Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1Toen nu de zevende maand aankwam, en de kinderen Israels in de steden waren, verzamelde zich het volk, als een enig man, te Jeruzalem.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1Toen nu de zevendeH7637maandH2320aankwamH5060, en de kinderenH1121IsraelsH3478 in de stedenH5892 waren, verzameldeH622 zich het volkH5971, als een enigH259manH376, te JeruzalemH3389.Toen nu de zevende maand aankwam, en de kinderen Israels in de steden waren, verzamelde zich het volk, als een enig man, te Jeruzalem.
KJVAnd when the seventh3month2was come,1and the children4of Israel5were in the cities,6the people8gathered themselves together7as one10man9to Jerusalem.
1וַיִּגַּע֙H5060aangeroerd, aanroert, aanroerenbeat, ([idiom] be able to) bring (down), cast, come (nigh), draw near (nigh), get up, happen, join, near, plague, reach (up), smite, strike, touch2הַחֹ֣דֶשׁH2320maand, maanden, nieuwe maanmonth(-ly), new moon3הַשְּׁבִיעִ֔יH7637zevenden, zevende, zevenseventh (time)4וּבְנֵ֥יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth5יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael6בֶּעָרִ֑יםH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town7וַיֵּאָסְפ֥וּH622verzameld, verzamelden, verzamelenassemble, bring, consume, destroy, felch, gather (in, together, up again), [idiom] generally, get (him), lose, put all together, receive, recover (another from leprosy), (be) rereward, [idiom] surely, take (away, into, up), [idiom] utterly, withdraw8הָעָ֛םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people9כְּאִ֥ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)10אֶחָ֖דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,11אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)12יְרוּשָׁלִָֽםH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem
2En Jesua, de zoon van Jozadak, maakte zich op, en zijn broederen, de priesters en Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en zijn broederen, en zij bouwden het altaar des Gods van Israel, om daarop brandofferen te offeren, gelijk geschreven is in de wet van Mozes, den man Gods.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2En JesuaH3442, de zoonH1121 van JozadakH3136, maakte zich opH5921, en zijn broederenH251, de priestersH3548 en ZerubbabelH2216, de zoonH1121 van SealthielH7597, en zijn broederenH251, en zij bouwdenH1129 het altaarH4196 des GodsH430 van IsraelH3478, om daarop brandofferenH5930 te offerenH5927, gelijk geschrevenH3789 is in de wetH8451 van MozesH4872, den manH376GodsH430.En Jesua, de zoon van Jozadak, maakte zich op, en zijn broederen, de priesters en Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en zijn broederen, en zij bouwden het altaar des Gods van Israel, om daarop brandofferen te offeren, gelijk geschreven is in de wet van Mozes, den man Gods.
KJVThen stood up1Jeshua2the son3of Jozadak,4and his brethren5the priests,6and Zerubbabel7the son8of Shealtiel,9and his brethren,10and builded11the altar13of the God14of Israel,15to offer16burnt offerings18thereon, as it is written19in the law20of Moses21the man22of God.
1וַיָּקָם֩H6965opstaan, stond, Staabide, accomplish, [idiom] be clearer, confirm, continue, decree, [idiom] be dim, endure, [idiom] enemy, enjoin, get up, make good, help, hold, (help to) lift up (again), make, [idiom] but newly, ordain, perform, pitch, raise (up), rear (up), remain, (a-) rise (up) (again, against), rouse up, set (up), (e-) stablish, (make to) stand (up), stir up, strengthen, succeed, (as-, make) sure(-ly), (be) up(-hold, -rising)2יֵשׁ֨וּעַH3442Jesua, Jesua-joabJeshua3בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth4יֽוֹצָדָ֜קH3136JozadakJozadak5וְאֶחָ֣יוH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'6הַכֹּהֲנִ֗יםH3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer7וּזְרֻבָּבֶ֤לH2216ZerubbabelZerubbabel8בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth9שְׁאַלְתִּיאֵל֙H7597SealthielShalthiel, Shealtiel10וְאֶחָ֔יוH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'11וַיִּבְנ֕וּH1129bouwen, gebouwd, bouwde(begin to) build(-er), obtain children, make, repair, set (up), [idiom] surely12אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13מִזְבַּ֖חH4196altaar, altaren, altaarsaltar14אֱלֹהֵ֣יH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty15יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael16לְהַעֲל֤וֹתH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work17עָלָיו֙H5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with18עֹל֔וֹתH5930brandoffer, brandofferen, brandoffersascent, burnt offering (sacrifice), go up to. See also H5766 (עֶוֶל)19כַּכָּת֕וּבH3789geschreven, schreef, beschrevendescribe, record, prescribe, subscribe, write(-ing, -ten)20בְּתוֹרַ֖תH8451wet, wetten, leerlaw21מֹשֶׁ֥הH4872Mozes, Mozes', mozesMoses22אִישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)23הָאֱלֹהִֽיםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty
3En zij vestigden het altaar op zijn stelling, maar met verschrikking, die over hen was, vanwege de volken der landen; en zij offerden daarop brandofferen den HEERE, brandofferen des morgens en des avonds.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3En zij vestigdenH3559 het altaarH4196opH5921 zijn stellingH4350, maarH3588 met verschrikkingH367, die over hen was, vanwege de volkenH5971 der landenH776; en zij offerdenH5927 daarop brandofferenH5930 den HEEREH3068, brandofferenH5930 des morgensH1242 en des avondsH6153.En zij vestigden het altaar op zijn stelling, maar met verschrikking, die over hen was, vanwege de volken der landen; en zij offerden daarop brandofferen den HEERE, brandofferen des morgens en des avonds.
KJVAnd they set1the altar2upon his bases;4for fear6was upon them because of the people8of those countries:9and they offered10burnt offerings12thereon unto the LORD,13even burnt offerings14morning15and evening.
1וַיָּכִ֤ינוּH3559bereid, bevestigd, bereidencertain(-ty), confirm, direct, faithfulness, fashion, fasten, firm, be fitted, be fixed, frame, be meet, ordain, order, perfect, (make) preparation, prepare (self), provide, make provision, (be, make) ready, right, set (aright, fast, forth), be stable, (e-) stablish, stand, tarry, [idiom] very deed2הַמִּזְבֵּ֨חַ֙H4196altaar, altaren, altaarsaltar3עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with4מְכ֣וֹנֹתָ֔יוH4350stellingen, stellingbase5כִּ֚יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet6בְּאֵימָ֣הH367verschrikking, schrik, verschrikkingendread, fear, horror, idol, terrible, terror7עֲלֵיהֶ֔םH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with8מֵעַמֵּ֖יH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people9הָאֲרָצ֑וֹתH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world10וַיַּעֲל֨וּH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work11עָלָ֤יוH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with12עֹלוֹת֙H5930brandoffer, brandofferen, brandoffersascent, burnt offering (sacrifice), go up to. See also H5766 (עֶוֶל)13לַֽיהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)14עֹל֖וֹתH5930brandoffer, brandofferen, brandoffersascent, burnt offering (sacrifice), go up to. See also H5766 (עֶוֶל)15לַבֹּ֥קֶרH1242morgen, morgens, morgenstond([phrase]) day, early, morning, morrow16וְלָעָֽרֶבH6153avond, avonds, avonden[phrase] day, even(-ing, tide), night
4En zij hielden het feest der loofhutten, gelijk geschreven is; en zij offerden brandofferen dag bij dag in getal, naar het recht, van elk dagelijks op zijn dag.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4En zij hieldenH6213 het feestH2282 der loofhuttenH5521, gelijk geschrevenH3789 is; en zij offerden brandofferenH5930dagH3117 bij dagH3117 in getalH4557, naar het rechtH4941, van elk dagelijksH3117 op zijn dagH3117.En zij hielden het feest der loofhutten, gelijk geschreven is; en zij offerden brandofferen dag bij dag in getal, naar het recht, van elk dagelijks op zijn dag.
KJVThey kept1also the feast3of tabernacles,4as it is written,5and offered the daily7burnt offerings6by number,9according to the custom,10as the duty11of every day8required;
1וַֽיַּעֲשׂ֛וּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3חַ֥גH2282feest, feesten, feestdag(solemn) feast (day), sacrifice, solemnity4הַסֻּכּ֖וֹתH5521loofhutten, tenten, hutbooth, cottage, covert, pavilion, tabernacle, tent5כַּכָּת֑וּבH3789geschreven, schreef, beschrevendescribe, record, prescribe, subscribe, write(-ing, -ten)6וְעֹלַ֨תH5930brandoffer, brandofferen, brandoffersascent, burnt offering (sacrifice), go up to. See also H5766 (עֶוֶל)7י֤וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger8בְּיוֹם֙H3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger9בְּמִסְפָּ֔רH4557getal, tellen, geteld[phrase] abundance, account, [idiom] all, [idiom] few, (in-) finite, (certain) number(-ed), tale, telling, [phrase] time10כְּמִשְׁפַּ֖טH4941recht, rechten, gericht[phrase] adversary, ceremony, charge, [idiom] crime, custom, desert, determination, discretion, disposing, due, fashion, form, to be judged, judgment, just(-ice, -ly), (manner of) law(-ful), manner, measure, (due) order, ordinance, right, sentence, usest, [idiom] worthy, [phrase] wrong11דְּבַרH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work12י֥וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger13בְּיוֹמֽוֹH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger
5Daarna ook het gedurig brandoffer, en van de nieuwe maanden, en van alle gezette hoogtijden des HEEREN, die geheiligd waren; ook van een ieder, die een vrijwillige offerande den HEERE vrijwilliglijk offerde.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5DaarnaH310 ook het gedurigH8548brandofferH5930, en van de nieuwe maandenH2320, en van alleH3605gezette hoogtijdenH4150 des HEERENH3068, die geheiligdH6942 waren; ook van een iederH3605, die een vrijwillige offerandeH5071 den HEEREH3068vrijwilliglijk offerdeH5068.Daarna ook het gedurig brandoffer, en van de nieuwe maanden, en van alle gezette hoogtijden des HEEREN, die geheiligd waren; ook van een ieder, die een vrijwillige offerande den HEERE vrijwilliglijk offerde.
KJVAnd afterward1offered the continual4burnt offering,3both of the new moons,5and of all the set feasts7of the LORD8that were consecrated,9and of every one that willingly offered11a freewill offering12unto the LORD.
1וְאַחֲרֵיH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with2כֵ֞ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you3עֹלַ֤תH5930brandoffer, brandofferen, brandoffersascent, burnt offering (sacrifice), go up to. See also H5766 (עֶוֶל)4תָּמִיד֙H8548geduriglijk, gedurig, gedurigealway(-s), continual (employment, -ly), daily, (n-)ever(-more), perpetual5וְלֶ֣חֳדָשִׁ֔יםH2320maand, maanden, nieuwe maanmonth(-ly), new moon6וּלְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)7מוֹעֲדֵ֥יH4150samenkomst, gezette hoogtijden, tijdappointed (sign, time), (place of, solemn) assembly, congregation, (set, solemn) feast, (appointed, due) season, solemn(-ity), synogogue, (set) time (appointed)8יְהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)9הַמְקֻדָּשִׁ֑יםH6942geheiligd, heiligen, heiligtappoint, bid, consecrate, dedicate, defile, hallow, (be, keep) holy(-er, place), keep, prepare, proclaim, purify, sanctify(-ied one, self), [idiom] wholly10וּלְכֹ֛לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)11מִתְנַדֵּ֥בH5068vrijwillig, gewillig aangeboden, vrijwillig gegevenoffer freely, be (give, make, offer self) willing(-ly)12נְדָבָ֖הH5071vrijwillig offer, vrijwillige offeren, vrijwillige gavefree(-will) offering, freely, plentiful, voluntary(-ily, offering), willing(-ly), offering)13לַיהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
6Van den eersten dag af der zevende maand begonnen zij den HEERE brandofferen te offeren; doch de grond van den tempel des HEEREN was niet gelegd.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6Van den eerstenH259dagH3117 af der zevendeH7637maandH2320begonnenH2490 zij den HEEREH3068brandofferenH5930 te offerenH5927; doch de grondH3245 van den tempelH1964 des HEERENH3068 was nietH3808gelegdH3245.Van den eersten dag af der zevende maand begonnen zij den HEERE brandofferen te offeren; doch de grond van den tempel des HEEREN was niet gelegd.
KJVFrom the first2day1of the seventh4month3began5they to offer6burnt offerings7unto the LORD.8But the foundation12of the temple9of the LORD10was not yet laid.
1מִיּ֤וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger2אֶחָד֙H259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,3לַחֹ֣דֶשׁH2320maand, maanden, nieuwe maanmonth(-ly), new moon4הַשְּׁבִיעִ֔יH7637zevenden, zevende, zevenseventh (time)5הֵחֵ֕לּוּH2490ontheiligen, ontheiligd, begonbegin ([idiom] men began), defile, [idiom] break, defile, [idiom] eat (as common things), [idiom] first, [idiom] gather the grape thereof, [idiom] take inheritance, pipe, player on instruments, pollute, (cast as) profane (self), prostitute, slay (slain), sorrow, stain, wound6לְהַעֲל֥וֹתH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work7עֹל֖וֹתH5930brandoffer, brandofferen, brandoffersascent, burnt offering (sacrifice), go up to. See also H5766 (עֶוֶל)8לַיהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)9וְהֵיכַ֥לH1964tempel, tempels, paleispalace, temple10יְהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)11לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without12יֻסָּֽדH3245gegrond, gegrondvest, grondappoint, take counsel, establish, (lay the, lay for a) found(-ation), instruct, lay, ordain, set, [idiom] sure
7Zo gaven zij geld aan de houwers en werkmeesters, ook spijs en drank, en olie, aan de Sidoniers en aan de Tyriers, om cederenhout van den Libanon te brengen aan de zee naar Jafo, naar de vergunning van Kores, koning van Perzie, aan hen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7Zo gavenH5414 zij geldH3701 aan de houwersH2672 en werkmeestersH2796, ook spijsH3978 en drankH4960, en olieH8081, aan de SidoniersH6722 en aan de TyriersH6876, om cederenhoutH730vanH4480 den LibanonH3844 te brengenH935 aan de zeeH3220 naar JafoH3305, naar de vergunningH7558 van KoresH3566, koningH4428 van PerzieH6539, aan hen.Zo gaven zij geld aan de houwers en werkmeesters, ook spijs en drank, en olie, aan de Sidoniers en aan de Tyriers, om cederenhout van den Libanon te brengen aan de zee naar Jafo, naar de vergunning van Kores, koning van Perzie, aan hen.
KJVThey gave1money2also unto the masons,3and to the carpenters;4and meat,5and drink,6and oil,7unto them of Zidon,8and to them of Tyre,9to bring10cedar12trees11from Lebanon14to the sea16of Joppa,17according to the grant18that they had of Cyrus19king20of Persia.
1וַיִּ֨תְּנוּH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield2כֶ֔סֶףH3701zilver, geld, zilverenmoney, price, silver(-ling)3לַחֹצְבִ֖יםH2672uitgehouwen, houwers, gehouwencut, dig, divide, grave, hew (out, -er), made, mason4וְלֶחָרָשִׁ֑יםH2796werkmeesters, timmerlieden, werkmeesterartificer, ([phrase]) carpenter, craftsman, engraver, maker, [phrase] mason, skilful, ([phrase]) smith, worker, workman, such as wrought5וּמַאֲכָ֨לH3978spijze, spijs, Spijzefood, fruit, (bake-)meat(-s), victual6וּמִשְׁתֶּ֜הH4960maaltijd, maaltijden, bruiloftbanquet, drank, drink, feast((-ed), -ing)7וָשֶׁ֗מֶןH8081olie, olieachtige, Olieanointing, [idiom] fat (things), [idiom] fruitful, oil(-ed), ointment, olive, [phrase] pine8לַצִּֽדֹנִים֙H6722Sidoniers, SidonischeSidonian, of Sidon, Zidonian9וְלַצֹּרִ֔יםH6876Tyriers, Tyrus(man) of Tyre10לְהָבִיא֩H935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way11עֲצֵ֨יH6086hout, bomen, boom[phrase] carpenter, gallows, helve, [phrase] pine, plank, staff, stalk, stick, stock, timber, tree, wood12אֲרָזִ֤יםH730cederen, ceder, cederenhoutcedar (tree)13מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with14הַלְּבָנוֹן֙H3844LibanonLebanon15אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)16יָ֣םH3220zee, westen, zeeensea ([idiom] -faring man, (-shore)), south, west (-ern, side, -ward)17יָפ֔וֹאH3305JafoJapha, Joppa18כְּרִשְׁי֛וֹןH7558vergunninggrant19כּ֥וֹרֶשׁH3566Kores, CoresCyrus20מֶֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal21פָּרַ֖סH6539Perzie, PerzenPersia, Persians22עֲלֵיהֶֽםH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with
8In het tweede jaar nu hunner aankomst ten huize Gods te Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en Jesua, de zoon van Jozadak, en de overige hunner broederen, de priesters en de Levieten, en allen, die uit de gevangenis te Jeruzalem gekomen waren; en zij stelden de Levieten, van twintig jaren oud en daarboven, om opzicht te nemen over het werk van des HEEREN huis.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8In het tweedeH8145jaarH8141 nu hunner aankomstH935 ten huizeH1004GodsH430 te JeruzalemH3389, in de tweedeH8145maandH2320, begonnenH2490ZerubbabelH2216, de zoonH1121 van SealthielH7597, en JesuaH3442, de zoonH1121 van JozadakH3136, en de overigeH7605 hunner broederenH251, de priestersH3548 en de LevietenH3881, en allenH3605, die uit de gevangenisH7628 te JeruzalemH3389 gekomen waren; en zij steldenH5975 de LevietenH3881, van twintigH6242jarenH8141oudH1121 en daarboven, om opzichtH5329 te nemen overH5921 het werkH4399 van des HEERENH3068huisH1004.In het tweede jaar nu hunner aankomst ten huize Gods te Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en Jesua, de zoon van Jozadak, en de overige hunner broederen, de priesters en de Levieten, en allen, die uit de gevangenis te Jeruzalem gekomen waren; en zij stelden de Levieten, van twintig jaren oud en daarboven, om opzicht te nemen over het werk van des HEEREN huis.
KJVNow in the second2year1of their coming3unto the house5of God6at Jerusalem,7in the second9month,8began10Zerubbabel11the son12of Shealtiel,13and Jeshua14the son15of Jozadak,16and the remnant17of their brethren18the priests19and the Levites,20and all they that were come out22of the captivity23unto Jerusalem;24and appointed25the Levites,27from twenty29years30old28and upward,31to set forward32the work34of the house35of the LORD.
1וּבַשָּׁנָ֣הH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)2הַשֵּׁנִ֗יתH8145tweede, tweeden, andermaalagain, either (of them), (an-) other, second (time)3לְבוֹאָ֞םH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way4אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)5בֵּ֤יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)6הָֽאֱלֹהִים֙H430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty7לִיר֣וּשָׁלִַ֔םH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem8בַּחֹ֖דֶשׁH2320maand, maanden, nieuwe maanmonth(-ly), new moon9הַשֵּׁנִ֑יH8145tweede, tweeden, andermaalagain, either (of them), (an-) other, second (time)10הֵחֵ֡לּוּH2490ontheiligen, ontheiligd, begonbegin ([idiom] men began), defile, [idiom] break, defile, [idiom] eat (as common things), [idiom] first, [idiom] gather the grape thereof, [idiom] take inheritance, pipe, player on instruments, pollute, (cast as) profane (self), prostitute, slay (slain), sorrow, stain, wound11זְרֻבָּבֶ֣לH2216ZerubbabelZerubbabel12בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth13שְׁ֠אַלְתִּיאֵלH7597SealthielShalthiel, Shealtiel14וְיֵשׁ֨וּעַH3442Jesua, Jesua-joabJeshua15בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth16יֽוֹצָדָ֜קH3136JozadakJozadak17וּשְׁאָ֥רH7605overblijfsel, overige, overgebleven[idiom] other, remnant, residue, rest18אֲחֵיהֶ֣םH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'19הַכֹּהֲנִ֣יםH3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer20וְהַלְוִיִּ֗םH3881Levieten, Leviet, LevietischeLeviite21וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)22הַבָּאִים֙H935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way23מֵהַשְּׁבִ֣יH7628gevangenis, gevangenen, gevangenecaptive(-ity), prisoners, [idiom] take away, that was taken24יְרֽוּשָׁלִַ֔םH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem25וַיַּעֲמִ֣ידוּH5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry26אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)27הַלְוִיִּ֗םH3881Levieten, Leviet, LevietischeLeviite28מִבֶּ֨ןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth29עֶשְׂרִ֤יםH6242twintig, twintigste, twintigsten(six-) score, twenty(-ieth)30שָׁנָה֙H8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)31וָמַ֔עְלָהH4605opwaarts, hoogste, omhoogabove, exceeding(-ly), forward, on ([idiom] very) high, over, up(-on, -ward), very32לְנַצֵּ֖חַH5329opperzangmeester, opzieners, altoosdurendeexcel, chief musician (singer), oversee(-r), set forward33עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with34מְלֶ֥אכֶתH4399werk, werks, handwerkbusiness, [phrase] cattle, [phrase] industrious, occupation, ([phrase] -pied), [phrase] officer, thing (made), use, (manner of) work((-man), -manship)35בֵּיתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)36יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
9Toen stond Jesua, zijn zonen en zijn broederen, en Kadmiel met zijn zonen, kinderen van Juda, als een man, om opzicht te hebben over degenen, die het werk deden aan het huis Gods, met de zonen van Henadad, hun zonen en hun broederen, de Levieten.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9Toen stondH5975JesuaH3442, zijn zonenH1121 en zijn broederenH251, en KadmielH6934 met zijn zonenH1121, kinderenH1121 van JudaH3063, als eenH259 man, om opzichtH5329 te hebben overH5921 degenen, die het werkH4399dedenH6213 aan het huisH1004GodsH430, met de zonenH1121 van HenadadH2582, hun zonenH1121 en hun broederenH251, de LevietenH3881.Toen stond Jesua, zijn zonen en zijn broederen, en Kadmiel met zijn zonen, kinderen van Juda, als een man, om opzicht te hebben over degenen, die het werk deden aan het huis Gods, met de zonen van Henadad, hun zonen en hun broederen, de Levieten.
KJVThen stood1Jeshua2with his sons3and his brethren,4Kadmiel5and his sons,6the sons7of Judah,8together,9to set forward10the workmen12in the house14of God:15the sons16of Henadad,17with their sons18and their brethren19the Levites.
1וַיַּעֲמֹ֣דH5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry2יֵשׁ֡וּעַH3442Jesua, Jesua-joabJeshua3בָּנָ֣יוH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth4וְ֠אֶחָיוH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'5קַדְמִיאֵ֨לH6934KadmielKadmiel6וּבָנָ֤יוH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth7בְּנֵֽיH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth8יְהוּדָה֙H3063JudaJudah9כְּאֶחָ֔דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,10לְנַצֵּ֛חַH5329opperzangmeester, opzieners, altoosdurendeexcel, chief musician (singer), oversee(-r), set forward11עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with12עֹשֵׂ֥הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use13הַמְּלָאכָ֖הH4399werk, werks, handwerkbusiness, [phrase] cattle, [phrase] industrious, occupation, ([phrase] -pied), [phrase] officer, thing (made), use, (manner of) work((-man), -manship)14בְּבֵ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)15הָאֱלֹהִ֑יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty16בְּנֵי֙H1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth17חֵֽנָדָ֔דH2582HenadadHenadad18בְּנֵיהֶ֥םH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth19וַאֲחֵיהֶ֖םH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'20הַלְוִיִּֽםH3881Levieten, Leviet, LevietischeLeviite
10Als nu de bouwlieden den grond van des HEEREN tempel legden, zo stelden zij de priesteren, aangekleed zijnde, met trompetten, en de Levieten, Asafs zonen, met cimbalen, om den HEERE te loven, naar de instelling van David, den koning van Israel.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10Als nu de bouwliedenH1129 den grondH3245 van des HEERENH3068tempelH1964 legden, zo steldenH5975 zij de priesterenH3548, aangekleedH3847 zijnde, met trompettenH2689, en de LevietenH3881, AsafsH623zonenH1121, met cimbalenH4700, om den HEEREH3068 te lovenH1984, naar de instellingH3027 van DavidH1732, den koningH4428 van IsraelH3478.Als nu de bouwlieden den grond van des HEEREN tempel legden, zo stelden zij de priesteren, aangekleed zijnde, met trompetten, en de Levieten, Asafs zonen, met cimbalen, om den HEERE te loven, naar de instelling van David, den koning van Israel.
KJVAnd when the builders2laid the foundation1of the temple4of the LORD,5they set6the priests7in their apparel8with trumpets,9and the Levites10the sons11of Asaph12with cymbals,13to praise14the LORD,16after the ordinance18of David19king20of Israel.
1וְיִסְּד֥וּH3245gegrond, gegrondvest, grondappoint, take counsel, establish, (lay the, lay for a) found(-ation), instruct, lay, ordain, set, [idiom] sure2הַבֹּנִ֖יםH1129bouwen, gebouwd, bouwde(begin to) build(-er), obtain children, make, repair, set (up), [idiom] surely3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4הֵיכַ֣לH1964tempel, tempels, paleispalace, temple5יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)6וַיַּעֲמִידוּ֩H5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry7הַכֹּהֲנִ֨יםH3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer8מְלֻבָּשִׁ֜יםH3847bekleed, aantrekken, trok(in) apparel, arm, array (self), clothe (self), come upon, put (on, upon), wear9בַּחֲצֹֽצְר֗וֹתH2689trompetten, trompettrumpet(-er)10וְהַלְוִיִּ֤םH3881Levieten, Leviet, LevietischeLeviite11בְּנֵֽיH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth12אָסָף֙H623Asaf, AsafsAsaph13בַּֽמְצִלְתַּ֔יִםH4700cimbalencymbals14לְהַלֵּל֙H1984prijzen, Looft, Hallelujah(make) boast (self), celebrate, commend, (deal, make), fool(-ish, -ly), glory, give (light), be (make, feign self) mad (against), give in marriage, (sing, be worthy of) praise, rage, renowned, shine15אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)16יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)17עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with18יְדֵ֖יH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves19דָּוִ֥ידH1732David, DavidsDavid20מֶֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal21יִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
11En zij zongen bij beurten, met den HEERE te loven en te danken, dat Hij goedig is, dat Zijn weldadigheid tot in eeuwigheid is over Israel. En al het volk juichte met groot gejuich, als men den HEERE loofde over de grondlegging van het huis des HEEREN.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11En zij zongen bij beurten, met den HEEREH3068 te lovenH1984 en te dankenH3034, datH3588 Hij goedig is, datH3588 Zijn weldadigheidH2617 tot in eeuwigheidH5769 is overH5921IsraelH3478. En alH3605 het volkH5971juichteH7321 met grootH1419gejuichH8643, als men den HEEREH3068loofdeH1984overH5921 de grondleggingH3245 van het huisH1004 des HEERENH3068.En zij zongen bij beurten, met den HEERE te loven en te danken, dat Hij goedig is, dat Zijn weldadigheid tot in eeuwigheid is over Israel. En al het volk juichte met groot gejuich, als men den HEERE loofde over de grondlegging van het huis des HEEREN.
Ook in dit vers
goedH2896
zongen beurtenH6030
KJVAnd they sang together by course1in praising2and giving thanks3unto the LORD;4because he is good,6for his mercy9endureth for ever8toward Israel.11And all the people13shouted14with a great16shout,15when they praised17the LORD,18because the foundation20of the house21of the LORD22was laid.
1וַֽ֠יַּעֲנוּH6030antwoordde, antwoorden, antwoorddengive account, afflict (by mistake for H6031 (עָנָה)), (cause to, give) answer, bring low (by mistake for H6031 (עָנָה)), cry, hear, Leannoth, lift up, say, [idiom] scholar, (give a) shout, sing (together by course), speak, testify, utter, (bear) witness. See also H1042 (בֵּית עֲנוֹת), H1043 (בֵּית עֲנָת)2בְּהַלֵּ֨לH1984prijzen, Looft, Hallelujah(make) boast (self), celebrate, commend, (deal, make), fool(-ish, -ly), glory, give (light), be (make, feign self) mad (against), give in marriage, (sing, be worthy of) praise, rage, renowned, shine3וּבְהוֹדֹ֤תH3034loven, Looft, belijdencast (out), (make) confess(-ion), praise, shoot, (give) thank(-ful, -s, -sgiving)4לַֽיהוָה֙H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet6ט֔וֹבH2896goed, goede, beterbeautiful, best, better, bountiful, cheerful, at ease, [idiom] fair (word), (be in) favour, fine, glad, good (deed, -lier, -liest, -ly, -ness, -s), graciously, joyful, kindly, kindness, liketh (best), loving, merry, [idiom] most, pleasant, [phrase] pleaseth, pleasure, precious, prosperity, ready, sweet, wealth, welfare, (be) well(-favoured)7כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet8לְעוֹלָ֥םH5769eeuwigheid, eeuwige, eeuwigalway(-s), ancient (time), any more, continuance, eternal, (for, (n-)) ever(-lasting, -more, of old), lasting, long (time), (of) old (time), perpetual, at any time, (beginning of the) world ([phrase] without end). Compare H5331 (נֶצַח), H5703 (עַד)9חַסְדּ֖וֹH2617goedertierenheid, weldadigheid, goedertierenhedenfavour, good deed(-liness, -ness), kindly, (loving-) kindness, merciful (kindness), mercy, pity, reproach, wicked thing10עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with11יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael12וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)13הָעָ֡םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people14הֵרִיעוּ֩H7321juichen, juichte, Juichtblow an alarm, cry (alarm, aloud, out), destroy, make a joyful noise, smart, shout (for joy), sound an alarm, triumph15תְרוּעָ֨הH8643gejuich, geklanks, gebroken klankalarm, blow(-ing) (of, the) (trumpets), joy, jubile, loud noise, rejoicing, shout(-ing), (high, joyful) sound(-ing)16גְדוֹלָ֤הH1419grote, groot, groten[phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very17בְהַלֵּל֙H1984prijzen, Looft, Hallelujah(make) boast (self), celebrate, commend, (deal, make), fool(-ish, -ly), glory, give (light), be (make, feign self) mad (against), give in marriage, (sing, be worthy of) praise, rage, renowned, shine18לַֽיהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)19עַ֖לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with20הוּסַ֥דH3245gegrond, gegrondvest, grondappoint, take counsel, establish, (lay the, lay for a) found(-ation), instruct, lay, ordain, set, [idiom] sure21בֵּיתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)22יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
12Maar velen van de priesteren, en de Levieten, en hoofden der vaderen, die oud waren, die het eerste huis gezien hadden, dit huis in zijn grondlegging voor hun ogen zijnde, weenden met luider stem; maar velen verhieven de stem met gejuich en met vreugde.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12Maar velenH7227 van de priesterenH3548, en de LevietenH3881, en hoofdenH7218 der vaderenH1, die oudH2205 waren, die het eersteH7223huisH1004gezienH7200 hadden, ditH2088huisH1004 in zijn grondleggingH3245 voor hun ogenH5869 zijnde, weendenH1058 met luiderH1419stemH6963; maar velenH7227verhievenH7311 de stemH6963 met gejuichH8643 en met vreugdeH8057.Maar velen van de priesteren, en de Levieten, en hoofden der vaderen, die oud waren, die het eerste huis gezien hadden, dit huis in zijn grondlegging voor hun ogen zijnde, weenden met luider stem; maar velen verhieven de stem met gejuich en met vreugde.
KJVBut many1of the priests2and Levites3and chief4of the fathers,5who were ancient men,6that had seen8the first11house,10when the foundation12of this house14was laidbefore their eyes,15wept16with a loud18voice;17and many19shouted20aloud22for joy:
1וְרַבִּ֡יםH7227vele, veel, grote(in) abound(-undance, -ant, -antly), captain, elder, enough, exceedingly, full, great(-ly, man, one), increase, long (enough, (time)), (do, have) many(-ifold, things, a time), (ship-)master, mighty, more, (too, very) much, multiply(-tude), officer, often(-times), plenteous, populous, prince, process (of time), suffice(-lent)2מֵהַכֹּהֲנִ֣יםH3548priester, priesters, priesterenchief ruler, [idiom] own, priest, prince, principal officer3וְהַלְוִיִּם֩H3881Levieten, Leviet, LevietischeLeviite4וְרָאשֵׁ֨יH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top5הָאָב֜וֹתH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'6הַזְּקֵנִ֗יםH2205oudsten, ouden, oudeaged, ancient (man), elder(-est), old (man, men and...women), senator7אֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection8רָא֜וּH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions9אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10הַבַּ֤יִתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)11הָֽרִאשׁוֹן֙H7223eerste, vorige, eerstenancestor, (that were) before(-time), beginning, eldest, first, fore(-father) (-most), former (thing), of old time, past12בְּיָסְד֔וֹH3245gegrond, gegrondvest, grondappoint, take counsel, establish, (lay the, lay for a) found(-ation), instruct, lay, ordain, set, [idiom] sure13זֶ֤הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)14הַבַּ֨יִת֙H1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)15בְּעֵ֣ינֵיהֶ֔םH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)16בֹּכִ֖יםH1058weende, weenden, wenen[idiom] at all, bewail, complain, make lamentation, [idiom] more, mourn, [idiom] sore, [idiom] with tears, weep17בְּק֣וֹלH6963stem, geluid, geruis[phrase] aloud, bleating, crackling, cry ([phrase] out), fame, lightness, lowing, noise, [phrase] hold peace, (pro-) claim, proclamation, [phrase] sing, sound, [phrase] spark, thunder(-ing), voice, [phrase] yell18גָּד֑וֹלH1419grote, groot, groten[phrase] aloud, elder(-est), [phrase] exceeding(-ly), [phrase] far, (man of) great (man, matter, thing,-er,-ness), high, long, loud, mighty, more, much, noble, proud thing, [idiom] sore, ([idiom]) very19וְרַבִּ֛יםH7227vele, veel, grote(in) abound(-undance, -ant, -antly), captain, elder, enough, exceedingly, full, great(-ly, man, one), increase, long (enough, (time)), (do, have) many(-ifold, things, a time), (ship-)master, mighty, more, (too, very) much, multiply(-tude), officer, often(-times), plenteous, populous, prince, process (of time), suffice(-lent)20בִּתְרוּעָ֥הH8643gejuich, geklanks, gebroken klankalarm, blow(-ing) (of, the) (trumpets), joy, jubile, loud noise, rejoicing, shout(-ing), (high, joyful) sound(-ing)21בְשִׂמְחָ֖הH8057blijdschap, vreugde, vrolijkheid[idiom] exceeding(-ly), gladness, joy(-fulness), mirth, pleasure, rejoice(-ing)22לְהָרִ֥יםH7311verhoogd, verhogen, offerenbring up, exalt (self), extol, give, go up, haughty, heave (up), (be, lift up on, make on, set up on, too) high(-er, one), hold up, levy, lift(-er) up, (be) lofty, ([idiom] a-) loud, mount up, offer (up), [phrase] presumptuously, (be) promote(-ion), proud, set up, tall(-er), take (away, off, up), breed worms23קֽוֹלH6963stem, geluid, geruis[phrase] aloud, bleating, crackling, cry ([phrase] out), fame, lightness, lowing, noise, [phrase] hold peace, (pro-) claim, proclamation, [phrase] sing, sound, [phrase] spark, thunder(-ing), voice, [phrase] yell
13Zodat het volk niet onderkende de stem van het gejuich der vreugde, van de stem des geweens van het volk; want het volk juichte met groot gejuich, dat de stem tot van verre gehoord werd.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13Zodat het volkH5971nietH369onderkendeH5234 de stemH6963 van het gejuichH8643 der vreugdeH8057, van de stemH6963 des geweensH1065 van het volkH5971; wantH3588 het volkH5971juichteH7321 met grootH1419gejuichH8643, dat de stemH6963totH5704 van verreH7350gehoordH8085 werd.Zodat het volk niet onderkende de stem van het gejuich der vreugde, van de stem des geweens van het volk; want het volk juichte met groot gejuich, dat de stem tot van verre gehoord werd.
KJVSo that the people2could not discern3the noise4of the shout5of joy6from the noise7of the weeping8of the people:9for the people11shouted12with a loud14shout,13and the noise15was heard16afar off.
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Ezra 3:1— Toen nu de zevende maand aankwam, en de kinderen Israels in de steden waren, verzamelde zich het volk, als een enig man, te Jeruzalem.Leviticus 23:24→Exodus 23:14→Nehemia 8:14→Richteren 20:1→Handelingen 2:46→Leviticus 16:29→1 Korinthe 1:10→Nehemia 7:73→
Ezra 3:2— En Jesua, de zoon van Jozadak, maakte zich op, en zijn broederen, de priesters en Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en zijn broederen, en zij bouwden het altaar des Gods van Israel, om daarop brandofferen te offeren, gelijk geschreven is in de wet van Mozes, den man Gods.1 Kronieken 3:17→Lukas 3:27→Ezra 2:2→Hagai 1:1→Mattheüs 1:12→Hagai 1:14→Nehemia 12:1→Zacharia 6:11→
Ezra 3:3— En zij vestigden het altaar op zijn stelling, maar met verschrikking, die over hen was, vanwege de volken der landen; en zij offerden daarop brandofferen den HEERE, brandofferen des morgens en des avonds.Ezra 4:4→Numeri 28:2→Ezra 8:21→Psalmen 56:2→Exodus 29:38→Psalmen 27:1→Ezra 4:11→2 Kronieken 4:1→
Ezra 3:4— En zij hielden het feest der loofhutten, gelijk geschreven is; en zij offerden brandofferen dag bij dag in getal, naar het recht, van elk dagelijks op zijn dag.Exodus 23:16→Numeri 29:12→Nehemia 8:14→Zacharia 14:16→Johannes 7:2→Leviticus 23:34→Exodus 29:38→Jeremia 52:34→
Ezra 3:5— Daarna ook het gedurig brandoffer, en van de nieuwe maanden, en van alle gezette hoogtijden des HEEREN, die geheiligd waren; ook van een ieder, die een vrijwillige offerande den HEERE vrijwilliglijk offerde.Numeri 29:39→Numeri 28:14→Deuteronomium 12:17→Numeri 28:27→Deuteronomium 12:6→2 Kronieken 29:31→Numeri 29:2→Numeri 28:19→
Ezra 3:7— Zo gaven zij geld aan de houwers en werkmeesters, ook spijs en drank, en olie, aan de Sidoniers en aan de Tyriers, om cederenhout van den Libanon te brengen aan de zee naar Jafo, naar de vergunning van Kores, koning van Perzie, aan hen.Handelingen 12:20→Handelingen 9:36→1 Koningen 5:6→Ezechiël 27:17→2 Kronieken 2:10→2 Kronieken 24:12→Handelingen 10:5→Ezra 1:2→
Ezra 3:8— In het tweede jaar nu hunner aankomst ten huize Gods te Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en Jesua, de zoon van Jozadak, en de overige hunner broederen, de priesters en de Levieten, en allen, die uit de gevangenis te Jeruzalem gekomen waren; en zij stelden de Levieten, van twintig jaren oud en daarboven, om opzicht te nemen over het werk van des HEEREN huis.1 Kronieken 23:24→1 Kronieken 23:4→Ezra 4:3→Numeri 4:3→
Ezra 3:9— Toen stond Jesua, zijn zonen en zijn broederen, en Kadmiel met zijn zonen, kinderen van Juda, als een man, om opzicht te hebben over degenen, die het werk deden aan het huis Gods, met de zonen van Henadad, hun zonen en hun broederen, de Levieten.Ezra 2:40→Ezra 3:8→Nehemia 7:43→
Ezra 3:10— Als nu de bouwlieden den grond van des HEEREN tempel legden, zo stelden zij de priesteren, aangekleed zijnde, met trompetten, en de Levieten, Asafs zonen, met cimbalen, om den HEERE te loven, naar de instelling van David, den koning van Israel.Zacharia 4:10→1 Samuël 22:18→1 Kronieken 16:4→1 Kronieken 25:1→2 Kronieken 29:25→Nehemia 12:24→Exodus 28:40→1 Kronieken 6:31→
Ezra 3:11— En zij zongen bij beurten, met den HEERE te loven en te danken, dat Hij goedig is, dat Zijn weldadigheid tot in eeuwigheid is over Israel. En al het volk juichte met groot gejuich, als men den HEERE loofde over de grondlegging van het huis des HEEREN.1 Kronieken 16:34→2 Kronieken 7:3→Psalmen 107:1→Nehemia 12:24→Jeremia 33:11→Psalmen 106:1→1 Kronieken 16:41→Psalmen 103:17→
Ezra 3:12— Maar velen van de priesteren, en de Levieten, en hoofden der vaderen, die oud waren, die het eerste huis gezien hadden, dit huis in zijn grondlegging voor hun ogen zijnde, weenden met luider stem; maar velen verhieven de stem met gejuich en met vreugde.Hagai 2:3→Job 8:7→Psalmen 126:6→Jeremia 31:8→Zacharia 4:10→Jesaja 60:22→Mattheüs 13:31→Jesaja 41:14→
Ezra 3:13— Zodat het volk niet onderkende de stem van het gejuich der vreugde, van de stem des geweens van het volk; want het volk juichte met groot gejuich, dat de stem tot van verre gehoord werd.Jeremia 33:11→1 Koningen 1:45→Lukas 19:37→1 Samuël 4:5→1 Koningen 1:40→Zacharia 4:7→Psalmen 5:11→Richteren 2:5→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Ezra 3 vers 1— Toen nu de zevende maand aankwam, en de kinderen Israels in de steden waren, verzamelde zich het volk, als een enig man, te Jeruzalem.
zevende maand
Genoemd Thisri, passende eensdeels op onzen September, eensdeels op October. In deze maand werd het loofhuttenfeest gehouden; Lev. 23:24 ; Num. 29:12 .
Hertaald:zevende maand
Tisri genoemd, komt deels overeen met onze september, deels met oktober. In deze maand werd het loofhuttenfeest gehouden; Lev. 23:24; Num. 29:12.
aankwam,
Hebreeuws, aanraakte.
Hertaald:aankwam,
Hebreeuws: aanraakte.
als een enig man,
Zie Richt. 20:1 .
Hertaald:als een enig man,
Zie Richt. 20:1.
Ezra 3 vers 2— En Jesua, de zoon van Jozadak, maakte zich op, en zijn broederen, de priesters en Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en zijn broederen, en zij bouwden het altaar des Gods van Israel, om daarop brandofferen te offeren, gelijk geschreven is in de wet van Mozes, den man Gods.
Jesua,
Zie boven, Ezra 2:2 .
Hertaald:Jesua,
Zie hierboven Ezra 2:2.
broederen,
Dat is, verwanten, bloedvrienden, en zo in het volgende.
Hertaald:broederen,
Dat is: verwanten, bloedverwanten, en zo ook in het vervolg.
zoon van Sealthiël,
Dat is, kindskind; want hij was een zoon van Pedaja, die Sealthiëls zoon was; 1 Kron. 3:17-19 . Hij wordt Matt. 1:12
Hertaald:zoon van Sealthiël,
Dat is: kleinzoon; want hij was een zoon van Pedaja, die de zoon van Sealthiël was; 1 Kron. 3:17-19. Hij wordt in Matth. 1:12
man Gods
Zie Richt. 13:6 .
Hertaald:man Gods
Zie Richt. 13:6.
Ezra 3 vers 3— En zij vestigden het altaar op zijn stelling, maar met verschrikking, die over hen was, vanwege de volken der landen; en zij offerden daarop brandofferen den HEERE, brandofferen des morgens en des avonds.
maar met verschrikking,
Dat is, zij lieten den godsdienst niet na, hoewel bevreest zijnde, enz. Anders, want vrees was op hen van, enz.; dat is, zij zochten door de oefening van den waren godsdienst zich te verzekeren tegen hun vijanden.
Hertaald:maar met verschrikking,
Dat is: zij lieten de eredienst niet na, hoewel zij bang waren, enzovoort. Anders: want vrees was op hen vanwege, enzovoort; dat is: zij zochten door de uitoefening van de ware eredienst zich veilig te stellen tegen hun vijanden.
landen;
Versta, de omliggende omstreken, waarin hun vijanden woonden. Zie onder, Ezra 4:7-10 , enz.
Hertaald:landen;
Versta hieronder de omliggende gebieden, waarin hun vijanden woonden. Zie hieronder Ezra 4:7-10, enzovoort.
morgens
Zie Num. 28:3-4 , enz. met de aantekening.
Hertaald:morgens
Zie Num. 28:3-4, enzovoort, met de aantekening.
Ezra 3 vers 4— En zij hielden het feest der loofhutten, gelijk geschreven is; en zij offerden brandofferen dag bij dag in getal, naar het recht, van elk dagelijks op zijn dag.
recht,
Zie Num. 29:12 , enz.
Hertaald:recht,
Zie Num. 29:12, enzovoort.
elk
Hebreeuws, het woord, of, de zaak eens dags op zijn dag.
Hertaald:elk
Hebreeuws: het woord, of: de zaak van een dag op zijn dag.
Ezra 3 vers 5— Daarna ook het gedurig brandoffer, en van de nieuwe maanden, en van alle gezette hoogtijden des HEEREN, die geheiligd waren; ook van een ieder, die een vrijwillige offerande den HEERE vrijwilliglijk offerde.
gedurig
Zie Num. 28:6 .
Hertaald:gedurig
Zie Num. 28:6.
geheiligd waren;
Zie Lev. 8:10 .
Hertaald:geheiligd waren;
Zie Lev. 8:10.
Ezra 3 vers 7— Zo gaven zij geld aan de houwers en werkmeesters, ook spijs en drank, en olie, aan de Sidoniers en aan de Tyriers, om cederenhout van den Libanon te brengen aan de zee naar Jafo, naar de vergunning van Kores, koning van Perzie, aan hen.
houwers en werkmeesters,
Houthouwers en steenhouwers, die hout uit de bossen en stenen uit de rotsen zouden houwen. Het Hebreeuwse woord begrijpt beiden, en beiden waren tot het bouwen des tempels nodig.
Hertaald:houwers en werkmeesters,
Houthakkers en steenhouwers, die hout uit de bossen en stenen uit de rotsen zouden hakken. Het Hebreeuwse woord omvat beiden, en beiden waren nodig voor de bouw van de tempel.
spijs en drank,
Naar het exempel van Salomo; 1 Kon. 5:6 , 1 Kon. 5:9 , 1 Kon. 5:11 .
Hertaald:spijs en drank,
Naar het voorbeeld van Salomo; 1 Kon. 5:6, 1 Kon. 5:9, 1 Kon. 5:11.
Ezra 3 vers 8— In het tweede jaar nu hunner aankomst ten huize Gods te Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en Jesua, de zoon van Jozadak, en de overige hunner broederen, de priesters en de Levieten, en allen, die uit de gevangenis te Jeruzalem gekomen waren; en zij stelden de Levieten, van twintig jaren oud en daarboven, om opzicht te nemen over het werk van des HEEREN huis.
tweede maand,
Genoemd Jiar, passende eensdeels op April, anderdeels op Mei.
Hertaald:tweede maand,
Ziv genoemd, komt deels overeen met april, deels met mei.
van twintig jaren
Hebreeuws, een zoon van twintig jaar.
Hertaald:van twintig jaren
Hebreeuws: een zoon van twintig jaar.
Ezra 3 vers 9— Toen stond Jesua, zijn zonen en zijn broederen, en Kadmiel met zijn zonen, kinderen van Juda, als een man, om opzicht te hebben over degenen, die het werk deden aan het huis Gods, met de zonen van Henadad, hun zonen en hun broederen, de Levieten.
Juda,
Boven, Ezra 2:40 genoemd Hodavja, en Neh. 7:43
Hertaald:Juda,
Hierboven, in Ezra 2:40, Hodavja genoemd, en Neh. 7:43
Ezra 3 vers 10— Als nu de bouwlieden den grond van des HEEREN tempel legden, zo stelden zij de priesteren, aangekleed zijnde, met trompetten, en de Levieten, Asafs zonen, met cimbalen, om den HEERE te loven, naar de instelling van David, den koning van Israel.
aangekleed zijnde,
Te weten, met de priesterlijke klederen.
Hertaald:aangekleed zijnde,
Namelijk: gekleed in de priesterlijke gewaden.
instelling van David,
Hebreeuws, naar de handen; dat is [gelijk sommigen verstaan], met psalmen, die David gemaakt en daartoe verordineerd had. Zie 2 Kron. 5:13 , en 2 Kron. 29:27 , en vergelijk 1 Kron. 16:7 , enz.
Hertaald:instelling van David,
Hebreeuws: naar de handen; dat is [zoals sommigen het opvatten]: met psalmen die David gemaakt en daarvoor bestemd had. Zie 2 Kron. 5:13, en 2 Kron. 29:27, en vergelijk 1 Kron. 16:7, enzovoort.
Ezra 3 vers 12— Maar velen van de priesteren, en de Levieten, en hoofden der vaderen, die oud waren, die het eerste huis gezien hadden, dit huis in zijn grondlegging voor hun ogen zijnde, weenden met luider stem; maar velen verhieven de stem met gejuich en met vreugde.
huis in zijn grondlegging
Sommigen aldus: die het eerste huis op zijn grondvesting gezien hadden, dit huis [nu] voor hun ogen zijnde, enz. De zin is dat zij, de grondlegging van dezen tempel met hun ogen nu aanschouwende en die met den grond van den eersten tempel vergelijkende, daaruit lichtelijk konden afnemen hoeveel het gebouw van het voorgaande zou verschillen. Zie Hag. 2:3 .
Hertaald:huis in zijn grondlegging
Sommigen zo: die het eerste huis op zijn fundering gezien hadden, terwijl dit huis [nu] voor hun ogen was, enzovoort. De betekenis is dat zij, terwijl zij nu de fundering van deze tempel met eigen ogen aanschouwden en die met de fundering van de eerste tempel vergeleken, daaruit gemakkelijk konden opmaken hoezeer het gebouw van het vorige zou verschillen. Zie Hagg. 2:3.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Zerubbabel — gezaaid in Babel
Zoon van Sealthiël, van het koninklijk geslacht van David; een van de leiders van de eerste terugkeer uit de Babylonische ballingschap. Samen met de hogepriester Jesua herbouwde hij het altaar en legde hij, ondanks tegenwerking, het fundament van de tempel (Ezra 2:2; 3:2, 8; 4:2-3; 5:2).
Jesua (de hogepriester) — de HEERE is heil
Zoon van Jozadak, hogepriester van de eerste terugkeer uit de ballingschap. Samen met Zerubbabel bouwde hij het altaar, hield het loofhuttenfeest en legde het fundament van de tempel, ondanks tegenstand van de volken des lands (Ezra 2:2; 3:2, 8-9; 5:2).
Kadmiël — voor het aangezicht van God
Een Leviet, die met zijn zonen en die van Jesua toezicht hield op het werk aan het huis Gods (Ezra 3:9).
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Zij bouwden het altaar, met verschrikking over hen — nog voordat er een steen voor de tempel ligt, staat het altaar er weer: "En zij vestigden het altaar op zijn stelling, maar met verschrikking, die over hen was, vanwege de volken der landen; en zij offerden daarop brandofferen den HEERE" (Ezra 3:3)
In de zevende maand verzamelt het volk zich als één man te Jeruzalem (Ezra 3:1). Jesua met de priesters en Zerubbabel met zijn broeders bouwen het altaar van de God Israëls, om daarop brandoffers te offeren zoals geschreven is in de wet van Mozes (Ezra 3:2). Zij zetten het op zijn oude plaats, en zij doen dat terwijl de vrees voor de omringende volken op hen ligt (Ezra 3:3). Daarop offeren zij de brandoffers van morgen en avond, houden het loofhuttenfeest zoals het voorgeschreven is, en herstellen het gedurige brandoffer met de offers van de nieuwe maanden en de gezette hoogtijden (Ezra 3:4-5). Van de eerste dag van de zevende maand af werd er weer geofferd, en de tekst voegt er nadrukkelijk aan toe: de grond van de tempel was nog niet gelegd (Ezra 3:6). Pas daarna wordt geld gegeven aan houwers en werkmeesters en komt er cederhout uit de Libanon (Ezra 3:7).
Bijbelse betekenis: De volgorde is het hart van dit gedeelte. Er is nog geen tempel, geen muur en geen zekerheid, maar er is wel weer een altaar. Zij beginnen dus niet bij de bescherming maar bij de verzoening, en niet bij wat zichtbaar indruk maakt maar bij wat God bevolen had. Wie op een puinhoop staat, moet het eerst weten waar hij met zijn schuld heen kan. Het tweede is even opmerkelijk: zij doen het met verschrikking over zich. De Schrift verzwijgt hun angst niet en beweert ook niet dat het geloof haar wegnam; zij offerden terwijl zij bang waren. Gehoorzaamheid hoeft niet te wachten tot de vrees geweken is. En de plaats waar het altaar komt te staan is de oude plaats, want een nieuw begin betekent hier terugkeren naar wat vaststond.
Typologie: Wat zij deden is precies wat de Heere Jezus later in één zin samenvatte: "Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden" (Matt. 6:33). Het altaar wees bovendien naar het offer dat eenmaal gebracht zou worden; wie daarmee begint, begint bij de enige plaats waar een schuldige gemeente staan kan.
Ezra 3:1-7; Matt. 6:33
De stem van het gejuich en de stem van het geween — bij de grondlegging van de tweede tempel klinken vreugde en verdriet zo dooreen dat men ze niet uit elkaar kan houden: "Zodat het volk niet onderkende de stem van het gejuich der vreugde, van de stem des geweens van het volk" (Ezra 3:13)
In het tweede jaar na de aankomst begint het werk aan het huis Gods (Ezra 3:8). De Levieten van twintig jaar en ouder krijgen het opzicht, en Jesua en Kadmiel staan met hun zonen als één man over de werklieden (Ezra 3:8-9). Als de bouwlieden de grond van de tempel leggen, worden de priesters in hun ambtsgewaad opgesteld met trompetten en de Levieten uit Asafs zonen met cimbalen, om de HEERE te loven naar de instelling van David (Ezra 3:10). Zij zingen bij beurten met loven en danken dat Hij goed is en dat Zijn weldadigheid tot in eeuwigheid is over Israël, en het volk juicht met groot gejuich (Ezra 3:11). Maar velen van de oude priesters, Levieten en familiehoofden, die het eerste huis nog gezien hadden, weenden met luider stem toen zij deze grondlegging voor hun ogen zagen, terwijl anderen juist juichten van vreugde (Ezra 3:12). Het geluid was zo vermengd dat men de beide stemmen niet meer kon onderscheiden, en het werd tot ver in de omtrek gehoord (Ezra 3:13).
Bijbelse betekenis: Twee geslachten staan hier op één plaats. De jongeren zien een begin en juichen; de ouden zien het verschil met wat er geweest is en wenen. Beide hebben gelijk, en de Schrift kiest tussen hen geen partij. Dat is een eerlijk bericht voor iedere tijd waarin de kerk klein geworden is: dankbaarheid voor wat er nog is en droefheid over wat verloren ging kunnen naast elkaar bestaan, en soms in dezelfde mens. Wel is er een gevaar aan beide kanten. Wie alleen terugkijkt, veracht het werk dat God nu doet; wie alleen juicht, verliest de maatstaf uit het oog van wat het behoorde te zijn. Het lied dat zij zongen is bovendien hetzelfde als bij de eerste tempelinwijding: dat Hij goed is en Zijn weldadigheid eeuwig duurt. Het huis was minder, maar de God van het huis was Dezelfde.
Typologie: Zacharia sprak juist in deze jaren tot dit volk en dit bouwwerk: "wie veracht den dag der kleine dingen?" (Zach. 4:10). En de psalm belooft dat de tranen bij dit soort werk niet het laatste woord hebben: "Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien" (Ps. 126:5).
Christus in dit hoofdstukHeenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
God bij Zijn volkniveau 3Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
Wenen en juichen tegelijk — 3:10-13
Zeventig jaar ballingschap zijn voorbij. Een handjevol teruggekeerden legt de fundering van een nieuwe tempel, op de plek waar het oude huis in puin lag. De ouderen onder hen hebben dat oude huis nog gezien.
Bij de grondlegging klinkt gejuich en geween door elkaar, zodat niemand het onderscheid meer hoorde.
De jongeren juichen, en terecht: er wordt weer gebouwd. Maar de oude priesters en hoofden der vaderen, die het eerste huis gezien hadden, wenen met luider stem. De kanttekening legt uit waarom: zij vergeleken de fundering van deze tempel met die van de eerste, en zagen hoeveel geringer het worden zou.
Er staat dan dat het volk het geluid van het vreugdegejuich niet kon onderscheiden van het geluid van het geween des volks, want het geschal was zo groot dat men het van verre hoorde.
Dat is een eerlijk beeld van deze hele periode. Er is werkelijk herstel, en het is werkelijk minder dan het was. Geen ark, geen vuur uit de hemel, geen wolk die het huis vervult. De tempel staat er straks, maar het heilige der heiligen is leeg.
Juist in die jaren spreekt God door Haggaï over deze tweede tempel, en Hij doet dat op een verrassende manier. Hij vraagt eerst (Haggaï 2:3): wie is onder ulieden overgebleven die dit huis in zijn eerste heerlijkheid gezien heeft, en hoedanig ziet gij hetzelve nu? Dan zegt Hij dat het zilver en het goud van Hem zijn — Hij had het gemakkelijk rijker kunnen maken als Hij dat gewild had, merkt de kanttekening op. Maar Hij belooft iets anders (Haggaï 2:9): de heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden dan van het eerste.
Dat woord bleef eeuwen onbegrijpelijk, tot er op een dag een Kind in dat gebouw gedragen werd en een oude man Hem in de armen nam.
Ezra 3:12 — De ouderen wenen: dit huis haalt niet bij het eerste.
Ezra 3:13 — Gejuich en geween zijn niet meer van elkaar te onderscheiden.
Haggaï 2:3 — Wie is er nog die dit huis in zijn eerste heerlijkheid gezien heeft?
Haggaï 2:9 — De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden dan van het eerste.
Lukas 2:27-32 — In dat huis neemt Simeon het Kind in zijn armen: een Licht voor de heidenen.
In het Nieuwe Testament: Lukas 2:27-32; Maleachi 3:1; Johannes 2:16
Hoever dit reikt: Niveau 3. Haggaï spreekt over de heerlijkheid van dit tweede huis; dat die vervuld wordt in de komst van Christus in de tempel is de gangbare lezing, maar Haggaï noemt Hem daar niet met name.
Wat betekenen de niveaus?
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.
III. Vs. 1-13.Kruisverwijzingen1 Kronieken 3:17→Lukas 3:27→Ezra 2:2→Hagai 1:1→Exodus 23:16→Numeri 29:12→Ezra 2:40→Leviticus 23:24→ — Toen nu de zevende maand aankwam, en de kinderen Israels in de steden waren, verzamelde zich het volk, als een enig man, te Jeruzalem. En Jesua, de zoon van Jozadak, maakte zich op, en zijn broederen, de priesters en Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en zijn broederen, en zij bouwden het altaar des Gods van Israel, om daarop brandofferen te offeren, gelijk geschreven is in de wet van Mozes, den man Gods. En zij vestigden het altaar op zijn stelling, maar met verschrikking, die over hen was, vanwege de volken der landen; en zij offerden daarop brandofferen den HEERE, brandofferen des morgens en des avonds. En zij hielden het feest der loofhutten, gelijk geschreven is; en zij offerden brandofferen dag bij dag in getal, naar het recht, van elk dagelijks op zijn dag. Daarna ook het gedurig brandoffer, en van de nieuwe maanden, en van alle gezette hoogtijden des HEEREN, die geheiligd waren; ook van een ieder, die een vrijwillige offerande den HEERE vrijwilliglijk offerde. Van den eersten dag af der zevende maand begonnen zij den HEERE brandofferen te offeren; doch de grond van den tempel des HEEREN was niet gelegd. Zo gaven zij geld aan de houwers en werkmeesters, ook spijs en drank, en olie, aan de Sidoniers en aan de Tyriers, om cederenhout van den Libanon te brengen aan de zee naar Jafo, naar de vergunning van Kores, koning van Perzie, aan hen. In het tweede jaar nu hunner aankomst ten huize Gods te Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en Jesua, de zoon van Jozadak, en de overige hunner broederen, de priesters en de Levieten, en allen, die uit de gevangenis te Jeruzalem gekomen waren; en zij stelden de Levieten, van twintig jaren oud en daarboven, om opzicht te nemen over het werk van des HEEREN huis. Toen stond Jesua, zijn zonen en zijn broederen, en Kadmiel met zijn zonen, kinderen van Juda, als een man, om opzicht te hebben over degenen, die het werk deden aan het huis Gods, met de zonen van Henadad, hun zonen en hun broederen, de Levieten. Als nu de bouwlieden den grond van des HEEREN tempel legden, zo stelden zij de priesteren, aangekleed zijnde, met trompetten, en de Levieten, Asafs zonen, met cimbalen, om den HEERE te loven, naar de instelling van David, den koning van Israel. Nadat de nieuwe gemeente in de eerste zes maanden na hare aankomst, zich naar omstandigheden vrij goed had gevestigd, komt zij op den eersten dag van de maand Tisri in Jeruzalem bijeen, en zet het brandoffer-altaar weer op de vroegere plaats. De dagelijkse morgen- en avond-godsdienst begint weer, en op den bepaalden tijd wordt weer het Loofhuttenfeest gevierd. Nadat het feest is geëindigd, maken de oudsten der gemeente toebereidselen tot den bouw des tempels, bestellen de daartoe vereist wordende werklieden, en verzamelen stenen en hout van den Libanon, waartoe zij met die van Tyrus en Sidon in onderhandeling treden. In de eerste maand van het tweede jaar na de aankomst in het heilige land, is men reeds zoverre gevorderd, dat de grondsteen van den nieuwen tempel kan gelegd worden. Daarbij staan priesters en Levieten met trommelen en cimbalen en snarenspel, en zingen bij beurte om den Heere te danken en te loven, omdat Hij goedertieren is, en Zijne barmhartigheid eeuwig duurt over Israël, en al het volk stemt mede in. Velen echter van de oudsten des volks, die den ouden Tempel nog gezien hadden, wenen luid, bij het zien van den geringen aanvang van dezen nieuwen Tempel.
KruisverwijzingenLeviticus 23:24→Exodus 23:14→Nehemia 8:14→Richteren 20:1→Handelingen 2:46→Leviticus 16:29→1 Korinthe 1:10→Nehemia 7:73→— Toen nu de zevende maand aankwam, en de kinderen Israels in de steden waren, verzamelde zich het volk, als een enig man, te Jeruzalem.
Toen nu de zevende maand aankwam, de maand Tisri, bijna met onze maand Oktober overeenkomende (Exodus 12: 2 ), van het jaar 535 v. Chr., want de uittocht uit Perzië was aangevangen in de eerste maand Nisan van hetzelfde jaar, en toen de kinderen Israël’s in de steden waren, terwijl aan de teruggekeerden gedurende de eerste zes maanden Nisan, Ijar, Sivan, Tammuz, Ab en Elul hun verschillende woonplaatsen waren ten deel gevallen, verzamelde zich het volk, als een enig man 1), te Jeruzalem, bij de Waterpoort, aan de oostzijde van de plaats, waar vroeger de tempel had gestaan (Nehemia 8: 1 vv.), om toebereidselen te maken voor het Loofhuttenfeest, dat in deze maand moest gevierd worden.
Als een enig man, wil niet zeggen, dat allen opkwamen. Er zullen velen, wegens omstandigheden, die hen verhinderden, zijn thuis gebleven, maar als één van hart en zin, zodat zij eensgezind kwamen, om bij de inwijding van het altaar te zijn. De reden van deze eensgezindheid wordt nader aangegeven in vs. 3.
Kruisverwijzingen1 Kronieken 3:17→Lukas 3:27→Ezra 2:2→Hagai 1:1→Mattheüs 1:12→Hagai 1:14→Nehemia 12:1→Zacharia 6:11→— En Jesua, de zoon van Jozadak, maakte zich op, en zijn broederen, de priesters en Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en zijn broederen, en zij bouwden het altaar des Gods van Israel, om daarop brandofferen te offeren, gelijk geschreven is in de wet van Mozes, den man Gods.
En Jesua, de in Hoofdstuk 2: 2 genoemde hogepriester, de zoon van Jozadak, maakte zich op, en zijne broederen, de gewone priesters, en de aldaar reeds genoemde stamvorst van Juda Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en zijne broederen, de tien overige aanvoerders der gemeente (Hoofdstuk 2: 2),en zij bouwden het altaar des Gods van Israël, om daarop brandoffers te offeren en terstond het dagelijkse Morgen- en Avondoffer weer in te stellen, gelijk a) geschreven is in de wet van Mozes, den man Gods.
KruisverwijzingenEzra 4:4→Numeri 28:2→Ezra 8:21→Psalmen 56:2→Exodus 29:38→Psalmen 27:1→Ezra 4:11→2 Kronieken 4:1→— En zij vestigden het altaar op zijn stelling, maar met verschrikking, die over hen was, vanwege de volken der landen; en zij offerden daarop brandofferen den HEERE, brandofferen des morgens en des avonds.
En zij vestigden het altaar op zijne stelling, bouwden dit nieuwe altaar op het fondament van het oude, dat door Nebukadnezar verwoest was (2 (Koningen 25: 9), maar met verschrikking, die over hen was 1), van wege de volken der landen 1), omdat zij de naburige volken vreesden, die wel eens de nieuwe vestiging van hun godsdienstige en burgerlijke inrichtingen konden tegenwerken; daarom zochten zij zich terstond te verzekeren van de bescherming van hunnen God, door zo spoedig mogelijk den dagelijksen godsdienst weer in te voeren; en zij offerden daarop nog op dezelfden dag (vs. 6), brandoffers den HEERE, brandoffers des morgens a) en des avonds.
Numeri 28: 3.
Of, want verschrikking was over hen. Zij vreesden voor de inwonende volken en zochten daarom in het onderhouden van ‘s Heren geboden bij den Heere beschutting en bescherming, of zoals Michaëlis het uitdrukt: “de vrees voor gevaar dreef hen aan, om tot de heiligheid Gods de toevlucht te nemen.”
KruisverwijzingenExodus 23:16→Numeri 29:12→Nehemia 8:14→Zacharia 14:16→Johannes 7:2→Leviticus 23:34→Exodus 29:38→Jeremia 52:34→— En zij hielden het feest der loofhutten, gelijk geschreven is; en zij offerden brandofferen dag bij dag in getal, naar het recht, van elk dagelijks op zijn dag.
En zij hielden toen, gedurende de dagen van den 15den tot den 21sten der maand Tisri, het feest der Loofhutten, gelijk geschreven is in Leviticus 23: 33 vv.: en zij offerden brandoffers dag bij dag in of naar het getal, naar het recht a) overeenkomstig de voorschriften, van elk dagelijks op zijnen dag, op den 15den van Tisri 13 varren enz.; op den 16den Tisri 12 varren enz., op den 21sten Tisri 7 varren enz., waarbij nog het offer op den 22sten Tisri kan gevoegd worden, als de laatste plechtige viering van het jaarlijkse feest.
Leviticus 23: 34. Numeri 39: 12-34.
KruisverwijzingenNumeri 29:39→Numeri 28:14→Deuteronomium 12:17→Numeri 28:27→Deuteronomium 12:6→2 Kronieken 29:31→Numeri 29:2→Numeri 28:19→— Daarna ook het gedurig brandoffer, en van de nieuwe maanden, en van alle gezette hoogtijden des HEEREN, die geheiligd waren; ook van een ieder, die een vrijwillige offerande den HEERE vrijwilliglijk offerde.
Daarna, toen het Loofhuttenfeest geëindigd was, hielden zij weer den gewonen geregelden godsdienst, in offeranden bestaande; ook offerden zij het gedurig brandoffer, waarvan reeds in vs. 3 gesproken is, en de brandoffers der a) nieuwe maanden (Numeri 28: 8 vv.); het Pascha (Numeri 28: 16 vv.); het Pinksterfeest (Numeri 28: 26 vv.); het feest des geklanks (Numeri 29: 1 vv.), en de Verzoendag (Numeri 28: 7 vv.), ook van een ieder, die ene vrijwillige offerande den HEERE vrijwilliglijk offerde 1).
Nehemia 10: 33. Leviticus 23: 17.
De Wet vereiste veel, maar zij brachten nog meer. Want schoon zij weinig rijkdoms bezaten, om de kosten hunner offeranden te dragen, zij waren nochtans vol ijvers en zullen het waarschijnlijk uit hun monden gespaard hebben, om des te meer op Gods altaar te brengen. Gelukkig de zodanige, die uit den oven der verdrukking, zulk een heilige hitte als deze met zich brengen.
— Van den eersten dag af der zevende maand begonnen zij den HEERE brandofferen te offeren; doch de grond van den tempel des HEEREN was niet gelegd.
Van den eersten dag af der zevende maand op welken de vergadering (vs. 1) plaats had, en waarop het feest des geklanks gevierd was (Leviticus 23: 23 vv.), begonnen zij den HEERE brandoffers te offeren, omdat op dezen dag het altaar daarvoor in haast was gereed gemaakt (vs. 2 vv.), doch de grond van den tempel des HEREN was niet gelegd, om welke reden ook de godsdienstplechtigheden altijd nog zeer gebrekkig gevierd werden, zodat zelfs de Grote Verzoendag (Leviticus 16: 1 vv. 23: 26 vv. Numeri 28: 7 vv.), in het geheel nog niet kon gehouden worden. Bij gelegenheid van de eerste offerande op het weer herstelde brandofferaltaar schijnt Psalm 107 te zijn gezongen, die geheel daarop toepasselijk is, zodat daarin duidelijk de eerste vreugde en verrukking der terugkerenden in het oog valt. De gemeente des Heren viert daarin, zoals Hengstenberg zo treffend opmerkt, haar genezingsfeest. Maar deze zelfde gemeente, die zich nog geenszins als geheel hersteld kon beschouwen, die nog zwak was uitwendig, het land slechts ten dele bezittende, en nog zonder tempel, had daarom zo nodig vertroost en opgebeurd te worden. Een voor ons onbekende heilige dichter, misschien dezelfde, die Psalm 107 gemaakt heeft, heeft tot dit doel, uit twee gedeelten van andere, door David vervaardigde Psalmen namelijk van Psalm 57: 8-12 en Psalm 60: 7-14 een nieuwen Psalm samengesteld, en wel Psalm 108. Daarin wordt aan de ene zijde God gedankt voor de genade en de ontfermende liefde, die Hij door het weder brengen uit Babel heeft bewezen, en aan de andere zijde Hem tevens herinnerd aan de vervulling van de gedane beloften, aan Israël toegezegd, dat het land waarin zij nu teruggekomen waren, hun tot ene eeuwige bezitting zou zijn, en dat zij over alle vijanden, die zij bij de naburige volken hadden, gewis zouden zegevieren.
KruisverwijzingenHandelingen 12:20→Handelingen 9:36→1 Koningen 5:6→Ezechiël 27:17→2 Kronieken 2:10→2 Kronieken 24:12→Handelingen 10:5→Ezra 1:2→— Zo gaven zij geld aan de houwers en werkmeesters, ook spijs en drank, en olie, aan de Sidoniers en aan de Tyriers, om cederenhout van den Libanon te brengen aan de zee naar Jafo, naar de vergunning van Kores, koning van Perzie, aan hen.
Zo gaven zij, de oudsten der gemeente, terwijl zij terstond na het eindigen van den tijd van het Loofhuttenfeest (vs. 4), toebereidselen tot den tempelbouw maakten, evenals Salomo voor het bouwen van den eersten Tempel had gedaan (1 Koningen 5), geld aan de houwers en werkmeesters, en aan al degenen, die het werk moesten verrichtten, ook spijs, en drank, en olie aan de Zidoniërs en aan de Tyriërs (1 Koningen 5: 6 ), om stenen over land en cederenhout van den Libanon te brengen, aan (over) de zee naar Jaffo of Joppe (1 Koningen 5: 9 ), naar de vergunning van Kores, koning van Perzië, aan hen, omdat zij na van Cyrus het verlof hadden gekregen om te bouwen, waardoor zij gemachtigd waren om verdragen te sluiten met de Feniciërs, welke onder de opperheerschappij van Perzië stonden.
Kruisverwijzingen1 Kronieken 23:24→1 Kronieken 23:4→Ezra 4:3→Numeri 4:3→— In het tweede jaar nu hunner aankomst ten huize Gods te Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en Jesua, de zoon van Jozadak, en de overige hunner broederen, de priesters en de Levieten, en allen, die uit de gevangenis te Jeruzalem gekomen waren; en zij stelden de Levieten, van twintig jaren oud en daarboven, om opzicht te nemen over het werk van des HEEREN huis.
In het tweede jaar nu hunner aankomst, ten huize Gods te Jeruzalem, nadat zij teruggekeerd waren naar de stad des groten Konings, de stad van den verwoesten, maar nu weer opgebouwd wordenden tempel, in het jaar 534 v. Chr., in de tweede maand, d.i. Ijar of Bloeimaand, overeenkomende met onze maand Mei (Exodus 12: 2 ), begonnen 1) Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, de zoon van Jozadak, en de overige hunner broederen (Hoofdstuk 2: 2), of medebestuurders, het werk van den tempelbouw, ook de priesters en de Levieten, en allen, die volgens de telling in Hoofdstuk 2: 3 vv., uit de gevangenissen het vreemde land nu te Jeruzalem gekomen waren, en zij stelden te dien einde de Levieten, van twintig jaren oud en daarboven (1 (Kronieken 23: 24), om opzicht te nemen over het werk van des HEREN huis, opdat alles geregeld zou kunnen geschieden (1 Kronieken 23: 4).
Begonnen…en stelden, d.i. begonnen aan te stellen. Hiermede wordt het begin van den tempelbouw vermeld. Nadat de voorbereidingen, in het vorige vers vermeld, getroffen waren, begonnen zij met de Levieten van twintig jaren en daarboven aan te stellen, om met den tempelbouw te beginnen en het opzicht daarover waar te nemen.
KruisverwijzingenEzra 2:40→Ezra 3:8→Nehemia 7:43→— Toen stond Jesua, zijn zonen en zijn broederen, en Kadmiel met zijn zonen, kinderen van Juda, als een man, om opzicht te hebben over degenen, die het werk deden aan het huis Gods, met de zonen van Henadad, hun zonen en hun broederen, de Levieten.
Toen stond of) stonden Jesua, niet de hogepriester van dien naam, maar de voornaamste van ene klasse der Levieten (Hoofdstuk 2: 26), zijne zonen en zijne broederen, en Kadmiël, de voornaamste van ene andere klasse, met zijne zonen1), de Levieten, die tot zijne klasse behoorden, kinderen van Juda, in Hoofdstuk 2: 40 de kinderen van Hodavja genoemd, als één man, allen zonder uitzondering, om opzicht te hebben over degenen, die het werk deden aan het huis Gods, en bovendien nog met de priesters, die tot ene derde klasse behoorden, de zonen van Henadad 2), (Nehemia 10: 9), hun zonen en hun broederen, met al degenen, die zich tot hun geslacht rekenden, de Levieten, aan wie dus de leiding van den tempelbouw was toevertrouwd.
Drie klassen worden hier genoemd, waarvan twee in Hoofdstuk 2: 40 reeds vermeld zijn. Dewijl aldaar, na de kinderen van Kadmiël, gesproken wordt van de kinderen van Hodavja, zo is het waarschijnlijk, dat ook hier in plaats van Juda moet gelezen worden Hodavja, dewijl de Levieten niet, zoals bekend is, uit het geslacht van Juda, maar uit dat van Levi waren.
Het valt in het oog, dat de zonen van Henadad, de derde klasse, eerst vermeld worden aan het slot van dit vers en niet onmiddellijk na de eerste twee geslachten, die van Jesua en Kadmiël. De reden schuilt ongetwijfeld hierin, dat, kon van de eerste twee gezegd worden, dat zij als een enig man zich verbonden, om het opzicht te hebben, dit niet van de derde klasse kon worden gezegd.
KruisverwijzingenZacharia 4:10→1 Samuël 22:18→1 Kronieken 16:4→1 Kronieken 25:1→2 Kronieken 29:25→Nehemia 12:24→Exodus 28:40→1 Kronieken 6:31→— Als nu de bouwlieden den grond van des HEEREN tempel legden, zo stelden zij de priesteren, aangekleed zijnde, met trompetten, en de Levieten, Asafs zonen, met cimbalen, om den HEERE te loven, naar de instelling van David, den koning van Israel.
Als nu de bouwlieden den grond van des HEREN tempel leiden, het eigenlijke tempelgebouw (1 Koningen 6: 2 vv.); zo stelden zij, Jesua en Zerubbabel, de priesters, daarbij aangekleed zijnde met hun ambtsklederen zoals hun in de wet van Mozes was voorgeschreven, (Exodus 28), met trompetten, naar het model van het voorschrift in Numeri 10: 1 vv., en daarenboven de Levieten, Asafs zonen (Hoofdstuk 2: 41), met cimbalen, om den HEERE te loven, naar de instelling, volgens anderen naar de ordening van David, den koning van Israël (2 Kronieken 23: 18).
Kruisverwijzingen1 Kronieken 16:34→2 Kronieken 7:3→Psalmen 107:1→Nehemia 12:24→Jeremia 33:11→Psalmen 106:1→1 Kronieken 16:41→Psalmen 103:17→— En zij zongen bij beurten, met den HEERE te loven en te danken, dat Hij goedig is, dat Zijn weldadigheid tot in eeuwigheid is over Israel. En al het volk juichte met groot gejuich, als men den HEERE loofde over de grondlegging van het huis des HEEREN.
En zij zongen bij beurten, in twee elkaar afwisselende koren, met den HEERE te loven en te danken, dat Hij goedig is, dat Zijne weldadigheid tot in eeuwigheid is over Israël 1). En al het volk, dat bij het feest tegenwoordig was, juichte met groot gejuich, als men den HEERE loofde over de grondlegging van het huis des HEREN 2).
De uitleggers verwijzen hier gewoonlijk naar Psalm 136 als den Psalm, die bij deze gelegenheid werd gezongen, en zonder twijfel was deze Psalm, met zijn 26 maal herhaald refrein: “want Zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid,” zeer gepast. Hoe schoon is de vergelijking van Dachsel (niet te verwarren met Dächsel (G.)), die dit refrein vergelijkt bij de blaadjes van ene bloem, die wel aan elkaar gelijk zijn: maar door hun talrijkheid juist meer geur en aangenaamheid doen genieten. Al het volk nam immers aan dat lofgezang deel. Wij zouden hier echter liever op Psalm 115 wijzen, zo geheel overeenstemmende met de omstandigheden van het uit de ballingschap teruggekeerde volk, bedreigd (vs. 2) door hun heidense tegenstanders. Hoe werden hierin de harten des volks versterkt door het zien op den Heere, hunnen God, die het huis Israël’s zo kennelijk wilde zegenen en schragen, en die Zijne eer waar zij nu zo bedreigd werd, gewis zou willen redden niet alleen, maar daar ook de macht toe had. Wij geloven, dat, toen deze Psalm gezongen werd, al het volk wel geroerd zal geweest zijn, en dat zich bij het gejuich ook wel de toon des geklags zal gevoegd hebben, dat in vs. 10 wordt gemeld.
Anderen zijn van mening, dat de Psalmen 106, 107 of 118 zijn gezongen, dewijl deze beginnen met het bevel, om den Heere te prijzen.
Laten alle de stromen van goedheid en liefdadigheid dus altoos tot de eerste Bron en Oorsprong der eindeloze ontferming en genade opwaarts vlieten; en laten wij, in allerhande omstandigheden, en hoe groot onze bekommeringen en machteloosheid ook wezen moge, altijd erkennen, dat God goed is, en dat, wat ons ook ontzakken of begeven mocht, deze Zijne goedertierenheid ons eeuwiglijk zal bijblijven. Laten wij dit met hartelijkheid en ernst zingen, dat Zijne goedheid niet alleen eeuwig dure, maar in het bijzonder Zijn geliefd Erfdeel, Zijn uitverkoren Israël onophoudelijk gadesla, schoon het gevangen ware in een vreemd en afgodisch, en vreemd en bevreesd in zijn eigen land.
KruisverwijzingenHagai 2:3→Job 8:7→Psalmen 126:6→Jeremia 31:8→Zacharia 4:10→Jesaja 60:22→Mattheüs 13:31→Jesaja 41:14→— Maar velen van de priesteren, en de Levieten, en hoofden der vaderen, die oud waren, die het eerste huis gezien hadden, dit huis in zijn grondlegging voor hun ogen zijnde, weenden met luider stem; maar velen verhieven de stem met gejuich en met vreugde.
Maar vele van de oude priesteren, en de Levieten, en hoofden der vaderen, die oud waren, die het eerste ongeveer vier en vijftig jaar geleden verwoeste huis (2 Koningen 25: 8 25.8) gezien hadden, dit huis in zijne grondlegging voor hun ogen zijnde, weenden met luider stem
, van smart over dat armzalig begin, waaruit reeds zo duidelijk te zien was, hoe nietig deze tempel in vergelijking van den vroegere zou worden (Hagg. 2: 3. (Zach. 4: 10 4.10); maar velen onder de jongere priesters en Levieten, en van de hoofden des volks, die minder op het verledene dan op het tegenwoordige zagen, en nu hun hoop op de herstelling van den tempel weldra dachten vervuld te zien, verhieven de stem met gejuich en met vreugde 2), zodat men hun gejubel zeer ver kon horen.
Dewijl de Salomonische tempel in het jaar 588 verwoest werd en de grond voor den nieuwen Tempel in het jaar 535 of 534 gelegd werd, zo konden de ouden onder de aanwezigen den vroegeren tempel nog gezien hebben, terwijl ook volgens Hagg. 2: 3 zelfs in het tweede jaar van Darius Hystaspes nog mannen in leven waren, die de heerlijkheid des vorigen tempels hadden gezien.
Er was hiervoor wel enige redenen, want zo zij hun tranen in het juiste kanaal lieten lopen en de zonden beweenden, die de oorzaak van deze treurige standverwisseling en vernedering was, zo deden zij zeer wel. Doch het was voor deze zuchtende en wenende Joden ene verzwaring van moedeloosmaking des volks, daar zij, die Priesters en Levieten waren, veelal anderen eerder behoorden onderwezen en voorgegaan te hebben, in een gelaten en bedaard berusten in de wegen der Hemelse Voorzienigheid en het zien der tegenwoordige zegeningen, niet door het al te treurig herdenken van het vorig leed behoorden besmet te hebben.
Men zou uit het bovengenoemde opmaken, dat de nieuwe tempel veel kleiner was aangelegd dan die van Salomo. De plaats in Hoofdstuk 6: 3 vv. weerspreekt dit echter uitdrukkelijk; daar wordt van 60 ellen hoogte en 60 ellen breedte gesproken, terwijl de oude tempel 30 ellen hoog en 20 ellen breed was, beiden gerekend zonder het voorhuis, dat 20 ellen lang was. Het eigenlijke nieuwe tempelgebouw was 40 ellen breed en 40 ellen hoog, en daarbij kwam dan 20 ellen in de hoogte voor de bovenvertrekken en aan weerszijde voor de zijkamers tien ellen; dit maakt dan 60 voor de gehele hoogte en 60 voor de breedte, en de lengte bleef de zelfde als bij den tempel van Salomo. Het kon dus niet om de ruimte zijn, dat er werd geweend, maar wel om de mindere pracht en heerlijkheid. Er was gene arke des verbonds meer; die was vernietigd bij de verwoesting met al wat er in was; zo als de Shechina, het zichtbare teken van de goddelijke tegenwoordigheid; het heilige vuur voor het brandofferaltaar en de Uriem en de Tummim van den Hogepriester (vergelijk Hoofdstuk 6:
.
“In dit ellendige leven zijn altijd vreugde en leed onder elkaar vermengd; de vreugde moge bij den mens nog zo groot zijn; toch is er wat treurigs onder gemengd. maar wanneer wij ons in den Heere verheugen (Fil. 4: 4) dan kan dit de tijdelijke treurigheid niet doen opmerken; zodat men door de vreugde het wenen niet opmerkt. In het eeuwige leven daarentegen zal geen leed meer zijn, noch geschrei (Openbaring 21: 4), maar verzadiging van vreugde (Psalm 16: 11), en liefelijkheden in Gods hand eeuwiglijk.” Deze ondereenmenging van droefheid en vreugde is ene voorstelling van deze wereld; sommigen baden zich in stromen van vreugde en anderen in een vloed van tranen. In den hemel zingen allen, en er is geen geween; doch in de hel is geween en gejammer, maar gene vreugde. Op aarde kunnen wij nauwelijks de vreugdekreten van de jammerklachten onderscheiden. Leren wij ons te verheugen met hen die blijde zijn, en te wenen met de wenenden; leren wij ons te verheugen als ons niet verheugende, en te wenen als niet wenende. De goedertierenheid Gods en de gedachte aan onze onwaardigheid moet ons dankbaar maken voor elk teken van Zijne gunst. Moge de Heere Jezus ons verlossen van den toekomenden toorn, en ons bereiden het heerlijke en eeuwige geluk, om eeuwig te zijn, waar Hij is.
KruisverwijzingenJeremia 33:11→1 Koningen 1:45→Lukas 19:37→1 Samuël 4:5→1 Koningen 1:40→Zacharia 4:7→Psalmen 5:11→Richteren 2:5→— Zodat het volk niet onderkende de stem van het gejuich der vreugde, van de stem des geweens van het volk; want het volk juichte met groot gejuich, dat de stem tot van verre gehoord werd.
Zodat het volk, dat bij het feest tegenwoordig was, niet onderkende de stem van het gejuich der vreugde, van de stem des geweens van het volk 1). Zij konden het ene van het andere niet onderscheiden, want het volk juichte met groot gejuich, dat de stem van verre gehoord werd.
Het ligt voor de hand, dat niet alleen in den engeren kring, onmiddellijk bij de plaats, waar de tempel zou gebouwd worden, er een wenen en een juichen was, maar ook in den meer verwijderden kring. De ouden van dagen weenden, de jongeren waren verblijd, maar, en dit wil de Heilige Geest hier zeggen, het lofgezang overstemde het klaaglied. Zeker, er was wel stof tot wenen, om der zonden wil, waardoor die kostelijke tempel verwoest was, maar er was nog veel groter stof tot dankbaarheid en daarom tot juichen, dewijl de Heere “de gevangenen Sions” weer had teruggebracht. In dit juichen was bij het geestelijk Israël merkbaar “een vergeten van wat achter was en een zich uitstrekken naar hetgeen voor is.”
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Ezra 3
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
III. Vs. 1-13.Kruisverwijzingen1 Kronieken 3:17→Lukas 3:27→Ezra 2:2→Hagai 1:1→Exodus 23:16→Numeri 29:12→Ezra 2:40→Leviticus 23:24→
— Toen nu de zevende maand aankwam, en de kinderen Israels in de steden waren, verzamelde zich het volk, als een enig man, te Jeruzalem. En Jesua, de zoon van Jozadak, maakte zich op, en zijn broederen, de priesters en Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en zijn broederen, en zij bouwden het altaar des Gods van Israel, om daarop brandofferen te offeren, gelijk geschreven is in de wet van Mozes, den man Gods. En zij vestigden het altaar op zijn stelling, maar met verschrikking, die over hen was, vanwege de volken der landen; en zij offerden daarop brandofferen den HEERE, brandofferen des morgens en des avonds. En zij hielden het feest der loofhutten, gelijk geschreven is; en zij offerden brandofferen dag bij dag in getal, naar het recht, van elk dagelijks op zijn dag. Daarna ook het gedurig brandoffer, en van de nieuwe maanden, en van alle gezette hoogtijden des HEEREN, die geheiligd waren; ook van een ieder, die een vrijwillige offerande den HEERE vrijwilliglijk offerde. Van den eersten dag af der zevende maand begonnen zij den HEERE brandofferen te offeren; doch de grond van den tempel des HEEREN was niet gelegd. Zo gaven zij geld aan de houwers en werkmeesters, ook spijs en drank, en olie, aan de Sidoniers en aan de Tyriers, om cederenhout van den Libanon te brengen aan de zee naar Jafo, naar de vergunning van Kores, koning van Perzie, aan hen. In het tweede jaar nu hunner aankomst ten huize Gods te Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en Jesua, de zoon van Jozadak, en de overige hunner broederen, de priesters en de Levieten, en allen, die uit de gevangenis te Jeruzalem gekomen waren; en zij stelden de Levieten, van twintig jaren oud en daarboven, om opzicht te nemen over het werk van des HEEREN huis. Toen stond Jesua, zijn zonen en zijn broederen, en Kadmiel met zijn zonen, kinderen van Juda, als een man, om opzicht te hebben over degenen, die het werk deden aan het huis Gods, met de zonen van Henadad, hun zonen en hun broederen, de Levieten. Als nu de bouwlieden den grond van des HEEREN tempel legden, zo stelden zij de priesteren, aangekleed zijnde, met trompetten, en de Levieten, Asafs zonen, met cimbalen, om den HEERE te loven, naar de instelling van David, den koning van Israel.
Nadat de nieuwe gemeente in de eerste zes maanden na hare aankomst, zich naar omstandigheden vrij goed had gevestigd, komt zij op den eersten dag van de maand Tisri in Jeruzalem bijeen, en zet het brandoffer-altaar weer op de vroegere plaats. De dagelijkse morgen- en avond-godsdienst begint weer, en op den bepaalden tijd wordt weer het Loofhuttenfeest gevierd. Nadat het feest is geëindigd, maken de oudsten der gemeente toebereidselen tot den bouw des tempels, bestellen de daartoe vereist wordende werklieden, en verzamelen stenen en hout van den Libanon, waartoe zij met die van Tyrus en Sidon in onderhandeling treden. In de eerste maand van het tweede jaar na de aankomst in het heilige land, is men reeds zoverre gevorderd, dat de grondsteen van den nieuwen tempel kan gelegd worden. Daarbij staan priesters en Levieten met trommelen en cimbalen en snarenspel, en zingen bij beurte om den Heere te danken en te loven, omdat Hij goedertieren is, en Zijne barmhartigheid eeuwig duurt over Israël, en al het volk stemt mede in. Velen echter van de oudsten des volks, die den ouden Tempel nog gezien hadden, wenen luid, bij het zien van den geringen aanvang van dezen nieuwen Tempel.
Toen nu de zevende maand aankwam, de maand Tisri, bijna met onze maand Oktober overeenkomende (Exodus 12: 2 ), van het jaar 535 v. Chr., want de uittocht uit Perzië was aangevangen in de eerste maand Nisan van hetzelfde jaar, en toen de kinderen Israël’s in de steden waren, terwijl aan de teruggekeerden gedurende de eerste zes maanden Nisan, Ijar, Sivan, Tammuz, Ab en Elul hun verschillende woonplaatsen waren ten deel gevallen, verzamelde zich het volk, als een enig man 1), te Jeruzalem, bij de Waterpoort, aan de oostzijde van de plaats, waar vroeger de tempel had gestaan (Nehemia 8: 1 vv.), om toebereidselen te maken voor het Loofhuttenfeest, dat in deze maand moest gevierd worden.
Als een enig man, wil niet zeggen, dat allen opkwamen. Er zullen velen, wegens omstandigheden, die hen verhinderden, zijn thuis gebleven, maar als één van hart en zin, zodat zij eensgezind kwamen, om bij de inwijding van het altaar te zijn. De reden van deze eensgezindheid wordt nader aangegeven in vs. 3.
En Jesua, de in Hoofdstuk 2: 2 genoemde hogepriester, de zoon van Jozadak, maakte zich op, en zijne broederen, de gewone priesters, en de aldaar reeds genoemde stamvorst van Juda Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en zijne broederen, de tien overige aanvoerders der gemeente (Hoofdstuk 2: 2),en zij bouwden het altaar des Gods van Israël, om daarop brandoffers te offeren en terstond het dagelijkse Morgen- en Avondoffer weer in te stellen, gelijk a) geschreven is in de wet van Mozes, den man Gods.
Exodus 29: 38 vv. Leviticus 6: 8 vv. Numeri 28: 3 vv.
En zij vestigden het altaar op zijne stelling, bouwden dit nieuwe altaar op het fondament van het oude, dat door Nebukadnezar verwoest was (2 (Koningen 25: 9), maar met verschrikking, die over hen was 1), van wege de volken der landen 1), omdat zij de naburige volken vreesden, die wel eens de nieuwe vestiging van hun godsdienstige en burgerlijke inrichtingen konden tegenwerken; daarom zochten zij zich terstond te verzekeren van de bescherming van hunnen God, door zo spoedig mogelijk den dagelijksen godsdienst weer in te voeren; en zij offerden daarop nog op dezelfden dag (vs. 6), brandoffers den HEERE, brandoffers des morgens a) en des avonds.
Numeri 28: 3.
Of, want verschrikking was over hen. Zij vreesden voor de inwonende volken en zochten daarom in het onderhouden van ‘s Heren geboden bij den Heere beschutting en bescherming, of zoals Michaëlis het uitdrukt: “de vrees voor gevaar dreef hen aan, om tot de heiligheid Gods de toevlucht te nemen.”
En zij hielden toen, gedurende de dagen van den 15den tot den 21sten der maand Tisri, het feest der Loofhutten, gelijk geschreven is in Leviticus 23: 33 vv.: en zij offerden brandoffers dag bij dag in of naar het getal, naar het recht a) overeenkomstig de voorschriften, van elk dagelijks op zijnen dag, op den 15den van Tisri 13 varren enz.; op den 16den Tisri 12 varren enz., op den 21sten Tisri 7 varren enz., waarbij nog het offer op den 22sten Tisri kan gevoegd worden, als de laatste plechtige viering van het jaarlijkse feest.
Leviticus 23: 34. Numeri 39: 12-34.
Daarna, toen het Loofhuttenfeest geëindigd was, hielden zij weer den gewonen geregelden godsdienst, in offeranden bestaande; ook offerden zij het gedurig brandoffer, waarvan reeds in vs. 3 gesproken is, en de brandoffers der a) nieuwe maanden (Numeri 28: 8 vv.); het Pascha (Numeri 28: 16 vv.); het Pinksterfeest (Numeri 28: 26 vv.); het feest des geklanks (Numeri 29: 1 vv.), en de Verzoendag (Numeri 28: 7 vv.), ook van een ieder, die ene vrijwillige offerande den HEERE vrijwilliglijk offerde 1).
Nehemia 10: 33. Leviticus 23: 17.
De Wet vereiste veel, maar zij brachten nog meer. Want schoon zij weinig rijkdoms bezaten, om de kosten hunner offeranden te dragen, zij waren nochtans vol ijvers en zullen het waarschijnlijk uit hun monden gespaard hebben, om des te meer op Gods altaar te brengen. Gelukkig de zodanige, die uit den oven der verdrukking, zulk een heilige hitte als deze met zich brengen.
Van den eersten dag af der zevende maand op welken de vergadering (vs. 1) plaats had, en waarop het feest des geklanks gevierd was (Leviticus 23: 23 vv.), begonnen zij den HEERE brandoffers te offeren, omdat op dezen dag het altaar daarvoor in haast was gereed gemaakt (vs. 2 vv.), doch de grond van den tempel des HEREN was niet gelegd, om welke reden ook de godsdienstplechtigheden altijd nog zeer gebrekkig gevierd werden, zodat zelfs de Grote Verzoendag (Leviticus 16: 1 vv. 23: 26 vv. Numeri 28: 7 vv.), in het geheel nog niet kon gehouden worden. Bij gelegenheid van de eerste offerande op het weer herstelde brandofferaltaar schijnt Psalm 107 te zijn gezongen, die geheel daarop toepasselijk is, zodat daarin duidelijk de eerste vreugde en verrukking der terugkerenden in het oog valt. De gemeente des Heren viert daarin, zoals Hengstenberg zo treffend opmerkt, haar genezingsfeest. Maar deze zelfde gemeente, die zich nog geenszins als geheel hersteld kon beschouwen, die nog zwak was uitwendig, het land slechts ten dele bezittende, en nog zonder tempel, had daarom zo nodig vertroost en opgebeurd te worden. Een voor ons onbekende heilige dichter, misschien dezelfde, die Psalm 107 gemaakt heeft, heeft tot dit doel, uit twee gedeelten van andere, door David vervaardigde Psalmen namelijk van Psalm 57: 8-12 en Psalm 60: 7-14 een nieuwen Psalm samengesteld, en wel Psalm 108. Daarin wordt aan de ene zijde God gedankt voor de genade en de ontfermende liefde, die Hij door het weder brengen uit Babel heeft bewezen, en aan de andere zijde Hem tevens herinnerd aan de vervulling van de gedane beloften, aan Israël toegezegd, dat het land waarin zij nu teruggekomen waren, hun tot ene eeuwige bezitting zou zijn, en dat zij over alle vijanden, die zij bij de naburige volken hadden, gewis zouden zegevieren.
Zo gaven zij, de oudsten der gemeente, terwijl zij terstond na het eindigen van den tijd van het Loofhuttenfeest (vs. 4), toebereidselen tot den tempelbouw maakten, evenals Salomo voor het bouwen van den eersten Tempel had gedaan (1 Koningen 5), geld aan de houwers en werkmeesters, en aan al degenen, die het werk moesten verrichtten, ook spijs, en drank, en olie aan de Zidoniërs en aan de Tyriërs (1 Koningen 5: 6 ), om stenen over land en cederenhout van den Libanon te brengen, aan (over) de zee naar Jaffo of Joppe (1 Koningen 5: 9 ), naar de vergunning van Kores, koning van Perzië, aan hen, omdat zij na van Cyrus het verlof hadden gekregen om te bouwen, waardoor zij gemachtigd waren om verdragen te sluiten met de Feniciërs, welke onder de opperheerschappij van Perzië stonden.
In het tweede jaar nu hunner aankomst, ten huize Gods te Jeruzalem, nadat zij teruggekeerd waren naar de stad des groten Konings, de stad van den verwoesten, maar nu weer opgebouwd wordenden tempel, in het jaar 534 v. Chr., in de tweede maand, d.i. Ijar of Bloeimaand, overeenkomende met onze maand Mei (Exodus 12: 2 ), begonnen 1) Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, de zoon van Jozadak, en de overige hunner broederen (Hoofdstuk 2: 2), of medebestuurders, het werk van den tempelbouw, ook de priesters en de Levieten, en allen, die volgens de telling in Hoofdstuk 2: 3 vv., uit de gevangenissen het vreemde land nu te Jeruzalem gekomen waren, en zij stelden te dien einde de Levieten, van twintig jaren oud en daarboven (1 (Kronieken 23: 24), om opzicht te nemen over het werk van des HEREN huis, opdat alles geregeld zou kunnen geschieden (1 Kronieken 23: 4).
Begonnen…en stelden, d.i. begonnen aan te stellen. Hiermede wordt het begin van den tempelbouw vermeld. Nadat de voorbereidingen, in het vorige vers vermeld, getroffen waren, begonnen zij met de Levieten van twintig jaren en daarboven aan te stellen, om met den tempelbouw te beginnen en het opzicht daarover waar te nemen.
Toen stond of) stonden Jesua, niet de hogepriester van dien naam, maar de voornaamste van ene klasse der Levieten (Hoofdstuk 2: 26), zijne zonen en zijne broederen, en Kadmiël, de voornaamste van ene andere klasse, met zijne zonen1), de Levieten, die tot zijne klasse behoorden, kinderen van Juda, in Hoofdstuk 2: 40 de kinderen van Hodavja genoemd, als één man, allen zonder uitzondering, om opzicht te hebben over degenen, die het werk deden aan het huis Gods, en bovendien nog met de priesters, die tot ene derde klasse behoorden, de zonen van Henadad 2), (Nehemia 10: 9), hun zonen en hun broederen, met al degenen, die zich tot hun geslacht rekenden, de Levieten, aan wie dus de leiding van den tempelbouw was toevertrouwd.
Drie klassen worden hier genoemd, waarvan twee in Hoofdstuk 2: 40 reeds vermeld zijn. Dewijl aldaar, na de kinderen van Kadmiël, gesproken wordt van de kinderen van Hodavja, zo is het waarschijnlijk, dat ook hier in plaats van Juda moet gelezen worden Hodavja, dewijl de Levieten niet, zoals bekend is, uit het geslacht van Juda, maar uit dat van Levi waren.
Het valt in het oog, dat de zonen van Henadad, de derde klasse, eerst vermeld worden aan het slot van dit vers en niet onmiddellijk na de eerste twee geslachten, die van Jesua en Kadmiël. De reden schuilt ongetwijfeld hierin, dat, kon van de eerste twee gezegd worden, dat zij als een enig man zich verbonden, om het opzicht te hebben, dit niet van de derde klasse kon worden gezegd.
Als nu de bouwlieden den grond van des HEREN tempel leiden, het eigenlijke tempelgebouw (1 Koningen 6: 2 vv.); zo stelden zij, Jesua en Zerubbabel, de priesters, daarbij aangekleed zijnde met hun ambtsklederen zoals hun in de wet van Mozes was voorgeschreven, (Exodus 28), met trompetten, naar het model van het voorschrift in Numeri 10: 1 vv., en daarenboven de Levieten, Asafs zonen (Hoofdstuk 2: 41), met cimbalen, om den HEERE te loven, naar de instelling, volgens anderen naar de ordening van David, den koning van Israël (2 Kronieken 23: 18).
En zij zongen bij beurten, in twee elkaar afwisselende koren, met den HEERE te loven en te danken, dat Hij goedig is, dat Zijne weldadigheid tot in eeuwigheid is over Israël 1). En al het volk, dat bij het feest tegenwoordig was, juichte met groot gejuich, als men den HEERE loofde over de grondlegging van het huis des HEREN 2).
De uitleggers verwijzen hier gewoonlijk naar Psalm 136 als den Psalm, die bij deze gelegenheid werd gezongen, en zonder twijfel was deze Psalm, met zijn 26 maal herhaald refrein: “want Zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid,” zeer gepast. Hoe schoon is de vergelijking van Dachsel (niet te verwarren met Dächsel (G.)), die dit refrein vergelijkt bij de blaadjes van ene bloem, die wel aan elkaar gelijk zijn: maar door hun talrijkheid juist meer geur en aangenaamheid doen genieten. Al het volk nam immers aan dat lofgezang deel. Wij zouden hier echter liever op Psalm 115 wijzen, zo geheel overeenstemmende met de omstandigheden van het uit de ballingschap teruggekeerde volk, bedreigd (vs. 2) door hun heidense tegenstanders. Hoe werden hierin de harten des volks versterkt door het zien op den Heere, hunnen God, die het huis Israël’s zo kennelijk wilde zegenen en schragen, en die Zijne eer waar zij nu zo bedreigd werd, gewis zou willen redden niet alleen, maar daar ook de macht toe had. Wij geloven, dat, toen deze Psalm gezongen werd, al het volk wel geroerd zal geweest zijn, en dat zich bij het gejuich ook wel de toon des geklags zal gevoegd hebben, dat in vs. 10 wordt gemeld.
Anderen zijn van mening, dat de Psalmen 106, 107 of 118 zijn gezongen, dewijl deze beginnen met het bevel, om den Heere te prijzen.
Laten alle de stromen van goedheid en liefdadigheid dus altoos tot de eerste Bron en Oorsprong der eindeloze ontferming en genade opwaarts vlieten; en laten wij, in allerhande omstandigheden, en hoe groot onze bekommeringen en machteloosheid ook wezen moge, altijd erkennen, dat God goed is, en dat, wat ons ook ontzakken of begeven mocht, deze Zijne goedertierenheid ons eeuwiglijk zal bijblijven. Laten wij dit met hartelijkheid en ernst zingen, dat Zijne goedheid niet alleen eeuwig dure, maar in het bijzonder Zijn geliefd Erfdeel, Zijn uitverkoren Israël onophoudelijk gadesla, schoon het gevangen ware in een vreemd en afgodisch, en vreemd en bevreesd in zijn eigen land.
Maar vele van de oude priesteren, en de Levieten, en hoofden der vaderen, die oud waren, die het eerste ongeveer vier en vijftig jaar geleden verwoeste huis (2 Koningen 25: 8 25.8) gezien hadden, dit huis in zijne grondlegging voor hun ogen zijnde, weenden met luider stem
, van smart over dat armzalig begin, waaruit reeds zo duidelijk te zien was, hoe nietig deze tempel in vergelijking van den vroegere zou worden (Hagg. 2: 3. (Zach. 4: 10 4.10); maar velen onder de jongere priesters en Levieten, en van de hoofden des volks, die minder op het verledene dan op het tegenwoordige zagen, en nu hun hoop op de herstelling van den tempel weldra dachten vervuld te zien, verhieven de stem met gejuich en met vreugde 2), zodat men hun gejubel zeer ver kon horen.
Dewijl de Salomonische tempel in het jaar 588 verwoest werd en de grond voor den nieuwen Tempel in het jaar 535 of 534 gelegd werd, zo konden de ouden onder de aanwezigen den vroegeren tempel nog gezien hebben, terwijl ook volgens Hagg. 2: 3 zelfs in het tweede jaar van Darius Hystaspes nog mannen in leven waren, die de heerlijkheid des vorigen tempels hadden gezien.
Er was hiervoor wel enige redenen, want zo zij hun tranen in het juiste kanaal lieten lopen en de zonden beweenden, die de oorzaak van deze treurige standverwisseling en vernedering was, zo deden zij zeer wel. Doch het was voor deze zuchtende en wenende Joden ene verzwaring van moedeloosmaking des volks, daar zij, die Priesters en Levieten waren, veelal anderen eerder behoorden onderwezen en voorgegaan te hebben, in een gelaten en bedaard berusten in de wegen der Hemelse Voorzienigheid en het zien der tegenwoordige zegeningen, niet door het al te treurig herdenken van het vorig leed behoorden besmet te hebben.
Men zou uit het bovengenoemde opmaken, dat de nieuwe tempel veel kleiner was aangelegd dan die van Salomo. De plaats in Hoofdstuk 6: 3 vv. weerspreekt dit echter uitdrukkelijk; daar wordt van 60 ellen hoogte en 60 ellen breedte gesproken, terwijl de oude tempel 30 ellen hoog en 20 ellen breed was, beiden gerekend zonder het voorhuis, dat 20 ellen lang was. Het eigenlijke nieuwe tempelgebouw was 40 ellen breed en 40 ellen hoog, en daarbij kwam dan 20 ellen in de hoogte voor de bovenvertrekken en aan weerszijde voor de zijkamers tien ellen; dit maakt dan 60 voor de gehele hoogte en 60 voor de breedte, en de lengte bleef de zelfde als bij den tempel van Salomo. Het kon dus niet om de ruimte zijn, dat er werd geweend, maar wel om de mindere pracht en heerlijkheid. Er was gene arke des verbonds meer; die was vernietigd bij de verwoesting met al wat er in was; zo als de Shechina, het zichtbare teken van de goddelijke tegenwoordigheid; het heilige vuur voor het brandofferaltaar en de Uriem en de Tummim van den Hogepriester (vergelijk Hoofdstuk 6:
.
“In dit ellendige leven zijn altijd vreugde en leed onder elkaar vermengd; de vreugde moge bij den mens nog zo groot zijn; toch is er wat treurigs onder gemengd. maar wanneer wij ons in den Heere verheugen (Fil. 4: 4) dan kan dit de tijdelijke treurigheid niet doen opmerken; zodat men door de vreugde het wenen niet opmerkt. In het eeuwige leven daarentegen zal geen leed meer zijn, noch geschrei (Openbaring 21: 4), maar verzadiging van vreugde (Psalm 16: 11), en liefelijkheden in Gods hand eeuwiglijk.” Deze ondereenmenging van droefheid en vreugde is ene voorstelling van deze wereld; sommigen baden zich in stromen van vreugde en anderen in een vloed van tranen. In den hemel zingen allen, en er is geen geween; doch in de hel is geween en gejammer, maar gene vreugde. Op aarde kunnen wij nauwelijks de vreugdekreten van de jammerklachten onderscheiden. Leren wij ons te verheugen met hen die blijde zijn, en te wenen met de wenenden; leren wij ons te verheugen als ons niet verheugende, en te wenen als niet wenende. De goedertierenheid Gods en de gedachte aan onze onwaardigheid moet ons dankbaar maken voor elk teken van Zijne gunst. Moge de Heere Jezus ons verlossen van den toekomenden toorn, en ons bereiden het heerlijke en eeuwige geluk, om eeuwig te zijn, waar Hij is.
Zodat het volk, dat bij het feest tegenwoordig was, niet onderkende de stem van het gejuich der vreugde, van de stem des geweens van het volk 1). Zij konden het ene van het andere niet onderscheiden, want het volk juichte met groot gejuich, dat de stem van verre gehoord werd.
Het ligt voor de hand, dat niet alleen in den engeren kring, onmiddellijk bij de plaats, waar de tempel zou gebouwd worden, er een wenen en een juichen was, maar ook in den meer verwijderden kring. De ouden van dagen weenden, de jongeren waren verblijd, maar, en dit wil de Heilige Geest hier zeggen, het lofgezang overstemde het klaaglied. Zeker, er was wel stof tot wenen, om der zonden wil, waardoor die kostelijke tempel verwoest was, maar er was nog veel groter stof tot dankbaarheid en daarom tot juichen, dewijl de Heere “de gevangenen Sions” weer had teruggebracht. In dit juichen was bij het geestelijk Israël merkbaar “een vergeten van wat achter was en een zich uitstrekken naar hetgeen voor is.”
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel