Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Wijders geschieddeH1961 des HEERENH3068 woordH1697 totH413 mij, zeggendeH559:
Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
KJV
The word2
of the LORD3
came again unto me, saying,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
GijH859 dan, mensenkindH1121! hefH5375 een klaagliedH7015 op over TyrusH6865;
Gij dan, mensenkind! hef een klaaglied op over Tyrus;
KJV
Now, thou son2
of man,3
take up4
a lamentation7
for Tyrus;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En zegH559 totH413 TyrusH6865, die daar woontH3427 aan de ingangenH3997 der zeeH3220, handelendeH7402 met de volkenH5971 in veleH7227 eilandenH339: ZoH3541 zegtH559 de HeereH136 HEEREH3069: O TyrusH6865! gijH859 zegtH559: IkH589 ben volmaaktH3632 in schoonheidH3308.
En zeg tot Tyrus, die daar woont aan de ingangen der zee, handelende met de volken in vele eilanden: Zo zegt de Heere HEERE: O Tyrus! gij zegt: Ik ben volmaakt in schoonheid.
KJV
And say1
unto Tyrus,2
O thou that art situate3
at the entry5
of the sea,6
which art a merchant7
of the people8
for many11
isles,10
Thus saith13
the Lord14
GOD;15
O Tyrus,16
thou hast said,18
I am of perfect20
beauty.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Uw landpalenH1366 zijn in het hartH3820 der zeeenH3220; uw bouwersH1129 hebben uw schoonheidH3308 volkomenH3634 gemaakt.
Uw landpalen zijn in het hart der zeeen; uw bouwers hebben uw schoonheid volkomen gemaakt.
KJV
Thy borders3
are in the midst1
of the seas,2
thy builders4
have perfected5
thy beauty.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Zij hebben alH3605 uw denningenH3871 uit dennebomenH1265 van SenirH8149 gebouwdH1129; zij hebben cederenH730 van den LibanonH3844 gehaaldH3947, om mastenH8650 voor u te makenH6213.
Zij hebben al uw denningen uit dennebomen van Senir gebouwd; zij hebben cederen van den Libanon gehaald, om masten voor u te maken.
KJV
They have made3
all thy ship boards7
of fir trees1
of Senir:2
they have taken10
cedars8
from Lebanon9
to make11
masts
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Zij hebben uw riemenH4880 uit eikenH437 van BasanH1316 gemaakt; uw berderenH7175 hebben zij gemaaktH6213 uw welbetredenH1323 elpenbeenH8127, uit de eilandenH339 der ChittietenH3794.
Zij hebben uw riemen uit eiken van Basan gemaakt; uw berderen hebben zij gemaakt uw welbetreden elpenbeen, uit de eilanden der Chittieten.
KJV
Of the oaks1
of Bashan2
have they made3
thine oars;4
the company8
of the Ashurites9
have made6
thy benches5
of ivory,7
brought out of the isles10
of Chittim.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Fijn linnenH8336 met stikselH7553 uit EgypteH4714 wasH1961 uw uitbreidselH4666, dat het u tot een zeilH5251 wareH1961; hemelsblauwH8504 en purperH713, uit de eilandenH339 van ElisaH473, wasH1961 uw dekselH4374.
Fijn linnen met stiksel uit Egypte was uw uitbreidsel, dat het u tot een zeil ware; hemelsblauw en purper, uit de eilanden van Elisa, was uw deksel.
KJV
Fine linen1
with broidered work2
from Egypt3
was that which thou spreadest forth5
to be thy sail;8
blue9
and purple10
from the isles11
of Elishah12
was that which covered
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
De inwonersH3427 van SidonH6721 en ArvadH719 warenH1961 uw roeiersH7751; uw wijzenH2450, o TyrusH6865! die in u warenH1961, dieH1992 waren uw schippersH2259.
De inwoners van Sidon en Arvad waren uw roeiers; uw wijzen, o Tyrus! die in u waren, die waren uw schippers.
KJV
The inhabitants1
of Zidon2
and Arvad3
were thy mariners:5
thy wise7
men, O Tyrus,8
that were in thee, were thy pilots.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
De oudstenH2205 van GebalH1380 en haar wijzenH2450 warenH1961 in u, verbeterendeH2388 uw breukenH919; alleH3605 schepenH591 der zeeH3220 en haar zeeliedenH4419 warenH1961 in u, om onderlingen handelH4627 met u te drijvenH6148.
De oudsten van Gebal en haar wijzen waren in u, verbeterende uw breuken; alle schepen der zee en haar zeelieden waren in u, om onderlingen handel met u te drijven.
KJV
The ancients1
of Gebal2
and the wise3
men thereof were in thee thy calkers:7
all the ships9
of the sea10
with their mariners11
were in thee to occupy14
thy merchandise.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
PerzenH6539, en LydiersH3865, en PuteersH6316 warenH1961 in uw heirH2428, uw krijgsliedenH582; schildH4043 en helmH3553 hingenH8518 zij in u op, dieH1992 maaktenH5414 uw sieraadH1926.
Perzen, en Lydiers, en Puteers waren in uw heir, uw krijgslieden; schild en helm hingen zij in u op, die maakten uw sieraad.
KJV
They of Persia1
and of Lud2
and of Phut3
were in thine army,5
thy men
of war:7
they hanged10
the shield8
and helmet9
in thee; they set forth13
thy comeliness.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
De kinderenH1121 van ArvadH719 en uw heirH2428 waren rondomH5439 opH5921 uw murenH2346, en de GammadietenH1575 warenH1961 op uw torensH4026; hun schildenH7982 hingenH8518 zij rondomH5439 aanH5921 uw murenH2346; dieH1992 maaktenH3634 uw schoonheidH3308 volkomenH3634.
De kinderen van Arvad en uw heir waren rondom op uw muren, en de Gammadieten waren op uw torens; hun schilden hingen zij rondom aan uw muren; die maakten uw schoonheid volkomen.
KJV
The men1
of Arvad2
with thine army3
were upon thy walls5
round about,6
and the Gammadims7
were in thy towers:8
they hanged11
their shields10
upon thy walls13
round about;14
they have made16
thy beauty17
perfect.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
TarsisH8659 dreef koophandelH5503 met u vanwege de veelheidH7230 van allerleiH3605 goedH1952; met zilverH3701, ijzerH1270, tinH913, en loodH5777 handeldenH5414 zij op uw marktenH5801.
Tarsis dreef koophandel met u vanwege de veelheid van allerlei goed; met zilver, ijzer, tin, en lood handelden zij op uw markten.
KJV
Tarshish1
was thy merchant2
by reason of the multitude3
of all kind of riches;5
with silver,6
iron,7
tin,8
and lead,9
they traded10
in thy fairs.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
JavanH3120, TubalH8422 en MesechH4902 waren uw koopliedenH7402; met mensenzielenH5315 en koperenH5178 vatenH3627 drevenH5414 zijH1992 onderlingen handelH4627 met u.
Javan, Tubal en Mesech waren uw kooplieden; met mensenzielen en koperen vaten dreven zij onderlingen handel met u.
KJV
Javan,1
Tubal,2
and Meshech,3
they were thy merchants:5
they traded10
the persons6
of men7
and vessels8
of brass9
in thy market.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Uit het huisH1004 van TogarmaH8425 leverdenH5414 zij paardenH5483, en ruiterenH6571, en muilezelsH6505 op uw marktenH5801.
Uit het huis van Togarma leverden zij paarden, en ruiteren, en muilezels op uw markten.
KJV
They of the house1
of Togarmah2
traded6
in thy fairs7
with horses3
and horsemen4
and mules.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
De kinderenH1121 van DedanH1719 waren uw koopliedenH7402; veleH7227 eilandenH339 waren de koophandelH5506 uwer handH3027; hoornenH7161 van elpenbeenH8127 en ebbenhoutH1894 gavenH7725 zij u weder tot een vereringH814.
De kinderen van Dedan waren uw kooplieden; vele eilanden waren de koophandel uwer hand; hoornen van elpenbeen en ebbenhout gaven zij u weder tot een verering.
KJV
The men1
of Dedan2
were thy merchants;3
many5
isles4
were the merchandise6
of thine hand:7
they brought11
thee for a present12
horns8
of ivory9
and ebony.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
SyrieH758 dreef koophandelH5503 met u, vanwege de veelheidH7230 uwer werkenH4639; met smaragdenH5306, purperH713, en gestiktH7553 werk, en zijde, en RamothH7215, en CadkodH3539, handeldenH5414 zij op uw marktenH5801.
Syrie dreef koophandel met u, vanwege de veelheid uwer werken; met smaragden, purper, en gestikt werk, en zijde, en Ramoth, en Cadkod, handelden zij op uw markten.
KJV
Syria1
was thy merchant2
by reason of the multitude3
of the wares of thy making:4
they occupied11
in thy fairs12
with emeralds,5
purple,6
and broidered work,7
and fine linen,8
and coral,9
and agate.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
JudaH3063 en het landH776 IsraelsH3478 waren uw koopliedenH7402; met tarweH2406 van MinnitH4511 en PannagH6436, en honigH1706, en olieH8081, en balsemH6875, drevenH5414 zijH1992 onderlingen handelH4627 met u.
Juda en het land Israels waren uw kooplieden; met tarwe van Minnit en Pannag, en honig, en olie, en balsem, dreven zij onderlingen handel met u.
KJV
Judah,1
and the land2
of Israel,3
they were thy merchants:5
they traded12
in thy market13
wheat6
of Minnith,7
and Pannag,8
and honey,9
and oil,10
and balm.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
DamaskusH1834 dreef koophandelH5503 met u, om de veelheidH7230 uwer werkenH4639, vanwege de veelheidH7230 van allerleiH3605 goedH1952; met wijnH3196 van ChelbonH2463 en witteH6713 wolH6785.
Damaskus dreef koophandel met u, om de veelheid uwer werken, vanwege de veelheid van allerlei goed; met wijn van Chelbon en witte wol.
KJV
Damascus1
was thy merchant2
in the multitude3
of the wares of thy making,4
for the multitude5
of all riches;7
in the wine8
of Helbon,9
and white11
wool.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Ook leverdenH5414 Dan en JavanH3120, de omreizerH235, op uw marktenH5801; gladH6219 ijzerH1270, kassieH6916 en kalmusH7070 wasH1961 in uw onderlingen koophandelH4627.
Ook leverden Dan en Javan, de omreizer, op uw markten; glad ijzer, kassie en kalmus was in uw onderlingen koophandel.
KJV
Dan1
also and Javan2
going to and fro
occupied5
in thy fairs:4
bright7
iron,6
cassia,8
and calamus,9
were in thy market.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
DedanH1719 handeldeH7402 met u met kostelijkH2667 gewandH899 tot wagensH7396.
Dedan handelde met u met kostelijk gewand tot wagens.
KJV
Dedan1
was thy merchant2
in precious4
clothes3
for chariots.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
ArabieH6152 en alleH3605 vorstenH5387 van KedarH6938 waren de kooplieden uwer handH3027; met lammerenH3733, en rammenH352, en bokkenH6260, daarmede handeldenH5503 zijH1992 met u.
Arabie en alle vorsten van Kedar waren de kooplieden uwer hand; met lammeren, en rammen, en bokken, daarmede handelden zij met u.
KJV
Arabia,1
and all the princes3
of Kedar,4
they occupied6
with thee7
in lambs,8
and rams,9
and goats:10
in these were they thy merchants.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
De koopliedenH7402 van SchebaH7614 en RaemaH7484 waren uw koopliedenH7402; met alle hoofdspecerijH7218, en met alleH3605 kostelijkH3368 gesteenteH68 en goudH2091, handeldenH5414 zijH1992 op uw marktenH5801.
De kooplieden van Scheba en Raema waren uw kooplieden; met alle hoofdspecerij, en met alle kostelijk gesteente en goud, handelden zij op uw markten.
KJV
The merchants1
of Sheba2
and Raamah,3
they were thy merchants:5
they occupied13
in thy fairs14
with chief6
of all spices,8
and with all precious11
stones,10
and gold.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
HaranH2771, en KanneH3656, en EdenH5729, de koopliedenH7402 van SchebaH7614, AssurH804 en KilmadH3638, handeldenH7402 met u.
Haran, en Kanne, en Eden, de kooplieden van Scheba, Assur en Kilmad, handelden met u.
KJV
Haran,1
and Canneh,2
and Eden,3
the merchants4
of Sheba,5
Asshur,6
and Chilmad,7
were thy merchants.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
DieH1992 waren uw koopliedenH7402 met volkomen sieradienH4360, met pakkenH1545 van hemelsblauwH8504 en gestiktH7553 werk, en met schatkistenH1595 van schone klederenH1264; gebondenH2280 met koordenH2256, en in cederH729 gepakt, onder uw koopmanschapH4819.
Die waren uw kooplieden met volkomen sieradien, met pakken van hemelsblauw en gestikt werk, en met schatkisten van schone klederen; gebonden met koorden, en in ceder gepakt, onder uw koopmanschap.
KJV
These were thy merchants2
in all sorts3
of things, in blue5
clothes,4
and broidered work,6
and in chests7
of rich apparel,8
bound10
with cords,9
and made of cedar,11
among thy merchandise.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
De schepenH591 van TarsisH8659 zongenH7788 van u, vanwege den onderlingen koophandelH4627 met u; en gij waart vervuldH4390, en zeer verheerlijktH3513 in het hartH3820 der zeeenH3220.
De schepen van Tarsis zongen van u, vanwege den onderlingen koophandel met u; en gij waart vervuld, en zeer verheerlijkt in het hart der zeeen.
KJV
The ships1
of Tarshish2
did sing3
of thee in thy market:4
and thou wast replenished,5
and made very7
glorious6
in the midst8
of the seas.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Die u roeienH7751, hebben u in groteH7227 waterenH4325 gevoerdH935; de oostenwindH6921 heeft u verbrokenH7665 in het hartH3820 der zeeenH3220.
Die u roeien, hebben u in grote wateren gevoerd; de oostenwind heeft u verbroken in het hart der zeeen.
KJV
Thy rowers4
have brought3
thee into great2
waters:1
the east7
wind6
hath broken8
thee in the midst9
of the seas.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Uw goedH1952, en uw marktwarenH5801, uw onderlinge koophandelH4627, uw zeeliedenH4419, en uw schippersH2259; die uw breukenH919 verbeterenH2388, en die onderlingen handelH4627 met u drijvenH6148, en alH3605 uw krijgsliedenH582, dieH834 in u zijn, zelfs met uw ganseH3605 gemeenteH6951, dieH834 in het middenH8432 van u is, zullen vallenH5307 in het hartH3820 der zeeenH3220, ten dageH3117 van uw valH4658.
Uw goed, en uw marktwaren, uw onderlinge koophandel, uw zeelieden, en uw schippers; die uw breuken verbeteren, en die onderlingen handel met u drijven, en al uw krijgslieden, die in u zijn, zelfs met uw ganse gemeente, die in het midden van u is, zullen vallen in het hart der zeeen, ten dage van uw val.
KJV
Thy riches,1
and thy fairs,2
thy merchandise,3
thy mariners,4
and thy pilots,5
thy calkers,7
and the occupiers8
of thy merchandise,9
and all thy men
of war,12
that are in thee, and in all thy company16
which is in the midst18
of thee, shall fall19
into the midst20
of the seas21
in the day22
of thy ruin.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Van het geluidH6963 des geschreeuwsH2201 uwer schippersH2259 zullen de voorstedenH4054 bevenH7493.
Van het geluid des geschreeuws uwer schippers zullen de voorsteden beven.
KJV
The suburbs5
shall shake4
at the sound1
of the cry2
of thy pilots.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
En allenH3605, die den riemH4880 handelenH8610, zeeliedenH4419, en alleH3605 schippersH2259 van de zeeH3220, zullen uit hun schepenH591 nederklimmenH3381; op het landH776 zullen zij staanH5975 blijven.
En allen, die den riem handelen, zeelieden, en alle schippers van de zee, zullen uit hun schepen nederklimmen; op het land zullen zij staan blijven.
KJV
And all that handle4
the oar,5
the mariners,6
and all the pilots8
of the sea,9
shall come down1
from their ships,2
they shall stand12
upon the land;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
En zij zullen hun stemH6963 overH5921 u laten horenH8085, en bitterlijkH4751 schreeuwenH2199; en zij zullen stofH6083 opH5921 hun hoofdenH7218 werpenH5927, zij zullen zich wentelenH6428 in de asH665.
En zij zullen hun stem over u laten horen, en bitterlijk schreeuwen; en zij zullen stof op hun hoofden werpen, zij zullen zich wentelen in de as.
KJV
And shall cause their voice3
to be heard1
against thee, and shall cry4
bitterly,5
and shall cast up6
dust7
upon their heads,9
they shall wallow11
themselves in the ashes:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
En zij zullen zich over u gansH7144 kaalH7139 maken, en zakkenH8242 aangordenH2296; en zullen over u wenenH1058 met bitterheidH4751 der zielH5315, en bittereH4751 rouwklageH4553.
En zij zullen zich over u gans kaal maken, en zakken aangorden; en zullen over u wenen met bitterheid der ziel, en bittere rouwklage.
KJV
And they shall make themselves utterly3
bald1
for thee, and gird4
them with sackcloth,5
and they shall weep6
for thee with bitterness8
of heart9
and bitter11
wailing.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
En zij zullen in hun gekermH5204 een klaagliedH7015 over u opheffenH5375, en over u weeklagenH6969, zeggende: WieH4310 is geweest als TyrusH6865, als de uitgeroeideH1822 in het middenH8432 der zeeH3220?
En zij zullen in hun gekerm een klaaglied over u opheffen, en over u weeklagen, zeggende: Wie is geweest als Tyrus, als de uitgeroeide in het midden der zee?
KJV
And in their wailing3
they shall take up1
a lamentation4
for thee, and lament5
over thee, saying, What city is like Tyrus,8
like the destroyed9
in the midst10
of the sea?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
Als uw marktwarenH5801 uit de zeeenH3220 voortkwamenH3318, hebt gij veleH7227 volkenH5971 verzadigdH7646; met de veelheidH7230 uwer goederenH1952 en uw onderlingen koophandelH4627, hebt gij de koningenH4428 der aardeH776 rijkH6238 gemaakt.
Als uw marktwaren uit de zeeen voortkwamen, hebt gij vele volken verzadigd; met de veelheid uwer goederen en uw onderlingen koophandel, hebt gij de koningen der aarde rijk gemaakt.
KJV
When thy wares2
went forth1
out of the seas,3
thou filledst4
many6
people;5
thou didst enrich10
the kings11
of the earth12
with the multitude7
of thy riches8
and of thy merchandise.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
Ten tijdeH6256, dat gij uit de zeeenH3220 verbrokenH7665 zijt in de diepteH4615 der waterenH4325, zijn uw onderlinge koophandelH4627 en uw ganseH3605 gemeenteH6951 in het middenH8432 van u gevallenH5307.
Ten tijde, dat gij uit de zeeen verbroken zijt in de diepte der wateren, zijn uw onderlinge koophandel en uw ganse gemeente in het midden van u gevallen.
KJV
In the time1
when thou shalt be broken2
by the seas3
in the depths4
of the waters5
thy merchandise6
and all thy company8
in the midst9
of thee shall fall.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
AlleH3605 inwonersH3427 der eilandenH339 zijn overH5921 u ontzetH8074, en hun koningenH4428 staan de haren te berge, zij zijn verbaasdH7481 van aangezichtH6440.
Alle inwoners der eilanden zijn over u ontzet, en hun koningen staan de haren te berge, zij zijn verbaasd van aangezicht.
Ook in dit vers
staan haren bergeH8178
KJV
All the inhabitants2
of the isles3
shall be astonished4
at thee, and their kings6
shall be sore8
afraid,7
they shall be troubled9
in their countenance.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
De handelaarsH5503 onder de volkenH5971 fluitenH8319 u aan; gij zijt een grote schrikH1091 geworden, en zult er nietH369 meer zijnH1961 totH5704 in eeuwigheidH5769.
De handelaars onder de volken fluiten u aan; gij zijt een grote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid.
KJV
The merchants1
among the people2
shall hiss3
at thee; thou shalt be a terror,5
and never shalt be any more.8
de ingangen der zee,
Dat is, waar men uit de zee aanvaart, en waar de zee rondom aanstaat. Zie 1 Kon. 5:1 .
Hertaald:
de ingangen der zee,
Dat is: waar men vanuit de zee aanvaart en waar de zee rondom aanspoelt. Zie 1 Kon. 5:1.
handelende
Of, die de voornaamste is onder de volken in het handelen, of koophandel drijven. Hebreeuws eigenlijk, de handelaren der volken.
Hertaald:
handelende
Of: die de voornaamste is onder de volken in het handelen of het drijven van koophandel. Hebreeuws eigenlijk: de handelaren van de volken.
eilanden
Zie Ps. 72:10 .
Hertaald:
eilanden
Zie Ps. 72:10.
hart der zeeën;
Dat is, in het midden, [gelijk vs.32], of recht in de zee; vergelijk Deut. 4:11 ; alzo onder vs.25-27, en Ezech. 28:2 , Ezech. 28:8 .
Hertaald:
hart der zeeën;
Dat is: in het midden (zoals vers 32), of midden in de zee; vergelijk Deut. 4:11; zo ook hieronder vers 25-27 en Ezech. 28:2, Ezech. 28:8.
denningen
Hebreeuws, twee tafelen, waardoor de overloop der schepen of scheeps denning [gelijk men zegt] verstaan wordt. Het Hebreeuwse woord staat in het getal van tweeën, gelijk de overloop der schepen veel in tweeën gedeeld is, afgaande aan beide zijden.
Hertaald:
denningen
Hebreeuws: twee tafelen, waarmee het dek van de schepen of de scheepsbeplanking bedoeld wordt. Het Hebreeuwse woord staat in het tweevoud, omdat het dek van de schepen vaak in tweeën verdeeld is en naar beide zijden afloopt.
Senir gebouwd;
Wassende op dat gebergte; zie Deut. 3:9 .
Hertaald:
Senir gebouwd;
Die op dat gebergte groeit; zie Deut. 3:9.
cederen van den Libanon
Hebreeuws, ceder; zie Richt. 9:15 .
Hertaald:
cederen van den Libanon
Hebreeuws: ceder; zie Richt. 9:15.
gehaald,
Hebreeuws, genomen; dat is genomen en gebracht of gehaald. Zie Gen. 12:15 , en Jer. 37:17 .
Hertaald:
gehaald,
Hebreeuws: genomen; dat is: genomen en gebracht of gehaald. Zie Gen. 12:15 en Jer. 37:17.
masten voor u te maken
Hebreeuws, mastboom.
Hertaald:
masten voor u te maken
Hebreeuws: mastboom.
uw berderen
Hebreeuws, uw berd, of bank, of men zou het kunnen overzetten bankwerk.
Hertaald:
uw berderen
Hebreeuws: uw plank of bank; men zou het ook kunnen vertalen met bankwerk.
welbetreden
Hebreeuws, ene dochter der treden, of gangen; dat is, hetwelk lang in de aarde gelegen, en waar men, vervolgens, lang over gegaan heeft, dat voor het rechte elpenbeen gehouden wordt, Plin.lib.8, cap.3; zie van deze manier van spreken Job 5:7 ; Jes. 5:1 . Anders: uwe [scheeps] banken, [waarop men roeide, of waar de reizigers op zaten tot pracht] hebben die van de vereniging der Assyriërs [of, Aschurieten, zie 2 Sam. 2:9 met de aantekening] gemaakt van elpenbeen, enz., omdat de Hebreeuwse woorden Aschur en Asschur elkander zeer nakomen.
Hertaald:
welbetreden
Hebreeuws: een dochter van de treden of de gangen; dat is: ivoor dat lang in de aarde gelegen heeft en waar men dus lang overheen gelopen heeft, wat voor het echte ivoor gehouden wordt (Plinius, boek 8, hoofdstuk 3); zie over deze manier van spreken Job 5:7; Jes. 5:1. Anders: uw scheepsbanken (waarop men roeide, of waarop de reizigers ter opsiering zaten) hebben zij van het verbond van de Assyriërs (of Aschurieten, zie 2 Sam. 2:9 met de aantekening) van ivoor gemaakt, enzovoort, omdat de Hebreeuwse woorden Aschur en Asschur sterk op elkaar lijken.
elpenbeen,
Zie 1 Kon. 10:18 .
Hertaald:
elpenbeen,
Zie 1 Kon. 10:18.
Chittieten
Zie Gen. 10:4 . Sommigen verstaan de natiën, die westwaarts van Palestina gelegen waren.
Hertaald:
Chittieten
Zie Gen. 10:4. Sommigen verstaan er de volken onder die ten westen van Palestina lagen.
Fijn linnen
Zie Gen. 41:42 .
Hertaald:
Fijn linnen
Zie Gen. 41:42.
stiksel uit Egypte
Of borduursel.
Hertaald:
stiksel uit Egypte
Of: borduursel.
zeil ware;
Of, vaan, vlag.
Hertaald:
zeil ware;
Of: vaan, vlag.
hemelsblauw en purper,
Dat is, klederen van die kleur.
Hertaald:
hemelsblauw en purper,
Dat is: kleden van die kleur.
Elisa,
Zie Gen. 10:4 .
Hertaald:
Elisa,
Zie Gen. 10:4.
Sidon
Zie Gen. 10:15 .
Hertaald:
Sidon
Zie Gen. 10:15.
Arvad
Zie Gen. 10:18 . Alzo vs.11.
Hertaald:
Arvad
Zie Gen. 10:18. Zo ook vers 11.
wijzen,
Die kloek, ervaren en bedreven waren in de zeevaart; alzo vs.9.
Hertaald:
wijzen,
Die kundig, ervaren en bedreven waren in de zeevaart; zo ook vers 9.
schippers
Of, matrozen, stuurlieden; alzo in het volgende.
Hertaald:
schippers
Of: matrozen, stuurlieden; zo ook in het vervolg.
Gebal
Zie 1 Kon. 5:18 .
Hertaald:
Gebal
Zie 1 Kon. 5:18.
breuken;
Hebreeuws, breuk, spleet, scheur; dat is, om uw kostelijke gebouwen en huizen te verbeteren. Of, gelijk sommigen, om de gaten te stoppen, de schepen te herstellen of te breeuwen.
Hertaald:
breuken;
Hebreeuws: breuk, spleet, scheur; dat is: om uw kostbare gebouwen en huizen te herstellen. Of zoals sommigen menen: om de gaten te dichten, de schepen te herstellen of te breeuwen.
onderlingen handel
Hebreeuws, om uwe menging te mengen, dat is, om zich met u in koophandel te begeven. De Hebreeuwse woorden, zijnde van eenen oorsprong, worden gebruikt van trafiek, koopmanschap, iets met elkander te verhandelen, contracteren, borg worden, enz., alzo in het volgende.
Hertaald:
onderlingen handel
Hebreeuws: om uw menging te mengen; dat is: om met u handel te drijven. De Hebreeuwse woorden, die van dezelfde stam zijn, worden gebruikt voor handel, koopmanschap, met elkaar iets verhandelen, contracten sluiten, borg staan, enzovoort; zo ook in het vervolg.
Lydiërs,
Zie Gen. 10:13 . Hebreeuws, Lud en Put.
Hertaald:
Lydiërs,
Zie Gen. 10:13. Hebreeuws: Lud en Put.
Puteërs
Zie Gen. 10:6 .
Hertaald:
Puteërs
Zie Gen. 10:6.
krijgslieden;
Die gij zo voor uw garnizoen als anderszins tot hulp van vrienden, vrees van vijanden, en tot pracht, in uw dienst zeer statelijk onderhieldt.
Hertaald:
krijgslieden;
Die u zowel als garnizoen als anderszins zeer statig in dienst hield: tot hulp van vrienden, tot schrik van vijanden en tot vertoon.
hingen zij in u op,
Tot pronk en sieraad, gelijk men nog hedendaags met schone wapenen doet.
Hertaald:
hingen zij in u op,
Tot pronk en sieraad, zoals men tegenwoordig nog met mooie wapens doet.
maakten uw sieraad
Of, brachten uw sieraad aan. Hebreeuws eigenlijk, gaven, hebben gegeven; dat is, zij maakten u sierlijk, versierden u, dienden tot uw sieraad.
Hertaald:
maakten uw sieraad
Of: brachten uw sieraad aan. Hebreeuws eigenlijk: gaven, hebben gegeven; dat is: zij maakten u sierlijk, versierden u, dienden tot uw sieraad.
Gammadieten
Dezen worden bij sommigen gesteld in den omtrek van Fenicië, of zekere stad aldaar, genaamd Gammale, met verwisseling van de letter d in een l. [Zie Plin.lib.2.h.91 ], niet ver van Tyrus, noordwaarts. Hebreeuws, Gammadim. Sommigen gissen dat het komt van het woord Gomed, Richt. 3:16 , betekenende een el, of kubiek, elleboog, waarvan deze den naam zouden hebben gehad, als kloeke schutters, of wachters, garden, die de vestingen bewaarden, zijnde sterk van ellebogen, armen en vuisten, en alzo tot zulks bekwaam en dienstig.
Hertaald:
Gammadieten
Deze worden door sommigen in de omgeving van Fenicië geplaatst, of in een bepaalde stad daar die Gammale heette, met verwisseling van de letter d in een l (zie Plinius, boek 2, hoofdstuk 91), niet ver ten noorden van Tyrus. Hebreeuws: Gammadim. Sommigen vermoeden dat het van het woord gomed komt (Richt. 3:16), dat een el of onderarm betekent, en dat zij daaraan hun naam ontleenden als flinke schutters of wachters van de vestingwerken, die sterk waren in ellebogen, armen en vuisten en daarvoor dus geschikt waren.
torens;
Dat is, stadssterkten en vestingen.
Hertaald:
torens;
Dat is: stadsvestingen en versterkingen.
Tarsis
Zie Gen. 10:4 .
Hertaald:
Tarsis
Zie Gen. 10:4.
dreef koophandel
Of, was alzo uwe handelares. Alzo vs.16, 18.
Hertaald:
dreef koophandel
Of: was zo uw handelspartner. Zo ook vers 16 en 18.
allerlei goed;
Hebreeuws, alle; dat is, allerlei rijkdom, have, goederen, gelijk vs.33, alzo vs.18, 22.
Hertaald:
allerlei goed;
Hebreeuws: alle; dat is: allerlei rijkdom, have en goederen, zoals vers 33; zo ook vers 18 en 22.
handelden zij
Of, stelden zich in, begaven zich, vervoegden zich. Hebreeuws, gaven, of hebben zij gegeven. En zo dikwijls in het volgende.
Hertaald:
handelden zij
Of: stelden zich in, begaven zich, vervoegden zich. Hebreeuws: gaven, of: hebben zij gegeven. En zo vaak in het vervolg.
op uw markten
Dit is hier ingevoegd uit vs.16, 19. Alzo in het volgende vs.14.
Hertaald:
op uw markten
Dit is hier ingevoegd uit vers 16 en 19. Zo ook in het volgende vers 14.
Javan, Tubal en Mesech
Dat is, de nakomelingen van deze drie. Zie Gen. 10:2 .
Hertaald:
Javan, Tubal en Mesech
Dat is: de nakomelingen van deze drie. Zie Gen. 10:2.
kooplieden;
Of, kramers, handelsreizigers, veehandelaars.
Hertaald:
kooplieden;
Of: kramers, handelsreizigers, veehandelaars.
mensenzielen
Dat is, personen of mensen. Zie Gen. 12:5 , en Openb. 18:13 . Versta, om die tot slaven te verkopen, of anderszins te verhandelen.
Hertaald:
mensenzielen
Dat is: personen of mensen. Zie Gen. 12:5 en Openb. 18:13. Versta: om die als slaven te verkopen of anderszins te verhandelen.
huis
Dat is, geslacht of volk.
Hertaald:
huis
Dat is: geslacht of volk.
Togarma
Zie Gen. 10:3 .
Hertaald:
Togarma
Zie Gen. 10:3.
leverden zij paarden,
Of, brachten zij, handelden zij [met] enz. gelijk vs.12, enz.
Hertaald:
leverden zij paarden,
Of: brachten zij, handelden zij (met) enzovoort, zoals vers 12, enzovoort.
De kinderen
Dat is, nakomelingen.
Hertaald:
De kinderen
Dat is: nakomelingen.
Dedan
Zie Gen. 10:7 ; Jer. 25:23 .
Hertaald:
Dedan
Zie Gen. 10:7; Jer. 25:23.
hand;
Dat is, die gij tot uw koophandel en trafiek aan de hand hadt, of met welken gij handelt in kopen en verkopen, waarin het hand geven, of kloppen in de hand, het toeslaan van den koop, gebruikelijk was, als ook in andere onderhandelingen; vergelijk onder vs.21.
Hertaald:
hand;
Dat is: die u voor uw handel en zaken bij de hand had, of met wie u handel dreef in kopen en verkopen, waarbij het geven van de hand of het slaan in de hand het sluiten van de koop betekende, zoals ook bij andere overeenkomsten; vergelijk hieronder vers 21.
gaven zij u weder
Of, brachten. Hebreeuws, brachten zij weder uwe verering; dat is, u tot ene verering; of [gelijk sommigen] in betaling.
Hertaald:
gaven zij u weder
Of: brachten. Hebreeuws: zij brachten uw geschenk terug; dat is: aan u als geschenk, of (zoals sommigen menen) als betaling.
Syrië
Hebreeuws, Aram; zie Gen. 10:22 . Versta de Syriërs.
Hertaald:
Syrië
Hebreeuws: Aram; zie Gen. 10:22. Versta: de Syriërs.
werken;
Of, maakselen; dat is, allerlei koopwaar, die in u bereid werd om te verhandelen. Alzo vs.18.
Hertaald:
werken;
Of: maaksels; dat is: allerlei koopwaar die bij u vervaardigd werd om te verhandelen. Zo ook vers 18.
gestikt werk,
Of, geborduurd, borduursel.
Hertaald:
gestikt werk,
Of: geborduurd werk, borduursel.
Ramoth,
Zie Job 28:18 .
Hertaald:
Ramoth,
Zie Job 28:18.
Cadkod,
Zie Jes. 54:12 .
Hertaald:
Cadkod,
Zie Jes. 54:12.
Juda en het land Israëls
Vergelijk 1 Kon. 5:9 ; Hand. 12:20 .
Hertaald:
Juda en het land Israëls
Vergelijk 1 Kon. 5:9; Hand. 12:20.
Minnit
Zie Richt. 11:33 .
Hertaald:
Minnit
Zie Richt. 11:33.
Pannag,
Dat sommigen houden voor balsem, anderen voor Fenicië.
Hertaald:
Pannag,
Wat sommigen voor balsem houden en anderen voor Fenicië.
balsem,
Zie Gen. 37:25 ; Jer. 8:22 .
Hertaald:
balsem,
Zie Gen. 37:25; Jer. 8:22.
Damaskus
Zie Gen. 14:15 ; 2 Sam. 8:5 .
Hertaald:
Damaskus
Zie Gen. 14:15; 2 Sam. 8:5.
om de veelheid
Of, met, in.
Hertaald:
om de veelheid
Of: met, in.
werken,
Gelijk vs.16.
Hertaald:
werken,
Zoals vers 16.
allerlei goed;
Gelijk boven vs.12.
Hertaald:
allerlei goed;
Zoals hierboven vers 12.
Chelbon
Dat sommigen houden voor Chalibon in Syrië.
Hertaald:
Chelbon
Wat sommigen houden voor Chalibon in Syrië.
leverden
Of, handelden, gelijk vs.12.
Hertaald:
leverden
Of: handelden, zoals vers 12.
Dan
Nakomelingen van Dan, wonende te Dan, aan het gebergte van Libanon; zie Richt. 18:29 .
Hertaald:
Dan
De nakomelingen van Dan, die in Dan woonden, bij het gebergte van de Libanon; zie Richt. 18:29.
Javan,
Zie Gen. 10:2 .
Hertaald:
Javan,
Zie Gen. 10:2.
omreizer,
Hebreeuws, Muzzal; dat is, die gedaan dat is, gedreven is om te reizen, af en aan, die omgejaagd, omgedreven wordt; te weten door begeerte aan gewin, gelijk kooplieden en kramers. Sommigen houden het voor een eigen naam ener natie.
Hertaald:
omreizer,
Hebreeuws: Muzzal; dat is: hij die aangezet is om te reizen, die heen en weer opgejaagd en voortgedreven wordt, namelijk door zucht naar gewin, zoals kooplieden en kramers. Sommigen houden het voor de eigennaam van een volk.
Dedan handelde met u
Dat is, de nakomelingen van Dedan; zie Gen. 25:3 .
Hertaald:
Dedan handelde met u
Dat is: de nakomelingen van Dedan; zie Gen. 25:3.
kostelijk gewand
Hebreeuws, klederen der vrijheid; dat is, die vrije personen en geen knechten of slaven gebruiken, dat is, sierlijke, kostelijke.
Hertaald:
kostelijk gewand
Hebreeuws: kleren van de vrijheid; dat is: kleren die vrije mensen dragen en geen knechten of slaven, dus sierlijke en kostbare kleren.
wagens
Of, rijtuig, zadeltuig.
Hertaald:
wagens
Of: rijtuig, zadeltuig.
Arabië
Dat is, de Arabieren.
Hertaald:
Arabië
Dat is: de Arabieren.
Kedar
Zie Gen. 25:13 ; Jer. 2:10 .
Hertaald:
Kedar
Zie Gen. 25:13; Jer. 2:10.
hand;
Zie boven vs.15.
Hertaald:
hand;
Zie hierboven vers 15.
Scheba en Raëma
Zie van deze beide Gen. 10:7 .
Hertaald:
Scheba en Raëma
Zie over deze beide Gen. 10:7.
alle hoofdspecerij,
Dat is, allerlei voornaamste en uitnemende specerijen. Alzo in het volgende. Vergelijk boven vs.12.
Hertaald:
alle hoofdspecerij,
Dat is: allerlei van de voornaamste en uitnemendste specerijen. Zo ook in het vervolg. Vergelijk hierboven vers 12.
Haran,
Zie Gen. 11:31 .
Hertaald:
Haran,
Zie Gen. 11:31.
Kanne,
Dat sommigen houden voor Kalne, Gen. 10:10 .
Hertaald:
Kanne,
Wat sommigen houden voor Kalne, Gen. 10:10.
Eden,
Zie Gen. 2:8 .
Hertaald:
Eden,
Zie Gen. 2:8.
Scheba,
Sommigen houden dit voor Seba in woest Arabië, aan Mesopotamië. Zie Job 1:15 .
Hertaald:
Scheba,
Sommigen houden dit voor Seba in het woeste Arabië, bij Mesopotamië. Zie Job 1:15.
Assur en
Dat is, de Assyriërs. Zie Gen. 10:22 .
Hertaald:
Assur en
Dat is: de Assyriërs. Zie Gen. 10:22.
Kilmad,
Dit houden sommigen voor een landschap in het bovenste van Medië, tussen Assyrië en Parthië gelegen.
Hertaald:
Kilmad,
Dit houden sommigen voor een landstreek in het noorden van Medië, tussen Assyrië en Parthië gelegen.
volkomen sieradiën,
Zie boven Ezech. 23:12 . Of, allerlei sortering, of in het gros. Hebreeuws, volkomenheden, volmaaktheden.
Hertaald:
volkomen sieradiën,
Zie hierboven Ezech. 23:12. Of: allerlei soorten, of in het groot. Hebreeuws: volkomenheden, volmaaktheden.
pakken van hemelsblauw
Of, balen, gevouwen stukken. Hebreeuws alsof men zeide: vouwselen, inwindselen. Anders: mantels, rokken, tabbaarden.
Hertaald:
pakken van hemelsblauw
Of: balen, opgevouwen stukken. In het Hebreeuws staat het alsof men zei: vouwsels, inwikkelingen. Anders: mantels, rokken, tabbaarden.
gestikt werk,
Of, geborduurd.
Hertaald:
gestikt werk,
Of: geborduurd.
schatkisten van schone klederen;
Of, koffers.
Hertaald:
schatkisten van schone klederen;
Of: koffers.
ceder gepakt,
Hebreeuws, gecederd; dat is, in cederen kisten gedaan, gelegd, of ingemaakt. Of, van cederen gemaakte kisten, cederkisten.
Hertaald:
ceder gepakt,
Hebreeuws: gecederd; dat is: in cederen kisten gedaan, gelegd of verpakt. Of: kisten die van cederhout gemaakt zijn, cederkisten.
onder uw koopmanschap
Of, op uwe beurs.
Hertaald:
onder uw koopmanschap
Of: op uw beurs.
schepen
Dat is, het zeevarende volk, of de passagiers.
Hertaald:
schepen
Dat is: het zeevarende volk, of de passagiers.
Tarsis
De stad Tharsis, of de Oceaan. Zie 1 Kon. 10:22 .
Hertaald:
Tarsis
De stad Tarsis, of de oceaan. Zie 1 Kon. 10:22.
vanwege
Of, [op] uwe markten.
Hertaald:
vanwege
Of: (op) uw markten.
vervuld,
Te weten met allerlei rijkdom.
Hertaald:
vervuld,
Namelijk met allerlei rijkdom.
hart der zeeën
Gelijk boven vs.4, en in het volgende.
Hertaald:
hart der zeeën
Zoals hierboven vers 4, en zo ook in het vervolg.
roeien,
Dat is, uwe regenten, koningen en vorsten, die uwe leidslieden zijn, gelijk de roeiers in de schepen.
Hertaald:
roeien,
Dat is: uw bestuurders, koningen en vorsten, die uw leidslieden zijn zoals de roeiers in de schepen.
grote wateren gevoerd;
Of, geweldige; dat is, in groot gevaar en nood van schipbreuk. Vergelijk 2 Sam. 22:17 . Of, gij zijt tot zulk ene hoogte opgeklommen, dat uw val des te zwaarder zal zijn, waartoe gij de aanleiding hebt gegeven door uw grote pracht, gelijk schepen, in zware ruime wateren met hoge zeilen gevoerd, te lichter van den storm worden getroffen en verbroken.
Hertaald:
grote wateren gevoerd;
Of: geweldige; dat is: in groot gevaar en nood van schipbreuk. Vergelijk 2 Sam. 22:17. Of: u bent tot zo'n hoogte gestegen dat uw val des te zwaarder zal zijn. Daar hebt u zelf aanleiding toe gegeven door uw grote praal, zoals schepen die met hoge zeilen op zwaar open water varen des te eerder door de storm getroffen en vernield worden.
oostenwind
Zie Ex. 10:13 ; Job 27:21 ; Ps. 48:8 , en boven Ezech. 17:10 .
Hertaald:
oostenwind
Zie Ex. 10:13; Job 27:21; Ps. 48:8, en hierboven Ezech. 17:10.
voorsteden beven
Anders: gedreven baren der zee.
Hertaald:
voorsteden beven
Anders: de opgezweepte baren van de zee.
stof op hun hoofden
Zie 2 Sam. 1:2 .
Hertaald:
stof op hun hoofden
Zie 2 Sam. 1:2.
werpen,
Hebreeuws, doen opkomen, opbrengen, opwerpen.
Hertaald:
werpen,
Hebreeuws: doen opkomen, opbrengen, opwerpen.
wentelen in de as
Gelijk Jer. 6:26 .
Hertaald:
wentelen in de as
Zoals Jer. 6:26.
gans kaal maken,
Hebreeuws eigenlijk, kaalheid, of zich [met] kaalheid kaal maken. Zie Jer. 16:6 .
Hertaald:
gans kaal maken,
Hebreeuws eigenlijk: zich (met) kaalheid kaal maken. Zie Jer. 16:6.
zakken aangorden;
Zie Gen. 37:34 .
Hertaald:
zakken aangorden;
Zie Gen. 37:34.
bitterheid der ziel,
Dat is, bittere droefheid des harten.
Hertaald:
bitterheid der ziel,
Dat is: bittere droefheid van het hart.
in hun gekerm
Anders, hunne kinderen zullen, enz.
Hertaald:
in hun gekerm
Anders: hun kinderen zullen, enzovoort.
uitgeroeide
Te weten, stad.
Hertaald:
uitgeroeide
Namelijk de stad.
eilanden
Vergelijk boven Ezech. 26:15 .
Hertaald:
eilanden
Vergelijk hierboven Ezech. 26:15.
staan de haren te berge,
Gelijk onder Ezech. 32:10 .
Hertaald:
staan de haren te berge,
Zoals hieronder Ezech. 32:10.
aangezicht
Tonende grote verschriktheid in hun gelaat.
Hertaald:
aangezicht
Doordat zij grote ontzetting op hun gezicht tonen.
u aan;
Of, over u. Zie 1 Kon. 9:8 ; Jer. 18:16 .
Hertaald:
u aan;
Of: over u. Zie 1 Kon. 9:8; Jer. 18:16.
grote schrik geworden,
Hebreeuws, verschrikkingen; alzo onder Ezech. 28:19 .
Hertaald:
grote schrik geworden,
Hebreeuws: verschrikkingen; zo ook hieronder Ezech. 28:19.
meer zijn tot in eeuwigheid
Vergelijk boven Ezech. 26:14 , met de aantekening.
Hertaald:
meer zijn tot in eeuwigheid
Vergelijk hierboven Ezech. 26:14 met de aantekening. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Ligging: Het vasteland van Griekenland en de Ionische kustgebieden van Klein-Azië. Geschiedenis: In Ezechiëls uitgebreide klaaglied over de rijkdom van Tyrus wordt Javan, samen met Tubal en Mesech (hieronder), genoemd als handelspartner die mensen en koperen vaten tegen koopwaar ruilde (Ez. 27:13) — een vroeg getuigenis van de handelscontacten tussen de Griekse wereld en Fenicië. Later, in Daniëls visioenen, wordt "Javan" de vaste aanduiding voor het Griekse wereldrijk van Alexander de Grote (Dan. 8:21; 10:20; 11:2). Bijbelse betekenis: Dat de Schrift reeds eeuwen vóór Alexander de Grote de Griekse wereld bij name kent en beschrijft, onderstreept hoe de HEERE de geschiedenis van alle volken, ook die welke pas later een hoofdrol in het profetische woord zouden spelen, van tevoren kent en bestuurt. Recente inzichten: Het huidige Griekenland; de naam "Javan" leeft nog altijd voort in het Hebreeuwse (en Arabische/Perzische/Turkse) woord voor "Griekenland/Grieks". Gen. 10:2, 4; Ez. 27:13; Dan. 8:21; 10:20; 11:2; Joël 3:6 Ligging: Mesech en Tubal: volken in het bergland van Klein-Azië/de Kaukasus (het latere Cappadocië/Cilicië-gebied); Gomer: vermoedelijk de Cimmeriërs, ten noorden van de Zwarte Zee; Togarma: eveneens in de Armeense/Klein-Aziatische bergstreken. Geschiedenis: In Ezechiëls klaaglied over Tyrus worden Mesech en Tubal genoemd als leveranciers van slaven en koperwerk (Ez. 27:13), Togarma als leverancier van paarden, ruiters en muildieren (Ez. 27:14). Later, in de grote eindtijdprofetie over Gog (hieronder), keren alle vier terug als bondgenoten van Gog uit het "uiterste noorden": Mesech en Tubal als volken waarover Gog zelf vorst is (Ez. 38:2-3; 39:1), Gomer en "het huis van Togarma, van de zijden van het noorden" als zijn bondgenoten (Ez. 38:6). Bijbelse betekenis: Deze verre noordelijke volken, in Ezechiëls tijd nauwelijks meer dan namen op de rand van de bekende wereld, worden door de HEERE evenzeer bij name gekend en in Zijn profetisch woord opgenomen als de grote wereldrijken zelf — een bevestiging dat geen volk, hoe afgelegen ook, buiten Zijn alwetende regering valt. Recente inzichten: Mesech en Tubal worden doorgaans in verband gebracht met de Assyrische "Muski" en "Tabal", volken in Centraal-/Oost-Anatolië; Gomer met de Cimmeriërs; Togarma mogelijk met het latere Armenië. Gen. 10:2-3; Ez. 27:13-14; 38:2-6; 39:1 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas "Mensenkind! zet uw aangezicht tegen de kinderen Ammons, en profeteer tegen dezelve" (Ezech. 25:2). Met die opdracht begint een reeks die tot het einde van Ezech. 32 doorloopt. De volgorde is: Ammon, Moab, Edom en de Filistijnen in dit hoofdstuk, daarna Tyrus, dat drie hoofdstukken krijgt (Ezech. 26:2), vervolgens Sidon (Ezech. 28:21) en ten slotte Egypte, dat er vier krijgt (Ezech. 29:2). In de vier korte woorden van dit hoofdstuk keert telkens dezelfde zin terug: "gij zult weten, dat Ik de HEERE ben" (Ezech. 25:5,7), en bij Moab en de Filistijnen: "zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben" (Ezech. 25:11,17). Bijbelse betekenis: Merk op waar deze reeks staat. Zij komt na het bericht dat de belegering begonnen is en vóór het bericht dat de stad gevallen is. Terwijl Jeruzalem valt, hoort het volk dat de HEERE ook over de buurvolken gaat. Let vervolgens op wat die volken verweten wordt. Niet hun afgoderij en niet hun zeden, maar hun houding tegenover Israël op de dag van de val: leedvermaak, gejuich en wraak. Let ten slotte op de toon. Die is bij Jesaja vastgelegd en geldt ook hier: oordeel aankondigen zonder er behagen in te scheppen (reeds behandeld bij Jes. 15:5). Dezelfde reeks staat bij Jeremia, en zij is daar op dezelfde wijze samengenomen (reeds behandeld bij Jer. 46:1-2). Typologie: De psalm zegt in één zin wat deze hoofdstukken breed uitwerken: "Want het koninkrijk is des HEEREN, en Hij heerst onder de heidenen" (Ps. 22:29). En Paulus zegt in Athene dat God "uit een bloede het ganse geslacht der mensen gemaakt" heeft, en dat Hij hun tijden en de grenzen van hun woonplaats bepaald heeft (Hand. 17:26). Ezech. 25:1-17; Ezech. 26:2; Ezech. 28:21; Ezech. 29:2; Jes. 15:5; Jer. 46:1-2; Ps. 22:29; Hand. 17:26 "Gij dan, mensenkind! hef een klaaglied op over Tyrus" (Ezech. 27:2). De stad wordt beschreven als een schip, en zij zegt van zichzelf: "Ik ben volmaakt in schoonheid" (Ezech. 27:3). Alles waaruit zij is opgebouwd komt van elders: dennebomen van Senir, cederen van de Libanon voor de masten, eiken van Basan voor de riemen en fijn linnen uit Egypte voor het zeil (Ezech. 27:5-7). Ook de bemanning komt van buiten, uit Sidon, Arvad en Gebal (Ezech. 27:8-9). Dan slaat het om in één vers: "de oostenwind heeft u verbroken in het hart der zeeen" (Ezech. 27:26). Wat volgt is één lange rouw. De schippers klimmen uit hun schepen en blijven op het land staan (Ezech. 27:29), en zij vragen: "Wie is geweest als Tyrus, als de uitgeroeide in het midden der zee?" (Ezech. 27:32). Bijbelse betekenis: Merk op waaruit dit schip is samengesteld. Bijna alles wat genoemd wordt komt ergens anders vandaan: het hout, het linnen, de roeiers en de herstellers. De schoonheid waarop de stad zich beroemt, is bij elkaar gekocht. Let vervolgens op de verhouding tussen opbouw en ondergang. De opsomming beslaat het grootste deel van het hoofdstuk; de ondergang staat in één zin, en er komt geen vloot aan te pas. Let ten slotte op wie er rouwen. Het zijn de handelaars die aan haar verdiend hebben, en hun klaaglied begint met een vraag naar haar grootheid. Over de hoogmoed die uit zulke handel opkomt, is bij Jesaja al gesproken (reeds behandeld bij Jes. 23:9). Dit hoofdstuk voegt daar niet een verwijt aan toe, maar een beeld: hoe snel het gaat. Typologie: De Heere Jezus vertelt van een man die zijn schuren afbrak om grotere te bouwen, en tot wie God zei: "Gij dwaas! in dezen nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn?" (Luk. 12:20). Wat over een stad gezegd wordt, geldt daar over één mens. Ezech. 27:1-36; Jes. 23:9; Luk. 12:20 Midden in de lange lijst van handelspartners staat deze regel: "Javan, Tubal en Mesech waren uw kooplieden; met mensenzielen en koperen vaten dreven zij onderlingen handel met u" (Ezech. 27:13). Er staat geen aanklacht bij. Het vers ervoor noemt zilver, ijzer, tin en lood (Ezech. 27:12), en het vers erna paarden, ruiters en muilezels (Ezech. 27:14). Mensen staan er tussenin, als een post op de markt. Bijbelse betekenis: Merk op hoe dit genoemd wordt: zonder nadruk, midden in een opsomming. Juist dat zegt iets. Wat gewoon geworden is, valt niemand meer op, en de lijst zelf laat zien hoe gewoon het was. Let vervolgens op wat er met een mens gebeurt zodra hij een handelspost wordt. Hij wordt gewaardeerd naar wat hij opbrengt, en verder is er niets over hem te zeggen. De Schrift zegt van diezelfde mens iets anders: hij is naar Gods beeld geschapen (reeds behandeld bij Gen. 1:27). Let ten slotte op de plaats van deze regel in het geheel. Het hoofdstuk telt de rijkdom van Tyrus op. Dat deze regel er zonder aarzeling tussen staat, hoort bij dat totaal en is er niet los van te maken. De wet van Israël noemde mensenroof een halszaak (Ex. 21:16). Typologie: Johannes somt in het laatste boek de koopwaar van een andere grote stad op, en die lijst eindigt met de zwaarste post: "en van lichamen, en de zielen der mensen" (Op. 18:13). Paulus noemt de mensendieven onder hen tegen wie de wet gegeven is (1 Tim. 1:10). Ezech. 27:12-14; Gen. 1:27; Ex. 21:16; Op. 18:13; 1 Tim. 1:10 "Die u roeien, hebben u in grote wateren gevoerd; de oostenwind heeft u verbroken in het hart der zeeen" (Ezech. 27:26). Dezelfde wind doet elders hetzelfde werk. De psalm zegt het bijna woordelijk zo: "Met een oostenwind verbreekt Gij de schepen van Tharsis" (Ps. 48:8). In de droom van Farao zijn het "zeven dunne en van den oostenwind verzengde aren" (Gen. 41:6). En over Jona beschikte God een stille oostenwind, waardoor hij amechtig werd (Jona 4:8). Bijbelse betekenis: Merk op waar deze wind vandaan komt. Hij waait van de woestijnkant, en hij is heet en droog; wat hij aanraakt verdort. Daarom staat hij in de Schrift bijna altijd bij verlies. Let vervolgens op wat hem hier zo scherp maakt. De stad leefde van de zee, en het weer op zee was haar bedrijf; juist daardoor gaat zij ten onder. Wat iemand meent te beheersen, is nog altijd niet van hem. Let ten slotte op de andere kant. Bij de uittocht dreef een sterke oostenwind de zee weg, zodat het volk erdoor kon gaan (Ex. 14:21). Hetzelfde middel dient daar tot verlossing en hier tot oordeel. Gods werktuigen liggen niet vast op één uitkomst; het gaat erom Wie ze zendt. Typologie: Toen de discipelen op het meer in nood waren en de wind ging liggen, bleef er één vraag over: "Hoedanig een is Deze, dat ook de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn!" (Matt. 8:27). Dat is de vraag die dit hoofdstuk over Tyrus openlaat. Ezech. 27:26; Ps. 48:8; Gen. 41:6; Jona 4:8; Ex. 14:21; Matt. 8:27 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Ezechiël 27
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Ter overdenking


Ezechiël 27
Ezechiël 27:26.KruisverwijzingenPsalmen 48:7→Jeremia 18:17→Handelingen 27:14→Ezechiël 26:19→Psalmen 93:3→Jesaja 33:23→Handelingen 27:41→Ezechiël 27:34→
— Die u roeien, hebben u in grote wateren gevoerd; de oostenwind heeft u verbroken in het hart der zeeen.
“Die u roeien, hebben u in grote wateren gevoerd; de oostenwind heeft u verbroken in het hart der zeeen.”
Dit sprak de profeet over Tyrus, die grote handelsstad waar heel de koophandel van het oosten zijn uitweg naar het westen vond. Toen de Chaldeeën Palestina binnenvielen, had Tyrus zich zeer verheugd over de val van Jeruzalem. Zij zei: “Heah! zij is verbroken, de poort der volken; zij is tot mij omgewend; ik zal vervuld worden, zij is verwoest!” Het was een wrede en zelfzuchtige uitgelatenheid.
Na een tijd kwam de stad in de zee het gewicht van de arm van de grote onderdrukker zelf voelen. Want zo zei de HEERE: “Ziet, Ik zal Nebukadrezar, den koning van Babel, den koning der koningen, van het noorden, tegen Tyrus brengen, met paarden en met wagenen, en met ruiteren, en krijgs vergaderingen, en veel volks. Hij zal uw dochteren op het veld met het zwaard doden, en hij zal sterkten tegen u maken, en een wal tegen u opwerpen.” Dertien jaar lang doorstond de stad het beleg van Nebukadnezar.
Over die ramp zei de profeet: “Die u roeien, hebben u in grote wateren gevoerd.” De koopvorsten van Tyrus hadden de zaken van de staat zo bestuurd dat zij de Tyriërs in de uiterste benauwdheid brachten. Zij hadden hen aangezet zich tegen de grote koning te verzetten, en te zijner tijd ontdekten zij dat zij streden tegen een macht die hun te sterk was. Hun staatkunde was een misgreep geweest. De profeet vergelijkt Tyrus met een van haar eigen roeischepen en verklaart: “de oostenwind heeft u verbroken in het hart der zeeen”.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
III. Vs. 1-36.KruisverwijzingenEzechiël 30:5→Ezechiël 38:5→Deuteronomium 3:9→Genesis 10:4→Jesaja 2:13→Genesis 10:18→1 Koningen 5:18→Ezechiël 27:4→
— Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: Gij dan, mensenkind! hef een klaaglied op over Tyrus; En zeg tot Tyrus, die daar woont aan de ingangen der zee, handelende met de volken in vele eilanden: Zo zegt de Heere HEERE: O Tyrus! gij zegt: Ik ben volmaakt in schoonheid. Uw landpalen zijn in het hart der zeeen; uw bouwers hebben uw schoonheid volkomen gemaakt. Zij hebben al uw denningen uit dennebomen van Senir gebouwd; zij hebben cederen van den Libanon gehaald, om masten voor u te maken. Zij hebben uw riemen uit eiken van Basan gemaakt; uw berderen hebben zij gemaakt uw welbetreden elpenbeen, uit de eilanden der Chittieten. Fijn linnen met stiksel uit Egypte was uw uitbreidsel, dat het u tot een zeil ware; hemelsblauw en purper, uit de eilanden van Elisa, was uw deksel. De inwoners van Sidon en Arvad waren uw roeiers; uw wijzen, o Tyrus! die in u waren, die waren uw schippers. De oudsten van Gebal en haar wijzen waren in u, verbeterende uw breuken; alle schepen der zee en haar zeelieden waren in u, om onderlingen handel met u te drijven. Perzen, en Lydiers, en Puteers waren in uw heir, uw krijgslieden; schild en helm hingen zij in u op, die maakten uw sieraad.
Het klaaglied, dat in Hoofdst. 26:17 vv. den vorsten aan de zee over den ondergang van Tyrus in den mond werd gelegd, moet de Profeet nu zelf opnemen, om het ene nieuwe wending te geven en de bedoeling der zaak, waarover gehandeld wordt, meer bepaald voor te stellen. Aan de ene zijde wordt de rechtvaardige smart uitgedrukt over het misbruik van den overvloed der Goddelijke gaven, In welke Tyrus zich heeft verblijd. aan de andere zijde komt dan het profetisch bewustzijn tot zijn recht, dat op den achtergrond van het geschiedkundige Tyrus nog ene andere gedaante staat, die door zijn beeld met haar gehele wezen doorschemert, en op wiens laatste lot eigenlijk bij de Goddelijke bedreigingen tegen hem gedoeld is. Welke gedaante deze is, wordt later den Nieuw-Testamentischen ziener in Openb. 18:9-24 bekend gemaakt, hoewel daar niet van Tyrus, maar met bijvoeging van nog andere trekken omtrent die gedaante van Babels val sprake is. Het klaaglied van Ezechiël heeft twee delen. Vooreerst de schildering van de heerlijkheid van Tyrus, zijne pracht, zijnen rijkdom, zijne grote betekenis als heerseres op de zee (vs. 1-25). Vervolgens beschrijving van de vernietiging dezer gehele heerlijkheid; snel en onveranderlijk gaat zij te niet tot ontzetting der gehele aarde (vs. 26-36). “Het lied is niet recht begrepen wanneer men daarvan bovenal de echt dichterlijke vlucht prijst, waarmee het is opgesteld. Dat is het niet, en moet het ook niet zijn, wat bij uitnemendheid geldt. Het eerste gedeelte (vs. 1-25 is echter zonder verheffing en bestaat veeleer in ene zeer kalme, nauwkeurige en bijna statistische opgave van datgene wat Tyrus “rijk en heerlijk heeft gemaakt te midden der zee” (vs. 25). Ezechiël schept er geen het minste behagen in, de werkelijke opgave door ene ideale vlucht te vergroten, dat hier ook kwalijk zou geplaatst zijn. Voor ons kan de opgave van vele bijzonderheden en van vele namen van volken zelfs droog schijnen, wat voor de tijdgenoten van den Profeet het geval niet was, wien de beelden van paleizen en vloten, van krijgers en kooplieden uit aller oorden met hun wapenen, goederen en klederdrachten in levendige trekken voor ogen stonden. De Profeet voegde als dichter niets bij de werkelijkheid. Daarentegen is deze schildering in echt profetischen geest samengesteld en daarbij de vergankelijke heerlijkheid met nuchteren blik bespied. Het levendige der schets is daarin gelegen, dat Tyrus niet in dichterlijke vlucht, maar in waarheid als een werkelijke persoon is opgevat, die met al die heerlijkheid van paleizen, vloten, krijgers en kooplieden, als met versierselen is opgepronkt en als ene dwaze jonkvrouw, die met elkeen boelerende spreekt: “ik ben de allerschoonste” (vs. 3). Een storm vernietigt deze ingebeelde koningen der zee voor eeuwig (vs. 3).
Wijders geschiedde des HEEREN woord in onmiddellijken zamenhang met het in Hoofdst. 26 ontvangene, tot mij, zeggende:
Gij dan, mensenkind! hef, evenals in Hoofdst. 19:1 vv. over de vorsten van Israël, een klaaglied op over Tyrus;
En zeg tot Tyrus, die daar woont aan de ingangen der zee, toegerust met goede havens, van welke men kan uitvaren en in welke weer de van buiten komende schepen geschikt kunnen binnenlopen, handelende met de volken in, of naar vele eilanden: Zo zegt de Heere HEERE: O Tyrus! gij zegt: ik ben a) volmaakt in schoonheid 1) (Hos. 9:13).
Ezech. 28:12.
Hierdoor wordt gewezen op den hoogmoed van Tyrus, maar ook wordt hierdoor hare zonde voorgesteld. Want alleen van Zion, hetwelk de schoonheid des heiligdoms bezat, werd gezegd, dat het de volkomenheid der schoonheid had (Ps. 50:2). De schoonheid van Zion bestond echter in haren geestelijken toestand en Tyrus was prat op hare uiterlijke welvaart en hare uiterlijke heerlijkheid. Het is dan ook daarom, dat de Heere hare vernedering op volkomene wijze zal openbaren. Er is hier niet sprake van de landstad Tyrus, maar van de eilandenstad met hare bloeiende haven.
Uwe landpalen, de grenzen, die uw gebied omgeven, zijn in het hart der zeeën; uwe bouwers hebben uwe schoonheid volkomen gemaakt.
Zij hebben, om het u onder de gelijkenis van een groots en heerlijk schip voor te stellen, al Uwe denningen, uwe boorden, uit dennenbomen van Senir (1 Kron. 6:23. Hoogl. 4:8), of van den groten Hermon, gebouwd; zij hebben cederen van den Libanon gehaald, om masten voor u te maken;
Zij hebben uwe riemen uit a) eiken van Basan gemaakt, uwe berderen (dikke planken, roeibanken) hebben zij gemaakt van welbetreden elpenbeen uit de eilanden der Chittieten, van elpenbeen, ingelegd in bosboomhout van de kusten der Chitteërs.
Jes. 2:13.
Fijn linnen met stiksel uit Egypte was uw uitbreidsel, dat het u tot een zeil ware, eveneens uw vlag, die als een zichtbaar teken uwer waardigheid u deed kennen als een schip van de voornaamste soort; hemelsblauw(Ex. 25:4) en purper, uit de eilanden van Elisa, den Grieksen Peloponnesus (Gen. 10:4) was uw deksel, het gespannen zeil over het verdek tot bescherming tegen de zonnehitte.
De inwoners van Sidon en Arvad (Gen. 10:15 en 18. 2 Sam. 5:11) waren uwe roeiers; uwe wijzen, o Tyrus die in u waren, die waren uwe schippers, zodat gij zelf kapitein en stuurman leverdet.
De oudsten van Gebal (1 Kon. 5:18), en hare wijzen waren in u, verbeterende uwe breuken; alle schepen der zee en hare zeelieden waren in u in uwe havens allen inlopende, om onderlingen handel met u te drijven, om waren aan te brengen en andere uit te voeren.
Perzen, en Lydiërs, en Puteërs (Gen. 10:6, 13. Jer. 46:9) waren in uw heir, uwe krijgslieden; schild en helm hingen zij in u als hun hoofdkwartier op, die maakten uw sieraad, zodat gij het uitwendige hadt van ene weltoegeruste en tot den krijg geschikte stad.
De kinderen van Arvad, uwe landslieden, en uw heir waren rondom op uwe muren, en de Gammadieten waren op uwe torens, hun schilden hingen zij rondom aan uwe muren, die maakten uwe schoonheid volkomen, zodat het u niet ontbrak aan bereidheid tot den krijg. Het voorbeeld voor dit en het volgend klaaglied is de klaagzang in Jes. 14:3 vv. over Babel. De ondergang van Babel verre van al zijne heerlijkheid wordt daarbij als begonnen voorgesteld. De gedachtengang is zo gepast als eenvoudig. Voor alles (vs. 3-11) wordt de heerlijkheid der stad, hare ligging, hare schone bouworde, hare ligging als voorstad tot de andere Fenicische steden aan de kusten, haar leger, dat deels door vreemde huurtroepen, deels door eigen soldaten en uit de bewoners der verbondene steden gevormd was, met zijne krijgstucht en dapperheid geschilderd. Zeer gepast en dichterlijk schoon wordt daarbij de stad Tyrus als een heerlijk schip voorgesteld, welks masten uit cederhout, welks vlaggen uit doorstikten byssus enz. zijn, doch zo, dat later bij schildering der krijgstucht het daarvoor min gepaste beeld van het schip wordt verlaten en het eigenlijk begrip der stad plaats neemt. Daarna (vs. 12-24) wordt even uitvoerig de breedte en volheid van hare handelsverbintenissen geschilderd; de landen, met welke Tyrus in handelsbetrekkingen gestaan heeft, en de voornaamste handelsartikelen, die tussen haar en de bijzondere landen werden geruild, worden op zulk ene wijze opgeteld, dat de optelling bij het uiterste westen begint en door het noorden tot het noord-oosten voortgaat. Nadat door deze uitvoerige schildering van de heerlijkheid en den handelsrijkdom van Tyrus de rechte grond is gelegd voor de schildering van haren ondergang, moet nu deze volgen. Nu stelt vs. 25 voor, den zamenhang met het volgende aangevende, hoe Tyrus in zijne tot Tarsis gaande schepen, zijne muren en zijnen handel, den grond had van zijne macht en van zijnen rijkdom en terwijl vervolgens in vs. 26 teruggegaan wordt tot de vergelijking van de stad met een heerlijk schip, hoe dit schip Tyrus door zijne schippers op de vele wateren is gevoerd, begint in de tweede helft van het vers, waarmee ene volgende afdeling aanvangt, de klagende beschrijving van den val van Tyrus, de eigenlijke weeklacht. Aan het einde van het vorige hoofdstuk was Tyrus met de doden vergeleken, die in de groeve nederdalen. Evenals bij begrafenissen treurzangen gewoon waren, waarin de klagende vrouwen alles vermeldden, wat in de gestorvenen waarde had en lofwaardig was, en dan hun verlies beweenden, zo wordt ook hier zeer gepast door den Profeet een klaagzang over Tyrus aangeheven, waarin alle de voorrechten bestonden, om den ondergang des te groter te doen voorkomen. De gehele wereld, in ‘t bijzonder de tegenwoordige zo geheel koopmansgezind en industrieel, zou de schildering van Tyrus glans en van hare heerlijkheid niet voor ene weeklacht, maar integendeel voor ene zaligprijzing houden, want zij is evenals Tyrus in speculaties verblind. Dat is de weeklacht van den geest, dat de wereld zozeer in het vlees zaait en van het vlees verderf maait; met pauken en fluiten begint de wereld, met jammer en ellende moet zij eindigen. “Ik ben de allerschoonste” woordelijk “de volkomenheid der schoonheid. ” Deze naam komt alleen aan de stad Gods, aan Jeruzalem toe, niet om hare pracht, maar omdat de heerlijkheid Gods in haar woont, daar zij de troon Gods is (Jer. 3:17). Jeruzalem had nu om harer zonden wil deze heerlijkheid verloren (Klaagl. 2:15); daarentegen had zich Tyrus de troon van Baäl, wiens koningen zich gaarne Itho-Baäl, d. i. “met hem is Baäl” (Jes 7:14; 8:8 en 10 ,) noemden, om zijnen rijkdom en zijne aardse heerlijkheid dien erenaam aangematigd. In zamenhang met de gunstige ligging van Tyrus in het hart der zee (vs. 4), wier schatten van alle zijden daar zamenvloeiden, zodat het reeds heeft wat in Jes. 60:5 aan Zion voor de toekomst wordt beloofd: “de menigte der zee zal tot u gekeerd worden, het heir der Heidenen zal tot u komen, ” staat de volkomene schoonheid, waarop het zich beroemt. Deze heeft niet alleen betrekking op de stad als zodanig, volgens hare gebouwen, maar, zoals het volgende aanwijst, waar de schoonheid nader wordt beschreven, op den gehelen staat. Tyrus is geestelijk van de grote stad te verklaren, die met alle volken toeneemt en zich in Jeruzalems plaats begeert te zetten; de vorst van Tyrus is (Hoofdst. 28:1 vv.) ene hiëroglyfe van den paus. Er was een tijd, toen Rome tot de doden was nedergedaald (26:19 vv.), namelijk in het Trentsche concilie, toen het door zijne anathemata zich van de waarachtig gelovigen afscheidde, maar God in het werk der reformatie Zijne uit Babel bevrijde kerk, het land der levenden, met vrede en velerlei gaven versierde. In onzen tegenwoordigen tijd wordt ook in politiek opzicht iets aan dit geestelijk Tyrus volbracht van dat: “Ik zal een groten vloed over u laten komen, zodat grote wateren u bedekken; ” en wanneer nu ook daar gelijktijdig de poort der volken wordt verbroken (Hoofdst. 26:2) zal Tyrus toch niet wenen: “Heah, zij, is verbroken, zij is tot mij omgewend; ik zal vervuld worden, zij is verwoest; ” integendeel zal op nauwkeurig bestemden tijd vervuld worden wat gezegd is: “Ik schep heerlijkheid in het land der levenden, ” terwijl ten opzichte van Tyrus wordt gezegd: “Ik zal u tot een groten schrik stellen en gij zult er niet meer zijn, ” en dat nauwelijks 100 jaren later zal worden vervuld. Zeker zijn de werktuigen, door welke God Zijne gerichten aan degenen, die Hij aan het verderf wil prijsgeven, volvoert, niet Zijne heiligen en uitverkorenen; deze zijn integendeel tot lijden en verdragen geroepen en moeten meestal medelijden onder die oordelen, maar het zijn mensen van wereldse macht en wijsheid, waarom ook veel menselijks dikwijls zelfs juist veel ongoddelijks mede daaronder loopt; maar beschouwd als werktuig van God, waarvan Hij Zich bedient, opdat Zijn toorn worde volbracht en Zijne grimmigheid over degenen, die rijp zijn voor het gericht, worde uitgestort, heet Nebukadnezar zelf een rechtvaardige, en deed men beter Gods machtige hand, die slaat, te erkennen, en zich verootmoedigende onder deze van zich weg te doen alle gruwelen, in plaats van die hardnekkig vast te houden en daarbij zich nog in te beelden, Gods volk te zijn, waarvan geschreven staat: “die u aanraakt, raakt Gods oogappel aan (Zach. 2:8) en nu daarop hoogdravende voorzeggingen omtrent de dicht nabij zijnde heerlijkheid der toekomst te geven. Evenals de hand, die deze moet teweeg brengen en ook zeker aanbrengen zal, ene gedroomde is, zo zullen ook de profetieën blijken ijdele dromen te zijn. Intussen zal echter de hand van den Zone Gods, die Zelf Heer wil blijven in Zijn huis en Zich noch door de ene noch door de andere zijde iets laat voorschrijven, Zijne ware kerk stil en onbemerkt de heerlijkheid weten tegen te leiden, die haar door het profetische woord is gewaarschuwd. Wijs zijn de maagden, die olie in hare vaten hebben, om bij te gieten, wanneer de lampen zouden uitgaan; dwaas zijn daarentegen diegenen, die haar gehele vertrouwen hebben op de helder brandende lampen, welke vroeger waren verzorgd en die in tijd van nood eerst tot de verkopers moeten lopen. (Matth. 25:1 vv.) Bij vs. 4 merkt Luther in de kanttekeningen op: “Zo als andere vorsten steden en dorpen, akkers, enz. op het land hebben, zo was Tyrus machtig op de zee. De schoonheid van haren bouw, die daarna geroemd wordt, heeft niet alleen betrekking op de huizen, maar in ‘t algemeen op de gehele staatsinrichting. Met het oog daarop allegoriseert vervolgens in vs. 5 vv. de Profeet, terwijl hij Tyrus met een schoon, zeer prachtig ingericht en zeer goed toegerust schip vergelijkt. Zo als Hij vervolgens in vs. 26 vv. op die vergelijking terugkomt en den ondergang van Tyrus voorstelt als ene schipbreuk, door den oostenwind veroorzaakt. Door de schepen, op welke vele mensen bij elkaar zijn en enerlei doel, gevaar voordeel en schade hebben, wordt in het symbolisch spraakgebruik der Schrift het gemeenschappelijke aangewezen (Ps. 48:8), met name de staten (Jes 38:21. Openb. 8:9) aan de andere zijde komt de kerk voor onder het symbool van een schip (Matth 8:23 vv. Joh 6:16 vv. Bij den Tyrischen staat lag de voorstelling onder het symbool van een schip te meer voor de hand, daar het ene zeemacht was, de hoofdstad als een schip midden in de zee lag en door een bos van masten was omgeven. ” De Senir, van welken het hout tot planken, tot het beschot der beide zijden genomen is, is de grote Hermon (Deut. 3:9). Het hout daar genoemd, wordt door sommigen opgevat als hout met heen en weer lopende zoutaderen, door anderen als dennehout (1 Kon. 5:8); er is echter cipressehout bedoeld, dat bijna onverteerbaar en bovendien zeer licht is. De riemen vorderen een bijzonder vast en zwaar hout, waarom hier daarvoor eiken uit Basan zijn genoemd (Jes 2:13). De beschrijving der overige delen in vs. 6 wordt verschillend uitgelegd. Wat daarentegen de inhoud van vs. 7 aangaat, zo hadden ook de Egyptenaars zulke prachtschepen, zo als bij voorbeeld dat van Antonius en Cleopatra in den slag bij Actium zich door zijne purperen zeilen als admiraalschip onderscheidde. Men ziet, alle landen hebben hun beroemdste voortbrengselen geleverd, een Tyrus met alle pracht en heerlijkheid uit te rusten-en waar is nu het kerkelijk schip, dat de voornaamste houtsoorten voor zijne planken en masten heeft gebezigd, dat zijde en purper voor zijne zeilen en banier heeft genomen, en met alle vlijt zich er op toelegt, om ook door zijn cultus in den smaak te vallen? Bij deze gehele optelling komt echter de blijvende schat niet voor, noch dat God daar woning heeft. De weelde laat zelfs het gewone niet onversierd; doch de ziel wordt niet versierd; het beste moet het sieraad missen, of men stelt zich tevreden met huichelarij. Na het bouwen van het schip volgt in vs. 8 de uitrusting daarvan met de bemanning en instandhouding. Wanneer daar de Zidoniërs en Arabieren als de roeiers worden voorgesteld, dan is dit natuurlijk niet, zo als de gehele allegorische voorstelling aanwijst, in den eigenlijken zin op te vatten, daar wij van zulk ene betrekking der Feniciërs onder elkaar, volgens velen, dat deze slaven van gene zouden geweest zijn, niets weten. Wel ligt daarin in ‘t algemeen de gedachte van afhankelijkheid, en dit komt ook geheel overeen met de getuigenissen der geschiedenis, volgens welke Tyrus toen werkelijk ene soort van principaat zelfs over de oude hoofdstad Sidon had verkregen (Joz. 11:8); van daar wordt in Jer. 25:22; 20:3 de Tyrische koning vóór den Sidonischen genoemd. De verbindende gedachte is nu deze: niet slechts de buitenlandse volken, maar ook de kleinere Fenicische staten zelf wedijverden als het ware onder elkaar zoveel mogelijk tot de heerlijkheid van Tyrus bij te dragen. De gave van de opperleiding lagen in den hoofdstaat, en daaruit kwamen degenen voort, die de hoogste ambten bekleedden. Wederom treedt ons hier en in het volgende de Roomse kerk voor den geest; voor Rome geven alle kerken, die tot het Katholicisme behoren, de krachten van geld, geest en strijd. Daar ligt het zwaartepunt van de gehele kerkelijke macht, zodat het episkopaat niets vermag zonder het pontificaat en niets daartegen; dit wordt echter regelmatig door een Italiaan bezet. In Rome stromen alle geestelijke handelsschepen samen, om hun waren te brengen en andere mede te nemen, en uit Rome worden overal krijgsknechten naar de verschillende oorden gezonden, die zich verbonden hebben op leven en dood den heiligen stoel te dienen; het gehele wezen der kerk is niets meer dan een getrouw afdruksel van de Tyrische macht. Ook voor zijne verdediging heeft Tyrus het best gezorgd. Het hield een leger van huurtroepen uit vreemde volken tot bescherming zijner koloniën en tot uitbreiding zijner volkplantingen, terwijl het de bewaring der vestingmuren van de stad aan Fenicische. krijgslieden toevertrouwde. Hier laat de Profeet de allegorie varen en zet in de plaats van het schip juist de stad, de prachtige vesting der Tyriërs. In ‘t bijzonder ook Carthago’s sterkte bestond voornamelijk in hare gehuurde troepen. Wat de nevens de Lydiërs en Libiërs genoemde Perzen aangaat, zo is ene oude verbintenis der Feniciërs met de Perzen ontwijfelbaar. Van de huurbenden zijn zorgvuldig onderscheiden de Arvadiërs en het eigen leger der Tyriërs, waaraan de bewaking van de muren der stad werd toevertrouwd. Het ophangen der schilden enz. aan gebouwen en muren moet ene bijzondere Fenicische gewoonte geweest zijn; want wij winden die door Salomo ook bij de Hebreën ingevoerd (1 Kon. 10:16 vv. Hoogl. 4:4). Den huurbenden worden alleen de gewone wapenen, schild en helm, den Tyriërs zelven echter bijzonder schone en prachtvolle schilden, in den grondtekst staat een ander woord, dat ook in 2 Sam 8:7. 2 Kon. 11:10 en 51:11 voorkomt, toegeschreven, waardoor zij de schoonheid van Tyrus volmaakten. Er is nog ene betere bescherming dan die van soldaten, De Engel des Heeren legert zich rondom degenen, die Hem vrezen (Ps 33:16 vv. 34:8). Wij moeten in plaats van de vleeslijke wapenrusting de goddelijke aandoen; deze beschermt land en volk.
Tarsis of Tartessus in het zuiden van Spanje (Jes. 23:10) dreef koophandel met u van wege de veelheid van allerlei goed; met zilver, ijzer, tin en lood, die gij van daar gehaald hebt, handelden zij op uwe markten.
Javan, Jubal en Mesech, de Ioniërs of Grieken, de Tibarenen en Moschers tussen de Zwarte en Kaspische zee (Gen. 10:2), waren uwe kooplieden, met mensenzielen, slaven, en koperen vaten dreven zij onderlingen handel met u.
Uit het huis van Togarma, de Armeniërs (Gen. 10:3) leverden zij paarden, en ruiteren, en muilezels op uwe markten.
De kinderen van Dodan, de Dedanieten aan het zuidelijk deel van den Perzischen zeeboezem (Gen. 10:7), waren uwe kooplieden, tusschenhandelaars voor den binnenlandsen handel; vele eilanden waren de koophandel uwer hand, de uitgestrekte zeekust dreef door u haren handel; hoornen van elpenbeen en ebbehout gaven zij u weer tot ene versiering (1 Kon. 10:11), in de plaats van munt.
Syrië, dat zich uitstrekt tot Mesopotamië, dreef koophandel met u, van wege de veelheid uwer werken, uwer producten en fabrikaten; met smaragden, purper, en gestikt werk, en zijde, en Ramoth, beter: koralen, en Cadkod, beter: andere juwelen, handelden zij op uwe markten.
Juda en het land Israëls waren uwe kooplieden; met tarwe van Minnit in het land der Ammonieten (Richt. 11:33. 2 Kron. 27:5. 12:20) en Pannag(onbekende streken, door anderen vertaald: balsem, onderscheiden van de Gileadietische, die straks wordt genoemd), en honing, en olie, en balsem dreven zij onderlingen handel met u.
Damascus dreef koophandel met u, om de veelheid uwer werken, van wege de veelheid van allerlei goed; met wijn van Chelbon, het tegenwoordige Aleppo, of een dorp noordwestelijk van Damascus (2 Sam. 8:6), en witte wol.
Ook leverden Dan en Javan, de omreizer op uwe markten(beter: Sedan en Javan van Uzal, volkstammen in Jemen of gelukkig-Arabië); glad ijzer, kassie en kalmus (Ex. 30:24) was in uwen onderlingen koophandel.
Ook leverden Dan en Javan, de omreizer op uwe markten(beter: Sedan en Javan van Uzal, volkstammen in Jemen of gelukkig-Arabië); glad ijzer, kassie en kalmus (Ex. 30:24) was in uwen onderlingen koophandel.
Woest Arabië en alle vorsten van Kedar (Gen. 25:13) waren de kooplieden uwer hand; met lammeren en rammen en bokken, daarmee handelden zij met u (Jer. 49:32).
De kooplieden van Scheba en Raëma in zuidoostelijk Arabië (Gen. 10:7) waren uwe kooplieden; met alle hoofdspecerij, en met alle kostelijk gesteente en goud, waarin hun land zo rijk is, handelden zij op uwe markten.
Haran in noordwestelijk Mesopotamië (Gen. 11:31), en Kanne (Gen. 10:10) en Eden tussen Thelassar en den Eufraat (2 Kon. 19:12. Gen. 2:8), de kooplieden van Scheba, Assur en Kilmad aan de straat, die ten westen langs den Eufraat loopt, handelden met u.
Die waren uwe kooplieden met volkomene sieraden, pracht gewaden, met pakken van hemelsblauw en gestikt werk, en met schatkisten van schone klederen; gebonden met koorden, en in ceder gepakt onder uwe koopmanschap.
De schepen van Tarsis, die uit Tartessus of van elders over de wijde zee kwamen, zongen van u, van wege den onderlingen koophandel met u 1); zij hebben u veel meer aangebracht dan alle die in vs. 13 vv. genoemde karavanen te land; en gij waart vervuld, en zeer verheerlijkt, zeer heerlijk in het hart der zeeën 2), alsof gij van deze het hart waart, waarheen al het bloed moet stromen.
In het Hebr. Anijoth Tharschisch Scharotajik ma’ärabeek. Beter: De schepen van Tarsis waren uwe karavanen, uw handel, d. i. de middelen, waarmee gij uwen handel kondt drijven.
De Profeet had reeds vroeger op den groten omvang van den Tyrischen handel gewezen; deze gedachte werkt hij hier uit, daar hij de grote menigte van volken optelt, met welke die staat verkeert. De optelling begint met het hoofdpunt van het westen, Tartessus, wendt zich vervolgens naar het noorden en telt hier de volken, die, in welk opzicht ook, veelbetekenend zijn; hij gaat daarop naar het zuidoosten en keert zo weer naar het westen en meer tot de nabijheid van Tyrus terug. Alzo bevat de lange optelling ene zekere orde, terwijl wel is waar in ene strofe alle landen, met welke Tyrus handel dreef, zo weinig kunnen worden genoemd, dat Egypte (vs. 7) en geheel Afrika zijn voorbijgegaan. Tarsis of Tartessus was beroemd door zijnen rijkdom in zilver (Jer. 10:9), en leverde ijzer, tin en lood. Door de Joniërs en Grieken werd de slavenhandel sterk gedreven (Joël 3:11 11); zij en de Romeinen verkregen uit Pontus de meeste en beste slaven; koperen gereedschappen leverden hoofdzakelijk de Tibarenen en Moschers, terwijl de Kolchische bergen nog heden ene onuitputtelijke menigte koper bevatten. Evenzo is de rijkdom van Armenië in paarden bekend en zeker werden daar ook muildieren geteeld. De Dedanieten met hun karavanen komen voor als vertegenwoordigers van den handel op het land. Dezelfde produkten werden in Tyrus ook ter zee ingevoerd, kwamen dus van de eilanden en de kusten. Syrië omvat hier voornamelijk het Syrië der beide rivieren, of het land tussen Tiger en Eufraat (Gen. 24:10; 25:20): er worden niet dan pronkerijen genoemd, met welke vooral Babylonië veel handel dreef. Wat Tyrus levert, wordt slechts kort aangewezen, uitvoerig is de Profeet alleen ten opzichte der ingevoerde waren, terwijl de zamenvloeing van deze in Tyrus de heerlijkheid der stad voorstelt en alzo den grond geeft voor de schildering van het diepe van haren val. Het gezichtspunt, in de gehele voorstelling gevolgd, geven zeer nauwkeurig de woorden in vs. 25 aan: “gij waart vervuld en zeer verheerlijkt in het hart der zeeën. ” Alzo kan, wat Tyrus uitvoert, slechts als terloops voorkomen. Dat Tyrus zo rijk en geëerd was, terwijl Zion steeds lediger werd en ellendiger, dat was een steen des aanstoots voor de gemeente Gods. De Profeet neemt dezen aanstoot weg door op het einde te wijzen. Dan is alle rijkdom en heerlijkheid voor Tyrus verdwenen, voor altijd verdwenen, in de diepte der zee begraven, Zion daarentegen verheft zich heerlijk. Het Hebr. Zori (vs. 6), het laatste der handelsartikelen van Israël, op de Syrische markten gebracht, wordt hier en elders overgezet door balsem (Gen. 37:25; 43:11. Jer. 8:22; 46:11; 51:8 voor balsem staat echter het vroeger naast de tarwe van Minnit op de tweede plaats genoemde “pannag”. Dat woord komt alleen hier voor, en verklaart men meest voor een soort van gebak. Hiëronymus en naar dezen Luther heeft het door balsem overgezet en daarom Zori door mastix vertaald De mastixboom (vgl. historie van Susanna vs. 54), is een struik 15 voet hoog, waaruit door insnijding een doorschijnend witachtig geel en welriekend hars wordt verkregen, dat tot korrels gemaakt in den handel komt. De zwarte vruchten, als jeneverbessen, geven ene olie, men kauwt ze ook wel in het oosten, om den adem welriekend te maken. Chelbon bestaat nog heden in een dorp van dezen naam ten noorden van Damascus, in het midden van een dal, dat, waar het slechts mogelijk is, met wijngaarddranken is beplant, uit wier druiven de beste en kostbaarste wijn van het land wordt bereid. Deze wijn was in de oudheid zo beroemd, dat de koningen van Perzië alleen Chalybonischen wijn van Damascus dronken (Dan. 1:5). De kostbare wol van verblindende witheid kwam waarschijnlijk uit het oorspronkelijke land van de afstamming der Nabateërs tussen Palestina en den Eufraat (1 Makk. 5:27), die door hunnen rijkdom in kudden schapen bekend waren (vs. 21 en Jes. 60:7), en op wier land Sicharia het Hebr. Zachar zinspeelt. In den grondtekst begint vs. 19 met Wedan; dit moet niet als “en Dan” of “ook Dan” worden opgevat, zoals het ook zou mogelijk zijn; het gehele woord (vgl. Wateb in Num. 21:11 #Nu
betekent ene Arabische plaats, hoewel daarvan geen ander spoor te vinden is. Evenzo is Javan ene plaats in Jemen, waarschijnlijk ene Griekse volksplanting, daar de Griekse speculatiegeest den weg over Egypte naar het zuidelijk Arabië vond. Ter onderscheiding van dit Javan van het moederland in vs. 13 zou dan zijn bijgevoegd “van Usal” (de omreizer) d. i. Saäna, de hoofdstad in Jemen (Gen. 10:27). Bij het gladde, glinsterende ijzer moet men vooral denken aan de bij de Arabieren en in het gehele Oosten zo beroemde degenklinken van Jemen. Hoe meer Tyrus het Arabische monopolie in dien tijd en reeds sedert vroege tijden aan zich had getrokken, des te uitvoeriger vertoeft de Profeet bij de optelling der vele voor den handel gewichtige punten in Arabië. Dedan leverde prachtige paardendekken, zo als die in het Oosten kentekenen waren van den voornamen man, en in ‘t algemeen voorwerpen van weelde; daarom gebood de Kalif Hakem den Christenen op slechte zadels te rijden. Bij de Dedanieten worden vervolgens nog een paar andere stammen van noordelijk- en midden-Arabië gevoegd, de Arabieren en Kedarenen als vertegenwoordigers der Nomadische Bedouïnen. De kostbare specerij uit Seba en Raëma is waarschijnlijk de echte balsem. De bergen van Hadramaut en Jemen leveren allerlei edelgesteenten, en het laatste werd door de ouden voor zeer rijk in goud gehouden, hoewel men dit edel metaal daar nu niet meer vindt. Het noemen der handelaars van Seba (Gen. 10:7 en 1 Kon. 10:7) tussen Mesopotamische plaatsen is daaruit te verklaren, dat de Sabeërs, de bewoners van her land van den wierook, die van den Perzischen zeeboezem komt, hun waren naar de stad Carrhae (Haran) brachten, waar zij hun jaarmarkten hielden en van daar naar Gebal of Byblus in Fenicië en tot het Palestijnse Syrië pleegden te trekken. Alzo zijn deze handelaars als de bemiddelaars van den handel tussen Mesopotamië en Tyrus genoemd en wel niet ongepast midden tussen de plaatsen, welke aan de beide grote Mesopotamische handelsstraten de gewichtigste handelsplaatsen waren. Kilmad is de grote en rijke stad Charmanda, in ene woeste streek aan gene zijde van den Eufraat. Het daarnevens genoemde Assur kan natuurlijk niet het land Assyrië zijn, maar alleen de handelsplaats Sura, heden Essuriëh, dat aan dezen oever van den Eufraat boven Thapaskus ligt. Dat Tyrus juist midden in zijne grootheid, staande op het toppunt van macht en heerlijkheid den doodsteek ontvangt, is juist hetgeen het gedenkwaardige en Gods rechtvaardige besturing levendig voorstelt. Daarom werpt de Profeet in vs. 25 nog een blik op deze trotse gerustheid, waarmee Tyrus elken aanval meende te kunnen trotseren, en daar stond als de onbedwingbare vesting, zoals dan ook het “midden in de zee” op zeer effectvolle wijze in het volgende vers wederkeert.
Die u roeien, o schip van Tyrus, waarvan in vs. 3-9 is sprake geweest, hebben u in grote waterenver in de hoge zee gevoerd, zodat gij trots en gerust op die wateren voert, alsof het nooit anders kon worden, ja altijd zo met u zou gaan; de a) oostewind heeft u echter (Jer. 4:12 (Ps. 48:8) op eens, plotseling en onverwacht verbroken in het hart der zeeën.
Ezech. 17:10.
Van het geluid des geschreeuws uwer schippers, dat zij bij den ondergang verheffen, zullen de voorsteden, de tot u behorende kusten,
beven.
Ezech. 26:10-15.
En allen, die den riem handelen, zeelieden, en alle schippers van de zee, zullen uit hun schepen nederklimmen; op het land zullen zij staan blijven.
En zij zullen hun stem over u laten horen en bitterlijk schreeuwen; en zij zullen stof op hun hoofden werpen; zij zullen zich wentelen in of bestrooien met de as (Joz. 7:6. 1 Sam. 4:12. Job 2:12 v. Micha 1:10).
En zij zullen zich over u gans kaal maken, en zakken aangorden; en zullen over u wenen met bitterheid der ziel, en bittere rouwklage(Hoofdst. 7:18. Jer. 48:37. Micha 1:16).
En zij zullen in hun gekerm een klaaglied over u opheffen en over u weeklagen, zeggende: Wie is geweest als Tyrus, als de uitgeroeide in het midden der zee, die op eens in het midden van haar zijn vernietigd.
Als uwe marktwaren uit de zeeën voortkwamen, aankwamen, hebt gij vele volken verzadigd; met de veelheid uwer goederen en uwen onderlingen koophandel (liever: koopmansgoed vs. 27)hebt gij de koningen der aarde rijk gemaakt.
Ten tijde, dat gij uit de zeeën verbroken zijt in de diepte der wateren, zijn uw onderlinge koophandel en uwe ganse gemeente in het midden van u gevallen 1).
Allen, die enige betrekking op haar en enigen handel met haar hadden, in koophandel, in oorlog, in omgang, die allen zouden met haar vallen. Merk hier aan, zij die de schepselen tot hun vertrouwelingen stellen, plaatsen hun geluk en hun belang in dezelve, en die hun hope op hen vestigen, zullen bijgevolg met hen vallen. Gelukkig daarom zijn diegenen, welke den God van Jakob tot hun hulp hebben en welker hope is in den Heere, hunnen God, die leeft tot in eeuwigheid.
Alle inwoners der eilanden zijn over u ontzet, en hun koningen staan de haren te berge, zij zijn verbaasd van aangezicht.
De handelaars onder de volken fluiten u aan (2 (Kron. 29:8. Jer. 51:37. Klaagl. 2:15 v.); gij zijt aan grote a) schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid (Openb. 18:19, 21 vv.)
Ezech. 26:21. In vs. 26 wordt het beeld, dat men had laten varen en waarin Tyrus als een prachtschip wordt voorgesteld, weer opgenomen: zijne roeiers, d. i. allen die Tyrus zo rijk en machtig en heerlijk hebben gemaakt, brachten het in hoge zee, dat niet zozeer ene politiek betekent, dat zich in gevaren begeeft, als wel de hoogvliegende, steeds meer naar grootheid en heerlijkheid strevende gedachten van den hoogmoed karakteriseert. Nu komt plotseling de storm, die het heerlijke, met alle rijkdommen der wereld beladene schip verbreekt, en alles, wat het in zich draagt, in de diepte der zee doet zinken. Deze storm wordt een Oostewind genoemd, zoals die in Hoofdst. 17:10 en 19:12 met het oog op zijn gloeiende, alles verdorrende en verzengende eigenschap gebruikt wordt als beeld van de wereldmacht, die het Davidische koningshuis vernietigt, zo dient hij hier om zijn hevig karakter, zijne geweldige kracht tot symbool van die macht, welke het trotse Tyrusschip met een paar geweldige stoten als in een ogenblik doet schipbreuk lijden. Ook in Openb. 18:8, 10, 17 en 19 is herhaaldelijk daarop nadruk gelegd, dat er aan de Roomse kerk op éénen dag, ja in één uur een einde komt met grote verdrukking. Het zijn de 10 vasallen-koningen van het dier uit de zee, die haar woest maken en verbranden, zonder dat toch het gebeurde ons nader wordt beschreven. Deze koningen zijn de tien hoornen van het dier, de dragers der laatste ontwikkeling van de anti-goddelijke wereldmacht, die tot den persoonlijken antichrist worden en diens bedoeling doen (Openb. 17:12 vv.) Men kan volgens het profetisch spraakgebruik zeer goed zeggen: het Babel als laatste trap der Gode vijandige wereldmacht doet het Babel vallen als laatste trap der boelerende kerkmacht. Juist in het begrip “Babel” zijn twee vijanden van God en van Zijnen Christus verenigd, van welke de ene door de andere wordt vernietigd, totdat vervolgens deze wederom door Christus zijnen ondergang vindt (Openb. 19:11 vv.), opdat de laatste voortaan niet meer alleen geestelijk maar ook wereldlijk alleenheerser zij (Openb. 20:1 vv.) Om die toepassing op Babel, welke ook voor de laatste vorming van de wereldmacht in toepassing komt, is juist de Oostewind die, welke het beste past voor een beeld van den storm, welke Tyrus, wanneer men het om zo te zeggen in zijn kerkelijk geschiedkundigen zin neemt, aangrijpt en verwoest; want Babel ligt in betrekking tot Rome oostelijk. Maar ook over Tyrus in wereld-geschiedkundigen zin, toen het op het einde der 13de eeuw door de Saracenen te niet ging, is de storm van het Oosten gekomen, want alle deze Mohammedaanse volken zijn “de vier engelen, die gebonden zijn bij de rivier Eufraat, ” van welke in Openb. 9:14 vv. sprake is. “Met het oog op de fysische ligging van Tyrus zou de keus van een anderen wind juister zijn geweest, schrijft een uitlegger; maar de Profeet heeft zozeer geen belang in het fysische, maar in het symbolische. In vs. 27 zien wij Tyrus als een door een storm verbroken schip in de diepte van de zee duiken: a) met zijne handelswaren door de drie woorden “goed, marktwaren, goed des onderlingen koophandels” uitgedrukt; b) met zijne bemanning van matrozen, stuurlieden en timmerlieden of verbeteraars der lekken; c) met zijne passagiers, de mede reizenden, kooplieden, de beschermende krijgslieden en de overige menigte, waarschijnlijk het dienstdoend personeel. De katastrofe, die over Tyrus komt, wordt volgens vs. 29 door alle zeevaarders, die in nadere betrekking tot haar staan, als ene gemeenschappelijke aangezien, want even als de profetische rede Tyrus met een schip heeft vergeleken, zo neemt ook alles, wat in karakter daaraan verwant is, dit karakter aan, de personen van allen, die er mede in betrekking staan, of tot het gebied der stad behoren, worden tot scheepslieden, die in het lot levendig belangstellen en zich daardoor mede getroffen gevoelen. Omdat niets meer op de zee veilig is, wanneer de koningin der zee is moeten vallen, zo verlaten in vs. 29-31 allen, die zich op enig schip bevinden, in vreselijken angst zulk ene plaats van oponthoud; zij begeren zich aan land, om van daar een klaaggeschrei aan te heffen (vgl. hierbij in (Openb. 18:10, 15 en 17 het “van verre staan”) en alle tekenen van treurigheid aan te nemen. Bij een groot ongeluk en zware nederlagen waren de Feniciërs gewoon aan de muren zwarte doeken op te hangen, en vellen aan de snebben der schepen uit te spannen. “Misschien moeten de woorden, met welke de Profeet de algemene weeklacht beschrijft, daaraan herinneren; tot verklaring daarvan zij echter reeds de algemeen in het Oosten gewone gebruiken (Deut. 14:2) voldoende. Het klaaglied in vs. 32 v. vergelijkt den toestand der tegenwoordige doffe, dodelijke stilte met het vroegere geruis der stad. In vs. 35 en 36 komen vervolgens bij de aan Tyrus meest nabij staande bewoners nog twee andere klagen, om het slotkoor te vormen, vooreerst de bewoners der verre kusten, met welke de stad in handelsbetrekkingen stond, ten dele koloniën daarvan waren en deze zijn het diepst door de katastrofe getroffen. De kooplieden van meer zelfstandig handeldrijvende, machtige volken honen nu Tyrus, dat voor altijd vernietigd is en geen mededinger meer is. Evenals het slotwoord: “en zult niet meer zijn in eeuwigheid” op het slotwoord Gods in hoofdst. 26:21 terugwijst: “als gij gezocht wordt, zo zult gij niet meer gevonden worden in eeuwigheid, ” zo wijst het ook voorwaarts op het slotwoord der weeklacht van den Profeet over den koning van Tyrus, dat juist zo luidt; het is dus niet zozeer het spotlied der vreemde kooplieden, als wel ene Godsspraak, waarmee de klacht van den Profeet wordt besloten.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel