Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1Toen sprakH1696GodH430alH3605dezeH428woordenH1697, zeggendeH559:Toen sprak God al deze woorden, zeggende:
KJVAnd God2spake1all these words,5saying,
1וַיְדַבֵּ֣רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work2אֱלֹהִ֔יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty3אֵ֛תH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)5הַדְּבָרִ֥יםH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work6הָאֵ֖לֶּהH428deze, dit, dezenan-(the) other; one sort, so, some, such, them, these (same), they, this, those, thus, which, who(-m)7לֵאמֹֽרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet
2Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2IkH595 ben de HEEREH3068 uw GodH430, DieH834 u uit EgyptelandH776, uit het diensthuisH1004, uitgeleidH3318 heb.Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.
KJVI am the LORD2thy God,3which have brought5thee out of the land6of Egypt,7out of the house8of bondage.
1אָֽנֹכִ֖יH595ik, mijI, me, [idiom] which2יְהוָ֣הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3אֱלֹהֶ֑יךָH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty4אֲשֶׁ֧רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection5הוֹצֵאתִ֛יךָH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter6מֵאֶ֥רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world7מִצְרַ֖יִםH4714Egypte, Egyptenaren, EgyptenaarsEgypt, Egyptians, Mizraim8מִבֵּ֥יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)9עֲבָדִֽיםH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant
3Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3Gij zult geenH3808 andere godenH430 voor Mijn aangezichtH6440 hebben.Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.
KJVThou shalt have no other5gods4before me.
1לֹֽ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2יִהְיֶֽהH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use3לְךָ֛4אֱלֹהִ֥יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty5אֲחֵרִ֖יםH312ander, anders, aarde(an-) other man, following, next, strange6עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with7פָּנָֽיַH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you
4Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4Gij zult u geen gesneden beeldH6459, noch enigeH3605gelijkenisH8544makenH6213, van hetgeenH834 boven in den hemelH8064 is, noch van hetgeen onder op de aardeH776 is, noch van hetgeen in de waterenH4325onderH8478 de aardeH776 is.Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.
KJVThou shalt not make2unto thee any graven image,4or any likeness6of any thing that7is in heaven8above,9or that is in the earth11beneath, or that is in the water14under the earth:
1לֹֽ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2תַֽעֲשֶׂ֨הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use3לְךָ֥4פֶ֨סֶל֙H6459gesneden beeld, gesneden beelden, beeldcarved (graven) image5וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)6תְּמוּנָ֔הH8544gelijkenis, beeld, beeltenisimage, likeness, similitude7אֲשֶׁ֤רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection8בַּשָּׁמַ֨יִם֙H8064hemel, hemels, hemelenair, [idiom] astrologer, heaven(-s)9מִמַּ֔עַלH4605opwaarts, hoogste, omhoogabove, exceeding(-ly), forward, on ([idiom] very) high, over, up(-on, -ward), very10וַאֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection11בָּאָ֖רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world12מִתָּ֑חַתH8478onder, plaats, vooras, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with13וַאֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection14בַּמַּ֖יִםH4325water, wateren, waters[phrase] piss, wasting, water(-ing, (-course, -flood, -spring))15מִתַּ֥חַתH8478onder, plaats, vooras, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with16לָאָֽרֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world
5Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5Gij zult u voor die niet buigenH7812, nochH3808 hen dienenH5647; wantH3588IkH595, de HEEREH3068 uw God, ben een ijverigH7067 God, Die de misdaadH5771 der vaderenH1bezoekH6485aanH5921 de kinderenH1121, aanH5921 het derdeH8029, en aanH5921 het vierdeH7256 lid dergenen, die Mij hatenH8130;Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten;
Ook in dit vers
GodH410
GodH430
KJVThou shalt not bow down2thyself to them, nor serve5them: for I the LORD8thy God9am a jealous11God,10visiting12the iniquity13of the fathers14upon the children16unto the third18and fourth20generation of them that hate
1לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2תִשְׁתַּחֲוֶ֥הH7812boog, bogen, nederbuigenbow (self) down, crouch, fall down (flat), humbly beseech, do (make) obeisance, do reverence, make to stoop, worship3לָהֶ֖ם4וְלֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without5תָעָבְדֵ֑םH5647dienen, gediend, dient[idiom] be, keep in bondage, be bondmen, bond-service, compel, do, dress, ear, execute, [phrase] husbandman, keep, labour(-ing man, bring to pass, (cause to, make to) serve(-ing, self), (be, become) servant(-s), do (use) service, till(-er), transgress (from margin), (set a) work, be wrought, worshipper,6כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet7אָֽנֹכִ֞יH595ik, mijI, me, [idiom] which8יְהוָ֤הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)9אֱלֹהֶ֨יךָ֙H430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty10אֵ֣לH410God, Gods, godGod (god), [idiom] goodly, [idiom] great, idol, might(-y one), power, strong. Compare names in '-el.'11קַנָּ֔אH7067ijverig, Ijveraarjealous. Compare H7072 (קַנּוֹא)12פֹּ֠קֵדH6485getelden, bezoeken, bezoekingappoint, [idiom] at all, avenge, bestow, (appoint to have the, give a) charge, commit, count, deliver to keep, be empty, enjoin, go see, hurt, do judgment, lack, lay up, look, make, [idiom] by any means, miss, number, officer, (make) overseer, have (the) oversight, punish, reckon, (call to) remember(-brance), set (over), sum, [idiom] surely, visit, want13עֲוֺ֨ןH5771ongerechtigheid, ongerechtigheden, misdaadfault, iniquity, mischeif, punishment (of iniquity), sin14אָבֹ֧תH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'15עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with16בָּנִ֛יםH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth17עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with18שִׁלֵּשִׁ֥יםH8029derdethird (generation)19וְעַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with20רִבֵּעִ֖יםH7256vierdefourth21לְשֹׂנְאָֽיH8130haat, haten, hatersenemy, foe, (be) hate(-ful, -r), odious, [idiom] utterly
6En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6En doeH6213barmhartigheidH2617 aan duizendenH505 dergenen, die Mij liefhebbenH157, en Mijn gebodenH4687onderhoudenH8104.En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden.
KJVAnd shewing1mercy2unto thousands3of them that love4me, and keep5my commandments.
1וְעֹ֥שֶׂהH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use2חֶ֖סֶדH2617goedertierenheid, weldadigheid, goedertierenhedenfavour, good deed(-liness, -ness), kindly, (loving-) kindness, merciful (kindness), mercy, pity, reproach, wicked thing3לַאֲלָפִ֑יםH505duizend, duizenden, twee duizendthousand4לְאֹהֲבַ֖יH157lief, liefhebben, liefheeft(be-) love(-d, -ly, -r), like, friend5וּלְשֹׁמְרֵ֥יH8104houden, bewaren, waarnemenbeward, be circumspect, take heed (to self), keep(-er, self), mark, look narrowly, observe, preserve, regard, reserve, save (self), sure, (that lay) wait (for), watch(-man)6מִצְוֺתָֽיH4687geboden, gebod, bevolen(which was) commanded(-ment), law, ordinance, precept
7Gij zult den Naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7Gij zult den NaamH8034 des HEERENH3068 uws GodsH430 niet ijdellijkH7723gebruikenH5375; wantH3588 de HEEREH3068 zal nietH3808onschuldig houdenH5352, dieH834 Zijn NaamH8034ijdellijkH7723gebruiktH5375.Gij zult den Naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.
KJVThou shalt not take2the name4of the LORD5thy God6in vain;7for the LORD11will not hold him guiltless10that taketh14his name16in vain.
1לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2תִשָּׂ֛אH5375dragen, hief, droegenaccept, advance, arise, (able to, (armor), suffer to) bear(-er, up), bring (forth), burn, carry (away), cast, contain, desire, ease, exact, exalt (self), extol, fetch, forgive, furnish, further, give, go on, help, high, hold up, honorable ([phrase] man), lade, lay, lift (self) up, lofty, marry, magnify, [idiom] needs, obtain, pardon, raise (up), receive, regard, respect, set (up), spare, stir up, [phrase] swear, take (away, up), [idiom] utterly, wear, yield3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4שֵֽׁםH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report5יְהוָ֥הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)6אֱלֹהֶ֖יךָH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty7לַשָּׁ֑וְאH7723ijdelheid, ijdellijk, vergeefsfalse(-ly), lie, lying, vain, vanity8כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet9לֹ֤אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without10יְנַקֶּה֙H5352onschuldig, onschuldig houden, reinacquit [idiom] at all, [idiom] altogether, be blameless, cleanse, (be) clear(-ing), cut off, be desolate, be free, be (hold) guiltless, be (hold) innocent, [idiom] by no means, be quit, be (leave) unpunished, [idiom] utterly, [idiom] wholly11יְהוָ֔הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)12אֵ֛תH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection14יִשָּׂ֥אH5375dragen, hief, droegenaccept, advance, arise, (able to, (armor), suffer to) bear(-er, up), bring (forth), burn, carry (away), cast, contain, desire, ease, exact, exalt (self), extol, fetch, forgive, furnish, further, give, go on, help, high, hold up, honorable ([phrase] man), lade, lay, lift (self) up, lofty, marry, magnify, [idiom] needs, obtain, pardon, raise (up), receive, regard, respect, set (up), spare, stir up, [phrase] swear, take (away, up), [idiom] utterly, wear, yield15אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)16שְׁמ֖וֹH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report17לַשָּֽׁוְאH7723ijdelheid, ijdellijk, vergeefsfalse(-ly), lie, lying, vain, vanity
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8GedenktH2142 den sabbatdagH7676, dat gij dien heiligtH6942.Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt.
KJVRemember1the sabbath4day,3to keep it holy.
1זָכ֛וֹרH2142gedenken, gedacht, Gedenk[idiom] burn (incense), [idiom] earnestly, be male, (make) mention (of), be mindful, recount, record(-er), remember, make to be remembered, bring (call, come, keep, put) to (in) remembrance, [idiom] still, think on, [idiom] well2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3י֥וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger4הַשַּׁבָּ֖תH7676sabbat, sabbatten, sabbatdag([phrase] every) sabbath5לְקַדְּשֽׁוֹH6942geheiligd, heiligen, heiligtappoint, bid, consecrate, dedicate, defile, hallow, (be, keep) holy(-er, place), keep, prepare, proclaim, purify, sanctify(-ied one, self), [idiom] wholly
9Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9ZesH8337dagenH3117 zult gij arbeidenH5647 en alH3605 uw werkH4399doenH6213;Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen;
10Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10Maar de zevendeH7637dagH3117 is de sabbatH7676 des HEERENH3068 uws GodsH430; dan zult gij geen werkH4399doenH6213, gijH859, noch uw zoonH1121, noch uw dochterH1323, noch uw dienstknechtH5650, noch uw dienstmaagdH519, noch uw veeH929, noch uw vreemdelingH1616, dieH834 in uw poortenH8179 is;Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is;
KJVBut the seventh2day1is the sabbath3of the LORD4thy God:5in it thou shalt not do7any work,9thou, nor thy son,11nor thy daughter,12thy manservant,13nor thy maidservant,14nor thy cattle,15nor thy stranger16that is within thy gates:
1וְי֨וֹם֙H3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger2הַשְּׁבִיעִ֔יH7637zevenden, zevende, zevenseventh (time)3שַׁבָּ֖תH7676sabbat, sabbatten, sabbatdag([phrase] every) sabbath4לַיהוָ֣הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5אֱלֹהֶ֑יךָH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty6לֹֽ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without7תַעֲשֶׂ֨הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use8כָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)9מְלָאכָ֜הH4399werk, werks, handwerkbusiness, [phrase] cattle, [phrase] industrious, occupation, ([phrase] -pied), [phrase] officer, thing (made), use, (manner of) work((-man), -manship)10אַתָּ֣הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you11וּבִנְךָֽ֣H1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth12וּבִתֶּ֗ךָH1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village13עַבְדְּךָ֤H5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant14וַאֲמָֽתְךָ֙H519dienstmaagd, dienstmaagden, maagden(hand-) bondmaid(-woman), maid(-servant)15וּבְהֶמְתֶּ֔ךָH929beesten, vee, beestbeast, cattle16וְגֵרְךָ֖H1616vreemdeling, vreemdelingen, vreemdelingsalien, sojourner, stranger17אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection18בִּשְׁעָרֶֽיךָH8179poort, poorten, stadspoortcity, door, gate, port ([idiom] -er)
11Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE den sabbatdag, en heiligde denzelven.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11WantH3588 in zesH8337dagenH3117 heeft de HEEREH3068 den hemelH8064 en de aardeH776gemaaktH6213, de zeeH3220 en alH3605watH834 daarin is, en Hij rustteH5117 ten zevendenH7637dageH3117; daaromH3651zegendeH1288 de HEEREH3068 den sabbatdagH7676, en heiligdeH6942 denzelven.Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE den sabbatdag, en heiligde denzelven.
KJVFor in six2days3the LORD5made4heaven7and earth,9the sea,11and all that in them is, and rested16the seventh18day:17wherefore the LORD22blessed21the sabbath25day,24and hallowed
1כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet2שֵֽׁשֶׁתH8337zes, zeshonderd, zestiensix(-teen, -teenth), sixth3יָמִים֩H3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger4עָשָׂ֨הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use5יְהוָ֜הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)6אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7הַשָּׁמַ֣יִםH8064hemel, hemels, hemelenair, [idiom] astrologer, heaven(-s)8וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9הָאָ֗רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11הַיָּם֙H3220zee, westen, zeeensea ([idiom] -faring man, (-shore)), south, west (-ern, side, -ward)12וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)14אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection15בָּ֔ם16וַיָּ֖נַחH5117rust, rusten, rust gegevencease, be confederate, lay, let down, (be) quiet, remain, (cause to, be at, give, have, make to) rest, set down. Compare H3241 (יָנִים)17בַּיּ֣וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger18הַשְּׁבִיעִ֑יH7637zevenden, zevende, zevenseventh (time)19עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with20כֵּ֗ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you21בֵּרַ֧ךְH1288zegenen, gezegend, zegende[idiom] abundantly, [idiom] altogether, [idiom] at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, [idiom] greatly, [idiom] indeed, kneel (down), praise, salute, [idiom] still, thank22יְהוָ֛הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)23אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)24י֥וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger25הַשַּׁבָּ֖תH7676sabbat, sabbatten, sabbatdag([phrase] every) sabbath26וַֽיְקַדְּשֵֽׁהוּH6942geheiligd, heiligen, heiligtappoint, bid, consecrate, dedicate, defile, hallow, (be, keep) holy(-er, place), keep, prepare, proclaim, purify, sanctify(-ied one, self), [idiom] wholly
12Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12EertH3513 uw vaderH1 en uw moederH517, opdatH4616 uw dagenH3117verlengdH748 worden in het landH127, datH834 u de HEEREH3068 uw GodH430geeftH5414.Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft.
KJVHonour1thy father3and thy mother:5that thy days8may be long7upon the land10which the LORD12thy God13giveth
1כַּבֵּ֥דH3513zwaar, eren, verheerlijktabounding with, more grievously afflict, boast, be chargeable, [idiom] be dim, glorify, be (make) glorious (things), glory, (very) great, be grievous, harden, be (make) heavy, be heavier, lay heavily, (bring to, come to, do, get, be had in) honour (self), (be) honourable (man), lade, [idiom] more be laid, make self many, nobles, prevail, promote (to honour), be rich, be (go) sore, stop2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3אָבִ֖יךָH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'4וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5אִמֶּ֑ךָH517moeder, moedersdam, mother, [idiom] parting6לְמַ֨עַן֙H4616opdat, om, omdatbecause of, to the end (intent) that, for (to,... 's sake), [phrase] lest, that, to7יַאֲרִכ֣וּןH748verlengen, verlengt, verlengddefer, draw out, lengthen, (be, become, make, pro-) long, [phrase] (out-, over-) live, tarry (long)8יָמֶ֔יךָH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger9עַ֚לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with10הָאֲדָמָ֔הH127land, aardbodem, landscountry, earth, ground, husband(-man) (-ry), land11אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection12יְהוָ֥הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)13אֱלֹהֶ֖יךָH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty14נֹתֵ֥ןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield15לָֽךְ
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13Gij zult nietH3808doodslaanH7523.Gij zult niet doodslaan.
KJVThou shalt not kill.
1לֹ֖אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2תִּרְצָֽחH7523doodslager, doodslagers, doodslaanput to death, kill, (man-) slay(-er), murder(-er)
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14Gij zult nietH3808echtbrekenH5003.Gij zult niet echtbreken.
KJVThou shalt not commit adultery.
1לֹ֖אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2תִּנְאָֽףH5003overspel, overspelers, bedrijven overspeladulterer(-ess), commit(-ing) adultery, woman that breaketh wedlock
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15Gij zult nietH3808stelenH1589.Gij zult niet stelen.
KJVThou shalt not steal.
1לֹ֖אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2תִּגְנֹֽבH1589gestolen, stelen, steeltcarry away, [idiom] indeed, secretly bring, steal (away), get by stealth
16Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16Gij zult geenH3808valseH8267getuigenisH5707sprekenH6030 tegen uw naasteH7453.Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
KJVThou shalt not bear2false5witness4against thy neighbour.
1לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2תַעֲנֶ֥הH6030antwoordde, antwoorden, antwoorddengive account, afflict (by mistake for H6031 (עָנָה)), (cause to, give) answer, bring low (by mistake for H6031 (עָנָה)), cry, hear, Leannoth, lift up, say, [idiom] scholar, (give a) shout, sing (together by course), speak, testify, utter, (bear) witness. See also H1042 (בֵּית עֲנוֹת), H1043 (בֵּית עֲנָת)3בְרֵעֲךָ֖H7453naaste, naasten, vriendbrother, companion, fellow, friend, husband, lover, neighbour, [idiom] (an-) other4עֵ֥דH5707getuige, getuigen, Getuigewitness5שָֽׁקֶרH8267leugen, valse, valsheidwithout a cause, deceit(-ful), false(-hood, -ly), feignedly, liar, [phrase] lie, lying, vain (thing), wrongfully
17Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17Gij zult nietH3808begerenH2530 uws naastenH7453huisH1004; gij zult nietH3808begerenH2530 uws naastenH7453vrouwH802, noch zijn dienstknechtH5650, noch zijn dienstmaagdH519, noch zijn osH7794, noch zijn ezelH2543, noch ietsH3605, datH834 uws naastenH7453 is.Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is.
KJVThou shalt not covet2thy neighbour's4house,3thou shalt not covet6thy neighbour's8wife,7nor his manservant,9nor his maidservant,10nor his ox,11nor his ass,12nor any thing that is thy neighbour's.
1לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2תַחְמֹ֖דH2530begeren, begeerd, begeerlijkbeauty, greatly beloved, covet, delectable thing, ([idiom] great) delight, desire, goodly, lust, (be) pleasant (thing), precious (thing)3בֵּ֣יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)4רֵעֶ֑ךָH7453naaste, naasten, vriendbrother, companion, fellow, friend, husband, lover, neighbour, [idiom] (an-) other5לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without6תַחְמֹ֞דH2530begeren, begeerd, begeerlijkbeauty, greatly beloved, covet, delectable thing, ([idiom] great) delight, desire, goodly, lust, (be) pleasant (thing), precious (thing)7אֵ֣שֶׁתH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English8רֵעֶ֗ךָH7453naaste, naasten, vriendbrother, companion, fellow, friend, husband, lover, neighbour, [idiom] (an-) other9וְעַבְדּ֤וֹH5650knechten, knecht, knechts[idiom] bondage, bondman, (bond-) servant, (man-) servant10וַאֲמָתוֹ֙H519dienstmaagd, dienstmaagden, maagden(hand-) bondmaid(-woman), maid(-servant)11וְשׁוֹר֣וֹH7794os, ossen, ossesbull(-ock), cow, ox, wall (by mistake for H7791 (שׁוּר))12וַחֲמֹר֔וֹH2543ezel, ezelen, ezels(he) ass13וְכֹ֖לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)14אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection15לְרֵעֶֽךָH7453naaste, naasten, vriendbrother, companion, fellow, friend, husband, lover, neighbour, [idiom] (an-) other
18En al het volk zag de donderen, en de bliksemen, en het geluid der bazuin, en den rokenden berg; toen het volk zulks zag, weken zij af, en stonden van verre.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18En alH3605 het volkH5971zagH7200 de donderenH6963, en de bliksemenH3940, en het geluidH6963 der bazuinH7782, en den rokendenH6226bergH2022; toen het volkH5971 zulks zagH7200, wekenH5128 zij af, en stondenH5975 van verreH7350.En al het volk zag de donderen, en de bliksemen, en het geluid der bazuin, en den rokenden berg; toen het volk zulks zag, weken zij af, en stonden van verre.
KJVAnd all the people2saw3the thunderings,5and the lightnings,7and the noise9of the trumpet,10and the mountain12smoking:13and when the people15saw14it, they removed,16and stood17afar off.
1וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)2הָעָם֩H5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people3רֹאִ֨יםH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions4אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5הַקּוֹלֹ֜תH6963stem, geluid, geruis[phrase] aloud, bleating, crackling, cry ([phrase] out), fame, lightness, lowing, noise, [phrase] hold peace, (pro-) claim, proclamation, [phrase] sing, sound, [phrase] spark, thunder(-ing), voice, [phrase] yell6וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7הַלַּפִּידִ֗םH3940fakkelen, fakkel, bliksemen(fire-) brand, (burning) lamp, lightning, torch8וְאֵת֙H853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9ק֣וֹלH6963stem, geluid, geruis[phrase] aloud, bleating, crackling, cry ([phrase] out), fame, lightness, lowing, noise, [phrase] hold peace, (pro-) claim, proclamation, [phrase] sing, sound, [phrase] spark, thunder(-ing), voice, [phrase] yell10הַשֹּׁפָ֔רH7782bazuin, bazuinen, ramsbazuinencornet, trumpet11וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12הָהָ֖רH2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion13עָשֵׁ֑ןH6226rokende, rokendensmoking14וַיַּ֤רְאH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions15הָעָם֙H5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people16וַיָּנֻ֔עוּH5128schudden, omzwerven, bewogencontinually, fugitive, [idiom] make, to (go) up and down, be gone away, (be) move(-able, -d), be promoted, reel, remove, scatter, set, shake, sift, stagger, to and fro, be vagabond, wag, (make) wander (up and down)17וַיַּֽעַמְד֖וּH5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry18מֵֽרָחֹֽקH7350verre, verren, ver(a-) far (abroad, off), long ago, of old, space, great while to come
19En zij zeiden tot Mozes: Spreek gij met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19En zij zeidenH559totH413MozesH4872: SpreekH1696gijH859 met ons, en wij zullen horenH8085; en dat GodH430metH5973 ons nietH408sprekeH1696, opdat wij niet stervenH4191!En zij zeiden tot Mozes: Spreek gij met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven!
KJVAnd they said1unto Moses,3Speak4thou with us, and we will hear:7but let not God11speak9with us, lest we die.
1וַיֹּֽאמְרוּ֙H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3מֹשֶׁ֔הH4872Mozes, Mozes', mozesMoses4דַּבֵּרH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work5אַתָּ֥הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you6עִמָּ֖נוּH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)7וְנִשְׁמָ֑עָהH8085horen, gehoord, hoorde[idiom] attentively, call (gather) together, [idiom] carefully, [idiom] certainly, consent, consider, be content, declare, [idiom] diligently, discern, give ear, (cause to, let, make to) hear(-ken, tell), [idiom] indeed, listen, make (a) noise, (be) obedient, obey, perceive, (make a) proclaim(-ation), publish, regard, report, shew (forth), (make a) sound, [idiom] surely, tell, understand, whosoever (heareth), witness8וְאַלH408niet, geen, niemandnay, neither, [phrase] never, no, nor, not, nothing (worth), rather than9יְדַבֵּ֥רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work10עִמָּ֛נוּH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)11אֱלֹהִ֖יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty12פֶּןH6435opdat niet, anders(lest) (peradventure), that...not13נָמֽוּתH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise
20En Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, want God is gekomen, opdat Hij u verzocht, en opdat Zijn vreze voor uw aangezicht zou zijn, dat gij niet zondigdet.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20En MozesH4872zeideH559totH413 het volkH5971: VreestH3372 niet, wantH3588GodH430 is gekomenH935, opdat Hij u verzochtH5254, en opdat Zijn vrezeH3374 voor uw aangezichtH6440 zou zijn, dat gij niet zondigdetH2398.En Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, want God is gekomen, opdat Hij u verzocht, en opdat Zijn vreze voor uw aangezicht zou zijn, dat gij niet zondigdet.
KJVAnd Moses2said1unto the people,4Fear6not: for God12is come11to8prove9you, and that his fear15may be before your faces,17that ye sin
1וַיֹּ֨אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2מֹשֶׁ֣הH4872Mozes, Mozes', mozesMoses3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4הָעָם֮H5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people5אַלH408niet, geen, niemandnay, neither, [phrase] never, no, nor, not, nothing (worth), rather than6תִּירָאוּ֒H3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)7כִּ֗יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet8לְבַֽעֲבוּר֙H5668wil, harentwil, waarlijkbecause of, for (...'s sake), (intent) that, to9נַסּ֣וֹתH5254verzocht, verzoeken, verzochtenadventure, assay, prove, tempt, try10אֶתְכֶ֔םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11בָּ֖אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way12הָאֱלֹהִ֑יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty13וּבַעֲב֗וּרH5668wil, harentwil, waarlijkbecause of, for (...'s sake), (intent) that, to14תִּהְיֶ֧הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use15יִרְאָת֛וֹH3374vreze, vrees, vrezen[idiom] dreadful, [idiom] exceedingly, fear(-fulness)16עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with17פְּנֵיכֶ֖םH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you18לְבִלְתִּ֥יH1115niet, niemand, tenzijbecause un(satiable), beside, but, [phrase] continual, except, from, lest, neither, no more, none, not, nothing, save, that no, without19תֶחֱטָֽאוּH2398gezondigd, zondigen, zondigtbear the blame, cleanse, commit (sin), by fault, harm he hath done, loss, miss, (make) offend(-er), offer for sin, purge, purify (self), make reconciliation, (cause, make) sin(-ful, -ness), trespass
21En het volk stond van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid, alwaar God was.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21En het volkH5971stondH5975 van verreH7350; maar MozesH4872naderdeH5066totH413 de donkerheidH6205, alwaar GodH430 was.En het volk stond van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid, alwaar God was.
KJVAnd the people2stood1afar off,3and Moses4drew near5unto the thick darkness7where God
1וַיַּעֲמֹ֥דH5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry2הָעָ֖םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people3מֵרָחֹ֑קH7350verre, verren, ver(a-) far (abroad, off), long ago, of old, space, great while to come4וּמֹשֶׁה֙H4872Mozes, Mozes', mozesMoses5נִגַּ֣שׁH5066trad, naderde, naderen(make to) approach (nigh), bring (forth, hither, near), (cause to) come (hither, near, nigh), give place, go hard (up), (be, draw, go) near (nigh), offer, overtake, present, put, stand6אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)7הָֽעֲרָפֶ֔לH6205donkerheid, duisterheid, duisternis(gross, thick) dark (cloud, -ness)8אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection9שָׁ֖םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither10הָאֱלֹהִֽיםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty
22Toen zeide de HEERE tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israels zeggen: Gij hebt gezien, dat Ik met ulieden van den hemel gesproken heb.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22Toen zeideH559 de HEEREH3068totH413MozesH4872: AldusH3541 zult gij totH413 de kinderenH1121IsraelsH3478zeggenH559: GijH859 hebt gezienH7200, datH3588 Ik metH5973 ulieden vanH4480 den hemelH8064gesprokenH1696 heb.Toen zeide de HEERE tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israels zeggen: Gij hebt gezien, dat Ik met ulieden van den hemel gesproken heb.
KJVAnd the LORD2said1unto Moses,4Thus thou shalt say6unto the children8of Israel,9Ye have seen11that I have talked15with you from heaven.
1וַיֹּ֤אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2יְהוָה֙H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4מֹשֶׁ֔הH4872Mozes, Mozes', mozesMoses5כֹּ֥הH3541zo, alzo, aldusalso, here, + hitherto, like, on the other side, so (and much), such, on that manner, (on) this (manner, side, way, way and that way), + mean while, yonder6תֹאמַ֖רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet7אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)8בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth9יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael10אַתֶּ֣םH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you11רְאִיתֶ֔םH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions12כִּ֚יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet13מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with14הַשָּׁמַ֔יִםH8064hemel, hemels, hemelenair, [idiom] astrologer, heaven(-s)15דִּבַּ֖רְתִּיH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work16עִמָּכֶֽםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)
23Gij zult nevens Mij niet maken zilveren goden, en gouden goden zult gij u niet maken.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23Gij zult nevens Mij nietH6213 maken zilverenH3701godenH430, en goudenH2091godenH430 zult gij u nietH3808 maken.Gij zult nevens Mij niet maken zilveren goden, en gouden goden zult gij u niet maken.
KJVYe shall not make2with me gods4of silver,5neither shall ye make9unto you gods6of gold.
1לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2תַעֲשׂ֖וּןH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use3אִתִּ֑יH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix4אֱלֹ֤הֵיH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty5כֶ֨סֶף֙H3701zilver, geld, zilverenmoney, price, silver(-ling)6וֵאלֹהֵ֣יH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty7זָהָ֔בH2091goud, gouden, goudsgold(-en), fair weather8לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without9תַעֲשׂ֖וּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use10לָכֶֽם
24Maakt Mij een altaar van aarde, en offert daarop uw brandofferen, en uw dankofferen, uw schapen, en uw runderen; aan alle plaats, waar Ik Mijns Naams gedachtenis stichten zal, zal Ik tot u komen, en zal u zegenen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24MaaktH6213 Mij een altaarH4196 van aardeH127, en offertH2076 daarop uw brandofferenH5930, en uw dankofferenH8002, uw schapenH6629, en uw runderenH1241; aan alleH3605plaatsH4725, waarH834 Ik Mijns NaamsH8034gedachtenisH2142 stichten zal, zal Ik totH413 u komenH935, en zal u zegenenH1288.Maakt Mij een altaar van aarde, en offert daarop uw brandofferen, en uw dankofferen, uw schapen, en uw runderen; aan alle plaats, waar Ik Mijns Naams gedachtenis stichten zal, zal Ik tot u komen, en zal u zegenen.
KJVAn altar1of earth2thou shalt make3unto me, and shalt sacrifice5thereon thy burnt offerings,8and thy peace offerings,10thy sheep,12and thine oxen:14in all places16where I record18my name20I will come21unto thee, and I will bless
1מִזְבַּ֣חH4196altaar, altaren, altaarsaltar2אֲדָמָה֮H127land, aardbodem, landscountry, earth, ground, husband(-man) (-ry), land3תַּעֲשֶׂהH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use4לִּי֒5וְזָבַחְתָּ֣H2076offeren, offerde, offerdenkill, offer, (do) sacrifice, slay6עָלָ֗יוH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with7אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8עֹלֹתֶ֨יךָ֙H5930brandoffer, brandofferen, brandoffersascent, burnt offering (sacrifice), go up to. See also H5766 (עֶוֶל)9וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10שְׁלָמֶ֔יךָH8002dankofferen, dankoffer, dankofferspeace offering11אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12צֹֽאנְךָ֖H6629schapen, kudde, klein vee(small) cattle, flock ([phrase] -s), lamb ([phrase] -s), sheep(-cote, -fold, -shearer, -herds)13וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14בְּקָרֶ֑ךָH1241runderen, rund, koeienbeeve, bull ([phrase] -ock), [phrase] calf, [phrase] cow, great (cattle), [phrase] heifer, herd, kine, ox15בְּכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)16הַמָּקוֹם֙H4725plaats, plaatsen, plaatsecountry, [idiom] home, [idiom] open, place, room, space, [idiom] whither(-soever)17אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection18אַזְכִּ֣ירH2142gedenken, gedacht, Gedenk[idiom] burn (incense), [idiom] earnestly, be male, (make) mention (of), be mindful, recount, record(-er), remember, make to be remembered, bring (call, come, keep, put) to (in) remembrance, [idiom] still, think on, [idiom] well19אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)20שְׁמִ֔יH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report21אָב֥וֹאH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way22אֵלֶ֖יךָH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)23וּבֵרַכְתִּֽיךָH1288zegenen, gezegend, zegende[idiom] abundantly, [idiom] altogether, [idiom] at all, blaspheme, bless, congratulate, curse, [idiom] greatly, [idiom] indeed, kneel (down), praise, salute, [idiom] still, thank
25Maar indien gij Mij een stenen altaar zult maken, zo zult gij dit niet bouwen van gehouwen steen; zo gij uw houwijzer daarover verheft, zo zult gij het ontheiligen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25MaarH3588 indien gij Mij een stenenH68altaarH4196 zult makenH6213, zoH518 zult gij dit nietH3808bouwenH1129 van gehouwenH1496 steen; zo gij uw houwijzerH2719 daarover verheftH5130, zo zult gij het ontheiligenH2490.Maar indien gij Mij een stenen altaar zult maken, zo zult gij dit niet bouwen van gehouwen steen; zo gij uw houwijzer daarover verheft, zo zult gij het ontheiligen.
KJVAnd if thou wilt make4me an altar2of stone,3thou shalt not build7it of hewn stone:9for if thou lift up12thy tool11upon it, thou hast polluted
1וְאִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet2מִזְבַּ֤חH4196altaar, altaren, altaarsaltar3אֲבָנִים֙H68stenen, steen, gesteente[phrase] carbuncle, [phrase] mason, [phrase] plummet, (chalk-, hail-, head-, sling-) stone(-ny), (divers) weight(-s)4תַּֽעֲשֶׂהH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use5לִּ֔י6לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without7תִבְנֶ֥הH1129bouwen, gebouwd, bouwde(begin to) build(-er), obtain children, make, repair, set (up), [idiom] surely8אֶתְהֶ֖ןH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9גָּזִ֑יתH1496gehouwen, gehouwen stenen, uitgehouwen stenenhewed, hewn stone, wrought10כִּ֧יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet11חַרְבְּךָ֛H2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool12הֵנַ֥פְתָּH5130bewegen, bewoog, bewogenlift up, move, offer, perfume, send, shake, sift, strike, wave13עָלֶ֖יהָH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with14וַתְּחַֽלְלֶֽהָH2490ontheiligen, ontheiligd, begonbegin ([idiom] men began), defile, [idiom] break, defile, [idiom] eat (as common things), [idiom] first, [idiom] gather the grape thereof, [idiom] take inheritance, pipe, player on instruments, pollute, (cast as) profane (self), prostitute, slay (slain), sorrow, stain, wound
26Gij zult ook niet met trappen tot Mijn altaar opklimmen, opdat uw schaamte voor hetzelve niet ontdekt worde.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26Gij zult ook niet met trappenH4609 tot Mijn altaarH4196opklimmenH5927, opdat uw schaamteH6172 voor hetzelve nietH3808ontdektH1540 worde.Gij zult ook niet met trappen tot Mijn altaar opklimmen, opdat uw schaamte voor hetzelve niet ontdekt worde.
KJVNeither shalt thou go up2by steps3unto mine altar,5that thy nakedness9be not discovered
1וְלֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2תַעֲלֶ֥הH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work3בְמַעֲלֹ֖תH4609Hammaaloth, trappen, gradenthings that come up, (high) degree, deal, go up, stair, step, story4עַֽלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with5מִזְבְּחִ֑יH4196altaar, altaren, altaarsaltar6אֲשֶׁ֛רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection7לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without8תִגָּלֶ֥הH1540gevankelijk, ontdekken, ontdekt[phrase] advertise, appear, bewray, bring, (carry, lead, go) captive (into captivity), depart, disclose, discover, exile, be gone, open, [idiom] plainly, publish, remove, reveal, [idiom] shamelessly, shew, [idiom] surely, tell, uncover9עֶרְוָתְךָ֖H6172schaamte, naaktheid, blootnakedness, shame, unclean(-ness)10עָלָֽיוH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Exodus 20:1— Toen sprak God al deze woorden, zeggende:Deuteronomium 4:36→Deuteronomium 5:22→Handelingen 7:53→Deuteronomium 4:33→Handelingen 7:38→Deuteronomium 5:4→
Exodus 20:2— Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.Hosea 13:4→Psalmen 81:10→Leviticus 19:36→Exodus 13:3→Deuteronomium 5:15→Deuteronomium 7:8→Deuteronomium 5:6→Leviticus 26:13→
Exodus 20:3— Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.Deuteronomium 5:7→Deuteronomium 6:14→Jeremia 25:6→Psalmen 81:9→Deuteronomium 6:5→Jesaja 46:9→Jeremia 35:15→Mattheüs 4:10→
Exodus 20:4— Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.Leviticus 26:1→Deuteronomium 4:15→Psalmen 97:7→Deuteronomium 27:15→Leviticus 19:4→Handelingen 17:29→Jesaja 45:16→Openbaring 14:9→
Exodus 20:5— Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten;Numeri 14:18→Exodus 34:14→Nahum 1:2→Deuteronomium 4:24→Jeremia 32:18→Psalmen 109:14→Jozua 23:7→Psalmen 79:8→
Exodus 20:6— En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden.Deuteronomium 7:9→Jeremia 32:39→Handelingen 2:39→Deuteronomium 5:29→1 Johannes 5:3→Johannes 14:21→Deuteronomium 4:37→Johannes 14:15→
Exodus 20:7— Gij zult den Naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.Leviticus 19:12→Jakobus 5:12→Leviticus 24:11→Spreuken 30:9→Deuteronomium 5:11→Hebreeën 6:16→Psalmen 50:14→Mattheüs 23:16→
Exodus 20:8— Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt.Leviticus 19:3→Leviticus 26:2→Exodus 31:13→Leviticus 23:3→Genesis 2:3→Leviticus 19:30→Exodus 23:12→Jesaja 56:4→
Exodus 20:9— Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen;Lukas 13:14→Exodus 23:12→Exodus 34:21→Leviticus 23:3→Exodus 35:2→
Exodus 20:10— Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is;Numeri 15:32→Exodus 16:27→Deuteronomium 5:14→Exodus 34:21→Nehemia 13:15→Nehemia 10:31→Exodus 23:9→Genesis 2:2→
Exodus 20:11— Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE den sabbatdag, en heiligde denzelven.Genesis 2:2→Exodus 31:17→Genesis 1:1→Markus 2:27→Handelingen 20:7→Genesis 1:28→Psalmen 95:4→
Exodus 20:12— Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft.Kolossenzen 3:20→Markus 7:10→Efeze 6:1→Leviticus 19:3→Markus 10:19→Exodus 21:15→Lukas 18:20→Exodus 21:17→
Exodus 20:16— Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.Mattheüs 19:18→Spreuken 19:5→Psalmen 15:3→Exodus 23:1→Mattheüs 26:59→Psalmen 101:5→Efeze 4:31→Jakobus 4:11→
Exodus 20:17— Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is.Romeinen 13:9→Lukas 12:15→Romeinen 7:7→Mattheüs 5:28→Efeze 5:3→Hebreeën 13:5→Kolossenzen 3:5→Micha 2:2→
Exodus 20:18— En al het volk zag de donderen, en de bliksemen, en het geluid der bazuin, en den rokenden berg; toen het volk zulks zag, weken zij af, en stonden van verre.Exodus 19:16→Jeremia 23:23→Psalmen 139:7→Hebreeën 12:18→
Exodus 20:19— En zij zeiden tot Mozes: Spreek gij met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven!Deuteronomium 18:16→Galaten 3:19→Exodus 33:20→Hebreeën 12:19→Deuteronomium 5:23→Handelingen 7:38→Genesis 32:30→Deuteronomium 5:5→
Exodus 20:20— En Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, want God is gekomen, opdat Hij u verzocht, en opdat Zijn vreze voor uw aangezicht zou zijn, dat gij niet zondigdet.Deuteronomium 13:3→Jesaja 8:13→Jesaja 41:10→Genesis 22:1→Deuteronomium 8:2→1 Samuël 12:20→Spreuken 3:7→Deuteronomium 10:12→
Exodus 20:21— En het volk stond van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid, alwaar God was.1 Koningen 8:12→Psalmen 18:9→Psalmen 97:2→Psalmen 104:2→Psalmen 18:12→2 Kronieken 6:1→Deuteronomium 5:5→Exodus 19:16→
Exodus 20:22— Toen zeide de HEERE tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israels zeggen: Gij hebt gezien, dat Ik met ulieden van den hemel gesproken heb.Nehemia 9:13→Deuteronomium 4:36→Hebreeën 12:25→
Exodus 20:23— Gij zult nevens Mij niet maken zilveren goden, en gouden goden zult gij u niet maken.Exodus 20:3→2 Koningen 17:33→Sefanja 1:5→Ezechiël 20:39→Exodus 32:1→Openbaring 22:15→Kolossenzen 2:18→Daniël 5:23→
Exodus 20:24— Maakt Mij een altaar van aarde, en offert daarop uw brandofferen, en uw dankofferen, uw schapen, en uw runderen; aan alle plaats, waar Ik Mijns Naams gedachtenis stichten zal, zal Ik tot u komen, en zal u zegenen.Deuteronomium 12:5→2 Kronieken 6:6→Deuteronomium 16:11→Deuteronomium 26:2→Deuteronomium 14:23→Deuteronomium 16:5→Nehemia 1:9→Numeri 6:24→
Exodus 20:25— Maar indien gij Mij een stenen altaar zult maken, zo zult gij dit niet bouwen van gehouwen steen; zo gij uw houwijzer daarover verheft, zo zult gij het ontheiligen.Jozua 8:31→Deuteronomium 27:5→
Exodus 20:26— Gij zult ook niet met trappen tot Mijn altaar opklimmen, opdat uw schaamte voor hetzelve niet ontdekt worde.1 Petrus 1:16→Leviticus 10:3→Psalmen 89:7→Hebreeën 12:28→Prediker 5:1→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Exodus 20 vers 1— Toen sprak God al deze woorden, zeggende:
sprak God
Te weten, nadat Mozes en Aäron op den berg geklommen waren. Zie boven, Ex. 19:24.
Hertaald:sprak God
Namelijk: nadat Mozes en Aäron de berg opgeklommen waren. Zie hierboven, Ex. 19:24.
deze woorden,
Dat is, deze navolgende tien geboden.
Hertaald:deze woorden,
Dat is: deze hierna volgende tien geboden.
Exodus 20 vers 2— Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.
uit het diensthuis,
Hebreeuws, uit het huis der dienstknechten.
Hertaald:uit het diensthuis,
Hebreeuws: uit het huis van de dienstknechten.
Exodus 20 vers 3— Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.
geen andere goden
Anders, geen anderen God.
Hertaald:geen andere goden
Ook mogelijk: geen andere God.
Exodus 20 vers 4— Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.
Gij zult u geen gesneden beeld,
Hiertegen strijdt niet dat, op Gods bevel, Mozes de cherubim, Ex. 25:18, en de koperen slang, Num. 21:8, enz. gemaakt heeft, dewijl zulks niet geschied is om dezelve enige godsdienstige eer te bewijzen.
Hertaald:Gij zult u geen gesneden beeld,
Hiermee is niet in strijd dat Mozes, op Gods bevel, de cherubs, Ex. 25:18, en de koperen slang, Num. 21:8, gemaakt heeft, omdat dit niet gebeurde om deze beelden enige godsdienstige eer te bewijzen.
boven in den hemel is,
Gelijk zon, maan, sterren, vogels, Deut. 4:19. Versta ook hieronder de engelen, Kol. 2:18.
Hertaald:boven in den hemel is,
Zoals zon, maan, sterren, vogels, Deut. 4:19. Versta hieronder ook de engelen, Kol. 2:18.
op de aarde is,
Gelijk mensen, viervoetige, of kruipende gedierten; Deut. 4:16-17; Jes. 44:13; Ezech. 23:14.
Hertaald:op de aarde is,
Zoals mensen, viervoetige of kruipende dieren; Deut. 4:16-17; Jes. 44:13; Ezech. 23:14.
in de wateren onder de aarde is
Gelijk vissen, slangen, draken, krokodillen, schildpadden. Zie Deut. 4:18, en Jes. 41:29.
Hertaald:in de wateren onder de aarde is
Zoals vissen, slangen, draken, krokodillen, schildpadden. Zie Deut. 4:18 en Jes. 41:29.
Exodus 20 vers 5— Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten;
hen dienen;
Te weten, noch de afgoden zelf, noch ook Mij door dezelven, gelijk Ex. 32:4, Ex. 32:6, door het gouden kalf, en daarna de tien stammen door de twee gouden kalven, 1 Kon. 12:28.
Hertaald:hen dienen;
Namelijk: noch de afgoden zelf, noch Mij door middel daarvan, zoals in Ex. 32:4 en Ex. 32:6 door het gouden kalf, en later de tien stammen door de twee gouden kalveren, 1 Kon. 12:28.
een ijverig God,
God wordt genoemd een man zijns volks, Jer. 2:2; Hos. 2:19; afgoderij wordt hoerdom genoemd, Deut. 31:16; Richt. 2:17; Jer. 3:9, Jer. 3:20; hierom wordt Gods toorn over deze zonde genoemd jaloezie.
Hertaald:een ijverig God,
God wordt de Man van Zijn volk genoemd, Jer. 2:2; Hos. 2:19; afgoderij wordt hoererij genoemd, Deut. 31:16; Richt. 2:17; Jer. 3:9, Jer. 3:20; daarom wordt Gods toorn over deze zonde jaloezie genoemd.
de kinderen,
Dat is, nakomelingen; te weten, zodanigen, die de voetstappen van hun vaders navolgende, ook de zonde der afgoderij begaan.
Hertaald:de kinderen,
Dat is: nakomelingen; namelijk zij die, in de voetstappen van hun vaders tredend, ook de zonde van afgoderij begaan.
aan het derde, en aan het vierde
Hebreeuws, aan de derde en aan de vierde.
Hertaald:aan het derde, en aan het vierde
Hebreeuws: aan de derde en aan de vierde.
lid dergenen,
Of, geslacht.
Hertaald:lid dergenen,
Of: geslacht.
Exodus 20 vers 7— Gij zult den Naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.
ijdellijk gebruiken;
Hebreeuws, tot ijdelheid opnemen. Zie Ps. 15:3, en Ps. 16:4, en Ps. 50:16.
Hertaald:ijdellijk gebruiken;
Hebreeuws: tot ijdelheid opnemen. Zie Ps. 15:3, Ps. 16:4 en Ps. 50:16.
onschuldig houden,
Of, zuiver.
Hertaald:onschuldig houden,
Of: zuiver.
Exodus 20 vers 8— Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt.
dat gij dien heiligt
Dat is, zondert hem af van uw gemeen werk, of dagelijksen arbeid, behorende tot dit tijdelijke leven, en besteedt denzelven om God te dienen met heilige werken, die de eer Gods, en het eeuwige en geestelijke leven aangaan.
Hertaald:dat gij dien heiligt
Dat is: zonder hem af van uw gewone werk of dagelijkse arbeid die bij dit tijdelijke leven hoort, en besteed hem om God te dienen met heilige werken, die betrekking hebben op Gods eer en op het eeuwige, geestelijke leven.
Exodus 20 vers 10— Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is;
vee,
Als, os, ezel, paard, kemel, olifant, enz.
Hertaald:vee,
Zoals os, ezel, paard, kameel, olifant, enzovoort.
Exodus 20 vers 11— Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE den sabbatdag, en heiligde denzelven.
heiligde denzelven
Zie Gen. 2:3.
Hertaald:heiligde denzelven
Zie Gen. 2:3.
Exodus 20 vers 12— Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft.
opdat uw dagen verlengd worden in het land,
Anders, opdat zij uw dagen verlengen; zij, te weten vader en moeder, door hun gebed, of zegen, welke veel bij God vermogen, gelijk ook ter contrarie hun vloek.
Hertaald:opdat uw dagen verlengd worden in het land,
Ook mogelijk: opdat zij uw dagen verlengen; zij, namelijk vader en moeder, door hun gebed of zegen, die veel vermogen bij God, zoals omgekeerd ook hun vloek.
Exodus 20 vers 16— Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
spreken
Anders, antwoorden.
Hertaald:spreken
Ook mogelijk: antwoorden.
naaste
Door het woord naasten moet men hier verstaan alle mensen, gelijk Gen. 11:3; Est. 1:19; Spr. 18:17. Zie Luc. 10:29, Luc. 10:36, ja zelfs uw vijand.
Hertaald:naaste
Onder het woord naaste moet men hier alle mensen verstaan, zoals in Gen. 11:3, Est. 1:19 en Spr. 18:17. Zie Luk. 10:29 en Luk. 10:36; ja, zelfs uw vijand.
Exodus 20 vers 17— Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is.
uws naasten huis;
Vergelijk Deut. 5:21.
Hertaald:uws naasten huis;
Vergelijk Deut. 5:21.
Exodus 20 vers 18— En al het volk zag de donderen, en de bliksemen, en het geluid der bazuin, en den rokenden berg; toen het volk zulks zag, weken zij af, en stonden van verre.
bliksemen,
Hebreeuws, eigenlijk lampen; dat is, bliksem.
Hertaald:bliksemen,
Hebreeuws: eigenlijk lampen; dat is: bliksem.
weken zij af,
Te weten, van den berg.
Hertaald:weken zij af,
Namelijk: van de berg.
Exodus 20 vers 20— En Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, want God is gekomen, opdat Hij u verzocht, en opdat Zijn vreze voor uw aangezicht zou zijn, dat gij niet zondigdet.
opdat Hij u verzocht,
Te weten, of gij zijn geboden zult gehoorzamen, gelijk gij, Ex. 19:8, beloofd hebt. Zie Gen. 22:1.
Hertaald:opdat Hij u verzocht,
Namelijk: of u Zijn geboden zult gehoorzamen, zoals u in Ex. 19:8 beloofd hebt. Zie Gen. 22:1.
Exodus 20 vers 22— Toen zeide de HEERE tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israels zeggen: Gij hebt gezien, dat Ik met ulieden van den hemel gesproken heb.
dat Ik met ulieden van den hemel gesproken heb
Te weten, op den berg Sinaï. Zie Deut. 4:36; Neh. 9:13.
Hertaald:dat Ik met ulieden van den hemel gesproken heb
Namelijk: op de berg Sinaï. Zie Deut. 4:36; Neh. 9:13.
Exodus 20 vers 24— Maakt Mij een altaar van aarde, en offert daarop uw brandofferen, en uw dankofferen, uw schapen, en uw runderen; aan alle plaats, waar Ik Mijns Naams gedachtenis stichten zal, zal Ik tot u komen, en zal u zegenen.
brandofferen,
Zie Gen. 8:20.
Hertaald:brandofferen,
Zie Gen. 8:20.
dankofferen,
Zie Lev. 3:1.
Hertaald:dankofferen,
Zie Lev. 3:1.
waar Ik Mijns Naams gedachtenis stichten zal,
Hebreeuws, waar ik mijns naams zal doen gedenken.
Hertaald:waar Ik Mijns Naams gedachtenis stichten zal,
Hebreeuws: waar Ik Mijn Naam zal doen gedenken.
zal Ik tot u komen,
Te weten, om u mijn gunst en liefde te betonen.
Hertaald:zal Ik tot u komen,
Namelijk: om u Mijn gunst en liefde te betonen.
Exodus 20 vers 25— Maar indien gij Mij een stenen altaar zult maken, zo zult gij dit niet bouwen van gehouwen steen; zo gij uw houwijzer daarover verheft, zo zult gij het ontheiligen.
een stenen altaar zult maken,
Naderhand was het altaar van sittimhout, Ex. 27:1, en daarna van koper, 1 Kon. 8:64.
Hertaald:een stenen altaar zult maken,
Later was het altaar van sittimhout, Ex. 27:1, en daarna van koper, 1 Kon. 8:64.
Exodus 20 vers 26— Gij zult ook niet met trappen tot Mijn altaar opklimmen, opdat uw schaamte voor hetzelve niet ontdekt worde.
met trappen tot Mijn altaar opklimmen,
Nochtans was dit altaar drie ellen hoog, Ex. 27:1, en Salomo's altaar was tien ellen hoog, 2 Kron. 4:1, daaraan waren geen trappen om op te klimmen, maar de aarde was alzo opgehoogd, dat de priester allengskens als op een heuvel opwaarts klom, om tot voor het altaar te komen, en door een ieder gezien te worden.
Hertaald:met trappen tot Mijn altaar opklimmen,
Toch was dit altaar drie el hoog, Ex. 27:1, en Salomo's altaar was tien el hoog, 2 Kron. 4:1; daar waren geen trappen om op te klimmen, maar de grond was zo opgehoogd, dat de priester geleidelijk als op een heuvel omhoog liep om vóór het altaar te komen en door iedereen gezien te worden.
opdat uw schaamte
Naderhand heeft God verordineerd dat de priesters linnen onderbroeken dragen zouden, Ex. 28:42-43.
Hertaald:opdat uw schaamte
Later heeft God bepaald dat de priesters linnen onderbroeken zouden dragen, Ex. 28:42-43.
voor hetzelve niet ontdekt worde
Te weten, voor het altaar.
Hertaald:voor hetzelve niet ontdekt worde
Namelijk: voor het altaar.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Mozes — getrokken, uitgetrokken
Het kind van een Levitisch echtpaar (later genoemd Amram en Jochebed, Ex. 6:20), dat na drie maanden verborgen te zijn geweest in een biezen kistje op de Nijl gelegd werd en door de dochter van Farao gevonden en opgevoed werd; zij gaf hem deze naam 'want ik heb hem uit het water getrokken' (Ex. 2:10). Later, na de doodslag op een Egyptenaar, vluchtte hij naar Midian; van daaruit riep de HEERE hem bij de brandende braambos om Zijn volk uit Egypte te leiden (Ex. 3). Hij is de grote leidsman en wetgever van Israël, en een van de duidelijkste voorafbeeldingen van Christus als Middelaar.
Bijbelse PlaatsenPlaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Horeb (Sinai) — Horeb: waarschijnlijk "woestenij, dorre plaats"; Sinai: onzeker, mogelijk verwant aan een wortel die "schijnen, blinken" betekent
Ligging: "De berg Gods", op het Sinaïtisch schiereiland; van oudsher, al sinds de vierde eeuw na Christus, geïdentificeerd met Djebel Moesa ("berg van Mozes", ruim 2.200 meter hoog), gelegen in het granietmassief van et-Toer, met de vlakte er-Rachah aan de voet ervan als natuurlijk legerkamp, en met een rijke, voor de Sinaïwoestijn ongewoon overvloedige watervoorziening uit verscheidene bronnen en beken.
Geschiedenis: Hierheen bracht Mozes de kudden van zijn schoonvader Jethro, toen de HEERE hem in een brandende doornstruik verscheen die niet verteerd werd, hem tot zijn zending riep en Zijn Naam bekendmaakte: "Ik ben Die Ik ben" (Ex. 3). Dezelfde berg zou later, onder de naam Sinai, de plaats zijn waar de HEERE Zijn volk de Wet gaf (Ex. 19-20); Horeb en Sinai worden in de Schrift door elkaar gebruikt voor dezelfde berg (Horeb overwegend in Deuteronomium, Sinai overwegend in de overige boeken van de Pentateuch). Ook Elia zocht hier later, in tijd van vervolging, zijn toevlucht en ontving er de openbaring van de zachte stilte (1 Kon. 19).
Bijbelse betekenis: De berg van Gods openbaring bij uitstek in het Oude Testament — waar Hij Zich eerst aan Mozes bekendmaakte als de eeuwig Zijnde, en later aan geheel Israël als de Wetgever van het verbond.
Recente inzichten: Over de exacte identificatie van de berg bestaat, ondanks de eeuwenoude en breed aanvaarde traditie rond Djebel Moesa, onder geleerden geen volledige eenstemmigheid; enkele alternatieve locaties zijn voorgesteld (zoals Djebel Serbal, verder naar het westen), maar deze stuiten volgens ISBE op ernstige praktische bezwaren (te weinig water en weidegrond voor de grote menigte van Israël) en worden niet algemeen aanvaard.
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Altaar — offerplaats (Hebreeuws: mizbeach, van zabach, "slachten, offeren")
Direct na het geven van de Tien Geboden gaf God Israël voorschriften voor het altaar waarop geofferd zou worden. Het moest een altaar van aarde zijn, of anders van onbehouwen stenen; geen ijzeren gereedschap mocht het beroeren, en het mocht niet met treden beklommen worden (Ex. 20:24-26). Dit is de eerste keer dat het woord "altaar" in de wet aan Israël voorgeschreven wordt (individuele aartsvaders zoals Noach en Abraham hadden al eerder eigen altaren gebouwd).
Bijbelse betekenis: Het altaar was de vaste, aangewezen plaats van ontmoeting tussen God en Zijn volk door het offer heen. Het was geen plaats die de mens naar eigen inzicht mocht vormgeven of versieren; vandaar het verbod op behouwen steen en op treden, want beide zouden van menselijke kunst of eigen eer getuigen. Het bleef een eenvoudige plaats waar het offer, en niet de mens, centraal stond.
Typologie: De Hebreeënbrief noemt het kruis van Christus het ware altaar waarvan de gelovigen eten, in tegenstelling tot de offerdienst van de tabernakel (Hebr. 13:10-12) — het volmaakte offer dat de aardse altaren van de wet alleen konden voorafschaduwen.
Ex. 20:24-26; Ex. 27:1-8; Hebr. 13:10-12
Wet (Tien Geboden) — Hebreeuws: asereth haddevarim, "de tien woorden"
Op de berg Sinaï, te midden van donder, bliksem en bazuingeschal, gaf God Zelf de Tien Geboden aan Israël, met Zijn eigen stem en later met Zijn eigen vinger op twee stenen tafelen geschreven (Ex. 20:1-17; Ex. 31:18). Vier geboden betreffen de verhouding tot God, en zes de verhouding tot de naaste.
Bijbelse betekenis: De wet is niet in de eerste plaats gegeven als weg tot behoud, maar als de norm voor een volk dat God al uit Egypte verlost had. Vóórdat er één gebod genoemd wordt, staat er: "Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb" (Ex. 20:2). Eerst komt de verlossing, dan de dankbare gehoorzaamheid.
Typologie: Paulus noemt de wet een tuchtmeester tot Christus (Gal. 3:24). Zij ontdekt de zonde en de onmacht van de mens om zelf aan Gods eis te voldoen, en drijft zo tot Christus, Die de wet volkomen vervulde in de plaats van de Zijnen (Rom. 8:3-4; Matt. 5:17).
Christus in dit hoofdstukHeenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Het verbondniveau 2Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsenuitwerking
Eerst uitgeleid, dan geboden — 20:1-3, 18-21
De berg rookt, de bazuin klinkt, en dan wordt het stil genoeg om te horen. God spreekt de tien woorden Zelf, hoorbaar, aan een heel volk tegelijk. Nergens anders in de Schrift gebeurt dat.
Vóór het eerste gebod staat een mededeling: Ik heb u er al uitgeleid. De wet komt niet tot slaven die vrij moeten worden, maar tot vrijgemaakten.
Men kan de tien geboden niet goed lezen zonder de zin die eraan voorafgaat, en juist die zin wordt het vaakst overgeslagen: “Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.” Het Hebreeuws spreekt letterlijk van het huis van de dienstknechten, tekent de kanttekening aan. Er staat dus geen eis vooraan, maar een feit; en dat feit ligt achter hen.
Dat is de volgorde waar alles aan hangt. Het volk dat deze geboden hoort, is er al uit. Het pascha is geslacht, de zee is doorgegaan, het manna valt al. God geeft geen wet waarmee zij vrij kúnnen worden; Hij geeft een wet aan mensen die Hij al vrijgemaakt heeft. Wie die volgorde omkeert, krijgt de wet als een ladder in handen in plaats van als een levensregel, en dan wordt Sinaï iets anders dan het was.
Wat er dan gebeurt aan de voet van de berg, is even eerlijk als aangrijpend. Het volk zag de donderen, de bliksemen, het geluid van de bazuin en de rokende berg — en er staat: toen het volk zulks zag, weken zij af, en stonden van verre. Zij vragen Mozes om het woord van hen over te nemen, want zij vrezen te sterven als God rechtstreeks tot hen spreekt. Mozes antwoordt met twee dingen tegelijk: vreest niet, én, God is gekomen opdat Zijn vreze voor uw aangezicht zou zijn. De vrees moet blijven; de angst mag weg.
En dan staat er één van de kortste en zwaarste zinnen van het boek: “En het volk stond van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid, alwaar God was.” Twee bewegingen in één vers, in tegengestelde richting. Het volk achteruit, de middelaar vooruit, en waar God is is het donker.
Dat is de plaats van dit hoofdstuk in de lijn naar Christus. De wet is heilig en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed, maar zij laat het volk staan waar het staat. Zij zegt wat er moet gebeuren en zij geeft niet wat er nodig is. Daarom noemt Paulus haar een tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden — een woord dat niet neerkijkt op de wet maar haar bestemming aanwijst. En van diezelfde wet schrijft hij dat het einde ervan Christus is, tot rechtvaardigheid een iegelijk die gelooft.
De voorrede van de tien geboden wijst dus vooruit naar wat er in het Evangelie gebeuren zal. Ook daar komt de verlossing eerst en het gebod daarna. En Degene Die dan naar de donkerheid nadert waar het volk niet komen kan, gaat er niet alleen heen: Hij gaat er heen om anderen mee te nemen.
Exodus 20:2 — Vóór het eerste gebod staat de verlossing die al gebeurd is.
Exodus 20:18 — Het volk ziet het vuur en gaat achteruit staan.
Exodus 20:21 — Het volk van verre, en de middelaar de donkerheid in, waar God was.
Galaten 3:24 — De wet is een tuchtmeester geweest tot Christus.
Romeinen 10:4 — Het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid voor ieder die gelooft.
Hebreeën 12:18-24 — Niet gekomen tot de tastelijke berg, maar tot de Middelaar.
In het Nieuwe Testament: Galaten 3:19-24; Romeinen 10:4; Romeinen 7:12; Hebreeën 12:18-24; Johannes 1:17
Hoever dit reikt: De verhouding tussen de wet en Christus wordt door het Nieuwe Testament zelf uitgelegd: de wet is een tuchtmeester tot Christus, en het einde der wet is Christus. Wat er in Exodus 20 zelf staat is de volgorde — verlossing vóór gebod — en het beeld van het volk dat achteruit gaat terwijl de middelaar de donkerheid ingaat. Dat Mozes daarin op Christus wijst, is een gevolgtrekking uit die twee gegevens samen; het hoofdstuk zegt het niet met zoveel woorden.
Wat betekenen de niveaus?
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.
Exodus 20:1–3. KruisverwijzingenHosea 13:4→Deuteronomium 5:7→Psalmen 81:10→Leviticus 19:36→Exodus 13:3→Deuteronomium 5:15→Deuteronomium 7:8→Deuteronomium 5:6→ — Toen sprak God al deze woorden, zeggende: Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb. Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. God is de enige God, en geen enkel ander voorwerp van aanbidding mag ook maar een ogenblik worden geduld.
Exodus 20:4–6. KruisverwijzingenLeviticus 26:1→Numeri 14:18→Deuteronomium 4:15→Deuteronomium 7:9→Psalmen 97:7→Deuteronomium 27:15→Exodus 34:14→Nahum 1:2→ — Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden. Hier wordt ons verboden God onder welke gedaante of voorstelling dan ook te aanbidden. Het eerste gebod verbiedt de aanbidding van een andere god. Het tweede gebod verbiedt ons nadrukkelijk om iets wat onze ogen kunnen zien te aanbidden, onder het voorwendsel dat wij daarmee God aanbidden. Deze zonde komt zelfs veel vaker voor dan de overtreding van het eerste gebod. Men zegt dikwijls: “O, wij aanbidden deze dingen niet; wij aanbidden God, Die zij voorstellen.” Maar juist dat wordt hier uitdrukkelijk verboden. God mag onder geen enkele vorm of gedaante worden voorgesteld om vervolgens tot een voorwerp van aanbidding te worden gemaakt.
Exodus 20:7. KruisverwijzingenLeviticus 19:12→Jakobus 5:12→Leviticus 24:11→Spreuken 30:9→Deuteronomium 5:11→Hebreeën 6:16→Psalmen 50:14→Mattheüs 23:16→ — Gij zult den Naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt. Van ons wordt eerbied gevraagd voor de Naam van God, en alles wat met Zijn eredienst verbonden is, moet heilig worden gehouden.
Exodus 20:8–11. KruisverwijzingenLeviticus 19:3→Leviticus 26:2→Exodus 31:13→Leviticus 23:3→Genesis 2:3→Leviticus 19:30→Lukas 13:14→Exodus 23:12→ — Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is; Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE den sabbatdag, en heiligde denzelven. Het is goed voor ons om de sabbat tot een rustdag te maken: een dag van heilige eredienst en een dag waarop wij naderen tot God. Tot zover hebben wij de eerste tafel van de wet, die onze plichten tegenover God bevat. De geboden op de tweede tafel beschrijven onze plichten tegenover onze naaste.
Exodus 20:12–14. KruisverwijzingenKolossenzen 3:20→Romeinen 13:9→Markus 7:10→Genesis 9:5→Leviticus 20:10→Efeze 6:1→Leviticus 19:3→Mattheüs 5:21→ — Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft. Gij zult niet doodslaan. Gij zult niet echtbreken. Deze geboden reiken veel verder dan hun letterlijke bewoordingen. “Gij zult niet doodslaan” omvat niet alleen het wegnemen van het leven, maar ook alles waardoor het leven wordt verkort. Het omvat toorn, elke kwade wens en iedere boosaardige hartstocht. En „Gij zult niet echtbreken” omvat iedere vorm van seksuele zonde en onreinheid.
Exodus 20:15–17. KruisverwijzingenEfeze 4:28→Leviticus 19:11→Spreuken 19:5→Mattheüs 19:18→Lukas 12:15→Romeinen 7:7→Leviticus 19:13→Psalmen 15:3→ — Gij zult niet stelen. Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste. Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is. Het was het tiende gebod dat de apostel Paulus schuldig stelde, want hij zegt: “Ja, ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zeide: Gij zult niet begeren.” Wanneer mensen de andere geboden overtreden, hebben zij vaak eerst dit gebod overtreden.
Exodus 20:19. KruisverwijzingenDeuteronomium 18:16→Galaten 3:19→Exodus 33:20→Hebreeën 12:19→Deuteronomium 5:23→Handelingen 7:38→Genesis 32:30→Deuteronomium 5:5→ — En zij zeiden tot Mozes: Spreek gij met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven! De wet werd niet gegeven onder de lieflijke klanken van harpen of de gezangen van engelen, maar met een ontzagwekkende stem vanuit een verschrikkelijk vuur. Op zichzelf veroordeelt de wet niet. Als er door enige wet leven had kunnen worden verkregen, dan zou het door deze wet zijn geweest. Maar vanwege de zondigheid van de mens werkt de wet toorn. Daarom werd zij gegeven onder tekenen van vrees en dood, te midden van Gods ontzagwekkende machtsvertoon, waarbij iedere lettergreep met indrukwekkende kracht werd beklemtoond.
Het ontzagwekkende tafereel op de Sinaï was bovendien in zekere zin een profetie, of zelfs een voorafschaduwing, van de dag des oordeels. Als de afkondiging van de wet, terwijl zij nog niet overtreden was, al met zo’n ontzagwekkend machtsvertoon gepaard ging, hoe zal dan de dag zijn waarop de Heere met vlammend vuur wraak zal oefenen over hen die Zijn wet moedwillig hebben overtreden?
Voor ons is die dag bij Horeb een beeld van de werking van de wet in ons eigen hart. Zo werkt de wet in op ons geweten en onze ziel. Als wij ooit hebben ervaren dat de Geest van God de wet persoonlijk tot ons sprak, dan hebben wij een machtig donderen in ons binnenste gehoord. Wij zijn gedwongen geweest met Habakuk uit te roepen: “Als ik het hoorde, zo werd mijn buik beroerd; voor de stem hebben mijn lippen gebeefd; verrotting kwam in mijn gebeente, en ik werd beroerd in mijn plaats” (Habakuk 3:16). God heeft dit zo beschikt, opdat wij zouden zien op de vlammen die Mozes aanschouwde en voorgoed alle hoop zouden opgeven om door de werken van de wet aangenomen te worden.
Exodus 20:25. KruisverwijzingenJozua 8:31→Deuteronomium 27:5→ — Maar indien gij Mij een stenen altaar zult maken, zo zult gij dit niet bouwen van gehouwen steen; zo gij uw houwijzer daarover verheft, zo zult gij het ontheiligen. Gods altaar moest uit onbehouwen stenen worden gebouwd, zodat er geen spoor van menselijke kunst of arbeid op zichtbaar zou zijn. De menselijke wijsheid heeft er behagen in de leer van het kruis bij te schaven en te ordenen tot een kunstmatig systeem dat beter aansluit bij de verdorven smaak van de gevallen mens. Maar in plaats van het Evangelie te verbeteren, maakt de vleselijke wijsheid het onzuiver, totdat het een ander evangelie wordt en niet langer de waarheid van God is.
Iedere verandering of aanvulling op het eigen Woord van de Heere is een verontreiniging en ontheiliging. Het hoogmoedige menselijke hart wil graag zelf een aandeel hebben in de rechtvaardiging van de ziel voor God. Men vertrouwt op verootmoediging en berouw, stelt goede werken voorop, roemt op natuurlijke bekwaamheid en probeert op allerlei manieren menselijke arbeid aan het goddelijke altaar toe te voegen.
Alleen de Heere moet worden verheerlijkt in het werk van de verzoening. Geen enkele slag van de beitel of de hamer van de mens zal daarbij worden geduld. Er ligt een wezenlijke godslastering in elke poging om iets toe te voegen aan wat Christus Jezus in Zijn sterven “volbracht” heeft verklaard, of om datgene te verbeteren waarin de HEERE volkomen voldoening heeft gevonden.
1. Toen Mozes nu weer onderaan de berg stond, sprak God al deze woorden, 1) met verheven stem voor de oren van geheel Israël (Deuteronomium. 4:12,33; 5:22), zeggende:
1) Deze woorden heten (hoofdstuk 34:25 Deuteronomium. 4:13; 10:4); “de tien woorden” (met een Griekse, in de wetenschap zeer gebruikelijk geworden uitdrukking “de Decaloog” genoemd); overigens komen in het Oude Testament ook de namen “verbond” en “getuigenis” voor (hoofdstuk 25:16,21; 34:28 Deuteronomium. 4:13,45). “Geboden” heten zij eerst in het Nieuwe Testament (Luk.18:20). Vervolgens wordt de afdeling van deze woorden, waar het ene woord of gebod ophoudt en het andere begint, niet nader aangegeven; evenmin bij de herhaling van dit gewichtigste gedeelte van de wet (Deuteronomium. 5:6-21). Verschillende inzichten zijn hierover geweest en in latere tijd, sedert 1836, zijn een reeks van geschriften over deze verdeling uitgegeven. De eerste gedachte is die van Philo, een Alexandrijnse Jood (gestorven 40 n.C.) en van Josephus, de bekende veldheer ten tijde van de laatste Joodse oorlog, die door Vespasianus gevangen genomen, om zijn profetie, dat hij zelf keizer zou worden, weer losgelaten werd, en, bij de belegering van Jeruzalem, door Titus als onderhandelaar gebruikt werd (hij leefde van 37-93 n.C.). Hun mening is door bijna alle kerkvaders van de eerste vier eeuwen gedeeld, en wordt nog heden in de Oosterse en de Hervormde kerken voor de ware gehouden. Volgens deze vormen in vs. 2-3 het eerste, vs.4-6 het tweede gebod, terwijl vs.17 voor één, het tiende, gebod gehouden wordt. In de vijfde eeuw werd door Augustinus, bisschop te Hippo, Regium (het tegenwoordige Bona) in Numidië (430 n.C.), een andere mening in de Westerse Kerk algemeen, volgens welke vs.2-6 slechts een gebod uitmaakten, vs.17 daarentegen in twee geboden verdeeld werd. Augustinus hield zich bij deze verdeling van het verbod aan de klank van de woorden (Deuteronomium. 5:21), en rekende als negende gebod: “Gij zult niet begeren uws naasten vrouw, en als tiende: “gij zult u niet begeren uws naasten huis enz.”; De Rooms-Katholieke kerk, die zijn berekening volgde, hield zich aan de tekst van ons hoofdstuk en maakte tot het negende gebod: “Gij zult niet begeren uws naasten huis; tot het tiende: “gij zult niet begeren uws naasten vrouw enz.” Bij de Roomse kerk heeft Luther zich in zijn Catechismus aangesloten, zoals hij in alles, wat met de Heilige Schrift niet in tegenspraak was, maar tot de zogenoemde bijzaken behoorde, dat Christenen bij de eenmaal aangenomene gewoonte liet blijven. In tegenstelling tot de eerst aangehaalde mening, die bij de kerkvaders bestond, had, reeds voor Augustinus, de Romeinse keizer Julianus Apostata (de afvallige, van 361-363 n.C.) beweerd, dat de inleiding in vs.2: “Ik ben de Heere, uw God, enz.” een van de tien woorden was; hij rekende vervolgens vs.3-6 als het tweede en het verbod van begeren als het tiende. Hem zijn de zogenaamde Talmudische Joden, uit oppositie tegen de Christenen gevolgd; ook onder de Christelijke theologen van deze tijd hebben enigen (Knobel, S. Preiswerk) zich voor deze opvatting verklaard, terwijl zij zich erop beroepen, dat de tien geboden in Oude Testament slechts de tien woorden heten, het eerste woord dus geenszins een gebod behoefde te zijn, maar zeer goed alleen een inleiding tot de eigenlijke geboden zijn kon. Een vaste overtuiging, welke van de verschillende verdelingen de meest aanbevelenswaardige is, zullen wij eerst door de beschouwing van het volgende gedeelte in alle afzonderlijke punten, kunnen verkrijgen.
Het woord “woord” moet hier in de zin van gebod, bevel worden opgevat. Dit brengt het Oosterse spraakgebruik mee. Als zelfs een Oosters vorst iets spreekt, een woord uit, staat dat woord gelijk met een bevel. Waar dus van de Heere God, de hoogste Majesteit, gezegd wordt, dat Hij woorden spreekt, daar heeft dit de betekenis, dat Hij beveelt te onderhouden, wat Hij laat afkondigen.
Het woord Emir komt ook van een werkwoord, dat in de eerste plaats zeggen betekent en in de tweede plaats bevelen. Als een Emir spreekt, beveelt hij. Ongetwijfeld sprak God deze woorden, voordat Mozes en Aäron nog tot de berg waren opgeklommen, voor de oren van geheel Israël.
2. Ik ben de HEERE, uw God. 1) Ik, die alleen waarachtig ben, verheven boven alle verandering, in Mij alle leven en zaligheid omvattende (hoofdstuk 3:14) geef in het verbond, dat Ik thans met u, o Israël, sluit, Mij zelf tot uw eigen God, met alles wat Ik ben en heb; Ik wil uw God, uw hoogste goed zijn. (Genesis 17:7). Dat doe Ik, die u uit Egypte, a) uit het diensthuis, waarin gij gevangen zat, uitgeleid heb, 2) die u tot een vrij, zelfstandig volk en wel tot Mijn volk gemaakt heb (Exodus. 19:4 vv.); daarom is het recht en billijk, dat gij Mij ook waarlijk tot uw God in het geloof aanneemt; en uit dankbaarheid voor deze u bewezen redding Mijn welgevallen doet.
a) Exodus. 13:3 Deuteronomium. 5:6 Psalm. 81:11
1) Zelfs de heidenen erkenden, dat de godsdienst de onontbeerlijk en enig houdbare grondslag van de zedelijkheid was (vrgl. Xenephon, memor IV: 4, 19; Cicero, de leg. ij: 7); daarom beginnen Zaleucus (wetgever van de Locriërs) en andere wetgevers uit de oudheid hun voorschriften met de eis, dat de leden van een staat voor alle dingen moesten geloven, dat er goden waren, en dat zij hen vreesden (Diod. Sic. XlI:20). Dien ten gevolge heeft men in ons vers reeds een van de tien woorden gezien, die de Heere met eigen mond tot de gemeente van de kinderen van Israël gesproken heeft. De in dit vers uitgesproken waarheid is de grondslag van alle geloof en leven in Israël. Het vormt het inleidend woord, waarmee de Heere de gemoederen van het volk tot gehoorzaamheid aan Zijn wet wil buigen, en wordt vervolgens, deels volledig, deels verkort tot inscherping van andere wetten dikwijls genoeg herhaald (hoofdstuk 29:46 Leviticus. 19:36; 11:44; 18:2,4 vv.); in het bijzonder dient het hier tot voorbereiding van het eerstvolgend woord. Toch ware het verkeerd, dit reeds tot de tien woorden zelf te willen tellen; want dan verkregen wij slechts negen eigenlijke geboden, wat de geest van de Heilige Schrift weerspreekt. Deze heeft overal getallen van symbolische betekenis (zie Ge 35.26 zie Ge 46.27). Het getal tien betekent een geheel (Genesis 31:27 Exodus. 11:10), gelijk het dan ook werkelijk de rij van de grondgetallen sluit, en de natuurlijke vertegenwoordiger van het getallensysteem is. Wij houden daarom beslist vast, dat tien eigenlijke geboden moeten geteld worden, omdat daardoor de wet eerst een volledig geheel wordt, en verwerpen onder de bovengenoemde wijzen van telling de derde, welke naar haar oorsprong meer aan de geest van tegenspraak, dan aan de kracht van de waarheid te danken is.
Door deze woorden bewerkt God een heilig ontzag voor Hem, voordat Hij de regel voorschrijft, om vroom en rechtvaardig te leven. Verder kondigt Hij zich niet slechts als Jehova en als de enige God aan, die uit kracht van de schepping de mensenkinderen aan zich verbonden houdt, welke Hij het bestaan heeft gegeven en wier leven Hij beschermt, ja, die van allen het leven is, maar Hij voegt er nog bij, dat Hij in het bijzonder de God van Israël is, omdat het de moeite waard was, dat het volk niet slechts voor de Majesteit van God een heilige vrees had, maar ook op liefelijke wijze werd aangetrokken, om de wet kostbaarder te achten dan goud en zilver en tegelijk zoeter dan honing (Psalm. 119:103). Want het was niet genoeg, dat de mens door een slaafse vrees werd gedwongen, om onder haar juk door te gaan, maar ook, dat zij door de liefelijkheid ervan aangetrokken, vrijwillig zich eronder stelde.
Begrijpt gij dat? De Heere, die de Hemel heeft tot Zijn troon is de God van mij, stofje op de aarde, van mij, de zondaar! En toch, het is zo. Loof Hem, mijn ziel. Zijn eigen mond heeft het verklaard. Kent gij een heerlijker lot? Zalig is het volk, welke van God de Heere is (Psalm. 33:12). Wat heet het een God te hebben? Een God heet datgene, waarvan men alle goeds verwacht, en waarbij men toevlucht heeft in alle noden, zodat “een God hebben” niets anders betekent, dan van harte op Hem vertrouwen, en in Hem geloven. Datgene, waaraan gij met geheel uw hart hangt en waarop gij u verlaat, dat is eigenlijk uw God.
2) Hij brengt die buitengewone weldaad, waarmee het volk verwaardigd was in herinnering, waarmee Hij tevens betuigd had, dat het niet vruchteloos geweest was, dat het door Hem was uitverkoren. Want de verlossing was een zeker pand van de aanneming, maar opdat Hij het volk des te beter aan zich verbond, herinnert hij tevens, hoedanig hun toestand was geweest. Want Egypte was als het ware een slavenhuis geweest, waaruit de Israëlieten bevrijd waren. Waarom zij nu niet meer hun eigen meester waren, omdat God hen zich had verworven. Dit nu heeft in eigenlijke zin op ons geen betrekking, maar met een heiliger band heeft Hij ons aan zich verbonden, door de hand van Zijn eniggeboren Zoon, welke Hij daarom heeft doen sterven en weer doen opstaan, opdat Hij over doden en levenden zou heersen (Rom.14:9) 14.9. Alzo is Hij niet slechts God van één volk, maar van alle volken, welke Hij tot Zijn Kerk, door de algemene aanneming heeft geroepen.
God vermeldt deze weldaad: 1e. Om het volk tot een dankbare gehoorzaamheid te verplichten; want wie was het schuldig meer te gehoorzamen dan God, die het uit zulk een zware dienstbaarheid had geleid. 2e. Om de Israëlieten tot het geloof aan te sporen; wie zou het beter vertrouwen, als die God, die de belofte, die Hij zo veel jaren tevoren aan Abraham gedaan, nu volbracht? 3e. Om Jakobs nakomelingen tot de godsvrucht op te leiden; wie zouden zij meer vrezen, als die God, die zich door wonderen zo krachtig bewees, waarvoor geheel Egypte sidderde. 4e. Omdat dat uitleiden een voorbeeld zou zijn voor de uitleiding uit het geestelijk Egypte.
Deze woorden behoren niet tot het eerste gebod, maar vormen een voorafspraak, waarmee de Heere én Zijn Soeverein recht te kennen geeft, én bedoelt het volk tot gehoorzaamheid te dwingen.
3. Gij nu zult, opdat ik inderdaad uw God zij, (vs.2), en u met niemand te delen heb, geen andere goden voor Mijn aangezicht 1) hebben, geen goden, die niet bestaan 1 Corinthiers. 8:4), dan in de verbeelding van dwazen (Hebr.3:12).
1) In het Hebreeuws Al panai. Onze Statenvertaling komt met de Latijnse vertaling overeen. “Voor mijn aangezicht,” maar is minder juist. De eigenlijke betekenis is, boven mij. God verbiedt hiermee niet alleen alle afgodendienst en het vereren van afgoden, maar gebiedt tevens, Hem alleen te dienen en Hem volkomen, Hem als de gehele, de volstrekt enige God. Alle woorden zijn deels verboden, deels geboden. God rekent met de zonde, in het hart inwonende en daarom komt zijn gebod in de vorm van een verbod.
4. a) Gij zult 1) u ook van Mij, uw God, geen gesneden beeld in mensengedaante, noch enige gelijkenis maken, 2) noch enig teken, van andere schepselen genomen, noch van hetgeen boven in de hemel is, van sterren en vogels, noch van hetgeen onder op de aarde is, van vee, wormen, planten of stenen, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is, in de wateren, die lager dan de aarde zijn, van vissen of andere waterdieren.
a) Leviticus. 26:1 Psalm. 97:7
1) Nadat God in het eerste gebod hen onderwezen heeft wie de ware God was en bevolen, dat Hij alleen zou gediend worden, stelt hij nu zijn wettige eredienst vast.
2) Zo is, om een voorbeeld te geven, de loochening van de heilige Drie-eenheid beeldendienst: omdat men geen voorstelling van God wil, zoals de Bijbel ons die geeft, door te gewagen van de driemaal heilige God: Vader, Zoon en Heilige Geest. Men kan een dergelijke voorstelling niet met zijn verstand rijmen, men begrijpt dit niet, en daarom verwerpt men dit, ten wille van eigen geliefkoosde voorstelling van het verstand. Zo maakt men zich ook met Israël aan beeldendienst schuldig, indien men van de zijde van het gevoel zich slechts een God van louter goedheid en toegevendheid droomt, zonder om Zijn rein zedelijke eigenschappen van de heiligheid, rechtvaardigheid en strafeisende gerechtigheid te denken. Gelijk de afgoderij naast de ene ware God andere valse goden, die in werkelijkheid niet slechts in de verbeelding bestaan, verdicht; zo maakt de beeldendienst zich een voorstelling van de ene ware God, niet zoals Deze in zichzelf bestaat en zich in Zijn woord heeft geopenbaard, maar naar het beeld, waarin Hij voor de ziekelijke en overprikkelde verbeelding verrijst.
In verband met Deuteronomium. 4:15 vv. waar dit gebod nader wordt verklaard, blijkt duidelijk, dat hier van beelden en gelijkenissen gesproken wordt, als van symbolen van de levende God. In dit gebod prent God Israël scherp in, dat Hij niet onder een symbool wil gediend worden, dat men geen symbolisch teken van Hem mag maken, om hem daaronder te aanbidden. Een zuiver geestelijke verering ligt aan dit gebod ten grondslag. Daarom was het voor Jerobeam zo’n verschrikkelijke zonde, dat Hij de zuivere en geestelijke dienst van God veranderde, door van Jehova een symbool, in de gedaante van een gouden kalf, te maken. Feitelijk veranderde Hij daarmee de belijdenis van de enige en waarachtige God, welke Hij zelf aan zijn volk had gegeven. Niet het maken van beelden op zichzelf wordt hier verboden, maar het maken van beelden als van symbolen van God.
5. Gij zult u voor die beelden en gelijkenissen niet buigen, noch hen dienen, 1) want ik, de HEERE, uw God, ben een naijverig God. 2) Met jaloezie waak Ik voor de Mij toekomende eer Jesaja 42:8; 48:11). Ik die, wanneer Mij Mijn eer door gehele geslachten onttrokken wordt, de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde, 3) lid van hen, die Mij haten. Ik straf die geslachten met uitroeiing; zo Ik ook al in lankmoedigheid op boete en bekering wacht, langer dan tot in het derde en vierde lid duurt dielankmoedigheid niet. Ik zend u thans heen om de Amorieten, wier misdaad thans vol geworden is, (Genesis 15:16) te verdelgen. Weet daaruit, dat Ik een grimmig wreker ben tegenover Mijn vijanden.
1) Onder buigen wordt verstaan het aanbidden en aanroepen van God, onder de gedaante van een beeld en onder dienen, het brengen en vereren van en met offers.
2) Hiermee wil de Heere God zijn volk leren, dat Hij Zijn eer aan geen ander geeft, dat Hij Zijn eer niet deelt met een schepsel van eigen maaksel. Zijn dienst moet zuiver en volkomen zijn. Naijverig, hier in de zin van ijverzuchtig, jaloers. De uitdrukking is ontleend aan de jaloersheid van de man, die zijn vrouw teder liefheeft en niet dulden kan, dat zij zijn liefde niet volkomen beantwoordt of met een ander deelt.
Israël was de bruid van de Heere. Hij had zich Israël door het Verbond ondertrouwd. Nu kon en mocht de Heere ook niet dulden en toelaten, dat Israël met een andere man hoereerde, andere goden volgde. Zo opgevat, is deze uitdrukking dan ook uitvloeisel, zowel van Gods onkreukbare rechtvaardigheid en heiligheid, als van Zijn tedere liefde voor Zijn volk. De afgoderij droeg daarom dikwijls de naam van hoererij en overspel.
3) Geen afgodische familie in Israël bleef bestaan over het derde en vierde geslacht. De afgodische koningsfamilies in Israël, van Jerobeam, van Baësa, van Achab en van anderen, die in het derde en vierde geslacht verdelgd worden, moesten in hun ondergang, die onmiskenbaar door wonderen en leiding van de goddelijke voorzienigheid werd teweeg gebracht, de waarheid van Israëls godsdienst, de waarachtigheid van de Godsregering en de heerlijkheid van de wet als de wet van de onveranderlijke, levende God bewijzen. Hun verdelging was een nieuwe sanctie (plechtige bevestiging) van de wet, die zij verlaten en overtreden hadden.
Is hiermee niet de strijd Ezech.18:20: “de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid van zijn vader?” Hier wordt het tegendeel niet geleerd. Ieder wordt voor zijn eigen zonden gestraft; maar ouders leiden ddor hun voorbeeld hun kinderen de zonden en de elende in. God heeft niet de zoon van Jerobeam, waarin iets goeds was gestraft, maar Jerobeam’s huis, dat in zijn voetstappen wandelde.
Het dreigement in het tweede gebod moet niet onbepaald worden verstaan, alsof God altijd de kinderen zou willen plagen, om de zonden van de vaderen, maar bij voorwaarde, indien zij volharden en voortgaan in hun zonden, wandelende in hun wegen en tredende in hun voetstappen. Hetzelfde antwoord wordt gegeven in het tweede gebod, dat God de zonde van de vaderen niet bezoeken zal, uitgenomen alleen degenen, die Hem haten.
Tegen de straf aan degenen, die Hem haten, voltrokken tot in het derde en vierde geslacht, staat in vs.6 de barmhartigheid, betoond aan duizenden, degenen die Hem zouden liefhebben.
Volgens sommigen, slaat deze bedreiging niet alleen op de overtreding in het tweede gebod verbonden, maar ook op die, welke in het eerste veroordeeld wordt.
6. En, aan uzelf, nageslacht van Mijn knechten Abraham, Izak en Jakob kunt gij het opmerken: Ik doe barmhartigheid aan duizenden van hen, die Mij liefhebben en Mijn geboden onderhouden. 1) Gij, die nu tot duizenden geworden zijt, beërft immers nu de gegeven beloften; aan u vergeld Ik, dat uw vaderen Mij hebben liefgehad en gediend.
1) Hoe nauw dit gehele gedeelte, vs.3-6 samenhangt, blijkt uit deze vloek en deze zegen, die zeker zowel op het derde als op het vierde vers betrekking heeft. Wil men echter hier twee geboden onderscheiden, dan is in vs.3 de verering van heidense goden (als Baäl en Astarte), in vs.4 de beeldendienst verboden, waarbij men voorgaf de ware, enige God te dienen, maar dit onder beelden en gelijkenissen van de geschapen wereld deed, en daardoor de heerlijkheid van de onverderfelijke God in de gelijkenis van een beeld van een vergankelijk mens en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten veranderde (Rom.1:23 vrgl. de kalveren van Aäron en van Jerobeam hoofdstuk 32:1-6; 1 Kon.12:25-29). Doch al is het dat hier twee vormen van afgoderij, Idolatrie (afgodenaanbidding) en Ikonolatrie (beeldendienst) genoemd worden, zo zijn beide toch slechts één zonde. In theorie (beschouwing) zijn zij uit elkaar te houden; maar de praktijk (uitoefening in het dagelijks leven) springt over de grenzen heen. Waar de afgoderij verschijnt, vormt zij zich als beeldendienst; de afgoderij is de abstracte (nog in de wil verborgen), de beeldendienst de concrete (in de werkelijkheid tevoorschijn tredende) zonde. Waarschijnlijker is de Augustijnse telling te verkiezen, volgens welke hier één gebod is. Deze is waarschijnlijk ook de oorspronkelijke bij de Joden geweest, en dus ouder dan die van Philo en die van Josephus; tenminste in de Hebreeuwse bijbel is het gedeelte, vs.2-6, als een bij elkaar behorend gedeelte door een samek (o) aangeduid; deze zinafdelingen in de Hebreeuwse tekst behoren ongetwijfeld tot een zeer hoge ouderdom, zijn wellicht van de schrijvers zelf afkomstig.
In de Lutherse catechismus worden de woorden van vs.4: “Gij zult u enz” weggelaten. Luther meende, dat crucifixen en afbeeldingen uit de heilige geschiedenis niet tegen de Heilige Schrift waren. Hij zegt (w.d. himm. proph.): “God wil hebben, dat men Zijn werk zal horen en lezen, in het bijzonder het lijden van Christus; zal ik dit echter horen of overdenken, zo is het mij onmogelijk, dat ik in mijn hart daarvan geen beelden maak; want of ik wil of niet, wanneer ik Christus hoor, zo heb ik in mijn hart het beeld van een man, die aan het kruis hangt. Is het nu geen zonde, maar goed, dat ik Christus’ beeld in het hart heb, waarom zou het dan zonde zijn, wanneer ik het in het oog heb? daar toch het hart meer betekent dan de ogen.”
Meer stemmen wij in met hetgeen onze Heidelbergse Catechechismus vraag 98 leert. “Al veroordelen wij ook elk beeld en elke schilderij niet als herinnering aan het heilige; toch menen wij het: “principiis obsta” (sta de beginselen tegen) ook hier te moeten toepassen.
Al is ook de Roomse kerkleer uitgedrukt in de regels onder het Christus-beeld in de St. Jans kerk te ‘s Hertogenbosch: “Gedenk, o mens, wat gij hier ziet, is Christus beeld, maar Christus niet; daarom, aanbid geen hout of steen, maar Christus, uw God alleen.” Wij weten, waartoe de leken van de kerk vervallen zijn, en hoe gemakkelijk ons hart van aanbidding in geest en waarheid afgeleid wordt.
Luther’s catechismus stelt de bedreiging en belofte aan het slot van de geboden, omdat hij van mening is, dat deze bedreiging en belofte op alle geboden van toepassing is. Ons inziens slaat deze alleen op de eerste twee geboden, zoals ook de geschiedenis van Israëls volk aangeeft, en dan nog wel voornamelijk op het tweede gebod, zoals ook in de geschiedenis van Israëls koningen openbaar wordt. De historie heeft ook in deze de betekenis van dit gebod gestaafd en opgehelderd.
De belofte is veel sterker dan de bedreiging; de straf zal zijn in het derde en vierde lid, de zegen aan duizenden; de gevolgen van het werk van de satan, mogen niet zo ver reiken, als de gevolgen van de liefde van God. Ziet wat voor zegen een waar Christen heeft, die liefheeft en het waarachtige van zijn liefde in zijn wandel, in het onderhouden van Gods geboden. God zal zijn godsvrucht dienstbaar maken tot heil van anderen, en deze, tot God bekeerd, zullen wederom geestelijke kinderen verkrijgen, zodat die zegen zeer ver reikt. Men moet echter wel bedenken, dat die zegen alleen rust op een reine wandel, voortspruitende uit die liefde; wie Zijn geboden niet houdt, zal, evenmin als een rechtvaardige Lot, Sodoms bewoners tot bekering leiden, noch godvruchtige kinderen zien.
7. a) Gij zult de naam van de HEERE, uw God, in welke Hij Zijn onzichtbaar wezen, Zijn eeuwige kracht en Godheid u duidelijk geopenbaard heeft, niet ijdel gebruiken, 1) noch op nodeloze wijze, noch in de dienst van leugen enongerechtigheid. Gij zult dus bij Zijn naam niet vloeken, onnodig zweren, liegen of bedriegen: want de HEERE zal niet onschuldig houden, wie Zijn naam ijdel gebruikt.
a) Leviticus. 19:12 Matth.5:33
1) Moge het ongelovig mensenhart niet veel hechten aan zonden van de tong en, wat onbedachtzaam of uit gewoonte geschiedt, als geen kwaad aanmerken, de Heere denkt alzo niet. Hij zal u rekenschap vragen van ieder ijdel woord (Matth.12:36), en het meest zal Hij Zijn toorn doen voelen aan hem, die Zijn heilige naam niet acht.
In het Hebreeuws, tot ijdelheid opnemen, d.i. niet doelloos en gedachtenloos uitspreken. Calvijn tekent hierbij aan: “De synekdoche is in dit gebod duidelijk waar te nemen. Want opdat God het heilig ontzag, dat men Zijn heilige naam verschuldigd is, bewerke, verbiedt Hij die gedachteloos op te nemen, voornamelijk in eedzweringen. Waaruit men bij wijze van tegenstelling van dit gebod kan opmaken, dat alle eedzwering een getuigenis is van vroomheid, waarin de majesteit van God zelf haar luister behoudt. Verder, het is zeker, niet slechts wanneer wij zweren, dat wij die naam heilig hebben te houden, maar zo dikwijls als van die naam sprake is. Alzo vrijwaart Hij door deze woorden Zijn heerlijkheid, zowel in zijn woord als in zijn daden, voor alle ijdele geringschatting. Dat het zweren bij de naam van God een bewijs, of een deel van zijn eredienst is, zullen wij later zien, en blijkt uit de woorden van Jesaja duidelijk Jesaja 45:23). Want waar hij voorspelt, dat alle volken zich zullen aanmelden voor de zuivere Godsverering, zo zegt Hij: “Ik leef, zegt de Heere, Mij zal alle knie buigen en alle tong zal bij Mij zweren.” Verder, indien het buigen van de knieën aanbidding aanduidt, heeft dat zweren, dat er onmiddellijk bijgevoegd wordt, dezelfde kracht, als zich voor God te verklaren.” IJdel wordt de naam van God opgenomen, niet slechts, wanneer iemand deze misbruikt tot meineed, maar ook, wanneer hij lichtvaardig en onachtzaam wordt gebruikt, om onbetekenende en nutteloze dingen te bevestigen.
Hoezeer de Heere toornt over het ijdel gebruik of misbruik van die enige, heilige Naam, en hoe de bijgevoegde drangreden in alle ernst opgevat en verklaard moet worden, blijkt wel uit het vervolg van de geschiedenis bij het verhaal van hetgeen met de lasteraar van de naam van de Heere is geschied (Leviticus. 24:16,17). Het Hebreeuwse woord, wat onze vertalers door “ijdel” weergegeven hebben, betekent eigenlijk in het oorspronkelijke “doelloos” (lasschaw), tevergeefs, zonder genoegzame reden of behoorlijke grond. Ook is er in het oorspronkelijke eigenlijk geen spraak van de naam te “gebruiken,” maar wel van de “op te nemen,” uit te spreken (nasah). Men mocht die ontzaglijke Naam, zo vol van majesteit en hoogheid, niet maar doelloos opnemen en gedachteloos uitspreken.
8. a) Gedenkt 1) de Sabbat, dat gij die heiligt, die van de gewone werkdagen onderscheidt, gelijk Ik bij de gave van het Manna u reeds heb aangewezen.
a) Ezech.20:12
1) Doel van dit gebod is, dat de gelovigen zich oefenen in de dienst van God. Want wij weten, indien de mensen niet in het ijverig zorgdragen voor de godsdienst ondersteund en gesterkt worden, hoe makkelijk zij deze laten versloffen. En niet zonder oorzaak deelt God een opzettelijke plaats toe aan de Sabbat en aan de overige feestdagen.
Uit dit woord gedenken blijkt duidelijk, dat Israël niet onbekend was met de Sabbat. Echter bestond het gebod als zodanig, om die dag des Heeren te heiligen nog niet. Het gebod omvat de heiliging van de Sabbat, en stempelt de Sabbat tot dag des Heeren, terwijl de verplichting, om zes dagen te werken, er in onmiddellijk verband mee staat.
Als een rustdag en als een heilige dag moest de Sabbat beschouwd worden.
9. a) Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; getrouw zult gij al uw arbeid verrichten, opdat gij met een blijmoedig hart rust nemen kunt; volbrengt alles in die vorige dagen, opdat gij op de zevende dag niet hoeft te werken.
a) Exodus. 23:12; 34:21 Luk.13:14
10. Maar de zevende dag is de Sabbat, de rust-, de feesttijd van de HEERE, uw God; dan zult gij geen werk doen, 1) noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw last- of trek-vee, noch uw vreemdeling, die in uw dienst is, noch de om loon werkende buitenlander, die in uw poorten is, 2) die zich een tijdlang onder u ophoudt.
1) Het werk, dat hier verboden wordt, is het werk van de beroeping, gemeenlijk dienstwerk genaamd, hetzij van ambacht, van ploegen, zaaien, oogsten, van nering, kopen en verkopen, en alles, waarmee de mens zijn kost wint. Hieronder wordt niet begrepen: a. Het werk van de godsdienst, het prediken van de predikanten tot zwetens toe, en al wat in de godsdienst geschiedt. De priesters doodden de beesten op de Sabbat, nochthans zondigden zij niet. b. Ook wordt hier niet onder begrepen, de werken van absolute noodzakelijkheid, waarvan de noodzaak veroorzaakt wordt door een onverwacht voorval op de Sabbat, hetzij dat er brand komt, een mens in het water valt, of dergelijke. c. Ook worden hier niet onder begrepen, de werken van barmhartigheid.
2) “Die in uw poorten is,” wil niet zeggen, die binnen de poort van uw huis is, maar die binnen de poorten van uw steden zich bevindt. Het woord in de grondtekst, geeft nimmer aan een deur in het huis, maar altijd de poorten van de stad.
11. Want a) in zes dagen heeft de HEERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; 1) daarom zegende de HEERE de Sabbat, legde Hij ook voor Zijn schepselen de zegen van verkwikking, van vrede en vreugde op deze dag, en heiligde Hij deze, verhief die boven het gewone en dagelijkse tot een dag de Heere gewijd.
a) Genesis 2:2
1) Wanneer in het Nieuwe Testament de Zondag in de plaats van de Sabbat getreden is, dan heeft dit zijn rechtvaardiging daarin, dat de opwekking van Christus uit het graf een nog grotere daad van God is dan de schepping van de wereld, en de uitstorting van de Heilige Geest, een nog heerlijker openbaring, dan die op de Sinaï. Daarbij bestaat een grootse door de Heere zelf van het begin af aangevangen parallel tussen die eerste en deze nieuwe schepping, die met goddelijke kracht van de viering van de oorspronkelijke rustdag tot die van het nieuwtestamentische voortgezet is. Op een Vrijdag heeft God de mens geschapen; op een Vrijdag stierf de Godmens aan het kruis, om hem te verlossen. Op de avond van een Vrijdag heette het: “Alzo zijn volbracht de hemel en de aarde en al hun leger” en op de avond van een Vrijdag klonk het goddelijk woord van de verlossing: “Het is volbracht.” Op de Sabbat daarop keerde God de Schepper in Zijn eeuwige rust terug, en wederom op een Sabbat lag God, de Verlosser, in de rust van het graf. Uit deze trad Hij vervolgens op de Zondagmorgen vroeg in heerlijkheid tevoorschijn, als het beeld van een nieuwe mensheid, en de aanvang van een nieuwe verheerlijkte wereld. Voor de nieuwe schepping, wier eerstgeborene de opgestane is, en wier einddoel de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zijn, moet de oude wijken (2 Petr.3:10 vv.); tot voorbeeld en onderpand daarvan is reeds nu voor de eerste dag van de nieuwe schepping, de laatste dag de oude, voor de Zondag de Sabbat geweken.
Het Evangelie keert de orde van de wet om. Bij Mozes is het: “Doet dit en gij zult leven;” bij Christus: “Leeft en gij zult doen;” bij Mozes: “Werkt en daarna (de zevende dag) zult gij rusten;” bij Christus: “Rust in God (de eerste dag) en gij zult Godverheerlijkend werken.” Dßßr is het de dienst, die moe maakt en rust noodzakelijk maakt; hier is de kracht des Heeren, die tot opgewekt werk geschikt maakt.
Uit deze plaats mag de waarschijnlijke gissing gemaakt worden, dat de heiliging van de Sabbat er vroeger wettelijk was. En zeker, omdat Mozes vroeger verhaald heeft, dat verboden was, op de zevende dag het Manna te verzamelen, schijnt genomen uit een ontvangen aanwijzing en gebruik. En daar God aan de heiligen de wijze van offeren heeft overgeleverd, is het niet geloofwaardig, dat de bewaring van de Sabbat zou weggelaten zijn. Maar om de verdorvenheid van het menselijk verstand, dat bij de heidense volken geheel was uitgeblust, bij het nageslacht van Abraham bijna was afgesleten, heeft God het door Zijn wet vernieuwd, opdat de Sabbat met heilige en ongebroken zorgvuldigheid zou worden onderhouden.
Het rusten op en het heiligen van de Sabbat door de mens heeft zijn grond in het rusten van God op de zevende dag. Hierdoor ontvangt de instelling van de Sabbat haar zedelijke en geestelijke betekenis. Met dit gebod sluit de eerste tafel. In het eerste gebod worden wij bevolen, God alleen te dienen; het tweede gebod beveelt God op geestelijke wijze te eren. Het derde gebod bedoelt, het heilig houden van de naam des Heeren, en in het vierde gebod wordt geboden, de wijze, waarop en hoe God in het bijzonder wil vereerd worden, op welke dag. Er zijn er, die ook het vijfde gebod er nog bijvoegen. O.i. ten onrechte. In het vijfde gebod treedt toch de liefde jegens de naaste op de voorgrond, jegens hen, die ons het leven schonken. (Zie Ex 20.17).
12. a) Eert uw vader en uw moeder, 1) die door Mij boven u gesteld zijn, en aan wie gij het leven, de opvoeding en zoveel zegeningen te danken hebt; gij zult hen in uw woorden en daden op een aan hun waarde overeenkomstige wijze bejegenen en u aan hun wil en hun gebod in gehoorzaamheid en liefde onderwerpen. Doet dit, opdat uw dagen, o, Israël, wanneer gij zulk een volk zijt, waarbij vroomheid heerst, verlengd worden, vele worden in het land, dat u de HEERE, uw God, geeft. Doet dit, opdat het land Kanaän van geslacht tot geslacht uw erfenis blijft, en Ik geen straffen en plagen behoef uit te zenden, die er velen in hun jeugd doen sterven (Deuteronomium. 5:16 Ex.23:25 vv. 23.25).
a) Matth.15:4 Efez.6:2
1) De stand van vader en moeder heeft God in het bijzonder verheven boven alle andere standen, die onder Hem zijn, zodat hij niet slechts gebiedt, hen lief te hebben, maar ook hen te eren. Jegens broeders, zusters en de naasten beveelt God in het algemeen niets hogers, dan hen lief te hebben, alzo onderscheidt de Heere boven alle andere personen op aarde vader en moeder, en zet Hij hen naast zich. Want het is veel hoger te eren, dan lief te hebben, daar dit niet alleen de liefde, maar ook de gehoorzaamheid, de ootmoed en de vrees in zich sluit, als voor een daar verborgen Majesteit.
Onder vader en moeder zijn echter niet alleen te verstaan degenen, die ons lichamelijk voortgebracht en opgevoed hebben (vaders 2 Koningen. 5:13) maar ook degenen, die ons tot Christus hebben geleid, die ons geestelijk leven hebben verzorgd en bevorderd, profeten en leraren, aan welke deels de vadernaam (2 Koningen. 2:12; 13:14; 1 Kor.4:15) deels het vaderschap toegeschreven wordt, terwijl hun leerlingen zonen en dochters genoemd worden (Psalm. 34:12; 45:11 Spreuken. 1:3; 10:15 vv.). Wij hebben daaronder ook te verstaan de beschermers van ons lichamelijk en geestelijk leven, de door God over ons gestelde overheid, die met recht de vader- en moedernaam voeren kan (Genesis 41:43; 45:8 Richteren. 5:7), omdat de stand van de overheid zich ontwikkeld heeft uit het vader- en kindschap, en uit de eerbied van de kinderen jegens de ouders voortdurend zijn zedelijke vastheid verkrijgt, waarvan het welzijn en het geluk van de volken afhangt.
Het vierde gebod legt in de eis, om de ouders te eren, de grondslag voor de heiliging van het gehele maatschappelijke leven, daar het een goddelijk gezag leert kennen.
Wanneer nu overal het staatkundig bestaan van een volk voornamelijk afhangt van de ondergeschiktheid van de onderdanen onder de overheid, van de tucht, orde en eenheid, zo is dit in het bijzonder voor Israël waar, daar het slechts zó lang het land zou bezitten, als die door de ouders op de kinderen voorgeplante opvoeding duren zou. (Mal.4:6).
Indien er één gebod is, dat ons wijst op de goddelijke oorsprong van de wet, dan is het wel het vijfde gebod, waarin niet alleen bevolen wordt de vader, maar ook de moeder te eren. Immers in het Oosten, was de vrouw, de moeder, weinig in tel. Had het kind als het ware een slaafse vrees voor de vader, niet zelden was zijn moeder een voorwerp van minachting bij hem. Was dus de wet een product van de menselijke geest uit die dagen, dan ware ongetwijfeld de bijvoeging, en de moeder, weggelaten. God echter eist zowel liefde en heilige vrees voor de moeder als voor de vader. -Het woord “eren” betekent, zoals Calvijn terecht aanmerkt, niets anders, dan God en de mens, die in ambten staan, de rechte eer te geven. Bij het lange leven zijn in Deuteronomium. 5:16 ook nog de woorden “en opdat het u welga” bijgevoegd.
13. a) Gij zult niet doodslaan, 1) noch u zelf, noch een ander; gij zult ook een mensenleven niet moedwillig in gevaar brengen. (Leviticus. 19:14 Deuteronomium. 22:8)
a) Matth.5:21
1) Eigenlijk gij zult niet moorden, in de zin van, met voorbedachte rade een doodslag doen. Niet alleen de volbrachte daad wordt hier verboden, maar alles, wat tot doden aanleiding kan geven, zoals de Heidelbergse Catechismus terecht opmerkt.
14. a) Gij zult niet echtbreken; 1) zowel het huwelijk van u zelf als dat van een ander zal u heilig zijn. (Leviticus. 19:14 Deuteronomium. 22:8)
a) Matth.5:27
1) Wel te onderscheiden van hoererij. Hier wordt bedoeld de geslachtsomgang tussen een wettig getrouwd man met een vrouw, of die van een wettig getrouwde vrouw met een man. Evenwel, ook alle zonde, die met deze in verband staat, is hieronder begrepen. Duidelijk straalt hierin door, dat de Heere wil, dat het huwelijk heilig wordt gehouden.
15. Gij zult niet stelen; gij zult het eigendom van uw naaste noch met list aantasten, noch uit moedwil of onverschilligheid uw medemens schade berokkenen. (Deuteronomium. 22:1-4).
Ook hier weer alles wat met diefstal in verband staat.
16. Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste 1) noch voor het gericht door een valse aanklacht of een leugenachtig getuigenis, noch in het dagelijks leven door lastering, hem zijn goede naam ontstelen.
1) Letterlijk: Gij zult niet antwoorden ten opzichte van uw naaste, als een valse getuige. Iedere onware en leugenachtige getuige wordt hier verboden, wat het leven, of de naam, of het goed van de naaste in gevaar kan brengen.
17. a) Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat van uw naasten is, 1) om het hem op enige wijze te ontnemen.
a) Rom.7:7
1) In bewonderenswaardige orde en trapsgewijze voortgang, wordt het ene gebod aan het andere gehecht. Allereerst neemt de Heere aan de naaste zijn lichaam en zijn leven in bescherming (vs.13), daarna zijn tweede persoon, die tot één lichaam en één leven met hem verbonden is (vs.14); vervolgens hetgeen hij voor het leven van zich en de zijnen nodig heeft, zijn have en zijn goed (vs.15). Aan deze drie verboden, om de naaste op enige wijze door de daad schade aan te doen, wordt het verbod gevoegd van alle schade door het woord (vs.16), en verder het verbod van alle schade door gedachten (vs.17). Nu is de vraag, of wij de inhoud van vs. 17 slechts voor één gebod rekenen, of in twee geboden verdelen moeten. Ware het eerste onveranderlijk nodig-en de meeste uitleggers staan met grote beslistheid daarop-zo bleven ons, volgens hetgeen wij vs.6 opgemerkt hebben, slechts 9 geboden over, en wij moesten tot de, bij vs.2 verworpen wijze van tellen teruggaan. Dat het intussen van grote betekenis is, wanneer de Heere na het verbod: “Gij zult niet begeren uws naasten huis,” niet zonder meer voortgaat; “noch zijn vrouw, noch zijn dienstknecht enz.”; maar opnieuw aanheft: “Gij zult niet begeren uws naasten vrouw enz.” duidt reeds de Hebreeuwse codex (evenals bij vs.2-6) door een samek aan, beide zinnen werden dus reeds in de vroegste tijden bij het openlijk voorlezen van de Heilige Schrift van elkaar gehouden. Dat nu echter de betekenis van dit dubbel verbod omtrent het begeren niet in de voorwerpen van de boze begeerte, maar in het begeren zelf ligt, bewijst de wijze, waarop het verbod in Deuteronomium. 5:21 5.21 herhaald wordt; daar zijn namelijk de voorwerpen van de begeerte omgekeerd; eerst wordt de vrouw, daarna het huis met het daarbij behorende genoemd; daarenboven is het begeren door twee verschillende woorden uitgedrukt, die bepaald van elkaar onderscheiden zijn. De eerste uitdrukking, die wij beide malen in de voor ons liggende plaats vinden, wordt gebruikt van een begeren, dat door een uitwendige schoonheid wordt opgewekt Jozua 7:21): terwijl de tweede uitdrukking meer op dat begeren ziet, dat van de begerenden zelf uitgaat, dat zijn oorzaak heeft in de neigingen en behoeften van de begerenden zelf (Spreuken. 21:10). Alzo is op onze plaats aangewezen, dat de boze lust van tweevoudige daar is; in Deuteronomium. 5:21 wordt nader die lust, dus een andere dan in de aanvang van het vers bedoeld is, verstaan, dit wijst Paulus (Rom.7:7) aan; want de werkelijke begeerte erkent de mens ook wel zonder de wet, maar eerst het tweede: “Gij zult niet begeren,” heeft de apostel met de bedorven grond van zijn inwendige mens, met de erfzonde bekend gemaakt. En ook Rom.13:9 geeft het bijgevoegde: “en zo er enig ander gebod is,” te denken, dat achter het: “Gij zult niet begeren,” nog een ander verbod ligt, namelijk het: “Gij zult niet begeren,” in de tweede door ons genoemde betekenis. Na deze opmerkingen is het niet moeilijk in te zien, waarom in Ex.20:17 de voorwerpen van het begeren zo afgebeeld zijn, dat eerst het huis, daarna vrouw, dienstbaren, vee enz. genoemd worden. In Deuteronomium. 5:21 daarentegen zo, dat bij het eerste verbod de vrouw, bij het tweede huis, akker enz. genoemd worden. Daar op onze plaats slechts middellijk tussen het zich laten lusten en begeren scheiding gemaakt is, zo zijn de voorwerpen meer naar de wetten van de logica tussen de beide verboden verdeeld. Vooraan staat het huis, waaronder de gehele bezitting begrepen is; deze wordt hier volgens haar afzonderlijke bestanddelen aangegeven, vrouw, dienstbaren enz. Nadat echter in Deuteronomium. 5:21 eenmaal het onderscheid tussen het tweeërlei begeren gemaakt is, en het eerste opgevat moet worden in de bijzondere zin: “Laat niet door hetgeen buiten u is uw boze lusten opgewekt worden,” zo was voor dit verbod de vrouw van de naaste (Spreuken. 6:25) het eigenaardigste, terwijl het huis enz. beter bij het tweede verbod pastte: “Begeer niet van uzelf, wat van uw naasten is.” Over de verdeling van de 10 geboden in twee tafels, zie Ex 31.18.
Dit verbod moest iedere Israëliet wel de bede op de lippen leggen: “Schep mij een rein hart” (Psalm. 51:12). Wanneer wij in het licht van deze wet ons zelf beschouwen, en haar als een spiegel gebruiken; leidt zij ons tot de erkenning van de diep bedorven toestand van ons hart, dat zondig is in zijn wezen en zondig in zijn werkingen. Zo komen wij door zelfbeproeving tot zelfkennis. Dit alleen is niet genoeg, er moeten ook zodanige vruchten volgen zoals in Jesaja. 1:16 genoemd worden. De wet moet aandrijven tot zelfbeheersing. Op tweeërlei wijze valt de zonde ons aan. Zij komt of in boze begeerten uit het hart op, en vertoont zich naar buiten in de daad, of wij zien haar buiten ons, terwijl zij door verleiding in ons hart wil insluipen. In beide gevallen is de verzoeking sterk, want de zonde maakt van alles gebruik om haar doel te bereiken. Maar nu komt de wet, die zich reeds in het geweten deed horen, en spreekt gebiedend: “Gij zult niet; uw Heer, die alles ziet, alles zoekt, van wie gij in alles afhankelijk zijt, verbiedt het.” Laat die wet een grendel zijn voor uw hart, die aan de zonde het uitkomen en het ingaan belet. Gelijk een dienaar dus zijn heer ontziet en vreest voor de overtreding van zijn instellingen, leert ons ook de wet als dienaren van de Heere te gehoorzamen. Ieder is zondaar, en het gevolg van de zonde is de vloek. Hoe zullen wij dan zalig worden? Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet. Om dit middel te bezitten, moeten wij ons zelf verloochenen. Wie tot Christus komt, belijdt daardoor, dat hij tegenover de wet was: onwillig, onwaardig en onmachtig. Onwillig, want nu pas dwingt hem de liefde van Christus tot een oprecht streven, om die wet te vervullen, terwijl zijn bedorven hart vroeger alle vermaningen met een: “Ik wil niet,” beantwoordde. Onwaardig, want alle geboden van zijn God heeft hij overtreden, en zoekt vergeving. Onmachtig, want door in Christus kracht te verlangen tot volbrenging van de wet, bekent hij van zichzelf deze niet te bezitten. Ja hij doet afstand van de gehele voorgaande levensontwikkeling, van zichzelf, om als een nieuw mens, door het geloof met Christus verenigd, een nieuw leven van gehoorzaamheid aan te vangen. Zo moet dus deze wet voor ieder mens, gelijk vroeger voor de mensheid, een tuchtmeester tot Christus zijn, en door kennis van zonde, tot kennis van zaligheid, door zelfkennis tot Godskennis leiden. Zij leert ons als een last beschouwen, wat wij aan het kruis moeten afwerpen en niet dan door haar dienstbaarheid komt men tot de vrijheid van de heerlijkheid van Gods kinderen.
Sinaï! Wat zijt gij geweest en wat zijt gij nog voor de wijsgeer, die geen hogere waarheid kende, dan de waarheid die uit de mensen is, in u niets dan een eerwaardig gedenkteken van de oudheid wil zien? Voor hem, Sinaï! waart gij- te weinig. Want gij zijt meer dan zo’n gedenkteken. Ook het oog van de blindste van de ongelovigen, aanschouwt op aarde een volk, even wonderbaar is hetgeen het is als in hetgeen het niet is; even wonderbaar in zijn vroegere opkomst en bloei, als in zijn tegenwoordige vernedering en val; even wonderbaar in de hardnekkigheid van de tegen hem gevoerde strijd van vervolging en moord, als in de hardnekkige tegenstand, die het daaraan biedt; reeds sinds achttien eeuwen als volk bijna stervende, en toch altijd onsterfelijk; onder alle volken verspreid en toch van alle volken onderscheiden; op alle volken invloed uitoefende, ja enigszins over hen heersende naar de geest, door zijn geschiedenis, wetten en zeden, maar wederkerig de invloed van geen van deze volken ondergaande, en ofschoon doe allen naar het lichaam, door geen van hen naar de geest beheerst; met één woord: onveranderlijk onder alle veranderingen, en evenals zijn rivier de Jordaan, de meiren, die het op zijn weg ontmoet doorgaande, zonder zijn loop te veranderen, of zich met hun water te vermengen! Het volk van alle volken, die bestaan, het grootste in zijn verleden, het armste en ellendigste in zijn heden, het heerlijkste in zijn verwachting en toekomst! Vanwaar dit volk? Wat is de wonderbare keten, die het tezamen hecht, en als door een electrische stroom aan allen, die ertoe behoren, dezelfde beweging meedeelt? En wat is het brandpunt, vanwaar die stroom is uitgegaan? Gij zijt het, o Sinaï! De wet, op uw top gegeven, heeft Israël als volk geschapen, doet Israël als volk leven, zal Israël als volk doen voortduren, totdat het geheel zal zijn vervuld. Solon! Lycurgus! Numa Pompilius! Waar zijn uw wetten? Waar de volken door uw wetten gevormd? Eeuwig Rome! Waar zijt gij? -Geen antwoord! Hef dan vrij het hoofd omhoog, o Sinaï! gij, verkondiger van de wet van Jehovah aan het volk van God! Verkondiger van die wet aan alle volken van de wereld! En wat is uw heerlijkheid bij hetgeen gij eenmaal wezen zult? Ja, ook als verkondiger van des Heeren wet, hebt gij nog uw hoogste luister niet bereikt. Uw wet, gelijk zij thans het onbereikbaar toonbeeld is van alle wetgeving, zal eens de moeder van alle wetten zijn! “De wet zal eens in volle kracht uit Sion uitgaan en des het Heeren woord uit Jeruzalem.” En niet alleen Griekenland en Rome, maar al de volken zullen tot u komen, om van u de rechten en getuigenissen des Heeren te leren, en in het licht van uw geboden te wandelen!.
Sinaï! Wat zijt gij geweest en wat zijt gij nog voor de heilbegerige zondaar, die tot u kwam, om van u woorden van eeuwige leven te horen? Sinaï! Voor hem waart gij-te veel! Niet dat wij u ervan beschuldigen. Gij toch kunt geen antwoord geven, dan op vragen, die tot uw rechtsgebied behoren. Gij staat daar als een rechter; weegschaal en zwaard zijn in uw hand; voor u ligt het hemelse wetboek van God; gij kunt niets anders doen, dan naar de inhoud van dat wetboek rechtspreken, en dan is uw antwoord aan allen: “Gij zijt aan de dood schuldig; want allen hebben gezondigd! Misschien bestaat elders een hoger gericht, waar uw gevonniste genade wordt verleend; zelfs schijnt gij met de vinger (in de offers) daarheen te wijzen; maar gij zelf bezit dat recht van genade niet. Gij hebt slechts één woord: “Betaal wat gij schuldig zijt!” Maar daarom: dubbel ongelukkig het Israël van onze dagen, dubbel ongelukkig ieder mens, die uw aanspraken tot zó verre misduidt, dat hij meent in u, in plaats van een ongenadige rechter, een genadevolle vriend, redder en verlosser te aanschouwen, die in moedwillige onkunde van de algemene, zowel als van zijn eigen val, zich voordoet, alsof uw zwaard hem niet trof: ja, alsof hij in uw weegschaal gewogen, niet te licht zou worden bevonden! De ongelukkige! hoe vreselijk zal hij eens ontwaken, als gij nogmaals uw stem tegen hem verheffen zult, en daar, waar geen zelfbedrog meer mogelijk, en tegelijk de weg van herstel afgesneden is, tegen hem de dood zult eisen, die hij gehoopt had juist door u te zullen ontgaan. Nee, Sinaï! Aan die verblinding hebt gij geen schuld! Gij predikt luid genoeg: “Vervloekt is een ieder, die niet blijft in de woorden van deze wet, om die te doen.” Daarom zijt gij ook voor duizenden en tienduizenden als een andere Mozes geweest, die op een andere Aäron wijst: “Zie, het Lam van God, dat de zonde van de wereld draagt!” Daarom zegenen duizenden en tienduizenden de donderen en bliksemen, die van u zijn uitgegaan, en hebben uw rotsen genoemd: “Geboorteplaats van het leven, dat niet sterft in eeuwigheid.”.
In het vijfde gebod wordt beschermd degene, die ons het leven, naast God, gaf; in het zesde, ons eigen leven; in het zevende de echtvriend of vriendin; in het achtste, het eigendom; in het negende, de goede naam; terwijl in het tiende, de wortel van alle zonden wordt aangetast.
18. En al het volk zag 1) en hoorde de donderen, en de bliksemen, die een poos gezwegen hadden, maar, nadat de Heere de tien woorden gesproken had, zich in veel sterkere mate verheven, en het hoorde het geluid van de bazuin, en zag de rokende berg; toen het volk dit zag, weken 2) zij af van hun plaats, getroffen door de schrik van de goddelijke Majesteit, en stonden veraf. 3)
1) “Zag,” in de zin van, nam waar. In die betekenis komt het meermalen in de Heilige Schrift voor. Het volk nam waar, wat voor ogen was, en wat het met het oor opving. De engelenwereld, die ook gewis de berg omringde, zag Israël niet, evenmin als later Eliza’s knecht de vurige wagen en paarden, welke Dothan omringde zag, dan nadat God hem de ogen had geopend. Dat ook engelen zich erbij bevonden, leert zowel Stéfanus als de Apostel Paulus (zie Ac 7.38) (Galaten. 3:19).
2) Hij wijst het doel aan, waarom die tekenen tot het inboezemen van vrees zichtbaar werden, opdat nl. God hen daarmee tot gehoorzaamheid zou dringen. Zij werden dus verschrikt, niet om als verpletterd te sterven, maar slechts om in deemoedigheid zich aan God te onderwerpen. En dit geschiedde door een bijzonder gunstbewijs, dat de Majesteit van God, waarvoor aarde en hemel sidderden, Zijn kinderen niet ontzielde, maar hen slechts beproefde (non exanimet sed tantum examinet).
3) Van die rechterstoel gaan donderslagen uit, die: “wee! wee!” en bliksemen, die: “dood en verderf!” roepen. Zo moet die wet dienen, om het ingeslapen geweten weer wakker te roepen, en met zich tegen de mens te doen getuigen: “Allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid van God.” Zo moet die pool van de zedelijke wereld, die wij zonde noemen, en die de zondaar zelf een onbekend gewest geworden was, door de wet weer aan het licht worden gebracht, opdat de tegenpool die wij genade noemen zich mede openbaren kan! Zo moet de wet zelf als een andere Johannes de boetgezant met het haar kleed op de schouder, het “wee” in de mond en de bijl in de hand voor het aangezicht des Heeren heengaan, om Hem een effen pad te bereiden. Zij moet de hoofden buigen, de harten verbreken, de geesten verbrijzelen, de gehele mens ter aarde en op de knieën werpen. Zij moet in haar vervloekingen de zondaar de vloek, in haar doodvonnissen hem de toekomstige straf van de zonde verkondigen. Zij moet in zijn boezem een vuur werpen, dat hem doet uitroepen: “Wie kan wonen bij een eeuwige gloed? Zij moet op zijn schouders een juk en een last leggen, die hem moe van zonde maakt en hem doet uitroepen: “Hoelang nog, Heer, hoe lang nog?”.
In het Hebreeuws Jan’oe, hier vertaald door weken zij af. Dit moet dan opgevat worden, ten opzichte van de geest. Beter is de vertaling: werden beroerd of bevende. Een schrik voer hen door de leden bij het waarnemen van de geduchte tekenen van Gods Majesteit. Ten gevolge van die schrik durfden zij niet de berg bestijgen, maar bleven veraf staan.
a) En zij zeiden door hun oudsten en oversten (Deuteronomium. 5:23 vv.), die zij gezonden hadden, tot Mozes: Spreek gij met ons, in de plaats van God, en wij zullen horen alles, wat Hij ons door uw mond beveelt; endat God met ons niet langer onmiddellijk spreke, opdat wij niet sterven, 1) als onmachtige, zondige mensenkinderen, die de aanblik van de goddelijke heerlijkheid niet kunnen verdragen (Genesis 16:13 vv. Exodus. 33:20).
a) Hebr.12:19
1) Hiermee heeft Israël ook van zijn zijde Mozes tot een middelaar gesteld, en hem de volmacht gegeven, om in zijn plaats met de Heere te handelen. Van de zijde van God was hij reeds daartoe verordend, als hij op de berg geroepen, en dan weer tot het volk gezonden werd (Ex.19:20-25). Tot zijn roeping als middelaar behoorde echter ook, dat Israël hem uitdrukkelijk een last gaf; want een middelaar is geen middelaar van een (Galaten. 3:20), kan nooit tot een partij, maar moet altijd tot beide delen behoren, tussen welke hij als middelaar zal optreden.
Dus ziet men, 1e. dat, wanneer de zondaar Gods stem in de wet gewaar wordt, als tot zijn geweten sprekende, het als dan voor hem ondraaglijk wordt, die aan te horen. 2e. Dat door het spreken van de wet geleerd wordt, de onvermijdelijke noodzakelijkheid van een middelaar tussen God en de zondaar, gelijk het dan ook de Heere door Zijn oneindige goedheid behaagde, de volken op dit hun zeggen, de belofte te doen van de verwekking van Christus (Deuteronomium. 18:15-18). Dus is de wet een tuchtmeester, om de mens tot Christus te brengen, de ware Middelaar van de verzoening. (Galaten. 3:24 Hebr.12:24)
Hoewel Israël had ondervonden, dat het kon blijven leven al sprak ook de Heere met hen, toch is het zo beangst geworden, dat het bevreesd is te sterven, indien de Heere langer met hen spreekt. De Apostel zegt (Hebr.12:9): “Zij baden, dat tot hun het woord niet meer zou gedaan worden.”.
20. En Mozes zei tot het volk, om de valse vrees voor God weg te nemen, en hen tot de heilige vrees, welke die ontzettende tekenen in hen werken moesten, te leiden, en hij sprak: Vreest niet, want God is daarom op zo heerlijke wijze op de berg neer gekomen, opdat Hij u verzocht, 1) en opdat, nadat hij haar gezien, en een diepe indruk ontvangen hebt, Zijn vrees voor uw aangezicht zou zijn, dat gij niet tegen Zijn geboden handelt en zondigt (Spreuken. 16:6 Psalm. 111:10).
1) De wet dreigde Israël de dood; de haar vergezellende tekenen schenen die reeds nabij te brengen. Ook aldus was en is er door de wet de kennis van de zonde, en wordt aldus het zondig hart aan zichzelf ontdekt. Ziedaar wat dit “verzoeken” aanduid: het hart wordt gedwongen als met een schok tot zichzelf in te keren, aan tegelijk eigen bestaan aan de heilige eis van Gods wet, aan de strenge uitspraak van Zijn recht te toetsen. Dan spreekt het geweten zich uit in die dodelijke vrees, die nu bij Israël werd waargenomen. Om deze als getuigenis tegen het volk van God op te wekken, was de wet gekomen, en dit, als een getuigenis van en voor God.
21. a) En het volk, stond veraf; 1) het werd weer naar het leger teruggeleid (Deuteronomium. 5:30); want God keurde het woord van Israël (vs.20) goed en verklaarde het voor recht en goed (Deuteronomium. 5:28 vv.) daar onder het Oude Testament werkelijk nog geen onmiddellijk naderen tot Hem, geen algemeen priesterdom mogelijk was, maar een bemiddeling tussen Hem en het niet ontzondigde mensengeslacht noodzakelijk was. Alzo ging het volk niet zelf op de berg, maar Mozes, door de Heere opnieuw geroepen (hoofdstuk 19:20) naderde tot de donkerheid van de wolk, die zich op de top van de berg gelegerd had, alwaar God was, 2) om die wetten aan Zijn dienstknecht te geven, die op de grondwet van de tien woorden gebouwd, hem tot mededeling aan het volk moesten gegeven worden.
a) Hebr.12:18
1) Het veraf staan, of liever standhouden van het volk staat hier tegenover het naderen van Mozes tot de donkerheid, alwaar God was. Het volk ging niet meer achterwaarts, maar bleef veraf staan, het bleef in de tenten, naar Deuteronomium. 5:30, als begreep het, dat de nadering tot God enkel en alleen door de Middelaar kon plaats hebben. Een heilige en betamelijke vrees voor Gods geduchte Majesteit vervulde het.
2) De wet van de tien woorden is gegeven. In haar is de gehele wet als in haar kern en kiem bevat. Zij is de grondwet; de grond, waarop alle andere wetten en geboden berusten, de wortel, waaruit zij voortkomen, de bron, waaruit zij vloeien. En toch hiermee vergenoegt zich de nederbuigende liefde van God niet. Niet alleen de grondwet, ook de geheel daarop te gronden wetgeving van Israël, wil hij zelf door Mozes aan Israël meedelen. Dezelfde hand, die de hoeksteen gelegd heeft, verwaardigt zich daarop ook het overige gebouw op te trekken.
Mozes hoort nogmaals de roepstem van de Heere. Hij klimt nogmaals op. En in de verborgenheid van de wolk is hij met de engel, die met hem spreekt, en ontvangt hij de levende woorden, om die te geven. (Hand.7:38).
Dit opgaan van Mozes op de berg was ware, eenvoudige geloofsgehoorzaamheid. Op een rokende berg gaan, in wolken gaan, waaruit kort tevoren een vuur uitgeflikkerd had, in het donkere gaan, waarin de Heilige God was, vorderde een groot geloof, en niets dan de eenvoudige gehoorzaamheid aan het bevel van God kon Mozes daartoe bewegen. Maar wat willen we zeggen? Wie van ons zal op de heilige berg gaan, wie zal blijven op Zijn heilige plaats? Wie zal in de hemel gaan, waar de heerlijkheid van God zich vollediger vertoont dan op de berg Sinaï? Wie zal staan voor de heilige God, en Zijn aangezicht zien, dat Mozes niet zien mocht? Niemand, dan alleen hij, die door het geloof Christus is ingeplant, en door de geest van het kindschap, de slaafse vrees voor God overwonnen heeft.
Met de donkerheid wordt bedoeld, dat gedeelte van Sinaï’s bergtop, dat door de dikke wolken door de vurige rook was omhuld. Daarom troonde Hij ook in het donkere in het Heilige der Heiligen (1 Kon.8:12). De LXX vertaalt het woord door onweer. Evenzo wordt die donkerheid ook genoemd in Hebr.12:18
I. Exodus 20 vers 22-26
Op de berg ontvangt Mozes, als middelaar van het verbond, dat de Heere met Israël wilde sluiten, een reeks van verordeningen, die hij daarna bij het werkelijk sluiten van het verbond (hoofdstuk 24:3-8) aan het volk voorlegt, en in het boek van het verbond neerleggen moet. Zij bevatten de hoofdlijnen van het verbond, en spreken aan de ene zijde uit, wat de Heere aan Zijn volk oplegt, en aan de andere zijde, wat Hij daarin aanbiedt. Wat Hij hen oplegt, heeft betrekking op de wijze, hoe Hij, in tegenstelling van de reeds door het eerste gebod verboden beeldendienst, vereerd wil zijn (grondwet van de cultus of de godsdienst).
22. Toen zei de HEERE tot Mozes, die nu op de top van de berg in het donkere van de wolk opgeklommen was: Aldus zult gij tot de kinderen van Israël zeggen: Gij hebt bij de afkondiging van de wet (hoofdstuk 19:16-20:18) gezien, dat Ik met u van de hemel 1) gesproken heb.
1) Niet zonder bedoeling benadrukt de Heere, dat Hij met Israël van uit de hemel gesproken heeft. Hiermee wil Hij toch op de goddelijke oorsprong van de wet de nadruk leggen. Bovendien, voordat de Heere komt met de uitbreiding van het tweede gebod, wijst Hij hen daarmee op het feit, dat zij Zijn vreselijke tekenen hebben waargenomen, waaruit zij konden opmaken, dat geen afbeeldsel van Hem te treffen is.
23. Gij zult naast Mij 1) de Onzichtbare, de Hemelse niet maken, iets wat aan het gebied van de aardse en zichtbare dingen ontleend is, zilveren goden, 2) en gouden goden, gelijk de heidenen hebben, zult gij u niet maken.
1) In het Hebreeuws Ietthie, eigenlijk bij mij. Dit betekent niet, tegelijk met mij, maar verbonden met maken gelijk stellen.
2) De Heere God noemt de afbeeldsels en afgoden hier goden, niet omdat zij werkelijk enig wezen hebben, maar omdat Hij zich hier schikt naar de begrippen van de mensen. God kende zijn volk, wist dat het een zinnelijk volk was en behoefte had aan iets zichtbaars, dat het zich niet wel kon schikken in het aanbidden van Hem, als een zuiver geestelijk Wezen.
24. a) 1) Maakt Mij een altaar van aarde, en offert daarop uw brandoffers en uw dankoffers, uw schapen en uw runderen, 2) en terwijl gij met zulk een altaar u van de aarde verheft, en de hemel, waar Ik woon, nader treedt, om daarop Mij uw gaven te brengen, wil Ik de hemel neigen (Psalm. 144:15) en ook van Mijn zijde nader tot u treden, opdat in uw godsdienstplechtigheden hemel en aarde elkaar aanraken. Aan alle plaats, waar Ik de gedachtenis aan Mijn naam stichten zal, 3) overal, waar Ik door enige grote daad of openbaring van Mijn grote en heerlijke naam, de plaats heiligen zal (hoofdstuk 3:5 Genesis 28:10 vv. Deuteronomium. 27:5 vv. Jozua. 8:30 Richteren. 6:25 vv.; 1 Kon.18:29), zal Ik, ook in volgende tijden, tot u komen en zal u zegenen. Zo weet gij dan, op welke plaatsen gij Mij altaren zult oprichten, niet overal, waar het u goed dunkt, maar alleen daar, waar IkMijn tegenwoordigheid te kennen gegeven heb (Deuteronomium. 12:13 vv.).
a) Exodus. 27:1; 38:1 vv.
1) Ongetwijfeld staat dit gebod met het voorgaande in nauw verband. Israël mocht geen beeltenis, geen zilveren of gouden beeltenis van God maken. De eredienst moest zuiver geestelijk, maar daarom ook eenvoudig zijn. Maakte Israël nu een sierlijk altaar, dan kon allicht tenslotte het altaar de plaats van God innemen, en meer op de vorm, dan op het wezen worden gelet. Het altaar moest daarom iets voorbijgaands zijn, de vorm, waarop het brandoffer en schuldoffer werd gebracht. Niet Israël moest zelf iets toedoen tot de gemeenschapsoefening met Jehova, maar de Heere zelf zou Israël zegenen en heiligen.
2) Het brandoffer hier drukt zo wel belijden van schuld uit als ootmoedige dankbaarheid. Straks zouden de offeranden verdeeld worden in het dagelijks brandoffer, in het dankoffer, in het zond- en in het schuldoffer.
3) Het is de Heere zelf, van Wie deze moet uitgaan. Hoor, Hij zelf getuigt het: “Waar Ik Mijn Naam zal doen gedenken” gelijk ook de kanttekenaren de vertaling van de oorspronkelijke woorden aangeven. De Heere doet Zijn heilige Naam gedenken door zich te openbaren in de leiding van het leven, in de betoning van Zijn gunst, in gevoelige ondervindingen van Zijn toorn en in zoveel andere omstandigheden meer, waarin ons de leidende en ingrijpende Voorzienigheid Gods merkbaar wordt. Als gij b.v. na lange afwezigheid uit de huiskamer, door ziekte of moeilijkheden veroorzaakt, wederom voor het eerst met diep bewogen hart bij de huislijke godsdienstoefeningen moogt tegenwoordig zijn; of wel als gij die bijwoont op bijzonder merkwaardige tijdstippen in het leven, wanneer de Heere-hij weet u dat nog wel te herinneren-u zo bijzonder bij Zijn liefelijke leiding en uw eigen ondankbare vergetelheid bepaalde; zo dat gij soms zelf, al was het niet luide, onwillekeurig moest uitroepen: “O God! wees mij zondaar genadig!”.
Dit doelt niet alleen op die plaats, waar straks de tabernakel in de woestijn zou vertoeven, maar op alle plaatsen, welke de Heere door een bijzondere openbaring daartoe zou wijden.
25. a) Maar indien gij Mij een stenen in plaats van een aarden altaar zult maken, zo zult gij dit niet bouwen van gehouwen steen, 1) maar slechts van ruwe steen, gelijk dit uit Mijn scheppende hand is voortgekomen; zo gij uw houwijzer daarover verheft, of enig ander werktuig, om de steen eerst te bewerken, zo zult gij het altaar daardoor ontheiligen. 2)
a) Deuteronomium. 27:5 Jozua. 8:30,31
1) De onbearbeide stenen, die zonder enige verandering hun eigen gedaante behielden, waren met een meer natuurlijke reinheid begaafd en kwamen dus nader met de heerlijkheid van het altaar overeen; terwijl integendeel de stenen, die met veel moeite en naar de kunst behouwen en gepolijst waren door de behandeling van de werkmeester ontaarden en iets meesterlijks aan zich trokken, en die niet beantwoordde aan de eenvoudige en onvervalstheid, die God in de bouw van een altaar tot Zijn eer in acht genomen wilde hebben.
Het woord door de Statenvertalers weergegeven door houwijzer, betekent oorspronkelijk zwaard, maar wordt ook gebruikt voor alle scherpe voorwerpen, die gebruikt worden, om te snijden en om te graveren. Houwijzer is dus hier zeer goed. Van geen gehouwen steen mocht het altaar worden gemaakt. Het moest eenvoudig, sober zijn.
2) Dit voorschrift heeft zijn reden in de dubbele bestemming van het altaar. Van de zijde van de mensen is het een verhoging van de aarde naar de hemel, een verheffing van de aarde boven haar gewone vlakte (zie Ge 8.20); daarom mag slechts aarde of zulke steen daartoe gebruikt worden, die nog geheel het karakter van de natuurlijke vorming in zich draagt, anders gaat de eigenlijke betekenis van een altaar (latijn: altare van altur = hoog) verloren. Van de zijde van God is het het punt van de met een vloek (Genesis 3:17) beladen aarde waartoe Hij, die de hemel met Zijn heerlijkheid vervult, in genadig nederbuigen neerkomt, om met de mens in aanraking te komen en diens gaven aan te nemen; menselijke kunst kan er niets toe bijdragen, om de vloek te verzachten en de Heere op de aarde af te trekken; alleen Zijn nederbuigende genade vermag de brug te bouwen tussen hemel en aarde, daarom moet de kunst ver weg blijven. Wel wordt zij later (hoofdstuk 31:1-11) tot de dienst van het heiligdom gebezigd; maar zij mag slechts in zoverre dienen, als de Heere haar dienst begeert, en zij mag het pas, wanneer Zijn Geest haar doortrokken heeft.
26. Gij zult ook niet met trappen tot Mijn altaar opklimmen, maar alleen een langzaam opklimmende glooiing daarvoor aanbrengen, opdat, wanneer gij opstijgt, om uw offeranden te brengen, uw schaamte voor deze, dat deel van uw lichaam, waar zonde en dood het meest zich openbaren (zie “Ex 28.41), niet ontdekt en het altaar ontwijd wordt. 1)
1) Een voorschrift van stipte eerbaarheid als een zinnebeeld van de zuiverheid van het gemoed, die daar geëist wordt.
Terwijl God aan de priesters de achting voor het heilige geheel het leven voorschrijft en in bijzondere handelingen, is het niet te verwonderen, indien Hij bij het verrichten van de heilige zaken een bijzondere zorg, om het eerbaar en waardig te doen, eist. Want vroeger wel wilde Hij, dat de priesters, wanneer zij tot het heilige opgingen, gekleed waren met schorten of broeken, om de schaamte te bedekken, maar met dit symbool van zedelijke reinheid niet tevreden verbiedt Hij langs trappen tot het altaar op te klimmen, opdat zelfs de schorten niet zichtbaar werden, omdat door zodanig gezicht de waardigheid van de heilige dingen, en de heilige vrees er voor schade werd aangedaan. Daarom heeft Hij op allerlei wijze de Israëlieten ertoe willen brengen, dat zij bij de eredienst zich zeer rein en gewijd zouden gedragen.
Hoogstwaarschijnlijk staat ook dit vers hier, bij wijze van proloog, omdat in vs.25 van een altaar sprake is. Niet nog van het altaar in de voorhof, maar van het altaar in het algemeen is daar sprake.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Exodus 20
Exodus 20:1–3. KruisverwijzingenHosea 13:4→Deuteronomium 5:7→Psalmen 81:10→Leviticus 19:36→Exodus 13:3→Deuteronomium 5:15→Deuteronomium 7:8→Deuteronomium 5:6→
— Toen sprak God al deze woorden, zeggende: Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb. Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.
God is de enige God, en geen enkel ander voorwerp van aanbidding mag ook maar een ogenblik worden geduld.
Exodus 20:4–6. KruisverwijzingenLeviticus 26:1→Numeri 14:18→Deuteronomium 4:15→Deuteronomium 7:9→Psalmen 97:7→Deuteronomium 27:15→Exodus 34:14→Nahum 1:2→
— Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden.
Hier wordt ons verboden God onder welke gedaante of voorstelling dan ook te aanbidden. Het eerste gebod verbiedt de aanbidding van een andere god. Het tweede gebod verbiedt ons nadrukkelijk om iets wat onze ogen kunnen zien te aanbidden, onder het voorwendsel dat wij daarmee God aanbidden. Deze zonde komt zelfs veel vaker voor dan de overtreding van het eerste gebod. Men zegt dikwijls: “O, wij aanbidden deze dingen niet; wij aanbidden God, Die zij voorstellen.” Maar juist dat wordt hier uitdrukkelijk verboden. God mag onder geen enkele vorm of gedaante worden voorgesteld om vervolgens tot een voorwerp van aanbidding te worden gemaakt.
Exodus 20:7. KruisverwijzingenLeviticus 19:12→Jakobus 5:12→Leviticus 24:11→Spreuken 30:9→Deuteronomium 5:11→Hebreeën 6:16→Psalmen 50:14→Mattheüs 23:16→
— Gij zult den Naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.
Van ons wordt eerbied gevraagd voor de Naam van God, en alles wat met Zijn eredienst verbonden is, moet heilig worden gehouden.
Exodus 20:8–11. KruisverwijzingenLeviticus 19:3→Leviticus 26:2→Exodus 31:13→Leviticus 23:3→Genesis 2:3→Leviticus 19:30→Lukas 13:14→Exodus 23:12→
— Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is; Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE den sabbatdag, en heiligde denzelven.
Het is goed voor ons om de sabbat tot een rustdag te maken: een dag van heilige eredienst en een dag waarop wij naderen tot God. Tot zover hebben wij de eerste tafel van de wet, die onze plichten tegenover God bevat. De geboden op de tweede tafel beschrijven onze plichten tegenover onze naaste.
Exodus 20:12–14. KruisverwijzingenKolossenzen 3:20→Romeinen 13:9→Markus 7:10→Genesis 9:5→Leviticus 20:10→Efeze 6:1→Leviticus 19:3→Mattheüs 5:21→
— Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft. Gij zult niet doodslaan. Gij zult niet echtbreken.
Deze geboden reiken veel verder dan hun letterlijke bewoordingen. “Gij zult niet doodslaan” omvat niet alleen het wegnemen van het leven, maar ook alles waardoor het leven wordt verkort. Het omvat toorn, elke kwade wens en iedere boosaardige hartstocht. En „Gij zult niet echtbreken” omvat iedere vorm van seksuele zonde en onreinheid.
Exodus 20:15–17. KruisverwijzingenEfeze 4:28→Leviticus 19:11→Spreuken 19:5→Mattheüs 19:18→Lukas 12:15→Romeinen 7:7→Leviticus 19:13→Psalmen 15:3→
— Gij zult niet stelen. Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste. Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is.
Het was het tiende gebod dat de apostel Paulus schuldig stelde, want hij zegt: “Ja, ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zeide: Gij zult niet begeren.” Wanneer mensen de andere geboden overtreden, hebben zij vaak eerst dit gebod overtreden.
Exodus 20:19. KruisverwijzingenDeuteronomium 18:16→Galaten 3:19→Exodus 33:20→Hebreeën 12:19→Deuteronomium 5:23→Handelingen 7:38→Genesis 32:30→Deuteronomium 5:5→
— En zij zeiden tot Mozes: Spreek gij met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven!
De wet werd niet gegeven onder de lieflijke klanken van harpen of de gezangen van engelen, maar met een ontzagwekkende stem vanuit een verschrikkelijk vuur. Op zichzelf veroordeelt de wet niet. Als er door enige wet leven had kunnen worden verkregen, dan zou het door deze wet zijn geweest. Maar vanwege de zondigheid van de mens werkt de wet toorn. Daarom werd zij gegeven onder tekenen van vrees en dood, te midden van Gods ontzagwekkende machtsvertoon, waarbij iedere lettergreep met indrukwekkende kracht werd beklemtoond.
Het ontzagwekkende tafereel op de Sinaï was bovendien in zekere zin een profetie, of zelfs een voorafschaduwing, van de dag des oordeels. Als de afkondiging van de wet, terwijl zij nog niet overtreden was, al met zo’n ontzagwekkend machtsvertoon gepaard ging, hoe zal dan de dag zijn waarop de Heere met vlammend vuur wraak zal oefenen over hen die Zijn wet moedwillig hebben overtreden?
Voor ons is die dag bij Horeb een beeld van de werking van de wet in ons eigen hart. Zo werkt de wet in op ons geweten en onze ziel. Als wij ooit hebben ervaren dat de Geest van God de wet persoonlijk tot ons sprak, dan hebben wij een machtig donderen in ons binnenste gehoord. Wij zijn gedwongen geweest met Habakuk uit te roepen: “Als ik het hoorde, zo werd mijn buik beroerd; voor de stem hebben mijn lippen gebeefd; verrotting kwam in mijn gebeente, en ik werd beroerd in mijn plaats” (Habakuk 3:16). God heeft dit zo beschikt, opdat wij zouden zien op de vlammen die Mozes aanschouwde en voorgoed alle hoop zouden opgeven om door de werken van de wet aangenomen te worden.
Exodus 20:25. KruisverwijzingenJozua 8:31→Deuteronomium 27:5→
— Maar indien gij Mij een stenen altaar zult maken, zo zult gij dit niet bouwen van gehouwen steen; zo gij uw houwijzer daarover verheft, zo zult gij het ontheiligen.
Gods altaar moest uit onbehouwen stenen worden gebouwd, zodat er geen spoor van menselijke kunst of arbeid op zichtbaar zou zijn. De menselijke wijsheid heeft er behagen in de leer van het kruis bij te schaven en te ordenen tot een kunstmatig systeem dat beter aansluit bij de verdorven smaak van de gevallen mens. Maar in plaats van het Evangelie te verbeteren, maakt de vleselijke wijsheid het onzuiver, totdat het een ander evangelie wordt en niet langer de waarheid van God is.
Iedere verandering of aanvulling op het eigen Woord van de Heere is een verontreiniging en ontheiliging. Het hoogmoedige menselijke hart wil graag zelf een aandeel hebben in de rechtvaardiging van de ziel voor God. Men vertrouwt op verootmoediging en berouw, stelt goede werken voorop, roemt op natuurlijke bekwaamheid en probeert op allerlei manieren menselijke arbeid aan het goddelijke altaar toe te voegen.
Alleen de Heere moet worden verheerlijkt in het werk van de verzoening. Geen enkele slag van de beitel of de hamer van de mens zal daarbij worden geduld. Er ligt een wezenlijke godslastering in elke poging om iets toe te voegen aan wat Christus Jezus in Zijn sterven “volbracht” heeft verklaard, of om datgene te verbeteren waarin de HEERE volkomen voldoening heeft gevonden.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
MOZES ONTVANGT DE TIEN GEBODEN VAN GOD.
1. Toen Mozes nu weer onderaan de berg stond, sprak God al deze woorden, 1) met verheven stem voor de oren van geheel Israël (Deuteronomium. 4:12,33; 5:22), zeggende:
1) Deze woorden heten (hoofdstuk 34:25 Deuteronomium. 4:13; 10:4); “de tien woorden” (met een Griekse, in de wetenschap zeer gebruikelijk geworden uitdrukking “de Decaloog” genoemd); overigens komen in het Oude Testament ook de namen “verbond” en “getuigenis” voor (hoofdstuk 25:16,21; 34:28 Deuteronomium. 4:13,45). “Geboden” heten zij eerst in het Nieuwe Testament (Luk.18:20). Vervolgens wordt de afdeling van deze woorden, waar het ene woord of gebod ophoudt en het andere begint, niet nader aangegeven; evenmin bij de herhaling van dit gewichtigste gedeelte van de wet (Deuteronomium. 5:6-21). Verschillende inzichten zijn hierover geweest en in latere tijd, sedert 1836, zijn een reeks van geschriften over deze verdeling uitgegeven. De eerste gedachte is die van Philo, een Alexandrijnse Jood (gestorven 40 n.C.) en van Josephus, de bekende veldheer ten tijde van de laatste Joodse oorlog, die door Vespasianus gevangen genomen, om zijn profetie, dat hij zelf keizer zou worden, weer losgelaten werd, en, bij de belegering van Jeruzalem, door Titus als onderhandelaar gebruikt werd (hij leefde van 37-93 n.C.). Hun mening is door bijna alle kerkvaders van de eerste vier eeuwen gedeeld, en wordt nog heden in de Oosterse en de Hervormde kerken voor de ware gehouden. Volgens deze vormen in vs. 2-3 het eerste, vs.4-6 het tweede gebod, terwijl vs.17 voor één, het tiende, gebod gehouden wordt. In de vijfde eeuw werd door Augustinus, bisschop te Hippo, Regium (het tegenwoordige Bona) in Numidië (430 n.C.), een andere mening in de Westerse Kerk algemeen, volgens welke vs.2-6 slechts een gebod uitmaakten, vs.17 daarentegen in twee geboden verdeeld werd. Augustinus hield zich bij deze verdeling van het verbod aan de klank van de woorden (Deuteronomium. 5:21), en rekende als negende gebod: “Gij zult niet begeren uws naasten vrouw, en als tiende: “gij zult u niet begeren uws naasten huis enz.”; De Rooms-Katholieke kerk, die zijn berekening volgde, hield zich aan de tekst van ons hoofdstuk en maakte tot het negende gebod: “Gij zult niet begeren uws naasten huis; tot het tiende: “gij zult niet begeren uws naasten vrouw enz.” Bij de Roomse kerk heeft Luther zich in zijn Catechismus aangesloten, zoals hij in alles, wat met de Heilige Schrift niet in tegenspraak was, maar tot de zogenoemde bijzaken behoorde, dat Christenen bij de eenmaal aangenomene gewoonte liet blijven. In tegenstelling tot de eerst aangehaalde mening, die bij de kerkvaders bestond, had, reeds voor Augustinus, de Romeinse keizer Julianus Apostata (de afvallige, van 361-363 n.C.) beweerd, dat de inleiding in vs.2: “Ik ben de Heere, uw God, enz.” een van de tien woorden was; hij rekende vervolgens vs.3-6 als het tweede en het verbod van begeren als het tiende. Hem zijn de zogenaamde Talmudische Joden, uit oppositie tegen de Christenen gevolgd; ook onder de Christelijke theologen van deze tijd hebben enigen (Knobel, S. Preiswerk) zich voor deze opvatting verklaard, terwijl zij zich erop beroepen, dat de tien geboden in Oude Testament slechts de tien woorden heten, het eerste woord dus geenszins een gebod behoefde te zijn, maar zeer goed alleen een inleiding tot de eigenlijke geboden zijn kon. Een vaste overtuiging, welke van de verschillende verdelingen de meest aanbevelenswaardige is, zullen wij eerst door de beschouwing van het volgende gedeelte in alle afzonderlijke punten, kunnen verkrijgen.
Het woord “woord” moet hier in de zin van gebod, bevel worden opgevat. Dit brengt het Oosterse spraakgebruik mee. Als zelfs een Oosters vorst iets spreekt, een woord uit, staat dat woord gelijk met een bevel. Waar dus van de Heere God, de hoogste Majesteit, gezegd wordt, dat Hij woorden spreekt, daar heeft dit de betekenis, dat Hij beveelt te onderhouden, wat Hij laat afkondigen.
Het woord Emir komt ook van een werkwoord, dat in de eerste plaats zeggen betekent en in de tweede plaats bevelen. Als een Emir spreekt, beveelt hij. Ongetwijfeld sprak God deze woorden, voordat Mozes en Aäron nog tot de berg waren opgeklommen, voor de oren van geheel Israël.
2. Ik ben de HEERE, uw God. 1) Ik, die alleen waarachtig ben, verheven boven alle verandering, in Mij alle leven en zaligheid omvattende (hoofdstuk 3:14) geef in het verbond, dat Ik thans met u, o Israël, sluit, Mij zelf tot uw eigen God, met alles wat Ik ben en heb; Ik wil uw God, uw hoogste goed zijn. (Genesis 17:7). Dat doe Ik, die u uit Egypte, a) uit het diensthuis, waarin gij gevangen zat, uitgeleid heb, 2) die u tot een vrij, zelfstandig volk en wel tot Mijn volk gemaakt heb (Exodus. 19:4 vv.); daarom is het recht en billijk, dat gij Mij ook waarlijk tot uw God in het geloof aanneemt; en uit dankbaarheid voor deze u bewezen redding Mijn welgevallen doet.
a) Exodus. 13:3 Deuteronomium. 5:6 Psalm. 81:11
1) Zelfs de heidenen erkenden, dat de godsdienst de onontbeerlijk en enig houdbare grondslag van de zedelijkheid was (vrgl. Xenephon, memor IV: 4, 19; Cicero, de leg. ij: 7); daarom beginnen Zaleucus (wetgever van de Locriërs) en andere wetgevers uit de oudheid hun voorschriften met de eis, dat de leden van een staat voor alle dingen moesten geloven, dat er goden waren, en dat zij hen vreesden (Diod. Sic. XlI:20). Dien ten gevolge heeft men in ons vers reeds een van de tien woorden gezien, die de Heere met eigen mond tot de gemeente van de kinderen van Israël gesproken heeft. De in dit vers uitgesproken waarheid is de grondslag van alle geloof en leven in Israël. Het vormt het inleidend woord, waarmee de Heere de gemoederen van het volk tot gehoorzaamheid aan Zijn wet wil buigen, en wordt vervolgens, deels volledig, deels verkort tot inscherping van andere wetten dikwijls genoeg herhaald (hoofdstuk 29:46 Leviticus. 19:36; 11:44; 18:2,4 vv.); in het bijzonder dient het hier tot voorbereiding van het eerstvolgend woord. Toch ware het verkeerd, dit reeds tot de tien woorden zelf te willen tellen; want dan verkregen wij slechts negen eigenlijke geboden, wat de geest van de Heilige Schrift weerspreekt. Deze heeft overal getallen van symbolische betekenis (zie Ge 35.26 zie Ge 46.27). Het getal tien betekent een geheel (Genesis 31:27 Exodus. 11:10), gelijk het dan ook werkelijk de rij van de grondgetallen sluit, en de natuurlijke vertegenwoordiger van het getallensysteem is. Wij houden daarom beslist vast, dat tien eigenlijke geboden moeten geteld worden, omdat daardoor de wet eerst een volledig geheel wordt, en verwerpen onder de bovengenoemde wijzen van telling de derde, welke naar haar oorsprong meer aan de geest van tegenspraak, dan aan de kracht van de waarheid te danken is.
Door deze woorden bewerkt God een heilig ontzag voor Hem, voordat Hij de regel voorschrijft, om vroom en rechtvaardig te leven. Verder kondigt Hij zich niet slechts als Jehova en als de enige God aan, die uit kracht van de schepping de mensenkinderen aan zich verbonden houdt, welke Hij het bestaan heeft gegeven en wier leven Hij beschermt, ja, die van allen het leven is, maar Hij voegt er nog bij, dat Hij in het bijzonder de God van Israël is, omdat het de moeite waard was, dat het volk niet slechts voor de Majesteit van God een heilige vrees had, maar ook op liefelijke wijze werd aangetrokken, om de wet kostbaarder te achten dan goud en zilver en tegelijk zoeter dan honing (Psalm. 119:103). Want het was niet genoeg, dat de mens door een slaafse vrees werd gedwongen, om onder haar juk door te gaan, maar ook, dat zij door de liefelijkheid ervan aangetrokken, vrijwillig zich eronder stelde.
Begrijpt gij dat? De Heere, die de Hemel heeft tot Zijn troon is de God van mij, stofje op de aarde, van mij, de zondaar! En toch, het is zo. Loof Hem, mijn ziel. Zijn eigen mond heeft het verklaard. Kent gij een heerlijker lot? Zalig is het volk, welke van God de Heere is (Psalm. 33:12). Wat heet het een God te hebben? Een God heet datgene, waarvan men alle goeds verwacht, en waarbij men toevlucht heeft in alle noden, zodat “een God hebben” niets anders betekent, dan van harte op Hem vertrouwen, en in Hem geloven. Datgene, waaraan gij met geheel uw hart hangt en waarop gij u verlaat, dat is eigenlijk uw God.
2) Hij brengt die buitengewone weldaad, waarmee het volk verwaardigd was in herinnering, waarmee Hij tevens betuigd had, dat het niet vruchteloos geweest was, dat het door Hem was uitverkoren. Want de verlossing was een zeker pand van de aanneming, maar opdat Hij het volk des te beter aan zich verbond, herinnert hij tevens, hoedanig hun toestand was geweest. Want Egypte was als het ware een slavenhuis geweest, waaruit de Israëlieten bevrijd waren. Waarom zij nu niet meer hun eigen meester waren, omdat God hen zich had verworven. Dit nu heeft in eigenlijke zin op ons geen betrekking, maar met een heiliger band heeft Hij ons aan zich verbonden, door de hand van Zijn eniggeboren Zoon, welke Hij daarom heeft doen sterven en weer doen opstaan, opdat Hij over doden en levenden zou heersen (Rom.14:9) 14.9. Alzo is Hij niet slechts God van één volk, maar van alle volken, welke Hij tot Zijn Kerk, door de algemene aanneming heeft geroepen.
God vermeldt deze weldaad: 1e. Om het volk tot een dankbare gehoorzaamheid te verplichten; want wie was het schuldig meer te gehoorzamen dan God, die het uit zulk een zware dienstbaarheid had geleid. 2e. Om de Israëlieten tot het geloof aan te sporen; wie zou het beter vertrouwen, als die God, die de belofte, die Hij zo veel jaren tevoren aan Abraham gedaan, nu volbracht? 3e. Om Jakobs nakomelingen tot de godsvrucht op te leiden; wie zouden zij meer vrezen, als die God, die zich door wonderen zo krachtig bewees, waarvoor geheel Egypte sidderde. 4e. Omdat dat uitleiden een voorbeeld zou zijn voor de uitleiding uit het geestelijk Egypte.
Deze woorden behoren niet tot het eerste gebod, maar vormen een voorafspraak, waarmee de Heere én Zijn Soeverein recht te kennen geeft, én bedoelt het volk tot gehoorzaamheid te dwingen.
3. Gij nu zult, opdat ik inderdaad uw God zij, (vs.2), en u met niemand te delen heb, geen andere goden voor Mijn aangezicht 1) hebben, geen goden, die niet bestaan 1 Corinthiers. 8:4), dan in de verbeelding van dwazen (Hebr.3:12).
1) In het Hebreeuws Al panai. Onze Statenvertaling komt met de Latijnse vertaling overeen. “Voor mijn aangezicht,” maar is minder juist. De eigenlijke betekenis is, boven mij. God verbiedt hiermee niet alleen alle afgodendienst en het vereren van afgoden, maar gebiedt tevens, Hem alleen te dienen en Hem volkomen, Hem als de gehele, de volstrekt enige God. Alle woorden zijn deels verboden, deels geboden. God rekent met de zonde, in het hart inwonende en daarom komt zijn gebod in de vorm van een verbod.
4. a) Gij zult 1) u ook van Mij, uw God, geen gesneden beeld in mensengedaante, noch enige gelijkenis maken, 2) noch enig teken, van andere schepselen genomen, noch van hetgeen boven in de hemel is, van sterren en vogels, noch van hetgeen onder op de aarde is, van vee, wormen, planten of stenen, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is, in de wateren, die lager dan de aarde zijn, van vissen of andere waterdieren.
a) Leviticus. 26:1 Psalm. 97:7
1) Nadat God in het eerste gebod hen onderwezen heeft wie de ware God was en bevolen, dat Hij alleen zou gediend worden, stelt hij nu zijn wettige eredienst vast.
2) Zo is, om een voorbeeld te geven, de loochening van de heilige Drie-eenheid beeldendienst: omdat men geen voorstelling van God wil, zoals de Bijbel ons die geeft, door te gewagen van de driemaal heilige God: Vader, Zoon en Heilige Geest. Men kan een dergelijke voorstelling niet met zijn verstand rijmen, men begrijpt dit niet, en daarom verwerpt men dit, ten wille van eigen geliefkoosde voorstelling van het verstand. Zo maakt men zich ook met Israël aan beeldendienst schuldig, indien men van de zijde van het gevoel zich slechts een God van louter goedheid en toegevendheid droomt, zonder om Zijn rein zedelijke eigenschappen van de heiligheid, rechtvaardigheid en strafeisende gerechtigheid te denken. Gelijk de afgoderij naast de ene ware God andere valse goden, die in werkelijkheid niet slechts in de verbeelding bestaan, verdicht; zo maakt de beeldendienst zich een voorstelling van de ene ware God, niet zoals Deze in zichzelf bestaat en zich in Zijn woord heeft geopenbaard, maar naar het beeld, waarin Hij voor de ziekelijke en overprikkelde verbeelding verrijst.
In verband met Deuteronomium. 4:15 vv. waar dit gebod nader wordt verklaard, blijkt duidelijk, dat hier van beelden en gelijkenissen gesproken wordt, als van symbolen van de levende God. In dit gebod prent God Israël scherp in, dat Hij niet onder een symbool wil gediend worden, dat men geen symbolisch teken van Hem mag maken, om hem daaronder te aanbidden. Een zuiver geestelijke verering ligt aan dit gebod ten grondslag. Daarom was het voor Jerobeam zo’n verschrikkelijke zonde, dat Hij de zuivere en geestelijke dienst van God veranderde, door van Jehova een symbool, in de gedaante van een gouden kalf, te maken. Feitelijk veranderde Hij daarmee de belijdenis van de enige en waarachtige God, welke Hij zelf aan zijn volk had gegeven. Niet het maken van beelden op zichzelf wordt hier verboden, maar het maken van beelden als van symbolen van God.
5. Gij zult u voor die beelden en gelijkenissen niet buigen, noch hen dienen, 1) want ik, de HEERE, uw God, ben een naijverig God. 2) Met jaloezie waak Ik voor de Mij toekomende eer Jesaja 42:8; 48:11). Ik die, wanneer Mij Mijn eer door gehele geslachten onttrokken wordt, de misdaad van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde, 3) lid van hen, die Mij haten. Ik straf die geslachten met uitroeiing; zo Ik ook al in lankmoedigheid op boete en bekering wacht, langer dan tot in het derde en vierde lid duurt dielankmoedigheid niet. Ik zend u thans heen om de Amorieten, wier misdaad thans vol geworden is, (Genesis 15:16) te verdelgen. Weet daaruit, dat Ik een grimmig wreker ben tegenover Mijn vijanden.
1) Onder buigen wordt verstaan het aanbidden en aanroepen van God, onder de gedaante van een beeld en onder dienen, het brengen en vereren van en met offers.
2) Hiermee wil de Heere God zijn volk leren, dat Hij Zijn eer aan geen ander geeft, dat Hij Zijn eer niet deelt met een schepsel van eigen maaksel. Zijn dienst moet zuiver en volkomen zijn. Naijverig, hier in de zin van ijverzuchtig, jaloers. De uitdrukking is ontleend aan de jaloersheid van de man, die zijn vrouw teder liefheeft en niet dulden kan, dat zij zijn liefde niet volkomen beantwoordt of met een ander deelt.
Israël was de bruid van de Heere. Hij had zich Israël door het Verbond ondertrouwd. Nu kon en mocht de Heere ook niet dulden en toelaten, dat Israël met een andere man hoereerde, andere goden volgde. Zo opgevat, is deze uitdrukking dan ook uitvloeisel, zowel van Gods onkreukbare rechtvaardigheid en heiligheid, als van Zijn tedere liefde voor Zijn volk. De afgoderij droeg daarom dikwijls de naam van hoererij en overspel.
3) Geen afgodische familie in Israël bleef bestaan over het derde en vierde geslacht. De afgodische koningsfamilies in Israël, van Jerobeam, van Baësa, van Achab en van anderen, die in het derde en vierde geslacht verdelgd worden, moesten in hun ondergang, die onmiskenbaar door wonderen en leiding van de goddelijke voorzienigheid werd teweeg gebracht, de waarheid van Israëls godsdienst, de waarachtigheid van de Godsregering en de heerlijkheid van de wet als de wet van de onveranderlijke, levende God bewijzen. Hun verdelging was een nieuwe sanctie (plechtige bevestiging) van de wet, die zij verlaten en overtreden hadden.
Is hiermee niet de strijd Ezech.18:20: “de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid van zijn vader?” Hier wordt het tegendeel niet geleerd. Ieder wordt voor zijn eigen zonden gestraft; maar ouders leiden ddor hun voorbeeld hun kinderen de zonden en de elende in. God heeft niet de zoon van Jerobeam, waarin iets goeds was gestraft, maar Jerobeam’s huis, dat in zijn voetstappen wandelde.
Het dreigement in het tweede gebod moet niet onbepaald worden verstaan, alsof God altijd de kinderen zou willen plagen, om de zonden van de vaderen, maar bij voorwaarde, indien zij volharden en voortgaan in hun zonden, wandelende in hun wegen en tredende in hun voetstappen. Hetzelfde antwoord wordt gegeven in het tweede gebod, dat God de zonde van de vaderen niet bezoeken zal, uitgenomen alleen degenen, die Hem haten.
Tegen de straf aan degenen, die Hem haten, voltrokken tot in het derde en vierde geslacht, staat in vs.6 de barmhartigheid, betoond aan duizenden, degenen die Hem zouden liefhebben.
Volgens sommigen, slaat deze bedreiging niet alleen op de overtreding in het tweede gebod verbonden, maar ook op die, welke in het eerste veroordeeld wordt.
6. En, aan uzelf, nageslacht van Mijn knechten Abraham, Izak en Jakob kunt gij het opmerken: Ik doe barmhartigheid aan duizenden van hen, die Mij liefhebben en Mijn geboden onderhouden. 1) Gij, die nu tot duizenden geworden zijt, beërft immers nu de gegeven beloften; aan u vergeld Ik, dat uw vaderen Mij hebben liefgehad en gediend.
1) Hoe nauw dit gehele gedeelte, vs.3-6 samenhangt, blijkt uit deze vloek en deze zegen, die zeker zowel op het derde als op het vierde vers betrekking heeft. Wil men echter hier twee geboden onderscheiden, dan is in vs.3 de verering van heidense goden (als Baäl en Astarte), in vs.4 de beeldendienst verboden, waarbij men voorgaf de ware, enige God te dienen, maar dit onder beelden en gelijkenissen van de geschapen wereld deed, en daardoor de heerlijkheid van de onverderfelijke God in de gelijkenis van een beeld van een vergankelijk mens en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten veranderde (Rom.1:23 vrgl. de kalveren van Aäron en van Jerobeam hoofdstuk 32:1-6; 1 Kon.12:25-29). Doch al is het dat hier twee vormen van afgoderij, Idolatrie (afgodenaanbidding) en Ikonolatrie (beeldendienst) genoemd worden, zo zijn beide toch slechts één zonde. In theorie (beschouwing) zijn zij uit elkaar te houden; maar de praktijk (uitoefening in het dagelijks leven) springt over de grenzen heen. Waar de afgoderij verschijnt, vormt zij zich als beeldendienst; de afgoderij is de abstracte (nog in de wil verborgen), de beeldendienst de concrete (in de werkelijkheid tevoorschijn tredende) zonde. Waarschijnlijker is de Augustijnse telling te verkiezen, volgens welke hier één gebod is. Deze is waarschijnlijk ook de oorspronkelijke bij de Joden geweest, en dus ouder dan die van Philo en die van Josephus; tenminste in de Hebreeuwse bijbel is het gedeelte, vs.2-6, als een bij elkaar behorend gedeelte door een samek (o) aangeduid; deze zinafdelingen in de Hebreeuwse tekst behoren ongetwijfeld tot een zeer hoge ouderdom, zijn wellicht van de schrijvers zelf afkomstig.
In de Lutherse catechismus worden de woorden van vs.4: “Gij zult u enz” weggelaten. Luther meende, dat crucifixen en afbeeldingen uit de heilige geschiedenis niet tegen de Heilige Schrift waren. Hij zegt (w.d. himm. proph.): “God wil hebben, dat men Zijn werk zal horen en lezen, in het bijzonder het lijden van Christus; zal ik dit echter horen of overdenken, zo is het mij onmogelijk, dat ik in mijn hart daarvan geen beelden maak; want of ik wil of niet, wanneer ik Christus hoor, zo heb ik in mijn hart het beeld van een man, die aan het kruis hangt. Is het nu geen zonde, maar goed, dat ik Christus’ beeld in het hart heb, waarom zou het dan zonde zijn, wanneer ik het in het oog heb? daar toch het hart meer betekent dan de ogen.”
Meer stemmen wij in met hetgeen onze Heidelbergse Catechechismus vraag 98 leert. “Al veroordelen wij ook elk beeld en elke schilderij niet als herinnering aan het heilige; toch menen wij het: “principiis obsta” (sta de beginselen tegen) ook hier te moeten toepassen.
Al is ook de Roomse kerkleer uitgedrukt in de regels onder het Christus-beeld in de St. Jans kerk te ‘s Hertogenbosch: “Gedenk, o mens, wat gij hier ziet, is Christus beeld, maar Christus niet; daarom, aanbid geen hout of steen, maar Christus, uw God alleen.” Wij weten, waartoe de leken van de kerk vervallen zijn, en hoe gemakkelijk ons hart van aanbidding in geest en waarheid afgeleid wordt.
Luther’s catechismus stelt de bedreiging en belofte aan het slot van de geboden, omdat hij van mening is, dat deze bedreiging en belofte op alle geboden van toepassing is. Ons inziens slaat deze alleen op de eerste twee geboden, zoals ook de geschiedenis van Israëls volk aangeeft, en dan nog wel voornamelijk op het tweede gebod, zoals ook in de geschiedenis van Israëls koningen openbaar wordt. De historie heeft ook in deze de betekenis van dit gebod gestaafd en opgehelderd.
De belofte is veel sterker dan de bedreiging; de straf zal zijn in het derde en vierde lid, de zegen aan duizenden; de gevolgen van het werk van de satan, mogen niet zo ver reiken, als de gevolgen van de liefde van God. Ziet wat voor zegen een waar Christen heeft, die liefheeft en het waarachtige van zijn liefde in zijn wandel, in het onderhouden van Gods geboden. God zal zijn godsvrucht dienstbaar maken tot heil van anderen, en deze, tot God bekeerd, zullen wederom geestelijke kinderen verkrijgen, zodat die zegen zeer ver reikt. Men moet echter wel bedenken, dat die zegen alleen rust op een reine wandel, voortspruitende uit die liefde; wie Zijn geboden niet houdt, zal, evenmin als een rechtvaardige Lot, Sodoms bewoners tot bekering leiden, noch godvruchtige kinderen zien.
7. a) Gij zult de naam van de HEERE, uw God, in welke Hij Zijn onzichtbaar wezen, Zijn eeuwige kracht en Godheid u duidelijk geopenbaard heeft, niet ijdel gebruiken, 1) noch op nodeloze wijze, noch in de dienst van leugen enongerechtigheid. Gij zult dus bij Zijn naam niet vloeken, onnodig zweren, liegen of bedriegen: want de HEERE zal niet onschuldig houden, wie Zijn naam ijdel gebruikt.
a) Leviticus. 19:12 Matth.5:33
1) Moge het ongelovig mensenhart niet veel hechten aan zonden van de tong en, wat onbedachtzaam of uit gewoonte geschiedt, als geen kwaad aanmerken, de Heere denkt alzo niet. Hij zal u rekenschap vragen van ieder ijdel woord (Matth.12:36), en het meest zal Hij Zijn toorn doen voelen aan hem, die Zijn heilige naam niet acht.
In het Hebreeuws, tot ijdelheid opnemen, d.i. niet doelloos en gedachtenloos uitspreken. Calvijn tekent hierbij aan: “De synekdoche is in dit gebod duidelijk waar te nemen. Want opdat God het heilig ontzag, dat men Zijn heilige naam verschuldigd is, bewerke, verbiedt Hij die gedachteloos op te nemen, voornamelijk in eedzweringen. Waaruit men bij wijze van tegenstelling van dit gebod kan opmaken, dat alle eedzwering een getuigenis is van vroomheid, waarin de majesteit van God zelf haar luister behoudt. Verder, het is zeker, niet slechts wanneer wij zweren, dat wij die naam heilig hebben te houden, maar zo dikwijls als van die naam sprake is. Alzo vrijwaart Hij door deze woorden Zijn heerlijkheid, zowel in zijn woord als in zijn daden, voor alle ijdele geringschatting. Dat het zweren bij de naam van God een bewijs, of een deel van zijn eredienst is, zullen wij later zien, en blijkt uit de woorden van Jesaja duidelijk Jesaja 45:23). Want waar hij voorspelt, dat alle volken zich zullen aanmelden voor de zuivere Godsverering, zo zegt Hij: “Ik leef, zegt de Heere, Mij zal alle knie buigen en alle tong zal bij Mij zweren.” Verder, indien het buigen van de knieën aanbidding aanduidt, heeft dat zweren, dat er onmiddellijk bijgevoegd wordt, dezelfde kracht, als zich voor God te verklaren.” IJdel wordt de naam van God opgenomen, niet slechts, wanneer iemand deze misbruikt tot meineed, maar ook, wanneer hij lichtvaardig en onachtzaam wordt gebruikt, om onbetekenende en nutteloze dingen te bevestigen.
Hoezeer de Heere toornt over het ijdel gebruik of misbruik van die enige, heilige Naam, en hoe de bijgevoegde drangreden in alle ernst opgevat en verklaard moet worden, blijkt wel uit het vervolg van de geschiedenis bij het verhaal van hetgeen met de lasteraar van de naam van de Heere is geschied (Leviticus. 24:16,17). Het Hebreeuwse woord, wat onze vertalers door “ijdel” weergegeven hebben, betekent eigenlijk in het oorspronkelijke “doelloos” (lasschaw), tevergeefs, zonder genoegzame reden of behoorlijke grond. Ook is er in het oorspronkelijke eigenlijk geen spraak van de naam te “gebruiken,” maar wel van de “op te nemen,” uit te spreken (nasah). Men mocht die ontzaglijke Naam, zo vol van majesteit en hoogheid, niet maar doelloos opnemen en gedachteloos uitspreken.
8. a) Gedenkt 1) de Sabbat, dat gij die heiligt, die van de gewone werkdagen onderscheidt, gelijk Ik bij de gave van het Manna u reeds heb aangewezen.
a) Ezech.20:12
1) Doel van dit gebod is, dat de gelovigen zich oefenen in de dienst van God. Want wij weten, indien de mensen niet in het ijverig zorgdragen voor de godsdienst ondersteund en gesterkt worden, hoe makkelijk zij deze laten versloffen. En niet zonder oorzaak deelt God een opzettelijke plaats toe aan de Sabbat en aan de overige feestdagen.
Uit dit woord gedenken blijkt duidelijk, dat Israël niet onbekend was met de Sabbat. Echter bestond het gebod als zodanig, om die dag des Heeren te heiligen nog niet. Het gebod omvat de heiliging van de Sabbat, en stempelt de Sabbat tot dag des Heeren, terwijl de verplichting, om zes dagen te werken, er in onmiddellijk verband mee staat.
Als een rustdag en als een heilige dag moest de Sabbat beschouwd worden.
9. a) Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; getrouw zult gij al uw arbeid verrichten, opdat gij met een blijmoedig hart rust nemen kunt; volbrengt alles in die vorige dagen, opdat gij op de zevende dag niet hoeft te werken.
a) Exodus. 23:12; 34:21 Luk.13:14
10. Maar de zevende dag is de Sabbat, de rust-, de feesttijd van de HEERE, uw God; dan zult gij geen werk doen, 1) noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw last- of trek-vee, noch uw vreemdeling, die in uw dienst is, noch de om loon werkende buitenlander, die in uw poorten is, 2) die zich een tijdlang onder u ophoudt.
1) Het werk, dat hier verboden wordt, is het werk van de beroeping, gemeenlijk dienstwerk genaamd, hetzij van ambacht, van ploegen, zaaien, oogsten, van nering, kopen en verkopen, en alles, waarmee de mens zijn kost wint. Hieronder wordt niet begrepen: a. Het werk van de godsdienst, het prediken van de predikanten tot zwetens toe, en al wat in de godsdienst geschiedt. De priesters doodden de beesten op de Sabbat, nochthans zondigden zij niet. b. Ook wordt hier niet onder begrepen, de werken van absolute noodzakelijkheid, waarvan de noodzaak veroorzaakt wordt door een onverwacht voorval op de Sabbat, hetzij dat er brand komt, een mens in het water valt, of dergelijke. c. Ook worden hier niet onder begrepen, de werken van barmhartigheid.
2) “Die in uw poorten is,” wil niet zeggen, die binnen de poort van uw huis is, maar die binnen de poorten van uw steden zich bevindt. Het woord in de grondtekst, geeft nimmer aan een deur in het huis, maar altijd de poorten van de stad.
11. Want a) in zes dagen heeft de HEERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; 1) daarom zegende de HEERE de Sabbat, legde Hij ook voor Zijn schepselen de zegen van verkwikking, van vrede en vreugde op deze dag, en heiligde Hij deze, verhief die boven het gewone en dagelijkse tot een dag de Heere gewijd.
a) Genesis 2:2
1) Wanneer in het Nieuwe Testament de Zondag in de plaats van de Sabbat getreden is, dan heeft dit zijn rechtvaardiging daarin, dat de opwekking van Christus uit het graf een nog grotere daad van God is dan de schepping van de wereld, en de uitstorting van de Heilige Geest, een nog heerlijker openbaring, dan die op de Sinaï. Daarbij bestaat een grootse door de Heere zelf van het begin af aangevangen parallel tussen die eerste en deze nieuwe schepping, die met goddelijke kracht van de viering van de oorspronkelijke rustdag tot die van het nieuwtestamentische voortgezet is. Op een Vrijdag heeft God de mens geschapen; op een Vrijdag stierf de Godmens aan het kruis, om hem te verlossen. Op de avond van een Vrijdag heette het: “Alzo zijn volbracht de hemel en de aarde en al hun leger” en op de avond van een Vrijdag klonk het goddelijk woord van de verlossing: “Het is volbracht.” Op de Sabbat daarop keerde God de Schepper in Zijn eeuwige rust terug, en wederom op een Sabbat lag God, de Verlosser, in de rust van het graf. Uit deze trad Hij vervolgens op de Zondagmorgen vroeg in heerlijkheid tevoorschijn, als het beeld van een nieuwe mensheid, en de aanvang van een nieuwe verheerlijkte wereld. Voor de nieuwe schepping, wier eerstgeborene de opgestane is, en wier einddoel de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zijn, moet de oude wijken (2 Petr.3:10 vv.); tot voorbeeld en onderpand daarvan is reeds nu voor de eerste dag van de nieuwe schepping, de laatste dag de oude, voor de Zondag de Sabbat geweken.
Het Evangelie keert de orde van de wet om. Bij Mozes is het: “Doet dit en gij zult leven;” bij Christus: “Leeft en gij zult doen;” bij Mozes: “Werkt en daarna (de zevende dag) zult gij rusten;” bij Christus: “Rust in God (de eerste dag) en gij zult Godverheerlijkend werken.” Dßßr is het de dienst, die moe maakt en rust noodzakelijk maakt; hier is de kracht des Heeren, die tot opgewekt werk geschikt maakt.
Uit deze plaats mag de waarschijnlijke gissing gemaakt worden, dat de heiliging van de Sabbat er vroeger wettelijk was. En zeker, omdat Mozes vroeger verhaald heeft, dat verboden was, op de zevende dag het Manna te verzamelen, schijnt genomen uit een ontvangen aanwijzing en gebruik. En daar God aan de heiligen de wijze van offeren heeft overgeleverd, is het niet geloofwaardig, dat de bewaring van de Sabbat zou weggelaten zijn. Maar om de verdorvenheid van het menselijk verstand, dat bij de heidense volken geheel was uitgeblust, bij het nageslacht van Abraham bijna was afgesleten, heeft God het door Zijn wet vernieuwd, opdat de Sabbat met heilige en ongebroken zorgvuldigheid zou worden onderhouden.
Het rusten op en het heiligen van de Sabbat door de mens heeft zijn grond in het rusten van God op de zevende dag. Hierdoor ontvangt de instelling van de Sabbat haar zedelijke en geestelijke betekenis. Met dit gebod sluit de eerste tafel. In het eerste gebod worden wij bevolen, God alleen te dienen; het tweede gebod beveelt God op geestelijke wijze te eren. Het derde gebod bedoelt, het heilig houden van de naam des Heeren, en in het vierde gebod wordt geboden, de wijze, waarop en hoe God in het bijzonder wil vereerd worden, op welke dag. Er zijn er, die ook het vijfde gebod er nog bijvoegen. O.i. ten onrechte. In het vijfde gebod treedt toch de liefde jegens de naaste op de voorgrond, jegens hen, die ons het leven schonken. (Zie Ex 20.17).
12. a) Eert uw vader en uw moeder, 1) die door Mij boven u gesteld zijn, en aan wie gij het leven, de opvoeding en zoveel zegeningen te danken hebt; gij zult hen in uw woorden en daden op een aan hun waarde overeenkomstige wijze bejegenen en u aan hun wil en hun gebod in gehoorzaamheid en liefde onderwerpen. Doet dit, opdat uw dagen, o, Israël, wanneer gij zulk een volk zijt, waarbij vroomheid heerst, verlengd worden, vele worden in het land, dat u de HEERE, uw God, geeft. Doet dit, opdat het land Kanaän van geslacht tot geslacht uw erfenis blijft, en Ik geen straffen en plagen behoef uit te zenden, die er velen in hun jeugd doen sterven (Deuteronomium. 5:16 Ex.23:25 vv. 23.25).
a) Matth.15:4 Efez.6:2
1) De stand van vader en moeder heeft God in het bijzonder verheven boven alle andere standen, die onder Hem zijn, zodat hij niet slechts gebiedt, hen lief te hebben, maar ook hen te eren. Jegens broeders, zusters en de naasten beveelt God in het algemeen niets hogers, dan hen lief te hebben, alzo onderscheidt de Heere boven alle andere personen op aarde vader en moeder, en zet Hij hen naast zich. Want het is veel hoger te eren, dan lief te hebben, daar dit niet alleen de liefde, maar ook de gehoorzaamheid, de ootmoed en de vrees in zich sluit, als voor een daar verborgen Majesteit.
Onder vader en moeder zijn echter niet alleen te verstaan degenen, die ons lichamelijk voortgebracht en opgevoed hebben (vaders 2 Koningen. 5:13) maar ook degenen, die ons tot Christus hebben geleid, die ons geestelijk leven hebben verzorgd en bevorderd, profeten en leraren, aan welke deels de vadernaam (2 Koningen. 2:12; 13:14; 1 Kor.4:15) deels het vaderschap toegeschreven wordt, terwijl hun leerlingen zonen en dochters genoemd worden (Psalm. 34:12; 45:11 Spreuken. 1:3; 10:15 vv.). Wij hebben daaronder ook te verstaan de beschermers van ons lichamelijk en geestelijk leven, de door God over ons gestelde overheid, die met recht de vader- en moedernaam voeren kan (Genesis 41:43; 45:8 Richteren. 5:7), omdat de stand van de overheid zich ontwikkeld heeft uit het vader- en kindschap, en uit de eerbied van de kinderen jegens de ouders voortdurend zijn zedelijke vastheid verkrijgt, waarvan het welzijn en het geluk van de volken afhangt.
Het vierde gebod legt in de eis, om de ouders te eren, de grondslag voor de heiliging van het gehele maatschappelijke leven, daar het een goddelijk gezag leert kennen.
Wanneer nu overal het staatkundig bestaan van een volk voornamelijk afhangt van de ondergeschiktheid van de onderdanen onder de overheid, van de tucht, orde en eenheid, zo is dit in het bijzonder voor Israël waar, daar het slechts zó lang het land zou bezitten, als die door de ouders op de kinderen voorgeplante opvoeding duren zou. (Mal.4:6).
Indien er één gebod is, dat ons wijst op de goddelijke oorsprong van de wet, dan is het wel het vijfde gebod, waarin niet alleen bevolen wordt de vader, maar ook de moeder te eren. Immers in het Oosten, was de vrouw, de moeder, weinig in tel. Had het kind als het ware een slaafse vrees voor de vader, niet zelden was zijn moeder een voorwerp van minachting bij hem. Was dus de wet een product van de menselijke geest uit die dagen, dan ware ongetwijfeld de bijvoeging, en de moeder, weggelaten. God echter eist zowel liefde en heilige vrees voor de moeder als voor de vader. -Het woord “eren” betekent, zoals Calvijn terecht aanmerkt, niets anders, dan God en de mens, die in ambten staan, de rechte eer te geven. Bij het lange leven zijn in Deuteronomium. 5:16 ook nog de woorden “en opdat het u welga” bijgevoegd.
13. a) Gij zult niet doodslaan, 1) noch u zelf, noch een ander; gij zult ook een mensenleven niet moedwillig in gevaar brengen. (Leviticus. 19:14 Deuteronomium. 22:8)
a) Matth.5:21
1) Eigenlijk gij zult niet moorden, in de zin van, met voorbedachte rade een doodslag doen. Niet alleen de volbrachte daad wordt hier verboden, maar alles, wat tot doden aanleiding kan geven, zoals de Heidelbergse Catechismus terecht opmerkt.
14. a) Gij zult niet echtbreken; 1) zowel het huwelijk van u zelf als dat van een ander zal u heilig zijn. (Leviticus. 19:14 Deuteronomium. 22:8)
a) Matth.5:27
1) Wel te onderscheiden van hoererij. Hier wordt bedoeld de geslachtsomgang tussen een wettig getrouwd man met een vrouw, of die van een wettig getrouwde vrouw met een man. Evenwel, ook alle zonde, die met deze in verband staat, is hieronder begrepen. Duidelijk straalt hierin door, dat de Heere wil, dat het huwelijk heilig wordt gehouden.
15. Gij zult niet stelen; gij zult het eigendom van uw naaste noch met list aantasten, noch uit moedwil of onverschilligheid uw medemens schade berokkenen. (Deuteronomium. 22:1-4).
Ook hier weer alles wat met diefstal in verband staat.
16. Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste 1) noch voor het gericht door een valse aanklacht of een leugenachtig getuigenis, noch in het dagelijks leven door lastering, hem zijn goede naam ontstelen.
1) Letterlijk: Gij zult niet antwoorden ten opzichte van uw naaste, als een valse getuige. Iedere onware en leugenachtige getuige wordt hier verboden, wat het leven, of de naam, of het goed van de naaste in gevaar kan brengen.
17. a) Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat van uw naasten is, 1) om het hem op enige wijze te ontnemen.
a) Rom.7:7
1) In bewonderenswaardige orde en trapsgewijze voortgang, wordt het ene gebod aan het andere gehecht. Allereerst neemt de Heere aan de naaste zijn lichaam en zijn leven in bescherming (vs.13), daarna zijn tweede persoon, die tot één lichaam en één leven met hem verbonden is (vs.14); vervolgens hetgeen hij voor het leven van zich en de zijnen nodig heeft, zijn have en zijn goed (vs.15). Aan deze drie verboden, om de naaste op enige wijze door de daad schade aan te doen, wordt het verbod gevoegd van alle schade door het woord (vs.16), en verder het verbod van alle schade door gedachten (vs.17). Nu is de vraag, of wij de inhoud van vs. 17 slechts voor één gebod rekenen, of in twee geboden verdelen moeten. Ware het eerste onveranderlijk nodig-en de meeste uitleggers staan met grote beslistheid daarop-zo bleven ons, volgens hetgeen wij vs.6 opgemerkt hebben, slechts 9 geboden over, en wij moesten tot de, bij vs.2 verworpen wijze van tellen teruggaan. Dat het intussen van grote betekenis is, wanneer de Heere na het verbod: “Gij zult niet begeren uws naasten huis,” niet zonder meer voortgaat; “noch zijn vrouw, noch zijn dienstknecht enz.”; maar opnieuw aanheft: “Gij zult niet begeren uws naasten vrouw enz.” duidt reeds de Hebreeuwse codex (evenals bij vs.2-6) door een samek aan, beide zinnen werden dus reeds in de vroegste tijden bij het openlijk voorlezen van de Heilige Schrift van elkaar gehouden. Dat nu echter de betekenis van dit dubbel verbod omtrent het begeren niet in de voorwerpen van de boze begeerte, maar in het begeren zelf ligt, bewijst de wijze, waarop het verbod in Deuteronomium. 5:21 5.21 herhaald wordt; daar zijn namelijk de voorwerpen van de begeerte omgekeerd; eerst wordt de vrouw, daarna het huis met het daarbij behorende genoemd; daarenboven is het begeren door twee verschillende woorden uitgedrukt, die bepaald van elkaar onderscheiden zijn. De eerste uitdrukking, die wij beide malen in de voor ons liggende plaats vinden, wordt gebruikt van een begeren, dat door een uitwendige schoonheid wordt opgewekt Jozua 7:21): terwijl de tweede uitdrukking meer op dat begeren ziet, dat van de begerenden zelf uitgaat, dat zijn oorzaak heeft in de neigingen en behoeften van de begerenden zelf (Spreuken. 21:10). Alzo is op onze plaats aangewezen, dat de boze lust van tweevoudige daar is; in Deuteronomium. 5:21 wordt nader die lust, dus een andere dan in de aanvang van het vers bedoeld is, verstaan, dit wijst Paulus (Rom.7:7) aan; want de werkelijke begeerte erkent de mens ook wel zonder de wet, maar eerst het tweede: “Gij zult niet begeren,” heeft de apostel met de bedorven grond van zijn inwendige mens, met de erfzonde bekend gemaakt. En ook Rom.13:9 geeft het bijgevoegde: “en zo er enig ander gebod is,” te denken, dat achter het: “Gij zult niet begeren,” nog een ander verbod ligt, namelijk het: “Gij zult niet begeren,” in de tweede door ons genoemde betekenis. Na deze opmerkingen is het niet moeilijk in te zien, waarom in Ex.20:17 de voorwerpen van het begeren zo afgebeeld zijn, dat eerst het huis, daarna vrouw, dienstbaren, vee enz. genoemd worden. In Deuteronomium. 5:21 daarentegen zo, dat bij het eerste verbod de vrouw, bij het tweede huis, akker enz. genoemd worden. Daar op onze plaats slechts middellijk tussen het zich laten lusten en begeren scheiding gemaakt is, zo zijn de voorwerpen meer naar de wetten van de logica tussen de beide verboden verdeeld. Vooraan staat het huis, waaronder de gehele bezitting begrepen is; deze wordt hier volgens haar afzonderlijke bestanddelen aangegeven, vrouw, dienstbaren enz. Nadat echter in Deuteronomium. 5:21 eenmaal het onderscheid tussen het tweeërlei begeren gemaakt is, en het eerste opgevat moet worden in de bijzondere zin: “Laat niet door hetgeen buiten u is uw boze lusten opgewekt worden,” zo was voor dit verbod de vrouw van de naaste (Spreuken. 6:25) het eigenaardigste, terwijl het huis enz. beter bij het tweede verbod pastte: “Begeer niet van uzelf, wat van uw naasten is.” Over de verdeling van de 10 geboden in twee tafels, zie Ex 31.18.
Dit verbod moest iedere Israëliet wel de bede op de lippen leggen: “Schep mij een rein hart” (Psalm. 51:12). Wanneer wij in het licht van deze wet ons zelf beschouwen, en haar als een spiegel gebruiken; leidt zij ons tot de erkenning van de diep bedorven toestand van ons hart, dat zondig is in zijn wezen en zondig in zijn werkingen. Zo komen wij door zelfbeproeving tot zelfkennis. Dit alleen is niet genoeg, er moeten ook zodanige vruchten volgen zoals in Jesaja. 1:16 genoemd worden. De wet moet aandrijven tot zelfbeheersing. Op tweeërlei wijze valt de zonde ons aan. Zij komt of in boze begeerten uit het hart op, en vertoont zich naar buiten in de daad, of wij zien haar buiten ons, terwijl zij door verleiding in ons hart wil insluipen. In beide gevallen is de verzoeking sterk, want de zonde maakt van alles gebruik om haar doel te bereiken. Maar nu komt de wet, die zich reeds in het geweten deed horen, en spreekt gebiedend: “Gij zult niet; uw Heer, die alles ziet, alles zoekt, van wie gij in alles afhankelijk zijt, verbiedt het.” Laat die wet een grendel zijn voor uw hart, die aan de zonde het uitkomen en het ingaan belet. Gelijk een dienaar dus zijn heer ontziet en vreest voor de overtreding van zijn instellingen, leert ons ook de wet als dienaren van de Heere te gehoorzamen. Ieder is zondaar, en het gevolg van de zonde is de vloek. Hoe zullen wij dan zalig worden? Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet. Om dit middel te bezitten, moeten wij ons zelf verloochenen. Wie tot Christus komt, belijdt daardoor, dat hij tegenover de wet was: onwillig, onwaardig en onmachtig. Onwillig, want nu pas dwingt hem de liefde van Christus tot een oprecht streven, om die wet te vervullen, terwijl zijn bedorven hart vroeger alle vermaningen met een: “Ik wil niet,” beantwoordde. Onwaardig, want alle geboden van zijn God heeft hij overtreden, en zoekt vergeving. Onmachtig, want door in Christus kracht te verlangen tot volbrenging van de wet, bekent hij van zichzelf deze niet te bezitten. Ja hij doet afstand van de gehele voorgaande levensontwikkeling, van zichzelf, om als een nieuw mens, door het geloof met Christus verenigd, een nieuw leven van gehoorzaamheid aan te vangen. Zo moet dus deze wet voor ieder mens, gelijk vroeger voor de mensheid, een tuchtmeester tot Christus zijn, en door kennis van zonde, tot kennis van zaligheid, door zelfkennis tot Godskennis leiden. Zij leert ons als een last beschouwen, wat wij aan het kruis moeten afwerpen en niet dan door haar dienstbaarheid komt men tot de vrijheid van de heerlijkheid van Gods kinderen.
Sinaï! Wat zijt gij geweest en wat zijt gij nog voor de wijsgeer, die geen hogere waarheid kende, dan de waarheid die uit de mensen is, in u niets dan een eerwaardig gedenkteken van de oudheid wil zien? Voor hem, Sinaï! waart gij- te weinig. Want gij zijt meer dan zo’n gedenkteken. Ook het oog van de blindste van de ongelovigen, aanschouwt op aarde een volk, even wonderbaar is hetgeen het is als in hetgeen het niet is; even wonderbaar in zijn vroegere opkomst en bloei, als in zijn tegenwoordige vernedering en val; even wonderbaar in de hardnekkigheid van de tegen hem gevoerde strijd van vervolging en moord, als in de hardnekkige tegenstand, die het daaraan biedt; reeds sinds achttien eeuwen als volk bijna stervende, en toch altijd onsterfelijk; onder alle volken verspreid en toch van alle volken onderscheiden; op alle volken invloed uitoefende, ja enigszins over hen heersende naar de geest, door zijn geschiedenis, wetten en zeden, maar wederkerig de invloed van geen van deze volken ondergaande, en ofschoon doe allen naar het lichaam, door geen van hen naar de geest beheerst; met één woord: onveranderlijk onder alle veranderingen, en evenals zijn rivier de Jordaan, de meiren, die het op zijn weg ontmoet doorgaande, zonder zijn loop te veranderen, of zich met hun water te vermengen! Het volk van alle volken, die bestaan, het grootste in zijn verleden, het armste en ellendigste in zijn heden, het heerlijkste in zijn verwachting en toekomst! Vanwaar dit volk? Wat is de wonderbare keten, die het tezamen hecht, en als door een electrische stroom aan allen, die ertoe behoren, dezelfde beweging meedeelt? En wat is het brandpunt, vanwaar die stroom is uitgegaan? Gij zijt het, o Sinaï! De wet, op uw top gegeven, heeft Israël als volk geschapen, doet Israël als volk leven, zal Israël als volk doen voortduren, totdat het geheel zal zijn vervuld. Solon! Lycurgus! Numa Pompilius! Waar zijn uw wetten? Waar de volken door uw wetten gevormd? Eeuwig Rome! Waar zijt gij? -Geen antwoord! Hef dan vrij het hoofd omhoog, o Sinaï! gij, verkondiger van de wet van Jehovah aan het volk van God! Verkondiger van die wet aan alle volken van de wereld! En wat is uw heerlijkheid bij hetgeen gij eenmaal wezen zult? Ja, ook als verkondiger van des Heeren wet, hebt gij nog uw hoogste luister niet bereikt. Uw wet, gelijk zij thans het onbereikbaar toonbeeld is van alle wetgeving, zal eens de moeder van alle wetten zijn! “De wet zal eens in volle kracht uit Sion uitgaan en des het Heeren woord uit Jeruzalem.” En niet alleen Griekenland en Rome, maar al de volken zullen tot u komen, om van u de rechten en getuigenissen des Heeren te leren, en in het licht van uw geboden te wandelen!.
Sinaï! Wat zijt gij geweest en wat zijt gij nog voor de heilbegerige zondaar, die tot u kwam, om van u woorden van eeuwige leven te horen? Sinaï! Voor hem waart gij-te veel! Niet dat wij u ervan beschuldigen. Gij toch kunt geen antwoord geven, dan op vragen, die tot uw rechtsgebied behoren. Gij staat daar als een rechter; weegschaal en zwaard zijn in uw hand; voor u ligt het hemelse wetboek van God; gij kunt niets anders doen, dan naar de inhoud van dat wetboek rechtspreken, en dan is uw antwoord aan allen: “Gij zijt aan de dood schuldig; want allen hebben gezondigd! Misschien bestaat elders een hoger gericht, waar uw gevonniste genade wordt verleend; zelfs schijnt gij met de vinger (in de offers) daarheen te wijzen; maar gij zelf bezit dat recht van genade niet. Gij hebt slechts één woord: “Betaal wat gij schuldig zijt!” Maar daarom: dubbel ongelukkig het Israël van onze dagen, dubbel ongelukkig ieder mens, die uw aanspraken tot zó verre misduidt, dat hij meent in u, in plaats van een ongenadige rechter, een genadevolle vriend, redder en verlosser te aanschouwen, die in moedwillige onkunde van de algemene, zowel als van zijn eigen val, zich voordoet, alsof uw zwaard hem niet trof: ja, alsof hij in uw weegschaal gewogen, niet te licht zou worden bevonden! De ongelukkige! hoe vreselijk zal hij eens ontwaken, als gij nogmaals uw stem tegen hem verheffen zult, en daar, waar geen zelfbedrog meer mogelijk, en tegelijk de weg van herstel afgesneden is, tegen hem de dood zult eisen, die hij gehoopt had juist door u te zullen ontgaan. Nee, Sinaï! Aan die verblinding hebt gij geen schuld! Gij predikt luid genoeg: “Vervloekt is een ieder, die niet blijft in de woorden van deze wet, om die te doen.” Daarom zijt gij ook voor duizenden en tienduizenden als een andere Mozes geweest, die op een andere Aäron wijst: “Zie, het Lam van God, dat de zonde van de wereld draagt!” Daarom zegenen duizenden en tienduizenden de donderen en bliksemen, die van u zijn uitgegaan, en hebben uw rotsen genoemd: “Geboorteplaats van het leven, dat niet sterft in eeuwigheid.”.
In het vijfde gebod wordt beschermd degene, die ons het leven, naast God, gaf; in het zesde, ons eigen leven; in het zevende de echtvriend of vriendin; in het achtste, het eigendom; in het negende, de goede naam; terwijl in het tiende, de wortel van alle zonden wordt aangetast.
18. En al het volk zag 1) en hoorde de donderen, en de bliksemen, die een poos gezwegen hadden, maar, nadat de Heere de tien woorden gesproken had, zich in veel sterkere mate verheven, en het hoorde het geluid van de bazuin, en zag de rokende berg; toen het volk dit zag, weken 2) zij af van hun plaats, getroffen door de schrik van de goddelijke Majesteit, en stonden veraf. 3)
1) “Zag,” in de zin van, nam waar. In die betekenis komt het meermalen in de Heilige Schrift voor. Het volk nam waar, wat voor ogen was, en wat het met het oor opving. De engelenwereld, die ook gewis de berg omringde, zag Israël niet, evenmin als later Eliza’s knecht de vurige wagen en paarden, welke Dothan omringde zag, dan nadat God hem de ogen had geopend. Dat ook engelen zich erbij bevonden, leert zowel Stéfanus als de Apostel Paulus (zie Ac 7.38) (Galaten. 3:19).
2) Hij wijst het doel aan, waarom die tekenen tot het inboezemen van vrees zichtbaar werden, opdat nl. God hen daarmee tot gehoorzaamheid zou dringen. Zij werden dus verschrikt, niet om als verpletterd te sterven, maar slechts om in deemoedigheid zich aan God te onderwerpen. En dit geschiedde door een bijzonder gunstbewijs, dat de Majesteit van God, waarvoor aarde en hemel sidderden, Zijn kinderen niet ontzielde, maar hen slechts beproefde (non exanimet sed tantum examinet).
3) Van die rechterstoel gaan donderslagen uit, die: “wee! wee!” en bliksemen, die: “dood en verderf!” roepen. Zo moet die wet dienen, om het ingeslapen geweten weer wakker te roepen, en met zich tegen de mens te doen getuigen: “Allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid van God.” Zo moet die pool van de zedelijke wereld, die wij zonde noemen, en die de zondaar zelf een onbekend gewest geworden was, door de wet weer aan het licht worden gebracht, opdat de tegenpool die wij genade noemen zich mede openbaren kan! Zo moet de wet zelf als een andere Johannes de boetgezant met het haar kleed op de schouder, het “wee” in de mond en de bijl in de hand voor het aangezicht des Heeren heengaan, om Hem een effen pad te bereiden. Zij moet de hoofden buigen, de harten verbreken, de geesten verbrijzelen, de gehele mens ter aarde en op de knieën werpen. Zij moet in haar vervloekingen de zondaar de vloek, in haar doodvonnissen hem de toekomstige straf van de zonde verkondigen. Zij moet in zijn boezem een vuur werpen, dat hem doet uitroepen: “Wie kan wonen bij een eeuwige gloed? Zij moet op zijn schouders een juk en een last leggen, die hem moe van zonde maakt en hem doet uitroepen: “Hoelang nog, Heer, hoe lang nog?”.
In het Hebreeuws Jan’oe, hier vertaald door weken zij af. Dit moet dan opgevat worden, ten opzichte van de geest. Beter is de vertaling: werden beroerd of bevende. Een schrik voer hen door de leden bij het waarnemen van de geduchte tekenen van Gods Majesteit. Ten gevolge van die schrik durfden zij niet de berg bestijgen, maar bleven veraf staan.
a) Hebr.12:19
1) Hiermee heeft Israël ook van zijn zijde Mozes tot een middelaar gesteld, en hem de volmacht gegeven, om in zijn plaats met de Heere te handelen. Van de zijde van God was hij reeds daartoe verordend, als hij op de berg geroepen, en dan weer tot het volk gezonden werd (Ex.19:20-25). Tot zijn roeping als middelaar behoorde echter ook, dat Israël hem uitdrukkelijk een last gaf; want een middelaar is geen middelaar van een (Galaten. 3:20), kan nooit tot een partij, maar moet altijd tot beide delen behoren, tussen welke hij als middelaar zal optreden.
Dus ziet men, 1e. dat, wanneer de zondaar Gods stem in de wet gewaar wordt, als tot zijn geweten sprekende, het als dan voor hem ondraaglijk wordt, die aan te horen. 2e. Dat door het spreken van de wet geleerd wordt, de onvermijdelijke noodzakelijkheid van een middelaar tussen God en de zondaar, gelijk het dan ook de Heere door Zijn oneindige goedheid behaagde, de volken op dit hun zeggen, de belofte te doen van de verwekking van Christus (Deuteronomium. 18:15-18). Dus is de wet een tuchtmeester, om de mens tot Christus te brengen, de ware Middelaar van de verzoening. (Galaten. 3:24 Hebr.12:24)
Hoewel Israël had ondervonden, dat het kon blijven leven al sprak ook de Heere met hen, toch is het zo beangst geworden, dat het bevreesd is te sterven, indien de Heere langer met hen spreekt. De Apostel zegt (Hebr.12:9): “Zij baden, dat tot hun het woord niet meer zou gedaan worden.”.
20. En Mozes zei tot het volk, om de valse vrees voor God weg te nemen, en hen tot de heilige vrees, welke die ontzettende tekenen in hen werken moesten, te leiden, en hij sprak: Vreest niet, want God is daarom op zo heerlijke wijze op de berg neer gekomen, opdat Hij u verzocht, 1) en opdat, nadat hij haar gezien, en een diepe indruk ontvangen hebt, Zijn vrees voor uw aangezicht zou zijn, dat gij niet tegen Zijn geboden handelt en zondigt (Spreuken. 16:6 Psalm. 111:10).
1) De wet dreigde Israël de dood; de haar vergezellende tekenen schenen die reeds nabij te brengen. Ook aldus was en is er door de wet de kennis van de zonde, en wordt aldus het zondig hart aan zichzelf ontdekt. Ziedaar wat dit “verzoeken” aanduid: het hart wordt gedwongen als met een schok tot zichzelf in te keren, aan tegelijk eigen bestaan aan de heilige eis van Gods wet, aan de strenge uitspraak van Zijn recht te toetsen. Dan spreekt het geweten zich uit in die dodelijke vrees, die nu bij Israël werd waargenomen. Om deze als getuigenis tegen het volk van God op te wekken, was de wet gekomen, en dit, als een getuigenis van en voor God.
21. a) En het volk, stond veraf; 1) het werd weer naar het leger teruggeleid (Deuteronomium. 5:30); want God keurde het woord van Israël (vs.20) goed en verklaarde het voor recht en goed (Deuteronomium. 5:28 vv.) daar onder het Oude Testament werkelijk nog geen onmiddellijk naderen tot Hem, geen algemeen priesterdom mogelijk was, maar een bemiddeling tussen Hem en het niet ontzondigde mensengeslacht noodzakelijk was. Alzo ging het volk niet zelf op de berg, maar Mozes, door de Heere opnieuw geroepen (hoofdstuk 19:20) naderde tot de donkerheid van de wolk, die zich op de top van de berg gelegerd had, alwaar God was, 2) om die wetten aan Zijn dienstknecht te geven, die op de grondwet van de tien woorden gebouwd, hem tot mededeling aan het volk moesten gegeven worden.
a) Hebr.12:18
1) Het veraf staan, of liever standhouden van het volk staat hier tegenover het naderen van Mozes tot de donkerheid, alwaar God was. Het volk ging niet meer achterwaarts, maar bleef veraf staan, het bleef in de tenten, naar Deuteronomium. 5:30, als begreep het, dat de nadering tot God enkel en alleen door de Middelaar kon plaats hebben. Een heilige en betamelijke vrees voor Gods geduchte Majesteit vervulde het.
2) De wet van de tien woorden is gegeven. In haar is de gehele wet als in haar kern en kiem bevat. Zij is de grondwet; de grond, waarop alle andere wetten en geboden berusten, de wortel, waaruit zij voortkomen, de bron, waaruit zij vloeien. En toch hiermee vergenoegt zich de nederbuigende liefde van God niet. Niet alleen de grondwet, ook de geheel daarop te gronden wetgeving van Israël, wil hij zelf door Mozes aan Israël meedelen. Dezelfde hand, die de hoeksteen gelegd heeft, verwaardigt zich daarop ook het overige gebouw op te trekken.
Mozes hoort nogmaals de roepstem van de Heere. Hij klimt nogmaals op. En in de verborgenheid van de wolk is hij met de engel, die met hem spreekt, en ontvangt hij de levende woorden, om die te geven. (Hand.7:38).
Dit opgaan van Mozes op de berg was ware, eenvoudige geloofsgehoorzaamheid. Op een rokende berg gaan, in wolken gaan, waaruit kort tevoren een vuur uitgeflikkerd had, in het donkere gaan, waarin de Heilige God was, vorderde een groot geloof, en niets dan de eenvoudige gehoorzaamheid aan het bevel van God kon Mozes daartoe bewegen. Maar wat willen we zeggen? Wie van ons zal op de heilige berg gaan, wie zal blijven op Zijn heilige plaats? Wie zal in de hemel gaan, waar de heerlijkheid van God zich vollediger vertoont dan op de berg Sinaï? Wie zal staan voor de heilige God, en Zijn aangezicht zien, dat Mozes niet zien mocht? Niemand, dan alleen hij, die door het geloof Christus is ingeplant, en door de geest van het kindschap, de slaafse vrees voor God overwonnen heeft.
Met de donkerheid wordt bedoeld, dat gedeelte van Sinaï’s bergtop, dat door de dikke wolken door de vurige rook was omhuld. Daarom troonde Hij ook in het donkere in het Heilige der Heiligen (1 Kon.8:12). De LXX vertaalt het woord door onweer. Evenzo wordt die donkerheid ook genoemd in Hebr.12:18
I. Exodus 20 vers 22-26
Op de berg ontvangt Mozes, als middelaar van het verbond, dat de Heere met Israël wilde sluiten, een reeks van verordeningen, die hij daarna bij het werkelijk sluiten van het verbond (hoofdstuk 24:3-8) aan het volk voorlegt, en in het boek van het verbond neerleggen moet. Zij bevatten de hoofdlijnen van het verbond, en spreken aan de ene zijde uit, wat de Heere aan Zijn volk oplegt, en aan de andere zijde, wat Hij daarin aanbiedt. Wat Hij hen oplegt, heeft betrekking op de wijze, hoe Hij, in tegenstelling van de reeds door het eerste gebod verboden beeldendienst, vereerd wil zijn (grondwet van de cultus of de godsdienst).
22. Toen zei de HEERE tot Mozes, die nu op de top van de berg in het donkere van de wolk opgeklommen was: Aldus zult gij tot de kinderen van Israël zeggen: Gij hebt bij de afkondiging van de wet (hoofdstuk 19:16-20:18) gezien, dat Ik met u van de hemel 1) gesproken heb.
1) Niet zonder bedoeling benadrukt de Heere, dat Hij met Israël van uit de hemel gesproken heeft. Hiermee wil Hij toch op de goddelijke oorsprong van de wet de nadruk leggen. Bovendien, voordat de Heere komt met de uitbreiding van het tweede gebod, wijst Hij hen daarmee op het feit, dat zij Zijn vreselijke tekenen hebben waargenomen, waaruit zij konden opmaken, dat geen afbeeldsel van Hem te treffen is.
23. Gij zult naast Mij 1) de Onzichtbare, de Hemelse niet maken, iets wat aan het gebied van de aardse en zichtbare dingen ontleend is, zilveren goden, 2) en gouden goden, gelijk de heidenen hebben, zult gij u niet maken.
1) In het Hebreeuws Ietthie, eigenlijk bij mij. Dit betekent niet, tegelijk met mij, maar verbonden met maken gelijk stellen.
2) De Heere God noemt de afbeeldsels en afgoden hier goden, niet omdat zij werkelijk enig wezen hebben, maar omdat Hij zich hier schikt naar de begrippen van de mensen. God kende zijn volk, wist dat het een zinnelijk volk was en behoefte had aan iets zichtbaars, dat het zich niet wel kon schikken in het aanbidden van Hem, als een zuiver geestelijk Wezen.
24. a) 1) Maakt Mij een altaar van aarde, en offert daarop uw brandoffers en uw dankoffers, uw schapen en uw runderen, 2) en terwijl gij met zulk een altaar u van de aarde verheft, en de hemel, waar Ik woon, nader treedt, om daarop Mij uw gaven te brengen, wil Ik de hemel neigen (Psalm. 144:15) en ook van Mijn zijde nader tot u treden, opdat in uw godsdienstplechtigheden hemel en aarde elkaar aanraken. Aan alle plaats, waar Ik de gedachtenis aan Mijn naam stichten zal, 3) overal, waar Ik door enige grote daad of openbaring van Mijn grote en heerlijke naam, de plaats heiligen zal (hoofdstuk 3:5 Genesis 28:10 vv. Deuteronomium. 27:5 vv. Jozua. 8:30 Richteren. 6:25 vv.; 1 Kon.18:29), zal Ik, ook in volgende tijden, tot u komen en zal u zegenen. Zo weet gij dan, op welke plaatsen gij Mij altaren zult oprichten, niet overal, waar het u goed dunkt, maar alleen daar, waar IkMijn tegenwoordigheid te kennen gegeven heb (Deuteronomium. 12:13 vv.).
a) Exodus. 27:1; 38:1 vv.
1) Ongetwijfeld staat dit gebod met het voorgaande in nauw verband. Israël mocht geen beeltenis, geen zilveren of gouden beeltenis van God maken. De eredienst moest zuiver geestelijk, maar daarom ook eenvoudig zijn. Maakte Israël nu een sierlijk altaar, dan kon allicht tenslotte het altaar de plaats van God innemen, en meer op de vorm, dan op het wezen worden gelet. Het altaar moest daarom iets voorbijgaands zijn, de vorm, waarop het brandoffer en schuldoffer werd gebracht. Niet Israël moest zelf iets toedoen tot de gemeenschapsoefening met Jehova, maar de Heere zelf zou Israël zegenen en heiligen.
2) Het brandoffer hier drukt zo wel belijden van schuld uit als ootmoedige dankbaarheid. Straks zouden de offeranden verdeeld worden in het dagelijks brandoffer, in het dankoffer, in het zond- en in het schuldoffer.
3) Het is de Heere zelf, van Wie deze moet uitgaan. Hoor, Hij zelf getuigt het: “Waar Ik Mijn Naam zal doen gedenken” gelijk ook de kanttekenaren de vertaling van de oorspronkelijke woorden aangeven. De Heere doet Zijn heilige Naam gedenken door zich te openbaren in de leiding van het leven, in de betoning van Zijn gunst, in gevoelige ondervindingen van Zijn toorn en in zoveel andere omstandigheden meer, waarin ons de leidende en ingrijpende Voorzienigheid Gods merkbaar wordt. Als gij b.v. na lange afwezigheid uit de huiskamer, door ziekte of moeilijkheden veroorzaakt, wederom voor het eerst met diep bewogen hart bij de huislijke godsdienstoefeningen moogt tegenwoordig zijn; of wel als gij die bijwoont op bijzonder merkwaardige tijdstippen in het leven, wanneer de Heere-hij weet u dat nog wel te herinneren-u zo bijzonder bij Zijn liefelijke leiding en uw eigen ondankbare vergetelheid bepaalde; zo dat gij soms zelf, al was het niet luide, onwillekeurig moest uitroepen: “O God! wees mij zondaar genadig!”.
Dit doelt niet alleen op die plaats, waar straks de tabernakel in de woestijn zou vertoeven, maar op alle plaatsen, welke de Heere door een bijzondere openbaring daartoe zou wijden.
25. a) Maar indien gij Mij een stenen in plaats van een aarden altaar zult maken, zo zult gij dit niet bouwen van gehouwen steen, 1) maar slechts van ruwe steen, gelijk dit uit Mijn scheppende hand is voortgekomen; zo gij uw houwijzer daarover verheft, of enig ander werktuig, om de steen eerst te bewerken, zo zult gij het altaar daardoor ontheiligen. 2)
a) Deuteronomium. 27:5 Jozua. 8:30,31
1) De onbearbeide stenen, die zonder enige verandering hun eigen gedaante behielden, waren met een meer natuurlijke reinheid begaafd en kwamen dus nader met de heerlijkheid van het altaar overeen; terwijl integendeel de stenen, die met veel moeite en naar de kunst behouwen en gepolijst waren door de behandeling van de werkmeester ontaarden en iets meesterlijks aan zich trokken, en die niet beantwoordde aan de eenvoudige en onvervalstheid, die God in de bouw van een altaar tot Zijn eer in acht genomen wilde hebben.
Het woord door de Statenvertalers weergegeven door houwijzer, betekent oorspronkelijk zwaard, maar wordt ook gebruikt voor alle scherpe voorwerpen, die gebruikt worden, om te snijden en om te graveren. Houwijzer is dus hier zeer goed. Van geen gehouwen steen mocht het altaar worden gemaakt. Het moest eenvoudig, sober zijn.
2) Dit voorschrift heeft zijn reden in de dubbele bestemming van het altaar. Van de zijde van de mensen is het een verhoging van de aarde naar de hemel, een verheffing van de aarde boven haar gewone vlakte (zie Ge 8.20); daarom mag slechts aarde of zulke steen daartoe gebruikt worden, die nog geheel het karakter van de natuurlijke vorming in zich draagt, anders gaat de eigenlijke betekenis van een altaar (latijn: altare van altur = hoog) verloren. Van de zijde van God is het het punt van de met een vloek (Genesis 3:17) beladen aarde waartoe Hij, die de hemel met Zijn heerlijkheid vervult, in genadig nederbuigen neerkomt, om met de mens in aanraking te komen en diens gaven aan te nemen; menselijke kunst kan er niets toe bijdragen, om de vloek te verzachten en de Heere op de aarde af te trekken; alleen Zijn nederbuigende genade vermag de brug te bouwen tussen hemel en aarde, daarom moet de kunst ver weg blijven. Wel wordt zij later (hoofdstuk 31:1-11) tot de dienst van het heiligdom gebezigd; maar zij mag slechts in zoverre dienen, als de Heere haar dienst begeert, en zij mag het pas, wanneer Zijn Geest haar doortrokken heeft.
26. Gij zult ook niet met trappen tot Mijn altaar opklimmen, maar alleen een langzaam opklimmende glooiing daarvoor aanbrengen, opdat, wanneer gij opstijgt, om uw offeranden te brengen, uw schaamte voor deze, dat deel van uw lichaam, waar zonde en dood het meest zich openbaren (zie “Ex 28.41), niet ontdekt en het altaar ontwijd wordt. 1)
1) Een voorschrift van stipte eerbaarheid als een zinnebeeld van de zuiverheid van het gemoed, die daar geëist wordt.
Terwijl God aan de priesters de achting voor het heilige geheel het leven voorschrijft en in bijzondere handelingen, is het niet te verwonderen, indien Hij bij het verrichten van de heilige zaken een bijzondere zorg, om het eerbaar en waardig te doen, eist. Want vroeger wel wilde Hij, dat de priesters, wanneer zij tot het heilige opgingen, gekleed waren met schorten of broeken, om de schaamte te bedekken, maar met dit symbool van zedelijke reinheid niet tevreden verbiedt Hij langs trappen tot het altaar op te klimmen, opdat zelfs de schorten niet zichtbaar werden, omdat door zodanig gezicht de waardigheid van de heilige dingen, en de heilige vrees er voor schade werd aangedaan. Daarom heeft Hij op allerlei wijze de Israëlieten ertoe willen brengen, dat zij bij de eredienst zich zeer rein en gewijd zouden gedragen.
Hoogstwaarschijnlijk staat ook dit vers hier, bij wijze van proloog, omdat in vs.25 van een altaar sprake is. Niet nog van het altaar in de voorhof, maar van het altaar in het algemeen is daar sprake.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel