Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1Daarna kwamen tot mij mannen uit de oudsten van Israel, en zaten neder voor mijn aangezicht.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1Daarna kwamenH935totH413 mij mannenH582 uit de oudstenH2205 van IsraelH3478, en zaten nederH3427 voor mijn aangezichtH6440.Daarna kwamen tot mij mannen uit de oudsten van Israel, en zaten neder voor mijn aangezicht.
KJVThen came1certainof the elders4of Israel5unto me, and sat6before
1וַיָּב֤וֹאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way2אֵלַי֙H413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3אֲנָשִׁ֔יםH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)4מִזִּקְנֵ֖יH2205oudsten, ouden, oudeaged, ancient (man), elder(-est), old (man, men and...women), senator5יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael6וַיֵּשְׁב֖וּH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry7לְפָנָֽיH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
2Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2Toen geschieddeH1961 des HEERENH3068woordH1697totH413 mij, zeggendeH559:Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
3Mensenkind, deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben den aanstoot hunner ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan ernstiglijk van hen gevraagd?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3MensenkindH1121, dezeH428mannenH582 hebben hun drekgodenH1544 in hun hartH3820opgezetH5927, en hebben den aanstootH4383 hunner ongerechtigheidH5771rechtH5227 voor hun aangezichtenH6440gesteldH5414; word Ik dan ernstiglijkH1875 van hen gevraagdH1875?Mensenkind, deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben den aanstoot hunner ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan ernstiglijk van hen gevraagd?
KJVSon1of man,2these menhave set up5their idols6in their heart,8and put11the stumblingblock9of their iniquity10before12their face:13should I be enquired14of at all
1בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth2אָדָ֗םH120mens, mensen, Adam[idiom] another, [phrase] hypocrite, [phrase] common sort, [idiom] low, man (mean, of low degree), person3הָאֲנָשִׁ֤יםH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)4הָאֵ֨לֶּה֙H428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)5הֶעֱל֤וּH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work6גִלּֽוּלֵיהֶם֙H1544drekgodenidol7עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with8לִבָּ֔םH3820hart, harten, harte[phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom9וּמִכְשׁ֣וֹלH4383aanstoot, aanstoten, struikelingcaused to fall, offence, [idiom] (no-) thing offered, ruin, stumbling-block10עֲוֺנָ֔םH5771ongerechtigheid, ongerechtigheden, misdaadfault, iniquity, mischeif, punishment (of iniquity), sin11נָתְנ֖וּH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield12נֹ֣כַחH5227tegenover, recht, recht tegenover(over) against, before, direct(-ly), for, right (on)13פְּנֵיהֶ֑םH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you14הַאִדָּרֹ֥שׁH1875zoeken, vragen, gezochtask, [idiom] at all, care for, [idiom] diligently, inquire, make inquisition, (necro-) mancer, question, require, search, seek (for, out), [idiom] surely15אִדָּרֵ֖שׁH1875zoeken, vragen, gezochtask, [idiom] at all, care for, [idiom] diligently, inquire, make inquisition, (necro-) mancer, question, require, search, seek (for, out), [idiom] surely16לָהֶֽם
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
4Daarom spreek met hen, en zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Een ieder man uit het huis Israels, die de drekgoden in zijn hart opzet, en den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht stelt, en komt tot den profeet, Ik, de HEERE zal hem, als hij komt, antwoorden naar de menigte zijner drekgoden;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4DaaromH3651spreekH1696 met hen, en zegH559totH413 hen: Alzo zegtH559 de HeereH136HEEREH3069: Een ieder manH376 uit het huisH1004IsraelsH3478, dieH834 de drekgodenH1544 in zijn hartH3820opzetH5927, en den aanstootH4383 zijner ongerechtigheidH5771rechtH5227 voor zijn aangezichtH6440steltH7760, en komtH935totH413 den profeetH5030, IkH589, de HEEREH3068 zal hem, als hij komtH935, antwoordenH6030 naar de menigteH7230 zijner drekgodenH1544;Daarom spreek met hen, en zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Een ieder man uit het huis Israels, die de drekgoden in zijn hart opzet, en den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht stelt, en komt tot den profeet, Ik, de HEERE zal hem, als hij komt, antwoorden naar de menigte zijner drekgoden;
KJVTherefore speak2unto them, and say4unto them, Thus saith7the Lord8GOD;9Every man10of the house12of Israel13that setteth up15his idols17in his heart,19and putteth22the stumblingblock20of his iniquity21before23his face,24and cometh25to the prophet;27I the LORD29will answer30him that cometh32according to the multitude33of his idols;
1לָכֵ֣ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you2דַּבֵּרH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work3א֠וֹתָםH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4וְאָמַרְתָּ֨H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet5אֲלֵיהֶ֜םH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)6כֹּהH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder7אָמַ֣רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet8אֲדֹנָ֣יH136Heere, HEERE, Heeren(my) Lord9יְהוִ֗הH3069HEERE, HEEREN, HeereGod10אִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)11אִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)12מִבֵּ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)13יִשְׂרָאֵ֡לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael14אֲשֶׁר֩H834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection15יַעֲלֶ֨הH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work16אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)17גִּלּוּלָ֜יוH1544drekgodenidol18אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)19לִבּ֗וֹH3820hart, harten, harte[phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom20וּמִכְשׁ֤וֹלH4383aanstoot, aanstoten, struikelingcaused to fall, offence, [idiom] (no-) thing offered, ruin, stumbling-block21עֲוֺנוֹ֙H5771ongerechtigheid, ongerechtigheden, misdaadfault, iniquity, mischeif, punishment (of iniquity), sin22יָשִׂים֙H7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work23נֹ֣כַחH5227tegenover, recht, recht tegenover(over) against, before, direct(-ly), for, right (on)24פָּנָ֔יוH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you25וּבָ֖אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way26אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)27הַנָּבִ֑יאH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet28אֲנִ֣יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who29יְהוָ֗הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)30נַעֲנֵ֧יתִיH6030antwoordde, antwoorden, antwoorddengive account, afflict (by mistake for H6031 (עָנָה)), (cause to, give) answer, bring low (by mistake for H6031 (עָנָה)), cry, hear, Leannoth, lift up, say, [idiom] scholar, (give a) shout, sing (together by course), speak, testify, utter, (bear) witness. See also H1042 (בֵּית עֲנוֹת), H1043 (בֵּית עֲנָת)31ל֦וֹ32בָ֖אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way33בְּרֹ֥בH7230menigte, veelheid, grootheidabundance(-antly), all, [idiom] common (sort), excellent, great(-ly, -ness, number), huge, be increased, long, many, more in number, most, much, multitude, plenty(-ifully), [idiom] very (age)34גִּלּוּלָֽיוH1544drekgodenidol
5Opdat Ik het huis Israels in hun hart grijpe, dewijl zij allen door hun drekgoden van Mij vervreemd zijn.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5OpdatH4616 Ik het huisH1004IsraelsH3478 in hun hartH3820grijpeH8610, dewijl zij allenH3605 door hun drekgodenH1544 van Mij vervreemdH2114 zijn.Opdat Ik het huis Israels in hun hart grijpe, dewijl zij allen door hun drekgoden van Mij vervreemd zijn.
KJVThat I may take2the house4of Israel5in their own heart,6because they are all estranged8from me through their idols.
1לְמַ֛עַןH4616opdat, om, omdatbecause of, to the end (intent) that, for (to,... 's sake), [phrase] lest, that, to2תְּפֹ֥שׂH8610gegrepen, grepen, handelencatch, handle, (lay, take) hold (on, over), stop, [idiom] surely, surprise, take3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4בֵּֽיתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)5יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael6בְּלִבָּ֑םH3820hart, harten, harte[phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom7אֲשֶׁ֤רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection8נָזֹ֨רוּ֙H2114vreemde, vreemden, vreemd(come from) another (man, place), fanner, go away, (e-) strange(-r, thing, woman)9מֵֽעָלַ֔יH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with10בְּגִלּֽוּלֵיהֶ֖םH1544drekgodenidol11כֻּלָּֽםH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)
6Daarom zeg tot het huis Israels: Alzo zegt de Heere HEERE: Bekeert u, en keert u af van uw drekgoden, en keert uw aangezichten af van al uw gruwelen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6DaaromH3651zegH559totH413 het huisH1004IsraelsH3478: Alzo zegtH559 de HeereH136HEEREH3069: BekeertH7725 u, en keert u af van uw drekgodenH1544, en keert uw aangezichtenH6440 af van alH3605 uw gruwelenH8441.Daarom zeg tot het huis Israels: Alzo zegt de Heere HEERE: Bekeert u, en keert u af van uw drekgoden, en keert uw aangezichten af van al uw gruwelen.
Ook in dit vers
keertafH7725
KJVTherefore say2unto the house4of Israel,5Thus saith7the Lord8GOD;9Repent,10and turn11yourselves from your idols;13and turn away17your faces18from all your abominations.
1לָכֵ֞ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you2אֱמֹ֣רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4בֵּ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)5יִשְׂרָאֵ֗לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael6כֹּ֤הH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder7אָמַר֙H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet8אֲדֹנָ֣יH136Heere, HEERE, Heeren(my) Lord9יְהוִ֔הH3069HEERE, HEEREN, HeereGod10שׁ֣וּבוּH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw11וְהָשִׁ֔יבוּH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw12מֵעַ֖לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with13גִּלּֽוּלֵיכֶ֑םH1544drekgodenidol14וּמֵעַ֥לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with15כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)16תּוֹעֲבֹתֵיכֶ֖םH8441gruwelen, gruwel, gruwelijkeabominable (custom, thing), abomination17הָשִׁ֥יבוּH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw18פְנֵיכֶֽםH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you
7Want ieder man uit het huis Israels, en uit den vreemdeling, die in Israel verkeert, die zich van achter Mij afscheidt, en zet zijn drekgoden op in zijn hart, en stelt den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht, en komt tot den profeet, om Mij door hem te vragen; Ik ben de HEERE, hem zal geantwoord worden door Mij;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7WantH3588 ieder manH376 uit het huisH1004IsraelsH3478, en uit den vreemdelingH1616, dieH834 in IsraelH3478verkeertH1481, die zich van achterH310 Mij afscheidtH5144, en zetH5927 zijn drekgodenH1544 op in zijn hartH3820, en steltH7760 den aanstootH4383 zijner ongerechtigheidH5771rechtH5227 voor zijn aangezichtH6440, en komtH935totH413 den profeetH5030, om Mij door hem te vragenH1875; IkH589 ben de HEEREH3068, hem zal geantwoordH6030 worden door Mij;Want ieder man uit het huis Israels, en uit den vreemdeling, die in Israel verkeert, die zich van achter Mij afscheidt, en zet zijn drekgoden op in zijn hart, en stelt den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht, en komt tot den profeet, om Mij door hem te vragen; Ik ben de HEERE, hem zal geantwoord worden door Mij;
KJVFor every one2of the house4of Israel,5or of the stranger6that sojourneth8in Israel,9which separateth10himself from me,11and setteth up12his idols13in his heart,15and putteth18the stumblingblock16of his iniquity17before19his face,20and cometh21to a prophet23to enquire24of him concerning me; I the LORD28will answer
1כִּי֩H3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet2אִ֨ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)3אִ֜ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)4מִבֵּ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)5יִשְׂרָאֵ֗לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael6וּמֵהַגֵּר֮H1616vreemdeling, vreemdelingen, vreemdelingsalien, sojourner, stranger7אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection8יָג֣וּרH1481vreemdelingen, verkeren, vreemdeling verkeertabide, assemble, be afraid, dwell, fear, gather (together), inhabitant, remain, sojourn, stand in awe, (be) stranger, [idiom] surely9בְּיִשְׂרָאֵל֒H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael10וְיִנָּזֵ֣רH5144afzonderen, afgezonderd, afscheidtconsecrate, separate(-ing, self)11מֵֽאַחֲרַ֗יH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with12וְיַ֤עַלH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work13גִּלּוּלָיו֙H1544drekgodenidol14אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)15לִבּ֔וֹH3820hart, harten, harte[phrase] care for, comfortably, consent, [idiom] considered, courag(-eous), friend(-ly), ((broken-), (hard-), (merry-), (stiff-), (stout-), double) heart(-ed), [idiom] heed, [idiom] I, kindly, midst, mind(-ed), [idiom] regard(-ed), [idiom] themselves, [idiom] unawares, understanding, [idiom] well, willingly, wisdom16וּמִכְשׁ֣וֹלH4383aanstoot, aanstoten, struikelingcaused to fall, offence, [idiom] (no-) thing offered, ruin, stumbling-block17עֲוֺנ֔וֹH5771ongerechtigheid, ongerechtigheden, misdaadfault, iniquity, mischeif, punishment (of iniquity), sin18יָשִׂ֖יםH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work19נֹ֣כַחH5227tegenover, recht, recht tegenover(over) against, before, direct(-ly), for, right (on)20פָּנָ֑יוH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you21וּבָ֤אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way22אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)23הַנָּבִיא֙H5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet24לִדְרָשׁH1875zoeken, vragen, gezochtask, [idiom] at all, care for, [idiom] diligently, inquire, make inquisition, (necro-) mancer, question, require, search, seek (for, out), [idiom] surely25ל֣וֹ26בִ֔י27אֲנִ֣יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who28יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)29נַֽעֲנֶהH6030antwoordde, antwoorden, antwoorddengive account, afflict (by mistake for H6031 (עָנָה)), (cause to, give) answer, bring low (by mistake for H6031 (עָנָה)), cry, hear, Leannoth, lift up, say, [idiom] scholar, (give a) shout, sing (together by course), speak, testify, utter, (bear) witness. See also H1042 (בֵּית עֲנוֹת), H1043 (בֵּית עֲנָת)30לּ֖וֹ31בִּֽי
8En Ik zal Mijn aangezicht tegen dienzelven man zetten, en zal hem stellen tot een teken en tot spreekwoorden, en zal hem uitroeien uit het midden Mijns volks; en gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE ben.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8En Ik zal Mijn aangezichtH6440 tegen dienzelven manH376zettenH5414, en zal hemH1931stellenH8074 tot een tekenH226 en tot spreekwoordenH4912, en zal hem uitroeienH3772 uit het middenH8432 Mijns volksH5971; en gijlieden zult wetenH3045, dat IkH589 de HEEREH3068 ben.En Ik zal Mijn aangezicht tegen dienzelven man zetten, en zal hem stellen tot een teken en tot spreekwoorden, en zal hem uitroeien uit het midden Mijns volks; en gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE ben.
KJVAnd I will set1my face2against that man,3and will make5him a sign6and a proverb,7and I will cut him off8from the midst9of my people;10and ye shall know11that I am the LORD.
1וְנָתַתִּ֨יH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield2פָנַ֜יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you3בָּאִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)4הַה֗וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who5וַהֲשִֽׂמֹתִ֨יהוּ֙H8074verwoest, verwoeste, ontzettenmake amazed, be astonied, (be an) astonish(-ment), (be, bring into, unto, lay, lie, make) desolate(-ion, places), be destitute, destroy (self), (lay, lie, make) waste, wonder6לְא֣וֹתH226teken, tekenenmark, miracle, (en-) sign, token7וְלִמְשָׁלִ֔יםH4912spreekwoord, spreuk, spreukenbyword, like, parable, proverb8וְהִכְרַתִּ֖יוH3772uitgeroeid, uitroeien, afgesnedenbe chewed, be con-(feder-) ate, covenant, cut (down, off), destroy, fail, feller, be freed, hew (down), make a league (covenant), [idiom] lose, perish, [idiom] utterly, [idiom] want9מִתּ֣וֹךְH8432midden, middelste, binnensteamong(-st), [idiom] between, half, [idiom] (there-, where-), in(-to), middle, mid(-night), midst (among), [idiom] out (of), [idiom] through, [idiom] with(-in)10עַמִּ֑יH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people11וִֽידַעְתֶּ֖םH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot12כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet13אֲנִ֥יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who14יְהוָֽהH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)
9Als nu een profeet overreed zal zijn, en iets gesproken zal hebben, Ik, de HEERE, heb dienzelven profeet overreed, en Ik zal Mijn hand tegen hem uitstrekken, en zal hem verdelgen uit het midden van Mijn volk Israel.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9AlsH3588 nu een profeetH5030overreedH6601 zal zijn, en ietsH1697gesprokenH1696 zal hebben, IkH589, de HEEREH3068, heb dienzelven profeetH5030overreedH6601, en Ik zal Mijn handH3027tegenH5921 hem uitstrekkenH5186, en zal hem verdelgenH8045 uit het middenH8432 van Mijn volkH5971IsraelH3478.Als nu een profeet overreed zal zijn, en iets gesproken zal hebben, Ik, de HEERE, heb dienzelven profeet overreed, en Ik zal Mijn hand tegen hem uitstrekken, en zal hem verdelgen uit het midden van Mijn volk Israel.
KJVAnd if the prophet1be deceived3when he hath spoken4a thing,5I the LORD7have deceived8that prophet,10and I will stretch out12my hand14upon him, and will destroy16him from the midst17of my people18Israel.
1וְהַנָּבִ֤יאH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet2כִֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet3יְפֻתֶּה֙H6601overreden, overreed, verloktallure, deceive, enlarge, entice, flatter, persuade, silly (one)4וְדִבֶּ֣רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work5דָּבָ֔רH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work6אֲנִ֤יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who7יְהוָה֙H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)8פִּתֵּ֔יתִיH6601overreden, overreed, verloktallure, deceive, enlarge, entice, flatter, persuade, silly (one)9אֵ֖תH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10הַנָּבִ֣יאH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet11הַה֑וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who12וְנָטִ֤יתִיH5186neig, uitgestrekt, uitgestrekten[phrase] afternoon, apply, bow (down, -ing), carry aside, decline, deliver, extend, go down, be gone, incline, intend, lay, let down, offer, outstretched, overthrown, pervert, pitch, prolong, put away, shew, spread (out), stretch (forth, out), take (aside), turn (aside, away), wrest, cause to yield13אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14יָדִי֙H3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves15עָלָ֔יוH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with16וְהִ֨שְׁמַדְתִּ֔יוH8045verdelgd, verdelgen, verdelgdedestory(-uction), bring to nought, overthrow, perish, pluck down, [idiom] utterly17מִתּ֖וֹךְH8432midden, middelste, binnensteamong(-st), [idiom] between, half, [idiom] (there-, where-), in(-to), middle, mid(-night), midst (among), [idiom] out (of), [idiom] through, [idiom] with(-in)18עַמִּ֥יH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people19יִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
10En zij zullen hun ongerechtigheid dragen; gelijk de ongerechtigheid des vragers zal zijn; alzo zal zijn de ongerechtigheid des profeten;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10En zij zullen hun ongerechtigheidH5771dragenH5375; gelijk de ongerechtigheidH5771 des vragersH1875 zal zijn; alzo zal zijn de ongerechtigheidH5771 des profetenH5030;En zij zullen hun ongerechtigheid dragen; gelijk de ongerechtigheid des vragers zal zijn; alzo zal zijn de ongerechtigheid des profeten;
KJVAnd they shall bear1the punishment of their iniquity:2the punishment3of the prophet6shall be even as the punishment5of him that seeketh
1וְנָשְׂא֖וּH5375dragen, hief, droegenaccept, advance, arise, (able to, (armor), suffer to) bear(-er, up), bring (forth), burn, carry (away), cast, contain, desire, ease, exact, exalt (self), extol, fetch, forgive, furnish, further, give, go on, help, high, hold up, honorable ([phrase] man), lade, lay, lift (self) up, lofty, marry, magnify, [idiom] needs, obtain, pardon, raise (up), receive, regard, respect, set (up), spare, stir up, [phrase] swear, take (away, up), [idiom] utterly, wear, yield2עֲוֺנָ֑םH5771ongerechtigheid, ongerechtigheden, misdaadfault, iniquity, mischeif, punishment (of iniquity), sin3כַּֽעֲוֺן֙H5771ongerechtigheid, ongerechtigheden, misdaadfault, iniquity, mischeif, punishment (of iniquity), sin4הַדֹּרֵ֔שׁH1875zoeken, vragen, gezochtask, [idiom] at all, care for, [idiom] diligently, inquire, make inquisition, (necro-) mancer, question, require, search, seek (for, out), [idiom] surely5כַּעֲוֺ֥ןH5771ongerechtigheid, ongerechtigheden, misdaadfault, iniquity, mischeif, punishment (of iniquity), sin6הַנָּבִ֖יאH5030profeet, profeten, Profeetprophecy, that prophesy, prophet7יִֽהְיֶֽהH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use
11Opdat het huis Israels niet meer van achter Mij afdwale, en zij zich niet meer verontreinigen met al hun overtredingen; alsdan zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, spreekt de Heere HEERE.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11OpdatH4616 het huisH1004IsraelsH3478 niet meerH5750 van achterH310 Mij afdwaleH8582, en zij zich nietH3808meerH5750verontreinigenH2930 met alH3605 hun overtredingenH6588; alsdan zullen zijH1961 Mij tot een volkH5971 zijn, en IkH589 zal hun tot een GodH430 zijn, spreektH5002 de HeereH136HEEREH3069.Opdat het huis Israels niet meer van achter Mij afdwale, en zij zich niet meer verontreinigen met al hun overtredingen; alsdan zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, spreekt de Heere HEERE.
KJVThat the house5of Israel6may go no more astray3from me,7neither be polluted9any more with all their transgressions;12but that they may be my people,15and I may be their God,19saith20the Lord21GOD.
1לְ֠מַעַןH4616opdat, om, omdatbecause of, to the end (intent) that, for (to,... 's sake), [phrase] lest, that, to2לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without3יִתְע֨וּH8582dwalen, dolen, verleid(cause to) go astray, deceive, dissemble, (cause to, make to) err, pant, seduce, (make to) stagger, (cause to) wander, be out of the way4ע֤וֹדH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)5בֵּֽיתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)6יִשְׂרָאֵל֙H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael7מֵאַֽחֲרַ֔יH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with8וְלֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without9יִטַּמְּא֥וּH2930onrein, verontreinigd, verontreinigendefile (self), pollute (self), be (make, make self, pronounce) unclean, [idiom] utterly10ע֖וֹדH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)11בְּכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)12פִּשְׁעֵיהֶ֑םH6588overtredingen, overtreding, afvalrebellion, sin, transgression, trespass13וְהָ֥יוּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use14לִ֣י15לְעָ֗םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people16וַֽאֲנִי֙H589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who17אֶהְיֶ֤הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use18לָהֶם֙19לֵֽאלֹהִ֔יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty20נְאֻ֖םH5002spreekt, zegt, gesproken(hath) said, saith21אֲדֹנָ֥יH136Heere, HEERE, Heeren(my) Lord22יְהוִֽהH3069HEERE, HEEREN, HeereGod
12Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12Verder geschieddeH1961 des HEERENH3068woordH1697totH413 mij, zeggendeH559:Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
13Mensenkind, als een land tegen Mij gezondigd zal hebben, zwaarlijk overtredende, zo zal Ik Mijn hand daartegen uitstrekken, en zal hetzelve den staf des broods breken, en een honger daarin zenden, dat Ik daaruit mensen en beesten uitroeie;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13MensenkindH1121, alsH3588 een landH776tegenH5921 Mij gezondigdH2398 zal hebben, zwaarlijkH4604overtredendeH4603, zo zal Ik Mijn handH3027 daartegen uitstrekkenH5186, en zal hetzelve den stafH4294 des broodsH3899brekenH7665, en een hongerH7458 daarin zendenH7971, dat Ik daaruit mensenH120 en beestenH929uitroeieH3772;Mensenkind, als een land tegen Mij gezondigd zal hebben, zwaarlijk overtredende, zo zal Ik Mijn hand daartegen uitstrekken, en zal hetzelve den staf des broods breken, en een honger daarin zenden, dat Ik daaruit mensen en beesten uitroeie;
KJVSon1of man,2when the land3sinneth5against me by trespassing7grievously,8then will I stretch out9mine hand10upon it, and will break12the staff14of the bread15thereof, and will send16famine18upon it, and will cut off19man21and beast
1בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth2אָדָ֗םH120mens, mensen, Adam[idiom] another, [phrase] hypocrite, [phrase] common sort, [idiom] low, man (mean, of low degree), person3אֶ֚רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world4כִּ֤יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet5תֶחֱטָאH2398gezondigd, zondigen, zondigtbear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass6לִי֙7לִמְעָלH4603overtreden, begaan, overtradtransgress, (commit, do a) trespass(-ing)8מַ֔עַלH4604overtreding, overtreden, overtredingenfalsehood, grievously, sore, transgression, trespass, [idiom] very9וְנָטִ֤יתִיH5186neig, uitgestrekt, uitgestrekten[phrase] afternoon, apply, bow (down, -ing), carry aside, decline, deliver, extend, go down, be gone, incline, intend, lay, let down, offer, outstretched, overthrown, pervert, pitch, prolong, put away, shew, spread (out), stretch (forth, out), take (aside), turn (aside, away), wrest, cause to yield10יָדִי֙H3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves11עָלֶ֔יהָH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with12וְשָׁבַ֥רְתִּיH7665verbroken, gebroken, verbrekenbreak (down, off, in pieces, up), broken (-hearted), bring to the birth, crush, destroy, hurt, quench, [idiom] quite, tear, view (by mistake for H7663 (שָׂבַר))13לָ֖הּ14מַטֵּהH4294stam, staf, stammenrod, staff, tribe15לָ֑חֶםH3899brood, broods, spijze(shew-) bread, [idiom] eat, food, fruit, loaf, meat, victuals16וְהִשְׁלַחְתִּיH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)17בָ֣הּ18רָעָ֔בH7458honger, hongers, honger lijdendearth, famine, [phrase] famished, hunger19וְהִכְרַתִּ֥יH3772uitgeroeid, uitroeien, afgesnedenbe chewed, be con-(feder-) ate, covenant, cut (down, off), destroy, fail, feller, be freed, hew (down), make a league (covenant), [idiom] lose, perish, [idiom] utterly, [idiom] want20מִמֶּ֖נָּהH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with21אָדָ֥םH120mens, mensen, Adam[idiom] another, [phrase] hypocrite, [phrase] common sort, [idiom] low, man (mean, of low degree), person22וּבְהֵמָֽהH929beesten, vee, beestbeast, cattle
14Ofschoon deze drie mannen, Noach, Daniel en Job, in het midden deszelven waren, zij zouden door hun gerechtigheid alleen hun ziel bevrijden, spreekt de Heere HEERE.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14Ofschoon dezeH428drieH7969mannenH582, NoachH5146, DanielH1840 en JobH347, in het middenH8432 deszelven warenH1961, zij zouden door hun gerechtigheidH6666 alleen hun zielH5315bevrijdenH5337, spreektH5002 de HeereH136HEEREH3069.Ofschoon deze drie mannen, Noach, Daniel en Job, in het midden deszelven waren, zij zouden door hun gerechtigheid alleen hun ziel bevrijden, spreekt de Heere HEERE.
KJVThough these three2men,Noah,6Daniel,7and Job,8were in it,5they should deliver11but their own souls12by their righteousness,10saith13the Lord14GOD.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
15Zo Ik het boos gedierte make door het land door te gaan, hetwelk dat van kinderen berove, zodat het woest worde, dat er niemand doorga, vanwege het gedierte;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15Zo Ik het boosH7451gedierteH2416 make door het landH776 door te gaan, hetwelk dat van kinderen beroveH7921, zodat het woestH8077 worde, dat er niemand doorgaH5674, vanwegeH6440 het gedierteH2416;Zo Ik het boos gedierte make door het land door te gaan, hetwelk dat van kinderen berove, zodat het woest worde, dat er niemand doorga, vanwege het gedierte;
KJVIf1I cause noisome3beasts2to pass through4the land,5and they spoil6it, so that it be desolate,8that no man may pass through10because11of the beasts:
1לֽוּH3863Och, och, lieveif (haply), peradventure, I pray thee, though, I would, would God (that)2חַיָּ֥הH2416leven, leeft, levens[phrase] age, alive, appetite, (wild) beast, company, congregation, life(-time), live(-ly), living (creature, thing), maintenance, [phrase] merry, multitude, [phrase] (be) old, quick, raw, running, springing, troop3רָעָ֛הH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)4אַעֲבִ֥ירH5674doorgaan, voorbij, gegaanalienate, alter, [idiom] at all, beyond, bring (over, through), carry over, (over-) come (on, over), conduct (over), convey over, current, deliver, do away, enter, escape, fail, gender, get over, (make) go (away, beyond, by, forth, his way, in, on, over, through), have away (more), lay, meddle, overrun, make partition, (cause to, give, make to, over) pass(-age, along, away, beyond, by, -enger, on, out, over, through), (cause to, make) [phrase] proclaim(-amation), perish, provoke to anger, put away, rage, [phrase] raiser of taxes, remove, send over, set apart, [phrase] shave, cause to (make) sound, [idiom] speedily, [idiom] sweet smelling, take (away), (make to) transgress(-or), translate, turn away, (way-) faring man, be wrath5בָּאָ֖רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world6וְשִׁכְּלָ֑תָּהH7921beroofd, beroven, berooftbereave (of children), barren, cast calf (fruit, young), be (make) childless, deprive, destroy, [idiom] expect, lose children, miscarry, rob of children, spoil7וְהָיְתָ֤הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use8שְׁמָמָה֙H8077verwoesting, woest, woeste(laid, [idiom] most) desolate(-ion), waste9מִבְּלִ֣יH1097iemand, alsof, onwetendecorruption, ig(norantly), for lack of, where no...is, so that no, none, not, un(awares), without10עוֹבֵ֔רH5674doorgaan, voorbij, gegaanalienate, alter, [idiom] at all, beyond, bring (over, through), carry over, (over-) come (on, over), conduct (over), convey over, current, deliver, do away, enter, escape, fail, gender, get over, (make) go (away, beyond, by, forth, his way, in, on, over, through), have away (more), lay, meddle, overrun, make partition, (cause to, give, make to, over) pass(-age, along, away, beyond, by, -enger, on, out, over, through), (cause to, make) [phrase] proclaim(-amation), perish, provoke to anger, put away, rage, [phrase] raiser of taxes, remove, send over, set apart, [phrase] shave, cause to (make) sound, [idiom] speedily, [idiom] sweet smelling, take (away), (make to) transgress(-or), translate, turn away, (way-) faring man, be wrath11מִפְּנֵ֖יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you12הַחַיָּֽהH2416leven, leeft, levens[phrase] age, alive, appetite, (wild) beast, company, congregation, life(-time), live(-ly), living (creature, thing), maintenance, [phrase] merry, multitude, [phrase] (be) old, quick, raw, running, springing, troop
16Die drie mannen in het midden deszelven zijnde, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij zonen, en zo zij dochteren bevrijden zouden, zij zelven alleen zouden bevrijd worden, maar het land zou woest worden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16Die drieH7969mannenH582 in het middenH8432 deszelven zijnde, zo waarachtig als IkH589leefH2416, spreektH5002 de HeereH136HEEREH3069, zoH518 zij zonenH1121, en zoH518 zij dochterenH1323bevrijdenH5337 zouden, zij zelven alleen zouden bevrijdH5337 worden, maar het landH776 zou woestH8077 worden.Die drie mannen in het midden deszelven zijnde, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij zonen, en zo zij dochteren bevrijden zouden, zij zelven alleen zouden bevrijd worden, maar het land zou woest worden.
KJVThough these three1menwere in it,4as I live,5saith7the Lord8GOD,9they shall deliver14neither sons11nor daughters;13they only shall be delivered,17but the land18shall be desolate.
1שְׁלֹ֨שֶׁתH7969drie, driehonderd, dertien[phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)2הָאֲנָשִׁ֣יםH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)3הָאֵלֶּה֮H428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)4בְּתוֹכָהּ֒H8432midden, middelste, binnensteamong(-st), [idiom] between, half, [idiom] (there-, where-), in(-to), middle, mid(-night), midst (among), [idiom] out (of), [idiom] through, [idiom] with(-in)5חַיH2416leven, leeft, levens[phrase] age, alive, appetite, (wild) beast, company, congregation, life(-time), live(-ly), living (creature, thing), maintenance, [phrase] merry, multitude, [phrase] (be) old, quick, raw, running, springing, troop6אָ֗נִיH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who7נְאֻם֙H5002spreekt, zegt, gesproken(hath) said, saith8אֲדֹנָ֣יH136Heere, HEERE, Heeren(my) Lord9יְהוִ֔הH3069HEERE, HEEREN, HeereGod10אִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet11בָּנִ֥יםH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth12וְאִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet13בָּנ֖וֹתH1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village14יַצִּ֑ילוּH5337redden, gered, red[idiom] at all, defend, deliver (self), escape, [idiom] without fail, part, pluck, preserve, recover, rescue, rid, save, spoil, strip, [idiom] surely, take (out)15הֵ֤מָּהH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye16לְבַדָּם֙H905handbomen, bijzonder, grendelenalone, apart, bar, besides, branch, by self, of each alike, except, only, part, staff, strength17יִנָּצֵ֔לוּH5337redden, gered, red[idiom] at all, defend, deliver (self), escape, [idiom] without fail, part, pluck, preserve, recover, rescue, rid, save, spoil, strip, [idiom] surely, take (out)18וְהָאָ֖רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world19תִּהְיֶ֥הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use20שְׁמָמָֽהH8077verwoesting, woest, woeste(laid, [idiom] most) desolate(-ion), waste
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
17Of als Ik het zwaard brenge over datzelve land, en zegge: Zwaard! ga door, door dat land, zodat Ik daarvan uitroeie mensen en beesten;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17OfH176 als Ik het zwaardH2719brengeH935overH5921 datzelve landH776, en zeggeH559: ZwaardH2719! ga door, door dat landH776, zodat Ik daarvan uitroeieH3772mensenH120 en beestenH929;Of als Ik het zwaard brenge over datzelve land, en zegge: Zwaard! ga door, door dat land, zodat Ik daarvan uitroeie mensen en beesten;
KJVOr if I bring3a sword2upon that land,5and say,7Sword,8go through9the land;10so that I cut off11man13and beast
1א֛וֹH176ofalso, and, either, if, at the least, [idiom] nor, or, otherwise, then, whether2חֶ֥רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool3אָבִ֖יאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way4עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with5הָאָ֣רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world6הַהִ֑יאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who7וְאָמַרְתִּ֗יH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet8חֶ֚רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool9תַּעֲבֹ֣רH5674doorgaan, voorbij, gegaanalienate, alter, [idiom] at all, beyond, bring (over, through), carry over, (over-) come (on, over), conduct (over), convey over, current, deliver, do away, enter, escape, fail, gender, get over, (make) go (away, beyond, by, forth, his way, in, on, over, through), have away (more), lay, meddle, overrun, make partition, (cause to, give, make to, over) pass(-age, along, away, beyond, by, -enger, on, out, over, through), (cause to, make) [phrase] proclaim(-amation), perish, provoke to anger, put away, rage, [phrase] raiser of taxes, remove, send over, set apart, [phrase] shave, cause to (make) sound, [idiom] speedily, [idiom] sweet smelling, take (away), (make to) transgress(-or), translate, turn away, (way-) faring man, be wrath10בָּאָ֔רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world11וְהִכְרַתִּ֥יH3772uitgeroeid, uitroeien, afgesnedenbe chewed, be con-(feder-) ate, covenant, cut (down, off), destroy, fail, feller, be freed, hew (down), make a league (covenant), [idiom] lose, perish, [idiom] utterly, [idiom] want12מִמֶּ֖נָּהH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with13אָדָ֥םH120mens, mensen, Adam[idiom] another, [phrase] hypocrite, [phrase] common sort, [idiom] low, man (mean, of low degree), person14וּבְהֵמָֽהH929beesten, vee, beestbeast, cattle
18Ofschoon die drie mannen in het midden deszelven waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zij zouden zonen noch dochteren bevrijden, maar zij zelven alleen zouden bevrijd worden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18Ofschoon die drieH7969mannenH582 in het middenH8432 deszelven waren, zo waarachtig als IkH589leefH2416, spreektH5002 de HeereH136HEEREH3069, zij zouden zonenH1121nochH3808dochterenH1323bevrijdenH5337, maarH3588zijH1992 zelven alleen zouden bevrijdH5337 worden.Ofschoon die drie mannen in het midden deszelven waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zij zouden zonen noch dochteren bevrijden, maar zij zelven alleen zouden bevrijd worden.
KJVThough these three1menwere in it,4as I live,5saith7the Lord8GOD,9they shall deliver11neither sons12nor daughters,13but they only shall be delivered
1וּשְׁלֹ֨שֶׁתH7969drie, driehonderd, dertien[phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)2הָאֲנָשִׁ֣יםH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)3הָאֵלֶּה֮H428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)4בְּתוֹכָהּ֒H8432midden, middelste, binnensteamong(-st), [idiom] between, half, [idiom] (there-, where-), in(-to), middle, mid(-night), midst (among), [idiom] out (of), [idiom] through, [idiom] with(-in)5חַיH2416leven, leeft, levens[phrase] age, alive, appetite, (wild) beast, company, congregation, life(-time), live(-ly), living (creature, thing), maintenance, [phrase] merry, multitude, [phrase] (be) old, quick, raw, running, springing, troop6אָ֗נִיH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who7נְאֻם֙H5002spreekt, zegt, gesproken(hath) said, saith8אֲדֹנָ֣יH136Heere, HEERE, Heeren(my) Lord9יְהוִ֔הH3069HEERE, HEEREN, HeereGod10לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without11יַצִּ֖ילוּH5337redden, gered, red[idiom] at all, defend, deliver (self), escape, [idiom] without fail, part, pluck, preserve, recover, rescue, rid, save, spoil, strip, [idiom] surely, take (out)12בָּנִ֣יםH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth13וּבָנ֑וֹתH1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village14כִּ֛יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet15הֵ֥םH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye16לְבַדָּ֖םH905handbomen, bijzonder, grendelenalone, apart, bar, besides, branch, by self, of each alike, except, only, part, staff, strength17יִנָּצֵֽלוּH5337redden, gered, red[idiom] at all, defend, deliver (self), escape, [idiom] without fail, part, pluck, preserve, recover, rescue, rid, save, spoil, strip, [idiom] surely, take (out)
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
19Of als Ik de pestilentie in datzelve land zende, en Mijn grimmigheid daarover met bloed uitgiete, om daarvan mensen en beesten uit te roeien;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19OfH176 als Ik de pestilentieH1698 in datzelve landH776zendeH7971, en Mijn grimmigheidH2534 daarover met bloedH1818uitgieteH8210, om daarvan mensenH120 en beestenH929uitH4480 te roeienH3772;Of als Ik de pestilentie in datzelve land zende, en Mijn grimmigheid daarover met bloed uitgiete, om daarvan mensen en beesten uit te roeien;
KJVOr if I send3a pestilence2into that land,5and pour out7my fury8upon it in blood,10to cut off11from it man13and beast:
1א֛וֹH176ofalso, and, either, if, at the least, [idiom] nor, or, otherwise, then, whether2דֶּ֥בֶרH1698pestilentie, pest, pestilentienmurrain, pestilence, plague3אֲשַׁלַּ֖חH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)4אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)5הָאָ֣רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world6הַהִ֑יאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who7וְשָׁפַכְתִּ֨יH8210vergoten, uitgieten, stortcast (up), gush out, pour (out), shed(-der, out), slip8חֲמָתִ֤יH2534grimmigheid, grimmige, vurig venijnanger, bottles, hot displeasure, furious(-ly, -ry), heat, indignation, poison, rage, wrath(-ful). See H2529 (חֶמְאָה)9עָלֶ֨יהָ֙H5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with10בְּדָ֔םH1818bloed, bloeds, bloedschuldenblood(-y, -guiltiness, (-thirsty), [phrase] innocent11לְהַכְרִ֥יתH3772uitgeroeid, uitroeien, afgesnedenbe chewed, be con-(feder-) ate, covenant, cut (down, off), destroy, fail, feller, be freed, hew (down), make a league (covenant), [idiom] lose, perish, [idiom] utterly, [idiom] want12מִמֶּ֖נָּהH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with13אָדָ֥םH120mens, mensen, Adam[idiom] another, [phrase] hypocrite, [phrase] common sort, [idiom] low, man (mean, of low degree), person14וּבְהֵמָֽהH929beesten, vee, beestbeast, cattle
20Ofschoon Noach, Daniel en Job in het midden deszelven waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij een zoon, of zo zij een dochter zouden bevrijden, zij zouden alleen hun ziel door hun gerechtigheid bevrijden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20Ofschoon NoachH5146, DanielH1840 en JobH347 in het middenH8432 deszelven waren, zo waarachtig als IkH589leefH2416, spreektH5002 de HeereH136HEEREH3069, zoH518 zij een zoonH1121, of zo zij een dochterH1323 zouden bevrijdenH5337, zij zouden alleen hunH1992zielH5315 door hun gerechtigheidH6666bevrijdenH5337.Ofschoon Noach, Daniel en Job in het midden deszelven waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij een zoon, of zo zij een dochter zouden bevrijden, zij zouden alleen hun ziel door hun gerechtigheid bevrijden.
KJVThough Noah,1Daniel,2and Job,3were in it,4as I live,5saith7the Lord8GOD,9they shall deliver14neither son11nor10daughter;13they shall but deliver17their own souls18by their righteousness.
21Want alzo zegt de Heere HEERE: Hoeveel te meer als Ik mijn vier boze gerichten, het zwaard, en den honger, en het boze gedierte, en de pestilentie gezonden zal hebben tegen Jeruzalem, om daaruit mensen en beesten uit te roeien!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21WantH3588alzoH3541zegtH559 de HeereH136HEEREH3069: Hoeveel te meer alsH3588 Ik mijn vierH702bozeH7451gerichtenH8201, het zwaardH2719, en den hongerH7458, en het bozeH7451gedierteH2416, en de pestilentieH1698gezondenH7971 zal hebben tegenH413JeruzalemH3389, om daaruit mensenH120 en beestenH929uitH4480 te roeienH3772!Want alzo zegt de Heere HEERE: Hoeveel te meer als Ik mijn vier boze gerichten, het zwaard, en den honger, en het boze gedierte, en de pestilentie gezonden zal hebben tegen Jeruzalem, om daaruit mensen en beesten uit te roeien!
KJVFor thus saith3the Lord4GOD;5How much more when I send16my four8sore10judgments9upon Jerusalem,18the sword,11and the famine,12and the noisome14beast,13and the pestilence,15to cut off19from it man21and beast?
1כִּי֩H3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet2כֹ֨הH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder3אָמַ֜רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet4אֲדֹנָ֣יH136Heere, HEERE, Heeren(my) Lord5יְהֹוִ֗הH3069HEERE, HEEREN, HeereGod6אַ֣ףH637ook, ja zelfsalso, [phrase] although, and (furthermore, yet), but, even, [phrase] how much less (more, rather than), moreover, with, yea7כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet8אַרְבַּ֣עַתH702vier, vierhonderd, veertienfour9שְׁפָטַ֣יH8201gerichten, oordelen, Gerichtenjudgment10הָרָעִ֡יםH7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)11חֶ֠רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool12וְרָעָ֞בH7458honger, hongers, honger lijdendearth, famine, [phrase] famished, hunger13וְחַיָּ֤הH2416leven, leeft, levens[phrase] age, alive, appetite, (wild) beast, company, congregation, life(-time), live(-ly), living (creature, thing), maintenance, [phrase] merry, multitude, [phrase] (be) old, quick, raw, running, springing, troop14רָעָה֙H7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)15וָדֶ֔בֶרH1698pestilentie, pest, pestilentienmurrain, pestilence, plague16שִׁלַּ֖חְתִּיH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)17אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)18יְרוּשָׁלִָ֑םH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem19לְהַכְרִ֥יתH3772uitgeroeid, uitroeien, afgesnedenbe chewed, be con-(feder-) ate, covenant, cut (down, off), destroy, fail, feller, be freed, hew (down), make a league (covenant), [idiom] lose, perish, [idiom] utterly, [idiom] want20מִמֶּ֖נָּהH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with21אָדָ֥םH120mens, mensen, Adam[idiom] another, [phrase] hypocrite, [phrase] common sort, [idiom] low, man (mean, of low degree), person22וּבְהֵמָֽהH929beesten, vee, beestbeast, cattle
22Doch ziet, daarin zullen ontkomenen overblijven, die uitgevoerd zullen worden, zonen en dochteren; ziet, zij zullen tot ulieden uitkomen, en gij zult hun weg zien, en hun handelingen; en gij zult vertroost worden over het kwaad, dat Ik over Jeruzalem gebracht zal hebben, ja, al wat Ik zal gebracht hebben over haar.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22Doch ziet, daarin zullen ontkomenenH6413overblijvenH3498, die uitgevoerdH3318 zullen worden, zonenH1121 en dochterenH1323; ziet, zij zullen totH413 ulieden uitkomenH3318, en gij zult hun wegH1870zienH7200, en hun handelingenH5949; en gij zult vertroostH5162 worden overH5921 het kwaadH7451, datH834 Ik overH5921JeruzalemH3389gebrachtH935 zal hebben, ja, alH3605watH834 Ik zal gebrachtH935 hebben overH5921 haar.Doch ziet, daarin zullen ontkomenen overblijven, die uitgevoerd zullen worden, zonen en dochteren; ziet, zij zullen tot ulieden uitkomen, en gij zult hun weg zien, en hun handelingen; en gij zult vertroost worden over het kwaad, dat Ik over Jeruzalem gebracht zal hebben, ja, al wat Ik zal gebracht hebben over haar.
KJVYet, behold, therein shall be left2a remnant4that shall be brought forth,5both sons6and daughters:7behold, they shall come forth9unto you, and ye shall see11their way13and their doings:15and ye shall be comforted16concerning the evil18that I have brought20upon Jerusalem,22even concerning all that I have brought
1וְהִנֵּ֨הH2009ziet, ziebehold, lo, see2נֽוֹתְרָהH3498overgebleven, overgelaten, overigeexcel, leave (a remnant), left behind, too much, make plenteous, preserve, (be, let) remain(-der, -ing, -nant), reserve, residue, rest3בָּ֜הּ4פְּלֵטָ֗הH6413ontkomen, ontkoming, ontkomenendeliverance, (that is) escape(-d), remnant5הַֽמּוּצָאִים֮H3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter6בָּנִ֣יםH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth7וּבָנוֹת֒H1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village8הִנָּם֙H2005ziet, ziebehold, if, lo, though9יוֹצְאִ֣יםH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter10אֲלֵיכֶ֔םH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)11וּרְאִיתֶ֥םH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions12אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13דַּרְכָּ֖םH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)14וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15עֲלִֽילוֹתָ֑םH5949handelingen, daden, oorzaakact(-ion), deed, doing, invention, occasion, work16וְנִחַמְתֶּ֗םH5162troosten, berouwde, berouwcomfort (self), ease (one's self), repent(-er,-ing, self)17עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with18הָֽרָעָה֙H7451kwaad, kwade, bozeadversity, affliction, bad, calamity, [phrase] displease(-ure), distress, evil((-favouredness), man, thing), [phrase] exceedingly, [idiom] great, grief(-vous), harm, heavy, hurt(-ful), ill (favoured), [phrase] mark, mischief(-vous), misery, naught(-ty), noisome, [phrase] not please, sad(-ly), sore, sorrow, trouble, vex, wicked(-ly, -ness, one), worse(-st), wretchedness, wrong. (Incl. feminine raaah; as adjective or noun.)19אֲשֶׁ֤רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection20הֵבֵ֨אתִי֙H935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way21עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with22יְר֣וּשָׁלִַ֔םH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem23אֵ֛תH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)24כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)25אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection26הֵבֵ֖אתִיH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way27עָלֶֽיהָH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with
23Zo zullen zij u vertroosten, als gij hun weg en hun handelingen zien zult; en gij zult weten, dat Ik niet zonder oorzaak gedaan heb, al wat Ik in haar gedaan heb, spreekt de Heere HEERE.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23Zo zullen zij u vertroostenH5162, alsH3588 gij hun wegH1870 en hun handelingenH5949zienH7200 zult; en gij zult wetenH3045, dat Ik niet zonderH3808oorzaakH2600gedaanH6213 heb, alH3605watH834 Ik in haar gedaanH6213 heb, spreektH5002 de HeereH136HEEREH3069.Zo zullen zij u vertroosten, als gij hun weg en hun handelingen zien zult; en gij zult weten, dat Ik niet zonder oorzaak gedaan heb, al wat Ik in haar gedaan heb, spreekt de Heere HEERE.
KJVAnd they shall comfort1you, when ye see4their ways6and their doings:8and ye shall know9that I have not done13without cause12all that I have done17in it, saith19the Lord20GOD.
1וְנִחֲמ֣וּH5162troosten, berouwde, berouwcomfort (self), ease (one's self), repent(-er,-ing, self)2אֶתְכֶ֔םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet4תִרְא֥וּH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions5אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6דַּרְכָּ֖םH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)7וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8עֲלִֽילוֹתָ֑םH5949handelingen, daden, oorzaakact(-ion), deed, doing, invention, occasion, work9וִֽידַעְתֶּ֗םH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot10כִּי֩H3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet11לֹ֨אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without12חִנָּ֤םH2600om niet, zonder oorzaak, tevergeefswithout a cause (cost, wages), causeless, to cost nothing, free(-ly), innocent, for nothing (nought, in vain13עָשִׂ֨יתִי֙H6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use14אֵ֣תH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)16אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection17עָשִׂ֣יתִיH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use18בָ֔הּ19נְאֻ֖םH5002spreekt, zegt, gesproken(hath) said, saith20אֲדֹנָ֥יH136Heere, HEERE, Heeren(my) Lord21יְהֹוִֽהH3069HEERE, HEEREN, HeereGod
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Ezechiël 14:1— Daarna kwamen tot mij mannen uit de oudsten van Israel, en zaten neder voor mijn aangezicht.Ezechiël 8:1→Ezechiël 20:1→Ezechiël 33:31→Jesaja 29:13→2 Koningen 6:32→Handelingen 4:8→Handelingen 4:5→Lukas 10:39→
Ezechiël 14:2— Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:1 Koningen 14:4→Amos 3:7→
Ezechiël 14:3— Mensenkind, deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben den aanstoot hunner ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan ernstiglijk van hen gevraagd?Ezechiël 7:19→Ezechiël 14:7→Ezechiël 20:3→Jesaja 1:15→Ezechiël 20:31→Ezechiël 44:12→Sefanja 1:3→Ezechiël 14:4→
Ezechiël 14:4— Daarom spreek met hen, en zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Een ieder man uit het huis Israels, die de drekgoden in zijn hart opzet, en den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht stelt, en komt tot den profeet, Ik, de HEERE zal hem, als hij komt, antwoorden naar de menigte zijner drekgoden;Jesaja 66:4→Jesaja 3:11→Ezechiël 14:7→Ezechiël 3:17→2 Koningen 1:16→Ezechiël 2:7→1 Koningen 21:20→Ezechiël 3:4→
Ezechiël 14:5— Opdat Ik het huis Israels in hun hart grijpe, dewijl zij allen door hun drekgoden van Mij vervreemd zijn.Zacharia 11:8→Jesaja 1:4→Jeremia 2:5→Romeinen 1:21→Ezechiël 14:9→Romeinen 1:28→Kolossenzen 1:21→Galaten 6:7→
Ezechiël 14:6— Daarom zeg tot het huis Israels: Alzo zegt de Heere HEERE: Bekeert u, en keert u af van uw drekgoden, en keert uw aangezichten af van al uw gruwelen.Jesaja 30:22→Ezechiël 18:30→Jesaja 2:20→Jesaja 55:6→Ezechiël 14:4→1 Samuël 7:3→Jakobus 4:8→Mattheüs 3:8→
Ezechiël 14:7— Want ieder man uit het huis Israels, en uit den vreemdeling, die in Israel verkeert, die zich van achter Mij afscheidt, en zet zijn drekgoden op in zijn hart, en stelt den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht, en komt tot den profeet, om Mij door hem te vragen; Ik ben de HEERE, hem zal geantwoord worden door Mij;Exodus 20:10→Exodus 12:48→2 Koningen 8:8→Ezechiël 33:30→Leviticus 24:22→Hosea 4:14→Jeremia 38:14→Numeri 15:29→
Ezechiël 14:8— En Ik zal Mijn aangezicht tegen dienzelven man zetten, en zal hem stellen tot een teken en tot spreekwoorden, en zal hem uitroeien uit het midden Mijns volks; en gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE ben.Ezechiël 15:7→Ezechiël 5:15→Jeremia 44:11→Deuteronomium 28:37→Leviticus 17:10→Ezechiël 6:7→Jesaja 65:15→Jeremia 21:10→
Ezechiël 14:9— Als nu een profeet overreed zal zijn, en iets gesproken zal hebben, Ik, de HEERE, heb dienzelven profeet overreed, en Ik zal Mijn hand tegen hem uitstrekken, en zal hem verdelgen uit het midden van Mijn volk Israel.Jeremia 4:10→Ezechiël 20:25→Jesaja 10:4→Jesaja 63:16→Job 12:16→Psalmen 81:11→Jesaja 9:21→Ezechiël 16:27→
Ezechiël 14:10— En zij zullen hun ongerechtigheid dragen; gelijk de ongerechtigheid des vragers zal zijn; alzo zal zijn de ongerechtigheid des profeten;Openbaring 19:19→Micha 7:9→Genesis 4:13→Numeri 5:31→Deuteronomium 17:2→Deuteronomium 13:1→Ezechiël 14:4→Ezechiël 23:49→
Ezechiël 14:11— Opdat het huis Israels niet meer van achter Mij afdwale, en zij zich niet meer verontreinigen met al hun overtredingen; alsdan zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, spreekt de Heere HEERE.Ezechiël 37:23→Ezechiël 48:11→Ezechiël 44:10→Ezechiël 11:18→Ezechiël 44:15→Deuteronomium 13:11→Openbaring 21:7→Genesis 17:7→
Ezechiël 14:13— Mensenkind, als een land tegen Mij gezondigd zal hebben, zwaarlijk overtredende, zo zal Ik Mijn hand daartegen uitstrekken, en zal hetzelve den staf des broods breken, en een honger daarin zenden, dat Ik daaruit mensen en beesten uitroeie;Ezechiël 4:16→Leviticus 26:26→Ezechiël 5:16→Ezechiël 14:21→Ezechiël 14:19→Ezechiël 14:17→Jesaja 3:1→Ezechiël 15:8→
Ezechiël 14:14— Ofschoon deze drie mannen, Noach, Daniel en Job, in het midden deszelven waren, zij zouden door hun gerechtigheid alleen hun ziel bevrijden, spreekt de Heere HEERE.Ezechiël 28:3→Ezechiël 14:20→Jeremia 15:1→Job 1:5→Daniël 10:11→Genesis 6:8→Job 1:1→Genesis 7:1→
Ezechiël 14:15— Zo Ik het boos gedierte make door het land door te gaan, hetwelk dat van kinderen berove, zodat het woest worde, dat er niemand doorga, vanwege het gedierte;Ezechiël 5:17→Leviticus 26:22→2 Koningen 17:25→1 Koningen 20:36→Jeremia 15:3→
Ezechiël 14:16— Die drie mannen in het midden deszelven zijnde, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij zonen, en zo zij dochteren bevrijden zouden, zij zelven alleen zouden bevrijd worden, maar het land zou woest worden.Genesis 19:29→Genesis 18:23→Hebreeën 11:7→Jakobus 5:16→Ezechiël 18:20→Ezechiël 14:20→Job 22:20→Handelingen 27:24→
Ezechiël 14:17— Of als Ik het zwaard brenge over datzelve land, en zegge: Zwaard! ga door, door dat land, zodat Ik daarvan uitroeie mensen en beesten;Ezechiël 21:3→Leviticus 26:25→Ezechiël 5:12→Sefanja 1:3→Ezechiël 25:13→Ezechiël 14:13→Jeremia 47:6→Ezechiël 5:17→
Ezechiël 14:19— Of als Ik de pestilentie in datzelve land zende, en Mijn grimmigheid daarover met bloed uitgiete, om daarvan mensen en beesten uit te roeien;Ezechiël 38:22→Ezechiël 7:8→2 Samuël 24:15→Ezechiël 5:12→Jeremia 14:12→Psalmen 91:6→Numeri 14:12→Jeremia 24:10→
Ezechiël 14:20— Ofschoon Noach, Daniel en Job in het midden deszelven waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij een zoon, of zo zij een dochter zouden bevrijden, zij zouden alleen hun ziel door hun gerechtigheid bevrijden.Ezechiël 14:14→Job 5:19→1 Johannes 3:10→Hosea 10:12→1 Johannes 3:7→Psalmen 33:18→Jesaja 3:10→Ezechiël 14:16→
Ezechiël 14:21— Want alzo zegt de Heere HEERE: Hoeveel te meer als Ik mijn vier boze gerichten, het zwaard, en den honger, en het boze gedierte, en de pestilentie gezonden zal hebben tegen Jeruzalem, om daaruit mensen en beesten uit te roeien!Ezechiël 5:17→Ezechiël 33:27→Ezechiël 14:19→Ezechiël 14:17→Ezechiël 14:15→Ezechiël 14:13→Amos 4:6→Openbaring 6:4→
Ezechiël 14:22— Doch ziet, daarin zullen ontkomenen overblijven, die uitgevoerd zullen worden, zonen en dochteren; ziet, zij zullen tot ulieden uitkomen, en gij zult hun weg zien, en hun handelingen; en gij zult vertroost worden over het kwaad, dat Ik over Jeruzalem gebracht zal hebben, ja, al wat Ik zal gebracht hebben over haar.Ezechiël 20:43→Ezechiël 12:16→Jeremia 5:19→Jesaja 10:20→2 Kronieken 36:20→Jeremia 3:21→Ezechiël 16:63→Jeremia 52:27→
Ezechiël 14:23— Zo zullen zij u vertroosten, als gij hun weg en hun handelingen zien zult; en gij zult weten, dat Ik niet zonder oorzaak gedaan heb, al wat Ik in haar gedaan heb, spreekt de Heere HEERE.Jeremia 22:8→Nehemia 9:33→Romeinen 2:5→Daniël 9:14→Ezechiël 9:8→Spreuken 26:2→Deuteronomium 8:2→Openbaring 16:6→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Ezechiël 14 vers 1— Daarna kwamen tot mij mannen uit de oudsten van Israel, en zaten neder voor mijn aangezicht.
oudsten van Israël,
Dat is, regeerders en hoofden der gemeente, die in Chaldea woonden; zie Ex. 3:16 , en Lev. 4:15 .
Hertaald:oudsten van Israël,
Dat is: bestuurders en hoofden van de gemeente, die in Chaldea woonden; zie Ex. 3:16 en Lev. 4:15.
zaten neder voor mijn aangezicht
Te weten om door de profeet God raad te vragen van den toekomenden stand van zijn volk, zowel in Jeruzalem als daar in Chaldea; zie het volgende vs.3; vergelijk boven Ezech. 8:1 , en onder Ezech. 20:1 .
Hertaald:zaten neder voor mijn aangezicht
Namelijk om door de profeet God om raad te vragen over de toekomstige toestand van Zijn volk, zowel in Jeruzalem als daar in Chaldea; zie het volgende vers 3; vergelijk hierboven Ezech. 8:1 en hieronder Ezech. 20:1.
Ezechiël 14 vers 3— Mensenkind, deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben den aanstoot hunner ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan ernstiglijk van hen gevraagd?
opgezet,
Dat is, hebben zij in hun gemoed de hoogste plaats gegeven [gelijk zij ook buiten het hart op hoogten plegen opgericht te worden] zodat zij hen boven alle andere dingen, ja ook boven mij hoogachten en vereren; alzo in het volgende.
Hertaald:opgezet,
Dat is: zij hebben die in hun gemoed de hoogste plaats gegeven (zoals ze ook buiten het hart op hoogten opgericht plegen te worden), zodat zij die boven alle andere dingen, ja ook boven Mij hoogachten en vereren; zo ook in het vervolg.
den aanstoot
Versta, de afgoden. Want als zij dezen voor hunne aangezichten oprichtten tegen Gods bevel, zo zijn zij hun een oorzaak geweest van veelszins tegen God te zondigen en tot vele gruwelen te vervallen; alzo in het volgende. Idem alzo worden de afgoden een strik genaamd; Ex. 23:33 ; Deut. 7:16 ; Richt. 2:3 .
Hertaald:den aanstoot
Versta: de afgoden. Want toen zij die tegen Gods bevel in voor hun aangezicht oprichtten, zijn zij voor hen de oorzaak geworden om op allerlei manieren tegen God te zondigen en tot veel gruwelen te vervallen; zo ook in het vervolg. Om dezelfde reden worden de afgoden een strik genoemd; Ex. 23:33; Deut. 7:16; Richt. 2:3.
ernstiglijk van hen gevraagd?
Hebreeuws, gevraagd zijnde gevraagd; dat is, met ernst of oprecht. Hij wil zeggen: Neen. Dit kan tezamen niet bestaan, dat men de afgoden zou aanhangen, en evenwel de waren God om raad vragen. Anders: zou Ik enigszins van hen gevraagd worden? Dat is, Ik begeer van zulk een volk niet gevraagd te zijn. De Heere werd om raad gevraagd gewoonlijk door den hogepriester met den efod bekleed zijnde. Zie Num. 27:21 , en de aantekening. Richt. 1:1 , of door een profeet, 1 Sam. 23:2 , 1 Sam. 23:6 , en 1 Sam. 28:6 ; 2 Sam. 2:1 ; 2 Kron. 18:7 .
Hertaald:ernstiglijk van hen gevraagd?
Hebreeuws: gevraagd zijnde gevraagd; dat is: met ernst, of oprecht. Hij wil zeggen: nee. Deze twee gaan niet samen: dat men de afgoden aanhangt en toch de ware God om raad vraagt. Anders: zou Ik Mij door hen ook maar laten vragen? Dat is: Ik wil door zulk een volk niet gevraagd worden. De HEERE werd gewoonlijk om raad gevraagd door de hogepriester wanneer die met de efod bekleed was. Zie Num. 27:21 met de aantekening; Richt. 1:1. Of door een profeet; 1 Sam. 23:2, 1 Sam. 23:6 en 1 Sam. 28:6; 2 Sam. 2:1; 2 Kron. 18:7.
Ezechiël 14 vers 4— Daarom spreek met hen, en zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Een ieder man uit het huis Israels, die de drekgoden in zijn hart opzet, en den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht stelt, en komt tot den profeet, Ik, de HEERE zal hem, als hij komt, antwoorden naar de menigte zijner drekgoden;
Een ieder man
Hebreeuws, man, man; dat is, een ieder. Zie Lev. 15:2 ; alzo onder vs.7.
Hertaald:Een ieder man
Hebreeuws: man, man; dat is: ieder. Zie Lev. 15:2; zo ook hieronder vers 7.
Israëls,
Dat is, Juda. Zie boven Ezech. 6:2 . Versta, de Joden, die daar in Chaldea woonden.
Hertaald:Israëls,
Dat is: Juda. Zie hierboven Ezech. 6:2. Versta: de Joden die daar in Chaldea woonden.
komt tot den profeet,
Te weten om door hem God raad te vragen.
Hertaald:komt tot den profeet,
Namelijk om door hem God om raad te vragen.
zal hem,
Of, heb hem geantwoord.
Hertaald:zal hem,
Of: heb hem geantwoord.
als hij komt,
Anders: in dien [tijd].
Hertaald:als hij komt,
Anders: in die (tijd).
naar de menigte zijner drekgoden;
Dat is, Ik zal hen antwoorden, niet wat zij gaarne houden zouden, maar gelijk hun grote en menigerlei afgoderij verdiend heeft. Anders: van de menigte zijner drekgoden; dat is, Ik zal hen anders niet antwoorden, dan wat aangaat eensdeels de menigvuldigheid hunner afgoderij, anderdeels de straffen, die zij daardoor verdiend hebben.
Hertaald:naar de menigte zijner drekgoden;
Dat is: Ik zal hun antwoorden, niet wat zij graag zouden horen, maar zoals hun grote en veelsoortige afgoderij verdiend heeft. Anders: over de menigte van zijn drekgoden; dat is: Ik zal hun niets anders antwoorden dan enerzijds over de veelheid van hun afgoderij en anderzijds over de straffen die zij daarmee verdiend hebben.
Ezechiël 14 vers 5— Opdat Ik het huis Israels in hun hart grijpe, dewijl zij allen door hun drekgoden van Mij vervreemd zijn.
in hun hart grijpe,
Dat is, Ik zal hen zo antwoorden, dat Ik in het licht brengen zal wat in hun hart verborgen was. Want zij willen zich als godvruchtigen uitgeven, als zij komen om mij raad te vragen, maar Ik zal met mijne antwoorden ontdekken de goddeloosheid, die in hun hart schuilt.
Hertaald:in hun hart grijpe,
Dat is: Ik zal hun zo antwoorden dat Ik aan het licht breng wat in hun hart verborgen was. Want zij willen zich als godvruchtigen voordoen wanneer zij Mij om raad komen vragen, maar Ik zal met Mijn antwoorden de goddeloosheid blootleggen die in hun hart schuilt.
Ezechiël 14 vers 6— Daarom zeg tot het huis Israels: Alzo zegt de Heere HEERE: Bekeert u, en keert u af van uw drekgoden, en keert uw aangezichten af van al uw gruwelen.
aangezichten af
Versta onder dit woord ook de harten, zonder welker afkering de aangezichten kwalijk afgekeerd kunnen worden. Dit is het tegendeel van den aanstoot recht voor zijn aangezicht te stellen, boven vs.3.
Hertaald:aangezichten af
Versta onder dit woord ook de harten, want zonder dat die zich afkeren kunnen de aangezichten zich moeilijk afkeren. Dit is het tegendeel van het recht voor zijn aangezicht stellen van de aanstoot, hierboven vers 3.
al uw gruwelen
Dat is, niet alleen van uwe afgoderij en zonden, begaan tegen de eerste tafel, maar ook van al uwe schelmerijen, bedreven tegen de tweede tafel der wet.
Hertaald:al uw gruwelen
Dat is: niet alleen van uw afgoderij en van de zonden tegen de eerste tafel, maar ook van al uw schanddaden tegen de tweede tafel van de wet.
Ezechiël 14 vers 7— Want ieder man uit het huis Israels, en uit den vreemdeling, die in Israel verkeert, die zich van achter Mij afscheidt, en zet zijn drekgoden op in zijn hart, en stelt den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht, en komt tot den profeet, om Mij door hem te vragen; Ik ben de HEERE, hem zal geantwoord worden door Mij;
ieder man uit het huis Israëls,
Hebreeuws, man man, gelijk boven vs.4.
Hertaald:ieder man uit het huis Israëls,
Hebreeuws: man, man, zoals hierboven vers 4.
den vreemdeling,
Dat is, den Jodengenoot, die zodanig geworden was, òf te voren in Judea, òf daarna in Chaldea, hebbende aangenomen den godsdienst der Joden, met de onderhouding van zijne ceremoniën. Zie van zulke vreemdelingen Lev. 17:8 , en Lev. 25:35 .
Hertaald:den vreemdeling,
Dat is: de Jodengenoot, die dat geworden was, hetzij eerder in Judea, hetzij daarna in Chaldea, doordat hij de godsdienst van de Joden met de onderhouding van hun ceremoniën had aangenomen. Zie over zulke vreemdelingen Lev. 17:8 en Lev. 25:35.
stelt den aanstoot
Zie boven vs.4.
Hertaald:stelt den aanstoot
Zie hierboven vers 4.
om Mij door hem te vragen;
Anders: om aan, of van hem mij aangaande te vragen.
Hertaald:om Mij door hem te vragen;
Anders: om aan hem, of van hem, over Mij te vragen.
door Mij;
Dat is, niet alleen door den profeet, dien hij vraagt, maar door of van mijzelven, die hem antwoorden zal, niet zozeer met woorden als met slagen en straffen, gelijk de volgende woorden uitwijzen.
Hertaald:door Mij;
Dat is: niet alleen door de profeet die hij vraagt, maar door of van Mijzelf, Die hem antwoorden zal — niet zozeer met woorden als wel met slagen en straffen, zoals de volgende woorden aangeven.
Ezechiël 14 vers 8— En Ik zal Mijn aangezicht tegen dienzelven man zetten, en zal hem stellen tot een teken en tot spreekwoorden, en zal hem uitroeien uit het midden Mijns volks; en gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE ben.
zal Mijn aangezicht
Zie Lev. 17:10 .
Hertaald:zal Mijn aangezicht
Zie Lev. 17:10.
een teken
Te weten van mijn rechtvaardige wraak tegen de huichelaars. Want Ik zal met die in het straffen zo vreeslijk en zeldzaam omgaan, dat een ieder daarover verschrikt zal zijn als over een openbaar teken mijner wraak, een ieder door mij voorgesteld tot zijne waarschuwing. Vergelijk Deut. 28:46 . Anders: zal hem verwoesten tot een teken; dat is, dat hij tot een teken zij, enz.
Hertaald:een teken
Namelijk van Mijn rechtvaardige wraak tegen de huichelaars. Want Ik zal met hen bij het straffen zo verschrikkelijk en zo ongewoon handelen, dat ieder daarover zal ontstellen als over een openbaar teken van Mijn wraak, dat Ik ieder tot waarschuwing voorhoud. Vergelijk Deut. 28:46. Anders: zal hem verwoesten tot een teken, dat is: zodat hij tot een teken zij, enzovoort.
tot spreekwoorden,
Zie Deut. 28:37 ; Job 17:6 ; zie ook 1 Kon. 9:7-8 ; 2 Kron. 7:20-21 ; Ps. 44:14-15 , en Ps. 69:12 ; Jer. 24:9 ; Hab. 2:6 .
Hertaald:tot spreekwoorden,
Zie Deut. 28:37; Job 17:6; zie ook 1 Kon. 9:7-8; 2 Kron. 7:20-21; Ps. 44:14-15 en Ps. 69:12; Jer. 24:9; Hab. 2:6.
uitroeien
Zie Lev. 20:3 .
Hertaald:uitroeien
Zie Lev. 20:3.
Ezechiël 14 vers 9— Als nu een profeet overreed zal zijn, en iets gesproken zal hebben, Ik, de HEERE, heb dienzelven profeet overreed, en Ik zal Mijn hand tegen hem uitstrekken, en zal hem verdelgen uit het midden van Mijn volk Israel.
overreed zal zijn,
Te weten van de huichelaars, die hun raad vragen en begeren dat hun wat goeds geprofeteerd worde. Zie van het Hebreeuwse woord Richt. 14:15 .
Hertaald:overreed zal zijn,
Namelijk door de huichelaars, die hem om raad vragen en verlangen dat hun iets goeds geprofeteerd wordt. Zie over het Hebreeuwse woord Richt. 14:15.
iets gesproken zal hebben,
Te weten dat de vrager gaarne hoort, maar vals is.
Hertaald:iets gesproken zal hebben,
Namelijk iets wat de vrager graag hoort maar wat onwaar is.
overreed,
Te weten niet met den profeet enig kwaad in te geven, maar met de huichelarij des vragers door den profeten lichtvaardigheid en gierigheid, die van den profeet en den satan komen, rechtvaardiglijk te straffen; vergelijk 2 Sam. 11:12 ; 1 Kon. 12:15 en 1 Kon. 22:22 ; Jer. 4:10 met de aantekening; idem 2 Thess. 2:11-12 .
Hertaald:overreed,
Namelijk niet doordat Hij de profeet iets kwaads ingeeft, maar doordat Hij de huichelarij van de vrager rechtvaardig straft door middel van de lichtzinnigheid en hebzucht van de profeet, die van de profeet zelf en van de satan komen; vergelijk 2 Sam. 11:12; 1 Kon. 12:15 en 1 Kon. 22:22; Jer. 4:10 met de aantekening; eveneens 2 Thess. 2:11-12.
Mijn hand
Te weten tegen dien profeet, om hem te straffen; alzo Ex. 7:5 , Jes. 5:25 ; Jer. 15:6 ; onder vs.13 en Ezech. 25:7 , enz.
Hertaald:Mijn hand
Namelijk tegen die profeet, om hem te straffen; zo ook Ex. 7:5; Jes. 5:25; Jer. 15:6; hieronder vers 13 en Ezech. 25:7, enzovoort.
Ezechiël 14 vers 10— En zij zullen hun ongerechtigheid dragen; gelijk de ongerechtigheid des vragers zal zijn; alzo zal zijn de ongerechtigheid des profeten;
hun ongerechtigheid dragen;
Het Hebreeuwse woord betekent hier de straf, die door de ongerechtigheid en misdaad verdiend is. Zie Lev. 5:1 .
Hertaald:hun ongerechtigheid dragen;
Het Hebreeuwse woord betekent hier de straf die door de ongerechtigheid en de misdaad verdiend is. Zie Lev. 5:1.
Ezechiël 14 vers 11— Opdat het huis Israels niet meer van achter Mij afdwale, en zij zich niet meer verontreinigen met al hun overtredingen; alsdan zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, spreekt de Heere HEERE.
overtredingen;
Welke meermalen onreinheden in de Heilige Schrift genoemd worden, gelijk Ezra 9:11 , onder Ezech. 24:13 , en Ezech. 36:17 , en Ezech. 39:24 ; 1 Thess. 4:7 ; Jak. 1:21 .
Hertaald:overtredingen;
Die in de Heilige Schrift vaker onreinheden genoemd worden, zoals Ezra 9:11, hieronder Ezech. 24:13, Ezech. 36:17 en Ezech. 39:24; 1 Thess. 4:7; Jak. 1:21.
tot een volk zijn,
Zie Lev. 26:12 .
Hertaald:tot een volk zijn,
Zie Lev. 26:12.
tot een God zijn,
Zie Gen. 17:7 .
Hertaald:tot een God zijn,
Zie Gen. 17:7.
Ezechiël 14 vers 13— Mensenkind, als een land tegen Mij gezondigd zal hebben, zwaarlijk overtredende, zo zal Ik Mijn hand daartegen uitstrekken, en zal hetzelve den staf des broods breken, en een honger daarin zenden, dat Ik daaruit mensen en beesten uitroeie;
zwaarlijk overtredende,
Hebreeuws, overtreding overtredende; dat is overtreding begaande.
Hertaald:zwaarlijk overtredende,
Hebreeuws: overtreding overtredende; dat is: overtreding begaande.
den staf des broods breken,
Zie Lev. 26:26 .
Hertaald:den staf des broods breken,
Zie Lev. 26:26.
Ezechiël 14 vers 14— Ofschoon deze drie mannen, Noach, Daniel en Job, in het midden deszelven waren, zij zouden door hun gerechtigheid alleen hun ziel bevrijden, spreekt de Heere HEERE.
Noach, Daniël en Job,
Hij noemt deze drie personen, omdat zij Hem onder anderen aangenaam geweest waren en grote weldaden van Hem ontvangen hadden. Vergelijk Jer. 15:1 .
Hertaald:Noach, Daniël en Job,
Hij noemt deze drie personen omdat zij Hem meer dan anderen aangenaam geweest waren en grote weldaden van Hem ontvangen hadden. Vergelijk Jer. 15:1.
hun gerechtigheid
Te weten aangezien en gewaardeerd in den Middelaar Christus, wiens volmaakte gerechtigheid de onvolmaaktheid, die in aller vromen gerechtigheid is, wegneemt of toedekt, zodat zij met zegening uit genade beloond wordt.
Hertaald:hun gerechtigheid
Namelijk zoals die aangezien en gewaardeerd wordt in de Middelaar Christus, Wiens volmaakte gerechtigheid de onvolmaaktheid wegneemt of bedekt die in de gerechtigheid van alle vromen zit, zodat zij uit genade met zegen beloond wordt.
alleen
Dat dit woord hier ingevoegd moet zijn, is af te nemen uit vs.16, 18.
Hertaald:alleen
Dat dit woord hier ingevoegd moet worden, blijkt uit vers 16 en 18.
ziel bevrijden,
Dat is hun leven uit het algemeen verderf des lands vrijhouden.
Hertaald:ziel bevrijden,
Dat is: hun leven vrijwaren van het algemene verderf van het land.
Ezechiël 14 vers 15— Zo Ik het boos gedierte make door het land door te gaan, hetwelk dat van kinderen berove, zodat het woest worde, dat er niemand doorga, vanwege het gedierte;
het boos gedierte
Deze plaag wordt het zondige volk gedreigd, Lev. 26:22 , boven Ezech. 5:17 , en dadelijk toegezonden; 2 Kon. 17:25 .
Hertaald:het boos gedierte
Deze plaag wordt het zondige volk gedreigd in Lev. 26:22 en hierboven Ezech. 5:17, en werkelijk toegezonden in 2 Kon. 17:25.
dat er niemand doorga,
Hebreeuws, zonder doorganger.
Hertaald:dat er niemand doorga,
Hebreeuws: zonder doorganger.
Ezechiël 14 vers 16— Die drie mannen in het midden deszelven zijnde, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij zonen, en zo zij dochteren bevrijden zouden, zij zelven alleen zouden bevrijd worden, maar het land zou woest worden.
bevrijden zouden,
Versta, dat zij hen niet redden zouden; gelijk de volgende woorden uitwijzen; en vergelijk vs.18.
Hertaald:bevrijden zouden,
Versta: dat zij hen niet zouden redden, zoals de volgende woorden aangeven; en vergelijk vers 18.
zij zelven alleen
Hier wordt gesproken van een onwederroepelijk vonnis Gods over de gruwelijke hardnekkigheid en ondankbaarheid van het volk, en dat naar zijn rechtvaardig oordeel; zie onder vs.23.
Hertaald:zij zelven alleen
Hier wordt gesproken van een onherroepelijk vonnis van God over de gruwelijke hardnekkigheid en ondankbaarheid van het volk, en dat naar Zijn rechtvaardig oordeel; zie hieronder vers 23.
Ezechiël 14 vers 17— Of als Ik het zwaard brenge over datzelve land, en zegge: Zwaard! ga door, door dat land, zodat Ik daarvan uitroeie mensen en beesten;
het zwaard brenge
Dat is, de oorlog; zie Lev. 26:6 .
Hertaald:het zwaard brenge
Dat is: de oorlog; zie Lev. 26:6.
Zwaard, ga door,
God spreekt de levenloze en onvernuftige schepselen toe alsof zij leefden en verstand hadden, om te tonen zijne almogendheid en de heerschappij, die Hij over alle dingen heeft, en dat er niets geschiedt in enige dingen, hoe groot of klein zij mogen zijn, bij geval, maar alles door zijn alomtegenwoordige voorzienigheid; vergelijk Deut. 4:26 .
Hertaald:Zwaard, ga door,
God spreekt de levenloze en redeloze schepselen aan alsof zij leefden en verstand hadden, om Zijn almacht te tonen en de heerschappij die Hij over alle dingen heeft, en om te laten zien dat er in geen enkel ding, hoe groot of klein ook, iets bij toeval gebeurt, maar alles door Zijn alomtegenwoordige voorzienigheid; vergelijk Deut. 4:26.
Ezechiël 14 vers 19— Of als Ik de pestilentie in datzelve land zende, en Mijn grimmigheid daarover met bloed uitgiete, om daarvan mensen en beesten uit te roeien;
met bloed
Dat is, met het doden en ombrengen van vele mensen en beesten. Want bloed wordt voor doding, doodslag, moord dikwijls genomen; zie Gen. 37:26 . Zie van de slachting, die God door zijnen engel gedaan heeft, 2 Sam. 24:15-16 .
Hertaald:met bloed
Dat is: met het doden en ombrengen van veel mensen en dieren. Want bloed wordt vaak gebruikt voor doding, doodslag en moord; zie Gen. 37:26. Zie over de slachting die God door Zijn engel liet aanrichten 2 Sam. 24:15-16.
uitgiete,
Zie boven Ezech. 7:8 .
Hertaald:uitgiete,
Zie hierboven Ezech. 7:8.
Ezechiël 14 vers 20— Ofschoon Noach, Daniel en Job in het midden deszelven waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij een zoon, of zo zij een dochter zouden bevrijden, zij zouden alleen hun ziel door hun gerechtigheid bevrijden.
zouden bevrijden,
Hij wil zeggen: Neen zij; zie boven vs.16.
Hertaald:zouden bevrijden,
Hij wil zeggen: nee, dat zouden zij niet; zie hierboven vers 16.
door hun gerechtigheid bevrijden
Zie boven vs.14.
Hertaald:door hun gerechtigheid bevrijden
Zie hierboven vers 14.
Ezechiël 14 vers 21— Want alzo zegt de Heere HEERE: Hoeveel te meer als Ik mijn vier boze gerichten, het zwaard, en den honger, en het boze gedierte, en de pestilentie gezonden zal hebben tegen Jeruzalem, om daaruit mensen en beesten uit te roeien!
Hoeveel te meer
De zin is: Indien de voorgenoemde mannen in het leven zijnde, als Ik een land maar met ene plaag straf, zichzelven alleen van de straf zouden kunnen vrijhouden, hoeveel te meer zouden zij voor zichzelven alleen dat kunnen doen, als God vier plagen over Jeruzalem tevens zenden zou. Anders: hoeveel temin, te weten zouden zij het volk kunnen bevrijden, wanneer God vier plagen over hen zendt.
Hertaald:Hoeveel te meer
De betekenis is: als de genoemde mannen, indien zij nog leefden, wanneer Ik een land met slechts één plaag straf alleen zichzelf van die straf zouden kunnen vrijwaren, hoeveel te meer zouden zij dat dan alleen voor zichzelf kunnen doen wanneer God vier plagen tegelijk over Jeruzalem zou zenden. Anders: hoeveel te minder, namelijk zouden zij het volk kunnen redden wanneer God vier plagen over hen zendt.
boze gerichten,
Of, oordelen; dat is, straffen of plagen; zie Ex. 6:5 , en Ex. 7:4 , en de aantekening; vergelijk 2 Kron. 20:12 . Boos of kwaad worden zij genaamd, omdat zij den mens zwaar, pijnlijk en zeer schadelijk vallen; zie ook van vier soorten der plagen, genaamd geslachten, hoewel van deze ten dele onderscheiden, Jer. 15:3 .
Hertaald:boze gerichten,
Of: oordelen; dat is: straffen of plagen; zie Ex. 6:5 en Ex. 7:4 met de aantekening; vergelijk 2 Kron. 20:12. Zij worden boos of kwaad genoemd omdat zij de mens zwaar, pijnlijk en zeer schadelijk vallen. Zie ook over vier soorten plagen, daar geslachten genoemd, hoewel deels van deze onderscheiden, Jer. 15:3.
Ezechiël 14 vers 22— Doch ziet, daarin zullen ontkomenen overblijven, die uitgevoerd zullen worden, zonen en dochteren; ziet, zij zullen tot ulieden uitkomen, en gij zult hun weg zien, en hun handelingen; en gij zult vertroost worden over het kwaad, dat Ik over Jeruzalem gebracht zal hebben, ja, al wat Ik zal gebracht hebben over haar.
daarin zullen
Dat is, in Jeruzalem.
Hertaald:daarin zullen
Dat is: in Jeruzalem.
ontkomenen overblijven,
Hebreeuws, ene ontkoming; dat is, die het verderf van de vier voorgemelde plagen ontkomen zullen. Ontkoming, voor ontkomenen, gelijk 2 Kon. 19:30 ; 1 Kron. 4:43 ; alzo het overblijfsel voor overgeblevenen, 2 Kron. 36:20 ; gevangenis voor gevangenen, Num. 31:12 .
Hertaald:ontkomenen overblijven,
Hebreeuws: een ontkoming; dat is: zij die aan het verderf van de vier genoemde plagen zullen ontkomen. Ontkoming staat hier voor ontkomenen, zoals 2 Kon. 19:30; 1 Kron. 4:43; zo staat ook het overblijfsel voor de overgeblevenen, 2 Kron. 36:20, en gevangenschap voor gevangenen, Num. 31:12.
ulieden
Die hier in Chaldea woont.
Hertaald:ulieden
U die hier in Chaldea woont.
uitkomen,
Te weten uit Jeruzalem en Judea, herwaarts naar Babel gevankelijk gevoerd zijnde.
Hertaald:uitkomen,
Namelijk uit Jeruzalem en Judea, gevankelijk hierheen naar Babel gevoerd.
weg zien,
Dat is, manier van doen, zeden, leven en wandel; waaruit gij zult kunnen bemerken wat het voor een volk is, namelijk, gans verkeerd en verdorven.
Hertaald:weg zien,
Dat is: hun manier van doen, hun zeden, leven en wandel, waaruit u zult kunnen opmaken wat voor een volk het is, namelijk volkomen verkeerd en verdorven.
vertroost worden over het kwaad,
Te weten niet met woorden, die gij van hen horen zult, maar met de ellende, boosheid en smaadheid, die gij aanzien zult. Want gij zult daaruit bemerken dat God meer dan reden heeft gehad, om hen aldus te straffen, zodat gij u over zijne oordelen tevreden zult houden.
Hertaald:vertroost worden over het kwaad,
Namelijk niet door de woorden die u van hen zult horen, maar door de ellende, de boosheid en de schande die u zult aanzien. Want daaruit zult u merken dat God meer dan reden had om hen zo te straffen, zodat u zich met Zijn oordelen tevreden zult stellen.
Ezechiël 14 vers 23— Zo zullen zij u vertroosten, als gij hun weg en hun handelingen zien zult; en gij zult weten, dat Ik niet zonder oorzaak gedaan heb, al wat Ik in haar gedaan heb, spreekt de Heere HEERE.
in haar gedaan heb,
Of, aan, met, of tegen haar, te weten Jeruzalem.
Hertaald:in haar gedaan heb,
Of: aan, met of tegen haar, namelijk Jeruzalem.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Daniël — God is mijn rechter
Hier door Ezechiël, samen met Noach en Job, genoemd als voorbeeld van een rechtvaardig man wiens gerechtigheid alleen zijn eigen ziel zou kunnen redden (Ez. 14:14, 20); dezelfde Daniël wiens leven en profetieën in het gelijknamige bijbelboek beschreven worden.
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Drekgoden in het hart — mannen komen om raad vragen terwijl zij de afgoden van binnen hebben opgesteld (Ezech. 14:1-5)
Er komen oudsten van Israël bij de profeet zitten (Ezech. 14:1). Dan zegt God: "deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben den aanstoot hunner ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan ernstiglijk van hen gevraagd?" (Ezech. 14:3). Er volgt geen weigering maar iets anders: God zal hun antwoorden "naar de menigte zijner drekgoden", en er staat bij waarom: "Opdat Ik het huis Israels in hun hart grijpe, dewijl zij allen door hun drekgoden van Mij vervreemd zijn" (Ezech. 14:4-5).
Bijbelse betekenis: Merk op waar de afgoden staan. Niet op de hoogten en niet in de tempel, maar in het hart, en de tekst zegt dat men ze daar heeft opgezet — het is een daad en geen ongeluk. Wie zo komt vragen, brengt zijn afgoden mee de spreekkamer in. Let vervolgens op de vraag in Ezech. 14:3. God vraagt of Hij zich zó laat raadplegen. Het gaat niet om de vorm van het vragen maar om wat er ondertussen op de troon zit. Dat is dezelfde zaak als bij Jeremia, waar men vroeg terwijl het besluit al vaststond (reeds behandeld bij Jer. 42:20). Let ten slotte op het doel dat God noemt: opdat Ik hen in hun hart grijpe. Zelfs het antwoord op zo'n vraag dient nog om hen bij de kern te pakken.
Typologie: Johannes sluit zijn brief met de korte waarschuwing dat men zich van de afgoden bewaart (reeds behandeld bij 1 Joh. 5:21). En Paulus noemt de hebzucht afgodendienst, dus iets wat in het hart kan staan zonder beeld (Kol. 3:5).
Ezech. 14:1-5; Jer. 42:20; 1 Joh. 5:21; Kol. 3:5
Noach, Daniël en Job — drie rechtvaardigen die alleen zichzelf zouden bevrijden (Ezech. 14:12-20)
Viermaal wordt hetzelfde geval doorgenomen: als een land zwaar zondigt en God er honger, wilde dieren, het zwaard of de pest overheen laat gaan, dan geldt: "Ofschoon deze drie mannen, Noach, Daniel en Job, in het midden deszelven waren, zij zouden door hun gerechtigheid alleen hun ziel bevrijden" (Ezech. 14:14). En scherper nog: zij zouden zelfs geen zoon of dochter kunnen bevrijden (Ezech. 14:20).
Bijbelse betekenis: Merk op welke drie namen genoemd worden. Alle drie zijn zij mannen die in een groot oordeel staande bleven: Noach in de vloed, Job in zijn beproeving, en Daniël aan het hof van Babel — hij leefde in Ezechiëls eigen dagen en was toen al bekend. Let vervolgens op wat er van hen gezegd wordt. Zij zouden hun eigen ziel bevrijden, meer niet. De gerechtigheid van een mens strekt niet verder dan hijzelf; niemand kan er een ander mee dekken, ook zijn kind niet. Let ten slotte op wat dit gedeelte bedoelt te weerleggen. Men rekende erop dat de stad om enkele vromen gespaard zou blijven; dat was bij Sodom immers bedongen (reeds behandeld bij Gen. 18:32). Hier zegt God dat die tijd voorbij is — en juist daarmee wordt de weg vrijgemaakt voor wat het Nieuwe Testament belijdt: dat er Eén moest komen Wiens gerechtigheid wél voor anderen geldt.
Typologie: Paulus zegt dat door de gehoorzaamheid van Eén velen tot rechtvaardigen gesteld worden (reeds behandeld bij Rom. 5:19). Wat Noach, Daniël en Job niet konden, is in Christus gegeven.
Ezechiël 14:20.KruisverwijzingenEzechiël 14:14→Job 5:19→1 Johannes 3:10→Hosea 10:12→1 Johannes 3:7→Psalmen 33:18→Jesaja 3:10→Ezechiël 14:16→ — Ofschoon Noach, Daniel en Job in het midden deszelven waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij een zoon, of zo zij een dochter zouden bevrijden, zij zouden alleen hun ziel door hun gerechtigheid bevrijden. “Ofschoon Noach, Daniel en Job in het midden deszelven waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij een zoon, of zo zij een dochter zouden bevrijden, zij zouden alleen hun ziel door hun gerechtigheid bevrijden.”
In het eerste vers van dit hoofdstuk wordt ons verteld dat zekere oudsten van Israël tot de profeet kwamen en voor hem gingen zitten. Wij hoeven niet te vragen wie die oudsten waren of waar zij vandaan kwamen. Het is duidelijk genoeg dat zij geen afvaardiging waren van de Joden die in Juda en Jeruzalem achtergebleven waren; het waren mannen van aanzien uit de ballingen aan de Chebar.
Dat zij kwamen om de profeet van de HEERE te raadplegen, leiden wij af uit het antwoord dat door het woord van de HEERE tot hen kwam. En uit de inhoud van de verschrikkelijke aanklachten die uitgesproken werden, mogen wij ook iets afleiden over de manier waarop zij hun vraag stelden. Het waren regelrechte huichelaars, aanhangers van de valse profeten die in het vorige hoofdstuk ontmaskerd worden. Die zagen ijdelheid en waarzeggerij, en zeiden er dan bij: spreekt de Heere HEERE, terwijl de HEERE hen niet gezonden had.
Nu komen deze oudsten dan bij de ware profeet van de HEERE. En nog voordat zij hun boodschap kunnen uitspreken, houdt het woord van de HEERE hun een levensecht portret van hun eigen karakter voor: “deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben den aanstoot hunner ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan ernstiglijk van hen gevraagd?” Dat mensen die in hun hart afgodendienaars waren de levende God om raad vroegen, alsof zij Zijn wil wilden weten terwijl zij Zijn wet trotseerden, was een uiterst beledigende spotternij.
De gedachte die in hun binnenste genesteld lijkt te hebben en die hun bezoek ingaf, was deze. Ezechiël heeft de goddeloosheid van het land en van zijn inwoners aan het licht gebracht. Maar zou het toch niet met de barmhartigheid van de HEERE kunnen stroken om de stad te sparen? Zoals Hij Sodom gespaard zou hebben op de voorbede van Abraham, om de weinige rechtvaardigen die er nog waren?
Het antwoord was natuurlijk een nadrukkelijk nee. De vier oordelen die de verwoesting zouden aanrichten staan naast de betuiging die telkens opnieuw herhaald wordt, naar het ons voorkomt elke keer met groter nadruk: “Ofschoon Noach, Daniel en Job in het midden deszelven waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij een zoon, of zo zij een dochter zouden bevrijden, zij zouden alleen hun ziel door hun gerechtigheid bevrijden.”
I. Vs. 1-23.KruisverwijzingenEzechiël 8:1→Ezechiël 7:19→Ezechiël 15:7→Ezechiël 5:15→Ezechiël 20:1→Ezechiël 14:7→Ezechiël 20:3→Jesaja 1:15→ — Daarna kwamen tot mij mannen uit de oudsten van Israel, en zaten neder voor mijn aangezicht. Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: Mensenkind, deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben den aanstoot hunner ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan ernstiglijk van hen gevraagd? Daarom spreek met hen, en zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Een ieder man uit het huis Israels, die de drekgoden in zijn hart opzet, en den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht stelt, en komt tot den profeet, Ik, de HEERE zal hem, als hij komt, antwoorden naar de menigte zijner drekgoden; Opdat Ik het huis Israels in hun hart grijpe, dewijl zij allen door hun drekgoden van Mij vervreemd zijn. Daarom zeg tot het huis Israels: Alzo zegt de Heere HEERE: Bekeert u, en keert u af van uw drekgoden, en keert uw aangezichten af van al uw gruwelen. Want ieder man uit het huis Israels, en uit den vreemdeling, die in Israel verkeert, die zich van achter Mij afscheidt, en zet zijn drekgoden op in zijn hart, en stelt den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht, en komt tot den profeet, om Mij door hem te vragen; Ik ben de HEERE, hem zal geantwoord worden door Mij; En Ik zal Mijn aangezicht tegen dienzelven man zetten, en zal hem stellen tot een teken en tot spreekwoorden, en zal hem uitroeien uit het midden Mijns volks; en gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE ben. Als nu een profeet overreed zal zijn, en iets gesproken zal hebben, Ik, de HEERE, heb dienzelven profeet overreed, en Ik zal Mijn hand tegen hem uitstrekken, en zal hem verdelgen uit het midden van Mijn volk Israel. En zij zullen hun ongerechtigheid dragen; gelijk de ongerechtigheid des vragers zal zijn; alzo zal zijn de ongerechtigheid des profeten; Ene vierde reeks van voorzeggingen heeft daarin hare aanleiding, dat ene deputatie van de oudsten van Israël tot Ezechiël komt met velerlei vragen op het hart, en allerlei bedenkingen omtrent den door hem verkondigden ondergang der heilige stad en des tempels. De Heere, die spoedig daarop door den Profeet tot hen spreekt, laat hen niet eerst aan het woord komen om hun vragen en bedenkingen uit te spreken, maar komt hen voor met ontdekking van den toestand hunner harten, en met de aankondiging, dat over de zaak, over welke zij willen onderhandelen, gans niet meer moet gevraagd worden (vs. 1-8). Daarop worden twee bedenkingen, welke men daartegen had weggenomen, de ene, dat er toch Profeten genoeg waren, die het goede profeteerden (vs. 9-11), en de tweede, dat toch de rechtvaardigen niet met de goddelozen konden verdelgd worden, maar integendeel om der rechtvaardigen wil, ene verschoning ook voor de goddelozen zou moeten plaats hebben (vs. 12-23).
KruisverwijzingenEzechiël 8:1→Ezechiël 20:1→Ezechiël 33:31→Jesaja 29:13→2 Koningen 6:32→Handelingen 4:8→Handelingen 4:5→Lukas 10:39→— Daarna kwamen tot mij mannen uit de oudsten van Israel, en zaten neder voor mijn aangezicht.
Daarna, na verloop van 11 maanden en 5 dagen, die tussen den in Hoofdst. 8:1 en den in 20:1 genoemden tijd voorbij gingen, kwamen tot mij mannen uit de oudsten van Israël, en zaten neer voor mijn aangezicht, als wilden zij door mij den Heere vragen (Hoofdst. 20:1).
Kruisverwijzingen1 Koningen 14:4→Amos 3:7→— Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
Toen, nog voordat zij hun wens hadden uitgesproken, geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
KruisverwijzingenEzechiël 7:19→Ezechiël 14:7→Ezechiël 20:3→Jesaja 1:15→Ezechiël 20:31→Ezechiël 44:12→Sefanja 1:3→Ezechiël 14:4→— Mensenkind, deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben den aanstoot hunner ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan ernstiglijk van hen gevraagd?
Mensenkind! deze mannen met allen wier vertegenwoordigers zij zijn, hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben den aanstoot hunner ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; 1) zij plegen openlijk en zonder enige bedenking hunner afgoderij; word Ik dan ernstelijk van hen, die zulk een hart tegen Mij hebben, gevraagd?2)
Op de gevangenen aan de wateren van den Chebar heeft de werkzaamheid van Ezechiël nu reeds indruk gemaakt; men erkent in hem enen Profeet des Heeren, ten minste van de zijde dergenen, die nog enigzins op godsvrucht gesteld zijn; men zou zich gaarne met hem verstaan, en niet zonder zijne toestemming zich aan het streven en verwachten overgeven, zo als dat toen bij het volk in Babylon, zowel als bij dat te Jeruzalem, algemeen was. Zo als het schijnt, zijn wij nu reeds in het 7de jaar sedert Jojachin’s wegvoering, hoewel nog in de eerste maanden van dit jaar. De afval van koning Zedekia van den koning te Babel (2 Kon. 24:20), die na 2 jaren tot rijpheid kwam, werd nu reeds geplant, en wat volgens de openbare mening een gunstig gevolg beloofde, alsof het zeker was, overlegd en besproken. Wat men zich ten gunste zijner bedoelingen was maakte, blijkt uit hetgeen de Profeet later in 5 onderdelen van onze afdeling in den naam des Heeren bestraft. Nu hebben de oudsten aan de wateren van Chebar, die het reeds hebben erkend, dat er een Profeet onder hen was (Hoofdst. 2:5), hier in deze mannen een deputatie naar Ezechiël gezonden, om de gronden, die zij voor hun politiek konden aanvoeren, hem ter beproeving voor te leggen, of die niet door het geloof in God en door vertrouwen op de Goddelijke belofte den volke aan de hand worden gegeven, in plaats dat zij, zo als hij zich tot hiertoe had geuit, door ongeloof en goddeloosheid zouden zijn ingegeven. Deze afgezanten der oudsten vertegenwoordigen alzo zeker uitwendig godvruchtige lieden, evenwel zijn zij inwendig niet met den Geest vervuld, maar met den wereld- en tijdgeest. Dat moet hen tot bewustzijn worden gebracht, en juist daarom worden de gedachten hunner harten bestraft en geoordeeld, ook zonder dat zij die hebben uitgesproken, en alsdan kunnen zij aanstonds opmerken, dat zij met Hem, die door des Profeten mond tot hen spreekt, met den Kenner des harten te doen hebben (vgl. 1 Kon. 14:6 vv.). Vooreerst is het reeds de bedoeling op zich zelf, waarmee zij zijn gekomen, welke de met Gods Geest vervulde Profeet hun openbaart, nog voordat zij daarover iets hebben laten horen. Zij hebben zich alleen voor hem nedergezet, en dat kon ook geschied zijn, even als in Hoofdst. 8:1 #Eze 1 door de daar genoemde oudsten, om hem te zien en te beschouwen, of te horen welk woord des Heeren hij zou hebben te verkondigen; ja het nederzitten aan de voeten van enen leraar gaf veelmeer te kennen leergierigheid, dan lust om te vragen. Maar neen, zij zijn gekomen om in hem den Heere te vragen. Dat wordt hun voor alles voorgehouden, en nu grijpt tevens het aan Ezechiël voor hen opgedragen woord in hun harten, en schildert hun den toestand van deze als zodanig, dat op het hoofdpunt van hun vraag, of het dan werkelijk moest komen tot verwoesting van Jeruzalem en tot den ondergang van het rijk, en of er geen troostvoller en beter uitzicht voor de toekomst was te verkrijgen, de Heere hun geen antwoord doen zal, dan door de daad. Hij heeft juist in deze mensen een nog onbekeerd afgodisch gezind volk voor zich, en over de toekomst daarvan is in ‘t geheel niet meer te vragen, het gericht staat er reeds voor vast. Zij, die gekomen zijn met het doel om te vragen, worden hier (vs. 3) geschilderd als de zodanigen, die wel niet juist meer in grove afgoderij zijn verstrikt, maar toch gaat de begeerte des harten nog steeds van den waren God af tot de valse goden, en hun ogen zien naar den vorigen afgodendienst terug, even als eens het verlangen van Israël in de woestijn rugwaarts ging naar de vleespotten van Egypte. Zij zijn dus nog lang niet dezulken, van welke de Heere zou kunnen zeggen: “zij zijn Mijn volk, daarom wil Ik hun God zijn. Ik zal, gelijk Ik Mij door het hogepriesterlijke licht en recht daartoe heb verbonden (Ex. 28:30), op hun vragen, aan Mij gedaan, antwoorden; integendeel staan zij nog buiten de verbondsbetrekking met Hem, en nog in gemeenschap des harten met de vreemde goden, zodat zij ook als aan zich zelven overgelatene Heidenen moeten behandeld worden.
Beter: Zal Ik Mij van hen wel laten ondervragen? De Heere wil daarmee zeggen dat Hij Zich niet zal laten zoeken en vinden van hen, die de afgoden dienen en Hem hebben verlaten. De Heere God vraagt een onverdeeld hart. Hij laat Zich vinden door hen, die naar Hem vragen met hun ganse hart.
KruisverwijzingenJesaja 66:4→Jesaja 3:11→Ezechiël 14:7→Ezechiël 3:17→2 Koningen 1:16→Ezechiël 2:7→1 Koningen 21:20→Ezechiël 3:4→— Daarom spreek met hen, en zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Een ieder man uit het huis Israels, die de drekgoden in zijn hart opzet, en den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht stelt, en komt tot den profeet, Ik, de HEERE zal hem, als hij komt, antwoorden naar de menigte zijner drekgoden;
Daarom spreek met hen, en zag tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Een ieder man uit het huis Israëls, die de drekgoden in zijn hart opzet, en den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht stelt, die inwendig nog in ‘t geheel niet los is van zijne neiging tot afgodendienst, endaarbij toch komt tot den Profeet, alsof hij in het recht Mijner verbondsbetrekking tot Mij stond, zodat hij Mij vrij en ongehinderd zou mogen vragen, Ik, de HEERE, zal hem, als hij komt, antwoorden naar de menigte zijner drekgoden, 1) die hij nog in zijn hart draagt en met zijn hart omhelst.
Zij zullen zodanig een antwoord hebben, als recht is, dat zulke afgodendienaars krijgen en God zal hen straffen, als Hij gewoon is afgodendienaars te straffen, dat is, wanneer zij zijne hulpe nodig hebben. Merkt hieraan, Gods oordeel zal bij hen blijven volgens hetgeen zij waarlijk zijn, dat is volgens hetgeen hun harten zijn, niet volgens hetgeen zij in de vertoning en belijdenis zijn.
KruisverwijzingenZacharia 11:8→Jesaja 1:4→Jeremia 2:5→Romeinen 1:21→Ezechiël 14:9→Romeinen 1:28→Kolossenzen 1:21→Galaten 6:7→— Opdat Ik het huis Israels in hun hart grijpe, dewijl zij allen door hun drekgoden van Mij vervreemd zijn.
Opdat Ik het huis Israëls in hun hart grijpe, dewijl zij allen door hun drekgoden van Mij vervreemd zijn, en nu voor alles door straf en bezoeking ene kastijding tot gerechtigheid nodig hebben. Hoe God zulke mensen zal antwoorden, of liever antwoordende Zich omtrent hen zal gedragen, wordt eerst in vs. 8 gezegd. Het oordeel der verwoesting en uitroeiing zal het feitelijk antwoord zijn, en dat is voor hen een antwoord, zo als zij het alleen verdienen, een antwoord naar de menigte hunner drekgoden. Dit antwoord is echter, zo als vs. 5 te kennen geeft, tevens een genadig, heilzaam antwoord; het geschiedt met de bedoeling om het huis Israëls in het hart te grijpen, het door oordelen te buigen, van zijne misdaad te overtuigen en te bewegen tot verlaten van den afgodendienst en tot terugkeren tot den levenden God, zodat de in Lev. 26:41 genoemde vreedzame vrucht der gerechtigheid door de kastijding wordt verkregen.
KruisverwijzingenJesaja 30:22→Ezechiël 18:30→Jesaja 2:20→Jesaja 55:6→Ezechiël 14:4→1 Samuël 7:3→Jakobus 4:8→Mattheüs 3:8→— Daarom zeg tot het huis Israels: Alzo zegt de Heere HEERE: Bekeert u, en keert u af van uw drekgoden, en keert uw aangezichten af van al uw gruwelen.
Leid daarom hun opmerkzaamheid af van hetgeen zij omtrent de toekomst willen en wensen, op hetgeen Ik van hen wil en verlang, zeg tot het huis Israëls: Alzo zegt de Heere HEERE: Bekeert u en keert u af van uwe drekgoden, en keert uwe aangezichten af van al uwe gruwelen 1) (Jes. 31:6).
Hier zegt de Heere het weer, dat alleen in den weg van bekering, van scheiding tussen God en de afgoden redding is. Eerst dan als het volk zijne afgoden met zelfverfoeiing en treuring zal wegwerpen, zal er redding zijn voor land en volk. Dit geldt ook van het stuk der personele bekering.
KruisverwijzingenExodus 20:10→Exodus 12:48→2 Koningen 8:8→Ezechiël 33:30→Leviticus 24:22→Hosea 4:14→Jeremia 38:14→Numeri 15:29→— Want ieder man uit het huis Israels, en uit den vreemdeling, die in Israel verkeert, die zich van achter Mij afscheidt, en zet zijn drekgoden op in zijn hart, en stelt den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht, en komt tot den profeet, om Mij door hem te vragen; Ik ben de HEERE, hem zal geantwoord worden door Mij;
Vraagt Mij echter niet bij uwe tegenwoordige gesteldheid des harten, wanneer gij een verblijdend antwoord wenst; want ieder man uit het huis Israëls en uit den vreemdeling, die in Israël verkeert, en tot het mijden van afgodendienst en allen zedelijken gruwel even zo goed als de ingeborene Israëliet verplicht is (Lev. 18:26; 20:2), die zich van achter Mij afscheidt, en zet zijne drekgoden op in zijn hart, en stelt den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht, ennog onbekeerd en onvernieuwd komt tot den Profeet, om Mij door hem te vragen; Ik ben de HEERE, hem zal geantwoord worden door Mij, zo als overeenkomt met Mijn heilig, waarachtig en rechtvaardig wezen.
KruisverwijzingenEzechiël 15:7→Ezechiël 5:15→Jeremia 44:11→Deuteronomium 28:37→Leviticus 17:10→Ezechiël 6:7→Jesaja 65:15→Jeremia 21:10→— En Ik zal Mijn aangezicht tegen dienzelven man zetten, en zal hem stellen tot een teken en tot spreekwoorden, en zal hem uitroeien uit het midden Mijns volks; en gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE ben.
En Ik zal een antwoord met daden geven Ik zal Mijn aangezicht tegen dien man zetten (Lev. 20:2, 5 en 6), en zal hem met allen, die op gelijk standpunt des harten staan, stellen tot een teken en tot spreekwoorden (Deut. 28:37) en zal hem uitroeien uit het midden Mijns volks, en gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE ben, die niet te vergeefs heb gedreigd, wat Ik in Mijn woord den afgodendienaars gedreigd heb. Het woord, dat de Profeet voor zijne vragers ontvangt, dringt tot de beweegredenen door, op welke zij zich voorstelden nog wel een meer gunstig antwoord te zullen ontvangen, dan dat zij uit de voorzegging van Ezechiël tot hiertoe hadden verkregen. De eerste reden is voor hen, dat er toch andere profeten waren, die toch ook den Geest Gods hadden, en deze profeteerden het volk ene veel betere toekomst; hij nam dus tegenover de menigte zijner ambtgenoten ene plaats in, die hem ondubbelzinnig als enen zonderling karakteriseerde, dien men toch niet zo onvoorwaardelijk en uitsluitend kon geloven, als hij het verlangde. Deze mening, die de afgezanten der oudsten natuurlijk nog minder uitspreken, dan hun bedoeling om te vragen zelf, daar zij hun tot bewustzijn wordt gebracht, wordt tevens op de snijdenste en scherpste wijze den bodem ingeslagen.
KruisverwijzingenJeremia 4:10→Ezechiël 20:25→Jesaja 10:4→Jesaja 63:16→Job 12:16→Psalmen 81:11→Jesaja 9:21→Ezechiël 16:27→— Als nu een profeet overreed zal zijn, en iets gesproken zal hebben, Ik, de HEERE, heb dienzelven profeet overreed, en Ik zal Mijn hand tegen hem uitstrekken, en zal hem verdelgen uit het midden van Mijn volk Israel.
Wat in vs. 6-8 gezegd is, is het enig antwoord, dat Ik heb te geven. Als nu een profeet door begeerte om degenen, die hem ondervragen, te believen, overreed zal zijn, en iets gesproken zal hebben, Ik, de HEERE, heb dienzelven profeet overreed, 1) Ik heb hem laten bedrogen worden, en Ik zal Mijne hand tegen hem uitstrekken, om hem zijne misdaad te vergelden, en zal hem verdelgen uit het midden van Mijn volk Israëls.
Hier schijnt God met Zichzelven in strijd te zijn, terwijl Hij aan Satan verlof geeft, om de enige ware onderwijzing in te scherpen. Indien dit geschiedde naar Gods bestel, schijnt het toch als ware het een contrast. Maar laten wij het ons altijd herinneren, dat de oordelen Gods een diepe afgrond zijn, opdat wij niet, zoals wij zien, dat de vermetele mens doet, met geweld willen weten, wat verre boven de bevatting der Engelen is. Sober en met eerbied is te oordelen over de werken Gods, inzonderheid over de hemelse oordelen. Maar indien er slechts eerbied en bescheidenheid bij ons is, zal het gemakkelijk zijn deze twee te verzoenen, dat n. l. God Zijn Kerk voortbrengt, en begunstigt, en beschermt, en bevestigt door het Profetisch onderwijs en ondertussen haar door innerlijke tweedracht verscheurt en als het ware toelaat, dat zijn verdeeld wordt . Hieruit ziet men weer zo duidelijk mogelijk, dat buiten den wil des Heeren niets geschiedt, dat ook de valse profeet geen macht heeft, om te overreden, tenzij deze hem door den Heere is gegeven.
KruisverwijzingenOpenbaring 19:19→Micha 7:9→Genesis 4:13→Numeri 5:31→Deuteronomium 17:2→Deuteronomium 13:1→Ezechiël 14:4→Ezechiël 23:49→— En zij zullen hun ongerechtigheid dragen; gelijk de ongerechtigheid des vragers zal zijn; alzo zal zijn de ongerechtigheid des profeten;
En zij zullen beiden hun ongerechtigheid dragen, de Profeet zowel als de vrager, in de straf der uitroeiing, die hen treft; gelijk de ongerechtigheid des vragers zal zijn, alzo zal zijn de ongerechtigheid des profeten, beiden zullen zij zonder onderscheid de uitroeiing uit Mijn volk over hun hoofd brengen;
KruisverwijzingenEzechiël 37:23→Ezechiël 48:11→Ezechiël 44:10→Ezechiël 11:18→Ezechiël 44:15→Deuteronomium 13:11→Openbaring 21:7→Genesis 17:7→— Opdat het huis Israels niet meer van achter Mij afdwale, en zij zich niet meer verontreinigen met al hun overtredingen; alsdan zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, spreekt de Heere HEERE.
Opdat het huis Israëls niet meer van achter Mij afdwale, en zij, die tot dat huis behoren, zich niet meer verontreinigen met al hun overtredingen; alsdan zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot enen God zijn, spreekt de HEERE (Hoofdst. 11:20). De verleiding of het bedrog, waarvan in vs. 9 sprake is, gaat oorspronkelijk uit van de inwonende zonde (Jak. 1:14); anders kon zij geen voorwerp van straf zijn; maar God heeft bij de ontwikkeling der zonde gene passieve rol (2 Sam. 24:1). Hij weet de zaak overal zo te leiden, dat de zonde tot hare volkomene ontwikkeling en rijpheid komt en de straf met zich voert. Hij zorgt er voor, dat geen stilstand kan plaats hebben, geen standhouden op een middentrap; Hij maakt de gelegenheden en ruimt de hinderpalen weg. Er is nauwelijks ene in ‘t oog vallende zonde, bij welke niet op ontzettende wijze de werkzaamheid Gods ons zichtbaar zal zijn. Zulke ellendige mensen nu, die zelf onder Gods beschikking staan, door Hem geleid worden, waarheen zij niet willen en het oordeel te gemoet snellen, kunnen onmogelijk een staf aan anderen geven. Wie deze als autoriteit tegen de ware Profeten wil aanvoegen, of op grond van hun woorden aan deze eisen wil stellen, die zij toch nooit kunnen vervullen, is een dwaas. De plaats moet verklaard worden volgens 1 Kon. 22:20 vv. waar het overreden de zaak van een leugengeest is, die Achabs Profeten inspireerde om den koning zegen te verkondigen, opdat hij zou vallen. Even als daar Jehova dezen geest heeft gezonden, dien in de mond der Profeten gegeven heeft, zo is ook hier het overreden ene werking van God, niet alleen van Goddelijke toelating, maar van Goddelijke beschikking en leiding, die toch de menselijke vrijheid niet opheft, maar even als elk overreden, de mogelijkheid veronderstelt van het zich niet laten overreden. Dit zich laten overreden tot eigendunkelijke, door God niet ingegevene uitspraken geschiedt alleen bij zulke personen, die den boze in zich plaats geven, om ze te verzoeken en tot beslissing te brengen, of zij de zondige neigingen van hun binnenste trachten te bestrijden en te overwinnen, of ze tot daad te laten worden, opdat zij in het laatste geval rijp worden voor het gericht. In dezen zin laat God zulk enen Profeet bedrogen worden, opdat Hij hem dan uit Zijn volk zou kunnen uitroeien. Deze straf zal echter den Profeet niet alleen treffen, maar ook die hem zoeken of vragen, om Israël zo mogelijk van zijne dwaalwegen terug te brengen, en te maken tot een van zonde gereinigd volk van God. Tot dat doel liet God in de laatste tijden van het rijk van Juda de valse profetie krachtig optreden, om het proces der scheiding tussen de vromen en de goddelozen te bespoedigen, en door het gericht, dat de goddelozen verdelgt. Zijn volk te louteren en tot het doel zijner roeping te leiden.
— Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
Verder geschiedde op denzelfden tijd als in vs. 1 vv. des HEEREN woord tot mij zeggende:
KruisverwijzingenEzechiël 4:16→Leviticus 26:26→Ezechiël 5:16→Ezechiël 14:21→Ezechiël 14:19→Ezechiël 14:17→Jesaja 3:1→Ezechiël 15:8→— Mensenkind, als een land tegen Mij gezondigd zal hebben, zwaarlijk overtredende, zo zal Ik Mijn hand daartegen uitstrekken, en zal hetzelve den staf des broods breken, en een honger daarin zenden, dat Ik daaruit mensen en beesten uitroeie;
Mensenkind! als een land, gelijk dat, hetwelk Ik in ‘t bijzonder bedoel (Deut. 11:12) tegen Mij gezondigd zal hebben, zwaarlijk overtredende, daar het alle Mijne woorden achter zich werpt, waarmee Ik het van zijne zonde wil bekeren (Lev. 26:14 vv. #Le Ps. 50:17), zo zal Ik overeenkomstig Mijne bedreiging in Lev. 26:26, Mijne hand daartegen uitstrekken, en zal het den staf des broods breken, en enen honger daarin zenden, dat Ik daaruit mensen en beesten uitroeie;
KruisverwijzingenEzechiël 28:3→Ezechiël 14:20→Jeremia 15:1→Job 1:5→Daniël 10:11→Genesis 6:8→Job 1:1→Genesis 7:1→— Ofschoon deze drie mannen, Noach, Daniel en Job, in het midden deszelven waren, zij zouden door hun gerechtigheid alleen hun ziel bevrijden, spreekt de Heere HEERE.
Ofschoon deze drie mannen, die voor toonbeelden der gerechtigheid mogen worden gehouden, Noach, Daniël en Job 1) in het midden daarvan waren, zij zouden door hun gerechtigheid alleen hun ziel bevrijden, spreekt de Heere HEERE.
Alle drie waren uitmuntende personen, wegens hun godsdienstigheid. Noach behield als ene vergelding voor zijne godsdienstigheid acht mensen uit den algemenen zondvloed en verkreeg een belofte van God, dat Hij de wereld nooit meer met water zou verderven. Daniël trad hierdoor bij God voor het gehele volk der Joden en verkreeg ene belofte van hun herstelling. Job was van God gesteld om te bidden voor zijne drie vrienden, en verkreeg vergiffenis voor hen. Maar wanneer Gods onherroepelijk besluit tegen een volk is uitgegaan, dat welk de mate zijner ongerechtigheid vol heeft gemaakt, dan kunnen de voorbidding zelfs van zulke mannen niet helpen tot hun verlossing. Want alleen voor dezulken, die nog niet gekomen zijn tot die hoogte van goddeloosheid, kunnen de gebeden der rechtvaardigen kracht hebben.
KruisverwijzingenEzechiël 5:17→Leviticus 26:22→2 Koningen 17:25→1 Koningen 20:36→Jeremia 15:3→— Zo Ik het boos gedierte make door het land door te gaan, hetwelk dat van kinderen berove, zodat het woest worde, dat er niemand doorga, vanwege het gedierte;
Zo Ik (volgens Lev. 26:22) het boos gedierte make door het land door te gaan, hetwelk dat van kinderen berove, zodat het woest worde, dat er niemand doorga, vanwege het gedierte.
KruisverwijzingenGenesis 19:29→Genesis 18:23→Hebreeën 11:7→Jakobus 5:16→Ezechiël 18:20→Ezechiël 14:20→Job 22:20→Handelingen 27:24→— Die drie mannen in het midden deszelven zijnde, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij zonen, en zo zij dochteren bevrijden zouden, zij zelven alleen zouden bevrijd worden, maar het land zou woest worden.
Die drie in vs. 14 genoemde mannen in het midden daarvan zijnde, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij zonen en zo zij dochteren bevrijden zouden! zij zelf alleen zouden bevrijd worden, maar het land zou verwoest worden.
KruisverwijzingenEzechiël 21:3→Leviticus 26:25→Ezechiël 5:12→Sefanja 1:3→Ezechiël 25:13→Ezechiël 14:13→Jeremia 47:6→Ezechiël 5:17→— Of als Ik het zwaard brenge over datzelve land, en zegge: Zwaard! ga door, door dat land, zodat Ik daarvan uitroeie mensen en beesten;
Of als Ik volgens Lev. 26:25 het zwaard brenge over dat land, en zegge: Zwaard! ga door, door dat land, zodat Ik daarvan uitroeie mensen en beesten:
— Ofschoon die drie mannen in het midden deszelven waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zij zouden zonen noch dochteren bevrijden, maar zij zelven alleen zouden bevrijd worden.
Ofschoon die drie mannen in het midden daarvan waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zij zouden zonen noch dochteren bevrijden, maar zij zelf alleen zouden bevrijd worden.
KruisverwijzingenEzechiël 38:22→Ezechiël 7:8→2 Samuël 24:15→Ezechiël 5:12→Jeremia 14:12→Psalmen 91:6→Numeri 14:12→Jeremia 24:10→— Of als Ik de pestilentie in datzelve land zende, en Mijn grimmigheid daarover met bloed uitgiete, om daarvan mensen en beesten uit te roeien;
Of als Ik de pestilentie in datzelve land zende, en Mijne grimmigheid daarover met of, in bloed uitgiete door middel van het andere in Lev. 26:25 genoemde zwaard der wrake, om daarvan mensen en beesten uit te roeien (Hoofdstuk 5:17).
KruisverwijzingenEzechiël 14:14→Job 5:19→1 Johannes 3:10→Hosea 10:12→1 Johannes 3:7→Psalmen 33:18→Jesaja 3:10→Ezechiël 14:16→— Ofschoon Noach, Daniel en Job in het midden deszelven waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij een zoon, of zo zij een dochter zouden bevrijden, zij zouden alleen hun ziel door hun gerechtigheid bevrijden.
Ofschoon Noach, Daniël en Job in het midden daarvan waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij enen zoon, of zo zij ene dochter zouden bevrijden! zij zouden alleen hun ziel door hun gerechtigheid bevrijden. Moesten nu de gezanten van Zedekia, tot ontmaskering van hun eigene boosheid, zulk een ontzettend woord horen, dan strekte de tweede daarop volgende Godsspraak ten bewijze, dat gene voorbede, al was zij ook van den uitnemendsten vrome, ter afwending van ene geselroede Gods iets kan baten, wanneer de Heere de verdelging vastelijk besloten had. Het gebed van enen rechtvaardige vermag anders veel, en ook hier wordt het niet afgekeurd en verboden, maar de Heere heeft Zijne eigene tijden in Zijne lankmoedigheid en verdraagzaamheid gesteld, en als deze al te lang getergd zijn en de tijd Zijner wrake, die lang te voren met bedreiging was aangekondigd, gekomen is, dan komen de oordelen onverbiddelijk en zeker. Zo gaat het met menig volk, onder verschillende strafgerichten Gods, maar zo gaat het ook menig zondaar, die op een krank- en sterfbed wordt neergelegd; als de Heere lang is getergd geworden. Zijne goedheid werd versmaad, en de verharde zondaar zich naar het rechtvaardig oordeel Gods het gewis verderf en ene eindeloze rampzaligheid heeft toebereid, dan baten de krachtigste voorbiddingen niet. Dat sta dan tot waarschuwing van menig zondaar, om het niet tot het uiterste te laten komen, en zich niet tegen den Heere te verharden. Hij verschoont wel menigvuldig en is een genadig God, hetwelk duizenden ondervinden, maar Hij is ook rechtvaardig en laat Zich niet bespotten.
KruisverwijzingenEzechiël 5:17→Ezechiël 33:27→Ezechiël 14:19→Ezechiël 14:17→Ezechiël 14:15→Ezechiël 14:13→Amos 4:6→Openbaring 6:4→— Want alzo zegt de Heere HEERE: Hoeveel te meer als Ik mijn vier boze gerichten, het zwaard, en den honger, en het boze gedierte, en de pestilentie gezonden zal hebben tegen Jeruzalem, om daaruit mensen en beesten uit te roeien!
Zo wanhopig slecht, dat er slechts nog drie rechtvaardigen in zijn, om wier klein getal gene verschoning der overigen meer mogelijk is, staat het met het land, waarover hier sprake is. Want alzo zegt de Heere HEERE: Hoe veel te meer, als Ik, gelijk binnenkort zal geschieden, Mijne vier boze gerichten, het zwaard, en den honger, en het boze gedierte, en de pestilentie (vgl. Jer. 15:8. Openb. 6:2-8) gezonden zal hebben tegen Jeruzalem, om daar uit mensen en beesten uit te roeien.
KruisverwijzingenEzechiël 20:43→Ezechiël 12:16→Jeremia 5:19→Jesaja 10:20→2 Kronieken 36:20→Jeremia 3:21→Ezechiël 16:63→Jeremia 52:27→— Doch ziet, daarin zullen ontkomenen overblijven, die uitgevoerd zullen worden, zonen en dochteren; ziet, zij zullen tot ulieden uitkomen, en gij zult hun weg zien, en hun handelingen; en gij zult vertroost worden over het kwaad, dat Ik over Jeruzalem gebracht zal hebben, ja, al wat Ik zal gebracht hebben over haar.
Doch ziet daarin zullen enige ontkomenen overblijven, die uitgevoerd zullen worden, zonen en dochteren, ziet zij zullen tot ulieden uitkomen naar Babel, geenszins als degenen, die om hun gerechtigheid zijn overgebleven, maar als levende en aanschouwelijke voorbeelden van de gehele gesteldheid van de bewoners der stad, en gij zult hunnen weg zien, en hun handelingen, hun verdorvenheid, en gij zult vertroost worden over het kwaad, dat Ik over Jeruzalem gebracht zal hebben, ja al wat Ik zal gebracht hebben over haar, die afgodische stad.
KruisverwijzingenJeremia 22:8→Nehemia 9:33→Romeinen 2:5→Daniël 9:14→Ezechiël 9:8→Spreuken 26:2→Deuteronomium 8:2→Openbaring 16:6→— Zo zullen zij u vertroosten, als gij hun weg en hun handelingen zien zult; en gij zult weten, dat Ik niet zonder oorzaak gedaan heb, al wat Ik in haar gedaan heb, spreekt de Heere HEERE.
Zo zullen zij u op droevige wijze vertroosten, als gij hunnen weg en hun handelingen, hun lot vanwege hun goddeloosheid zien zult; en gij zult weten, dat Ik niet zonder oorzaak gedaan heb, al wat Ik in haar, in Jeruzalem, gedaan heb, spreekt de Heere HEERE. Eerst wordt in vs. 12-20 een zin uitgesproken, die nog algemeen en onbepaald klinkt. Wanneer ergens een land zich zo tegen God verzondigde, dat Hij de straf der verdelging daarop moest toepassen, zo zou het zulk een land niets baten, al waren ook enkele rechtvaardigen als Noach, Daniël en Job daarin. Zulke rechtvaardigen zouden dan wel voor hun persoon om hun gerechtigheid verschoond blijven, maar hun gerechtigheid zou niet de macht hebben om ook andere zielen van het oordeel te redden, zelfs niet die hunner zonen en dochteren. Deze gedachte wordt vier malen herhaald, terwijl na elkaar vier verschillende straffen der vernietiging, honger, boze dieren, zwaard en pest genoemd worden, als komende over een zondig land en dat verwoestende (vgl. Jer. 14 en 15). Overzien wij de vier opgenoemde gevallen, zo blijkt in de uitspraken over de redding der rechtvaardigen het onderscheid. In het eerste geval wordt alleen gezegd, dat Noach, Daniël en Job door hun gerechtigheid hun ziel, d. i. hun leven zouden redden; bij de drie volgende gevallen heet het daarentegen, zij zouden, zo waarlijk de Heere leeft, noch zonen noch dochters redden, maar zij alleen zouden gered worden. Dit onderscheid is niet slechts rhetorische opklimming der rede door bevestiging en tegenstelling, maar wijst op een verschil van gedachte. Het eerste geval moet alleen leren, dat de vromen bij het invallend gericht hun leven zullen redden, dat God de vromen niet met de goddelozen zal wegnemen. Daarentegen moeten de drie volgende gevallen de waarheid voorstellen, dat de rechtvaardigheid der vromen den afgodendienaars en afvalligen niet zal baten, daar zelfs toonbeelden van gerechtigheid, als Noach, Daniël en Job alleen hun eigen leven kunnen redden, maar gene andere zielen kunnen behouden. Daarmee hangt ook zamen, dat de plechtige verzekering in vs. 14 ontbreekt. Het eerste woord, dat God bij de gerichten de vromen zal redden, behoefde gene verzekering, omdat deze waarheid niet in twijfel werd getrokken, maar wel het woord, dat de gerechtigheid der vromen aan het zondige gene redding zal geven, omdat de goddelozen deze hoop hadden, die hun echter zou worden ontnomen. Daniël wordt met opzet in het midden der beide personen uit den vroegeren tijd geplaatst, om hem te verheerlijken, als het ware te kanoniseren, even als hij in Hoofdst. 28:3 bij ene schijnbaar ongezochte gelegenheid als het toppunt van menselijke wijsheid voorkomt, om zijn voorrang in dit opzicht in de gemeente Gods te doen erkennen. Waarop het hier aan komt, toont de eigenaardigheid dergenen, door welke hij van beide zijden is ingesloten (Gen. 6:9 en Job 1:1). Het is de gerechtigheid en het wandelen met God, die misschien een gericht zouden kunnen tegenhouden, hetwelk om de goddeloosheid en gerechtigheid komen zou, zo als dan ook in Gen. 18 de rechtvaardigen, die in Sodom mochten wezen, het zijn, die Abraham bedenkingen doen maken ten opzichte van de vernietiging, die besloten was. De vier bezoekingen Gods, welke elk met een “ofschoon” worden ingeleid, zouden werkelijk, zo als reeds dikwijls is voorzegd, verenigd over het ontaarde verbondsvolk, over het ontheiligde land des Heeren komen. De Profeet behandelt echter eerst de zaak in ‘t algemeen, afziende van de bestaande omstandigheden, opdat de gewaarwording door het zien dier laatste teweeg gebracht, zich niet dadelijk verstorend zou inmengen. De overgang van hetgeen slechts gezegd is tot de werkelijkheid volgt in vs. 21; het “want” aan het begin wijst op den grond der zo even gegeven verklaring, toont, dat Jeruzalem niet meer ene gewone plaats is. Het viertal bij de in vs. 21 genoemde gerichten is opmerkelijk, om de universaliteit van het gericht of de gedachte, dat het naar alle zijden of geheel en al over Jeruzalem zal komen, te symboliseren. Daarbij moet nog worden opgemerkt, dat Jeruzalem het rijk van Juda of het gehele Israël, dat zich nog in Kanaän bevindt, vertegenwoordigt. De rede van den Profeet neemt in vs. 23 vv. ene verrassende wending; zouden die vier straffen over Jeruzalem komen, er zouden enige zonen en dochteren verschoond blijven-maar opdat zij, als getuigen tot de verbannenen naar Babel zouden worden gevoerd, opdat deze uit hunnen weg en wandel de droevige vertroosting zouden ontvangen, dat de Heere niet te vergeefs ene zo harde straf over Zijne stad had besloten. Zij zullen ontkomen, ontlopen, niet omdat zij onschuldig zijn, ook niet omdat zij om de gerechtigheid en om de voorbede van anderen worden gespaard, maar opdat de ontvluchten met hun gezinnen door hunnen kwaden wandel u overtuigen, dat God Zich niet te gestreng jegens Zijn volk heeft getoond. Het doel, waarom zij worden gespaard, is dus geen ander dan om Gods rechtvaardigheid te doen blijken voor het oog der Joden in Chaldea. Daarom maakte ook werkelijk de eerste verschijning der vluchtelingen uit Juda te Tel-Abib, dat Ezechiëls aanzien steeg (vgl. Exod. 14:26, 27 en 33:21, 22). Die troost bestond (volgens vs. 21) daarin, dat zij inzagen, dat God niet zonder reden een zo zwaar gericht over Jeruzalem had doen komen. Tegen ene volmaakt rechtvaardige straf heeft niemand iets in te brengen, al is die nog zo zwaar, al lokt die nog zoveel medelijden uit. Gods gerechtigheid blijkt zowel in degenen, die omkomen als door degenen, die ontkomen, duidelijk.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Ezechiël 14
Ezechiël 14:20.KruisverwijzingenEzechiël 14:14→Job 5:19→1 Johannes 3:10→Hosea 10:12→1 Johannes 3:7→Psalmen 33:18→Jesaja 3:10→Ezechiël 14:16→
— Ofschoon Noach, Daniel en Job in het midden deszelven waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij een zoon, of zo zij een dochter zouden bevrijden, zij zouden alleen hun ziel door hun gerechtigheid bevrijden.
“Ofschoon Noach, Daniel en Job in het midden deszelven waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij een zoon, of zo zij een dochter zouden bevrijden, zij zouden alleen hun ziel door hun gerechtigheid bevrijden.”
In het eerste vers van dit hoofdstuk wordt ons verteld dat zekere oudsten van Israël tot de profeet kwamen en voor hem gingen zitten. Wij hoeven niet te vragen wie die oudsten waren of waar zij vandaan kwamen. Het is duidelijk genoeg dat zij geen afvaardiging waren van de Joden die in Juda en Jeruzalem achtergebleven waren; het waren mannen van aanzien uit de ballingen aan de Chebar.
Dat zij kwamen om de profeet van de HEERE te raadplegen, leiden wij af uit het antwoord dat door het woord van de HEERE tot hen kwam. En uit de inhoud van de verschrikkelijke aanklachten die uitgesproken werden, mogen wij ook iets afleiden over de manier waarop zij hun vraag stelden. Het waren regelrechte huichelaars, aanhangers van de valse profeten die in het vorige hoofdstuk ontmaskerd worden. Die zagen ijdelheid en waarzeggerij, en zeiden er dan bij: spreekt de Heere HEERE, terwijl de HEERE hen niet gezonden had.
Nu komen deze oudsten dan bij de ware profeet van de HEERE. En nog voordat zij hun boodschap kunnen uitspreken, houdt het woord van de HEERE hun een levensecht portret van hun eigen karakter voor: “deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben den aanstoot hunner ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan ernstiglijk van hen gevraagd?” Dat mensen die in hun hart afgodendienaars waren de levende God om raad vroegen, alsof zij Zijn wil wilden weten terwijl zij Zijn wet trotseerden, was een uiterst beledigende spotternij.
De gedachte die in hun binnenste genesteld lijkt te hebben en die hun bezoek ingaf, was deze. Ezechiël heeft de goddeloosheid van het land en van zijn inwoners aan het licht gebracht. Maar zou het toch niet met de barmhartigheid van de HEERE kunnen stroken om de stad te sparen? Zoals Hij Sodom gespaard zou hebben op de voorbede van Abraham, om de weinige rechtvaardigen die er nog waren?
Het antwoord was natuurlijk een nadrukkelijk nee. De vier oordelen die de verwoesting zouden aanrichten staan naast de betuiging die telkens opnieuw herhaald wordt, naar het ons voorkomt elke keer met groter nadruk: “Ofschoon Noach, Daniel en Job in het midden deszelven waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij een zoon, of zo zij een dochter zouden bevrijden, zij zouden alleen hun ziel door hun gerechtigheid bevrijden.”
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-23.KruisverwijzingenEzechiël 8:1→Ezechiël 7:19→Ezechiël 15:7→Ezechiël 5:15→Ezechiël 20:1→Ezechiël 14:7→Ezechiël 20:3→Jesaja 1:15→
— Daarna kwamen tot mij mannen uit de oudsten van Israel, en zaten neder voor mijn aangezicht. Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: Mensenkind, deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben den aanstoot hunner ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan ernstiglijk van hen gevraagd? Daarom spreek met hen, en zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Een ieder man uit het huis Israels, die de drekgoden in zijn hart opzet, en den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht stelt, en komt tot den profeet, Ik, de HEERE zal hem, als hij komt, antwoorden naar de menigte zijner drekgoden; Opdat Ik het huis Israels in hun hart grijpe, dewijl zij allen door hun drekgoden van Mij vervreemd zijn. Daarom zeg tot het huis Israels: Alzo zegt de Heere HEERE: Bekeert u, en keert u af van uw drekgoden, en keert uw aangezichten af van al uw gruwelen. Want ieder man uit het huis Israels, en uit den vreemdeling, die in Israel verkeert, die zich van achter Mij afscheidt, en zet zijn drekgoden op in zijn hart, en stelt den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht, en komt tot den profeet, om Mij door hem te vragen; Ik ben de HEERE, hem zal geantwoord worden door Mij; En Ik zal Mijn aangezicht tegen dienzelven man zetten, en zal hem stellen tot een teken en tot spreekwoorden, en zal hem uitroeien uit het midden Mijns volks; en gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE ben. Als nu een profeet overreed zal zijn, en iets gesproken zal hebben, Ik, de HEERE, heb dienzelven profeet overreed, en Ik zal Mijn hand tegen hem uitstrekken, en zal hem verdelgen uit het midden van Mijn volk Israel. En zij zullen hun ongerechtigheid dragen; gelijk de ongerechtigheid des vragers zal zijn; alzo zal zijn de ongerechtigheid des profeten;
Ene vierde reeks van voorzeggingen heeft daarin hare aanleiding, dat ene deputatie van de oudsten van Israël tot Ezechiël komt met velerlei vragen op het hart, en allerlei bedenkingen omtrent den door hem verkondigden ondergang der heilige stad en des tempels. De Heere, die spoedig daarop door den Profeet tot hen spreekt, laat hen niet eerst aan het woord komen om hun vragen en bedenkingen uit te spreken, maar komt hen voor met ontdekking van den toestand hunner harten, en met de aankondiging, dat over de zaak, over welke zij willen onderhandelen, gans niet meer moet gevraagd worden (vs. 1-8). Daarop worden twee bedenkingen, welke men daartegen had weggenomen, de ene, dat er toch Profeten genoeg waren, die het goede profeteerden (vs. 9-11), en de tweede, dat toch de rechtvaardigen niet met de goddelozen konden verdelgd worden, maar integendeel om der rechtvaardigen wil, ene verschoning ook voor de goddelozen zou moeten plaats hebben (vs. 12-23).
Daarna, na verloop van 11 maanden en 5 dagen, die tussen den in Hoofdst. 8:1 en den in 20:1 genoemden tijd voorbij gingen, kwamen tot mij mannen uit de oudsten van Israël, en zaten neer voor mijn aangezicht, als wilden zij door mij den Heere vragen (Hoofdst. 20:1).
Toen, nog voordat zij hun wens hadden uitgesproken, geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
Mensenkind! deze mannen met allen wier vertegenwoordigers zij zijn, hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben den aanstoot hunner ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; 1) zij plegen openlijk en zonder enige bedenking hunner afgoderij; word Ik dan ernstelijk van hen, die zulk een hart tegen Mij hebben, gevraagd?2)
Op de gevangenen aan de wateren van den Chebar heeft de werkzaamheid van Ezechiël nu reeds indruk gemaakt; men erkent in hem enen Profeet des Heeren, ten minste van de zijde dergenen, die nog enigzins op godsvrucht gesteld zijn; men zou zich gaarne met hem verstaan, en niet zonder zijne toestemming zich aan het streven en verwachten overgeven, zo als dat toen bij het volk in Babylon, zowel als bij dat te Jeruzalem, algemeen was. Zo als het schijnt, zijn wij nu reeds in het 7de jaar sedert Jojachin’s wegvoering, hoewel nog in de eerste maanden van dit jaar. De afval van koning Zedekia van den koning te Babel (2 Kon. 24:20), die na 2 jaren tot rijpheid kwam, werd nu reeds geplant, en wat volgens de openbare mening een gunstig gevolg beloofde, alsof het zeker was, overlegd en besproken. Wat men zich ten gunste zijner bedoelingen was maakte, blijkt uit hetgeen de Profeet later in 5 onderdelen van onze afdeling in den naam des Heeren bestraft. Nu hebben de oudsten aan de wateren van Chebar, die het reeds hebben erkend, dat er een Profeet onder hen was (Hoofdst. 2:5), hier in deze mannen een deputatie naar Ezechiël gezonden, om de gronden, die zij voor hun politiek konden aanvoeren, hem ter beproeving voor te leggen, of die niet door het geloof in God en door vertrouwen op de Goddelijke belofte den volke aan de hand worden gegeven, in plaats dat zij, zo als hij zich tot hiertoe had geuit, door ongeloof en goddeloosheid zouden zijn ingegeven. Deze afgezanten der oudsten vertegenwoordigen alzo zeker uitwendig godvruchtige lieden, evenwel zijn zij inwendig niet met den Geest vervuld, maar met den wereld- en tijdgeest. Dat moet hen tot bewustzijn worden gebracht, en juist daarom worden de gedachten hunner harten bestraft en geoordeeld, ook zonder dat zij die hebben uitgesproken, en alsdan kunnen zij aanstonds opmerken, dat zij met Hem, die door des Profeten mond tot hen spreekt, met den Kenner des harten te doen hebben (vgl. 1 Kon. 14:6 vv.). Vooreerst is het reeds de bedoeling op zich zelf, waarmee zij zijn gekomen, welke de met Gods Geest vervulde Profeet hun openbaart, nog voordat zij daarover iets hebben laten horen. Zij hebben zich alleen voor hem nedergezet, en dat kon ook geschied zijn, even als in Hoofdst. 8:1 #Eze 1 door de daar genoemde oudsten, om hem te zien en te beschouwen, of te horen welk woord des Heeren hij zou hebben te verkondigen; ja het nederzitten aan de voeten van enen leraar gaf veelmeer te kennen leergierigheid, dan lust om te vragen. Maar neen, zij zijn gekomen om in hem den Heere te vragen. Dat wordt hun voor alles voorgehouden, en nu grijpt tevens het aan Ezechiël voor hen opgedragen woord in hun harten, en schildert hun den toestand van deze als zodanig, dat op het hoofdpunt van hun vraag, of het dan werkelijk moest komen tot verwoesting van Jeruzalem en tot den ondergang van het rijk, en of er geen troostvoller en beter uitzicht voor de toekomst was te verkrijgen, de Heere hun geen antwoord doen zal, dan door de daad. Hij heeft juist in deze mensen een nog onbekeerd afgodisch gezind volk voor zich, en over de toekomst daarvan is in ‘t geheel niet meer te vragen, het gericht staat er reeds voor vast. Zij, die gekomen zijn met het doel om te vragen, worden hier (vs. 3) geschilderd als de zodanigen, die wel niet juist meer in grove afgoderij zijn verstrikt, maar toch gaat de begeerte des harten nog steeds van den waren God af tot de valse goden, en hun ogen zien naar den vorigen afgodendienst terug, even als eens het verlangen van Israël in de woestijn rugwaarts ging naar de vleespotten van Egypte. Zij zijn dus nog lang niet dezulken, van welke de Heere zou kunnen zeggen: “zij zijn Mijn volk, daarom wil Ik hun God zijn. Ik zal, gelijk Ik Mij door het hogepriesterlijke licht en recht daartoe heb verbonden (Ex. 28:30), op hun vragen, aan Mij gedaan, antwoorden; integendeel staan zij nog buiten de verbondsbetrekking met Hem, en nog in gemeenschap des harten met de vreemde goden, zodat zij ook als aan zich zelven overgelatene Heidenen moeten behandeld worden.
Beter: Zal Ik Mij van hen wel laten ondervragen? De Heere wil daarmee zeggen dat Hij Zich niet zal laten zoeken en vinden van hen, die de afgoden dienen en Hem hebben verlaten. De Heere God vraagt een onverdeeld hart. Hij laat Zich vinden door hen, die naar Hem vragen met hun ganse hart.
Daarom spreek met hen, en zag tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Een ieder man uit het huis Israëls, die de drekgoden in zijn hart opzet, en den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht stelt, die inwendig nog in ‘t geheel niet los is van zijne neiging tot afgodendienst, endaarbij toch komt tot den Profeet, alsof hij in het recht Mijner verbondsbetrekking tot Mij stond, zodat hij Mij vrij en ongehinderd zou mogen vragen, Ik, de HEERE, zal hem, als hij komt, antwoorden naar de menigte zijner drekgoden, 1) die hij nog in zijn hart draagt en met zijn hart omhelst.
Zij zullen zodanig een antwoord hebben, als recht is, dat zulke afgodendienaars krijgen en God zal hen straffen, als Hij gewoon is afgodendienaars te straffen, dat is, wanneer zij zijne hulpe nodig hebben. Merkt hieraan, Gods oordeel zal bij hen blijven volgens hetgeen zij waarlijk zijn, dat is volgens hetgeen hun harten zijn, niet volgens hetgeen zij in de vertoning en belijdenis zijn.
Opdat Ik het huis Israëls in hun hart grijpe, dewijl zij allen door hun drekgoden van Mij vervreemd zijn, en nu voor alles door straf en bezoeking ene kastijding tot gerechtigheid nodig hebben. Hoe God zulke mensen zal antwoorden, of liever antwoordende Zich omtrent hen zal gedragen, wordt eerst in vs. 8 gezegd. Het oordeel der verwoesting en uitroeiing zal het feitelijk antwoord zijn, en dat is voor hen een antwoord, zo als zij het alleen verdienen, een antwoord naar de menigte hunner drekgoden. Dit antwoord is echter, zo als vs. 5 te kennen geeft, tevens een genadig, heilzaam antwoord; het geschiedt met de bedoeling om het huis Israëls in het hart te grijpen, het door oordelen te buigen, van zijne misdaad te overtuigen en te bewegen tot verlaten van den afgodendienst en tot terugkeren tot den levenden God, zodat de in Lev. 26:41 genoemde vreedzame vrucht der gerechtigheid door de kastijding wordt verkregen.
Leid daarom hun opmerkzaamheid af van hetgeen zij omtrent de toekomst willen en wensen, op hetgeen Ik van hen wil en verlang, zeg tot het huis Israëls: Alzo zegt de Heere HEERE: Bekeert u en keert u af van uwe drekgoden, en keert uwe aangezichten af van al uwe gruwelen 1) (Jes. 31:6).
Hier zegt de Heere het weer, dat alleen in den weg van bekering, van scheiding tussen God en de afgoden redding is. Eerst dan als het volk zijne afgoden met zelfverfoeiing en treuring zal wegwerpen, zal er redding zijn voor land en volk. Dit geldt ook van het stuk der personele bekering.
Vraagt Mij echter niet bij uwe tegenwoordige gesteldheid des harten, wanneer gij een verblijdend antwoord wenst; want ieder man uit het huis Israëls en uit den vreemdeling, die in Israël verkeert, en tot het mijden van afgodendienst en allen zedelijken gruwel even zo goed als de ingeborene Israëliet verplicht is (Lev. 18:26; 20:2), die zich van achter Mij afscheidt, en zet zijne drekgoden op in zijn hart, en stelt den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht, ennog onbekeerd en onvernieuwd komt tot den Profeet, om Mij door hem te vragen; Ik ben de HEERE, hem zal geantwoord worden door Mij, zo als overeenkomt met Mijn heilig, waarachtig en rechtvaardig wezen.
En Ik zal een antwoord met daden geven Ik zal Mijn aangezicht tegen dien man zetten (Lev. 20:2, 5 en 6), en zal hem met allen, die op gelijk standpunt des harten staan, stellen tot een teken en tot spreekwoorden (Deut. 28:37) en zal hem uitroeien uit het midden Mijns volks, en gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE ben, die niet te vergeefs heb gedreigd, wat Ik in Mijn woord den afgodendienaars gedreigd heb. Het woord, dat de Profeet voor zijne vragers ontvangt, dringt tot de beweegredenen door, op welke zij zich voorstelden nog wel een meer gunstig antwoord te zullen ontvangen, dan dat zij uit de voorzegging van Ezechiël tot hiertoe hadden verkregen. De eerste reden is voor hen, dat er toch andere profeten waren, die toch ook den Geest Gods hadden, en deze profeteerden het volk ene veel betere toekomst; hij nam dus tegenover de menigte zijner ambtgenoten ene plaats in, die hem ondubbelzinnig als enen zonderling karakteriseerde, dien men toch niet zo onvoorwaardelijk en uitsluitend kon geloven, als hij het verlangde. Deze mening, die de afgezanten der oudsten natuurlijk nog minder uitspreken, dan hun bedoeling om te vragen zelf, daar zij hun tot bewustzijn wordt gebracht, wordt tevens op de snijdenste en scherpste wijze den bodem ingeslagen.
Wat in vs. 6-8 gezegd is, is het enig antwoord, dat Ik heb te geven. Als nu een profeet door begeerte om degenen, die hem ondervragen, te believen, overreed zal zijn, en iets gesproken zal hebben, Ik, de HEERE, heb dienzelven profeet overreed, 1) Ik heb hem laten bedrogen worden, en Ik zal Mijne hand tegen hem uitstrekken, om hem zijne misdaad te vergelden, en zal hem verdelgen uit het midden van Mijn volk Israëls.
Hier schijnt God met Zichzelven in strijd te zijn, terwijl Hij aan Satan verlof geeft, om de enige ware onderwijzing in te scherpen. Indien dit geschiedde naar Gods bestel, schijnt het toch als ware het een contrast. Maar laten wij het ons altijd herinneren, dat de oordelen Gods een diepe afgrond zijn, opdat wij niet, zoals wij zien, dat de vermetele mens doet, met geweld willen weten, wat verre boven de bevatting der Engelen is. Sober en met eerbied is te oordelen over de werken Gods, inzonderheid over de hemelse oordelen. Maar indien er slechts eerbied en bescheidenheid bij ons is, zal het gemakkelijk zijn deze twee te verzoenen, dat n. l. God Zijn Kerk voortbrengt, en begunstigt, en beschermt, en bevestigt door het Profetisch onderwijs en ondertussen haar door innerlijke tweedracht verscheurt en als het ware toelaat, dat zijn verdeeld wordt . Hieruit ziet men weer zo duidelijk mogelijk, dat buiten den wil des Heeren niets geschiedt, dat ook de valse profeet geen macht heeft, om te overreden, tenzij deze hem door den Heere is gegeven.
En zij zullen beiden hun ongerechtigheid dragen, de Profeet zowel als de vrager, in de straf der uitroeiing, die hen treft; gelijk de ongerechtigheid des vragers zal zijn, alzo zal zijn de ongerechtigheid des profeten, beiden zullen zij zonder onderscheid de uitroeiing uit Mijn volk over hun hoofd brengen;
Opdat het huis Israëls niet meer van achter Mij afdwale, en zij, die tot dat huis behoren, zich niet meer verontreinigen met al hun overtredingen; alsdan zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot enen God zijn, spreekt de HEERE (Hoofdst. 11:20). De verleiding of het bedrog, waarvan in vs. 9 sprake is, gaat oorspronkelijk uit van de inwonende zonde (Jak. 1:14); anders kon zij geen voorwerp van straf zijn; maar God heeft bij de ontwikkeling der zonde gene passieve rol (2 Sam. 24:1). Hij weet de zaak overal zo te leiden, dat de zonde tot hare volkomene ontwikkeling en rijpheid komt en de straf met zich voert. Hij zorgt er voor, dat geen stilstand kan plaats hebben, geen standhouden op een middentrap; Hij maakt de gelegenheden en ruimt de hinderpalen weg. Er is nauwelijks ene in ‘t oog vallende zonde, bij welke niet op ontzettende wijze de werkzaamheid Gods ons zichtbaar zal zijn. Zulke ellendige mensen nu, die zelf onder Gods beschikking staan, door Hem geleid worden, waarheen zij niet willen en het oordeel te gemoet snellen, kunnen onmogelijk een staf aan anderen geven. Wie deze als autoriteit tegen de ware Profeten wil aanvoegen, of op grond van hun woorden aan deze eisen wil stellen, die zij toch nooit kunnen vervullen, is een dwaas. De plaats moet verklaard worden volgens 1 Kon. 22:20 vv. waar het overreden de zaak van een leugengeest is, die Achabs Profeten inspireerde om den koning zegen te verkondigen, opdat hij zou vallen. Even als daar Jehova dezen geest heeft gezonden, dien in de mond der Profeten gegeven heeft, zo is ook hier het overreden ene werking van God, niet alleen van Goddelijke toelating, maar van Goddelijke beschikking en leiding, die toch de menselijke vrijheid niet opheft, maar even als elk overreden, de mogelijkheid veronderstelt van het zich niet laten overreden. Dit zich laten overreden tot eigendunkelijke, door God niet ingegevene uitspraken geschiedt alleen bij zulke personen, die den boze in zich plaats geven, om ze te verzoeken en tot beslissing te brengen, of zij de zondige neigingen van hun binnenste trachten te bestrijden en te overwinnen, of ze tot daad te laten worden, opdat zij in het laatste geval rijp worden voor het gericht. In dezen zin laat God zulk enen Profeet bedrogen worden, opdat Hij hem dan uit Zijn volk zou kunnen uitroeien. Deze straf zal echter den Profeet niet alleen treffen, maar ook die hem zoeken of vragen, om Israël zo mogelijk van zijne dwaalwegen terug te brengen, en te maken tot een van zonde gereinigd volk van God. Tot dat doel liet God in de laatste tijden van het rijk van Juda de valse profetie krachtig optreden, om het proces der scheiding tussen de vromen en de goddelozen te bespoedigen, en door het gericht, dat de goddelozen verdelgt. Zijn volk te louteren en tot het doel zijner roeping te leiden.
Verder geschiedde op denzelfden tijd als in vs. 1 vv. des HEEREN woord tot mij zeggende:
Mensenkind! als een land, gelijk dat, hetwelk Ik in ‘t bijzonder bedoel (Deut. 11:12) tegen Mij gezondigd zal hebben, zwaarlijk overtredende, daar het alle Mijne woorden achter zich werpt, waarmee Ik het van zijne zonde wil bekeren (Lev. 26:14 vv. #Le Ps. 50:17), zo zal Ik overeenkomstig Mijne bedreiging in Lev. 26:26, Mijne hand daartegen uitstrekken, en zal het den staf des broods breken, en enen honger daarin zenden, dat Ik daaruit mensen en beesten uitroeie;
Ofschoon deze drie mannen, die voor toonbeelden der gerechtigheid mogen worden gehouden, Noach, Daniël en Job 1) in het midden daarvan waren, zij zouden door hun gerechtigheid alleen hun ziel bevrijden, spreekt de Heere HEERE.
Alle drie waren uitmuntende personen, wegens hun godsdienstigheid. Noach behield als ene vergelding voor zijne godsdienstigheid acht mensen uit den algemenen zondvloed en verkreeg een belofte van God, dat Hij de wereld nooit meer met water zou verderven. Daniël trad hierdoor bij God voor het gehele volk der Joden en verkreeg ene belofte van hun herstelling. Job was van God gesteld om te bidden voor zijne drie vrienden, en verkreeg vergiffenis voor hen. Maar wanneer Gods onherroepelijk besluit tegen een volk is uitgegaan, dat welk de mate zijner ongerechtigheid vol heeft gemaakt, dan kunnen de voorbidding zelfs van zulke mannen niet helpen tot hun verlossing. Want alleen voor dezulken, die nog niet gekomen zijn tot die hoogte van goddeloosheid, kunnen de gebeden der rechtvaardigen kracht hebben.
Zo Ik (volgens Lev. 26:22) het boos gedierte make door het land door te gaan, hetwelk dat van kinderen berove, zodat het woest worde, dat er niemand doorga, vanwege het gedierte.
Die drie in vs. 14 genoemde mannen in het midden daarvan zijnde, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij zonen en zo zij dochteren bevrijden zouden! zij zelf alleen zouden bevrijd worden, maar het land zou verwoest worden.
Of als Ik volgens Lev. 26:25 het zwaard brenge over dat land, en zegge: Zwaard! ga door, door dat land, zodat Ik daarvan uitroeie mensen en beesten:
Ofschoon die drie mannen in het midden daarvan waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zij zouden zonen noch dochteren bevrijden, maar zij zelf alleen zouden bevrijd worden.
Of als Ik de pestilentie in datzelve land zende, en Mijne grimmigheid daarover met of, in bloed uitgiete door middel van het andere in Lev. 26:25 genoemde zwaard der wrake, om daarvan mensen en beesten uit te roeien (Hoofdstuk 5:17).
Ofschoon Noach, Daniël en Job in het midden daarvan waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij enen zoon, of zo zij ene dochter zouden bevrijden! zij zouden alleen hun ziel door hun gerechtigheid bevrijden. Moesten nu de gezanten van Zedekia, tot ontmaskering van hun eigene boosheid, zulk een ontzettend woord horen, dan strekte de tweede daarop volgende Godsspraak ten bewijze, dat gene voorbede, al was zij ook van den uitnemendsten vrome, ter afwending van ene geselroede Gods iets kan baten, wanneer de Heere de verdelging vastelijk besloten had. Het gebed van enen rechtvaardige vermag anders veel, en ook hier wordt het niet afgekeurd en verboden, maar de Heere heeft Zijne eigene tijden in Zijne lankmoedigheid en verdraagzaamheid gesteld, en als deze al te lang getergd zijn en de tijd Zijner wrake, die lang te voren met bedreiging was aangekondigd, gekomen is, dan komen de oordelen onverbiddelijk en zeker. Zo gaat het met menig volk, onder verschillende strafgerichten Gods, maar zo gaat het ook menig zondaar, die op een krank- en sterfbed wordt neergelegd; als de Heere lang is getergd geworden. Zijne goedheid werd versmaad, en de verharde zondaar zich naar het rechtvaardig oordeel Gods het gewis verderf en ene eindeloze rampzaligheid heeft toebereid, dan baten de krachtigste voorbiddingen niet. Dat sta dan tot waarschuwing van menig zondaar, om het niet tot het uiterste te laten komen, en zich niet tegen den Heere te verharden. Hij verschoont wel menigvuldig en is een genadig God, hetwelk duizenden ondervinden, maar Hij is ook rechtvaardig en laat Zich niet bespotten.
Zo wanhopig slecht, dat er slechts nog drie rechtvaardigen in zijn, om wier klein getal gene verschoning der overigen meer mogelijk is, staat het met het land, waarover hier sprake is. Want alzo zegt de Heere HEERE: Hoe veel te meer, als Ik, gelijk binnenkort zal geschieden, Mijne vier boze gerichten, het zwaard, en den honger, en het boze gedierte, en de pestilentie (vgl. Jer. 15:8. Openb. 6:2-8) gezonden zal hebben tegen Jeruzalem, om daar uit mensen en beesten uit te roeien.
Doch ziet daarin zullen enige ontkomenen overblijven, die uitgevoerd zullen worden, zonen en dochteren, ziet zij zullen tot ulieden uitkomen naar Babel, geenszins als degenen, die om hun gerechtigheid zijn overgebleven, maar als levende en aanschouwelijke voorbeelden van de gehele gesteldheid van de bewoners der stad, en gij zult hunnen weg zien, en hun handelingen, hun verdorvenheid, en gij zult vertroost worden over het kwaad, dat Ik over Jeruzalem gebracht zal hebben, ja al wat Ik zal gebracht hebben over haar, die afgodische stad.
Zo zullen zij u op droevige wijze vertroosten, als gij hunnen weg en hun handelingen, hun lot vanwege hun goddeloosheid zien zult; en gij zult weten, dat Ik niet zonder oorzaak gedaan heb, al wat Ik in haar, in Jeruzalem, gedaan heb, spreekt de Heere HEERE. Eerst wordt in vs. 12-20 een zin uitgesproken, die nog algemeen en onbepaald klinkt. Wanneer ergens een land zich zo tegen God verzondigde, dat Hij de straf der verdelging daarop moest toepassen, zo zou het zulk een land niets baten, al waren ook enkele rechtvaardigen als Noach, Daniël en Job daarin. Zulke rechtvaardigen zouden dan wel voor hun persoon om hun gerechtigheid verschoond blijven, maar hun gerechtigheid zou niet de macht hebben om ook andere zielen van het oordeel te redden, zelfs niet die hunner zonen en dochteren. Deze gedachte wordt vier malen herhaald, terwijl na elkaar vier verschillende straffen der vernietiging, honger, boze dieren, zwaard en pest genoemd worden, als komende over een zondig land en dat verwoestende (vgl. Jer. 14 en 15). Overzien wij de vier opgenoemde gevallen, zo blijkt in de uitspraken over de redding der rechtvaardigen het onderscheid. In het eerste geval wordt alleen gezegd, dat Noach, Daniël en Job door hun gerechtigheid hun ziel, d. i. hun leven zouden redden; bij de drie volgende gevallen heet het daarentegen, zij zouden, zo waarlijk de Heere leeft, noch zonen noch dochters redden, maar zij alleen zouden gered worden. Dit onderscheid is niet slechts rhetorische opklimming der rede door bevestiging en tegenstelling, maar wijst op een verschil van gedachte. Het eerste geval moet alleen leren, dat de vromen bij het invallend gericht hun leven zullen redden, dat God de vromen niet met de goddelozen zal wegnemen. Daarentegen moeten de drie volgende gevallen de waarheid voorstellen, dat de rechtvaardigheid der vromen den afgodendienaars en afvalligen niet zal baten, daar zelfs toonbeelden van gerechtigheid, als Noach, Daniël en Job alleen hun eigen leven kunnen redden, maar gene andere zielen kunnen behouden. Daarmee hangt ook zamen, dat de plechtige verzekering in vs. 14 ontbreekt. Het eerste woord, dat God bij de gerichten de vromen zal redden, behoefde gene verzekering, omdat deze waarheid niet in twijfel werd getrokken, maar wel het woord, dat de gerechtigheid der vromen aan het zondige gene redding zal geven, omdat de goddelozen deze hoop hadden, die hun echter zou worden ontnomen. Daniël wordt met opzet in het midden der beide personen uit den vroegeren tijd geplaatst, om hem te verheerlijken, als het ware te kanoniseren, even als hij in Hoofdst. 28:3 bij ene schijnbaar ongezochte gelegenheid als het toppunt van menselijke wijsheid voorkomt, om zijn voorrang in dit opzicht in de gemeente Gods te doen erkennen. Waarop het hier aan komt, toont de eigenaardigheid dergenen, door welke hij van beide zijden is ingesloten (Gen. 6:9 en Job 1:1). Het is de gerechtigheid en het wandelen met God, die misschien een gericht zouden kunnen tegenhouden, hetwelk om de goddeloosheid en gerechtigheid komen zou, zo als dan ook in Gen. 18 de rechtvaardigen, die in Sodom mochten wezen, het zijn, die Abraham bedenkingen doen maken ten opzichte van de vernietiging, die besloten was. De vier bezoekingen Gods, welke elk met een “ofschoon” worden ingeleid, zouden werkelijk, zo als reeds dikwijls is voorzegd, verenigd over het ontaarde verbondsvolk, over het ontheiligde land des Heeren komen. De Profeet behandelt echter eerst de zaak in ‘t algemeen, afziende van de bestaande omstandigheden, opdat de gewaarwording door het zien dier laatste teweeg gebracht, zich niet dadelijk verstorend zou inmengen. De overgang van hetgeen slechts gezegd is tot de werkelijkheid volgt in vs. 21; het “want” aan het begin wijst op den grond der zo even gegeven verklaring, toont, dat Jeruzalem niet meer ene gewone plaats is. Het viertal bij de in vs. 21 genoemde gerichten is opmerkelijk, om de universaliteit van het gericht of de gedachte, dat het naar alle zijden of geheel en al over Jeruzalem zal komen, te symboliseren. Daarbij moet nog worden opgemerkt, dat Jeruzalem het rijk van Juda of het gehele Israël, dat zich nog in Kanaän bevindt, vertegenwoordigt. De rede van den Profeet neemt in vs. 23 vv. ene verrassende wending; zouden die vier straffen over Jeruzalem komen, er zouden enige zonen en dochteren verschoond blijven-maar opdat zij, als getuigen tot de verbannenen naar Babel zouden worden gevoerd, opdat deze uit hunnen weg en wandel de droevige vertroosting zouden ontvangen, dat de Heere niet te vergeefs ene zo harde straf over Zijne stad had besloten. Zij zullen ontkomen, ontlopen, niet omdat zij onschuldig zijn, ook niet omdat zij om de gerechtigheid en om de voorbede van anderen worden gespaard, maar opdat de ontvluchten met hun gezinnen door hunnen kwaden wandel u overtuigen, dat God Zich niet te gestreng jegens Zijn volk heeft getoond. Het doel, waarom zij worden gespaard, is dus geen ander dan om Gods rechtvaardigheid te doen blijken voor het oog der Joden in Chaldea. Daarom maakte ook werkelijk de eerste verschijning der vluchtelingen uit Juda te Tel-Abib, dat Ezechiëls aanzien steeg (vgl. Exod. 14:26, 27 en 33:21, 22). Die troost bestond (volgens vs. 21) daarin, dat zij inzagen, dat God niet zonder reden een zo zwaar gericht over Jeruzalem had doen komen. Tegen ene volmaakt rechtvaardige straf heeft niemand iets in te brengen, al is die nog zo zwaar, al lokt die nog zoveel medelijden uit. Gods gerechtigheid blijkt zowel in degenen, die omkomen als door degenen, die ontkomen, duidelijk.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel