Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En des HEERENH3068 woordH1697 geschieddeH1961 totH413 mij, zeggendeH559:
En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
KJV
And the word2
of the LORD3
came unto me, saying,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
MensenkindH1121! zetH7760 uw aangezichtH6440 tegen JeruzalemH3389, en drupH5197 tegenH413 de heiligdommenH4720, en profeteerH5012 tegenH413 het landH127 van IsraelH3478;
Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Jeruzalem, en drup tegen de heiligdommen, en profeteer tegen het land van Israel;
KJV
Son1
of man,2
set3
thy face4
toward Jerusalem,
and drop7
thy word toward the holy places,
and prophesy10
against the land
of Israel,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En zegH559 tot het landH127 van IsraelH3478: AlzoH3541 zegtH559 de HEEREH3068: ZietH2005, Ik wil aan u, en Ik zal Mijn zwaardH2719 uit zijn schedeH8593 trekkenH3318; en Ik zal van u uitroeienH3772 den rechtvaardigeH6662 en den goddelozeH7563.
En zeg tot het land van Israel: Alzo zegt de HEERE: Ziet, Ik wil aan u, en Ik zal Mijn zwaard uit zijn schede trekken; en Ik zal van u uitroeien den rechtvaardige en den goddeloze.
KJV
And say1
to the land
of Israel,
Thus saith8
the LORD;6
Behold, I am against thee, and will draw forth
my sword
out of his sheath,
and will cut off
from thee the righteous
and the wicked.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
OmdatH3588 IkH589 dan van u uitroeienH3772 zal den rechtvaardigeH6662 en den goddelozeH7563, daarom zal Mijn zwaardH2719 uit zijn schedeH8593 uitgaanH3318 tegen alleH3605 vleesH1320, van het zuidenH5045 tot het noordenH6828.
Omdat Ik dan van u uitroeien zal den rechtvaardige en den goddeloze, daarom zal Mijn zwaard uit zijn schede uitgaan tegen alle vlees, van het zuiden tot het noorden.
KJV
Seeing
then that I will cut off
from thee the righteous
and the wicked,
therefore shall my sword
go forth
out of his sheath
against all flesh3
from the south
to the north:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En alle vleesH1320 zal wetenH3045, datH1931 Ik, de HEEREH3069, Mijn zwaardH2719 uit zijn schedeH8593 getrokkenH3318 heb; het zal nietH3808 meer wederkerenH7725.
En alle vlees zal weten, dat Ik, de HEERE, Mijn zwaard uit zijn schede getrokken heb; het zal niet meer wederkeren.
Ook in dit vers
HEEREH3068
KJV
That all flesh
may know
that I the LORD
have drawn forth
my sword
out of his sheath:
it shall not return
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Maar gij, mensenkindH1121, zuchtH584; zuchtH584 voor hun ogenH5869 met verbrekingH7670 der lendenH4975 en met bitterheidH4814.
Maar gij, mensenkind, zucht; zucht voor hun ogen met verbreking der lenden en met bitterheid.
KJV
Sigh
therefore, thou son
of man,
with the breaking
of thy loins;
and with bitterness
sigh
before their eyes.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En het zal geschiedenH1961, als zij tot u zeggenH559 zullen: Waarom zuchtH584 gij, dat gij zeggenH559 zult: Om het geruchtH8052, want het komtH935! en alle hartH3820 zal versmeltenH4549, en alle handenH3027 zullen verslappenH7503, en alle geestH7307 zal inkrimpenH3543, en alle knieenH1290 als waterH4325 henenvlietenH3212; ziet, het komtH935, en het zal geschieden, spreektH5002 de Heere HEERE.
En het zal geschieden, als zij tot u zeggen zullen: Waarom zucht gij, dat gij zeggen zult: Om het gerucht, want het komt! en alle hart zal versmelten, en alle handen zullen verslappen, en alle geest zal inkrimpen, en alle knieen als water henenvlieten; ziet, het komt, en het zal geschieden, spreekt de Heere HEERE.
Ook in dit vers
HeereH136
HEEREH3069
KJV
And it shall be, when they say
unto thee, Wherefore sighest
thou? that thou shalt answer,
For the tidings;
because it cometh:
and every heart
shall melt,
and all hands
shall be feeble,
and every spirit
shall faint,
and all knees
shall be weak
as water:
behold, it cometh,
and shall be brought to pass,
saith
the Lord
GOD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Wederom geschiedde des HEERENH3068 woordH1697 totH413 mij, zeggendeH559:
Wederom geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
KJV
Again the word
of the LORD6
came unto me, saying,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
MensenkindH1121, profeteerH5012 en zegH559: AlzoH3651 zegtH559 de HEERE: ZegH559: Het zwaardH2719, het zwaardH2719 is gescherptH2300, en ook geveegdH4803.
Mensenkind, profeteer en zeg: Alzo zegt de HEERE: Zeg: Het zwaard, het zwaard is gescherpt, en ook geveegd.
KJV
Son
of man,
prophesy,
and say,
Thus saith
the LORD;
Say,
A sword,9
a sword
is sharpened,
and also furbished:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Het is gescherptH2300, opdat het een slachtingH2874 slachteH2873; het is geveegdH4178, opdat het een glinsterH1300 hebbeH176; of wij dan zullen vrolijkH7797 zijn? het is de roedeH7626 Mijns ZoonsH1121, die alleH3605 houtH6086 versmaadtH3988.
Het is gescherpt, opdat het een slachting slachte; het is geveegd, opdat het een glinster hebbe; of wij dan zullen vrolijk zijn? het is de roede Mijns Zoons, die alle hout versmaadt.
KJV
It is sharpened
to make a sore
slaughter;
it is furbished
that it may glitter:
should
we then make mirth?
it contemneth
the rod
of my son,
as every tree.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En Hij heeft hetzelve te vegenH4803 gegevenH5414, opdat men het met de hand handelenH8610 zou; dat zwaardH2719 is gescherptH2300, en dat is geveegdH4178, om hetzelve in de hand des doodslagersH2026 te geven.
En Hij heeft hetzelve te vegen gegeven, opdat men het met de hand handelen zou; dat zwaard is gescherpt, en dat is geveegd, om hetzelve in de hand des doodslagers te geven.
Ook in dit vers
handH3027
handH3709
KJV
And he hath given
it to be furbished,
that it may be handled:
this sword
is sharpened,
and it is furbished,
to give
it into the hand
of the slayer.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
SchreeuwH2199 en huilH3213, o mensenkindH1121, want hetzelve zal zijn tegen Mijn volkH5971, het zal zijn tegen al de vorstenH5387 van IsraelH3478; verschrikkingenH4048 zullen vanwege het zwaardH2719 bij Mijn volkH5971 zijn; daarom klopH5606 op de heupH3409.
Schreeuw en huil, o mensenkind, want hetzelve zal zijn tegen Mijn volk, het zal zijn tegen al de vorsten van Israel; verschrikkingen zullen vanwege het zwaard bij Mijn volk zijn; daarom klop op de heup.
KJV
Cry
and howl,
son
of man:
for it shall be upon my people,
it shall be upon all the princes
of Israel:
terrors
by reason of4
the sword
shall be upon my people:
smite
therefore upon thy thigh.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Als er beproevingH974 was, wat was het toen? Zou er dan ook geen versmadendeH3988 roedeH7626 zijnH1961, spreektH5002 de Heere HEEREH3068.
Als er beproeving was, wat was het toen? Zou er dan ook geen versmadende roede zijn, spreekt de Heere HEERE.
Ook in dit vers
HEEREH3069
HeereH136
KJV
Because it is a trial,
and what if the sword contemn
even the rod?
it shall be no more, saith
the Lord
GOD.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Daarom gij, mensenkindH1121, profeteerH5012, en slaH5221 handH3709 tegen hand; want het zwaardH2719 zal verdubbeldH3717 worden ten derdenH7992 male, het is het zwaardH2719 dergenen, die verslagenH2491 zullen worden; het is het zwaardH2719 der groten, die verslagen zullen worden, dat tot hen in de binnenste kameren indringenH2314 zal.
Daarom gij, mensenkind, profeteer, en sla hand tegen hand; want het zwaard zal verdubbeld worden ten derden male, het is het zwaard dergenen, die verslagen zullen worden; het is het zwaard der groten, die verslagen zullen worden, dat tot hen in de binnenste kameren indringen zal.
KJV
Thou therefore, son1
of man,2
prophesy,3
and smite
thine hands
together,
and let the sword9
be doubled
the third
time, the sword10
of the slain:
it is the sword
of the great
men that are slain,
which entereth into their privy chambers.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Ik heb de puntH19 des zwaardsH2719 gezetH5414 tegen alH3605 hun poortenH8179, opdat het hartH3820 versmelteH4127, en de aanstotenH4383 vermenigvuldigenH7235; achH253, het is toegemaaktH6213, opdatH4616 het glinstereH1300, het isH1961 ingewondenH4593 omH4616 te slachtenH2874.
Ik heb de punt des zwaards gezet tegen al hun poorten, opdat het hart versmelte, en de aanstoten vermenigvuldigen; ach, het is toegemaakt, opdat het glinstere, het is ingewonden om te slachten.
KJV
I have set
the point
of the sword
against all their gates,
that their heart
may faint,
and their ruins
be multiplied:
ah!
it is made
bright,8
it is wrapped up
for the slaughter.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Houd u bijeen, o zwaardH2719! keer u rechtsomH3231, schik u, keer u linksomH8041, waarhenenH575 uw aangezichtH6440 gesteldH3259 is.
Houd u bijeen, o zwaard! keer u rechtsom, schik u, keer u linksom, waarhenen uw aangezicht gesteld is.
Ook in dit vers
Houd bijeenH258
KJV
Go thee one way or other,
either on
the right hand,
or on the left,
whithersoever
thy face
is set.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En Ik Zelf zal ook Mijn handH3709 tegen Mijn handH3709 slaanH5221, en Mijn grimmigheidH2534 doen rustenH5117; Ik, de HEERE, heb het gesprokenH1696.
En Ik Zelf zal ook Mijn hand tegen Mijn hand slaan, en Mijn grimmigheid doen rusten; Ik, de HEERE, heb het gesproken.
KJV
I will also smite
mine hands
together,
and I will cause my fury
to rest:
I the LORD
have said
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Wederom geschiedde des HEERENH3069 woordH1697 tot mij, zeggendeH559:
Wederom geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
KJV
The word
of the LORD
came unto me again, saying,
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Gij nu, mensenkindH1121, stelH7760 u tweeH8147 wegenH1870 voor, waardoor hetH1931 zwaardH2719 des koningsH4428 van BabelH894 komtH935; uit een landH776 zullen zij beideH8147 voortkomenH3318; en kiesH1254 een zijde, kiesH1254 ze aanH413 het hoofdH7218 van den wegH1870 der stadH5892.
Gij nu, mensenkind, stel u twee wegen voor, waardoor het zwaard des konings van Babel komt; uit een land zullen zij beide voortkomen; en kies een zijde, kies ze aan het hoofd van den weg der stad.
KJV
Also, thou son2
of man,3
appoint
thee two
ways,
that the sword10
of the king
of Babylon
may come:
both twain
shall come forth
out of one
land:
and choose
thou a place,
choose
it at the head
of the way
to the city.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Gij zult een wegH1870 voorstellenH7760, waardoor het zwaardH2719 inkomenH935 zal tegen RabbaH7237 der kinderenH1121 AmmonsH5983, of tegen JudaH3063, tot de vasteH1219 stadH8179 JeruzalemH3389.
Gij zult een weg voorstellen, waardoor het zwaard inkomen zal tegen Rabba der kinderen Ammons, of tegen Juda, tot de vaste stad Jeruzalem.
KJV
Appoint
a way,
that the sword11
may come
to Rabbath
of the Ammonites,
and to Judah
in Jerusalem
the defenced.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Want de koningH4428 van BabelH894 zal aan de wegscheidingH517 staanH5975, aan het hoofdH7218 van de tweeH8147 wegenH1870, om waarzeggingH7081 te gebruikenH7080; hij zal zijn pijlenH2671 slijpenH7043; hij zal de terafimH8655 vragenH7592, hij zal de leverH3516 bezienH7200.
Want de koning van Babel zal aan de wegscheiding staan, aan het hoofd van de twee wegen, om waarzegging te gebruiken; hij zal zijn pijlen slijpen; hij zal de terafim vragen, hij zal de lever bezien.
KJV
For the king
of Babylon
stood
at the parting
of the way,
at the head
of the two
ways,
to use
divination:
he made his arrows
bright,
he consulted
with images,
he looked
in the liver.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
De waarzeggingH7081 zal aan zijn rechterhandH3225 zijn op JeruzalemH3389, om hoofdmannenH3733 te stellenH7760, om den mondH6310 te openenH6605 in het doodslaanH7524, om de stemH6963 op te heffenH7311 met gejuichH8643, om stormrammenH3733 te stellenH7760 tegen de poortenH8179, om sterktenH5550 op te werpenH8210, om bolwerkenH1785 te bouwenH1129.
De waarzegging zal aan zijn rechterhand zijn op Jeruzalem, om hoofdmannen te stellen, om den mond te openen in het doodslaan, om de stem op te heffen met gejuich, om stormrammen te stellen tegen de poorten, om sterkten op te werpen, om bolwerken te bouwen.
KJV
At his right hand
was the divination
for Jerusalem,
to appoint
captains,
to open
the mouth
in the slaughter,
to lift up
the voice
with shouting,
to appoint
battering rams
against the gates,
to cast
a mount,
and to build
a fort.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Dit zal hun in hun ogenH5869 als een ijdelH7723 waarzeggenH7080 zijn, omdat zij met edenH7621 beedigdH7650 zijn onder hen; maar hij zal der ongerechtigheidH5771 gedenkenH2142, opdat zij gegrepenH8610 worden.
Dit zal hun in hun ogen als een ijdel waarzeggen zijn, omdat zij met eden beedigd zijn onder hen; maar hij zal der ongerechtigheid gedenken, opdat zij gegrepen worden.
KJV
And it shall be unto them as a false
divination
in their sight,
to them that have sworn
oaths:
but he will call to remembrance
the iniquity,
that they may be taken.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Daarom zegtH559 de Heere HEERE alzo: Omdat gijlieden uwer ongerechtigheidH5771 doet gedenkenH2142, doordien uw overtredingenH6588 ontdektH1540 worden, zodat uw zondenH2403 gezien worden in al uw handelingenH5949; omdat uwer gedachtH2142 wordt, zult gij met de handH3709 gegrepenH8610 worden.
Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Omdat gijlieden uwer ongerechtigheid doet gedenken, doordien uw overtredingen ontdekt worden, zodat uw zonden gezien worden in al uw handelingen; omdat uwer gedacht wordt, zult gij met de hand gegrepen worden.
Ook in dit vers
HeereH136
HEEREH3069
KJV
Therefore thus saith
the Lord
GOD;
Because ye have made your iniquity
to be remembered,
in that your transgressions
are discovered,
so that in all your doings
your sins
do appear;
because, I say, that ye are come to remembrance,
ye shall be taken
with the hand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
En gij, o onheiligH2491, goddeloosH7563 vorstH5387 van IsraelH3478, wiens dagH3117 komenH935 zal, ten tijdeH6256 der uitersteH7093 ongerechtigheidH5771;
En gij, o onheilig, goddeloos vorst van Israel, wiens dag komen zal, ten tijde der uiterste ongerechtigheid;
KJV
And thou, profane
wicked
prince
of Israel,
whose day
is come,3
when
iniquity
shall have an end,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Alzo zegtH559 de Heere HEERE: Doe dien hoedH4701 wegH5493, en hefH7311 dien kroonH5850 af, deze zal dezelfde niet wezen; Ik zal verhogenH1361 dien, die nederigH8217 is, en vernederenH8213 dien, die hoogH1364 is.
Alzo zegt de Heere HEERE: Doe dien hoed weg, en hef dien kroon af, deze zal dezelfde niet wezen; Ik zal verhogen dien, die nederig is, en vernederen dien, die hoog is.
Ook in dit vers
HeereH136
HEEREH3069
KJV
Thus saith
the Lord
GOD;
Remove
the diadem,
and take off
the crown:
this shall not be the same:
exalt
him that is low,
and abase
him that is high.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Ik zal die kroon omgekeerdH5754, omgekeerdH5754, omgekeerdH5754 stellenH7760; ja, zij zal niet zijn, totdat hij komeH935, die daartoe rechtH4941 heeft, en dien Ik dat geven zal.
Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja, zij zal niet zijn, totdat hij kome, die daartoe recht heeft, en dien Ik dat geven zal.
KJV
I will overturn,
overturn,
overturn,
it: and it shall be5
no more, until he come
whose right
it is; and I will give
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
En gij, mensenkindH1121, profeteerH5012 en zegH559: Alzo zegtH559 de Heere HEERE, van de kinderenH1121 AmmonsH5983, en van hun smadingH2781; zo zegH559: Het zwaardH2719, het zwaardH2719 is uitgetrokkenH6605, het is ter slachtingH2874 geveegdH4803 om te verdoenH398, om te glinsterenH1300;
En gij, mensenkind, profeteer en zeg: Alzo zegt de Heere HEERE, van de kinderen Ammons, en van hun smading; zo zeg: Het zwaard, het zwaard is uitgetrokken, het is ter slachting geveegd om te verdoen, om te glinsteren;
Ook in dit vers
HeereH136
HEEREH3069
KJV
And thou, son
of man,
prophesy
and say,
Thus saith
the Lord
GOD
concerning the Ammonites,
and concerning their reproach;
even say
thou, The sword,
the sword
is drawn:
for the slaughter
it is furbished,
to consume
because of the glittering:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Terwijl zij u ijdelheidH7723 zienH2372, terwijl zij u leugenH3577 voorzeggenH7080, om u op de halzenH6677 te stellenH5414 dergenen, die van de goddelozen verslagenH2491 zijn, welker dagH3117 gekomen was ten tijdeH6256 der uitersteH7093 ongerechtigheidH5771.
Terwijl zij u ijdelheid zien, terwijl zij u leugen voorzeggen, om u op de halzen te stellen dergenen, die van de goddelozen verslagen zijn, welker dag gekomen was ten tijde der uiterste ongerechtigheid.
KJV
Whiles they see
vanity
unto thee, whiles they divine
a lie
unto thee, to bring
thee upon the necks
of them that are slain,
of the wicked,
whose day
is come,
when
their iniquity8
shall have an end.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
Keer uw zwaard weder in zijn schedeH8593! In de plaatsH4725, waarH834 gij geschapenH1254 zijt, in het landH776 uwer woningenH4351 zal Ik u richtenH8199.
Keer uw zwaard weder in zijn schede! In de plaats, waar gij geschapen zijt, in het land uwer woningen zal Ik u richten.
KJV
Shall I cause it to return
into his sheath?
I will judge
thee in the place
where thou wast created,
in the land
of thy nativity.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
En Ik zal over u Mijn gramschapH2195 uitgietenH8210, Ik zal tegen u door het vuurH784 Mijner verbolgenheidH5678 blazenH6315; en Ik zal u overgeven in de handH3027 van brandendeH1197 mensenH582, smedersH2796 des verderfsH4889.
En Ik zal over u Mijn gramschap uitgieten, Ik zal tegen u door het vuur Mijner verbolgenheid blazen; en Ik zal u overgeven in de hand van brandende mensen, smeders des verderfs.
Ook in dit vers
vergevenH5414
KJV
And I will pour out
mine indignation
upon thee, I will blow
against thee in the fire
of my wrath,
and deliver
thee into the hand
of brutish
men,
and skilful
to destroy.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
Het vuurH784 zult gij totH5704 spijzeH402 zijn, uw bloedH1818 zal zijn in het middenH8432 des landsH776; uwer zal nietH3808 gedachtH2142 worden; want Ik, de HEERE, heb het gesprokenH1696.
Het vuur zult gij tot spijze zijn, uw bloed zal zijn in het midden des lands; uwer zal niet gedacht worden; want Ik, de HEERE, heb het gesproken.
KJV
Thou shalt be for fuel
to the fire;
thy blood
shall be in the midst
of the land;
thou shalt be no more remembered:
for I the LORD
have spoken
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
zet uw aangezicht tegen Jeruzalem,
Zie boven Ezech. 20:46 .
Hertaald:
zet uw aangezicht tegen Jeruzalem,
Zie hierboven Ezech. 20:46.
drup tegen
Dat is, stel leer, straf en vermaning voor. Zie Deut. 32:2 .
Hertaald:
drup tegen
Dat is: stel leer, bestraffing en vermaning voor. Zie Deut. 32:2.
de heiligdommen,
Versta, den tempel des Heeren, over welken de Joden alzo roemden en pochten, alsof hij niet had kunnen uitgeroeid worden, Jer. 7:4 . Het getal van velen wordt gebruikt, omdat deze tempel verscheidene delen had; zie Lev. 26:31 .
Hertaald:
de heiligdommen,
Versta: de tempel van de HEERE, waarop de Joden zo roemden en pochten alsof die niet uitgeroeid had kunnen worden, Jer. 7:4. Het meervoud wordt gebruikt omdat deze tempel verschillende delen had; zie Lev. 26:31.
land van Israël;
Versta, het land van Juda, hetwelk een deel was van het land Kanaän, dat de Heere den Israëlieten tot hun erfdeel beloofd had. Zie boven Ezech. 6:2 .
Hertaald:
land van Israël;
Versta: het land van Juda, dat een deel was van het land Kanaän dat de HEERE de Israëlieten tot hun erfdeel beloofd had. Zie hierboven Ezech. 6:2.
Ik wil aan u,
Alsof de Heere zeide: De Babyloniërs hebben het niet alleen tegen u, maar Ik zelf ben uwe wederpartij, bereid om u te verderven; zie boven Ezech. 13:8 .
Hertaald:
Ik wil aan u,
Alsof de HEERE zei: de Babyloniërs hebben het niet alleen op u gemunt, maar Ik ben Zelf uw tegenpartij, bereid om u te verderven; zie hierboven Ezech. 13:8.
zwaard uit zijn schede trekken;
Menselijkerwijze van God gesproken, gelijk ook Lev. 26:33 . Zwaard voor de straf van den oorlog, Lev. 26:6 . Somtijds schijnt het nog andere straffen te begrijpen, gelijk Job 19:29 ; gelijk de oorlog ene zee van alle plagen is; zie ook Ps. 22:21 .
Hertaald:
zwaard uit zijn schede trekken;
Op menselijke wijze van God gesproken, zoals ook Lev. 26:33. Zwaard staat voor de straf van de oorlog, Lev. 26:6. Soms lijkt het ook nog andere straffen te omvatten, zoals Job 19:29, want de oorlog is een zee van alle plagen; zie ook Ps. 22:21.
rechtvaardige en den goddeloze
Versta, den rechtvaardige in schijn, en niet in waarheid, gelijk boven Ezech. 3:20 , zie de aantekening. Of den rechtvaardige in vergelijking met den goddeloze, die onrechtvaardiger is. Die minder goddeloos is, wordt gerechtvaardigd van dengene, die goddelozer is; dat is, rechtvaardiger geacht ten aanzien van hem; zie boven Ezech. 16:51-52 . Zo men het woord rechtvaardig verstaan wil van den waren vrome, zo wordt hij met den goddeloze gestraft, omdat hij bij denzelven blijft, hoewel de vrome niet vergaat gelijk de goddeloze; vergelijk Openb. 18:4 .
Hertaald:
rechtvaardige en den goddeloze
Versta: de rechtvaardige in schijn en niet in waarheid, zoals hierboven Ezech. 3:20; zie de aantekening daar. Of: de rechtvaardige in vergelijking met de goddeloze die onrechtvaardiger is. Wie minder goddeloos is, wordt gerechtvaardigd door hem die goddelozer is, dat is: rechtvaardiger geacht in vergelijking met hem; zie hierboven Ezech. 16:51-52. Wil men het woord rechtvaardig verstaan van de werkelijk vrome, dan wordt hij met de goddeloze gestraft omdat hij bij hem blijft — hoewel de vrome niet omkomt zoals de goddeloze; vergelijk Openb. 18:4.
tegen alle vlees,
Zie boven Ezech. 20:47-48 .
Hertaald:
tegen alle vlees,
Zie hierboven Ezech. 20:47-48.
niet meer wederkeren
Dat is, niet weder in de schede gestoken worden; dat is niet ophouden te verderven, voordat het mijn volle wraak zal uitgevoerd hebben.
Hertaald:
niet meer wederkeren
Dat is: niet weer in de schede gestoken worden; dat is: niet ophouden te verderven voordat het Mijn volle wraak voltrokken zal hebben.
zucht; zucht
Te weten om af te beelden het gekerm en gehuil, dat de Joden zouden maken, als zij de tijding krijgen zouden van de aankomst der Chaldeën.
Hertaald:
zucht; zucht
Namelijk om het gekerm en gehuil af te beelden dat de Joden zouden aanheffen wanneer zij het bericht kregen van de komst van de Chaldeeën.
hun ogen
Te weten van het volk, bij hetwelk gij woont. Want de daad van den profeet moest de gemeente een zeker voorteken zijn van de straffen, die over de Joden in Judea en Chaldea komen zouden.
Hertaald:
hun ogen
Namelijk van het volk waarbij u woont. Want de handeling van de profeet moest voor de gemeente een duidelijk voorteken zijn van de straffen die over de Joden in Judea en Chaldea zouden komen.
verbreking der lenden
Dat is, met zulke zware ophaling van den adem uit de diepte van het lijf en met zodanigen gang en wringing der leden, alsof hem de lenden verbroken waren.
Hertaald:
verbreking der lenden
Dat is: met zo'n zwaar ophalen van de adem uit het diepst van het lijf en met zo'n gang en wringen van de leden alsof zijn lendenen gebroken waren.
met bitterheid
Dat is, met zeer innerlijke smartende droefheid. Vergelijk 2 Kon. 4:27 .
Hertaald:
met bitterheid
Dat is: met zeer diepe, smartelijke droefheid. Vergelijk 2 Kon. 4:27.
gerucht,
Dat is, de zekere tijding van de komst der Chaldeën, om u te verderven.
Hertaald:
gerucht,
Dat is: het zekere bericht van de komst van de Chaldeeën om u te verderven.
zal versmelten,
Te weten door vrees. Zie Deut. 1:28 en Joz. 2:11 .
Hertaald:
zal versmelten,
Namelijk van vrees. Zie Deut. 1:28 en Joz. 2:11.
zullen verslappen,
Door verbaasdheid en ontsteltenis; zie 2 Sam. 4:1 .
Hertaald:
zullen verslappen,
Van verbijstering en ontsteltenis; zie 2 Sam. 4:1.
geest
Dat is, moed; zie Spr. 15:13 .
Hertaald:
geest
Dat is: moed; zie Spr. 15:13.
inkrimpen,
Dat is, door het gevoel zijner ellenden benauwd, geperst en geprand zijn. Het tegendeel is als het hart zich wijd uitbreidt; Ps. 119:32 .
Hertaald:
inkrimpen,
Dat is: door het gevoel van zijn ellende benauwd, geperst en samengedrukt zijn. Het tegendeel is wanneer het hart zich wijd uitbreidt; Ps. 119:32.
henenvlieten;
Hebreeuws, heengaan; dat is, hunne kracht verliezen. Zie boven Ezech. 7:17 .
Hertaald:
henenvlieten;
Hebreeuws: heengaan; dat is: hun kracht verliezen. Zie hierboven Ezech. 7:17.
komt,
Te weten het gerucht, recht tevoren vermeld.
Hertaald:
komt,
Namelijk het bericht dat zojuist genoemd is.
Het zwaard,
Versta door het zwaard de plaag van den oorlog. Zie Lev. 26:6 .
Hertaald:
Het zwaard,
Versta onder het zwaard de plaag van de oorlog. Zie Lev. 26:6.
het zwaard is
Het woord is verdubbeld om de grootheid en zekerheid der zaak, die verhaald wordt, mitsgaders de beweging desgenen, die het verhaal doet, uit te drukken, alsook om dengenen, wien het verhaal aangaat, tot hartelijke beweging te verwekken; vergelijk 2 Kon. 4:19 ; Jes. 26:5 ; Jer. 4:19 , en onder vs.28.
Hertaald:
het zwaard is
Het woord wordt verdubbeld om de grootheid en de zekerheid van de zaak die verteld wordt uit te drukken, en ook de ontroering van degene die het vertelt, en om hen die het aangaat tot innerlijke ontroering te brengen; vergelijk 2 Kon. 4:19; Jes. 26:5; Jer. 4:19, en hieronder vers 28.
gescherpt,
Te weten om te straffen en te verderven.
Hertaald:
gescherpt,
Namelijk om te straffen en te verderven.
geveegd
Dat is, schoon, net en sierlijk gemaakt.
Hertaald:
geveegd
Dat is: schoon, glad en glanzend gemaakt.
een slachting slachte;
Versta hierdoor de doding en vermoording der Joden door het zwaard en de wapens der Chaldeën. Het Hebreeuwse woord is ook zo genomen Ps. 37:14 ; Jes. 34:6 ; Jer. 25:34 . Anders betekent het de slachting der beesten tot spijs en voeding van de mensen, Gen. 43:16 ; Spr. 9:2 , zie de aantekening.
Hertaald:
een slachting slachte;
Versta hieronder het doden en vermoorden van de Joden door het zwaard en de wapens van de Chaldeeën. Het Hebreeuwse woord is ook zo opgevat in Ps. 37:14; Jes. 34:6; Jer. 25:34. Elders betekent dit woord het slachten van dieren als voedsel voor de mensen, Gen. 43:16; Spr. 9:2; zie de aantekening daar.
een glinster hebbe;
Dat is bekwaam is om te verschrikken en te vermoorden; vergelijk Deut. 32:41 ; Job 20:25 , en de aantekening.
Hertaald:
een glinster hebbe;
Dat is: geschikt is om schrik aan te jagen en te doden; vergelijk Deut. 32:41; Job 20:25 met de aantekening.
of wij dan zullen vrolijk zijn?
Sommigen nemen dit voor de woorden van den profeet tot de Joden, met welke hij reden geeft waarom men moest zuchten, gelijk hem belast was, boven vs.6; namelijk omdat er geen oorzaak was van blijdschap, maar wel van zwaar zuchten. Hebreeuws, of wij zullen vrolijk zijn.
Hertaald:
of wij dan zullen vrolijk zijn?
Sommigen vatten dit op als woorden van de profeet tot de Joden, waarmee hij aangeeft waarom men moest zuchten zoals hem opgedragen was, hierboven vers 6: namelijk omdat er geen reden tot blijdschap was, maar wel tot zwaar zuchten. Hebreeuws: of wij zullen vrolijk zijn.
het is
Te weten het voorgemelde zwaard. Dit zijn de woorden Gods tot den profeet.
Hertaald:
het is
Namelijk het genoemde zwaard. Dit zijn de woorden van God tot de profeet.
de roede
Dat is, de gesel, of straf; zie Job 9:34 .
Hertaald:
de roede
Dat is: de gesel of de straf; zie Job 9:34.
Mijns Zoons,
Dat is, waar Ik mijn zoon mede kastijd, te weten mijn volk Israël, hetwelk zo genaamd wordt ten aanzien van het verbond der genade; zie Ex. 4:22 , en de aantekening. Of versta den natuurlijken en eeuwigen Zoon Gods, door wien de Vader zijne oordelen uitvoert; Ps. 2:7-9 , Ps. 2:12 .
Hertaald:
Mijns Zoons,
Dat is: waarmee Ik Mijn zoon kastijd, namelijk Mijn volk Israël, dat zo genoemd wordt met het oog op het genadeverbond; zie Ex. 4:22 met de aantekening. Of versta de natuurlijke en eeuwige Zoon van God, door Wie de Vader Zijn oordelen uitvoert; Ps. 2:7-9, Ps. 2:12.
die
Te weten roede.
Hertaald:
die
Namelijk de roede.
alle hout
Sommigen, alle geboomte; dat is alle mensen, die in Juda overig waren, hogen en lagen, vorsten en de gemeente; zie onder vs.12.
Hertaald:
alle hout
Sommigen: alle geboomte; dat is: alle mensen die in Juda overgebleven waren, hoge en lage, vorsten en gewone gemeente; zie hieronder vers 12.
versmaadt
Dat is, zo sterk en taai is, dat zij tegen geen hout, hoe hard dat ook zij, met slaan wordt gebroken. Anders: de stam van mijn zoon versmaadt alle hout; dat is, mijn volk vraagt naar geen vaderlijke kastijding, daarom zal Ik met het zwaard straffen.
Hertaald:
versmaadt
Dat is: zij is zo sterk en taai dat zij door het slaan op geen enkel hout, hoe hard ook, gebroken wordt. Anders: de stam van Mijn zoon veracht alle hout; dat is: Mijn volk vraagt niet naar een vaderlijke kastijding, en daarom zal Ik met het zwaard straffen.
Hij heeft
Namelijk God.
Hertaald:
Hij heeft
Namelijk God.
hetzelve te vegen gegeven,
Te weten zwaard.
Hertaald:
hetzelve te vegen gegeven,
Namelijk het zwaard.
des doodslagers te geven
Dat is, van den koning van Babel en zijn heirleger.
Hertaald:
des doodslagers te geven
Dat is: van de koning van Babel en zijn leger.
hetzelve zal zijn
Te weten dat gescherpt en geveegd zwaard.
Hertaald:
hetzelve zal zijn
Namelijk dat gescherpte en gepolijste zwaard.
tegen Mijn volk,
Te weten om dat te verdelgen en uit te roeien.
Hertaald:
tegen Mijn volk,
Namelijk om dat te verdelgen en uit te roeien.
verschrikkingen
Anders: zij, te weten de voorgemelde vorsten, zullen in het zwaard nedergestoten worden met mijn volk; dat is, zullen in het zwaard vallen en door den oorlog omkomen.
Hertaald:
verschrikkingen
Anders: zij, namelijk de genoemde vorsten, zullen met Mijn volk in het zwaard neergestoten worden; dat is: zullen door het zwaard vallen en in de oorlog omkomen.
klop op de heup
Te weten tot een teken van grote droefheid; zie Jer. 31:19 .
Hertaald:
klop op de heup
Namelijk als teken van grote droefheid; zie Jer. 31:19.
beproeving was,
Te weten waardoor Ik mijn volk hier tevoren beproefd heb door de Chaldeën en andere vijanden, die hen zeer geplaagd hebben; 2 Kon. 23:33 , en 2 Kon. 24:1 , enz.; 2 Kron. 36:3 , enz. Anders: indien het ene beproeving ware, wat zou het zijn? en zou hij [evenwel] niet een versmadende stam zijn?
Hertaald:
beproeving was,
Namelijk de beproeving waarmee Ik Mijn volk hiervoor beproefd heb door de Chaldeeën en andere vijanden die hen zeer geplaagd hebben; 2 Kon. 23:33 en 2 Kon. 24:1 enzovoort; 2 Kron. 36:3, enzovoort. Anders: als het een beproeving was, wat zou het zijn? En zou hij (toch) niet een verachtende stam zijn?
wat was het toen?
Dat is, wat heeft het geholpen, te weten tot verbetering van mijn volk? Hij wil zeggen, niet met al.
Hertaald:
wat was het toen?
Dat is: wat heeft het geholpen, namelijk tot verbetering van Mijn volk? Hij wil zeggen: helemaal niets.
Zou er dan
Anders: zou het dan [te weten mijn volk] ook [onder] de versmadende roede niet zijn!
Hertaald:
Zou er dan
Anders: zou het dan (namelijk Mijn volk) ook niet (onder) de verachtende roede zijn!
ook geen
Te weten naardien het volk zich hoe langer hoe erger aanstelt.
Hertaald:
ook geen
Namelijk aangezien het volk zich hoe langer hoe erger gedraagt.
versmadende roede
Zie boven vs.10.
Hertaald:
versmadende roede
Zie hierboven vers 10.
zijn,
Door welke zij naar behoren gestraft worden.
Hertaald:
zijn,
Waardoor zij naar behoren gestraft worden.
sla hand tegen hand;
Dat is, sla de handen samen, te weten tot een teken van ontsteltenis en droefheid over de moedwillige verkeerdheid der Joden en hun verschrikkelijken ondergang. Alzo boven Ezech. 6:11 . Zie de aantekening. Het kan ook zijn dat den profeet dit handklappen bevolen wordt, om te betekenen hoe de Chaldeën elkander ophitsen zouden om de Joden aan te vallen. Vergelijk vs.17, en onder Ezech. 22:13 .
Hertaald:
sla hand tegen hand;
Dat is: sla de handen tegen elkaar, namelijk als teken van ontsteltenis en droefheid over de moedwillige verkeerdheid van de Joden en over hun verschrikkelijke ondergang. Zo ook hierboven Ezech. 6:11. Zie de aantekening daar. Het kan ook zijn dat dit handklappen de profeet bevolen wordt om aan te duiden hoe de Chaldeeën elkaar zouden opzwepen om de Joden aan te vallen. Vergelijk vers 17 en hieronder Ezech. 22:13.
ten derden male,
Dat is, dikwijls gebruikt worden om de Joden te verderven. Of versta dit van drie grote slachtingen, die de Chaldeën onder de Joden gedaan hebben. Zie van de eerste, 2 Kon. 25:5-7 ; Jer. 52:8-11 , van de tweede, 2 Kon. 25:8-10 , enz.; Jer. 52:12-14 , enz. en van de derde, die na den dood van Gedalia onder de Joden, die in Egypte gevlucht waren, van de Chaldeën ook gedaan is. Zie Jer 41 , Jer 42 , Jer 43 , Jer 44 , Jer 45 , Jer 46 .
Hertaald:
ten derden male,
Dat is: het zal vaak gebruikt worden om de Joden te verderven. Of versta het van drie grote slachtingen die de Chaldeeën onder de Joden aangericht hebben. Zie voor de eerste 2 Kon. 25:5-7; Jer. 52:8-11; voor de tweede 2 Kon. 25:8-10 enzovoort en Jer. 52:12-14 enzovoort; en voor de derde, die na de dood van Gedalia door de Chaldeeën is aangericht onder de Joden die naar Egypte gevlucht waren. Zie Jer. 41 tot en met Jer. 46.
dergenen,
Dat is, hetwelk vele mensen verslaan of ombrengen zal.
Hertaald:
dergenen,
Dat is: dat veel mensen zal verslaan of ombrengen.
groten,
Dat is, waarmede niet alleen geringe en gemene lieden, maar ook heren en vorsten verslagen zullen worden. Zie van het woord groten, aldus genomen, 2 Kon. 5:1 , en 2 Kon. 10:6 , en de aantekening.
Hertaald:
groten,
Dat is: waarmee niet alleen geringe en gewone mensen, maar ook heren en vorsten verslagen zullen worden. Zie over het woord groten in die betekenis 2 Kon. 5:1 en 2 Kon. 10:6 met de aantekening.
tot hen in de binnenste kameren
Dat is, tot degenen, die zich in de verborgenste plaatsen versteken zullen om het zwaard te ontgaan; vergelijk 1 Kon. 20:30 , en 1 Kon. 22:25 . Hebreeuws, da tot hen in het binnenste inkameren zal, of is inkamerende.
Hertaald:
tot hen in de binnenste kameren
Dat is: tot hen die zich in de meest verborgen plaatsen zullen verstoppen om aan het zwaard te ontkomen; vergelijk 1 Kon. 20:30 en 1 Kon. 22:25. Hebreeuws: dat tot hen in het binnenste zal inkameren, of: inkamerende is.
punt des zwaards
Of, scherpte, of glans. Anderen vertalen het woord schrik, slachting, of geroep. Het wordt alleen hier gevonden.
Hertaald:
punt des zwaards
Of: scherpte, of glans. Anderen vertalen het woord met schrik, slachting of geschreeuw. Het komt alleen hier voor.
hun poorten,
Dat is, tegen hunne steden, sterkten, welke hier in voortijden bestonden in hunne poorten; zie Gen. 22:17 .
Hertaald:
hun poorten,
Dat is: tegen hun steden en vestingen, die vroeger bestonden in hun poorten; zie Gen. 22:17.
versmelte,
Dat is, door angst en vrees verga, en alle kracht verlieze. Alzo Joz. 2:9 , Joz. 2:24 ; Job 30:22 .
Hertaald:
versmelte,
Dat is: van angst en vrees vergaat en alle kracht verliest. Zo Joz. 2:9, Joz. 2:24; Job 30:22.
de aanstoten vermenigvuldigen;
Dat is, gelegenheden van vallen, waarin zij zich storten en verderven zullen, zoekende wel de gevaren te ontkomen, en hun leven te behouden; maar zouden zich van het ene ongeluk in het andere vinden; vergelijk boven Ezech. 7:19 .
Hertaald:
de aanstoten vermenigvuldigen;
Dat is: aanleidingen tot vallen, waarin zij zich zullen storten en te gronde gaan: zij zullen wel proberen de gevaren te ontkomen en hun leven te behouden, maar zij zullen van het ene ongeluk in het andere raken; vergelijk hierboven Ezech. 7:19.
ach,
Dit zijn de woorden van den profeet, beklagende de ellende van zijn volk.
Hertaald:
ach,
Dit zijn de woorden van de profeet, die de ellende van zijn volk beklaagt.
het is toegemaakt,
Te weten het zwaard.
Hertaald:
het is toegemaakt,
Namelijk het zwaard.
opdat het glinstere,
Hebreeuws, ter glinstering; dat is, opdat het bekwaam zij om de moedwillige Joden te verschrikken en te verderven; vergelijk boven vs.10, en onder vs.28.
Hertaald:
opdat het glinstere,
Hebreeuws: tot glinstering; dat is: opdat het geschikt zou zijn om de moedwillige Joden schrik aan te jagen en te verderven; vergelijk hierboven vers 10 en hieronder vers 28.
is ingewonden om te slachten
Dat is, weggelegd om hetzelve ter slachting gereed te hebben. Anders: gescherpt.
Hertaald:
is ingewonden om te slachten
Dat is: weggelegd om het gereed te hebben voor de slachting. Anders: gescherpt.
Houd u bijeen,
Hebreeuws, houd u bijeen, ga ter rechterhand, schik u, ga ter linkerhand; zie van deze manier van spreken Ps. 45:5 . De Heere spreekt hier het zwaard toe, alsof het de krijgsman ware, die het gebruiken moest. Zie Job 14:7 . Hij beveelt het dat het zich voege en samen verenige met de andere zwaarden of krijgslieden zijner bende, om met enen moed en kracht den vijand op het lijf te vallen, hetzij ter rechter-of ter linkerhand.
Hertaald:
Houd u bijeen,
Hebreeuws: houd u bijeen, ga ter rechterhand, schik u, ga ter linkerhand; zie over deze manier van spreken Ps. 45:5. De HEERE spreekt hier het zwaard aan alsof het de krijgsman was die het moest gebruiken. Zie Job 14:7. Hij beveelt het zich te voegen en te verenigen met de andere zwaarden of krijgslieden van zijn bende, om met één moed en kracht de vijand aan te vallen, hetzij rechts of links.
waarhenen
Dat is, tot welk deel of oord van Judea het zou mogen wezen dat gij gelast zijt om daar moorderij en verwoesting aan te richten. Spaar niets noch iemand.
Hertaald:
waarhenen
Dat is: naar welk deel of streek van Judea het ook mag zijn waar u opdracht kreeg moord en verwoesting aan te richten. Spaar niets en niemand.
slaan,
Te weten om den Chaldeën moed te geven, hen aan te hitsen en op te jagen tot het verderven en uitroeien der Joodse natie; zie boven de aantekening vs.14. Versta dat dit zo blijken zou door de uitkomst der zaak, dat het doen der Chaldeën met Gods rechtvaardigen wil overeenkwam.
Hertaald:
slaan,
Namelijk om de Chaldeeën moed te geven en hen aan te sporen en op te jagen tot het verderven en uitroeien van het Joodse volk; zie hierboven de aantekening bij vers 14. Versta dat uit de afloop van de zaak zou blijken dat het doen van de Chaldeeën met Gods rechtvaardige wil overeenkwam.
Mijn grimmigheid
Dat is mijn moed aan u koelen en mijn toorn aan u verzadigen; vergelijk boven Ezech. 5:13 .
Hertaald:
Mijn grimmigheid
Dat is: Mijn toorn aan u koelen en Mijn gramschap aan u verzadigen; vergelijk hierboven Ezech. 5:13.
stel u
Te weten op een tafereel af te malen en uit te drukken, gelijk boven Ezech. 4:1-2 .
Hertaald:
stel u
Namelijk om op een tekening af te beelden en uit te drukken, zoals hierboven Ezech. 4:1-2.
twee wegen voor,
Te weten beide voortkomende uit het land van Babylonië, waarvan de ene was ter rechterhand, om in Judea te komen, de andere ter linkerhand, om te komen in het land der Ammonieten. Nebukadnezar nu beraadslaagde welk land hij in dezen tocht eerst aantasten zou, hetwelk hier met deze twee wegen betekend wordt.
Hertaald:
twee wegen voor,
Namelijk twee wegen die beide uit het land Babylonië kwamen: de ene rechts, om in Judea te komen, de andere links, om in het land van de Ammonieten te komen. Nebukadnezar overlegde nu welk land hij op deze tocht als eerste zou aanvallen, en dat wordt hier met deze twee wegen aangeduid.
een land
Te weten Babylonië. Of, uit eens land; dat is, van den koning van Babel.
Hertaald:
een land
Namelijk Babylonië. Of: uit één land, dat is: van de koning van Babel.
zijde,
Hebreeuws, hand; zie Spr. 8:3 , en de aantekening. Versta, vanwaar de koning van Babel in het Joodse land invallen zou.
Hertaald:
zijde,
Hebreeuws: hand; zie Spr. 8:3 met de aantekening. Versta: vanwaar de koning van Babel het Joodse land zou binnenvallen.
aan het hoofd van den weg
Dat is, aan het begin van den tweeweg, te weten aan den weg, die naar de stad Jeruzalem loopt. Het is ene profetie, dat Nebukadnezar eerst het Joodse land zou zien aan zich te brengen, om daarna de Ammonieten te overweldigen.
Hertaald:
aan het hoofd van den weg
Dat is: aan het begin van de tweesprong, namelijk aan de weg die naar de stad Jeruzalem loopt. Het is een profetie dat Nebukadnezar eerst zou proberen het Joodse land te onderwerpen om daarna de Ammonieten te overweldigen.
Rabba der kinderen Ammons,
Zie 2 Sam. 11:1 .
Hertaald:
Rabba der kinderen Ammons,
Zie 2 Sam. 11:1.
zal aan de
Te weten als hij met een heirleger uit zijn land zuidwaarts optrekken zal om een krijgstocht te doen. In het Hebreeuws wordt de verleden tijd gebruikt: heeft gestaan, om te tonen de zekerheid van dit verhaal, alsof het alrede geschied ware.
Hertaald:
zal aan de
Namelijk wanneer hij met een leger uit zijn land zuidwaarts zal optrekken om een veldtocht te ondernemen. In het Hebreeuws wordt de verleden tijd gebruikt: heeft gestaan, om de zekerheid van dit verhaal te tonen, alsof het al gebeurd was.
wegscheiding
Hebreeuws, moeder van den weg. Versta, een tweesprong, of tweeweg, die in twee wegen verdeeld wordt. De wegscheiding is ene moeder der wegen genaamd, omdat daaruit andere wegen voortkomen, gelijk uit ene moeder kinderen.
Hertaald:
wegscheiding
Hebreeuws: moeder van de weg. Versta: een tweesprong, een weg die zich in tweeën splitst. De wegsplitsing wordt een moeder van de wegen genoemd, omdat daaruit andere wegen voortkomen zoals kinderen uit een moeder.
staan,
Te weten, gelijk een die twijfelt welken weg hij ingaan zal, namelijk die ter rechterhand ligt, of die ligt ter linkerhand.
Hertaald:
staan,
Namelijk zoals iemand die twijfelt welke weg hij zal inslaan: de weg rechts of de weg links.
het hoofd van de twee wegen,
Dat is, het begin, den ingang; zie boven Ezech. 16:25 , en de aantekening.
Hertaald:
het hoofd van de twee wegen,
Dat is: het begin, de ingang; zie hierboven Ezech. 16:25 met de aantekening.
waarzegging te gebruiken;
Hebreeuws, waarzegging te waarzeggen; dat is waarzegging te gebruiken, of met waarzegging om te gaan; zie van het woord waarzegging, Spr. 16:10 . De zin is dat hij de kunst zijner afgodische waarzegging zou in het werk stellen, om te zien welken weg hij ingaan zou.
Hertaald:
waarzegging te gebruiken;
Hebreeuws: waarzegging te waarzeggen; dat is: waarzeggerij toepassen, of met waarzeggerij omgaan; zie over het woord waarzeggerij Spr. 16:10. De betekenis is dat hij zijn afgodische waarzegkunst zou toepassen om te zien welke weg hij zou kiezen.
slijpen;
Te weten ten einde dat ze hem, als hij die naar zijn bijgelovige manier gebruikt zou hebben, te verstaan mochten geven welken weg hij kiezen zou. Anderen vertalen het woord pijlen, messen, welke geveegd en genet werden, als men vele offeranden daarmede gedaan had, uit welke de heidenen hunne waarzeggingen maakten.
Hertaald:
slijpen;
Namelijk opdat die hem, wanneer hij ze op zijn bijgelovige manier gebruikt zou hebben, te kennen zouden geven welke weg hij moest kiezen. Anderen vertalen het woord met pijlen of messen, die schoongemaakt en gepolijst werden nadat men er veel offers mee had gebracht, waaruit de heidenen hun voorspellingen afleidden.
terafim
Zie Gen. 31:19 .
Hertaald:
terafim
Zie Gen. 31:19.
vragen,
Te weten om raad.
Hertaald:
vragen,
Namelijk om raad.
lever bezien
Te weten van hun geslachte beesten. Uit de gestaltenis nu der lever oordeelden zij naar hun afgodische bijgelovigheid, wat hun te doen of te laten stond.
Hertaald:
lever bezien
Namelijk van de dieren die zij geslacht hadden. Uit de vorm van de lever leidden zij naar hun afgodisch bijgeloof af wat hun te doen of te laten stond.
op Jeruzalem,
Dat is, de waarzegging zal uitwijzen dat Nebukadnezar de rechterhand moest kiezen, om Jeruzalem eerst te belegeren.
Hertaald:
op Jeruzalem,
Dat is: de waarzeggerij zal uitwijzen dat Nebukadnezar de rechterhand moest kiezen, om eerst Jeruzalem te belegeren.
hoofdmannen
Het Hebreeuwse woord is alzo genomen 2 Kon. 11:5 ; maar in het volgende van vs.22 betekent het stormrammen, gelijk ook boven Ezech. 4:2 .
Hertaald:
hoofdmannen
Het Hebreeuwse woord is zo opgevat in 2 Kon. 11:5; maar in het vervolg van vers 22 betekent het stormrammen, zoals ook hierboven Ezech. 4:2.
te stellen,
Dat is, de belegering tegen Jeruzalem aan te grijpen en te ordineren.
Hertaald:
te stellen,
Dat is: de belegering van Jeruzalem aan te vangen en in te richten.
den mond te openen
Dat is, met groot geroep de krijgslieden tot het vermoorden en verderven der Joden aan te drijven, of tot opening van enig gat in den muur, waardoor zij mochten inbreken. Het volgende woord gejuich kan ook overgezet worden een gebroken geklank.
Hertaald:
den mond te openen
Dat is: met luid geroep de krijgslieden aan te sporen tot het vermoorden en verderven van de Joden, of tot het openen van een bres in de muur waardoor zij konden binnendringen. Het volgende woord gejuich kan ook vertaald worden met een afgebroken geschal.
de stem op te heffen
Dat is, met een vreeslijk veldgeschrei de vijanden te verschrikken en de stad aan te vallen.
Hertaald:
de stem op te heffen
Dat is: met een verschrikkelijk strijdgeschreeuw de vijanden schrik aan te jagen en de stad aan te vallen.
stormrammen te stellen tegen de poorten,
Zie boven Ezech. 4:2 .
Hertaald:
stormrammen te stellen tegen de poorten,
Zie hierboven Ezech. 4:2.
Dit zal
Dat is, deze uwe profetie.
Hertaald:
Dit zal
Dat is: deze profetie van u.
hun
Te weten den Joden.
Hertaald:
hun
Namelijk de Joden.
in hun ogen
Dat is, in hun oordeel; zie Job 18:3 .
Hertaald:
in hun ogen
Dat is: naar hun oordeel; zie Job 18:3.
ijdel waarzeggen zijn,
Hebreeuws, een waarzeggen der ijdelheid, of leugen; vergelijk onder vs.29.
Hertaald:
ijdel waarzeggen zijn,
Hebreeuws: een waarzeggen van de ijdelheid, of van de leugen; vergelijk hieronder vers 29.
onder hen;
Namelijk de Joden met de Egyptenaars, of ook andere omliggende volken, die den Joden met den eed beloofd hadden, dat zij hen tegen de Chaldeën beschermen zouden. Sommigen verstaan het van den eed met welken zij aan den koning van Babel verplicht waren; uit het volgende.
Hertaald:
onder hen;
Namelijk van de Joden met de Egyptenaren, of ook met andere omliggende volken die de Joden met een eed beloofd hadden hen tegen de Chaldeeën te beschermen. Sommigen verstaan er de eed onder waarmee zij aan de koning van Babel verplicht waren, op grond van het vervolg.
hij zal der
Namelijk de koning van Babel.
Hertaald:
hij zal der
Namelijk de koning van Babel.
ongerechtigheid gedenken,
Versta, de ontrouw en meinedigheid, die de koning Zedekia in het breken van het verbond, gemaakt met Nebukadnezar, bewezen had.
Hertaald:
ongerechtigheid gedenken,
Versta: de ontrouw en de meineed die koning Zedekia bedreven had door het verbond met Nebukadnezar te breken.
opdat zij
Namelijk de Joden in Jeruzalem wonende en daaronder behorende.
Hertaald:
opdat zij
Namelijk de Joden die in Jeruzalem woonden en daarbij hoorden.
gegrepen worden
Of gevangen, of ingenomen worden; dat is door wapenen overwonnen, overweldigd en gevankelijk weggevoerd worden.
Hertaald:
gegrepen worden
Of: gevangengenomen of ingenomen worden; dat is: door de wapens overwonnen, overweldigd en gevankelijk weggevoerd worden.
doet gedenken,
Te weten mij en den koning van Babylonië doet gij ze gedenken, door in uwe meinedigheid moedwilliglijk en openbaar voort te gaan, en daarin u te versterken door nieuwe verbonden, die gij met andere volken tegen den koning van Babel hebt opgericht.
Hertaald:
doet gedenken,
Namelijk: u doet Mij en de koning van Babylonië eraan denken doordat u moedwillig en openlijk in uw meineed voortgaat en uzelf daarin versterkt door nieuwe verbonden die u met andere volken tegen de koning van Babel gesloten hebt.
hand gegrepen worden
Te weten van Nebukadnezar, dat is door zijn machtig heirleger.
Hertaald:
hand gegrepen worden
Namelijk door Nebukadnezar, dat is: door zijn machtige leger.
o onheilig,
Hij meent Zedekia den koning van Juda.
Hertaald:
o onheilig,
Hij bedoelt Zedekia, de koning van Juda.
goddeloos vorst van Israël,
Te weten door afgoderij tegen God, meinedigheid, tegen den koning Nebukadnezar, wreedheid tegen zijne onderzaten, enz.
Hertaald:
goddeloos vorst van Israël,
Namelijk door afgoderij tegen God, meineed tegen koning Nebukadnezar, wreedheid tegen zijn onderdanen, enzovoort.
dag komen zal,
Te weten van uw straf en ondergang. Zie Job 18:20 , en de aantekening, en Ps. 37:13 ; idem, hieronder vs.29.
Hertaald:
dag komen zal,
Namelijk van uw straf en ondergang. Zie Job 18:20 met de aantekening, en Ps. 37:13; eveneens hieronder vers 29.
tijde der uiterste ongerechtigheid;
Dat is, als de ongerechtigheid op het hoogste gekomen en vol zal zijn, Gen. 15:16 . Hebreeuws, ten tijde der ongerechtigheid van het einde, of van het uiterste; dat is de uiterste of eindelijke ongerechtigheid; of men kan met sommigen door ongerechtigheid verstaan [gelijk elders] de straf der ongerechtigheid en van het einde; dat is die een einde met hen zal uitmaken. Alzo onder vs.29, en Ezech. 35:5 .
Hertaald:
tijde der uiterste ongerechtigheid;
Dat is: wanneer de ongerechtigheid haar hoogtepunt bereikt heeft en vol zal zijn, Gen. 15:16. Hebreeuws: ten tijde van de ongerechtigheid van het einde, of van het uiterste; dat is: de uiterste of laatste ongerechtigheid. Of men kan met sommigen onder ongerechtigheid (zoals elders) de straf op de ongerechtigheid verstaan, en dan van het einde, dat is: die een einde met hen zal maken. Zo ook hieronder vers 29 en Ezech. 35:5.
weg,
Te weten van uw hoofd; zie van dezen hoed Ex. 28:4 .
Hertaald:
weg,
Namelijk van uw hoofd; zie over deze hoed Ex. 28:4.
dezelfde niet wezen;
dat is, uw kroon niet meer wezen, dat is, gij zult niet meer koning zijn.
Hertaald:
dezelfde niet wezen;
Dat is: het zal uw kroon niet meer zijn, dat is: u zult niet meer koning zijn.
nederig is,
Versta, den koning Jojachin, die in de Babylonische gevangenschap was, van wiens verhoging zie 2 Kon. 25:27 , enz.
Hertaald:
nederig is,
Versta: koning Jojachin, die in de Babylonische gevangenschap was; over zijn verhoging, zie 2 Kon. 25:27, enzovoort.
die hoog is
Dat is, Zedekia, die nu wel koning was, maar haast zou gevangen, verblind en weggevoerd worden. Zie 2 Kon. 25:6-7 .
Hertaald:
die hoog is
Dat is: Zedekia, die nu wel koning was, maar spoedig gevangen, verblind en weggevoerd zou worden. Zie 2 Kon. 25:6-7.
die kroon
Te weten die kroon, van welke in vs.26 gemeld is.
Hertaald:
die kroon
Namelijk de kroon waarover in vers 26 gesproken is.
omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen;
Dat is gans uitroeien, omwerpen en verderven. Hetzelfde wordt driemalen herhaald om de zekerheid van het verhaal en den ijver van den profeet aan te wijzen, alsook om degenen, wien het aanging, sterkelijk te bewegen. Vergelijk Jer. 7:4 , en Jer. 22:29 . Het Hebreeuwse woord is zo genomen, Jes. 24:1 .
Hertaald:
omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen;
Dat is: geheel uitroeien, omverwerpen en verderven. Hetzelfde wordt driemaal herhaald om de zekerheid van de uitspraak en de ijver van de profeet aan te geven, en ook om hen die het aanging krachtig te bewegen. Vergelijk Jer. 7:4 en Jer. 22:29. Het Hebreeuwse woord is zo opgevat in Jes. 24:1.
zij zal niet zijn,
Dat is, daar zal geen koning zijn uit den stam van Juda.
Hertaald:
zij zal niet zijn,
Dat is: er zal geen koning zijn uit de stam van Juda.
daartoe recht heeft,
Te weten om de kroon te hebben. Deze is onze Heere Jezus Christus, die de ware zoon en opvolgers is van David.
Hertaald:
daartoe recht heeft,
Namelijk om de kroon te dragen. Dat is onze Heere Jezus Christus, Die de ware Zoon en Opvolger van David is.
dat geven zal
Te weten recht.
Hertaald:
dat geven zal
Namelijk het recht.
smading;
Te weten die zij mijn volk aangedaan hebben; van welke zie onder Ezech. 25:6 ; Sef. 2:8 .
Hertaald:
smading;
Namelijk de smaad die zij Mijn volk aangedaan hebben; zie daarover hieronder Ezech. 25:6; Zef. 2:8.
het zwaard is
Van gelijke verdubbeling van dit woord zie boven vs.9.
Hertaald:
het zwaard is
Over een soortgelijke verdubbeling van dit woord, zie hierboven vers 9.
uitgetrokken,
Hebreeuws, geopend; zie Ps. 37:14 .
Hertaald:
uitgetrokken,
Hebreeuws: geopend; zie Ps. 37:14.
slachting geveegd
Te weten van u, o Ammonieten, die gij mede van den koning Nebukadnezar afgevallen zijt en het verderf niet zult ontgaan, ofschoon Jeruzalem voorgaat.
Hertaald:
slachting geveegd
Namelijk van u, Ammonieten, die ook van koning Nebukadnezar afgevallen bent en het verderf niet zult ontgaan, ook al gaat Jeruzalem voor.
om te verdoen,
Anders: om te vatten, of te houden.
Hertaald:
om te verdoen,
Anders: om te vatten, of vast te houden.
om te glinsteren;
Anders: om de glinstering; dat is omdat het zo toebereid is tot glinsterens toe, dat het met de slachting ook grote verschrikking zal aanrichten; vergelijk boven vs.10.
Hertaald:
om te glinsteren;
Anders: om de glinstering; dat is: omdat het zo toebereid is dat het glinstert, zal het met de slachting ook grote schrik aanrichten; vergelijk hierboven vers 10.
zij
Versta, de valse profeten der Ammonieten.
Hertaald:
zij
Versta: de valse profeten van de Ammonieten.
u
Hij spreekt het Ammonietische volk toe.
Hertaald:
u
Hij spreekt het Ammonitische volk toe.
ijdelheid zien,
Dat is, valsheid profeteren, te weten van vrede. Want terwijl zij u alzo pluimstrijken, zullen u de Chaldeën overvallen.
Hertaald:
ijdelheid zien,
Dat is: valsheid profeteren, namelijk over vrede. Want terwijl zij u zo vleien, zullen de Chaldeeën u overvallen.
de halzen te stellen
Dat is, om vreugde te verwekken over de Joden, die van de Chaldeën verdrukt zijn, even alsof zij deze verdrukking niet hadden te verwachten.
Hertaald:
de halzen te stellen
Dat is: om vreugde te wekken over de Joden die door de Chaldeeën verdrukt zijn, alsof zij die verdrukking zelf niet te verwachten hadden.
die van de goddelozen
Hebreeuws, der verslagenen der goddelozen. Versta, de Joden, die van de Chaldeën vermoord waren.
Hertaald:
die van de goddelozen
Hebreeuws: van de verslagenen van de goddelozen. Versta: de Joden die door de Chaldeeën vermoord waren.
welker
Te weten verslagenen.
Hertaald:
welker
Namelijk van de verslagenen.
dag gekomen was
Zie boven vs.25.
Hertaald:
dag gekomen was
Zie hierboven vers 25.
Keer uw zwaard weder
Dat is, wedersta de Chaldeën niet; want het zal u niet helpen. Anders: zou Ik [het zwaard] weder in zijne schede keren? Hij wil zeggen: Neen, maar in de plaats, enz.
Hertaald:
Keer uw zwaard weder
Dat is: bied de Chaldeeën geen weerstand, want het zal u niet baten. Anders: zou Ik (het zwaard) weer in zijn schede steken? Hij wil zeggen: nee, maar op de plaats, enzovoort.
waar gij geschapen zijt,
Dat is, in uw vaderland, waarin gij geboren zijt.
Hertaald:
waar gij geschapen zijt,
Dat is: in uw vaderland, waar u geboren bent.
woningen
Anders: uwer handelingen.
Hertaald:
woningen
Anders: van uw daden.
richten
Dat is, straffen door het zwaard der Chaldeën. Zie Gen. 15:14 .
Hertaald:
richten
Dat is: straffen door het zwaard van de Chaldeeën. Zie Gen. 15:14.
vuur Mijner verbolgenheid
Vergelijk boven Ezech. 20:47 , en de aantekening.
Hertaald:
vuur Mijner verbolgenheid
Vergelijk hierboven Ezech. 20:47 met de aantekening.
brandende mensen,
Te weten van toorn en vijandschap. Anders: onvernuftige mensen.
Hertaald:
brandende mensen,
Namelijk van toorn en vijandschap. Anders: redeloze mensen.
smeders des verderfs
Dat is, die meesters en kunstenaars zijn, om verderving aan te richten.
Hertaald:
smeders des verderfs
Dat is: die meesters en vaklieden zijn in het aanrichten van verderf.
tot spijze zijn,
Hebreeuws, om te eten; dat is, om u te eten. Gelijk het vuur het hout verslindt, alzo zullen de vijanden u verslinden.
Hertaald:
tot spijze zijn,
Hebreeuws: om te eten; dat is: om u te eten. Zoals het vuur het hout verslindt, zo zullen de vijanden u verslinden.
bloed zal zijn in het midden des lands;
Te weten wredelijk overal van de vijanden vergoten.
Hertaald:
bloed zal zijn in het midden des lands;
Namelijk overal wreed door de vijanden vergoten.
niet gedacht worden;
Te weten van de mensen. Zo gans zult gij uitgeroeid worden. Vergelijk onder Ezech. 25:10 .
Hertaald:
niet gedacht worden;
Namelijk door de mensen. Zo volkomen zult u uitgeroeid worden. Vergelijk hieronder Ezech. 25:10. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Tegen de vorst van Israël wordt gezegd: "Doe dien hoed weg, en hef dien kroon af, deze zal dezelfde niet wezen; Ik zal verhogen dien, die nederig is, en vernederen dien, die hoog is" (Ezech. 21:26). En dan volgt de zin waar dit hoofdstuk om bekendstaat: "Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja, zij zal niet zijn, totdat hij kome, die daartoe recht heeft, en dien Ik dat geven zal" (Ezech. 21:27). Bijbelse betekenis: Eerst in zijn eigen tijd. De laatste koning van Juda wordt afgezet, en de drievoudige herhaling zegt hoe grondig dat gebeurt: de troon wordt niet één keer omgekeerd maar telkens weer. Merk vervolgens op het woordje totdat. Er wordt geen einde aangekondigd maar een onderbreking; er komt Iemand die er recht op heeft, en God zal het Hem geven. Dat is dezelfde vorm als in de zegen van Jakob over Juda, waar de scepter niet wijkt totdat Silo komt (reeds behandeld bij Gen. 49:10). Let ten slotte op wat er niet bij staat. Er wordt geen naam genoemd en geen tijd; er staat alleen dat er recht op bestaat en dat God het geven zal. Het register vult dat niet verder in dan het Nieuwe Testament het doet. Typologie: De engel zegt tot Maria dat God Hem de troon van Zijn vader David geven zal, en dat aan Zijn Koninkrijk geen einde zal zijn (Luk. 1:32-33). En in het laatste boek is Hij de enige Die waardig is (reeds behandeld bij Op. 5:5). Ezech. 21:25-27; Gen. 49:10; Luk. 1:32-33; Op. 5:5 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het koninkrijk niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen uitwerking Ezechiël spreekt in dit hoofdstuk over het zwaard des HEEREN, dat getrokken is en niet meer in de schede teruggaat. Aan het eind van die rede wordt de laatste koning van Juda aangesproken, en hem wordt zijn kroon afgenomen. De kroon van Juda wordt neergelegd met een tijdsbepaling erbij: totdat Hij komt Die er recht op heeft. Het vonnis is kort en persoonlijk. De vorst van Israël wordt onheilig en goddeloos genoemd, en dan volgt het bevel: “Doe dien hoed weg, en hef dien kroon af, deze zal dezelfde niet wezen; Ik zal verhogen dien, die nederig is, en vernederen dien, die hoog is.” En dan komt een zin die door haar herhaling blijft hangen: “Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja, zij zal niet zijn.” Drie keer hetzelfde woord. Er wordt niet gezegd dat het koningschap tijdelijk in andere handen komt; er wordt gezegd dat het er niet meer zal zijn. Maar dan volgt er nog iets, en dat maakt van een oordeel een belofte: “totdat hij kome, die daartoe recht heeft, en dien Ik dat geven zal.” Wie dat leest met Genesis 49 in gedachten, herkent het meteen. Daar zei Jakob dat de scepter van Juda niet wijken zou totdat Silo komt. Dat woord Silo is een van de raadselachtigste van het Oude Testament, en het komt maar één keer voor; de gangbaarste verklaring is dat het betekent: hij aan wie het toebehoort — de rechtmatige koning. Ezechiël gebruikt hier niet datzelfde woord, maar hij zegt met andere woorden precies hetzelfde: hij die daartoe recht heeft. Wat de Statenvertaling hier vertaalt, komt in betekenis overeen met wat er in Genesis 49 staat. Meer dan duizend jaar na Jakob leefde die verwachting dus nog. En Ezechiël spreekt haar uit op het moment waarop zij het minst waarschijnlijk lijkt: op de dag dat de kroon van Davids huis werkelijk wordt afgezet. Wat weggenomen wordt, wordt bewaard voor Iemand anders. De geschiedenis heeft hem gelijk gegeven. Na Zedekia heeft er nooit meer een zoon van David op die troon gezeten. De kroon lag driemaal omgekeerd, en zij bleef liggen. En toen er eindelijk Eén kwam Die er recht op had, werd Hij geboren in een stal en gekroond met doornen. De Openbaring noemt Hem de Leeuw uit de stam van Juda, tot Wie de scepter behoorde. En er zit in het vers ervoor al een aanwijzing hoe dat gaan zou: Ik zal verhogen die nederig is, en vernederen die hoog is. Diezelfde regel zingt Maria, nadat zij gehoord heeft welk Kind zij dragen zal. In het Nieuwe Testament: Genesis 49:10; Openbaring 5:5; Lukas 1:52; Lukas 1:32-33; Johannes 19:2-5 Hoever dit reikt: Dat de scepter van Juda tot Silo bewaard blijft, staat in Genesis 49:10; over de betekenis van dat woord lopen de verklaringen uiteen, en de meest gangbare is: hij aan wie het toekomt. Dat Ezechiël 21:27 dezelfde gedachte uitdrukt, is een gevolgtrekking van uitleggers uit de bewoordingen, en zij is goed onderbouwd. Het Nieuwe Testament haalt geen van beide plaatsen woordelijk aan, maar het noemt Christus wel de Leeuw uit de stam van Juda.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Ezechiël 21
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Totdat Hij komt, Die daartoe recht heeft — 21:25-27
Wat betekenen de niveaus?


Ezechiël 21
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
En des HEEREN woord geschiedde tot mij tengevolge mijner klacht. Het droeg mij tegenover de ironische hardhorigheid der toehoorders ene verkondiging op, die in duidelijke woorden hetzelfde zei, wat te voren de rede, in de gelijkenis gehuld, reeds had willen te kennen geven, zeggende:
Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Jeruzalem, dat in het zuiden voor u ligt, en drup (Hoofdst. 20:46)tegen de heiligdommen of kerken (Hoofdst. 7:24) in het zuiden, en profeteer tegen het land van Israël als het bos in het veld naar het zuiden. De Profeet verklaart in het volgende de gelijkenis van Hoofdst. 20:46 vv. maar zo dat hij een ander beeld tot verklaring van het eerste gebruikt. Dat vuur is het wrekende zwaard van Jehova, dat zonder verschoning alles wegmaait. (Deut. 32:41 vv.). Het nieuwe woord Gods beperkt er zich niet toe, den inhoud van het vorige nader te ontvouwen, maar het geeft te gelijk (vs. 6 vv.) den Profeet een teken, dat hij voor zijne hoorders moet volbrengen, en staat met hetgeen tot Hoofdst 23:49 volgt, tot de gehele tot hiertoe aangewezene afdeling onzer groep (Hoofdst. 20:1-48) in zoverre in nauw verband, als daarin ene, door de opheldering, welke de in Hoofdst. 20:49 medegedeelde omstandigheid gaf en door verklaring der afdeling wordt gegeven.
En zeg tot het land van Israël, als het bos in het veld naar het zuiden (Hoofdst. 20:46): Alzo zegt de HEERE: Ziet Ik wil aan u; gelijk Ik reeds in Hoofdst. 5:8 gezegd heb! en Ik zal Mijn zwaard, dat Ik in Mijne lankmoedigheid zo lang heb teruggehouden, nu uit zijne schede trekken; en Ik zal daarmee van u uitroeien den rechtvaardige en den goddeloze, in den bij Hoofdst. 3:18 vv. voorgestelden zin.
Omdat Ik dan volgens zulk een besluit van u uitroeien zal den rechtvaardige en den goddeloze, daarom zal Mijn zwaard ook inderdaad uit zijne schede uitgaan tegen alle vlees zonder onderscheid, van het zuiden tot het noorden (Hoofdst. 20:47).
En alle vlees zal weten, wanneer zo alles wordt weggeruimd en niets verschoond blijft, dat Ik, de HEERE, Mijn zwaard uit zijne schede getrokken heb: het zal niet meer wederkeren, voordat het zijn werk geheel en al heeft gedaan (Hoofdst. 20:48. Jer. 47:6 v.) De schede, waarin Gods zwaard steekt, is Zijne lankmoedigheid. Het zwaard is Godes. God is in de zwaarden, hoewel mensen ze voeren. Op de Chaldeën, die het eerst het zwaard moesten voeren, volgden de zwaarden der Romeinen. Hoe verschrikkelijk is niet de wrake Gods, wanneer zij in haren ijver over de zondaars ontbrandt! De gehele wereld vreze dezen groten Rechter te vertoornen; want wanneer Hij Zijn zwaard beveelt, dan kan niemand de scherpte daarvan ontkomen. (Ps. 76:8 vv.)
Maar gij mensenkind! zucht, en stel daardoor, terwijl gij dat verkondigt, uzelven tegelijk als voorbeeld, hoe het aan het volk te moede zal zijn, wanneer het aangekondigde wordt vervuld. Zucht voor hun ogen met verbreking der lenden, alsof de lenden door barensweeën werden van een gereten, en met bitterheid 1), of zij daardoor nog mochten bewogen worden.
Hij moest alle tekenen van leed en droefheid tonen, diepelijk zuchten en kermen en het gevoel van deze nabij zijnde oordelen moest hen zozeer aandoen, dat het hen deed bukken als iemand, die onder derzelver gewicht ganselijk nedergebogen is. Gods oordelen, wanneer die aan den geest der Profeten werden vertoond, deden hen zeer dikwijls aan met schrikkelijke bekommeringen, voornamelijk wanneer zij hun eigen volk betroffen.
En het zal geschieden, dat zij zich in het geheel niet zullen kunnen verklaren, waarom gij alzo doet; als zij dan tot u zeggen zullen: Waarom zucht gij? zo is het dat gij zeggen zult: Om het gerucht van een aanrukkend krijgsleger, want het komt; reeds klinkt het in mijne oren als hoorde ik het, en als het gekomen is, alle hart zal a) versmelten, en alle handen zullen b) verslappen, en alle geest zal c) inkrimpen, en alle knieën als water henenvlieten (Hoofdst. 7:17). Dat alles ondervond ik reeds, omdat het mij zo zeker is, als ware het reeds aanwezig. Ziet, het komt, wat dat geschrei aankondigt, en het zal geschieden, spreekt de Heere HEERE.
(Jer. 49:23. b) (Jer. 6:24. c) Ezech. 4:17. De ziener moet des volks toekomstige smart voorafbeelden. Alle tekenen van de diepste treurigheid moeten in hem voorgesteld worden, zoals die eens bij het volk zullen zijn, tot het verbreken der lenden toe. De lenden zijn hem als verbroken, wien zwaardere smart alle kracht en sterkte beneemt (Ps. 69:24. Jes. 21:3. Nah. 2:11). Een prediker, die anderen wil leren en bewegen, moet zelf aandoeningen gevoelen. Het zuchten der knechten Gods, gelijk over degenen, die hen kunnen horen en niet horen willen, als over hetgeen die zullen krijgen te horen en te zien. De betekenis van het teken, dat de Profeet moet laten zien, is een dubbele. Het moet den hoorders den ernst van het aangekondigde gericht op het gemoed leggen, en het moet hen doen bedenken, dat hier geen sprake is van een verafzijnden, maar van een nabijzijnden strijd, waarvan de aankondiging reeds nabij is.
wederom, en wel in onmiddellijke aansluiting aan het zooeven ontvangen woord, geschiedde die HEEREN woord tot mij, zeggende:
Mensenkind! profeteer en zeg, zonder er u aan te storen (Hoofdst. 2:4) of de hoorders het geloven of niet, laat uwe spreuk horen: Alzo zegt de HEERE: Laat dan de profetie zelf volgen, en zeg: Het zwaard, het zwaard is gescherpt en ook geveegd, gepolijst, blank gemaakt. De schildering van het zwaard in vs. 9-12 is lyrisch een soort van lied op het zwaard, waarin de vreeslijke verwoesting, die het zwaard des Heeren zal aanrichten, wordt bezongen. “Gescherpt en geveegd” zijn de eigenschappen van een goed zwaard; de eerste is onmisbaar noodzakelijk de andere meer ontbeerlijk, maar zij verhoogt de schoonheid van het zwaard, en den schrik, dien het teweegbrengt. De gedachte: alles is door God op ‘t nauwkeurigst voorbereid en ingericht tot volvoering van het vonnis, het zwaard wacht er slechts op, om aan het werktuig der volvoering in de hand te worden gegeven.
In twee opzichten zal het iets groots uitrichten: het is gescherpt, opdat het ene slachting slachte, ene algemene, alles vernietigende slachting bewerke; het is geveegd, opdat het enen glinster hebbe, met vreselijken glans zou schitteren in de ogen van hen, tegen wie het gericht is; of wij dan zullen vrolijk zijn? 1) het is de roede mijns zoons, die alle hout versmaadt 2), die door geen hout, hoe hard ook, met slaan wordt verbroken, en voor wien daarom het zwaard als roede nodig is.
Het was in een tijd van grote verharding en onboetvaardigheid in Jeruzalem, dat deze profetie werd uitgesproken. Juist drie jaren voordat de toorn Gods op het hevigst tegen Israël losbarstte. a. Allen waren vrolijk en vleselijk gezind in Jeruzalem. b. De valse profeten voorspelden vrede, en het volk hoorde dit gaarne. c. Slechts het geluid van spel en zang werd in de heilige stad gehoord. Maar te midden van al het gewoel dier uitbundige vreugde, hoorde de eenzame profeet aan de oevers van den Chaboras het rollen van een verwijderden donder. De getrouwe dienstknecht des Heeren zag den Heere Zich als een dapper held tot den strijd toerusten en het blinkend zwaard der wrake in Zijne band, en Hij riep Zijne geruste landgenoten met ene stem als van sterke donderslagen toe: “Het zwaard, het zwaard is gescherpt en ook geveegd, het is gescherpt opdat het ene slachting slachte, het is geveegd, opdat het enen glinster hebbe; zullen wij dan vrolijk zijn?” Mijne vrienden! De onbekeerden onder u zijn in denzelfden toestand, waarin Jeruzalem toen verkeerde. Hoevele roepstemmen van den Heere zijn er niet tot u gekomen in de jaren, die nu als morgenwolken zijn voorbijgegaan? Hoe menigmaal zond Hij tot u door de hand Zijner boden Zich haastende om die te zenden? Zijn woord hadt gij in uwe woningen, een zwijgend maar veel vermogend getuige van God. Zijne Voorzienigheid waakte over uwe betrekkingen, in ziekte en nood; in overvloed of gebrek, alles vermaande u om den toekomenden toorn te ontvlieden, alles drong u, u aan den Heere Jezus, den enigen en algenoegzamen Zaligmaker over te geven. Al deze roepstemmen zijn tot u gekomen, en nog zijt gij onbekeerd nog dood, aan dorre doodsbeenderen gelijk, zonder Christus en zonder God in de wereld, en gij zegt tot uwe ziel: “Ziele neem rust, eet, drink, wees vrolijk. Maar ach! mijne vrienden, hoort nog eenmaal mijne woorden, want God wil niet dat enigen verloren gaan. Ik heb een woord van God tot u te spreken: “Het zwaard, het zwaard is gescherpt en ook geveegd, het is gescherpt opdat het ook ene slachting slachte, het is geveegd, opdat het enen glinster hebbe; zullen wij dan vrolijk zijn?” (Mc. CHEINE).
De tweede helft van dit vers in verband met den klank der woorden in vs. 13 veroorzaakt den uitleggers veel moeite, daar de uitdrukkingen, die de Profeet gebruikt door hare kortheid zeer duister zijn. Deze kortheid en stoutheid van uitdrukking, die tot een “spreken in tongen” wordt (1 Kor. 14), is hier geheel op hare plaats, waar het er meer op aankomt een heilig zwaard en krijgsgezang ter ere der Goddelijke gerechtigheid te zingen, en een verpletterenden indruk op de toehoorders te weeg te brengen, dan door hen in alle bijzondere punten te worden verstaan. Gods woord moet ook zijne raadsels en geheimen hebben, die zowel boven onze gedachten en wegen als ook boven het gewoon grammatisch-historisch begrijpen der uitleggers verheven zijn. Deze mogen hun kunst beproeven, om steeds nieuwe zijden van Gods woord in ‘t licht te stellen, er is nog geen reden, om ons volk zijn Statenbijbel te ontnemen. Bij de door dezen gegevene verklaring, die wij in onzen tekst gevolgd zijn, herinneren wij aan de bede van P. Gerhard: “Wreek mijne misslagen met de roede en niet met het zwaard. ” Die tijd der vaderlijke kastijding was voor Israël voorbij. Terwijl de Profeet zich in dit en de volgende verzen zo hoog verheft, ziet hij niet slechts in den tijd der eerste verwoesting van Jeruzalem, maar verder dan deze in den tijd van het gericht, dat nu nog op Israël sedert de tweede verwoesting drukt. Wij laten hier een paar voorbeelden van andere verklaringen volgen: “De waarschijnlijke betekenis is deze: gedachtig aan de blijde hope, die het Joodse volk, verleid door de valse profeten, nog op Jeruzalem en Davids koningshuis vestigde, breekt Ezechiël de vreeslijke schildering van Gods wrekend zwaard af met de woorden: of zullen wij vrolijk zijn? ons vertroostende met de woorden: Mijns zoons roede veracht alle hout, ” d. i. de koningsscepter (Hoofdst. 19, vgl. Ps. 2:9) van den Zoon Gods (Ps. 2:7) versmaadt iederen anderen koningsscepter. Het koninkrijk van den Zoon Gods is boven alle koninkrijken verheven en versmaadt ook de grootste macht der volkeren. ” Deze spreuk, waarschijnlijk afkomstig van een vroegeren profeet en van mond tot mond overgeleverd, pasten de goddelozen op koning Zedekia toe als den erfgenaam der beloften David? in Ps. 2 en 110, en dit was even dwaas als misdadig. De spreuk zelf is niettemin juist en waarachtig, wanneer zij op den rechtvaardigen Davids zoon, op den uitverkoren Knecht Gods, op den Heilige Israëls, op den Messias wordt toegepast. Doch dan kan zij niet dienen om den schrik van het wrekend zwaard Gods te verminderen, dat de afvalligen en misdadigers zal verteren. Het is bijkans onbegrijpelijk, hoe men hierbij heeft kunnen verzuimen op te merken, dat de koninklijke scepters destijds van hout waren, ‘t geen nochthans duidelijk blijkt uit Hoofdst. 19:11 en dat derhalve de zin is: dat zwaard ontziet zelfs geen scepter! het versmaadt al wat hout is! De uitlegging wordt bevestigd door vs 18. Die laatste woorden, ‘t is de roede Mijns Zoons, die alle hout versmaadt, zijn zeer duister. Volgens onze overzetting zou men door Gods toorn, den Messias verstaan kunnen, die, als de Engel van Gods Aangezicht, het zwaard, als ene roede of een scepter, zwaaien zou, om alle hout te versmaden, om den gansen stam van Juda geweldig af te knotten. Anderen begrijpen het anders. Voor het naast zouden wij denken, dat het Joodse volk Gods Zoon genaamd wordt; zo noemt de Heere zelf het nageslacht van Jakob Zijnen Zoon, Zijnen eerstgeborenen, Exod. 4:22 en dan zal de zin deze zijn: “het zwaard van Nebukadnezar versmaadt de roede, of den scepter Mijns Zoons, gelijk alle hout, het zal geen onderscheid maken tussen koning en onderdanen, het zal den eersten zowel verslaan, als de laatsten.
Met de kastijding is het voorbij, en daarvoor is nu het tot hiertoe steeds weer teruggehoudene uitstorten des toorns (Hoofdst. 20:8 v. 13 v. 17, 21 v.) aan de beurt gekomen. En Hij heeft hetzelve te vegen gegeven aan den wapensmid, opdat men het niet in de schede zou laten blijven, maar het met de hand handelen zou, namelijk hij, dien de Heere tot werktuig ter volvoering Zijner gerichten heeft verordend; dat zwaard is gescherpt, en dat is geveegd, om hetzelve in de hand des doodslagers Nebuzaradan (2 Kon. 25:8 vv.)te geven.
Schreeuw en huil dan, o mensenkind daar ook de minste of geringste reden tot vrolijkheid (vs. 10) niet meer aanwezig is, gelijk u in vs. 6 reeds is gezegd, want hetzelve zwaard, dat den doodslager in de hand gegeven is, zal zijn tegen Mijn volk, het zal zijn tegen al de vorsten van Israël, tegen den koning met zijne vorsten en raadgevers, a) verschrikkingen zullen van wege het zwaard bij Mijn volk zijn (2 (Kon. 25:6 vv. 18 vv.); daarom b) klop op de heup, als teken der diepste ontroering (Jer. 31:19).
(Ezech. 7:27. b) Ezech. 6:11.
Als er beproeving was, als de Heere het volk en zijne vorsten met roeden sloeg, wat was het toen, wat heeft het geholpen? zou er dan ook gene versmadende roede zijn? Als de kastijding niet baat, moet het zwaard worden gebruikt, om de misdadigers te verdoen, spreekt de Heere HEERE (Jes. 1:5 en 20. Jer. 5:3 en 14:12). Hoe kan de Profeet met degenen, die mede in ballingschap leven, vreugde bedrijven als bij het bliksemend zwaard gewaar wordt, dat, wel gescherpt en geveegd, door God in de hand des doodslagers, des Chaldeërs, is gegeven tegen Zijn volk en tegen alle vorsten van Israël? Want vroeger had de Heere Zijn Kind slechts met de roede gekastijd, nu is hout niet meer voldoende. Daarom moet het mensenkind Ezechiël schreeuwen en huilen, en in eigen lichaam de hevigste smart tonen. Want de beproeving komt en-die door het zwaard geschiedt is niet eens de laatste. Herder noemt Ezechiël den Aeschylus en Shakespeare der Hebreën; Schiller las het liefst dezen Profeet en wilde zelfs nog Hebreeuws leren, om recht genot van hem te kunnen hebben; en Schlegel beweert, dat de drie grootste dichters waren Homerus, Ezechiël en Goethe.
Daarom gij, mensenkind! profeteer om de werking van het zwaard, dat nu zal worden gebezigd, in al zijne vreeslijkheid te schilderen, en sla tot uitdrukking der hevige gemoedsbeweging, met welke gij daarbij vervuld zijt (Hoofdst. 6:11. (Num. 24:10), hand tegen hand: want deze is de vreeslijke werking, het zwaard zal verdubbeld worden ten derde maal 1), dat het de vorsten even zo goed als het volk, en onder de vorsten ook den koning sla; het is het zwaard dergenen, die verslagen zullen worden, het is een moordzwaard; het is het zwaard der groten, die verslagen zullen worden, dat tot hen in de binnenste kameren indringen zal, zodat hun nergens een toevluchtsoord overblijft (1 Kon. 22:25).
Beter: in het drievoudige. De Heere God beveelt hier den Profeet, om de tekenen der grootste ontroering ten uitvoer te brengen, door hand tegen band te slaan, dewijl het zwaard op drievoudige wijze zal verdubbeld worden, d. w. z. dat het zowel den koning als de vorsten als het volk zal treffen. Geen verschoning zou er meer zijn. De Heere zou op Zijn Rechterstoel zitting nemen, om Zijne oordelen op het gestrengst uit te voeren.
Ik, de Heere, heb de punt des zwaards gezet tegen al hun poorten, zodat ieder, die de stad tracht te verlaten, vallen zal, opdat het hart van hen, tegen wie het is uitgetogen, versmelte en de aanstoten vermenigvuldigen; ach! het is toegemaakt, bereid, opdat het glinstere, en daardoor alle harten bevreesd make (vs. 10), het is ingewonden, geslepen, om te slachten 1), zodat de lijken tot bergen zullen worden opgestapeld.
God is ernstig in het uitspreken van dit vonnis over hen, en daarom moest de Profeet zich ook ernstig tonen in het verkondigen. Gods zamenslaan der handen, zowel als dat van den Profeet, is ten teken van hevige verontwaardiging over hun goddeloosheid, welke inderdaad zeer verbazend was.
Daar Mijn oog nu niet meer zal verschonen zal Ik zeggen: Houd u bijeen, ga uwen weg o zwaard! Keer u rechtsom, schik u, keer u linksom, en houw neer, waarhenen uw aangezicht gesteld is, al wat voor u is.
En Ik zelf zal, als het zwaard zo zijn werk doet en het gericht in den wijdsten omvang volvoert, evenals Ik vroeger (vs. 14) geboden heb, de handen zamen te slaan, ook Mijne hand tegen Mijne hand slaan, opdat nu ook aan Mijne grimmigheid worde voldaan (Hoofdst. 5:13), en Ik zal Mijne grimmigheid doen rusten, den gloed Mijns toorns stillen. Ik, de HEERE, heb het gesproken. Geweldig flikkert het zwaard door de rede van den Profeet. Als had hij zelf het ambt van doodslager overgenomen, zo hartstochtelijk bliksemen zijne woorden. Twee malen, drie malen komt het zwaard; hij noemt het een moordend zwaard, een zwaard van grote slachting, dat ook den koning niet verschoont, en in het binnenste des volks indringt. Zo vreeslijk vlamt de toorn Gods, dat het zwaard, om dien te koelen, zonder verschoning naar alle zijden rechts en links woedt. Dat de kinderen van Zedekia voor zijne ogen geslacht werden, dat men hem zelven de ogen uitstak en hij te Babel in de gevangenis stierf (Jer. 52:10 v.) is voldoende om aan te tonen, dat ook hij het zwaard ten buit is geworden. De executie begint daarmee, dat den misdadigers dadelijk het zwaard, het werktuig hunner ter dood brenging, wordt getoond; een geweldige schrik des doods, als verscherping der straf, moet zich eerst van allen meester maken (Luk. 23:30. Openb. 6:15 vv.). Vervolgens zwaait het zwaard naar alle zijden heen en verbreidt rondom zich den dood. Daarbij wordt het verder opgeroepen, om moedig zijne hem opgedragene plichten na te komen. Tevens wordt te kennen gegeven, welk aandeel de Heere zelf aan de strafgerichten over Israël neemt. Alleen in den Naam Gods had de Profeet in vs. 14 met het zamenslaan zijner handen gehandeld. Ene hogere hand is dus hier zelf in het spel, de Heere leidt en beschouwt het geheel, opdat Zijne gerechtigheid worde volvoerd. God heeft wel geen welgevallen in het verderf der goddelozen, toch is Hem de volvoering Zijner gerichten aangenaam, opdat Zijn allerheiligste naam niet worde ontheiligd, hetgeen geschieden zou, als de boosheid altijd ongestraft bleef (Ps. 46:11).
Wederom geschiedde des HEEREN woord tot mij, om aan het gezegde in vs. 16 : keer u rechts om, keer u linksom, nog ene nadere betekenis te geven, zeggende, openlijk verkondigende, wie degene was, die het zwaard zou nemen (vs. 11).
Gij nu, mensenkind, stel u met de schrijfstift op enen steen (Hoofdst. 4:1) van leem, twee wegen voor, waardoor het zwaard des konings van Babel komt: uit één land zullen zij beiden voortkomen, daar achter het punt, wanneer beide wegen scheiden er een gemeenschappelijke lijn naar hetzelfde land, naar Babel gaat; en kies op de schets, die gij gemaakt hebt, ééne zijde, kies ze aan het hoofd van den weg der stad, liever teken ene hand, teken ze aan den ingang van elken weg naar ene stad, plaats, waar de wegen scheiden een wegwijzer, naar de ene en de andere stad wijzende.
Gij zult éénen weg voorstellen ter linkerzijde, waardoor het zwaard inkomen zal tegen Rabba, de hoofdstad der kinderen Ammons(Num. 21:30), en den anderen rechts of tegen Juda, tot de vaste stad Jeruzalem, zodat deze steden voor hem, wien het zwaard in de hand is gegeven, op gelijke wijze toegankelijk zijn, de ene even goed als de andere.
En nu zal ook zodra de drager van het zwaard aan de wegscheiding is gekomen dadelijk beslist worden, tot welke stad hij zich eerst zal wenden; want de koning van Babel zal aan de wegscheiding staan, aan het hoofd van de twee wegen, aan het aanvangspunt van de beide links en rechts uit elkaar lopende wegen, om volgens de bij zijn volk gewone gebruiken waarzegging te gebruiken, welke richting hij volgens den wil zijner afgoden moet inslaan; hij zal zijne pijlen slijpen, de pijlen bereiden; hij zal de terafim vragen, (Gen. 31:19); hij zal de lever der geslachte offerdieren bezien.
De waarzegging zal bij alle drie wijzen eenstemmig aan zijne rechterhand zijn op Jeruzalem, want Ik de Heere sta met Mijn raadsbesluit achter deze heidense orakels en bestuur de beslissing volgens Mijnen heiligen wil. De waarzegging geeft raad, om hoofdmannen {1} te stellen, om den mond, een bres te openen in het doodslaan, ten einde te kunnen doden (anders om den mond te openen tot luid geschreeuw), om de stem op te heffen met gejuich om de zaak, waarom het te doen is nog eens van ene andere zijde aan te wijzen, stormrammen te stellen tegen de poortender stad, om sterkten op te werpen, om bolwerken rondom te bouwen2) (Hoofdst. 4:2; 17:17). {1} In het Hebr. Karim. Beter: stormrammen. De koning van Babel wordt hier voorgesteld als zijne waartekenen raadplegende. En die tekenen wijzen uit, dat hij Jeruzalem moet gaan belegeren. Ook hier wordt dus geleerd, dat er niets gaat buiten Gods bestel, dat God ook de leugentekenen op zich zelf wil gebruiken en gebruikt om zijn doelwit te bereiken. Gelijk de Heere de leugen-profeten gebruikt om Achab te doen omkomen in den strijd tegen de Syriërs, zo gebruikt de Heere ook de waartekenen der Heidenen, om den koning van Babel te doen besluiten tegen Jeruzalem op te trekken.
Het eerste woord Gods (vs. 1-7) had getoond, dat met den bosbrand (Hoofdst. 20:45 vv.) een zwaard, een krijg bedoeld was, welke spoedig over het land van Israël zou komen; het tweede (vs. 8-17) had aangewezen, welk verderf dit zwaard over stad en land van Israël brengen zou, als het kwam; het derde (vs. 18-32) toont nu aan, dat en hoe dit zwaard over stad en land komen zal, niet, al heeft het daarvan ook den schijn, naar de Ammonieten zich zal wenden, maar zeker eerst Jeruzalem en daarna eerst Ammon treffen zal. De geschiedkundige veronderstelling is, dat Ammon niet minder dan Juda den toorn des konings de Chaldeën zich heeft op den hals gehaald (2 Kon. 24:20); het behoorde met Juda tot dezelfde Chaldeeuwse coalitie, en dat het niet minder dan Juda de wraak des konings van Babel had te verwachten, stond van den beginne af vast. Het lag aanmerkelijk nader aan Chaldea dan Jeruzalem; die menselijke waarschijnlijkheid was dus, dat het gericht daar zijn aanvang zou nemen, de Profeet weet echter tengevolge van Goddelijke openbaring het tegendeel. Deze verkondiging wordt door een teken aanschouwelijk gemaakt. De Profeet moet twee wegen maken d. i. op harde stof, misschien een steen, ene tekening ontwerpen, welke éénen weg voorstelt, die van één land d. i. Babel, uitgaat, en op zekere plaats zich in twee wegen verdeelt, van welke de ene naar Rabba Ammons, de hoofdstad van het rijk der Ammonieten, de andere naar Juda en Jeruzalem leidt. De wegen moet hij tekenen voor het komen van het zwaard des konings van Babel, aan de wegscheiding moet hij ene hand, een wijzer in den vorm van ene hand graveren, welke naar beide steden wijst. Wij zien den koning van Babel aan de wegscheiding staan, onbesloten waarheen hij zal trekken; hij zoekt raad bij de meest verschillende kunsten der waarzegging, en bedient zich van het lot; daar trekt hij het lot naar Jeruzalem, om het te belegeren. Drieërlei manier, waarop destijds de Chaldeën het lot poogden te doorgronden, om van te koren den uitslag hunner ondernemingen te kennen. 1. het lot, en wel hier, door pijlen; op ene van deze werd de naam Jeruzalem, op de andere Rabba-Ammons geschreven (of wel een teken, daarop gesteld in plaats van den naam). De pijlen werden in een koker gestoken, omgeschud, en den een pijl er uitgetrokken. Dit is de loting door pijlen, die zeer algemeen in gebruik moet zijn geweest, omdat zij, wat de hoofdzaak betreft, zowel bij de Arabieren tot op Mohammed, als bij de Grieken voorkomt. 2. Het raadplegen der amuletten, die bescherm-goden der huisgezinnen (de terafim) voorstelden; hoe dit geschiedde weten wij niet.
Het bezien van den lever der geslachte offerdieren, om daaruit naar zekere kentekenen het gelukken of mislukken ener onderneming af te leiden, bij de Grieken en vooral in het heidense Rome een zeer gebruikelijk middel der waarzeggerij. Hij raadpleegt het gewijde lot, ‘t welk geschiedde door middel van pijlen of staven, op welke de verschillende ringen geschreven stonden, tussen welke men de keus aan de Godsspraak wilde overlaten. Na alvorens de afgoden verzoend, en de lever der geslachte dieren bezien te hebben, om te weten of het een gunstige dag was ter loting, schudde men de bus, waarin de pijlen waren, en trok er één uit, die de keus bepaalde. Deze bijgelovige gebruiken worden hier beschreven. Luther heeft gedacht aan een schieten met pijlen (1 Sam. 20:20 vv.) en merkt in de kanttekening op: men gaf acht waar de pijl ziel. Bij het bezien van den lever zag men op de kleur en den toestand, of de lezer groot was, de lappen naar binnen gebogen en, in bedenkelijke gevallen of zij droog, defekt, vol zweren enz. was. Alle drie soorten van waarzegging stemmen in hun beslissing overeen, zodat de koning in geen twijfel meer kan zijn, waarheen hij zich ‘t eerst moet wenden. Ook enen Faraö en Nebukadnezar geeft God openbaring door dromen (Gen. 41 en Dan. 2), ja Hij laat zelfs den laatsten door de middelen der heidense waarzegkunst Zijnen wil bekend maken, Hij, die alles met Zijnen Geest doordringt, zodat ieder woord der menselijke tong voor Hem is (Ps. 139:4 en 7) kan enen Bileam dwingen woorden van zegen te spreken (Num. 22:35), en de reden van enen Kajafas besturen, dat deze zonder te weten wat hij zegt, ene heilswaarheid verkondigt (Joh. 11:49 vv.). Er is ene Goddelijke inwerking op den mens, waardoor deze of moet spreken wat hij niet wil, of naar vrijen wil iets spreekt, waaraan ene door hem zelven niet gewilde of gekende Goddelijke betekenis wordt gegeven, en zo is er ook een Goddelijk inwerken op de heidense waarzegging, dat zij eveneens een middel tot volvoering van den Goddelijken wil worde (Esth. 3:7). Mocht men het aanstotelijk vinden, dat God ook ene dwaling voor Zijne bedoelingen gebruikte, alsof Hij daardoor wat vals is bevestigde, zo zou men den gehelen draad der wereldgeschiedenis moeten verscheuren, in welker ontwikkeling het ware en valse, het goede en kwade zo zamenhangt, dat dikwijls, het laatste tot ene brug voor het eerste moet dienen. Ook over het heidense, zondige bijgeloof voerde Gods Voorzienigheid het bestuur en dreef daarmee Nebukadnezar tot belegering van Jeruzalem. Daaruit volgt echter niet, dat mensen, wien God op andere wijze Zijnen wil bekend maakt, Zich van zulke middelen zouden mogen bedienen en het hun daarbij naar Gods welgevallen zou gelukken.
Dit, wat gij verkondigd hebt omtrent het welgelukken van de onderneming van Babels koning, zal hun, tegen wie de krijgstocht Zich in de eerste plaats richt, den mannen van Juda en Jeruzalen, in hun ogen als een ijdel, een vals waarzeggen zijn, omdat zij menen, dat de heiligste eden Gods hun ter zijde staan. Zij denken, dat de Heere in ieder geval voor hen zal strijden en in grote wonderen Zich aan Zijn volk zal verheerlijken en hun valse profeten versterken hen in hunnen waan. Er zijn ook redenen om te vertrouwen, daar zij met eden beëedigd zijn onder hen, daar de Egyptenaren en andere omliggende volken zich met eden tot hulp hebben verbonden; maar hij, Nebukadnezar, zal der ongerechtigheid gedenken, dat zij een eed van trouw aan hem hebben verbroken en daardoor alle beloften Gods, die zij zeker voor zich hadden, hebben verzondigd en van zijne zijde zal hij voortgaan, opdat zij gegrepen worden en hun stad worde verwoest. In het Hebreeuws klinken deze woorden weer evenals in vv. 10 en 13 zeer kort en duister; zij worden daarom door de uitleggers zeer verschillend verklaard. Ene andere dan wij gaven naar onze Staten-overzetters, geeft Dächsel, die het “met eden beëedigd zijn onder hen” uitlegt, als zwoer hun de koning, dat hij een woord Gods had, en vermaande hij hen, dat zij zouden ophouden zich te verzetten tegen God, die met hem was, terwijl zij, gelijk eens Josia (2 Kron. 35:20 vv.) de woorden des konings niet zouden gehoorzamen. “De Joden zullen de waarheid, die den koning van Babel is geworden, voor bedrog houden; zij zullen menen, dat het hun nooit zou kunnen zijn toegelegd, om Jeruzalem te veroveren, maar hij, denkende aan de misdaad van de verbreking des eeds, brengt tevens de misdaad van het verbreken van den eed aan den Heere gegeven in herinnering, en heeft als werktuig ter wrake daarover de zekerheid voor zich, dat hij ze zal winnen en voor den tegen hem misdreven eedbreuk in sterke mate zal straffen. Nog moet ene verdere gedachte, die in het woord “waarzeggen” ligt, worden opgemerkt, daar het terug ziet op de waarzegging in vv. 22. De bedreiging, reeds dikwijls uit den mond der Profeten Gods gehoord omtrent den gehelen ondergang van Jeruzalem, hebben zij altijd maar als ene bedrieglijke, heidense waarzegging behandeld. Daarom zal nu die, welke zeker in de eerste plaats ene zodanige was, zal dat den koning van Babel ten dele geworden orakel, hetwelk hem naar Jeruzalem wijst, tot ene volle profetische waarheid worden. Onder andere omstandigheden zouden zij volkomen recht hebben, om zulk waarzeggen voor vals te houden, daar zij echter de Goddelijke voorzegging steeds voor vals hebben gehouden, en zich niet tot bekering hebben laten dringen, zal het valse nu toch het juiste zijn. Door deze gedachte wordt ook de diepe betekenis van het gezegde in vs. 21 vv. ons geheel duidelijk. ” Door anderen wordt het weer verklaard, dat de Joden, die van Zedekia’s, opstand niets wisten, deze niet konden geloven, dat zij met ede aan Nebukadnezar verbonden waren, en dus ook den ondergang van Jeruzalem onmogelijk achtten.
Daarom, dewijl dat heenwijzen naar Jeruzalem (vs. 22) niet ene waarzegging maar ene voorzegging is, zegt de Heere HEERE alzo: Omdat gijlieden inderdaad uwer ongerechtigheid doet gedenken, doordien uwe overtredingen zo geheel en al ontdekt worden, zodat uwe zonden gezien worden in al uwe handelingen, en zelfs een heiden als de koning van Babel, ze u kan aanwijzen in den tegen hem misdreven eedbreuk (Hoofdst. 17:11 vv.); omdat uwer gedacht wordt, zult gij met de hand gegrepen worden, zult gij door beulshanden, als lage misdadigers omkomen.
Alzo zegt de Heere HEERE, tot u als vertegenwoordiger des gehelen volks: Doe dien hogepriesterlijken hoed (Ex. 28:37) weg, en hef die kroon af, om ze terzijde te leggen; deze zal dezelfde niet wezen 1), zij zullen niet meer zijn wat zij waren. Het Aäronietische priesterschap en het Davidische koningschap eindigen nu voor Israël. Wat tot hiertoe het lichtpunt der Theokratie was, is vergaan. Ik zal, als het oordeel (Jes. 2:12 vv. en 10:23 v.) tot volvoering komt, verhogen dien, die nederig is, en veranderen dien, die hoog is, gelijk in Hoofdst. 17:22 vv. is gezegd.
De priesterlijke hoed en de koninklijke kroon zijn de tekenen van de Hogepriesterlijke en koninklijke waardigheid. Wanneer derhalve de Heere hier zegt, dat de hoed en de kroon zullen weggenomen worden, dan spreekt de Heere daarmee het oordeel uit over de Theokratie. Dan kondigt de Heere daarmee aan, dat het rijk van Juda volkomen zal verwoest worden en dat er een tijd in Babel zal aanbreken, dat het volk zal zijn zonder Priester en zonder koning en zonder altaar en zonder hefoffer. Maar ook dat van nu af aan de tijd zal komen, dat noch de ark des verbonds, noch de Urim en Tummim meer in het bezit zullen zijn van het volk.
Ik zal die kroon van Israëls vorst omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen, aan drie koningen na elkaar, Jojakim, Jojachin en Zedekia zal die worden ontnomen en voor alle volgende verloren zijn; ja zij zal niet zijn, totdat hij kome, die volgens de profetie (Gen. 49:10) daartoe recht heeft, of, aan wien het recht is en dien Ik dat geven zal (Ps. 72:1 vv.) Men mag den in vs. 25 aangesproken koning niet als persoon van zijne plaats nemen, die hij als theokratisch koning innam, of toch moest innemen, om te kunnen zeggen, dat de opheffing van het priesterschap, welke hem in vs. 26 wordt aangekondigd, hem niet aanging. Het priesterschap was een grondzuil der theokratie, met welker ter zijdestelling de staat Gods en dus ook het koningschap moest te niet gaan, daarom wordt de afschaffing van het priesterschap eerst vermeld. De woorden van vs. 26 bevatten dus het doodvonnis over de theokratie, waarvan het Aäronietische priesterschap en het Davidische koningschap de fondamenten uitmaakten. Zij kondigden ook niet ene tijdelijke, maar ene gehele opheffing van beide ambten en waardigheden aan, en zijn met de verwoesting van het rijk van Juda door den koning van Babel tot vervulling gekomen. Het aardse koningschap van Davids huis werd na de ballingschap niet weer hersteld, en het hogepriesterschap na de ballingschap was even als de naëxilische tempel slechts ene schaduw van de heerlijkheid en het wezen van het Aäronietische hogepriesterschap. Even als aan den tempel van Zerubbabbel de arke des verbonds met de Schechina, de Goddelijke tegenwoordigheid ontbrak, zo ontbraken aan het hogepriesterschap het licht en recht (Exod. 28:30. 2 Kon. 25:17 en Ezra 6:15), waardoor de hogepriester werkelijk als Middelaar tussen den Heere en het volk kon staan. Even als vóór de ballingen het hogepriesterschap geheel rustte en na de ballingschap slecht ene schaduw daarvan voor een tijd werd opgericht, zo kan dit voor de profetie gene verdere betekenis hebben. Deze ziet in het terugtreden en de verandering der oude Goddelijke regeling reeds datgene, wat naar Zijn wezen zich daarin openbaarde, de opheffing zelf. voor deze duurt de ballingschap voort, hoewel ook uitwendig de ellende daarvan is verminderd, voor deze zijn ballingschap en verschijning van den Messias nauw aan elkaar verbonden zaken. Wanneer vervolgens (vs. 27) de Profeet op Gen. 49:10 terug ziet, omschrijft hij het sjiloh (“rust” of “rustgever”) door asjer lohammischpat (aan wien het recht is”): recht en vrede, genot des vredes, zo als het Juda na zijnen strijd is geprofeteerd, zijn verwante begrippen. Zonder herstelling van het recht, zonder grondige en volkomene handhaving daarvan is er volgens echt theokratische opvatting geen ware vrede. Zo wordt dan in Gen. 49 de werking, bij Ezechiël de werkende oorzaak genoemd, en terwijl de Profeet het sjiloh niet in den abstrakten zin “rust”, maar in den concreten “rustgever” neemt, zet hij met alle recht in de plaats van degene, die den vrede geeft, dien, die het recht brengt, en daardoor, aan den toestand van verwarring en oplossing een einde makende, harmonie en vrede aanbrengt. Uit de toespeling is ene zo wel bekende, veel gebruikte voorzegging is ook de kortheid der uitspraak te verklaren. Deze vormt een zeer energisch slot en rustpunt voor de profetische rede. Gelijk den aartsvader in de verte een licht is opgegaan en hij den glans daarvan over het duistere der eeuwen ziet verbreiden, zo flikkert ook bij den Profeet die zelfde straal van heerlijke verwachting door den duisteren nacht van verwarring en van nameloze ellende, van welke hij zich omgeven ziet.
En gij, mensenkind, profeteer! ook tegen Rabba Ammons (vs. 20), van hetwelk het volgens vs. 21 v. zou kunnen schijnen, als zou het ongestraft blijven, en zeg: Alzo zegt de Heere HEERE van de kinderen Ammons en van hun smading, waarmee zij Juda en Jeruzalem bij hunnen ondergang overladen en het vol leedvermaak hopen (Hoofdst. 25:3 en 6. Zef. 2:8); zo zeg, nadat gij hun in het algemeen hun lot hebt bekend gemaakt, tot nadere omschrijving: het zwaard, het zwaard is uitgetrokken tegen hen, het is ter slachting geveegd, gescherpt, om te verdoen en om te glinsteren(vs. 9 v.).
Terwijl zij u, o Ammon! ijdelheid zien, terwijl zij u leugen voorzeggen, terwijl gij de voorzegging, den koning van Babel ten deel geworden (vs. 22), voor een vrijbrief houdt, die straffeloosheid verzekert, en nu zonder vrees smaad en hoon tegen Juda hebt, en zo de mate uwer zonden vol maakt, terwijl zij u alzo bedriegen, om u op de halzen te stellen dergenen, die van de goddelozen verslagen zijn, om u toe te voegen tot de onthalsden, als wier hoofd en vertegenwoordiger de vorst in Israël (vs. 25) geroemd werd en welker dag gekomen was ten tijde der uiterste ongerechtigheid. Ammon had in dien tijd niet minder dan Juda zich den toorn der Chaldeën op den hals gehaald; maar ook voor God was, niet minder dan die van Juda, Ammons misdaad tot het uiterste gekomen. Beide waren op gelijke wijze gebleken zondaars te zijn en misdadige opstandelingen tegen God. Bij Juda openbaart zich dit daarin, dat zelfs de koning der Chaldeën reden heeft, om aan misdaad van hen te denken, en reden heeft tot de zekere verwachting, dat hij zal overwinnen (vs. 23). Bij Ammon daarboven blijkt de volle maat zijner vijandschap tegen God daardoor, dat Juda, hetwelk eerst wordt gestraft, een voorwerp wordt van hoon en misdadig leedvermaak. Beide verachten ook op gelijke wijze het dreigend gericht en houden Gods hand, die reeds is uitgestrekt, voor enkel misleiding en als nietswaardig. Juda doet dit door het orakel, dat den koning der Chaldeën ten deel geworden is, voor niets den heidense waarzeggerij te houden, en de stem Gods daarin niet te vernemen; Ammon daarentegen doet dit door hetzelfde orakel, dat als heidense ceremonie zonder enige Goddelijke waarheid kon zijn, voor een Goddelijk woord aan te zien. Beide halen zich dan nu ook door hun verblinding en de uit die verblinding voortkomende verstokking, den ondergang op den hals. Juda, dat de Goddelijke profetie als waarzeggerij bestempelt, is doof voor alle profetische vermaning, die vrijwillige onderwerping eist onder den koning van Babel, die de stad belegert, en Ammon, die de heidense waarzegging voor profetie houdt, is blind voor den profetischen vinger, welke in Juda’s ondergang zich dreigend tegen hen verheft, het hoont Juda en Jeruzalem, nadat het dit eerst heeft verleid en vervolgens trouweloos in den steek heeft gelaten (Klaagl. 1:2). De Heere heeft echter daarom Ammons misdaad niet vergeten, al heeft Hij volgens vs. 22 de zaak ook zo bestuurd, dat het gericht aanvange met Zijn huis (1 Petr. 4:17). Reeds in vs. 19-21 stond de zaak zo, dat beide rijken, Ammon zowel als Juda, even schuldig en evenzeer aan de hand des doodslagers overgegeven schenen; het was alleen de vraag, wie van beiden het eerst aan de beurt zou komen. Is nu Juda volgens Goddelijk raadsbesluit het eerst aan de beurt gekomen, dan heeft Ammon, in hetgeen aan Juda geschied is, alleen een feitelijk voorbeeld van hetgeen het op dezelfde wijze zal ondervinden. Maar-zo leert het volgende-juist het einde, dat voor beide rijken komt, wijst ook het grote keerpunt voor beide aan, die tot hiertoe geheel gelijk stonden. “De theokratie wordt ten zwaarde overgegeven, van haar priester- en koningschap beroofd, maar de oude beloften gaan daarom niet te niet, op den weg van vreselijken smaad en ontzettende ellende gaat Juda het doel van zijne grootheid en heerlijkheid tegemoet (vs. 25-27); daarentegen vormt het einde van Ammon een sterk kontrast; het gaat te niet; zijn einde is een einde met verschrikking, waaruit niets nieuws voortkomt (vs. 30-32).
Keer uw zwaard, al mocht het reeds zijn uitgetogen (vs. 28), weer in zijne schede, dat de koning van Babel, nadat hij aan Juda en Jeruzalem het werk van enen doodslager verricht heeft, zich van daar niet aanstonds wende tegen u, o Ammon; in de plaats, waar gij geschapen zijt, in het land uwer woningen zal Ik u richten, wanneer de tijd uwer bezoeking gekomen is.
En Ik zal over u Mijne gramschap uitgieten; Ik zal tegen u door het vuur Mijner verbolgenheid blazen, dat het in heldere vlammen brande; en Ik zal u overgeven in de hand van brandende mensen, smeders des verderfs 1), zodat gij met de tijdelijke verschoning (vs.
niets wint, maar nog veel wreder verderf u in de plaats der tegenwoordige Chaldeën treffen zal.
De verwoesting zal komen van Gods toorn, die gevoelig is voor de onwaardigheden en verongelijkingen, Zijn volk aangedaan, als aan Hem zelven aangedaan. De minste druppel van Gods ongenoegen en toorn zal ontroering en angst genoeg baren voor de ziel van een mens, die kwaad doet; wat zou dan een volle stroom van dit ongenoegen en toorn doen? Merk hier aan, goddeloze mensen maken zich zelf brandstoffen voor het vuur van Gods toorn. Zij worden daardoor verteerd en het wordt door hen ontvlamd.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel