Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Toen nu de wederpartijdersH6862 van JudaH3063 en BenjaminH1144 hoordenH8085, datH3588 de kinderenH1121 der gevangenisH1473 den HEEREH3068, den GodH430 IsraelsH3478, den tempelH1964 bouwdenH1129;
Toen nu de wederpartijders van Juda en Benjamin hoorden, dat de kinderen der gevangenis den HEERE, den God Israels, den tempel bouwden;
KJV
Now when the adversaries2
of Judah3
and Benjamin4
heard1
that the children6
of the captivity7
builded8
the temple9
unto the LORD10
God11
of Israel;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Zo kwamen zij aan tot ZerubbabelH2216, en totH413 de hoofdenH7218 der vaderenH1, en zeidenH559 tot hen: Laat ons metH5973 ulieden bouwenH1129, wantH3588 wij zullen uw GodH430 zoekenH1875, gelijk gijlieden ook hebben wij Hem geofferdH2076 sindsH4480 de dagenH3117 van Esar-HaddonH634, den koningH4428 van AssurH804, die ons herwaarts heeft doen optrekkenH5927.
Zo kwamen zij aan tot Zerubbabel, en tot de hoofden der vaderen, en zeiden tot hen: Laat ons met ulieden bouwen, want wij zullen uw God zoeken, gelijk gijlieden ook hebben wij Hem geofferd sinds de dagen van Esar-Haddon, den koning van Assur, die ons herwaarts heeft doen optrekken.
KJV
Then they came1
to Zerubbabel,3
and to the chief5
of the fathers,6
and said7
unto them, Let us build9
with you: for we seek13
your God,14
as ye do; and we do sacrifice17
unto him since the days18
of Esarhaddon19
king21
of Assur,22
which brought us up hither.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Maar ZerubbabelH2216, en JesuaH3442, en de overigeH7605 hoofdenH7218 der vaderenH1 van IsraelH3478 zeidenH559 tot hen: Het betaamtH3808 niet, dat gijlieden en wij onzen GodH430 een huisH1004 bouwenH1129; maarH3588 wij alleen zullen het den HEEREH3068, den GodH430 IsraelsH3478, bouwenH1129, gelijk als de koningH4428 KoresH3566, koningH4428 van PerzieH6539, ons gebodenH6680 heeft.
Maar Zerubbabel, en Jesua, en de overige hoofden der vaderen van Israel zeiden tot hen: Het betaamt niet, dat gijlieden en wij onzen God een huis bouwen; maar wij alleen zullen het den HEERE, den God Israels, bouwen, gelijk als de koning Kores, koning van Perzie, ons geboden heeft.
KJV
But Zerubbabel,3
and Jeshua,4
and the rest5
of the chief6
of the fathers7
of Israel,8
said1
unto them, Ye have nothing to do with us to build12
an house13
unto our God;14
but we ourselves together17
will build18
unto the LORD19
God20
of Israel,21
as king24
Cyrus25
the king26
of Persia27
hath commanded
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Evenwel maakte het volkH5971 des landsH776 de handenH3027 des volksH5971 van JudaH3063 slapH1961, en verstoordeH926 hen in het bouwenH1129;
Evenwel maakte het volk des lands de handen des volks van Juda slap, en verstoorde hen in het bouwen;
KJV
Then the people2
of the land3
weakened4
the hands5
of the people6
of Judah,7
and troubled8
them in building,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En zij huurdenH7936 tegenH5921 hen raadsliedenH3289, om hun raadH6098 te vernietigenH6565, alH3605 de dagenH3117 van KoresH3566, koningH4428 van PerzieH6539, totH5704 aan het koninkrijkH4438 van DariusH1867, den koningH4428 van PerzieH6539.
En zij huurden tegen hen raadslieden, om hun raad te vernietigen, al de dagen van Kores, koning van Perzie, tot aan het koninkrijk van Darius, den koning van Perzie.
KJV
And hired1
counsellors3
against them, to frustrate4
their purpose,5
all the days7
of Cyrus8
king9
of Persia,10
even until the reign12
of Darius13
king14
of Persia.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En onder het koninkrijkH4438 van AhasverosH325, in het beginH8462 zijns koninkrijksH4438, schrevenH3789 zij een aanklachtH7855 tegenH5921 de inwonersH3427 van JudaH3063 en JeruzalemH3389.
En onder het koninkrijk van Ahasveros, in het begin zijns koninkrijks, schreven zij een aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem.
KJV
And in the reign1
of Ahasuerus,2
in the beginning3
of his reign,4
wrote5
they unto him an accusation6
against the inhabitants8
of Judah9
and Jerusalem.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En in de dagenH3117 van ArthahsastaH783 schreefH3789 BislamH1312, MithredathH4990, TabeelH2870, en de overigenH7605 van zijn gezelschapH3674, aanH5921 ArthahsastaH783, koningH4428 van PerzieH6539; en de schriftH3791 des briefsH5406 was in het SyrischH762 geschrevenH3789, en in het SyrischH762 uitgelegdH8638.
En in de dagen van Arthahsasta schreef Bislam, Mithredath, Tabeel, en de overigen van zijn gezelschap, aan Arthahsasta, koning van Perzie; en de schrift des briefs was in het Syrisch geschreven, en in het Syrisch uitgelegd.
KJV
And in the days1
of Artaxerxes2
wrote3
Bishlam,4
Mithredath,5
Tabeel,6
and the rest7
of their companions,8
unto Artaxerxes10
king11
of Persia;12
and the writing13
of the letter14
was written15
in the Syrian tongue,16
and interpreted17
in the Syrian tongue.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
RehumH7348, de kanselierH1169, en SimsaiH8124, de schrijverH5613, schrevenH3790 een briefH104 tegen JeruzalemH3390, aan den koningH4430 ArthahsastaH783, op deze manierH3660:
Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, schreven een brief tegen Jeruzalem, aan den koning Arthahsasta, op deze manier:
KJV
Rehum1
the chancellor2
and Shimshai4
the scribe5
wrote6
a8
letter7
against9
Jerusalem10
to Artaxerxes11
the king12
in this sort:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Toen RehumH7348, de kanselierH1169, en SimsaiH8124, de schrijverH5613, en de overigenH7606 van hun gezelschapH3675, de DinaietenH1784, de AfarsathchietenH671, de TarpelietenH2967, de AfarsietenH670, de ArchevietenH756, de BabyloniersH896, de SusanchietenH7801, de DehavietenH1723, de ElamietenH5962,
Toen Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, en de overigen van hun gezelschap, de Dinaieten, de Afarsathchieten, de Tarpelieten, de Afarsieten, de Archevieten, de Babyloniers, de Susanchieten, de Dehavieten, de Elamieten,
KJV
Then1
wrote Rehum2
the chancellor,3
and Shimshai5
the scribe,6
and the rest7
of their companions;8
the Dinaites,9
the Apharsathchites,10
the Tarpelites,11
the Apharsites,12
the Archevites,13
the Babylonians,14
the Susanchites,15
the Dehavites,16
and the Elamites,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
En de overigeH7606 volkerenH524, die de grote en vermaardeH3358 AsnapparH620 heeft vervoerdH1541, en doen wonenH3488 in de stadH7149 van SamariaH8115, ook de overigenH7606, aan deze zijde der rivierH5103, en op zulken tijdH3706.
En de overige volkeren, die de grote en vermaarde Asnappar heeft vervoerd, en doen wonen in de stad van Samaria, ook de overigen, aan deze zijde der rivier, en op zulken tijd.
KJV
And the rest1
of the nations2
whom3
the great6
and noble7
Asnappar5
brought over,4
and set8
in the cities10
of Samaria,12
and the rest13
that are on this side14
the river,15
and at such a time.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Dit is een afschriftH6573 des briefsH104, dien zij aan hem, aan den koningH4430 ArthahsastaH783, zondenH7972: Uw knechtenH5649, de mannenH606 aan deze zijde der rivierH5103, en op zulken tijdH3706.
Dit is een afschrift des briefs, dien zij aan hem, aan den koning Arthahsasta, zonden: Uw knechten, de mannen aan deze zijde der rivier, en op zulken tijd.
KJV
This1
is the copy2
of the letter3
that4
they sent5
unto him,6
even unto Artaxerxes8
the king;9
Thy servants10
the men11
on this side12
the river,13
and at such a time.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Den koningH4430 zij bekendH3046, dat de JodenH3062, die van u zijn opgetogenH5559, tot ons gekomen zijn te JeruzalemH3390, bouwendeH1124 die rebelleH4779 en die bozeH873 stadH7149, waarvan zij de murenH7792 voltrekkenH3635, en de fondamentenH787 samenvoegenH2338.
Den koning zij bekend, dat de Joden, die van u zijn opgetogen, tot ons gekomen zijn te Jeruzalem, bouwende die rebelle en die boze stad, waarvan zij de muren voltrekken, en de fondamenten samenvoegen.
KJV
Be it2
known1
unto the king,3
that the Jews5
which4
came up7
from8
thee9
to us10
are come11
unto Jerusalem,12
building16
the rebellious14
and the bad15
city,13
and have set up18
the walls17
thereof, and joined20
the foundations.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Zo zij nu den koningH4430 bekendH3046, indien dezelve stadH7149 zal worden opgebouwdH1124, en de murenH7792 voltrokkenH3635, dat zij den cijnsH4061, ouden impostH1093, en tolH1983 niet zullen geven, en gij zult aan de inkomstenH674 der koningenH4430 schade aanbrengenH5142.
Zo zij nu den koning bekend, indien dezelve stad zal worden opgebouwd, en de muren voltrokken, dat zij den cijns, ouden impost, en tol niet zullen geven, en gij zult aan de inkomsten der koningen schade aanbrengen.
KJV
Be it known2
now1
unto the king,4
that, if6
this8
city7
be builded,9
and the walls10
set up11
again, then will they not15
pay16
toll,12
tribute,13
and custom,14
and so thou shalt endamage19
the revenue17
of the kings.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Nu, omdat wij salarisH4415 uit het paleisH1965 trekkenH1768, en het ons niet betaamtH749 des koningsH4430 oneerH6173 te zienH2370, daarom hebben wij gezondenH7972, en dit den koningH4430 bekendH3046 gemaakt;
Nu, omdat wij salaris uit het paleis trekken, en het ons niet betaamt des konings oneer te zien, daarom hebben wij gezonden, en dit den koning bekend gemaakt;
KJV
Now1
because3
we have4
maintenance7
from the king's palace,6
and it was not10
meet11
for us to see13
the king's9
dishonour,8
therefore14
have we sent16
and certified17
the king;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Opdat men zoekeH1240 in het boekH5609 der kroniekenH1799 uwer vaderenH2, zo zult gij vindenH7912 in het boekH5609 der kroniekenH1799, en wetenH3046, dat dezelve stadH7149 een rebelleH4779 stadH7149 geweest is, en den koningenH4430 en landschappenH4083 schade aanbrengendeH5142, en dat zij daarbinnenH1459 afvalH849 gestichtH5648 hebben, van oudeH5957 tijdenH3118 af; daarom is dezelve stadH7149 verwoestH2718.
Opdat men zoeke in het boek der kronieken uwer vaderen, zo zult gij vinden in het boek der kronieken, en weten, dat dezelve stad een rebelle stad geweest is, en den koningen en landschappen schade aanbrengende, en dat zij daarbinnen afval gesticht hebben, van oude tijden af; daarom is dezelve stad verwoest.
KJV
That search2
may be made in the book3
of the records4
of thy fathers:6
so shalt thou find7
in the book8
of the records,9
and know10
that this13
city12
is a rebellious15
city,14
and hurtful16
unto kings17
and provinces,18
and that they have moved20
sedition19
within the same21
of22
old24
time:23
for25
which26
cause was this28
city27
destroyed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Wij maken dan de koningH4430 bekendH3046, dat, zo dezelve stadH7149 zal worden opgebouwdH1124, en haar murenH7792 voltrokkenH3635, gij daardoor geen deelH2508 zult hebben aan deze zijde der rivierH5103.
Wij maken dan de koning bekend, dat, zo dezelve stad zal worden opgebouwd, en haar muren voltrokken, gij daardoor geen deel zult hebben aan deze zijde der rivier.
KJV
We2
certify1
the king3
that, if5
this7
city6
be builded8
again, and the walls9
thereof set up,10
by this12
means11
thou shalt have17
no16
portion13
on this side14
the river.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
De koningH4430 zondH7972 antwoordH6600 aan RehumH7348, den kanselierH1169, en SimsaiH8124, den schrijverH5613, en de overigenH7606 van hun gezelschappenH3675, die te SamariaH8115 woondenH3488; mitsgaders aan de overigenH7606 van deze zijde der rivierH5103 aldus: VredeH8001, en op zulken tijdH3706.
De koning zond antwoord aan Rehum, den kanselier, en Simsai, den schrijver, en de overigen van hun gezelschappen, die te Samaria woonden; mitsgaders aan de overigen van deze zijde der rivier aldus: Vrede, en op zulken tijd.
KJV
Then sent2
the king3
an answer1
unto4
Rehum5
the chancellor,6
and to Shimshai8
the scribe,9
and to the rest10
of their companions11
that dwell13
in Samaria,14
and unto the rest15
beyond16
the river,17
Peace,18
and at such a time.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
De briefH5407, dien gij aan ons geschiktH7972 hebt, is duidelijkH6568 voor mij gelezenH7123.
De brief, dien gij aan ons geschikt hebt, is duidelijk voor mij gelezen.
KJV
The letter1
which ye sent3
unto us4
hath been plainly5
read6
before
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
En als van mij bevelH2942 gegevenH7761 was, hebben zij gezochtH1240 en gevondenH7912, dat dezelve stadH7149 zich van oudeH5957 tijdenH3118 af tegen de koningenH4430 heeft verhevenH5376, en rebellieH4776 en afvalH849 daarin gestichtH5648 is.
En als van mij bevel gegeven was, hebben zij gezocht en gevonden, dat dezelve stad zich van oude tijden af tegen de koningen heeft verheven, en rebellie en afval daarin gesticht is.
KJV
And I1
commanded,2
and search4
hath been made, and it is found5
that this8
city7
of9
old11
time10
hath made insurrection14
against12
kings,13
and that rebellion15
and sedition16
have been made
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Ook zijn er machtigeH8624 koningenH4430 geweest over JeruzalemH3390, die geheerstH7990 hebben overalH3606 aan geneH5675 zijde der rivierH5103; en hun is cijnsH4061, oude impostH1093 en tolH1983 gegevenH3052.
Ook zijn er machtige koningen geweest over Jeruzalem, die geheerst hebben overal aan gene zijde der rivier; en hun is cijns, oude impost en tol gegeven.
KJV
There have been3
mighty2
kings1
also over4
Jerusalem,5
which have ruled6
over all7
countries beyond8
the river;9
and toll,10
tribute,11
and custom,12
was paid
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
GeeftH7761 dan nu bevel, om diezelve mannenH1400 te belettenH989, dat diezelve stadH7149 niet opgebouwdH1124 worde, totdat van mij bevel zal worden gegevenH7761.
Geeft dan nu bevel, om diezelve mannen te beletten, dat diezelve stad niet opgebouwd worde, totdat van mij bevel zal worden gegeven.
Ook in dit vers
bevelH2941
bevelH2942
KJV
Give2
ye now1
commandment3
to cause4
these6
men5
to cease,
and that this8
city7
be not9
builded,10
until11
another commandment13
shall be given14
from me.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Weest gewaarschuwdH2095, van feilH7960 in dezenH1836 te begaanH5648; waarom zou het verderfH2257 tot schadeH5142 der koningenH4430 aanwassenH7680?
Weest gewaarschuwd, van feil in dezen te begaan; waarom zou het verderf tot schade der koningen aanwassen?
KJV
Take heed2
now that ye fail3
not to do5
this:6
why7
should damage9
grow8
to the hurt10
of the kings?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Toen, van dat het afschriftH6573 des briefsH5407 van den koningH4430 ArthahsastaH783 voor RehumH7348, en SimsaiH8124, den schrijverH5613, en hun gezelschappenH3675 gelezenH7123 was, togenH236 zij in haastH924 naar JeruzalemH3390 tot de JodenH3062, en belettenH989 hen met armH153 en geweldH2429.
Toen, van dat het afschrift des briefs van den koning Arthahsasta voor Rehum, en Simsai, den schrijver, en hun gezelschappen gelezen was, togen zij in haast naar Jeruzalem tot de Joden, en beletten hen met arm en geweld.
KJV
Now1
when2
the copy4
of king8
Artaxerxes'7
letter5
was read9
before10
Rehum,11
and Shimshai12
the scribe,13
and their companions,14
they went up15
in haste16
to Jerusalem17
unto18
the Jews,19
and made them21
to cease20
by force22
and power.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Toen hield het werkH5673 op van het huisH1005 GodsH426, Die te JeruzalemH3390 woont, ja, het hield op tot in het tweedeH8648 jaarH8140 van het koninkrijkH4437 van DariusH1868, den koningH4430 van PerzieH6540.
Toen hield het werk op van het huis Gods, Die te Jeruzalem woont, ja, het hield op tot in het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, den koning van Perzie.
Ook in dit vers
hieldH989
hieldH1934
KJV
Then1
ceased2
the work3
of the house4
of God5
which is at Jerusalem.7
So it ceased8
unto10
the second12
year11
of the reign13
of Darius14
king15
of Persia.
wederpartijders
Zie van dezen vs.7-9.
Hertaald:
wederpartijders
Zie over hen vers 7-9.
gevangenis
Hebreeuws, vervaring, of, vervoering, wegvoering, ballingschap; dat is, die weggevoerd en gevangen geweest waren in Babel; alzo dikwijls in het volgende.
Hertaald:
gevangenis
Hebreeuws: verschrikking, of: vervoering, wegvoering, ballingschap; dat is: die weggevoerd en gevangen waren geweest in Babel; zo ook vaak in het vervolg.
Laat ons
Veinzende vriendschap en gemeenschap der religie maar zoekende onder dien dekmantel het goede werk te beletten, of hun afgoderij in den tempel in te voeren, of met den reinen godsdienst te vermengen. Zie 2 Kon. 17:29-34 . Daarom is dit huichelachtig verzoek hun afgeslagen.
Hertaald:
Laat ons
Zij veinsden vriendschap en godsdienstige gemeenschap, maar zochten onder dat dekmantel het goede werk te belemmeren, of hun afgoderij in de tempel in te voeren, of die met de zuivere eredienst te vermengen. Zie 2 Kon. 17:29-34. Daarom is dit huichelachtige verzoek afgewezen.
Hem geofferd
Anders, wij hebben niet geofferd.
Hertaald:
Hem geofferd
Anders: wij hebben niet geofferd.
Esar-haddon,
Die Sanheribs zoon was, en na hem geregeerd had; 2 Kon. 19:37 .
Hertaald:
Esar-haddon,
Die de zoon van Sanherib was en na hem geregeerd had; 2 Kon. 19:37.
betaamt niet,
Hebreeuws, ulieden en ons niet; of, gijlieden en wij hebben niet; te weten, met elkander te doen in deze zaak.
Hertaald:
betaamt niet,
Hebreeuws: u en ons niet; of: u en wij hebben niet; namelijk om samen deze zaak te doen.
alleen
Aldus kan het Hebreeuwse woord Jachad [dat dikwijls tezamen, tegelijk, met elkander, bijeen, ineen betekent] hier bekwamelijk genomen worden, gelijk Jachis ook een enigen, eenlijken, eenzamen betekent. Zie van gelijke Job 34:29 ; Hos. 11:7 ; idem Ps. 33:15 . Anders, wij [die hier] tezamen [zijn,] zullen, enz. Of, wij [alleen] zullen tezamen, enz.
Hertaald:
alleen
Zo kan het Hebreeuwse woord jachad [dat vaak samen, tegelijk, met elkaar, bijeen, ineen betekent] hier gepast opgevat worden, zoals jachid ook een enige, eenzame betekent. Zie iets dergelijks in Job 34:29; Hos. 11:7; eveneens Ps. 33:15. Anders: wij [die hier] samen [zijn] zullen, enzovoort. Of: wij [alleen] zullen samen, enzovoort.
maakte
Dat is, braken den lust en ijver van Gods volk, en maakten hen flauw en trager in het bouwen.
Hertaald:
maakte
Dat is: braken de lust en ijver van het volk van God, en maakten hen mat en trager bij het bouwen.
volk des lands
Gelijk boven, Ezra 3:3 .
Hertaald:
volk des lands
Zoals hierboven Ezra 3:3.
hun raad te vernietigen,
Te weten, het goede voornemen der Joden.
Hertaald:
hun raad te vernietigen,
Namelijk: het goede voornemen van de Joden.
Darius,
Hebreeuws, Darjavesch; zie onder, vs.24.
Hertaald:
Darius,
Hebreeuws: Darjavesch; zie hieronder vers 24.
Ahasveros,
Hebreeuws, Achaschveros, anders genoemd Assuerus. Wie deze geweest is, daarvan is verscheiden gevoelen. Sommigen verstaan Cambyses, den zoon van Cyrus, anderen den vermaarden Xerxes.
Hertaald:
Ahasveros,
Hebreeuws: Achaschverosch, elders Assuerus genoemd. Over wie dit geweest is, lopen de meningen uiteen. Sommigen menen Cambyses, de zoon van Cyrus, anderen de bekende Xerxes.
Arthahsasta
Hebreeuws, Artach-schaschtha, anders genoemd Artaxerxes, dien sommigen menen geweest te zijn Artaxerxes Longimanus; dat is Lang hand.
Hertaald:
Arthahsasta
Hebreeuws: Artach-Sjaschta, elders Artaxerxes genoemd, van wie sommigen menen dat het Artaxerxes Longimanus was; dat is: Lange hand.
Bislam,
Anders, in vrede; dat is, in tijd van vrede, stilzwijgende, als de Joden daarop niet dachten. Of, vredelijk; dat is, met toewensing van vrede aan den koning.
Hertaald:
Bislam,
Anders: in vrede; dat is: in vredestijd, in stilte, terwijl de Joden er niet op bedacht waren. Of: vredig; dat is: met wensen van vrede aan de koning.
overigen
Chaldeeuws, het overige, en zo in het volgende, dat is, de ander, de rest.
Hertaald:
overigen
Chaldeeuws: het overige, en zo ook in het vervolg, dat is: de anderen, de rest.
zijn gezelschap,
Versta, de andere leden van den Raad, die de koningen van Perzië in deze omstreken, over de rivier Eufraat gelegen, gesteld hadden.
Hertaald:
zijn gezelschap,
Versta hieronder de andere leden van de raad, die de koningen van Perzië in deze streken, gelegen aan de andere kant van de rivier de Eufraat, hadden aangesteld.
uitgelegd
Dat is, geschreven niet alleen met Syrische letters, maar ook met Syrische woorden, zoals enigen dat verklaren. Syrisch, dat is, Chaldeeuws, welke spraak de Joden in Babylonië mede geleerd hebben.
Hertaald:
uitgelegd
Dat is: geschreven niet alleen met Syrische letters, maar ook in de Syrische taal, zoals sommigen het verklaren. Syrisch, dat is: Chaldeeuws, welke taal de Joden in Babylonië ook geleerd hadden.
kanselier,
Chaldeeuws, heer, of, meester des raads; dat is, president des Raads, of kanselier.
Hertaald:
kanselier,
Chaldeeuws: heer, of: meester van de raad; dat is: voorzitter van de raad, of kanselier.
schrijver,
Of, secretaris.
Hertaald:
schrijver,
Of: secretaris.
op deze manier
Of, aldus, als volgt, gelijk wij zullen zeggen, enz.
Hertaald:
op deze manier
Of: zo, als volgt, zoals wij zullen zeggen, enzovoort.
Toen Rehum,
Te weten, is dit geschreven.
Hertaald:
Toen Rehum,
Namelijk: is dit geschreven.
Dinaïeten,
Dit zijn alle namen van verscheidene heidense volken, die de koning van Assyrië overgezonden had, om in de plaats der tien stammen Israëls te gaan wonen, uit welke alle een Raad des konings tot zijn dienst in deze streken was opgericht.
Hertaald:
Dinaïeten,
Dit zijn allemaal namen van verschillende heidense volken, die de koning van Assyrië had overgebracht om in de plaats van de tien stammen van Israël te gaan wonen. Uit al deze volken was er een raad van de koning voor zijn dienst in deze streken ingesteld.
Asnappar
Boven, vs.2, genoemd Esarhaddon.
Hertaald:
Asnappar
Hierboven, vers 2, Esarhaddon genoemd.
stad van Samaria,
Anders, steden der Samaritanen.
Hertaald:
stad van Samaria,
Anders: steden van de Samaritanen.
rivier,
Eufraat.
Hertaald:
rivier,
De Eufraat.
op zulken tijd
Of, op [dienzelven] tijd. Chaldeeuws, Cheheneth. Dit schijnt te wezen de datum des briefs, voor of bovenaan gesteld zijnde, gelijk hedendaags nog velen gewoon zijn te doen; alzo onder, vs.11, 17, in des konings antwoord, en Ezra 7:12 . Uit welke plaatsen afgenomen wordt, dat Cheheneth geen naam is van een zeker volk, gelijk sommigen menen.
Hertaald:
op zulken tijd
Of: op [diezelfde] tijd. Chaldeeuws: Cheheneth. Dit lijkt de datum van de brief te zijn, die vooraan of bovenaan geplaatst werd, zoals ook tegenwoordig velen gewend zijn te doen; zo ook hieronder vers 11, 17, in het antwoord van de koning, en Ezra 7:12. Uit deze plaatsen valt op te maken dat Cheheneth geen naam van een bepaald volk is, zoals sommigen menen.
mannen
Chaldeeuws, de man, of de mens; dat is, een ieder.
Hertaald:
mannen
Chaldeeuws: de man, of de mens; dat is: ieder.
samenvoegen
Chaldeeuws eigenlijk, aan elkander naaien, of lappen.
Hertaald:
samenvoegen
Chaldeeuws letterlijk: aan elkaar naaien, of lappen.
cijns,
Het Chaldeeuwse woord betekent eigenlijk maat enzovoorts cijns, tribuut, schatting, of schat; dien een ieder naar de mate zijner goederen den koning moest geven; Neh. 5:4 . Zie ook onder, vs.20, en Ezra 7:24 .
Hertaald:
cijns,
Het Chaldeeuwse woord betekent eigenlijk maatschot, ofwel schatting, tribuut, belasting, of schat, die ieder naar de omvang van zijn bezittingen aan de koning moest geven; Neh. 5:4. Zie ook hieronder vers 20, en Ezra 7:24.
ouden impost,
Impost, die men vanouds gewoon was op allerlei koophandel te stellen. Anders, hoofdschatting.
Hertaald:
ouden impost,
Impost, die men van oudsher gewend was te heffen op allerlei handel. Anders: hoofdelijke belasting.
tol
Op de havens en in het passeren der heirwegen, rivieren, enz. Sommigen maken van deze drie soorten maar twee, en zetten het aldus over: Zij zullen den ouden schot en tol niet geven.
Hertaald:
tol
Op de havens en bij het passeren van hoofdwegen, rivieren, enzovoort. Sommigen maken van deze drie soorten er maar twee, en vertalen het zo: zij zullen de oude belasting en tol niet betalen.
gij zult
Zo gij [koning] hun voornemen niet belet. Anders, zij zal; te weten, Jeruzalem.
Hertaald:
gij zult
Als u [koning] hun voornemen niet verhindert. Anders: zij zal; namelijk Jeruzalem.
inkomsten der koningen
Of, de schatkamer.
Hertaald:
inkomsten der koningen
Of: de schatkamer.
salaris
Chaldeeuws, het zout van het paleis hebben gezouten, of met het zout, enz.; dat is omdat wij in des konings paleis zijn opgevoed en onze traktementen vandaar hebben, of met soldij bezoldigd worden. Alzo worden salaris [dat van zout komt], idem sold, maand zouts en meer andere manieren van spreken hedendaags gebruikt, omdat het zout nodig is tot des mensen onderhoud; gelijk het woord brood ook voor des mensen onderhoud in het algemeen genomen wordt.
Hertaald:
salaris
Chaldeeuws: het zout van het paleis gegeten hebben, of: met het zout, enzovoort; dat is: omdat wij in het paleis van de koning zijn opgevoed en onze bezoldiging vandaar krijgen, of met soldij betaald worden. Zo worden salaris [dat van zout afkomstig is], eveneens sold, maandzout en meer andere uitdrukkingen tegenwoordig nog gebruikt, omdat het zout nodig is voor het levensonderhoud van de mens, zoals het woord brood ook voor het levensonderhoud van de mens in het algemeen gebruikt wordt.
oneer te zien,
Chaldeeuws eigenlijk, naaktheid, blootheid, ontbloting; hetwelk sommigen verstaan van de beroving zijner middelen, uit vs.13.
Hertaald:
oneer te zien,
Chaldeeuws letterlijk: naaktheid, blootheid, ontbloting; wat sommigen opvatten als het verlies van zijn middelen, uit vers 13.
kronieken uwer vaderen,
Chaldeeuws, der gedachtenissen.
Hertaald:
kronieken uwer vaderen,
Chaldeeuws: van de gedenkschriften.
weten,
Dat is, bevinden.
Hertaald:
weten,
Dat is: ontdekken.
gesticht hebben,
Chaldeeuws, gemaakt. Alzo vs.19.
Hertaald:
gesticht hebben,
Chaldeeuws: gemaakt. Zo ook vers 19.
van oude tijden af;
Chaldeeuws, van de dagen der eeuwigheid. Alzo vs.19.
Hertaald:
van oude tijden af;
Chaldeeuws: van de dagen van de eeuwigheid. Zo ook vers 19.
gij daardoor
Dat is, zij zullen u alles, wat gij aan deze zijde van de Eufraat bezit, ontwenden en afvallig maken.
Hertaald:
gij daardoor
Dat is: zij zullen u alles wat u aan deze kant van de Eufraat bezit, ontnemen en van u vervreemden.
gezelschappen,
Dat is, collegiën, of metgezellen.
Hertaald:
gezelschappen,
Dat is: colleges, of ambtgenoten.
Vrede,
Chaldeeuws, Schelam en Chebet. Vergelijk boven, vs.10. Anderen nemen beide voor namen der plaatsen, waar Rehum en Simsai woonden.
Hertaald:
Vrede,
Chaldeeuws: Schelam en Chebet. Vergelijk hierboven vers 10. Anderen vatten beide op als namen van de plaatsen waar Rehum en Simsai woonden.
gegeven was,
Chaldeeuws, gesteld. En alzo dikwijls in het volgende.
Hertaald:
gegeven was,
Chaldeeuws: gesteld. En zo ook vaak in het vervolg.
van oude tijden
Gelijk boven, vs.15.
Hertaald:
van oude tijden
Zoals hierboven vers 15.
diezelve mannen
De Joden.
Hertaald:
diezelve mannen
De Joden.
arm en geweld
Dat is, niet gewapende hand.
Hertaald:
arm en geweld
Dat is: niet met gewapende hand.
Darius,
Door dezen verstaan enigen Darius, den zoon van Hystaspis, die na Cambyses heeft geregeerd. Anderen menen, het is Darius Nothus geweest, die geregeerd heeft na Artaxerxes Longimanus en vóór Artaxerxes Mnemon. De aandachtige lezer zal van dezen zelf kunnen oordelen.
Hertaald:
Darius,
Hieronder verstaan sommigen Darius, de zoon van Hystaspis, die na Cambyses geregeerd heeft. Anderen menen dat het Darius Nothus geweest is, die geregeerd heeft na Artaxerxes Longimanus en vóór Artaxerxes Mnemon. De aandachtige lezer zal hierover zelf kunnen oordelen. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas De schatmeester van koning Kores van Perzië, die de teruggegeven tempelvaten aan Sesbazar, de vorst van Juda, overhandigde (Ezra 1:8). Zoon van Sealthiël, van het koninklijk geslacht van David; een van de leiders van de eerste terugkeer uit de Babylonische ballingschap. Samen met de hogepriester Jesua herbouwde hij het altaar en legde hij, ondanks tegenwerking, het fundament van de tempel (Ezra 2:2; 3:2, 8; 4:2-3; 5:2). Zoon van Jozadak, hogepriester van de eerste terugkeer uit de ballingschap. Samen met Zerubbabel bouwde hij het altaar, hield het loofhuttenfeest en legde het fundament van de tempel, ondanks tegenstand van de volken des lands (Ezra 2:2; 3:2, 8-9; 5:2). Koning van Perzië, onder wiens bewind het gestaakte tempelwerk hervat werd; op vraag van de landvoogd Thathnai liet hij onderzoek doen naar Kores' oorspronkelijke bevel, dat teruggevonden werd, en bevestigde daarop de bouw van de tempel (Ezra 4:5, 24; 5:5-6:12). Koning van Perzië, aan wie tegenstanders van de Joden een aanklacht tegen de herbouw van Jeruzalem zonden; hij gaf bevel het werk te staken (Ezra 4:7-23). De kanselier, die met de schrijver Simsai een aanklachtsbrief tegen Jeruzalem aan koning Arthahsasta schreef, wat leidde tot een tijdelijke stopzetting van het bouwwerk (Ezra 4:8-23). De schrijver, die met de kanselier Rehum de aanklachtsbrief tegen Jeruzalem aan koning Arthahsasta opstelde (Ezra 4:8-23). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Zodra de tegenstanders van Juda en Benjamin horen dat de teruggekeerden de tempel bouwen, komen zij tot Zerubbabel en de familiehoofden (Ezra 4:1). Hun voorstel is samenwerking, en hun grond is dat zij dezelfde God zouden zoeken en Hem geofferd hebben sinds de dagen van Esar-Haddon, die hen daarheen had gebracht (Ezra 4:2). Wie deze mensen waren, is reeds behandeld bij 2 Kon. 17:24-38: weggevoerde volken die de HEERE eerden naast hun eigen goden. Zerubbabel, Jesua en de overige hoofden wijzen het aanbod af; zij zullen het huis alleen bouwen, zoals Kores hun geboden heeft (Ezra 4:3). De uitwerking laat niet lang op zich wachten. Het volk des lands maakt de handen van Juda slap, verstoort hen in het bouwen, en huurt raadslieden om hun plannen te verijdelen, en dat jarenlang (Ezra 4:4-5). Bijbelse betekenis: Het aanbod was op zichzelf beleefd, en de weigering klinkt hard. Toch is zij juist, en het vervolg bewijst het: wie zich hier aanbood als medebouwer, werd binnen twee verzen tegenstander. De grond van de weigering ligt niet in volksgevoel maar in de dienst zelf. Deze buren dienden de HEERE náást andere goden, en een huis dat voor Hem alleen bestemd is, kan niet gebouwd worden door handen die ook elders offeren. Dat onderscheid is voor de kerk van alle tijden van belang. Samenwerking met wie de waarheid slechts gedeeltelijk aanvaardt, kost uiteindelijk de zaak zelf, ook al lijkt zij aanvankelijk kracht te geven. Merk daarbij op wat het weigeren kostte: vijandschap, vertraging en jarenlange tegenwerking. Trouw is hier niet de gemakkelijke weg maar de dure. Typologie: Paulus geeft de gemeente dezelfde grens, en gebruikt daarbij woorden uit dezelfde tijd van terugkeer: "gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en Ik zal ulieden aannemen" (2 Kor. 6:17). Het gaat daarbij niet om hoogmoed tegenover mensen, maar om de onverdeeldheid van de dienst aan God. Ezra 4:1-5; 2 Kon. 17:24-38; 2 Kor. 6:17 De tegenstand verlegt zich van het bouwterrein naar de kanselarij. Onder Ahasveros wordt een aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem opgesteld, en onder Arthahsasta volgt een uitvoerige brief van Rehum de kanselier en Simsai de schrijver (Ezra 4:6-9). Hun betoog is behendig opgezet. Zij noemen Jeruzalem een rebelse en boze stad, waarschuwen dat de koning zijn belastingen zal mislopen wanneer de muren voltooid worden, en beroepen zich op hun eigen loyaliteit omdat zij salaris uit het paleis trekken (Ezra 4:12-14). Zij vragen de koning het na te zoeken in de kronieken van zijn vaderen, waar hij vinden zal dat deze stad zich van oudsher tegen koningen verhief (Ezra 4:15). Het antwoord van de koning geeft hun gelijk: er is gezocht en gevonden, en er komt bevel de bouw te beletten totdat hij anders beslist (Ezra 4:19-21). Rehum en Simsai trekken in haast naar Jeruzalem en beletten de Joden met arm en geweld (Ezra 4:23). Zo lag het werk stil tot het tweede jaar van Darius (Ezra 4:24). Bijbelse betekenis: Wat hier wordt aangevoerd, is grotendeels waar. Jeruzalem hád een geschiedenis van opstand, en de koninklijke archieven bevestigden het; de leugen zit niet in de feiten maar in het gebruik ervan. Zo werkt tegenstand vaak: niet met verzinsels maar met halve waarheden en met een beroep op het eigenbelang van wie beslissen moet. Even leerzaam is dat het werk werkelijk stilviel, en niet voor even. Er gingen jaren overheen waarin het huis Gods een fundament bleef en niets meer. God laat Zijn zaak dus soms lang stilliggen zonder haar op te geven; wat mensen door een bevelschrift kunnen stoppen, kunnen zij daarmee niet ongedaan maken. En het middel dat de tegenstanders kozen — eerst het aanbod, dan het ontmoedigen, dan de aanklacht — verraadt hoe weinig het hun van meet af aan om de bouw te doen was. Typologie: De apostel schrijft aan wie in zulke jaren zit: "Doch laat ons, goed doende, niet vertragen; want te zijner tijd zullen wij maaien, zo wij niet verslappen" (Gal. 6:9). Het woord verslappen raakt hier precies wat de tegenstanders wilden bereiken: zij maakten de handen van het volk van Juda slap. Ezra 4:6-24; Gal. 6:9 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Naar alle gevoel van behoorlijkheid zijn wij gehouden niet toe te laten dat God door ons oneer aangedaan wordt. Het is goed thuis te beginnen. © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Ezra 4
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Spurgeon Citaten


Ezra 4
Ezra 4:14.KruisverwijzingenEzechiël 33:31→Johannes 19:12→Johannes 12:5→
— Nu, omdat wij salaris uit het paleis trekken, en het ons niet betaamt des konings oneer te zien, daarom hebben wij gezonden, en dit den koning bekend gemaakt;
Deze halve Joden en halve heidenen waren zo verontwaardigd dat hun deelname aan het werk geweigerd werd, dat zij aan koning Arthahsasta schreven dat de Joden — die van oudsher altijd een lastig volk geweest waren — hun stad weer begonnen op te bouwen. En zodra die gebouwd was, zouden zij naar alle waarschijnlijkheid tegen de koning opstaan en hem veel moeite geven, zoals hun vaderen aan de koningen voor hem gedaan hadden.
In het schrijven van die brief betoonden zij zich wijs in hun geslacht, want zij vertelden de koning dat zij bewogen werden door dankbaarheid om aan hem te schrijven. Het was gelogen; maar huichelaars gebruiken vaak de beste woorden en het beste verstand om hun bedrog te bedekken. Zij zeiden dat zij zelf uit het paleis van de koning onderhouden werden en dat zij daarom niet konden verdragen dat de koning oneer aangedaan werd. Om die reden hadden zij geschreven om zijne majesteit te melden dat de Joden deze muur bouwden, en zij vertrouwden dat hij hen om zijn eigen eer en om zijn onderdanen zou tegenhouden.
Naar alle gevoel van behoorlijkheid zijn wij gehouden niet toe te laten dat God door ons oneer aangedaan wordt. Het is goed thuis te beginnen. Doen wij iets dat onze God onteert — iets thuis, iets in ons dagelijkse beroep, iets in de wijze waarop wij onze zaken drijven? Is er iets in ons spreken, iets in ons doen, iets in wat wij lezen, iets in wat wij schrijven dat God onteert?
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Vs. 1-5. Nauwelijks hadden de Samaritanen, die na het vertrek der Israëlieten naar Babel, ontstaan waren uit de Heidenen, die hun plaats hadden ingenomen, en zich aldaar met de nog achtergeblevene Joden door huwelijken hadden verenigd, gehoord, dat de tempel te Jeruzalem weer werd opgebouwd, of zij boden zich aan om daaraan mede te helpen; de Joden echter gevoelden zich verplicht, deze hulp beslist van de hand te wijzen, Daarover wreken zich de Samaritanen door lasteringen bij den koning van Perzië.
Toen nu de wederpartijders 1) van de beide in het land terugkerende stammen Juda en Benjamin, die vreemdelingen, welke omstreeks het jaar 676 vóór Chr. door den Assyrische koning Esar-Haddon naar het voormalige land der 10 stammen waren overgeplaatst, en onder welke de overgeblevene kinderen Israël’s waren versmolten, waaruit de Samaritanen waren ontstaan (2 (Koningen 17: 24 vv.), hoorden, dat de kinderen der gevangenis, de uit hun ballingschap ontslagene kinderen van Benjamin en Juda, den HEERE, den God Israël’s, den tempel bouwden, zo als in het vorige hoofdstuk 3: 9 is vermeld geworden;
De Samaritanen worden hier terstond wederpartijders genoemd, hoewel nog niets van hun vijandschap bekend is, ja, hoewel zij zich vriendelijk kwamen aan te bieden als helpers. Zij verdienen echter dezen naam, dewijl zij in het vervolg zich als heftige vijanden van het ware zaad Israël’s deden kennen, die op allerlei manier hebben getracht, om den tempelbouw te verhinderen en daarmee de herstelling van den waren en zuiveren Godsdienst. Waarschijnlijk heeft de vrees hen bekropen, dat door Jeruzalem’s herstelling en den wederopbouw van den tempel, het uit was met valsen godsdienst, dat toch niet anders was dan ene vermenging van heidendom en Jodendom, of liever van heidendom en kalverdienst. Zij en hun vaderen waren toch onderwezen door een priester uit het rijk der Tien stammen en niet door een Priester uit Juda, door een priester des Heren. Zij doen zich voor als ware aanbidders van den Heere, want letterlijk staat er in vs. 2; “Wij zoeken uwen God. gelijk gijlieden.” Als dan ook straks hun aanbod wordt geweigerd, treden zij in hun ware gedaante als van den van Gods volk te voorschijn.
Zo kwamen zij aan tot Zerubbabel, en tot de hoofden der vaderen, de andere aanvoerders der gemeente (Hoofdstuk 2: 2),en zeiden tot hen: Laat ons met ulieden bouwen, want wij zullen uwen God, den Heere Zebaoth, zoeken, gelijk gijlieden; ook hebben wij niet geofferd aan de afgoden, maar wij hebben Hem geofferd sinds de dagen van a) Esar-Haddon, den koning van Assur, die ons uit Syrië en de landen van den Eufraat herwaarts heeft doen optrekken 1), en ons zelfs een priester, die de wijze van den God van dit land kende, heeft toegezonden.
2 Koningen 17: 24 vv.
In het midden van Palestina lag in den tijd van het nieuwe Testament, zo als wij weten, de provincie Samaria, zich omtrent 12 uren van het noorden naar het zuiden uitstrekkende, terwijl de breedte van het westen naar het oosten 10 uren gaans was. De noordelijke grensplaats was de voormalige Levietenstad, En-Gannim (Jozua 19: 21; 21: 29) aan het zuidelijke einde van de vlakte van Jizreël (2 Koningen 9: 27 ). De zuidelijke grensplaats was het vlek Silo; in het westen echter behoorde de zeekust tot aan Akko of Ptolemaïs mede aan Judea. Dit landschap bevatte aldus een aanzienlijk deel van het vroegere stamgebied van Efraïm en Issaschar, ja sloot in den tijd, waarvan wij hier spreken, het eerste geheel in, terwijl het zich toen in het zuiden uitstrekte tot aan Bethel, en in het westen tot aan de Middellandse zee. Het oostelijke deel, dat zich tot aan den Jordaan uitstrekte, bestond uit de zuidelijke helft van het stamgebied van Issaschar. In 1 Makk. 10: 30 komt de verdeling van het land ten westen van den Jordaan (Palestina cisjordanica) in de drie districten Judea, Samaria en Galilea reeds als ene uitgemaakte daadzaak voor; wanneer die verdeling plaats had, laat zich niet nauwkeurig bepalen; maar zij was reeds zeer vroeg voorbereid, zo als blijkt uit Jozua 20:
De uitdrukking “de steden van Samaria” in 1 Koningen 13: 32, vóór de ballingschap, spreekt nog niet van deze verdeling; daar betekent “Samaria” het ganse rijk der tien stammen of Israël, naar den naam van de hoofdstad. Wij vinden Samaria eerst als provincie genoemd in 2 Koningen 17: 24; daar is het inderdaad niet het gehele rijk der 10 stammen, dat de Assyrische koning met vreemde kolonisten bezet, maar slechts de steden van het zuidelijke deel kregen de heidense bevolking, dat deel namelijk, dat naar het middelpunt van die streek Samaria genoemd werd in de engere betekenis, terwijl het noordelijk deel, het latere Galilea nog door afstammelingen van de oude Israëlieten bewoond werd. Dit zuidelijke deel was door den oorlog, die de verovering van de hoofdstad voorafging, door de wegvoering van het grootste deel der inwoners bijzonder verwoest, en had daarom eerst ene nederzetting van nieuwe kolonisten nodig, die door de latere Joden naar de voornaamste plaats hunner toekomst Cutheërs genoemd werden, naar de stad Cutha (2 Koningen 17: 30), om daardoor hunnen heidensen oorsprong uit te drukken. Het is hier de vraag, of er onder hen nog Israëlieten gebleven waren of niet. Voor het laatste pleit eensdeels hetgeen in 2 Koningen 17: 6 en 32; 18: 11 wordt aangevoerd, dat Salmanasser geheel Israël wegvoerde, en anderdeels, dat de gelaatstrekken van de nu nog bestaande Samaritanen hun Israëlitische afkomst weerspreken. Zonder twijfel heeft zich die wegvoering echter slechts bepaald tot de bekwaamste en bruikbaarste mannen, en de rijkste en voornaamste families, terwijl de gebrekkigen en de zwakken, benevens de geringe klassen in het land werden gelaten, en waarschijnlijk velen zich door de vlucht aan de gevangenschap zullen hebben onttrokken, en later in het land zijn teruggekeerd. Dit is op te maken uit 2 Kronieken 30: 4 vv. en 34: 6 en 9, waar Hizkia ook naar de overige Israëlieten in het vroegere rijk der 10 stammen zendt, om hen tot het Paasfeest te nodigen, en koning Josia ook in het gebied van het voormalige noordelijke rijk den afgodendienst uitroeit en van daar gelden voor den tempelschat doet inzamelen. Onder deze overgeblevene Israëlieten in het land van Samaria waren er, en wel bijzonder sedert de hervorming door Josia enkelen, die zich wat den godsdienst aangaat aan de Godsverering in Jeruzalem aansloten. In Jer. 41: 7 vv. leest men van 80 mannen van Sichem, van Silo en van Samaria, die over de verwoesting van den tempel treuren en naar de plaats, die hun nog altijd heilig is spijsoffer willen brengen (2 Koningen 25: 26 ). Anderen daarentegen hielden het met de grondstellingen van den kalverdienst van Jerobeam (1 Koningen 12: 25 vv.), en waren geheel bevredigd, toen Esar-Haddon door de zending van enen priester den dienst te Bethel weer herstelde (2 Koningen 17: 25 vv.), en verenigden zich des te gemakkelijker met de heidense, uit Assyrië gezondene, mannen tot een gemengd volk, dat nu den naam van Samaritanen droeg, daar de zinnebeeldige dienst van Jehova, die in het noordelijk rijk bestaan had, niet zo scherp tegenover den afgodendienst stond. De begeerte van deze Samaritanen om aan het bouwen van den tempel deel te mogen nemen, schijnt van die eerstgenoemde Israëlieten te zijn uitgegaan, die den Jehovadienst in Jeruzalem voor de enige ware Godsverering hielden, en de herstelling daarvan met blijdschap begroetten. Zij alleen echter deden het verzoek niet aan de nieuwe gemeente der Joden, maar zij deden het in vereniging met de vreemde kolonisten. Het was niet zozeer hun verlangen om aan den tempelbouw zelf deel te nemen, maar zij duldden gene zelfstandige Joodse gemeente, welker ontwikkeling werkelijk aan het bezit van een eigen tempel verbonden was. Zulk ene gemeente naast zich te hebben, was hun een aanstoot, en daar zij in de steden van Samaria en in andere streken ten westen van den Eufraat geregelde gemeenten tot een geheel verenigd onder eigene bestuurders hadden (vs. 9 van dit Hoofdstuk .), beschouwden zij zich als diegenen, aan wie de leiding van de openbare aangelegenheden in de landen aan deze zijde der rivier was opgedragen. Hieruit laat het zich verklaren, waarom de hoofden der aangekomene Joden niet alleen Het verlangen zo beslist afwezen, maar ook in hun antwoord zich daarop uitdrukkelijk beriepen, dat aan hen en aan hen alleen door den koning van Perzië het verlof tot het bouwen van den tempel gegeven was, want dat verlof sloot tevens in zich de bevoegdheid om de aangelegenheden van de gemeente, die zich om den tempel verzamelde, te leiden. Had men eenmaal de deelneming aan het bouwen toegestaan, dan had men daardoor tevens aan de vreemde kolonisten, die Jehova slechts als den God van het land nevens hun afgoden dienden, enen al te overwegenden invloed op de godsdienstige inrichting van de nieuwe Joodse gemeente gegeven; en de kalverdienaars, die den dienst van Jerobeam volgden, zich daaraan sluitende door hun langdurig samenwonen in het land, nauw met hen verbonden, zouden met de eersten van al te veel betekenis in het ganse land geworden zijn. Die weigering aan de deelneming tot het bouwen strekt zich niet zo ver uit, dat het niet zou geoorloofd zijn geweest voor die enkele Israëlieten, die naar Jeruzalem heentrokken, om daar bij den tempel te wonen, of van tijd tot tijd dat huis Gods te kunnen betreden, als de zichtbare woonplaats van Jehova op aarde, om deel te nemen aan de Godsverering aldaar; in Hoofdstuk 6: 21 wordt die deelneming uitdrukkelijk als toegelaten beschouwd. Hier handelen de hoofden der gemeente voorzeker zeer wijs, daar zij Jehova, die in Bethel onder het beeld van een stier en hier en daar op de hoogten vereerd werd, niet voor dien God wilden erkennen, voor Wie zij te Jeruzalem een huis wilden bouwen; zo behoedden zij zich tegen ene schending van den waren Godsdienst met nadruk, en hielden die zuiver van enen toestand, die half heidens zou geweest zijn. Daarmee bewaarden zij zowel hun nationale als hun godsdienstige zelfstandigheid, hoewel daaruit vele moeilijkheden voortsproten.
Maar Zerubbabel, en Jesua, en de overige hoofden der vaderen van Israël zeiden tot hen: Het betaamt niet, dat gijlieden en wij in gemeenschap met elkaar onzen God een huis bouwen, omdat wij uw voorgeven, alsof gij met ons dezelfden God diendet, niet als waar kunnen aannemen; maar wij alleen 1) zullen het den HEERE den God Israël’s, bouwen, opdat Zijn dienst rein zij, en niet vermengd met den dienst der afgoden a); gelijk als gij het wilt, komt het ook niet met het burgerlijke recht overeen, want gij weet immers zeer goed, dat de koning Kores, koning van Perzië, het niet aan u of anderen, maar alleen aan ons geboden heeft 2).
Ezra 1: 1-3.
Nooit heeft een volk in zijne gevangenschap ondervonden, wat met Israël geschiedde aan de boorden van den Eufraat. Dit volk, dat vroeger zo licht tot de afgoderij overging, en zo gemakkelijk werd verlokt door de plechtigheden van dezen of genen afgodendienst, had in de Ballingschap zulk een afgrijzen gekregen van alle afgoden, dat zij het verlangen der Samaritanen rondweg afsloegen, en liever een vijand in hun onmiddellijke nabijheid hadden, dan een vriend te hebben, die maar in het minste aan het heidendom verbonden was.
Elke poging om den waren godsdienst te herstellen, zal den tegenstand van den Satan opwekken, en van de kinderen der ongehoorzaamheid in welke hij werkt. De Cutheërs en de Samaritanen stonden voornamelijk onder den invloed van de vijandschap van het zaad der slang tegen de ware Kerk van God, voortkomende uit haat tegen de heiligheid van Zijne wet, van Zijne inzettingen, Zijne waarheden en Zijn volk.
Met recht konden zij zich beroepen op het edict van Cyrus, dewijl deze alleen aan de stammen van Juda en Benjamin het verlof en het recht had gegeven, om den tempel te herbouwen. Ook de Samaritanen waren toen onder de heerschappij van Perzië gekomen, zodat ook zij het edict van dien koning hadden te eerbiedigen.
Evenwel maakte het volk des lands, zich wrekende over de ontvangene weigering, de handen des volks van Juda slap, en verstoorde, hinderde hen in het bouwen;
En zij huurden tegen hen raadslieden, zonden zaakwaarnemers aan het Perzische hof, die het moesten voorstellen als gevaarlijk voor de veiligheid van het rijk, als door het bouwen van een tempel te Jeruzalem gelegenheid gegeven werd, dat aldaar een zelfstandig Joods volk zou gevestigd worden; deze deden pogingen, om hunnen, der Joden raad 1) te vernietigen, al de dagen van Kores, den koning van Perzië, tot aan het koninkrijk van Darius Hystaspes, den koning van Perzië 2), in wiens tweede regeringsjaar (520 v. Chr.) de bouw werd voortgezet (vs. 24).
Raad, in den zin van voornemen, n.l. om den tempelbouw te voltooien. Hun plannen gelukken in zover, dat de tempelbouw, omtrent 14 jaren, geschorst werd. Dit lag voornamelijk aan de Perzische beambten, die zoals boven reeds is gemeld, de ondersteuning inhielden.
Men weet niet, hoe het aan de tegenstanders der Joden gelukt was om Cyrus tot andere gedachten te brengen, hem, die zoveel belang stelde in een tempelbouw, dat hij niet alleen verklaarde, dat hij dien als een werk beschouwde, door God zelfs aan hem opgedragen, waartoe hij al de vaten des tempels weer teruggaf (Hoofdstuk 1: 2 en 11), maar ook de grootte van het heiligdom bepaalde, en de kosten voor het bouwen uit de koninklijke schatkamers aanwees (Hoofdstuk 6: 3 en 4). Volgens Jes. 44: 28 moest hij het echter niet verder brengen dan tot de grondvesting des tempels, en bovendien staat er niets geschreven van een formeel verbod, zodat ook der Joden eigene achteloosheid, waartoe zij door gebrek aan vertrouwen op God en door traagheid des vlezes vervielen (verg Hoofdstuk 5: 1 vv), voor een groot deel de schuld daarvan droeg.
Met den naam Ahasveros wordt gewoonlijk Cyaxares I, de vader van den Medischen koning Astyages en van zijnen broeder Cyaxares II (Dan. 9: 1), als ook de vijfde Perzische koning Xerxes I (Esther 1: 1) aangeduid; enige uitleggers denken hier dan ook aan dezen laatsten, zodat dan onder genoemden Arthahsasta, zoals in Hoofdstuk 7: 1 en Nehemia 2: 1, de opvolger van Xerxes, Artaxerxes I zou te verstaan zijn (Hoofdstuk 1: 4 ). Indien deze laatste opvatting waar was, dan zou hetgeen voorkomt in vs. 6-23 van dit Hoofdstuk betrekking hebben op de hinderpalen, die de vijanden van Juda en Benjamin later, toen de tempel onder Darius Hystaspes reeds lang gereed was (Hoofdstuk 6: 15), in den weg legden, bij het verder opbouwen der stad, en hare versterking door muren en poorten, omstreeks het jaar 446 v. Chr. (Nehemia 1: 3 ). De vijandige houding der Samaritanen had voor de tempelkolonie zeer nadelige gevolgen. Uit het verwijt, door den profeet Haggai tot het volksgericht, blijkt ten volle, dat het niet volstrekt onmogelijk was geworden, den tempelbouw voort te zeggen, maar dat de ondersteuning, die Cyrus had toegezegd, door de beambten des konings werd onthouden zodat de ijver verslapte, en de arbeid eerst in het 2de jaar van Darius, niet zonder het geroep van velen, dat het “de tijd nog niet was om te bouwen.” (Hagg. 1: 2) werd opgevat en in het 6de jaar van Darius, ongeveer 18 jaar na het edict van Cyrus voltooid werd.
Cyrus regeerde van 536-529, n.l. als wereldheerser Cambyses van 529-522, Smerdis, bijgenaamd de valse, enkele maanden, ook in het jaar 522, op wie Darius volgde. 6. AANKLACHTEN DER SAMARITANEN, BIJ HET PERZISCHE HOF TEGEN DE JODEN INGEBRACHT. Vs. 6-23. In deze perikoop wordt meegedeeld, hoe de Samaritanen ook in latere jaren tegen de Joden hebben samengespannen, door herhaaldelijk aanklachten naar het Perzische hof te zenden, waardoor wordt bewerkt, dat het herbouwen van de heilige stad enigen tijd wordt gestaakt.
En om hier op de geschiedenis reeds iets vooruit te lopen, onder het koninkrijk van Ahasveros 1), d.i. leeuwen- of heldenkoning, of Xerxes, den bekenden vorst uit het Boek Esther, in het begin zijns koninkrijks, dewijl hij toen nog niet, zoals later, den Joden zeer genegen was, schreven zij enen aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem.
Dewijl hier niet kan bedoeld zijn, de vader van den Medischen koning Astyages, moet hier bedoeld zijn de bekende Ahasveros uit de geschiedenis van Esther, en dewijl de Arthahsasta uit vs. 7 niemand anders is dan de opvolger van Ahasveros (Xerxes) (Ezra 7: 1, 11; 8: 1. 7.1,11 8.1 Nehemia 2: 1 vv.), wiens naam in de ongewijde geschiedenis luidt Artaxerxes, zo is het duidelijk, dat wij in vs. 6-23 ene mededeling hebben van hetgeen later heeft plaats gehad onder de regeringen van beide genoemde koningen, om daarmee te doen zien, hoe de Samaritanen niet alleen den tempelbouw, maar ook den herbouw van Jeruzalems muren hebben tegengewerkt. Bij nauwkeurige lezing én van vs 6 én van vs. 7, welke beide beginnen met en in de dagen valt het op, dat de Schrijver hier van twee gebeurtenissen melding maakt, die er later hebben plaats gehad. Dewijl ook door dit tegenwerken de Samaritanen zich als ware tegenpartijen (vs. 1) deden kennen, wordt het nu reeds meegedeeld als bewijs, hoe de ziele des Schrijvers gruwt van zulk een wroeten tegen het volk Gods van de zijde der vijanden, die niet geweigerd waren, omdat zij, zoals zij zeiden, zich van heidenen tot den dienst van God hadden bekeerd, maar dewijl zij nog in al hun doen en laten zich bewezen, geen gemeenschap te kunnen hebben met het echte volk des Heren. De Schrijver doet op hun handelwijze dit licht vallen, dat zij nu precies tonen wie zij zijn, dewijl zij met het volk, van hetwelk zij afstammen, heulen, om het nakroost van Abraham kwalijk te bejegenen. Het is toch duidelijk, dat in deze gehele perikoop niet van een bouwen des tempels maar van een bouwen der muren der stad sprake is.
En in de dagen van Arthahsasta, d.i. sterke koning noemde, schreef, schreven, Bislam, Mithredath, Tabeël, en de overigen van zijn gezelschap, die in gemeenschap met de genoemden de openbare gelegenheden der Samaritanen leidden, aan Arthahsasta, koning van Perzië, ene aanklacht van gelijken inhoud als de in vs. 6 genoemde; en de schrift des briefs was in het Syrisch, met Arameïsche letters geschreven, en werd in het Syrisch uitgelegd 1).
Het Syrisch of Arameïsch van de Samaritanen was nog weer enigszins anders als het Syrisch of Arameïsch, hetwelk aan het Perzische hof werd gesproken. Vandaar dat er staat, dat de brief in het Syrisch (letterlijk met Arameïsche letters), was geschreven en in het Syrisch werd uitgeleed, of beter, overgezet. Dit laatste geschiedde natuurlijk door hem, die den brief in de Annalen of in de acte-stukken van het Perzische hof inschreef. De inhoud van den brief wordt ons niet meegedeeld, evenmin als datgene, waarvan in vs. 6 gesproken wordt. Alleen de inhoud van een derden brief, ongetwijfeld geschreven op aanhitsing van de drie hier genoemden, is door den Schrijver meegedeeld, n.l. van dien, welke in vs. 11-17 wordt vermeld.
Rehum, de kanselier, woordelijk: de heer der beslissing, d.i. die het ambt van rechter bij de Samaritanen bekleedde, en Simsai, de schrijver, die de officiële stukken moest opstellen en in het net overschrijven, schrijven om hier nog van ene derde aanklacht uit den tijd van Ahasveros en van Arthasasta te gewagen, enen brief tegen Jeruzalem, aan den koning Arthahsasta, op deze manier:
Toen is dit geschreven door: Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, en de overigen van hun gezelschap, hun medebestuurders, de Dinaïeten, die van Deinaver, de Afarsathchieten, Paraetuker, de Tarpelieten, de Afarsieten (de Perzen), de Archevieten (die van Arach), de Babyloniërs, de Susanchieten (die van Susan), de Dehavieten (de Daër der Grieken), de Elamieten (uit Elam);
Hoogstwaarschijnlijk zijn de namen van Rehum en Simsaï en de genoemde volken alleen vermeld, om het verzoek meer kracht bij te zetten.
En de overige in 2 Koningen 17: 24 genoemde volkeren, die de grote en vermaarde Asnappar, een hoog staatsbeambte van den Assyrische koning Esar-Haddon, heeft vervoerd en doen wonen in de stad, of steden van Samaria, ook in de overigesteden, aan deze zijde der rivier 1) den Eufraat, en op zulke tijd 2).
Vergelijken wij de namen der volken in ons vers met de namen der steden, uit welke volgens 2 Koningen 17: 24 kolonisten naar Samaria werden overgebracht, zo zijn hier onder deze namen van het land Babylon de meeste der in 2 Koningen 17: 24 genoemde steden Babel, Chuta en Avva te samengevat en de beide anderen Hamath en Sefarvaim kunnen gevoeglijk onder de “overigen der volkeren” begrepen zijn, dewijl uit het Syrische Hamath voorzeker slechts enkele kolonisten naar Samaria zullen overgebracht zijn. Het hoofdverschil tussen beide plaatsen zit hierin, dat in ons vers niet alleen de in de steden van Samaria overgebrachte kolonisten, maar alle volken, die in het grote gebied aan deze zijde der rivier waren gevestigd, worden opgeteld. Alle deze volken echter hadden tegen de Joodse gemeente gelijke belangen te verdedigen en wilden door gemeenschappelijk optreden hun aan den Perzischen koning gerichte voorstelling van zaken groter gewicht bijzetten, om de Gemeente te Jeruzalem niet tot macht te laten komen, dat er alleszins grond was voor de bezorgdheid, dat met haar alle overblijfselen der Israëlieten in Palestina en andere streken aan deze zijde van den Eufraat zich mochten verbinden en de zo verenigende Israëlieten sterk genoeg konden worden, om hun heersende wederpartijders een tegenstand te betonen, die grote gevolgen kon hebben.
Sommigen menen, dat het Chaldeeuwse woord betekent: enz., en dat er alzo nog meer volken hadden kunnen genoemd worden; de Nederlandse overzetters houden dit echter voor den datum des briefs, dien wij soms boven aan plaatsen, maar ook menigmaal onder aan.
Dit is een afschrift des briefs, dien zij, de in vs. 9 genoemde volkeren, door hun ambtenaren aan hem, aan den koning Arthasastha, zonden: Uwe knechten, de mannen, die gij gesteld hebt over uwe landschappen aan deze zijde der rivier, en op zulke tijd1) doen u groeten.
In het Chaldeeuws (Ezra 4: 8-6: 18 is niet in het Hebreeuws, maar in het Chaldeeuws geschreven) Ook hier past beter de vertaling van enzovoort, dan die van, op zulk een en tijd, dewijl dit woord de opsomming der verschillende volken vervangt.
Den koning zij bekend, dat de Joden, die van u uit het land aan gene zijde van den Eufraat waar zij gevangen geweest zijn in uw rijk, het machtige Babylon, zijn opgetogen 1), naar dit land, dat aan deze zijde der rivier is gelegen, tot ons gekomen zijn, en nu wonen te Jeruzalem, bouwende die rebellerende en die boze stad, waarvan zij de muren voltrekken en de fondamenten samenvoegen en optrekken (vergelijk op vs. 7).
De aanklagers zwijgen van het edict van Cyrus, waarbij den Joden niet alleen verlof, maar als het ware bevel was gegeven, om naar Jeruzalem te trekken, wel wetende, dat een wet door den Perzischen monarch uitgevaardigd, niet kon ingetrokken worden. Bovendien had dit edict niet gesproken van den opbouw der muren van Jeruzalem, maar van den tempelbouw. Als dan ook straks de vijanden der Joden voorlopig hun wens vervuld zien, heeft er geen intrekking van enig edict plaats, maar een tijdelijke schorsing van den opbouw der muren.
Zo zij nu den koning bekend, indien deze stad zal worden opgebouwd, en de muren voltrokken, dat zij den cijns, belastingen, ouden impost, accijns, en tol, die van de reizigers op de landstreek werd geheven, niet zullen geven, en gij zult door het bouwen toe te laten, aan de inkomsten 1) der koningen, uwe opvolgers, schade aanbrengen; gij zult daardoor voor de toekomst de koninklijke heerschappij benadelen.
In het Chaldeeuws Weaphtoom. LXX kai touto. Door de Staten-vert. overgezet met: de inkomsten. Het is echter een woord uit het Perzisch overgenomen, en betekent in die taal voor de toekomst. De vertaling is derhalve beter: En gij zult voor de toekomst den koningen schade toebrengen. Wij zien derhalve hier deze vijanden van het volk des Heren hun toevlucht nemen tot het lage middel, om den hartstocht der geldgierigheid in beweging te brengen. Aan elke hogere inspraak gespeend zoeken ze het in de lagere sferen van hebzucht en gelddorst, wel wetende, dat aan het Perzische hof er grote behoefte bestond aan ruime inkomsten, van wege het weelderig leven der vorsten. Zij zullen dan ook voor een ogenblik hun doel bereiken, maar straks zal het blijken, dat de Heere met Zijn volk is, dat Zijn Raad bestaat en Hij al Zijn welbehagen zal doen.
Nu, omdat wij salaris 1) uit het paleis trekken, en wij ambtenaren des konings zijn, en zijn brood eten, en het ons niet betaamt des konings oneer en schade te zien; daarom hebben wij gezonden, en dit alles aan den koning bekend gemaakt;
Salaris uit het paleis trekken. Letterlijk staat er: Zout uit het koninklijke paleis zouten, d.i. zout eten uit het koninklijke paleis, hetwelk een Oosterse uitdrukking is voor: in soldij staan van den koning, door hem bezoldigd worden. Terecht gebruikt dan ook de Staten-vertaling het woord salaris. Salaris toch komt van het Latijnse woord salarium, hetwelk zoutgeld betekent. Iemands zout eten is dus, van iemand het nodige levensonderhoud ontvangen, hoogstwaarschijnlijk ene uitdrukking, ontleend aan het gebruik van zout bij vlees en vis, om de spijzen voor bederf of ondergang te bewaren. Uit laffe vleierij maken zij nu den koning er opmerkzaam op, dat dewijl zij zijn brood eten, zij ook nu genegen zijn, om voor zijne belangen te waken, alsof niet alles wat zij deden, niet in des konings, maar in hun eigen vermeend belang was. In dit opzicht vertoont de Gode en Zijn Kerk vijandige wereld altijd hetzelfde karakter. Om des keizers wille moest de Heere Christus door Pilatus worden veroordeeld, om de rust van het land moesten de Christenen vervolgd en verdrukt worden. Om de veiligheid van den Staat moet immer nog Christus’ Kerk van de publieke markt van het leven worden verdrongen. Met of zonder vernis, altijd toont de wereld hare vijandschap tegen den Christus Gods en Zijne Gemeente.
Opdat of, dat men zoeke in het boek der kronieken uwer vaderen 1), uwer voorgangers op den stoel des koninkrijks van Babylon,zo zult gij vinden in het genoemde boek der kronieken, en weten, dat deze stad ene rebelle, ene oproerige stad geweest is, en den koningen en landschappen schade aanbrengende, en dat zij daarbinnen afval gesticht hebben, van oude tijden af; en zij zullen ook andere steden tot afval bewegen, daarom is deze stad onder Nebukadnezar verwoest.
Uwer vaderen zijn degenen, die gezeten hebben op den troon van Assyrië, Babylonië en Perzië. De Boeken der Kronieken zijn de gedenkschriften van het Perzische hof, waarvan ook in Esther 6: 1 vv. sprake is.
Wij maken dan aan den koning bekend, dat, zo deze stad zal worden opgebouwd, en hare muren voltrokken, gij daardoor geen deel zult hebben {1} aan deze zijde der rivier, want zij zal geheel Palestina weer onder hare heerschappij brengen. {1} De wederpartijders der Joden weten wel, hoe zij moeten schrijven om het hart des konings naar hun wensen te neigen; want hebben zij in den beginne nog alleen gesproken van het nemen van tol en cijns, nu waarschuwen zij den koning, dat hij de regering over dat gedeelte van zijn rijk geheel zal verliezen, indien hij niet met zijne koninklijke macht tussen beide treedt. Had God dan ook niet getoond, dat Zijn Raad bestaan zou, de muren der stad waren onvoltooid gebleven, maar de vijanden kunnen veel, maar niet alles doen. God, de Heere, regeert en Hij zal ten leste hebben het laatste woord.
De koning zond, dit lasterlijk schrijven zonder verder onderzoek gelovende en aannemende, antwoord aan Rehum, den kanselier, en Simsai, den schrijver, en de overigen van hun gezelschappen, die te Samaria woonden; mitsgaders aan de overige bestuurders aan deze zijde der rivier, aldus luidende: Vrede en op zulke tijd (zie vs. 10 ).
De brief, dien gij aan ons geschikt, gezonden hebt, is duidelijk voor mij gelezen.
En als van mij bevel gegeven was, hebben zij gezocht en gevonden, dat deze stad zich van oude tijden af tegen de koningen van Assyrië en Babylonië heeft verheven, en dat onophoudelijk rebellie en afval daarin gesticht is.
Ook zijn er machtige koningen geweest over Juda en Jeruzalem, David en Salomo, die geheerst hebben overal aan gene zijde der rivier 1), in alle landen ten westen van den Eufraat, bevattende Palestina en Syrië; en hun is cijns, oude impost en tol gegeven.
Gerekend van de hoofdstad van Perzië, die aan de oostzijde van den Eufraat was gelegen, en dus Palestina rekende als aan gene zijde der rivier.
Geeft dan nu bevel, om diezelve mannen het bouwen te beletten, opdat die stad niet opgebouwd worde, totdat van mij bevel zal worden gegeven 1), om op te houden met het bouwen van de stad, en het optrekken van hare muren.
Zo hard en streng is het lot dier vorsten, die zien en horen moeten door eens anders oor en ogen, en hun oordeel vellen over zaken, zoals zij hun voorgesteld worden, hoe nadelig en vals zulk vertrouwen ook wezen moge. Hierom zijn Gods oordelen integendeel altijd rechtvaardig, naardien Hij alles in den grond doorzoekt, gelijk het waarlijk is, en overeenkomstig met de waarheid.
Weest gewaarschuwd, van feil in dezen te begaan; waarom zou het verderf tot schade der koningen aanwassen?
Toen, van dat stuk het afschrift was gemaakt, en de inhoud des briefs van den koning Arthahsasta voor Rehum, den kanselier, en Simsaï, den schrijver, en hun gezelschappen, de overige leden van de regering der Samaritanen, gelezen was, togen zij in haast naar Jeruzalem tot de Joden, en beletten hen met arm, met kracht, en geweld, gewapenderhand.
Toen 1) hield het werk op van het huis Gods, die te Jeruzalem woont, ja het hield op tot in het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, Hystaspes, den koning van Perzië 2), die van 521-486 vóór Chr. regeerde, dus tot het jaar 520.
Met vs. 24 wordt het verhaal van den tempelbouw voortgezet, hetwelk in vs. 5 was afgebroken, door de inlassing van ene mededeling, omtrent hetgeen later geschiedde.
Gedurende den tijd van den opgeschorten tempelbouw en de onenigheden met de Samaritanen werd toch de godsdienst bij het brandofferaltaar en de viering der feesten (Hoofdstuk 3: 2) voortgezet. De gemeenschappelijke bedevaarten naar Jeruzalem, die ten tijde van David en Salomo waren ontstaan, werden zelfs meer opgewekt, en kregen meer betekenis, hetgeen blijkt uit de Psalmen, die in dat tijdvak ontstaan zijn, welke behoren tot de liederen “in het hoge koor”, zoals Luther ze noemt, ook trappsalmen genoemd, of naar de mening van anderen tot de bedevaartsliederen behoren. David, die zijne dichterlijke gaven aanwendde om God te verheerlijken, en heilige gezangen aan het volk te geven, had reeds gezorgd voor zulke bedevaartsliederen (Psalm 122,124,131 en 133); en Salomo had hem daarin nagevolgd (Psalm 127 en 132). Nu kwam er nog een derde zanger bij, die zijne dichterlijke voortbrengselen met die van zijne voorgangers tot een aaneengesloten geheel verenigde, waaruit een bedevaartsboekje ontstond (Psalm 120-134). Wij bevelen daarom het lezen van Psalm 120,121,123, 125,126,128-130 en 134 aan, waardoor wij enen diepen blik kunnen slaan in de inwendige gemoedsstemming der nieuwe gemeente, in hun leed en hun smart, maar ook in hun hoop en hun gebeden; maar in Psalm 125 en 128 zien wij tevens, hoe zich ene droeve moedeloosheid van de gemoederen had meester gemaakt, ten gevolge van hun bedrogene verwachting en het langdurig en schijnbaar vergeefse wachten, maar ook dat het verderf in Israël weer dreigde te ontkiemen. Dit laatste moet bijzonder in het oog gehouden worden, om het gezicht van den profeet Zacharia goed te verstaan, terwijl het eerste duidelijk maakt wat in het begin van het volgende 5de hoofdstuk verhaald wordt. De gemeente schijnt namelijk zich eindelijk er aan gewend te hebben geen tempel te bezitten en ook er zich geen te bouwen; zij beproefden in het geheel niet ene ondersteuning te krijgen tot het voortzetten van het afgebroken werk, dat zij toch wel hadden kunnen doen, bij de afwisselingen van koningen op den Perzischen troon, die toch in meerdere of mindere mate een verandering van regeringsstelsel ten gevolge had. Na het vermoorden van Pseudo-Smerdis had de Achaemenide Darius I den troon beklommen en van dezen hadden zij mogelijk wel wat goeds voor zich kunnen verwachten. De godsdienstigen onder het volk zelfs twijfelden aan de vervulling der Goddelijke beloften, en de anderen vestigden zich zo gemakkelijk mogelijk, bouwden huizen en herstelden de paleizen, die gedeeltelijk verwoest waren, maar het huis des Heren werd geheel vergeten (Hagg. 1: 4). In het tweede jaar van Darius werden de profeten Haggai en Zacharia verwekt, om door hun profetieën den stadhouder Zerubbabel te ondersteunen en den verflauwden of liever geheel uitgedoofden ijver voor den tempelbouw weer aan te wakkeren, en de hoop op het heil der toekomst weer levendig te maken.
Dit Hoofdstuk toont ons de tegenkanting, die het volk Gods te lijden heeft, zowel van valse vrienden als van openbare vijanden. Zij, die Christus Jezus willen volgen, moeten vervolging ondergaan. Indien Christus het fundament is, dan is Hij de steen des aanstoots en de rots der ergernis voor allen, die het vlees liefhebben. Rust op dat enige fondament, want niemand kan er zulk een leggen. Op Hem rust het ganse gewicht der zaligheid; Hem komt daarvoor de lof toe. En hoe ook het werk schijnbaar moge verhinderd worden, toch bestuurt de Heere Jezus het, en Zijn volk verrijst tot een heiligen tempel in den Heere, tot ene woning Gods door Zijn geest.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel