Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Daarna riepH7121 Hij voor mijn orenH241 met luiderH1419 stemH6963, zeggendeH559: Doet de opzienersH6486 der stadH5892 naderenH7126, en elkeen met zijn verdervendH4892 wapenH3627 in zijn handH3027.
Daarna riep Hij voor mijn oren met luider stem, zeggende: Doet de opzieners der stad naderen, en elkeen met zijn verdervend wapen in zijn hand.
KJV
He cried1
also in mine ears2
with a loud4
voice,3
saying,5
Cause them that have charge7
over the city8
to draw near,6
even every man9
with his destroying11
weapon10
in his hand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En zietH2009, zesH8337 mannenH582 kwamen van den wegH1870 der HogeH5945 poortH8179, dieH834 gekeerdH6437 is naar het noordenH6828, en elkeen met zijn verpletterendH4660 wapenH3627 in zijn handH3027; en eenH259 manH376 in het middenH8432 van hen was met linnenH906 bekleedH3847, en een schrijvers-inktkokerH5608 was aan zijn lendenH4975; en zij kwamenH935 in, en stondenH5975 bij het koperenH5178 altaarH4196.
En ziet, zes mannen kwamen van den weg der Hoge poort, die gekeerd is naar het noorden, en elkeen met zijn verpletterend wapen in zijn hand; en een man in het midden van hen was met linnen bekleed, en een schrijvers-inktkoker was aan zijn lenden; en zij kwamen in, en stonden bij het koperen altaar.
KJV
And, behold, six2
men
came4
from the way5
of the higher7
gate,6
which lieth9
toward the north,10
and every man3
a slaughter13
weapon12
in his hand;14
and one16
man11
among17
them was clothed18
with linen,19
with a writer's21
inkhorn20
by his side:22
and they went in,23
and stood24
beside25
the brasen27
altar.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En de heerlijkheidH3519 des GodsH430 van IsraelH3478 hiefH5927 zich opH5921 van den cherubH3742, waarop Hij wasH1961, totH413 den dorpelH4670 van het huisH1004; en Hij riepH7121 totH413 den manH376, die met linnenH906 bekleedH3847 was, die de schrijvers-inktkokerH5608 aan zijn lendenH4975 had.
En de heerlijkheid des Gods van Israel hief zich op van den cherub, waarop Hij was, tot den dorpel van het huis; en Hij riep tot den man, die met linnen bekleed was, die de schrijvers-inktkoker aan zijn lenden had.
KJV
And the glory1
of the God2
of Israel3
was gone up4
from the cherub,6
whereupon he was, to the threshold11
of the house.12
And he called13
to the man15
clothed16
with linen,17
which had the writer's20
inkhorn19
by his side;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En de HEEREH3068 zeideH559 totH413 hem: Ga door, door het middenH8432 der stadH5892, door het middenH8432 van JeruzalemH3389, en teken een teken opH5921 de voorhoofdenH4696 der liedenH582, die zuchtenH584 en uitroepenH602 overH5921 alH3605 deze gruwelenH8441, die in het middenH8432 derzelve gedaanH6213 worden.
En de HEERE zeide tot hem: Ga door, door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een teken op de voorhoofden der lieden, die zuchten en uitroepen over al deze gruwelen, die in het midden derzelve gedaan worden.
Ook in dit vers
tekenH8420
tekenH8427
KJV
And the LORD2
said1
unto him, Go through4
the midst5
of the city,6
through the midst7
of Jerusalem,8
and set9
a mark10
upon the foreheads12
of the men
that sigh14
and that cry15
for all the abominations18
that be done19
in the midst
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Maar tot dieH428 anderen zeideH559 Hij voor mijn orenH241: Gaat door, door de stadH5892 achterH310 hem, en slaatH5221, ulieder oogH5869 verschoneH2347 nietH408, en spaartH2550 niet!
Maar tot die anderen zeide Hij voor mijn oren: Gaat door, door de stad achter hem, en slaat, ulieder oog verschone niet, en spaart niet!
KJV
And to the others1
he said2
in mine hearing,3
Go4
ye after6
him through the city,5
and smite:7
let not your eye10
spare,9
neither have ye pity:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
DoodtH2026 oudenH2205, jongelingenH970 en maagdenH1330, en kinderkensH2945 en vrouwenH802, tot verdervensH4889 toe; maar genaaktH5066 aan niemandH376, op denwelken het tekenH8420 is, en begintH2490 van Mijn heiligdomH4720. En zij begonnenH2490 van de oudeH2205 mannenH582, dieH834 voorH6440 het huisH1004 waren.
Doodt ouden, jongelingen en maagden, en kinderkens en vrouwen, tot verdervens toe; maar genaakt aan niemand, op denwelken het teken is, en begint van Mijn heiligdom. En zij begonnen van de oude mannen, die voor het huis waren.
KJV
Slay6
utterly7
old1
and young,2
both maids,3
and little children,4
and women:5
but come not near15
any man10
upon whom is the mark;13
and begin17
at my sanctuary.16
Then they began18
at the ancient20
men
which were before22
the house.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En Hij zeideH559 totH413 hen: VerontreinigtH2930 het huisH1004, en vervultH4390 de voorhovenH2691 met verslagenenH2491; gaat henen uit. En zij gingenH3318 henen uit, en zij sloegenH5221 in de stadH5892.
En Hij zeide tot hen: Verontreinigt het huis, en vervult de voorhoven met verslagenen; gaat henen uit. En zij gingen henen uit, en zij sloegen in de stad.
KJV
And he said1
unto them, Defile3
the house,5
and fill6
the courts8
with the slain:9
go ye forth.10
And they went forth,11
and slew12
in the city.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Het geschiedde nu, als zij hen geslagenH5221 hadden, en ik overgeblevenH7604 was, dat ikH589 opH5921 mijn aangezichtH6440 vielH5307, en riepH2199, en zeideH559: AchH162, HeereH136 HEEREH3069, zult GijH859 alH3605 het overblijfselH7611 van IsraelH3478 verdervenH7843, met Uw grimmigheidH2534 uit te gietenH8210 overH5921 JeruzalemH3389?
Het geschiedde nu, als zij hen geslagen hadden, en ik overgebleven was, dat ik op mijn aangezicht viel, en riep, en zeide: Ach, Heere HEERE, zult Gij al het overblijfsel van Israel verderven, met Uw grimmigheid uit te gieten over Jeruzalem?
KJV
And it came to pass, while they were slaying2
them, and I was left,3
that I fell5
upon my face,7
and cried,8
and said,9
Ah10
Lord11
GOD!12
wilt thou destroy13
all the residue17
of Israel18
in thy pouring out19
of thy fury21
upon Jerusalem?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Toen zeideH559 Hij totH413 mij: De ongerechtigheidH5771 van het huisH1004 van IsraelH3478 en van JudaH3063 is gansH3966 zeer grootH1419, en het landH776 is met bloedH1818 vervuldH4390, en de stadH5892 is volH4390 van afwijkingH4297; wantH3588 zij zeggenH559: De HEEREH3068 heeft het landH776 verlatenH5800, en de HEEREH3068 zietH7200 nietH369.
Toen zeide Hij tot mij: De ongerechtigheid van het huis van Israel en van Juda is gans zeer groot, en het land is met bloed vervuld, en de stad is vol van afwijking; want zij zeggen: De HEERE heeft het land verlaten, en de HEERE ziet niet.
KJV
Then said1
he unto me, The iniquity3
of the house4
of Israel5
and Judah6
is exceeding8
great,7
and the land11
is full10
of blood,12
and the city13
full14
of perverseness:15
for they say,17
The LORD19
hath forsaken18
the earth,21
and the LORD23
seeth
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Daarom ookH1571, wat Mij aangaat, Mijn oogH5869 zal niet verschonenH2347, en Ik zal niet sparenH2550; Ik zal hun wegH1870 op hun hoofdH7218 gevenH5414.
Daarom ook, wat Mij aangaat, Mijn oog zal niet verschonen, en Ik zal niet sparen; Ik zal hun weg op hun hoofd geven.
KJV
And as for me also, mine eye5
shall not spare,4
neither will I have pity,7
but I will recompense10
their way8
upon their head.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En zietH2009, de manH376, dieH834 met linnenH906 bekleedH3847 was, aan wiens lendenH4975 de inktkokerH7083 was, brachtH7725 bescheidH1697 weder, zeggendeH559: Ik heb gedaanH6213, gelijk als Gij mij gebodenH6680 hadt.
En ziet, de man, die met linnen bekleed was, aan wiens lenden de inktkoker was, bracht bescheid weder, zeggende: Ik heb gedaan, gelijk als Gij mij geboden hadt.
KJV
And, behold, the man2
clothed
with linen,4
which had the inkhorn6
by his side,7
reported8
the matter,9
saying,10
I have done11
as thou hast commanded
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hij
Namelijk, de Heere, van wien zie boven Ezech. 1:26 .
Hertaald:
Hij
Namelijk de HEERE, over Wie zie hierboven Ezech. 1:26.
voor mijn oren met luider stem,
Dat is, dat ik, Ezechiël, dit geroep hoorde. Versta door dit geroep de kracht van Gods voorzienigheid, waardoor Hij de schepselen beweegt om zijnen wil en eeuwigen raad uit te voeren.
Hertaald:
voor mijn oren met luider stem,
Dat is: zodat ik, Ezechiël, dit geroep hoorde. Versta onder dit geroep de kracht van Gods voorzienigheid, waardoor Hij de schepselen beweegt om Zijn wil en eeuwige raad uit te voeren.
zeggende
Te weten tot de heilige engelen, die Gode ten dienste staan om zijne bevelen en oordelen uit te richten; Ps. 103:20 ; Hebr. 1:14 .
Hertaald:
zeggende
Namelijk tot de heilige engelen, die God ten dienste staan om Zijn bevelen en oordelen uit te voeren; Ps. 103:20; Hebr. 1:14.
de opzieners
Hebreeuws, opzichten; dat is, die opzicht hadden. Versta, zekere heilige engelen, die van God als opzieners der stad gesteld waren. Want over landen, volken en steden worden zij van Hem verordend niet alleen om die te bewaren, 2 Kon. 6:17 ; Dan. 10:20-21 , maar ook om die te straffen, Gen. 19:12-13 ; 2 Kon. 19:35 . Zij worden vorsten genaamd, Dan. 10:20-21 ; idem, heerschappijen, overheden, machten, Kol. 1:16 ; dat is, heerschappers, oversten, machtigen. Alzo hier opzichten voor opzieners, bestellers, commissarissen.
Hertaald:
de opzieners
Hebreeuws: opzichten; dat is: zij die opzicht hadden. Versta: bepaalde heilige engelen die door God als opzieners van de stad aangesteld waren. Want over landen, volken en steden worden zij door Hem aangesteld, niet alleen om die te bewaren (2 Kon. 6:17; Dan. 10:20-21), maar ook om die te straffen (Gen. 19:12-13; 2 Kon. 19:35). Zij worden vorsten genoemd in Dan. 10:20-21, en heerschappijen, overheden en machten in Kol. 1:16, dat is: heersers, oversten, machtigen. Zo staat hier opzichten voor opzieners, gevolmachtigden, commissarissen.
der stad naderen,
Namelijk Jeruzalem.
Hertaald:
der stad naderen,
Namelijk Jeruzalem.
verdervend wapen in zijn hand
Hebreeuws, wapen of gereedschap der verderving; dat is waarmede Hij de inwoners der stad verderven zou.
Hertaald:
verdervend wapen in zijn hand
Hebreeuws: wapen of gereedschap van de verderving; dat is: waarmee Hij de inwoners van de stad zou verderven.
zes mannen kwamen
Dat is, gelijk enigen gevoelen, zes engelen in de gedaante van mannen. Vergelijk Gen. 18:2 ; Marc. 16:5 ; Hand. 1:10 . Sommigen menen dat door deze mannen verstaan en betekend worden de Chaldeën of de oversten van het leger, dat Jeruzalem belegeren zou; anderen de volken en koninkrijken, die de Chaldeën in dezen tot hunne hulp zouden hebben.
Hertaald:
zes mannen kwamen
Dat is: naar de mening van sommigen zes engelen in de gedaante van mannen. Vergelijk Gen. 18:2; Mark. 16:5; Hand. 1:10. Sommigen menen dat onder deze mannen de Chaldeeën verstaan worden, of de bevelhebbers van het leger dat Jeruzalem zou belegeren; anderen de volken en koninkrijken die de Chaldeeën hierbij te hulp zouden komen.
der Hoge poort,
Zie van deze poort 2 Kon. 15:35 ; idem, 2 Kron. 27:3 ; Jer. 26:10 .
Hertaald:
der Hoge poort,
Zie over deze poort 2 Kon. 15:35; eveneens 2 Kron. 27:3; Jer. 26:10.
naar het noorden,
Te weten vanwaar de Chaldeën zouden komen, die de stad en den tempel verstoren zouden.
Hertaald:
naar het noorden,
Namelijk vanwaar de Chaldeeën zouden komen, die de stad en de tempel zouden verwoesten.
elkeen
Te weten van die zes mannen.
Hertaald:
elkeen
Namelijk van die zes mannen.
zijn verpletterend wapen in zijn hand;
Hebreeuws, het gereedschap zijner verplettering; dat is het wapentuig, waarmede Hij verpletteren en in stukken slaan zou.
Hertaald:
zijn verpletterend wapen in zijn hand;
Hebreeuws: het gereedschap van zijn verplettering; dat is: het wapentuig waarmee hij zou verpletteren en in stukken slaan.
een man in het midden van hen
Te weten onderscheiden van de zes voorgemelde, want die waren gezonden om te verderven, hebbende hun wapentuig daartoe vaardig; maar dezen om te behouden, hebbende daartoe zijn schrijftuig en bevel om de vromen te tekenen.
Hertaald:
een man in het midden van hen
Namelijk onderscheiden van de zes zojuist genoemden. Want die waren gezonden om te verderven en hadden hun wapentuig daarvoor gereed; maar deze was gezonden om te behouden en had daarvoor zijn schrijfgerei en de opdracht om de vromen te tekenen.
met linnen bekleed,
Gelijk een priester. Zie Ex. 28:39 ; Lev. 6:10 . Sommigen verstaan door dezen man onzen enigen Overpriester, den Heere Christus Jezus, die van den Vader gezonden is om de zijnen uit het verderf der ziel te verlossen. Dienvolgens wordt Hij hier niet aangezien in zijn goddelijke majesteit en heerlijkheid, die Hij met den Vader en den Heiligen Geest gemeen heeft, gelijk boven Ezech. 1:26 ; maar in den stand zijner vernedering en het ambt van zijn Middelaarschap.
Hertaald:
met linnen bekleed,
Zoals een priester. Zie Ex. 28:39; Lev. 6:10. Sommigen verstaan onder deze man onze enige Hogepriester, de Heere Jezus Christus, Die door de Vader gezonden is om de Zijnen van het verderf van de ziel te verlossen. Hij wordt dan hier niet gezien in Zijn goddelijke majesteit en heerlijkheid, die Hij met de Vader en de Heilige Geest gemeen heeft, zoals hierboven Ezech. 1:26, maar in de staat van Zijn vernedering en in het ambt van Zijn Middelaarschap.
inktkoker
Te weten waaruit de schrijver met de pen inkt neemt.
Hertaald:
inktkoker
Namelijk waaruit de schrijver met de pen inkt neemt.
aan zijn lenden;
Versta, aan den gordel zijner lenden hangende.
Hertaald:
aan zijn lenden;
Versta: hangend aan de gordel om zijn middel.
het koperen altaar
Zo genaamd Ex. 38:30 ; 2 Kon. 16:14 . Anders, het altaar des brandoffers; Ex. 30:28 . Van zijne plaats zie Lev. 1:3 , Lev. 1:5 . Bredere beschrijving daarvan, zie 2 Kron. 4:1 .
Hertaald:
het koperen altaar
Zo genoemd in Ex. 38:30; 2 Kon. 16:14. Anders: het brandofferaltaar, Ex. 30:28. Zie over de plaats ervan Lev. 1:3, Lev. 1:5. Een uitvoeriger beschrijving staat in 2 Kron. 4:1.
de heerlijkheid des Gods van Israël
Zie boven Ezech. 1:28 .
Hertaald:
de heerlijkheid des Gods van Israël
Zie hierboven Ezech. 1:28.
cherub,
Versta de cherubim, die over de ark waren, in het allerheiligste, tot een teken van zijn genadige tegenwoordigheid bij dat volk. Sommigen verstaan de cherubim, die Ezechiël in het gezicht gezien heeft. Vergelijk onder Ezech. 10:4 , met de aantekening. Zie van de cherubim Gen. 3:24 .
Hertaald:
cherub,
Versta: de cherubim die boven de ark in het allerheiligste stonden, als teken van Zijn genadige tegenwoordigheid bij dat volk. Sommigen verstaan er de cherubim onder die Ezechiël in het gezicht gezien heeft. Vergelijk hieronder Ezech. 10:4 met de aantekening. Zie over de cherubim Gen. 3:24.
Hij was,
Te weten de God van Israël. Of zij was, namelijk de heerlijkheid Gods.
Hertaald:
Hij was,
Namelijk de God van Israël. Of: zij was, namelijk de heerlijkheid van God.
dorpel van het huis;
Dat is, de uitgang van het allerheiligste. Dit betekende dat God van den tempel scheiden wilde.
Hertaald:
dorpel van het huis;
Dat is: de uitgang van het allerheiligste. Dit betekende dat God van de tempel wilde scheiden.
teken een
Deze tekening is niet lichamelijk geschied door een zichtbaar en uiterlijk teken aan het lichaam, maar geestelijk door een onzienlijk en inwendig teken aan den geest, hetwelk de ware gelovigen van alle huichelaars en ongelovigen onderscheidt. Want dit alles is geschied in een geestelijk gezicht, en dienvolgens niet door een lichamelijke daad. Vergelijk Openb. 7:3 .
Hertaald:
teken een
Deze tekening is niet lichamelijk gebeurd door een zichtbaar en uiterlijk teken aan het lichaam, maar geestelijk door een onzichtbaar en innerlijk teken aan de geest, dat de ware gelovigen van alle huichelaars en ongelovigen onderscheidt. Want dit alles is in een geestelijk gezicht gebeurd en dus niet door een lichamelijke handeling. Vergelijk Openb. 7:3.
teken op de voorhoofden
Deze tekening is niet lichamelijk geschied door een zichtbaar en uiterlijk teken aan het lichaam, maar geestelijk door een onzienlijk en inwendig teken aan den geest, hetwelk de ware gelovigen van alle huichelaars en ongelovigen onderscheidt. Want dit alles is geschied in een geestelijk gezicht, en dienvolgens niet door een lichamelijke daad. Vergelijk Openb. 7:3 .
Hertaald:
teken op de voorhoofden
Deze tekening is niet lichamelijk gebeurd door een zichtbaar en uiterlijk teken aan het lichaam, maar geestelijk door een onzichtbaar en innerlijk teken aan de geest, dat de ware gelovigen van alle huichelaars en ongelovigen onderscheidt. Want dit alles is in een geestelijk gezicht gebeurd en dus niet door een lichamelijke handeling. Vergelijk Openb. 7:3.
der lieden,
Die het overblijfsel waren van Gods volk, schuilende onder dat afvallig geslacht.
Hertaald:
der lieden,
Die het overblijfsel van Gods volk waren en onder dat afvallige geslacht schuilgingen.
derzelve gedaan worden
Namelijk de stad Jeruzalem.
Hertaald:
derzelve gedaan worden
Namelijk de stad Jeruzalem.
die anderen
Te weten die zes andere mannen, die bescheiden waren om te verderven, te doden en uit te roeien, van wie zie boven vs.2.
Hertaald:
die anderen
Namelijk die zes andere mannen, die aangewezen waren om te verderven, te doden en uit te roeien; zie over hen hierboven vers 2.
hem,
Te weten die het schrijftuig aan zijne lenden had en voorging. Zie van dezen boven vs.2, en de aantekening. De doding mocht niet geschieden voordat degenen, die behouden moesten zijn, getekend waren en alzo uitgenomen van het algemene verderf. Vergelijk Gen. 19:22 .
Hertaald:
hem,
Namelijk hem die het schrijfgerei aan zijn gordel had en vooropging. Zie over hem hierboven vers 2 met de aantekening. Het doden mocht niet beginnen voordat zij die behouden moesten worden getekend en zo van het algemene verderf uitgezonderd waren. Vergelijk Gen. 19:22.
slaat,
Dat is, doodt, verderft en roeit uit. Vergelijk boven Ezech. 7:9 .
Hertaald:
slaat,
Dat is: doodt, verderft en roeit uit. Vergelijk hierboven Ezech. 7:9.
Doodt ouden, jongelingen en maagden, en kinderkens en vrouwen,
Zie de vervulling 2 Kron. 36:17 .
Hertaald:
Doodt ouden, jongelingen en maagden, en kinderkens en vrouwen,
Zie de vervulling in 2 Kron. 36:17.
op denwelken het teken is,
Dewijl dat van de uiterlijke straf enige getekenden mede geleden hebben, gelijk Jeremia, die in Egypte balling geworden is, en meer anderen, versta dit gelijk voren, van de geestelijke behoudenis ter zaligheid.
Hertaald:
op denwelken het teken is,
Omdat ook enkelen van de getekenden de uiterlijke straf mee ondergaan hebben, zoals Jeremia, die in Egypte balling werd, en anderen, moet dit net als hiervoor verstaan worden van de geestelijke behoudenis tot zaligheid.
begint
Te weten de doding.
Hertaald:
begint
Namelijk het doden.
van Mijn heiligdom
Dat is, van mijn tempel. Zie 2 Kron. 20:8 .
Hertaald:
van Mijn heiligdom
Dat is: van Mijn tempel. Zie 2 Kron. 20:8.
oude mannen,
Zie van dezen boven Ezech. 8:11 , en de aantekening.
Hertaald:
oude mannen,
Zie over hen hierboven Ezech. 8:11 met de aantekening.
huis waren
Dat is, voor den tempel. Alzo in het volgende.
Hertaald:
huis waren
Dat is: voor de tempel. Zo ook in het vervolg.
Verontreinigt het huis,
Hetwelk geschiedde door de dode lichamen, die daarin verslagen werden. Vergelijk Num. 19:11 ; 2 Kon. 23:16 .
Hertaald:
Verontreinigt het huis,
Wat gebeurde door de dode lichamen van hen die daarin verslagen werden. Vergelijk Num. 19:11; 2 Kon. 23:16.
de voorhoven met verslagenen;
Zie van beide de voorhoven, het binnenste en het buitenste, 1 Kon. 6:36 .
Hertaald:
de voorhoven met verslagenen;
Zie over beide voorhoven, het binnenste en het buitenste, 1 Kon. 6:36.
zij sloegen in de stad
Dat is, zij maakten een grote slachting van allerlei mensen door de ganse stad. Zie van het woord slaan voor doden genomen, Gen. 8:21 .
Hertaald:
zij sloegen in de stad
Dat is: zij richtten door de hele stad een grote slachting aan onder allerlei mensen. Zie over het woord slaan in de betekenis van doden Gen. 8:21.
hen geslagen hadden,
Te weten de inwoners van Jeruzalem.
Hertaald:
hen geslagen hadden,
Namelijk de inwoners van Jeruzalem.
ik overgebleven was,
Te weten menende alleen overgebleven te zijn. Vergelijk 1 Kon. 19:10 ; Rom. 11:3 .
Hertaald:
ik overgebleven was,
Namelijk in de mening dat hij alleen was overgebleven. Vergelijk 1 Kon. 19:10; Rom. 11:3.
op mijn aangezicht viel,
Te weten door grote verslagenheid voor Gods strenge wraak en door medelijden over het verslagen volk. Vergelijk Gen. 17:3 .
Hertaald:
op mijn aangezicht viel,
Namelijk uit grote verslagenheid over Gods strenge wraak en uit medelijden met het verslagen volk. Vergelijk Gen. 17:3.
Israël verderven,
Dat is, van Juda en Benjamin, en die van de andere stammen onder die mochten vermengd zijn. Zie 2 Kron. 21:2 , en de aantekening.
Hertaald:
Israël verderven,
Dat is: van Juda en Benjamin, en van hen uit de andere stammen die zich onder hen bevonden. Zie 2 Kron. 21:2 met de aantekening.
gans zeer groot,
Hebreeuws, is zeer zeer groot; dat is uitermate groot. Vergelijk Gen. 17:6 , Gen. 17:20 , onder Ezech. 16:13 .
Hertaald:
gans zeer groot,
Hebreeuws: is zeer zeer groot; dat is: uitermate groot. Vergelijk Gen. 17:6, Gen. 17:20, hieronder Ezech. 16:13.
bloed vervuld,
Hebreeuws, bloeden; dat is doodslagen en moorderijen. Zie Gen. 4:10 ; 1 Kon. 2:33 .
Hertaald:
bloed vervuld,
Hebreeuws: bloeden; dat is: doodslag en moord. Zie Gen. 4:10; 1 Kon. 2:33.
afwijking;
Of, verkeerdheid, of omkering, of buiging [des rechts].
Hertaald:
afwijking;
Of: verkeerdheid, of omkering, of buiging (van het recht).
want zij zeggen
Zie boven Ezech. 8:12 .
Hertaald:
want zij zeggen
Zie hierboven Ezech. 8:12.
Mijn oog zal niet verschonen,
Hij spreekt in den toekomenden tijd, omdat het voorverhaalde nog niet was geschied inderdaad, maar alleen in een gezicht, hetwelk in den geest van den profeet was ene afbeelding en voorzegging van hetgeen dadelijk te zijner tijd geschieden zou.
Hertaald:
Mijn oog zal niet verschonen,
Hij spreekt in de toekomende tijd, omdat wat verteld is nog niet werkelijk gebeurd was maar alleen in een gezicht, dat in de geest van de profeet een afbeelding en voorzegging was van wat te zijner tijd werkelijk zou gebeuren.
hun weg op hun hoofd geven
Dat is, hen straffen, gelijk zij met al hun boze werken verdiend hebben. Zie 1 Kon. 8:32 , en boven Ezech. 7:3 .
Hertaald:
hun weg op hun hoofd geven
Dat is: hen straffen zoals zij met al hun boze werken verdiend hebben. Zie 1 Kon. 8:32 en hierboven Ezech. 7:3.
Ik heb gedaan,
Vergelijk Ps. 40:9 ; Joh. 4:34 , en Joh. 5:30 , en Joh. 6:38 , en Joh. 17:4 .
Hertaald:
Ik heb gedaan,
Vergelijk Ps. 40:9; Joh. 4:34, Joh. 5:30, Joh. 6:38 en Joh. 17:4.
gelijk als Gij mij geboden hadt
Anders, naar alles dat, enz.
Hertaald:
gelijk als Gij mij geboden hadt
Anders: naar alles wat, enzovoort. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Voordat het oordeel begint, krijgt de man met de linnen klederen en de schrijversinktkoker een opdracht: "Ga door, door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een teken op de voorhoofden der lieden, die zuchten en uitroepen over al deze gruwelen, die in het midden derzelve gedaan worden" (Ezech. 9:4). Daarna gaan de anderen door de stad, en er staat bij: "genaakt aan niemand, op denwelken het teken is, en begint van Mijn heiligdom" (Ezech. 9:6). Wanneer het gebeurd is, valt de profeet op zijn aangezicht en vraagt: "zult Gij al het overblijfsel van Israel verderven?" (Ezech. 9:8). Bijbelse betekenis: Merk op waaraan de gespaarden herkend worden. Niet aan wat zij gedaan hebben en niet aan hun stand, maar aan wat hen bezighoudt: zij zuchten en roepen uit over de gruwelen. Verdriet over wat er misgaat in Gods huis is hier het kenmerk. Let vervolgens op waar het oordeel begint. Er staat: begint van Mijn heiligdom, en het begon bij de oude mannen die daarvóór stonden. Waar het meeste licht was, begint de rekening (reeds behandeld bij 1 Petr. 4:17). Let ten slotte op de vraag van de profeet in Ezech. 9:8. Hij bepleit het overblijfsel terwijl hij zojuist zelf gezien heeft hoe erg het was. Wie het scherpst ziet wat er mis is, kan tegelijk het hardst bidden dat God spaart. Typologie: Johannes ziet dat de knechten Gods verzegeld worden aan hun voorhoofden voordat de aarde beschadigd wordt (Op. 7:3). Ook daar gaat het merken vooraf aan het oordeel. Ezech. 9:1-11; 1 Petr. 4:17; Op. 7:3 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen uitwerking Ezechiël heeft in het vorige gezicht de gruwelen in de tempel zelf gezien. Nu worden er zes mannen geroepen met verbrijzelend geweer in de hand, en één die geen wapen draagt maar een schrijversinktkoker. Voor er geslagen wordt, gaat er iemand rond om mensen te merken — en wie het merk draagt, wordt niet aangeraakt. Het gezicht begint met een beweging die door dit deel van Ezechiël loopt: de heerlijkheid van de God van Israël heft zich op van de cherub en gaat naar de dorpel van het huis. God staat op het punt te vertrekken. En het eerste wat Hij vandaar beveelt, is niet het slaan maar het merken. De man met de inktkoker krijgt de opdracht: “Ga door, door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een teken op de voorhoofden der lieden, die zuchten en uitroepen over al deze gruwelen.” Zij worden dus niet gemerkt omdat zij beter zijn, maar omdat zij bedroefd zijn. De kanttekening zegt wie zij waren: het overblijfsel van Gods volk, schuilende onder dat afvallige geslacht. Dan pas komen de zes: gaat door, slaat, ulieder oog verschone niet. En daar staat de zin waar alles op uitloopt: “maar genaakt aan niemand, op denwelken het teken is, en begint van Mijn heiligdom.” Dat is de vorm die de verlossing in de Schrift telkens aanneemt. Het oordeel gaat werkelijk door — er wordt niets afgezwakt. Maar er is een merkteken, en waar dat is, gaat het voorbij. In Egypte was dat bloed aan de deurpost, en de HEERE zei: wanneer Ik het bloed zie, zal Ik ulieden voorbij gaan. Bij Rachab was het een scharlaken snoer in het venster. En de kanttekening bij het merken van Lot merkt op dat het doden niet mocht beginnen voordat degenen die behouden moesten worden getekend waren. De kanttekening waarschuwt er wel bij hoe dit teken verstaan moet worden: het is niet lichamelijk geschied door een zichtbaar merk aan het lichaam, maar geestelijk, door een onzienlijk teken dat de ware gelovigen van alle huichelaars onderscheidt. Zij verwijst daarbij zelf naar Openbaring 7. Daar keert het beeld namelijk terug, en dan met een reden erbij: beschadigt de aarde niet, totdat wij de dienstknechten van onze God zullen verzegeld hebben aan hun voorhoofden. Wat Ezechiël in een gezicht zag, staat daar als een uitstel: eerst tekenen, dan pas de rest. En er staat nog iets bij dat men niet verwacht: begint van Mijn heiligdom. Het oordeel begint niet bij de heidenen buiten de stad maar bij het huis van God. Petrus zegt hetzelfde in één zin, en hij noemt het de tijd dat het oordeel begint van het huis Gods. In het Nieuwe Testament: Exodus 12:13; Openbaring 7:3; Openbaring 9:4; 1 Petrus 4:17; Jozua 2:18; Genesis 19:22 Hoever dit reikt: Het teken is volgens de kanttekening geen zichtbaar merk maar een geestelijk onderscheid; het hele hoofdstuk is een gezicht. Dat Openbaring 7 hier bewust op teruggrijpt, wordt door de kanttekening als vergelijking aangewezen en niet als aanhaling. Wie het teken ontvangen, zijn niet de onschuldigen maar de bedroefden — dat staat er met zoveel woorden.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Op versmade barmhartigheid is altijd verdiende toorn gevolgd, en zo zal het ook zijn aan het einde van alle dingen. En ik was overgebleven. Ezech. 9:8 Nooit valt de betekenis van het behoud van het eeuwig verderf ons helderder in de ogen, dan wanneer het onszelf betreft. Dan… De ongerechtigheid van het huis van Israël en Juda is zeer groot. Ezechiël 9:9 Het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. 1 Joh. 1:7 We… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Ezechiël 9
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Een teken op de voorhoofden — 9:3-6
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
Het grootste wonder
Het kwaad en het geneesmiddel ertegen


Ezechiël 9
Ezechiël 9:8.KruisverwijzingenEzechiël 11:13→Jozua 7:6→1 Kronieken 21:16→Numeri 14:5→Ezechiël 4:14→Numeri 16:4→Numeri 16:21→Genesis 18:23→
— Het geschiedde nu, als zij hen geslagen hadden, en ik overgebleven was, dat ik op mijn aangezicht viel, en riep, en zeide: Ach, Heere HEERE, zult Gij al het overblijfsel van Israel verderven, met Uw grimmigheid uit te gieten over Jeruzalem?
“Het geschiedde nu, als zij hen geslagen hadden, en ik overgebleven was, dat ik op mijn aangezicht viel, en riep, en zeide: Ach, Heere HEERE, zult Gij al het overblijfsel van Israel verderven, met Uw grimmigheid uit te gieten over Jeruzalem?”
De zaligheid schittert een mens nooit zo helder in de ogen als wanneer zij tot hemzelf komt. Dan pas is de goddelijke genade werkelijk luisterrijk: wanneer wij haar met goddelijke kracht aan onszelf zien werken. Naar ons eigen besef is ons eigen geval altijd het meest hopeloze, en daarom is de barmhartigheid die aan óns bewezen wordt de meest buitengewone. Wij zien anderen omkomen en verwonderen ons dat hetzelfde lot ons niet getroffen heeft. De ontzetting over de ondergang die wij vreesden en onze innige blijdschap over de zekerheid van de behoudenis in Christus verenigen zich met ons eigen besef van onwaardigheid. Dan roepen wij verbaasd uit: en ik ben overgebleven!
Ezechiël zag in een gezicht hoe mannen op het bevel van de goddelijke gerechtigheid links en rechts neersloegen. En terwijl hij ongedeerd tussen de hopen verslagenen stond, riep hij verwonderd uit: ik ben overgebleven. De dag kan komen dat ook wij met plechtige blijdschap zullen roepen: ook ík ben door soevereine genade gespaard, terwijl anderen omkomen. Bijzondere genade zal ons doen verwonderen.
Lees het verhaal van de grove afgoderij van het volk van Jeruzalem in het achtste hoofdstuk van Ezechiëls profetie. Dan zult u zich niet verbazen over het oordeel waarmee de HEERE de stad ten slotte omkeerde. Laten wij ons hart erop zetten te overwegen hoe de HEERE met dat schuldige volk gehandeld heeft. De verwoesting die deze scherprechters aanrichtten, was snel en verschrikkelijk, en zij was een voorbeeld van andere plechtige bezoekingen.
Door heel de geschiedenis heen ziet het opmerkzame oog lijnen van gerechtigheid. Het zijn rode strepen op de bladzijde, waar de Rechter van heel de aarde ten slotte een verschrikkelijke bezoeking nodig achtte over een schuldig volk. Al die vroegere vertoningen van goddelijke wraak wijzen vooruit naar het komende oordeel, dat nog vollediger en nog overweldigender zijn zal. Het verleden is profetisch voor de toekomst.
Er komt zeker een dag waarop de Heere Jezus, Die eenmaal kwam om te behouden, een tweede maal neerdalen zal om te oordelen. Wanneer de zondaars geslagen worden, wie zal er dan overblijven? Hij zal de weegschaal van de gerechtigheid opheffen en het zwaard van de voltrekking ontbloten. Wanneer Zijn wrekende engelen de oogst van de aarde inzamelen, wie van ons zal dan in verwonderde dankbaarheid uitroepen: ik ben alleen overgebleven?
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
III. Vs. 1-11.KruisverwijzingenOpenbaring 9:4→Openbaring 14:1→2 Korinthe 1:22→Openbaring 7:2→Ezechiël 11:13→Ezechiël 10:4→Psalmen 119:53→Jeremia 13:17→
— Daarna riep Hij voor mijn oren met luider stem, zeggende: Doet de opzieners der stad naderen, en elkeen met zijn verdervend wapen in zijn hand. En ziet, zes mannen kwamen van den weg der Hoge poort, die gekeerd is naar het noorden, en elkeen met zijn verpletterend wapen in zijn hand; en een man in het midden van hen was met linnen bekleed, en een schrijvers-inktkoker was aan zijn lenden; en zij kwamen in, en stonden bij het koperen altaar. En de heerlijkheid des Gods van Israel hief zich op van den cherub, waarop Hij was, tot den dorpel van het huis; en Hij riep tot den man, die met linnen bekleed was, die de schrijvers-inktkoker aan zijn lenden had. En de HEERE zeide tot hem: Ga door, door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een teken op de voorhoofden der lieden, die zuchten en uitroepen over al deze gruwelen, die in het midden derzelve gedaan worden. Maar tot die anderen zeide Hij voor mijn oren: Gaat door, door de stad achter hem, en slaat, ulieder oog verschone niet, en spaart niet! Doodt ouden, jongelingen en maagden, en kinderkens en vrouwen, tot verdervens toe; maar genaakt aan niemand, op denwelken het teken is, en begint van Mijn heiligdom. En zij begonnen van de oude mannen, die voor het huis waren. En Hij zeide tot hen: Verontreinigt het huis, en vervult de voorhoven met verslagenen; gaat henen uit. En zij gingen henen uit, en zij sloegen in de stad. Het geschiedde nu, als zij hen geslagen hadden, en ik overgebleven was, dat ik op mijn aangezicht viel, en riep, en zeide: Ach, Heere HEERE, zult Gij al het overblijfsel van Israel verderven, met Uw grimmigheid uit te gieten over Jeruzalem? Toen zeide Hij tot mij: De ongerechtigheid van het huis van Israel en van Juda is gans zeer groot, en het land is met bloed vervuld, en de stad is vol van afwijking; want zij zeggen: De HEERE heeft het land verlaten, en de HEERE ziet niet. Daarom ook, wat Mij aangaat, Mijn oog zal niet verschonen, en Ik zal niet sparen; Ik zal hun weg op hun hoofd geven.
Van het zo even verkondigde gericht over Jeruzalem en Juda wordt nu den Profeet het eerste bedrijf in een gezicht getoond. Op bevel van den Heere, die den afval van Zijn volk wil bezoeken, verschenen er zes in getal, de dienaars Zijner gerechtigheid, en in hun midden één in linnen gekleed-de eerste met werktuigen der verwoesting in de hand, deze met schrijfgereedschap aan de zijde. Zij treden naast het koperen altaar, en aan den drempel van het heiligdom verschijnt de heerlijkheid des Heeren, die aan den met linnen bekleden hare bevelen geeft. Te midden der uitvoering treedt de Profeet met zijne voorspraak tussen beide, zonder echter een ander antwoord dan heenwijzing op de grootte en zwaarte van Israëls schuld te verkrijgen, welke aan gericht zonder verschoning vordert.
Daarna riep Hij, de Heere, na het in Hoofdst. 8:17 vv. berichte tot mij te hebben gesproken, voor mijne oren met luider stem, zeggende: Doet de opzieners der stad naderen; nadert gij, die geroepen zijt tot Mijnen heiligen wil te volbrengen, gij die het bevel hebt over deze stad, om haar te doen ontvangen wat zij grotelijks heeft verdiend, en elkeen onder u met zijn verdervend wapen in zijne hand, om daarmee de stad te slaan. (vs. 5).
En ziet, zes mannen kwamen van den weg der Hoge poort, die gekeerd is naar het noorden, van de noordpoort van het bovenste (Jer. 36:10) of het priesterlijke voorhof af, en elkeen met zijn verpletterend wapen in zijne hand; en één man in het midden van hen, een zevende, als hun legeraanvoerder (Joz. 5:14), was met linnen bekleed, en eens schrijvers inktkoker (Pred. 6:4) was aan zijne lenden 1) in den gordel aan de heup (Jer. 13:11); en zij kwamen in tot in het midden van het priester-voorhof, en stonden bij het koperen altaar (Hoofdst. 8:4).
Het is onze Hogepriester, die met heerlijkheid bekleed is, want dat werd betekend door het fijne linnen. Als Profeet draagt Hij des schrijvers inktkoker, het boek des levens is het boek des Lams; de grote dingen der Wet en des Evangeliums, welke God voor ons beschreven heeft, zijn van Zijn geschrift, want het is de Geest van Christus, die in de schrijvers der Schriftuur tot ons getuigt en de Bijbel is de openbaring van Jezus Christus.
En de heerlijkheid des Gods van Israël hief zich op van den Cherub, waarop Hij was, de Schechina begaf Zich uit het allerheilige, waar zij boven de Cherubim haren troon had (1 (Kon. 8:12), tot den dorpel van het huis, 1) om van hier, den ingang van den tempel, hare bevelen uit te delen (Num. 14:10; 16:19); en Hij riep tot den man, die met linnen bekleed was, die des schrijvers inktkoker aan zijne lenden had.
Hiermee wil God aanduiden, dat Hij Zijn volk, Zijn huis zou verlaten en als Rechter optreden over Zijn volk. Zolang de Heere nog in het midden van Zijn volk woonde, Zijn vriendelijke Aangezicht over Zijn volk liet lichten, was er nog hoop op behoud en redding; maar als God Zijn volk verlaat en Zich terugtrekt, is redding onmogelijk en het verderf gewis.
En de HEERE zei tot hem: Ga door, door het midden der stad; door het midden van Jeruzalem, en teken een teken, een Tau, in den vorm van een kruis (Matth. 27:31), op de voorhoofden der lieden, die zuchten en uitroepen over al die gruwelen, die in het midden derzelve gedaan worden (Openb. 7:1 vv. 2 Petr. 2:7 vv. Pe).
Maar tot die anderen de zes mannen (vs. 2), zei Hij voor mijne oren: Gaat door, door de stad achter hem, en slaat! ulieder oog verschone niet, en spaart niet.
Doodt ouden, jongelingen, en maagden; en kinderkens, en vrouwen, tot verdervens toe, allen geheel en al dood, maar genaakt aan niemand, op denwelken het teken (vs. 4) is, en begint van Mijn heiligdom (1 Petr. 4:17). En zij begonnen van de oude mannen, die voor het huis waren, met de 25 (Hoofdst. 8:16).
En Hij zei tot hen, als zij zich naar het buitenste voorhof wendden, om de klagende vrouwen (8:14) en de zeventig oudsten (8:11) te slaan: Verontreinigtzonder enige bedenking het huis, en vervult de voorhoven met verslagenen, want het gehele heiligdom is den ondergang gewijd, gaat vervolgens henen, wanneer gij uw werk aan het heiligdom (vs. 6) hebt volbracht, uit naar de stad, om ook daar te doen waartoe gij geroepen zijt. ” En zij gingen, om hier op eens het bericht over hun gehele werkzaamheid te geven, henen uit en zij sloegen in de stad. De zes mannen in vs. 2 kunnen slechts engelen in mensengedaante zijn, welke zij moeten aannemen om voor den Profeet zichtbaar te zijn; want alleen zo passen zij als gevolg van den in linnen gekleden, die volgens zekere gronden geen ander is dan de Engel des Heeren (Gen. 16:7; 18:2, 9 vv. 17 vv. 19:17 vv. De mannen komen van het noorden, omdat van daar de aardse vijanden moesten komen, waarvan zich de eigenlijke factoren, de hemelse machten als van hun werktuigen bedienen (Hoofdst. 1:4 Jer. 1:14). De kleding van den enen in linnen is die van den aardsen hogepriester (Lev. 16:4, 23), maar de Engel des verbonds (Mal. 3:1) is de hemelse Hogepriester, die in Zach. 1:12 de voorbede voor het verbondsvolk voordraagt, en wien de Heere daar goede troostvolle woorden antwoordt. Men heeft echter den in linnen gekleden, niet alleen geroepen tot het werk der redding van de vromen, niet te denken als in tegenstelling tegen de 6 dienaren der gerechtigheid staande. De bescherming der vromen is zijn privilegium maar ook het werk der wraak staat onder zijn presidium. De zes moeten als hem onvoorwaardelijk ondergeschikten het werk der verwoesting alleen volgens Zijne opdracht en onder zijn gezag volvoerende, beschouwd worden. Hij heeft een schrijfgereedschap aan zijne heup (de oosterlingen dragen nog heden veel het schrijfgereedschap aan den gordel aan de zijde). Het dient, om de voorhoofden der verkorenen te tekenen; het is alleen de vraag, of het tevens dient tot inschrijving in het boek des levens, waaraan in Ex. 32:32 gedacht wordt. Waarschijnlijk is dit zeker, vooral om de hoofdplaats Jes. 4:3. Diensvolgens zal het inschrijven in het boek des levens als het oorspronkelijke moeten worden beschouwd, de tekening der voorhoofden als van die plaats, waar het teken het gemakkelijkst wordt gezien, alleen als een gevolg. Een teken aan hand of voorhoofd ingeprikt of ingebrand, diende oudtijds dikwijls om een knecht of lijfeigene als eigendom zijns meesters te doen kennen. Zulk een teken (zegel of merk) komt in apocalyptische taal dikwijls voor om de knechten Gods en ook in tegengesteld geval de knechten van den antichrist aan te duiden. Voor de knechten Gods dient zodanig teken om hen voor het strafgericht te behoeden (Openb. 8:3-8), voor de knechten van den Antichrist (zie Openb. 13:16, 17; 14:9, 11). Men heeft gevraagd, welk het herkenningsteken kan geweest zijn, dat de Heere den Zijnen aan het voorhoofd heeft doen schrijven. Maar vermits de ganse handeling zinnebeeldig in het gezicht geschiedt, om aan te duiden dat de Heere de Zijnen kent, zo heeft dergelijke vraag gene waarde. Al het belang, dat zij voor Christenen heeft kunnen bezitten, is daaruit geboren, dat men heeft gemeend, dat dit teken het kruis zou geweest zijn en dat daarin ene profetie zou zijn gelegen geweest van het teken des kruises tot herkenningsteken der Christenen, dat op het verlossend sterven van Christus heenwijst. Deze mening wordt daardoor gestaafd, dat het Hebr. woord voor teken hij Ezechiël Tav is, maar dit woord ook den Hebr. Tau aanduidt, die in het Fenicisch alphabeth en ook op de Joodse munten de gedaante van een kruis heeft, waarvan de Grieken en Romeinen den vorm van hun T. ontleend hebben. Hoe weinig zich nu hieruit laat bewijzen dat Ezechiël hier waarlijk aan dit teken zal hebben gedacht, zo blijft desniettemin deze omstandigheid opmerkelijk voor den opmerkzamen beschouwer van de wegen Gods, wiens raad het alles te weeg brengt en bepaald heeft. Sedert Tertullianus hebben de Christelijke kerkleraars hieraan dan ook gehecht. De Heilige Geest is eigenlijk het ware zegel en teken, waarmee de gelovigen door God worden getekend, en vervolgens het kruis, zolang zij nog in de strijdende kerk zijn. Wanneer ons Petrus het geduld van Lot aanbeveelt, zegt hij, dat zijn hart gekweld is, zolang hij in Sodom leefde; hij kon als een enkele, die daarenboven nog vreemd was, de geheel verdorvenen niet tot nadenken brengen, maar hij werd bij de schandelijkheid van zovele gruwelen niet verhard, maar zuchtte steeds voor God en was in bestendige treurigheid. Daarentegen is het zeker een bewijs van grote slaperigheid, wanneer wij zien, dat de heilige naam Gods wordt veracht, en men toch van gene smart wordt aangegrepen. Het is daarom geen wonder, wanneer wij in de straffen van die zonden begrepen worden, die wij door ons toezien voeden; want die vermaning mag wel in het oog worden gehouden, dat de ijver voor het huis Gods ons moet verteren en de smadingen dergenen, die God smaden, op ons vallen. Het tekenen, de symbolische uitdrukking der waarheid, dat God in grote gerichten over de Zijnen de beschermende hand Zijner genade houdt, en de godzaligen uit de verzoeking weet te verlossen (2 Petr. 2:9), beveiligt niet tegen elk deel verkrijgen van aan het Goddelijk gericht-dat zou met het wezen der Goddelijke gerechtigheid niet overeenstemmen, daar ook de uitverkorenen door het heersende bederf dikwijls worden besmet (Jes. 6:5); het verzekert alleen tegen het weggesleurd worden met de bozen (Ps. 28:3), tegen een kwaden dood, en alles wat met den regel in tegenspraak zou zijn: “dengenen, die God liefhebben moeten alle dingen medewerken ten goede (Rom. 8:28). Een voorbeeld dezer symbolische profetie hebben wij in Jeremia, die bij de inneming der stad in het leven bewaard werd. De ouden gaan de jongen in het oordeel voor, omdat zij de jongeren niet in het goede voorbeeld zijn voorgegaan (2 Kron. 36:17). Bij het huis Gods te staan is een zalige, ook veilige stand, maar ook de gevaarlijkste stand, wanneer het huichelarij is-ja in dit geval is de godsdienst geen bliksemafleider, maar wat de boom in het onweder is, die daar onder zijn worden zeker getroffen.
Het geschiedde nu, als zij hen geheel geslagen hadden, in de eerste plaats in den tempel, de plaats waar ik hun doden mede kon aanzien, en ik aan al degenen, die zich in het heiligdom bevonden (vs. 6) alleen overgebleven was, dat ik op mijn aangezicht viel en riep en zei: “Ach Heere HEERE! zult Gij al het overblijfsel van Israël verderven, met Uwe grimmigheid uit te gieten over Jeruzalem? 1)
Hij sprak als iemand, die het verderf ter nauwernood ontkomen was, en zulke aan Gods goedheid, niet aan Zijne verdiensten toeschrijvende. De beste heiligen moeten zichzelven verplicht rekenen aan de sparende barmhartigheid, dat zij niet verteerd zijn. En wanneer verwoestende oordelen voor de deur zijn en menigten door deze gevallen, moet het ene grote gunst gerekend worden, indien ons leven ons tot een buit wordt gegeven, want wij hadden rechtvaardiglijk kunnen omkomen, met degenen, die omkomen. Ezechiël voelt zich geheel verslagen om de oordelen Gods die zijn volk treffen. Hij voelt zijn eigen onwaardigheid, maar daardoor wordt bij als gedrongen om voor zijn volk in de bresse te treden. De beste pleiters voor land en volk zijn zij, die zich met de zonde en schuld van land en volk solidair weten. Waar God hen spaarde, daar leerden zij pleiten op de ontfermende genade Gods.
Toen zei Hij tot mij: De ongerechtigheid van het huis van Israël en van Juda is gans zeer groot, en het land is met bloed vervuld, en de stad is vol van afwijking; want zij zeggen: De HEERE heeft het land verlaten, en de HEERE ziet niet. 1) (Hoofdst. 8:12 en 17).
Dit laatste heeft dezelfde betekenis als Hoofdst. 8:12. De goddelozen zeggen hiermee ronduit, dat de Heere het niet ziet en de Heere het niet hoort. Daarom is het land vol afwijking, vol Godverlating, en daarom zal de Heere niet verschonen. Hij zal gerechtvaardigd worden ook in de uitvoering van Zijne oordelen, gelijk Hij verheerlijkt wordt in de oefening Zijner barmhartigheid. Als de Profeet zegt dat er niemand overgebleven is, dan wil dit niet zeggen dat er geen overgeblevenen zijn, maar dat dit getal zeer klein is. Als toch de man met linnen bekleed, in naam van al de zeven zegt dat Hij heeft uitgevoerd, wat Hem geboden is, den ligt daarin opgesloten, dat Hij geslagen heeft, die niet met het teken des kruises waren begiftigd.
Daarom ook, gelijk reeds meermalen is gezegd (Hoofdst. 7:4, 9; 18:8), wat Mij aangaat, Mijn oog zal niet verschonen, en Ik zal niet sparen; Ik zal hunnen weg op hun hoofd geven(vgl. Jer. 10:1).
En ziet, de man, die met linnen bekleed was, aan wiens lenden de inktkoker was (vs. 2), bracht bescheid weer, als hij opdat ogenblik met de zes mannen van het slaan in de stad terugkeerde (vs. 7, zeggende: Ik heb gedaan, gelijk als Gij mij geboden hadt (vs. 3 vv.); de tekening (vs. 4) kon echter alleen op ene voor mensenogen onkenbare wijze geschieden. In vs. 7 is het bericht over hetgeen de zes volvoerders van het gericht deden, als op eens gegeven, zo als wij dit ook in de verklaring hebben aangemerkt. De Profeet gaat nu tot dat ogenblik terug, dat het slaan voor zijne ogen, d. i. in den tempel zelven of zijn binnenste of buitenste voorhof ten einde is, en nu het slaan daar buiten in de stad zou plaats hebben. Hier in den tempel is niemand met het teken voorzien, zij allen, die daar waren, verslagen, en hij alleen is slechts overig. Dat ook hij, hoewel bestemd om gespaard te worden, toch met het teken niet is voorzien, verwondert hem niet, want eensdeels komt hij als Profeet, die het gezicht aanschouwt, alleen als toeschouwer, niet als deelnemer van het gericht in beschouwing, en aan de andere zijde behoort hij toch voor zijn persoon niet meer tot de inwoners van Jeruzalem en tot de priesters in den tempel, maar tot de reeds weggevoerden. Dat nu bij dit aangrijpen van het heiligdom (vs. 6) in het geheel gene verschoning kon plaats hebben (zich zelven rekent hij verder niet), doet hem vrezen voor de stad, dat ook hier alles zal worden nedergehouwen. Hij begint op gelijke wijze met den Heere te onderhandelen als Abraham bij het gericht over de steden van het Siddimdal (Gen. 18:22 vv.). Hij noemt de bewoners van Jeruzalem en het land van Juda, “het overblijfsel van Israël. ” Zij zijn inderdaad ook de overgeblevenen of de verschoonden van de gerichten, die tot hiertoe plaats hadden. 1) in betrekking tot het gehele volk, want na de verdelging der 10 stammen is alleen Juda met Jeruzalem overig; 2) maar ook ten opzichte van Juda zelf, want met deze heeft reeds tweemalen ene deportatie plaats gehad, de ene in het jaar 606, de tweede in het jaar 598 v. C. Wat nu Ezechiëls voorspraak op zichzelve aangaat, vindt hier Lavaters opmerking ene plaats: “hoe wreed ook den Joden de Profeten mochten voorkomen om hun dreigingen en strafpredikatiën, zo waren zij toch niet minder hun vrienden, daar zij voor hun volk niet alleen nauwlettend hadden zorg gedragen, maar ook ernstige voorbede hadden gedaan-zo Mozes, Samuël, Jeremia. ” Wij zouden ons echter kunnen verwonderen, dat hij in ‘t geheel gene opheldering ontvangt of en hoevele de man in linnen en met het schrijfgereedschap aan zijne zijde met het teken aan hun voorhoofd heeft kunnen voorzien, dat hem op zijne voorspraak zelfs geen vertroostend woord ten deel werd, het gehele antwoord des Heeren integendeel zo is, als of allen te zamen tot verdelging bestemd waren. Dit heeft zeker zijne goede reden. Dezulken, die het teken moesten ontvangen, die zich namelijk niet alleen voor het kwaad hebben gewacht, maar die zuchten en jammeren over alle gruwelen, die te Jeruzalem en in het land plaats hebben (vs 4), waren er slechts zeer weinigen, en ook aan deze kan het deel hebben aan het gericht alleen in den boven ontwikkelden zin worden bespaard. terwijl in den algemenen zin, in het slaan der 6 mannen in zich sluit, het gericht ook hen moet treffen. Tevens ligt ook in het zwijgen over ene werkelijke tekening met den Tav ene middelijke aanwijzing, dat de eigenlijke redding, die door het kruis van Christus nog niet aanwezig is, dat de eeuwige verlossing nog niet is gevonden, maar nog ene zaak der toekomst is. Slechts deze is voor het gericht der profetie aanwezig, daar door deze de toekomstige redding zal worden bewerkt, namelijk in Hem, die aan het slot van Zijn woord vermeldt: “Ik heb gedaan, gelijk als Gij Mij geboden hadt, ” het zal niet missen, of Hij zal te Zijner tijd de eeuwige verlossing aanbrengen. Het gehele voorval moet dus worden opgevat naar hetgeen in 1 Petr. 1:10 v. wordt gezegd.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel