Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Verder, hefH5375 gijH859 een weeklageH7015 op over de vorstenH5387 van IsraelH3478,
Verder, hef gij een weeklage op over de vorsten van Israel,
KJV
Moreover take thou up2
a lamentation3
for the princes5
of Israel,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En zegH559: WatH4100 was uw moederH517? Een leeuwinH3833, onder de leeuwenH738 nederliggendeH7257; zij brachtH7235 haar welpenH1482 op in het middenH8432 der jonge leeuwenH3715.
En zeg: Wat was uw moeder? Een leeuwin, onder de leeuwen nederliggende; zij bracht haar welpen op in het midden der jonge leeuwen.
KJV
And say,1
What is thy mother?3
A lioness:4
she lay down7
among lions,6
she nourished10
her whelps11
among8
young lions.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Zij toogH5927 nu eenH259 van haar welpenH1482 op; het werdH1961 een jonge leeuwH3715, die leerdeH3925 roofH2964 te rovenH2963, hij atH398 mensenH120 op.
Zij toog nu een van haar welpen op; het werd een jonge leeuw, die leerde roof te roven, hij at mensen op.
KJV
And she brought up1
one2
of her whelps:3
it became a young lion,4
and it learned6
to catch7
the prey;8
it devoured10
men.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Dit hoordenH8085 de volkenH1471 van hem, hij werd gegrepenH8610 in hun groeveH7845; en zij brachtenH935 hem met hakenH2397 naarH413 EgyptelandH776.
Dit hoorden de volken van hem, hij werd gegrepen in hun groeve; en zij brachten hem met haken naar Egypteland.
KJV
The nations3
also heard1
of him; he was taken5
in their pit,4
and they brought6
him with chains7
unto the land9
of Egypt.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Zij nu ziendeH7200, datH3588 zij in hopeH3176 was geweest, doch haar verwachtingH8615 verlorenH6 was, zo namH3947 zij een anderH259 van haar welpenH1482, hetwelk zij tot een jongen leeuwH3715 steldeH7760.
Zij nu ziende, dat zij in hope was geweest, doch haar verwachting verloren was, zo nam zij een ander van haar welpen, hetwelk zij tot een jongen leeuw stelde.
KJV
Now when she saw1
that she had waited,3
and her hope5
was lost,4
then she took6
another7
of her whelps,8
and made10
him a young lion.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Deze wandeldeH1980 steeds onder de leeuwenH738, werdH1961 een jonge leeuwH3715, en leerdeH3925 roofH2964 te rovenH2963, hij atH398 mensenH120 op.
Deze wandelde steeds onder de leeuwen, werd een jonge leeuw, en leerde roof te roven, hij at mensen op.
KJV
And he went up and down1
among2
the lions,3
he became a young lion,4
and learned6
to catch7
the prey,8
and devoured10
men.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Hij bekendeH3045 zijn weduwenH490, en hij verwoestteH2717 hun stedenH5892; zodat het landH776 en zijn volheidH4393 ontzetH3456 werd van de stemH6963 zijner brullingH7581.
Hij bekende zijn weduwen, en hij verwoestte hun steden; zodat het land en zijn volheid ontzet werd van de stem zijner brulling.
KJV
And he knew1
their desolate palaces,2
and he laid waste4
their cities;3
and the land6
was desolate,5
and the fulness7
thereof, by the noise8
of his roaring.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Toen begavenH5414 zich de volkenH1471 tegenH5921 hem rondomH5439 uit de landschappenH4082, en zij spreiddenH6566 hun netH7568 overH5921 hem uit; in hun groeveH7845 werd hij gegrepenH8610.
Toen begaven zich de volken tegen hem rondom uit de landschappen, en zij spreidden hun net over hem uit; in hun groeve werd hij gegrepen.
KJV
Then the nations3
set1
against him on every side4
from the provinces,5
and spread6
their net8
over him: he was taken10
in their pit.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En zij steldenH5414 hem in gesloten bewaringH5474 met hakenH2397, opdat zij hem brachtenH935 totH413 den koningH4428 van BabelH894; zij brachtenH935 hem in vestingenH4685, opdatH4616 zijn stemH6963 nietH3808 meerH5750 gehoordH8085 wierde op de bergenH2022 IsraelsH3478.
En zij stelden hem in gesloten bewaring met haken, opdat zij hem brachten tot den koning van Babel; zij brachten hem in vestingen, opdat zijn stem niet meer gehoord wierde op de bergen Israels.
KJV
And they put1
him in ward2
in chains,3
and brought4
him to the king6
of Babylon:7
they brought8
him into holds,9
that his voice13
should no more be heard12
upon the mountains16
of Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Uw moederH517 was als een wijnstokH1612 in uw stilheidH1818, geplantH8362 bijH5921 waterenH4325; hij was vruchtbaarH6509 en vol rankenH6058 vanwege veleH7227 waterenH4325.
Uw moeder was als een wijnstok in uw stilheid, geplant bij wateren; hij was vruchtbaar en vol ranken vanwege vele wateren.
KJV
Thy mother1
is like a vine2
in thy blood,3
planted6
by the waters:5
she was fruitful7
and full of branches8
by reason of many11
waters.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En hij had sterkeH5797 roedenH4294 totH413 scepterenH7626 der heersersH4910, en de stamH6967 van elke roede werd hoogH1361 tussenH996 de dichte takken; en hij werd gezienH7200 door zijn hoogteH1363, met de menigteH7230 zijner takken.
En hij had sterke roeden tot scepteren der heersers, en de stam van elke roede werd hoog tussen de dichte takken; en hij werd gezien door zijn hoogte, met de menigte zijner takken.
Ook in dit vers
takkenH1808
takkenH5688
KJV
And she had strong4
rods3
for the sceptres6
of them that bare rule,7
and her stature9
was exalted8
among the thick branches,12
and she appeared13
in her height14
with the multitude15
of her branches.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Maar hij werd door grimmigheidH2534 uitgeruktH5428, en ter aardeH776 geworpenH7993, en de oostenwindH6921 heeft zijn vruchtH6529 verdroogdH3001; zijn sterkeH5797 roedenH4294 zijn afgebrokenH6561 en zijn verdroogdH3001; het vuurH784 heeft ze verteerdH398.
Maar hij werd door grimmigheid uitgerukt, en ter aarde geworpen, en de oostenwind heeft zijn vrucht verdroogd; zijn sterke roeden zijn afgebroken en zijn verdroogd; het vuur heeft ze verteerd.
KJV
But she was plucked up1
in fury,2
she was cast down4
to the ground,3
and the east6
wind5
dried up7
her fruit:8
her strong12
rods11
were broken9
and withered;10
the fire13
consumed
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
En nuH6258 is hij geplantH8362 in een woestijnH4057, in een dorH6723 en dorstigH6772 landH776.
En nu is hij geplant in een woestijn, in een dor en dorstig land.
KJV
And now she is planted2
in the wilderness,3
in a dry5
and thirsty6
ground.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Daartoe is een vuurH784 uitgegaanH3318 uit een roedeH4294 zijner rankenH905, dat zijn vruchtH6529 verteerdH398 heeft; zodat aan hem geenH3808 sterkeH5797 roedeH4294 is tot een scepterH7626, om te heersenH4910. Dit is een weeklageH7015, en isH1961 tot een weeklageH7015 geworden.
Daartoe is een vuur uitgegaan uit een roede zijner ranken, dat zijn vrucht verteerd heeft; zodat aan hem geen sterke roede is tot een scepter, om te heersen. Dit is een weeklage, en is tot een weeklage geworden.
KJV
And fire2
is gone out1
of a rod3
of her branches,4
which hath devoured6
her fruit,5
so that she hath no strong11
rod10
to be a sceptre12
to rule.13
This is a lamentation,14
and shall be for a lamentation.
hef gij een weeklage op
Dit zijn de woorden Gods tot den profeet Ezechiël.
Hertaald:
hef gij een weeklage op
Dit zijn de woorden van God tot de profeet Ezechiël.
vorsten van Israël,
Versta, de koningen van Juda, die de koning van Babel onder zijn juk gebracht heeft.
Hertaald:
vorsten van Israël,
Versta: de koningen van Juda, die de koning van Babel onder zijn juk gebracht heeft.
uw moeder?
Versta, het huis, den stam, of het koninkrijk van Juda, en voornamelijk Jeruzalem, waar de koningen hun hof en hun stoel hadden, en vanwaar zij voortkomstig waren. Anders: Hoe was uwe moeder ene leeuwin onder de leeuwen nederliggende!
Hertaald:
uw moeder?
Versta: het huis, de stam of het koninkrijk van Juda, en vooral Jeruzalem, waar de koningen hun hof en hun troon hadden en waar zij vandaan kwamen. Anders: hoe was uw moeder een leeuwin, neerliggend onder de leeuwen!
leeuwin,
Dat is, bij ene leeuwin te vergelijken; te weten niet alleen om de koninklijke macht en waardigheid, die bij den stam van Juda was, maar ook om de stoutmoedigheid, fierheid en wreedheid, die deze stam dikwijls in de regering vertoonde.
Hertaald:
leeuwin,
Dat is: te vergelijken met een leeuwin, namelijk niet alleen vanwege de koninklijke macht en waardigheid die bij de stam van Juda was, maar ook vanwege de brutaliteit, trots en wreedheid die deze stam in het bestuur vaak vertoonde.
onder de leeuwen nederliggende;
Dat is, in het midden van machtige koningen, wrede volken of koninkrijken wonende; vergelijk Nah. 2:11 .
Hertaald:
onder de leeuwen nederliggende;
Dat is: wonend te midden van machtige koningen, wrede volken of koninkrijken; vergelijk Nah. 2:11.
welpen op
Versta door deze de jonge zonen der koningen, die mettertijd in de plaats hunner vaderen staan te komen. Hier nu wordt gesproken van de zonen van den koning Josia, die van de vroomheid van hun vader gans ontaard geweest zijn.
Hertaald:
welpen op
Versta hieronder de jonge zonen van de koningen, die na verloop van tijd de plaats van hun vaders zouden innemen. Hier gaat het over de zonen van koning Josia, die volkomen ontaard zijn van de vroomheid van hun vader.
jonge leeuwen
Te weten die vrij wat ouder en sterker zijn dan de welpen; gelijk af te nemen is uit vs.3.
Hertaald:
jonge leeuwen
Namelijk die heel wat ouder en sterker zijn dan de welpen, zoals blijkt uit vers 3.
een van haar welpen op;
Namelijk Joahaz, die in de plaats van zijn vader koning werd; 2 Kon. 23:30 .
Hertaald:
een van haar welpen op;
Namelijk Joahaz, die in de plaats van zijn vader koning werd; 2 Kon. 23:30.
roof te roven,
Joahaz wordt hier beschuldigd van roofgierigheid en overlast, bedreven tegen de bijgelegen volken, als de Egyptenaren, daarna van tirannie, geweld en bloedstorting, ook tegen zijne onderzaten bedreven; vergelijk onder vs.6.
Hertaald:
roof te roven,
Joahaz wordt hier beschuldigd van roofzucht en overlast tegen de omliggende volken, zoals de Egyptenaren, en vervolgens van tirannie, geweld en bloedvergieten, ook tegen zijn eigen onderdanen; vergelijk hieronder vers 6.
hij at mensen op
Vergelijk Deut. 7:16 , en Deut. 31:17 ; Ps. 14:4 , en Ps. 27:2 .
Hertaald:
hij at mensen op
Vergelijk Deut. 7:16 en Deut. 31:17; Ps. 14:4 en Ps. 27:2.
de volken van hem,
Dat is, de Egyptenaars, gelijk te zien is in het einde van vs.4.
Hertaald:
de volken van hem,
Dat is: de Egyptenaren, zoals blijkt uit het slot van vers 4.
in hun groeve;
Men schrijft dat de leeuwen in verborgen putten en ook met netten plegen gevangen te worden.
Hertaald:
in hun groeve;
Men schrijft dat leeuwen gewoonlijk in verborgen kuilen en ook met netten gevangen worden.
en zij brachten hem
Zie 2 Kon. 33:33-34 ; Jer. 22:11-12 .
Hertaald:
en zij brachten hem
Zie 2 Kon. 23:33-34; Jer. 22:11-12.
met haken naar Egypteland
Dat is, met ketenen, die uit vele schakels als uit haken bestaan.
Hertaald:
met haken naar Egypteland
Dat is: met ketenen, die uit veel schakels als uit haken bestaan.
Zij nu ziende,
Te weten de leeuwin, of moeder van dezen jongen leeuw, waarvan gesproken is boven vs.2.
Hertaald:
Zij nu ziende,
Namelijk de leeuwin, of moeder van deze jonge leeuw, waarover hierboven in vers 2 gesproken is.
verloren was,
Te weten van den gevangen leeuw Joahaz weder te krijgen.
Hertaald:
verloren was,
Namelijk om de gevangen leeuw Joahaz terug te krijgen.
een ander van haar welpen,
Te weten Jojakim, den broeder van Joahaz, de leeuwin van Farao gegeven en toegelaten, om in zijns broeders plaats te wezen, 2 Kon. 23:34 .
Hertaald:
een ander van haar welpen,
Namelijk Jojakim, de broer van Joahaz, die de leeuwin van Farao gegeven en toegestaan werd om in de plaats van zijn broer te komen, 2 Kon. 23:34.
onder de leeuwen,
Versta koningen, of volken, wier wreedheid, gruwzaamheid en moorddadigheid hij navolgde; zie boven vs.2.
Hertaald:
onder de leeuwen,
Versta: koningen of volken, wier wreedheid, gruwelijkheid en moorddadigheid hij navolgde; zie hierboven vers 2.
roof te roven,
Vergelijk boven vs.3.
Hertaald:
roof te roven,
Vergelijk hierboven vers 3.
Hij bekende zijn weduwen,
Dat is, had vleselijke gemeenschap met de weduwen dergenen, die hij ten onrechte vermoord en geweldiglijk verdrukt had; zie van het woord bekennen alzo genomen, Gen. 4:1 . Anderen nemen het woord almenoth, hetwelk weduwen betekent, onder Ezech. 22:25 , voor armenoht; dat is paleizen, 2 Kron. 36:19 ; of verlaten paleizen, gelijk Jes. 13:22 ; zie aldaar de aantekening en dat met dezen zin, dat Jojakim ook de goederen der mensen, ja der machtigen, die hij verdrukt had, aangetast en geroofd heeft, tot dien einde die beziende en kennis daarvan nemende.
Hertaald:
Hij bekende zijn weduwen,
Dat is: hij had vleselijke gemeenschap met de weduwen van hen die hij ten onrechte vermoord en met geweld verdrukt had; zie over het woord bekennen in die betekenis Gen. 4:1. Anderen vatten het woord almenoth, dat weduwen betekent, hieronder in Ezech. 22:25 op als armenoth, dat is: paleizen (2 Kron. 36:19), of verlaten paleizen (zoals Jes. 13:22; zie de aantekening daar). Dan is de betekenis dat Jojakim ook de bezittingen van de mensen, ja van de machtigen die hij verdrukt had, aangetast en geroofd heeft, en die met dat doel bekeek en opnam.
zijn volheid
Dat is, dat hetzelve vervult, of dat daarin is; alzo Ps. 24:1 ; Jes. 6:3 , en onder Ezech. 32:15 .
Hertaald:
zijn volheid
Dat is: wat het vult, of wat erin is; zo ook Ps. 24:1; Jes. 6:3, en hieronder Ezech. 32:15.
ontzet werd
Of, woest en eenzaam.
Hertaald:
ontzet werd
Of: woest en verlaten.
van de stem zijner brulling
Dat is, van zijn tirannieke woeding en verwoesting.
Hertaald:
van de stem zijner brulling
Dat is: door zijn tirannieke woede en verwoesting.
volken tegen hem rondom
Zie van deze volken en landen 2 Kon. 24:2 .
Hertaald:
volken tegen hem rondom
Zie over deze volken en landen 2 Kon. 24:2.
zij spreidden hun net over hem uit;
Zie boven vs.4.
Hertaald:
zij spreidden hun net over hem uit;
Zie hierboven vers 4.
haken,
Zie boven vs.4.
Hertaald:
haken,
Zie hierboven vers 4.
zij brachten
Dat is, hun voornemen was hem te brengen; maar dit hebben zij niet kunnen uitvoeren, omdat hij op den weg gestorven is, gelijk Jeremia voorzegd had; Jer. 22:18-19 , en Jer. 36:30 .
Hertaald:
zij brachten
Dat is: zij waren van plan hem te brengen, maar dat hebben zij niet kunnen uitvoeren, omdat hij onderweg gestorven is, zoals Jeremia voorzegd had; Jer. 22:18-19 en Jer. 36:30.
hem in vestingen,
Dat is, naar Babel, dat zeer sterk was en grote vestingen had; Jer. 51:25 , Jer. 51:53 .
Hertaald:
hem in vestingen,
Dat is: naar Babel, dat zeer sterk was en grote vestingwerken had; Jer. 51:25, Jer. 51:53.
Uw moeder was als een wijnstok
Zie boven Ezech. 9:2 .
Hertaald:
Uw moeder was als een wijnstok
Zie hierboven Ezech. 9:2.
in uw stilheid,
Dat is, zolang als het koninrijk in vrede en bloei was; of, gelijk anderen, zolang als gij den koning van Babel gehoorzaam bleeft. Anders: in uw bloed; dat is, in uw geboorte en eerste voortkomst ter wereld; vergelijk boven Ezech. 16:6 , en de aantekening.
Hertaald:
in uw stilheid,
Dat is: zolang het koninkrijk in vrede en bloei was; of, zoals anderen menen, zolang u de koning van Babel gehoorzaam bleef. Anders: in uw bloed, dat is: bij uw geboorte en uw eerste komst ter wereld; vergelijk hierboven Ezech. 16:6 met de aantekening.
hij had
Te weten de wijnstok.
Hertaald:
hij had
Namelijk de wijnstok.
sterke roeden
Of, takken, of stokken der sterkte. Versta door deze de koningen en prinsen van koninklijken bloede, uit wie de koningen van Juda gemaakt werden.
Hertaald:
sterke roeden
Of: takken, of stokken van de sterkte. Versta hieronder de koningen en prinsen van koninklijken bloede, uit wie de koningen van Juda gekozen werden.
stam
Hebreeuws, statuur, of hoogte, gelijk boven Ezech. 17:6 .
Hertaald:
stam
Hebreeuws: gestalte, of hoogte, zoals hierboven Ezech. 17:6.
werd hoog
Te weten zolang als de zegen des Heeren over dien wijnstok was.
Hertaald:
werd hoog
Namelijk zolang de zegen van de HEERE op die wijnstok rustte.
dichte takken;
Versta door deze de menigte van andere heren, vorsten en aanzienlijken des lands.
Hertaald:
dichte takken;
Versta hieronder de menigte van andere heren, vorsten en aanzienlijken van het land.
hij
Te weten elke koning, die hier scepters der heersers genaamd worden.
Hertaald:
hij
Namelijk elke koning; die worden hier scepters van de heersers genoemd.
werd gezien
Dat is, vermaard en wijdberoemd.
Hertaald:
werd gezien
Dat is: vermaard en wijd beroemd.
menigte zijner takken
Versta, het gehele rijk en de macht van het Joodse volk.
Hertaald:
menigte zijner takken
Versta: het hele rijk en de macht van het Joodse volk.
grimmigheid uitgerukt,
Versta de rechtvaardige gramschap van God.
Hertaald:
grimmigheid uitgerukt,
Versta: de rechtvaardige toorn van God.
oostenwind
Deze betekent hier den koning van Babel met zijn ganse heirleger, gelijk boven Ezech. 17:10 .
Hertaald:
oostenwind
Die hier de koning van Babel met zijn hele leger aanduidt, zoals hierboven Ezech. 17:10.
sterke roeden
Zie op vs.11.
Hertaald:
sterke roeden
Zie bij vers 11.
vuur heeft ze verteerd
Te weten der goddelijke wraak.
Hertaald:
vuur heeft ze verteerd
Namelijk het vuur van de goddelijke wraak.
een woestijn,
Versta het land van Babylonië, hetwelk, hoewel het in zichzelven waterrijk en vruchtbaar was, nochtans den gevangen Joden was als een dorre en verdrietelijke woestijn, gelijk hunnen vaderen was geweest de woestijn door welke zij reisden naar het beloofde land. Vergelijk onder Ezech. 20:35 .
Hertaald:
een woestijn,
Versta: het land Babylonië, dat, hoewel het op zichzelf waterrijk en vruchtbaar was, voor de gevangen Joden toch als een dorre en troosteloze woestijn was, zoals voor hun vaderen de woestijn geweest was waardoor zij naar het beloofde land reisden. Vergelijk hieronder Ezech. 20:35.
uit een roede zijner ranken,
Dat is, uit den koning Zedekia, die met zijn rebelleren tegen den koning van Babel, over zich en het gehele Joodse volk een gruwelijk verderf gebracht heeft; 2 Kon. 24:20 , en 2 Kon. 25:1 .
Hertaald:
uit een roede zijner ranken,
Dat is: uit koning Zedekia, die door zijn opstand tegen de koning van Babel een vreselijk verderf over zichzelf en het hele Joodse volk gebracht heeft; 2 Kon. 24:20 en 2 Kon. 25:1.
tot een scepter,
Zie boven vs.11.
Hertaald:
tot een scepter,
Zie hierboven vers 11. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Hef gij een weeklage op over de vorsten van Israel" (Ezech. 19:1). Het lied begint met een vraag: "Wat was uw moeder? Een leeuwin, onder de leeuwen nederliggende" (Ezech. 19:2). Zij bracht een welp groot die leerde roven, en die werd gegrepen en met haken naar Egypte gebracht (Ezech. 19:3-4). Een tweede welp gaat dezelfde weg en wordt naar Babel gebracht (Ezech. 19:5-9). In het tweede deel verandert het beeld: de moeder is een wijnstok bij het water, met sterke takken die tot scepters dienden, maar zij wordt uitgerukt en in de woestijn geplant (Ezech. 19:10-13). Het slot zegt wat het is: "Dit is een weeklage, en is tot een weeklage geworden" (Ezech. 19:14). Bijbelse betekenis: Merk op in welke vorm dit gegoten is. Niet als aanklacht maar als klaaglied; over dezelfde koningen die het volk in het verderf hielpen, wordt gerouwd. Dat is de toon die dit register bij oordeelsprofetieën vasthoudt (reeds behandeld bij Jes. 15:5). Let vervolgens op het beeld van de leeuw. Het is de koninklijke naam bij uitstek — Juda heet een leeuwenwelp (Gen. 49:9) — en juist die waardigheid maakt het einde zo bitter: gevangen in een kuil en met haken weggevoerd. Let ten slotte op de wijnstok in het tweede deel. Wat sterk genoeg was om er scepters van te maken, staat aan het slot in een dorre woestijn. Het lied laat het daarbij; er volgt geen belofte. Het klaaglied wordt hier niet opgelost, zoals ook Klaagliederen op een vraag eindigt (reeds behandeld bij Klaagl. 5:22). Typologie: In het laatste boek wordt Christus de Leeuw uit Juda's stam genoemd, Die overwonnen heeft (Op. 5:5). De koningen van dit klaaglied zijn geëindigd in een kuil; de Leeuw van Wie Jakob sprak, is de enige Die de rol kon openen. Ezech. 19:1-14; Jes. 15:5; Gen. 49:9; Klaagl. 5:22; Op. 5:5 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Ezechiël 19
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen


Ezechiël 19
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Verder, zo richt Ik, de Heere, Mijne rede tot het volk (Hoofdst. 18:1 vv.) in een opdracht aan u, Mijnen Profeet: hef gij ene weeklage op over de vorsten van Israël, de reeds ten onder gegane koningen uit Davids huis, op wier ondergang nu spoedig die van het gehele wettige koningschap in Israël zal volgen.
En zeg: wat was o Israël! uwe moeder 1) Jeruzalem (Gal. 4:25 vv.)? ene leeuwin onder de leeuwentussen de andere steedse volken nederliggende, en zich zo tegenover hare heilige bestemming geheel met deze gelijk stellende; zij bracht hare welpen op in het midden der jonge leeuwen, opdat zij geheel hun natuur en aard zouden aannemen.
Niet Zedekia wordt hier aangesproken, maar Israël als volk, en de moeder is hier zonder twijfel de theokratie, waaruit de koningen zijn voortgekomen, zoals uit vs. 10 duidelijk blijkt.
Zij toog nu één van hare welpen op; het werd een jonge leeuw, die leerde roof te roven, hij at mensen op (2 Kon. 23:32).
Dit hoorden de volken van hem, dat hij zich dus met hun eigene koningen wilde gelijk stellen; hij werd gegrepen in hun groeven, even als de mensen, wanneer een wezenlijke leeuw of enig ander verderfelijk roofdier verwoesting aanricht, zich aan alle zijden plegen te verenigen, om zich daarvan meester te maken (2 (Sam. 23:20); en zij brachten hem met haken (neusringen 2 Kon. 19:28)naar a) Egypteland (2 Kon. 23:33).
Jer. 22:11.
Zij nu ziende, dat zij in hope was geweest op wederkering van den weggevoerde, doch dat hare verwachting verloren was, en zich over de slechte regering van anderen, van Jojakim, eens met zekere verwachting op aanstaande wending (Jer. 22:9) maar te vergeefs zich had getroost, zo nam zij een ander van hare welpen, hetwelk zij weer tot enen jongen leeuw stelde (2 Kon. 24:8 vv.).
Deze wandelde steeds onder de leeuwen, werd een jonge leeuw, en leerde roof te roven, hij at mensen op (vs. 3).
Hij, het erger makende dan zijn goddeloze vader Jojakim, bekende schond, zijne weduwen, de weduwen van het volk Israëls, en hij verwoestte hun steden door ontzaglijke afpersingen, zodat het land en zijne volheid ontzet werd van de stem zijner brulling.
Toen begaven zich de volken tegen hem rondom uit de landschappen, voortzettende tegen hem wat zij reeds aan zijnen vader hadden gedaan (2 Kon. 24:2) en nu aan hem met beter gevolg, en zij spreidden hun net over hem uit; in hun groeve werd hij gegrepen (vs: 4).
En zij stelden hem in gesloten bewaring met haken met neusringen (vs. 4), opdat zij hem brachten tot den koning van Babel; zij brachten hem in vestingen, opdat zijne stem niet meer gehoord werdt op de bergen Israëls (2 Kron. 36:10). Deze klaagzang, welke den ondergang van het koningshuis (vs. 2-9) en de verbanning van Israël in de ballingschap (vs. 10-14) beklaagt, vormt ene finale op de voorafgaande voorzeggingen van den ondergang van Juda, die zeer geschikt was, om alle hoop op afwending van het uiterste geheel ter neer te slaan. Het klaaglied is aan de vorsten van Israël gewijd, d. i. aan het koninklijk geslacht, aan den stam van David in het algemeen, en het betreft zijn smadelijk verderf. Met opzet wordt “Israël” en niet “Juda” genoemd, volgens algemene echt profetische wijze van beschouwing, welke het Davidische huis als het alleen wettige liet voorkomen, het als het rechtmatige opperhoofd van geheel Israël beschouwde. De klacht over de vorsten handelt in de eerste plaats over feiten, die in den tijd, toen deze woorden werden gesproken, geschiedkundig reeds hadden plaats gehad, de wegvoering van Joahaz naar Egypte en de wegvoering van Jojachin naar Babel. Daar echter de profetie met hetgeen voorbijgegaan is niets te doen heeft, ook de parallelle klacht met betrekking tot het volk (vs. 10 vv.) op toekomende zaken betrekking heeft, zo zal men moeten aannemen, dat de Profeet die feiten van het verledene als voorbeelden in ‘t oog neemt van hetgeen den tegenwoordigen koning Zedekia zal overkomen, zodat wij ons volgens vs. 9 gedachtenlijnen of een “die het leest, versta het” moeten denken. Alleen bij deze opvatting is ook te verklaren het overigens bevreemdende feit, dat Joahaz en Jojachin onmiddellijk aan elkaar worden verbonden, maar Jojakim, die geschiedkundig daartussen staat, geheel wordt voorbijgezien. Hoewel hij ene meer betekenende persoonlijkheid was dan die beide andere, veel langer regeerde, zijne regering ook overvloedige stof tot klachten aanbood, daar in deze het begin van de Chaldeeuwse dienstbaarheid valt en de eerste inneming van Jeruzalem, en wat niet het minste was ook een tijd van groten druk onder hem plaats had, te weeg gebracht door zijn afvallen, en waarbij hij zelf het leven verloor (2 Kon. 24:1-6), zo behoorde hij toch niet in den zamenhang, omdat juist de wegvoering van Zedekia in het heidenland, en voornamelijk naar Babel moest worden afgebeeld. In vs. 2 en 10 is het geheel der toen levende Israëlieten aangesproken. De moeder van deze is Israël als geschiedkundig volk, in zoverre het de nu nog levende en aangesprokene Israëlieten heeft voortgebracht. Wanneer nu in ene vraag vol verwondering gezegd wordt: wat was hare moeder, ene leeuwin onder de leeuwen nederliggende; zij bracht hare welpen op in het midden der jonge leeuwen, dan zijn de oude leeuwen, tussen welke Israël zich legerde, de andere volken en rijken in hun wereldse macht, in hunnen mensen vernielenden, veroveringszuchtigen, gewelddadigen aard. Tussen deze legers stelt Israël zich dus wat dezen hunnen aard betreft met hen gelijk, gedraagt zich als tot hen behorende, verenigt zich met dit hun wezen. Ene dubbele berisping wordt daardoor over Israël uitgesproken,
dat het zich met de andere volken gelijk stelt, ene roofgierige macht als deze wil zijn, en 2) dat het daardoor gevolgelijk ook zijne koningen verderft, hen in dat wereldse geweld intrekt-met andere woorden, het klaaglied klaagt tegen de toen levende Israëlieten: wat doet toch uwe moeder Israël, dat zij zich met de heidense wereldmachten gelijk stelt, en daardoor hare koningen verleidt, en zich als heidense wereldheersers te willen gedragen! Met dit hoofdverwijt is de grondtoon der weeklacht uitgesproken. In het volgende wordt nu in de eerste plaats op twee voorbeelden gewezen, hoe en tot welk treurig einde Israël door zijn eigen zoeken naar heidense wereldmacht zijne koningen op gelijke wijze bedorven heeft. Daar het nu op zulke voorbeelden aankwam, niet op ene herhaalde optelling der laatste koningen, wordt Jojakim overgeslagen, bij wien het, daar hij niet in de macht der heidense volken eindigde, niet bleek, tot welk einde het leidde, als Israëlietische koningen leeuwen wilden zijn als de koningen der wereld. Daarentegen worden zeer gepast Joahaz en Jojachin tegenover elkaar geplaatst, die aan de beide wereldse machten, tussen welke toen Israël heen en weer wankelde, ten roof werden, terwijl de een door Egypte, de ander door Babel het loon vond voor het boeleren met de wereldmachten. Bij Joahaz vooral bleek het, dat Israël zich bij de heidense volken voegde, even als wanneer ene leeuwin zich onder de leeuwinnen legert. Het kende zich den leeuwenaard toe en wekte ook bij de koningen, die het voortbracht, den leeuwenaard op. Het verhief Joahaz uit het midden zijner koningszonen op den troon, en deze werd nu een jonge leeuw, handelde even als de heidense koningen met hunnen roofgierigen, den mensen vijandigen aard, die even als de leeuwen zijn. Dat had ten gevolge, dat de heidense volken op hen letten, tussen die beiden gemeenschap ontstond, zich enigzins met hen inlieten, maar ook het verdere gevolg was, dat het in verwikkelingen met deze geraakte, welke daarmee eindigden, dat het gevangen naar Egypte werd gesleept. Wat de geschiedkundige betrekkingen aangaat zijn de wegvoering van Joahaz naar Egypte en die van Jojachin naar Babel parallel. Jojakim, die daar tussen staat, valt weg, maar omdat Jojachin meer betekende en voor het begin der Babylonische dienstbaarheid meer karakteristiek is, is hij geheel in zijne kleuren voorgesteld. Merk hieraan, Gods rechtvaardigheid moest erkend worden, wanneer degenen, die anderen verschrikt en tot slaven gemaakt hebben, zelven verschrikt en tot slaven gemaakt worden; wanneer zij, die door misbruik van de macht tot verwoesting, die hun gegeven was tot opbouwing, zich zelf tot wilde beesten maken als brullende leeuwen en huilende beren als zodanig behandeld worden, wanneer zij, die gelijk Ismaël, hun hand tegen allen hebben, ten laatste zo ver komen, dat zij de hand van allen tegen zich hebben. Het is sedert lange aangemerkt, dat bloeddorstige tyrannen zelden in vrede sterven, maar dat hun bloed te drinken wordt gegeven, omdat zij het waardig zijn.
Uwe moeder o Israël (vs. 2) was als een wijnstok in uwe stilheid 1) (Ps. 80:9) geplant bij wateren; hij was vruchtbaar en vol ranken van wege vele wateren, die hem zo overvloedig voedsel doen toekomen. Hebr. “in uw bloed” d. i. “in uwe volle levenskracht. ” Men kan echter niet ontkennen, dat dit gebruik des woords zonderling is. And. : “in een gerusten staat” of met enige verandering der lezing: “in zijn bloed” d. i. die overvloed van wijn, van druivebloed opleverde.
En hij, deze wijnstok had sterke roeden, maakte heerlijke scheuten, geschikt tot scepteren der heersers, en de stem van elke roede werd hoog tussen de dichte takken, daar Israël onder zijnen koning hoog opgroeide; en hij werd gezien, hij werd zichtbaar door zijne hoogte met de menigte zijner takken.
Maar hij werd door grimmigheid uitgerukt en ter aarde geworpen, en de oostewind heeft zijne vrucht gedroogd, daar de verzengende macht van de Chaldeeuwse legers zijne welvaart vernietigde; zijne sterke roeden zijn afgebroken en zijn verdroogd; het vuur heeft ze verteerd, het geslacht der heersers ging te gronde.
En nu van het standpunt der ballingschap beschouwd is hij de wijnstok, uwe moeder o Israël, geplant in ene woestijn, in een dor en dorstig land, waar hem gene levensstromen van dien aard, als hij tot zijnen voorspoedigen wasdom behoeft, meer toevloeien.
Daartoe is een vuur der vernietiging uitgegaan uit ene roede zijner ranken, van de koningen, dat zijne vrucht verteerd heeft, zodat aan hem gene sterke roede is tot enen scepter, een koningshuis niet meer bestaat, om te heersen. Dit, wat in dit hoofdstuk is geschreven, is ene weeklaagde, en is tot ene weeklage geworden (liever: en zal tot een klaagzang worden;) als de inhoud geheel zal vervuld zijn, dan zal Israël zijnen Profeet naspreken. Van het beklagenswaardig lot der naar Egypte en Babel gedeporteerde vorsten gaat het lied over tot de schildering van het lot, dat de begeerlijkheid zijner vorsten aan volk en rijk bereidt. Israël geleek aan enen bij het water geplanten wijnstok; deze bracht sterke takken voort tot scepters, d. i. krachtige koningen, en groeide hoog op. De vele wateren betekenen den Goddelijken zegen, die over Israël was, den rijken toevloed van genade. Wat in vs. 11 gezegd wordt, heeft vooral betrekking op den schitterenden toestand des volks ten tijde van David en Salomo, onder wien Israël tot een wereldrijk werd als Assur, van wien in Hoofdst. 31:3 iets dergelijks wordt gezegd. In vs. 12 volgt op den hoogsten wasdom als een bliksemslag van den helderen hemel de ondergang van den wijnstok, van Jeruzalem en Juda, als de geboorteplaats der koningen en van het Davidische koningshuis. Terwijl in vs. 2-9 vroegere koningen als dragers van het Davidische koningschap, tevens van betekenis in hun lot voor den tegenwoordigen koning worden beklaagd, wordt nu Zedekia, en wel alles reeds geschied, als degene, met wien het Davidische koningschap te gronde gaat, voorwerp van beklaging. Het is dus een driekoningen lied, dat handelt over twee verbrokene heerschersstaven en een en die verbroken wordt. De Profeet ziet reeds in den geest den koning Zedekia, die het laatste verderf over zijn volk gebracht heeft, als den verbroken staf des wijnstoks. Zo heeft hij ons de trapsgewijs voortgaande vermindering van zijn volk, in het verbreken van drie scepters, klagende voor ogen gesteld. Ja, het is een klaagzang, en zal tot een klaagzang des volks worden, die voortgaat van mond tot mond. De klacht wordt tot ene klacht; zij is niet de fantasie van enen zwartgallige, maar de voorzegging ener klacht, welke werkelijk met duizende stemmen uit den mond des volks zal voortkomen; zij is gelijk het zaaisel, waaruit een rijpe oogst van klachten voortkomt. Voor het volk hangt thans de hemel vol violen, maar spoedig zal het worden (Job 30:31 Job 1), “Mijne harp is tot ene rouwklage geworden, en mijn orgel tot ene stem der wenenden. ” . Tyrannie is de inleiding tot regeringloosheid, en wanneer de roede der regering veranderd wordt in een slang van verdrukking, dan is het recht bij God, te zeggen, dan zal geen sterke roede zijn tot een scepter om te regeren.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel