Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
HaggaiH2292 nu, de profeetH5029, en ZachariaH2148, de zoonH1247 van IddoH5714, profeteerdenH5013 tot de JodenH3062, die in JudaH3061 en te JeruzalemH3390 waren; in den naamH8036 GodsH426 van IsraelH3479 profeteerden zij tot hen.
Haggai nu, de profeet, en Zacharia, de zoon van Iddo, profeteerden tot de Joden, die in Juda en te Jeruzalem waren; in den naam Gods van Israel profeteerden zij tot hen.
Ook in dit vers
[profeteerden]H5922
KJV
Then the prophets,3
Haggai2
the prophet,7
and Zechariah4
the son5
of Iddo,6
prophesied1
unto8
the Jews9
that were in Judah11
and Jerusalem12
in the name13
of the God14
of Israel,15
even unto
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Toen maaktenH6966 zich op ZerubbabelH2217, de zoonH1247 van SealthielH7598, en JesuaH3443, de zoonH1247 van JozadakH3136, en begonnenH8271 te bouwenH1124 het huisH1005 GodsH426, Die te JeruzalemH3390 woont; en met hen de profetenH5029 GodsH426, die hen ondersteundenH5583.
Toen maakten zich op Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en Jesua, de zoon van Jozadak, en begonnen te bouwen het huis Gods, Die te Jeruzalem woont; en met hen de profeten Gods, die hen ondersteunden.
KJV
Then1
rose up2
Zerubbabel3
the son4
of Shealtiel,5
and Jeshua6
the son7
of Jozadak,8
and began9
to build10
the house11
of God12
which is at Jerusalem:14
and with them15
were the prophets16
of God18
helping
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Te dier tijdH2166 kwam tot hen Thathnai, de landvoogdH6347 aan deze zijde der rivierH5103, en Sthar-BoznaiH8370, en hun gezelschapH3675, en zeidenH560 aldusH3652 tot hen: Wie heeft ulieden bevelH2942 gegevenH7761 dit huisH1005 te bouwenH1124, en dezenH1836 muurH846 te voltrekkenH3635?
Te dier tijd kwam tot hen Thathnai, de landvoogd aan deze zijde der rivier, en Sthar-Boznai, en hun gezelschap, en zeiden aldus tot hen: Wie heeft ulieden bevel gegeven dit huis te bouwen, en dezen muur te voltrekken?
KJV
At the same time2
came3
to them Tatnai,5
governor6
on this side7
the river,8
and Shetharboznai,9
and their companions,11
and said13
thus12
unto them,4
Who15
hath commanded16
you to build21
this20
house,19
and to make up24
this23
wall?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Toen zeidenH560 wij aldusH3660 tot hen, en welke de namenH8036 waren der mannenH1400, die dit gebouwH1147 bouwdenH1124.
Toen zeiden wij aldus tot hen, en welke de namen waren der mannen, die dit gebouw bouwden.
KJV
Then1
said3
we unto them after this manner,2
What5
are6
the names7
of the men8
that make12
this10
building?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Doch het oogH5870 huns GodsH426 was over de oudstenH7868 der JodenH3062, dat zij hun niet belettenH989, totdat de zaakH2941 aan DariusH1868 kwam, en zij alsdanH116 daarover een briefH5407 wederbrachtenH8421.
Doch het oog huns Gods was over de oudsten der Joden, dat zij hun niet beletten, totdat de zaak aan Darius kwam, en zij alsdan daarover een brief wederbrachten.
KJV
But the eye1
of their God2
was3
upon4
the elders5
of the Jews,6
that they could not7
cause8
them9
to cease,
till10
the matter11
came13
to Darius:12
and then14
they returned answer15
by letter16
concerning17
this
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
AfschriftH6573 des briefsH104, dien Thathnai, de landvoogdH6347 aan deze zijde der rivierH5103, met Sthar-BoznaiH8370, en zijn gezelschapH3675, de AfarsechaietenH671, die aan deze zijde der rivierH5103 waren, aan den koningH4430 DariusH1868 zondH7972.
Afschrift des briefs, dien Thathnai, de landvoogd aan deze zijde der rivier, met Sthar-Boznai, en zijn gezelschap, de Afarsechaieten, die aan deze zijde der rivier waren, aan den koning Darius zond.
KJV
The copy1
of the letter2
that Tatnai,5
governor6
on this side7
the river,8
and Shetharboznai,9
and his companions11
the Apharsachites,12
which were on this side14
the river,15
sent4
unto16
Darius17
the king:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Zij zondenH7972 een verhaalH6600 aan hem; en daarin was aldusH1836 geschrevenH3790: Den koningH4430 DariusH1868 zij alle vredeH8001.
Zij zonden een verhaal aan hem; en daarin was aldus geschreven: Den koning Darius zij alle vrede.
KJV
They sent2
a letter1
unto3
him, wherein6
was written5
thus;4
Unto Darius7
the king,8
all10
peace.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Den koningH4430 zij bekendH3046, dat wij getogenH236 zijn naar het landschapH4083 JudaH3061, ten huizeH1005 des groten GodsH426, hetwelk gebouwdH1124 wordt met grote stenenH69, en het houtH636 wordt gelegdH7761 in de wandenH3797; en datzelve werkH5673 wordt rasH629 gedaan, en gaat voorspoediglijkH6744 door hun handenH3028 voortH6744.
Den koning zij bekend, dat wij getogen zijn naar het landschap Juda, ten huize des groten Gods, hetwelk gebouwd wordt met grote stenen, en het hout wordt gelegd in de wanden; en datzelve werk wordt ras gedaan, en gaat voorspoediglijk door hun handen voort.
KJV
Be it known2
unto the king,3
that we went5
into the province7
of Judea,6
to the house8
of the great10
God,9
which is builded12
with great14
stones,13
and timber15
is laid16
in the walls,17
and this19
work18
goeth21
fast20
on, and prospereth22
in their hands.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Toen hebben wij denzelven oudstenH7868 gevraagdH7593, en aldusH3660 tot hen gezegdH560: Wie heeft ulieden bevelH2942 gegevenH7761 dit huisH1005 te bouwenH1124, en dezenH1836 muurH846 te voltrekkenH3635?
Toen hebben wij denzelven oudsten gevraagd, en aldus tot hen gezegd: Wie heeft ulieden bevel gegeven dit huis te bouwen, en dezen muur te voltrekken?
KJV
Then1
asked2
we those4
elders,3
and said6
unto them thus,5
Who8
commanded9
you to build14
this13
house,12
and to make up17
these16
walls?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Wijders hebben wij hun ook hun namenH8036 afgevraagdH7593, dat wij ze u bekendH3046 maakten; dat wij mochten overschrijvenH3790 de namenH8036 der mannenH1400, die hoofdenH7217 onder hen zijn.
Wijders hebben wij hun ook hun namen afgevraagd, dat wij ze u bekend maakten; dat wij mochten overschrijven de namen der mannen, die hoofden onder hen zijn.
KJV
We asked3
their names2
also,1
to certify5
thee, that we might write7
the names8
of the men9
that were the chief
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En zij hebben ons dusdanigH3660 antwoordH6600 wedergegevenH8421, zeggendeH560: Wij zijn knechtenH5649 van den GodH426 des hemelsH8065 en der aardeH772, en bouwenH1124 het huisH1005, dat veleH7690 jarenH8140 voor dezenH1836 is gebouwdH1124 geweest; want een groot koningH4430 van IsraelH3479 had het gebouwdH1124 en voltrokkenH3635.
En zij hebben ons dusdanig antwoord wedergegeven, zeggende: Wij zijn knechten van den God des hemels en der aarde, en bouwen het huis, dat vele jaren voor dezen is gebouwd geweest; want een groot koning van Israel had het gebouwd en voltrokken.
KJV
And thus1
they returned3
us answer,2
saying,4
We5
are6
the servants7
of the God9
of heaven10
and earth,11
and build12
the house13
that was15
builded16
these18
many20
years19
ago,17
which a great23
king21
of Israel22
builded24
and set up.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Maar nadatH4481 onze vadersH2 den GodH426 des hemelsH8065 hadden vertoorndH7265, heeft Hij hen gegevenH3052 in de handH3028 van NebukadnezarH5020, den koningH4430 van BabelH895, den Chaldeeer; dewelke dat huisH1005 heeft vernieldH5642, en het volkH5972 naar BabelH895 weggevoerdH1541.
Maar nadat onze vaders den God des hemels hadden vertoornd, heeft Hij hen gegeven in de hand van Nebukadnezar, den koning van Babel, den Chaldeeer; dewelke dat huis heeft vernield, en het volk naar Babel weggevoerd.
Ook in dit vers
ChaldeerH3679
KJV
But1
after2
that our fathers5
had provoked4
the God6
of heaven7
unto wrath,
he gave8
them9
into the hand10
of Nebuchadnezzar11
the king12
of Babylon,13
the Chaldean,14
who destroyed17
this16
house,15
and carried19
the people18
away
into Babylon.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Doch in het eersteH2298 jaarH8140 van KoresH3567, koningH4430 van BabelH895, heeft de koningH4430 KoresH3567 bevelH2942 gegevenH7761 dit huisH1005 GodsH426 te bouwenH1124.
Doch in het eerste jaar van Kores, koning van Babel, heeft de koning Kores bevel gegeven dit huis Gods te bouwen.
KJV
But1
in the first3
year2
of Cyrus4
the king5
of Babylon7
the same king9
Cyrus8
made10
a decree11
to build15
this14
house12
of God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Ja, de vatenH3984 van GodsH426 huisH1005, welke van goudH1722 en zilverH3702 waren, die NebukadnezarH5020 uit den tempelH1965, die te JeruzalemH3390 was, had weggenomenH5312 en dezelve gebrachtH2987 in den tempelH1965 van BabelH895, die heeft de koningH4430 KoresH3567 uitgehaaldH5312 uit den tempelH1965 van BabelH895, en zij zijn gegevenH3052 aan een, wiens naamH8036 was SesbazarH8340, dien hij tot een landvoogdH6347 had gesteldH7761.
Ja, de vaten van Gods huis, welke van goud en zilver waren, die Nebukadnezar uit den tempel, die te Jeruzalem was, had weggenomen en dezelve gebracht in den tempel van Babel, die heeft de koning Kores uitgehaald uit den tempel van Babel, en zij zijn gegeven aan een, wiens naam was Sesbazar, dien hij tot een landvoogd had gesteld.
KJV
And the vessels2
also1
of3
gold7
and silver8
of the house4
of God,5
which Nebuchadnezzar10
took11
out of12
the temple13
that was in Jerusalem,15
and brought16
them into the temple18
of Babylon,20
those17
did Cyrus23
the king24
take21
out of25
the temple26
of Babylon,28
and they were delivered29
unto one, whose name31
was Sheshbazzar,30
whom he had made34
governor;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
En hij zeideH560 tot hem: NeemH5376 deze vatenH3984, ga ze afvoerenH5182 in den tempelH1965, die te JeruzalemH3390 is, en laat het huisH1005 GodsH426 gebouwdH1124 worden op zijn plaatsH870.
En hij zeide tot hem: Neem deze vaten, ga ze afvoeren in den tempel, die te Jeruzalem is, en laat het huis Gods gebouwd worden op zijn plaats.
KJV
And said1
unto him, Take5
these3
vessels,4
go,6
carry7
them8
into the temple9
that is in Jerusalem,11
and let the house12
of God13
be builded14
in15
his place.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Toen kwam dezelve SesbazarH8340; hij legde de fondamentenH787 van het huisH1005 GodsH426, Die te JeruzalemH3390 woont; en er is van toen af tot nu toe gebouwdH1124, doch niet volbrachtH8000.
Toen kwam dezelve Sesbazar; hij legde de fondamenten van het huis Gods, Die te Jeruzalem woont; en er is van toen af tot nu toe gebouwd, doch niet volbracht.
Ook in dit vers
leideH3052
KJV
Then1
came4
the same3
Sheshbazzar,2
and laid5
the foundation6
of the house8
of God9
which is in Jerusalem:11
and since12
that time13
even until14
now15
hath it been in building,16
and yet it is not17
finished.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Zo het dan nu den koningH4430 goeddunktH2869, laat er gezochtH1240 worden in het schathuisH1596 des koningsH4430 aldaar, dat te BabelH895 is, of het zij, dat een bevelH2942 van den koningH4430 KoresH3567 gegevenH7761 zij, om dit huisH1005 GodsH426 te JeruzalemH3390 te bouwenH1124; en dat men des koningsH4430 believenH7470 hiervan tot ons zendeH7972.
Zo het dan nu den koning goeddunkt, laat er gezocht worden in het schathuis des konings aldaar, dat te Babel is, of het zij, dat een bevel van den koning Kores gegeven zij, om dit huis Gods te Jeruzalem te bouwen; en dat men des konings believen hiervan tot ons zende.
KJV
Now1
therefore, if2
it seem good5
to3
the king,4
let there be search6
made in the king's10
treasure8
house,7
which is there11
at Babylon,13
whether14
it be15
so, that a decree21
was made20
of17
Cyrus18
the king19
to build22
this25
house23
of God24
at Jerusalem,26
and let the king28
send31
his pleasure27
to us concerning29
this matter.
zoon van Iddo,
Dat is, zoonszoon; want hij was een zoon van Barechja, die een zoon was van Iddo; Zach. 1:1 .
Hertaald:
zoon van Iddo,
Dat is: kleinzoon; want hij was een zoon van Berechja, die een zoon was van Iddo; Zach. 1:1.
profeteerden
In het tweede jaar van den koning Darius. Zie Hag. 1:1 ; Zach. 1:1.
Hertaald:
profeteerden
In het tweede jaar van koning Darius. Zie Hagg. 1:1; Zach. 1:1.
naam des Gods
Dat is, door bevel.
Hertaald:
naam des Gods
Dat is: door bevel.
profeteerden zij
Bevelende hun het bouwen des tempels te hervatten.
Hertaald:
profeteerden zij
Waarbij zij hun opdroegen de bouw van de tempel te hervatten.
Zerubbábel,
Die de gevangenen uit Babel hadden opgevoerd. Zie boven, Ezra 2:2 , en Ezra 3:2 , en Ezra 4:2-3 .
Hertaald:
Zerubbábel,
Die de gevangenen uit Babel geleid hadden. Zie hierboven Ezra 2:2, en Ezra 3:2, en Ezra 4:2-3.
ondersteunden
De ijverigen door het woord des Heeren sterkende en de tragen bestraffende. Zie Hag. 1:2 ; Zach. 1:16 , enz.
Hertaald:
ondersteunden
Terwijl zij de ijverigen door het woord van de HEERE sterkten en de tragen bestraften. Zie Hagg. 1:2; Zach. 1:16, enzovoort.
Sthar-boznaï,
Chaldeeuws, Schethar-Boznai.
Hertaald:
Sthar-boznaï,
Chaldeeuws: Schethar-Boznai.
aldus tot hen,
Gelijk onder, vs.11, enz. verhaald wordt.
Hertaald:
aldus tot hen,
Zoals hieronder vers 11, enzovoort, verteld wordt.
namen waren
Dewijl zij dit mede gevraagd hadden, onder, vs.10. Anderen nemen deze woorden aldus: [wijders zeiden zij] welke zij de namen der mannen, die dit gebouw bouwen?
Hertaald:
namen waren
Omdat zij dit ook gevraagd hadden, hieronder vers 10. Anderen vatten deze woorden zo op: [verder zeiden zij] wat zijn de namen van de mannen die dit gebouw bouwen?
oog huns Gods
Dat is, God waakte en droeg zorg voor hen.
Hertaald:
oog huns Gods
Dat is: God waakte en droeg zorg voor hen.
grote stenen,
Chaldeeuws, steen der wenteling, of rolling; dat is, die men niet kon dragen, maar met instrumenten moest wentelen. Anders, marmersteen.
Hertaald:
grote stenen,
Chaldeeuws: steen van het wentelen, of rollen; dat is: die men niet kon dragen, maar met werktuigen moest rollen. Anders: marmersteen.
hout wordt gelegd
Zij willen zeggen dat het werk reeds zover is gebracht, dat de balken tot zolderingen gelegd werden.
Hertaald:
hout wordt gelegd
Zij willen zeggen dat het werk al zo ver gevorderd is, dat de balken als zoldering gelegd werden.
koning van Israël
Salomo.
Hertaald:
koning van Israël
Salomo.
Sesbazar,
Zie boven, Ezra 1:8 .
Hertaald:
Sesbazar,
Zie hierboven Ezra 1:8.
hij tot landvoogd
Cores, of Cyrus.
Hertaald:
hij tot landvoogd
Kores, of Cyrus.
hij legde de fondamenten
Chaldeeuws, hij gaf.
Hertaald:
hij legde de fondamenten
Chaldeeuws: hij gaf.
Die te Jeruzalem woont;
Of, dat te Jeruzalem is.
Hertaald:
Die te Jeruzalem woont;
Of: dat in Jeruzalem is.
den koning goeddunkt,
Chaldeeuws, bij den koning goed [is]; dat is, zo het den koning goedvindt, of zo het hem aangenaam is.
Hertaald:
den koning goeddunkt,
Chaldeeuws: bij de koning goed [is]; dat is: als het de koning goeddunkt, of als het hem aangenaam is.
schathuis
Dat is, in des konings kanselarij, waar alle gedenkwaardige schriften heengelegd en bewaard werden. Alzo onder, Ezra 6:1 .
Hertaald:
schathuis
Dat is: in de kanselarij van de koning, waar alle gedenkwaardige geschriften opgeslagen en bewaard werden. Zo ook hieronder Ezra 6:1.
dat men des konings
Of, dat de koning zijn believen hiervan tot ons zende. Chaldeeuws, dat hij des konings believen; [dat is, dat de koning zijn believen] hiervan tot ons zende.
Hertaald:
dat men des konings
Of: dat de koning zijn wil hierover naar ons stuurt. Chaldeeuws: dat hij de wil van de koning; [dat is: dat de koning zijn wil] hierover naar ons stuurt. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas De vorst (landvoogd) van Juda, aan wie koning Kores de tempelvaten toevertrouwde om ze terug te brengen naar Jeruzalem; hij voerde de ballingen naar Jeruzalem en legde de fundamenten van het huis Gods (Ezra 1:8, 11; 5:14-16). Zoon van Sealthiël, van het koninklijk geslacht van David; een van de leiders van de eerste terugkeer uit de Babylonische ballingschap. Samen met de hogepriester Jesua herbouwde hij het altaar en legde hij, ondanks tegenwerking, het fundament van de tempel (Ezra 2:2; 3:2, 8; 4:2-3; 5:2). Zoon van Jozadak, hogepriester van de eerste terugkeer uit de ballingschap. Samen met Zerubbabel bouwde hij het altaar, hield het loofhuttenfeest en legde het fundament van de tempel, ondanks tegenstand van de volken des lands (Ezra 2:2; 3:2, 8-9; 5:2). Koning van Perzië, onder wiens bewind het gestaakte tempelwerk hervat werd; op vraag van de landvoogd Thathnai liet hij onderzoek doen naar Kores' oorspronkelijke bevel, dat teruggevonden werd, en bevestigde daarop de bouw van de tempel (Ezra 4:5, 24; 5:5-6:12). Een profeet, die samen met Zacharia de Joden aanspoorde de herbouw van de tempel te hervatten (Ezra 5:1; 6:14); zijn profetieën zijn bewaard in het boek Haggaï. Zoon van Iddo, een profeet, die samen met Haggaï de Joden aanspoorde de herbouw van de tempel te hervatten (Ezra 5:1; 6:14); zijn profetieën zijn bewaard in het boek Zacharia. Niet te verwarren met de andere personen die deze naam droegen. De landvoogd aan de overzijde van de rivier (de Eufraat), die de herbouw van de tempel onderzocht en er bij koning Darius verslag van deed; op diens antwoord liet hij het werk ongehinderd doorgaan (Ezra 5:3-6:13). Een ambtgenoot van de landvoogd Thathnai, betrokken bij het onderzoek naar de herbouw van de tempel (Ezra 5:3, 6; 6:6, 13). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Na jaren van stilstand profeteren Haggaï en Zacharia, de zoon van Iddo, tot de Joden in Juda en Jeruzalem, in de Naam van de God Israëls (Ezra 5:1). Op dat woord staan Zerubbabel en Jesua op en beginnen opnieuw te bouwen, en de profeten Gods ondersteunen hen daarbij (Ezra 5:2). Meteen komt Thathnai, de landvoogd van het gebied aan deze zijde van de rivier, met zijn gezelschap vragen wie hun bevel gegeven heeft dit huis te bouwen (Ezra 5:3). Zij vragen ook de namen op van de mannen die aan het werk zijn (Ezra 5:4,10). Maar het oog van hun God was over de oudsten, zodat men hen niet belette totdat de zaak aan Darius zou zijn voorgelegd (Ezra 5:5). Thathnai schrijft een opvallend eerlijk verslag: het werk gaat voorspoedig door hun handen (Ezra 5:8). De oudsten antwoorden met een belijdenis in plaats van een verweer. Zij noemen zich knechten van de God des hemels en der aarde, en erkennen dat hun vaderen Hem vertoornd hadden en dat Hij hen daarom in de hand van Nebukadnezar gaf. Pas daarna beroepen zij zich op het bevel van Kores (Ezra 5:11-13). Bijbelse betekenis: Deze keer loopt het anders af dan in het vorige hoofdstuk, en de tekst zegt waarom: het oog van hun God was over hen. Dat is geen vrijstelling van onderzoek, want de vragen komen er wel degelijk, en de namen worden opgeschreven. Bescherming betekent hier niet dat de tegenstand uitblijft, maar dat zij niet verder komt dan God toelaat. Merk op waar de moed vandaan kwam. Er was niets veranderd aan het bevelschrift dat de bouw verbood; wat er veranderde was dat er weer geprofeteerd werd. Het volk begon opnieuw op grond van het Woord, niet op grond van gunstige omstandigheden. En het antwoord van de oudsten is opmerkelijk: gevraagd naar hun rechtsgrond, beginnen zij bij hun eigen schuld. Zij verzwijgen niet dat de tempel eens verwoest werd en waarom. Wie zo antwoordt, heeft niets te verbergen en hoeft zich niet groter voor te doen dan hij is. Typologie: De psalm noemt hetzelfde oog en dezelfde bewaring: "Ziet, des HEEREN oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen" (Ps. 33:18). En dat het Woord door profeten het werk weer op gang bracht, tekent de gewone weg waarlangs God Zijn volk in beweging zet; de bemoediging kwam niet uit de politiek maar van de kansel. Ezra 5:1-13; Ps. 33:18 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Ezra 5
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen


Ezra 5
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
V. Vs. 1KruisverwijzingenHagai 1:1→Zacharia 4:6→Micha 5:4→Zacharia 1:1→
— Haggai nu, de profeet, en Zacharia, de zoon van Iddo, profeteerden tot de Joden, die in Juda en te Jeruzalem waren; in den naam Gods van Israel profeteerden zij tot hen.
-Hoofdstuk 6: 12. Zo als het in de laatste opmerking in het vorige hoofdstuk reeds is gezegd, wakkeren de profeten Haggai en Zacharia den uitgedoofden ijver der Joden voor den bouw des tempels op nieuw aan, waardoor in het tweede jaar van Darius Hystaspes het werk weer wordt aangevangen. Nu komt echter de Perzische landvoogd Thathnaï, die over het gebied aan de westzijde van den Eufraat het bevel voerde, met zijne beambten naar Jeruzalem, en vraagt aan de oudsten, wier namen hij opschrijft, wie hun de vrijheid tot bouwen gegeven heeft. Hij belet de voortzetting van het werk niet, maar geeft er toch bericht van aan den koning. Deze geeft ene beslissing, die zeer gunstig is voor de Joden; hij staat niet alleen het verdere bouwen toe, maar geeft hun zelfs een deel van de inkomsten des lands, ten behoeve van den offerdienst.
Haggaï 1) nu, de profeet, wiens naam betekent: “de Feestelijke,” wellicht een der grijsaards, die den ouden Tempel nog in al zijne heerlijkheid gezien hebben (Hoofdstuk 3: 12. (Haggai 2: 4), van wie echter gene bijzonderheden meer bekend zijn, en Zacharia, d.i. “de Heere gedenkt (2 (Kronieken 24: 20 vv.), de zoon van Berechja en kleinzoon van Iddo, het hoofd van een priestergeslacht, dat met Jesua en Zerubbabel uit de ballingschap was teruggekeerd, profeten, profeteerden in het tweede jaar van Darius (Hoofdstuk 4: 24 op den eersten dag van de zesde maand, d.i. Elul (Exodus 12: 1 ), omstreeks onze maand September, tot de Joden, die in Juda en te Jeruzalem waren 1), in den naam des Gods van Israël profeteerden zij tot hen 3), en spoorden het volk met groten nadruk aan tot het weder opvatten van het gestaakte opbouwen des tempels.
Het Boek van Haggai in ongekunstelde taal, maar niet zonder retorische levendigheid geschreven, bevat waarschijnlijk slechts de hoofdgedachten van zijne mondelijke redevoeringen, en verdeeld in vier afdelingen, waarvan de eerste en de derde, zo ook de tweede en de vierde bij elkaar behoren. In de eerste, op den dag der nieuwe maan van de 6e maand gehoudene redevoering (Hoofdstuk 1), bestraft de Profeet de lauwheid in het bouwen van den tempel, die door den heersenden nood niet kan verontschuldigd worden, daar toch het volk prachtige huizen voor zich zelven bouwde, veeleer was de tegenwoordige nood ene straf voor die onverschilligheid. Deze redevoering maakt indruk; ten gevolge daarvan wordt het bouwen weer ter hand genomen, en de Profeet belooft den zegen en den bijstand des Heren. De tweede redevoering, gehouden op den zevenden dag van het Loofhuttenfeest (Hoofdstuk 2: 1-10), toen het bouwen van den tempel reeds weer vier weken in vollen gang was geweest, spreekt hij over de neerslachtigheid van het volk, toen het den vroegeren tempel vergeleek met dien, waarvan de grondslagen al deden zien, wat hij zou worden. De Profeet troost het volk, zeggende: dat de Heere nog niet van hen is geweken, en belooft in den naam des Heren, dat de heerlijkheid van dezen nieuwen tempel groter zal worden, dan die van den eerste geweest is. De derde, juist drie maanden na het weder opvatten van den tempelbouw gehouden redevoering (Hoofdstuk 2: 11-20), zet de gedachte voort van de eerste, en toont aan, dat de voortdurende nood, daar hemel en aarde hun tegen waren, als ene straf was te beschouwen voor des volks geringachting van den dienst huns Gods, en wijst op den sedert korten tijd aangevangen overvloedigen vroegen regen, als een bewijs, dat de Heere der natuur Zijne beloofde zegeningen niet onthoudt aan de gemeente, die getrouw is aan ‘t verbond met Hem gesloten. De vierde rede, gehouden op dezelfden dag als de derde (Hoofdstuk 2: 21-24) sluit zich aan de tweede aan, en zegt, dat de hemel en de aarde zullen bewogen worden, en dat er ene geweldige verandering zal plaats hebben in de volkeren der aarde, en belooft dat het koningschap van Israël zal behouden worden in Zerubbabel, als den vertegenwoordiger van het koninkrijk van Israël, in weerwil van alle toekomende stormen en oordelen. Nadat Haggai in zijne vierde profetische rede den ondergang van alle koninkrijken der volken en de behoudenis van Zerubbabel in deze verwoesting heeft voorzegd, sluit zich de profeet Zacharia twee maanden later daaraan, nadat hij drie maanden te voren zijne roeping heeft ontvangen (Zach. 1: 1-6). Merkwaardig is het gedurig terugkeren van den 24sten der maand, bij de openbaringen, die de Profeten ontvingen (Dan. 10: 4. Hagg. 2: 1,11,21. Zach. 1: 7), en nu volgt bij Zacharia, even als bij Haggai ene nieuwe openbaring insgelijks op den 24sten der derde maand na zijne roeping (Hagg. 2: 11 en 21. Vergelijk Hoofdstuk 1: 1. Zach. 1: 8). Hij zag des nachts zeven gezichten, die hem de toekomstige ontwikkeling van het rijk Gods tot de gehele voleinding daarvan in heerlijkheid, in hoofdpunten onthullen (Zach. 1: 7-6: 8). Hieraan sluit zich ene zinnebeeldige voorstelling, die de voleinding van het rijk Gods door den groten nakomeling van David, die het priesterlijke met de koninklijke waardigheid in zich verenigde aanwijst (Zach. 6: 9-15). Twee jaren later op den vierden dag van de negende maand van het jaar 581 v. Chr. ontvangt de profeet ene nieuwe Goddelijke openbaring, betrekking hebbende op ene vraag van enige mannen van Juda aan de priesters en profeten. Men was namelijk in onzekerheid of die nationale treur- en vastendagen, die vroeger waren ingesteld ter herinnering aan de verwoesting, van Jeruzalem en de verbranding van den tempel, nu, bij den gezegenden bloei van de nieuwe gemeente, nog verder moesten gehouden worden. Het antwoord des Heren luidde, dat Hij het vasten op zich zelven niet beschouwde als ene Hem welgevallige verering, maar dat Hij boven alles gehoorzaamheid aan Zijn woord verlangde. Zo Hij Israël verstrooid had om zijn hardnekkig wederstreven tegen de geboden der gerechtigheid, der waarheid en der liefde, hun door de Profeten voorgehouden, nu wilde Hij in Zijne neerbuigende liefde Zich weer tot Sion en Jeruzalem wenden, en Zijn volk met rijken zegen begenadigen, wanneer zij slechts waarheid gerechtigheid, trouw en liefde jegens elkaar wilden oefenen. In het laatste geval zou hij de vastendagen veranderen in dagen van blijdschap en vreugde, en zich dermate aan Jeruzalem verheerlijken, dat er vele en machtige volken zouden komen, om aldaar den Heere Zebaoth te zoeken en te aanbidden (Zach. 8: 1-8 en 23). Deze Goddelijke openbaring verbindt hetgeen Zacharia in zijne nachtgezichten aanschouwd heeft, met de beide voorzeggingen van bedreigenden aard, die in Hoofdstuk 9 en 10 over het land Chadrach, den zetel der godvergetene wereldheerschappij, en in Zach. 11: 14 over Israël worden uitgesproken. Enerzijds wordt hier aan het volk de voorwaarde op het hart gedrukt, die het te volbrengen heeft, om de heerlijke toekomst in de nachtgezichten voorgesteld te bereiken en anderdeels wordt het voorbereid tot den strijd, die het volk Israël’s, naar Hoofdstuk 9-14 te voeren heeft tot aan de voleinding van het Godsrijk.
Die in Juda en te Jeruzalem woonden. Hier worden deze Joden onderscheiden ook wel van degenen, die in de andere stamgebieden woonden, maar inzonderheid van hen, die in Babylon waren terug gebleven.
in het Chaldeeuws Beschum èlah Jischraëel alehoon. Beter: in den naam van den God van Israël, die onder hen was. Er is reeds gezegd tot wie de profeten profeteerden, n.l. tot Juda en Jeruzalem. Daarom moet dit laatst tot of over verbonden worden met den Naam. De Naam Gods was over hen gekomen, was onder hen betuigd. Van de valse goden waren zij bekeerd geworden en den enigen en waarachtigen God hadden zij weer leren kennen, om Hem, den Heere, alleen te dienen. Welnu, in diens Naam, Wie zij weer erkenden hun God te zijn, Die hun weer in Kanaän had teruggebracht, profeteerden de profeten, opdat er een gehoorzaamheid zou volgen aan zijn bevel.
Toen, gehoorzamende aan het woord der profeten, maakten zich op Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, de zoon van Jozadak, de beide hoofden en leidsmannen der gemeente (Hoofdstuk 2: 2),en begonnen opnieuw (Hoofdstuk 3: 8 vv.) te bouwen het huis Gods 1), die te Jeruzalem woont; en met hen, hun ter zijde staande, de beide vroeger genoemde profeten Gods 2), die hen ondersteunden, en hen door hun voorzeggingen moed en opgewektheid inboezemden.
Dewijl slechts de grondslagen van den tempel waren gelegd, werd het voortzetten van den bouw een beginnen te bouwen genoemd. Al wat vroeger had plaats gehad, kon als het ware geen bouwen worden genoemd.
Deze zijn de vs. 1 genoemde Haggai, en Zacharia, de zoon, d.i. de kleinzoon van Iddo, want zijn vader heette Berechja. Haggai trad op den eersten dag van de zesde maand in het 2de jaar van Darius op, en zijne eerste rede maakte zulk een indruk, dat Zerubbabel en Jozua met het volk den nagelaten bouw des tempels reeds op den 24sten dag van genoemde maand en jaar begonnen (vgl. Hagg. 1: 1 en 14 vv.). Twee maanden later, n.l. in de 8ste maand van genoemd jaar, trad Zacharia op met de vermaning tot het volk, zich oprecht tot den Heere God te bekeren en niet weer te vallen in de zonden der vaderen.
Men heeft het eerste hoofdstuk van Haggai’s profetie, welke een goede verklaring van deze twee verzen insluit, maar te lezen, om te zien, welke grote dingen God door Zijn Woord, waaronder Zijn H. Geest werkt, tot vestiging van Zijn Naam wenst uit te voeren.
Te dier tijd, toen de Joden den tempelbouw weer ter hand hadden genomen, kwam tot hen Thathnai, de landvoogd, vermoedelijk op ene aanklacht der Samaritanen, over wie hij ook door den koning van Perzië gesteld was, als behorende tot het land, aan deze zijde der rivier den Eufraat, en Sthar Bosnai, de schrijver, en hun gezelschap, de overige hun ter zijde staande koninklijke beambten (vs. 6), en zeiden aldus tot hen: Wie heeft ulieden bevel gegeven dit huis te bouwen, en dezen muur te voltrekken?
Toen zeiden wij 1), die bezig waren met bouwen (Hoofdstuk 4: 7 ), aldus tot hen, nadat wij het in vs. 11-16 medegedeelde antwoord gegeven hadden, en welke de namen waren der mannen, die dit gebouw bouwden, opdat zij verder met hen zouden kunnen spreken.
Hieruit blijkt, dat de Schrijver van dit stuk zelf aan den bouw heeft medegewerkt, in elk geval bij deze onderhandeling met Thathnai tegenwoordig was.
Doch het oog 1) huns Gods was over de oudsten der Joden, ter hunner bescherming, dat zij hun het verder bouwen niet beletten, waardoor zij intussen nog konden voortgaan met het werk, tot dat de zaak in een bijzonder bericht aan Darius kwam, en zij alsdan daarover enen brief, bevattende de koninklijke beslissing weder brachten.
Hiermede wijst de Schrijver er op, dat in den weg van Gods voorzienige zorg, den Joden niet belet werd, voort te bouwen, wat ongetwijfeld in de macht had gestaan van den Perzischen landvoogd, dewijl de Joden nog altijd stonden onder de heerschappij van den Perzischen koning. De Heere echter, die de harten neigt als waterbeken, bewoog het hart van den heiden, om niet met zijn bevel tot staken tussen beide te komen, maar hun vergunning te geven, den arbeid voort te zetten, totdat er een beslissing van den koning Darius was ingekomen. Gods oog, d.i. Zijn toezicht en zorg was hier voor Zijn volk ten goede werkzaam.
Afschrift des briefs, dien Thathnai, de landvoogd aan deze zijde der rivier, met Sthar Bosnai, den schrijver, en zijn gezelschap, zijne medegenoten, de Afarsechaïeten, in Hoofdstuk 4: 9 Afarsathchieten genoemd, die aan deze zijde der rivier waren, aan den koning Darius zond.
Zij zonden een verhaal aan hem; en daarin was aldus geschreven: Den koning Darius zij alle vrede 1)!
Alle vrede, d.i. vrede in alle opzichten.
Den koning zij bekend, dat wij, ten gevolge van ene ons gedane aanwijzing (vs. 3), getogen zijn naar het landschap Juda, ten huize des groten Gods, den God van den hemel, zo als Kores, de koning van Perzië, den God der Joden genoemd heeft (Hoofdstuk 1: 2), hetwelk gebouwd wordt met grote stenen, gehouwen stenen en het hout, de balken, wordt worden geleid in de wanden 1) (Hoofdstuk 6: 4 ), en dat werk wordt ras gedaan, en gaat voorspoediglijk door hun handen voort.
Hier is te denken aan die balken, die in de wanden gelegd werden, opdat daarop de vloer zou rusten, dewijl men nog pas met den bouw was aangevangen.
En zij hebben ons op die eerste vraag (vs. 9) dusdanig antwoord wedergegeven, zeggende: Wij zijn knechten van den God des hemels en der aarde 1), en bouwen het huis, dat vele jaren vóór dezen, eer het door Nebukadnezar verwoest is, en vóórdat ons volk in de Babylonische gevangenschap werd gebracht, is gebouwd, en gedurende zo vele jaren het sieraad van onze stad Jeruzalem is geweest, en waaraan zo vele kostbaarheden waren van goud en zilver en koper en cederenhout: want een groot koning van Israël, Salomo, had het gebouwd en voltrokken.
Hiermede wijzen zij er op, n.l. de Joden, dat zij dien God dienen, die niet aan enige plaats of stad gebonden is, maar die de Heere is der ganse schepping. En dit met nadruk, opdat de Perzische koning niet zou menen, dat het hun te doen was. om een aanhang te zoeken, of zich partij te stellen tegen den koning, aan wie zij waren onderworpen. Bovenal, opdat, waar zij dien God dienden, die den hemel had tot Zijn troon en de aarde tot een voetbank Zijner voeten, de koning niet zou verhinderen Hem Zijn heiligdom te bouwen en zich niet zou bezondigen, door zich tegen Hem te verheffen.
Maar a) nadat onze vaders den God des hemels hadden vertoornd 1), heeft Hij hen gegeven in de hand van Nebukadnezar, den koning van Babel, den Chaldeeër (2 (Koningen 25: 1 vv.), welke dat huis heeft vernield, en het volk naar Babel weggevoerd.
2 Kronieken 36: 16,17 vv.
Zij geven het op als een straf voor hun zonden, dat zij een tijdlang uit de bezitting van het Huis des Heren gestoten waren, niet omdat de afgoden der volken tegen hunnen God overmocht hadden, waarom Hij hun land en alle des zelfs inwoners met stad en Tempel in de handen des konings van Babel had overgegeven; schoon Hij daarmee niet bedoeld had, een volslagen einde te maken aan hunnen Godsdienst, maar denzelve alleenlijk voor een wijle tijds op te schorten.
a) Doch in het eerste jaar van Kores, koning van Babel, heeft de koning Kores bevel gegeven dit huis Gods te bouwen (Hoofdstuk 1: 1 vv.).
2 Kronieken 36: 22 vv. Ezra 1 vv.
Ja, de vaten van Gods huis, welke van goud en zilver waren, die Nebukadnezar uit den tempel, die te Jeruzalem was, had weggenomen en deze gebracht in den tempel zijns gods van Babel, die heeft de koning Kores uitgehaald uit den tempel van Babel, en zij zijn a) gegeven aan enen, wiens naam was Sesbazar, de vorst van Juda, ook Zerubbabel genoemd, dien hij tot landvoogd in deze provincie had gesteld.
Ezra 1: 8.
En hij zei tot hem: Neem deze vaten, ga ze afvoeren, leg ze neer in den tempel, die te Jeruzalem gebouwd zal worden, waartoe door mij bevel gegeven is, en laat het nieuwe huis Gods (vs. 13) gebouwd worden op zijne plaats, daar, waar de verwoeste tempel gestaan heeft (vs. 12).
Toen kwam deze Sesbazar, nu omtrent 15 jaren geleden naar deze stad; hij leide de fondamenten van het huis Gods (Hoofdstuk 3: 8 vv.), die te Jeruzalem woont, en er is van toen af tot nu toe gebouwd, doch wegens de tussenbeide komende moeilijkheden niet volbracht, maar op het bevel des Heren, onzes Gods, zijn wij er nu op nieuw mede aangevangen.
Op deze wijze beriepen zich de oudsten der Joden op een door Kores ontvangen bevel om te bouwen, en wij briefschrijvers hebben daarom gemeend dit niet te mogen verhinderen, totdat wij de zaak aan u koning Darius, hebben opgedragen (vs. 5). Zo het dan nu den koning goeddunkt, laat er gezocht worden in het schathuis des konings aldaar, dat te Babel is, of het werkelijk, zo als de oudsten beweren, zij, dat een bevel van den koning Kores gegeven zij, om dit huis Gods te Jeruzalem te bouwen, en dat men des konings believen hiervan tot ons zende
, opdat wij ons kunnen houden aan zijne beslissing.
Men ziet het onderscheid tussen dwarskijkers, zowel tussen goede als slechte mensen. De tempelbouw was hetzelfde, het volk der Joden was hetzelfde, maar ten opzichte van dit volk wordt de zaak anders behandeld door slechte dwarskijkers, anders door goede mannen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel