Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Toen gaf de koningH4430 DariusH1868 bevelH2942; en zij zochtenH1240 in de kanselarijH1005, waar de schattenH1596 waren weggelegdH5182, in BabelH895.
Toen gaf de koning Darius bevel; en zij zochten in de kanselarij, waar de schatten waren weggelegd, in Babel.
KJV
Then1
Darius2
the king3
made4
a decree,5
and search6
was made in the house7
of the rolls,8
where12
the treasures10
were laid up11
in Babylon.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En te AchmethaH307, in de burchtH1001, die in het landschapH4083 MedieH4076 is, werd een rolH4040 gevondenH7912; en daarin was aldusH3652 geschrevenH3790: GEDACHTENISH1799:
En te Achmetha, in de burcht, die in het landschap Medie is, werd een rol gevonden; en daarin was aldus geschreven: GEDACHTENIS:
KJV
And there was found1
at Achmetha,2
in the palace3
that is in the province6
of the Medes,5
a8
roll,7
and therein11
was a record12
thus9
written:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
In het eersteH2298 jaarH8140 van den koningH4430 KoresH3567, gaf de koningH4430 KoresH3567 dit bevelH2942: Het huisH1005 GodsH426 te JeruzalemH3390, dat huisH1005 zal gebouwdH1124 worden, ter plaatseH870, waar zij offerandenH1685 offerenH1684, en de fondamentenH787 daarvan zullen zwaarH5446 zijn; zijn hoogteH7314 van zestigH8361 ellenH521, en zijn breedteH6613 van zestigH8361 ellenH521;
In het eerste jaar van den koning Kores, gaf de koning Kores dit bevel: Het huis Gods te Jeruzalem, dat huis zal gebouwd worden, ter plaatse, waar zij offeranden offeren, en de fondamenten daarvan zullen zwaar zijn; zijn hoogte van zestig ellen, en zijn breedte van zestig ellen;
KJV
In the first2
year1
of Cyrus3
the king4
the same Cyrus5
the king6
made7
a decree8
concerning the house9
of God10
at Jerusalem,11
Let the house12
be builded,13
the place14
where they offered16
sacrifices,17
and let the foundations18
thereof be strongly laid;19
the height20
thereof threescore22
cubits,21
and the breadth23
thereof threescore25
cubits;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Met drieH8532 rijenH5073 van groten steenH69, en een rijH5073 van nieuwH2323 houtH636; en de onkostenH5313 zullen uit des koningsH4430 huisH1005 gegevenH3052 worden.
Met drie rijen van groten steen, en een rij van nieuw hout; en de onkosten zullen uit des konings huis gegeven worden.
KJV
With three5
rows1
of great4
stones,3
and a row6
of new9
timber:8
and let the expenses10
be given14
out of11
the king's13
house:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Daartoe zal men ook de goudenH1722 en zilverenH3702 vatenH3984 van het huisH1005 GodsH426, die NebukadnezarH5020 uit den tempelH1965, die te JeruzalemH3390 was, heeft weggevoerdH5312, en naar BabelH895 gebrachtH2987, wedergevenH8421, dat zij gaan naar den tempelH1965, die te JeruzalemH3390 is, aan zijn plaatsH870, en men zal ze afvoerenH5182 ten huizeH1005 GodsH426.
Daartoe zal men ook de gouden en zilveren vaten van het huis Gods, die Nebukadnezar uit den tempel, die te Jeruzalem was, heeft weggevoerd, en naar Babel gebracht, wedergeven, dat zij gaan naar den tempel, die te Jeruzalem is, aan zijn plaats, en men zal ze afvoeren ten huize Gods.
KJV
And also1
let the golden6
and silver7
vessels2
of the house3
of God,4
which Nebuchadnezzar9
took forth10
out of11
the temple12
which is at Jerusalem,14
and brought15
unto Babylon,16
be restored,17
and brought again18
unto the temple19
which is at Jerusalem,21
every one to his place,22
and place23
them in the house24
of God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Nu, gij Thathnai, landvoogdH6347 aan geneH5675 zijde der rivierH5103, gij Sthar-BoznaiH8370, met ulieder gezelschapH3675, gij AfarsechaietenH671, die aan geneH5675 zijde der rivierH5103 zijt, weest verreH7352 van daar!
Nu, gij Thathnai, landvoogd aan gene zijde der rivier, gij Sthar-Boznai, met ulieder gezelschap, gij Afarsechaieten, die aan gene zijde der rivier zijt, weest verre van daar!
KJV
Now1
therefore, Tatnai,2
governor3
beyond4
the river,5
Shetharboznai,6
and your companions8
the Apharsachites,9
which are beyond11
the river,12
be ye14
far13
from15
thence:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Laat hen aan den arbeidH5673 van dit huisH1005 GodsH426; dat de landvoogdH6347 der JodenH3062 en de oudstenH7868 der JodenH3062 dit huisH1005 GodsH426 bouwenH1124 aan zijn plaatsH870.
Laat hen aan den arbeid van dit huis Gods; dat de landvoogd der Joden en de oudsten der Joden dit huis Gods bouwen aan zijn plaats.
KJV
Let the work2
of this5
house3
of God4
alone;1
let the governor6
of the Jews7
and the elders8
of the Jews9
build13
this12
house10
of God11
in14
his place.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Ook wordt van mij bevelH2942 gegeven, wat gijlieden doen zult aan de oudstenH7868 dezer JodenH3062, om dit huisH1005 GodsH426 te bouwenH1124; te weten, dat uit des koningsH4430 goederenH5232, van den cijnsH4061 aan geneH5675 zijde der rivierH5103, de onkostenH5313 dezen mannenH1400 spoediglijkH629 gegevenH3052 worden, opdat men hen niet beletteH989.
Ook wordt van mij bevel gegeven, wat gijlieden doen zult aan de oudsten dezer Joden, om dit huis Gods te bouwen; te weten, dat uit des konings goederen, van den cijns aan gene zijde der rivier, de onkosten dezen mannen spoediglijk gegeven worden, opdat men hen niet belette.
Ook in dit vers
gegevenH1934
gegevenH7761
KJV
Moreover I1
make2
a decree3
what4
ye shall do6
to7
the elders8
of these10
Jews9
for the building11
of this14
house12
of God:13
that of the king's16
goods,15
even of5
the tribute18
beyond19
the river,20
forthwith21
expenses22
be23
given24
unto these26
men,25
that they be not28
hindered.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En wat nodigH2818 is, als jongeH1123 runderenH8450, en rammenH1798, en lammerenH563, tot brandofferenH5928 aan den GodH426 des hemelsH8065, tarweH2591, zoutH4416, wijnH2562 en olieH4887, naar het zeggenH3983 der priesterenH3549, die te JeruzalemH3390 zijn, dat het hun dagH3118 bij dagH3118 gegevenH3052 worde, dat er geen feilH7960 zij;
En wat nodig is, als jonge runderen, en rammen, en lammeren, tot brandofferen aan den God des hemels, tarwe, zout, wijn en olie, naar het zeggen der priesteren, die te Jeruzalem zijn, dat het hun dag bij dag gegeven worde, dat er geen feil zij;
KJV
And that which1
they have need of,2
both young3
bullocks,4
and rams,5
and lambs,6
for the burnt offerings7
of the God8
of heaven,9
wheat,10
salt,11
wine,12
and oil,13
according to the appointment14
of the priests15
which are at Jerusalem,17
let it be18
given19
them day21
by day22
without24
fail:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Opdat zij offeranden van liefelijken reuk aan den GodH426 des hemelsH8065 offerenH1934, en biddenH6739 voor het levenH2417 des koningsH4430 en zijner kinderenH1123.
Opdat zij offeranden van liefelijken reuk aan den God des hemels offeren, en bidden voor het leven des konings en zijner kinderen.
Ook in dit vers
offeranden liefelijken reukH5208
KJV
That they may offer2
sacrifices of sweet savours4
unto the God5
of heaven,6
and pray7
for the life8
of the king,9
and of his sons.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Voorts wordt bevelH2942 van mij gegevenH7761, dat al dengene, die dit woordH6600 zal veranderenH8133, een houtH636 uit zijn huisH1005 zal geruktH5256 en opgerichtH2211 worden, waaraanH5922 hij zal worden opgehangenH4223; en zijn huisH1005 zal om diensH1836 wille tot een drekhoopH5122 gemaakt worden.
Voorts wordt bevel van mij gegeven, dat al dengene, die dit woord zal veranderen, een hout uit zijn huis zal gerukt en opgericht worden, waaraan hij zal worden opgehangen; en zijn huis zal om diens wille tot een drekhoop gemaakt worden.
KJV
Also1
I have made2
a decree,3
that whosoever5
shall alter8
this10
word,9
let timber12
be pulled down11
from13
his house,14
and being set up,15
let him be hanged16
thereon;17
and let his house18
be made20
a dunghill19
for21
this.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
De GodH426 nu, die Zijn NaamH8036 aldaar heeft doen wonenH7932, werpe ter neder alle koningenH4430 en volkenH5972, die hun handH3028 zullen uitstrekkenH7972, om te veranderenH8133 en te verdervenH2255 dit huisH1005 GodsH426, dat te JeruzalemH3390 is. Ik, DariusH1868, heb het bevelH2942 gegevenH7761, dat het spoediglijkH629 gedaan worde.
De God nu, die Zijn Naam aldaar heeft doen wonen, werpe ter neder alle koningen en volken, die hun hand zullen uitstrekken, om te veranderen en te verderven dit huis Gods, dat te Jeruzalem is. Ik, Darius, heb het bevel gegeven, dat het spoediglijk gedaan worde.
Ook in dit vers
werpe nederH4049
KJV
And the God1
that hath caused his name4
to dwell3
there5
destroy6
all7
kings8
and people,9
that shall put11
to their hand12
to alter13
and to destroy14
this17
house15
of God16
which is at Jerusalem.19
I20
Darius21
have made22
a decree;23
let it be done25
with speed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Toen deden Thathnai, de landvoogdH6347 aan geneH5675 zijde der rivierH5103, Sthar-BoznaiH8370, en hun gezelschapH3675, spoediglijkH629 alzo, naar hetgeen de koningH4430 DariusH1868 gezondenH7972 had.
Toen deden Thathnai, de landvoogd aan gene zijde der rivier, Sthar-Boznai, en hun gezelschap, spoediglijk alzo, naar hetgeen de koning Darius gezonden had.
KJV
Then1
Tatnai,2
governor3
on this side4
the river,5
Shetharboznai,6
and their companions,8
according9
to that which Darius12
the king13
had sent,11
so14
they did16
speedily.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
En de oudstenH7868 der JodenH3062 bouwdenH1124 en gingen voorspoediglijkH6744 voort, door de profetieH5017 van den profeetH5029 HaggaiH2292 en ZachariaH2148, den zoonH1247 van IddoH5714; en zij bouwdenH1124 en voltrokkenH3635 het, naar het bevel van den GodH426 IsraelsH3479, en naar het bevel van KoresH3567, en DariusH1868, en ArthahsastaH783, koningH4430 van PerzieH6540.
En de oudsten der Joden bouwden en gingen voorspoediglijk voort, door de profetie van den profeet Haggai en Zacharia, den zoon van Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het bevel van den God Israels, en naar het bevel van Kores, en Darius, en Arthahsasta, koning van Perzie.
Ook in dit vers
bevelH2941
bevelH2942
KJV
And the elders1
of the Jews2
builded,3
and they prospered4
through the prophesying5
of Haggai6
the prophet7
and Zechariah8
the son9
of Iddo.10
And they builded,11
and finished12
it, according13
to the commandment14
of the God15
of Israel,16
and according to the commandment17
of Cyrus,18
and Darius,19
and Artaxerxes20
king21
of Persia.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
En dit huisH1005 werd volbrachtH3319 op den derdenH8532 dagH3118 der maandH3393 AdarH144; datzelve was het zesdeH8353 jaarH8140 van het koninkrijkH4437 van den koningH4430 DariusH1868.
En dit huis werd volbracht op den derden dag der maand Adar; datzelve was het zesde jaar van het koninkrijk van den koning Darius.
KJV
And this3
house2
was finished1
on4
the third6
day5
of the month7
Adar,8
which was10
in the sixth12
year11
of the reign13
of Darius14
the king.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En de kinderenH1123 IsraelsH3479, de priesterenH3549 en LevietenH3879, en de overigeH7606 kinderenH1123 der gevangenisH1547 deden de inwijdingH2597 van dit huisH1005 GodsH426 met vreugdeH2305.
En de kinderen Israels, de priesteren en Levieten, en de overige kinderen der gevangenis deden de inwijding van dit huis Gods met vreugde.
KJV
And the children2
of Israel,3
the priests,4
and the Levites,5
and the rest6
of the children7
of the captivity,8
kept1
the dedication9
of this12
house10
of God11
with joy,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En zij offerdenH7127, ter inwijdingH2597 van dit huisH1005 GodsH426, honderdH3969 runderenH8450, tweehonderdH3969 rammenH1798, vierhonderdH703 lammerenH563 en twaalfH8648 geitenbokkenH6841, ten zondofferH2402 voor gansH3606 IsraelH3479, naar het getalH4510 der stammenH7625 IsraelsH3479.
En zij offerden, ter inwijding van dit huis Gods, honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en twaalf geitenbokken, ten zondoffer voor gans Israel, naar het getal der stammen Israels.
KJV
And offered1
at the dedication2
of this5
house3
of God4
an hundred7
bullocks,6
two hundred9
rams,8
four11
hundred12
lambs;10
and for a sin offering15
for16
all17
Israel,18
twelve19
he13
goats,14
according to the number21
of the tribes22
of Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
En zij steldenH6966 de priesterenH3549 in hun onderscheidingenH6392, en de LevietenH3879 in hun verdelingenH4255, tot den dienstH5673 GodsH426, Die te JeruzalemH3390 is, naar het voorschriftH3792 des boeksH5609 van MozesH4873.
En zij stelden de priesteren in hun onderscheidingen, en de Levieten in hun verdelingen, tot den dienst Gods, Die te Jeruzalem is, naar het voorschrift des boeks van Mozes.
KJV
And they set1
the priests2
in their divisions,3
and the Levites4
in their courses,5
for6
the service7
of God,8
which is at Jerusalem;10
as it is written11
in the book12
of Moses.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Ook hieldenH6213 de kinderenH1121 der gevangenisH1473 het paschaH6453, op den veertiendenH702 der eersteH7223 maandH2320.
Ook hielden de kinderen der gevangenis het pascha, op den veertienden der eerste maand.
KJV
And the children2
of the captivity3
kept1
the passover5
upon the fourteenth6
day of the first9
month.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Want de priestersH3548 en de LevietenH3881 hadden zich gereinigdH2891 alsH3588 een enigH259 man; zij waren allenH3605 reinH2889; en zij slachttenH7819 het paschaH6453 voor alleH3605 kinderenH1121 der gevangenisH1473, en voor hun broederenH251, de priesterenH3548, en voor zichzelven.
Want de priesters en de Levieten hadden zich gereinigd als een enig man; zij waren allen rein; en zij slachtten het pascha voor alle kinderen der gevangenis, en voor hun broederen, de priesteren, en voor zichzelven.
KJV
For the priests3
and the Levites4
were purified2
together,5
all of them were pure,7
and killed8
the passover9
for all the children11
of the captivity,12
and for their brethren13
the priests,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Alzo atenH398 de kinderenH1121 IsraelsH3478, die uit de gevangenisH1473 wedergekomenH7725 waren, mitsgaders alH3605 wie zich van de onreinigheidH2932 der heidenenH1471 des landsH776 totH413 hen afgezonderdH914 had, om den HEEREH3068, den GodH430 IsraelsH3478, te zoekenH1875.
Alzo aten de kinderen Israels, die uit de gevangenis wedergekomen waren, mitsgaders al wie zich van de onreinigheid der heidenen des lands tot hen afgezonderd had, om den HEERE, den God Israels, te zoeken.
KJV
And the children2
of Israel,3
which were come again4
out of captivity,5
and all such as had separated7
themselves unto them from the filthiness8
of the heathen9
of the land,10
to seek12
the LORD13
God14
of Israel,15
did eat,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
En zij hieldenH6213 het feestH2282 der ongezuurdeH4682 broden zevenH7651 dagenH3117, met blijdschapH8057; wantH3588 de HEEREH3068 had hen verblijdH8055, en het hartH3820 des koningsH4428 van AssurH804 tot hen gewendH5437, om hun handenH3027 te sterkenH2388 in het huisH1004 GodsH430, des GodsH430 van IsraelH3478.
En zij hielden het feest der ongezuurde broden zeven dagen, met blijdschap; want de HEERE had hen verblijd, en het hart des konings van Assur tot hen gewend, om hun handen te sterken in het huis Gods, des Gods van Israel.
Ook in dit vers
werkH4399
KJV
And kept1
the feast2
of unleavened bread3
seven4
days5
with joy:6
for the LORD9
had made them joyful,8
and turned10
the heart11
of the king12
of Assyria13
unto them, to strengthen15
their hands16
in the work17
of the house18
of God,19
the God20
of Israel.
gaf de koning
Nadat men den last van den koning Cyrus opgezocht en gevonden had, gaf Darius bevel om den tempel op te bouwen. De woorden van dit bevel volgen vs.6.
Hertaald:
gaf de koning
Nadat men de opdracht van koning Kores had opgezocht en gevonden, gaf Darius bevel om de tempel te herbouwen. De woorden van dit bevel volgen in vers 6.
kanselarij,
Chaldeeuws, in het huis der boeken.
Hertaald:
kanselarij,
Chaldeeuws: in het huis van de boeken.
schatten
Zie boven, Ezra 5:17 .
Hertaald:
schatten
Zie hierboven Ezra 5:17.
Babel
Versta, niet de stad Babel, maar het landschap, of gebied van Babylonië in het brede genomen, en Medië daaronder medegerekend.
Hertaald:
Babel
Versta hieronder niet de stad Babel, maar het gewest, of gebied, van Babylonië in ruime zin, met Medië erbij inbegrepen.
Achmetha,
Dit houden sommigen voor Ecbatana, waar de koningen van Medië des zomers hun hof hielden, waarvan zij menen dat deze plaats den naam van Achmetha gekregen heeft, gelijk hun hof des winters gehouden werd te Seleucia, aan de rivier Tigris. Anders, in een koffer, of kast.
Hertaald:
Achmetha,
Dit houden sommigen voor Ecbatana, waar de koningen van Medië in de zomer hun hof hielden, waaraan zij menen dat deze plaats de naam Achmetha ontleend heeft, zoals hun hof in de winter gehouden werd in Seleucia, aan de rivier de Tigris. Anders: in een koffer, of kist.
rol gevonden;
Alsof men zeide: samengerold, deel van een boek, volumen in het Latijn; omdat de boeken oudtijds op lange rollen van basten der bomen werden geschreven, en samen gewonden. Ps. 40:8 ; Jer. 36:2 , en Ezech. 2:9 , vindt men een rol des boeks; en Ezech. 2:10 ; Openb. 5:1 , een boek van binnen en buiten beschreven; dat men houdt een rol geweest te zijn. Alzo hebben de Joden nog hedendaags in hun synagogen het wetboek van Mozes geschreven op een lange grote rol van perkament.
Hertaald:
rol gevonden;
Alsof men zei: samengerold, deel van een boek, volumen in het Latijn; omdat de boeken vroeger op lange rollen van boombast geschreven werden en opgerold werden. In Ps. 40:8; Jer. 36:2, en Ezech. 2:9 vindt men een rol van het boek; en in Ezech. 2:10; Openb. 5:1 een boek dat van binnen en van buiten beschreven is, wat men houdt voor een rol. Zo hebben de Joden ook vandaag nog in hun synagogen het wetboek van Mozes geschreven op een lange grote rol perkament.
GEDACHTENIS
Dit schijnt het opschrift geweest te zijn van de volgende memorie, of gedenkcedel.
Hertaald:
GEDACHTENIS
Dit lijkt het opschrift geweest te zijn van de volgende memorie, of gedenkbrief.
ter plaatse,
Of, tot een plaats, enz.
Hertaald:
ter plaatse,
Of: tot een plaats, enzovoort.
zwaar zijn;
Chaldeeuws eigenlijk, dragende, dat is, zo zwaar en sterk, dat zij het gebouw kunnen dragen.
Hertaald:
zwaar zijn;
Chaldeeuws letterlijk: dragend, dat is: zo zwaar en sterk dat zij het gebouw kunnen dragen.
zestig ellen,
Dit wordt door sommigen verstaan van consent of toelating, dat men den tempel zo hoog zou mogen optrekken, daar Salomo's tempel maar dertig ellen hoog was, 1 Kon. 6:2 ; nu blijkt uit Hag. 2:3 , dat dit gebouw bij Salomo's tempel niet was te vergelijken. Zie ook boven, Ezra 3:12 .
Hertaald:
zestig ellen,
Dit vatten sommigen op als toestemming dat men de tempel zo hoog zou mogen bouwen, terwijl de tempel van Salomo maar dertig el hoog was, 1 Kon. 6:2; nu blijkt uit Hagg. 2:3 dat dit gebouw niet met de tempel van Salomo te vergelijken was. Zie ook hierboven Ezra 3:12.
groten steen,
Gelijk boven, Ezra 5:8 , zie aldaar.
Hertaald:
groten steen,
Zoals hierboven Ezra 5:8, zie daar.
is, aan
Of, zal wezen.
Hertaald:
is, aan
Of: zal zijn.
zijn plaats,
Te weten, des tempels, of elk aan zijn plaats; verstaande dit van de vaten.
Hertaald:
zijn plaats,
Namelijk: van de tempel, of elk op zijn plaats; dit betreft de voorwerpen.
men zal ze afvoeren
Anders, gij zult ze afvoeren, of, voert ze af.
Hertaald:
men zal ze afvoeren
Anders: u zult ze afvoeren, of: voer ze af.
rivier,
Eufraat.
Hertaald:
rivier,
De Eufraat.
ulieder gezelschap,
Chaldeeuws, en hunlieder gezelschap.
Hertaald:
ulieder gezelschap,
Chaldeeuws: en hun collega's.
weest verre van daar
Dat is, wacht u, dat gij niet enigszins nadert, om dit werk te beletten.
Hertaald:
weest verre van daar
Dat is: pas op dat u niet in de buurt komt om dit werk te belemmeren.
Laat hen aan den arbeid
Dat is, laat hen onverhinderd voortgaan in den arbeid, of in het werk.
Hertaald:
Laat hen aan den arbeid
Dat is: laat hen ongehinderd doorgaan met het werk, of de arbeid.
belette
Chaldeeuws, doe ophouden.
Hertaald:
belette
Chaldeeuws: doe ophouden.
nodig is,
Of, wat zij van node hebben.
Hertaald:
nodig is,
Of: wat zij nodig hebben.
jonge runderen,
Chaldeeuws, zonen, of kinderen der ossen.
Hertaald:
jonge runderen,
Chaldeeuws: zonen, of kinderen van de ossen.
liefelijken reuk
Zie Gen. 8:21 .
Hertaald:
liefelijken reuk
Zie Gen. 8:21.
woord zal veranderen,
Dat is, dit mijn bevel overtreden, of enigszins daartegen doen. Alzo in vs.12; idem Dan. 3:28 , en Dan. 6:9 , Dan. 6:16 .
Hertaald:
woord zal veranderen,
Dat is: dit mijn bevel overtreedt, of er op enigerlei wijze tegen ingaat. Zo ook in vers 12; eveneens Dan. 3:28, en Dan. 6:9, Dan. 6:16.
opgehangen;
Chaldeeuws, uitgedelgd.
Hertaald:
opgehangen;
Chaldeeuws: uitgeroeid.
drekhoop
Alzo Dan. 2:5 , en Dan. 3:29 .
Hertaald:
drekhoop
Zo ook Dan. 2:5, en Dan. 3:29.
hetgeen
Naar het bevel, dat de koning had overgezonden.
Hertaald:
hetgeen
Naar het bevel dat de koning gestuurd had.
Kores,
Zie boven, Ezra 1:1 , en Ezra 5:13 , en in vs.3, enz.
Hertaald:
Kores,
Zie hierboven Ezra 1:1, en Ezra 5:13, en in vers 3, enzovoort.
Darius,
Zie boven, Ezra 4:24 .
Hertaald:
Darius,
Zie hierboven Ezra 4:24.
Arthahsasta,
Die door Darius den zoon van Hystaspis verstaan, houden dezen voor Artaxerxes Longimanus, dat is, Langhand; maar die Darius houden voor Darius Nothus, verstaan door dezen Artaxerxes Mnemon, dat is, de Gedachtige, die een langen tijd met zijn vader heeft geregeerd en daarna nog een langen tijd alleen, zulks dat enigen hem twee en zestig jaren in alles toeschrijven.
Hertaald:
Arthahsasta,
Wie deze Darius voor de zoon van Hystaspis houden, houden deze Arthahsasta voor Artaxerxes Longimanus, dat is: Lange hand; maar wie deze Darius voor Darius Nothus houden, verstaan hieronder Artaxerxes Mnemon, dat is: de Gedachtige, die lange tijd samen met zijn vader geregeerd heeft en daarna nog lange tijd alleen, zodat sommigen hem in totaal tweeënzestig jaar toeschrijven.
Adar;
Passende voor het merendeel op Februari, voor een deel ook op Maart.
Hertaald:
Adar;
Komt grotendeels overeen met februari, deels ook met maart.
inwijding
Vergelijk Exo 40 ; Num. 7:10 ; 1 Kon. 8:63 ; Neh. 12:27 .
Hertaald:
inwijding
Vergelijk Ex. 40; Num. 7:10; 1 Kon. 8:63; Neh. 12:27.
onderscheidingen,
Een ieder in zijn orde, beurt en op zijn dienst.
Hertaald:
onderscheidingen,
Ieder in zijn eigen orde, beurt en dienst.
naar het voorschrift
Zie Num. 3:6-7 , enz; idem Num. 3:32 , en Num. 8:9 , enz. Versta hierbij, dat zij vernieuwd hebben de ordening door David gemaakt; 1 Kron. 24:3-5 , enz.
Hertaald:
naar het voorschrift
Zie Num. 3:6-7, enzovoort; eveneens Num. 3:32, en Num. 8:9, enzovoort. Versta hierbij dat zij de door David gemaakte indeling vernieuwd hebben; 1 Kron. 24:3-5, enzovoort.
eerste maand
Genoemd Abib. Zie Ex. 12:2 , Ex. 12:6 , en Ex. 13:4-5 .
Hertaald:
eerste maand
Abib genoemd. Zie Ex. 12:2, Ex. 12:6, en Ex. 13:4-5.
zij slachtten
Vergelijk 2 Kron. 29:24-25 , en 2 Kron. 30:17 , en 2 Kron. 35:3 , 2 Kron. 35:6 .
Hertaald:
zij slachtten
Vergelijk 2 Kron. 29:24-25, en 2 Kron. 30:17, en 2 Kron. 35:3, 2 Kron. 35:6.
aten de kinderen Israëls,
Te weten, het pascha.
Hertaald:
aten de kinderen Israëls,
Namelijk: het pascha.
al wie zich
Volgens de wet; Ex. 12:48 , en Num. 9:14 .
Hertaald:
al wie zich
Volgens de wet; Ex. 12:48, en Num. 9:14.
zoeken
Dat is hier, van harte te dienen en in zijn wegen te wandelen.
Hertaald:
zoeken
Dat betekent hier: van harte dienen en in Zijn wegen wandelen.
Assur
Hij was eigenlijk koning van Perzië, maar nu waren Assyrië en Chaldea [die Israël tevoren geplaagd hadden] onder zijn gebied. Misschien heeft hij ook op dezen tijd zijn hof in Assyrië gehouden. Want sommigen schrijven dat Darius, de regering met zijn zoon gedeeld hebbende, Assyrië mede voor zich gehouden heeft.
Hertaald:
Assur
Hij was eigenlijk koning van Perzië, maar nu vielen Assyrië en Chaldea [die Israël eerder geplaagd hadden] onder zijn gezag. Misschien heeft hij in deze tijd ook zijn hof in Assyrië gehouden. Want sommigen schrijven dat Darius, nadat hij het bestuur met zijn zoon gedeeld had, Assyrië voor zichzelf gehouden heeft.
handen te sterken
Dat is, om hen moedig en lustig te maken tot dit werk. Vergelijk boven, Ezra 1:6 .
Hertaald:
handen te sterken
Dat is: om hen moedig en bereidwillig te maken voor dit werk. Vergelijk hierboven Ezra 1:6. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Koning van Perzië, onder wiens bewind het gestaakte tempelwerk hervat werd; op vraag van de landvoogd Thathnai liet hij onderzoek doen naar Kores' oorspronkelijke bevel, dat teruggevonden werd, en bevestigde daarop de bouw van de tempel (Ezra 4:5, 24; 5:5-6:12). Koning van Perzië, aan wie tegenstanders van de Joden een aanklacht tegen de herbouw van Jeruzalem zonden; hij gaf bevel het werk te staken (Ezra 4:7-23). Een profeet, die samen met Zacharia de Joden aanspoorde de herbouw van de tempel te hervatten (Ezra 5:1; 6:14); zijn profetieën zijn bewaard in het boek Haggaï. Zoon van Iddo, een profeet, die samen met Haggaï de Joden aanspoorde de herbouw van de tempel te hervatten (Ezra 5:1; 6:14); zijn profetieën zijn bewaard in het boek Zacharia. Niet te verwarren met de andere personen die deze naam droegen. De landvoogd aan de overzijde van de rivier (de Eufraat), die de herbouw van de tempel onderzocht en er bij koning Darius verslag van deed; op diens antwoord liet hij het werk ongehinderd doorgaan (Ezra 5:3-6:13). Een ambtgenoot van de landvoogd Thathnai, betrokken bij het onderzoek naar de herbouw van de tempel (Ezra 5:3, 6; 6:6, 13). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Darius geeft bevel te zoeken in de kanselarij te Babel, waar de schatten bewaard werden (Ezra 6:1). De rol wordt echter niet daar gevonden maar te Achmetha, in de burcht van Medië. Zij bevat woordelijk het bevel van Kores: het huis Gods te Jeruzalem zal gebouwd worden, met opgegeven afmetingen, en de onkosten komen uit het huis des konings (Ezra 6:2-4). Ook de teruggave van de gouden en zilveren vaten staat erin (Ezra 6:5). Op grond daarvan schrijft Darius aan Thathnai en zijn gezelschap dat zij zich verre moeten houden en de oudsten der Joden ongehinderd moeten laten bouwen (Ezra 6:6-7). Wat volgt gaat verder dan wat er gevraagd was. De onkosten moeten spoedig uit de koninklijke inkomsten van dat gebied betaald worden (Ezra 6:8). Ook de dieren, tarwe, zout, wijn en olie voor de brandoffers moeten dag bij dag geleverd worden naar het zeggen van de priesters, zodat er niets ontbreekt (Ezra 6:9). De reden die de koning noemt is dat men zou bidden voor het leven van de koning en zijn kinderen (Ezra 6:10). Wie het bevel verandert, wordt aan een balk uit zijn eigen huis opgehangen (Ezra 6:11). Darius eindigt met de wens dat God alle koningen en volken neerwerpe die hun hand uitstrekken om dit huis te verderven (Ezra 6:12). Bijbelse betekenis: De tegenstanders hadden zelf om een onderzoek gevraagd, en dat onderzoek keert zich volledig tegen hen. Wat Rehum en Simsai eerder met een archiefstuk bereikten, wordt nu door een ander archiefstuk ongedaan gemaakt; dezelfde ambtelijke weg die de bouw stillegde, brengt hem weer op gang. God hoeft daarvoor geen wonder te doen: er lag ergens in een burcht een vergeten rol. Opmerkelijk is bovendien hoeveel er nu wordt toegezegd. Zij vroegen alleen om ongehinderd te mogen doorwerken en krijgen de bekostiging van de bouw én van de dagelijkse offerdienst erbij. Waar God een deur opent, gaat zij verder open dan men durfde vragen. Dat de koning daarbij om voorbede voor zichzelf vraagt, hoeft ons niet te verbazen; het bewijst zijn bekering niet, maar het laat wel zien hoe de dienst van God bij de heidenen ontzag wekte. Typologie: Wat hier van een deur gezegd kan worden, geldt in de brief aan Filadelfia van Christus Zelf: "Die den sleutel Davids heeft; Die opent, en niemand sluit, en Hij sluit, en niemand opent" (Op. 3:7). De gemeente te Jeruzalem had jarenlang een gesloten deur voor zich gezien; het openen ervan lag niet in haar eigen hand, en het sluiten evenmin. Ezra 6:1-12; Op. 3:7 De oudsten bouwen voorspoedig door op de profetie van Haggaï en Zacharia, en zij voltooien het huis naar het bevel van de God Israëls en naar het bevel van de Perzische koningen (Ezra 6:14). Het huis wordt volbracht op de derde dag van de maand Adar, in het zesde jaar van Darius (Ezra 6:15). De inwijding gebeurt met vreugde, en de offers zijn bescheiden vergeleken bij die van Salomo: honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren, en twaalf geitenbokken ten zondoffer voor heel Israël (Ezra 6:16-17). De priesters worden in hun onderscheidingen en de Levieten in hun verdelingen gesteld, naar het voorschrift van het boek van Mozes (Ezra 6:18). Daarna houden zij het pascha op de veertiende dag van de eerste maand (Ezra 6:19; de instelling zelf is reeds behandeld bij Pascha, Ex. 12). De priesters en Levieten hadden zich als één man gereinigd, zodat zij allen rein waren (Ezra 6:20). Het pascha wordt gegeten door de teruggekeerden en door allen die zich van de onreinheid der heidenen van het land tot hen hadden afgezonderd om de HEERE te zoeken (Ezra 6:21). Zeven dagen vieren zij het feest der ongezuurde broden met blijdschap, want de HEERE had hun hart verblijd en het hart van de koning tot hen gewend (Ezra 6:22). Bijbelse betekenis: Er waren tien stammen weggevoerd en niet teruggekomen, en toch worden er twaalf bokken geofferd. De teruggekeerde rest weigert zichzelf te beschouwen als alles wat er nog is; zij offert voor het geheel, ook voor wie zij niet zag. Zo blijft de eenheid van Gods volk beleden waar zij feitelijk verbroken lijkt. Even opmerkelijk is vers 21. Naast de teruggekeerden eten ook mensen mee die niet uit de ballingschap kwamen, maar die zich hadden afgezonderd van de onreinheid der heidenen om de HEERE te zoeken. In hetzelfde boek dat een aanbod tot samenwerking afwijst, staan dus de deuren wijd open voor wie werkelijk breekt met de afgoden. Het onderscheid ligt niet bij afkomst maar bij de dienst. En het slot noemt de bron van de vreugde: de HEERE had hen verblijd, en Hij had het hart van de koning gewend. Typologie: Paulus verbindt het pascha en het ongezuurde brood rechtstreeks aan Christus en aan de wandel van de gemeente: "ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus" (1 Kor. 5:7), en het vers erna: "Zo dan laat ons feest houden, niet in den ouden zuurdesem, noch in den zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid" (1 Kor. 5:7-8). De reiniging van de priesters vooraf en de afzondering van wie meeaten, wijzen op dezelfde zaak: er wordt geen feest gehouden zonder dat de zuurdesem eruit is. Ezra 6:14-22; Ex. 12; 1 Kor. 5:7-8 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas God bij Zijn volk niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding uitwerking Zestien jaar na de eerste steenlegging ligt het werk aan de tempel stil. Dan gaan Haggaï en Zacharia profeteren, wordt het besluit van Kores in het archief teruggevonden, en geeft koning Darius bevel dat de bouw doorgaan mag — op kosten van de kroon. De tweede tempel komt af en wordt met vreugde ingewijd, maar wat er bij de eerste tempel gebeurde, gebeurt hier niet. De voltooiing wordt nuchter verteld, met datum en al: het huis werd volbracht op de derde dag van de maand Adar, in het zesde jaar van koning Darius. En de reden van het welslagen wordt in één zin gegeven: de oudsten bouwden voorspoedig door de profetie van Haggaï en Zacharia, en zij voltooiden het naar het bevel van de God Israëls én naar het bevel van de Perzische koningen. Twee bevelen naast elkaar, en het eerste is het beslissende. De inwijding gebeurt met vreugde. Er worden offers gebracht, de priesters worden in hun afdelingen gesteld, en er wordt pascha gehouden en zeven dagen het feest der ongezuurde broden. Er staat zelfs bij dat de HEERE hen verblijd had en het hart van de koning tot hen gewend. En toch ontbreekt er iets, en wie het Oude Testament kent merkt het meteen. Toen Salomo zijn tempel inwijdde, daalde er vuur uit de hemel en vervulde de heerlijkheid van de HEERE het huis, zodat de priesters niet konden staan om te dienen. Hier staat daar geen woord over. Het huis is af, de dienst begint, en er valt geen wolk. Dat is niet toevallig verzwegen. Ezechiël had de heerlijkheid uit de eerste tempel zien vertrekken, over de Olijfberg de stad uit. In zijn laatste hoofdstukken kreeg hij te zien dat zij door dezelfde oostelijke poort weer binnen zou komen — maar dat is bij deze inwijding niet gebeurd. Bij de grondlegging weenden de oude mannen die het eerste huis nog gezien hadden, terwijl de anderen juichten, en de twee geluiden waren niet uit elkaar te houden. Zij wisten wat er ontbrak. En juist in die jaren zegt Haggaï iets dat de spanning benoemt en tegelijk oplost. Hij bemoedigt de bouwers met de woorden werkt, want Ik ben met u, en dan kondigt hij aan: Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, en de heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden dan van het eerste, en in deze plaats zal Ik vrede geven. Dat is de brug waarop dit hoofdstuk uitkomt. De heerlijkheid daalde niet neer in het jaar dat het gebouw klaar was. Zij kwam vijfhonderd jaar later dat huis binnenlopen, en niemand zag het aan haar af. In dit huis heeft Iemand gestaan van Wie geschreven staat dat het Woord vlees geworden is en onder ons heeft gewoond. Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, zegt Johannes; en Hij is meerder dan de tempel. In het Nieuwe Testament: Haggaï 2:4-10; Johannes 1:14; Mattheüs 12:6; Maleachi 3:1; Lukas 2:27-32 Hoever dit reikt: Het Nieuwe Testament haalt Ezra 6 niet aan. Wat hier gelegd wordt rust op wat er in het hoofdstuk níét staat, en dat vraagt om voorzichtigheid: van een neerdalende heerlijkheid wordt bij deze inwijding niets vermeld, terwijl dat bij Salomo's tempel wel uitdrukkelijk gebeurt. Daaruit valt niet met zekerheid af te leiden dat zij ook werkelijk uitbleef, al gaan veel uitleggers daarvan uit. De belofte van Haggaï 2:9 over de grotere heerlijkheid van dit laatste huis staat er wel met zoveel woorden.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Ezra 6
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Het huis werd volbracht, en er viel geen wolk — 6:14-22
Wat betekenen de niveaus?


Ezra 6
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Toen gaf de koning Darius, na het ontvangen van dit bericht, dat zo eenvoudig en onopgesmukt was, bevel, om onderzoek te doen naar de zaken, die in dit bericht genoemd waren; en zij zochten in de kanselarij, waar de schatten waren weggelegd want daar werden de archieven of jaarboeken van het koninkrijk bewaard, deze kanselarij was in Babel, ene der residenties der Perzische vorsten (Hoofdstuk 1: 4 ). Men wilde zich van het gezegde in Hoofdstuk 5: 13 overtuigen. Men vond echter in het archief te Babel het gezochte stuk niet, maar nadat men naar Achmetha, het latere Hamadan, door de Grieken Ekbatana geheten, de voorjaarsresidentie der koningen, gezonden had, werd daar een stuk gevonden uit den tijd van Cyrus, dat aldaar was heengebracht tot meer zekere bewaring.
En te Achmetha 1) (Ekbatana), in den burcht, die in het landschap Medië is (2 (Koningen 22: 2), werd ene rol of een boek gevonden; en daarin was aldus geschreven: GEDACHTENIS of, gedenkwaardigheden:
In Babel zelf werd het gezochte document niet gevonden; waarschijnlijk vond men daar bij het zoeken de mededeling, dat documenten uit de regeringstijd van Cyrus in den burcht te Achmetha bewaard werden, waar men dan ook de bewuste oorkonde vond. Achmetha is de hoofdstad van Groot-Medië, Ekbatana of, Achbatana, door Dejokos gebouwd, en zomerresidentie van de Perzische en Parthische koningen, in de nabijheid van het tegenwoordige Hamadan. De burcht in Ekbatana bevatte waarschijnlijk ook het koninklijke paleis en de regeringsgebouwen.
In het eerste jaar van den koning Kores gaf hij, de koning Kores, dit bevel: Het huis Gods te Jeruzalem, dat huis zal gebouwd worden, ter plaatse, of liever tot ene plaats, waar zij offeranden offeren, en de fondamenten daarvan zullen zwaar zijn 1), zijne hoogte van zestig ellen, en zijne breedte van zestig ellen 2) (Hoofdstuk 3: 13 ).
Dit kan ook vertaald worden: zijne grondslagen zullen opgericht worden. De koning geeft in dit edict aan, de maat van hoogte en breedte. Was de eigenlijke Salomonische tempel 30 ellen hoog en 20 ellen brood, zonder de nevengebouwen, de koning van Perzië eist, dat de nieuwe tempel 60 ellen hoog en evenzo breed zal zijn. Dit bevel is ook opgevolgd. Door Josefus weten we, dat Herodes de Grote, toen hij om het volk te believen, den tempel wenste te verfraaien, zei, dat de tempel van Zerubbabel slechts 60 el hoog was, maar dat hij de hoogte zou verdubbelen en brengen op de maat van den Salomonische, waarvan het voorhuis, volgens 2 Kronieken 3: 4. 120 ellen was. Het is dus duidelijk, dat dit de hoogte van het buitenwerk was en niet van het binnenwerk.
De 60 ellen breedte zijn zo te verdelen, dat de zijgebouwen, welke in den Salomonischen tempel slechts 5 ellen breedte van binnen hadden tot 10 ellen werden verbreed, waardoor bij de 5 ellen bedragende dikte der muren het ganse gebouw van buiten 60 ellen breed werd (5+10+5+20+5+10+5).
Met drie rijen, lagen of gedeelten muur, van groten steen, gehouwen stenen, en daarop ene rij, een wand van nieuw hout 1); en de onkosten zullen uit des konings huis, uit het bedrag der belastingen in het land ten westen van den Jordaan, gegeven worden 2).
Op de drie van gehouwen stenen, die het onderste deel der buitenmuren van het tempelgebouw tot ene hoogte van 30 ellen vormden moest ook ene rij balken ter hoogte van 30 ellen volgen, zodat de muren niet geheel massief waren. Intussen is het de vraag of hier van het gehele gebouw gesproken wordt of slechts van dat gedeelte, dat door den muur des voorhofs wordt afgesloten (1 Koningen 6: 3 en 36); ook bij den tempel van Salomo was de binnenste voorhof uit 3 rijen gehouwen stenen en ene rij van cederen balken opgericht.
In vs. 8 wordt nader aangegeven, hoe en op welke wijze de kosten moesten worden gevonden.
Daartoe zal men ook de gouden en zilveren vaten van het huis Gods, die Nebukadnezar uit den tempel, die te Jeruzalem was, heeft weggevoerd en naar Babel gebracht, wedergeven, dat zij gaan naar den tempel, die te Jeruzalem is, of, gebouwd wordt, aan zijne plaats, en men zal ze afvoeren of, neerleggen ten huize Gods 1) (Hoofdstuk 1: 7 vv.).
Tot hiertoe zijn het de woorden van het gedenkschrift, dat men in het archief in den burcht te Ekbatana vond. Verder zal verhaald worden, hoe Darius op grond van het gevonden geschrift een edict aan de verslaggevers gaf (Hoofdstuk 5: 6), hun den staat der zaken mededeelde, en op grond van het bevelschrift van Cyrus nu zijn gebod tot voortzetting van den tempelbouw gaf. Alle andere punten slaat het verhaal over, en gaat eenvoudig over tot het laatste punt: het bevel van Darius aan zijne genoemde beambten.
Nu, gij Thathnai, landvoogd aan gene zijde, ten westen der rivier, gij Sthar-Boznai, met ulieder gezelschap, gij Afarsechaïeten, die aan gene zijde der rivier zijt, die om mijne beslissing hebt gevraagd (Hoofdstuk 5: 17), weest verre van daar 1), en hindert de Joden niet, die te Jeruzalem bouwen; bemoeit u niet met hetgeen daar plaats heeft!
Onder daar is Jeruzalem te verstaan. De koning geeft aan genoemde personen te verstaan, om zich niet te bemoeien met de zaken te Jeruzalem, met den tempelbouw. Die tempelbouw is bevolen, en dit bevel mag niet worden ingetrokken. De Heere God beweegt het harte van Darius ten goede voor Zijn volk.
Laat hen aan den arbeid van het huis Gods; dat de landvoogd der Joden, en de oudsten der Joden dit huis Gods bouwen aan zijne plaats, zo als koning Kores hun heeft geboden.
Ook wordt van mij bevel gegeven, wat gijlieden doen zult aan de oudsten dezer Joden, om datgene te volvoeren, wat deze koning verder heeft verordend (vs. 4), om dit huis Gods te bouwen; te weten, dat uit des konings goederen van den cijns aan gene zijde der rivier, de onkosten dezen mannen spoediglijk gegeven worden, opdat men hun niet belette1) te bouwen.
In het Chald. Di-la lebatthala. Beter: opdat het niet blijve steken. Darius geeft last, dat het edict van Cyrus geheel en al worde uitgevoerd. Wat derhalve door de vijandige Samaritanen het volk des Heren ten kwade was bedacht, werd door God, den Heere, ten goede beschikt.
En wat voor hen nodig is, als jonge runderen, en rammen, en lammeren tot brandoffers, die zij aan den God des hemelswillen brengen, als ook tarwe, zout, wijn en olie, naar het zeggen naar het verlangen der priesters, die te Jeruzalem zijn; zij zullen u bekend maken, wat zij nodig hebben; zorgt, dat het hun dag bij dag, naar de dagelijkse behoefte gegeven worde, dat er gene feil zij in het uitvoeren van mijne bevelen.
Opdat zij offeranden van liefelijken reuk aan den God des hemels offeren, en bidden voor het leven des konings en zijner kinderen 1).
Wij zien, hoe Darius eerbied toedroeg aan de gebeden, die aan God door zijne onderdanen werd opgedragen. Hij wist toch, dat de Joden in het bijzonder een biddend volk was en hij had zeker wel gehoord, dat God nabij hen in alles was, dat zij Hem hartelijk en vurig smeekten. Hij begreep en gevoelde wel, hoe zeer hij zelf hun gebeden behoefde, ten einde er de gunstige uitwerking van te genieten. Het is de plicht van Gods volk te bidden voor degenen, die over hen in hoogheid gesteld zijn, niet alleen voor de goeden en rechten, maar ook voor de strengen en harden.
Bij den profeet Jeremia (Hoofdstuk 29: 2) wordt het Israël bevolen, om te bidden voor den vrede der stad, waarheen de Heere hen gevankelijk had weggevoerd, en dit bevel wordt aangedrongen met de verzekering: “want in haren vrede zult gij vrede hebben.” Het is daarom dan ook, dat de Joden, naar luid der Makkabese boeken en volgens Josefus, hun gebeden voor de Perzische koningen, den Heere hebben opgedragen, opdat het hun zelf wèl mocht gaan.
Voorts wordt bevel van mij gegeven, dat al degenen, die dit woord zal veranderen, die tegen deze bevelen zal handelen, een hout uit zijn huis zal gerukt en opgericht worden, waaraan hij zal worden opgehangen 1); en zijn huis zal om diens wille, om zijne ongehoorzaamheid, aan mijn bevel, tot een drek- of mesthoop gemaakt worden (2 (Koningen 10: 27. Dan. 2: 5). Elke verandering of schending van een koninklijk bevel in het Perzische rijk staat gelijk met ene misdaad van gekwetste majesteit (zie Esther 1: 19 ).
Hier wordt de kruisstraf bedoeld, die bij de Assyriërs en Perzen niet vreemd was, al werd zij ook niet zo toegepast als later bij de Romeinen. Darius dreigt derhalve met een der schrikkelijkste straffen, opdat Israël’s volk ongestoord zou kunnen bouwen aan het Huis Gods. De vijanden zijn beschaamd uitgekomen en God is voor Zijn volk in de bresse getreden.
De God nu, die Zijnen naam aldaar heeft doen wonen, werpe ter neer alle koningen en volken, die hun hand zullen uitstrekken, om te veranderen en te verderven dit huis Gods, dat te Jeruzalem is. Ik, Darius, heb het bevel gegeven, dat het spoediglijk gedaan worde. Het besluit van Cyrus tot het bouwen des tempels wordt hier herhaald, nadat het aan het licht was gekomen. De toorn der vijanden werd door God ten goede gewend; in plaats van hunnen wil te doen en den tempelbouw tegen te werken, beveelt hij hun de Joden te helpen uit zijne eigene inkomsten. Hij gevoelde, dat hij hun gebeden nodig had, en dat zij hem tot zegen zouden kunnen zijn; daarom was hij hun zo goed gezind. De gebeden der rechtvaardigen vermogen veel. Wanneer Gods tijd is gekomen om Zijne genadige voornemens uit te voeren voor Zijne kerk, dan kan Hij zelfs de pogingen der vijanden daartoe doen medewerken. Terwijl onze gedachten op deze gebeurtenissen zijn gevestigd, worden wij door Zacharia op een meer verheven, op een geestelijk gebouw gewezen. Hij wijst ons op den waren Zerubbabel, den bouwer Zijner Kerk, op den Heere Jezus Christus (Zach. 6: 13). Dit gebouw verrijst onder Zijn opzicht en met Zijne hulp, ook in onze dagen; Hij gaat voort den enen steen op den anderen te leggen, en wij moeten toezien dat grote werk niet te willen verhinderen, maar liever onze hulp daartoe lenen. “Hij zal den hoofdsteen voortbrengen met toeroepingen: Genade, genade zij dezelve!” (Zach. 4: 7).
13.
VI. Vs. 13-22.KruisverwijzingenEzra 7:1→1 Koningen 8:63→2 Kronieken 7:5→Ezra 8:35→Numeri 3:6→2 Kronieken 35:11→Ezra 9:11→Ezra 5:13→
— Toen deden Thathnai, de landvoogd aan gene zijde der rivier, Sthar-Boznai, en hun gezelschap, spoediglijk alzo, naar hetgeen de koning Darius gezonden had. En de oudsten der Joden bouwden en gingen voorspoediglijk voort, door de profetie van den profeet Haggai en Zacharia, den zoon van Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het bevel van den God Israels, en naar het bevel van Kores, en Darius, en Arthahsasta, koning van Perzie. En dit huis werd volbracht op den derden dag der maand Adar; datzelve was het zesde jaar van het koninkrijk van den koning Darius. En de kinderen Israels, de priesteren en Levieten, en de overige kinderen der gevangenis deden de inwijding van dit huis Gods met vreugde. En zij offerden, ter inwijding van dit huis Gods, honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en twaalf geitenbokken, ten zondoffer voor gans Israel, naar het getal der stammen Israels. En zij stelden de priesteren in hun onderscheidingen, en de Levieten in hun verdelingen, tot den dienst Gods, Die te Jeruzalem is, naar het voorschrift des boeks van Mozes. Ook hielden de kinderen der gevangenis het pascha, op den veertienden der eerste maand. Want de priesters en de Levieten hadden zich gereinigd als een enig man; zij waren allen rein; en zij slachtten het pascha voor alle kinderen der gevangenis, en voor hun broederen, de priesteren, en voor zichzelven. Alzo aten de kinderen Israels, die uit de gevangenis wedergekomen waren, mitsgaders al wie zich van de onreinigheid der heidenen des lands tot hen afgezonderd had, om den HEERE, den God Israels, te zoeken. En zij hielden het feest der ongezuurde broden zeven dagen, met blijdschap; want de HEERE had hen verblijd, en het hart des konings van Assur tot hen gewend, om hun handen te sterken in het huis Gods, des Gods van Israel.
Het bouwden gaat voorspoedig, en het gebouw is voltooid in de maand Maart van het jaar 515 v. Chr, waarna eerst de inwijding van den nieuwen tempel volgt; daarna wordt in April van hetzelfde jaar, op den vastgestelden tijd, naar de wet van Mozes, het Paasfeest gevierd. Dit werd geheel naar het voorschrift der wet gehouden, en vele Israëlieten, die in het land waren blijven wonen, toen de anderen naar Babel vertrokken, of de daarvan afstammende families, hadden hun verbintenissen met de heidenen afgebroken, en zich bij de nieuwe gemeente gevoegd, met welke zij nu het Paasfeest vierden.
Toen deden Thathnaï, de landvoogd aan gene zijde der rivier, Sthar-Boznai en hun gezelschap spoediglijk of, stiptelijk, al zoals het bevel luidde in vs. 6, en handelden naar hetgeen de koning Darius gezonden had.
En de oudsten der Joden bouwden en gingen voorspoediglijk voort, in hunnen ijver aangemoedigd, door de profetie van den profeet Haggai en Zacharia, den kleinzoon van Iddo, en zij bouwden en voltrokken het gebouw, naar het bevel van den God Israël’s, en naar het bevel van Kores, en Darius, en Arthahsasta 1) Artaxerxes I, koning van Perzië; want ook de laatstgenoemde koning, ofschoon toen niet levende, heeft later grote diensten aan het Joodse volk bewezen (Nehemia 2: 1 vv.).
De naam Arthahsasta is hier vermeld, niet dewijl hij aan den eigenlijken tempelbouw heeft medegewerkt, maar wel veel heeft gedaan, om den bloei van den tempel te bevorderen (Hoofdstuk 7: 15,21). Ezra neemt hem op onder de beschermers van Israël’s Godsdienst.
En dit huis werd volbracht, voltooid, op den derden dag der maand Adar, overeenkomende met onze maand Maart (Exodus 12: 2 ) in het jaar 515 v. Chr.; dat was het zesde jaar van het koninkrijk van den koning Darius, Hystaspes Ene meer nauwkeurige beschrijving van den tweeden, door Zerubbabel gebouwden, tempel, zo als van dien van Salomo, kan niet gegeven worden, omdat er gene berichten van te vinden zijn. Slechts zoveel is er van te zeggen, dat volgens 1 Makk. 4: 38 vv. de tempel verscheidene, ten minste twee voorhoven had, met cellen of kamertjes voor de priesters, met zullen en poorten, van welke laatste, volgens Sirach 50: 1 vv. de buitenste later vergroot en waarschijnlijk ook versterkt werd. Volgens 1 Makk. 1: 44 vv. was het brandofferaltaar in den binnensten voorhof niet van koper, maar van steen; en volgens Sirach 50: 3 was het koperen wasvat vervangen door een stenen; maar toen dit later vervallen was, werd op last van den hogepriester Simon een ander wasvat vervaardigd, weer van metaal en van dezelfde grootte als dat in den eersten tempel. Eindelijk kan nog gemeld worden, dat volgens 1 Makk. 1: 29 vv. en 4: 49 in het Heilige zich slechts één gouden kandelaar en ene tafel der toonbroden, aan beide zijden van het reukofferaltaar bevond, terwijl ten opzichte van datgene, wat in 2 Koningen 25: 1 zij vermeld wordt, het Heilige der Heiligen geheel ledig bleef; in plaats van de verbrande arke des verbonds lag daar een platte steen, waarop de hogepriester op den groten verzoendag het wierookvat neerzette. Daar in Haggai 1: 8 aan het Hebr. woord Weïkkabdah = “Ik wil er van verheerlijkt worden,” aan het slot (volgens Chetib) de h ontbreekt, en daar deze letter het getalteken voor vijf is, hebben de latere Talmudisten daaruit aanleiding genomen om te beweren, dat er in den tweeden tempel 5 dingen ontbroken hebben:
de Arke des verbonds; 2. het heilige vuur 3. de Shechina; 4. de Heilige Geest en 5. de Uriem en Tummim (Exodus 28: 30).
En de kinderen Israël’s, namelijk de priesters en Levieten, en de overige kinderen der gevangenis, die nog overig waren van degenen, die vroeger in ballingschap waren geweest, maar nu teruggekeerd naar hun vaderland, deden de inwijding van dit huis Gods met vreugde.
En zij offerden, ter inwijding van dit huis Gods, honderd runderen, twee honderd rammen, vier honderd lammeren en twaalf geitenbokken, ten zondoffer voor gans Israël 1), naar het getal der stammen Israël’s.
Voor gans Israël, dewijl de Tempel en de tempeldienst niet alleen was voor de twee, maar voor al de twaalf stammen Israël’s, ook al waren die allen niet of nog niet bij de feestviering aanwezig. Het teruggekeerde Israël rekende niet met de scheuring, maar met het gehele volk. De tijd der scheuring was voorbij.
En zij stelden de priesters in hun onderscheidingen ieder bij de klasse, waartoe hij behoorde, en de Levieten in hun verdelingen, ieder bij de afdeling, waar hij zijn ambt te verrichten had, tot den dienst Gods, die te Jeruzalem is a), naar het voorschrift des boeks van Mozes 1).
Numeri 3: 6,32; 8: 11. 1 Kronieken 24: 1 vv.
Schoon de tempeldienst nu niet kon gedaan worden met zo veel pracht en overvloed van statelijke plechtigheden als weleer, uit hoofde van hun armoede, werd ze nu mogelijk met des te meer zuiverheid en verkleefdheid aan de heilige inzettingen verricht, die er de grootste ere en luister aan gaven; want geen schoonheid of praal is bij deze Heiligheid te vergelijken.
Hier is het zeer geschikt Psalm 118 te lezen, welke waarschijnlijk bij de inwijding van den nu voltooiden tempel in de 2de maand van het 6de jaar van Darius is gezongen, zo als duidelijk is op te maken uit het 19de vers van dezen Psalm. Anderen veronderstellen, maar met minder grond, dat hij gezongen is bij de viering van het Loofhuttenfeest in de zevende maand van het eerste jaar der terugkering, toen er slechts een eenvoudig altaar was opgericht op de heilige plaats (Hoofdstuk 3: 1 vv.), of bij het leggen van den eersten steen, of den grondsteen des tempels in de tweede maand van het tweede jaar (Hoofdstuk 3: 8 vv.). volgens de eerste mening is de Psalm in twee helften verdeeld, Psalm 118: 1-19 bezingt den feestelijken optocht, die door priesters en Levieten wordt begeleid, met zich voerende offerdieren, naar den in te wijden tempel optrekkende, en wel Psalm 118: 1-4 bij het in beweging komen van den tocht, Psalm 118: 5-18 op den weg, en Psalm 118: 19 bij het intreden des tempels. Psalm 118: 20-26 wordt gezongen door de Levieten, die den optrekkenden feestelijken stoet als het ware in ontvangst nemen en verwelkomen; in Psalm 118: 28 volgt het antwoord der aangekomenen, en in Psalm 118: 29 de slotzang van allen gezamenlijk. Delitzsch noemt het lied een Psalm in vlecht- of bloemkransstijl, waarin de ene geduchte aan de andere gevlochten is, als takje bij takje, bloem bij bloem, wanneer men een krans vlecht. De andere Psalmen of voor het inwijdingsfeest van den tempel of voor het daaropvolgende Paasfeest, waarvan in de overige verzen van dit hoofdstuk verhaald wordt, bestemd, zijn de Psalmen 95-100, 135-137. Wij kunnen hier niet in bijzonderheden treden, maar willen toch iets opmerken omtrent den eerst- en den laatstgenoemden dezer Psalmen. Naar de overlevering der Rabbijnen zongen de Levieten juist toen Jeruzalem door de Chaldeeën verwoest werd (2 Koningen 25: 8 vv.) den toen reeds bestaanden 94sten Psalm en waren daarmee gekomen aan de woorden van het 23 vers: “en Hij zal hen in hun boosheid verdelgen,” toen de vijanden in den tempel drongen, waardoor zij de slotwoorden: “de Heere, onze God, zal hen verdelgen,” niet konden zingen. Hoe is dit vervuld geworden in dit tijdsverloop van de 73 daarop volgende jaren, en hoe schoon sluit de aanvang van Psalm 95: 1 niet alleen uitwendig maar ook inwendig aan dat afgebrokene slotwoord van Psalm 94. Nu zongen zij: “Komt laat ons den Heere vrolijk zingen, laat ons juichen den Rotssteen onzes heils.” Niet alleen was intussen het Babylonische rijk gevallen, maar Darius Hystaspes had kort te voren in het zesde jaar zijner heerschappij ook de stad Babel = de verwoestende tot ene verwoeste stad gemaakt (Hoofdstuk 1: 4 ) en wel door de zelfopofferende list van enen jongeling Zopyrus. Deze had zich zelf oren en neus afgesneden en met geselen zijn vlees vaneen gereten, om bij de Babyloniërs, die sedert anderhalf jaar met de belegering door Darius spotten en hem uittartten, op deze wijze toegang te verkrijgen. De in het aangezicht geschonden jongeling begaf zich naar de belegerden in de stad, en verhaalde daar, dat Darius hem zo wreed mishandeld had, hij bood zich nu aan, om met hen tegen de Perzen ten strijde te trekken en op het gezicht van zijn mismaakt gelaat sloegen zij geloof aan zijne woorden; wie zou kunnen vermoeden, dat iemand zich zo zou schenden en pijnigen, als Zopyrus gedaan had? Hij zei wraak te willen nemen over de hem aan gedane mishandeling en men was dan ook bereid ene kleine bende onder zijne bevelen te stellen. Zo als afgesproken was met Darius, behaalde hij bij ene uitval op de Perzen ene overwinning, zodat de belegeraars vluchtten, ja hij was in alles zo voorspoedig naar het scheen, dat hem zelfs het opperbevel over de belegerde stad werd toevertrouwd. Nu had hij zijn doel bereikt; toen Darius met zijn gehele leger kwam aanrukken opende Zopyrus de poort, en de stad viel in handen der Perzen. Met betrekking daarop wordt zij in Psalm 137: 8 vv. aldus aangesproken: “O, dochter van Babel, die verwoest zult worden,” en werd hij geluk gewenst, die haar de misdaad vergelden zal, aan Israël gedaan.
Ook hielden de kinderen der gevangenis (zie vs. 16), het a) Pascha, op den veertienden dag der eerste maand, de maand Nisan (Exodus 12: 2 ).
Exodus 12: 1 vv. Leviticus 23: 5. Numeri 28: 16. Deuteronomium 16: 2. Justinus, de martelaar, in zijne samenspraak met Trypho, den Jood, haalt ene aanspraak van Ezra aan, die hij gedaan zou hebben vóór de viering van het Pascha, waarin hij de betekenis van die instelling verklaart, als duidelijk betrekking hebbende op Christus. Justinus toont aan, dat dit door de Joden reeds in de vroegste tijden in hun afschriften er was uitgelaten, daar het zo overtuigend het Christendom begunstigde. Whitakker meent, dat deze aanspraak gestaan heeft tussen vs. 20 en 21 van dit hoofdstuk, en dat het dus vertaald kan worden: “En Ezra zei tot het volk: dit Pascha is onze Zaligmaker en onze Toevlucht, en indien gij zult verstaan, en in uw hart overwegen, dat wij Hem zo als dit teken aanduidt, willen vernederen, en wij daarna in Hem zullen geloven, dan zal deze plaats niet voor altijd verwoest worden, zegt de Heere der heirscharen. Maar indien gij niet in Hem wilt geloven, noch Zijne prediking horen, dan zult gij ene bespotting zijn voor de Heidenen.” Daar men niet weet, dat deze plaats in het Hebreeuws heeft bestaan, en ook in geen afschrift van de Septuaginta wordt gevonden, veronderstellen de meeste Bijbeluitleggers, dat het oorspronkelijk in enige Griekse Bijbels is ingeslopen naar ene randtekening van een Christen in de eerste eeuwen van het Christendom, liever dan dat het door de Joden werd uitgeschrapt. Anderen echter houden het voor echt, maar willen het overgebracht hebben naar de plechtigheid, die in het laatste hoofdstuk van Ezra wordt verhaald.
Zij konden dit intussen geheel op de in de wet voorgeschrevene wijze doen, zo als men dat vroeger gedaan had, toen koning Josia zulk een plechtig Paasfeest had gehouden (2 Kronieken 35); want de priesters en de Levieten hadden zich gereinigd als een enig man; zij waren allenLevietisch rein; en zij 1) slachtten het Pascha voor alle kinderen der gevangenis, en voor hun broederen, de priesteren, en voor zich zelven.
Zij, n.l. de Levieten. Sedert de dagen van Josia schijnt het gewoonte geworden te zijn, dat niet de huisvaders, maar de Levieten én voor de gewone Israëlieten én voor de Priesters het Paaslam slachtten. Dit had zijn reden dan hierin, om de wet zo zuiver mogelijk op te volgen, opdat geen enkel onreine het lam toebereidde, en opdat de Priesters niet verhinderd werden ten volle hun ambt waar te nemen.
Alzo aten de kinderen Israëls, die uit de gevangenis wedergekomen waren, mitsgaders al degenen, die tot hiertoe met de heidense bewoners des lands hadden te zamen geleefd, maar zich nu van de onreinigheid der Heidenen des lands tot hen afgezonderd hadden 1), verbrekende hun verzwagering en vroegere verbinding met hen, om den HEERE, den God Israëls, te zoeken, het Paaslam op den 14den van Nisan.
In verband met Ezra 9: 1; 10: 2,10. Nehemia 9: 2 en 10: 29 kunnen degenen, van wie hier sprake is, niet Heidenen zijn, maar Israëlieten, die zich met Heidenen verzwagerd hadden, die den dienst Gods met heidense gruwelen hadden vermengd, maar nu met al wat heidens was gebroken hadden, den heidensen zuurdesem hadden uitgezuiverd en door de genade Gods zich verenigd hadden met het volk uit de Ballingschap, om in Jeruzalem’s tempel den God Israëls en Hem alleen te dienen.
En zij hielden daarna het feest der ongezuurde broden zeven dagen, tot den 27sten van Nisan, met blijdschap: want de HEERE had hen verblijd 1), en het hart des konings van Assur
d.i. de koning Darius, als een der latere opvolgers van de koningen van Assyrië, tot hen gewend, om hun handen te sterken in het werk van het huis Gods, des Gods van Israël.
Zij, die zich op goede gronden verblijden, hebben hierom redenen van dankbaar te zijn, dewijl het God is die hen verblijdt. Hij is de Fontein, uit welke alle de stromen onzer rechtmatige blijdschap voortvloeien. Hij heeft beloofd, alle degenen, die Zijn verbond houden in Zijn Huis des gebeds te zullen vervrolijken.
Het volgende hoofdstuk verplaatst ons terstond in het zevende jaar van den Perzischen koning Arthasasta (Artaxerxes I, zie op Ezra 1: 4 en 4: 6) en laat dus ene tijdruimte van 57 jaren over, zonder ons iets te berichten van den overigen tijd der regering van Darius, noch van den tijd van Xerxes. (Behalve hetgeen Hoofdstuk 4: 6-23 is vermeld. G.) Over het algemeen behelzen de Boeken van Ezra en Nehemia slechts enkele gewichtige gebeurtenissen uit de geschiedenis van de achtereenvolgende regeringen der Perzische koningen. Daarom kan er over dit gedeelte van de geschiedenis der Joden in Palestina niets zekers gezegd worden. In het tijdsgewricht, waarin het Boek Ezra (Hoofdstuk 7: 1 vv.) den draad van het verhaal weer opneemt, dat is in het zevende jaar van de regering van Artaxerxes Longimanus (458 v. Chr.) zo ook het Boek Nehemia in het twintigste jaar van denzelfden vorst (445 v. Chr.), was de Joodse nederzetting in het Heilige land in een kwijnenden toestand. Wel is waar had het Joodse volk zich meer uitgebreid naar het zuiden (Nehemia 11: 25 vv.), maar de toestand van het volk was hoogst treurig. De willekeurige heerschappij der Perzische stadhouders drukte zwaar op hen (Nehemia 5: 15); inwendig was er verwarring, terwijl de theokratische instellingen òf vervallen waren, òf nog niet weer waren in het leven geroepen. De lauwheid van het volk was blijkbaar, daar zij zich door huwelijken verbonden met de Heidenen, die òf rondom hen, òf in hun midden woonden. De 85ste Psalm toont ons aan, hoe bij het volk, dat door allerlei gebrek en ellende gedrukt werd, het verlangen naar ene nieuwe heilsbedeling van den Heere, hunnen God steeds vuriger werd. Zij gevoelden het zo innig, dat de tegenwoordige uit- en inwendige toestand verre verwijderd was van hetgeen zij gehoopt hadden van hun nationale herstelling bij het einde der Ballingschap. Het is onzeker hoe lang Jozua en Zerubbabel geleefd hebben na deze herstelling; ook weet men niet wie den laatste als landvoogd is opgevolgd, of de Joden nog langer een eigen landvoogd gehad hebben, en of zij niet veeleer onder de willekeurige heerschappij der landvoogden of satrapen van Syrië geraakten. Van Jozua weten wij, dat na hem zijn zoon Jojakim, en na dezen weer diens zoon Eljasib het ambt van hogepriester bekleedde. (Nehemia 12: 11 vv.). Eindelijk is het moeilijk te bepalen in hoeverre de Joden gewikkeld waren in de oorlogen, die de Perzische koningen tegen Griekenland hebben gevoerd; het bericht bij Herodotus (VII. 89) volgens hetwelk “de Feniciërs met de Syriërs, die in Palestina wonen,” 300 schepen voor Xerxes uitrustten, is, de nauwkeurigheid van genoemden Schrijver in aanmerking nemende, niet als bewijs daarvan aan te nemen, omdat ook de Joden volstrekt geen zeevarende natie waren. In den hierboven genoemden tijd, tussen het 6de en 7de hoofdstuk van Ezra valt de gebeurtenis voor, die in het boek Esther verhaald wordt, benevens het ontstaan van een nieuw feest der Joden, dat in den tijd van het Nieuwe Testament algemeen verbreid was: het zogenaamde Purimfeest of het feest van het lot (Esther 9: 24 vv. en 3: 7) in 2 Makk. 15: 36 het Mordechaïfeest geheten. Het Boek Esther is geschreven door enen in Perzië wonenden Jood, die in nauwe betrekking stond tot de daarin verhaalde gebeurtenissen, en is bij het afsluiten van den Kanon van zo hoge waarde gerekend, dat men het op ééne lijn stelde met de Thora of de Wet van Mozes. Uit alle bijzonderheden, die daarin voorkomen, blijkt het ook, dat het geloofwaardig en echt is; de Jodin Esther, die in 478 v. Chr. gemalin van den Perzischen koning Xerxes (Ahasveros) werd, is dezelfde, die Herodotus opgeeft onder den naam van Amestris (Her. IX, 108), als de moeder van de zonen van Xerxes, die hunnen vader konden opvolgen; dit heeft grote betekenis en bevestigt de waarheid van den Bijbel. Wat daar in Suzan plaats had, was de daadwerkelijke verhoring van de gebeden des volks in het heilige land, zo als ons die in Psalm 85 worden voorgesteld. Alzo werd een Joods meisje door de bijzondere leidingen Gods op den Perzischen troon geplaatst, om het werktuig in Gods hand te zijn ter behoudenis van haar volk, en werd de genegenheid voorbereid, die Artaxerxes Longimanus voor het Joodse volk toonde, door mede te werken tot de voltooiing van het huis Gods. Het bovenstaande mag echter niet als zeker opgegeven worden, zodat wij daar vast op zouden kunnen bouwen; zekerder is het, dat de bereidwilligheid, die Ezra van vele Joden ondervond, om mede uit Perzië naar hun vaderland terug te keren, voortkwam uit de omstandigheid, dat het Joodse volk, hetwelk in Perzië woonde, 15 jaren geleden, zoveel benauwdheid had doorgestaan door het gebod, dat Haman, de Agagiet, van den koning had weten te verkrijgen. Door ene gelukkige wending waren zij toen den ondergang ontkomen. Zij begrepen zeer goed, dat er niet altijd Mordechai’s en Esthers zouden zijn, om hen van zulke dreigende gevaren te verlossen, en op hun veiligheid bedacht zijnde, gaven zij ook gehoor aan de uitnodiging van Ezra om naar het land der vaderen terug te keren. Het Boek Esther is een klaar bewijs, dat het zeer nodig was, om naar het vaderland weer te keren, niet alleen tot uitwendige veiligheid, maar ook om des geloofs wille. Het Boek zelf heeft het bewijs in zich, dat men van God vervreemd was; want gene enkele maal staat er in vermeld, dat men zijn vertrouwen op God stelde, en die vervreemding van Jehova dreigde bij alles door te dringen. Wat er in verhaald wordt toont wel aan dat er grote ijver bestond bij het volk tot instandhouding van de Joodse natie, maar geenszins het diepe bewustzijn van ene theocratie of Godsregering; uiterlijke godsdienstigheid verving de plaats van inwendige gemeenschap met God. Het was ook hoog tijd, dat er nog ene tweede bezending van de kinderen der gevangenis naar het geliefde Kanaän heentrok, anders zou de roeping, die het volk Israëls in de geschiedenis des heils had ontvangen, verloren zijn gegaan, te meer daar de vroeger teruggekeerden, door hun klein getal en hun lauwheid te midden der menigte vijanden Gods, gevaar zouden gelopen hebben onder de Heidenen te versmelten. In dit opzicht verdiende het Boek van Esther alleen in den Kanon te worden opgenomen. De leidingen van God met Zijn volk kunnen er immers klaar en duidelijk in worden opgemerkt.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel