Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En gij, mensenkindH1121, neemH3947 u een tichelsteenH3843, en legH5414 dien voor uw aangezichtH6440, en bewerpH2710 daarop de stadH5892 JeruzalemH3389.
En gij, mensenkind, neem u een tichelsteen, en leg dien voor uw aangezicht, en bewerp daarop de stad Jeruzalem.
KJV
Thou also, son2
of man,3
take4
thee a tile,6
and lay7
it before9
thee, and pourtray10
upon it the city,12
even Jerusalem:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En maakH5414 een belegeringH4692 tegen haar, en bouwH1129 tegenH5921 haar sterktenH1785, en werpH8210 tegenH5921 haar een walH5550 op, en stelH5414 legersH4264 tegen haar, en zetH7760 tegenH5921 haar stormrammenH3733 rondomH5439.
En maak een belegering tegen haar, en bouw tegen haar sterkten, en werp tegen haar een wal op, en stel legers tegen haar, en zet tegen haar stormrammen rondom.
KJV
And lay1
siege3
against it, and build4
a fort6
against it, and cast7
a mount9
against it; set10
the camp12
also against it, and set13
battering rams15
against it round about.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Verder, neemH3947 gij u een ijzerenH1270 panH4227, en stelH5414 ze totH413 een ijzerenH1270 muurH7023 tussenH996 u en tussenH996 die stadH5892; en richtH3559 uw aangezichtH6440 tegen haar, dat zij in belegeringH4692 kome, en gij zult ze belegerenH6696. Dit zij den huizeH1004 IsraelsH3478 een tekenH226.
Verder, neem gij u een ijzeren pan, en stel ze tot een ijzeren muur tussen u en tussen die stad; en richt uw aangezicht tegen haar, dat zij in belegering kome, en gij zult ze belegeren. Dit zij den huize Israels een teken.
KJV
Moreover take2
thou unto thee an iron5
pan,4
and set6
it for a wall8
of iron9
between thee and the city:12
and set13
thy face15
against it, and it shall be besieged,18
and thou shalt lay siege19
against it. This shall be a sign21
to the house23
of Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Lig gij ook neder opH5921 uw linkerzijdeH8042, en legH7760 daarop de ongerechtigheidH5771 van het huisH1004 IsraelsH3478, naar het getalH4557 der dagenH3117, datH834 gij daarop zult liggenH7901, zult gij hun ongerechtigheidH5771 dragenH5375.
Lig gij ook neder op uw linkerzijde, en leg daarop de ongerechtigheid van het huis Israels, naar het getal der dagen, dat gij daarop zult liggen, zult gij hun ongerechtigheid dragen.
Ook in dit vers
Lig nederH7901
KJV
Lie2
thou also upon thy left5
side,4
and lay6
the iniquity8
of the house9
of Israel10
upon it: according to the number12
of the days13
that thou shalt lie15
upon it thou shalt bear17
their iniquity.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Want IkH589 heb u gegevenH5414 de jarenH8141 hunner ongerechtigheidH5771, naar het getalH4557 der dagenH3117, driehonderdH7969 en negentigH8673 dagenH3117, dat gij de ongerechtigheidH5771 van het huisH1004 IsraelsH3478 dragenH5375 zult.
Want Ik heb u gegeven de jaren hunner ongerechtigheid, naar het getal der dagen, driehonderd en negentig dagen, dat gij de ongerechtigheid van het huis Israels dragen zult.
KJV
For I have laid2
upon thee the years5
of their iniquity,6
according to the number7
of the days,8
three9
hundred10
and ninety11
days:12
so shalt thou bear13
the iniquity14
of the house15
of Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Als gij nu dezeH428 voleindenH3615 zult, ligH7901 ten anderen maleH8145 neder opH5921 uw rechterzijdeH3233, en gij zult de ongerechtigheidH5771 van het huisH1004 van JudaH3063 dragenH5375 veertigH705 dagenH3117; Ik heb u gegevenH5414 elken dagH3117 voor elk jaarH8141.
Als gij nu deze voleinden zult, lig ten anderen male neder op uw rechterzijde, en gij zult de ongerechtigheid van het huis van Juda dragen veertig dagen; Ik heb u gegeven elken dag voor elk jaar.
KJV
And when thou hast accomplished1
them,3
lie4
again8
on thy right7
side,6
and thou shalt bear9
the iniquity11
of the house12
of Judah13
forty14
days:15
I have appointed20
thee each day16
for a year.17
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Daarom zult gij uw aangezichtH6440 richtenH3559 tegen de belegeringH4692 van JeruzalemH3389, en uw armH2220 zal ontblootH2834 zijn; en gij zult tegen haar profeterenH5012.
Daarom zult gij uw aangezicht richten tegen de belegering van Jeruzalem, en uw arm zal ontbloot zijn; en gij zult tegen haar profeteren.
KJV
Therefore thou shalt set4
thy face5
toward the siege2
of Jerusalem,3
and thine arm6
shall be uncovered,7
and thou shalt prophesy
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En zietH2009, Ik zal dikke touwenH5688 aan u leggenH5414, dat gij u nietH3808 omkeertH2015 van uw ene zijde tot uw andere zijde, totdatH5704 gij de dagenH3117 uwer belegeringH4692 voleindH3615 hebt.
En ziet, Ik zal dikke touwen aan u leggen, dat gij u niet omkeert van uw ene zijde tot uw andere zijde, totdat gij de dagen uwer belegering voleind hebt.
KJV
And, behold, I will lay2
bands4
upon thee, and thou shalt not turn6
thee from one side7
to another,9
till thou hast ended11
the days12
of thy siege.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En neemtH3947 gij voor u tarweH2406, en gerstH8184, en bonenH6321, en linzenH5742, en gierst, en speltH3698; en doe die in eenH259 vatH3627, en maakH6213 die u tot broodH3899; naar het getalH4557 der dagenH3117, dieH834 gijH859 opH5921 uw zijde nederliggenH7901 zult, driehonderdH7969 en negentigH8673 dagenH3117, zult gij dat etenH398.
En neemt gij voor u tarwe, en gerst, en bonen, en linzen, en gierst, en spelt; en doe die in een vat, en maak die u tot brood; naar het getal der dagen, die gij op uw zijde nederliggen zult, driehonderd en negentig dagen, zult gij dat eten.
Ook in dit vers
heerseH1764
KJV
Take2
thou also unto thee wheat,4
and barley,5
and beans,6
and lentiles,7
and millet,8
and fitches,9
and put10
them in one13
vessel,12
and make14
thee bread17
thereof, according to the number18
of the days19
that thou shalt lie22
upon thy side,24
three25
hundred26
and ninety27
days28
shalt thou eat
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Uw spijzeH3978 nu, dieH834 gij etenH398 zult, zal in gewichtH4946 zijn twintigH6242 sikkelenH8255 daagsH3117; van tijdH6256 totH5704 tijdH6256 zult gij die etenH398.
Uw spijze nu, die gij eten zult, zal in gewicht zijn twintig sikkelen daags; van tijd tot tijd zult gij die eten.
KJV
And thy meat1
which thou shalt eat3
shall be by weight,4
twenty5
shekels6
a day:7
from time8
to time10
shalt thou eat
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Gij zult ook waterH4325 naar zekere maatH4884 drinkenH8354, het zesdeH8345 deel van een hinH1969; van tijdH6256 totH5704 tijdH6256 zult gij het drinkenH8354.
Gij zult ook water naar zekere maat drinken, het zesde deel van een hin; van tijd tot tijd zult gij het drinken.
KJV
Thou shalt drink3
also water1
by measure,2
the sixth part4
of an hin:5
from time6
to time8
shalt thou drink.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
En gij zult een gerstekoekH8184 etenH398, en dienH1931 zult gij met drekH1561 van des mensenH120 afgangH6627 bakkenH5746 voor hun ogenH5869.
En gij zult een gerstekoek eten, en dien zult gij met drek van des mensen afgang bakken voor hun ogen.
KJV
And thou shalt eat3
it as barley2
cakes,1
and thou shalt bake8
it with dung5
that cometh out6
of man,7
in their sight.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
En de HEEREH3068 zeideH559: Alzo zullen de kinderenH1121 IsraelsH3478 hun broodH3899 onreinH2931 etenH398 onder de heidenenH1471, waarhenen Ik hen verdrijvenH5080 zal.
En de HEERE zeide: Alzo zullen de kinderen Israels hun brood onrein eten onder de heidenen, waarhenen Ik hen verdrijven zal.
KJV
And the LORD2
said,1
Even thus shall the children5
of Israel6
eat4
their defiled9
bread8
among the Gentiles,10
whither I will drive
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Toen zeideH559 ik: AchH162, HeereH136, HEEREH3069, zieH2009, mijn zielH5315 is nietH3808 verontreinigdH2930 geweest; want ik heb, van mijn jeugdH5271 af tot nuH6258 toe, geen dood aasH5038, noch dat verscheurdH2966 is, gegetenH398, en geenH3808 verfoeilijkH6292 vleesH1320 is in mijn mondH6310 gekomenH935.
Toen zeide ik: Ach, Heere, HEERE, zie, mijn ziel is niet verontreinigd geweest; want ik heb, van mijn jeugd af tot nu toe, geen dood aas, noch dat verscheurd is, gegeten, en geen verfoeilijk vlees is in mijn mond gekomen.
KJV
Then said1
I, Ah2
Lord3
GOD!4
behold, my soul6
hath not been polluted:8
for from my youth13
up even till now have I not eaten12
of that which dieth of itself,9
or is torn in pieces;10
neither came17
there abominable20
flesh19
into my mouth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
En Hij zeideH559 totH413 mij: ZieH7200, Ik heb u rundermestH1241 gegevenH5414 voorH8478 mensendrekH120, zo zult gij uw broodH3899 daarmede bereidenH6213.
En Hij zeide tot mij: Zie, Ik heb u rundermest gegeven voor mensendrek, zo zult gij uw brood daarmede bereiden.
KJV
Then he said1
unto me, Lo,3
I have given4
thee cow's8
dung7
for man's11
dung,10
and thou shalt prepare12
thy bread
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Daarna zeideH559 Hij totH413 mij: Gij mensenkindH1121, zieH2005, Ik breekH7665 den stafH4294 des broodsH3899 in JeruzalemH3389, en zij zullen het broodH3899 met gewichtH4948 en met kommerH1674 etenH398, en het waterH4325 met zekere maatH4884 en met verbaasdheidH8078 drinkenH8354;
Daarna zeide Hij tot mij: Gij mensenkind, zie, Ik breek den staf des broods in Jeruzalem, en zij zullen het brood met gewicht en met kommer eten, en het water met zekere maat en met verbaasdheid drinken;
KJV
Moreover he said1
unto me, Son3
of man,4
behold, I will break6
the staff7
of bread8
in Jerusalem:9
and they shall eat10
bread11
by weight,12
and with care;13
and they shall drink17
water14
by measure,15
and with astonishment:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
OpdatH4616 zij des broodsH3899 en des watersH4325 gebrekH2637 hebben, en de een met den anderH251 verbaasdH8074 worden, en in hun ongerechtigheidH5771 uitterenH4743.
Opdat zij des broods en des waters gebrek hebben, en de een met den ander verbaasd worden, en in hun ongerechtigheid uitteren.
KJV
That they may want2
bread3
and water,4
and be astonied5
one6
with another,7
and consume away8
for their iniquity.
tichelsteen,
Versta, een platvormige effen tafel van tichelsteen gemaakt, waarop men iets schrijven, graveren of afbeelden kon; gelijk bij ons de schalen tot zulk een einde gebruikt worden.
Hertaald:
tichelsteen,
Versta: een vlakke, effen plaat van tichelsteen, waarop men iets kon schrijven, graveren of afbeelden, zoals bij ons de leien voor dat doel gebruikt worden.
ontwerp daarop de stad Jeruzalem
Het woord betekent hier eigenlijk uitdrukken, insnijden, afmalen, graveren met een griffel; vergelijk onder Ezech. 23:14 .
Hertaald:
ontwerp daarop de stad Jeruzalem
Het woord betekent hier eigenlijk: uitdrukken, insnijden, aftekenen, graveren met een stift; vergelijk hieronder Ezech. 23:14.
maak een belegering tegen haar,
Te weten in afbeelding, of schildering.
Hertaald:
maak een belegering tegen haar,
Namelijk in afbeelding of tekening.
sterkten,
Zie van het Hebreeuwse woord 2 Kon. 25:1 .
Hertaald:
sterkten,
Zie over het Hebreeuwse woord 2 Kon. 25:1.
werp tegen haar
Hebreeuws, stort, of giet uit.
Hertaald:
werp tegen haar
Hebreeuws: stort, of giet uit.
wal op,
Zie 2 Sam. 20:15 .
Hertaald:
wal op,
Zie 2 Sam. 20:15.
stormrammen rondom
Te weten waarmede de muren der steden en sterkten gebroken worden; genaamd bij de Latijnen arietes. Het woord betekent ook hoofdmannen, of krijgsoversten, gelijk 2 Kon. 11:4 , 2 Kon. 11:19 , in welken zin het hier ook van enige genomen wordt, gelijk ook onder Ezech. 21:22 .
Hertaald:
stormrammen rondom
Namelijk waarmee de muren van steden en vestingen gebroken worden; bij de Latijnen arietes genoemd. Het woord betekent ook hoofdmannen of legeraanvoerders, zoals in 2 Kon. 11:4 en 2 Kon. 11:19; in die betekenis wordt het hier door sommigen ook opgevat, evenals hieronder Ezech. 21:22.
een ijzeren pan,
Te weten tot een teken van Gods vast en onbeweeglijk voornemen, dat Hij had om Jeruzalem te verderven en niet te verschonen.
Hertaald:
een ijzeren pan,
Namelijk als teken van Gods vaste en onwrikbare voornemen om Jeruzalem te verderven en niet te sparen.
richt uw aangezicht tegen haar,
Dat is, heb een vast voornemen om die door de belegering uit te roeien; vergelijk de manier van spreken met Lev. 17:10 , en zie de aantekening. De profeet wordt hier belast in manier van afbeelding het werk te doen tegen Jeruzalem, dat God zelf voorhad; Jer. 21:10 .
Hertaald:
richt uw aangezicht tegen haar,
Dat is: heb een vast voornemen om de stad door de belegering uit te roeien; vergelijk deze manier van spreken met Lev. 17:10 en zie de aantekening daar. De profeet krijgt hier de opdracht om in de vorm van een afbeelding het werk tegen Jeruzalem te doen dat God Zelf voorhad; Jer. 21:10.
kome,
Hebreeuws, worde, of zij.
Hertaald:
kome,
Hebreeuws: worde, of zij.
teken
Te weten dat Jeruzalem zal belegerd, ingenomen en verstoord worden.
Hertaald:
teken
Namelijk dat Jeruzalem belegerd, ingenomen en verwoest zal worden.
Lig gij ook neder
Te weten tot een teken dat God zolang gelijk stil en slapende geweest was, verdragende de misdaden van zijn volk. Nu houdt men dit van den profeet geschied te zijn, niet dadelijk in zijn persoon, maar in een profetisch gezicht en afbeelding deszelven, die hij in het prediken het volk vertonen moest. Doch enigen menen dat ook iets van dezen inderdaad het volk vertoond is.
Hertaald:
Lig gij ook neder
Namelijk als teken dat God zo lang als het ware stil en slapend geweest was en de misdaden van Zijn volk verdragen had. Men houdt het ervoor dat dit bij de profeet niet werkelijk aan zijn eigen persoon gebeurd is, maar in een profetisch gezicht en in de uitbeelding daarvan, die hij bij het prediken aan het volk moest tonen. Toch menen sommigen dat iets hiervan ook werkelijk aan het volk vertoond is.
linkerzijde,
Te weten om daarmede te betekenen, dat deze eerste nederligging was ten aanzien der kinderen Israëls, [hoewel sommigen hier niet alleen de tien stammen, maar ook Juda verstaan, vanwege de gemeenschap van hunne zonden, inzonderheid der afgoderij], welker hoofdstad Samaria dengenen, die tussen dezelve en de stad Jeruzalem met hunne aangezichten naar het oosten stonden, aan de linkerzijde was, dat is noordwaarts; gelijk Jeruzalem de hoofdstad der Joden aan de rechterzijde, dat is, zuidwaarts. Of, versta door de linkerzijde dat de Israëlieten de onwaardigsten waren van Gods volk, omdat zij onder Jerobeam van den rechten godsdienst afgevallen waren; zie onder vs.6.
Hertaald:
linkerzijde,
Namelijk om daarmee te betekenen dat dit eerste neerliggen betrekking had op de kinderen Israëls. (Sommigen verstaan hier niet alleen de tien stammen onder, maar ook Juda, vanwege de gemeenschap in hun zonden, in het bijzonder de afgoderij.) Hun hoofdstad Samaria lag voor wie tussen die stad en Jeruzalem met het gezicht naar het oosten stond aan de linkerhand, dat is: naar het noorden, zoals Jeruzalem, de hoofdstad van de Joden, aan de rechterhand lag, dat is: naar het zuiden. Of versta onder de linkerzijde dat de Israëlieten de onwaardigsten van Gods volk waren, omdat zij onder Jerobeam van de rechte godsdienst afgevallen waren; zie hieronder vers 6.
naar het getal der dagen,
Dit woord is hier ingevoegd uit vs.5.
Hertaald:
naar het getal der dagen,
Dit woord is hier ingevoegd uit vers 5.
hun ongerechtigheid dragen
Te weten niet als Christus, om de schuld en de straf der ongerechtigheid door voldoening weg te nemen, maar als een goddelijk teken hun door deze afbeelding voorgesteld, beduidende Gods lankmoedigheid, waardoor Hij vele jaren hunne moedwilligheid verdragen had, en de zwaarheid der straf, die zij nu hadden te verwachten.
Hertaald:
hun ongerechtigheid dragen
Namelijk niet zoals Christus, om de schuld en de straf van de ongerechtigheid door voldoening weg te nemen, maar als een goddelijk teken dat hun door deze uitbeelding voorgesteld werd. Het duidt Gods lankmoedigheid aan, waarmee Hij hun moedwil vele jaren verdragen had, en de zwaarte van de straf die zij nu te verwachten hadden.
gegeven
Dat is, bescheiden, geordineerd en bevolen, om zoveel dagen, als die jaren zijn, hunne ongerechtigheid te dragen.
Hertaald:
gegeven
Dat is: toebedeeld, vastgesteld en bevolen, om zoveel dagen als er jaren zijn hun ongerechtigheid te dragen.
de jaren hunner ongerechtigheid,
Welke hier door de dagen der nederligging van den profeet, gelijk volgt, te kennen gegeven worden. Zij zijn in getal drie honderd en negentig, beginnende van den afval der tien stammen onder Jerobeam; 1 Kon. 12:16 ; 2 Kron. 10:16 ; waarop ook terstond gevolgd is de afval der Joden, 1 Kon. 14:22 ; 2 Kron. 12:1 ; en eindigende met de belegering of innemening der stad Jeruzalem en de verstoring van den tempel, geschied door Nebukadnezar, 2Ki 25 , 2Ch 36 ; welverstaande, dat onder de voorgemelde drie honderd en negentig jaren ook begrepen zijn de veertig jaren gemeld in vs.6, van welke begin zie aldaar. Dit is af te nemen uit vs.9, waar den profeet de leeftocht voorgeschreven wordt, alleen voor drie honderd en negentig dagen. Eenigen beginnen de jaren, door deze dagen betekend, van het zeven en twintigste jaar van den koning Salomo, als hij en het land begonnen in openbare afgoderij te vervallen; 1 Kon. 11:4 .
Hertaald:
de jaren hunner ongerechtigheid,
Die hier worden aangeduid door de dagen dat de profeet moest liggen, zoals volgt. Het zijn er driehonderdnegentig, te beginnen bij de afval van de tien stammen onder Jerobeam (1 Kon. 12:16; 2 Kron. 10:16), waarop meteen ook de afval van de Joden volgde (1 Kon. 14:22; 2 Kron. 12:1), en eindigend met de belegering of inname van de stad Jeruzalem en de verwoesting van de tempel door Nebukadnezar (2 Kon. 25; 2 Kron. 36). Wel te verstaan dat onder deze driehonderdnegentig jaren ook de veertig jaren begrepen zijn die in vers 6 genoemd worden; zie daar voor het begin ervan. Dat blijkt uit vers 9, waar de profeet de leeftocht wordt voorgeschreven voor slechts driehonderdnegentig dagen. Sommigen laten de jaren die door deze dagen aangeduid worden beginnen bij het zevenentwintigste jaar van koning Salomo, toen hij en het land in openlijke afgoderij begonnen te vervallen; 1 Kon. 11:4.
driehonderd en negentig dagen,
Dit getal wordt alzo juist gesteld, omdat de vaste en nauwe belegering van Jeruzalem zoveel tijd duren zou, overeenkomende met den tijd der jaren, in welken de Israëlieten en Joden zich met de afgoderij besmet hadden, tot een openbaar bewijs van Gods rechtvaardig oordeel. Uit Jer. 52:4-6 , blijkt, dat er meer dagen zijn verlopen van het begin der belegering tot het innemen der s tad, maar men moet weten dat de belegering een tijdlang gestaakt is geweest om het optrekken der Egyptenaren, Jer. 37:5 , welke tijd hier van Ezechiël wordt overgeslagen en niet gerekend.
Hertaald:
driehonderd en negentig dagen,
Dit getal wordt zo nauwkeurig genoemd omdat de vaste en nauwe belegering van Jeruzalem precies zo lang zou duren, overeenkomend met het aantal jaren waarin de Israëlieten en de Joden zich met afgoderij besmet hadden — een openlijk bewijs van Gods rechtvaardig oordeel. Uit Jer. 52:4-6 blijkt dat er meer dagen verlopen zijn tussen het begin van de belegering en de inname van de stad, maar men moet weten dat de belegering een tijdlang gestaakt is geweest vanwege de opmars van de Egyptenaren (Jer. 37:5); die tijd wordt hier door Ezechiël overgeslagen en niet meegerekend.
Als gij nu deze voleinden zult,
Dat is, als gij niet ver van het voleinden dezer dagen zult wezen, hebbende van dezelve driehonderd en vijftig afgedaan, zodat er maar veertig overblijven.
Hertaald:
Als gij nu deze voleinden zult,
Dat is: als u niet ver meer van het einde van deze dagen zult zijn en er driehonderdvijftig van hebt volbracht, zodat er nog maar veertig overblijven.
lig ten anderen male neder
Zie boven vs.4. Deze tweede nederligging was ten aanzien van de zonden der Joden.
Hertaald:
lig ten anderen male neder
Zie hierboven vers 4. Dit tweede neerliggen had betrekking op de zonden van de Joden.
rechterzijde,
Juda, ten aanzien van Samaria en de Israëlieten, was zuidwaarts gelegen, dat is, aan de rechterzijde der wereld; zie boven vs.4. De rechterzijde kan ook betekenen de waardigheid, die de Joden boven de Israëlieten hadden, omdat bij hen was de tempel, de godsdienst en het huis Davids.
Hertaald:
rechterzijde,
Juda lag ten opzichte van Samaria en de Israëlieten zuidwaarts, dat is: aan de rechterkant van de wereld; zie hierboven vers 4. De rechterzijde kan ook wijzen op de waardigheid die de Joden boven de Israëlieten hadden, omdat bij hen de tempel, de godsdienst en het huis van David waren.
dragen
Zie boven vs.4.
Hertaald:
dragen
Zie hierboven vers 4.
veertig dagen;
Deze dagen, die veertig jaren betekenden, worden begonnen van het achttiende jaar van het koninkrijk van Josia, in welke de Joden wel het verbond met God vernieuwd hebben, maar alzo, dat zij terstond daarna weder tot afgoderij vervallen zijn; zij worden geëindigd met de belegering of verstoring der stad Jeruzalem en des tempels, of de laatste vervoering naar Babel, geschied door Nebuzaradan; 2Ki 25 .
Hertaald:
veertig dagen;
Deze dagen, die veertig jaren betekenden, beginnen bij het achttiende jaar van de regering van Josia, waarin de Joden wel het verbond met God vernieuwd hebben, maar zo dat zij meteen daarna weer tot afgoderij vervallen zijn. Zij eindigen met de belegering of verwoesting van de stad Jeruzalem en de tempel, of met de laatste wegvoering naar Babel door Nebuzaradan; 2 Kon. 25.
elken dag voor elk jaar
Hebreeuws, een dag voor een jaar, een dag voor een jaar; zie Gen. 7:2 , en Lev. 24:8 .
Hertaald:
elken dag voor elk jaar
Hebreeuws: een dag voor een jaar, een dag voor een jaar; zie Gen. 7:2 en Lev. 24:8.
aangezicht
Zie boven vs.3.
Hertaald:
aangezicht
Zie hierboven vers 3.
de belegering van Jeruzalem,
Dat is, het belegerde Jeruzalem.
Hertaald:
de belegering van Jeruzalem,
Dat is: het belegerde Jeruzalem.
zal ontbloot zijn;
Tot een teken dat de Chaldeën zeer vaardig, wakker en bereid zullen zijn, om Jeruzalem met geweld en met louter kracht haastelijk in te nemen. Vergelijk Jer. 21:5 .
Hertaald:
zal ontbloot zijn;
Als teken dat de Chaldeeën zeer vaardig, waakzaam en bereid zullen zijn om Jeruzalem met geweld en met louter kracht snel in te nemen. Vergelijk Jer. 21:5.
Ik zal dikke touwen aan u leggen,
Hij geeft hiermede te verstaan dat zijn besluit, van de stad te verderven, onveranderlijk was, en dat daarom de profeet moest volharden in dit zijn profeteren en in het voorstellen zijner profetische afbeelding.
Hertaald:
Ik zal dikke touwen aan u leggen,
Hij geeft hiermee te kennen dat Zijn besluit om de stad te verderven onveranderlijk was, en dat de profeet daarom moest volharden in zijn profeteren en in het tonen van zijn profetische uitbeelding.
van uw ene zijde tot uw andere zijde,
Hebreeuws, van uwe zijde tot uwe zijde.
Hertaald:
van uw ene zijde tot uw andere zijde,
Hebreeuws: van uw zijde tot uw zijde.
uwer
Zijne wordt ze genaamd, omdat hem de afbeelding en de voorzegging daarvan bevolen was, of omdat ze zijne stad aangingen.
Hertaald:
uwer
Zij wordt de zijne genoemd, omdat hem de uitbeelding en de voorzegging ervan bevolen was, of omdat het zijn eigen stad betrof.
belegering voleind hebt
Anders, belegeringen; in het getal van velen, uit oorzaak dat er toenmaals twee belegeringen der stad Jeruzalem geweest zijn. Want als de Chaldeën gehoord hadden dat de koning van Egypte den koning Zedekia te hulp kwam, zijn zij van de belegering afgetrokken, maar als zij vernamen dat hij weder in Egypte gekeerd was, hebben zij de belegering hervat.
Hertaald:
belegering voleind hebt
Anders: belegeringen, in het meervoud, omdat er in die tijd twee belegeringen van de stad Jeruzalem geweest zijn. Want toen de Chaldeeën hoorden dat de koning van Egypte koning Zedekia te hulp kwam, braken zij de belegering op; maar toen zij vernamen dat hij naar Egypte teruggekeerd was, hebben zij haar hervat.
neemt gij voor u tarwe,
Hiermede en met het volgende wordt betekend de grote benauwdheid en hongersnood, die den belegerden overkomen zou.
Hertaald:
neemt gij voor u tarwe,
Hiermee en met het volgende wordt de grote benauwdheid en hongersnood aangeduid die de belegerden zou overkomen.
heerse,
Anders genaamd geerst of gierst.
Hertaald:
heerse,
Anders geerst of gierst genoemd.
in een vat,
Dat is, niet elk soort in een onderscheiden vat, maar alle ondereen gemengd in enig vat; hetwelk placht te geschieden in tijd van nood, als er groot gebrek van broodkoren is.
Hertaald:
in een vat,
Dat is: niet elke soort in een eigen vat, maar alles door elkaar gemengd in één vat, wat pleegt te gebeuren in tijden van nood, wanneer er groot gebrek aan broodkoren is.
driehonderd en negentig dagen,
Dat is, omtrent de veertien maanden zal de belegering van Jeruzalem duren.
Hertaald:
driehonderd en negentig dagen,
Dat is: ongeveer veertien maanden zal de belegering van Jeruzalem duren.
sikkelen daags;
Versta gemene of burgerlijke sikkelen, van welke een deed omtrent een oordje van een rijksdaalder, Gen. 20:16 ; vier van dezen maakten het gewicht van een ons; dat is, van een rijksdaalder. Zo was dan het gewicht van twintig sikkelen vijf onsen.
Hertaald:
sikkelen daags;
Versta: gewone of burgerlijke sikkelen, waarvan er één ongeveer een kwart van een rijksdaalder bedroeg, Gen. 20:16; vier daarvan maakten het gewicht van een ons uit, dat is: van een rijksdaalder. Het gewicht van twintig sikkelen was dus vijf ons.
van tijd tot tijd
Dat is, telken dage zult gij maar zoveel eten, te weten tot een teken van hongersnood, die in Jeruzalem wezen zal. Alzo in vs.11, van den dagelijksen drank. Vergelijk 2 Kon. 25:3 ; Jer. 37:21 .
Hertaald:
van tijd tot tijd
Dat is: elke dag zult u maar zoveel eten, namelijk als teken van de hongersnood die in Jeruzalem zal heersen. Zo ook in vers 11 over de dagelijkse drank. Vergelijk 2 Kon. 25:3; Jer. 37:21.
hin;
Een maat van natte waren, inhoudende zoveel als in twee en zeventig gemene eierschalen zou mogen gaan. Zie Lev. 19:36 . Alzo was de maat van den drank zoveel als in twaalf hoendereieren gaan Kon.
Hertaald:
hin;
Een maat voor vloeistoffen, waarin zoveel gaat als in tweeënzeventig gewone eierschalen zou kunnen. Zie Lev. 19:36. De maat van de drank was dus zoveel als er in twaalf kippeneieren gaat.
een gerstekoek eten,
Anders: gij zult dat [als] gerstekoek eten. Versta de spijs, vermeld vs.9,10. Dat is, in zulken vorm bereid en toegemaakt als gerstekoeken.
Hertaald:
een gerstekoek eten,
Anders: u zult dat (als) gerstekoek eten. Versta de spijs die in vers 9 en 10 genoemd is, dat is: bereid en toegemaakt in de vorm van gerstekoeken.
drek van des mensen afgang bakken
Hetwelk hun in plaats van hout zou moeten wezen, om daarmede hun spijs te koken, of ook hunne koeken te bakken op een haard met mensendrek heet gemaakt. Zo wordt betekend dat ze in de belegering groot gebrek van hout zouden hebben, ja ook van vee, overmits de mist daarvan minder verfoeilijk gehouden werd.
Hertaald:
drek van des mensen afgang bakken
Die hun in plaats van hout zou moeten dienen om hun voedsel op te koken, of ook om hun koeken te bakken op een haard die met mensendrek verhit was. Zo wordt aangeduid dat zij tijdens de belegering groot gebrek aan hout zouden hebben, ja ook aan vee, aangezien mest daarvan minder weerzinwekkend geacht werd.
voor hun ogen
Hieruit nemen sommigen af dat deze dingen den profeet niet alleen in een gezicht zijn vertoond geweest van God, maar dat hij ook dezelve in ene afbeelding het volk vertoond heeft.
Hertaald:
voor hun ogen
Hieruit leiden sommigen af dat deze dingen de profeet niet alleen in een gezicht door God getoond zijn, maar dat hij ze ook in een uitbeelding aan het volk vertoond heeft.
kinderen Israëls
Dat is, de Joden, mitsgaders die van de tien stammen onder hen woonden; zie 2 Kon. 21:2 .
Hertaald:
kinderen Israëls
Dat is: de Joden, en ook zij van de tien stammen die onder hen woonden; zie 2 Kon. 21:2.
onrein eten
Zo wordt het genoemd om de manier of wijze der voorgemelde koning of bakking. Vergelijk Deut. 23:12 , enz.
Hertaald:
onrein eten
Zo wordt het genoemd vanwege de zojuist beschreven manier van koken of bakken. Vergelijk Deut. 23:12, enzovoort.
heidenen,
Versta, de Chaldeën, onder wie de Joden zouden zijn, als zij van hen belegerd en daarna weggevoerd zouden worden.
Hertaald:
heidenen,
Versta: de Chaldeeën, onder wie de Joden zouden zijn wanneer zij door hen belegerd en daarna weggevoerd zouden worden.
mijn ziel
Dat is, mijn persoon. Zie 1 Kon. 19:4 .
Hertaald:
mijn ziel
Dat is: mijn persoon. Zie 1 Kon. 19:4.
verontreinigd geweest;
Te weten met enige ceremoniele onreinheid, die velerlei is geweest, van welke drie soorten hier genoemd worden, waaronder al de andere te verstaan zijn, en die den priesters verboden waren; Lev 21 , Lev 22 .
Hertaald:
verontreinigd geweest;
Namelijk met enige ceremoniële onreinheid. Die was veelsoortig; hier worden er drie soorten van genoemd, waaronder alle andere te verstaan zijn en die de priesters verboden waren; Lev. 21 en Lev. 22.
dood aas,
Zie van deze soort der onreinheid Lev. 11:40 .
Hertaald:
dood aas,
Zie over deze soort van onreinheid Lev. 11:40.
verscheurd is,
Zie van deze soort Ex. 22:31 .
Hertaald:
verscheurd is,
Zie over deze soort Ex. 22:31.
verfoeilijk vlees
Hebreeuws, vlees des verfoeisels, of des stanks; zie Lev. 7:18 .
Hertaald:
verfoeilijk vlees
Hebreeuws: vlees van het verfoeisel, of van de stank; zie Lev. 7:18.
Ik heb u rundermest gegeven voor mensendrek,
Alzo verzacht de Heere zijn voorgaande bevel ten aanzien van den persoon des profeets, die dit voor de ogen des volks afbeelden moest, boven vs.12; maar niet ten aanzien van de Joden, die binnen Jeruzalem belegerd zouden worden.
Hertaald:
Ik heb u rundermest gegeven voor mensendrek,
Zo verzacht de HEERE Zijn eerdere bevel ten aanzien van de persoon van de profeet, die dit voor de ogen van het volk moest uitbeelden, hierboven vers 12; maar niet ten aanzien van de Joden, die binnen Jeruzalem belegerd zouden worden.
breek den staf des broods
Zie Lev. 26:26 .
Hertaald:
breek den staf des broods
Zie Lev. 26:26.
met gewicht
Gelijk God gedreigd had; Lev. 26:26 .
Hertaald:
met gewicht
Zoals God gedreigd had; Lev. 26:26.
kommer eten,
Te weten waardoor zij nog meerdere ellende zullen vrezen.
Hertaald:
kommer eten,
Namelijk waardoor zij nog meer ellende zullen vrezen.
verbaasdheid drinken;
Dat is, waardoor zij zo verslagen zullen zijn, dat zij bedwelmd zullen staan gelijk wanhopende mensen.
Hertaald:
verbaasdheid drinken;
Dat is: waardoor zij zo verslagen zullen zijn dat zij verdoofd zullen staan als wanhopige mensen.
Opdat zij
Of, zodat zij des broods, enz. gebrek zullen hebben.
Hertaald:
Opdat zij
Of: zodat zij gebrek aan brood zullen hebben, enzovoort.
de een met den ander verbaasd worden,
Hebreeuws, de man en zijn broeder.
Hertaald:
de een met den ander verbaasd worden,
Hebreeuws: de man en zijn broeder.
in hun ongerechtigheid uitteren
Vergelijk Lev. 26:39 ; Ezech. 24:23 en Ezech. 33:10 .
Hertaald:
in hun ongerechtigheid uitteren
Vergelijk Lev. 26:39; Ezech. 24:23 en Ezech. 33:10. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "En gij, mensenkind, neem u een tichelsteen, en leg dien voor uw aangezicht, en bewerp daarop de stad Jeruzalem" (Ezech. 4:1). Op die tekening moet hij een beleg aanbrengen: sterkten, een wal, legers en stormrammen rondom (Ezech. 4:2). Dan komt er nog iets bij: "neem gij u een ijzeren pan, en stel ze tot een ijzeren muur tussen u en tussen die stad; en richt uw aangezicht tegen haar, dat zij in belegering kome" (Ezech. 4:3). En er staat bij wat het is: "Dit zij den huize Israels een teken." Bijbelse betekenis: Merk op voor wie dit gedaan wordt. Voor mensen in Babel, honderden kilometers van Jeruzalem, die hoorden dat de stad nog stond en meenden dat het wel losliep. Het teken brengt hun de belegering voor ogen voordat zij er bericht van krijgen. Let vervolgens op de ijzeren pan. Een bakplaat wordt tot muur gemaakt tussen de profeet en de stad; wat hij uitbeeldt is dus niet alleen een leger buiten de muren maar een scheiding die van hogerhand komt. Let ten slotte op de vorm van dit alles. Ezechiël moet het niet zeggen maar dóen, en dagenlang. Tekenhandelingen komen bij hem vaker voor dan bij enige andere profeet; wat hij is en doet, hoort bij zijn boodschap. Typologie: Jesaja moest drie jaar "naakt en barrevoets" gaan, en Jeremia droeg een juk op zijn hals (reeds behandeld bij Jes. 20:2-4 en Jer. 27:2). En de Heere Jezus onderwees eveneens met daden: Hij nam een kindeke in het midden, en Hij waste de voeten van Zijn discipelen (Joh. 13:15). Ezech. 4:1-3; Jes. 20:2-4; Jer. 27:2; Joh. 13:15 Hij moet brood bakken van tarwe, gerst, bonen, linzen, gierst en spelt door elkaar (Ezech. 4:9), en het afwegen: "Uw spijze nu, die gij eten zult, zal in gewicht zijn twintig sikkelen daags", en water "naar zekere maat", het zesde deel van een hin (Ezech. 4:10-11). Ook de bereiding moet iets uitbeelden, en dat gaat hem te ver. Hij zegt: "Ach, Heere, HEERE, zie, mijn ziel is niet verontreinigd geweest; want ik heb, van mijn jeugd af tot nu toe, geen dood aas, noch dat verscheurd is, gegeten" (Ezech. 4:14). Daarop komt een antwoord dat opvalt: "Zie, Ik heb u rundermest gegeven voor mensendrek, zo zult gij uw brood daarmede bereiden" (Ezech. 4:15). Wat het teken betekent staat erbij: het brood zal in Jeruzalem bij het gewicht gegeten worden en het water met een maat (Ezech. 4:16). Bijbelse betekenis: Merk op wat het afwegen uitbeeldt. In een belegerde stad wordt eten geteld en water gemeten; wie dat dagelijks voor ogen krijgt, weet wat er komt. Let vervolgens op het bezwaar van de profeet. Hij verzet zich niet tegen de honger of tegen de vernedering, maar tegen het onrein worden; als priester had hij zich daar zijn leven lang aan gehouden. Let ten slotte op het antwoord. Er staat niet dat hij zich niet moet aanstellen; er staat dat God hem iets anders geeft. Het teken blijft, maar op dit punt komt God hem tegemoet. Dat is een opmerkelijke plaats in dit strenge boek: een profeet mag zeggen dat iets hem te veel is, en dat wordt gehoord. Typologie: Ook Petrus zei op het dak te Joppe dat hij nooit iets gemeens of onreins gegeten had, en ook daar werd hem geantwoord in plaats van bestraft (reeds behandeld bij Hand. 10:14-15). En de Heere Jezus zegt dat de Vader weet wat wij nodig hebben vóór wij bidden (reeds behandeld bij Matt. 6:8). Ezech. 4:9-17; Hand. 10:14-15; Matt. 6:8 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Ezechiël 4
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen


Ezechiël 4
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Vs. 1-17. Thans deelt de Heere Ezechiël den eersten profetischen last mede. Deze heeft betrekking op de belegering van Jeruzalem, en moet die belegering in symbolische tekenen voorstellen en haar alzo, door middel van levendig uitgevoerde beelden, van de zijde harer zekerheid, van hare oorzaak, verschrikkingen en gevolgen aan het voorstellingsvermogen duidelijk maken. Wat vooreerst de zekerheid aangaat, zo moet de Profeet de stad op enen tichelsteen tekenen, om haar heen ook de belegeringswerktuigen, tussen haar en hemzelven, in wien Gods verhouding hier wordt voorgesteld, ene ijzeren pan als scheidsmuur oprichten, en nu Zijn aangezicht tegen haar stellen, als dat hare belegering en haren ondergang bedoelt (vs. 1-3). Wat verder de oorzaken aangaat, zo worden nu de zonden van het gehele volk, in alle 12 stammen, als in één zamengevat. Voor het huis van Israël heeft Ezechiël 390 dagen hun misdaad te dragen, doordat hij onafgebroken op de linkerzijde moest liggen, en voor het huis van Juda 40 dagen, liggende op de rechterzijde, want Israëls schuld is ene 390 jarige en die van Juda ene 40 jarige (vs. 4-8). De verschrikkingen der belegering worden door het voedsel gedurende de 390 dagen, en de gevolgen of de ballingschap door de spijs gedurende het 40-daags nederliggen uitgedrukt (vs. 9-17).
En gij mensenkind! neem u in uw huis, waarin gij u hebt opgesloten (Hoofdst. 3:24), tot hetwelk echter uwe volksgenoten onverhinderden toegang hebben, om aan te zien, wat gij op mijn bevel doet (vs. 3 en 12), enen tichelsteen, enen in de zon gedroogden en gemakkelijk te bewerken steen van leem (Gen. 11:3. Jes. 9:10), en leg dien voor uw aangezicht, en bewerp, ontwerp, teken daarop in een eenvoudig plan, de stad Jeruzalem (liever: ene stad-Jeruzalem).
En maak ene belegering tegen haar, stel de op den tichelsteen getekende stad als ene belegerde voor, en bouw, om die voorstelling te geven tegen haar sterkten, in opgerichte belegeringstorens, die gij eveneens met den griffel op den steen ontwerpt, en werp tegen haar enen wal op (2 Kon. 25:1), en stel legers tegen haar, gereed tot ene langdurige insluiting, en zet tegen haar stormrammen rondom.
Verder, neem gij, die als Mijn Profeet des Heeren plaats inneemt, u ene ijzeren pan, en stel ze tussen u en den tichelsteen met zijne tekening tot enen ijzeren muur tussen u, Mijnen vertegenwoordiger, en tussen die stad. 1) Zo worde aanschouwelijk voorgesteld het woord Jes. 59:1 : Uwe ongerechtigheden maken ene scheiding tussen u en uwen God. (Klaagl. 3:44). Maak verder aanschouwelijk wat Ik, de Heere, met Jeruzalem voor heb, en richt uw aangezicht tegen haar, tonende, dat nu zonder genade of herroeping ondergang en verwoesting is voorgenomen, stel uw aangezicht dat zij in belegering kome, en gij zult ze belegeren, doordat gij over de pan heen de beeltenis der belegerde stad met strakke blikken aanstaart. Dit zij den huize Israëls een teken, waaruit zij, die het mede aanzien wat gij doet, en zij die het van die ooggetuigen horen, moeten opmerken wat er zal geschieden.
Opdat het aanwijze, dat Hij als het ware een ijzeren muur heeft daargesteld tussen Zich en de bergen, d. i. dat God, het besluit en het vonnis Gods tegen hen onherroepelijk is en dat God noch de gebeden en klachten der burgers zal verhoren, noch voor hen zich tot mededogen laten bewegen. Terwijl de man vervuld met Gods Geest niet mag spreken moet hij de stille spraak der Schrift laten lezen, en het symbool is zijn geschrift. Onder den tichelsteen moet men liever geen gebranden maar een zachten steen van leem verstaan, waarin de afbeelding van ene belegerde stad gemakkelijk kon getekend worden. Den inhoud van vs. 2 moet men niet zo opvatten, als moest de Profeet op den steen alleen het beeld der stad tekenen, de belegeringswerktuigen in figuren van andere stof om den beschreven steen plaatsen, want dan zou Jeruzalem het eerst op den steen moeten zijn ingetekend, dan zou het aanstonds door den steen zelven kunnen voorgesteld zijn. De uitdrukkingen “maak ene belegering tegen haar, bouw, werp op enz. willen zeggen dat de getekende voorstelling door de hand des Profeten de kracht had, om het voorgestelde ook werkelijk te laten worden, daar het teken op Gods bevel geschiedt. De handeling sluit zich aan de gewoonte in Babylonië en Assyrië aan, om in tichelstenen schrift en tekenen aan te brengen. Daarbij moet men opmerken, dat dergelijke tichelstenen gewoonlijk een voet lang en even zo breed waren, dat dus één ruimte genoeg aanbood, om alle de genoemde figuren op te nemen. In vs. 1 is de woordvoeging opmerkelijk, zo als zij in den grondtekst voorkomt; “teken daarop ene stad-Jeruzalem!” Eerst verkrijgt de Profeet dus in ‘t algemeen de opdracht, om ene stad ter belegering bestemd, te tekenen. De nadere bepaling die dan volgt, dat Jeruzalem die stad was, moet den indruk maken van het verrassende, onverwachte: hoe erg moet zij het hebben gemaakt, hoe geheel ontaard moet zij zijn geworden, wanneer de Heere dat met haar voor had. ” Terwijl nu Ezechiël in vs. 3 #Eze den Heere voorstelt, die tussen Zich en Jeruzalem een scheidsmuur heeft opgericht, dat Hij om hunner zonden wil Zich verder niet meer over haar wil ontfermen, ja in de Chaldeën het zelf is, die de stad aanvalt en ze verwoest, ontvangen de ooggetuigen deze Goddelijke vermaning: “geeft geheel uwe sanguinische verwachtingen op, uwe politieke illusies; de enige weg tot zegen gaat door de bekering, welke wel het gericht over het geheel niet meer kan afwenden, maar toch kan bewerken, dat ieder voor zich te midden daarvan enen God van genade hebbe, en vervolgens ook, dat na het gericht zich Gods genade weer tot Zijn volk zal wenden. Ontegenzeglijk waar is het dat hier wordt aangeduid, Gods onveranderlijk besluit, om de stad over te geven in de handen der vijanden. De zonden van Israël hadden een ijzeren scheidsmuur opgetrokken tussen hen en hun God, en daarom kon niets Zijn besluit keren. Geen bekering van enkelen kon de verwoesting van stad en tempel in haar geheel tegen houden.
Waart gij in vs. 3 de vertegenwoordiger des Heeren; nu zult gij het ook zijn van het volk in zijne beide delen, het rijk der Tien stammen en het rijk van Juda. Lig gij ook neer, strek u op de aarde uit en lig daar van den 13den der vierde maand af op uwe linkerzijde, en leg daarop de ongerechtigheid van het huis Israëls, het noordelijk rijk, dat ondanks zijne grotere uitgestrektheid, toch innerlijk het mindere deel is, en waarmee dan ook de linkerzijde overeenkomt; neem die schuld op u, om voor te stellen wat Israël zal lijden; naar het getal der dagen, volgens Mijne uitdrukkelijke bepaling, die Ik nu laat volgen (vs. 5), dat gij daarop zult liggen, zult gij hun ongerechtigheid dragen. 1)
Dit is geen plaatsvervangend dragen, dit spreekt van zelf, maar een zinnebeeldig, een symbolisch dragen van de zonden van het rijk van Israël, gelijk straks van de zonden van het rijk van Juda. Het is zamen 430 dagen, voorstellende 430 jaren. Zoals hier onder wordt aangegeven, menen velen dat hiermede bedoeld worden de zonden van opstand tegen den Heere vanaf de dagen van Salomo, wat het rijk van Israël betreft en van het rijk van Juda vanaf het 18de jaar van koning Josia. Onzes inziens ten onrechte. Wij vatten het meer typisch op, in den zin, dat gelijk voor het volk Israël eerst na 430 jaren er verlossing kwam uit de slavernij van Egypte en Israël dus gedurende 430 jaren de dagen der vreemdelingschap heeft doorleefd, zo ook zou naar een bepaalden tijd, den tijd Gods, hier voorgesteld onder het getal 430 de tijd der vreemdelingschap eindigen voor het zwaar beproefde volk in Babel. Ongetwijfeld heeft Ezechiël ook al die dagen op de ene en de andere zijde gelegen. In vs. 12 staat toch uitdrukkelijk dat het voor hun, d. i. der Israëlieten ogen geschied is.
Want Ik heb u gegeven de jaren hunner ongerechtigheid, die voor hun rekening liggen, naar het getal der dagen; zo vele jaren als die hunner misdaad zijn, zo vele zult gij moeten nederliggen, namelijk drie honderd en negentig dagen, d. i. daar het vijfde jaar waarschijnlijk een schrikkeljaar is (Ex. 12:2), tot den 18den der vierde maand in het zesde jaar na Jojachins wegvoering; zo lang is het, dat a) gij de ongerechtigheid van het huis Israëls dragen zult.
Num. 14:34. Het jaar, waarin de Heere Ezechiël dat liggen op de linkerzijde oplegt, is volgens Hoofdst. 1:1 vv. het jaar 594 v. C. Rekenen wij van hier 390 jaren terug, dan komen wij tot het jaar 984, dus op het einde van Salomo’s regering (van 1015-975 v. C.), waarbij wij dan moeten vergelijken wat in 1 Kon. 11:26-40 verhaald is. De 390 jaren omvatten dus de schuld der 10 stammen van de eerste oproerige gedachten in den stam van Efraïm in het 31e jaar der regering van Salomo tot den tegenwoordigen tijd; want nog is er gene bekering des huizes Israëls te voorschijn gekomen, hoewel het reeds 128 jaren onder Gods straf gebogen ging-alzo moet de Profeet eerst om hunnentwil op de zijde liggen, en wel op de linker, want deze geeft de noordzijde te kennen (Gen. 13:9) en tevens de minder voordelige (Gen. 48:13 vv.).
Als gij nu deze 390 dagen voleinden zult, dragende de misdaad van het huis van Israël, lig ten andere male neervan den 19den der vierde maand in het zesde jaar af; en wel op uwe rechterzijde, die het rijk naar het zuiden voorstelt, hetwelk met bijzondere voorrechten is bedeeld, en gij zult de ongerechtigheid van het huis van Juda, die op 40 jaren moet gerekend worden, dragen veertig, dagen tot den 29sten der vijfde maand; Ik heb u (vs. 5)gegeven elken dag voor elk jaar. Bij de berekening der schuld van Juda geeft dit de maat aan: even als in 2 Kon 17:24 v. gezegd wordt dat Jerobeam de stichter der zonde van Israël en de oorzaak zijner verwerping geweest is, zo ook in 2 Kon. 21:17 vv. 23:26; 24:3 en 15:4 wordt betuigd, dat Manasse door zijne goddeloosheid het gericht over Juda onafwendbaar gemaakt heeft. Voor deze bijzondere heenwijzing naar den tijd van dezen koning spreekt bijv. ook de profetie in Hoofdst. 6:1 vv. Nu heeft deze 55 jaren (van 698-643 v. C.) geregeerd, wij weten uit 2 Kron. 33 vv. dat Gods oordeel hem trof, dat hij gevangen naar Babel werd gebracht, en na zijne bekering en bevrijding beter regeerde. Daar nu de mening, dat zijn terugkeren ongeveer in het jaar 668 (bij het begin der regering van Samufes) plaats had, alleen een vermoeden is, zo verhindert ons niets op grond van onze plaats daar voor het jaar 658 te stellen, zodat 698-658 v. C. de tijd der 40 jaren omvatten, welke het woord des Heeren hier bedoelt, terwijl de overige 15 jaren buiten aanmerking blijven, gelijk zij ook bij de bovenstaande getuigenissen over Manasse’s goddeloosheid buiten aanmerking zijn gelaten. Opmerkelijk is overigens, dat de tijd van de stichting der Christelijke kerk in het jaar 30 na C. tot aan de tweede verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70, welke tijd de maat van Israël vol maakte (Matth. 23:32 vv.) eveneens 40 jaren is.
Daarom zijn gij gedurende den tijd van 390 dagen (vs. 4 v.) uw aangezicht richten tegen den tichelsteen, waarop de belegering van Jeruzalem was getekend en uw arm zal ontbloot zijn, voorstellende Mijnen gestrekten arm (Jes. 52:10). en gij zult door deze gebaren tegen haar profeteren.
En ziet, Ik zal, daar gij natuurlijk het vermogen niet hebt, het liggen op ééne zijde gedurende zo vele dagen uit te houden, dikke touwen aan u leggen 1) Ik zal door wonderbare werking van Mijnen kant maken, dat gij u niet omkeert van uwe ene zijde tot uwe andere zijde, totdat gij de dagen uwer belegering, de belegering der stad, die gij als door u, Mijnen vertegenwoordiger, moet voorstellen (vs. 3), voleind hebt.
Dit dikke touwen aanleggen is hetzelfde als binden aan zijn leger, zodat hij zich niet van de ene naar de andere zijde kon wenden, totdat de tijd der belegering volbracht was. Hiermede zegt de Heere hem, dat Hij het mogelijk zal maken dat de Profeet op zijn leger blijft liggen. Alles wat de Profeet moet spreken, vertonen, afbeelden, is naar des Heeren bevel, maar de Heere geeft hem ook de wijsheid, de kracht, de moed en het vermogen er toe. Gelijk de Heere God Mozes in staat stelde, veertig dagen en nachten op den berg te vertoeven door buitengewone invloeden, zo ook maakt de Heere het den Profeet mogelijk om aan dit Zijn bevel te voldoen, om zolang op ééne zijde te liggen, hetwelk op natuurlijke wijze schier onmogelijk scheen.
En neem gij voor u nu, tot uwe voeding gedurende dien tijd van 390 dagen, tarwe en gerst, en bonen, en linzen (2 Sam. 17:28), en heerse 1) geerst; en spelt (Ex. 9:32 en doe die in een vat, en maak die u tot brood, naar het getal der dagen (vs. 4 en 5), die gij op uwe linkerzijde nederliggen zult, drie honderd en negentig dagen zult gij dat eten, dus even zo vele broden.
De heerse was een langwerpig ronde, bruine vrucht, veel gelijkende op rijst, waaruit bij gebrek aan beter een minder goed brood werd gebakken.
Uwe spijze nu, die gij eten zult, zal in gewicht zijn twintig sikkelen daags (Lev. 19:37), zo zwaar zult gij ieder brood maken; van tijd tot tijd, des morgens, des middags en avonds zult gij die eten, telkens een der drie porties.
Gij zult ook op elken van die 390 dagen water naar zekere maat drinken, namelijk het zesde deel van een hin (Ex. 29:40); van tijd tot tijd naar de 3 maaltijden verdeeld, zult gij het drinken. 1) In deze verzen is Ezechiël weer vertegenwoordiger van het volk even als in vs. 4-6, en nu moet hij den nood des volks gedurende den tijd der belegering voorstellen. Zij zullen alles wat maar tot brood kan worden gemaakt bij elkaar zoeken en het betere en slechtere tot ene gemengde spijze verwerken, maar nu ook voor elken maaltijd nauwkeurig moeten afdelen, totdat ook dit ten laatste niet meer mogelijk is en de hongersnood zich in zijne gehele vreeslijkheid laat gevoelen. Gelijk de Profeet zelf twee rollen vervult, daar hij nu eens den Heere (vs. 3 en 7), dan het volk (vs. 4-6 en 9-11) vertegenwoordigt, zo nu ook het getal der dagen, die hij eerst op de linkerzijde moet liggen. In vs. 4 v. beeldt dat de jaren der misdaad van het huis Israëls af, nu betekenen de 390 dagen, als werkelijke dagen genomen, den duur van den nood der belegerde stad, tot aan het in 2 Kon. 25:3 en Jer. 52:6 aangegeven tijdpunt, waarmee haar lot beslist was. Dit tijdpunt is de 9de dag der vierde maand (Thammuz) in het jaar 588 v. C Daar nu een Hebreeuws jaar, wanneer het geen schrikkeljaar was (zulk een nemen wij voor 594 v. C. aan, zodat 589 er geen geweest zou zijn) 354 dagen telt (Ex. 12:2), zo leiden ons de 390 dagen rugwaarts gerekend tot het begin der 3de maand (Sivan, overeenstemmende met onzen Juni) van het jaar 589. Vier of vijf maanden vroeger was Nebukadnezar de belegering begonnen; zij bracht in ‘t eerst nog geen bijzonderen nood teweeg, daar het Egyptische leger tot ontzet der stad aanrukte, hetwelk de Chaldeën eerst moesten terugslaan (2 (Kon. 25:1) Daarop werd het echter met de belegering ernst, en deze tijd in het nu, dien de Profeet moet voorstellen, waarbij echter het ergste en zwaarste, dat nog op de 390 dagen volgde, eveneens buiten beschouwing blijft, als in Openb. 6:5 v. bij de belegering van Jeruzalem door de Romeinen in het jaar 70 na C. De voorzegging gaat in het volgende aanstonds voort om den troostelozen toestand des volks in de Babylonische ballingschap zelf voor te stellen, deze voorstelling verbindt zich met de 40 dagen, gedurende welke Ezechiël op zijne rechterzijde ligt en de misdaad van het huis van Juda draagt. Nadat hij 390 + 40 = 430 dagen op beide zijden heeft gelegen, komt in Hoofdst. 5-7 Gods verdere opdracht en een woord der openbaring tot hem. Daarvoor hebben wij van den 29sten dag der vijfde maand tot den 5den dag der 6de maand in Hoofdst. 8:1 v. waar hij ene nieuwe verschijning van God heeft, nog 5 dagen over; het is dus ten onrechte, wanneer vele uitleggers de 40 dagen in vs 6 onder de 390 in vs. 4 v. willen rekenen. Dit dagelijks rantsoen moest hij niet op eenmaal gebruiken, maar den dagelijksen maaltijd in porties verdelen, zodat hij niet genoeg verzadigd werd. Ook dat was een symbolische handeling van den toestand in Jeruzalem, gelijk uit vs. 16 en 17 blijkt.
En wat verder uwe voeding aangaat, gedurende uw nederliggen van 40 dagen (vs. 6), gij zult enen gerstenkoek eten, en dien zult gij met behulp van gedroogde drek van des mensen afgang als stooksel (Job 20:7) bakken voor hun ogen, voor het oog uwer volksgenoten, die beschouwen wat gij doet.
En de HEERE zei, mij de bedoeling daarvan ook verklarende: Alzo, gelijk gij uw brood door de wijze van bereiding als in hoge mate Levietisch verontreinigd (Deut. 23:14) eten zult, zullen de kinderen Israëls hun brood onrein a) eten onder de heidenen, waarhenen Ik hen verdrijven zal.
Hos. 9:3.
Toen zei ik: Ach Heere HEERE! zie mijne ziel is nietLevietisch verontreinigd geweest, doordat ik iets verontreinigends heb gegeten: want ik heb, van mijne jeugd af tot nu toe, geen dood aas, noch dat verscheurd is gegeten (Ex. 22:31. Deut. 14:21 geen verfoeielijk vlees (Lev. 7:18. Jes. 65:4) is in mijnen mond gekomen (Hand. 10:14), en nu dringt Gij mij hier spijze op, die op de allerergste wijze is verontreinigd.
En Hij zei tot mij, van Zijn zwaren eis iets overgevende: Zie, Ik heb u als brandstof rundermest gegeven voor mensendrek, zo zult gij uw brood daarmee bereiden 1).
Dat de mensendrek niet met de spijs moet worden vermengd, zo als velen de zaak hebben opgevat, toont het slot dezer verhandeling, waar koemest in de plaats daarvan wordt toegelaten. Dat is in het Oosten ene gewone brandstof. Als het zware in dit bevel moet men niet in ‘t oog nemen: “de spijze riekt naar het vuur, ” de gedroogde koemest is integendeel geheel zonder reuk, maar de Levietische verontreiniging daarvan (Matth. 23:24 Mark. 7:2 vv.) is de eigenlijke straf. Die verontreiniging geschiedt door het leven in ‘t midden der heidenen, waar voor Gods volk alles onrein is, en hun tevens alle ontzondiging door de voorgeschrevene offerplechtigheden is ontzegd (Job 9:3 vv.). Voor de praktische toepassing heeft de gedachte betekenis, dat in tijden van algemenen afval van God, van ongeloof en frivoliteit, het dagelijks voedsel voor den geest der Christenen in couranten en vlugschriften, in den omgang en in gesprekken, ja dikwijls ook de leer en het onderwijs der jeugd als het ware gebakken is in-of zou men zo niet mogen schrijven, wanneer bijv. op een gymnasium bij het begin van een nieuw schooljaar, degenen, die in ene nieuwe klasse waren ingetreden, zich de gewoonte der vorige klasse herinnerden om bij het begin van het uur van onderwijs op te staan, verwachtende, dat ook de nieuwe leraar vooraf met hen zou bidden, maar deze hun te kennen gaf, dat een beschaafd, ontwikkeld mens niet meer bad, dat dit ene zaak van het domme volk was? In het verband van onze plaats geeft het minder moeilijkheden, dat de 40 jaren van het liggen op de rechterzijde, door middel van het voedsel dat de Profeet daar geniet (weer gewoon gerstenbrood en zonder tot ene geringe hoeveelheid beperkt te zijn, dus anders dan gedurende den tijd der belegering vs. 9 en 10, maar toch door de bereiding met vuur van onreine brandstof verontreinigend en daardoor wijzende op het leven des volks in de onreine heidenwereld) tot een symbool der ballingschap gemaakt worden, hoewel deze niet 40 maar 70 jaren volgens de reeds bekende voorzegging (Jer. 25:11; 29:10) zou duren. Hier toch is het te doen om een symbool, niet om chronologie, en dan zijn 40 dagen of jaren ene voor altijd vaststaande type (“de tijd van bezoeking in straf en genade, van beproeving des geloofs, die op de Goddelijke hulp leert wachten, en dien het doden des vleses tot gewin wordt, maar ook van verzoeking tot ongeloof, (vgl. Ex. 24:18). Wel is het de vraag, wat het betekent, dat eerst het bevel is: “gij zult met mensendrek bakken” en dat daarna op de voorstelling van den Profeet koemest in plaats van mensendrek wordt gesteld. De uitleggers hebben hierop zelfs niet gelet. Duidelijk is wat de Profeet zegt: “ik heb van mijne jeugd af tot nu toe geen dood aas, noch dat verscheurd is gegeten, en geen verfoeilijk vlees is in mijnen mond gekomen, ” ene uitdrukking van die gezindheid, welke reeds vóór 12 jaren den jeugdigen Daniël en zijne vrienden bezielde, toen zij besloten, zich niet te verontreinigen met de spijs der konings en met den wijn, dien hij dronk (Dan. 1). Met Daniël en zijne vrienden aan de ene zijde en met Ezechiëls heiligen ernst aan de andere zijde zal dan ook wel zamenhangen de betekenis daarvan, dat koemest voor mensendrek wordt toegestaan. Hoe kwalijk toch zou de verontreiniging van Israël geweest zijn, wanneer het nu midden in het leven der heidenen ware verplaatst! hoe zou het zijn heilig, koninklijk priesterlijk karakter hebben moeten verloochenen, ware door God geen weg ingeslagen, dat, zowel aan des konings hof een vertegenwoordiger was van dit heilig karakter van Israël, en ook onder Israël zelf een hadde geleefd en gewerkt, om het voor het ergste te bewaren en de bezoeking draaglijk te maken (1 Kor. 10:3)! Daniël, zo merkt Caspari op, was bestemd, om in Babylonië een voorspreker, beschermer en redder van het gevangene Israël te worden, dat hem daarheen zou volgen; hij werd als het ware het volk vooruit gezonden, om het de plaatsen te bereiden- toen het zelf kwam, had reeds ene grote, zeer wondervolle openbaring door een van hen plaats gehad, welke de verachting verminderde, die de wereldmacht en de heidenen tegen hen koesterden. Het was dan ook ene genade, dat Ezechiël zich onder de vroegst weggevoerden bevond. Gelijk Daniël van koninklijk, zo was deze van priesterlijk geslacht, beide te zamen voortreflijk geschikt, om het koninklijk priesterlijk wezen van hun volk, (Ex. 19:6) onder den adem van het heidendom voor vervuiling te bewaren en daaraan het leven onder de gruwelen van het heidendom draaglijk te maken. Onze plaats heeft wel die betekenis.
Daarna zei Hij tot mij, om mij de bedoeling der vroeger gegevene opdracht (vs. 9-11) te verklaren: Gij mensenkind! zie Ik vervul de bedreiging in (Lev. 26:26, en a) breek den staf des broods in Jeruzalem, Ik neem den voorraad weg, en zij zullen het brood met gewicht, in afgemeten hoeveelheid en met kommer eten, en het water met zekere maat en met verbaasdheid drinken, met vertwijfeling over de verdere toekomst.
Jes. 3:1. Ezech. 5:16; 14:13.
Opdat zij des broods en des waters gebrek hebben, waardoor velen zullen omkomen, en van degenen, die den hongersnood doorstaan, de een met den ander verbaasd worden, wanneer zij in ballingschap worden weggevoerd, en zij daar volgens (Lev. 26:39 in hun ongerechtigheid uitteren. 1)
Nu wordt dit teken hier in zijn bijzonderheden verklaard, het betekent, dat zij die te Jeruzalem gebleven waren, tot de uiterste ellende zouden gebracht worden, uit gebrek aan noodzakelijk voedsel; dewijl al het onderhoud zou afgesneden zijn door de belegeraars, zo zou die stad welhaast, gebrek van het land vinden. De staf des broods zou worden verbroken. God zou niet alleen aan het brood deszelfs woedende kracht wegnemen, zodat zij zouden eten en niet verzadigd worden, maar ook het brood zelf wegnemen. Zodat het weinige dat overbleef, bij het gewicht zou gegeten worden, zo veel op één dag, zoveel ieder voor zijn hoofd, opdat zij een gelijk gedeelte mogen hebben, en het zo lang zouden doen strekken als mogelijk was. Mozes stelt in Lev. 26 en Deut. 32 aan Israël zegen en vloek voor bij gehoorzaamheid of ongehoorzaamheid. De uitdrukkingen, met welke daar Mozes het volk bedreigt voor het geval van ongehoorzaamheid met verschrikkelijke gerichten Gods worden hier en door het gehele 5de hoofdstuk dikwijls in den vorm van een citaat gebezigd, om dat gericht te beschrijven, hetwelk Ezechiël hier moet aankondigen als nabijzijnde. Het is van bijzondere betekenis: het nabijzijnde oordeel, de Babylonische ballingschap zal de straf zijn, die God toen door Mozes heeft voorzegd, en deze voorspelling van Mozes moet in deze Babylonische ballingschap worden vervuld. Ezechiël is eigenlijk een Profeet voor onzen tijd. Wie in zijn woord indringt, die wordt levendig aangegrepen door den ernst van den tijd, en zal zich gedrongen gevoelen, om alle krachten in te spannen, dat de crisis, die begonnen is tot een gezegend einde kome. Tevens zou men uit hem, wanneer het Gode mocht behagen grote ziftende gerichten over ons te brengen, af te breken, wat Hij gebouwd heeft, en uit te roeien, wat Hij geplant heeft, (en dat zal volgens Openb. 11:7 vv. zonder twijfel geschieden), een onwankelbaar vertrouwen verkrijgen op de eindelijke overwinning van het rijk van dien God (op de in Openb. 11:11 aangegevene wijze), die doden levend maakt, slaat en geneest, en die, nadat Hij de donkerste wolken heeft doen komen, eindelijk aan Zijn verbond gedenkt en Zijnen regenboog laat schijnen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel