonderwerp van mijn brief nader te spreken (1 Kor. 12: 3. 2 Kor. 8: 1 bekend, broeders, dat het evangelie, dat door mij verkondigd is (Rom. 16: 25) en door mijn tegenstanders zozeer in verdenking bij u is gebracht, niet is naar de mens, niet van menselijke aard en gesteldheid, zodat men juist zou hebben het te bestrijden, of er zich aan te onttrekken; integendeel ik heb toch het anathema in vs. 8 v. uitgesproken tegen allen, dit een ander evangelie willen invoeren.
1 Kor. 15: 1.
Op de diep bewogen uitstorting in vs. 6-10 volgt nu de bedaarde uiteenzetting; vandaar het gewone: “ik maak u bekend” en de aanspraak “broeders”, die tevens aanwijst, dat Paulus, al is het, dat hij de Christenen in Galatië geen bijzondere erenaam aan het begin gaf (vs. 2) zich nog steeds kent als staande met hen in een broederlijk verbond. Daardoor legt hij opnieuw een band, omdat hij ten doel heeft, door hetgeen volgt hen weer van hun dwaling terug te brengen en ze te winnen. Eerst rechtvaardigt hij de voorafgaande berisping door de bepaalde plechtige verzekering, dat zijn leer geen menselijke was; natuurlijk was dat voor de gemeente eigenlijk niet iets nieuws; het was toch altijd stilzwijgende veronderstelling bij de prediking van de apostel geweest, zonder dat het uitdrukkelijk was uitgesproken, daarom maakt hij het hun nu bekend. Nu dat in twijfel was getrokken, moest het bepaald worden uitgesproken.
Nee, niet mensbehagend is het Evangelie van het kruis, niet mensbehagend het Evangelie van de genade van God in Christus, het zoenoffer van onze zondeschuld: niet mensbehagend het Evangelie van de rechtvaardigmaking uit het geloof en niet door de werken van de wet. Paulus maakt het bekend en wij weten, wij ondervinden het. De mensen van de negentiende eeuw zijn in dit opzicht niet anders dan de mensen van de eerste eeuw van onze jaartelling: de mensen in Nederland geen andere dan de mensen in Galatië. Maar weten wij hiervan de reden? Wij kunnen haar weten. Of wat zegt hiertoe ons eigen menselijk hart. “Dit zegt het: Drie dingen o mens! heb ik tegen dit Evangelie: het betwist u uw menselijke vrijheid, het tast u in uw menselijke eer; het verijdelt uw menselijke wijsheid. ” En zo is het. – Het Evangelie, door Paulus verkondigd, betwist u uw menselijke vrijheid. Namelijk, zoals u die verstaat. U bent zeer gesteld op vrijheid van denken. Gedachten zijn vrij. Graag heeft u uw eigen denkbeelden, uw eigenaardige denkwijze, uw persoonlijke mening en vooral in het godsdienstige. Ook behoudt u graag de vrijheid, deze met van de tijd, naar de omstandigheden, – naar bevind van zaken, desnoods overeenkomstig anderer mening, maar altijd naar eigen vrije overtuiging en keuze te wijzigen en te veranderen; de vrijheid met één woord om een Evangelie te hebben op eigen hand, de vrijheid om van het ene Evangelie, wanneer het u minder goed begint te bevallen, tot een ander Evangelie te worden overgebracht. Hoe zou u dan reeds van het begin af kunnen behagen een Evangelie, dat u verkondigd wordt als het enige, dat alle andere buitensluit, omdat er geen ander is, als het Goddelijke, dat voor uw menselijke mening volstrekt geen achting heeft, er niet van weten wil, ze met het hoogste, immers met Goddelijk gezag bestrijdt? Het is echt al te uitsluitend, al te aanmatigend. Nee, u beroept u van dit op een ander Evangelie, dat u meer vrijheid laat. Vrijheid van denken niet slechts, maar ook van doen. Want, ofschoon u ten eerste nog niet weet waarom en eerder het tegendeel zou beweren, dit Evangelie schijnt de strekking te hebben, om zo u het echt slechts aanneemt, u in het doen nog meer te beperken dan zelfs de strengste wet, waarmee toch altijd nog beter te onderhandelen valt dan men in het begin wel gedacht had. De strekking, zei ik, want in de uitgedrukte woorden ligt het niet. Integendeel, deze leggen al het gewicht op het geloof en maken de zaligheid niet afhankelijk van de werken van de wet. Maar u heeft opgemerkt dat Paulus en allen, die het Evangelie van het kruis, het Evangelie van de genade, het Evangelie van de rechtvaardiging uit het geloof verkondigen, veel strenger over de zonde en over haar verschrikkelijke gevolgen in tijd en eeuwigheid oordelen dan anderen, dan uzelf in de eerste plaats. En het ligt u bij, u weet niet hoe, dat er veel wereldvreugd zal moeten worden opgeofferd, wanneer men altijd zo vervult zal moeten wezen van een gekruisigde Zaligmaker. Zo is het. In een gekruisigde Zaligmaker zijn heil te moeten stellen, in Hem alleen; zich te moeten zeggen: “Ik ga verloren, zeker verloren, eeuwig verloren zonder Hem; zich te moeten zeggen: “al mijn deugden en al mijn goede werken, al mijn uitnemendheid boven anderen, al mijn ingetogenheid, al mijn godsdienstigheid, al mijn boetvaardigheid zelfs kunnen mij niet helpen of baten, ik moet steunen en rusten op de gehoorzaamheid van de gekruisigde Christus alleen; zich te moeten zeggen: tenzij ik op deze gekruisigde Christus steun en rust, is daar in mij geen ware kracht tot enig goed, deze zal, ondanks het ernstigste streven en de onvermoeitste inspanning niet komen dan uit het geloof in Hem” – is dit alles niet wat al te kwetsend voor het menselijk eergevoel? U bent toch zo graag nog iets, nog iets anders dan een zondaar, dan andere zondaars, nog iets beters dan een zondaar, die door de zonde van zijn leven en van zijn hart verdient verloren te gaan en niet dan bij wonder, niet dan door dit wonder behouden kan worden. U heeft toch zo graag iets, iets dat het uwe is, uw eigen, waarop u rekent, één deugd, die vele zonden bedekt, één goede eigenschap, die in aanmerking komt waar het de vraag is van zaligheid of rampzaligheid, één uitnemendheid, die voor u het bloed van de verzoening niet zo onvoorwaardelijk nodig maakt als voor anderen. En wat u ook tot hiertoe wezen of niet wezen, bezitten of niet bezitten mocht, niet graag zou u de strelende gedachte opgeven, die metterdaad al uw sterkte en al uw hoop uitmaakt, dat u het, ernstig willend, eenmaal eindelijk diegene worden zult, die u behoort te wezen en althans zoveel bereiken, als in redelijkheid van een mens (altijd een mens) kan worden gevergd. Maar dit Evangelie wil slechts te doen hebben met zondaars, die niets zijn dan zondaars, zich voor God niets bewust zijn dan zonde en met ontering, zegt u, van het de mens ingeschapen zedelijk kunnen doen, de kracht ten goede zoeken buiten zichzelf! Het behaagt u niet en met reden. Ook komt het u onredelijk voor, ook strijdt het met uw begrippen, ja, met het hoge denkbeeld, dat u zich van de liefde van God, “die liefde is” gemaakt heeft, dat de zonde, zij moge dan een zo vreselijk vergrijp zijn als zij wil, niet zou kunnen vergeven worden dan door de tussenkomst van zodanig een offer, als het Evangelie, dat door Paulus verkondigd wordt, u predikt: het offer van de eengeboren Zoon van God. Met de zending van deze in de wereld zou u veel meer vrede hebben, als zij slechts gediend had om Hem door Zijn leven in het vlees te doen tonen, wat de mensheid in gemeenschap met de godheid is en worden kan, als zij slechts had gestrekt om Hem, door het onvergelijkelijke van Zijn persoon, woord en daden een volmaakt voorbeeld te doen stellen voor de mensheid, een diepe indruk bij haar nalaten, waarvan de werking heilzaam is tot haar hogere en hoogste opleiding; en als de daad aan het kruis, als ter tegenstelling van die spiegel van liefde en heiligheid, die Zijn leven u voorhoudt, niet anders was dan een spiegel van de menselijke boosheid in haar afzichtelijkste uitgietingen. Onredelijk niet slechts, maar onzedelijk moet u een Evangelie noemen, dat toch eigenlijk de band van de zedelijkheid losmaakt door alles te laten afhangen van de genade van God en dat de eeuwige zaligheid toezegt niet aan de deugd, maar aan het geloof. En toch is dit het Evangelie van Paulus, dit onredelijke, dit onzedelijke naar de uitspraken van uw wijsheid, waaraan het zich geenszins bekreunt. Hoe zou het u behagen? Hoe kan men vergen, hoe wensen, hoe hopen wat het u aannemelijk voorkomt. Zeker, wel mocht Paulus zeggen: Ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, dat van mij verkondigd is, niet is naar de mens. Geenszins kan het ons verwonderen zo de mensen bij duizenden het verwerpen, zo het bij allen weerzin opwekt en afkerigheid. Veeleer verwondert het ons dat deze Paulus, in het bezit van de overtuiging, die hij uitdrukt in onze tekst enige ogenblikken te voren schrijven kon: Ik verwonder mij, dat u zo haast wijkend van degene, die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander Evangelie. Want een ander Evangelie, dat maar enigszins meer de zucht naar onafhankelijkheid en het betamelijk eergevoel in de mens ontziet, dat maar enigszins minder met de uitspraken van zijn redelijk en zedelijk verstand in strijd is, moet hem veel meer welkom, moet hem oneindig aannemelijker zijn dan dat van de Apostel.
a) Want ik heb ook dat Evangelie niet van een mens ontvangen, op de weg van mondelinge mededeling, als hoorder van een prediker (1 Kor. 11: 23), noch op de manier van de school, als discipel van een leermeester (Luk. 2: 46 v.) geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus, heb ik het ontvangen evengoed als de twaalf.
Efez. 3: 3.
De veronderstelling bij deze bewijsvoering is, dat de prediking van elke apostel (vs. 1) goddelijk en waar is, omdat die onmiddellijk van de Heere komt; daarentegen de prediking van een, die niet door de Heere zelf, maar door een mens onderwezen is, pas door haar overstemming met de apostolische voor goddelijk kan worden gehouden. Men ziet uit ons vers dat, om de goddelijkheid van het Paulinische Evangelie in verdenking te brengen, door de tegenstanders de apostolische gelijkheid van Paulus met de twaalf werd bestreden.
Dat Paulus zijn Evangelie niet van mensen ontvangen of geleerd had, maar door openbaring van Jezus Christus, is het thema van zijn gehele volgende uiteenzetting. Onder deze openbaring is in de eerste plaats bedoeld de verschijning van de Opgestane bij Damascus (1 Kor. 9: 1; 15: 8), maar zonder verdere openbaringen uit te sluiten (Hoofdstuk 2: 2. 1 Kor. 11: 23. 2 Kor. 12: 1 v. er is ook wel inwendige geestelijke mededeling in het algemeen bedoeld, anders moest die eerste verschijning veel meer bepaald op de voorgrond zijn geplaatst, dan het geschiedt. Het ligt in de aard van de zaak dat Paulus zich hier vooral moest houden aan het negatieve, de afhankelijkheid van de eerste apostelen, beneden welke men hem wilde plaatsen, zowel bij zijn bekering en het begin van zijn apostolische roeping, als ook in de uitoefening daarvan en dat daarom in dezelfde graad de positieve kant, de openbaring van Christus, op de achtergrond treedt.
Behalve die verschijning bij Damascus zag Paulus de Heere nog vaker (Hand. 22: 17; 23: 11) en bleef hij als het ware in voortdurende omgang met Hem, waarbij hij onmiddellijk onderrichting van Hem ontving (1 Kor. 11: 23). Hij kon daarom met volle juist het Evangelie, dat hij predikte, voorstellen als onmiddellijk van God, zonder menselijke bemiddeling hem toevertrouwd.
Onder zijn Evangelie (Rom. 16: 25 v.), dat hem op bovennatuurlijke manier was meegedeeld, bedoelt hij hoofdzakelijk dat, dat hem eigenaardig was en zich in de leer van anderen, zelfs van de andere apostelen onderscheidde; en dit was zijn inzicht in de goddelijke raadsbesluiten met Israël en de Heidenen, zijn diep inzicht in de grote feiten van het leven van Christus, als dood en opstanding, zijn blik in de verborgen heerlijkheid van de kerk van Christus en op haar openbaring in de toekomst. Dit noemt hij (Efeze. 3: 4 vv.) het geheim van Christus, dat de heidenen ook erfgenamen, ook ingelijfd en deelgenoten van de belofte van God in Christus zijn en dat zelfs de hemelse machten in de kerk de menigvuldige wijsheid van God zou openbaar worden.
Hoe waar het nu is, dat ik slechts door een openbaring van Jezus Christus tot mijn Evangelie ben gekomen, kunt u afmeten; want u heeft mijn omgang gehoord, mijn wandel, die eertijds (vs. 23. Tit. 3: 3. Filem. 1: 11) in het jodendom was, in toestand, denk- en leefwijze van een Jood (2 Makk. 2: 22; 14: 38 dat ik uitnemend zeer, met bijzondere ijver, de gemeente van God (1 Kor. 1: 2) vervolgde en haar verwoestte (Hand. 8: 3; 9: 1 vv. ; 26: 9 v.
En dat ik als farizeeër, want ik was een kwekeling van die sekte (Hand. 23: 6), in het Jodendom toenam, mij zelfs verheffend (Fil. 3: 4 vv. 1 Tim. 1: 13. v.) boven velen van mijn ouderdom in mijn geslacht onder de Joden, die allen ook ijveren (Hand. 7: 19; 21: 20), zijnde overvloedig ijverig voor mijn vaderlijke inzettingen, de bepalingen van de ouden (MATTHEUS. 15: 2; 23: 2), zodat geen ander mij evenaarde.
De apostel herinnert de lezers aan het feit hun bekend, dat hij tot bij, tot op het ogenblik van zijn roeping, zo ver mogelijk was verwijderd gebleven van een boodschap, zoals hij die nu verkondigt; hij drukt er op, dat hij de gemeenten van God bovenmate vervolgd had en bovenmate voor de vaderlijke inzettingen had geijverd. Wijst het eerste aan hoever hij verwijderd was geweest van het geloof in Jezus Christus, het tweede toont op welk een afstand hij was van de leer, dat heidenen en Joden evenzeer door dit geloof en daardoor alleen, zonder de werken van de wet, rechtvaardig worden.
Paulus geeft tevens te kennen, dat hij uit zijn vroegere toestand te goed de meningen kende, die de dwaalleraars nu aan de gemeenten in Galatië wilden opdringen.
In zijn afgelegde kleren wilden deze nu sier maken, zonder dat zij ooit de ernst hadden gekend, waarmee hij zelf een ijveraar voor de Joodse wet was geweest.
a) Maar wanneer het God behaagd heeft, die mij van (toen ik nog was in) mijn moederslijf aan (Luk. 1: 15. MATTHEUS. 19: 12. Jes. 49: 1, 5) afgezonderd heeft tot het apostelschap (vs. 1 Rom. 1: 5. 1 Kor. 1: 1. Jer. 1: 5) en te Zijner tijd (Hand. 9: 3 vv.) ook geroepen heeft door Zijn genade (1 Kor. 15: 10).
Hand. 13: 2.
Zijn Zoon, door lering van de Heilige Geest in mij te openbaren (2 Kor. 4: 6. 2Co Fil. 3: 8) met het doel, a) opdat ik die door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo heb ik geloofd. Zodra mijn roeping mij is bekend geworden, zoals mij daarna nog in een bijzondere openbaring in de tempel is gezegd (Hand. 9: 15; 22: 21) ben ik meteen gehoorzaam geweest en in mijn geest verzekerd van mijn roeping heb ik dat werk aangevat. Ik ben niet te rade gegaan b) met vlees en bloed; ik heb niet gevraagd naar de mening van anderen (Efez. 6: 12) of ik ook werkelijk onder de heidenen mocht prediken, noch lering en aanwijzing van mensen begeerd, hoe ik zou moeten aanvangen.
Hand. 13: 2. Gal. 2: 8. Efeze. 3: 8. b) MATTHEUS. 16: 17.
Paulus wil zeggen, dat hij reeds van zijn moeders lijf door God was afgezonderd, later bij Damascus geroepen was en vervolgens met de openbaring van de Zoon van God was verwaardigd om Hem aan de heidenen te verkondigen.
De roeping door die openbaring van Christus werd hem zonder nadere onderwijzing duidelijk; de openbaring van de Zoon van God werd hem door apocalyptische mededeling van God ten deel en evenals de roeping tot de dienst riep, gaf de mededeling de inhoud te kennen van het Evangelie, dat onder de heidenen moest worden verkondigd (vs. 12).
Het doel van de openbaring van Jezus Christus was zeker voor Paulus ook een subjectief, namelijk zijn zaligheid; maar dit treedt bij hem op de achtergrond in het grote objectieve doel, als sprekende vanzelf; met hem werd de zaligheid gegeven aan de gehele gelovige heidenwereld.
Het Evangelie is een goddelijk woord, dat van de hemel neerdaalt en door de Heilige Geest wordt geopenbaard, maar zo, dat het uitwendige woord voorafgaat. Paulus had ook zelf vooraf het uitwendige woord van de hemel gehoord: “Saul, Saul waarom vervolgt u Mij? ” en pas later had hij de verborgen inwendige openbaring gehad.
Tot een gezegende bediening van het predikambt behoort de openbaring van God in ons, dat wij datgene levendig erkennen, wat wij anderen moeten voorhouden; zonder deze behoudt wel het gepredikte woord, als men het zuiver en onvervalst laat, zijn kracht, maar zulke mensen kunnen het niet zuiver laten of waardig voordragen; zij weten het niet juist toe te passen en verderven veel van zijn kracht bij de hoorders.
En ik ben niet weer gegaan naar Jeruzalem, om daar raad te vragen, tot degenen, die voor mij apostelen waren, tot Petrus, Johannes, Jakobus en de anderen; maar ik ging, toen ik na enige dagen Damascus weer verliet (Hand. 9: 19-21), heen naar Arabië, om daar enige tijd in stilte door te brengen (vgl. bij Hoofdstuk 4: 27) en keerde, toen ik nu krachtiger in de Heere was geworden, weer naar Damascus, om daar geheel zelfstandig als leraar op te treden (Hand. 9: 22).
De apostel heeft er juist in gehandeld, dat hij niet met vlees en bloed te rade is gegaan; het zou toch een goddeloosheid zijn geweest, als hij de goddelijke openbaring eerst door mensenwoord had willen laten bekrachtigen, als iemand er aan zou getwijfeld hebben.
Het is de bedoeling niet, alsof men de mening van een ander niet zou mogen horen; men moet hem echter het pré, de overhand niet geven, als God getuigenis heeft afgegeven. Is Gods wil duidelijk en staat de zaak duidelijk in Gods woord, dan is het niet nodig andere mensen te raadplegen; maar is Gods wil nog twijfelachtig, dan kan men veel goede vrienden om raad vragen, maar het moeten toch degenen zijn, die godsvrucht en wijsheid bezitten.
Van een Apostolische werkzaamheid in Arabië wordt nergens een spoor gevonden; wij moeten dus aannemen, dat zijn reis daarheen slechts voor een privaat doel, hoogst waarschijnlijk ten behoeve van geestelijke eenzaamheid, als voorbereiding tot het werk werd ondernomen Hand. 9: 22. Daaruit kan dan ook het stilzwijgen van Lukas verklaard worden, die het apostolaat van Paulus slechts in korte omtrekken wilde schilderen.
Daarna, (opdat ik nog in het bijzonder aanwijs, dat ik mijn Evangelie (vs. 12) van geen mens heb ontvangen noch geleerd), kwam ik, na dat drie jaren sinds mijn bekering en roeping waren voorbijgegaan, van Damascus door de ongelovige Joden verdreven (Hand. 9: 23 vv. 2 Kor. 11: 32 v. weer te Jeruzalem, om Petrus te bezoeken. Ik wenste hem persoonlijk te leren kennen, omdat hij toen nog aan het hoofd van de gemeente stond en ik dus in zijn bekendheid veel belang moest stellen, omdat ik met de gemeente zelf in een vriendschappelijke betrekking wenste te komen (Hand. 9: 26) en ik bleef bij hem niet meer dan vijftien dagen (Hand. 9: 26-28; 22: 17 v.).
En ik zag behalve Petrus geen anderen van de apostelen, omdat al de overigen van Jeruzalem afwezig waren, dan Jakobus, de broer van de Heere (“Uit 10: 4” en “Hand. 15: 21.
Hetgeen nu ik u in het zo-even (vs. 18 v.) meegedeelde schrijf, ziet, daarover kan ik zeggen: ik getuig a) voor God, dat ik niet lieg (vgl. 2 Kor. 11: 31; 1: 23.
Rom. 9: 1. 1 Thessalonicenzen. 2: 5. 1 Tim. 5: 21. 2 Tim. 4: 1.
Tot deze heilige verzekering werd Paulus gedrongen door het gewicht van het zo-even medegedeelde voor zijn doel, om zijn apostolische zelfstandigheid aan te wijzen; want was hij een leerling van de apostelen geweest, dan moest hij het geworden zijn, toen hij voor de eerste maal na zijn bekering te Jeruzalem bij de apostelen was en niet alleen was hij daar met een ander doel en slechts weinige dagen geweest, maar hij had er behalve Petrus niemand anders dan Jakobus (II) aangetroffen.
Als het al mogelijk was, dat Paulus in de tijd van 15 dagen een onderrichting had ontvangen, zo was toch een eigenlijk ter school gaan bij de andere apostelen niet mogelijk. Vandaar de uitdrukkelijke mededeling van de tijd. En tot een inleiding in het apostelschap en tot een volmacht geven aan hem had toch het gehele college van apostelen te Jeruzalem moeten zijn. Hij vond echter behalve Petrus alleen Jakobus, de broeder van de Heere, die zonder twijfel hier is voorgesteld als een van de twaalf en dus geen ander kan zijn dan Jakobus, de zoon van Alfeüs (MATTHEUS. 10: 3). De tegenstanders van Paulus wisten zeer goed, dat Paulus op de hier vermelde tijd (omstreeks in het jaar 39 na Christus) zich te Jeruzalem had opgehouden en met de apostelen had verkeerd. Nu gaven zij voor, dat hij juist toen door de andere apostelen in het Christendom uitvoerig onderwezen en tot een zendeling gevormd was. Nu stelt de apostel de feitelijke uitwendige omstandigheden onder verzekering van de juistheid van zijn mededelingen in de beide beslissende punten duidelijk voor, om daaruit de lezers te laten zien, hoe ongerijmd zo’n voorgeven van de dwaalleraars was; “God had alles voorzien, waarmee men Paulus in het vervolg wilde neerdrukken. Hij heeft het daarom in Zijn wegen zo bestuurd, dat men niet kon zeggen, dat hij zijn roeping van de eerste apostelen te Jeruzalem had ontvangen en toch ook niet aan de andere kant, dat hij in het geheel niet te Jeruzalem had durven komen. Gods goede Geest brengt het overal met ons in het reine; ook de schijnbaar kleine, toevallige omstandigheden in ons leven staan onder Zijn leiding; merken wij het niet dadelijk op, wij zien het toch daarna.”
Daarna, toen ik na die 15 dagen de stad weer moest verlaten, om de vervolgingen van de Joden, ben ik gekomen in de gewesten van Syrië en van Cilicië; (Hand. 9: 29).
En ik was, toen ik in Cilicië vertoefde, van gezicht onbekend aan de gemeenten in het landschap Judea (Joh. 3: 22), die in Christus zijn, aan de Christelijke gemeenten daar, waartoe ik niet had kunnen komen.
Maar zij hadden alleen gehoord door berichten uit Jeruzalem, dat men zei: “Degene, die ons eertijds vervolgde, verkondigt nu het geloof, dat hij eertijds verwoestte”. Zo spraken zij, toen hun mijn werkzaamheid gedurende die 15 dagen bekend werd (Hand. 9: 28 v.).
En zij verheerlijkten God in mij, dat Hij mij had teruggebracht van mijn vorige wegen, waarop ik hun zozeer tot verdriet en lijden was geweest (Hand. 11: 18).
De mededelingen in vs. 22 wijzen eveneens aan, dat Paulus geen leerling van de apostelen was, zoals het doel van de hele samenhang is. Als leerling van de apostelen zou hij in verbintenis met Jeruzalem zijn gebleven en van daar met zijn werkzaamheid in de gemeente van Judea zijn gekomen (hetgeen hij toch volgens Hand. 26: 20 later deed, namelijk bij de tweede reis naar Jeruzalem, waarmee hij in gemeenschap met Barnabas zeker, als men Hand. 11: 29 v. 12: 25 een geruime tijd heeft doorgebracht) en hun zo bekend zijn geworden. In welke betrekking zij echter voor de eerstvolgende tijd tot hem bleven, zegt de zin, dat zij alleen in staat waren van zijn bekering en werkzaamheid te horen. De apostel voegt er niet om niet, maar met het juiste gevoel van voldoening bij: “zij verheerlijkten God in mij; ” want tussen die indruk, die hij toen op de gemeenten van Judea maakte en het hatelijk drijven van de Judaïsten in Galatië tegen hem was een in het oog lopend verschil.
De verheerlijking van God over zijn bekering heeft weer veel uitgewist van de vroeger veroorzaakte ergernis.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel