Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1Voorts geschieddeH1961 des HEERENH3068woordH1697totH413 mij, zeggendeH559:Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
KJVThe word2of the LORD3came again unto me, saying,
2Mensenkind! zeg tot den vorst van Tyrus: Zo zegt de Heere HEERE: Omdat uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Godes stoel, in het hart der zeeen! daar gij een mens en geen God zijt, stelt gij nochtans uw hart, als Gods hart.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2MensenkindH1121! zegH559 tot den vorstH5057 van TyrusH6865: ZoH3541zegtH559 de HeereH136HEEREH3069: Omdat uw hartH3820 zich verheftH1361 en zegtH559: Ik ben GodH410, ik zitH3427 in GodesH430stoelH4186, in het hartH3820 der zeeenH3220! daar gijH859 een mensH120 en geenH3808GodH410 zijt, steltH5414 gij nochtans uw hartH3820, als GodsH430hartH3820.Mensenkind! zeg tot den vorst van Tyrus: Zo zegt de Heere HEERE: Omdat uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Godes stoel, in het hart der zeeen! daar gij een mens en geen God zijt, stelt gij nochtans uw hart, als Gods hart.
KJVSon1of man,2say3unto the prince4of Tyrus,5Thus saith7the Lord8GOD;9Because thine heart12is lifted up,11and thou hast said,13I am a God,14I sit18in the seat16of God,17in the midst19of the seas;20yet thou art a man,22and not God,24though thou set25thine heart26as the heart27of God:
1בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth2אָדָ֡םH120mens, mensen, Adam[idiom] another, [phrase] hypocrite, [phrase] common sort, [idiom] low, man (mean, of low degree), person3אֱמֹר֩H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet4לִנְגִ֨ידH5057voorganger, overste, vorstcaptain, chief, excellent thing, (chief) governor, leader, noble, prince, (chief) ruler5צֹ֜רH6865Tyrus, TyrierTyre, Tyrus6כֹּֽהH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder7אָמַ֣רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet8אֲדֹנָ֣יH136Heere, HEERE, Heeren(my) Lord9יְהֹוִ֗הH3069HEERE, HEEREN, HeereGod10יַ֣עַןH3282omdat, daarombecause (that), forasmuch ([phrase] as), seeing then, [phrase] that, [phrase] wheras, [phrase] why11גָּבַ֤הּH1361hoger, hoog, verheffenexalt, be haughty, be (make) high(-er), lift up, mount up, be proud, raise up great height, upward12לִבְּךָ֙H3820hart, harten, harte[phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom13וַתֹּ֨אמֶר֙H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet14אֵ֣לH410God, Gods, godGod (god), [idiom] goodly, [idiom] great, idol, might(-y one), power, strong. Compare names in '-el.'15אָ֔נִיH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who16מוֹשַׁ֧בH4186woningen, woning, zitplaatsassembly, dwell in, dwelling(-place), wherein (that) dwelt (in), inhabited place, seat, sitting, situation, sojourning17אֱלֹהִ֛יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty18יָשַׁ֖בְתִּיH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry19בְּלֵ֣בH3820hart, harten, harte[phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom20יַמִּ֑יםH3220zee, westen, zeeensea ([idiom] -faring man, (-shore)), south, west (-ern, side, -ward)21וְאַתָּ֤הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you22אָדָם֙H120mens, mensen, Adam[idiom] another, [phrase] hypocrite, [phrase] common sort, [idiom] low, man (mean, of low degree), person23וְֽלֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without24אֵ֔לH410God, Gods, godGod (god), [idiom] goodly, [idiom] great, idol, might(-y one), power, strong. Compare names in '-el.'25וַתִּתֵּ֥ןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield26לִבְּךָ֖H3820hart, harten, harte[phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom27כְּלֵ֥בH3820hart, harten, harte[phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom28אֱלֹהִֽיםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty
3Zie, gij zijt wijzer dan Daniel; zij hebben niets toegeslotens voor u verborgen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3ZieH2009, gij zijt wijzerH2450 dan DanielH1840; zij hebben niets toegeslotensH5640 voor u verborgenH6004.Zie, gij zijt wijzer dan Daniel; zij hebben niets toegeslotens voor u verborgen.
KJVBehold, thou art wiser2than Daniel;4there is no secret6that they can hide
1הִנֵּ֥הH2009ziet, ziebehold, lo, see2חָכָ֛םH2450wijzen, wijs, wijzecunning (man), subtil, (un-), wise((hearted), man)3אַתָּ֖הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you4מִדָּֽנִיֵּ֑אלH1840DanielDaniel5כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)6סָת֖וּםH5640sluit, stoppen, stopteclosed up, hidden, secret, shut out (up), stop7לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without8עֲמָמֽוּךָH6004verborgen, verdonkerd, verduisterdenbecome dim, hide
4Door uw wijsheid en door uw verstand, hebt gij vermogen voor u verkregen; ja, gij hebt goud en zilver verkregen in uw schatten.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4Door uw wijsheidH2451 en door uw verstandH8394, hebt gij vermogenH2428 voor u verkregenH6213; ja, gij hebt goudH2091 en zilverH3701verkregenH6213 in uw schattenH214.Door uw wijsheid en door uw verstand, hebt gij vermogen voor u verkregen; ja, gij hebt goud en zilver verkregen in uw schatten.
5Door de grootheid uwer wijsheid in uw koophandel hebt gij uw vermogen vermeerderd, en uw hart verheft zich vanwege uw vermogen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5Door de grootheidH7230 uwer wijsheidH2451 in uw koophandelH7404 hebt gij uw vermogenH2428vermeerderdH7235, en uw hartH3824verheftH1361 zich vanwege uw vermogenH2428.Door de grootheid uwer wijsheid in uw koophandel hebt gij uw vermogen vermeerderd, en uw hart verheft zich vanwege uw vermogen.
KJVBy thy great1wisdom2and by thy traffick3hast thou increased4thy riches,5and thine heart7is lifted up6because of thy riches:
1בְּרֹ֧בH7230menigte, veelheid, grootheidabundance(-antly), all, [idiom] common (sort), excellent, great(-ly, -ness, number), huge, be increased, long, many, more in number, most, much, multitude, plenty(-ifully), [idiom] very (age)2חָכְמָתְךָ֛H2451wijsheid, Wijsheid, wijsskilful, wisdom, wisely, wit3בִּרְכֻלָּתְךָ֖H7404koophandels, koophandel, koopmanswarenmerchandise, traffic4הִרְבִּ֣יתָH7235veel, vermenigvuldigen, vermenigvuldigd(bring in) abundance ([idiom] -antly), [phrase] archer (by mistake for H7232 (רָבַב)), be in authority, bring up, [idiom] continue, enlarge, excel, exceeding(-ly), be full of, (be, make) great(-er, -ly, [idiom] -ness), grow up, heap, increase, be long, (be, give, have, make, use) many (a time), (any, be, give, give the, have) more (in number), (ask, be, be so, gather, over, take, yield) much (greater, more), (make to) multiply, nourish, plenty(-eous), [idiom] process (of time), sore, store, thoroughly, very5חֵילֶ֑ךָH2428heir, kloeke, vermogenable, activity, ([phrase]) army, band of men (soldiers), company, (great) forces, goods, host, might, power, riches, strength, strong, substance, train, ([phrase]) valiant(-ly), valour, virtuous(-ly), war, worthy(-ily)6וַיִּגְבַּ֥הּH1361hoger, hoog, verheffenexalt, be haughty, be (make) high(-er), lift up, mount up, be proud, raise up great height, upward7לְבָבְךָ֖H3824hart, harten, harte[phrase] bethink themselves, breast, comfortably, courage, ((faint), (tender-) heart(-ed), midst, mind, [idiom] unawares, understanding8בְּחֵילֶֽךָH2428heir, kloeke, vermogenable, activity, ([phrase]) army, band of men (soldiers), company, (great) forces, goods, host, might, power, riches, strength, strong, substance, train, ([phrase]) valiant(-ly), valour, virtuous(-ly), war, worthy(-ily)
6Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Omdat gij uw hart gesteld hebt als Gods hart;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6DaaromH3651zegtH559 de HeereH136HEEREH3069 alzo: Omdat gij uw hart gesteldH5414 hebt als GodsH430 hart;Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Omdat gij uw hart gesteld hebt als Gods hart;
7Daarom zie, Ik zal vreemden over u brengen, de tirannigste der heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid uwer wijsheid, en zullen uw glans ontheiligen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7DaaromH3651zieH2005, Ik zal vreemdenH2114overH5921 u brengenH935, de tirannigsteH6184 der heidenenH1471; die zullen hun zwaardenH2719uittrekkenH7324overH5921 de schoonheidH3308 uwer wijsheidH2451, en zullen uw glansH3314ontheiligenH2490.Daarom zie, Ik zal vreemden over u brengen, de tirannigste der heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid uwer wijsheid, en zullen uw glans ontheiligen.
KJVBehold, therefore I will bring3strangers5upon thee, the terrible6of the nations:7and they shall draw8their swords9against the beauty11of thy wisdom,12and they shall defile13thy brightness.
1לָכֵ֗ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you2הִנְנִ֨יH2005ziet, ziebehold, if, lo, though3מֵבִ֤יאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way4עָלֶ֨יךָ֙H5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with5זָרִ֔יםH2114vreemde, vreemden, vreemd(come from) another (man, place), fanner, go away, (e-) strange(-r, thing, woman)6עָרִיצֵ֖יH6184tirannen, tirannigste, tiranmighty, oppressor, in great power, strong, terrible, violent7גּוֹיִ֑םH1471heidenen, volken, volkGentile, heathen, nation, people8וְהֵרִ֤יקוּH7324uittrekken, afgieten, breng[idiom] arm, cast out, draw (out), (make) empty, pour forth (out)9חַרְבוֹתָם֙H2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool10עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with11יְפִ֣יH3308schoonheidbeauty12חָכְמָתֶ֔ךָH2451wijsheid, Wijsheid, wijsskilful, wisdom, wisely, wit13וְחִלְּל֖וּH2490ontheiligen, ontheiligd, begonbegin ([idiom] men began), defile, [idiom] break, defile, [idiom] eat (as common things), [idiom] first, [idiom] gather the grape thereof, [idiom] take inheritance, pipe, player on instruments, pollute, (cast as) profane (self), prostitute, slay (slain), sorrow, stain, wound14יִפְעָתֶֽךָH3314glansbrightness
8Ter groeve zullen zij u doen nederdalen; en gij zult sterven den dood eens verslagenen in het hart der zeeen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8Ter groeveH7845 zullen zij u doen nederdalenH3381; en gij zult stervenH4191 den doodH4463 eens verslagenenH2491 in het hartH3820 der zeeenH3220.Ter groeve zullen zij u doen nederdalen; en gij zult sterven den dood eens verslagenen in het hart der zeeen.
KJVThey shall bring thee down2to the pit,1and thou shalt die3the deaths4of them that are slain5in the midst6of the seas.
1לַשַּׁ֖חַתH7845groeve, verderf, kuilcorruption, destruction, ditch, grave, pit2יֽוֹרִד֑וּךָH3381nederdalen, neder, nedergedaald[idiom] abundantly, bring down, carry down, cast down, (cause to) come(-ing) down, fall (down), get down, go(-ing) down(-ward), hang down, [idiom] indeed, let down, light (down), put down (off), (cause to, let) run down, sink, subdue, take down3וָמַ֛תָּהH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise4מְמוֹתֵ֥יH4463doden, dooddeath5חָלָ֖לH2491verslagenen, verslagen, verslagenekill, profane, slain (man), [idiom] slew, (deadly) wounded6בְּלֵ֥בH3820hart, harten, harte[phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom7יַמִּֽיםH3220zee, westen, zeeensea ([idiom] -faring man, (-shore)), south, west (-ern, side, -ward)
9Zult gij dan enigszins, voor het aangezicht uws doodslagers, zeggen: Ik ben God? daar gij een mens zijt en geen God, in de hand desgenen, die u verslaat?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9Zult gij dan enigszinsH559, voor het aangezichtH6440 uws doodslagersH2026, zeggenH559: IkH589 ben God? daar gijH859 een mensH120 zijt en geenH3808 God, in de handH3027 desgenen, die u verslaatH2490?Zult gij dan enigszins, voor het aangezicht uws doodslagers, zeggen: Ik ben God? daar gij een mens zijt en geen God, in de hand desgenen, die u verslaat?
Ook in dit vers
GodH410
GodH430
KJVWilt thou yet1say2before5him that slayeth6thee, I am God?3but thou shalt be a man,8and no God,10in the hand11of him that slayeth
1הֶאָמֹ֤רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2תֹּאמַר֙H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet3אֱלֹהִ֣יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty4אָ֔נִיH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who5לִפְנֵ֖יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you6הֹֽרְגֶ֑ךָH2026doden, gedood, dooddedestroy, out of hand, kill, murder(-er), put to (death), make (slaughter), slay(-er), [idiom] surely7וְאַתָּ֥הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you8אָדָ֛םH120mens, mensen, Adam[idiom] another, [phrase] hypocrite, [phrase] common sort, [idiom] low, man (mean, of low degree), person9וְלֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without10אֵ֖לH410God, Gods, godGod (god), [idiom] goodly, [idiom] great, idol, might(-y one), power, strong. Compare names in '-el.'11בְּיַ֥דH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves12מְחַלְלֶֽיךָH2490ontheiligen, ontheiligd, begonbegin ([idiom] men began), defile, [idiom] break, defile, [idiom] eat (as common things), [idiom] first, [idiom] gather the grape thereof, [idiom] take inheritance, pipe, player on instruments, pollute, (cast as) profane (self), prostitute, slay (slain), sorrow, stain, wound
10Gij zult den dood der onbesnedenen sterven; door de hand der vreemden; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10Gij zult den doodH4194 der onbesnedenenH6189stervenH4191; door de handH3027 der vreemdenH2114; wantH3588IkH589 heb het gesprokenH1696, spreektH5002 de HeereH136HEEREH3069.Gij zult den dood der onbesnedenen sterven; door de hand der vreemden; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.
KJVThou shalt die3the deaths1of the uncircumcised2by the hand4of strangers:5for I have spoken8it, saith9the Lord10GOD.
11Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11Wijders geschieddeH1961 des HEERENH3068woordH1697totH413 mij, zeggendeH559:Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
KJVMoreover the word2of the LORD3came unto me, saying,
12Mensenkind! hef een klaaglied op over den koning van Tyrus, en zeg tot hem: Zo zegt de Heere HEERE: Gij verzegelaar der som, vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12MensenkindH1121! hefH5375 een klaagliedH7015 op overH5921 den koningH4428 van TyrusH6865, en zegH559 tot hem: ZoH3541zegtH559 de HeereH136HEEREH3069: GijH859verzegelaarH2856 der somH8508, volH4392 van wijsheidH2451 en volmaaktH3632 in schoonheidH3308!Mensenkind! hef een klaaglied op over den koning van Tyrus, en zeg tot hem: Zo zegt de Heere HEERE: Gij verzegelaar der som, vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid!
13Gij waart in Eden, Gods hof; alle kostelijk gesteente was uw deksel, sardisstenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardonixstenen en jaspisstenen, saffieren, robijnen, en smaragden, en goud; het werk uwer trommelen en uwer pijpen was bij u; ten dage als gij geschapen werdt, waren zij bereid.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13Gij waart in EdenH5731, GodsH430hofH1588; alleH3605kostelijkH3368gesteenteH68 was uw dekselH4540, sardisstenenH124, topazenH6357 en diamantenH3095, turkooizenH8658, sardonixstenenH7718 en jaspisstenenH3471, saffierenH5601, robijnenH5306, en smaragdenH1304, en goudH2091; het werkH4399 uwer trommelenH8596 en uwer pijpenH5345 was bij u; ten dageH3117 als gij geschapenH1254 werdt, waren zij bereidH3559.Gij waart in Eden, Gods hof; alle kostelijk gesteente was uw deksel, sardisstenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardonixstenen en jaspisstenen, saffieren, robijnen, en smaragden, en goud; het werk uwer trommelen en uwer pijpen was bij u; ten dage als gij geschapen werdt, waren zij bereid.
KJVThou hast been in Eden1the garden2of God;3every precious7stone6was thy covering,8the sardius,9topaz,10and the diamond,11the beryl,12the onyx,13and the jasper,14the sapphire,15the emerald,16and the carbuncle,17and gold:18the workmanship19of thy tabrets20and of thy pipes21was prepared25in thee in the day23that thou wast created.
1בְּעֵ֨דֶןH5731EdenEden2גַּןH1588hof, hofs, hovengarden3אֱלֹהִ֜יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty4הָיִ֗יתָH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use5כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)6אֶ֨בֶןH68stenen, steen, gesteente[phrase] carbuncle, [phrase] mason, [phrase] plummet, (chalk-, hail-, head-, sling-) stone(-ny), (divers) weight(-s)7יְקָרָ֤הH3368kostelijk, kostelijke, edelgesteentebrightness, clear, costly, excellent, fat, honourable women, precious, reputation8מְסֻכָתֶ֨ךָ֙H4540dekselcovering9אֹ֣דֶםH124Sardis, sardisstenensardius10פִּטְדָ֞הH6357Topaas, topazentopaz11וְיָהֲלֹ֗םH3095Diamant, diamantendiamond12תַּרְשִׁ֥ישׁH8658turkoois, Turkoois, turkoois-steenberyl13שֹׁ֨הַם֙H7718sardonixstenen, Sardonix, Sardonixstenenonyx14וְיָ֣שְׁפֵ֔הH3471Jaspis, jaspisstenenjasper15סַפִּ֣ירH5601Saffier, saffieren, saffiersapphire16נֹ֔פֶךְH5306Smaragd, robijnen, smaragdenemerald17וּבָרְקַ֖תH1304Karbonkel, smaragdencarbuncle18וְזָהָ֑בH2091goud, gouden, goudsgold(-en), fair weather19מְלֶ֨אכֶתH4399werk, werks, handwerkbusiness, [phrase] cattle, [phrase] industrious, occupation, ([phrase] -pied), [phrase] officer, thing (made), use, (manner of) work((-man), -manship)20תֻּפֶּ֤יךָH8596trommelen, trommeltabret, timbrel21וּנְקָבֶ֨יךָ֙H5345pijpenpipe22בָּ֔ךְ23בְּי֥וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger24הִבָּרַאֲךָ֖H1254geschapen, schiep, schepchoose, create (creator), cut down, dispatch, do, make (fat)25כּוֹנָֽנוּH3559bereid, bevestigd, bereidencertain(-ty), confirm, direct, faithfulness, fashion, fasten, firm, be fitted, be fixed, frame, be meet, ordain, order, perfect, (make) preparation, prepare (self), provide, make provision, (be, make) ready, right, set (aright, fast, forth), be stable, (e-) stablish, stand, tarry, [idiom] very deed
14Gij waart een gezalfde, overdekkende cherub; en Ik had u alzo gezet; gij waart op Gods heiligen berg; gij wandeldet in het midden der vurige stenen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14Gij waart een gezalfdeH4473, overdekkendeH5526cherubH3742; en Ik had u alzo gezetH5414; gij waartH1961 op GodsH430heiligenH6944bergH2022; gij wandeldetH1980 in het middenH8432 der vurigeH784stenenH68.Gij waart een gezalfde, overdekkende cherub; en Ik had u alzo gezet; gij waart op Gods heiligen berg; gij wandeldet in het midden der vurige stenen.
KJVThou art the anointed3cherub2that covereth;4and I have set5thee so: thou wast upon the holy7mountain6of God;8thou hast walked up and down13in the midst10of the stones11of fire.
1אַ֨תְּH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you2כְּר֔וּבH3742cherubs, cherubim, cherubcherub, (plural) cherubims3מִמְשַׁ֖חH4473gezalfdeanointed4הַסּוֹכֵ֑ךְH5526bedekt, bedekken, bedekkendecover, defence, defend, hedge in, join together, set, shut up5וּנְתַתִּ֗יךָH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield6בְּהַ֨רH2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion7קֹ֤דֶשׁH6944heilige, heiligheid, heiligdomsconsecrated (thing), dedicated (thing), hallowed (thing), holiness, ([idiom] most) holy ([idiom] day, portion, thing), saint, sanctuary8אֱלֹהִים֙H430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty9הָיִ֔יתָH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use10בְּת֥וֹךְH8432midden, middelste, binnensteamong(-st), [idiom] between, half, [idiom] (there-, where-), in(-to), middle, mid(-night), midst (among), [idiom] out (of), [idiom] through, [idiom] with(-in)11אַבְנֵיH68stenen, steen, gesteente[phrase] carbuncle, [phrase] mason, [phrase] plummet, (chalk-, hail-, head-, sling-) stone(-ny), (divers) weight(-s)12אֵ֖שׁH784vuur, vuurs, vurigeburning, fiery, fire, flaming, hot13הִתְהַלָּֽכְתָּH1980wandelt, gewandeld, wandelen(all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl
15Gij waart volkomen in uw wegen, van den dag af, dat gij geschapen zijt, totdat er ongerechtigheid in u gevonden is.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15Gij waart volkomenH8549 in uw wegenH1870, van den dagH3117 af, dat gij geschapenH1254 zijt, totdatH5704 er ongerechtigheidH5766 in u gevondenH4672 is.Gij waart volkomen in uw wegen, van den dag af, dat gij geschapen zijt, totdat er ongerechtigheid in u gevonden is.
KJVThou wast perfect1in thy ways3from the day4that thou wast created,5till iniquity8was found
1תָּמִ֤יםH8549volkomen, oprechten, oprechtwithout blemish, complete, full, perfect, sincerely (-ity), sound, without spot, undefiled, upright(-ly), whole2אַתָּה֙H859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you3בִּדְרָכֶ֔יךָH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)4מִיּ֖וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger5הִבָּֽרְאָ֑ךְH1254geschapen, schiep, schepchoose, create (creator), cut down, dispatch, do, make (fat)6עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet7נִמְצָ֥אH4672gevonden, vinden, vond[phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on8עַוְלָ֖תָהH5766onrecht, verkeerdheid, ongerechtigheidiniquity, perverseness, unjust(-ly), unrighteousness(-ly); wicked(-ness)9בָּֽךְ
16Door de veelheid uws koophandels hebben zij het midden van u met geweld vervuld, en gij hebt gezondigd; daarom zal Ik u ontheiligen van Gods berg, en zal u, gij overdekkende cherub! verdoen uit het midden der vurige stenen!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16Door de veelheidH7230 uws koophandelsH7404 hebben zij het middenH8432 van u met geweldH2555vervuldH4390, en gij hebt gezondigdH2398; daarom zal Ik u ontheiligenH2490 van GodsH430bergH2022, en zal u, gij overdekkendeH5526cherubH3742! verdoenH6 uit het middenH8432 der vurigeH784stenenH68!Door de veelheid uws koophandels hebben zij het midden van u met geweld vervuld, en gij hebt gezondigd; daarom zal Ik u ontheiligen van Gods berg, en zal u, gij overdekkende cherub! verdoen uit het midden der vurige stenen!
KJVBy the multitude1of thy merchandise2they have filled3the midst4of thee with violence,5and thou hast sinned:6therefore I will cast thee as profane7out of the mountain8of God:9and I will destroy10thee, O covering12cherub,11from the midst13of the stones14of fire.
1בְּרֹ֣בH7230menigte, veelheid, grootheidabundance(-antly), all, [idiom] common (sort), excellent, great(-ly, -ness, number), huge, be increased, long, many, more in number, most, much, multitude, plenty(-ifully), [idiom] very (age)2רְכֻלָּתְךָ֗H7404koophandels, koophandel, koopmanswarenmerchandise, traffic3מָל֧וּH4390vervuld, vol, vervullenaccomplish, confirm, [phrase] consecrate, be at an end, be expired, be fenced, fill, fulfil, (be, become, [idiom] draw, give in, go) full(-ly, -ly set, tale), (over-) flow, fulness, furnish, gather (selves, together), presume, replenish, satisfy, set, space, take a (hand-) full, [phrase] have wholly4תוֹכְךָ֛H8432midden, middelste, binnensteamong(-st), [idiom] between, half, [idiom] (there-, where-), in(-to), middle, mid(-night), midst (among), [idiom] out (of), [idiom] through, [idiom] with(-in)5חָמָ֖סH2555geweld, gewelds, wrevelcruel(-ty), damage, false, injustice, [idiom] oppressor, unrighteous, violence (against, done), violent (dealing), wrong6וַֽתֶּחֱטָ֑אH2398gezondigd, zondigen, zondigtbear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass7וָאֶחַלֶּלְךָ֩H2490ontheiligen, ontheiligd, begonbegin ([idiom] men began), defile, [idiom] break, defile, [idiom] eat (as common things), [idiom] first, [idiom] gather the grape thereof, [idiom] take inheritance, pipe, player on instruments, pollute, (cast as) profane (self), prostitute, slay (slain), sorrow, stain, wound8מֵהַ֨רH2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion9אֱלֹהִ֤יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty10וָֽאַבֶּדְךָ֙H6vergaan, verloren, omkomenbreak, destroy(-uction), [phrase] not escape, fail, lose, (cause to, make) perish, spend, [idiom] and surely, take, be undone, [idiom] utterly, be void of, have no way to flee11כְּר֣וּבH3742cherubs, cherubim, cherubcherub, (plural) cherubims12הַסֹּכֵ֔ךְH5526bedekt, bedekken, bedekkendecover, defence, defend, hedge in, join together, set, shut up13מִתּ֖וֹךְH8432midden, middelste, binnensteamong(-st), [idiom] between, half, [idiom] (there-, where-), in(-to), middle, mid(-night), midst (among), [idiom] out (of), [idiom] through, [idiom] with(-in)14אַבְנֵיH68stenen, steen, gesteente[phrase] carbuncle, [phrase] mason, [phrase] plummet, (chalk-, hail-, head-, sling-) stone(-ny), (divers) weight(-s)15אֵֽשׁH784vuur, vuurs, vurigeburning, fiery, fire, flaming, hot
17Uw hart verheft zich over uw schoonheid; gij hebt uw wijsheid bedorven, vanwege uw glans; Ik heb u op de aarde henengeworpen, Ik heb u voor het aangezicht der koningen gesteld, om op u te zien.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17Uw hartH3820verheftH1361 zich over uw schoonheidH3308; gij hebt uw wijsheidH2451bedorvenH7843, vanwegeH5921 uw glansH3314; Ik heb u opH5921 de aardeH776henengeworpenH7993, Ik heb u voor het aangezichtH6440 der koningenH4428gesteldH5414, om op u te zienH7200.Uw hart verheft zich over uw schoonheid; gij hebt uw wijsheid bedorven, vanwege uw glans; Ik heb u op de aarde henengeworpen, Ik heb u voor het aangezicht der koningen gesteld, om op u te zien.
KJVThine heart2was lifted up1because of thy beauty,3thou hast corrupted4thy wisdom5by reason of6thy brightness:7I will cast10thee to the ground,9I will lay13thee before11kings,12that they may behold
1גָּבַ֤הּH1361hoger, hoog, verheffenexalt, be haughty, be (make) high(-er), lift up, mount up, be proud, raise up great height, upward2לִבְּךָ֙H3820hart, harten, harte[phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom3בְּיָפְיֶ֔ךָH3308schoonheidbeauty4שִׁחַ֥תָּH7843verderven, verdorven, verdierfbatter, cast off, corrupt(-er, thing), destroy(-er, -uction), lose, mar, perish, spill, spoiler, [idiom] utterly, waste(-r)5חָכְמָתְךָ֖H2451wijsheid, Wijsheid, wijsskilful, wisdom, wisely, wit6עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with7יִפְעָתֶ֑ךָH3314glansbrightness8עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with9אֶ֣רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world10הִשְׁלַכְתִּ֗יךָH7993wierp, werpen, geworpenadventure, cast (away, down, forth, off, out), hurl, pluck, throw11לִפְנֵ֧יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you12מְלָכִ֛יםH4428koning, konings, koningenking, royal13נְתַתִּ֖יךָH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield14לְרַ֥אֲוָהH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions15בָֽךְ
18Vanwege de veelheid uwer ongerechtigheden, door het onrecht uws koophandels, hebt gij uw heiligdommen ontheiligd; daarom heb Ik een vuur uit het midden van u doen voortkomen, dat u heeft verteerd, en Ik heb u gemaakt tot as op de aarde, voor de ogen van al degenen, die u zien.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18Vanwege de veelheidH7230 uwer ongerechtighedenH5771, door het onrechtH5766 uws koophandelsH7404, hebt gij uw heiligdommenH4720ontheiligdH2490; daarom heb Ik een vuurH784 uit het middenH8432 van u doen voortkomenH3318, datH1931 u heeft verteerdH398, en Ik heb u gemaakt tot asH665opH5921 de aardeH776, voor de ogenH5869 van alH3605 degenen, die u zienH7200.Vanwege de veelheid uwer ongerechtigheden, door het onrecht uws koophandels, hebt gij uw heiligdommen ontheiligd; daarom heb Ik een vuur uit het midden van u doen voortkomen, dat u heeft verteerd, en Ik heb u gemaakt tot as op de aarde, voor de ogen van al degenen, die u zien.
KJVThou hast defiled5thy sanctuaries6by the multitude1of thine iniquities,2by the iniquity3of thy traffick;4therefore will I bring forth7a fire8from the midst9of thee, it shall devour11thee, and I will bring12thee to ashes13upon the earth15in the sight16of all them that behold
1מֵרֹ֣בH7230menigte, veelheid, grootheidabundance(-antly), all, [idiom] common (sort), excellent, great(-ly, -ness, number), huge, be increased, long, many, more in number, most, much, multitude, plenty(-ifully), [idiom] very (age)2עֲוֺנֶ֗יךָH5771ongerechtigheid, ongerechtigheden, misdaadfault, iniquity, mischeif, punishment (of iniquity), sin3בְּעֶ֨וֶל֙H5766onrecht, verkeerdheid, ongerechtigheidiniquity, perverseness, unjust(-ly), unrighteousness(-ly); wicked(-ness)4רְכֻלָּ֣תְךָ֔H7404koophandels, koophandel, koopmanswarenmerchandise, traffic5חִלַּ֖לְתָּH2490ontheiligen, ontheiligd, begonbegin ([idiom] men began), defile, [idiom] break, defile, [idiom] eat (as common things), [idiom] first, [idiom] gather the grape thereof, [idiom] take inheritance, pipe, player on instruments, pollute, (cast as) profane (self), prostitute, slay (slain), sorrow, stain, wound6מִקְדָּשֶׁ֑יךָH4720heiligdom, heiligdoms, heiligdommenchapel, hallowed part, holy place, sanctuary7וָֽאוֹצִאH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter8אֵ֤שׁH784vuur, vuurs, vurigeburning, fiery, fire, flaming, hot9מִתּֽוֹכְךָ֙H8432midden, middelste, binnensteamong(-st), [idiom] between, half, [idiom] (there-, where-), in(-to), middle, mid(-night), midst (among), [idiom] out (of), [idiom] through, [idiom] with(-in)10הִ֣יאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who11אֲכָלַ֔תְךָH398eten, gegeten, eet[idiom] at all, burn up, consume, devour(-er, up), dine, eat(-er, up), feed (with), food, [idiom] freely, [idiom] in...wise(-deed, plenty), (lay) meat, [idiom] quite12וָאֶתֶּנְךָ֤H5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield13לְאֵ֨פֶר֙H665asashes14עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with15הָאָ֔רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world16לְעֵינֵ֖יH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)17כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)18רֹאֶֽיךָH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions
19Allen, die u kennen onder de volken, zijn over u ontzet; gij zijt een grote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19AllenH3605, die u kennenH3045 onder de volkenH5971, zijn overH5921 u ontzetH8074; gij zijt een grote schrikH1091 geworden, en zult er nietH369 meer zijn totH5704 in eeuwigheidH5769.Allen, die u kennen onder de volken, zijn over u ontzet; gij zijt een grote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid.
KJVAll they that know2thee among the people3shall be astonished4at thee: thou shalt be a terror,6and never8shalt thou be any more.9
1כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)2יוֹדְעֶ֨יךָ֙H3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot3בָּֽעַמִּ֔יםH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people4שָׁמְמ֖וּH8074verwoest, verwoeste, ontzettenmake amazed, be astonied, (be an) astonish(-ment), (be, bring into, unto, lay, lie, make) desolate(-ion, places), be destitute, destroy (self), (lay, lie, make) waste, wonder5עָלֶ֑יךָH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with6בַּלָּה֣וֹתH1091schrik, verschrikkingen, Verschrikkingenterror, trouble7הָיִ֔יתָH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use8וְאֵינְךָ֖H369geen, niet, niemandelse, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן)9עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet10עוֹלָֽםH5769eeuwigheid, eeuwige, eeuwigalway(-s), ancient (time), any more, continuance, eternal, (for, (n-)) ever(-lasting, -more, of old), lasting, long (time), (of) old (time), perpetual, at any time, (beginning of the) world ([phrase] without end). Compare H5331 (נֶצַח), H5703 (עַד)
20Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20Wijders geschieddeH1961 des HEERENH3068woordH1697totH413 mij, zeggendeH559:Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
KJVAgain the word2of the LORD3came unto me, saying,
21Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Sidon, en profeteer tegen haar,
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21MensenkindH1121! zetH7760 uw aangezichtH6440 tegen SidonH6721, en profeteerH5012 tegen haar,Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Sidon, en profeteer tegen haar,
22En zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Sidon! en zal in het midden van u verheerlijkt worden; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik gerichten in haar zal hebben geoefend, en in haar geheiligd zal zijn.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22En zegH559: ZoH3541zegtH559 de HeereH136HEEREH3069: ZieH2005, Ik wil aanH5921 u, o SidonH6721! en zal in het middenH8432 van u verheerlijktH3513 worden; en zij zullen wetenH3045, datH3588IkH589 de HEEREH3068 ben, als Ik gerichtenH8201 in haar zal hebben geoefendH6213, en in haar geheiligdH6942 zal zijn.En zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Sidon! en zal in het midden van u verheerlijkt worden; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik gerichten in haar zal hebben geoefend, en in haar geheiligd zal zijn.
KJVAnd say,1Thus saith3the Lord4GOD;5Behold, I am against thee, O Zidon;8and I will be glorified9in the midst10of thee: and they shall know11that I am the LORD,14when I shall have executed15judgments17in her, and shall be sanctified
1וְאָמַרְתָּ֗H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2כֹּ֤הH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder3אָמַר֙H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet4אֲדֹנָ֣יH136Heere, HEERE, Heeren(my) Lord5יְהוִ֔הH3069HEERE, HEEREN, HeereGod6הִנְנִ֤יH2005ziet, ziebehold, if, lo, though7עָלַ֨יִךְ֙H5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with8צִיד֔וֹןH6721SidonSidon, Zidon9וְנִכְבַּדְתִּ֖יH3513zwaar, eren, verheerlijktabounding with, more grievously afflict, boast, be chargeable, [idiom] be dim, glorify, be (make) glorious (things), glory, (very) great, be grievous, harden, be (make) heavy, be heavier, lay heavily, (bring to, come to, do, get, be had in) honour (self), (be) honourable (man), lade, [idiom] more be laid, make self many, nobles, prevail, promote (to honour), be rich, be (go) sore, stop10בְּתוֹכֵ֑ךְH8432midden, middelste, binnensteamong(-st), [idiom] between, half, [idiom] (there-, where-), in(-to), middle, mid(-night), midst (among), [idiom] out (of), [idiom] through, [idiom] with(-in)11וְֽיָדְע֞וּH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot12כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet13אֲנִ֣יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who14יְהוָ֗הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)15בַּעֲשׂ֥וֹתִיH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use16בָ֛הּ17שְׁפָטִ֖יםH8201gerichten, oordelen, Gerichtenjudgment18וְנִקְדַּ֥שְׁתִּיH6942geheiligd, heiligen, heiligtappoint, bid, consecrate, dedicate, defile, hallow, (be, keep) holy(-er, place), keep, prepare, proclaim, purify, sanctify(-ied one, self), [idiom] wholly19בָֽהּ
23Want Ik zal de pestilentie in haar zenden, en bloed op haar straten, en de verslagenen zullen vallen in het midden van haar, door het zwaard, dat tegen haar zal zijn van rondom; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23Want Ik zal de pestilentieH1698 in haar zendenH7971, en bloedH1818 op haar stratenH2351, en de verslagenenH2491 zullen vallenH5307 in het middenH8432 van haar, door het zwaardH2719, dat tegenH5921 haar zal zijn van rondomH5439; en zij zullen wetenH3045, datH3588IkH589 de HEEREH3068 ben.Want Ik zal de pestilentie in haar zenden, en bloed op haar straten, en de verslagenen zullen vallen in het midden van haar, door het zwaard, dat tegen haar zal zijn van rondom; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.
KJVFor I will send1into her pestilence,3and blood4into her streets;5and the wounded7shall be judged6in the midst8of her by the sword9upon her on every side;11and they shall know12that I am the LORD.
1וְשִׁלַּחְתִּיH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)2בָ֞הּ3דֶּ֤בֶרH1698pestilentie, pest, pestilentienmurrain, pestilence, plague4וָדָם֙H1818bloed, bloeds, bloedschuldenblood(-y, -guiltiness, (-thirsty), [phrase] innocent5בְּח֣וּצוֹתֶ֔יהָH2351buiten, straten, straatabroad, field, forth, highway, more, out(-side, -ward), street, without6וְנִפְלַ֤לH5307vallen, viel, gevallenbe accepted, cast (down, self, (lots), out), cease, die, divide (by lot), (let) fail, (cause to, let, make, ready to) fall (away, down, -en, -ing), fell(-ing), fugitive, have (inheritance), inferior, be judged (by mistake for H6419 (פָּלַל)), lay (along), (cause to) lie down, light (down), be ([idiom] hast) lost, lying, overthrow, overwhelm, perish, present(-ed, -ing), (make to) rot, slay, smite out, [idiom] surely, throw down7חָלָל֙H2491verslagenen, verslagen, verslagenekill, profane, slain (man), [idiom] slew, (deadly) wounded8בְּתוֹכָ֔הּH8432midden, middelste, binnensteamong(-st), [idiom] between, half, [idiom] (there-, where-), in(-to), middle, mid(-night), midst (among), [idiom] out (of), [idiom] through, [idiom] with(-in)9בְּחֶ֥רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool10עָלֶ֖יהָH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with11מִסָּבִ֑יבH5439rondom, Rondom, omgangen(place, round) about, circuit, compass, on every side12וְיָדְע֖וּH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot13כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet14אֲנִ֥יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who15יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
24En het huis Israels zal geen smartenden doorn noch wee doende distel meer hebben, van allen, die rondom hen zijn, die henlieden beroven; en zij zullen weten, dat Ik de Heere HEERE ben.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24En het huisH1004IsraelsH3478 zal geen smartendenH3992doornH5544 noch weeH3510 doende distelH6975meerH5750 hebben, van allenH3605, die rondomH5439 hen zijn, die henlieden berovenH7590; en zij zullen wetenH3045, datH3588IkH589 de HeereH136HEEREH3069 ben.En het huis Israels zal geen smartenden doorn noch wee doende distel meer hebben, van allen, die rondom hen zijn, die henlieden beroven; en zij zullen weten, dat Ik de Heere HEERE ben.
KJVAnd there shall be no more a pricking7brier6unto the house4of Israel,5nor any grieving9thorn8of all that are round about11them, that despised12them; and they shall know14that I am the Lord17GOD.
1וְלֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2יִהְיֶ֨הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use3ע֜וֹדH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)4לְבֵ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)5יִשְׂרָאֵ֗לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael6סִלּ֤וֹןH5544doorn, doornenbrier, thorn7מַמְאִיר֙H3992knagende, smartendenfretting, picking8וְק֣וֹץH6975doornen, distel, doornthorn9מַכְאִ֔בH3510smart, smart aangedaan, verdervengrieving, mar, have pain, make sad (sore), (be) sorrowful10מִכֹּל֙H3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)11סְבִ֣יבֹתָ֔םH5439rondom, Rondom, omgangen(place, round) about, circuit, compass, on every side12הַשָּׁאטִ֖יםH7590beroofd, beroven, verachtenthat (which) despise(-d)13אוֹתָ֑םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14וְיָ֣דְע֔וּH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot15כִּ֥יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet16אֲנִ֖יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who17אֲדֹנָ֥יH136Heere, HEERE, Heeren(my) Lord18יְהוִֽהH3069HEERE, HEEREN, HeereGod
25Alzo zegt de Heere HEERE: Als Ik het huis Israels zal vergaderd hebben uit de volken, onder dewelke zij verstrooid zijn, en Ik onder hen voor de ogen der heidenen zal geheiligd zijn, dan zullen zij in hun land wonen, dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25AlzoH3541zegtH559 de HeereH136HEEREH3069: Als Ik het huisH1004IsraelsH3478 zal vergaderdH6908 hebben uitH4480 de volkenH5971, onder dewelkeH834 zij verstrooidH6327 zijn, en Ik onder hen voor de ogenH5869 der heidenenH1471 zal geheiligdH6942 zijn, dan zullen zij in hun landH127wonenH3427, datH834 Ik aan Mijn knechtH5650, aan JakobH3290, gegevenH5414 heb.Alzo zegt de Heere HEERE: Als Ik het huis Israels zal vergaderd hebben uit de volken, onder dewelke zij verstrooid zijn, en Ik onder hen voor de ogen der heidenen zal geheiligd zijn, dan zullen zij in hun land wonen, dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb.
KJVThus saith2the Lord3GOD;4When I shall have gathered5the house7of Israel8from the people10among whom they are scattered,12and shall be sanctified14in them in the sight16of the heathen,17then shall they dwell18in their land20that I have given22to my servant23Jacob.
1כֹּֽהH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder2אָמַר֮H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet3אֲדֹנָ֣יH136Heere, HEERE, Heeren(my) Lord4יְהוִה֒H3069HEERE, HEEREN, HeereGod5בְּקַבְּצִ֣יH6908vergaderen, vergaderd, vergaderdeassemble (selves), gather (bring) (together, selves together, up), heap, resort, [idiom] surely, take up6אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7בֵּ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)8יִשְׂרָאֵ֗לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael9מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with10הָֽעַמִּים֙H5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people11אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection12נָפֹ֣צוּH6327verstrooid, verstrooien, verstrooidebreak (dash, shake) in (to) pieces, cast (abroad), disperse (selves), drive, retire, scatter (abroad), spread abroad13בָ֔ם14וְנִקְדַּ֥שְׁתִּיH6942geheiligd, heiligen, heiligtappoint, bid, consecrate, dedicate, defile, hallow, (be, keep) holy(-er, place), keep, prepare, proclaim, purify, sanctify(-ied one, self), [idiom] wholly15בָ֖ם16לְעֵינֵ֣יH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)17הַגּוֹיִ֑םH1471heidenen, volken, volkGentile, heathen, nation, people18וְיָֽשְׁבוּ֙H3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry19עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with20אַדְמָתָ֔םH127land, aardbodem, landscountry, earth, ground, husband(-man) (-ry), land21אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection22נָתַ֖תִּיH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield23לְעַבְדִּ֥יH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant24לְיַעֲקֹֽבH3290Jakob, JakobsJacob
26En zij zullen daarin zeker wonen, en huizen bouwen, en wijngaarden planten; ja, zij zullen zeker wonen; als Ik gerichten zal hebben geoefend tegen allen, die henlieden beroofd hebben, van degenen, die rondom hen zijn; en zij zullen weten dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26En zij zullen daarin zekerH983wonenH3427, en huizenH1004bouwenH1129, en wijngaardenH3754plantenH5193; ja, zij zullen zekerH983wonenH3427; als Ik gerichtenH8201 zal hebben geoefendH6213tegenH5921allenH3605, die henlieden beroofdH7590 hebben, van degenen, die rondomH5439 hen zijn; en zij zullen wetenH3045datH3588IkH589, de HEEREH3068, hunlieder GodH430 ben.En zij zullen daarin zeker wonen, en huizen bouwen, en wijngaarden planten; ja, zij zullen zeker wonen; als Ik gerichten zal hebben geoefend tegen allen, die henlieden beroofd hebben, van degenen, die rondom hen zijn; en zij zullen weten dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben.
KJVAnd they shall dwell1safely3therein, and shall build4houses,5and plant6vineyards;7yea, they shall dwell8with confidence,9when I have executed10judgments11upon all those that despise13them round about15them; and they shall know16that I am the LORD19their God.
1וְיָשְׁב֣וּH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry2עָלֶיהָ֮H5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with3לָבֶטַח֒H983zeker, zekerheid, ekerassurance, boldly, (without) care(-less), confidence, hope, safe(-ly, -ty), secure, surely4וּבָנ֤וּH1129bouwen, gebouwd, bouwde(begin to) build(-er), obtain children, make, repair, set (up), [idiom] surely5בָתִּים֙H1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)6וְנָטְע֣וּH5193planten, geplant, plantfastened, plant(-er)7כְרָמִ֔יםH3754wijngaarden, wijngaard, wijngaardsvines, (increase of the) vineyard(-s), vintage. See also H1021 (בֵּית הַכֶּרֶם)8וְיָשְׁב֖וּH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry9לָבֶ֑טַחH983zeker, zekerheid, ekerassurance, boldly, (without) care(-less), confidence, hope, safe(-ly, -ty), secure, surely10בַּעֲשׂוֹתִ֣יH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use11שְׁפָטִ֗יםH8201gerichten, oordelen, Gerichtenjudgment12בְּכֹ֨לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)13הַשָּׁאטִ֤יםH7590beroofd, beroven, verachtenthat (which) despise(-d)14אֹתָם֙H853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15מִסְּבִ֣יבוֹתָ֔םH5439rondom, Rondom, omgangen(place, round) about, circuit, compass, on every side16וְיָ֣דְע֔וּH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot17כִּ֛יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet18אֲנִ֥יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who19יְהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)20אֱלֹהֵיהֶֽםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Ezechiël 28:2— Mensenkind! zeg tot den vorst van Tyrus: Zo zegt de Heere HEERE: Omdat uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Godes stoel, in het hart der zeeen! daar gij een mens en geen God zijt, stelt gij nochtans uw hart, als Gods hart.Ezechiël 28:9→2 Thessalonicenzen 2:4→Jesaja 31:3→Jesaja 14:13→Psalmen 9:20→1 Petrus 5:5→Ezechiël 28:12→Ezechiël 28:17→
Ezechiël 28:3— Zie, gij zijt wijzer dan Daniel; zij hebben niets toegeslotens voor u verborgen.Daniël 5:11→Daniël 1:20→Daniël 2:22→Job 15:8→Daniël 2:47→Daniël 2:27→1 Koningen 4:29→1 Koningen 10:3→
Ezechiël 28:4— Door uw wijsheid en door uw verstand, hebt gij vermogen voor u verkregen; ja, gij hebt goud en zilver verkregen in uw schatten.Prediker 9:11→Habakuk 1:16→Spreuken 23:4→Zacharia 9:2→Deuteronomium 8:17→Spreuken 18:11→Ezechiël 29:3→
Ezechiël 28:5— Door de grootheid uwer wijsheid in uw koophandel hebt gij uw vermogen vermeerderd, en uw hart verheft zich vanwege uw vermogen.Psalmen 62:10→Ezechiël 28:2→Psalmen 52:7→Hosea 13:6→Job 31:24→Hosea 12:7→Spreuken 30:9→Daniël 4:30→
Ezechiël 28:6— Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Omdat gij uw hart gesteld hebt als Gods hart;Ezechiël 28:2→Exodus 9:17→Job 40:9→1 Korinthe 10:22→Job 9:4→Jakobus 1:11→2 Thessalonicenzen 2:4→
Ezechiël 28:7— Daarom zie, Ik zal vreemden over u brengen, de tirannigste der heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid uwer wijsheid, en zullen uw glans ontheiligen.Ezechiël 31:12→Ezechiël 32:12→Ezechiël 30:11→Habakuk 1:6→Jesaja 25:3→Deuteronomium 28:49→Daniël 7:7→Ezechiël 26:7→
Ezechiël 28:8— Ter groeve zullen zij u doen nederdalen; en gij zult sterven den dood eens verslagenen in het hart der zeeen.Ezechiël 27:34→Ezechiël 27:26→Psalmen 28:1→Job 33:28→Spreuken 28:17→Job 17:16→Psalmen 88:4→Psalmen 30:9→
Ezechiël 28:9— Zult gij dan enigszins, voor het aangezicht uws doodslagers, zeggen: Ik ben God? daar gij een mens zijt en geen God, in de hand desgenen, die u verslaat?Ezechiël 28:2→Jesaja 31:3→Psalmen 82:7→Handelingen 12:22→Daniël 4:31→Daniël 5:23→
Ezechiël 28:10— Gij zult den dood der onbesnedenen sterven; door de hand der vreemden; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.Ezechiël 31:18→Ezechiël 32:19→1 Samuël 17:36→Ezechiël 32:21→1 Samuël 17:26→Ezechiël 44:9→Ezechiël 28:7→Jeremia 9:25→
Ezechiël 28:12— Mensenkind! hef een klaaglied op over den koning van Tyrus, en zeg tot hem: Zo zegt de Heere HEERE: Gij verzegelaar der som, vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid!Ezechiël 19:1→Ezechiël 27:2→Ezechiël 26:17→2 Korinthe 1:22→Ezechiël 27:32→Kolossenzen 1:9→Kolossenzen 2:3→2 Kronieken 35:25→
Ezechiël 28:13— Gij waart in Eden, Gods hof; alle kostelijk gesteente was uw deksel, sardisstenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardonixstenen en jaspisstenen, saffieren, robijnen, en smaragden, en goud; het werk uwer trommelen en uwer pijpen was bij u; ten dage als gij geschapen werdt, waren zij bereid.Ezechiël 31:8→Ezechiël 27:16→Genesis 2:8→Ezechiël 27:22→Exodus 39:10→Jesaja 51:3→Jesaja 30:32→Exodus 28:17→
Ezechiël 28:14— Gij waart een gezalfde, overdekkende cherub; en Ik had u alzo gezet; gij waart op Gods heiligen berg; gij wandeldet in het midden der vurige stenen.Exodus 25:17→Exodus 40:9→Exodus 30:26→Ezechiël 20:40→Openbaring 18:16→Ezechiël 28:13→Jesaja 14:12→Daniël 2:37→
Ezechiël 28:15— Gij waart volkomen in uw wegen, van den dag af, dat gij geschapen zijt, totdat er ongerechtigheid in u gevonden is.Ezechiël 28:3→Ezechiël 28:17→Genesis 1:26→Ezechiël 27:3→Ezechiël 28:12→Genesis 6:5→Genesis 1:31→2 Petrus 2:4→
Ezechiël 28:16— Door de veelheid uws koophandels hebben zij het midden van u met geweld vervuld, en gij hebt gezondigd; daarom zal Ik u ontheiligen van Gods berg, en zal u, gij overdekkende cherub! verdoen uit het midden der vurige stenen!Habakuk 2:17→Ezechiël 8:17→Habakuk 2:8→Genesis 3:24→Jesaja 22:19→Amos 3:9→Sefanja 1:9→Micha 2:10→
Ezechiël 28:17— Uw hart verheft zich over uw schoonheid; gij hebt uw wijsheid bedorven, vanwege uw glans; Ik heb u op de aarde henengeworpen, Ik heb u voor het aangezicht der koningen gesteld, om op u te zien.Ezechiël 31:10→Ezechiël 28:5→Ezechiël 28:2→Psalmen 73:18→Ezechiël 28:7→Spreuken 16:18→Jeremia 8:9→Jesaja 19:11→
Ezechiël 28:18— Vanwege de veelheid uwer ongerechtigheden, door het onrecht uws koophandels, hebt gij uw heiligdommen ontheiligd; daarom heb Ik een vuur uit het midden van u doen voortkomen, dat u heeft verteerd, en Ik heb u gemaakt tot as op de aarde, voor de ogen van al degenen, die u zien.Maleachi 4:3→Amos 1:9→Openbaring 18:8→Richteren 9:20→Markus 8:36→Ezechiël 28:2→Amos 1:14→Ezechiël 28:16→
Ezechiël 28:19— Allen, die u kennen onder de volken, zijn over u ontzet; gij zijt een grote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid.Ezechiël 26:21→Jesaja 14:16→Openbaring 18:15→Ezechiël 26:14→Jeremia 51:63→Openbaring 18:9→Psalmen 76:12→Ezechiël 27:35→
Ezechiël 28:21— Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Sidon, en profeteer tegen haar,Ezechiël 6:2→Genesis 10:15→Ezechiël 25:2→Ezechiël 27:8→Jeremia 25:22→Jeremia 47:4→Joël 3:4→Ezechiël 29:2→
Ezechiël 28:22— En zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Sidon! en zal in het midden van u verheerlijkt worden; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik gerichten in haar zal hebben geoefend, en in haar geheiligd zal zijn.Ezechiël 39:13→Exodus 14:4→Exodus 14:17→Ezechiël 20:41→Exodus 9:16→Ezechiël 28:25→Nahum 2:13→Exodus 15:21→
Ezechiël 28:23— Want Ik zal de pestilentie in haar zenden, en bloed op haar straten, en de verslagenen zullen vallen in het midden van haar, door het zwaard, dat tegen haar zal zijn van rondom; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.Ezechiël 38:22→Ezechiël 5:12→Ezechiël 25:11→Ezechiël 25:17→Ezechiël 26:6→Ezechiël 25:7→Jeremia 15:2→
Ezechiël 28:24— En het huis Israels zal geen smartenden doorn noch wee doende distel meer hebben, van allen, die rondom hen zijn, die henlieden beroven; en zij zullen weten, dat Ik de Heere HEERE ben.Jozua 23:13→Numeri 33:55→Jesaja 55:13→2 Korinthe 12:7→Richteren 2:3→Ezechiël 36:36→Jesaja 35:9→Micha 7:4→
Ezechiël 28:25— Alzo zegt de Heere HEERE: Als Ik het huis Israels zal vergaderd hebben uit de volken, onder dewelke zij verstrooid zijn, en Ik onder hen voor de ogen der heidenen zal geheiligd zijn, dan zullen zij in hun land wonen, dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb.Ezechiël 20:41→Jeremia 32:37→Psalmen 106:47→Ezechiël 11:17→Jeremia 23:8→Ezechiël 37:25→Ezechiël 28:22→Ezechiël 36:28→
Ezechiël 28:26— En zij zullen daarin zeker wonen, en huizen bouwen, en wijngaarden planten; ja, zij zullen zeker wonen; als Ik gerichten zal hebben geoefend tegen allen, die henlieden beroofd hebben, van degenen, die rondom hen zijn; en zij zullen weten dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben.Ezechiël 28:24→Ezechiël 28:22→Ezechiël 38:8→Jeremia 32:15→Ezechiël 34:25→Amos 9:13→Jesaja 33:1→Leviticus 25:18→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Ezechiël 28 vers 2— Mensenkind! zeg tot den vorst van Tyrus: Zo zegt de Heere HEERE: Omdat uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Godes stoel, in het hart der zeeen! daar gij een mens en geen God zijt, stelt gij nochtans uw hart, als Gods hart.
vorst van Tyrus
Versta, den koning, gelijk onder vs.12, en zie 1 Sam. 6:21 ; 2 Kon. 20:5 .
Hertaald:vorst van Tyrus
Versta: de koning, zoals hieronder vers 12, en zie 1 Sam. 6:21; 2 Kon. 20:5.
zegt
Of, gij gezegd hebt, of zegt; te weten bij uzelven, dat is denkt, maakt u wijs.
Hertaald:zegt
Of: u gezegd hebt, of: zegt, namelijk bij uzelf, dat is: denkt, uzelf wijsmaakt.
god,
U toeëigenende de wijsheid, macht en majesteit, die den enigen waren God alleen toekomt.
Hertaald:god,
Doordat u zich de wijsheid, macht en majesteit toe-eigent die alleen de enige ware God toekomen.
stoel,
Als in een hemelrijk, waar mij geen vijand kon deren, noch enige heerlijkheid ontbreekt.
Hertaald:stoel,
Als in een hemels rijk, waar geen vijand mij kon deren en geen heerlijkheid ontbrak.
hart der zeeën
Zie boven Ezech. 27:4 ; alzo vs.8.
Hertaald:hart der zeeën
Zie hierboven Ezech. 27:4; zo ook vers 8.
stelt gij nochtans uw hart,
Gij vergelijkt u met wijsheid, enz. met God.
Hertaald:stelt gij nochtans uw hart,
U stelt uzelf in wijsheid enzovoort op één lijn met God.
Ezechiël 28 vers 3— Zie, gij zijt wijzer dan Daniel; zij hebben niets toegeslotens voor u verborgen.
wijzer dan Daniël;
Versta in uwen zin, en alzo in het volgende; of bespottenderwijze gesproken. Het schijnt dat er in Babel [waar Ezechiël geprofeteerd heeft] zulk een spreekwoord gebruikt is, van Daniëls wijsheid genomen, die aldaar vermaard was. Zie Dan. 1:17 , enz.
Hertaald:wijzer dan Daniël;
Versta: naar uw eigen mening, en zo ook in het vervolg; of het is spottend gezegd. Het lijkt erop dat er in Babel, waar Ezechiël geprofeteerd heeft, zo'n spreekwoord in gebruik was, ontleend aan de wijsheid van Daniël, die daar vermaard was. Zie Dan. 1:17, enzovoort.
zij hebben niets toegeslotens
Dat is, men heeft niets, enz., of daar is niets, enz.
Hertaald:zij hebben niets toegeslotens
Dat is: men heeft niets, enzovoort, of: er is niets, enzovoort.
verborgen
Of, verduisterd.
Hertaald:verborgen
Of: verduisterd.
Ezechiël 28 vers 4— Door uw wijsheid en door uw verstand, hebt gij vermogen voor u verkregen; ja, gij hebt goud en zilver verkregen in uw schatten.
verkregen;
Hebreeuws, gemaakt; alzo in het volgende.
Hertaald:verkregen;
Hebreeuws: gemaakt; zo ook in het vervolg.
schatten
Of, schatkamers.
Hertaald:schatten
Of: schatkamers.
Ezechiël 28 vers 7— Daarom zie, Ik zal vreemden over u brengen, de tirannigste der heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid uwer wijsheid, en zullen uw glans ontheiligen.
vreemden over u brengen,
De Babyloniërs, boven Ezech. 26:7 ; onder Ezech. 29:20 .
Hertaald:vreemden over u brengen,
Namelijk de Babyloniërs, hierboven Ezech. 26:7; hieronder Ezech. 29:20.
tirannigste der heidenen;
Of, verschrikkelijkste, gruwzaamste, wreedste. Alzo onder Ezech. 30:11 , en Ezech. 31:12 , en Ezech. 32:12 .
Hertaald:tirannigste der heidenen;
Of: verschrikkelijkste, gruwelijkste, wreedste. Zo ook hieronder Ezech. 30:11, Ezech. 31:12 en Ezech. 32:12.
uittrekken
Hebreeuws, ledigen, omdat de schede in het uittrekken van het zwaard geledigd wordt; alzo onder Ezech. 30:11 .
Hertaald:uittrekken
Hebreeuws: ledigen, omdat de schede geleegd wordt wanneer men het zwaard trekt; zo ook hieronder Ezech. 30:11.
schoonheid uwer wijsheid,
Dat is, uw bloeiend koninkrijk en staat, welker heerlijkheid gij uwe wijsheid toeschrijft; of tegen u, die gij u zo schoon en wijs houdt.
Hertaald:schoonheid uwer wijsheid,
Dat is: uw bloeiende koninkrijk en staat, waarvan u de heerlijkheid aan uw wijsheid toeschrijft; of: tegen u, die zichzelf zo schoon en wijs vindt.
ontheiligen
Dat is, verontreinigen, als een onheilig en vuil ding behandelen mits u dodende en in den kuil smijtende, gelijk volgt; alzo vs.16. Zie boven Ezech. 7:21 .
Hertaald:ontheiligen
Dat is: verontreinigen, als een onheilig en vuil ding behandelen door u te doden en in de kuil te werpen, zoals volgt; zo ook vers 16. Zie hierboven Ezech. 7:21.
Ezechiël 28 vers 8— Ter groeve zullen zij u doen nederdalen; en gij zult sterven den dood eens verslagenen in het hart der zeeen.
dood eens verslagenen
Hebreeuws in het veelvoudig getal, doden, of dodingen [gelijk Jes. 53:9 ] . De zin is: Zij zullen u een geweldigen dood aandoen, zelfs in uwe stad, die met wateren omsingeld is, waarop gij u vertrouwt.
Hertaald:dood eens verslagenen
In het Hebreeuws staat het meervoud: doden, of dodingen (zoals Jes. 53:9). De betekenis is: zij zullen u een gewelddadige dood aandoen, zelfs in uw stad die door water omringd is en waarop u vertrouwt.
hart der zeeën
Gelijk boven vs.2.
Hertaald:hart der zeeën
Zoals hierboven vers 2.
Ezechiël 28 vers 9— Zult gij dan enigszins, voor het aangezicht uws doodslagers, zeggen: Ik ben God? daar gij een mens zijt en geen God, in de hand desgenen, die u verslaat?
enigszins,
Hebreeuws, zeggende zeggen.
Hertaald:enigszins,
Hebreeuws: zeggende zeggen.
aangezicht uws doodslagers,
Als gij uwe onmacht en nietigheid metterdaad zult bevinden, zijnde in de macht van uw vijand.
Hertaald:aangezicht uws doodslagers,
Wanneer u uw onmacht en nietigheid metterdaad zult ondervinden, terwijl u in de macht van uw vijand bent.
Ezechiël 28 vers 10— Gij zult den dood der onbesnedenen sterven; door de hand der vreemden; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.
dood der onbesnedenen sterven;
Hebreeuws, doden, [in het getal van velen gelijk vs.8] der onbesnedenen; dat is, als de goddelozen, onheiligen en bij God verachten sterven, dat van zijn volk niet zijn. Zie 1 Sam. 17:26 ; Richt. 15:18 ; idem onder Ezech. 31:18 , en Ezech. 32:19 , Ezech. 32:21 , Ezech. 32:25 , Ezech. 32:27 , enz. Sommigen gissen dat dit zou mogen zien op de ordinantie van Gods volk, hebbende bevel van uit te roeien onder hen, die zich niet wilden laten besnijden; Gen. 17:14 .
Hertaald:dood der onbesnedenen sterven;
Hebreeuws: doden (in het meervoud, zoals vers 8) van de onbesnedenen; dat is: zoals de goddelozen, de onheiligen en de door God verachten sterven, die niet tot Zijn volk behoren. Zie 1 Sam. 17:26; Richt. 15:18; eveneens hieronder Ezech. 31:18 en Ezech. 32:19, Ezech. 32:21, Ezech. 32:25, Ezech. 32:27, enzovoort. Sommigen vermoeden dat dit zou kunnen zien op de verordening voor Gods volk, dat opdracht had hen uit te roeien die zich niet wilden laten besnijden; Gen. 17:14.
Ezechiël 28 vers 12— Mensenkind! hef een klaaglied op over den koning van Tyrus, en zeg tot hem: Zo zegt de Heere HEERE: Gij verzegelaar der som, vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid!
tot hem
Of, van hem.
Hertaald:tot hem
Of: over hem.
som,
Dat is, van het getelde of gewogene, dat is, [gelijk sommigen verstaan] die het opperste gezag hebt over den gansen groten koophandel van Tyrus. Of, [gelijk anderen] die een maat, patroon, beeld of prent zijt van een volkomenlijk bloeienden staat. Of, zonder enig gebrek, waar niets aan feilt, gelijk aan ene som, die wel geteld en verzegeld is.
Hertaald:som,
Dat is: van het getelde of gewogene; dat is (zoals sommigen het verstaan): u die het hoogste gezag hebt over de hele grote handel van Tyrus. Of (zoals anderen): u die een maatstaf, model, beeld of afdruk bent van een volkomen bloeiende staat. Of: zonder enig gebrek, waaraan niets ontbreekt, zoals aan een som die goed geteld en verzegeld is.
Ezechiël 28 vers 13— Gij waart in Eden, Gods hof; alle kostelijk gesteente was uw deksel, sardisstenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardonixstenen en jaspisstenen, saffieren, robijnen, en smaragden, en goud; het werk uwer trommelen en uwer pijpen was bij u; ten dage als gij geschapen werdt, waren zij bereid.
waart in Eden,
Woondet en hieldt hof in een uitermate pleizierige plaats, als in een lusthof of paradijs. Zie Gen. 2:8 , en Gen. 13:10 , en onder Ezech. 31:8-9 , en Ezech. 36:35 .
Hertaald:waart in Eden,
U woonde en hield hof op een buitengewoon aangename plaats, als in een lusthof of paradijs. Zie Gen. 2:8 en Gen. 13:10, en hieronder Ezech. 31:8-9 en Ezech. 36:35.
alle kostelijk gesteente
Dat is, allerlei.
Hertaald:alle kostelijk gesteente
Dat is: allerlei.
deksel,
Dat is, uwe klederen waren daarmede alzo versierd, alsof gij met enkel kostelijk gesteente gekleed waart.
Hertaald:deksel,
Dat is: uw kleren waren daarmee zo versierd alsof u geheel met kostbaar gesteente gekleed was.
sardisstenen,
Of, robijnen.
Hertaald:sardisstenen,
Of: robijnen.
diamanten,
Of, arbonkelen.
Hertaald:diamanten,
Of: karbonkels.
sardonixstenen
Zie Gen. 2:12 .
Hertaald:sardonixstenen
Zie Gen. 2:12.
robijnen,
Of, karbonkelen.
Hertaald:robijnen,
Of: karbonkels.
het werk uwer trommelen
Van kindsbeen aan hebt gij in alle vrolijkheid en dartelheid geleefd; men heeft u alle pleizier en sier aangedaan, waartoe het trommelende, pijpenwerk diende.
Hertaald:het werk uwer trommelen
Van kindsbeen af hebt u in alle vrolijkheid en uitgelatenheid geleefd; men heeft u alle plezier en vermaak bezorgd, waartoe het trommel- en fluitspel diende.
geschapen werdt,
Dat is, geboren, en door Gods almacht, goedheid en wijsheid uit moeders lichaam eerst tevoorschijn werd gebracht. Vergelijk Gen. 1:1 . Alzo vs.15, en boven Ezech. 21:30 .
Hertaald:geschapen werdt,
Dat is: geboren werd en door Gods almacht, goedheid en wijsheid voor het eerst uit het lichaam van uw moeder tevoorschijn gebracht werd. Vergelijk Gen. 1:1. Zo ook vers 15, en hierboven Ezech. 21:30.
Ezechiël 28 vers 14— Gij waart een gezalfde, overdekkende cherub; en Ik had u alzo gezet; gij waart op Gods heiligen berg; gij wandeldet in het midden der vurige stenen.
Gij waart
Dat is, gij waart te vergelijken in uiterlijke kostelijkheid en heerlijkheid bij hetgeen op mijnen berg Zion in den tempel zeer kostelijk en heerlijk was; namelijk, de gouden cherubim en het priesterlijk gewaad. Dit past bekwamelijk op dit gansche vs. Anderen duiden het op de cherubim, die het paradijs bewaarden, [omdat in het voorgaande van Eden en Gods hof gesproken is] met welke deze kohing als gezalfd, dat is, verordineerd en gesteld [gelijk volgt] tot een beschermer van zijn rijk is vergeleken.
Hertaald:Gij waart
Dat is: u was in uiterlijke kostbaarheid en heerlijkheid te vergelijken met wat er op Mijn berg Sion in de tempel zeer kostbaar en heerlijk was, namelijk de gouden cherubim en het priesterlijke gewaad. Dat past goed op dit hele vers. Anderen betrekken het op de cherubim die het paradijs bewaakten (omdat in het voorgaande over Eden en Gods hof gesproken is), waarmee deze koning dan vergeleken wordt als iemand die gezalfd, dat is: aangesteld en gesteld is (zoals volgt) tot beschermer van zijn rijk.
gezalfde,
Want hetgeen in den tabernakel was, werd gezalfd met de heilige olie; Ex. 30:26 , enz.
Hertaald:gezalfde,
Want wat er in de tabernakel was, werd met de heilige olie gezalfd; Ex. 30:26, enzovoort.
overdekkende
Te weten de ark, met zijne vleugelen, Ex. 25:20 .
Hertaald:overdekkende
Namelijk de ark, met zijn vleugels, Ex. 25:20.
cherub;
Zie Gen. 3:24 .
Hertaald:cherub;
Zie Gen. 3:24.
gezet;
Of, gemaakt; dat is, Ik had u met zulke heerlijkheid begaafd.
Hertaald:gezet;
Of: gemaakt; dat is: Ik had u met zulke heerlijkheid begiftigd.
Gods heiligen berg;
Hebreeuws, op den berg der heiligheid Gods; dat is als, of gelijk enz. Versta Zion.
Hertaald:Gods heiligen berg;
Hebreeuws: op de berg van de heiligheid van God; dat is: als, of zoals, enzovoort. Versta: Sion.
vurige stenen
Hebreeuws, stenen des vuurs; dat is, overal, waar gij op en neer gingt in uw paleis, blonk het van glinsterende kostelijke stenen: of, gij wandeldet in klederen, die daarmede versierd waren, en als vuurstralen van zich gaven; gelijk de hogepriester blonk met de gesteenten, die in den priesterlijken borstlap waren; Ex. 28:15 , enz.
Hertaald:vurige stenen
Hebreeuws: stenen van het vuur; dat is: overal waar u in uw paleis heen en weer ging, blonk het van glinsterend kostbaar gesteente. Of: u liep in kleren die daarmee versierd waren en als vuurstralen glansden, zoals de hogepriester blonk met de stenen in de priesterlijke borstlap; Ex. 28:15, enzovoort.
Ezechiël 28 vers 15— Gij waart volkomen in uw wegen, van den dag af, dat gij geschapen zijt, totdat er ongerechtigheid in u gevonden is.
volkomen
Dat is, u ontbrak niets aan pracht en heerlijkheid.
Hertaald:volkomen
Dat is: het ontbrak u aan niets in pracht en heerlijkheid.
wegen,
Dat is, wezen, voornemen en doen; zie Gen. 6:12 .
Hertaald:wegen,
Dat is: wezen, voornemen en doen; zie Gen. 6:12.
geschapen zijt,
Gelijk boven vs.13.
Hertaald:geschapen zijt,
Zoals hierboven vers 13.
ongerechtigheid
Anders: grote ongerechtigheid, om uit te drukken dat het Hebreeuwse woord, betekenende ongerechtigheid, verkeerdheid, ondeugd, enz. een letter meer heeft dan gewoon; vergelijk Ps. 3:3 .
Hertaald:ongerechtigheid
Anders: grote ongerechtigheid, om uit te drukken dat het Hebreeuwse woord dat ongerechtigheid, verkeerdheid, ondeugd enzovoort betekent, hier een letter meer heeft dan gewoonlijk; vergelijk Ps. 3:3.
gevonden is
Dat is, klaarlijk gebleken en ontdekt, en gij als op de daad betrapt en achterhaald zijt; vergelijk Ps. 36:3 ; Jer. 2:26 , enz. met de aantekening.
Hertaald:gevonden is
Dat is: duidelijk gebleken en aan het licht gekomen, zodat u als het ware op heterdaad betrapt en achterhaald bent; vergelijk Ps. 36:3; Jer. 2:26 enzovoort, met de aantekening.
Ezechiël 28 vers 16— Door de veelheid uws koophandels hebben zij het midden van u met geweld vervuld, en gij hebt gezondigd; daarom zal Ik u ontheiligen van Gods berg, en zal u, gij overdekkende cherub! verdoen uit het midden der vurige stenen!
veelheid uws koophandels
Of, grootheid.
Hertaald:veelheid uws koophandels
Of: grootheid.
zij het
Te weten die met u gehandeld hebben.
Hertaald:zij het
Namelijk zij die met u handel gedreven hebben.
midden van u
Dat is, uw hart, of het midden van uw stad.
Hertaald:midden van u
Dat is: uw hart, of het midden van uw stad.
geweld
Dat gij genegen zijt geworden tot allerlei overlast, of dat gij vergaderd hebt grote schatten, door geweld verkregen.
Hertaald:geweld
Doordat u geneigd geworden bent tot allerlei overlast, of doordat u grote schatten vergaderd hebt die met geweld verkregen zijn.
vervuld,
Anders: zijn zij [in het] midden van u vol van, enz.
Hertaald:vervuld,
Anders: zijn zij (in het) midden van u vol van, enzovoort.
ontheiligen
Als onrein en onheilig verstoten; vergelijk vs.7.
Hertaald:ontheiligen
Als onrein en onheilig verstoten; vergelijk vers 7.
Gods berg,
Van de heerlijkheid, door welke gij met mijnen berg [boven vs.14] waart te vergelijken, verachtelijk verworpen.
Hertaald:Gods berg,
Namelijk van de heerlijkheid waardoor u met Mijn berg te vergelijken was (hierboven vers 14), verachtelijk verworpen.
overdekkende cherub
Gelijk vs.14.
Hertaald:overdekkende cherub
Zoals vers 14.
uit het midden der vurige stenen
Dat gij van al uwe pracht zult ontbloot zijn, vs.14.
Hertaald:uit het midden der vurige stenen
Namelijk dat u van al uw pracht ontdaan zult zijn, vers 14.
Ezechiël 28 vers 17— Uw hart verheft zich over uw schoonheid; gij hebt uw wijsheid bedorven, vanwege uw glans; Ik heb u op de aarde henengeworpen, Ik heb u voor het aangezicht der koningen gesteld, om op u te zien.
bedorven,
Uwe hoogheid en heerlijkheid heeft uwe wijsheid doen vergaan en u verdwaasd.
Hertaald:bedorven,
Uw hoogheid en heerlijkheid hebben uw wijsheid doen vergaan en u dwaas gemaakt.
heb u op de aarde henengeworpen,
Dat is, Ik zal het zekerlijk doen, profetischerwijze gesproken, en alzo in het volgende.
Hertaald:heb u op de aarde henengeworpen,
Dat is: Ik zal het zeker doen; op profetische wijze gesproken, en zo ook in het vervolg.
om op u te zien
Dat is, tot een schouwspel of spectakel van mijn rechtvaardig en wonderlijk oordeel over u, over wiens pracht en vermogen zich ieder tevoren verwonderde, gelijk in het volgende verklaard wordt.
Hertaald:om op u te zien
Dat is: tot een schouwspel van Mijn rechtvaardig en wonderlijk oordeel over u, over wiens pracht en macht tevoren ieder zich verwonderde, zoals in het vervolg verklaard wordt.
Ezechiël 28 vers 18— Vanwege de veelheid uwer ongerechtigheden, door het onrecht uws koophandels, hebt gij uw heiligdommen ontheiligd; daarom heb Ik een vuur uit het midden van u doen voortkomen, dat u heeft verteerd, en Ik heb u gemaakt tot as op de aarde, voor de ogen van al degenen, die u zien.
heiligdommen ontheiligd;
Dat is, uw paleis en koninklijken troon, [die Gode behoren geheiligd te worden en die gij met Gods woning en troon vergeleekt, vs.2], hebt gij onheilig, veil en profaan gemaakt.
Hertaald:heiligdommen ontheiligd;
Dat is: uw paleis en uw koninklijke troon (die God geheiligd hadden moeten worden en die u met Gods woning en troon vergeleek, vers 2) hebt u onheilig, waardeloos en profaan gemaakt.
vuur uit het midden
Van mijn toorn, door u en de uwen veroorzaakt, of der plagen en ellenden; zie Job 22:20 , en boven Ezech. 20:47 , en onder Ezech. 30:8 .
Hertaald:vuur uit het midden
Namelijk van Mijn toorn, die door u en de uwen veroorzaakt is, of van de plagen en ellenden; zie Job 22:20 en hierboven Ezech. 20:47, en hieronder Ezech. 30:8.
as op de aarde,
Dat is, zal u tot de uiterste nietigheid brengen; zie Job 16:15 , enz.
Hertaald:as op de aarde,
Dat is: Ik zal u tot de uiterste nietigheid brengen; zie Job 16:15, enzovoort.
Ezechiël 28 vers 19— Allen, die u kennen onder de volken, zijn over u ontzet; gij zijt een grote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid.
grote schrik geworden,
Gelijk boven Ezech. 27:36 .
Hertaald:grote schrik geworden,
Zoals hierboven Ezech. 27:36.
Ezechiël 28 vers 21— Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Sidon, en profeteer tegen haar,
Sidon,
Ook aan de Middellandse zee, of de zee van Fenicië, gelegen noordwaarts van Tyrus af. Zie Gen. 10:15 .
Hertaald:Sidon,
Dat eveneens aan de Middellandse Zee of de zee van Fenicië lag, ten noorden van Tyrus. Zie Gen. 10:15.
Ezechiël 28 vers 22— En zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Sidon! en zal in het midden van u verheerlijkt worden; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik gerichten in haar zal hebben geoefend, en in haar geheiligd zal zijn.
wil aan u, o Sidon
Zie boven Ezech. 13:8 ; Jer. 21:13 .
Hertaald:wil aan u, o Sidon
Zie hierboven Ezech. 13:8; Jer. 21:13.
verheerlijkt worden;
Door mijne oordelen en straffen, [gelijk volgt] oorzaak geven van geëerd en geroemd te zijn.
Hertaald:verheerlijkt worden;
Namelijk door Mijn oordelen en straffen (zoals volgt) aanleiding geven om geëerd en geroemd te worden.
haar zal hebben
Sidon.
Hertaald:haar zal hebben
Namelijk Sidon.
geoefend,
Hebreeuws, gedaan; alzo vs.26, en Ezech. 30:19 , enz.; zie boven Ezech. 5:8 .
Hertaald:geoefend,
Hebreeuws: gedaan; zo ook vers 26 en Ezech. 30:19, enzovoort; zie hierboven Ezech. 5:8.
geheiligd zal zijn
Mijne gerechtigheid, heiligheid en macht onder hen zal bewezen hebben. Alzo vs.25, en Ezech. 36:23 , en Ezech. 38:16 .
Hertaald:geheiligd zal zijn
Namelijk wanneer Ik Mijn gerechtigheid, heiligheid en macht onder hen bewezen zal hebben. Zo ook vers 25 en Ezech. 36:23 en Ezech. 38:16.
Ezechiël 28 vers 23— Want Ik zal de pestilentie in haar zenden, en bloed op haar straten, en de verslagenen zullen vallen in het midden van haar, door het zwaard, dat tegen haar zal zijn van rondom; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.
zullen vallen in het midden van haar,
Anders: gericht worden.
Hertaald:zullen vallen in het midden van haar,
Anders: gericht worden.
Ezechiël 28 vers 24— En het huis Israels zal geen smartenden doorn noch wee doende distel meer hebben, van allen, die rondom hen zijn, die henlieden beroven; en zij zullen weten, dat Ik de Heere HEERE ben.
smartenden doorn
Of, stekende; dat is, de omliggende vijanden zullen hen niet meer kwellen en beschadigen.
Hertaald:smartenden doorn
Of: stekende; dat is: de omliggende vijanden zullen hen niet meer kwellen en beschadigen.
van allen,
Of, uit alle plaatsen, die rondom hen zijn.
Hertaald:van allen,
Of: uit alle plaatsen die rondom hen liggen.
beroven;
Of, versmaden; alzo vs.26, vergelijk boven Ezech. 16:57 .
Hertaald:beroven;
Of: versmaden; zo ook vers 26, vergelijk hierboven Ezech. 16:57.
Ezechiël 28 vers 25— Alzo zegt de Heere HEERE: Als Ik het huis Israels zal vergaderd hebben uit de volken, onder dewelke zij verstrooid zijn, en Ik onder hen voor de ogen der heidenen zal geheiligd zijn, dan zullen zij in hun land wonen, dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb.
Alzo zegt de Heere HEERE
Deze profetie kan wel enigszins geduid worden op de verlossing uit Babel, maar hare vervulling behoort tot het geestelijk koninkrijk van den Messias, en is gesteld [gelijk elders dikwijls] naar den stijl van het Oude Testament. Vergelijk Jer. 32:37-39 , enz.
Hertaald:Alzo zegt de Heere HEERE
Deze profetie kan wel enigszins betrokken worden op de verlossing uit Babel, maar haar vervulling hoort bij het geestelijke koninkrijk van de Messias en is (zoals vaker elders) verwoord in de stijl van het Oude Testament. Vergelijk Jer. 32:37-39, enzovoort.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Daniël — God is mijn rechter
Hier door Ezechiël, samen met Noach en Job, genoemd als voorbeeld van een rechtvaardig man wiens gerechtigheid alleen zijn eigen ziel zou kunnen redden (Ez. 14:14, 20); dezelfde Daniël wiens leven en profetieën in het gelijknamige bijbelboek beschreven worden.
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
De woorden tegen de volken — de opzet van het middendeel van dit boek, waarin de buurvolken aan de beurt komen (Ezech. 25:1-17)
"Mensenkind! zet uw aangezicht tegen de kinderen Ammons, en profeteer tegen dezelve" (Ezech. 25:2). Met die opdracht begint een reeks die tot het einde van Ezech. 32 doorloopt. De volgorde is: Ammon, Moab, Edom en de Filistijnen in dit hoofdstuk, daarna Tyrus, dat drie hoofdstukken krijgt (Ezech. 26:2), vervolgens Sidon (Ezech. 28:21) en ten slotte Egypte, dat er vier krijgt (Ezech. 29:2). In de vier korte woorden van dit hoofdstuk keert telkens dezelfde zin terug: "gij zult weten, dat Ik de HEERE ben" (Ezech. 25:5,7), en bij Moab en de Filistijnen: "zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben" (Ezech. 25:11,17).
Bijbelse betekenis: Merk op waar deze reeks staat. Zij komt na het bericht dat de belegering begonnen is en vóór het bericht dat de stad gevallen is. Terwijl Jeruzalem valt, hoort het volk dat de HEERE ook over de buurvolken gaat. Let vervolgens op wat die volken verweten wordt. Niet hun afgoderij en niet hun zeden, maar hun houding tegenover Israël op de dag van de val: leedvermaak, gejuich en wraak. Let ten slotte op de toon. Die is bij Jesaja vastgelegd en geldt ook hier: oordeel aankondigen zonder er behagen in te scheppen (reeds behandeld bij Jes. 15:5). Dezelfde reeks staat bij Jeremia, en zij is daar op dezelfde wijze samengenomen (reeds behandeld bij Jer. 46:1-2).
Typologie: De psalm zegt in één zin wat deze hoofdstukken breed uitwerken: "Want het koninkrijk is des HEEREN, en Hij heerst onder de heidenen" (Ps. 22:29). En Paulus zegt in Athene dat God "uit een bloede het ganse geslacht der mensen gemaakt" heeft, en dat Hij hun tijden en de grenzen van hun woonplaats bepaald heeft (Hand. 17:26).
De vorst van Tyrus — een mens die zegt dat hij God is, en het antwoord dat de tekst zelf geeft (Ezech. 28:1-10)
"Omdat uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Godes stoel, in het hart der zeeen! daar gij een mens en geen God zijt, stelt gij nochtans uw hart, als Gods hart" (Ezech. 28:2). Er staat bij waar die gedachte vandaan komt: "Door de grootheid uwer wijsheid in uw koophandel hebt gij uw vermogen vermeerderd, en uw hart verheft zich vanwege uw vermogen" (Ezech. 28:5). Daarop volgt de aankondiging dat vreemden over hem gebracht worden (Ezech. 28:7), en ten slotte een vraag: "Zult gij dan enigszins, voor het aangezicht uws doodslagers, zeggen: Ik ben God?" (Ezech. 28:9).
Bijbelse betekenis: Merk op dat de aanklacht haar eigen weerlegging bevat. In hetzelfde vers waarin de vorst zegt dat hij God is, staat dat hij een mens is en geen God. Er wordt niet tegen hem geredeneerd; er wordt alleen naast zijn woorden gezet wat hij is. Let vervolgens op waaruit die gedachte gegroeid is. Niet uit een leer over zichzelf, maar uit voorspoed: het ging goed, en het bleef goed gaan. Wie lang genoeg slaagt, gaat zijn eigen hand voor de oorzaak houden. Let ten slotte op de proef die in Ezech. 28:9 gesteld wordt. Voor het aangezicht van zijn doodslager valt zulke taal weg. Hoogmoed houdt alleen stand zolang niets haar tegenspreekt.
Typologie: Herodes liet zich in Handelingen toeroepen: "Een stem Gods, en niet eens mensen!", en hij gaf God de eer niet (Hand. 12:22-23). De spreuk vat de regel samen: "Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor den val" (Spr. 16:18).
Ezech. 28:1-10; Hand. 12:22-23; Spr. 16:18
De overdekkende cherub — een klaaglied over de koning van Tyrus, en hoever het register daarin gaat (Ezech. 28:11-19)
De tekst zegt zelf wat er volgt en over wie: "hef een klaaglied op over den koning van Tyrus" (Ezech. 28:12). Wat dan gezegd wordt, gaat ver: "Gij waart in Eden, Gods hof; alle kostelijk gesteente was uw deksel" (Ezech. 28:13), en: "Gij waart een gezalfde, overdekkende cherub; en Ik had u alzo gezet; gij waart op Gods heiligen berg" (Ezech. 28:14). Daarna komt de omslag: "Gij waart volkomen in uw wegen, van den dag af, dat gij geschapen zijt, totdat er ongerechtigheid in u gevonden is" (Ezech. 28:15). Waarin die ongerechtigheid bestond, staat er met zoveel woorden bij: "Door de veelheid uws koophandels hebben zij het midden van u met geweld vervuld, en gij hebt gezondigd" (Ezech. 28:16). En de wortel ervan: "Uw hart verheft zich over uw schoonheid" (Ezech. 28:17).
Bijbelse betekenis: Het lied gaat volgens Ezech. 28:12 over de koning van Tyrus, en het register houdt die lezing vast. Van oudsher hebben velen in dit gedeelte ook de val van de satan gelezen. Die uitleg is binnen de gereformeerde traditie zelf niet onomstreden, en daarom kiest het register hier geen partij; dat is dezelfde terughoudendheid als bij Jes. 14:12-15 (reeds behandeld). Wat vaststaat is de zaak zelf. Merk op dat de tekst de zonde zelf benoemt, en dat zij zakelijk is: de koophandel en het geweld dat eruit voortkwam. Let vervolgens op het woord totdat in Ezech. 28:15. Er wordt een grens getrokken in een geschiedenis; er was een tijd vóór de ongerechtigheid. Let ten slotte op wat er in Ezech. 28:14 staat: "Ik had u alzo gezet". De hoogte waarvan hier gevallen wordt, was gegeven en niet verworven. Over de cherubs zelf is bij de hof van Eden gesproken (reeds behandeld bij Gen. 3:24).
Typologie: De Heere Jezus geeft de regel die dit hele lied draagt: "een iegelijk, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden" (Luk. 14:11).
Ezech. 28:11-19; Jes. 14:12-15; Gen. 3:24; Luk. 14:11
Zeker wonen — de belofte waarop de woorden tegen de buurvolken uitlopen (Ezech. 28:24-26)
Na Sidon volgt een woord voor Israël: "En het huis Israels zal geen smartenden doorn noch wee doende distel meer hebben, van allen, die rondom hen zijn, die henlieden beroven" (Ezech. 28:24). Daarna wordt gezegd wat er dan komt: "dan zullen zij in hun land wonen, dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb" (Ezech. 28:25). En hoe dat wonen eruitziet: "En zij zullen daarin zeker wonen, en huizen bouwen, en wijngaarden planten" (Ezech. 28:26).
Bijbelse betekenis: Merk op waar deze belofte staat: aan het slot van de woorden tegen de buurvolken. Het oordeel over die volken is geen doel op zichzelf; er staat een volk achter dat er jarenlang onder geleden heeft. Let vervolgens op het beeld van doorn en distel. Het is huiselijk en klein: niet een leger maar een doorn, iets wat niet doodt en wel elke dag pijn doet. Zo worden hier de buurvolken getekend. Let ten slotte op wat zeker wonen concreet inhoudt. Huizen bouwen en wijngaarden planten — gewoon werk, dat een mens alleen doet wanneer hij verwacht te blijven. Diezelfde belofte stond al in de wet (Lev. 26:5-6), en Micha tekent haar met het bekende beeld van ieder onder zijn eigen wijnstok (Micha 4:4).
Typologie: De Hebreeënbrief neemt dat wonen op en wijst verder: "Er blijft dan een rust over voor het volk Gods" (Hebr. 4:9). Wat hier aan een land verbonden is, wordt daar niet kleiner gemaakt maar wijder.
IV. Vs. 1-10.KruisverwijzingenEzechiël 28:9→2 Thessalonicenzen 2:4→Jesaja 31:3→Psalmen 62:10→Ezechiël 31:12→Ezechiël 31:18→Jesaja 14:13→Psalmen 9:20→ — Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: Mensenkind! zeg tot den vorst van Tyrus: Zo zegt de Heere HEERE: Omdat uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Godes stoel, in het hart der zeeen! daar gij een mens en geen God zijt, stelt gij nochtans uw hart, als Gods hart. Zie, gij zijt wijzer dan Daniel; zij hebben niets toegeslotens voor u verborgen. Door uw wijsheid en door uw verstand, hebt gij vermogen voor u verkregen; ja, gij hebt goud en zilver verkregen in uw schatten. Door de grootheid uwer wijsheid in uw koophandel hebt gij uw vermogen vermeerderd, en uw hart verheft zich vanwege uw vermogen. Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Omdat gij uw hart gesteld hebt als Gods hart; Daarom zie, Ik zal vreemden over u brengen, de tirannigste der heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid uwer wijsheid, en zullen uw glans ontheiligen. Ter groeve zullen zij u doen nederdalen; en gij zult sterven den dood eens verslagenen in het hart der zeeen. Zult gij dan enigszins, voor het aangezicht uws doodslagers, zeggen: Ik ben God? daar gij een mens zijt en geen God, in de hand desgenen, die u verslaat? Gij zult den dood der onbesnedenen sterven; door de hand der vreemden; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE. Het derde der woorden Gods tegen Tyrus richt zich tegen de vorsten, en terwijl het in de eerste plaats de dreiging tegen deze verkondigt, komt het even zo met de dreiging tegen de stad Tyrus in Hoofdst. 26 overeen, als daarna de afdeling in vs. 11-19, of de weeklacht over den ondergang van den vorst, over welken gesproken wordt, met de weeklacht over den ondergang der stad in Hoofd. 27 overeenkomt. Onze voorzegging volgt denzelfden gedachtengang, dien de meeste van deze tegen buitenlandse volken gerichte voorzeggingen bevatten. Zij noemt eerst de zonde van den vorst (vs. 1-5), en kondigt hem daarop het Goddelijk gericht aan (vs. 6-10).
— Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, gelijktijdig met de in Hoofdst. 26 en 27 ontvangene woorden Gods, zeggende:
KruisverwijzingenEzechiël 28:9→2 Thessalonicenzen 2:4→Jesaja 31:3→Jesaja 14:13→Psalmen 9:20→1 Petrus 5:5→Ezechiël 28:12→Ezechiël 28:17→— Mensenkind! zeg tot den vorst van Tyrus: Zo zegt de Heere HEERE: Omdat uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Godes stoel, in het hart der zeeen! daar gij een mens en geen God zijt, stelt gij nochtans uw hart, als Gods hart.
Mensenkind! zeg tot den vorst van Tyrus: Zo zegt de Heere HEERE: Omdat (de nazin tot dit omdat volgt eerst in vs. 6 v.) uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Godes stoel, in het hart der zeeën 1)! daar gij een a) mens en geen God zijt, stelt gij nochthans uw hart als Gods hart 2).
Gods stoel is hier de stad Tyrus zelf, niet het paleis van den koning, maar de stad, en dat niet omdat de koning meent dat die stad oninneembaar is, maar dewijl hij haar acht als een heilige stoel. De koning zelf was als het ware de voor zijn volk verpersoonlijkte Godheid en daarom noemde hij zich God.
Hij dacht dat de stad Tyrus al zo noodzakelijk van hem afhankelijk was, als de wereld van God, die haar gemaakt heeft, en dat hij zo onafhankelijk was als God en aan niemand verantwoordelijk. Hij dacht zoveel wijsheid te hebben en zoveel sterkte als God zelf en al zulk onbetwistbaar gezag; en dat zijn voorrechten zo versterkt waren, en zijn woord zo veel een wet, als het woord van God. Hij eiste Goddelijke eerbewijzingen en verwachtte geprezen en beroemd te worden als een God, en twijfelde niet, of hij zou onder andere helden, na zijn dood, vergood worden als een groot weldoener van de wereld.
KruisverwijzingenDaniël 5:11→Daniël 1:20→Daniël 2:22→Job 15:8→Daniël 2:47→Daniël 2:27→1 Koningen 4:29→1 Koningen 10:3→— Zie, gij zijt wijzer dan Daniel; zij hebben niets toegeslotens voor u verborgen.
Zie, gij zijt wijzer dan Daniël 1) (vgl. (Hoofdst. 14:14 vv.); zij hebben niets toegeslotens voor u verborgen, niets verborgens in u duister.
Daniël was beroemd geworden door zijne wijsheid, dewijl hij de dromen van Babels koning had verklaard en daarmee de Magiërs had beschaamd gemaakt. Bovendien had God hem wijsheid gegeven om het wezen en de ontwikkeling der wereldmacht aan te duiden. Tyrus koning waande zich echter wijzer dan Daniël, maar zijne wijsheid was die der mensenkinderen, die bestaat in het zich vergaderen van schatten, waarbij de dief kan komen.
KruisverwijzingenPrediker 9:11→Habakuk 1:16→Spreuken 23:4→Zacharia 9:2→Deuteronomium 8:17→Spreuken 18:11→Ezechiël 29:3→— Door uw wijsheid en door uw verstand, hebt gij vermogen voor u verkregen; ja, gij hebt goud en zilver verkregen in uw schatten.
Door uwe wijsheid en door uw verstand hebt gij vermogen voor u verkregen, gelijk Tyrus te water en in het handelsverkeer der volken die bezit (Hoofdst. 26:17); ja gij hebt goud en zilver verkregen in uwe schatten (Hoofdst. 27:25).
KruisverwijzingenPsalmen 62:10→Ezechiël 28:2→Psalmen 52:7→Hosea 13:6→Job 31:24→Hosea 12:7→Spreuken 30:9→Daniël 4:30→— Door de grootheid uwer wijsheid in uw koophandel hebt gij uw vermogen vermeerderd, en uw hart verheft zich vanwege uw vermogen.
Door de grootheid uwer wijsheid in uwen koophandel hebt gij uw vermogen vermeerderd, en uw hart verheft zich van wege uw vermogen; de grote voorspoed in tijdelijke en aardse dingen heeft u zo verblind, dat gij werelds verstand met Goddelijke wijsheid verwart. De stad Tyrus had zich in de plaats van Jeruzalem begeren te stellen en sprak bij den ondergang: “Heah! zij is verbroken, de poort der volken; zij is tot mij omgewend: en zal vervuld worden, zij is verwoest” (Hoofdst. 26:2). Daarom had de Profeet zijne strafrede en dreigingen tegen haar moeten richten. Op dezelfde wijze matigde zich ook de vorst van Tyrus aan wat aan het Davidische koningshuis in Jeruzalem, van welks vernietiging in Hoofdst. 17 en 19 sprake was, toekwam. Alzo mocht van de dreigende voorzegging tegen de stad en de weeklacht om haar in Hoofdst. 26 en 27 iets dergelijks ten opzichte van den vorst niet ontbreken (vs. 1-10 en 11-19). De hoogmoed van Tyrus was vooral in zijnen vorst zichtbaar; hij moest als de concentratie, het toppunt daarvan worden aangezien en de zaak, waarover bij de stad werd gehandeld, was zo lang niet geheel en al afgedaan, als ook niet met den vorst was afgehandeld. Het is zeer juist wat Schmieder in v. Gerlachs Bijbelwerk opmerkt: “De koning van Tyrus (vs. 12) overtreft in zelfvergoding de koningin der zee nog verre. Tyrus verhovaardigt zich in vrouwelijke ijdelheid, alsof zij de stad Gods ware (Hoofdst. 27:3 #Eze); haar koning verheft zich in trotsen waan, als ware hij zelf de schepper dezer heerlijkheid, de god, die Tyrus tot koningin heeft gesteld (vs. 2). Hij is de Adam voor deze Eva. ” Maar wanneer deze zelfde verder beweert, dat de koning van Tyrus een typisch beeld is van den mens der zonde, van welken Paulus in 2 Thess. 2:3 vv. spreekt, dan heeft zonder twijfel Coccejus juister gezien, die daarentegen aan den paus denkt. Dat Tyrus in Hoofdst. 27:4 vv. onder het beeld van een schip, dat ook symbool der kerk is, werd voorgesteld, en dat de weeklacht van Openb. 18 wederkeert, waar wij naar den gehelen zamenhang alleen aan de Rooms Katholieke Kerk kunnen denken, die zich tot de kerk heeft gemaakt en in de zogenaamde koningin des hemels haar eigen beeld heeft geschilderd, het beeld van hetgeen zij zelf zegt te zijn, voert consequent daartoe, in den vorst van Tyrus het opperhoofd dezer kerk weer te zien, hem, die als het ware de man van haar wil zijn, en het werkelijk nu geheel en al daartoe heeft gebracht, dat het ten opzichte van zijne verhouding tot de kerk heet: “de man is het hoofd der vrouw, de vrouw zij haren man onderdanig. ” Tot deze opvatting geeft ons ook de uitdrukking recht, die in den grondtekst voor “vorst” wordt gebruikt. Deze is het “nagid”, dat wij in Dan. 9:25 van Christus vinden en dat niet zozeer een eigenlijken koning op de wijze van een koning of keizer, dan dat het enen regeerder op de wijze van enen Doge of het hoofd ener grote handels-aristokratie voorstelt, zoals ook David door God tot nagid over Zijn volk gesteld was, d. i. tot leidsman der 12 stammen, die ene zelfstandige gemeente vormden (1 Sam. 13:14. 2 Sam. 7:8 Terwijl in de voorzeggingen, welke van Hoofdst. 29 af volgen tegen Egypte en zijne Farao’s, die tegen den koning aan die tegen het land voorafgaan, heeft bij de voorzeggingen tegen den staat Tyrus en de bestuurders van deze de omgekeerde orde plaats, waarin zeker de eigenaardige plaats voor den dag moet treden, welke de vorst innam in dien handelsstaat, die naar stedelijke grondstellingen was ingericht. Terwijl die toestand als tegenbeeld alleen in waarheid met die overeenkomt, welke in de tot enen zichtbaren godsstaat gemaakte kerk met volledig ontwikkelde hiërarchie het toppunt der laatste uitmaakt, met den paus, komt daarentegen de stand van den toekomstigen Antichrist in zijn wereldrijk met die van enen Faraö in Egypte of van een Nebubadnezar in Babylon overeen. De woorden, welke den vorst van Tyrus in den mond gelegd worden: “Ik ben God; ik zit in Godes stoel, in het hart der zeeën, ” mogen ons omtrent dit inzicht in de typische betekenis onzer afdeling niet op een dwaalspoor brengen en daarom, omdat van den mens der zonde bij Paulus (2 Thess. 2:4) iets dergelijks gezegd wordt: “die zich tegenstelt en verheft boven al wat God genaamd of als God geëerd wordt, alzo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zich zelven vertonende, dat hij God is, ” mogen wij niet dadelijk menen, dat wij bij dien vorst met een typisch beeld van dezen mens der zonde zouden te doen hebben. Evenals tussen Tyrus in Hoofdst. 26 en 27 en Babylon ene zo grote verwantschap plaats vindt, dat in Openb. 18 in plaats van Tyrus zonder meer het grote Babel wordt gesteld, zo heeft ook de vorst van Tyrus ene maar al te grote verwantschap met den koning van Babylon, en spreekt hij reeds geheel dezelfde taal, al is het ook nog met op zich zelf Christelijke waarheden en Goddelijke uitspraken vermengd, welke hij op schandelijke wijze verminkt en in leugen verkeerd heeft, terwijl degene, die na hem komt, zich zonder blanketsel de heerlijkheid Gods aanmatigt en zich duidelijk als de Boze openbaart. Het is opmerkelijk, dat de vorst van Tyrus spreekt: “Ik ben God, en zit in Godes stoel, in het hart der zeeën. ” Hij heeft dus aan de ene zijde van zich zelven, aan de andere zijde van zijne woonplaats ene grote gedachte, en wel rust de grote mening van zich zelven, dat hij zich enen God waagt te noemen, op de grote gedachte van zijne woonplaats, dat deze een zetel Gods, een berg Gods is (vs. 14 en 16). Bij de Heidense schrijvers namelijk wordt Tyrus de heilige stad en het eiland, waarop zij gebouwd is, het heilig eiland genoemd. De beide oorspronkelijk naakte rotsen, die dat vormden, beschouwde het verhaal als woonplaatsen der goden en noemde ze daarom de Ambrosynsche rotsen; het berichtte ook hoe deze vroeger vrij in de open zee ronddrijvende, op eens wonderbaar vast zijn geraakt en door Melkarth (den Tyrischen Herkules) tot de plaatsen van zijn heiligdom en van dat zijner geliefde Astarte zijn gemaakt. Hierop grondt zich het trotse zelfbewustzijn van den vorst. Was zijn staat, dien hij bestuurde, of de troon, op welken hij zat, volgens de mening des volks een godenzetel of godesberg, dan was hij zelf een god of de incarnatie der godheid, die in den staat Tyrus haar werk en hare woonplaats bezit, en nu noemden zich deze vorsten gaarne, zoals reeds vroeger is meegedeeld: Ithobaäl, d. i. met hem is God. Wij verkrijgen dus steeds meer van het typische voor Rome in den kerkgeschiedkundigen zin, volgens welken het de zetel van den vorst der apostelen, de bisschopszetel van Petrus moet zijn. Juist op de heiligheid van zijnen zetel als enen berg Gods, de voorgewende cathedra Petri grondt toch de Roomse paus zijne aanspraak op onfeilbaarheid. Daar zit hij midden in de zee, op vele wateren, zoals in Openb. 17:1 wordt gezegd en wil hij geestelijk de volken beheersen, waarbij het tevens van grote betekenis is, dat hij zoveel van scharlaken houdt (Openb. 17:4), en er ons alzo zelf op wijst, dat zijne kerk hare type in Tyrus en hij de zijne in den vorst van Tyrus heeft, want scharlaken, eigenlijk sarlacca is het Sarranische of Tyrische rood (in het Fenicisch heet Tyrus Sarra) In vs. 3 vv. wordt gesproken van Daniëls wijsheid, die waarlijk goddelijk was, ook het verborgene navorste en op de moeilijkste vragen onbedrieglijk antwoord gaf. Deze wijsheid, zo meent Tyrus’ vorst is nog niet zo groot als die, welke hij zelf meent te bezitten en dan komen hem als bewijs voor dat bezit, die voorspoed op het gebied van handel voor, welken Tyrus bereikt heeft, terwijl het zo machtig en rijk is geworden, want hij is het toch, die, hetgeen Tyrus doet en onderneemt, leidt en deze werkzaamheden zo inricht en in zulk een geregelden zamenhang tot elkaar brengt, dat zij hun doel niet kunnen missen. Maar zulk ene wijsheid is niets dan de slimheid van de kinderen dezer wereld, die alle goederen der aarde voor zich weet te winnen. Zo heeft dan ook de pauselijke stoel wel slimheid van dien aard genoeg aan den dag gelegd en het drukkende zijner macht overal doen gevoelen, maar van Gods geheimen is zo weinig bij hem, dat het ex cathedra Petri gesprokene van de Goddelijke waarheid steeds verder afvoert en in de bedrieglijke beelden der menselijke fantasie dieper invoert, zoals bijvoorbeeld de geloofsstelling van de onbevlekte ontvangenis van Maria en zoveel in de vaticaanse decreten bewijst.
KruisverwijzingenEzechiël 28:2→Exodus 9:17→Job 40:9→1 Korinthe 10:22→Job 9:4→Jakobus 1:11→2 Thessalonicenzen 2:4→— Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Omdat gij uw hart gesteld hebt als Gods hart;
Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Omdat gij uw hart gesteld hebt als Gods hart;
KruisverwijzingenEzechiël 31:12→Ezechiël 32:12→Ezechiël 30:11→Habakuk 1:6→Jesaja 25:3→Deuteronomium 28:49→Daniël 7:7→Ezechiël 26:7→— Daarom zie, Ik zal vreemden over u brengen, de tirannigste der heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid uwer wijsheid, en zullen uw glans ontheiligen.
Daarom, zie, Ik zal vreemden over u brengen en wel de geweldigste en minst verschonende onder hen, de a) tirannigste der Heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid uwer wijsheid, over de door uwe wijsheid, gelijk gij meent, voortgebrachte schoonheid der stad (vs. 4 v. 27:3), en zullen uwen glans ontheiligen (Openb. 17:16 v).
Jer. 6:23.
KruisverwijzingenEzechiël 27:34→Ezechiël 27:26→Psalmen 28:1→Job 33:28→Spreuken 28:17→Job 17:16→Psalmen 88:4→Psalmen 30:9→— Ter groeve zullen zij u doen nederdalen; en gij zult sterven den dood eens verslagenen in het hart der zeeen.
Ter groeve zullen zij u doen nederdalen; en gij zult sterven den dood eens verslagenen in het hart der zeeën.
KruisverwijzingenEzechiël 28:2→Jesaja 31:3→Psalmen 82:7→Handelingen 12:22→Daniël 4:31→Daniël 5:23→— Zult gij dan enigszins, voor het aangezicht uws doodslagers, zeggen: Ik ben God? daar gij een mens zijt en geen God, in de hand desgenen, die u verslaat?
Zult gij dan enigszins voor het aangezicht uws doodslagers zeggen: Ik ben God, daar gij een mens zijt en geen God, in de hand desgenen, die u verslaat? 1)
Niets kan duidelijker zijn dan deze vraag; zij stelt de dwaasheid van zijn onbescheiden hoogmoed in het sterkste licht; want zeker zou hij niet aarzelen een God te zijn, wanneer hij had te vallen door het zwaard van een mens; en welke trotse gedachten hij nu ook van zich zelven mocht voeden, zij zouden zeker snel veranderen, wanneer hij het zwaard des vijands opgeheven zag om hem te verslaan. (ENG. GODGELEERDEN). Als hier gesproken wordt van den koning van Tyrus dan wordt hier niet zozeer de thans levende koning bedoeld, maar de koningen in het algemeen, die door God over Tyrus waren aangesteld.
KruisverwijzingenEzechiël 31:18→Ezechiël 32:19→1 Samuël 17:36→Ezechiël 32:21→1 Samuël 17:26→Ezechiël 44:9→Ezechiël 28:7→Jeremia 9:25→— Gij zult den dood der onbesnedenen sterven; door de hand der vreemden; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.
Gij zult den dood der onbesnedenen sterven, door de hand der vreemden; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE. Omtrent de vorige afdeling merkt Hävernick op: “Wanneer iemand door zijne grote goddelijke gave de roeping had ontvangen, om zich tegenover den hoogmoed van aardse grootheid te plaatsen, die in zijne nietigheid duidelijk voor te stellen, alle wijsheid dezer wereld, ook de meest beroemde in hare soort, zoals die van Chaldea te beschamen, dan was het Daniël, die daarmee zijne eerste droomuitlegging (Dan. 2:21 vv.) begint; wat kon dan Ezechiël treffender aan den Tyrischen koning voorhouden, dan dat hij zich boven enen man als Daniël stelde?” Men kan dit ook wel in dien zin opvatten, dat de vorst van Tyrus datgene wat Gods woord over het vergankelijke van aardse macht en grootheid, over het bedrieglijke van menselijk verstand zegt, zijnerzijds meent te kunnen trotseren, zich over dat alles heenzet en bij zich zelven denkt, dat hem nooit iets ergs zou kunnen overkomen, dat voor hem alle dreigingen van Gods gericht niets waren, dat ze tot hem niet zouden komen. Dat is ten minste de trotse gerustheid, die door gene getuigenis ook niet van de verlichtste mannen Gods te bewegen is, en die ons in het tegendeel van den vorst van Tyrus te gemoet treedt, ene gerustheid, die alleen van geweld en onderdrukking weet en van des te heerlijker triomfen droomt, de tekenen van het Goddelijk gericht niet verstaat en van de bedreigingen van den laatsten val niets verneemt. Van bijzondere betekenis in hetgeen den vorst als Gods gericht wordt aangekondigd zijn 1) diegenen, die het oordeel moeten volvoeren, “de tyrannen der Heidenen, ” ene uitdrukking, welke wij, ook in Hoofdst. 30:11; 31:12 ontmoeten en zeker aan de Chaldeën herinnert, maar ten opzichte van de laatste bedoeling der voorzegging natuurlijk iets anders meent dan de wilde krijgshorden van het Chaldeeuwse leger; 2) de “dood eens verslagenen, ” ‘de dood der onbesnedenen”, welken hij moet sterven, wat hem aan de ene zijde als enen zodanigen karakteriseert, die eigenlijk in verbondsbetrekking tot God heeft gestaan, maar tot straf voor zijne hoogmoedige zelfvergoding nu op de schandelijkste wijze uit de gemeenschap van Gods volk wordt uitgesloten, waarvan de hoge voorrang, de dood des oprechten” is (Num. 23:10 de andere zijde hen met een marteldood (Jes. 53:9) in de allerzwaarste betekenis van het woord bedreigt. En nu zal het ondergaan des doods a) midden op de zee geschieden, in een tijd, dat hij als het ware zich op hoge zee, d. i. op het hoogste punt van zijne macht en van zijn geluk bevindt en hij er het minst aan denkt. Daarbij zal b) zijne godslasterlijke zelfverheffing op de schitterendste wijze worden beschaamd, wanneer hij in de handen van doodslagers geraakt, tegenover welke hem de moed ontzinkt, zich op zijne onaantastbare majesteit als van enen God te beroepen en hij zelf gevoelt, dat hij niets is dan een arm, nietig mens. Dan zal het spoedig met hem in de groeve gaan; want zijn uur is nu gekomen, om te worden nedergestoten, teneinde nimmer meer op te komen. 11.
V. Vs. 11-19.KruisverwijzingenEzechiël 19:1→Ezechiël 26:21→Ezechiël 31:8→Ezechiël 27:16→Genesis 2:8→Exodus 25:17→Exodus 40:9→Exodus 30:26→ — Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: Mensenkind! hef een klaaglied op over den koning van Tyrus, en zeg tot hem: Zo zegt de Heere HEERE: Gij verzegelaar der som, vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid! Gij waart in Eden, Gods hof; alle kostelijk gesteente was uw deksel, sardisstenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardonixstenen en jaspisstenen, saffieren, robijnen, en smaragden, en goud; het werk uwer trommelen en uwer pijpen was bij u; ten dage als gij geschapen werdt, waren zij bereid. Gij waart een gezalfde, overdekkende cherub; en Ik had u alzo gezet; gij waart op Gods heiligen berg; gij wandeldet in het midden der vurige stenen. Gij waart volkomen in uw wegen, van den dag af, dat gij geschapen zijt, totdat er ongerechtigheid in u gevonden is. Door de veelheid uws koophandels hebben zij het midden van u met geweld vervuld, en gij hebt gezondigd; daarom zal Ik u ontheiligen van Gods berg, en zal u, gij overdekkende cherub! verdoen uit het midden der vurige stenen! Uw hart verheft zich over uw schoonheid; gij hebt uw wijsheid bedorven, vanwege uw glans; Ik heb u op de aarde henengeworpen, Ik heb u voor het aangezicht der koningen gesteld, om op u te zien. Vanwege de veelheid uwer ongerechtigheden, door het onrecht uws koophandels, hebt gij uw heiligdommen ontheiligd; daarom heb Ik een vuur uit het midden van u doen voortkomen, dat u heeft verteerd, en Ik heb u gemaakt tot as op de aarde, voor de ogen van al degenen, die u zien. Allen, die u kennen onder de volken, zijn over u ontzet; gij zijt een grote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid. Overeenkomstig het klaaglied van den Profeet over den val van Tyrus in Hoofdst. 27 volgt nu hier zulk een over den val van zijnen vorst; ook de gedachtengang neemt hier even als daar in hoofdzaak hetzelfde verloop. Vooreerst, ene nadere beschrijving der heerlijkheid, die God oorspronkelijk den vorst van Tyrus heeft verleend (vs. 11-14 11- ), vervolgens ene schildering van zijnen val, dien hij ondervond tot straf daarvoor dat hij zich zwaar heeft bezondigd (vs. 15-19). De uitdrukkingen zijn doorgaans van dien aard, dat die uitleggers, die met hun gedachten aan den vorst van Tyrus als zodanig blijven hangen, slechts ene matte en zeer ondoeltreffende verklaring verkrijgen. Zij laten hem, die in de eerste plaats als voorwerp der weeklacht genoemd moet worden, zo goed als geheel buiten rekening, en passen alleen op dien, voor welken Tyrus’ koning slechts ene type is, en aan welken wij reeds in de vorige afdeling hebben gedacht.
— Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij in onmiddellijke aansluiting aan dat in vs. 1 vv. zeggende:
KruisverwijzingenEzechiël 19:1→Ezechiël 27:2→Ezechiël 26:17→2 Korinthe 1:22→Ezechiël 27:32→Kolossenzen 1:9→Kolossenzen 2:3→2 Kronieken 35:25→— Mensenkind! hef een klaaglied op over den koning van Tyrus, en zeg tot hem: Zo zegt de Heere HEERE: Gij verzegelaar der som, vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid!
Mensenkind! hef een klaaglied op over den koning van Tyrus, en zeg tot hem; Zo zegt de Heere HEERE: Gij verzegelaar der som, die aan het geld de waarde geeft, die het opperste gezag hebt in den gansen groten handel (of: zuivere zegelring, afdruksel der volkomenheid, waaraan alle trekken, die het moet voorstellen scherp en goed zijn uitgedrukt) gij zijt vol van wijsheid en a) volmaakt in schoonheid, als ene nieuwe verschijning van hetgeen de eerste mens na zijne schepping vóór den zondenval was (Gen. 1:27, 31; 2:19-25)!
Ezech. 27:3.
KruisverwijzingenEzechiël 31:8→Ezechiël 27:16→Genesis 2:8→Ezechiël 27:22→Exodus 39:10→Jesaja 51:3→Jesaja 30:32→Exodus 28:17→— Gij waart in Eden, Gods hof; alle kostelijk gesteente was uw deksel, sardisstenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardonixstenen en jaspisstenen, saffieren, robijnen, en smaragden, en goud; het werk uwer trommelen en uwer pijpen was bij u; ten dage als gij geschapen werdt, waren zij bereid.
Gij waart in Eden, Gods hof, evenals eens Adam in den hof van Eden door Mij geplaatst (Gen. 2:8 en 15), alle kostelijk gesteente was uw deksel, negen van de twaalf edelgesteenten, die de Joodse hogepriester op zijn borstlap droeg (Ex. 28:17-20) sardisstenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardonix-stenen en jaspis-stenen, saffieren, robijnen en smaragden enbovendien goud 1); het werk uwer trommelen en uwer pijpen was bij u; ten dage als gij geschapen werdt, als gij uwen troon beklomt, waren zij bereidom dien dag ter uwer ere te verheerlijken.
De Heere God vergelijkt hier den staat en toestand van Tyrus koning met dien van den eersten mens in het Paradijs. Heerlijk toch was de staat, waarin hij verkeerde. In volle Oosterse pracht kon hij zich vertonen. Niets ontbrak er aan zijn heerlijkheid. Dit laatste wordt toch uitgedrukt door de vermelding dat alle kostelijk gesteente zijn deksel was. Al de kostelijke stenen worden opgenoemd om zijn staat zo heerlijk mogelijk uit te meten.
In het Hebr. Melèketh thuffèjka fenekabèjka baak. Beter: de dienst uwer trommelen (of pauken) en uwe vrouwen waren bij u, n. l. ten dage als gij geschapen werd, waren zij U bereid, d. w. z. ten dage toen gij koning werdt en niet alleen de heerschappij van uw voorganger, maar ook zijn harem u ten deel viel. Dit alles is terugslag op hetgeen in het Paradijs voorviel, toen aan Adam ook zijn vrouw werd toegevoegd.
KruisverwijzingenExodus 25:17→Exodus 40:9→Exodus 30:26→Ezechiël 20:40→Openbaring 18:16→Ezechiël 28:13→Jesaja 14:12→Daniël 2:37→— Gij waart een gezalfde, overdekkende cherub; en Ik had u alzo gezet; gij waart op Gods heiligen berg; gij wandeldet in het midden der vurige stenen.
Gij waart een gezalfde, overdekkende cherub, een die met zijne uitgebreide vleugelen het verzoendeksel op de arke des verbonds overdekt (Ex. 25:20); en Ik had u alzo gezet 1); gij waart op Gods heiligen berg; gij wandeldet in het midden der vurige stenen2) (Openb. 11:4 v.).
Hiermede wordt het weer zo uitdrukkelijk gezegd dat ook de macht van de heidense koningen van God is. Alle macht is van God, zegt de Apostel (Rom. 13), en ook hier vindt men dezelfde waarheid terug. Wat de benaming, een gezalfde, overdekkende of beschermende cherub aangaat, zo is het duidelijk, dat de Profeet daarbij gedacht heeft aan den Cherub, die met uitgebreide vleugelen het verzoendeksel op de arke des verbonds overschaduwde om ook daarmee de hoge macht aan te duiden, welke de koning van Tyrus over de mensen uitoefende, en daardoor zijne onderdanen beschermde.
Deze laatste uitdrukking is duister. O. i. kan hier niet anders door aangeduid worden, dan dat hij veilig zit binnen zijne muren, die ontoegankelijk schenen, als waren zij gemaakt van vurige stenen, zodat hij op Godes berg gezet, onverwinnelijk scheen en onvernietigbaar.
KruisverwijzingenEzechiël 28:3→Ezechiël 28:17→Genesis 1:26→Ezechiël 27:3→Ezechiël 28:12→Genesis 6:5→Genesis 1:31→2 Petrus 2:4→— Gij waart volkomen in uw wegen, van den dag af, dat gij geschapen zijt, totdat er ongerechtigheid in u gevonden is.
Gij waart volkomen in uwe wegen van den dag af, dat gij geschapen zijt, totdat er ongerechtigheid in u gevonden is 1), zoals die in vs. 2 vv. als een hoogmoed, die zich Goddelijke eer aanmatigt, is voorgesteld.
Dit zinspeelt mogelijk op het treurig geval der gevallen Engelen, en van onze eerste voorouders, welke beide volkomen waren in hun wegen, tot dat er ongerechtigheid in hen werd gevonden. En toen er eens ongerechtigheid in hen gevonden werd, groeide die aan, zij werd erger en erger.
KruisverwijzingenHabakuk 2:17→Ezechiël 8:17→Habakuk 2:8→Genesis 3:24→Jesaja 22:19→Amos 3:9→Sefanja 1:9→Micha 2:10→— Door de veelheid uws koophandels hebben zij het midden van u met geweld vervuld, en gij hebt gezondigd; daarom zal Ik u ontheiligen van Gods berg, en zal u, gij overdekkende cherub! verdoen uit het midden der vurige stenen!
Door de veelheid uws koophandels hebben zij het midden van u met geweld vervuld; uwe stad werd met geweldenarij opgevuld. en gij hebt gezondigd: daarom zal Ik u ontheiligen van Gods berg, zal Ik u daar in de diepte nederstorten, en zal u, gij overdekkende cherub! verdoen uit het midden der vurige stenen, dat gij niet meer onder hen zult wandelen.
KruisverwijzingenEzechiël 31:10→Ezechiël 28:5→Ezechiël 28:2→Psalmen 73:18→Ezechiël 28:7→Spreuken 16:18→Jeremia 8:9→Jesaja 19:11→— Uw hart verheft zich over uw schoonheid; gij hebt uw wijsheid bedorven, vanwege uw glans; Ik heb u op de aarde henengeworpen, Ik heb u voor het aangezicht der koningen gesteld, om op u te zien.
Uw hart verheft zich over uwe schoonheid; gij hebt uwe wijsheid bedorven van wege uwen glans (vs. 2-5). Ik heb u op de aarde henengeworpen, Ik heb u voor het aangezicht der koningen gesteld, om op u te zien, wanneer het tot uwen val zal gekomen zijn (vs 7-10).
KruisverwijzingenMaleachi 4:3→Amos 1:9→Openbaring 18:8→Richteren 9:20→Markus 8:36→Ezechiël 28:2→Amos 1:14→Ezechiël 28:16→— Vanwege de veelheid uwer ongerechtigheden, door het onrecht uws koophandels, hebt gij uw heiligdommen ontheiligd; daarom heb Ik een vuur uit het midden van u doen voortkomen, dat u heeft verteerd, en Ik heb u gemaakt tot as op de aarde, voor de ogen van al degenen, die u zien.
Van wege de veelheid uwer ongerechtigheden door het onrecht uws koophandels hebt gij uwe heiligdommen, uwen heiligen zetel ontheiligd; daarom heb Ik een vuur uit het midden van u doen voortkomen, dat u heeft verteerd (Openb. 17:16), en Ik heb u gemaakt tot as op de aarde, voor de ogen van al degenen, die u zien 1), en getuigen zijn van het gericht, dat Ik aan u volbreng, om u voor altijd te vernietigen.
Met die uitleggers, die in Tyrus het beeld zien van Rome en in Tyrus’ koning dat van den Paus, kunnen we ons niet verenigen. Evenmin dat Tyrus het beeld zou zijn van den anti-Christ. Want toch niet Tyrus, maar Babel is de ongoddelijke of ook wel de anti-goddelijke wereldmacht, is zowel in Oud- als Nieuw Testament het beeld van den anti-Christ. Tyrus is hier veeleer het beeld of de verpersoonlijking van den anti-goddelijken wereldhandel, de vertegenwoordigster van den Mammon-dienst. Het is ook daarom dat de Profeet hier ziet op het einde der eeuwen. Alles wat zich tegen God en Zijnen Christus verzet, al wat zich tegen de Kerk, gebouwd op het fundament der Apostelen en Profeten, verzet, zal vernietigd worden, zodat er niets meer van zal overblijven. Niet op eens, maar toch zeker, gelijk Tyrus niet op eens het schrikkelijk lot heeft ondergaan, wat hier wordt aangekondigd, maar in den loop der eeuwen.
KruisverwijzingenEzechiël 26:21→Jesaja 14:16→Openbaring 18:15→Ezechiël 26:14→Jeremia 51:63→Openbaring 18:9→Psalmen 76:12→Ezechiël 27:35→— Allen, die u kennen onder de volken, zijn over u ontzet; gij zijt een grote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid.
Allen, die u kennen onder de volken, zijn over u ontzet; gij zijt een grote schrik geworden, en gij zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid (Hoofdst. 27:36). Welke de zin en zamenhang is volgens de gewone wijze van verklaring stellen wij in de volgende inhoudsopgave van Kliefoth voor: “de koning van Tyrus was het slot, het toppunt van het goed ingerichte gebouw van den Tyrischen staat, zelf wijs en schoon (vs. 12); ene paradijsachtige volheid en lieflijkheid en heerlijkheid omgaf hem, edelgesteenten en goud bedekten hem, wanneer hij gezien werd, en aan de pracht van zijnen harem, hem bij zijne troonsbestijging ten doel gevallen, ontbraken geen trommelen en pijpen (vs. 13). Evenals de cherub nevens de plaats der tegenwoordigheid Gods in het Allerheilige stond, zo stond hij als gezalfde koning naast het rationale heiligdom, naast den nationalen god van Tyrus. God zelf, de Waarachtige, had hem in dat alles gezet; hij zat zo op den heiligen godesberg Tyrus, ongenaakbaar als tussen vurige muren (vs. 14). En in dit alles was hij ongedeerd totdat hij zondigde. Maar evenals Adam in het Paradijs, zo viel hij (vs. 15 zijn handel sleepte hem in zonde voort, daarom wil God hem ook van den godesberg Tyrus wegdoen; hij moet weg uit zijnen vurigen muur, die hem ongenaakbaar maakt, hij, die als een Cherub nevens de godheid van Tyrus en de plaats harer tegenwoordigheid stond (vs. 16); hij moet onder op de aarde beschaamd worden voor de andere goden, door vuur verteerd, hij zal tot stof worden en niet meer zijn (vs. 17-19). ” 20.
VI. Vs. 20-26.KruisverwijzingenEzechiël 6:2→Ezechiël 38:22→Jozua 23:13→Numeri 33:55→Ezechiël 28:24→Genesis 10:15→Ezechiël 39:13→Jeremia 32:37→ — Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Sidon, en profeteer tegen haar, En zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Sidon! en zal in het midden van u verheerlijkt worden; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik gerichten in haar zal hebben geoefend, en in haar geheiligd zal zijn. Want Ik zal de pestilentie in haar zenden, en bloed op haar straten, en de verslagenen zullen vallen in het midden van haar, door het zwaard, dat tegen haar zal zijn van rondom; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben. En het huis Israels zal geen smartenden doorn noch wee doende distel meer hebben, van allen, die rondom hen zijn, die henlieden beroven; en zij zullen weten, dat Ik de Heere HEERE ben. Alzo zegt de Heere HEERE: Als Ik het huis Israels zal vergaderd hebben uit de volken, onder dewelke zij verstrooid zijn, en Ik onder hen voor de ogen der heidenen zal geheiligd zijn, dan zullen zij in hun land wonen, dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb. En zij zullen daarin zeker wonen, en huizen bouwen, en wijngaarden planten; ja, zij zullen zeker wonen; als Ik gerichten zal hebben geoefend tegen allen, die henlieden beroofd hebben, van degenen, die rondom hen zijn; en zij zullen weten dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben. De laatste in de rij der staten, welke Israël het naaste zijn, is Zidon. Daarom moet de voorzegging van den Profeet zich ook tegen deze stad richten, hoewel slechts in ene korte uitdrukking, die het Goddelijk gericht aankondigt en niets bevat omtrent de zonde, waaraan Zidon zich heeft schuldig gemaakt (vs. 20-23). Daarvan hebben wij reeds het ene zevental van dreigende voorzeggingen tegen buitenlandse volken gehad (Ammon, Moab, Edom, Filistea, Tyrus, vorst van Tyrus, Zidon). De rede wendt ziet dus reeds hier tot een zien op Israël, en stelt de winst voor, die dit zal hebben van de gerichten Gods over hen, die rondom zijn en het benijden en verachten; dit zal mede strekken tot bereiking van den beloofden toekomstigen heerlijken toestand (vs. 24-26). Ene gelijke wending der rede zullen wij ook in Hoofdst. 33:1-20 ontmoeten, wanneer het tweede zevental van strafprofetiën achter ons ligt, die allen over Egypte en zijnen koning handelen (Hoofdst. 29:1-32:32).
— Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
Wijders, om mij steeds meer de toekomst te openbaren, geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
KruisverwijzingenEzechiël 6:2→Genesis 10:15→Ezechiël 25:2→Ezechiël 27:8→Jeremia 25:22→Jeremia 47:4→Joël 3:4→Ezechiël 29:2→— Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Sidon, en profeteer tegen haar,
Mensenkind! zet uw aangezicht (Hoofdst. 20:46) tegen Zidon (vgl. Jer. 47:4. Joël 3:9. Zach. 9:2 v.), en profeteer tegen haar.
KruisverwijzingenEzechiël 39:13→Exodus 14:4→Exodus 14:17→Ezechiël 20:41→Exodus 9:16→Ezechiël 28:25→Nahum 2:13→Exodus 15:21→— En zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Sidon! en zal in het midden van u verheerlijkt worden; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik gerichten in haar zal hebben geoefend, en in haar geheiligd zal zijn.
En zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Zidon!(Joz. 11:8) met Mijne straffende hand (Ezech. 26:3), en zal in het midden van u verheerlijkt worden, gelijk in Egypte (Ex. 14:4 en 17); en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik gerichten in haar zal hebben geoefend, en in haar geheiligd zal zijn als degene, die bij alle genade en nederbuigen jegens de mensenkinderen toch Zijne ere en Zijn recht ongeschonden bewaart (Jes. 6:3).
KruisverwijzingenEzechiël 38:22→Ezechiël 5:12→Ezechiël 25:11→Ezechiël 25:17→Ezechiël 26:6→Ezechiël 25:7→Jeremia 15:2→— Want Ik zal de pestilentie in haar zenden, en bloed op haar straten, en de verslagenen zullen vallen in het midden van haar, door het zwaard, dat tegen haar zal zijn van rondom; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.
Want Ik zal, gelijk vroeger over Jeruzalem (Hoofdst. 5:17), de pestilentie in haar zenden, en bloed op hare straten, en de verslagenen zullen vallen in het midden van haar, door het zwaard, dat tegen haar zal zijn van rondom; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben. Het staat nog vrij treurig met het verstaan der profetie, wanneer de uitleggers ons tot verklaring van deze afdeling eigenlijk niet veel meer weten te zeggen, dan dat volgens Jer. 27:3 Zidon ook mede tot de leden der anti-chaldeeuwsche coalitie behoorde en nu, om het heilige zevental van volken uit Israëls naaste omgeving te verkrijgen, en den kring van deze, die met Ammon en Moab in het Zuidoosten begonnen (Hoofdst. 25:2 vv.), in het Noordwesten te sluiten, van Tyrus ook naar Zidon als tot een aanhangsel zijn gekomen. Wij zullen daarentegen tot ere van Gods woord mogen veronderstellen, dat deze bijvoeging haren goeden grond heeft in gezichtspunten, die het rijk en het Godsrijk aangaan, en hier nevens Tyrus en zijnen vorst nog over ene eigene, bijzonder anti-christelijke macht wordt gesproken, die op den achtergrond der voorspelling staat en in Tyrus hare type heeft. Nu liggen ook in den tekst zelven enige aanwijzingen, welke die macht is; want evenals: “Ik zal in ‘t midden van u verheerlijkt worden” aan Egypte herinnert, en het: “Ik zal de pestilentie in haar zenden, en bloed op hare straten, en de verslagenen zullen vallen in het midden van haar door het zwaard” op Jeruzalem doelt, zo is in Openb. 11:8 en 13 eerst sprake van de straat ener grote stad, die geestelijk Sodom en Egypte heet, waar onze Heer is gekruisigd. Daarna wordt van ene grote aardbeving gesproken, tengevolge waarvan het tiende deel der stad valt en tienduizend namen van mensen gedood worden, maar de andere verschrikken en den God des hemels ere geven. Het is onloochenbaar, dat bij Zidon aanknopingspunten worden gevonden, om de vervulling der profetie tot op zekere hoogte aan te wijzen; men kan namelijk zeggen, dat de stad den zwaren druk der Perzische heerschappij moede, tegen Artaxerxes III (Ochus) in opstand is gekomen, en door dezen in het jaar 351 v. C. tot den grond toe is verwoest, waarbij 40. 000 mensen moeten zijn omgekomen. Spoedig heeft zij zich echter weer uit de puinhopen verheven, is onder de Romeinen tot grote welvaart gekomen en telde ook vroeg enige Christenen onder hare bewoners (Hand. 27:3), totdat zij zelfs een bisschopszetel werd. Dat alles zijn echter slechts aanknopingspunten, en nu zijn bovendien van zwakken aard en zo weinig aan de verwachting beantwoordende, dat, wanneer de voorzegging eigenlijk alleen handelt over het geschiedkundige Zidon, men zich geneigd zou gevoelen om uit te roepen: had Ezechiël toch liever die profetie ter zijde gelaten, die door de uitkomst eer is weerlegd dan bevestigd. De zaak wordt echter geheel anders, wanneer wij onder dit Zidon de Christenen verstaan, zo als men ze in dezen tijd in hun politiek en godsdienstig leven ziet worden, waarbij zij aan de ene zijde zich laten leiden door Farao’s grondstelling (Ex 5:2): “wie is de Heere, wiens stem ik gehoorzamen zou, ” en aan de andere zijde geheel de taal voert, als Jeruzalem (Joh. 19:15): “Wij hebben genen koning dan den keizer. ” Het zal dan ook niet lang meer duren, of de mond der getuigen in de kerk zal verstommen, al haar invloed zal worden vernietigd, en zij naar den geest geheel en al voor het openbaar gedood zijn, wanneer ook haar dood lichaam op de straat der stad nog onbegraven ligt in enige kerkelijke vormen zonder inhoud. “Alzo moet geschieden, opdat de Schrift vervuld worde; ” en wij hebben boven in Openb. 11:7-10 de plaats reeds genoemd, waarvan de vervulling in de beide laatste tientallen jaren der 19e eeuw volgens Gods raad (zie bij Jer. 29:14; 31:37; 32:44 zal plaats hebben. Gelijk de ziener der Openbaring in Hoofdst 18 den inhoud van hetgeen Ezechiël in vs. 1-19 van ons hoofdstuk omtrent den vorst te Tyrus, in het bijzonder heeft voorzegd, nadat hij vroeger van het prachtschip Tyrus zelf heeft gesproken, niet weer behoefde te herhalen, omdat de Oud-Testamentische profetie de zaak geheel had voorgesteld, zo heeft nu weer onze Oud-Testamentische Profeet niet het doel om Zidons zonde nader te karakteriseren. De Heere, in wiens hand de Oud- en Nieuw-Testamentische profetie een enig en onverdeeld geheel is, en die Zijne stof verdeelt, zoals het Zijner wijsheid behaagt, had deze roeping Zijnen Johannes gegeven, om, wanneer Hij hem de Openbaring zou laten toekomen, Zijnen knechten te tonen wat spoedig geschieden moet. Maar ten opzichte van hetgeen Zidon voor hare zonde wedervaart, hoe God het recht over haar laat gaan, Zich aan haar verheerlijkt, en aan haar betoont, dat Hij heilig is, stemmen Ezechiël en Johannes, de Oud- en Nieuw Testamentische Profeet, volkomen met elkaar overeen. Pestilentie en bloedvergieten en een dodelijk wondend zwaard, dat overal rondgaat, is het, wat Ezechiël noemt; en Johannes zegt, vanwaar dit alles komt, en hoe het met elkaar tegelijk wordt verwezenlijkt, daar hij van ene aardbeving spreekt, maar daarmee doelt op ene vreeslijke inwendige schudding, in welke het grootste deel der stad ineenstort, en waarmee een doden is verbonden, dat eerst met de namen der mensen ophoudt. Nog zijn het enkele, slechts dof en op tamelijken afstand dreigende stoten der aarde, die zich laten horen in de arbeidersbewegingen, en in den wrok der sociaal-demokraten. Nog zijn de namen der mensen, de woordvoerders op de markt des levens en de agitatoren der grote menigte goeds moeds en geloven met vertrouwen de “heilzame hervorming, ” zoals zij hun stellingen en inrichtingen noemen, nu tot een punt te kunnen brengen, dat uit den weg geruimd is, wat hun niet aanstaat, en verwezenlijkt, wat zij zich als een Eldorado dromen- hier is echter van toepassing: “dien God wil verderven, dien slaat Hij vooraf met blindheid. ” Zo zal eerst het begin van de volgende eeuw aan het licht brengen wat ene aardbeving in apokalyptischen zin te betekenen heeft; de van alle banden van christelijke tucht en vrome zeden losgemaakte grote menigte, het in onwetendheid omtrent Gods woord en in verachting van alle gezag des hemels opgegroeide geslacht zal, als het Eldorado van de tegenwoordige helden van den dag hun lusten niet bevredigt, wanneer in dit goudland integendeel ene zeer hete zon brandt, wier gloed nauwelijks te verdragen is, zij zullen hun doel en hun gedachten weten te verwezenlijken, niet op den weg van anatomische sectie, gelijk hun voorgangers, maar met gebrul in den mond, met vuur in de ene en het zwaard in de andere hand, en hun voeten zullen zo verwoestend en verpletterend optreden, dat degenen, die nu niet willen geloven (Hos. 8:7), dat als men wind zaait, men storm maait, het zullen moeten geloven. Er is ene pestilentie, die nog erger is, dan wanneer de builen aan het lichaam doorbreken, en een bloedvergieten, dat vreselijker woedt dan dat op het slagveld. Er is een zwaard, dat niet van buiten af over een land komt, en zo kunnen alle drie zeer goed een en hetzelfde zijn wat om de zaak nader te doen verstaan, de eenvoudige uitdrukking “ene grote aardbeving” aanduidt. Moge dan het tiende deel der stad vallen, wanneer slechts dit tiende deel juist dat is, hetwelk het godslasterlijke Egypte en Christus vijandige Jeruzalem gebouwd heeft-het zal ene weldaad zijn. Mogen er ook zeven duizend namen van mensen gedood worden, wanneer deze zevenduizend slechts juist diegenen zijn, die Gods heiligdom hebben gelasterd, het hart van het volk hebben vergiftigd, en de menigte van het dier, dat uit den afgrond opstijgt (Openb. 11:7), in den strijd tegen de twee getuigen aangevoerd en niet eerder gerust hebben, voordat zij overwonnen en gedood waren, het zal ene weldaad zijn! Dan zullen de anderen verschrikken en den God des hemels weer de ere geven. Als deze onze plaats lezen, zij zullen die verstaan en nauwelijks meer aan Zidon denken, en gelijktijdig zal hun het volgende in duidelijk helder licht staan, want God is alsdan begonnen aan Israël te doen wat Hij heeft toegezegd.
KruisverwijzingenJozua 23:13→Numeri 33:55→Jesaja 55:13→2 Korinthe 12:7→Richteren 2:3→Ezechiël 36:36→Jesaja 35:9→Micha 7:4→— En het huis Israels zal geen smartenden doorn noch wee doende distel meer hebben, van allen, die rondom hen zijn, die henlieden beroven; en zij zullen weten, dat Ik de Heere HEERE ben.
En het huis Israëls zal in den gehelen kring van naburige volken, de Ammonieten, Moabieten, Edomieten, Filistijnen, Tyriërs en Zidoniërs, die steeds zo verachtelijk bejegenden en zo grote schade veroorzaakten, geen smartenden doorn noch wee doende distel meer hebben, van allen, die rondom hen zijn, die henlieden beroven (Num. 33:55); en zij zullen weten, erkennen dat Ik de Heere HEERE ben 1).
Dit en het volgende is nooit vervuld in het lichaam van dat volk; want na hun wederkering uit de gevangenis werden zij altoos en gedurig ontrust door den een of anderen kwaden nabuur. Ook is de Evangelische kerk nooit geheel vrij geweest van smartende doornen en wee doende distelen; nochthans heeft de kerk soms rust gehad, de gelovigen wonen altoos veilig onder de Goddelijke beschaming en hun gerechtigen van de vreze des kwaads. Maar de volkomen vervulling van deze belofte is voor het Hemelse Kanaän bewaard, wanneer alle de heiligen zullen vergaderd worden en alles dat aanstoot geeft, zal weggenomen zijn, en alle smart en vreze voor altijd uitgebannen.
KruisverwijzingenEzechiël 20:41→Jeremia 32:37→Psalmen 106:47→Ezechiël 11:17→Jeremia 23:8→Ezechiël 37:25→Ezechiël 28:22→Ezechiël 36:28→— Alzo zegt de Heere HEERE: Als Ik het huis Israels zal vergaderd hebben uit de volken, onder dewelke zij verstrooid zijn, en Ik onder hen voor de ogen der heidenen zal geheiligd zijn, dan zullen zij in hun land wonen, dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb.
Alzo zegt de Heere HEERE, in dit heilzaam gevolg, dat het gericht over die volken voor Israël zal hebben, aanleiding nemende, om Zijne gedachten van vrede en genade voor dien laatsten tijd (Jer. 29:11) in ene korte somma zamen te vatten: Als Ik het huis Israëls zal vergaderd hebben uit de volken, onder dewelke zij verstrooid zijn, en Ik onder hen voor de ogen der Heidenen zal geheiligd zijn (Openb. 12:15 v. 16:13 vv.), dan zullen zij in hun land wonen, dat Ik aan Mijnen knecht, aan Jakob, gegeven heb.
KruisverwijzingenEzechiël 28:24→Ezechiël 28:22→Ezechiël 38:8→Jeremia 32:15→Ezechiël 34:25→Amos 9:13→Jesaja 33:1→Leviticus 25:18→— En zij zullen daarin zeker wonen, en huizen bouwen, en wijngaarden planten; ja, zij zullen zeker wonen; als Ik gerichten zal hebben geoefend tegen allen, die henlieden beroofd hebben, van degenen, die rondom hen zijn; en zij zullen weten dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben.
En zij zullen daarin zeker wonen, en huizen bouwen, en wijngaarden {a} planten, ja, zij zullen zeker wonen; als Ik gerichten zal hebben geoefend tegen allen, die henlieden beroofd hebben, van degenen die rondom hen zijn (Openb. 12:14; 19:11 vv. 11); en zij zullen weten, dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben (vgl. Hoofdst. 11:17; 20:42; 36:22 vv. {a} Jer. 31:5. Wij hebben er vroeger van gesproken, hoe zich de toestanden der Christenheid, in ons werelddeel, overeenkomstig de ontdekkingen, die Gods openbaring ons geeft, zich zullen ontwikkelen, dat de voorzegging van den Profeet over Zidon daarin hare volledige vervulling vindt. Hoe treurig al deze uitzichten voor de naaste toekomst zijn en hoe zwaar de gerichten zijn, die er zullen komen, zo troostvol luidt toch het einde als gezegd wordt, dat God de mensen zal doen weten, dat Hij de Heere is, en wanneer Openb 11:13 dit nader zo verklaart, dat men den God des hemels de ere zal geven, nadat men zich openlijk van Hem heeft los gemaakt en in den grond der zaak den god der aarde in Zijne plaats had gesteld. Maar hoe zwaar de tuchtroede voor onze Christenvolken zal zijn, die bij den Nieuw-Testamentischen ziener als aardbeving, bij den Oud-Testamentischen Profeet als pestilentie en bloedvergieten en zwaard beschreven is, op zich zelf alleen zou zij toch gene grondige omkering en gehele vernieuwing des harten bewerken; want ongelukken, dat leert de ervaring, maken dikwijls genoeg de volken geenszins week, en hoewel het een tijd lang schijnt, als waren de geesten verootmoedigd en de harten verslagen, zo houdt dat toch in den regel niet lang vol; zodra de mensen weer verademing krijgen, zijn zij ook weer spoedig de ouden. Zelfs grote, heerlijke daden Gods in het uitwendige staatkundige leven gaan dikwijls spoorloos een geslacht voorbij. Wij hebben het bij ons Duitse volk gezien in dezen tijd van bijzondere genade des Heeren, hoe weinig Zijne genade wordt erkend en Zijn zegen aangenomen, men bouwt integendeel den god der aarde zijne altaren, en stelt die van den God des hemels ter zijde. Maar het eigenlijke zwaartepunt voor de nieuwe wending, die komen zal, en een werkelijk nieuwen tijd zal teweegbrengen, ligt ook niet in die grote aardbeving. Die heeft alleen op te ruimen en weg te nemen, en bij de anderen, die over zullen blijven, ene heilzame verschrikking teweeg te brengen. Het zwaartepunt ligt integendeel in hetgeen in Openb. 11:11 en 12 voorafgaat, en in zeer raadselachtige woorden wordt genoemd. Wij hebben ons reeds meermalen geuit, in welken zin wij de woorden opvatten, en zullen bij Hoofdstuk 37, waar een helder licht al het duistere opklaart, daarop terugkomen. Wij hebben ook op grond der tijdsopgaaf over Jeruzalems overtreding in Openb. 11:2 het vaste vertrouwen, dat dit tegen het einde van deze eeuw aan het doel is, en nu zal vervuld worden, wat de Heere in vs. 25 van ons hoofdstuk aan het huis van Israël toezegt.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Ezechiël 28
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
IV. Vs. 1-10.KruisverwijzingenEzechiël 28:9→2 Thessalonicenzen 2:4→Jesaja 31:3→Psalmen 62:10→Ezechiël 31:12→Ezechiël 31:18→Jesaja 14:13→Psalmen 9:20→
— Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: Mensenkind! zeg tot den vorst van Tyrus: Zo zegt de Heere HEERE: Omdat uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Godes stoel, in het hart der zeeen! daar gij een mens en geen God zijt, stelt gij nochtans uw hart, als Gods hart. Zie, gij zijt wijzer dan Daniel; zij hebben niets toegeslotens voor u verborgen. Door uw wijsheid en door uw verstand, hebt gij vermogen voor u verkregen; ja, gij hebt goud en zilver verkregen in uw schatten. Door de grootheid uwer wijsheid in uw koophandel hebt gij uw vermogen vermeerderd, en uw hart verheft zich vanwege uw vermogen. Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Omdat gij uw hart gesteld hebt als Gods hart; Daarom zie, Ik zal vreemden over u brengen, de tirannigste der heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid uwer wijsheid, en zullen uw glans ontheiligen. Ter groeve zullen zij u doen nederdalen; en gij zult sterven den dood eens verslagenen in het hart der zeeen. Zult gij dan enigszins, voor het aangezicht uws doodslagers, zeggen: Ik ben God? daar gij een mens zijt en geen God, in de hand desgenen, die u verslaat? Gij zult den dood der onbesnedenen sterven; door de hand der vreemden; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.
Het derde der woorden Gods tegen Tyrus richt zich tegen de vorsten, en terwijl het in de eerste plaats de dreiging tegen deze verkondigt, komt het even zo met de dreiging tegen de stad Tyrus in Hoofdst. 26 overeen, als daarna de afdeling in vs. 11-19, of de weeklacht over den ondergang van den vorst, over welken gesproken wordt, met de weeklacht over den ondergang der stad in Hoofd. 27 overeenkomt. Onze voorzegging volgt denzelfden gedachtengang, dien de meeste van deze tegen buitenlandse volken gerichte voorzeggingen bevatten. Zij noemt eerst de zonde van den vorst (vs. 1-5), en kondigt hem daarop het Goddelijk gericht aan (vs. 6-10).
Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, gelijktijdig met de in Hoofdst. 26 en 27 ontvangene woorden Gods, zeggende:
Mensenkind! zeg tot den vorst van Tyrus: Zo zegt de Heere HEERE: Omdat (de nazin tot dit omdat volgt eerst in vs. 6 v.) uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Godes stoel, in het hart der zeeën 1)! daar gij een a) mens en geen God zijt, stelt gij nochthans uw hart als Gods hart 2).
Gods stoel is hier de stad Tyrus zelf, niet het paleis van den koning, maar de stad, en dat niet omdat de koning meent dat die stad oninneembaar is, maar dewijl hij haar acht als een heilige stoel. De koning zelf was als het ware de voor zijn volk verpersoonlijkte Godheid en daarom noemde hij zich God.
Hij dacht dat de stad Tyrus al zo noodzakelijk van hem afhankelijk was, als de wereld van God, die haar gemaakt heeft, en dat hij zo onafhankelijk was als God en aan niemand verantwoordelijk. Hij dacht zoveel wijsheid te hebben en zoveel sterkte als God zelf en al zulk onbetwistbaar gezag; en dat zijn voorrechten zo versterkt waren, en zijn woord zo veel een wet, als het woord van God. Hij eiste Goddelijke eerbewijzingen en verwachtte geprezen en beroemd te worden als een God, en twijfelde niet, of hij zou onder andere helden, na zijn dood, vergood worden als een groot weldoener van de wereld.
Zie, gij zijt wijzer dan Daniël 1) (vgl. (Hoofdst. 14:14 vv.); zij hebben niets toegeslotens voor u verborgen, niets verborgens in u duister.
Daniël was beroemd geworden door zijne wijsheid, dewijl hij de dromen van Babels koning had verklaard en daarmee de Magiërs had beschaamd gemaakt. Bovendien had God hem wijsheid gegeven om het wezen en de ontwikkeling der wereldmacht aan te duiden. Tyrus koning waande zich echter wijzer dan Daniël, maar zijne wijsheid was die der mensenkinderen, die bestaat in het zich vergaderen van schatten, waarbij de dief kan komen.
Door uwe wijsheid en door uw verstand hebt gij vermogen voor u verkregen, gelijk Tyrus te water en in het handelsverkeer der volken die bezit (Hoofdst. 26:17); ja gij hebt goud en zilver verkregen in uwe schatten (Hoofdst. 27:25).
Door de grootheid uwer wijsheid in uwen koophandel hebt gij uw vermogen vermeerderd, en uw hart verheft zich van wege uw vermogen; de grote voorspoed in tijdelijke en aardse dingen heeft u zo verblind, dat gij werelds verstand met Goddelijke wijsheid verwart. De stad Tyrus had zich in de plaats van Jeruzalem begeren te stellen en sprak bij den ondergang: “Heah! zij is verbroken, de poort der volken; zij is tot mij omgewend: en zal vervuld worden, zij is verwoest” (Hoofdst. 26:2). Daarom had de Profeet zijne strafrede en dreigingen tegen haar moeten richten. Op dezelfde wijze matigde zich ook de vorst van Tyrus aan wat aan het Davidische koningshuis in Jeruzalem, van welks vernietiging in Hoofdst. 17 en 19 sprake was, toekwam. Alzo mocht van de dreigende voorzegging tegen de stad en de weeklacht om haar in Hoofdst. 26 en 27 iets dergelijks ten opzichte van den vorst niet ontbreken (vs. 1-10 en 11-19). De hoogmoed van Tyrus was vooral in zijnen vorst zichtbaar; hij moest als de concentratie, het toppunt daarvan worden aangezien en de zaak, waarover bij de stad werd gehandeld, was zo lang niet geheel en al afgedaan, als ook niet met den vorst was afgehandeld. Het is zeer juist wat Schmieder in v. Gerlachs Bijbelwerk opmerkt: “De koning van Tyrus (vs. 12) overtreft in zelfvergoding de koningin der zee nog verre. Tyrus verhovaardigt zich in vrouwelijke ijdelheid, alsof zij de stad Gods ware (Hoofdst. 27:3 #Eze); haar koning verheft zich in trotsen waan, als ware hij zelf de schepper dezer heerlijkheid, de god, die Tyrus tot koningin heeft gesteld (vs. 2). Hij is de Adam voor deze Eva. ” Maar wanneer deze zelfde verder beweert, dat de koning van Tyrus een typisch beeld is van den mens der zonde, van welken Paulus in 2 Thess. 2:3 vv. spreekt, dan heeft zonder twijfel Coccejus juister gezien, die daarentegen aan den paus denkt. Dat Tyrus in Hoofdst. 27:4 vv. onder het beeld van een schip, dat ook symbool der kerk is, werd voorgesteld, en dat de weeklacht van Openb. 18 wederkeert, waar wij naar den gehelen zamenhang alleen aan de Rooms Katholieke Kerk kunnen denken, die zich tot de kerk heeft gemaakt en in de zogenaamde koningin des hemels haar eigen beeld heeft geschilderd, het beeld van hetgeen zij zelf zegt te zijn, voert consequent daartoe, in den vorst van Tyrus het opperhoofd dezer kerk weer te zien, hem, die als het ware de man van haar wil zijn, en het werkelijk nu geheel en al daartoe heeft gebracht, dat het ten opzichte van zijne verhouding tot de kerk heet: “de man is het hoofd der vrouw, de vrouw zij haren man onderdanig. ” Tot deze opvatting geeft ons ook de uitdrukking recht, die in den grondtekst voor “vorst” wordt gebruikt. Deze is het “nagid”, dat wij in Dan. 9:25 van Christus vinden en dat niet zozeer een eigenlijken koning op de wijze van een koning of keizer, dan dat het enen regeerder op de wijze van enen Doge of het hoofd ener grote handels-aristokratie voorstelt, zoals ook David door God tot nagid over Zijn volk gesteld was, d. i. tot leidsman der 12 stammen, die ene zelfstandige gemeente vormden (1 Sam. 13:14. 2 Sam. 7:8 Terwijl in de voorzeggingen, welke van Hoofdst. 29 af volgen tegen Egypte en zijne Farao’s, die tegen den koning aan die tegen het land voorafgaan, heeft bij de voorzeggingen tegen den staat Tyrus en de bestuurders van deze de omgekeerde orde plaats, waarin zeker de eigenaardige plaats voor den dag moet treden, welke de vorst innam in dien handelsstaat, die naar stedelijke grondstellingen was ingericht. Terwijl die toestand als tegenbeeld alleen in waarheid met die overeenkomt, welke in de tot enen zichtbaren godsstaat gemaakte kerk met volledig ontwikkelde hiërarchie het toppunt der laatste uitmaakt, met den paus, komt daarentegen de stand van den toekomstigen Antichrist in zijn wereldrijk met die van enen Faraö in Egypte of van een Nebubadnezar in Babylon overeen. De woorden, welke den vorst van Tyrus in den mond gelegd worden: “Ik ben God; ik zit in Godes stoel, in het hart der zeeën, ” mogen ons omtrent dit inzicht in de typische betekenis onzer afdeling niet op een dwaalspoor brengen en daarom, omdat van den mens der zonde bij Paulus (2 Thess. 2:4) iets dergelijks gezegd wordt: “die zich tegenstelt en verheft boven al wat God genaamd of als God geëerd wordt, alzo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zich zelven vertonende, dat hij God is, ” mogen wij niet dadelijk menen, dat wij bij dien vorst met een typisch beeld van dezen mens der zonde zouden te doen hebben. Evenals tussen Tyrus in Hoofdst. 26 en 27 en Babylon ene zo grote verwantschap plaats vindt, dat in Openb. 18 in plaats van Tyrus zonder meer het grote Babel wordt gesteld, zo heeft ook de vorst van Tyrus ene maar al te grote verwantschap met den koning van Babylon, en spreekt hij reeds geheel dezelfde taal, al is het ook nog met op zich zelf Christelijke waarheden en Goddelijke uitspraken vermengd, welke hij op schandelijke wijze verminkt en in leugen verkeerd heeft, terwijl degene, die na hem komt, zich zonder blanketsel de heerlijkheid Gods aanmatigt en zich duidelijk als de Boze openbaart. Het is opmerkelijk, dat de vorst van Tyrus spreekt: “Ik ben God, en zit in Godes stoel, in het hart der zeeën. ” Hij heeft dus aan de ene zijde van zich zelven, aan de andere zijde van zijne woonplaats ene grote gedachte, en wel rust de grote mening van zich zelven, dat hij zich enen God waagt te noemen, op de grote gedachte van zijne woonplaats, dat deze een zetel Gods, een berg Gods is (vs. 14 en 16). Bij de Heidense schrijvers namelijk wordt Tyrus de heilige stad en het eiland, waarop zij gebouwd is, het heilig eiland genoemd. De beide oorspronkelijk naakte rotsen, die dat vormden, beschouwde het verhaal als woonplaatsen der goden en noemde ze daarom de Ambrosynsche rotsen; het berichtte ook hoe deze vroeger vrij in de open zee ronddrijvende, op eens wonderbaar vast zijn geraakt en door Melkarth (den Tyrischen Herkules) tot de plaatsen van zijn heiligdom en van dat zijner geliefde Astarte zijn gemaakt. Hierop grondt zich het trotse zelfbewustzijn van den vorst. Was zijn staat, dien hij bestuurde, of de troon, op welken hij zat, volgens de mening des volks een godenzetel of godesberg, dan was hij zelf een god of de incarnatie der godheid, die in den staat Tyrus haar werk en hare woonplaats bezit, en nu noemden zich deze vorsten gaarne, zoals reeds vroeger is meegedeeld: Ithobaäl, d. i. met hem is God. Wij verkrijgen dus steeds meer van het typische voor Rome in den kerkgeschiedkundigen zin, volgens welken het de zetel van den vorst der apostelen, de bisschopszetel van Petrus moet zijn. Juist op de heiligheid van zijnen zetel als enen berg Gods, de voorgewende cathedra Petri grondt toch de Roomse paus zijne aanspraak op onfeilbaarheid. Daar zit hij midden in de zee, op vele wateren, zoals in Openb. 17:1 wordt gezegd en wil hij geestelijk de volken beheersen, waarbij het tevens van grote betekenis is, dat hij zoveel van scharlaken houdt (Openb. 17:4), en er ons alzo zelf op wijst, dat zijne kerk hare type in Tyrus en hij de zijne in den vorst van Tyrus heeft, want scharlaken, eigenlijk sarlacca is het Sarranische of Tyrische rood (in het Fenicisch heet Tyrus Sarra) In vs. 3 vv. wordt gesproken van Daniëls wijsheid, die waarlijk goddelijk was, ook het verborgene navorste en op de moeilijkste vragen onbedrieglijk antwoord gaf. Deze wijsheid, zo meent Tyrus’ vorst is nog niet zo groot als die, welke hij zelf meent te bezitten en dan komen hem als bewijs voor dat bezit, die voorspoed op het gebied van handel voor, welken Tyrus bereikt heeft, terwijl het zo machtig en rijk is geworden, want hij is het toch, die, hetgeen Tyrus doet en onderneemt, leidt en deze werkzaamheden zo inricht en in zulk een geregelden zamenhang tot elkaar brengt, dat zij hun doel niet kunnen missen. Maar zulk ene wijsheid is niets dan de slimheid van de kinderen dezer wereld, die alle goederen der aarde voor zich weet te winnen. Zo heeft dan ook de pauselijke stoel wel slimheid van dien aard genoeg aan den dag gelegd en het drukkende zijner macht overal doen gevoelen, maar van Gods geheimen is zo weinig bij hem, dat het ex cathedra Petri gesprokene van de Goddelijke waarheid steeds verder afvoert en in de bedrieglijke beelden der menselijke fantasie dieper invoert, zoals bijvoorbeeld de geloofsstelling van de onbevlekte ontvangenis van Maria en zoveel in de vaticaanse decreten bewijst.
Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Omdat gij uw hart gesteld hebt als Gods hart;
Daarom, zie, Ik zal vreemden over u brengen en wel de geweldigste en minst verschonende onder hen, de a) tirannigste der Heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid uwer wijsheid, over de door uwe wijsheid, gelijk gij meent, voortgebrachte schoonheid der stad (vs. 4 v. 27:3), en zullen uwen glans ontheiligen (Openb. 17:16 v).
Jer. 6:23.
Ter groeve zullen zij u doen nederdalen; en gij zult sterven den dood eens verslagenen in het hart der zeeën.
Zult gij dan enigszins voor het aangezicht uws doodslagers zeggen: Ik ben God, daar gij een mens zijt en geen God, in de hand desgenen, die u verslaat? 1)
Niets kan duidelijker zijn dan deze vraag; zij stelt de dwaasheid van zijn onbescheiden hoogmoed in het sterkste licht; want zeker zou hij niet aarzelen een God te zijn, wanneer hij had te vallen door het zwaard van een mens; en welke trotse gedachten hij nu ook van zich zelven mocht voeden, zij zouden zeker snel veranderen, wanneer hij het zwaard des vijands opgeheven zag om hem te verslaan. (ENG. GODGELEERDEN). Als hier gesproken wordt van den koning van Tyrus dan wordt hier niet zozeer de thans levende koning bedoeld, maar de koningen in het algemeen, die door God over Tyrus waren aangesteld.
Gij zult den dood der onbesnedenen sterven, door de hand der vreemden; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE. Omtrent de vorige afdeling merkt Hävernick op: “Wanneer iemand door zijne grote goddelijke gave de roeping had ontvangen, om zich tegenover den hoogmoed van aardse grootheid te plaatsen, die in zijne nietigheid duidelijk voor te stellen, alle wijsheid dezer wereld, ook de meest beroemde in hare soort, zoals die van Chaldea te beschamen, dan was het Daniël, die daarmee zijne eerste droomuitlegging (Dan. 2:21 vv.) begint; wat kon dan Ezechiël treffender aan den Tyrischen koning voorhouden, dan dat hij zich boven enen man als Daniël stelde?” Men kan dit ook wel in dien zin opvatten, dat de vorst van Tyrus datgene wat Gods woord over het vergankelijke van aardse macht en grootheid, over het bedrieglijke van menselijk verstand zegt, zijnerzijds meent te kunnen trotseren, zich over dat alles heenzet en bij zich zelven denkt, dat hem nooit iets ergs zou kunnen overkomen, dat voor hem alle dreigingen van Gods gericht niets waren, dat ze tot hem niet zouden komen. Dat is ten minste de trotse gerustheid, die door gene getuigenis ook niet van de verlichtste mannen Gods te bewegen is, en die ons in het tegendeel van den vorst van Tyrus te gemoet treedt, ene gerustheid, die alleen van geweld en onderdrukking weet en van des te heerlijker triomfen droomt, de tekenen van het Goddelijk gericht niet verstaat en van de bedreigingen van den laatsten val niets verneemt. Van bijzondere betekenis in hetgeen den vorst als Gods gericht wordt aangekondigd zijn 1) diegenen, die het oordeel moeten volvoeren, “de tyrannen der Heidenen, ” ene uitdrukking, welke wij, ook in Hoofdst. 30:11; 31:12 ontmoeten en zeker aan de Chaldeën herinnert, maar ten opzichte van de laatste bedoeling der voorzegging natuurlijk iets anders meent dan de wilde krijgshorden van het Chaldeeuwse leger; 2) de “dood eens verslagenen, ” ‘de dood der onbesnedenen”, welken hij moet sterven, wat hem aan de ene zijde als enen zodanigen karakteriseert, die eigenlijk in verbondsbetrekking tot God heeft gestaan, maar tot straf voor zijne hoogmoedige zelfvergoding nu op de schandelijkste wijze uit de gemeenschap van Gods volk wordt uitgesloten, waarvan de hoge voorrang, de dood des oprechten” is (Num. 23:10 de andere zijde hen met een marteldood (Jes. 53:9) in de allerzwaarste betekenis van het woord bedreigt. En nu zal het ondergaan des doods a) midden op de zee geschieden, in een tijd, dat hij als het ware zich op hoge zee, d. i. op het hoogste punt van zijne macht en van zijn geluk bevindt en hij er het minst aan denkt. Daarbij zal b) zijne godslasterlijke zelfverheffing op de schitterendste wijze worden beschaamd, wanneer hij in de handen van doodslagers geraakt, tegenover welke hem de moed ontzinkt, zich op zijne onaantastbare majesteit als van enen God te beroepen en hij zelf gevoelt, dat hij niets is dan een arm, nietig mens. Dan zal het spoedig met hem in de groeve gaan; want zijn uur is nu gekomen, om te worden nedergestoten, teneinde nimmer meer op te komen. 11.
V. Vs. 11-19.KruisverwijzingenEzechiël 19:1→Ezechiël 26:21→Ezechiël 31:8→Ezechiël 27:16→Genesis 2:8→Exodus 25:17→Exodus 40:9→Exodus 30:26→
— Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: Mensenkind! hef een klaaglied op over den koning van Tyrus, en zeg tot hem: Zo zegt de Heere HEERE: Gij verzegelaar der som, vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid! Gij waart in Eden, Gods hof; alle kostelijk gesteente was uw deksel, sardisstenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardonixstenen en jaspisstenen, saffieren, robijnen, en smaragden, en goud; het werk uwer trommelen en uwer pijpen was bij u; ten dage als gij geschapen werdt, waren zij bereid. Gij waart een gezalfde, overdekkende cherub; en Ik had u alzo gezet; gij waart op Gods heiligen berg; gij wandeldet in het midden der vurige stenen. Gij waart volkomen in uw wegen, van den dag af, dat gij geschapen zijt, totdat er ongerechtigheid in u gevonden is. Door de veelheid uws koophandels hebben zij het midden van u met geweld vervuld, en gij hebt gezondigd; daarom zal Ik u ontheiligen van Gods berg, en zal u, gij overdekkende cherub! verdoen uit het midden der vurige stenen! Uw hart verheft zich over uw schoonheid; gij hebt uw wijsheid bedorven, vanwege uw glans; Ik heb u op de aarde henengeworpen, Ik heb u voor het aangezicht der koningen gesteld, om op u te zien. Vanwege de veelheid uwer ongerechtigheden, door het onrecht uws koophandels, hebt gij uw heiligdommen ontheiligd; daarom heb Ik een vuur uit het midden van u doen voortkomen, dat u heeft verteerd, en Ik heb u gemaakt tot as op de aarde, voor de ogen van al degenen, die u zien. Allen, die u kennen onder de volken, zijn over u ontzet; gij zijt een grote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid.
Overeenkomstig het klaaglied van den Profeet over den val van Tyrus in Hoofdst. 27 volgt nu hier zulk een over den val van zijnen vorst; ook de gedachtengang neemt hier even als daar in hoofdzaak hetzelfde verloop. Vooreerst, ene nadere beschrijving der heerlijkheid, die God oorspronkelijk den vorst van Tyrus heeft verleend (vs. 11-14 11- ), vervolgens ene schildering van zijnen val, dien hij ondervond tot straf daarvoor dat hij zich zwaar heeft bezondigd (vs. 15-19). De uitdrukkingen zijn doorgaans van dien aard, dat die uitleggers, die met hun gedachten aan den vorst van Tyrus als zodanig blijven hangen, slechts ene matte en zeer ondoeltreffende verklaring verkrijgen. Zij laten hem, die in de eerste plaats als voorwerp der weeklacht genoemd moet worden, zo goed als geheel buiten rekening, en passen alleen op dien, voor welken Tyrus’ koning slechts ene type is, en aan welken wij reeds in de vorige afdeling hebben gedacht.
Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij in onmiddellijke aansluiting aan dat in vs. 1 vv. zeggende:
Mensenkind! hef een klaaglied op over den koning van Tyrus, en zeg tot hem; Zo zegt de Heere HEERE: Gij verzegelaar der som, die aan het geld de waarde geeft, die het opperste gezag hebt in den gansen groten handel (of: zuivere zegelring, afdruksel der volkomenheid, waaraan alle trekken, die het moet voorstellen scherp en goed zijn uitgedrukt) gij zijt vol van wijsheid en a) volmaakt in schoonheid, als ene nieuwe verschijning van hetgeen de eerste mens na zijne schepping vóór den zondenval was (Gen. 1:27, 31; 2:19-25)!
Ezech. 27:3.
Gij waart in Eden, Gods hof, evenals eens Adam in den hof van Eden door Mij geplaatst (Gen. 2:8 en 15), alle kostelijk gesteente was uw deksel, negen van de twaalf edelgesteenten, die de Joodse hogepriester op zijn borstlap droeg (Ex. 28:17-20) sardisstenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardonix-stenen en jaspis-stenen, saffieren, robijnen en smaragden enbovendien goud 1); het werk uwer trommelen en uwer pijpen was bij u; ten dage als gij geschapen werdt, als gij uwen troon beklomt, waren zij bereidom dien dag ter uwer ere te verheerlijken.
De Heere God vergelijkt hier den staat en toestand van Tyrus koning met dien van den eersten mens in het Paradijs. Heerlijk toch was de staat, waarin hij verkeerde. In volle Oosterse pracht kon hij zich vertonen. Niets ontbrak er aan zijn heerlijkheid. Dit laatste wordt toch uitgedrukt door de vermelding dat alle kostelijk gesteente zijn deksel was. Al de kostelijke stenen worden opgenoemd om zijn staat zo heerlijk mogelijk uit te meten.
In het Hebr. Melèketh thuffèjka fenekabèjka baak. Beter: de dienst uwer trommelen (of pauken) en uwe vrouwen waren bij u, n. l. ten dage als gij geschapen werd, waren zij U bereid, d. w. z. ten dage toen gij koning werdt en niet alleen de heerschappij van uw voorganger, maar ook zijn harem u ten deel viel. Dit alles is terugslag op hetgeen in het Paradijs voorviel, toen aan Adam ook zijn vrouw werd toegevoegd.
Gij waart een gezalfde, overdekkende cherub, een die met zijne uitgebreide vleugelen het verzoendeksel op de arke des verbonds overdekt (Ex. 25:20); en Ik had u alzo gezet 1); gij waart op Gods heiligen berg; gij wandeldet in het midden der vurige stenen2) (Openb. 11:4 v.).
Hiermede wordt het weer zo uitdrukkelijk gezegd dat ook de macht van de heidense koningen van God is. Alle macht is van God, zegt de Apostel (Rom. 13), en ook hier vindt men dezelfde waarheid terug. Wat de benaming, een gezalfde, overdekkende of beschermende cherub aangaat, zo is het duidelijk, dat de Profeet daarbij gedacht heeft aan den Cherub, die met uitgebreide vleugelen het verzoendeksel op de arke des verbonds overschaduwde om ook daarmee de hoge macht aan te duiden, welke de koning van Tyrus over de mensen uitoefende, en daardoor zijne onderdanen beschermde.
Deze laatste uitdrukking is duister. O. i. kan hier niet anders door aangeduid worden, dan dat hij veilig zit binnen zijne muren, die ontoegankelijk schenen, als waren zij gemaakt van vurige stenen, zodat hij op Godes berg gezet, onverwinnelijk scheen en onvernietigbaar.
Gij waart volkomen in uwe wegen van den dag af, dat gij geschapen zijt, totdat er ongerechtigheid in u gevonden is 1), zoals die in vs. 2 vv. als een hoogmoed, die zich Goddelijke eer aanmatigt, is voorgesteld.
Dit zinspeelt mogelijk op het treurig geval der gevallen Engelen, en van onze eerste voorouders, welke beide volkomen waren in hun wegen, tot dat er ongerechtigheid in hen werd gevonden. En toen er eens ongerechtigheid in hen gevonden werd, groeide die aan, zij werd erger en erger.
Door de veelheid uws koophandels hebben zij het midden van u met geweld vervuld; uwe stad werd met geweldenarij opgevuld. en gij hebt gezondigd: daarom zal Ik u ontheiligen van Gods berg, zal Ik u daar in de diepte nederstorten, en zal u, gij overdekkende cherub! verdoen uit het midden der vurige stenen, dat gij niet meer onder hen zult wandelen.
Uw hart verheft zich over uwe schoonheid; gij hebt uwe wijsheid bedorven van wege uwen glans (vs. 2-5). Ik heb u op de aarde henengeworpen, Ik heb u voor het aangezicht der koningen gesteld, om op u te zien, wanneer het tot uwen val zal gekomen zijn (vs 7-10).
Van wege de veelheid uwer ongerechtigheden door het onrecht uws koophandels hebt gij uwe heiligdommen, uwen heiligen zetel ontheiligd; daarom heb Ik een vuur uit het midden van u doen voortkomen, dat u heeft verteerd (Openb. 17:16), en Ik heb u gemaakt tot as op de aarde, voor de ogen van al degenen, die u zien 1), en getuigen zijn van het gericht, dat Ik aan u volbreng, om u voor altijd te vernietigen.
Met die uitleggers, die in Tyrus het beeld zien van Rome en in Tyrus’ koning dat van den Paus, kunnen we ons niet verenigen. Evenmin dat Tyrus het beeld zou zijn van den anti-Christ. Want toch niet Tyrus, maar Babel is de ongoddelijke of ook wel de anti-goddelijke wereldmacht, is zowel in Oud- als Nieuw Testament het beeld van den anti-Christ. Tyrus is hier veeleer het beeld of de verpersoonlijking van den anti-goddelijken wereldhandel, de vertegenwoordigster van den Mammon-dienst. Het is ook daarom dat de Profeet hier ziet op het einde der eeuwen. Alles wat zich tegen God en Zijnen Christus verzet, al wat zich tegen de Kerk, gebouwd op het fundament der Apostelen en Profeten, verzet, zal vernietigd worden, zodat er niets meer van zal overblijven. Niet op eens, maar toch zeker, gelijk Tyrus niet op eens het schrikkelijk lot heeft ondergaan, wat hier wordt aangekondigd, maar in den loop der eeuwen.
Allen, die u kennen onder de volken, zijn over u ontzet; gij zijt een grote schrik geworden, en gij zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid (Hoofdst. 27:36). Welke de zin en zamenhang is volgens de gewone wijze van verklaring stellen wij in de volgende inhoudsopgave van Kliefoth voor: “de koning van Tyrus was het slot, het toppunt van het goed ingerichte gebouw van den Tyrischen staat, zelf wijs en schoon (vs. 12); ene paradijsachtige volheid en lieflijkheid en heerlijkheid omgaf hem, edelgesteenten en goud bedekten hem, wanneer hij gezien werd, en aan de pracht van zijnen harem, hem bij zijne troonsbestijging ten doel gevallen, ontbraken geen trommelen en pijpen (vs. 13). Evenals de cherub nevens de plaats der tegenwoordigheid Gods in het Allerheilige stond, zo stond hij als gezalfde koning naast het rationale heiligdom, naast den nationalen god van Tyrus. God zelf, de Waarachtige, had hem in dat alles gezet; hij zat zo op den heiligen godesberg Tyrus, ongenaakbaar als tussen vurige muren (vs. 14). En in dit alles was hij ongedeerd totdat hij zondigde. Maar evenals Adam in het Paradijs, zo viel hij (vs. 15 zijn handel sleepte hem in zonde voort, daarom wil God hem ook van den godesberg Tyrus wegdoen; hij moet weg uit zijnen vurigen muur, die hem ongenaakbaar maakt, hij, die als een Cherub nevens de godheid van Tyrus en de plaats harer tegenwoordigheid stond (vs. 16); hij moet onder op de aarde beschaamd worden voor de andere goden, door vuur verteerd, hij zal tot stof worden en niet meer zijn (vs. 17-19). ” 20.
VI. Vs. 20-26.KruisverwijzingenEzechiël 6:2→Ezechiël 38:22→Jozua 23:13→Numeri 33:55→Ezechiël 28:24→Genesis 10:15→Ezechiël 39:13→Jeremia 32:37→
— Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Sidon, en profeteer tegen haar, En zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Sidon! en zal in het midden van u verheerlijkt worden; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik gerichten in haar zal hebben geoefend, en in haar geheiligd zal zijn. Want Ik zal de pestilentie in haar zenden, en bloed op haar straten, en de verslagenen zullen vallen in het midden van haar, door het zwaard, dat tegen haar zal zijn van rondom; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben. En het huis Israels zal geen smartenden doorn noch wee doende distel meer hebben, van allen, die rondom hen zijn, die henlieden beroven; en zij zullen weten, dat Ik de Heere HEERE ben. Alzo zegt de Heere HEERE: Als Ik het huis Israels zal vergaderd hebben uit de volken, onder dewelke zij verstrooid zijn, en Ik onder hen voor de ogen der heidenen zal geheiligd zijn, dan zullen zij in hun land wonen, dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb. En zij zullen daarin zeker wonen, en huizen bouwen, en wijngaarden planten; ja, zij zullen zeker wonen; als Ik gerichten zal hebben geoefend tegen allen, die henlieden beroofd hebben, van degenen, die rondom hen zijn; en zij zullen weten dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben.
De laatste in de rij der staten, welke Israël het naaste zijn, is Zidon. Daarom moet de voorzegging van den Profeet zich ook tegen deze stad richten, hoewel slechts in ene korte uitdrukking, die het Goddelijk gericht aankondigt en niets bevat omtrent de zonde, waaraan Zidon zich heeft schuldig gemaakt (vs. 20-23). Daarvan hebben wij reeds het ene zevental van dreigende voorzeggingen tegen buitenlandse volken gehad (Ammon, Moab, Edom, Filistea, Tyrus, vorst van Tyrus, Zidon). De rede wendt ziet dus reeds hier tot een zien op Israël, en stelt de winst voor, die dit zal hebben van de gerichten Gods over hen, die rondom zijn en het benijden en verachten; dit zal mede strekken tot bereiking van den beloofden toekomstigen heerlijken toestand (vs. 24-26). Ene gelijke wending der rede zullen wij ook in Hoofdst. 33:1-20 ontmoeten, wanneer het tweede zevental van strafprofetiën achter ons ligt, die allen over Egypte en zijnen koning handelen (Hoofdst. 29:1-32:32).
Wijders, om mij steeds meer de toekomst te openbaren, geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
Mensenkind! zet uw aangezicht (Hoofdst. 20:46) tegen Zidon (vgl. Jer. 47:4. Joël 3:9. Zach. 9:2 v.), en profeteer tegen haar.
En zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Zidon!(Joz. 11:8) met Mijne straffende hand (Ezech. 26:3), en zal in het midden van u verheerlijkt worden, gelijk in Egypte (Ex. 14:4 en 17); en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik gerichten in haar zal hebben geoefend, en in haar geheiligd zal zijn als degene, die bij alle genade en nederbuigen jegens de mensenkinderen toch Zijne ere en Zijn recht ongeschonden bewaart (Jes. 6:3).
Want Ik zal, gelijk vroeger over Jeruzalem (Hoofdst. 5:17), de pestilentie in haar zenden, en bloed op hare straten, en de verslagenen zullen vallen in het midden van haar, door het zwaard, dat tegen haar zal zijn van rondom; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben. Het staat nog vrij treurig met het verstaan der profetie, wanneer de uitleggers ons tot verklaring van deze afdeling eigenlijk niet veel meer weten te zeggen, dan dat volgens Jer. 27:3 Zidon ook mede tot de leden der anti-chaldeeuwsche coalitie behoorde en nu, om het heilige zevental van volken uit Israëls naaste omgeving te verkrijgen, en den kring van deze, die met Ammon en Moab in het Zuidoosten begonnen (Hoofdst. 25:2 vv.), in het Noordwesten te sluiten, van Tyrus ook naar Zidon als tot een aanhangsel zijn gekomen. Wij zullen daarentegen tot ere van Gods woord mogen veronderstellen, dat deze bijvoeging haren goeden grond heeft in gezichtspunten, die het rijk en het Godsrijk aangaan, en hier nevens Tyrus en zijnen vorst nog over ene eigene, bijzonder anti-christelijke macht wordt gesproken, die op den achtergrond der voorspelling staat en in Tyrus hare type heeft. Nu liggen ook in den tekst zelven enige aanwijzingen, welke die macht is; want evenals: “Ik zal in ‘t midden van u verheerlijkt worden” aan Egypte herinnert, en het: “Ik zal de pestilentie in haar zenden, en bloed op hare straten, en de verslagenen zullen vallen in het midden van haar door het zwaard” op Jeruzalem doelt, zo is in Openb. 11:8 en 13 eerst sprake van de straat ener grote stad, die geestelijk Sodom en Egypte heet, waar onze Heer is gekruisigd. Daarna wordt van ene grote aardbeving gesproken, tengevolge waarvan het tiende deel der stad valt en tienduizend namen van mensen gedood worden, maar de andere verschrikken en den God des hemels ere geven. Het is onloochenbaar, dat bij Zidon aanknopingspunten worden gevonden, om de vervulling der profetie tot op zekere hoogte aan te wijzen; men kan namelijk zeggen, dat de stad den zwaren druk der Perzische heerschappij moede, tegen Artaxerxes III (Ochus) in opstand is gekomen, en door dezen in het jaar 351 v. C. tot den grond toe is verwoest, waarbij 40. 000 mensen moeten zijn omgekomen. Spoedig heeft zij zich echter weer uit de puinhopen verheven, is onder de Romeinen tot grote welvaart gekomen en telde ook vroeg enige Christenen onder hare bewoners (Hand. 27:3), totdat zij zelfs een bisschopszetel werd. Dat alles zijn echter slechts aanknopingspunten, en nu zijn bovendien van zwakken aard en zo weinig aan de verwachting beantwoordende, dat, wanneer de voorzegging eigenlijk alleen handelt over het geschiedkundige Zidon, men zich geneigd zou gevoelen om uit te roepen: had Ezechiël toch liever die profetie ter zijde gelaten, die door de uitkomst eer is weerlegd dan bevestigd. De zaak wordt echter geheel anders, wanneer wij onder dit Zidon de Christenen verstaan, zo als men ze in dezen tijd in hun politiek en godsdienstig leven ziet worden, waarbij zij aan de ene zijde zich laten leiden door Farao’s grondstelling (Ex 5:2): “wie is de Heere, wiens stem ik gehoorzamen zou, ” en aan de andere zijde geheel de taal voert, als Jeruzalem (Joh. 19:15): “Wij hebben genen koning dan den keizer. ” Het zal dan ook niet lang meer duren, of de mond der getuigen in de kerk zal verstommen, al haar invloed zal worden vernietigd, en zij naar den geest geheel en al voor het openbaar gedood zijn, wanneer ook haar dood lichaam op de straat der stad nog onbegraven ligt in enige kerkelijke vormen zonder inhoud. “Alzo moet geschieden, opdat de Schrift vervuld worde; ” en wij hebben boven in Openb. 11:7-10 de plaats reeds genoemd, waarvan de vervulling in de beide laatste tientallen jaren der 19e eeuw volgens Gods raad (zie bij Jer. 29:14; 31:37; 32:44 zal plaats hebben. Gelijk de ziener der Openbaring in Hoofdst 18 den inhoud van hetgeen Ezechiël in vs. 1-19 van ons hoofdstuk omtrent den vorst te Tyrus, in het bijzonder heeft voorzegd, nadat hij vroeger van het prachtschip Tyrus zelf heeft gesproken, niet weer behoefde te herhalen, omdat de Oud-Testamentische profetie de zaak geheel had voorgesteld, zo heeft nu weer onze Oud-Testamentische Profeet niet het doel om Zidons zonde nader te karakteriseren. De Heere, in wiens hand de Oud- en Nieuw-Testamentische profetie een enig en onverdeeld geheel is, en die Zijne stof verdeelt, zoals het Zijner wijsheid behaagt, had deze roeping Zijnen Johannes gegeven, om, wanneer Hij hem de Openbaring zou laten toekomen, Zijnen knechten te tonen wat spoedig geschieden moet. Maar ten opzichte van hetgeen Zidon voor hare zonde wedervaart, hoe God het recht over haar laat gaan, Zich aan haar verheerlijkt, en aan haar betoont, dat Hij heilig is, stemmen Ezechiël en Johannes, de Oud- en Nieuw Testamentische Profeet, volkomen met elkaar overeen. Pestilentie en bloedvergieten en een dodelijk wondend zwaard, dat overal rondgaat, is het, wat Ezechiël noemt; en Johannes zegt, vanwaar dit alles komt, en hoe het met elkaar tegelijk wordt verwezenlijkt, daar hij van ene aardbeving spreekt, maar daarmee doelt op ene vreeslijke inwendige schudding, in welke het grootste deel der stad ineenstort, en waarmee een doden is verbonden, dat eerst met de namen der mensen ophoudt. Nog zijn het enkele, slechts dof en op tamelijken afstand dreigende stoten der aarde, die zich laten horen in de arbeidersbewegingen, en in den wrok der sociaal-demokraten. Nog zijn de namen der mensen, de woordvoerders op de markt des levens en de agitatoren der grote menigte goeds moeds en geloven met vertrouwen de “heilzame hervorming, ” zoals zij hun stellingen en inrichtingen noemen, nu tot een punt te kunnen brengen, dat uit den weg geruimd is, wat hun niet aanstaat, en verwezenlijkt, wat zij zich als een Eldorado dromen- hier is echter van toepassing: “dien God wil verderven, dien slaat Hij vooraf met blindheid. ” Zo zal eerst het begin van de volgende eeuw aan het licht brengen wat ene aardbeving in apokalyptischen zin te betekenen heeft; de van alle banden van christelijke tucht en vrome zeden losgemaakte grote menigte, het in onwetendheid omtrent Gods woord en in verachting van alle gezag des hemels opgegroeide geslacht zal, als het Eldorado van de tegenwoordige helden van den dag hun lusten niet bevredigt, wanneer in dit goudland integendeel ene zeer hete zon brandt, wier gloed nauwelijks te verdragen is, zij zullen hun doel en hun gedachten weten te verwezenlijken, niet op den weg van anatomische sectie, gelijk hun voorgangers, maar met gebrul in den mond, met vuur in de ene en het zwaard in de andere hand, en hun voeten zullen zo verwoestend en verpletterend optreden, dat degenen, die nu niet willen geloven (Hos. 8:7), dat als men wind zaait, men storm maait, het zullen moeten geloven. Er is ene pestilentie, die nog erger is, dan wanneer de builen aan het lichaam doorbreken, en een bloedvergieten, dat vreselijker woedt dan dat op het slagveld. Er is een zwaard, dat niet van buiten af over een land komt, en zo kunnen alle drie zeer goed een en hetzelfde zijn wat om de zaak nader te doen verstaan, de eenvoudige uitdrukking “ene grote aardbeving” aanduidt. Moge dan het tiende deel der stad vallen, wanneer slechts dit tiende deel juist dat is, hetwelk het godslasterlijke Egypte en Christus vijandige Jeruzalem gebouwd heeft-het zal ene weldaad zijn. Mogen er ook zeven duizend namen van mensen gedood worden, wanneer deze zevenduizend slechts juist diegenen zijn, die Gods heiligdom hebben gelasterd, het hart van het volk hebben vergiftigd, en de menigte van het dier, dat uit den afgrond opstijgt (Openb. 11:7), in den strijd tegen de twee getuigen aangevoerd en niet eerder gerust hebben, voordat zij overwonnen en gedood waren, het zal ene weldaad zijn! Dan zullen de anderen verschrikken en den God des hemels weer de ere geven. Als deze onze plaats lezen, zij zullen die verstaan en nauwelijks meer aan Zidon denken, en gelijktijdig zal hun het volgende in duidelijk helder licht staan, want God is alsdan begonnen aan Israël te doen wat Hij heeft toegezegd.
En het huis Israëls zal in den gehelen kring van naburige volken, de Ammonieten, Moabieten, Edomieten, Filistijnen, Tyriërs en Zidoniërs, die steeds zo verachtelijk bejegenden en zo grote schade veroorzaakten, geen smartenden doorn noch wee doende distel meer hebben, van allen, die rondom hen zijn, die henlieden beroven (Num. 33:55); en zij zullen weten, erkennen dat Ik de Heere HEERE ben 1).
Dit en het volgende is nooit vervuld in het lichaam van dat volk; want na hun wederkering uit de gevangenis werden zij altoos en gedurig ontrust door den een of anderen kwaden nabuur. Ook is de Evangelische kerk nooit geheel vrij geweest van smartende doornen en wee doende distelen; nochthans heeft de kerk soms rust gehad, de gelovigen wonen altoos veilig onder de Goddelijke beschaming en hun gerechtigen van de vreze des kwaads. Maar de volkomen vervulling van deze belofte is voor het Hemelse Kanaän bewaard, wanneer alle de heiligen zullen vergaderd worden en alles dat aanstoot geeft, zal weggenomen zijn, en alle smart en vreze voor altijd uitgebannen.
Alzo zegt de Heere HEERE, in dit heilzaam gevolg, dat het gericht over die volken voor Israël zal hebben, aanleiding nemende, om Zijne gedachten van vrede en genade voor dien laatsten tijd (Jer. 29:11) in ene korte somma zamen te vatten: Als Ik het huis Israëls zal vergaderd hebben uit de volken, onder dewelke zij verstrooid zijn, en Ik onder hen voor de ogen der Heidenen zal geheiligd zijn (Openb. 12:15 v. 16:13 vv.), dan zullen zij in hun land wonen, dat Ik aan Mijnen knecht, aan Jakob, gegeven heb.
En zij zullen daarin zeker wonen, en huizen bouwen, en wijngaarden {a} planten, ja, zij zullen zeker wonen; als Ik gerichten zal hebben geoefend tegen allen, die henlieden beroofd hebben, van degenen die rondom hen zijn (Openb. 12:14; 19:11 vv. 11); en zij zullen weten, dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben (vgl. Hoofdst. 11:17; 20:42; 36:22 vv. {a} Jer. 31:5. Wij hebben er vroeger van gesproken, hoe zich de toestanden der Christenheid, in ons werelddeel, overeenkomstig de ontdekkingen, die Gods openbaring ons geeft, zich zullen ontwikkelen, dat de voorzegging van den Profeet over Zidon daarin hare volledige vervulling vindt. Hoe treurig al deze uitzichten voor de naaste toekomst zijn en hoe zwaar de gerichten zijn, die er zullen komen, zo troostvol luidt toch het einde als gezegd wordt, dat God de mensen zal doen weten, dat Hij de Heere is, en wanneer Openb 11:13 dit nader zo verklaart, dat men den God des hemels de ere zal geven, nadat men zich openlijk van Hem heeft los gemaakt en in den grond der zaak den god der aarde in Zijne plaats had gesteld. Maar hoe zwaar de tuchtroede voor onze Christenvolken zal zijn, die bij den Nieuw-Testamentischen ziener als aardbeving, bij den Oud-Testamentischen Profeet als pestilentie en bloedvergieten en zwaard beschreven is, op zich zelf alleen zou zij toch gene grondige omkering en gehele vernieuwing des harten bewerken; want ongelukken, dat leert de ervaring, maken dikwijls genoeg de volken geenszins week, en hoewel het een tijd lang schijnt, als waren de geesten verootmoedigd en de harten verslagen, zo houdt dat toch in den regel niet lang vol; zodra de mensen weer verademing krijgen, zijn zij ook weer spoedig de ouden. Zelfs grote, heerlijke daden Gods in het uitwendige staatkundige leven gaan dikwijls spoorloos een geslacht voorbij. Wij hebben het bij ons Duitse volk gezien in dezen tijd van bijzondere genade des Heeren, hoe weinig Zijne genade wordt erkend en Zijn zegen aangenomen, men bouwt integendeel den god der aarde zijne altaren, en stelt die van den God des hemels ter zijde. Maar het eigenlijke zwaartepunt voor de nieuwe wending, die komen zal, en een werkelijk nieuwen tijd zal teweegbrengen, ligt ook niet in die grote aardbeving. Die heeft alleen op te ruimen en weg te nemen, en bij de anderen, die over zullen blijven, ene heilzame verschrikking teweeg te brengen. Het zwaartepunt ligt integendeel in hetgeen in Openb. 11:11 en 12 voorafgaat, en in zeer raadselachtige woorden wordt genoemd. Wij hebben ons reeds meermalen geuit, in welken zin wij de woorden opvatten, en zullen bij Hoofdstuk 37, waar een helder licht al het duistere opklaart, daarop terugkomen. Wij hebben ook op grond der tijdsopgaaf over Jeruzalems overtreding in Openb. 11:2 het vaste vertrouwen, dat dit tegen het einde van deze eeuw aan het doel is, en nu zal vervuld worden, wat de Heere in vs. 25 van ons hoofdstuk aan het huis van Israël toezegt.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel