Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Het gebeurdeH1961 ook in het elfdeH259 jaarH8141, in de derdeH7992 maandH2320, op den eerstenH259 der maand, dat des HEERENH3068 woordH1697 totH413 mij geschieddeH1961, zeggendeH559:
Het gebeurde ook in het elfde jaar, in de derde maand, op den eersten der maand, dat des HEEREN woord tot mij geschiedde, zeggende:
KJV
And it came to pass in the eleventh2
year,4
in the third5
month, in the first6
day of the month,7
that the word9
of the LORD10
came unto me, saying,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
MensenkindH1121! zegH559 totH413 FaraoH6547, den koningH4428 van EgypteH4714, en totH413 zijn menigteH1995: WienH4310 zijt gij gelijk in uw grootheidH1433?
Mensenkind! zeg tot Farao, den koning van Egypte, en tot zijn menigte: Wien zijt gij gelijk in uw grootheid?
KJV
Son1
of man,2
speak3
unto Pharaoh5
king6
of Egypt,7
and to his multitude;9
Whom art thou like12
in thy greatness?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
ZieH2009, AssurH804 was een cederH730 op den LibanonH3844, schoonH3303 van takken, schaduwachtigH6751 van loofH2793, en hoogH1362 van stamH6967, en zijnH1961 topH6788 was tussenH996 dichte takken.
Zie, Assur was een ceder op den Libanon, schoon van takken, schaduwachtig van loof, en hoog van stam, en zijn top was tussen dichte takken.
Ook in dit vers
takkenH5688
takkenH6057
KJV
Behold, the Assyrian2
was a cedar3
in Lebanon4
with fair5
branches,6
and with a shadowing8
shroud,7
and of an high9
stature;10
and his top14
was among the thick boughs.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
De waterenH4325 maaktenH1431 hem groot, de afgrondH8415 maakte hem hoogH7311; die gingH1980 metH854 zijn stromenH5104 rondomH5439 zijn plantingH4302, en zondH7971 zijn waterleidingenH8585 uit tot alleH3605 bomenH6086 des veldsH7704.
De wateren maakten hem groot, de afgrond maakte hem hoog; die ging met zijn stromen rondom zijn planting, en zond zijn waterleidingen uit tot alle bomen des velds.
KJV
The waters1
made him great,2
the deep3
set him up on high4
with her rivers6
running7
round about8
his plants,9
and sent out12
her little rivers11
unto all the trees15
of the field.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
DaaromH3651 werd zijn stamH6967 hogerH1361 dan alleH3605 bomenH6086 des veldsH7704; en zijn takjesH5634 werden menigvuldigH7235, en zijn scheutenH6288 langH748, vanwegeH5921 de groteH7227 waterenH4325, als hij uitschootH7971.
Daarom werd zijn stam hoger dan alle bomen des velds; en zijn takjes werden menigvuldig, en zijn scheuten lang, vanwege de grote wateren, als hij uitschoot.
KJV
Therefore his height4
was exalted3
above all the trees6
of the field,7
and his boughs9
were multiplied,8
and his branches11
became long10
because of the multitude13
of waters,12
when he shot forth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Alle vogelenH5775 des hemelsH8064 nesteldenH7077 op zijn takjesH5589, en alle dierenH2416 des veldsH7704 teeldenH3205 onder zijn scheutenH6288; en alleH3605 groteH7227 volkenH1471 zatenH3427 onder zijn schaduwH6738.
Alle vogelen des hemels nestelden op zijn takjes, en alle dieren des velds teelden onder zijn scheuten; en alle grote volken zaten onder zijn schaduw.
KJV
All the fowls4
of heaven5
made their nests2
in his boughs,1
and under his branches7
did all the beasts10
of the field11
bring forth their young,8
and under his shadow12
dwelt13
all great16
nations.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Alzo was hij schoonH3302 in zijn grootheidH1433 en in de lengteH753 zijner takkenH1808, omdatH3588 zijnH1961 wortelH8328 aanH413 groteH7227 waterenH4325 was.
Alzo was hij schoon in zijn grootheid en in de lengte zijner takken, omdat zijn wortel aan grote wateren was.
KJV
Thus was he fair1
in his greatness,2
in the length3
of his branches:4
for his root7
was by great10
waters.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
De cederenH730 in GodsH430 hofH1588 verduisterdenH6004 hem niet, de dennebomenH1265 waren zijn takkenH5589 niet gelijk, en de kastanjebomenH6196 waren nietH3808 gelijk zijn scheutenH6288; geenH3808 boomH6086 in GodsH430 hofH1588 was hem gelijk in zijn schoonheidH3308.
De cederen in Gods hof verduisterden hem niet, de dennebomen waren zijn takken niet gelijk, en de kastanjebomen waren niet gelijk zijn scheuten; geen boom in Gods hof was hem gelijk in zijn schoonheid.
KJV
The cedars1
in the garden4
of God5
could not hide3
him: the fir trees6
were not like8
his boughs,10
and the chesnut trees11
were not like his branches;14
nor any tree16
in the garden17
of God18
was like20
unto him in his beauty.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Ik had hem zo schoonH3303 gemaaktH6213 door de veelheidH7230 zijner takkenH1808, dat alleH3605 bomenH6086 van EdenH5731, dieH834 in GodsH430 hofH1588 waren, hem benijddenH7065.
Ik had hem zo schoon gemaakt door de veelheid zijner takken, dat alle bomen van Eden, die in Gods hof waren, hem benijdden.
KJV
I have made2
him fair1
by the multitude3
of his branches:4
so that all the trees7
of Eden,8
that were in the garden10
of God,11
envied
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
DaaromH3651, zo zegtH559 de HeereH136 HEEREH3069: Omdat gij u verhevenH1361 hebt over uw stamH6967, ja, hij stakH5414 zijn topH6788 op boven het midden der dichte takkenH5688, en zijn hartH3824 verhiefH7311 zich over zijn hoogteH1363;
Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat gij u verheven hebt over uw stam, ja, hij stak zijn top op boven het midden der dichte takken, en zijn hart verhief zich over zijn hoogte;
KJV
Therefore thus saith3
the Lord4
GOD;5
Because thou hast lifted up8
thyself in height,9
and he hath shot up10
his top11
among the thick boughs,14
and his heart16
is lifted up15
in his height;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Daarom gafH5414 Ik hem in de handH3027 van den machtigsteH410 der heidenenH1471, dat die hem rechtschapenH6213 zou behandelenH6213; Ik dreefH1644 hem uit om zijn goddeloosheidH7562.
Daarom gaf Ik hem in de hand van den machtigste der heidenen, dat die hem rechtschapen zou behandelen; Ik dreef hem uit om zijn goddeloosheid.
KJV
I have therefore delivered1
him into the hand2
of the mighty one
of the heathen;4
he shall surely5
deal6
with him: I have driven him out9
for his wickedness.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
En vreemdenH2114, de tirannigsteH6184 der heidenenH1471, roeidenH3772 hem uit en verlietenH5203 hem; zijn takkenH1808 vielenH5307 op de bergenH2022 en in alleH3605 valleienH1516, en zijn scheutenH6288 werden verbrokenH7665 bij alleH3605 stromenH650 des landsH776; en alleH3605 volkenH5971 der aardeH776 gingenH3381 af uit zijn schaduwH6738, en verlietenH5203 hem.
En vreemden, de tirannigste der heidenen, roeiden hem uit en verlieten hem; zijn takken vielen op de bergen en in alle valleien, en zijn scheuten werden verbroken bij alle stromen des lands; en alle volken der aarde gingen af uit zijn schaduw, en verlieten hem.
KJV
And strangers,2
the terrible3
of the nations,4
have cut him off,1
and have left5
him: upon the mountains7
and in all the valleys9
his branches11
are fallen,10
and his boughs13
are broken12
by all the rivers15
of the land;16
and all the people20
of the earth21
are gone down17
from his shadow,18
and have left
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Alle vogelenH5775 des hemelsH8064 woondenH7931 op zijn omgevallen stamH4658, en alleH3605 dierenH2416 des veldsH7704 waren op zijn scheutenH6288;
Alle vogelen des hemels woonden op zijn omgevallen stam, en alle dieren des velds waren op zijn scheuten;
KJV
Upon his ruin2
shall all the fowls5
of the heaven6
remain,3
and all the beasts11
of the field12
shall be upon his branches:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
OpdatH4616 zich geen waterrijkeH4325 bomenH6086 verheffenH1361 over hun stamH6967, en hun topH6788 niet opstekenH5414 boven het middenH8432 der dichte takkenH5688, en geenH3808 bomenH352, die waterH4325 drinkenH8354, op zichzelven staanH5975 vanwege hun hoogteH1363; wantH3588 zij zijn allenH3605 overgegevenH5414 ter doodH4194, totH413 het ondersteH8482 der aardeH776, in het midden der mensenkinderenH1121, totH413 degenen, die in den kuilH953 nederdalenH3381.
Opdat zich geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken boven het midden der dichte takken, en geen bomen, die water drinken, op zichzelven staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het onderste der aarde, in het midden der mensenkinderen, tot degenen, die in den kuil nederdalen.
KJV
To the end that none of all the trees7
by the waters8
exalt4
themselves for their height,5
neither shoot up10
their top12
among the thick boughs,15
neither their trees18
stand up17
in their height,19
all that drink21
water:22
for they are all delivered25
unto death,26
to the nether parts29
of the earth,28
in the midst30
of the children31
of men,32
with them that go down34
to the pit.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
ZoH3541 zegtH559 de HeereH136 HEEREH3069: Ten dageH3117, als hij ter helleH7585 nederdaaldeH3381, maakte Ik een treurenH56; Ik bedekteH3680 om zijnentwil den afgrondH8415, en weerdeH4513 de stromenH5104 van dien, en de groteH7227 waterenH4325 werden geschutH3607; en Ik maakte den LibanonH3844 om zijnentwil zwartH6937, en alH3605 het geboomteH6086 des veldsH7704 was om zijnentwil bewondenH5969.
Zo zegt de Heere HEERE: Ten dage, als hij ter helle nederdaalde, maakte Ik een treuren; Ik bedekte om zijnentwil den afgrond, en weerde de stromen van dien, en de grote wateren werden geschut; en Ik maakte den Libanon om zijnentwil zwart, en al het geboomte des velds was om zijnentwil bewonden.
KJV
Thus saith2
the Lord3
GOD;4
In the day5
when he went down6
to the grave7
I caused a mourning:8
I covered9
the deep12
for him, and I restrained13
the floods14
thereof, and the great17
waters16
were stayed:15
and I caused Lebanon20
to mourn18
for him, and all the trees22
of the field23
fainted
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Van het geluidH6963 zijns valsH4658 deed Ik de heidenenH1471 bevenH7493, als Ik hem ter helleH7585 deed nederdalenH3381, metH854 degenen, die in den kuilH953 nederdalenH3381; en alleH3605 bomenH6086 van EdenH5731, de keurH4005 en het besteH2896 van LibanonH3844, alleH3605 bomen, die waterH4325 drinkenH8354, troosttenH5162 zich in het ondersteH8482 der aardeH776.
Van het geluid zijns vals deed Ik de heidenen beven, als Ik hem ter helle deed nederdalen, met degenen, die in den kuil nederdalen; en alle bomen van Eden, de keur en het beste van Libanon, alle bomen, die water drinken, troostten zich in het onderste der aarde.
KJV
I made the nations4
to shake3
at the sound1
of his fall,2
when I cast him down5
to hell7
with them that descend9
into the pit:10
and all the trees15
of Eden,16
the choice17
and best18
of Lebanon,19
all that drink21
water,22
shall be comforted11
in the nether parts13
of the earth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Diezelve daaldenH3381 ookH1571 metH854 hem nederH3381 ter helleH7585, tot de verslagenenH2491 van het zwaardH2719; en die zijn armH2220 geweest waren, die onder zijn schaduwH6738 in het middenH8432 der heidenenH1471 gezetenH3427 hadden.
Diezelve daalden ook met hem neder ter helle, tot de verslagenen van het zwaard; en die zijn arm geweest waren, die onder zijn schaduw in het midden der heidenen gezeten hadden.
KJV
They also went down4
into hell5
with him unto them that be slain7
with the sword;8
and they that were his arm,9
that dwelt10
under his shadow11
in the midst12
of the heathen.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
WienH4310 zijt gij alzo gelijk in heerlijkheidH3519 en grootheidH1433, onder de bomenH6086 van EdenH5731? Ja, gij zult nedergevoerdH3381 worden metH854 de bomenH6086 van EdenH5731, tot het ondersteH8482 der aardeH776; in het middenH8432 der onbesnedenenH6189 zult gij liggenH7901, metH854 de verslagenenH2491 door het zwaardH2719. DatH1931 is FaraoH6547, en zijn ganseH3605 menigteH1995, spreektH5002 de HeereH136 HEEREH3069.
Wien zijt gij alzo gelijk in heerlijkheid en grootheid, onder de bomen van Eden? Ja, gij zult nedergevoerd worden met de bomen van Eden, tot het onderste der aarde; in het midden der onbesnedenen zult gij liggen, met de verslagenen door het zwaard. Dat is Farao, en zijn ganse menigte, spreekt de Heere HEERE.
KJV
To whom art thou thus like3
in glory5
and in greatness6
among the trees7
of Eden?8
yet shalt thou be brought down9
with the trees11
of Eden12
unto the nether parts15
of the earth:14
thou shalt lie18
in the midst16
of the uncircumcised17
with them that be slain20
by the sword.21
This is Pharaoh23
and all his multitude,25
saith26
the Lord27
GOD.
elfde jaar,
Na de wegvoering van Jojachin; zie boven Ezech. 1:2 , enz.
Hertaald:
elfde jaar,
Namelijk na de wegvoering van Jojachin; zie hierboven Ezech. 1:2, enzovoort.
menigte
Dat is, al zijn volk.
Hertaald:
menigte
Dat is: heel zijn volk.
Wien zijt gij gelijk
Alsof God zeide: Beeldt gij u in dat er uws gelijke nooit geweest is en dat u derhalve niets kan deren? Let eens op den groten monarch van Assyrië, hoe die gevaren is, en maakt uwe rekening; vergelijk Jes. 23:13 .
Hertaald:
Wien zijt gij gelijk
Alsof God zei: verbeeldt u zich dat er nooit uws gelijke geweest is en dat u daarom niets kan deren? Let dan eens op de grote vorst van Assyrië, hoe het hem vergaan is, en maak uw rekening op; vergelijk Jes. 23:13.
Assur
Dat is, de koning van Assyrië.
Hertaald:
Assur
Dat is: de koning van Assyrië.
een ceder op den Libanon,
Dat is, was gelijk een cederboom; door deze ganse figuurlijke rede wordt beduid de grootheid, heerlijkheid en macht der Assyrische monarchie. Zie Richt. 9:15 ; vergelijk Ps. 80:11 ; boven Ezech. 17:3 , Ezech. 17:22-23 ; Dan. 4:10 , enz.
Hertaald:
een ceder op den Libanon,
Dat is: hij was als een ceder. Met deze hele beeldspraak wordt de grootheid, heerlijkheid en macht van het Assyrische rijk aangeduid. Zie Richt. 9:15; vergelijk Ps. 80:11; hierboven Ezech. 17:3, Ezech. 17:22-23; Dan. 4:10, enzovoort.
schaduwachtig van loof,
Of, schaduwende, schaduw makende, [met zijne] struiken, of takken; idem een schaduwmakend woud, of bos, alzo het Hebreeuwse woord de betekenis heeft van woud en struiken, takken, of loof.
Hertaald:
schaduwachtig van loof,
Of: schaduw gevend met zijn struiken of takken; eveneens: een schaduwrijk woud of bos, aangezien het Hebreeuwse woord zowel woud als struiken, takken of loof kan betekenen.
stam,
Gelijk boven Ezech. 17:6 .
Hertaald:
stam,
Zoals hierboven Ezech. 17:6.
wateren
Dat is, de gelegenheid en toevloeiing, die Ik hem beschikte van alles wat tot wasdom van zijn staat mocht dienen; vergelijk boven Ezech. 17:5 , Ezech. 17:8 , en Ezech. 19:10 , enz. en onder vs.5, 7.
Hertaald:
wateren
Dat is: de gelegenheid en de toevloed die Ik hem beschikte van alles wat tot de groei van zijn rijk kon dienen; vergelijk hierboven Ezech. 17:5, Ezech. 17:8 en Ezech. 19:10 enzovoort, en hieronder vers 5 en 7.
maakten hem groot,
Of, brachten, kweekten hem op.
Hertaald:
maakten hem groot,
Of: brachten hem groot, kweekten hem op.
de afgrond maakte hem hoog;
Dat is, diepe wateren, grote diepten.
Hertaald:
de afgrond maakte hem hoog;
Dat is: diepe wateren, grote diepten.
die ging met zijn stromen rondom
Afgrond, of diepte.
Hertaald:
die ging met zijn stromen rondom
Namelijk de afgrond of de diepte.
planting,
Gelijk boven Ezech. 17:7 .
Hertaald:
planting,
Zoals hierboven Ezech. 17:7.
zond zijn waterleidingen uit
Dat is, deelde van zijn overvloed anderen koningen mede, die minder waren dan hij, en door hem welvoeren.
Hertaald:
zond zijn waterleidingen uit
Dat is: hij deelde van zijn overvloed mee aan andere koningen die minder waren dan hij en die door hem welvarend werden.
grote wateren,
Zie vs.4.
Hertaald:
grote wateren,
Zie vers 4.
uitschoot
Zijne scheuten uitwierp en zich uitbreidde. Vergelijk boven Ezech. 17:6 ; of, als hij uitbotte, botten kreeg.
Hertaald:
uitschoot
Namelijk toen hij zijn scheuten uitwierp en zich uitbreidde. Vergelijk hierboven Ezech. 17:6; of: toen hij uitbotte en knoppen kreeg.
Alle vogelen des hemels
Hebreeuws, alle vogels nestelden, en zo alle dieren wierpen jongen, of teelden: dat is, allerlei, of vele volken waren onder zijn gebied en heerschappij; alzo Dan. 4:12 .
Hertaald:
Alle vogelen des hemels
Hebreeuws: elke vogel nestelde, en zo wierp elk dier jongen of teelde voort; dat is: allerlei of veel volken stonden onder zijn gezag en heerschappij; zo ook Dan. 4:12.
schaduw
Beschutting, of protectie nemende tot hem hunne toevlucht; vergelijk Ps. 91:1 ; alzo onder vs.17.
Hertaald:
schaduw
Namelijk beschutting of bescherming, waarbij zij tot hem hun toevlucht namen; vergelijk Ps. 91:1; zo ook hieronder vers 17.
cederen
Dat is, de andere koningen en prinsen, hoewel ook groot en heerlijk zijnde, gelijk de cederen van een paradijs, gelijk het eerste was, konden zijn glans niet verdonkeren of verbergen; gelijk de zon het schijnsel van andere sterren bij dag verduistert, alzo verduisterde hij allen glans van anderen. Vergelijk boven Ezech. 28:13 , en onder vs.9, 16.
Hertaald:
cederen
Dat is: de andere koningen en vorsten konden, hoewel ook groot en heerlijk als de ceders van een paradijs zoals het eerste was, zijn glans niet verduisteren of verbergen. Zoals de zon overdag de schittering van andere sterren verduistert, zo verduisterde hij alle glans van anderen. Vergelijk hierboven Ezech. 28:13 en hieronder vers 9 en 16.
geen boom in Gods hof
Hebreeuws, alle boom was niet, enz., dat is, geen boom was, enz. Zie 1 Kon. 11:34 ; alzo onder vs.14.
Hertaald:
geen boom in Gods hof
Hebreeuws: elke boom was niet, enzovoort; dat is: geen boom was, enzovoort. Zie 1 Kon. 11:34; zo ook hieronder vers 14.
gij u verheven hebt
Dit kan men nemen voor ene aanspraak aan den Assyriër, van welken God terstond [gelijk elders] weder spreekt in den derden persoon; of als een afgebroken rede tot Farao, waarvan de voltrekking volgt onder vs.18. Alsof God zeide: Omdat gij u zo verheft, zie toch eens wat de Assyriër ook deed en hoe Ik hem daarover gestraft hebt, enz.
Hertaald:
gij u verheven hebt
Dit kan men opvatten als een aanspraak tot de Assyriër, over wie God meteen daarna (zoals elders) weer in de derde persoon spreekt; of als een afgebroken aanspraak tot Farao, waarvan het slot volgt in vers 18. Alsof God zei: omdat u zich zo verheft, kijk dan eens wat de Assyriër ook deed en hoe Ik hem daarom gestraft heb, enzovoort.
stam,
Vergelijk vs.14.
Hertaald:
stam,
Vergelijk vers 14.
stak zijn top
Hebreeuws, gaf; vergelijk [aangaande het gebruik van het Hebreeuwse woord, dat naar gelegenheid der zaken velerlei betekenissen lijdt] 2 Sam. 18:9 , en boven Ezech. 27:12 , enz.; alzo vs.14.
Hertaald:
stak zijn top
Hebreeuws: gaf; vergelijk (wat betreft het gebruik van het Hebreeuwse woord, dat naargelang de zaak allerlei betekenissen kan hebben) 2 Sam. 18:9 en hierboven Ezech. 27:12 enzovoort; zo ook vers 14.
midden der dichte takken,
Hebreeuws alsof men zeide, de tussenheid; dat is, stak uit onder, en verhief zich boven andere koningen, heren, vorsten, enz. Vergelijk boven Ezech. 19:11 .
Hertaald:
midden der dichte takken,
In het Hebreeuws staat het alsof men zei: de tussenruimte; dat is: hij stak uit boven andere koningen, heren en vorsten en verhief zich boven hen, enzovoort. Vergelijk hierboven Ezech. 19:11.
machtigste der heidenen,
In de macht van den koning van Babel, Berodach, of Merodach Baladan, en voorts Nebukadnezar, die de Assyrische monarchie [waarin Esarhaddon, Sanheribs zoon, voor de laatste koning gehouden wordt] tot de Babyloniërs overgebracht; zie 2 Kon. 19:37 , en van dien Berodach, 2 Kon. 20:12 .
Hertaald:
machtigste der heidenen,
Namelijk in de macht van de koning van Babel, Berodach of Merodach-Baladan, en vervolgens Nebukadnezar, die het Assyrische rijk (waarin Esar-Haddon, de zoon van Sanherib, voor de laatste koning gehouden wordt) op de Babyloniërs deed overgaan; zie 2 Kon. 19:37, en over die Berodach 2 Kon. 20:12.
die hem rechtschapen zou behandelen;
Hebreeuws, doende zou hij het hem doen, of handelende met hem handelen, of deed, handelde hij met hem, gelijk sommigen; enigen verklaren deze manier van spreken aldus, naar zijn verdienste, of naar zijn welgevallen, naar behoren.
Hertaald:
die hem rechtschapen zou behandelen;
Hebreeuws: doende zou hij het hem doen, of: handelende met hem handelen, of: hij deed en handelde met hem, zoals sommigen menen. Sommigen verklaren deze manier van spreken zo: naar zijn verdienste, of: naar zijn welgevallen, naar behoren.
tirannigste der heidenen,
Gelijk boven Ezech. 28:7 . Hier volgt een figuurlijke beschrijving van den ondergang der Assyrische monarchie.
Hertaald:
tirannigste der heidenen,
Zoals hierboven Ezech. 28:7. Hier volgt een beeldende beschrijving van de ondergang van het Assyrische rijk.
zijn takken vielen op de bergen
Gelijk in het grote nederlagen overal, op bergen en in dalen vol van verslagenen en plundering placht te zijn.
Hertaald:
zijn takken vielen op de bergen
Zoals het bij grote nederlagen overal, op de bergen en in de dalen, vol pleegt te liggen van verslagenen en buit.
des lands;
Of, der aarde.
Hertaald:
des lands;
Of: van de aarde.
vogelen des hemels
Hebreeuws, allen vogel, alle dier, enz. Gelijk boven vs.6.
Hertaald:
vogelen des hemels
Hebreeuws: elke vogel, elk dier, enzovoort. Zoals hierboven vers 6.
omgevallen stam,
Of, gevallenen. Hebreeuws, val; dat is, de andere volken namen zijn rijk in, bezaten het en spotten met hem.
Hertaald:
omgevallen stam,
Of: gevallene. Hebreeuws: val; dat is: de andere volken namen zijn rijk in, bezaten het en spotten met hem.
geen waterrijke bomen verheffen
Hebreeuws, alle bomen der wateren, of der wateren zich niet, enz. Vergelijk boven vs.8, en zo in het volgende. De zin is dat God dit voorbeeld aan dien groten monarch heeft willen stellen, tot een waarschuwing van alle groten en machtigen op aarde, en hier voornamelijk voor Farao, opdat zich niemand tegen Hem verhovaardige en goddeloos worde, om niet door gelijke zonden in gelijke straffen te vallen, die hij met geen menselijke macht zal kunnen afweren.
Hertaald:
geen waterrijke bomen verheffen
Hebreeuws: alle bomen van de wateren, of van de wateren, zich niet, enzovoort. Vergelijk hierboven vers 8, en zo ook in het vervolg. De betekenis is dat God dit voorbeeld aan die grote vorst heeft willen stellen als waarschuwing voor alle groten en machtigen op aarde, en hier vooral voor Farao, opdat niemand zich tegen Hem zou verheffen en goddeloos zou worden en zo door dezelfde zonden in dezelfde straffen zou vallen, die hij met geen enkele menselijke macht zal kunnen afweren.
boven het midden der dichte takken,
Gelijk boven vs.10.
Hertaald:
boven het midden der dichte takken,
Zoals hierboven vers 10.
drinken,
Dat is, met allen overvloed door mijn zegen vervuld zijn en geen gebrek lijden. Alzo vs.16. Vergelijk boven vs.4, 8.
Hertaald:
drinken,
Dat is: met alle overvloed door Mijn zegen vervuld zijn en geen gebrek lijden. Zo ook vers 16. Vergelijk hierboven vers 4 en 8.
op zichzelven staan
Deze manier van spreken is ook in onze taal gebruikelijk, voor op zichzelven vertrouwen, of het hoofd stoutelijk op en omhoog steken, waarvan het tegendeel is nederig voor God te wandelen. Vergelijk de manier van spreken onder Ezech. 33:26 .
Hertaald:
op zichzelven staan
Deze manier van spreken is ook in onze taal gebruikelijk voor: op zichzelf vertrouwen, of: het hoofd overmoedig omhoogsteken. Het tegendeel daarvan is nederig voor God wandelen. Vergelijk de uitdrukking hieronder Ezech. 33:26.
onderste der aarde,
Hebreeuws, de onderste aarde, of de aarde die beneden is. Alzo vs.10, 18.
Hertaald:
onderste der aarde,
Hebreeuws: de onderste aarde, of: de aarde die beneden is. Zo ook vers 10 en 18.
mensenkinderen,
Dat is, onder de gemene, of slechte lieden. Zie Ps. 4:3 .
Hertaald:
mensenkinderen,
Dat is: onder de gewone of geringe mensen. Zie Ps. 4:3.
helle nederdaalde,
Zie van het Hebreeuwse woord Scheol Gen. 37:35 ; alzo vs.16-18, en onder Ezech. 32:21-22 , en het volgende aldaar. Uit vergelijking van welke plaatsen [gelijk ook vs.14] blijkt dat het hier genomen wordt voor het graf, met den aanklevenden ellendigen en smadelijken toestand der verstorven goddelozen in de hel.
Hertaald:
helle nederdaalde,
Zie over het Hebreeuwse woord scheol Gen. 37:35; zo ook vers 16-18, en hieronder Ezech. 32:21-22 en het vervolg daar. Uit de vergelijking van die plaatsen (evenals vers 14) blijkt dat het hier opgevat wordt als het graf, met de daaraan verbonden ellendige en smadelijke toestand van de gestorven goddelozen in de hel.
maakte Ik een treuren;
Dit is een figuurlijke beschrijving van den algemenen schrik, dien God door dit zijn oordeel over de Assyriërs gemaakt heeft bij al de groten en de volken, die door zijn rijkdom [gelijk boven] waren welgevaren. Vergelijk boven Ezech. 27:29 , en de volgende verzen aldaar.
Hertaald:
maakte Ik een treuren;
Dit is een beeldende beschrijving van de algemene schrik die God door dit oordeel over de Assyriërs teweeggebracht heeft bij alle groten en volken die door zijn rijkdom (zoals hierboven) welvarend geworden waren. Vergelijk hierboven Ezech. 27:29 en de volgende verzen daar.
bedekte om zijnentwil
Dat is, Ik stelde hem in zulk een stand, dat hij was alsof hij rouw bedreef; [alzo onder bewonden ]. Zie 2 Sam. 15:30 .
Hertaald:
bedekte om zijnentwil
Dat is: Ik bracht hem in zo'n toestand dat het was alsof hij rouw bedreef (zo ook hieronder: bewonden). Zie 2 Sam. 15:30.
afgrond,
Zie boven vs.4.
Hertaald:
afgrond,
Zie hierboven vers 4.
weerde de stromen van dien,
Ik onttrok mijn tijdelijken zegen.
Hertaald:
weerde de stromen van dien,
Namelijk: Ik onttrok Mijn tijdelijke zegen.
zwart,
Alsof alle cederen [dat is, groten] in rouw stonden; zie Ps. 35:14 .
Hertaald:
zwart,
Alsof alle ceders, dat is: alle groten, in de rouw stonden; zie Ps. 35:14.
Eden,
Zie boven vs.8,9.
Hertaald:
Eden,
Zie hierboven vers 8 en 9.
drinken,
Gelijk boven vs.14.
Hertaald:
drinken,
Zoals hierboven vers 14.
troostten zich
Figuurlijk gesproken, alsof men zeide: het viel hun troostelijk, dat zij zulk een groten metgezel in hun lijden hadden. Vergelijk Jes. 14:8-10 , met de aantekening; idem, boven Ezech. 14:22 , en Ezech. 16:54 , en onder Ezech. 32:31 , enz.
Hertaald:
troostten zich
Beeldend gesproken, alsof men zei: het viel hun tot troost dat zij zo'n grote lotgenoot in hun lijden hadden. Vergelijk Jes. 14:8-10 met de aantekening; eveneens hierboven Ezech. 14:22 en Ezech. 16:54, en hieronder Ezech. 32:31, enzovoort.
arm geweest waren,
Dat is sterkte, die hem gestijfd en gesteund hadden, of aldus, met zijn arm; [dat is, zijn koninkrijk] onder welks schaduw zij, enz.
Hertaald:
arm geweest waren,
Dat is: zij die zijn sterkte waren en hem gesteund hadden. Of aldus: met zijn arm, dat is: zijn koninkrijk, onder wiens schaduw zij, enzovoort.
schaduw
Gelijk boven vs.6.
Hertaald:
schaduw
Zoals hierboven vers 6.
gij alzo gelijk
O Farao, gij die meent dat uws gelijke niet zij. Zie boven vs.2.
Hertaald:
gij alzo gelijk
Namelijk u, Farao, die meent dat uws gelijke er niet is. Zie hierboven vers 2.
onbesnedenen zult gij liggen,
Zie boven Ezech. 28:10 .
Hertaald:
onbesnedenen zult gij liggen,
Zie hierboven Ezech. 28:10.
Dat is Faraö,
Alsof God zeide: Zie daar een levendig beeld van dezen trotsen koning Farao; even zo vast en zeker is zijn staat als van den Assyriër, er alzo zal hij met al zijn hoogmoed varen.
Hertaald:
Dat is Faraö,
Alsof God zei: zie daar een levendig beeld van deze trotse koning Farao; zijn staat is even vast en zeker als die van de Assyriër, en zo zal het hem met al zijn hoogmoed vergaan.
menigte,
Versta dit van rijkdom, of volk; of met al zijn gewoel, rumoer of gedruis. Zie boven Ezech. 29:19 .
Hertaald:
menigte,
Versta dit van zijn rijkdom of zijn volk, of: met al zijn gewoel, rumoer of gedruis. Zie hierboven Ezech. 29:19. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Mensenkind! zet uw aangezicht tegen de kinderen Ammons, en profeteer tegen dezelve" (Ezech. 25:2). Met die opdracht begint een reeks die tot het einde van Ezech. 32 doorloopt. De volgorde is: Ammon, Moab, Edom en de Filistijnen in dit hoofdstuk, daarna Tyrus, dat drie hoofdstukken krijgt (Ezech. 26:2), vervolgens Sidon (Ezech. 28:21) en ten slotte Egypte, dat er vier krijgt (Ezech. 29:2). In de vier korte woorden van dit hoofdstuk keert telkens dezelfde zin terug: "gij zult weten, dat Ik de HEERE ben" (Ezech. 25:5,7), en bij Moab en de Filistijnen: "zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben" (Ezech. 25:11,17). Bijbelse betekenis: Merk op waar deze reeks staat. Zij komt na het bericht dat de belegering begonnen is en vóór het bericht dat de stad gevallen is. Terwijl Jeruzalem valt, hoort het volk dat de HEERE ook over de buurvolken gaat. Let vervolgens op wat die volken verweten wordt. Niet hun afgoderij en niet hun zeden, maar hun houding tegenover Israël op de dag van de val: leedvermaak, gejuich en wraak. Let ten slotte op de toon. Die is bij Jesaja vastgelegd en geldt ook hier: oordeel aankondigen zonder er behagen in te scheppen (reeds behandeld bij Jes. 15:5). Dezelfde reeks staat bij Jeremia, en zij is daar op dezelfde wijze samengenomen (reeds behandeld bij Jer. 46:1-2). Typologie: De psalm zegt in één zin wat deze hoofdstukken breed uitwerken: "Want het koninkrijk is des HEEREN, en Hij heerst onder de heidenen" (Ps. 22:29). En Paulus zegt in Athene dat God "uit een bloede het ganse geslacht der mensen gemaakt" heeft, en dat Hij hun tijden en de grenzen van hun woonplaats bepaald heeft (Hand. 17:26). Ezech. 25:1-17; Ezech. 26:2; Ezech. 28:21; Ezech. 29:2; Jes. 15:5; Jer. 46:1-2; Ps. 22:29; Hand. 17:26 Het hoofdstuk begint met een vraag aan Farao: "Wien zijt gij gelijk in uw grootheid?" (Ezech. 31:2). Het antwoord bestaat uit een geschiedenis: "Zie, Assur was een ceder op den Libanon, schoon van takken, schaduwachtig van loof, en hoog van stam" (Ezech. 31:3). Die boom werd zo groot dat alle vogels van de hemel in zijn takken nestelden en alle grote volken in zijn schaduw zaten (Ezech. 31:6). En er staat bij wie hem zo gemaakt heeft: "Ik had hem zo schoon gemaakt door de veelheid zijner takken" (Ezech. 31:9). Dan komt de omslag, en met de reden erbij: "Omdat gij u verheven hebt over uw stam, ja, hij stak zijn top op boven het midden der dichte takken, en zijn hart verhief zich over zijn hoogte" (Ezech. 31:10). Het slot laat geen misverstand: "Dat is Farao, en zijn ganse menigte" (Ezech. 31:18). Bijbelse betekenis: Merk op hoe deze vraag beantwoord wordt. Farao vraagt naar zijn eigen grootheid en krijgt de geschiedenis van een ander rijk te horen. Dat is een oude manier van onderwijzen: laat iemand zichzelf herkennen in een verhaal dat over een ander gaat. Let vervolgens op Ezech. 31:9. God zegt dat Hij die boom zo schoon gemaakt heeft; de grootheid zelf is dus geen aanklacht. Wat misging staat in het vers erna, en het zit niet in de hoogte maar in het hart dat zich over die hoogte verhief. Let ten slotte op het verschil met het takje eerder in dit boek (reeds behandeld bij Ezech. 17:22-24). Ook daar wonen de vogels in de takken, maar daar plant God zelf het kleinste twijgje en maakt het groot; hier valt de hoogste boom om. Beide bomen hebben dezelfde vogels; het verschil ligt in wie geplant heeft. Typologie: Daniël gebruikt hetzelfde beeld voor Nebukadnezar: de boom die tot aan de hemel reikte en waarin de vogels nestelden, en dan het woord "Dat zijt gij, o koning!" (Dan. 4:20-22). En de Heere Jezus geeft de regel in één zin: "een iegelijk, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden" (Luk. 14:11). Ezech. 31:1-18; Ezech. 17:22-24; Dan. 4:20-22; Luk. 14:11 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Ezechiël 31
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen


Ezechiël 31
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
XI. Vs. 1-18.KruisverwijzingenJesaja 10:33→Ezechiël 17:23→Ezechiël 28:13→Ezechiël 30:20→Ezechiël 29:19→Daniël 4:10→Daniël 4:11→Daniël 4:12→
— Het gebeurde ook in het elfde jaar, in de derde maand, op den eersten der maand, dat des HEEREN woord tot mij geschiedde, zeggende: Mensenkind! zeg tot Farao, den koning van Egypte, en tot zijn menigte: Wien zijt gij gelijk in uw grootheid? Zie, Assur was een ceder op den Libanon, schoon van takken, schaduwachtig van loof, en hoog van stam, en zijn top was tussen dichte takken. De wateren maakten hem groot, de afgrond maakte hem hoog; die ging met zijn stromen rondom zijn planting, en zond zijn waterleidingen uit tot alle bomen des velds. Daarom werd zijn stam hoger dan alle bomen des velds; en zijn takjes werden menigvuldig, en zijn scheuten lang, vanwege de grote wateren, als hij uitschoot. Alle vogelen des hemels nestelden op zijn takjes, en alle dieren des velds teelden onder zijn scheuten; en alle grote volken zaten onder zijn schaduw. Alzo was hij schoon in zijn grootheid en in de lengte zijner takken, omdat zijn wortel aan grote wateren was. De cederen in Gods hof verduisterden hem niet, de dennebomen waren zijn takken niet gelijk, en de kastanjebomen waren niet gelijk zijn scheuten; geen boom in Gods hof was hem gelijk in zijn schoonheid. Ik had hem zo schoon gemaakt door de veelheid zijner takken, dat alle bomen van Eden, die in Gods hof waren, hem benijdden. Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat gij u verheven hebt over uw stam, ja, hij stak zijn top op boven het midden der dichte takken, en zijn hart verhief zich over zijn hoogte;
Het opschrift van dit Hoofdstuk heeft geen ongelijk, wanneer het de voor ons liggende voorspelling als ene bevestiging van de vorige aanziet. Want dit woord van God tegen Egypte, (vs. 1) slechts 2 maanden min 6 dagen na de vorige en 1 maand en 8 dagen vóór de verovering van Jeruzalem door den Profeet ontvangen, wordt die koning, die zich en zijn rijk voor eerlijk zonder gelijke hield (vs. 2), aan Assur herinnerd. Assyrië was vóór 40 jaren eveneens zonder gelijke evenals een cederboom, welke in den hof van God, waar de bomen der volken en koningsgeslachten zijn, boven alle bomen verheven (vs. 3-9). Omdat zijn hart zich verhief werd hij geveld (vs. 10-14), en zijn val verschrikte alle Heidenen, en diende dengenen, die met hem ten onder gingen, ten troost voor eigen ondergang (vs. 15-17). Zo zal het ook Faraö en al zijn volk gaan (vs. 18). Deze verhevene gelijkenis herinnert aan den waarschuwenden droom, dien Nebukadnezar waarschijnlijk na de onderwerping van Egypte, misschien ongeveer 18 jaren later, in den tijd van zijn hoogmoed had (Dan. 4), en waarin hij zichzelven zag onder het beeld van een boom, die tot den hemel reikte, maar plotseling op des Heeren last werd omgehouwen. Is het niet, alsof de gelijke wet, die voor Faraö Hofra gene vruchten bracht, het hart van den overwinnaar der Faraö’s geschokt heeft? .
Het gebeurde ook in het elfde jaar, het jaar 588 v. C. in de derde maand, Sevan (Ex. 12:2) op den eersten der maand, ongeveer het einde van Mei, kort vóór Pinksteren, dat des HEEREN woord tot mij geschiedde, zeggende:
Mensenkind! zeg tot Faraö, den koning van Egypte, en tot zijne menigte 1): Wien zijt gij gelijk in uwe grootheid? 2)
Nauwkeuriger “tot zijne beweging, ” d. i. al wat geruis en leven in het land veroorzaakt. Daaronder mag men echter niet de heersende klassen en standen in tegenstelling tegen de stillen in den lande verstaan; ook mag men niet alleen aan de volksmenigte denken, maar aan het volk met zijne goederen, en zijn rijkdom, dat welvaart en levendigheid (Hoofdst. 30:10) veroorzaakte.
Deze vraag doet als antwoord verwachten: “aan niemand!” Gij zijt naar uwe mening enig in uwe soort. Maar Ezechiël antwoordt: gij zijt gelijk aan Assur, die zich in Zijnen tijd ook onvergelijkelijk heerlijk achtte. Daaruit leidt hij af: Assurs lot zal ook uw lot zijn. Wij zijn best in staat om over ons zelven te oordelen door vergelijking. Zij, die hoge gedachten van zich zelf hebben, verbeelden zich zo groot en zo goed te zijn, als die en die, welke vermaard geweest zijn. De vleierij der vorsten zeggen hun, wie zij gelijk zijn, in pracht en grootheid, welnu, zegt God, laat hem den beroemdsten Potentaat nemen, die er ooit is geweest, en men zal hem toestaan, dat hij hem gelijk is in grootheid en nergens in minder den hij, maar laat hem ook nemen, wien hij wil, hij zal bevinden, dat zijne dag kwam om te vallen, hij zal zien, dat er een einde is aan alle zijne volmaaktheid, en moet daarom het einde van de zijne op dezelfde wijze verwachten. Merk hieraan, de val van anderen, zowel in zonden als in het verderf, zijn tot waarschuwing en vermaningen voor ons, om niet gerust en hooggevoelende te zijn, of te denken, dat wij buiten gevaar zijn.
Wanneer gij nu denkt, dat niemand met u kan worden vergeleken, wil Ik u toch ene wereldmacht voorstellen die eens in even grote heerlijkheid prijkte. Zie, Assur was een a) ceder op den Libanon, schoon van takken, schaduwachtig van loof, en hoog van stam, en zijn top was tussen dichte takken(volgens ene andere verklaring: onder de wolken, vs. 14).
Dan. 4:10 vv.
De wateren maakten hem groot, de afgrond, de vloed, die hem rijkelijk vochtigheid en voedsel gaf, maakte hem hoog: die ging met zijne stromen rondom zijne planting, en zond zijne waterleidingen uit tot alle bomen des velds, die er mede in verbintenis stonden.
Daarom werd zijn stam hoger dan alle bomen des velds; en zijne takjes werden menigvuldig, en zijne scheuten lang, van wege de grote wateren, als hij uitschoot.
Alle a) vogelen des hemels nestelden op zijne takjes, en alle dieren des velds teelden onder zijne scheuten, en alle (liever: allerlei) grote volken zaten onder zijne schaduw.
Dan. 4:12.
Alzo was hij schoon in zijne grootheid en in de lengte zijner takken, omdat zijn wortel aan grote wateren was.
De cederen in a) Gods hof verduisterden hem niet, hij stond bij die niet achter, de dennebomen (liever cypressenbomen (1 Kon. 5:8) waren zijnen takken niet gelijk, waren in takken niet met hem te vergelijken, en de kastanjebomen (liever platanen) waren niet gelijk zijne scheuten; geen boom in Gods hof was hem gelijk in zijne schoonheid.
Gen. 2:8.
Ik, de Heere, had hem zo schoon gemaakt door de veelheid zijner takken, dat alle bomen van Eden, die in Gods hof waren, (die daarin staan Gen. 2:8), hem benijdden. De parallellen zijn zo nauwkeurig doorgevoerd, dat vele uitleggers gemeend hebben het woord Assur niet als eigen naam van Assyrië, maar in appellatieve betekenis en van ene bijzonder heerlijke cedersoort te moeten opvatten, waaronder dan tevens Egypte moet worden verstaan. Met deze doorvoering is bedoeld juist te doen uitkomen, hoe nauwkeurig Egypte met Assur overeenkomt, zodat ieder in de tekening van Assur aanstonds het tegenbeeld zal herkennen. Assur is gelijk aan een cederboom van de eerste grootte, die zo groot is geworden, omdat hij aan de wateren geplant was. De diepte der wateren zond hare stromen tot hem, terwijl zij tot de andere bomen des velds slechts kleine slootjes afvoerde. Daarom is de cederboom Assur groter dan die alle, ja, zo groot geworden, dat alle volken der heidenwereld onder zijne schaduw zaten, en geen andere boom in de planting Gods hem evenaarde. Zo groot en schoon had God hem gemaakt, en alle bomen in Gods hof, d. i. alle andere volken en rijken in de wereld Gods benijdden hem daarom. Met recht worden de rijken in de Schrift met bomen vergeleken, zowel wat hun gedaante, de bescherming en schaduw, die zij aan mensen en dieren geven, als wat hun vruchten aangaat, eindelijk echter ook ten opzichte daarvan, dat de rijken als de bomen groen worden, dan verminderen, door den wind omgeworpen, of door den bijl der mensen omgehouwen worden. Iedere trek in het beeld van den ceder heeft zijne betekenis, en dat wordt daardoor aangeduid, dat Ezechiël aan het slot van vs. 6 zelf een trek van het beeld uitlegt. Het rijk van Assur is de boom, de takken zijn de afhankelijke provincies en gewesten, rijk aan loof en schaduw, rijk aan twijgen, en rijk aan beschermend vermogen, zeer hoog boven alle rijken in zijnen tijd uitmuntende, zijn top is de koning, onder dichte takken. omgeven van talrijke nakomelingschap. De diepte is ene onuitputtelijke volheid van water, die uit den afgrond der aarde steeds opwelt (Gen. 7:11), de wateren duiden enen toevloed aan van goederen en schatten. De stam is het middelpunt des rijks, de hoofdstad, dus voor Assur Nineve. De beken, die hare wateren uitstortten tot alle bomen des velds, zijn de rijkdommen, die van Assur door handelsverkeer allen anderen landen en koninkrijken toestroomden. De vogelen des hemels en de dieren des velds verklaart Ezechiël zelf van alle grote, machtige volkeren” De wortelen als zodanig, slechts naar deze wereld groot, rijk, zijn zijne schatkameren, zijn belastingstelsel, waarmee het andere landen uitzuigt. In Gods hof, in den hof der volkeren, dien God geplant heeft. Deze is dus vs. 3 onder den Libanon bedoeld; dßßr was Assur met een ceder vergeleken; hier wordt hij geschilderd als de schoonste onder alle bomen. Cederen, dennen, platanen, duiden drie verschillende rangen van rijken aan. De cederen konden den ceder van Assur niet in de schaduw stellen, zij bereikten in lange zijne hoogte niet. De cypressen konden zich niet met zijne takken, de platanen niet eens met zijne twijgen vergelijken. Ja Assur was toen onvergelijkelijk heerlijk. Let wel: de Heere heeft het gedaan en Assurs hart verhief zich, als hadde hij het zelf uitgericht. Dat was zijne schuld, evenals toen Egypte zei: de stroom is de mijne, en ik heb hem voor mij gemaakt (Hoofdst. 29:3). Thans bespeuren wij uit Hoofdst. 31:4, wat de stroom Hoofdst. 29:3 voor Egypte eigenlijk betekent. Het is de Nijl, maar slechts als type van alle hulpbronnen van Egypte. Evenals in het nieuwe Testament naar het hemelse wordt afgemeten, zo wordt in het Oude Testament wat heerlijk is of was, met Eden en het Paradijs (den hof Gods, Gen. 13:10) vergeleken. De gezamenlijke groten der aarde stelt Ezechiël voor als den hof Gods, terwijl hij ze als tegenbeeld van den hof, dien God in Eden plantte, van het Paradijs met zijne heerlijke bomen beschouwt. De vergelijking is te meer gepast, daar, gelijk het Paradijs door God geplant was, ook alle menselijke grootheid van God haren oorsprong heeft. De benijding der overige bomen, dus van de overige groten der aarde, komt alleen in zoverre in aanmerking, als die de grootheid der gaven, aan dezen koning verleend, in het licht stelt. De benijding heeft ene zijde, volgens welke die als een geluk kan worden beschouwd voor degene, dien zij treft; men denke slechts aan het spreekwoord, beter benijd dan beklaagd. Ook den Heidenen heeft God welgedaan, opdat zij Hem zouden zoeken, of zij Hem mochten vinden (Hand. 17:26 vv.).
Daarom, zo zegt de Heere HEERE 1): Omdat gij, de cederboom Assur, u verheven hebt over uwen stem: ja hij stak zij een top op boven het midden der dichte takken 2) (liever; tot tussen de wolken), en zijn hart verhief zich over zijne hoogte.
Dit goddelijk vonnis is niet een, dat eerst nu is uitgesproken, maar behoort tot het verledene; dus wordt hier alleen meegedeeld, wat God vroeger had gesproken.
Dat de koning van Assur groot werd, was in vs. 5, dat zijn top in de wolken zich verhief, was in vs. 3 ene gave Gods genoemd; de grootheid zelf wordt echter tot zonde en tot ene oorzaak van het Goddelijk gericht, wanneer die niet door ootmoedige onderwerping onder God wordt verzoend en geheiligd.
Daarom gaf Ik hem in de hand van den machtigste der Heidenen, van Nebukadnezar, of liever nog van diens vader Nabopolasser (2 (Kon. 23:37), dat die hem rechtschapen, naar recht, naar verdienste zou handelen; Ik dreef hem uit om zijne goddeloosheid 1)
God weet altijd enen machtigere, die enen machtige kan verootmoedigen (Jes. 10:16). Ook hier spreekt de Heere het zo duidelijk uit, dat ook de machtigste vijanden niets kunnen doen, tenzij God, de Heere, de macht in hun hand geeft. Door den Heere regeren de volken. Hij is het, die den een aanstelt en den ander afzet. Maar evenzeer blijkt het hier duidelijk dat de Heere God geen ledig toeschouwer is van de daden der mensenkinderen. Dat Hij wel geduld heeft maar eindelijk komt met de roede Zijner verbolgenheid over de goddeloosheid der mensenkinderen, ook over die der vorsten.
En vreemden, de Chaldeën, de tirannigste der Heidenen (Hoofdst. 30:11 vv.), roeiden hem uit en verlieten hem; zijne takken vielen op de bergen en in alle valleien, waarheen zij bij het nederstorten van den sterken boom van zijne hoogte waren nedergeslingerd, en zijne scheuten werden verbroken bij alle stromen des lands; en alle volken der aarde gingen af uit zijne schaduw, en verlieten hem.
Alle vogelen des hemels woonden op zijnen omgevallenen stam, en alle dieren des velds waren op zijne scheuten. De omgehouwen boom lag daar zonder dat iemand er zich aan kreunde, het roofgevogelte koos er zijn nest, en het wild gedierte zijn leger, want niemand zag er naar om.
Opdat zich gene waterrijke bomen verheffen over hunnen stem, en hunnen top niet opsteken boven het midden der dichte takken 1) (tot in de wolken), en gene bomen, die water drinken, op zichzelven staan van wege hun hoogte); want zij, die groten der aarde, die onder de bomen aan het water bedoeld zijn, en aan wie God voorspoed geeft, zijn allen overgegeven ter dood, tot het onderste der aarde, in het midden der mensenkinderen, tot degenen, die in den kuil nederdalen 3) (Job 3:19).
Het Hebreeuwse woord Abothim, dat hier door “dichte takken” is overgezet, kan ook “dichte wolken” betekenen. Het woord met zijne dubbele betekenis is hier opzettelijk gebezigd, om ene zelfverheffing van den kruin tot in de wolken, of tot in den hemel (Jes. 14:14) aan te duiden, zoals in Dan. 4:8 van den boom in Nebakadnezars droom wordt gezegd, dat zijne hoogte tot in den hemel reikte.
Hoog in zijn groei volgens den hier bedoelden zin wordt alleen hij, die zich met zijn hart in de hoogte begeeft; ware ootmoed brengt in die hoogte de nodige matiging aan; deze richt het oog vast op de geringheid, die bij alle menselijke verhevenheid nevens de hoogte aanwezig is. Uit het hart der mensen komen alle hoogten, die tegen God zijn, voort, welke niet altijd ene kroon behoeven te dragen, maar ook ene pen achter het oor, of een bril op den neus kunnen hebben. Wij zijn allen in Adam tot hoogmoed geneigd; en de vergankelijke dingen dezer wereld, rijkdom, eer, luister, schoonheid, wetenschap, enz. bevorderen onze natuurlijke neiging, daar wij dat alles te hoog schatten; ook een geringe kiel bedekt dikwijls gruwelijken hoogmoed, maar de koningen worden door hun vleiers in deze zonde, de wortel van alle kwaad, opgevoed. (J. LANGE).
Allen worden naakt geboren, niemand komt met purper ter wereld; dat werkt echter lang zo goed niet als het andere, dat de koning evenals de bedelaar moet sterven.
Zo zegt de Heere HEERE omtrent Assur, nadat Hij dien op de vroeger beschrevene wijze heeft doen vallen: Ten dage, als hij ter helle nederdaalde, maakte Ik een treuren, Ik bedekte om zijnentwil den afgrond, den onderaardsen waterschat, die de bronnen voedt (vs. 4) van treurigheid daarover, dat zij zich voortaan niet daarheen, waar hij gewoon, en zoals het hem lief was geworden, uitstorten kon; en Ik weerde de stromen van dien, en de grote wateren werden geschut, zodat zij als opgesloten waren; en Ik maakte den Libanon om zijnentwil zwart, en al het geboomte des velds was om zijnentwil bewonden, hing neer van dorst. De Profeet slaat de sterkste tonen aan, om den groten val van Assur op de indrukwekkendste wijze den koning van Egypte op het hart te drukken. Op den dag, dat hij ter helle nedervaart, bedekt een rouwgewaad de gehele natuur, de rivier hult zich in duisternis, zodat hare stromen in den loop ophouden, de witte Libanon wordt veranderd in zwartheid en alle bomen des velds versmachten. In droefheid zondert men zich gewoonlijk af en trekt men zich terug; het witte gewaad wordt tot een nauwen zak, en zo neemt dan ook de rivier hare wateren, die zich tot hiertoe vrolijk uitstortten, en uitbreidden, weer tot zich. Jehova verordent een dag van straf, en op dezen wordt vooreerst die oude Goddelijke bijstand en zegen aan de Assyrische macht ontnomen, de Goddelijke bronnen en fonteinen van heil verdrogen; de Heere bedekt met treurigheid de rivier, zodat zij ophoudt te stromen. De Libanon, de grote volkentuin Gods, geraakte in verwarring, en de kleinere staten, die zich aan Assur vastklemden, misten hun machtige bescherming. Het statenstelsel had zijn evenwicht verloren.
Van het geluid zijns vals deed Ik de Heidenen a) beven, als Ik hem ter helle deed nederdalen, met degenen, die in den kuil nederdalen; en alle bomen van Eden, alle onaanzienlijke en aanzienlijke vorsten, de keur en het beste van Libanon, alle bomen, die water drinken, alle edelen troostten zich in het onderste der aarde over zijn lot.
Jes. 14:9.
Diezelve daalden ook met hem neer ter helle, tot de verslagenen van het zwaard, die hij in zijne oorlogen had omgebracht; en die zijn arm geweest waren, die onder zijne schaduw in het midden der Heidenen gezeten hadden. Die hem ter zijde stonden, en onder zijne bescherming zich hadden verlustigd, terwijl hij nog in heerlijkheid stond (vs. 6), moesten zich ook laten welgevallen, zijn lot in zijnen val met hem te delen. Terwijl op aarde alle volken over den val van Assyrië beven, omdat zij daardoor aan de vergankelijkheid van alle aardse grootheid en aan hunnen eigen ondergang worden herinnerd, troosten zich de bewoners der benedenwereld daarmee, dat de Assyriër nu hun lot deelt (Jes. 14:9 vv.). Alle bomen van Eden zijn alle machtige en heerlijke vorsten, wier begrip vervolgens nog versterkt wordt door de bijvoeging “de keur en het beste van Libanon. ” Zij troosten zich omdat zij met Assur in de onderwereld zijn gevaren, en hij dus geen voorrang boven hen heeft. Daar komen zij tot de “verslagenen van het zwaard”, d. i. tot de vorsten en volken, die Assur in oorlogen tot stichting zijner wereldmacht heeft omgebracht. Het “met hem” is zoveel als “niet minder dan hij. ” Het betekent niet het gelijktijdige, want zij zijn bij zijne aankomst reeds in de hel, maar het gelijke in maat. De vazallen des konings zijn hem in den ondergang reeds voorgegaan; hij sluit de rij en wordt door de overige deelgenoten in de onderwereld ontvangen.
Wien zijt gij alzo, o Faraö, om nu weer de aanspraak aan u (vs. 2) weer op te nemen, gelijk in heerlijkheid en grootheid, onder de bomen van Eden? waarlijk gij zijt niet heerlijker dan te voren Assur was, u wacht hetzelfde lot, dat hem heeft getroffen; ja gij zult nedergevoerd worden, met de bomen van Eden, tot het onderste der aarde; in het midden der onbesnedenen, der goddeloze Heidenen, tot welke gij inderdaad ook behoort, zult gij liggen, met de verslagenen door het zwaard. Dat wat in Assurs voorbeeld wordt aangetoond, is Faraö, en zijne ganse menigte, spreekt de Heere HEERE. “Wien zijt gij gelijk in heerlijkheid en grootheid?” vraagt de Profeet nog eens aan Faraö, nadat hij door zijne voorstelling van Assur het ware antwoord geheel heeft voorbereid. En dat is: in het gezegde is reeds openbaar geworden, dat heerlijkheid en grootheid voor den val niet kan bewaren, integendeel, wanneer zij misbruikt wordt, brengt zij tot den val. De besnijding maakt zeker een onderscheid in den dood, maar niet die, welke in het vlees geschiedt; wel het besneden hart, en dat kunnen tot op zekere hoogte ook diegenen hebben, die als Heidenen eigenlijk tot de onbesnedenen behoren. Ziet, hoe ellendig hij daar ligt; ziet, waartoe al die pracht en hovaardij gekomen is. Grote mannen en grote menigten met de grote figuur en het groot geraas, dat zij in de wereld gemaakt hebben, wanneer God komt om met hen te twisten, worden spoedig klein. Alzo is Faraö en al zijne menigte. Het is beter een nederige boom van rechtvaardigheid te zijn, dragende vruchten tot ere van God en tot welzijn der mensen, en ten laatste overgeplant te worden in den tuin Gods daarboven, om daar eeuwig te bloeien, dan een geprezen ceder te zijn en ten laatste neer te vallen; een van de machtigsten der aarde te zijn, en in het helse vuur te dalen. De goddeloze is dikwijls gezien, bloeiende gelijk de ceder, en takken uitspreidende als de groene laurier, maar hij gaat spoedig voorbij en zijne plaats wordt niet meer gevonden. Laat ons letten op den rechtvaardige en zien op den oprechte, want het einde van dien man zal vrede zijn. .
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel