Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
En des HEERENH3068 woordH1697 geschieddeH1961 totH413 mij, zeggendeH559:
En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
KJV
And the word2
of the LORD3
came unto me, saying,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
MensenkindH1121, stelH2330 een raadselH2420 voor, en gebruikH4911 een gelijkenisH4912 totH413 het huisH1004 IsraelsH3478,
Mensenkind, stel een raadsel voor, en gebruik een gelijkenis tot het huis Israels,
KJV
Son1
of man,2
put forth3
a riddle,4
and speak5
a parable6
unto the house8
of Israel;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En zegH559: AlzoH3541 zegtH559 de HeereH136 HEEREH3069: Een arendH5404, die grootH1419 was, grootH1419 van vleugelenH3671, langH750 van vlerkenH83, volH4392 van vederenH5133, dieH834 verscheidene veren had, kwamH935 op den LibanonH3844, en namH3947 den oppersten takH6788 van een cederH730.
En zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: Een arend, die groot was, groot van vleugelen, lang van vlerken, vol van vederen, die verscheidene veren had, kwam op den Libanon, en nam den oppersten tak van een ceder.
Ook in dit vers
vervenH7553
KJV
And say,1
Thus saith3
the Lord4
GOD;5
A great7
eagle6
with great8
wings,9
longwinged,11
full12
of feathers,13
which had divers colours,16
came17
unto Lebanon,19
and took20
the highest branch22
of the cedar:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Hij plukteH6998 den topH7218 van zijn jonge takjesH3242 af, en brachtH935 hem in een landH776 van koophandelH3667; hij zetteH7760 hem in een stadH5892 van koopliedenH7402.
Hij plukte den top van zijn jonge takjes af, en bracht hem in een land van koophandel; hij zette hem in een stad van kooplieden.
KJV
He cropped off4
the top2
of his young twigs,3
and carried5
it into a land7
of traffick;8
he set11
it in a city9
of merchants.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Hij namH3947 ook van het zaadH2233 des landsH776, en legdeH5414 het in een zaadakkerH2233; hij namH3947 het, hij zetteH7760 het bijH5921 veleH7227 waterenH4325 met grote voorzichtigheidH6851.
Hij nam ook van het zaad des lands, en legde het in een zaadakker; hij nam het, hij zette het bij vele wateren met grote voorzichtigheid.
KJV
He took1
also of the seed2
of the land,3
and planted4
it in a fruitful6
field;5
he placed7
it by great10
waters,9
and set12
it as a willow tree.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En het sprootH6779 uit, en werdH1961 tot een welig uitlopende wijnstokH1612, doch nederigH8217 van stamH6967, ziendeH6437 met zijn takkenH1808 naarH413 hem, dewijl zijn wortelenH8328 onderH8478 hem waren. Zo werd hij tot een wijnstokH1612, die rankenH905 voortbrachtH6213 en scheutenH6288 uitwierpH7971.
En het sproot uit, en werd tot een welig uitlopende wijnstok, doch nederig van stam, ziende met zijn takken naar hem, dewijl zijn wortelen onder hem waren. Zo werd hij tot een wijnstok, die ranken voortbracht en scheuten uitwierp.
Ook in dit vers
welig uitlopendenH5628
KJV
And it grew,1
and became a spreading4
vine3
of low5
stature,6
whose branches8
turned7
toward him, and the roots10
thereof were under him: so it became a vine,14
and brought forth15
branches,16
and shot17
forth sprigs.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Nog wasH1961 er eenH259 groteH1419 arendH5404, grootH1419 van vleugelenH3671 en overvloedigH7227 van vederenH5133; en zietH2009, dezeH2063 wijnstokH1612 voegdeH3719 zijn wortelenH8328 naar denzelven toe, en wierpH7971 zijn takkenH1808 tot hem uit, opdat hij hem bevochtigenH8248 zou naar de beddenH6170 zijner plantingH4302 toe.
Nog was er een grote arend, groot van vleugelen en overvloedig van vederen; en ziet, deze wijnstok voegde zijn wortelen naar denzelven toe, en wierp zijn takken tot hem uit, opdat hij hem bevochtigen zou naar de bedden zijner planting toe.
KJV
There was also another3
great4
eagle2
with great5
wings6
and many7
feathers:8
and, behold, this vine10
did bend12
her roots13
toward him, and shot forth16
her branches15
toward him, that he might water18
it by the furrows20
of her plantation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Hij wasH1961 in een goedeH2896 landouweH7704 bij veleH7227 waterenH4325 geplantH8362, om takkenH6057 te makenH6213 en vruchtH6529 te dragenH5375, opdat hij totH413 een heerlijkenH155 wijnstokH1612 worden mocht.
Hij was in een goede landouwe bij vele wateren geplant, om takken te maken en vrucht te dragen, opdat hij tot een heerlijken wijnstok worden mocht.
KJV
It was planted8
in a good3
soil2
by great6
waters,5
that it might bring forth9
branches,10
and that it might bear11
fruit,12
that it might be a goodly15
vine.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
ZegH559: AlzoH3541 zegtH559 de HeereH136 HEEREH3069: Zal hij gedijenH6743? Zal hij nietH3808 zijn wortelenH8328 uitrukkenH5423, en zijn vruchtH6529 afsnijdenH7082, dat hij droogH3001 worde? Hij zal aan alH3605 de bladerenH2964 van zijn gewasH6780 verdrogenH3001; en dat nietH3808 door een grotenH1419 armH2220, noch door veelH7227 volksH5971, om dien van zijn wortelenH8328 weg te voeren.
Zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: Zal hij gedijen? Zal hij niet zijn wortelen uitrukken, en zijn vrucht afsnijden, dat hij droog worde? Hij zal aan al de bladeren van zijn gewas verdrogen; en dat niet door een groten arm, noch door veel volks, om dien van zijn wortelen weg te voeren.
Ook in dit vers
weg voerenH5375
KJV
Say1
thou, Thus saith3
the Lord4
GOD;5
Shall it prosper?6
shall he not pull up10
the roots9
thereof, and cut off13
the fruit12
thereof, that it wither?14
it shall wither18
in all the leaves16
of her spring,17
even without great21
power20
or many23
people22
to pluck it up24
by the roots
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Ja, zietH2009, zal hij geplantH8362 zijnde gedijenH6743? Zal hij nietH3808, als de oostenwindH6921 hem aanroertH5060, gansH3001 verdrogenH3001? OpH5921 de beddenH6170 van zijn gewasH6780 zal hij verdrogenH3001.
Ja, ziet, zal hij geplant zijnde gedijen? Zal hij niet, als de oostenwind hem aanroert, gans verdrogen? Op de bedden van zijn gewas zal hij verdrogen.
KJV
Yea, behold, being planted,2
shall it prosper?3
shall it not utterly9
wither,10
when the east8
wind7
toucheth5
it? it shall wither14
in the furrows12
where it grew.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Daarna geschieddeH1961 des HEERENH3068 woordH1697 totH413 mij, zeggendeH559:
Daarna geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
KJV
Moreover the word2
of the LORD3
came unto me, saying,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
ZegH559 nu tot dat wederspannigH4805 huisH1004: WeetH3045 gij nietH3808, watH4100 dezeH428 dingen zijn? ZegH559: ZietH2009, de koningH4428 van BabelH894 is tot JeruzalemH3389 gekomen, en heeft haar koningH4428 genomenH3947, en haar vorstenH8269, en heeft ze tot zich gevoerdH935 naar BabelH894.
Zeg nu tot dat wederspannig huis: Weet gij niet, wat deze dingen zijn? Zeg: Ziet, de koning van Babel is tot Jeruzalem gekomen, en heeft haar koning genomen, en haar vorsten, en heeft ze tot zich gevoerd naar Babel.
KJV
Say1
now to the rebellious4
house,3
Know6
ye not what these things mean? tell9
them, Behold, the king12
of Babylon13
is come11
to Jerusalem,14
and hath taken15
the king17
thereof, and the princes19
thereof, and led20
them with him to Babylon;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Daartoe heeft hij van het koninklijkH4410 zaadH2233 genomenH3947, en daarmede een verbondH1285 gemaakt, en heeft hem tot een eedH423 gebrachtH935, en de machtigenH352 des landsH776 heeft hij weggenomenH3947;
Daartoe heeft hij van het koninklijk zaad genomen, en daarmede een verbond gemaakt, en heeft hem tot een eed gebracht, en de machtigen des lands heeft hij weggenomen;
KJV
And hath taken1
of the king's3
seed,2
and made4
a covenant6
with him, and hath taken7
an oath9
of him: he hath also taken13
the mighty11
of the land:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Opdat het koninkrijkH4467 nederigH8217 zou zijnH1961, zich nietH1115 verheffendeH5375, en dat het, zijn verbondH1285 houdendeH8104, bestaanH5975 mocht.
Opdat het koninkrijk nederig zou zijn, zich niet verheffende, en dat het, zijn verbond houdende, bestaan mocht.
KJV
That the kingdom2
might be base,3
that it might not lift itself up,5
but that by keeping6
of his covenant8
it might stand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Maar hij rebelleerdeH4775 tegen hem, zendendeH7971 zijn bodenH4397 in EgypteH4714, opdat men hem paardenH5483 en veelH7227 volksH5971 bestellenH5414 zou; zal hij gedijenH6743? Zal hij ontkomenH4422, dieH428 zulke dingen doetH6213? Ja, zal hij het verbondH1285 brekenH6565 en ontkomenH4422?
Maar hij rebelleerde tegen hem, zendende zijn boden in Egypte, opdat men hem paarden en veel volks bestellen zou; zal hij gedijen? Zal hij ontkomen, die zulke dingen doet? Ja, zal hij het verbond breken en ontkomen?
KJV
But he rebelled1
against him in sending3
his ambassadors4
into Egypt,5
that they might give6
him horses8
and much10
people.9
Shall he prosper?11
shall he escape12
that doeth13
such things? or shall he break15
the covenant,16
and be delivered?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Zo waarachtig als IkH589 leefH2416, spreektH5002 de HeereH136 HEEREH3069, zoH518 hij nietH3808 in de plaatsH4725 des koningsH4428, dieH834 hem koningH4427 gemaakt heeft, wiens eedH423 hij verachtH959, en wiens verbondH1285 hij gebrokenH6565 heeft, bijH854 hem in het middenH8432 van BabelH894 zal stervenH4191!
Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo hij niet in de plaats des konings, die hem koning gemaakt heeft, wiens eed hij veracht, en wiens verbond hij gebroken heeft, bij hem in het midden van Babel zal sterven!
KJV
As I live,1
saith3
the Lord4
GOD,5
surely in the place8
where the king9
dwelleth that made him king,10
whose oath15
he despised,13
and whose covenant19
he brake,17
even with him in the midst21
of Babylon22
he shall die.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Ook zal FaraoH6547, door een grootH1419 heirH2428 en door menigteH7227 van krijgs vergaderingH6951, met hem in oorlogH4421 niets uitrichtenH6213 als men een walH5550 zal opwerpenH8210, en als men sterktenH1785 bouwenH1129 zal, om veleH7227 zielenH5315 uit te roeienH3772.
Ook zal Farao, door een groot heir en door menigte van krijgs vergadering, met hem in oorlog niets uitrichten als men een wal zal opwerpen, en als men sterkten bouwen zal, om vele zielen uit te roeien.
KJV
Neither shall Pharaoh8
with his mighty3
army2
and great5
company4
make6
for him in the war,9
by casting up10
mounts,11
and building12
forts,13
to cut off14
many16
persons:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Want hij heeft den eedH423 verachtH959, brekendeH6565 het verbondH1285, daar hij, zietH2009, zijn handH3027 gegevenH5414 had; dewijl hij alH3605 dezeH428 dingen gedaanH6213 heeft, zal hij nietH3808 ontkomenH4422.
Want hij heeft den eed veracht, brekende het verbond, daar hij, ziet, zijn hand gegeven had; dewijl hij al deze dingen gedaan heeft, zal hij niet ontkomen.
KJV
Seeing he despised1
the oath2
by breaking3
the covenant,4
when, lo, he had given6
his hand,7
and hath done10
all these things, he shall not escape.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
DaaromH3651, alzo zegtH559 de HeereH136 HEEREH3069: Zo waarachtig alsH518 Ik leefH2416, zo Ik Mijn eedH423, dienH834 hij verachtH959 heeft, en Mijn verbondH1285, datH834 hij gebrokenH6331 heeft, datzelve nietH3808 op zijn hoofdH7218 geveH5414!
Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Zo waarachtig als Ik leef, zo Ik Mijn eed, dien hij veracht heeft, en Mijn verbond, dat hij gebroken heeft, datzelve niet op zijn hoofd geve!
KJV
Therefore thus saith3
the Lord4
GOD;5
As I live,6
surely mine oath10
that he hath despised,12
and my covenant13
that he hath broken,15
even it will I recompense16
upon his own head.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
En Ik zal Mijn netH7568 overH5921 hem uitspreidenH6566, datH834 hij gegrepenH8610 zal worden in Mijn jachtgarenH4686; en Ik zal daarH8033 metH854 hem rechtenH8199 over zijn overtredingH4603, waardoor hij tegen Mij overtredenH4604 heeft.
En Ik zal Mijn net over hem uitspreiden, dat hij gegrepen zal worden in Mijn jachtgaren; en Ik zal daar met hem rechten over zijn overtreding, waardoor hij tegen Mij overtreden heeft.
Ook in dit vers
BabelH894
brengenH935
KJV
And I will spread1
my net3
upon him, and he shall be taken4
in my snare,5
and I will bring6
him to Babylon,7
and will plead8
with him there for his trespass13
that he hath trespassed
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Daartoe zullen al zijn vluchtelingenH4015 met alH3605 zijn bendenH102 door het zwaardH2719 vallenH5307, en de overgeblevenenH7604 zullen in alleH3605 windenH7307 verstrooidH6566 worden; en gijlieden zult wetenH3045, datH3588 IkH589, de HEEREH3068, gesprokenH1696 heb.
Daartoe zullen al zijn vluchtelingen met al zijn benden door het zwaard vallen, en de overgeblevenen zullen in alle winden verstrooid worden; en gijlieden zult weten, dat Ik, de HEERE, gesproken heb.
KJV
And all his fugitives3
with all his bands5
shall fall7
by the sword,6
and they that remain8
shall be scattered11
toward all winds:10
and ye shall know12
that I the LORD15
have spoken
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
AlzoH3541 zegtH559 de HeereH136 HEEREH3069: Ik zal ook van den oppersten takH6788 des hogen cedersH730 nemenH3947, dat Ik zettenH5414 zal; van het oppersteH7218 zijner jonge takjesH3127 zal Ik een tederenH7390 afplukkenH6998, denwelken Ik opH5921 een hogen en verhevenenH8524 bergH2022 plantenH8362 zal;
Alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal ook van den oppersten tak des hogen ceders nemen, dat Ik zetten zal; van het opperste zijner jonge takjes zal Ik een tederen afplukken, denwelken Ik op een hogen en verhevenen berg planten zal;
Ook in dit vers
hogenH1364
hogenH7311
KJV
Thus saith2
the Lord3
GOD;4
I will also take5
of the highest branch7
of the high9
cedar,8
and will set10
it; I will crop off14
from the top11
of his young twigs12
a tender one,13
and will plant15
it upon an high19
mountain18
and eminent:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Op den bergH2022 der hoogteH4791 van IsraelH3478 zal Ik hem plantenH8362; en hij zal takken voortbrengenH5375, en vruchtH6529 dragenH6213, en hij zal tot een heerlijkenH117 cederH730 worden, dat onderH8478 hem wonenH7931 zal alleH3605 gevogelteH6833 van allerleiH3605 vleugelH3671; in de schaduwH6738 zijner takken zullen zijH1961 wonenH7931.
Op den berg der hoogte van Israel zal Ik hem planten; en hij zal takken voortbrengen, en vrucht dragen, en hij zal tot een heerlijken ceder worden, dat onder hem wonen zal alle gevogelte van allerlei vleugel; in de schaduw zijner takken zullen zij wonen.
Ook in dit vers
takkenH1808
takkenH6057
KJV
In the mountain1
of the height2
of Israel3
will I plant4
it: and it shall bring forth5
boughs,6
and bear7
fruit,8
and be a goodly11
cedar:10
and under it shall dwell12
all fowl15
of every wing;17
in the shadow18
of the branches19
thereof shall they dwell.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Zo zullen alleH3605 bomenH6086 des veldsH7704 wetenH3045, datH3588 IkH589, de HEEREH3068, den hogenH1364 boomH6086 vernederdH8213 heb, den nederigenH8217 boomH6086 verdroogdH3001, en den drogenH3002 boomH6086 bloeiendeH6524 gemaakt heb; IkH589, de HEEREH3068, heb het gesprokenH1696, en zal het doen.
Zo zullen alle bomen des velds weten, dat Ik, de HEERE, den hogen boom vernederd heb, den nederigen boom verdroogd, en den drogen boom bloeiende gemaakt heb; Ik, de HEERE, heb het gesproken, en zal het doen.
Ook in dit vers
verhevenH1361
groenenH3892
boomH6086
KJV
And all the trees3
of the field4
shall know1
that I the LORD7
have brought down8
the high10
tree,9
have exalted11
the low13
tree,12
have dried14
up the green16
tree,15
and have made the dry19
tree18
to flourish:17
I the LORD21
have spoken22
and have done
raadsel voor,
Zie Richt. 14:12 .
Hertaald:
raadsel voor,
Zie Richt. 14:12.
gelijkenis
Of, parabel; dat is een verhaal in hetwelk ene zaak doorgaans met iets anders vergeleken wordt, om die te meer klaarheid en kracht te geven; en kan anders ook genoemd worden een allegorie. Alzo onder Ezech. 20:49 en Ezech. 24:3 ; Matt. 13:3 , Matt. 13:13 , enz. Hebreeuws, parabel een parabel.
Hertaald:
gelijkenis
Of: parabel; dat is: een verhaal waarin een zaak doorlopend met iets anders vergeleken wordt om die meer helderheid en kracht te geven; het kan ook een allegorie genoemd worden. Zo ook hieronder Ezech. 20:49 en Ezech. 24:3; Matth. 13:3, Matth. 13:13, enzovoort. Hebreeuws: parabel een parabel.
tot het huis Israëls,
Of, rakende het huis van Israël.
Hertaald:
tot het huis Israëls,
Of: over het huis van Israël.
Een arend,
Versta Nebukadnezar, den koning van Babel, zie onder vs.12.
Hertaald:
Een arend,
Versta Nebukadnezar, de koning van Babel; zie hieronder vers 12.
groot van vleugelen,
Dat is, hebbende grote macht, een wijd uitgestrekt koninkrijk en overvloed van allen rijkdom.
Hertaald:
groot van vleugelen,
Dat is: met grote macht, een wijd uitgestrekt koninkrijk en overvloed van allerlei rijkdom.
verscheidene veren had,
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk wat met de naald van verscheidene kleuren gemaakt wordt, als geborduurd of gestikt werk, boven Ezech. 16:10 , Ezech. 16:13 , enz.; maar hier wordt het bij gelijkenis gebruikt van schone gespikkelde en dooreen gekleurde vederen, alsof zij geborduurd waren.
Hertaald:
verscheidene veren had,
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk wat met de naald in verschillende kleuren gemaakt wordt, zoals borduur- of stikwerk, hierboven Ezech. 16:10, Ezech. 16:13, enzovoort; maar hier wordt het bij vergelijking gebruikt van mooie, gespikkelde en bont gekleurde veren, alsof zij geborduurd waren.
Libanon,
Versta het land van Palestina, hetwelk noordwaarts met het gebergte van Libanon begrensd was. Zie 1 Kon. 4:33 .
Hertaald:
Libanon,
Versta: het land Palestina, dat in het noorden door het gebergte van de Libanon begrensd werd. Zie 1 Kon. 4:33.
oppersten tak
Door dezen is betekend de koning Jojachin, ander ook Jechonias genaamd, 1 Kron. 3:16 ; die van Nebukadnezar gevankelijk naar Babylonië weggevoerd was; 2 Kon. 24:12 ; 2 Kron. 36:10 .
Hertaald:
oppersten tak
Hiermee is koning Jojachin bedoeld, ook Jechonja genoemd (1 Kron. 3:16), die door Nebukadnezar gevankelijk naar Babylonië weggevoerd was; 2 Kon. 24:12; 2 Kron. 36:10.
ceder
Die ene figuur was van het koninkrijk der Joden. Vergelijk Num. 24:6 ; Am. 2:9 .
Hertaald:
ceder
Die een afbeelding was van het koninkrijk van de Joden. Vergelijk Num. 24:6; Amos 2:9.
zijn jonge takjes af,
Deze betekenden de vorsten, heren en edellieden, die met den koning Jojachin in de gevangenschap naar Babel gingen; 2 Kon. 24:12 .
Hertaald:
zijn jonge takjes af,
Deze duidden de vorsten, heren en edelen aan die met koning Jojachin in gevangenschap naar Babel gingen; 2 Kon. 24:12.
koophandel;
Hier is in het oorspronkelijke het woord chenaän, hetwelk eigenlijk betekent koopman. Zie Job 40:25 , en de aantekening. Versta nu hierdoor Babylonië, alwaar veel koophandel omging uit oorzaak van de menigte der mensen, die daar woonden en die van alle landen daar verkeerden en handelden.
Hertaald:
koophandel;
Hier staat in de grondtekst het woord chenaän, dat eigenlijk koopman betekent. Zie Job 40:25 met de aantekening. Versta er hier Babylonië onder, waar veel handel omging vanwege de menigte mensen die er woonden en die uit alle landen daar verkeerden en handel dreven.
een stad
Namelijk Babel.
Hertaald:
een stad
Namelijk Babel.
kooplieden
Anders, kruideniers, of drogisten; gelijk 1 Kon. 10:15 . Zo zou de stad van Babel genaamd zijn, omdat zij vol was van allerlei specerijen, droge en kostelijke waren, dienende niet alleen tot nooddruft of vermaak, maar ook tot lekkernij en overdadigheid.
Hertaald:
kooplieden
Anders: kruideniers of drogisten, zoals 1 Kon. 10:15. Dan zou de stad Babel zo genoemd zijn omdat zij vol was van allerlei specerijen en droge en kostbare waren, die niet alleen dienden voor levensbehoefte of genoegen, maar ook voor lekkernij en overdaad.
Hij nam ook
Te weten de voorgemelde arend, de koning Nebukadnezar.
Hertaald:
Hij nam ook
Namelijk de genoemde arend, koning Nebukadnezar.
het zaad des lands,
Dat is, van degenen, die in het land Juda geboren waren. Versta, Matthanja, den oom van Jechonia, dat is, zijns vaders Jojakims broeder, genaamd van Nebukadnezar Zedekia; 2 Kon. 24:17 .
Hertaald:
het zaad des lands,
Dat is: van hen die in het land Juda geboren waren. Versta: Mattanja, de oom van Jechonja, dat is de broer van zijn vader Jojakim, die door Nebukadnezar Zedekia genoemd werd; 2 Kon. 24:17.
legde het in een zaadakker;
Dat is, hij stelde Zedekia tot koning over Juda.
Hertaald:
legde het in een zaadakker;
Dat is: hij stelde Zedekia tot koning over Juda.
bij vele wateren
Dat is, in een bekwame plaats, waar het wel kon groeien.
Hertaald:
bij vele wateren
Dat is: op een geschikte plaats waar het goed kon groeien.
met grote voorzichtigheid
Dat is, met wijze en welbedachte voorwaarden. Anders: [als] een wilgenboom, die gaarne bij het water wast.
Hertaald:
met grote voorzichtigheid
Dat is: onder wijze en weldoordachte voorwaarden. Anders: (als) een wilg, die graag bij het water groeit.
het sproot uit,
Te weten dat zaad, de koning Zedekia. De zin is, dat deze koning welvoer en gelukkig was in zijn koninkrijk, zolang als hij den koning van Babel getrouw bleEf.
Hertaald:
het sproot uit,
Namelijk dat zaad, koning Zedekia. De betekenis is dat deze koning het goed maakte en voorspoedig was in zijn koninkrijk zolang hij de koning van Babel trouw bleef.
doch nederig
Te weten als die onder het gebied was van den koning van Babel, dien hij jaarlijks schatting moest betalen.
Hertaald:
doch nederig
Namelijk omdat hij onder het gezag stond van de koning van Babel, aan wie hij jaarlijks schatting moest betalen.
stam,
Hebreeuws, statuur, hoogte, opstaande gestalte; alzo onder Ezech. 19:11 , en Ezech. 31:3 , Ezech. 31:5 , Ezech. 31:10 .
Hertaald:
stam,
Hebreeuws: gestalte, hoogte, opgaande vorm; zo ook hieronder Ezech. 19:11 en Ezech. 31:3, Ezech. 31:5, Ezech. 31:10.
naar hem,
Te weten waarvan hij zijne planting had en onder wiens bescherming hij schuilde.
Hertaald:
naar hem,
Namelijk naar hem van wie hij zijn planting had en onder wiens bescherming hij schuilde.
hij tot een wijnstok,
Namelijk de wijnstok.
Hertaald:
hij tot een wijnstok,
Namelijk de wijnstok.
grote arend,
Namelijk Farao, de koning van Egypte. Zie onder vs.15, 17.
Hertaald:
grote arend,
Namelijk Farao, de koning van Egypte. Zie hieronder vers 15 en 17.
groot van vleugelen
Vergelijk boven de aantekening vs.3.
Hertaald:
groot van vleugelen
Vergelijk hierboven de aantekening bij vers 3.
deze wijnstok
Dat is, de koning Zedekia.
Hertaald:
deze wijnstok
Dat is: koning Zedekia.
zijn wortelen
Versta door dezen de gezanten, die de koning Zedekia naar den koning van Egypte heimelijk zond om een verbond met hem te maken, ten einde dat hij hem helpen zou tegen den koning van Babel, wiens schatplichtige en vazal hij was, en van welken hij nu was afgevallen. Vergelijk onder vs.15; Jer. 2:18 .
Hertaald:
zijn wortelen
Versta hieronder de gezanten die koning Zedekia heimelijk naar de koning van Egypte zond om een verbond met hem te sluiten, opdat die hem zou helpen tegen de koning van Babel, wiens schatplichtige en leenman hij was en van wie hij nu afgevallen was. Vergelijk hieronder vers 15; Jer. 2:18.
denzelven toe,
Te weten arend, den koning van Egypte.
Hertaald:
denzelven toe,
Namelijk die arend, de koning van Egypte.
hij
Versta denzelfden arend.
Hertaald:
hij
Versta: dezelfde arend.
hem bevochtigen zou
Te weten den voorgemelden wijnstok, den koning Zedekia.
Hertaald:
hem bevochtigen zou
Namelijk de genoemde wijnstok, koning Zedekia.
naar de bedden
Dat is naar de ingangen en passages toe, die leidden tot de plaats zijner planting. Het Hebreeuwse woord is in gelijke betekenis genomen; Richt. 7:3 , Richt. 7:7 . Zie de aantekening. Dit ziet nu op de gewoonte van Egypte, waar men, als de rivier de Nijl overvloeide, waterlopen, groeven en voren maakte om het water door het gehele land uit te laten en naar alle plaatsen te verspreiden. Alzo begeerde of verzocht ook de koning Zedekia, dat de koning van Egypte zijn macht en krijgsvolk hem toeschikken zou, om tegen den koning van Babel geholpen te worden. Anders: uit de bedden zijner planting; te weten alzo dat zijn land van den koning van Egypte bevochtigd zijnde, hij alsdan daardoor mocht opwassen.
Hertaald:
naar de bedden
Dat is: naar de toegangen en doorgangen die naar de plaats van zijn planting leidden. Het Hebreeuwse woord is in dezelfde betekenis gebruikt in Richt. 7:3, Richt. 7:7. Zie de aantekening daar. Dit ziet op de gewoonte in Egypte, waar men bij het overstromen van de Nijl waterlopen, greppels en voren maakte om het water over het hele land te laten lopen en naar alle plaatsen te verspreiden. Zo verlangde en verzocht koning Zedekia ook dat de koning van Egypte hem zijn macht en krijgsvolk zou toezenden om tegen de koning van Babel geholpen te worden. Anders: uit de bedden van zijn planting; namelijk zo dat zijn land door de koning van Egypte bevochtigd werd en hij daardoor zou kunnen opgroeien.
zijner planting toe
Te weten des wijnstoks planting; dat is, ter plaatse, waar hij geplant was, te weten in Judea.
Hertaald:
zijner planting toe
Namelijk de planting van de wijnstok; dat is: de plaats waar hij geplant was, namelijk in Judea.
geplant,
Te weten van den koning Nebukadnezar.
Hertaald:
geplant,
Namelijk door koning Nebukadnezar.
hij gedijen?
Te weten de wijnstok, die van den eersten arend geplant is.
Hertaald:
hij gedijen?
Namelijk de wijnstok, die door de eerste arend geplant is.
hij niet
Te weten de eerste arend, de koning Nebukadnezar.
Hertaald:
hij niet
Namelijk de eerste arend, koning Nebukadnezar.
zijn wortelen uitrukken,
Te weten, van den wijnstok. Versta den koning Zedekia, gelijk boven, met al zijne macht en zijn ganse koninkrijk.
Hertaald:
zijn wortelen uitrukken,
Namelijk van de wijnstok. Versta: koning Zedekia, zoals hierboven, met al zijn macht en zijn hele koninkrijk.
en dat
Alzo is de letter vau voor en dat genomen; Jer. 17:10 .
Hertaald:
en dat
Zo is de letter waw opgevat als en dat; Jer. 17:10.
niet door een groten arm,
Dat is, zonder dat een zeer geweldig leger daartoe zal nodig zijn. Want de Heere zal Zedekia tegen zijn om zijne goddeloosheid en meinedigheid.
Hertaald:
niet door een groten arm,
Dat is: zonder dat daarvoor een zeer geweldig leger nodig zal zijn. Want de HEERE zal tegen Zedekia zijn vanwege zijn goddeloosheid en meineed.
zal hij geplant zijnde gedijen?
Deze vraag loochent sterkelijk.
Hertaald:
zal hij geplant zijnde gedijen?
Deze vraag ontkent met nadruk.
Zal hij niet,
Deze vraag verzekert sterkelijk.
Hertaald:
Zal hij niet,
Deze vraag bevestigt met nadruk.
oostenwind hem aanroert,
Versta den koning van Babel, die den koning Zedekia, al zijne macht en de stad Jeruzalem zou verderven, gelijk de vruchten van den oostenwind verdorven worden; Gen. 41:6 .
Hertaald:
oostenwind hem aanroert,
Versta: de koning van Babel, die koning Zedekia, al zijn macht en de stad Jeruzalem zou verderven, zoals de vruchten door de oostenwind bedorven worden; Gen. 41:6.
gans verdrogen?
Hebreeuws, verdrogende verdrogen.
Hertaald:
gans verdrogen?
Hebreeuws: verdrogende verdrogen.
Op de bedden
Te weten waarin hij geplant is om wel bevochtigd te worden en wel te groeien. Of, tezamen met de voren, dat is met het land Juda mede, waarin hij staat, zal hij verdorren en vergaan. Of, de voren, da is de middelen, waardoor hij water zal zoeken, dat is hulp uit Egypte te krijgen, zullen mede vergaan.
Hertaald:
Op de bedden
Namelijk waarin hij geplant is om goed bevochtigd te worden en goed te groeien. Of: samen met de voren, dat is: samen met het land Juda waarin hij staat, zal hij verdorren en vergaan. Of: de voren, dat is: de middelen waarmee hij water zal zoeken, dat is hulp uit Egypte zal proberen te krijgen, zullen eveneens vergaan.
van zijn gewas
Dat is, waarin hij wast of groeit; alzo boven vs.7, de bedden zijner planting; dat is, waarin hij geplant was.
Hertaald:
van zijn gewas
Dat is: waarin hij groeit; zo ook hierboven vers 7: de bedden van zijn planting, dat is: waarin hij geplant was.
dat wederspannig huis
Hebreeuws, dat huis der wederspannigheid. Versta, den stam of het koninkrijk van Juda. Zie boven Ezech. 2:5 .
Hertaald:
dat wederspannig huis
Hebreeuws: dat huis der weerspannigheid. Versta: de stam of het koninkrijk van Juda. Zie hierboven Ezech. 2:5.
deze dingen
Te weten, die Ik u voorgesteld heb van twee arenden.
Hertaald:
deze dingen
Namelijk die Ik u voorgesteld heb over twee arenden.
zijn?
Of, beduiden, of betekenen, of te kennen geven.
Hertaald:
zijn?
Of: aanduiden, of betekenen, of te kennen geven.
Ziet,
Hier volgt de verklaring der voorgestelde gelijkenis.
Hertaald:
Ziet,
Hier volgt de verklaring van de voorgestelde gelijkenis.
haar koning genomen,
Namelijk Jojachin; 2 Kon. 24:12 ; 2 Kron. 36:10 . Zie boven vs.3.
Hertaald:
haar koning genomen,
Namelijk Jojachin; 2 Kon. 24:12; 2 Kron. 36:10. Zie hierboven vers 3.
vorsten,
Welke boven vs.4, vergeleken worden bij de opperste tedere takken van den Libanon.
Hertaald:
vorsten,
Die hierboven in vers 4 vergeleken worden met de bovenste tere takken van de Libanon.
koninklijk zaad genomen,
Genaam boven vs.5, het zaad des lands, namelijk van Juda. Hebreeuws, zaad des koninkrijks. Hij bedoelt Zedekia. Zie boven vs.5.
Hertaald:
koninklijk zaad genomen,
Hierboven in vers 5 het zaad van het land genoemd, namelijk van Juda. Hebreeuws: zaad van het koninkrijk. Hij bedoelt Zedekia. Zie hierboven vers 5.
een eed gebracht,
Of, in een eed doen komen; te weten waardoor Zedekia zich vervloekt zo hij zijn woord niet hield en niet getrouw bleef; vergelijk boven Ezech. 16:59 . Sommigen menen dat deze manier van spreken, in den eed doen komen, ziet op het oude gebruik, waardoor degenen, die met elkander een verbond maakten, beesten slachtten, die in stukken deelden en dan tussen de gedeelde stukken doorgingen; zie Gen. 15:17 .
Hertaald:
een eed gebracht,
Of: in een eed doen komen; namelijk waarmee Zedekia zichzelf vervloekte als hij zijn woord niet zou houden en niet trouw zou blijven; vergelijk hierboven Ezech. 16:59. Sommigen menen dat deze manier van spreken, in de eed doen komen, ziet op het oude gebruik waarbij zij die met elkaar een verbond sloten dieren slachtten, die in stukken verdeelden en dan tussen de stukken door gingen; zie Gen. 15:17.
machtigen des lands
Te weten die Zedekia met raad en met daad hadden kunnen helpen, om het koninkrijk van Juda tegen den koning van Babel vast te maken en eindelijk van hem te doen afvallen.
Hertaald:
machtigen des lands
Namelijk zij die Zedekia met raad en daad hadden kunnen helpen om het koninkrijk van Juda tegen de koning van Babel te versterken en ten slotte van hem af te vallen.
weggenomen;
Te weten tot pandlieden of gijzelaars.
Hertaald:
weggenomen;
Namelijk als onderpand of gijzelaars.
zijn verbond houdende,
Te weten van den koning van Babel. Versta de beloften van onderdanigheid en trouw, die Zedekia en de heren van het land aan den koning van Babel gedaan hadden.
Hertaald:
zijn verbond houdende,
Namelijk van de koning van Babel. Versta: de beloften van onderdanigheid en trouw die Zedekia en de heren van het land aan de koning van Babel gedaan hadden.
het verbond breken
Te weten dat hij met den koning Nebukadnezar gemaakt heeft.
Hertaald:
het verbond breken
Namelijk dat hij met koning Nebukadnezar gesloten heeft.
in de plaats des konings,
Waar de koning Nebukadnezar woont, dat is, in Babel, gelijk hier in het einde van vs.16 gezegd wordt.
Hertaald:
in de plaats des konings,
Waar koning Nebukadnezar woont, dat is: in Babel, zoals hier aan het slot van vers 16 gezegd wordt.
bij hem in het midden van Babel
Dat is, in dezelfde plaats of stad, gelijk straks gezegd is, en dus niet in zijn vaderland.
Hertaald:
bij hem in het midden van Babel
Dat is: in dezelfde plaats of stad, zoals zojuist gezegd is, en dus niet in zijn vaderland.
zal sterven
De zin is: Dat hij daar zekerlijk zou sterven; hoewel hij het land niet zien zou, omdat hem tevoren in Riblath de ogen verblind zouden worden; 2 Kon. 25:6-7 ; Jer. 32:5 , en Jer. 34:3 , Jer. 34:5 , en Jer. 52:11 .
Hertaald:
zal sterven
De betekenis is dat hij daar zeker zou sterven, hoewel hij het land niet zou zien, omdat hem tevoren in Ribla de ogen verblind zouden worden; 2 Kon. 25:6-7; Jer. 32:5, Jer. 34:3, Jer. 34:5 en Jer. 52:11.
hem in oorlog
Dat is met Zedekia, te weten om hem te helpen door zijne macht bij de macht van Zedekia te voegen. Of tegen hem; dat is tegen den koning Nebukadnezar, om hem te wederstaan en van Jeruzalem te verdrijven.
Hertaald:
hem in oorlog
Dat is: met Zedekia, namelijk om hem te helpen door zijn macht bij die van Zedekia te voegen. Of: tegen hem, dat is: tegen koning Nebukadnezar, om hem te weerstaan en van Jeruzalem te verdrijven.
als men een wal
Hetwelk de koning van Babel doen zou.
Hertaald:
als men een wal
Wat de koning van Babel zou doen.
opwerpen,
Hebreeuws, uitstorten; alzo 2 Sam. 20:15 ; 2 Kon. 19:32 .
Hertaald:
opwerpen,
Hebreeuws: uitstorten; zo ook 2 Sam. 20:15; 2 Kon. 19:32.
vele zielen
Dat is, vele mensen.
Hertaald:
vele zielen
Dat is: veel mensen.
hij heeft
Namelijk de koning Zedekia.
Hertaald:
hij heeft
Namelijk koning Zedekia.
eed veracht,
Of, vloek.
Hertaald:
eed veracht,
Of: vloek.
hand gegeven had;
Te weten aan den koning van Babel, tot verzekering van te zullen vasthouden aan het verbond, dat hij met hem gemaakt had. Zie van zulke handhaving, gedaan tot verzekering van hetgeen men zegt of belooft, 2 Kon. 10:15 ; 2 Kron. 30:8 ; Ezra 10:19 .
Hertaald:
hand gegeven had;
Namelijk aan de koning van Babel, tot bevestiging dat hij zich zou houden aan het verbond dat hij met hem gesloten had. Zie over zo'n handslag, gegeven ter bevestiging van wat men zegt of belooft, 2 Kon. 10:15; 2 Kron. 30:8; Ezra 10:19.
Mijn eed,
God noemt den eed, dien Zedekia aan den koning van Babel gedaan had, zijn eed, omdat hij met aanroeping van zijn naam gedaan was; en in gelijken zin zijn verbond, dat hij met denzelfden koning gemaakt had. Versta onder het woord eed de straf van de verbreking van den eed.
Hertaald:
Mijn eed,
God noemt de eed die Zedekia aan de koning van Babel gedaan had Zijn eed, omdat hij met aanroeping van Zijn naam gedaan was; en in dezelfde zin Zijn verbond, dat hij met diezelfde koning gesloten had. Versta onder het woord eed de straf op het breken van de eed.
niet op zijn hoofd geve
Dat is met straffen vergeld. Zie 1 Kon. 8:32 ; alzo boven Ezech. 9:10 , en Ezech. 11:21 , en Ezech. 16:43 , en onder Ezech. 22:31 ; een afgebroken manier van eedzweren.
Hertaald:
niet op zijn hoofd geve
Dat is: met straffen vergeld. Zie 1 Kon. 8:32; zo ook hierboven Ezech. 9:10, Ezech. 11:21 en Ezech. 16:43, en hieronder Ezech. 22:31. Het is een afgebroken manier van eedzweren.
Mijn net
Zie boven Ezech. 12:13 , en onder Ezech. 32:3 .
Hertaald:
Mijn net
Zie hierboven Ezech. 12:13 en hieronder Ezech. 32:3.
hem uitspreiden,
Te weten over den koning Zedekia.
Hertaald:
hem uitspreiden,
Namelijk over koning Zedekia.
daar met hem rechten
Te weten boven het recht, dat Ik over hem heb laten gaan te Riblath, 2 Kon. 25:6-7 . Want daarna heeft hij te Babel in de gevangenschap gelegen totdat hij stierf, Jer. 52:11 . God wordt gezegd met den mens te richten, of in het recht zich met hem te begeven, als Hij door zijne straffen hem van zijne zonden overtuigt en gelijk in een gericht beschaamd maakt. Alzo Jes. 66:16 ; onder Ezech. 20:35 , en Ezech. 38:22 . Zie breder hiervan onder Ezech. 20:35 .
Hertaald:
daar met hem rechten
Namelijk boven het gericht dat Ik in Ribla over hem heb laten gaan, 2 Kon. 25:6-7. Want daarna heeft hij in Babel in gevangenschap gezeten tot hij stierf, Jer. 52:11. Van God wordt gezegd dat Hij met de mens richt, of met hem in het gericht treedt, wanneer Hij hem door Zijn straffen van zijn zonden overtuigt en als in een rechtszaak beschaamd maakt. Zo Jes. 66:16; hieronder Ezech. 20:35 en Ezech. 38:22. Zie hierover uitvoeriger hieronder Ezech. 20:35.
zijn vluchtelingen
Zie van dezen 2 Kon. 25:5 , en Jer. 52:8 .
Hertaald:
zijn vluchtelingen
Zie over hen 2 Kon. 25:5 en Jer. 52:8.
benden
Dat is, scharen en hopen van krijgsvolk. Zie boven Ezech. 12:14 .
Hertaald:
benden
Dat is: scharen en groepen krijgsvolk. Zie hierboven Ezech. 12:14.
door het zwaard vallen,
Dat is, in den oorlog of door wapenen omkomen. Zie Lev. 26:7 .
Hertaald:
door het zwaard vallen,
Dat is: in de oorlog of door wapens omkomen. Zie Lev. 26:7.
in alle winden
Dat is, in alle hoeken der wereld. Zie boven Ezech. 5:10 .
Hertaald:
in alle winden
Dat is: naar alle hoeken van de wereld. Zie hierboven Ezech. 5:10.
van den oppersten tak
Dat is van den koninklijken stam; zie boven vs.3. Of aldus: Van den hogen tak des ceders, of van den oppersten tak des ceders, die hoog was.
Hertaald:
van den oppersten tak
Dat is: van de koninklijke stam; zie hierboven vers 3. Of aldus: van de hoge tak van de ceder, of van de bovenste tak van de ceder, die hoog was.
ceders
Dat is van het koninkrijk Juda; zie boven vs.3.
Hertaald:
ceders
Dat is: van het koninkrijk Juda; zie hierboven vers 3.
nemen,
Te weten een scheutje, of rijsje, hetwelk hier terstond een tedere tak genoemd wordt.
Hertaald:
nemen,
Namelijk een scheut of loot, die hier meteen een tere tak genoemd wordt.
zetten zal;
Dat is, planten zal.
Hertaald:
zetten zal;
Dat is: planten zal.
een tederen afplukken,
Men versta hierdoor Zerubbabel en zijne opvolgers, maar inzonderheid Christus, van wien zij voorbeelden waren. Christus wordt een scheut of spruit genaamd; Jes. 11:1 , en Jes. 60:21 ; Zach. 6:12 .
Hertaald:
een tederen afplukken,
Men versta hieronder Zerubbabel en zijn opvolgers, maar in het bijzonder Christus, van Wie zij voorbeelden waren. Christus wordt een scheut of spruit genoemd; Jes. 11:1 en Jes. 60:21; Zach. 6:12.
een hogen en verhevenen berg
Versta het ware Zion, dat is de ware Joodse en Christelijke kerk en gemeente der heiligen. Zie Jes. 2:2 , en Jes. 11:9 ; onder Ezech. 20:40 ; Mi. 4:1 .
Hertaald:
een hogen en verhevenen berg
Versta: het ware Sion, dat is de ware Joodse en christelijke kerk en gemeente van de heiligen. Zie Jes. 2:2 en Jes. 11:9; hieronder Ezech. 20:40; Micha 4:1.
der hoogte van Israël
Dat is, die zeer hoog zal wezen. Versta deze hoogheid zowel van de hoogberoemde en wijduitgebreide vermaardheid van het rijk van Christus, als van de uitnemende hoogheid en waardigheid der weldaden van Christus, die daarin te bekomen zullen zijn.
Hertaald:
der hoogte van Israël
Dat is: die zeer hoog zal zijn. Versta die hoogte zowel van de hoog beroemde en wijd verbreide vermaardheid van het rijk van Christus, als van de uitnemende hoogheid en waardigheid van de weldaden van Christus die daarin te verkrijgen zullen zijn.
vrucht
Zie van deze vrucht Ps. 85:10 enz.; Jes. 11:2 , enz.; Dan. 9:24 .
Hertaald:
vrucht
Zie over deze vrucht Ps. 85:10 enzovoort; Jes. 11:2 enzovoort; Dan. 9:24.
dragen,
Hebreeuws, maken.
Hertaald:
dragen,
Hebreeuws: maken.
heerlijken ceder worden,
Versta, geen uiterlijke noch aardse, maar inwendige en hemelse heerlijkheid; van welke zie Ps. 110:1 , enz.; Ef. 1:20 , enz.; Fil. 2:9-11 .
Hertaald:
heerlijken ceder worden,
Versta: geen uiterlijke en aardse, maar innerlijke en hemelse heerlijkheid; zie daarover Ps. 110:1 enzovoort; Ef. 1:20 enzovoort; Filipp. 2:9-11.
alle gevogelte
Dat is, niet alleen Israëlieten en Joden, maar ook heidenen.
Hertaald:
alle gevogelte
Dat is: niet alleen Israëlieten en Joden, maar ook heidenen.
bomen des velds weten,
Dat is, mensen, die zo genoemd worden, omdat zij goede vruchten moeten dragen; Ps. 1:3 ; Jes. 56:3 ; Matt. 7:17-19 . Sommigen verstaan eigenlijk de koningen, die onder andere mensen in hoogheid uitsteken; Dan. 4:20 , Dan. 4:22 .
Hertaald:
bomen des velds weten,
Dat is: mensen, die zo genoemd worden omdat zij goede vruchten moeten dragen; Ps. 1:3; Jes. 56:3; Matth. 7:17-19. Sommigen verstaan er in eigenlijke zin de koningen onder, die boven andere mensen in hoogheid uitsteken; Dan. 4:20, Dan. 4:22.
den hogen boom vernederd heb,
Men kan dit lichamelijk verstaan van de Babyloniërs en hunne monarchie, die verstoord is door Cyrus, en geestelijk van den duivel en zijn rijk, dat door Christus verwoest is.
Hertaald:
den hogen boom vernederd heb,
Men kan dit lichamelijk verstaan van de Babyloniërs en hun rijk, dat door Cyrus verwoest is, en geestelijk van de duivel en zijn rijk, dat door Christus verwoest is.
den nederen boom verheven heb,
Dit kan ook lichamelijk verstaan worden van de Joden, toen zij wederkeerden uit de Babylonische gevangenschap, en geestelijk van alle uitverkorenen en gelovigen, die door Christus uit het geweld des duivels verlost zijn.
Hertaald:
den nederen boom verheven heb,
Dit kan eveneens lichamelijk verstaan worden van de Joden toen zij uit de Babylonische gevangenschap terugkeerden, en geestelijk van alle uitverkorenen en gelovigen die door Christus uit de macht van de duivel verlost zijn.
den groenen boom verdroogd
Het voorgaande wordt met andere woorden verhaald.
Hertaald:
den groenen boom verdroogd
Het voorgaande wordt met andere woorden herhaald. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas De profeet moet een raadsel opgeven. Een grote arend komt op de Libanon, neemt de top van een ceder en brengt die naar een land van kooplieden (Ezech. 17:3-4). Van het zaad van het land plant hij een wijnstok bij veel water, laag van stam, met de takken naar hem toe (Ezech. 17:5-6). Dan komt er een tweede arend, en de wijnstok buigt zijn wortels naar díe kant (Ezech. 17:7). De uitleg volgt in het hoofdstuk zelf: de eerste arend is de koning van Babel, de wijnstok is de koning die hij aanstelde, en de tweede arend is Egypte, waar die koning hulp zocht (Ezech. 17:12-15). Het zwaartepunt ligt in wat God erover zegt: "Zo waarachtig als Ik leef, zo Ik Mijn eed, dien hij veracht heeft, en Mijn verbond, dat hij gebroken heeft, datzelve niet op zijn hoofd geve!" (Ezech. 17:19). Bijbelse betekenis: Merk op wiens eed het heet. Zedekia had trouw gezworen aan Nebukadnezar, een heidense vorst, en die eed was in de Naam van de HEERE afgelegd. God noemt hem daarom "Mijn eed" en "Mijn verbond". Wie zweert bij Gods Naam en zijn woord breekt, breekt niet alleen een afspraak met een mens. Let vervolgens op de vorm van het raadsel. Het wordt eerst als beeld verteld en pas daarna uitgelegd; de hoorders moeten zelf even zoeken. Dat is dezelfde werkwijze als bij de gelijkenissen. Let ten slotte op wat het hoofdstuk over politiek zegt. Hulp zoeken bij Egypte was in dit boek en bij Jesaja telkens de verkeerde weg (reeds behandeld bij Jes. 31:1); hier komt er een tweede argument bij, namelijk dat het een eedbreuk was. Typologie: De Heere Jezus verbiedt het lichtvaardig zweren: "laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen" (Matt. 5:37). En de psalm noemt als kenmerk van wie op Gods berg mag verkeren: dat hij zweert tot zijn schade en niet verandert (Ps. 15:4). Ezech. 17:1-21; Jes. 31:1; Matt. 5:37; Ps. 15:4 "Ik zal ook van den oppersten tak des hogen ceders nemen, dat Ik zetten zal; van het opperste zijner jonge takjes zal Ik een tederen afplukken, denwelken Ik op een hogen en verhevenen berg planten zal" (Ezech. 17:22). Wat daaruit groeit staat er meteen bij: "hij zal takken voortbrengen, en vrucht dragen, en hij zal tot een heerlijken ceder worden, dat onder hem wonen zal alle gevogelte van allerlei vleugel" (Ezech. 17:23). En het slot geeft de reden: "Zo zullen alle bomen des velds weten, dat Ik, de HEERE, den hogen boom vernederd heb, den nederigen boom verdroogd, en den drogen boom bloeiende gemaakt heb" (Ezech. 17:24). Bijbelse betekenis: Eerst in zijn eigen tijd. Twee arenden hebben met de ceder gedaan wat zij wilden, en het is op niets uitgelopen; nu neemt God Zelf een takje uit datzelfde koningshuis en plant het. Wat mensen met de troon van David hebben aangericht, maakt de belofte niet ongedaan. Let vervolgens op het woord teder. Het gaat om het kleinste en zwakste twijgje, en juist dat wordt een heerlijke ceder waar de vogels in wonen. Dat is de omkering die het slotvers uitspreekt: de hoge boom vernederd, de droge boom bloeiend gemaakt. Let ten slotte op de plaats: een hoge en verheven berg in Israël. Dat is dezelfde verwachting als bij Jesaja, waar de berg van het huis des HEEREN vastgesteld wordt boven de heuvelen (reeds behandeld bij Jes. 2:2). Typologie: De Heere Jezus gebruikt bijna hetzelfde beeld voor het Koninkrijk: het mosterdzaad is het minste van alle zaden en wordt een boom, "alzo dat de vogelen des hemels komen en nestelen in zijn takken" (Matt. 13:32). En de SPRUIT uit de afgehouwen tronk staat elders in het register (reeds behandeld bij Jes. 11:1). Ezech. 17:22-24; Jes. 2:2; Matt. 13:32; Jes. 11:1 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het koninkrijk niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen Ezechiël krijgt een raadsel op te geven. Een grote arend breekt de top uit een ceder en brengt die naar een handelsstad; een tweede arend lokt de overgebleven wijnstok naar zich toe. Het gaat over Nebukadnezar, over Zedekia en over een verbond dat gebroken werd. Waar mensen takken afbreken en verplanten, zegt God dat Hij zélf een takje zal nemen en planten. Het raadsel loopt slecht af. Zedekia heeft de eed gebroken die hij bij God gezworen had, en Ezechiël zegt onomwonden dat het niet zal gelukken. Zijn leger zal vallen en hij zal in Babel sterven. En dan volgt in vers 22 een omkering die het hele hoofdstuk kantelt. Wat de arenden deden — nemen, afbreken, verplanten — doet God nu zelf, maar dan tot leven: Ik zal ook van den oppersten tak des hogen ceders nemen; van het opperste zijner jonge takjes zal Ik een tederen afplukken, denwelken Ik op een hogen en verheven berg planten zal. De kanttekening zegt waar die ceder voor staat: de koninklijke stam, het koninkrijk Juda. En het takje is een scheut, hier uitdrukkelijk *teder* genoemd — klein, breekbaar, van geen betekenis om aan te zien. Wat ervan wordt, staat in het volgende vers: hij zal takken voortbrengen en vrucht dragen, en hij zal tot een heerlijken ceder worden, dat onder hem wonen zal alle gevogelte van allerlei vleugel. De kanttekening werkt die hoogte uit, en zij noemt twee dingen tegelijk. Ten eerste de wijd verbreide vermaardheid van het rijk van Christus. Ten tweede de hoogheid en waardigheid van de weldaden van Christus die daarin te verkrijgen zullen zijn. Voor de vrucht verwijst zij naar Psalm 85, Jesaja 11 en Daniël 9. Het slot verklaart waarom: Ik, de HEERE, heb den hogen boom vernederd, den nederigen boom verhoogd, den groenen boom verdroogd en den drogen boom doen bloeien. Christus vertelt van een mosterdzaad, het minste van alle zaden, dat een boom wordt waarin de vogelen des hemels nestelen. Dezelfde beweging, en bijna dezelfde woorden: klein begonnen, en groot genoeg om in te wonen. In het Nieuwe Testament: Mattheüs 13:31-32; Jesaja 11:1; Lukas 1:52; Daniël 4:12 Hoever dit reikt: Niveau 2. Het Nieuwe Testament haalt dit hoofdstuk niet met name aan. De kanttekenaars betrekken het geplante takje uitgesproken op het rijk van Christus, en de beelden komen terug in de gelijkenis van het mosterdzaad.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Ezechiël 17
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Een teder takje op een hogen berg — 17:1-24
Wat betekenen de niveaus?


Ezechiël 17
Ezechiël 17:24.KruisverwijzingenEzechiël 22:14→Amos 9:11→Ezechiël 24:14→Psalmen 89:45→1 Samuël 2:7→Ezechiël 21:26→Jesaja 2:13→Job 40:12→
— Zo zullen alle bomen des velds weten, dat Ik, de HEERE, den hogen boom vernederd heb, den nederigen boom verdroogd, en den drogen boom bloeiende gemaakt heb; Ik, de HEERE, heb het gesproken, en zal het doen.
“Zo zullen alle bomen des velds weten, dat Ik, de HEERE, den hogen boom vernederd heb, den nederigen boom verdroogd, en den drogen boom bloeiende gemaakt heb; Ik, de HEERE, heb het gesproken, en zal het doen.”
Kunnen onze gedachten terugvliegen naar de tijd toen er geen tijd was, naar de dag toen er geen dag was dan de Oude van dagen? Kunnen wij zo ver terug naar de tijd dat God alleen woonde? Toen waren deze ronde wereld en alles wat erop is nog niet uit Zijn hand gekomen. De zon vlamde nog niet in haar sterkte en de sterren flikkerden nog niet in hun helderheid.
Kunnen wij terug naar de tijd dat er geen engelen waren, toen cherubim en serafim nog niet geboren waren? En als er schepselen ouder zijn dan zij: toen waren ook die nog niet gevormd. Is het voor ons mogelijk zo ver terug te vliegen dat wij God aléén aanschouwen? Geen schepsel, geen ademtocht van een lied, geen beweging van een vleugel; God Zelf alleen, zonder een ander.
Toen had Hij werkelijk geen mededinger. Niemand kon toen met Hem twisten, want er was niemand. Alle macht en heerlijkheid en eer en majesteit waren in Hemzelf samengebracht. En wij hebben geen enkele reden om te geloven dat Hij toen minder heerlijk was dan nu, nu Zijn dienaren er hun vreugde in vinden Zijn welbehagen te doen. Ook niet dat Hij minder groot was dan nu. Nu heeft Hij werelden op werelden geschapen en in de ruimte geworpen, en met beide handen sterren over de hemel gestrooid. Hij zat op geen wankele troon. Hij had niemand nodig om iets aan Zijn macht toe te voegen. Hij had niemand nodig om Hem een inkomen van lof te brengen. Zijn algenoegzaamheid kon geen gebrek kennen.
Denk vervolgens aan het eeuwige voornemen van God om te scheppen. Hij besluit het in Zijn gedachten. Kon er iets anders dan een goddelijke beweegreden de goddelijke Bouwmeester bewegen? Wat moet die beweegreden geweest zijn? Hij schept om Zijn eigen volmaaktheden te vertonen. Hij brengt als het ware schepselen naar Zijn eigen beeld voort, om in hen te leven. En om aan anderen de blijdschap, het genoegen en de voldoening te tonen die Hij zo innig in Zichzelf gevoelt.
Ik ben er zeker van dat Zijn eigen heerlijkheid het doel geweest moet zijn dat Hij voor ogen had. Hij wilde Zijn heerlijkheid openbaren aan de mensenkinderen, aan de engelen en aan alle schepselen die Hij gevormd had, opdat zij Zijn eer zouden weerkaatsen en Zijn lof zouden zingen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
IV. Vs. 1-21.KruisverwijzingenHosea 13:15→Ezechiël 20:49→Jesaja 44:4→Deuteronomium 8:7→Hosea 8:1→Jeremia 48:40→Daniël 4:22→Ezechiël 17:7→
— En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende: Mensenkind, stel een raadsel voor, en gebruik een gelijkenis tot het huis Israels, En zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: Een arend, die groot was, groot van vleugelen, lang van vlerken, vol van vederen, die verscheidene veren had, kwam op den Libanon, en nam den oppersten tak van een ceder. Hij plukte den top van zijn jonge takjes af, en bracht hem in een land van koophandel; hij zette hem in een stad van kooplieden. Hij nam ook van het zaad des lands, en legde het in een zaadakker; hij nam het, hij zette het bij vele wateren met grote voorzichtigheid. En het sproot uit, en werd tot een welig uitlopende wijnstok, doch nederig van stam, ziende met zijn takken naar hem, dewijl zijn wortelen onder hem waren. Zo werd hij tot een wijnstok, die ranken voortbracht en scheuten uitwierp. Nog was er een grote arend, groot van vleugelen en overvloedig van vederen; en ziet, deze wijnstok voegde zijn wortelen naar denzelven toe, en wierp zijn takken tot hem uit, opdat hij hem bevochtigen zou naar de bedden zijner planting toe. Hij was in een goede landouwe bij vele wateren geplant, om takken te maken en vrucht te dragen, opdat hij tot een heerlijken wijnstok worden mocht. Zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: Zal hij gedijen? Zal hij niet zijn wortelen uitrukken, en zijn vrucht afsnijden, dat hij droog worde? Hij zal aan al de bladeren van zijn gewas verdrogen; en dat niet door een groten arm, noch door veel volks, om dien van zijn wortelen weg te voeren. Ja, ziet, zal hij geplant zijnde gedijen? Zal hij niet, als de oostenwind hem aanroert, gans verdrogen? Op de bedden van zijn gewas zal hij verdrogen.
God kan, zo maakte men verder zich diets, den koning van Zijn volk niet te gronde laten gaan, zonder de heerlijke voorzeggingen te niet te doen, die Hij aan het huis van David omtrent het koningschap, dat eeuwig bij hem blijven zou, gegeven had. Reeds om deze beloften te bewaren, was het nodig, dat Zedekia van de opperheerschappij des Chaldeeuwsen veroveraars weer vrij zocht te worden, en zich aan de Egyptenaars aansloot, zo lang het nog tijd was, hun gunst te zoeken, opdat niet, als de onvermijdelijke strijd tussen Chaldea en Egypte met ene zege van de laatste macht zou eindigen, hetgeen toch zo waarschijnlijk was, Juda in ene drukkende afhankelijkheid mocht geraken. Al deze voorwendsels met de daaraan ten grondslag liggende politieke berekeningen worden door het hiervolgende vierde woord van God te niet gedaan. Het bedient zich eerst van ene gelijkenis (vs. 1-10), en legt vervolgens de gelijkenis uit met zo zekere aankondiging van hetgeen zal komen, alsof het reeds aanwezig ware (vs. 11-21). Daar nu ten opzichte van hetgeen men van het Davidse koningschap zei, het woord waar was: “het is, wat gij zoekt; maar het is niet, waar gij het zoekt” (Augustinus), wordt verder verklaard, hoe de Heere, wanneer het “waar” te schande was geworden, toch het “wat” zou weten te redden, en Zijn aan den stam van David gegevene toezegging vervullen (vs. 22-24).
En des HEEREN woord geschiedde verder tot mij, zeggende:
Mensenkind! stel een raadsel voor (1 Kon. 10:1), en gebruik ene gelijkenis tot het huis Israëls (2 Sam. 12:4).
En zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: Een arend, die groot was(Jer. 48:40; 49:22), groot van vleugelen, lang van vlerken, van pennen, vol van vederen, die verscheiden verven had, kwam op den Libanon (Jer. 22:23), en nam den oppersten tak van enen ceder.
Hij plukte den top van zijne jonge takjes af, en bracht hem in een land van koophandel, hij zette hem in ene stad van kooplieden(Hoofdst. 16:29).
Hij nam ook van het zaad des lands, en leide het in enen zaadakker; hij nam het, hij zette het bij vele wateren met grote voorzichtigheid (liever: bij altijd lopende wateren, volgens anderen: als een wilg).
En het sproot uit, en werd tot enen welig uitlopenden wijnstok met overhangende ranken, doch nederig van stam, ziende met zijne takken naar hem, naar den arend, dewijl zijne wortelen onder hem waren (vs. 14). Zo werd hij tot enen wijnstok, die ranken voortbracht en scheuten uitwierp. Volgde in de vorige afdeling (Hoofdst. 12:1-16) op de strafgerichten over Jeruzalem de verkondiging van den val van koning Zedekia, hier vinden wij iets dergelijks. Toch is niet alleen de inkleding, maar ook het doel zeer verschillend. Daar was het slechts te doen om de zekerheid van den ondergang voor het ongelovige volk te bevestigen; hier wordt de profetie met ene troostrijke Messiaanse voorspelling besloten. De inkleding, in welke de profetische idee hier voorkomt, is niet de bloot allegorische voorstelling, als in het voorgaande hoofdstuk. De Profeet kondigt ze zelf aan als ene bijzondere en nieuwe, daar hij zijne rede als raadsel en gelijkenis voorstelt. De symbolische voorstelling moet in stoutheid en energie de vroegere blote allegorie nog als het ware overtreffen, waarom zij nog bijzonder plechtig als gelijkenis wordt voorgesteld. Zij is echter tevens een “raadsel”, gelijk dat de zinrijke spreuk is, die de gedachte in ‘t kort voorstelt (Spr. 1:6), en nog meer de profetie, wier duidelijke en heldere uitdrukking zich verbergt in de beeldrijke spraak van het veelzeggend en donker symbool. De Profeet stelt een symbolisch raadsel voor, omdat hij uit het uitvorsen van de omsluierde waarheid des te sterker de gedachte stelle. In een groots beeld zien wij enen machtigen adelaar met krachtige vleugels, en lange pennen vol prachtige, bonte vederen, die met het heerlijkst stikwerk kunnen vergeleken worden, naar den Libanon zweven en den top van den ceder afnemen. Hij plukt de hoogste en verhevenste van zijne loten, en legt die neer in de stad van den levendigsten handel en het drukste verkeer der volken. Maar hij neemt ook een scheut van het zaad van dat land, waar hij de meest verhevene der ceders heeft genomen, en plant die als een wilg op een rijk bevochtigden bodem; daar spruit hij uit, en wordt tot een wijnstok, die zich weelderig uitbreidt, maar van nederig aanzien is, met tot hem gebogen ranken en met van onderen vasthoudende wortels, loof en takken voortschietende. Volgens vs. 12 betekent de arend den koning Nebukadnezar. Deze is groot, want Nebukadnezar is een machtig koning; zijne vleugels zijn groot en zijne pennen zijn breed, want over uitgestrekte landen is hij zegerijk gevlogen, en bont zijn zijne vederen, daar hij een bont mengsel van volken aan zich heeft onderworpen. Ook Egypte wordt in vs. 7 als arend voorgesteld, maar deze arend heeft gene pennen en gene bontheid, want Egypte is niet zo machtig en heeft niet zulk ene bonte menigte van volken onderworpen. De eerste arend nu kwam tot den Libanon, nam den top van den ceder, plukte de spits van zijne spruiten af en zette die in het land van handel, in de koopmansstad. De ceder is volgens vs. 12 het Davidische koningshuis, de Libanon is de plaats, waar het staat, dus Jeruzalem, dat ook in vs. 12 en 22 uitdrukkelijk genoemd wordt, en waar tegenover in vs. 4 het land van koophandel wordt gesteld. De top van den ceder, d. i. het hoogste rijs, en daaraan nabijstaande takken, zijn volgens vs. 12 vv. de koning Jojachin met zijne zonen en de machtigen des lands, die Nebukadnezar wegvoerde. Het land van handel, de koopmansstad is Babel, het zaad des lands daarenboven is (vs. 12) koning Zedekia. Hij wordt zo genoemd, omdat hij uit dat land was voortgekomen en in het land bleef. Daarmee moet dit tweevoudige worden aangeduid, dat Nebukadnezar Israël in zijn land liet bestaan, en dat hij hem niet enen Babylonischen stadhouder gaf, maar enen inlandsen koning uit zijn koningshuis liet. Dat hij hem als een wilg plaatste, zegt hetzelfde als het andere, dat hij hem aan ‘t water plaatste, namelijk, dat hij Juda in een veel belovenden toestand bracht. Dus: Nebukadnezar voerde wel Jojachin en zijne machtigen in het land naar Babel, maar hij liet toch Juda bestaan, en gaf het in Zedekia, een eigen koning, en liet hem een draaglijk bestaan. En-zo gaat vs. 6 voort, de alzo door Zedekia’s aanstelling geplante wijngaard gedijde, wies, bracht takken en ranken voort, maar allengs werd hij slechts een overhangende, weelderig tierende wijnstok, even als de wijnstok wordt, wanneer hij wel een vruchtbaren grond heeft, doch niet opgebonden wordt aan palen. Dat het zo zou worden, was ook het doel, want hij zou zijne takken niet naar een eigen paal, maar naar den arend uitstrekken en zou met zijne wortels onder den adelaar blijven. Een wijnstok is de nieuwe koning, niet een ceder, gelijk het vroegere Davidische geslacht. De arend doet niet, zo als de arenden anders doen, en wat als wilg geplant wordt, groeit tot een wijnstok op; het tegenstrijdige van zulk ene voorstelling maakt de gelijkenis tot raadsel.
Nog was er een andere grote arend, groot van vleugelen maar zonder pennen, en overvloedig van vederen, die echter niet bont waren; en ziet deze wijnstok voegde zijne wortelen naar denzelvenanderen arend toe, en wierp zijne takken tot hem uit, opdat hij hem bevochtigen zou naar de bedden zijner planting toe, (liever: van de bedden, waarop hij geplant was).
Hij was, zo als in vs. 5 is opgemerkt toch in ene goede landouwe bij vele wateren geplant, om takken te maken en vrucht te dragen, opdat hij tot enen heerlijken wijnstok worden mocht, zodat hij de bevochtiging van dat land tot zijne welvaart niet nodig had. Wij merken nog een anderen groten arend op, ook met krachtige vleugels en rijk gevederte; naar dezen strekt de wijnstok vol verlangen wortels en takken uit, dat hij hem verkwikkend voedsel geve van den grond, waarop hij geplant is. En toch stond hij op een goeden grond, aan vele wateren, ranken te schieten, en tot een heerlijken wijnstok te worden. De tweede grote arend is Egypte, de Afrikaanse wereldmacht; de wijnstok, het rijk van Juda, hunkert naar den koning van Egypte. De begeerte behoort vooral tot de wortels, die de versterking in ‘t bijzonder nodig hebben, en waaraan het gebrek van het nieuwe koningschap duidelijk blijkt. Het drenken schijnt op den Nijl te doelen, dat symbool van Egypte en van zijnen koning (Jer. 2:18): de woorden “van de bedden, waarop hij geplant was”, behoren bij: “hij voegde zijne wortelen naar dien toe en wierp zijne takken tot hem uit. ” Het bed is Kanaän, waar de koning door de Chaldeën was geplant, en waarom hij aan hen gehoorzaamheid was verschuldigd. Deze bijvoeging wijst de ontevredenheid, den ondank, de trouweloosheid aan. Het is niet des mensen, een welgevallen te hebben in Gods schikkingen en leidingen, daartoe behoort de tucht des Geestes, en daarom worde gebeden: “laat mij een welbehagen hebben in Uwe wegen. ” Men moet zijn hart met alle gedachten, die daaruit opstijgen en als God, ja wijzer dan God willen zijn, den Heere overgeven; hebt geen lust van het bed uwer planting af te gaan! Ontevredenheid heeft reeds menigeen van den warmen haard verdreven. De kinderen der wereld krommen zich en dorsten naar hetgeen der wereld is. Vers 8 breidt de gedachte uit, hoe goed voor den wijnstok was gezorgd, hoe die zonder oorzaak tot ontevredenheid zijn lusten gevolgd was en tot elken prijs een ceder had willen worden. Ware Zedekia rustig als een hangende wijnstok onder Nebukadnezar gebleven, dan had zijn koninkrijk een voorspoedig bestaan kunnen hebben.
Zeg ten opzichte van zulk een verlangen des wijnstoks (vs. 7 vv.): Alzo zegt de Heere HEERE: Zal hijin hetgeen hij voorheeft gedijen? zal hij niet integendeel zijne wortelen uitrukken, en zijne vrucht afsnijden, dat hij, de zijn stok, droog worde, verdorre? hij zal aan al de bladeren van zijn gewas verdrogen; en dat niet door enen groten arm, noch door veel volks. Die tot hem komt, zal niet eerst nodig hebben, een ter hulpe gezonden krijgsleger van Faraö neer te werpen (vs. 17), maar geheel verlaten en weerloos zal de wijnstok staan, en het gericht over zich moeten laten komen (Jer. 37:5 vv.). Het zal gene grote moeite kosten, om dien van zijne wortelen weg te voeren, zodat hij verdort.
Ja ziet, zal hij geplant zijnde, en menende, dat hij van zijne wortelen niet zou kunnen afgevoerd worden, gedijen? in hetgeen hij tot zijne verheffing onderneemt, om niet meer zo nederig van stam te blijven als hem is opgelegd (vs. 6)? zal hij niet, als de oostewind hem aanroert, gans verdroegen? op de bedden van zijn gewas zal hij verdrogen. In dat neigen tot den tweeden arend kan de wijnstok niet gedijen, en de eerste, die hem geplant, en van wien hij zich afgekeerd heeft, zal hem en zijne wortelen met weinig moeite afnemen en laten verdorren. De wortelen duiden het nationaal bestaan aan, en het wegnemen van de wortelen aan het slot van vs. 9 de gehele opheffing van dit bestaan. De vrucht doelt op de opbrengst des lands, of op de gehele winst, de bladeren van zijn gewas omvatten alles, waardoor een voorspoedig volksleven zich openbaart. Tot wegneming met de wortelen was zulk een groot toestel, als waarvan Nebukadnezar zich volgens Jer. 34 zich bediende, in ‘t geheel niet nodig geweest. Als een volk God tot vijand heeft, kan één duizend jagen en twee kunnen tienduizend op de vlucht drijven (Deut. 32:30. Lev. 26:8). De oostewind, die verdervende vijand van den plantengroei (Jer. 4:12), is een zeer gepast symbool voor het van het oosten aanrukkende leger der vijandige Chaldeën. Reeds de aanraking, de adem daarvan is genoegzaam om te doen verdorren-bij de grote overmacht en de hulpeloosheid van Juda is aan gene redding te denken.
Daarna geschiedde des HEEREN woord onmiddellijk in verband met het vorige woord, tot mij, zeggende:
Zeg nu tot dat weerspannig huis (Hoofdst. 2:5), dat in enigen van de oudsten rondom u is verzameld (14:1): Weet gij niet, wat deze dingen zijn, wat deze dingen, die ik u als een raadsel, of ene gelijkenis heb voorgesteld, betekenen? Zeghun, om ieder misverstand te voorkomen: Ziet, wat vooreerst de betekenis van het in vs. 3-6 medegedeelde aangaat, de koning van Babel is in het jaar 598 tot Jeruzalem gekomen, en heeft haren koning Jojachin genomen, en hare vorsten, en heeft ze tot zich gevoerd naar Babel.
Daartoe heeft hij van het koninklijk zaad Matthanja, wiens naam hij in Zedekia veranderde, genomen, en daarmee een a) verbond gemaakt, en heeft hem tot enen eed gebracht, en de machtigen des lands (2 (Kon 24:14) heeft hij weggenomen;
Jer. 34:18.
Opdat het koninkrijk nederig zou zijn als een wilg, zich niet verheffende om een ceder te willen zijn, en dat het, zijn verbond houdende, bestaan mocht (2 Kon. 24:10-17).
Maar hij rebelleerde tegen hem, zendende zijne boden in Egypte, a) opdat men hem paarden en veel volks tot hulp tegen den koning van Babel bestellen zou (2 (Kon. 24:18-20): zal hij gedijen? zal hij ontkomen, die zulke dingen doet? Ja zal hij ongestrafthet verbond breken en ontkomen?
Jer. 37:5.
Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo hij niet in de plaats des konings, die hem koning gemaakt heeft, wiens eed hij veracht, en wiens verbond hij verbroken heeft, bij hem, als een meinedige, in het midden van Babel zal sterven!
Ook zal Faraö (Jer. 44:30) door een groot heir en door menigte van krijgsvergadering, met hem in oorlog a) niet uitrichten; hij zal integendeel in de steek laten, als men enen b) wal zal opwerpen, en als men c) sterkten bouwen zal om Jeruzalem te belegeren, en die belegering zal zijn om vele zielen uit te roeien, welk doel men ook zal bereiken.
(Jer. 37:7. b) (Ezech. 4:2. c) 2 Kon. 25:1. Jes. 29:3. Faraö zal dan (vs. 17) Zedekia den gewensten machtigen bijstand tegen de Chaldeën niet verlenen; hij zal zijn beschermeling in de steek laten, wanneer deze door zijne vijanden hard gedrukt wordt. Dat volgens vs. 9 de Chaldeën tegen Jeruzalem gene grote krijgsmacht nodig heeft, heeft daarin zijne reden, dat de Egyptenaars, tegen welke alleen ene zodanige zou kunnen nodig zijn, hen niet te hulp zouden komen. Egypte was toen reeds wormstekig, dat liet de Geest Gods den Profeet erkennen, terwijl de wereld bij het oppervlakkige bleef staan. De bedoeling van dit vers is: moge de strijd ook nog zo heet zijn, de belegering der Babyloniërs nog zo vreselijk, de nood ook nog zo groot, de redding door Faraö zal uitblijven, men zal zich in zijne stoute verwachtingen schandelijk teleurgesteld zien; dat bevestigde de uitkomst ook volkomen. Volgens Jer. 31:24 vv. en 37:5 trok wel, toen Jeruzalem door de Chaldeën werd belegerd, een Egyptisch leger nader, om de benauwde stad te hulp te komen; het werd echter door de Chaldeën, die hem te gemoet rukten, terug geslagen, zonder aan de belegerden enige hulp te hebben gebracht.
Want hij heeft den eed veracht, brekende het verbond, daar hij, ziet zijne hand gegeven had; dewijl hij al deze dingen gedaan heeft, dat hij nu op trouweloze wijze zijne hand naar Egypte uitstrekt en tot oproermaker wordt, zal hij niet ontkomen.
Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Zo waarachtig als Ik leef, zo Ik Mijnen eed, dien hij veracht heeft, en Mijn verbond, dat hij gebroken heeft, want het is in Mijnen naam gezworen (2 Kron. 36:13), en het verbond is voor Mijne ogen gesloten, datzelve niet op zijn hoofd geve!
In allen plechtigen eed, wordt God aangeroepen, als een getuige der oprechtheid van dengenen, die zweert, en als een Rechter en Wreker van zijne verraderij, indien hij valselijk zweert, of te enigen tijd daarna zijn eed breekt. Maar de eed van verbintenis aan een vorst, wordt bijzonder Gods eed genoemd, alsof die wat heiligers in zich had dan enig ander eed, want vorsten zijn Gods dienaren ons ten goede. Nu is de verbreking van dezen eed en dit verbond door Zedekia, de zonde, welke God op zijn hoofd wil vergelden, de overtreding waarmee hij tegen God overtreden heeft, waarom God met hem zal twisten. Merk hier aan meinedigheid als een hatelijke zonde en hogelijk tergende voor den God des hemels. Het zou niet tot verschoning dienen dat hij, die den eed gezworen had, een koning was, een koning uit het huis van David, wiens vrijheid en waardigheid hem niet kon vrij gesteld hebben van de verplichting van eden te houden.
En Ik zal Mijn a) net over hem uitspreiden als over een wild, dat men wil vangen, zodat hij gegrepen zal worden in Mijn jachtgaren; en Ik zal hem doen brengen naar Babel, en zal daar met hem b) rechten over zijne overtreding, waardoor hij tegen Mij overtreden heeft (Hoofdst. 12:13).
(Ezech 32:3. b) Jer. 4:12; 25:31.
Daartoe zullen al zijne vluchtigen met al zijne benden door het zwaard vallen, en de overgeblevenen zullen in alle winden verstrooid worden(2 Kon. 25:4 vv. 18 vv,); en gijlieden zult weten, dat Ik, de HEERE, gesproken heb, wanneer alles op het nauwkeurigst zal worden vervuld. Bedenk niet, aan wien, maar denk bij wien gij den eed hebt gezworen. Wij hebben het nooit met de mensen alleen te doen. Ook ongelovige mensen, dus ook den zogenaamden ketters, moet men zijne beloften en eden houden. God is de waarheid en wil dat onder de mensen de trouw bewaard blijve. Hij verafschuwt daarom alle bedrog en allen meineed. Wanneer wij gedwongen iets hebben beloofd, dat overigens geheel onbillijk is, zo moeten wij toch het woord niet verbreken, omdat ons de naam van God dierbaarder moet zijn die alle menselijke voordelen (Ps. 15:4). Wanneer de Heere iemand verootmoedigt, moet men zich in den tegenspoed met geduld schikken en zich niet door verbodene middelen daaruit zoeken te redden (Hebr. 12:7).
Alzo zegt de Heere HEERE, nu aan die bedreiging van straf ook Zijne belofte ten opzichte van het huis van David aansluitende: Ik, die Mijzelven eveneens bij enen adelaar mag vergelijken (Deut 32:11. Ex. 19:4) zal ook, evenals die grote arend (vs. 3 vv.) gedaan heeft, van den oppersten tak des hogen ceders nemen, dat Ik zetten zal; van het opperste zijner jonge takjes zal Ik enen tederen afplukken, den Messias, want deze is van den hogen cederboom, d. i. uit Gods volk van den stam van David, denwelken Ik op enen hogen en verhevenen berg planten zal.
Op den berg der hoogte van Israël, op Zion (Hoofdst. 20:40) zal Ik hem planten; en hij zal takken voortbrengen en vrucht dragen, en hij zal tot enen heerlijken ceder worden, dat onder hem wonen zal alle gevogelte van allerlei vleugel; in de schaduwe zijner takken zullen zij wonen 1) (Matth. 13:31 vv.).
De Heere belooft hier weer, dat het huis van David niet ganselijk zal vernietigd worden. Wel zal Zedekia naar Babel worden gevoerd, maar de Heere zal er voor zorgen dat het geslacht van David weer zal uitspruiten, dat derhalve het verbond met Zijn knecht niet zal verbroken worden. God moge voor een ogenblik Zijn heilig Aangezicht verbergen van wege de zonde Zijns volks, maar niet altijd zal de toorn duren. Zijne beloften zijn onverbrekelijk. Zijn verbond staat eeuwig vast.
Zo zullen alle bomen des velds, alle koningen op aarde met hun volken, die buiten het volk van Israël staan, weten, dat Ik, de HEERE, den hogen boom van Davids huis in Jojachin (vs. 3 vv.) vernederd heb, den nederigen boom in den Messias (vs. 22) verheven heb, den groenen boom, zo als hij nog in vs. 5 was, verdroogd (vs. 9 vv.), en den drogen boom in het tedere rijk, dat tot een heerlijken cederboom werd (vs. 22 vv.) bloeiende gemaakt heb (1 (Sam. 2:4 vv. en (Luk. 1:51 vv.): Ik, de HEERE, heb het gesproken, en zal het doen. De rede neemt ene groot verrasende wending, tot slot het beeld van het begin opnemende, maar nieuwe en heerlijke dingen verkondigende. Daar komt een ander en groter, dan die machtige adelaar Nebukadnezar, de sterke held Jehova zelf, en neemt weer van den top des hogen ceders, die geveld is, een teder rijsje en plant het op enen hogen en verhevenen berg; het is de Spruit uit den stam van Isaï die op den berg Zion (Jes. 2:2; 11:10) zich tot den heerlijksten ceder zou verheffen, onder wiens takken alle vogels bescherming zullen vinden ziet daar de verhevene gedaante van den Messias, die in Zijn rijk alle volken zonder onderscheid verzamelt! Onder de menigvuldige voorzeggingen van den Gezalfde des Heeren en van Zijn koninkrijk door de gehele wereld staat deze van onzen Profeet zelf als een ceder; in de meest grootse en eenvoudige gelijkenis heeft hij de toekomstige zaligheid in hare meest algemene betekenis en waarheid op het treffendst afgebeeld. Meer bijzonder moeten wij intussen nog letten op de belofte, welke de Heere onder ene dergelijke zinneprent als de eerste, hier aan het slot dezer voorspellende rede plaatsen doet. Ongetwijfeld is het de vorst Zerubbabel, die hier in de eerste plaats wordt bedoeld, terwijl het een teder deel was van den oppersten tak des ceders, die in Babel was geplant en door den Heere op de bergen Israëls zou geplant worden; maar is nu alles wat van dien ceder tot hier gezegd wordt, te groot en te heerlijk, dan dat het in enen mens, en in Zerubbabel, ook bij de schoonste uitbreiding van den godsdienst onder de Chasmonesche vorsten, kan vervuld zijn, den vinden wij hier ene voorspelling van verdere uitzichten, die op den Messias wijzen, en die ons doen denken aan de zuivere herstelling der Israëlietische kerk, onder de regering van Jezus Christus, onzen Heere, en de toebrenging der Heidenen, zo als Hij zelf dit stuk heeft voorgesteld in de gelijkenis van het mosterdzaad (Matth. 13:31, 32). Niet zelden gaf de genadige Ontfermer, in de donkere dagen des Ouden Verbonds ene Messiaanse voorspelling, die rijk en heerlijk was; daarmee mochten de godvruchtigen zich verkwikken en versterken, en werd het geloof der oude Gods kerk gaande gehouden en telkens opgewekt. Behoort de Messias en Zijn bestuur onder de kern van het Evangelie van den ouden dag, was dat stuk zamengeweven in de Israëlietische geschiedenis, niet minder is datzelfde ook hoofdzaak bij ons, en moet en zal het dat altoos bij ons blijven. Richte zich dan ons oog maar op Hem, die de geest en de kracht was der Profetie, op Hem, die door Zijn bloed Zich ene gemeente heeft gekocht uit alle geslachten, talen, volkeren en natiën, die gisteren en heden dezelfde blijft in der eeuwigheid, en die de Alfa en de Omega is. Hechte zich ons hart aan Hem, onderwerpe zich ons leven aan Zijn bestuur, en blijve het oog des geloofs op Hem gevestigd, in Wien al Gods beloften ja en amen zijn, Gode tot heerlijkheid. Nadat de Ziener zich in de diepte der ellende had begeven, treedt hier de gehele kracht en volheid des geloofs in verheven geestvervoering en troostvolle verkondiging te voorschijn. De korte, maar rijke verkondiging van den Messiaansen tijd beweegt zich om drie grote tegenstellingen tegenover de voorafgaande bedreiging van straf: 1) in tegenstelling tot de nu vreselijk dreigende macht van Nebukadnezar verschijnt in de toekomst de Almacht des Heeren-de eerste is een werktuig tot verderf, maar de Heere volbrengt genade, en wel een wonder van genade daar hij uit het schijnbaar geringste het heerlijkste opwekt; 2) in tegenstelling tot de misdadige verblinding van Zedekia staat deze nieuwe planting Gods-de eerst zal te niet gaan, maar de door God geplaatste spruit zal daarentegen tot ene heerlijkheid komen, die alle verwachtingen te boven gaat; 3) in tegenstelling met de ellende, die Israël reeds heeft getroffen en nog zou treffen, staat die toestand, in welken Israël het middelpunt van de openbaring der Messiaanse heerlijkheid zal zijn, en daardoor een zegen over alle volken der aarde zal verbreiden. Het “Ik” aan het begin der profetie vormt ene tegenstelling tegen de machteloze en vruchteloze pogingen van den tegenwoordigen tijd om Davids stam in zijne waardigheid te behouden. Als al die middelen der staatkunde schipbreuk hebben geleden, neemt de Heere de zaak ter hand, dezelfde, die deze plannen tot redding vernietigde. De ceder is hier, even als vroeger, de stam van David. De tederheid van het rijsje wijst er op, dat de Spruit van David eerst als gering en zonder gedaante zal voortkomen, overeenkomstig de aankondiging van vroegere profeten, dat de Messias in den tijd der diepste vernedering van het huis van David zal verschijnen, uit de vervallen tent van David zal voortkomen, een rijsje van Isaï’s tronk, een scheut uit de wortelen van het dorre land zal zijn. (Amos 9:11. (Jes. 11:1; 53:2). De Heere doet als Nebukadnezar, en doet toch zo geheel anders; gene verhoogt wat hoog wilde zijn, Hij verhoogt wat tot niets scheen vernederd te zijn. Nebukadnezar had den top des ceders van Zion weggevoerd in een ander Kanaän, het land der kooplieden. De Heere, die Zijn volk eerst in Kanaän geplant heeft, plaatst nu integendeel ene tedere loot van den top des hogen ceders, ene jonge spruit uit Davids koningsstam op den berg Zion, om daar te planten, dat hij wasse en vrucht brenge en alle vogelen (alle volken) onder zijne schaduw wonen. De Messias komt hier niet voor als ene idee, als een abstract ideaal, maar als een bepaald historisch persoon. Hij is het tegenbeeld van Jojachin; deze werd van den troon zijner vaderen afgestort in de diepte der ellende, gene, beginnende in de gedaante van een dienstknecht, openbaart Zich ten laatste als Koning der ganse aarde; daarentegen wordt de zijlinie, het huis van Zedekia uitgesloten van den zagen der belofte, de laatste blijft tot het vernederde huis van Jojachin beperkt. De hoge berg is de heilige berg van Jeruzalem, die daardoor, dat de Messias in Zijn koningschap in trad, hoger werd dan alle bergen, het geestelijke middelpunt der wereld; want, zo gaat vs. 23 voort, wanneer God de Spruit uit het huis van David op den berg Zion zal hebben geplant, zal deze wassen en tot ene grote boom worden, onder welken alle vogels woning vinden. De persoon van den Messias zal toenemen totdat Zijn rijk, dat het geestelijke vaderland zal worden van al de volken der wereld, hun geestelijk voedsel en geestelijke bescherming verleent; en, zo besluit vs. 24, wanneer dat zal geschieden, zullen de bomen des velds erkennen, dat Ik, de Heere, het ben, die den hogen en groenen boom vernederd en dor gemaakt heb, maar den nederigen, en dorren boom verheven en groen. De bomen des velds zijn de volken buiten het Oude Testament. De hoge en groene boom is het koningshuis van David in de grootheid en macht, die het tot hiertoe had, de nederige en dorre boom is daarentegen dit huis onder de straf, waarin het door het gericht van Jojachin en Zedekia kwam, en waaruit het daardoor is verheven, dat de Messias daaruit voortkomt. De kerstboom, die ons God heeft bereid: 1) naar zijne natuur, 2) naar zijne bestemming. I. Des zomers en des winters is de ceder groen en verliest nooit zijn loof noch zijne frisheid, de altijd groene levensboom is Christus. Geen hout is duurzamer; zo is ook Christus het onverstoorbare fondament voor onze verwachtingen en wij zijn de takken aan dien ceder Gods. Onze krachten zijn van Christus, die ze in en door ons voortbrengt. Johannes en Petrus, Paulus en Jakobus, welke takken zijn zij! en de kerkvaders en hervormers, en allen, die geloven, welk een boom! Welke groene, bloeiende, met vrucht beladene takken zijn het, die hem omgeven. Welk ene krachtige, met loof bedekte verre schaduw gevende kroon, en in de kroon welk een waaien, suizen en ruisen van heilig leven en van Goddelijke liefde! Hier wordt aan Christus en Zijne zaak niets minder beloofd, dan de triomf over de gehele wereld-de pralende heerlijkheid van Babylon, Egypte, Rome en Athene, waar is die gebleven?
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel