Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
PaulusG3972, een gevangeneG1198 van ChristusG5547 JezusG2424, enG2532 TimotheusG5095, de broederG80, aan FilemonG5371, den geliefdeG27, enG2532 onzen medearbeiderG4904,
Paulus, een gevangene van Christus Jezus, en Timotheus, de broeder, aan Filemon, den geliefde, en onzen medearbeider,
KJV
Paul,1
a prisoner2
of Jesus4
Christ,3
and5
Timothy6
our brother,8
unto Philemon9
our
dearly beloved,11
and12
fellowlabourer,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En aan AppiaG682, de geliefdeG27, enG2532 aan ArchippusG751, onzen medestrijderG4961, enG2532 aan de GemeenteG1577, die te uwen huizeG3624 is:
En aan Appia, de geliefde, en aan Archippus, onzen medestrijder, en aan de Gemeente, die te uwen huize is:
KJV
And1
to our beloved4
Apphia,2
and5
Archippus6
our
fellowsoldier,8
and10
to the church15
in12
thy
house:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
GenadeG5485 zij ulieden enG2532 vredeG1515 vanG575 GodG2316, onzen VaderG3962, enG2532 den HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547.
Genade zij ulieden en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.
KJV
Grace1
to you,
and3
peace,4
from5
God6
our
Father7
and9
the Lord10
Jesus11
Christ.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
IkG1473 dankG2168 mijn GodG2316, uwer altijdG3842 gedachtigG3417 zijnde in mijn gebedenG4335;
Ik dank mijn God, uwer altijd gedachtig zijnde in mijn gebeden;
KJV
I thank1
my
God,3
making8
mention6
of thee
always5
in9
my
prayers,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Alzo ik hoorG191 uw liefdeG26 enG2532 geloofG4102, hetwelkG3739 gijG4771 hebtG2192 aanG4314 den HeereG2962 JezusG2424, enG2532 jegensG1519 alG3956 de heiligenG40;
Alzo ik hoor uw liefde en geloof, hetwelk gij hebt aan den Heere Jezus, en jegens al de heiligen;
KJV
Hearing1
of thy
love4
and5
faith,7
which8
thou hast9
toward10
the Lord12
Jesus,13
and14
toward15
all16
saints;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Opdat de gemeenschapG2842 uws geloofsG4102 krachtigG1756 wordeG1096 in de bekendmakingG1922 van alleG3956 goedG18, hetwelk in ulieden is doorG1722 ChristusG5547 JezusG2424.
Opdat de gemeenschap uws geloofs krachtig worde in de bekendmaking van alle goed, hetwelk in ulieden is door Christus Jezus.
KJV
That1
the communication3
of thy
faith5
may become8
effectual7
by9
the acknowledging10
of every11
good thing12
which2
is in14
you
in16
Christ17
Jesus.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Want wij hebbenG2192 grote vreugdeG5485 enG2532 vertroostingG3874 overG1909 uw liefdeG26, datG3754 de ingewandenG4698 der heiligenG40 verkwiktG373 zijn geworden doorG1223 uG4771, broederG80!
Want wij hebben grote vreugde en vertroosting over uw liefde, dat de ingewanden der heiligen verkwikt zijn geworden door u, broeder!
KJV
For6
we have7
great8
joy2
and9
consolation10
in11
thy
love,13
because15
the bowels17
of the saints19
are refreshed20
by21
thee,
brother.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Daarom, hoewelG4183 ik grote vrijmoedigheidG3954 hebG2192 inG1722 ChristusG5547, om uG4771 te bevelenG2004, hetgeen betamelijkG433 is;
Daarom, hoewel ik grote vrijmoedigheid heb in Christus, om u te bevelen, hetgeen betamelijk is;
KJV
Wherefore,1
though I might be6
much2
bold5
in3
Christ4
to enjoin7
thee
that which is convenient,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Zo bidG3870 ik nochtans lieverG3123 doorG1223 de liefdeG26, daar ik zodanigG5108 een benG1510, te wetenG5613 PaulusG3972, een oud manG4246, en nuG1161 ookG2532 een gevangeneG1198 van JezusG2424 ChristusG5547.
Zo bid ik nochtans liever door de liefde, daar ik zodanig een ben, te weten Paulus, een oud man, en nu ook een gevangene van Jezus Christus.
KJV
Yet for1
love's3
sake I5
rather4
beseech
thee, being
such an one6
as8
Paul9
the aged,10
and12
now11
also13
a prisoner14
of Jesus15
Christ.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Ik bidG3870 uG4771 dan voor mijnG1699 zoonG5043, denwelken ik inG1722 mijn bandenG1199 heb geteeldG1080, namelijk OnesimusG3682;
Ik bid u dan voor mijn zoon, denwelken ik in mijn banden heb geteeld, namelijk Onesimus;
KJV
I beseech1
thee
for3
my5
son6
Onesimus,13
whom7
I have begotten8
in9
my
bonds:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Die eertijdsG4218 uG4771 onnutG890 was, maarG1161 nu uG4771 en mijG1473 zeer nuttigG2173; denwelken ik wedergezondenG375 heb;
Die eertijds u onnut was, maar nu u en mij zeer nuttig; denwelken ik wedergezonden heb;
KJV
Which1
in time past2
was4
to thee
unprofitable,
but6
now5
profitable10
to thee
and8
to me:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
DochG1161 gijG4771, neemG4355 hemG846, dat isG1510 mijnG1699 ingewandenG4698, weder aan;
Doch gij, neem hem, dat is mijn ingewanden, weder aan;
KJV
Whom1
I have sent again:2
thou4
therefore5
receive12
him,6
that is,
mine own10
bowels:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Denwelken ik wel had willenG1014 bijG4314 mij behoudenG2722, opdatG2443 hij mij voor uG4771 dienenG1247 zou inG1722 de bandenG1199 des EvangeliesG2098.
Denwelken ik wel had willen bij mij behouden, opdat hij mij voor u dienen zou in de banden des Evangelies.
KJV
Whom1
I2
would3
have retained6
with4
me,5
that7
in thy
stead8
he might have ministered10
unto me
in12
the bonds14
of the gospel:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Maar ik heb zonder uw goedvindenG1106 nietsG3762 willenG2309 doenG4160, opdatG2443 uw goeddadigheidG18 nietG3361 zou zijnG1510 alsG5613 naarG2596 bedwangG318, maar naarG2596 vrijwilligheidG1595.
Maar ik heb zonder uw goedvinden niets willen doen, opdat uw goeddadigheid niet zou zijn als naar bedwang, maar naar vrijwilligheid.
KJV
But2
without1
thy4
mind5
would7
I do8
nothing;6
that
thy
benefit15
should
not
be
as11
it were of12
necessity,13
but18
willingly.20
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
WantG1063 veellichtG5029 is hij daarom voor een kleinen tijdG5610 van u gescheidenG5563 geweest, opdatG2443 gij hemG846 eeuwigG166 zoudt weder hebben.
Want veellicht is hij daarom voor een kleinen tijd van u gescheiden geweest, opdat gij hem eeuwig zoudt weder hebben.
Ook in dit vers
totG4314
KJV
For2
perhaps1
he5
therefore
departed
for6
a season,7
that8
thou shouldest receive11
him10
for ever;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Nu voortaanG3765 niet alsG5613 een dienstknechtG1401, maar meer dan een dienstknechtG1401, namelijk een geliefdenG27 broederG80, inzonderheidG3122 mijG1473, hoeveelG4214 te meer danG1161 uG4771, beideG1722 in het vleesG4561 en in den HeereG2962.
Nu voortaan niet als een dienstknecht, maar meer dan een dienstknecht, namelijk een geliefden broeder, inzonderheid mij, hoeveel te meer dan u, beide in het vlees en in den Heere.
KJV
Not now1
as2
a servant,3
but4
above5
a servant,6
a brother7
beloved,8
specially9
to me,
but12
how much11
more13
unto thee,
both15
in16
the flesh,17
and18
in19
the Lord?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
IndienG1487 gij mijG1473 danG3767 houdtG2192 voor een metgezelG2844, zo neemG4355 hemG846 aan, gelijk als mijG1473.
Indien gij mij dan houdt voor een metgezel, zo neem hem aan, gelijk als mij.
KJV
If1
thou count4
me
therefore2
a partner,5
receive6
him7
as8
myself.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
EnG1161 indienG1487 hij uG4771 ietsG5100 verongelijktG91 heeft, of schuldigG3784 is, rekenG1677 datG3778 mijG1473 toe.
En indien hij u iets verongelijkt heeft, of schuldig is, reken dat mij toe.
KJV
If2
he hath wronged4
thee,
or6
oweth7
thee ought,3
put10
that
on
mine account;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
IkG1473, PaulusG3972, heb het geschrevenG1125 met deze mijnG1699 handG5495, ikG1473 zal het betalenG661; opdatG2443 ik u nietG3361 zeggeG3004, dat gijG4771 ookG2532 uzelven mijG1473 daartoe schuldigG4359 zijt.
Ik, Paulus, heb het geschreven met deze mijn hand, ik zal het betalen; opdat ik u niet zegge, dat gij ook uzelven mij daartoe schuldig zijt.
KJV
I1
Paul2
have written3
it with mine own5
hand,6
I7
will repay8
it: albeit
I do11
not
say
to thee
how13
thou owest17
unto me
even14
thine own self15
besides.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Ja, broederG80, laat mijG1473 uwer hierin genietenG3685 inG1722 den HeereG2962; verkwikG373 mijn ingewandenG4698 inG1722 den HeereG2962.
Ja, broeder, laat mij uwer hierin genieten in den Heere; verkwik mijn ingewanden in den Heere.
KJV
Yea,1
brother,2
let5
me3
have joy
of thee
in6
the Lord:7
refresh8
my
bowels11
in12
the Lord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Ik heb aan u geschrevenG1125, vertrouwendeG3982 op uw gehoorzaamheidG5218; en ik weetG1492, dat gij doenG4160 zult ook boven hetgeenG3739 ik zegG3004.
Ik heb aan u geschreven, vertrouwende op uw gehoorzaamheid; en ik weet, dat gij doen zult ook boven hetgeen ik zeg.
KJV
Having confidence1
in thy
obedience3
I wrote5
unto thee,
knowing7
that8
thou wilt13
also9
do
more than11
I say.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
En bereidG2090 mij ookG2532 tegelijkG260 een herbergG3578; want ik hoopG1679, datG3754 ik doorG1223 uw gebedenG4335 ulieden zal geschonkenG5483 worden.
En bereid mij ook tegelijk een herberg; want ik hoop, dat ik door uw gebeden ulieden zal geschonken worden.
KJV
But2
withal1
prepare4
me
also3
a lodging:6
for8
I trust7
that9
through10
your
prayers12
I shall be given14
unto you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
UG4771 groetenG782 EpafrasG1889, mijn medegevangeneG4869 inG1722 ChristusG5547 JezusG2424,
U groeten Epafras, mijn medegevangene in Christus Jezus,
KJV
There salute1
thee
Epaphras,3
my
fellowprisoner5
in7
Christ8
Jesus;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
MarkusG3138, AristarchusG708, DemasG1214, LukasG3065, mijn medearbeidersG4904.
Markus, Aristarchus, Demas, Lukas, mijn medearbeiders.
KJV
Marcus,1
Aristarchus,2
Demas,3
Lucas,4
my
fellowlabourers.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
De genadeG5485 vanG575 onzen HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547 zij metG3326 uw geestG4151. AmenG281.
De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met uw geest. Amen.
KJV
The grace2
of our
Lord4
Jesus6
Christ7
be with8
your
spirit.10
Amen.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord. De gemerkte woorden tussen haken zijn het onderschrift bij deze brief. De Textus Receptus zet dat aan het slot van dertien brieven van Paulus en van de Hebreeënbrief: een aantekening van de overlevering over afzender, plaats en bezorger. Het is geen woord van de brief zelf, de oudste handschriften hebben het niet, en de Statenvertaling neemt het in het vers niet op.
een gevangene
Namelijk te Rome om Christus' zaak, Hand. 28:16, Hand. 28:20. Hij verhaalt hier terstond zijn banden, om Filemon te beter te bewegen dit verzoek niet te weigeren.
Hertaald:
een gevangene
Namelijk een gevangene in Rome om de zaak van Christus, Hand. 28:16, Hand. 28:20. Hij noemt zijn boeien hier meteen, om Filemon des te beter te bewegen dit verzoek niet te weigeren.
Timótheüs,
Dezen voegt hij dikwijls bij zich in de opschriften van zijn zendbrieven. Zie 2 Kor. 1:1; Fil. 1:1; Kol. 1:1; 1 Thess. 1:1; 2 Thess. 1:1; hier doet hij het ook, opdat het voorbidden van twee te meer kracht zou hebben.
Hertaald:
Timótheüs,
Hem voegt hij dikwijls bij zich in de opschriften van zijn brieven. Zie 2 Kor. 1:1; Filipp. 1:1; Kol. 1:1; 1 Thess. 1:1; 2 Thess. 1:1. Hier doet hij dat ook, opdat de voorbede van twee des te meer kracht zou hebben.
onzen medearbeider,
Namelijk òf in het prediken des Evangelies, of dat hij het door alle goede diensten hielp bevorderen, gelijk in dezen zin ook vrouwen zo genoemd worden; Rom. 16:3.
Hertaald:
onzen medearbeider,
Namelijk medearbeider óf in het prediken van het Evangelie, óf omdat hij dat door allerlei goede diensten hielp bevorderen; in die betekenis worden ook vrouwen zo genoemd; Rom. 16:3.
Appia,
Het is zeer waarschijnlijk, dat deze geweest is de huisvrouw van Filemon, die daarbij gevoegd wordt, omdat haar de zaak mede aanging.
Hertaald:
Appia,
Het is zeer waarschijnlijk dat dit de vrouw van Filemon geweest is. Zij wordt erbij genoemd omdat de zaak ook haar aanging.
Archippus,
Deze was een dienaar van de gemeente te Colosse, Kol. 4:17, en wordt hier bijgevoegd, opdat hij de verzoening van Onesimus zou helpen bevorderen met zijn tegenwoordigheid en aanzien.
Hertaald:
Archippus,
Deze was een dienaar van de gemeente in Kolosse, Kol. 4:17. Hij wordt hier erbij genoemd, opdat hij de verzoening van Onésimus met zijn aanwezigheid en zijn aanzien zou helpen bevorderen.
medestrijder,
Namelijk in dien krijg, waarvan de apostel spreekt 1 Tim. 1:18; 2 Tim. 2:3.
Hertaald:
medestrijder,
Namelijk in die strijd waarover de apostel spreekt in 1 Tim. 1:18; 2 Tim. 2:3.
uwen huize is
Dit wordt verstaan van het huis van Filemon, aan wien deze brief vooral geschreven is.
Hertaald:
uwen huize is
Dit wordt verstaan van het huis van Filemon, aan wie deze brief vooral geschreven is.
Genade zij
Dit is, de gewone groetenis van Paulus meest in al zijne zendbrieven.
Hertaald:
Genade zij
Dit is de gewone groet van Paulus in bijna al zijn brieven.
den Heere Jezus,
Dit moet gevoegd worden bij het woord geloof, gelijk de volgende woorden bij het woord liefde.
Hertaald:
den Heere Jezus,
Dit moet gevoegd worden bij het woord geloof, zoals de volgende woorden bij het woord liefde.
heiligen;
Dat is, gelovigen, hier op de aarde nog zijnde, die door het bloed en den Geest van Christus geheiligd zijn.
Hertaald:
heiligen;
Dat is: de gelovigen die hier nog op de aarde zijn en die door het bloed en de Geest van Christus geheiligd zijn.
de gemeenschap
Dat is, uw geloof, hetwelk gij met ons gemeen hebt. Of de mededeling van de vruchten uws geloofs, vooral uw goeddadigheid, die uit het geloof spruit. Zie Hebr. 13:16.
Hertaald:
de gemeenschap
Dat is: uw geloof, dat u met ons gemeenschappelijk hebt. Of: het meedelen van de vruchten van uw geloof, vooral uw weldadigheid, die uit het geloof voortkomt. Zie Hebr. 13:16.
krachtig worde
Dat is, krachtig zich betone door de krachtige werking daarvan. Zie gelijke plaats 1 Kor. 16:9.
Hertaald:
krachtig worde
Dat is: zich krachtig betone door de krachtige werking daarvan. Zie een dergelijke plaats in 1 Kor. 16:9.
in de bekendmaking
Grieks, erkentenis; dat is, opdat allen daardoor bekend gemaakt worde al dat goed.
Hertaald:
in de bekendmaking
Grieks: erkenning; dat is: opdat daardoor aan allen al dat goede bekend wordt.
van alle goed,
Dat is, alle Christelijke deugden.
Hertaald:
van alle goed,
Dat is: alle christelijke deugden.
door Christus Jezus
Grieks eis; dat is, in Christus Jezus. Eis voor dia; dat is, door, gelijk 1 Kor. 10:2. Want wij hebben niets goeds dan door de weldaad van Christus en Zijns Geestes, Joh. 15:5. Of, tegen Christus betoond. Want al het goed, dat wij aan de heiligen betonen, rekent Christus alsof het aan Hem gedaan ware; Matt. 25:35, enz.
Hertaald:
door Christus Jezus
Grieks: eis; dat is: in Christus Jezus. Hier staat eis voor dia, dat is: door, zoals in 1 Kor. 10:2. Want wij hebben niets goeds dan door de weldaad van Christus en van Zijn Geest, Joh. 15:5. Of: aan Christus betoond. Want al het goede dat wij aan de heiligen bewijzen, rekent Christus alsof het aan Hem gedaan was; Matth. 25:35, enzovoort.
vreugde
Grieks, charan; dat is vreugde. Waarvoor anderen lezen charin; dat is aangenaamheid.
Hertaald:
vreugde
Grieks: charan; dat is: vreugde. Anderen lezen daarvoor charin, dat is: aangenaamheid.
de ingewanden
Dat is, de harten. Hebr. Zie 2 Kor. 6:12, en 2 Kor. 7:15, en hier Filem. 1:12, Filem. 1:20; 1 Joh. 3:17.
Hertaald:
de ingewanden
Dat is: de harten. Dit is een hebraïsme. Zie 2 Kor. 6:12 en 2 Kor. 7:15, en hier Filem. 1:12, Filem. 1:20; 1 Joh. 3:17.
verkwikt
Grieks, tot rust zijn gebracht; namelijk door uw weldadigheid aan hen betoond.
Hertaald:
verkwikt
Grieks: tot rust gebracht zijn; namelijk door uw weldadigheid die u hun bewezen hebt.
broeder
Dit vriendelijk woord doet hij daarbij, om daarmede uit te drukken de grootheid van zijn genegenheid tot hem.
Hertaald:
broeder
Dit vriendelijke woord voegt hij eraan toe om daarmee de grootte van zijn toewijding aan hem uit te drukken.
in Christus,
Dat is, vanwege mijn apostel-ambt , waarin mij de Heere Christus gesteld heeft, en hetwelk Christus met zulk een gezag voorzien heeft.
Hertaald:
in Christus,
Dat is: vanwege mijn apostelambt, waarin de Heere Christus mij gesteld heeft en dat Christus met zulk een gezag heeft toegerust.
door de liefde,
Of, om der liefde wil. Dit kan verstaan worden, òf van de liefde van Filemon tot Paulus, òf van Paulus tot hem, hetwelk het waarschijnlijkst is. Want deze liefde wordt gesteld tegenover de autoriteit.
Hertaald:
door de liefde,
Of: ter wille van de liefde. Dit kan verstaan worden óf van de liefde van Filemon tot Paulus, óf van de liefde van Paulus tot hem, wat het waarschijnlijkst is. Want deze liefde wordt tegenover het gezag gesteld.
een gevangene
Zie Fil. 1:1.
Hertaald:
een gevangene
Zie Filem. 1:1.
mijn zoon,
Grieks, mijn kind; zie 1 Tim. 1:2, 1 Tim. 1:18; 2 Tim. 1:2, en 2 Tim. 2:1.
Hertaald:
mijn zoon,
Grieks: mijn kind; zie 1 Tim. 1:2, 1 Tim. 1:18; 2 Tim. 1:2 en 2 Tim. 2:1.
heb geteeld,
Of, gewonnen, gegenereerd; dat is, door het Evangelie heeft bekeerd.
Hertaald:
heb geteeld,
Of: verwekt heb; dat is: door het Evangelie bekeerd heb.
u onnut was,
Namelijk door zijne ontrouw, als hij van u wegliep, en iets ontstal.
Hertaald:
u onnut was,
Namelijk door zijn ontrouw, toen hij bij u weggelopen is en iets gestolen heeft.
zeer nuttig;
Het schijnt dat de apostel ziet op zijn naam Onesimus, waarvan zie Fil. 1:20; welken hij tevoren niet had betracht, maar dat nu doet.
Hertaald:
zeer nuttig;
Het lijkt erop dat de apostel doelt op zijn naam Onésimus, waarover men Filem. 1:20 kan zien. Die naam had hij eerder niet waargemaakt, maar nu doet hij dat wel.
mijn ingewanden,
Dat is, dien ik van harte liefheb; of die mij zo lief is als mijn eigen hart.
Hertaald:
mijn ingewanden,
Dat is: die ik van harte liefheb; of: die mij zo lief is als mijn eigen hart.
weder aan;
Namelijk in genade en in uzelf gedaan ware.
Hertaald:
weder aan;
Namelijk neem hem weer in genade aan.
voor u dienen
Dat is, in uwe plaats; als die zijn dienst houden zou of zij door uzelf gedaan ware.
Hertaald:
voor u dienen
Dat is: in uw plaats, zodat hij de dienst zou verrichten die u zelf zou hebben gedaan.
des Evangelies
Dat is, die ik om des Evangelies wil lijd.
Hertaald:
des Evangelies
Dat is: die ik om het Evangelie lijd.
uw goeddadigheid
Grieks, uw goed. Heb-
Hertaald:
uw goeddadigheid
Grieks: uw goed. Dit is een hebraïsme.
bedwang,
Grieks, noodzakelijkheid.
Hertaald:
bedwang,
Grieks: noodzaak.
wellicht
Dit woord stelt hier niet enige twijfelachtigheid, maar verzacht hetgeen gezegd wordt.
Hertaald:
wellicht
Dit woord duidt hier niet op twijfel, maar het verzacht wat er gezegd wordt.
voor een kleinen
Grieks, voor een uur, of, korte wijle.
Hertaald:
voor een kleinen
Grieks: voor een uur, of: voor een korte tijd.
van u gescheiden
Alzo verzacht 'Paulus Onesimus' misdaad van weglopen, om hem te beter met zijn heer te verzoenen.
Hertaald:
van u gescheiden
Zo verzacht Paulus de misstap van Onésimus, dat hij weggelopen was, om hem des te beter met zijn heer te verzoenen.
eeuwig zoudt weder
Dat is, al zijn leven lang, Hebr. Want dewijl hij nu een vromen Christen geworden was, zo zou hij niet eens denken om wederom weg te lopen, of zijn heer ontrouw te zijn. Het schijnt dat hij enigszins ziet op de wetten van eeuwige slavernij; Ex. 21:6; Deut. 15:17.
Hertaald:
eeuwig zoudt weder
Dat is: heel zijn leven lang. Dit is een hebraïsme. Want omdat hij nu een vroom christen geworden was, zou hij er niet aan denken om weer weg te lopen of zijn heer ontrouw te zijn. Het lijkt erop dat hij enigszins doelt op de wetten over de eeuwige slavernij; Ex. 21:6; Deut. 15:17.
niet als een
Dat is, niet alleen als een dienstknecht. Want hij verzoekt hier geen vrijlating, maar alleen verzoening.
Hertaald:
niet als een
Dat is: niet alleen als een dienstknecht. Want hij vraagt hier geen vrijlating, maar alleen verzoening.
een geliefden broeder,
Dat is, als een Christen, die de Christenen behoren lief te hebben, en die mij lief is.
Hertaald:
een geliefden broeder,
Dat is: als een christen, die de christenen behoren lief te hebben en die mij lief is.
in het vlees
Dat is, die aangaande zijn uiterlijken en vleselijken staat onder u staat, en u veel dienst zal doen in de dingen, die de uiterlijke zaken dezes levens in het vlees aangaan.
Hertaald:
in het vlees
Dat is: die wat zijn uiterlijke en vleselijke positie betreft onder u staat en die u veel dienst zal bewijzen in de dingen die de uiterlijke zaken van dit leven in het vlees betreffen.
Heere
Namelijk die nu ook in den Heere Christus gelooft.
Hertaald:
Heere
Namelijk die nu ook in de Heere Christus gelooft.
een metgezel,
Of, medegenoot; namelijk in het geloof en ook in den dienst des Woords.
Hertaald:
een metgezel,
Of: deelgenoot; namelijk in het geloof en ook in de dienst van het Woord.
gelijk als mij
Dat is, zoals gij zoudt doen omtrent mijzelf.
Hertaald:
gelijk als mij
Dat is: zoals u tegenover mijzelf zou doen.
iets verongelijkt
Zo verzacht hij de misdaad van ontvreemding of dieverij, met een algemeen en zachter woord, gelijk ook Fil. 1:11 en Fil. 1:15. Desgelijks vertroostte ook Jozef zijn broeders; Gen. 45:5.
Hertaald:
iets verongelijkt
Zo verzacht hij de misstap van ontvreemding of diefstal met een algemeen en zachter woord, zoals ook in Filem. 1:11 en Filem. 1:15. Zo troostte Jozef ook zijn broers; Gen. 45:5.
reken dat mij toe
Namelijk alsof ik het u schuldig ware. Hier ziet men wat eigenlijk het woord toerekenen betekent, dat bij gelijkenis van borgtocht gebruikt wordt in de leer van de rechtvaardigmaking des mensen voor God; Gen. 15:6; Rom. 4:3, enz.
Hertaald:
reken dat mij toe
Namelijk alsof ik het u schuldig was. Hier ziet men wat het woord toerekenen eigenlijk betekent, dat bij wijze van vergelijking met borgtocht gebruikt wordt in de leer over de rechtvaardigmaking van de mens voor God; Gen. 15:6; Rom. 4:3, enzovoort.
Ik, Paulus,
Dit is als een handschrift of obligatie, waarin hij belooft voor Onesimus de schade te betalen, die hij zijn heer gedaan had, opdat de verzoening daarom niet achterblijve.
Hertaald:
Ik, Paulus,
Dit is als een handschrift of schuldbewijs, waarin hij belooft de schade te betalen die Onésimus zijn heer aangedaan had, opdat de verzoening daarom niet zou uitblijven.
uzelven mij
Namelijk daar ik door mijn prediking en onderwijzing u tot Christus bekeerd en behouden heb; om welke grote weldaad gij niet alleen uw goederen, maar uzelf mij schuldig zijt. En daarom behoort gij deze betaling van mij niet te begeren.
Hertaald:
uzelven mij
Namelijk omdat ik u door mijn prediking en onderwijs tot Christus bekeerd en behouden heb. Om die grote weldaad bent u niet alleen uw goederen, maar uzelf aan mij verschuldigd. Daarom behoort u deze betaling niet van mij te verlangen.
Ja, broeder,
Grieks, Nai; welk woord gebruikt wordt niet alleen om de waarheid te bevestigen, maar ook om te smeken; gelijk het Hebr. woord ana, of, na, en het woord edoch, eilieve, in onze taal. Zie Matt. 15:27; Openb. 22:20.
Hertaald:
Ja, broeder,
Grieks: nai. Dat woord wordt niet alleen gebruikt om de waarheid te bevestigen, maar ook om te smeken, zoals het Hebreeuwse woord ana of na, en het woord toch of och in onze taal. Zie Matth. 15:27; Openb. 22:20.
uwer hierin
Dat is, deze vrucht of weldaad van u.
Hertaald:
uwer hierin
Dat is: deze vrucht of weldaad van u.
genieten
Hij gebruikt hier een Grieks woord, waarnaar Onesimus genaamd was, dat zoveel is te zeggen als profijtig, of een waarvan men vrucht, hulp, of vreugde geniet.
Hertaald:
genieten
Hij gebruikt hier een Grieks woord waarnaar Onésimus genoemd was; dat betekent zoveel als nuttig, of iemand van wie men vrucht, hulp of vreugde geniet.
in den Heere;
Dat is, volgens het bevel en den wil des Heeren; of, in des Heeren naam, om des Heeren wil, tot wien hij nu bekeerd is.
Hertaald:
in den Heere;
Dat is: overeenkomstig het bevel en de wil van de Heere; of: in de naam van de Heere, om de Heere, tot Wie hij nu bekeerd is.
verkwik
Zie van deze wijze van spreken Fil. 1:7.
Hertaald:
verkwik
Zie over deze manier van spreken Filem. 1:7.
mijn ingewanden
Dit kan verstaan worden, òf van Onesimus, gelijk Fil. 1:12.
Hertaald:
mijn ingewanden
Dit kan verstaan worden óf van Onésimus, zoals in Filem. 1:12.
op uw gehoorzaamheid;
Dat is, dat gij naar mij zult luisteren en mijn verzoek plaats geven.
Hertaald:
op uw gehoorzaamheid;
Dat is: dat u naar mij zult luisteren en aan mijn verzoek ruimte zult geven.
En bereid mij
Dit doet hij er bij, opdat Filemon, verstaande dat Paulus zelf daar zou komen, te minder dit hem zou weigeren.
Hertaald:
En bereid mij
Dit voegt hij eraan toe, opdat Filemon, wanneer hij begrijpt dat Paulus zelf daar zou komen, dit des te minder aan hem zou weigeren.
door uw gebeden
Die gij voor mijn verlossing doet.
Hertaald:
door uw gebeden
Namelijk de gebeden die u voor mijn verlossing doet.
zal geschonken worden
Dat is, zal van God uit genade verlost worden, en ulieden gelijk als uit den dood wedergegeven worden. Zie dergelijke wijze van spreken Hand. 27:24; Fil. 1:25.
Hertaald:
zal geschonken worden
Dat is: door God uit genade verlost zal worden en aan u als het ware uit de dood teruggegeven zal worden. Zie een dergelijke manier van spreken in Hand. 27:24; Filipp. 1:25.
met uw geest
Dat is, met ulieder geest. Zie Gal. 6:18; 2 Tim. 4:22.
Hertaald:
met uw geest
Dat is: met uw aller geest. Zie Gal. 6:18; 2 Tim. 4:22. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een welgestelde gelovige, waarschijnlijk te Kolosse, in wiens huis een gemeente samenkwam en die eigenaar was van de slaaf Onesimus. Paulus schrijft hem deze persoonlijke brief om hem te vragen Onesimus als een broeder terug te ontvangen (Filem. 1-25). Een gelovige, waarschijnlijk de vrouw van Filemon, aan wie de brief mede gericht is (Filem. 2). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Aan het einde van zijn brief komt Paulus tot de kern van zijn verzoek. Onesimus is weggelopen en heeft zijn heer mogelijk benadeeld, en Paulus schuift dat niet weg: "En indien hij u iets verongelijkt heeft, of schuldig is, reken dat mij toe" (Filem. 1:18). Daarna zet hij er zijn eigen hand onder, wat in de oudheid de vorm van een schuldbekentenis was: "Ik, Paulus, heb het geschreven met deze mijn hand, ik zal het betalen" (Filem. 1:19). In hetzelfde vers voegt hij er een herinnering aan toe die hij nauwelijks uitspreekt, namelijk dat Filemon zichzelf aan hem verschuldigd is. Even daarvoor heeft hij dezelfde gedachte al in andere woorden gezet: neem hem aan zoals gij mij zoudt aannemen (Filem. 1:17). Bijbelse betekenis: Wat hier in het klein gebeurt, is precies wat het Nieuwe Testament over de rechtvaardiging leert. De schuld blijft schuld en wordt niet weggewuifd; zij wordt overgezet op een ander die haar betalen kan en betalen wil. Drie dingen vallen op. Het eerste is dat Paulus de schuld niet ontkent maar erkent, en juist daarom kan overnemen; verzoening die het onrecht wegpraat, is geen verzoening. Het tweede is dat hij het vrijwillig doet, ongevraagd. En het derde is dat Onesimus zelf niets kan inbrengen: hij wordt aangenomen op grond van iemand anders, en op diens naam. Dat is de weg die bij de toerekening in Rom. 4 uitvoerig behandeld is, hier ineens zichtbaar in een gewone brief over een gewone zaak. Typologie: Paulus schrijft elders wat hier in beeld staat: "Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem" (2 Kor. 5:21). Wat Paulus voor Onesimus deed met de pen, deed Christus voor zondaren met Zijn eigen leven. En zoals Filemon gevraagd wordt Onesimus aan te nemen als was hij Paulus zelf, zo wordt de gelovige aangenomen in de Geliefde (Ef. 1:6). Filem. 1:17-19; Rom. 4:3-8; 2 Kor. 5:21; Ef. 1:6 Paulus zendt Onesimus terug naar Filemon, en zegt erbij hoe hij ontvangen moet worden: "Nu voortaan niet als een dienstknecht, maar meer dan een dienstknecht, namelijk een geliefden broeder, inzonderheid mij, hoeveel te meer dan u, beide in het vlees en in den Heere" (Filem. 1:16). Daarvóór wijst hij op een mogelijke bedoeling in de scheiding zelf: misschien is hij daarom voor een kleine tijd van Filemon gescheiden geweest, opdat hij hem eeuwig zou terugkrijgen (Filem. 1:15). Het woordspel met de naam ontbreekt evenmin: Onesimus betekent nuttig, en hij was vroeger onnut maar is nu nuttig voor beiden (Filem. 1:11). Bijbelse betekenis: De brief schaft de bestaande verhouding niet met een verordening af, en toch blijft zij niet wat zij was. Paulus vraagt Filemon zijn eigendom te ontvangen als een broeder, en dat is geen kleine bijstelling: wie aan één tafel des Heeren zit, kan de ander niet blijven zien als een zaak. Twee dingen horen erbij. Het eerste is dat het Nieuwe Testament de heer evengoed onder een Heer stelt: er is geen aanneming des persoons bij God (Ef. 6:9). Het tweede is dat in Christus het onderscheid tussen dienstbare en vrije wegvalt (Gal. 3:28), zonder dat de gelovige daarmee uit zijn aardse plaats wordt weggenomen. Zo legt deze korte brief de grond waarop de verhouding van heer en slaaf op den duur niet staande kon blijven. Typologie: Wat Onesimus overkomt, is wat de gelovige overkomt. Christus noemt hen die Hem volgen geen dienstknechten meer maar vrienden (Joh. 15:15), en Hij schaamt Zich niet hen broeders te noemen (Hebr. 2:11). En zoals Onesimus terugkeert met een brief die voor hem instaat, zo komt de gelovige tot God met een Naam die niet de zijne is. Filem. 1:11; Filem. 1:15-16; Gal. 3:28; Ef. 6:9; Joh. 15:15; Hebr. 2:11 Voordat Paulus zijn verzoek doet, zegt hij uitdrukkelijk wat hij niet doet. Hij heeft grote vrijmoedigheid in Christus om te bevelen wat betamelijk is, maar hij bidt liever door de liefde, als een oud man en een gevangene van Jezus Christus (Filem. 1:8-9). Hetzelfde herhaalt hij bij het besluit om Onesimus terug te zenden: hij heeft zonder Filemons goedvinden niets willen doen, "opdat uw goeddadigheid niet zou zijn als naar bedwang, maar naar vrijwilligheid" (Filem. 1:14). Aan het slot spreekt hij zijn vertrouwen uit dat Filemon zelfs meer doen zal dan hij vraagt (Filem. 1:21). Bijbelse betekenis: Hier staat een beginsel dat verder reikt dan deze ene zaak. Paulus had kunnen bevelen, en de uitkomst was dan misschien dezelfde geweest; maar een afgedwongen weldaad is geen weldaad meer. Het gaat hem niet alleen om wat er met Onesimus gebeurt, maar om wat er in Filemon gebeurt. Daarom laat hij de ruimte staan waarin een gewillige daad mogelijk blijft. Merk op dat dit geen zwakheid is: hij noemt zijn gezag eerst en legt het dan neer, en dat is iets anders dan het niet hebben. En hij laat de zaak niet los, want hij schrijft, hij herinnert, en hij zegt dat hij vertrouwen heeft. Aandringen zonder dwingen is de weg die deze brief van begin tot einde gaat. Typologie: Paulus past hetzelfde beginsel toe op het geven: "Een iegelijk doe, gelijk hij in zijn hart voorneemt; niet uit droefheid, of uit nooddwang; want God heeft een blijmoedigen gever lief" (2 Kor. 9:7). Petrus past het toe op het ambt: weid de kudde Gods, "niet uit bedwang, maar gewilliglijk" en niet als heerschappij voerend over het erfdeel des Heeren (1 Petr. 5:2-3). Wat God van Zijn volk vraagt, wil Hij gewillig ontvangen. Filem. 1:8-9; Filem. 1:14; Filem. 1:21; 2 Kor. 9:7; 1 Petr. 5:2-3 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen Paulus zit gevangen en schrijft een briefje over één man: Onésimus, een weggelopen slaaf die bij hem tot geloof is gekomen. Hij stuurt hem terug naar zijn eigenaar, en die eigenaar heeft het recht hem zwaar te straffen. Paulus vraagt niet om kwijtschelding maar biedt aan de schuld op zijn eigen rekening te laten zetten. De toon is opvallend zacht voor een apostel. Hij begint met te zeggen dat hij vrijmoedigheid heeft om te bevelen wat betamelijk is, en dat hij dat juist niet doet: ik bid liever door de liefde. Onésimus noemt hij zijn zoon, dien ik in mijn banden heb geteeld. En hij speelt met diens naam, die nuttig betekent: die eertijds u onnut was, maar nu u en mij zeer nuttig. Dan komt het verzoek waar de brief om draait: indien gij mij dan houdt voor een metgezel, zo neem hem aan, gelijk als mij. Hij vraagt niet dat Filémon hem behandelt als een berouwvolle slaaf, maar als Paulus zelf. En dan volgt de zin die deze brief zijn plaats geeft: en indien hij u iets verongelijkt heeft of schuldig is, reken dat mij toe. De kanttekening blijft daar niet omheen draaien. Zij merkt eerst op dat Paulus de diefstal met een zacht woord aanduidt, zoals Jozef ook zijn broers troostte. En dan zegt zij het onomwonden: hier ziet men wat het woord toerekenen eigenlijk betekent. Het wordt bij wijze van vergelijking met borgtocht gebruikt in de leer over de rechtvaardigmaking van de mens voor God, en zij verwijst daarbij naar Genesis 15 en Romeinen 4. Daarmee is deze brief meer dan een aanbeveling. Wat hier op kleine schaal gebeurt tussen drie mensen, is het woord waarmee de Schrift de rechtvaardiging beschrijft: een schuld die blijft staan, maar op een andere rekening. Paulus schrijft het zelfs eigenhandig als een schuldbekentenis: ik, Paulus, heb het met mijn hand geschreven, ik zal het betalen. En dan voegt hij er droog aan toe dat Filémon hemzelf ook nog iets schuldig is — namelijk zichzelf. Hoe het afliep staat er niet. De brief eindigt met de verwachting dat hij nog meer zal doen dan gevraagd is. In het Nieuwe Testament: Romeinen 4:3-8; 2 Korinthe 5:19-21; Kolossenzen 2:14; Jesaja 53:6 Hoever dit reikt: Niveau 2. Paulus schrijft hier over een slaaf en niet over Christus. De kanttekenaars wijzen er wel uitdrukkelijk op dat men in dit vers ziet wat toerekenen betekent in de leer van de rechtvaardigmaking.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Filemon 1
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Reken dat mij toe — 1:8-25
Wat betekenen de niveaus?


Filemon 1
Filemon 1:1
Kruisverwijzingen2 Korinthe 1:1→Filemon 1:24→Kolossenzen 1:1→1 Thessalonicenzen 3:2→Efeze 3:1→Filippenzen 2:25→Kolossenzen 4:11→Efeze 6:20→— Paulus, een gevangene van Christus Jezus, en Timotheus, de broeder, aan Filemon, den geliefde, en onzen medearbeider,
Dit is een van Paulus’ persoonlijke brieven, hoewel zij het stempel van de inspiratie draagt. Zij is niet geschreven over gemeentezaken, en ook niet om een grote leerstellige waarheid te onderwijzen. Er was een weggelopen slaaf die in Rome was gekomen, en die onder Paulus’ bediening bekeerd was. Paulus stuurde hem terug naar zijn meester, en dit was de brief die hij moest meenemen. Hij wilde er enigszins verontschuldiging mee maken, en zijn meester vragen hem vriendelijk te ontvangen en zijn overtreding te vergeven. Elk woord van deze brief is zeer wijs gekozen. Paulus begint met zichzelf “een gevangene van Christus Jezus” te noemen. Wie zou hem zijn verzoek niet inwilligen, wanneer hij een keten droeg om Christus’ wil? Stel dat er een brief tot u zou komen van een geliefde predikant. Wist u dat hij in een kerker lag en spoedig zou sterven, dan zou u diep geraakt zijn. U zou de sporen van de roest van zijn boeien op die brief zien.
Filemon 1:1-3
KruisverwijzingenKolossenzen 4:17→Romeinen 16:5→2 Korinthe 1:1→Romeinen 1:7→Filemon 1:24→Kolossenzen 1:1→1 Thessalonicenzen 3:2→Efeze 3:1→— Paulus, een gevangene van Christus Jezus, en Timotheus, de broeder, aan Filemon, den geliefde, en onzen medearbeider, En aan Appia, de geliefde, en aan Archippus, onzen medestrijder, en aan de Gemeente, die te uwen huize is: Genade zij ulieden en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.
Hij voegt Timotheüs bij zichzelf, om aan de boodschap dubbel gewicht te geven. Waarschijnlijk was Timotheüs goed bekend bij Filemon, en zeer geacht door hem, zodat Paulus zijn naam erbij zet, opdat er twee zouden zijn om bij hem te pleiten. Merk dan op met wat een liefdevolle titels Paulus Filemon aanspreekt: “den geliefde, en onzen medearbeider.” Waarschijnlijk was Appia, die Paulus “de geliefde” noemt, de vrouw van Filemon, dus schrijft hij ook aan haar. Misschien was de vrouw de teerhartigste van de twee, en kon zij een goed woord doen voor Onesimus, zodat haar man des te gereder Paulus’ verzoek zou inwilligen. Hij noemt ook Archippus, die of de herder was van de gemeente te Kolosse, of een evangelist die af en toe verbleef in het huis van Filemon. Zo noemt hij hem samen met de rest van het huisgezin dat daar bijeenkwam om te aanbidden, en zo de gemeente in het huis vormde.
Filemon 1:4-7
KruisverwijzingenRomeinen 1:8→2 Korinthe 7:13→Kolossenzen 1:4→Efeze 1:15→Kolossenzen 1:3→2 Thessalonicenzen 1:3→Filippenzen 1:3→1 Thessalonicenzen 1:2→— Ik dank mijn God, uwer altijd gedachtig zijnde in mijn gebeden; Alzo ik hoor uw liefde en geloof, hetwelk gij hebt aan den Heere Jezus, en jegens al de heiligen; Opdat de gemeenschap uws geloofs krachtig worde in de bekendmaking van alle goed, hetwelk in ulieden is door Christus Jezus. Want wij hebben grote vreugde en vertroosting over uw liefde, dat de ingewanden der heiligen verkwikt zijn geworden door u, broeder!
Paulus herinnert zich hoeveel Filemon gedaan had aan de vertroosting van vervolgde en arme heiligen. Staat u op het punt iemand om een gunst te vragen, dan doet u er goed aan uw dankbaarheid te tonen. Toon dankbaarheid voor wat u of anderen reeds van hem ontvangen hebt.
Filemon 1:8-9
Kruisverwijzingen1 Thessalonicenzen 2:6→Efeze 4:1→2 Korinthe 3:12→Romeinen 12:1→Efeze 5:4→2 Korinthe 10:1→2 Korinthe 11:21→1 Thessalonicenzen 2:2→— Daarom, hoewel ik grote vrijmoedigheid heb in Christus, om u te bevelen, hetgeen betamelijk is; Zo bid ik nochtans liever door de liefde, daar ik zodanig een ben, te weten Paulus, een oud man, en nu ook een gevangene van Jezus Christus.
Hij zegt in feite dat hij een apostel is, en de geestelijke vader van Filemon. Daarom had hij hem met gezag kunnen toespreken en had hij kunnen zeggen dat het zijn plicht was dit te doen. Maar dat wil hij niet doen. Hij wil liever bij hem pleiten, en het van hem smeken als een vriendelijkheid en een gunst. Hij wil Filemon vragen zijn ouderdom een liefdevolle hulde te bewijzen, en te bedenken dat hij bovendien een gevangene is, opgesloten in de kerker om Christus’ wil. Laat Filemon het rammelen van zijn ketenen horen, en zijn verzoek verlenen om de liefde’s wil.
Filemon 1:10-12
KruisverwijzingenKolossenzen 4:9→1 Korinthe 4:15→2 Timotheüs 4:11→Galaten 4:19→Lukas 17:10→Lukas 15:32→Romeinen 3:12→1 Petrus 2:10→— Ik bid u dan voor mijn zoon, denwelken ik in mijn banden heb geteeld, namelijk Onesimus; Die eertijds u onnut was, maar nu u en mij zeer nuttig; denwelken ik wedergezonden heb; Doch gij, neem hem, dat is mijn ingewanden, weder aan;
De natuur is zelfzuchtig, maar de genade is liefdevol. Mensen die erop bogen dat zij zich om niemand bekommeren en niemand zich om hen bekommert, zijn het tegendeel van een christen. Jezus Christus verruimt immers het hart wanneer Hij het reinigt. Onesimus was Paulus komen horen preken in de gevangenis. Hij had naar hem geluisterd terwijl deze nog gevangen was, en was hem gegeven als een andere zoon in het Evangelie, om hem tot troost te zijn in zijn banden. Daarom bidt Paulus voor hem. Onesimus was Filemons slaaf, en daarom zond Paulus hem naar hem terug. Filemon moest hem aanzien alsof hij Paulus’ eigen hart was, en hem ontvangen zoals hij Paulus zelf zou ontvangen, als deze tot hem kon gaan.
Filemon 1:13-14
Kruisverwijzingen2 Korinthe 9:7→1 Korinthe 16:17→Efeze 3:1→Filemon 1:1→Filippenzen 1:7→Filippenzen 2:30→Efeze 4:1→1 Petrus 5:2→— Denwelken ik wel had willen bij mij behouden, opdat hij mij voor u dienen zou in de banden des Evangelies. Maar ik heb zonder uw goedvinden niets willen doen, opdat uw goeddadigheid niet zou zijn als naar bedwang, maar naar vrijwilligheid.
Paulus zou hem graag hebben behouden, want hij had iemand nodig als metgezel, om hem te troosten in zijn nood. Maar hij wilde het niet doen zonder Filemon om verlof te vragen, opdat het niet zou lijken alsof hij misbruik van hem maakte. Al wist hij dat Filemon er gewillig in zou toestemmen, toch zond hij hem naar hem terug. Het moest geheel vrijwillig van Filemons kant zijn, zodat Filemon met hem kon doen wat hij wilde.
Filemon 1:15-17
KruisverwijzingenMattheüs 23:8→1 Timotheüs 6:2→2 Korinthe 8:23→Genesis 45:5→Kolossenzen 3:22→Genesis 50:20→Mattheüs 10:40→Handelingen 4:28→— Want veellicht is hij daarom voor een kleinen tijd van u gescheiden geweest, opdat gij hem eeuwig zoudt weder hebben. Nu voortaan niet als een dienstknecht, maar meer dan een dienstknecht, namelijk een geliefden broeder, inzonderheid mij, hoeveel te meer dan u, beide in het vlees en in den Heere. Indien gij mij dan houdt voor een metgezel, zo neem hem aan, gelijk als mij.
Hoe mooi is dit door en door gezegd! Het doet mij sterk denken aan onze Heere Jezus Christus, Die als het ware tot de goddelijke Vader zegt dat dit arme kind in gemeenschap met Hem is. De Vader moet hem daarom ontvangen als Christus Zelf. Dat is precies wat God doet in het geval van berouwvolle en gelovige zondaren; Hij ontvangt hen alsof Hij Christus in hen zag. Niemand is zo teder en meelevend als onze Meester. Zijn wij werkelijk Zijn discipelen, dan zal diezelfde gezindheid ook in ons zijn, die ook in Christus Jezus was.
Filemon 1:18
KruisverwijzingenJesaja 53:4→— En indien hij u iets verongelijkt heeft, of schuldig is, reken dat mij toe.
Hoe grootmoedig is dit gezegd door deze arme gevangene te Rome, en hoe heerlijk gelijkt hij hierin op onze Meester, Die voor ons als Borg staat!
Filemon 1:19
KruisverwijzingenGalaten 5:2→Jakobus 5:19→Titus 1:4→1 Korinthe 4:15→2 Korinthe 3:2→Galaten 6:11→1 Korinthe 9:1→1 Korinthe 16:21→— Ik, Paulus, heb het geschreven met deze mijn hand, ik zal het betalen; opdat ik u niet zegge, dat gij ook uzelven mij daartoe schuldig zijt.
Paulus was het middel geweest tot Filemons bekering, zodat deze onmetelijk in de schuld stond bij de apostel. Maar Paulus herinnert hem daar slechts zachtjes aan, als een reden waarom hij vriendelijk met Onesimus zou moeten omgaan, om zijnentwil.
Filemon 1:20
KruisverwijzingenFilemon 1:7→Filippenzen 4:1→2 Korinthe 7:4→Hebreeën 13:17→Filemon 1:12→3 Johannes 1:4→1 Johannes 3:17→1 Thessalonicenzen 3:7→— Ja, broeder, laat mij uwer hierin genieten in den Heere; verkwik mijn ingewanden in den Heere.
Filemon had anderen verkwikt; dan zou hij Paulus zeker niet zonder verkwikking laten. Hij was zeer vriendelijk geweest voor allerlei heiligen; dan kon hij niet onvriendelijk zijn voor de man die zijn eigen geestelijke vader was.
Filemon 1:21
Kruisverwijzingen2 Korinthe 2:3→Galaten 5:10→2 Korinthe 7:16→2 Korinthe 8:22→2 Thessalonicenzen 3:4→— Ik heb aan u geschreven, vertrouwende op uw gehoorzaamheid; en ik weet, dat gij doen zult ook boven hetgeen ik zeg.
Dit is fijngevoelig maar krachtig gezegd, en wij mogen er zeker van zijn dat Filemon gedaan heeft wat Paulus wenste, ook al hebben wij daar geen verslag van.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-7.KruisverwijzingenRomeinen 1:8→2 Korinthe 7:13→Kolossenzen 4:17→Romeinen 16:5→Kolossenzen 1:4→Efeze 1:15→2 Korinthe 1:1→Romeinen 1:7→
— Paulus, een gevangene van Christus Jezus, en Timotheus, de broeder, aan Filemon, den geliefde, en onzen medearbeider, En aan Appia, de geliefde, en aan Archippus, onzen medestrijder, en aan de Gemeente, die te uwen huize is: Genade zij ulieden en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus. Ik dank mijn God, uwer altijd gedachtig zijnde in mijn gebeden; Alzo ik hoor uw liefde en geloof, hetwelk gij hebt aan den Heere Jezus, en jegens al de heiligen; Opdat de gemeenschap uws geloofs krachtig worde in de bekendmaking van alle goed, hetwelk in ulieden is door Christus Jezus. Want wij hebben grote vreugde en vertroosting over uw liefde, dat de ingewanden der heiligen verkwikt zijn geworden door u, broeder!
Volgens zijn gewoonte begint de apostel ook deze brief, die gelijktijdig met die aan de Kolossensen in de herfst van het jaar 61 na Christus geschreven is Ac 28: 31, na adres en groet, waarin hij niet alleen in zijn, maar ook in Timotheus’ naam groet en zich niet alleen aan de geadresseerde, maar ook tot de personen, die bij hem zijn, zich wendt (vs. 1-3), met een voorbede en dankzegging aan God. Deze geschiedt met het oog op het geloof en de liefde van hem, die de brief ontvangt, en die aan alle heiligen is bekend geworden (vs. 4-7).
Paulus, een gevangene van Christus Jezus, (Efeze. 3: 1) en Timotheus de broeder (Kol. 1: 1), aan Filemon (= onze vriend), de geliefde en onze medearbeider (Rom. 16: 3 Fil. 2: 25).
En aan Appia, de geliefde, onze zuster in de Heer (Rom. 16: 1. 1 Kor. 7: 15; 9: 5 en aan Archippus (Kol. 4: 17), onze medestrijder (Fil. 2: 25; 2 Tim. 2: 3) en aan de gemeente, die in uw huis is (Rom. 16: 5. 1 Kor. 16: 19)
Is er een gemeente in uw huis? Zijn ouders, kinderen, vrienden, dienstboden, alle leden van die gemeente? Of zijn er nog sommigen onbekeerd? Laat ons hier een ogenblik stilstaan en laat de vraag bij allen rondgaan: Ben ik een lid van de gemeente in dit huis? Hoe zou vaders hart van vreugde opspringen en moeders ogen zich met heilige tranen vullen, als allen, van de oudste tot de jongste toe behouden waren! Laat ons deze genade afbidden, totdat de Heere ze ons schenkt. Waarschijnlijk was het Filemons dierbaarste wens geweest om zijn gehele huisgezin behouden te weten; maar deze wens werd hem niet meteen in zijn hele volheid geschonken. Hij had een ongehoorzame dienstknecht, Onesimus, die hem eerst bestal en daarna zijn dienst verliet. De gebeden van zijn meester volgden hem en ten slotte beschikte God, dat Onesimus de Evangelieverkondiging van Paulus hoorde. Zijn hart werd getroffen en hij keerde tot Filemon terug, niet slechts als een getrouwe dienstknecht, maar als een geliefde broeder en een nieuw lid voor de gemeente in Filemon’s huis. Is er een onbekeerd kind, een onbekeerde dienstbode afwezig? Bid in het bijzonder, dat deze bij zijn terugkomst thuis blijde tijdingen moge medebrengen over hetgeen de genade aan hem gedaan heeft! Is er zo iemand tegenwoordig, laat hem in dezelfde ernstige bede delen. Als er zo’n gemeente in ons huis is, laat ons haar wel ordenen en laten allen voor Gods aangezicht handelen. Laat ons in de gewone bezigheden van het leven heilig, oprecht, naarstig en vriendelijk wandelen. Van een gemeente wordt meer verwacht dan van een gewone huishouding; in dat geval moet de huisgodsdienst hartelijker en ernstiger zijn; de onderlinge liefde moet tederder en standvastiger zijn en het uitwendig gedrag Christelijker en heiliger. Wij behoeven niet te vrezen, dat ons geringe aantal ons buiten de rij van de gemeente zal sluiten, want de Heilige Geest heeft hier een familiegemeente in het boek van de gedachtenis geschreven. Laat ons als gemeente nader treden tot het grote Hoofd van de ene, algemene Christelijke kerk en van Hem de genade afsmeken om tot eer van Zijn Naam ons licht voor de mensen te laten schijnen.
Genade zij jullie (vgl. vs. 25) en vrede van God, onze Vader en de Heere Jezus Christus (vgl. bij Rom. 1: 7 Efeze. 1: 2. 1 Thessalonicenzen. 1: 1).
Het is slechts een persoonlijke aangelegenheid, die tussen Paulus en Filemon moet worden behandeld, waarover de apostel aan deze met hem bevriende Christen schreef, zoals hij dan ook doorgaans in de eerste persoon in het enkelvoud spreekt en met uitzondering van de slotwoorden (vs. 25) doorgaande alleen hem aanspreekt. Desalniettemin noemt hij in het opschrift, nevens zijn eigen naam, ook die van Timotheus en richt hij zijn groet niet alleen aan Filemon, die hij, zeker wel om dezelfde reden als in Rom. 16: 3 Aquila en Priscilla, zijn medearbeider en van Timotheus noemt, maar ook aan zijn vrouw Appia en zijn zoon, waarvoor wij in Kol. 4: 17 Archippus leerden kennen, ja ook aan de gemeente in zijn huis. Door dit opschrift maakt hij het tot een plicht voor Filemon om de brief niet voor zichzelf te houden, maar die aan zijn betrekkingen en de gemeente in zijn huis mee te delen, echter niet alsof hij van hen een steunen van zijn bede hoopte, maar met het doel, dat zij ook zouden weten, wat Filemon had gedrongen het gevraagde te doen. Eveneens moest Filemon weten, dat Paulus niet zonder medeweten van Timotheüs de brief had geschreven, maar niet alsof hij hoopte des te eer zijn bede vervuld te zien, maar opdat zijn bede niet misschien slechts zou voorkomen als een uitvloeisel van persoonlijke gunst jegens Onesimus. Het moest zijn alsof hij de bede in tegenwoordigheid van zijn medearbeiders aan de ene en van de gemeente ten huize van Filemon aan de andere kant uitsprak. Hij noemt zich verder “een gevangene van Christus Jezus” en hij laat zo zijn apostelschap ongenoemd en terugtreden achter het lijden, dat hij om Christus’ wil leed, dat Filemon gunstig voor hem moest stemmen.
Omdat de woonplaats van Filemon niet genoemd is, heeft men hem elders proberen te vinden. Nu vond men in Kol. 4: 9 dat zijn slaaf Onesimus uit Kolosse afkomstig was en besloot hieruit, dat ook Filemon in Kolosse moest gezocht worden; men vergat echter, dat de geboorteplaats van de slaaf nog niets voor de geboorteplaats van de heer bewijst. Juister is zeker de volgende gevolgtrekking: de brief aan Filemon is niet slechts aan deze, maar onder anderen ook aan Archippus gericht; de laatste nu woonde volgens Kol. 4: 17 niet te Kolosse, maar te Laodicea, want had hij het ambt of de dienst, waarvan daar sprake is, in Kolosse waargenomen, dan is het niet te begrijpen, waarom de apostel hem alleen door anderen laat vermanen, de dienst, die hij op zich heeft genomen, te volvoeren en niet onmiddellijk zelf in de brief hem daartoe opwekt. Evenals dus Archippus te Laodicea woonde, zo moest ook Filemon (ten minste als hij diens vader was) daar zijn woonplaats hebben gehad.
a) Ik dank mijn God (vgl. de verklaring bij 1 Kor. 1: 4), u altijd gedachtig zijnde in mijn gebeden (Kol. 1: 3 v. Efeze. 1: 15 v. Rom. 1: 8 Fil. 1: 3 vv.).
1 Thess. 1: 2. 2 Thess. 1: 3
Zo, (daarom), omdat ik van meer dan ene kant, door Epaphras (Kol. 1: 7 v.) alsook door de bekeerde Onesimus (vs. 10 v.), hoor uw liefde (vgl. bij vs. 7) en geloof, dat u heeft aan de Heere Jezus en jegens al de heiligen en zoals mij dat nudringt tot dank jegens God, zo vraag ik daarom, zo vaak ik u gedenk in mijn gebed.
Ik vraag voor u om die zegen, opdat de gemeenschap van uw geloof, u van uw kant en wij Christenen van onze kant, krachtig wordt in de bekendmaking van alle goed, dat in jullie, die de gemeente aldaar vormt met allen, die vroegerheidenen waren, is door Christus Jezus en de dankbare erkentenis daarvan u dan dringt om uw liefde tot een ieder uit te strekken, die dezelfde genade met u deelachtig bent geworden en uw broeder in Christus is (vs. 16. Kol. 3: 10 v.).
Want wij hebben grote vreugde en vertroosting (2 Kor. 7: 13) over uw liefde, die u in een bepaald opzicht zo duidelijk heeft geopenbaard, dat de ingewanden, de harten van de heiligen te Jeruzalem (1 Kor. 16: 1 Rom. 12: 13; 15: 26) in de moeilijke omstandigheden en het lijden, waarin zij zijn, verkwikt zijn geworden (vs. 20) door u, broeder, zoals ik in dankbare erkenning van uw broederlijke gezindheid met vreugde u mag noemen.
Voordat de apostel in de volgende afdeling tot het voorhouden van zijn bede voor Onesimus overgaat, noemt hij in vs. 7 nog de reden, waarvoor hij zijn dankzegging uitspreekt (vs. 4). Hij spreekt daar van iets, dat zowel hem als Timotheüs tot vreugde en met het oog op zijn banden tot troost is geweest. Welke “heiligen”, wier “ingewanden” (als zetel van het gevoel Fil. 1: 8. 2 Kor. 6: 12 door Filemon verkwikt worden en welke verkwikkingen hier bedoeld zijn, wordt niet nader bepaald; de uitdrukking leidt er in de eerste plaats toe, om aan arme ongelovigen en aan tijdelijke verkwikkingen te denken.
Men zal daaraan moeten denken, dat door “heiligen”, ook zonder alle nadere bepaling, de moedergemeente van de Christenen gewoonlijk werd voorgesteld. Vindt nu dit gebruik van de uitdrukking hier plaats, dan heeft Filemon door een gave aan de moedergemeente te Jeruzalem bij haar behoefte aan een bewijs van liefde van de kant van de heidenen, haar hulp verleend. Dat was de apostel tot vreugde en tot troost, van wie wij weten hoeveel belang hij erin stelde, dat de Christenen uit de heidenen aan de moedergemeente zulke bewijzen van haar liefde gaven (vgl. 2 Kor. 9: 12 vv. Rom. 15: 27). Heeft dan Filemon zijn geloofsgemeenschap zo krachtig op die wijze geopenbaard, dan zal hij het niet minder in zijn naaste omgeving aan ieder, die de naam van Christen waardig is, doen en geen van die miskennen. Dit bidt de apostel hem (vs. 6) op grond van hetgeen hij van zijn algemene Christelijke liefde hoort (vs. 5) en hij verenige deze bede met dankzegging aan God, waarin de vreugde en troost, waarmee het liefdewerk aan de gemeente gedaan hem vervuld heeft (vs. 7), zich uitdrukt. Filemon moet dit echter weten, voordat hij de bede mag horen, waarmee de apostel in het volgende tot hem komt.
II. Vs. 8-21.Kruisverwijzingen2 Korinthe 9:7→Mattheüs 23:8→Kolossenzen 4:9→1 Timotheüs 6:2→2 Korinthe 8:23→1 Thessalonicenzen 2:6→Efeze 4:1→1 Korinthe 4:15→
— Daarom, hoewel ik grote vrijmoedigheid heb in Christus, om u te bevelen, hetgeen betamelijk is; Zo bid ik nochtans liever door de liefde, daar ik zodanig een ben, te weten Paulus, een oud man, en nu ook een gevangene van Jezus Christus. Ik bid u dan voor mijn zoon, denwelken ik in mijn banden heb geteeld, namelijk Onesimus; Die eertijds u onnut was, maar nu u en mij zeer nuttig; denwelken ik wedergezonden heb; Doch gij, neem hem, dat is mijn ingewanden, weder aan; Denwelken ik wel had willen bij mij behouden, opdat hij mij voor u dienen zou in de banden des Evangelies. Maar ik heb zonder uw goedvinden niets willen doen, opdat uw goeddadigheid niet zou zijn als naar bedwang, maar naar vrijwilligheid. Want veellicht is hij daarom voor een kleinen tijd van u gescheiden geweest, opdat gij hem eeuwig zoudt weder hebben. Nu voortaan niet als een dienstknecht, maar meer dan een dienstknecht, namelijk een geliefden broeder, inzonderheid mij, hoeveel te meer dan u, beide in het vlees en in den Heere. Indien gij mij dan houdt voor een metgezel, zo neem hem aan, gelijk als mij.
Na deze inleiding begint de apostel te schrijven over de zaak, die eigenlijk het hoofdpunt van zijn schrijven uitmaakt. Hij gaat uit van de liefde, waaraan hij van te voren als door Filemon betoond, met lof gedacht heeft en vermaant hem nu, Onesimus, die hij hem met deze brief terugzendt, aan te nemen. Graag had hij zelf hem in zijn dienst gehouden, maar dat hij hem nu na die grote verandering, die met hem had plaats gehad, niet meer als een dienstknecht beschouwt, maar als een broeder in Christus behandelt, alsof hij met hemzelf, met de apostel te doen had. Deze verbindt zich dan ook tot vergoeding van alle schade, die uit het misdrijf van de ontvluchte voor zijn heer is voortgevloeid, hoewel hij zo’n borgtocht bij Filemon op grond van hetgeen die zijn leermeester te danken heeft, wel niet nodig zou hebben. Terwijl Paulus nog eens Filemon een echt dringend woord toespreekt, zodat deze wel niet anders kan dan het gevraagde toestaan, leidt hij hem door een fijne wending daarheen dat hij meer doet dan in de eerste plaats van hem is gevraagd, waarbij alleen kan gemeend zijn, dat hij aan Onesimus de vrijheid schenkt en het recht als heer over hem niet doet gelden.
Daarom, omdat ik volgens het zo-even gezegde reden heb, mijn God uwentwege te danken over hetgeen u reeds gedaan heeft (vs. 4 v.), hoewel ik in een ander opzicht, namelijk (vs. 1) als apostel van de Heere, grote vrijmoedigheid heb in Christus, om u in dezezaak te bevelen hetgeen betamelijk is;
Zo bid ik nochtans liever door de liefde en wens dat deze in een zaak, waarbij het zo geheel op haar opkomt, wanneer die geheel en goed en tot blijdschap ten einde gebracht zal worden, zich openbaart. U zult die liefdebetoning aan mijniet weigeren, omdat ik, te weten Paulus, iemand ben, een oud man en nu ook een gevangene van Jezus Christus.
Paulus verzwijgt niet, dat hij zich wel bewust is van zijn recht om Filemon iets te bevelen, dat hem toekomt als een, die het van Christuswege is geschonken. Als hij nu echter zegt, dat hij om de liefde de voorkeur geeft aan een bede, dan is daarmee bedoeld, dat het in het algemeen het zien op de liefde is, die hem tot de bede dringt. Deze moet gelegenheid hebben om zich in een zaak, die de hare is, te openbaren. Daarmee stemt nu ook overeen het “daarom”, waarmee vs. 8 aan het voorgaande is verbonden: de apostel zou, als hij bevelender wijze handelde, met zijn dankzegging in tegenspraak komen, die voortkwam uit zijn verzekerdheid, die op ervaring rustte, dat hij niet zou weigeren, wat van hem in naam van de liefde werd begeerd. De verklaring, waarom hij bidt in plaats van te gebieden, is het eerste, waarmee de apostel zijn bede op een wijze inleidt, die geschikt is op Filemons gemoed een invloed uit te oefenen, die hem de vervulling van de bede verzekert. Het tweede is, dat hij hem voorstelt wie hij is, die hem bidt en dan wijst het, “omdat ik zo iemand ben” op de toestand, waarin de spreker tegenover de aangesprokene staat.
Er zijn drie aanwijzingen over zijn persoon, die de apostel wil doen opmerken met de woorden: “Paulus, een oud man en nu ook een gevangene van Jezus Christus”. Paulus, de welbekende, wiens naam reeds een goede klank in het oor van Filemon heeft gekregen; bovendien een oud man, wiens woord met zachtmoedigheid en gewilligheid aangehoord moet worden en niet hartelijk mag worden afgewezen. Ten slotte een gevangene van Jezus Christus, tot wiens verkwikking en verlichting Filemon zeker zeer graag het zijne zal willen bijdragen. Zo stelt de apostel zijn eigen persoonlijkheid zo concreet en aanschouwelijk als maar mogelijk is Filemon voor ogen, alsof hij daardoor tevens de persoon van Onesimus, die nu pas als van achter hem tevoorschijn komt, voor de toorn van zijn heren wil dekken.
a) Ik bid u dan, om nu nader de zaak te behandelen, waarom ik deze aan u schrijf, voor mijn zoon, die ik op geestelijke wijze, door zijn bekering tot Christus (1 Kor. 4: 15 Gal. 4: 19) in mijn banden heb geteeld een omstandigheid, die mij zijn aanwinst voor het rijk van God dubbel verblijdend maakt, dat ik nu met mijn werk tot een zo’n nauwe kring beperkt ben. Ik bid u voor hem, namelijk voor Onesimus.
Kol. 4: 9
Hij beschrijft zichzelf als iemand, die men geen verzoek, dat niet uit eigen belang, maar alleen uit mensenliefde voortkwam, weigeren kon, (vs. 9); als Paulus, wat een geachte naam bij de Christenen, die ieder een eerbied inboezemde; als een oud man, die reeds ver op zijn dagen was en zo veel ondervinding had, dat hij geen onbedachtzaam verzoek zou voorstellen; als iemand, die nu ook een gevangene was om de zaak van Jezus Christus en daarvoor zeer veel te lijden had. Zo’n man was hij, die het verzoek deed en wie van de Christenen zou hem zijn begeerte hebben willen en kunnen weigeren? Deze beschrijving daarom van de persoon, die het verzoek deed, behelsde reeds veel drangredenen in zich. Evenzo is het ook gelegen met de beschrijving van Onesimus, ten behoeve van wie het verzoek gedaan werd (vs. 10-11). De apostel noemt hem zijn zoon, omdat hij hem in zijn banden geteelt en, te Rome, waar hij gevangen was, tot het geloof in Christus bekeerd had. De keten, waaraan de apostel gekluisterd was, verhinderde hem niet om in zijn woning het Evangelie te prediken voor allen, die hem kwamen horen. Onder deze was ook Onesimus geweest en het Evangelie had zo’n invloed op zijn gemoed gemaakt, dat hij het gelovig omhelsd had. Onesimus was daarom nu een mede-Christen van Filemon, zijn heer en de geestelijke zoon van de apostel. Hoe aandoenlijk is het verzoek van een vader, ten behoeve van zijn zoon!
Die eertijds, (een woordspeling op zijn naam “Onesimus”, d. i. een nuttige u nutteloos was (vgl. vs. 18), maar nu om zijn naam tot waarheid te maken, u en mij zeer nuttig, die ik tot u teruggezonden heb, nadat hij eerst van u was weggevlucht.
Maar beantwoord nu zich uit mijn liefdewerk met een wederkerig bewijs van liefde aan Onesimus. Neem hem, dat is mijn ingewanden, weer aan; een, die ik zozeer in mijn hart heb opgenomen, dat het mij was, alsof ik mijn ingewandenweggaf, toen ik hem van mij liet gaan (vgl. vs. 17).
Onesimus betekent “nuttig”. Daarop zinspeelt Paulus als hij zegt: “hij is mij en u zeer nuttig”.
Zijn bekering heeft hem zowel voor de apostel als voor Filemon werkelijk bruikbaar gemaakt, de apostel, in wiens bezigheden hij vroeger niet te gebruiken zou geweest zijn, maar ook aan Filemon, wie hij bij zo’n gezindheid als hij door zijn weglopen toonde, een onbetrouwbaar knecht was geweest, maar aan wie hij daarentegen nu des te getrouwer zou zijn.
Die ik wel bij mij had willen houden, opdat hij mij voor u, als in uw plaats (vgl. 1 Kor. 16: 17 Fil. 2: 30) dienen zou in de banden van het Evangelie (Efeze. 3: 1 vv.).
Maar Ik heb zonder uw goedvinden niets willen doen in een zaak, waarbij alles op uw beslissing aankomt, opdat uw goeddadigheid, wat ik bij de in vs. 13 genoemde plaatsvervanging van u zou ontvangen, niet zou zijnals naar bedwang, niet als was het u afgeperst, maar naar vrijwilligheid, zoals dat in zo’n geval dan ook alleen van wezenlijke waarde is (2 Kor. 9: 7. 1 Petr. 5: 2).
De apostel laat in het “voor u” de veronderstelling van het vertrouwen doorschemeren, dat Filemon zelfs, als hij het zou hebben gewenst, hen in de gevangenis zou hebben gediend en in het “in de banden van het Evangelie” stelt hij zijn toestand voor als een, die zo’n liefdedienst noodzakelijk en gewenst zou maken; door de dienst van zijn slaaf zou hij dan daarvan ontheven zijn. Zo juist! weet Paulus wat hij eerst dacht te doen, omdat hij anders op de lijfeigen van een ander in het geheel geen recht had te rechtvaardigen. Intussen, zo gaat hij voort, omdat hij Filemons eigen mening niet kende en dus zonder deze zou hebben moeten handelen, meende hij het eerst voorgenomen bij zich houden van die slaaf te moeten nalaten, om niet op wijze van drang, omdat er toch van de kant van Filemon geen verklaring bestond, zich iets goeds te laten betonen, dat alleen dan zedelijke waarde had, als het vrijwillig geschiedde.
Want wellicht, zo denk bij uzelf, als u hem nu op grond van mijn overweging terug ontvangt, nadat hij vroeger van u gevlucht was, is hij daarom voor een kleine tijd van u gescheiden geweest, opdat u hem eeuwig, niet alleen voor deze, maar ook voor de toekomstige wereld weer zou hebben.
Nu voortaan niet als een dienstknecht, maar meer dan een dienstknecht, namelijk een geliefde broeder. Dat is hij inzonderheid mij, die hem hier boven (vs. 12) voor mijn eigen ingewanden verklaarde, hoeveel temeer dan u, die hij in dubbele betrekking toebehoort, zowel in het vlees (Rom. 9: 3) als in de Heere (1 Tim. 6: 2).
Naar Gods weg, waarop Hij een val tot een geneesmiddel maakt, zou men kunnen besluiten, dat het kwaad was toegelaten, om het goede daaruit voortgekomen (Gen. 45: 5); omdat men echter dergelijke woorden zou kunnen misbruiken, voegt de apostel er het “wellicht” bij. Het was aan de kant van Onesimus een moedwillig, ongehoorzaam en voor Filemon nadelig weglopen; omdat echter de genadige terechtbrenging reeds tussen getreden was, spreekt de apostel er met zachtheid over terug “een kleine tijd van u gescheiden”. Filemon moest hem aannemen zonder enige vrees, dat hij opnieuw zich aan iets dergelijks zou schuldig maken. Paulus zendt hem met verzekering van zijn bestendige trouw en van een eeuwige vrucht, die van de nieuwe verbintenis mag worden verwacht.
Als u mij dan houdt voor een metgezel, aan wie u zich innig verbonden voelt en die u met alle vreugde en liefde opname in uw huis zou geven, als hij tot u kwam (Fil. 2: 29), neem hem dan, Onesimus, aan, zoals u mij zou aannemen: ontvang hem met dezelfde blijdschap, waarmee u mij zou ontvangen.
En als hij door zijn verkeerdheid u iets verongelijkt heeft, u schade heeft veroorzaakt, of in iets anders schuldig is, reken dat mij toe, stel het op mijn rekening, zodat ik voortaan uw schuldenaar ben.
Ik Paulus heb hetgeen nu volgt (2 Thess. 3: 17 en “Ro 16: 24 geschreven met mijn hand. Ik zal het betalen en stel mij dus plechtig als borg; opdat ik u niet zegt, als ik spreek zoals ik in vs. 18 deed, dat u, in zoverre uw bekering tot Christus door middel van mij heeft plaats gehadAc 18: 23 en u dus, wat u in het geestelijkleven bent, door mij bent geworden, ook dezelf (vgl. Luk. 9: 25) mij daartoe schuldig bent. Liever zou zich dus aan uw schuld van de dankbaarheid iets moeten aflossen door de schuld van Onesimus op eigen rekening over te schrijven.
Ja, broeder, laat mij u hiervan genieten en vreugde van u hebben in de Heere; verkwik mijn ingewanden in de Heere door mijn Onesimus zo te behandelen, dat ik van alle bezorgdheid over hem ontheven ben.
Filemon moet Onesimus niet anders opnemen, dan of de apostel zelf tot hem kwam, zo’n volle en volkomen liefde eist hij van hem. Opdat nu niet misschien de gedachte aan enig verlies stoornis zou aanbrengen, een verlies tengevolge van Onesimus wangedrag geleden, zij het dat deze hem in enig opzicht schade had aangedaan, of ontrouw was geworden, dan vraagt hij hem, dit hem zelf op rekening te plaatsen; hij wil hem dit beloven en waarborgen met deze eigen handtekening (het overige van de brief was waarschijnlijk Epafras (vs. 23) gedicteerd “Ro 16: 23. Hij nu zal dat wel niet in die zin ernstig hebben gemeend, dat hij de mogelijkheid zich voorstelde, door Filemon om betaling aangemaand te worden. Maar scherts, zoals vele uitleggers het hebben voorgesteld, is daarom het woord toch niet, want bij een schertsen zou niet passen, dat hij voortgaat: “opdat ik u niet zeg, dat u ook uzelf mij daartoe schuldig bent”, Deze spreekwijze “opdat ik u niet zeg” drukt uit, dat men in plaats van hetgeen men zegt, eigenlijk iets anders zou kunnen zeggen, maar dat niet wil zeggen, zonder toch te verzwijgen, dat men het zou kunnen (2 Kor. 9: 4). Wat nu de apostel kon zeggen is dit, dat Filemon het zichzelf en niet Paulus van rechtswege op rekening moest plaatsen, wat Onesimus hem schuldig mocht zijn en het als een afkorting zou kunnen beschouwen op de schuld van de dankbaarheid, die de apostel hem kon voorhouden. Ja, boven dit nietig bedrag van geld of goed is hij hem ook zichzelf verschuldigd; hij heeft toch wat hij is, de werkelijke waarde van zijn leven te danken aan hem, door wie hij tot eeuwige zaligheid is gekomen. Bij deze hoogst ernstige wending is het: “reken dat mij toe” en het “ik zal het betalen” echt niet schertsend bedoeld, het moest integendeel voor Filemon iets beschamends inhouden. De apostel had niet nodig moeten hebben over die geringe schade in geld of goed, die Filemon door Onesimus meende geleden te hebben, of ook werkelijk geleden had, een woord te verliezen. Als hij ervan spreekt moet hij Filemon ervoor hebben gekend, dat het voor deze moeilijk was zich daarover heen te zetten. Men zou zelfs recht hebben om te vermoeden, dat het vrees voor een straf om zo’n zaak geweest is die Onesimus bewoog op de vlucht te gaan. Maar geen vrees voor de straf van een begane diefstal of opzettelijke ontrouw, zoals men veelal aanneemt. Had Onesimus de apostel zo’n misdrijf beleden, dan zou hij het kwaad, dat Filemon hem moest vergeven, geheel anders voorstellen dan met de woorden: “als hij u iets verongelijkt heeft of schuldig is” en in vs. 11 zou hij wat Onesimus vroeger geweest is, geheel anders hebben uitgedrukt dan met de woorden “die eertijds voor u nutteloos was”. Een fout dus in de dienst waardoor Filemon schade had geleden, zal zijn schuld zijn geweest. Zo is het duidelijk, waarom de apostel slechts denkt aan de veroorzaakte schade of het verlies een schade waarvan hij kan zeggen, dat hij die op zijn rekening neemt en hij zou dit niet zeggen, als hij niet bij Filemon een verstoordheid veronderstelde, waarvoor hij zeker een beschamend woord verdiende. Als echter Filemon het beschamende, dat er voor hem lag in het: “ik zal het betalen” en “reken nu dat toe” en het ernstige van de vermaning dat er voor hem lag in het “opdat ik u niet zeg, dat u ook zelf mij daartoe schuldig bent”, gevoelig trof, dan wist de apostel dat gevoelige dadelijk weer uit door voort te gaan. “Ja broeder”, laat mij u hierin genieten in de Heere; verkwik mijn ingewanden in de Heere. Hij heeft er hem zo-even aan herinnerd, dat hij zijn gemeenschap met Christus aan hem te danken heeft en juist hier spreekt hij hem aan met het woord “broeder. ” Door het “u bent ook uzelf mij schuldig” heeft hij hem herinnert aan een schuld, die hem tot een eis recht geeft, maar nu wordt de eis tot een wens “laat mij u genieten”. Niet als een vader van zijn zoon, maar als een broeder van de broeder wil hij genot van hem hebben; en deze wens, waardoor hij de vervulling van zijn bede voor Onesimus als een weldaad voorstelt, die hem zelf van Filemon ten dele wordt laat hij daardoor, dat hij die met een “ja” verbindt uitdrukkelijk in de plaats treden van de eis, die in de voorgaande zin lag “en verklaar die voor een met deze. “In de Heere” zegt hij, want er is hier sprake van een zaak van de Heere, van een bede vanwege de Heere gesteld en omwille van de Heere te vervullen. Eveneens is het, zoals de zin zegt, die de wens in de vorm van een bede herhaalt “verkwik mijn ingewanden in de Heere”, het door bezorgde liefde van de apostel bewogen gemoed, dat Filemon van zijn zorg moest verlossen en met vreugde vervullen en wat hij daarmee doet, is een Christelijk handelen, omdat de liefde, wier wens hij vervult, Christelijke liefde is.
Ik heb zo nu aan u geschreven en laat nu het overige gerust over, vertrouwend op uw gehoorzaamheid, op uw bereidwilligheid om aan mijn bede gehoor te lenen; en ik weet, dat u doen zult ook boven hetgeen ik zeg Col 4: 17.
De vraag, wat hij met het “doen ook boven hetgeen ik zeg” bedoelt, laat hij ter beantwoording aan het verstand en het hart van zijn vriend over; en de gedachte aan een vrijlating van Onesimus, hoewel deze niet dadelijk gevraagd wordt, moet hier toch wel vanzelf in het hart van de getroffen Filemon opkomen.
Ziedaar de bede, die Paulus aan Filemon had voor te dragen en de redenen, waarmee hij haar aandringt. Zij is geheel gebouwd op het karakter en de gemoedsgesteldheid van Filemon, zoals de Apostel die had leren kennen, op zijn geloof in de Heere Jezus en zijn daaruit voortvloeiende liefde voor al de heiligen, inzonderheid voor Paulus. Zij spreekt de taal van het gevoelige, liefdevolle hart, maar is tegelijk weldoordacht en juist geordend. Zij getuigt van de grote gaven van de Apostel naar geest en gemoed, van zijn mensenkennis en wijsheid, van zijn vernuft en zijn scherpzinnigheid, van zijn bescheidenheid en vrijmoedigheid, van zijn nederigheid en zijn betamend gevoel van zijn waardigheid, van zijn gevoel voor recht en billijkheid, maar ook van zijn diep besef van hetgeen de Christen naar het Evangelie betaamt. Zij bevat meer dan één schone, verrassende, roerende wending. Zij klimt gedurig en dringt al sterker en sterker aan, totdat zij ten slotte rustig vertrouwt op de gemoedsgesteldheid van Filemon zelf. Met één woord, zij doet het hoofd en het hart van Paulus eer aan. Zij boezemt ons hoogachting en liefde voor hem in en verdient in waarheid een liefelijk meesterstuk van Christelijke aanbeveling te heten. Denken wij er slechts een ogenblik over na! Ofschoon hij Filemon voor zijn bede reeds had voorbereid, zo legt hij haar echter niet meteen voor hem open, maar herinnert hem eerst, als in het voorbijgaan, wat Filemon graag zou toestemmen, dat hij grote vrijmoedigheid had in Christus, om hem te bevelen hetgeen betamelijk is. Zo doet hij hem voelen, dat hij niet dan hetgeen betamelijk is van hem zal verlangen en dat hij zich aan geen aanmatiging zou schuldig maken, als hij hem beval te doen wat hij van hem zal begeren. Maar hij wil van zijn vrijmoedigheid in Christus geen gebruik maken. Het was niet nodig, ja voegde niet bij een man als Filemon, van wiens liefde tot al de heilige hij zoveel had vernomen. Hij wil daarom liever verzoeken, liever bidden om hetgeen hij verlangde. Dat zou bij Filemon voldoende wezen. Hoe zou hij ook bevelen, hij, de oude Paulus, die nog wel niet zover in jaren was gevorderd, maar toch reeds grijs in de dienst van zijn Heer was geworden en die nu daarenboven om Christus’ wil zich bevond in de gevangenis? Zo’n man voegde het verzoeken en bidden meer dan het gebieden en eisen. Maar zo’n man, wij voelen de kracht en schoonheid van de woorden van de Apostel, aan zo’n man zou geen Christen, zou vooral geen Filemon zijn verzoek weigeren. En wat had hij dan van hem te vragen? Hij bidt voor zijn zoon, hij noemt nog niet zijn naam, voor zijn zoon, die hij in zijn banden had geteeld, bidt hij. Maar zou Filemon Paulus kunnen weigeren, wat hij voor zijn zoon en wel voor een zoon, die hij in zijn gevangenis had gewonnen, van hem begeerde? En die zoon was? Zijn naam moest genoemd worden en Paulus noemt hem dn ook nu. Die zoon was Onesimus. Hoe? Onesimus? de dief en weggelopen slaaf? Bidt Paulus voor hem? Zo zou de met recht vertoornde meester kunnen vragen. Daarom dringt de Apostel zijn bede met verschillende drangredenen en op de roerendste manier aan. Hij erkent met toespeling, zo het schijnt, op zijn naam, dat Onesimus vroeger voor Filemon onnut was, maar doet hem tevens voelen wat een grote, heugelijke verandering er bij zijn slaaf had plaats gehad. Hij had dit reeds aangeduid door hem zijn zoon te noemen, die hij in zijn gevangenis had gewonnen (en hij hoefde Filemon niet uit te leggen, wat hij hiermee bedoelde), maar gaat het nu opzettelijk ontvouwen. De geschiedenis van Onesimus’ bekering deelt hij hem niet mee; dit laat hij aan de gelovig geworden man zelf en aan Tychicus over. Hij verzekert Filemon alleen, dat diezelfde Onesimus, die, om niet ergers te zeggen, hem van te voren nutteloos was, hem nu zeer nuttig zou zijn. Ja, hij kon, door ervaring geleerd, er bijvoegen, dat hij hem zelf in zijn banden van grote dienst was. Hoe geschikt was deze verzekering om Filemon gunstig voor Onesimus te stemmen! Hij zag er in, hoezeer Paulus met hem was ingenomen en wat hij van hem mocht verwachten. De apostel had hem daarom graag bij zich gehouden en Filemon zou hem dit wel niet kwalijk genomen hebben; want Onesimus (wat een schone wending!) had dan voor hem kunnen zijn, wat Filemon ongetwijfeld graag zou willen zijn, hij had hem dan in de plaats van zijn meester kunnen dienen in zijn banden. Maar nee, hij had dat niet willen doen zonder Filemons toestemming. Uit vrije keus en door de liefde gedrongen moest deze zijn goedheid kunnen bewijzen. Dat genot wil Paulus hem niet onthouden. Daarom zendt hij Onesimus terug en bidt Filemon, dat hij zijn slaaf, die de apostel zijn ingewanden noemt, om zijn toegenegenheid voor hem zo sterk mogelijk uit te drukken, in gunst weer aannemen. Deze was ja van hem weggelopen; maar wellicht (hoe zacht en vroom stelt Paulus dit voor en hoe krachtig moest dit werken op het godvruchtige gemoed van Filemon!), wellicht was hij, onder het hoge, liefderijke Godsbestuur, daarom voor een kleine tijd van hem gescheiden geweest, opdat hij hem eeuwig zou weer hebben, weer hebben niet meer als een slaaf, maar meer dan een slaaf, als een broeder, geliefd bij de broeders, geliefd inzonderheid bij Paulus en bovenal bij Filemon zelf. Of aarzelde Filemon nog? Maar hij had immers de nauwste, innigste betrekking op Paulus en was dit zo, zoals de apostel er zich ten volle van verzekerd hield, dan moest hij aan zijn bede gehoor geven en Onesimus in gunst aannemen; want in Onesimus zou hij hem, zijn metgezel, zijn boezemvriend aannemen. Maar de weggelopen slaaf had hem onrecht aangedaan en, zo het schijnt, bestolen? Paulus wil het niet ontkennen! maar hij neemt ook dit bezwaar uit de weg. Het mocht zo zijn, dat Onesimus zijn heer wat ontvreemd had, welnu, hij neemt de schuld voor zijn rekening; hij zal het betalen; daartoe verbindt hij zich schriftelijk. Hoe? Paulus iets aan Filemon betalen en deze was hem niet slechts de ontvreemde som, maar ook daarbij zichzelf schuldig? Hoe treffend doet de apostel hem dit voelen! Hoe moest het hem meteen doen besluiten, om de schuld aan Onesimus kwijt te schelden en ze niet op Paulus te verhalen! Roerend is de bede, die de apostel hierop grondt, dat Filemon hem zichzelf doet genieten en zijn ziel verkwikt in de Heer, door Onesimus in gunst aan te nemen. En nu eindigt hij, zoals het de apostel en de vriend betaamde, met waardigheid en vol vertrouwen. Hij verwacht van Filemon gehoorzaamheid en houdt zich verzekerd, dat hij zal doen zelfs boven hetgeen hem gevraagd was. Nee, wij hebben niet te veel tot lof van het schrijven van de apostel gezegd. Betere voorspraak kon Onesimus niet hebben. Betere aanbevelingsbrief kon hem niet zijn meegegeven. Met die brief kon hij gerust Filemon naderen. Zijn hart moet erdoor bewogen zijn, om Onesimus alles te vergeven en de weggelopen, maar teruggekeerde slaaf zal voortaan als broeder in de Heere door hem behandeld, maar ook de grote verwachting, die Paulus van hem had gegeven, niet beschaamd hebben. Zó heiligt het geloof in Christus de mens. Zó wekt het al de kracht, die in hem is, op en maakt ze werkzaam ten nutte van anderen. Merken wij het op en leren wij van Paulus de gaven, ons door God geschonken, ook die van vernuft en welsprekendheid, aan te wenden, om betamende, Christelijke bedoelingen door de meest geschikte middelen te bereiken en een zegen te worden voor onze medemensen. Er is nog iets, dat onze opmerking verdient. Onesimus ontvlucht zijn heer. Hij komt te Rome, Daar hoort hij van Paulus spreken en hij gaat naar hem henen. Wat hem hiertoe bewogen heeft zegt de geschiedenis niet; maar wij mogen wel vaststellen, dat zijn geweten onrustig zal geweest zijn, dat hij de naam van de grote apostel in Filemons huis vaker zal hebben horen noemen en dat hij bij hem rust voor zijn hart gezocht zal hebben. Hoe het zij, hij ging naar hem heen en stortte zijn hart voor hem uit. Paulus hoort hem met welwillendheid aan en predikt hem het Evangelie van de bekering en vergeving van zonden, overeenkomstig zijn behoefte en wat te Kolosse in het huis van Filemon tevergeefs was geweest, draagt nu te Rome in de gevangenis van Paulus rijke vrucht. Onesimus wordt getrouwen, geroerd, overtuigd, voor Christus gewonnen en zo’n dienaar van de Heere, dat de apostel hem in grote waarde hield! Zonderlinge bestelling van Gods voorzienigheid! Treffende proef van de opzoekende en terechtbrengende liefde van de verhoogde Zaligmaker! Hoe zal Paulus zich verblijd en zijn God gedankt hebben, dat hij ook deze verloren zoon in zijn gevangenis voor zijn Heer en voor Filemon had gewonnen! En u, ouders, die weent over een afgedwaalde, nu voor u verloren zoon of over een dochter, vertroost er u mee en wanhoop niet; maar houdt aan in uw gebeden; wellicht wordt het hart van uw kind, dat u niet kon treffen, elders vertederd; wellicht is het voor een tijd van u gescheiden, opdat u het eeuwig terug zou hebben. Of heeft u het teruggekregen, teruggekregen als uw broeder of zuster in de Heere, o, dank er God voor, die uw gebeden heeft verhoord en verheugt er u over in Hem met een onuitsprekelijke, hemelse vreugde.
III. Vs. 22-24.KruisverwijzingenKolossenzen 4:14→Filippenzen 2:24→2 Korinthe 1:11→Kolossenzen 1:7→2 Timotheüs 4:10→Romeinen 16:7→Handelingen 12:12→Handelingen 19:29→
— En bereid mij ook tegelijk een herberg; want ik hoop, dat ik door uw gebeden ulieden zal geschonken worden. U groeten Epafras, mijn medegevangene in Christus Jezus, Markus, Aristarchus, Demas, Lukas, mijn medearbeiders.
Terwijl hetgeen de apostel Filemon over Onesimus had te zeggen, met de uitdrukking van vast vertrouwen op diens bereidwilligheid, die nog meer zou doen dan met bepaalde woorden gezegd is, nu geëindigd is, volgt het slot van de brief. Paulus had in vs. 17 over Onesimus gevraagd: “neem hem aan zoals mij”, nu zegt hij dat de gebeden van zijn Christelijke gemeenten uit de heidenen het bij de Heere zo ver zouden kunnen brengen, dat hij hem weer geschonken werd, en hij dus ook zelf binnenkort bij Filemon zich kon bevinden. Met het oog op zo’n mogelijkheid vraagt hij reeds vooraf een herberg (vs. 22). Daarop lezen wij groeten van de kant van die medehelpers, die zich in de omgeving van de apostel bevinden (vs. 23 en 24) en aan deze wordt verbonden een zegen, die het geheel sluit (vs. 25).
En bovendien heb ik nog een bede: bereid mij ook tegelijk a) een herberg (Hand. 28: 20); want ik hoop, dat ik door uw gebeden, o Christenen uit de heidenen, omwille van wie ik lijd (Kol. 1: 24) jullie tot verder opbouwen van het rijk van God in de heidenwereld (Fil. 1: 22 v.) geschonken zal worden (vgl. Hand. 12: 5 vv. en “Ac 20: 27.
Hebr. 13: 2
U, Filemon. groeten Epafras, mijn medegevangene in Christus Jezus (Kol. 1: 2 Col en “Col 4: 10.
a) Markus, b) Aristarchus, c) Demas, d) Lukas, mijn medearbeiders.
Hand. 12: 12, 25; 15: 37 1 Petr. 5: 13 b) Hand. 19: 29; 20: 4; 27: c) Kol. 4: 14. c) 2 Tim. 4: 10 d) 2 Tim. 4: 11
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel