Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1Daarna toog de ganse vergadering van de kinderen Israels, naar hun dagreizen, uit de woestijn Sin, op het bevel des HEEREN, en zij legerden zich te Rafidim. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1Daarna toogH5265 de ganseH3605vergaderingH5712 van de kinderenH1121IsraelsH3478, naar hun dagreizenH4550, uit de woestijnH4057SinH5512, opH5921 het bevelH6310 des HEERENH3068, en zij legerdenH2583 zich te RafidimH7508. Daar nu was geenH369waterH4325 voor het volkH5971 om te drinkenH8354.Daarna toog de ganse vergadering van de kinderen Israels, naar hun dagreizen, uit de woestijn Sin, op het bevel des HEEREN, en zij legerden zich te Rafidim. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken.
KJVAnd all the congregation3of the children4of Israel5journeyed1from the wilderness6of Sin,7after their journeys,8according to the commandment10of the LORD,11and pitched12in Rephidim:13and there was no water15for the people17to drink.
1וַ֠יִּסְעוּH5265verreisden, reisden, optrekkencause to blow, bring, get, (make to) go (away, forth, forward, onward, out), (take) journey, march, remove, set aside (forward), [idiom] still, be on his (go their) way2כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)3עֲדַ֨תH5712vergadering, gemeente, bijenzwermassembly, company, congregation, multitude, people, swarm. Compare H5713 (עֵדָה)4בְּנֵֽיH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth5יִשְׂרָאֵ֧לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael6מִמִּדְבַּרH4057woestijn, wildernis, spraakdesert, south, speech, wilderness7סִ֛יןH5512SinSin8לְמַסְעֵיהֶ֖םH4550reizen, tochten, dagreizenjourney(-ing)9עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with10פִּ֣יH6310mond, monds, scherpteaccord(-ing as, -ing to), after, appointment, assent, collar, command(-ment), [idiom] eat, edge, end, entry, [phrase] file, hole, [idiom] in, mind, mouth, part, portion, [idiom] (should) say(-ing), sentence, skirt, sound, speech, [idiom] spoken, talk, tenor, [idiom] to, [phrase] two-edged, wish, word11יְהוָ֑הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)12וַֽיַּחֲנוּ֙H2583legerden, legeren, gelegerdabide (in tents), camp, dwell, encamp, grow to an end, lie, pitch (tent), rest in tent13בִּרְפִידִ֔יםH7508RafidimRephidim14וְאֵ֥יןH369geen, niet, niemandelse, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן)15מַ֖יִםH4325water, wateren, waters[phrase] piss, wasting, water(-ing, (-course, -flood, -spring))16לִשְׁתֹּ֥תH8354drinken, gedronken, drinkt[idiom] assuredly, banquet, [idiom] certainly, drink(-er, -ing), drunk ([idiom] -ard), surely. (Prop. intensive of H8248 (שָׁקָה).)17הָעָֽםH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people
2Toen twistte het volk met Mozes, en zeide: Geeft gijlieden ons water, dat wij drinken! Mozes dan zeide tot hen: Wat twist gij met mij? Waarom verzoekt gij den HEERE?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2Toen twistteH7378 het volkH5971metH5973MozesH4872, en zeideH559: GeeftH5414 gijlieden ons waterH4325, dat wij drinkenH8354! MozesH4872 dan zeideH559 tot hen: WatH4100twistH7378 gij met mij? WaaromH4100verzoektH5254 gij den HEEREH3068?Toen twistte het volk met Mozes, en zeide: Geeft gijlieden ons water, dat wij drinken! Mozes dan zeide tot hen: Wat twist gij met mij? Waarom verzoekt gij den HEERE?
KJVWherefore the people2did chide1with Moses,4and said,5Give6us water8that we may drink.9And Moses12said10unto them, Why chide14ye with me? wherefore do ye tempt17the LORD?
3Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, zo murmureerde het volk tegen Mozes, en het zeide: Waartoe hebt gij ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat gij mij, en mijn kinderen, en mijn vee, van dorst deed sterven?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3Toen nu het volkH5971aldaarH8033dorstteH6770 naar waterH4325, zo murmureerdeH3885 het volkH5971tegenH5921MozesH4872, en het zeideH559: WaartoeH4100 hebt gij ons nu uit EgypteH4714 doen optrekkenH5927, opdat gij mij, en mijn kinderenH1121, en mijn veeH4735, van dorstH6772 deed stervenH4191?Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, zo murmureerde het volk tegen Mozes, en het zeide: Waartoe hebt gij ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat gij mij, en mijn kinderen, en mijn vee, van dorst deed sterven?
KJVAnd the people3thirsted1there for water;4and the people6murmured5against Moses,8and said,9Wherefore is this that thou hast brought12us up out of Egypt,13to kill14us and our children17and our cattle19with thirst?
1וַיִּצְמָ֨אH6770dorst, dorsten, dorstte(be a-, suffer) thirst(-y)2שָׁ֤םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither3הָעָם֙H5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people4לַמַּ֔יִםH4325water, wateren, waters[phrase] piss, wasting, water(-ing, (-course, -flood, -spring))5וַיָּ֥לֶןH3885vernachten, vernacht, vernachttenabide (all night), continue, dwell, endure, grudge, be left, lie all night, (cause to) lodge (all night, in, -ing, this night), (make to) murmur, remain, tarry (all night, that night)6הָעָ֖םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people7עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with8מֹשֶׁ֑הH4872Mozes, Mozes', mozesMoses9וַיֹּ֗אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet10לָ֤מָּהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why11זֶּה֙H2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)12הֶעֱלִיתָ֣נוּH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work13מִמִּצְרַ֔יִםH4714Egypte, Egyptenaren, EgyptenaarsEgypt, Egyptians, Mizraim14לְהָמִ֥יתH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise15אֹתִ֛יH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)16וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)17בָּנַ֥יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth18וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)19מִקְנַ֖יH4735vee, bezitting, beestencattle, flock, herd, possession, purchase, substance20בַּצָּמָֽאH6772dorst, dorstigthirst(-y)
4Zo riep Mozes tot den HEERE, zeggende: Wat zal ik dit volk doen? Er feilt niet veel aan, of zij zullen mij stenigen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4Zo riepH6817MozesH4872totH413 den HEEREH3068, zeggendeH559: WatH4100 zal ik ditH2088volkH5971doenH6213? Er feilt niet veel aan, of zij zullen mij stenigenH5619.Zo riep Mozes tot den HEERE, zeggende: Wat zal ik dit volk doen? Er feilt niet veel aan, of zij zullen mij stenigen.
Ook in dit vers
feilt veelH4592
KJVAnd Moses2cried1unto the LORD,4saying,5What shall I do7unto this people?8they be almost11ready to stone
1וַיִּצְעַ֤קH6817riep, riepen, roepen[idiom] at all, call together, cry (out), gather (selves) (together)2מֹשֶׁה֙H4872Mozes, Mozes', mozesMoses3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4יְהוָ֣הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5לֵאמֹ֔רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet6מָ֥הH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why7אֶעֱשֶׂ֖הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use8לָעָ֣םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people9הַזֶּ֑הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)10ע֥וֹדH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)11מְעַ֖טH4592weinig, weinige, bijnaalmost (some, very) few(-er, -est), lightly, little (while), (very) small (matter, thing), some, soon, [idiom] very12וּסְקָלֻֽנִיH5619stenigen, gestenigd, wierp(cast, gather out, throw) stone(-s), [idiom] surely
5Toen zeide de HEERE tot Mozes: Ga heen voor het aangezicht des volks, en neem met u uit de oudsten van Israel; en neem uw staf in uw hand, waarmede gij de rivier sloegt, en ga heen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5Toen zeideH559 de HEEREH3068 tot MozesH4872: Ga heen voor het aangezichtH6440 des volksH5971, en neemH3947metH854 u uit de oudstenH2205 van IsraelH3478; en neemH3947 uw stafH4294 in uw handH3027, waarmede gij de rivierH2975sloegtH5221, en ga heen.Toen zeide de HEERE tot Mozes: Ga heen voor het aangezicht des volks, en neem met u uit de oudsten van Israel; en neem uw staf in uw hand, waarmede gij de rivier sloegt, en ga heen.
KJVAnd the LORD2said1unto Moses,4Go on5before6the people,7and take8with thee of the elders10of Israel;11and thy rod,12wherewith thou smotest14the river,17take18in thine hand,19and go.
1וַיֹּ֨אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2יְהוָ֜הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4מֹשֶׁ֗הH4872Mozes, Mozes', mozesMoses5עֲבֹר֙H5674doorgaan, voorbij, gegaanalienate, alter, [idiom] at all, beyond, bring (over, through), carry over, (over-) come (on, over), conduct (over), convey over, current, deliver, do away, enter, escape, fail, gender, get over, (make) go (away, beyond, by, forth, his way, in, on, over, through), have away (more), lay, meddle, overrun, make partition, (cause to, give, make to, over) pass(-age, along, away, beyond, by, -enger, on, out, over, through), (cause to, make) [phrase] proclaim(-amation), perish, provoke to anger, put away, rage, [phrase] raiser of taxes, remove, send over, set apart, [phrase] shave, cause to (make) sound, [idiom] speedily, [idiom] sweet smelling, take (away), (make to) transgress(-or), translate, turn away, (way-) faring man, be wrath6לִפְנֵ֣יH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you7הָעָ֔םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people8וְקַ֥חH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win9אִתְּךָ֖H854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix10מִזִּקְנֵ֣יH2205oudsten, ouden, oudeaged, ancient (man), elder(-est), old (man, men and...women), senator11יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael12וּמַטְּךָ֗H4294stam, staf, stammenrod, staff, tribe13אֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection14הִכִּ֤יתָH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound15בּוֹ֙16אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)17הַיְאֹ֔רH2975rivier, rivieren, stromenbrook, flood, river, stream18קַ֥חH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win19בְּיָדְךָ֖H3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves20וְהָלָֽכְתָּH1980wandelt, gewandeld, wandelen(all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl
6Zie, Ik zal aldaar voor uw aangezicht op den rotssteen in Horeb staan; en gij zult op den rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed alzo voor de ogen der oudsten van Israel.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6ZieH2005, Ik zal aldaarH8033 voor uw aangezichtH6440opH5921 den rotssteenH6697 in HorebH2722staanH5975; en gij zult op den rotssteenH6697slaanH5221, zo zal er waterH4325uitgaanH3318, dat het volkH5971drinkeH8354. MozesH4872 nu deedH6213 alzo voor de ogenH5869 der oudstenH2205vanH4480IsraelH3478.Zie, Ik zal aldaar voor uw aangezicht op den rotssteen in Horeb staan; en gij zult op den rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed alzo voor de ogen der oudsten van Israel.
KJVBehold, I will stand2before3thee there upon the rock6in Horeb;7and thou shalt smite8the rock,9and there shall come10water12out of it, that the people14may drink.13And Moses17did15so in the sight18of the elders19of Israel.
1הִנְנִ֣יH2005ziet, ziebehold, if, lo, though2עֹמֵד֩H5975stond, staan, stondenabide (behind), appoint, arise, cease, confirm, continue, dwell, be employed, endure, establish, leave, make, ordain, be (over), place, (be) present (self), raise up, remain, repair, [phrase] serve, set (forth, over, -tle, up), (make to, make to be at a, with-) stand (by, fast, firm, still, up), (be at a) stay (up), tarry3לְפָנֶ֨יךָH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you4שָּׁ֥םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither5עַֽלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with6הַצּוּר֮H6697Rotssteen, rotssteen, rotsedge, [idiom] (mighty) God (one), rock, [idiom] sharp, stone, [idiom] strength, [idiom] strong. See also H1049 (בֵּית צוּר)7בְּחֹרֵב֒H2722HorebHoreb8וְהִכִּ֣יתָH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound9בַצּ֗וּרH6697Rotssteen, rotssteen, rotsedge, [idiom] (mighty) God (one), rock, [idiom] sharp, stone, [idiom] strength, [idiom] strong. See also H1049 (בֵּית צוּר)10וְיָצְא֥וּH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter11מִמֶּ֛נּוּH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with12מַ֖יִםH4325water, wateren, waters[phrase] piss, wasting, water(-ing, (-course, -flood, -spring))13וְשָׁתָ֣הH8354drinken, gedronken, drinkt[idiom] assuredly, banquet, [idiom] certainly, drink(-er, -ing), drunk ([idiom] -ard), surely. (Prop. intensive of H8248 (שָׁקָה).)14הָעָ֑םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people15וַיַּ֤עַשׂH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use16כֵּן֙H3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you17מֹשֶׁ֔הH4872Mozes, Mozes', mozesMoses18לְעֵינֵ֖יH5869ogen, oog, verfaffliction, outward appearance, [phrase] before, [phrase] think best, colour, conceit, [phrase] be content, countenance, [phrase] displease, eye((-brow), (-d), -sight), face, [phrase] favour, fountain, furrow (from the margin), [idiom] him, [phrase] humble, knowledge, look, ([phrase] well), [idiom] me, open(-ly), [phrase] (not) please, presence, [phrase] regard, resemblance, sight, [idiom] thee, [idiom] them, [phrase] think, [idiom] us, well, [idiom] you(-rselves)19זִקְנֵ֥יH2205oudsten, ouden, oudeaged, ancient (man), elder(-est), old (man, men and...women), senator20יִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
7En hij noemde den naam dier plaats Massa en Meriba, om de twist der kinderen Israels, en omdat zij den HEERE verzocht hadden, zeggende: Is de HEERE in het midden van ons, of niet?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7En hij noemdeH7121 den naamH8034 dier plaatsH4725MassaH4532 en MeribaH4809, om de twistH7379 der kinderenH1121IsraelsH3478, en omdat zij den HEEREH3068verzochtH5254 hadden, zeggendeH559: Is de HEEREH3068 in het middenH7130 van ons, ofH518nietH369?En hij noemde den naam dier plaats Massa en Meriba, om de twist der kinderen Israels, en omdat zij den HEERE verzocht hadden, zeggende: Is de HEERE in het midden van ons, of niet?
KJVAnd he called1the name2of the place3Massah,4and Meribah,5because of the chiding7of the children8of Israel,9and because they tempted11the LORD,13saying,14Is15the LORD16among
1וַיִּקְרָא֙H7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say2שֵׁ֣םH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report3הַמָּק֔וֹםH4725plaats, plaatsen, plaatsecountry, [idiom] home, [idiom] open, place, room, space, [idiom] whither(-soever)4מַסָּ֖הH4532MassaMassah5וּמְרִיבָ֑הH4809MeribaMeribah6עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with7רִ֣יבH7379twist, twistzaak, geschil[phrase] adversary, cause, chiding, contend(-tion), controversy, multitude (from the margin), pleading, strife, strive(-ing), suit8בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth9יִשְׂרָאֵ֗לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael10וְעַ֨לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with11נַסֹּתָ֤םH5254verzocht, verzoeken, verzochtenadventure, assay, prove, tempt, try12אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13יְהוָה֙H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)14לֵאמֹ֔רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet15הֲיֵ֧שׁH3426ware, Hoe lang, Voorwaar(there) are, (he, it, shall, there, there may, there shall, there should) be, thou do, had, hast, (which) hath, (I, shalt, that) have, (he, it, there) is, substance, it (there) was, (there) were, ye will, thou wilt, wouldest16יְהוָ֛הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)17בְּקִרְבֵּ֖נוּH7130midden, binnenste, ingewand[idiom] among, [idiom] before, bowels, [idiom] unto charge, [phrase] eat (up), [idiom] heart, [idiom] him, [idiom] in, inward ([idiom] -ly, part, -s, thought), midst, [phrase] out of, purtenance, [idiom] therein, [idiom] through, [idiom] within self18אִםH518zo, indien, of(and, can-, doubtless, if, that) (not), [phrase] but, either, [phrase] except, [phrase] more(-over if, than), neither, nevertheless, nor, oh that, or, [phrase] save (only, -ing), seeing, since, sith, [phrase] surely (no more, none, not), though, [phrase] of a truth, [phrase] unless, [phrase] verily, when, whereas, whether, while, [phrase] yet19אָֽיִןH369geen, niet, niemandelse, except, fail, (father-) less, be gone, in(-curable), neither, never, no (where), none, nor, (any, thing), not, nothing, to nought, past, un(-searchable), well-nigh, without. Compare H370 (אַיִן)
8Toen kwam Amalek en streed tegen Israel in Rafidim.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8Toen kwamH935AmalekH6002 en streedH3898tegenH5973IsraelH3478 in RafidimH7508.Toen kwam Amalek en streed tegen Israel in Rafidim.
1וַיָּבֹ֖אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way2עֲמָלֵ֑קH6002Amalek, Amalekieten, watAmalekAmalek3וַיִּלָּ֥חֶםH3898strijden, streed, stredendevour, eat, [idiom] ever, fight(-ing), overcome, prevail, (make) war(-ring)4עִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)5יִשְׂרָאֵ֖לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael6בִּרְפִידִֽםH7508RafidimRephidim
9Mozes dan zeide tot Jozua: Kies ons mannen, en trek uit, strijd tegen Amalek; morgen zal ik op de hoogte des heuvels staan, en de staf Gods zal in mijn hand zijn.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9MozesH4872 dan zeideH559totH413JozuaH3091: KiesH977 ons mannenH582, en trekH3318 uit, strijdH3898 tegen AmalekH6002; morgenH4279 zal ikH595opH5921 de hoogteH7218 des heuvelsH1389staanH5324, en de stafH4294GodsH430 zal in mijn handH3027 zijn.Mozes dan zeide tot Jozua: Kies ons mannen, en trek uit, strijd tegen Amalek; morgen zal ik op de hoogte des heuvels staan, en de staf Gods zal in mijn hand zijn.
KJVAnd Moses2said1unto Joshua,4Choose us out5men,and go out,8fight9with Amalek:10to morrow11I will stand13on the top15of the hill16with the rod17of God18in mine hand.
1וַיֹּ֨אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2מֹשֶׁ֤הH4872Mozes, Mozes', mozesMoses3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4יְהוֹשֻׁ֨עַ֙H3091Jozua, JosuaJehoshua, Jehoshuah, Joshua. Compare H1954 (הוֹשֵׁעַ), H3442 (יֵשׁוּעַ)5בְּחַרH977verkoren, verkiezen, verkoosacceptable, appoint, choose (choice), excellent, join, be rather, require6לָ֣נוּ7אֲנָשִׁ֔יםH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)8וְצֵ֖אH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter9הִלָּחֵ֣םH3898strijden, streed, stredendevour, eat, [idiom] ever, fight(-ing), overcome, prevail, (make) war(-ring)10בַּעֲמָלֵ֑קH6002Amalek, Amalekieten, watAmalekAmalek11מָחָ֗רH4279morgen, Morgentime to come, tomorrow12אָנֹכִ֤יH595ik, mijI, me, [idiom] which13נִצָּב֙H5324gesteld, stonden, stondappointed, deputy, erect, establish, [idiom] Huzzah (by mistake for a proper name), lay, officer, pillar, present, rear up, set (over, up), settle, sharpen, establish, (make to) stand(-ing, still, up, upright), best state14עַלH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with15רֹ֣אשׁH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top16הַגִּבְעָ֔הH1389heuvelen, heuvel, heuvelshill, little hill17וּמַטֵּ֥הH4294stam, staf, stammenrod, staff, tribe18הָאֱלֹהִ֖יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty19בְּיָדִֽיH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
10Jozua nu deed, als Mozes hem gezegd had, strijdende tegen Amalek; doch Mozes, Aaron en Hur klommen op de hoogte des heuvels.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10JozuaH3091 nu deedH6213, als MozesH4872 hem gezegdH559 had, strijdendeH3898 tegen AmalekH6002; doch MozesH4872, AaronH175 en HurH2354klommenH5927 op de hoogteH7218 des heuvelsH1389.Jozua nu deed, als Mozes hem gezegd had, strijdende tegen Amalek; doch Mozes, Aaron en Hur klommen op de hoogte des heuvels.
KJVSo Joshua2did1as Moses6had said4to him, and fought7with Amalek:8and Moses,9Aaron,10and Hur11went up12to the top13of the hill.
1וַיַּ֣עַשׂH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use2יְהוֹשֻׁ֗עַH3091Jozua, JosuaJehoshua, Jehoshuah, Joshua. Compare H1954 (הוֹשֵׁעַ), H3442 (יֵשׁוּעַ)3כַּאֲשֶׁ֤רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection4אָֽמַרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet5לוֹ֙6מֹשֶׁ֔הH4872Mozes, Mozes', mozesMoses7לְהִלָּחֵ֖םH3898strijden, streed, stredendevour, eat, [idiom] ever, fight(-ing), overcome, prevail, (make) war(-ring)8בַּעֲמָלֵ֑קH6002Amalek, Amalekieten, watAmalekAmalek9וּמֹשֶׁה֙H4872Mozes, Mozes', mozesMoses10אַהֲרֹ֣ןH175Aaron, Aarons, AaronietenAaron11וְח֔וּרH2354HurHur12עָל֖וּH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work13רֹ֥אשׁH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top14הַגִּבְעָֽהH1389heuvelen, heuvel, heuvelshill, little hill
11En het geschiedde, terwijl Mozes zijn hand ophief, zo was Israel de sterkste; maar terwijl hij zijn hand nederliet, zo was Amalek de sterkste.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11En het geschiedde, terwijl MozesH4872 zijn handH3027ophiefH7311, zo was IsraelH3478 de sterksteH1396; maar terwijl hij zijn handH3027nederlietH5117, zo was AmalekH6002 de sterksteH1396.En het geschiedde, terwijl Mozes zijn hand ophief, zo was Israel de sterkste; maar terwijl hij zijn hand nederliet, zo was Amalek de sterkste.
KJVAnd it came to pass, when Moses4held up3his hand,5that Israel7prevailed:6and when he let down9his hand,10Amalek12prevailed.
1וְהָיָ֗הH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2כַּאֲשֶׁ֨רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection3יָרִ֥יםH7311verhoogd, verhogen, offerenbring up, exalt (self), extol, give, go up, haughty, heave (up), (be, lift up on, make on, set up on, too) high(-er, one), hold up, levy, lift(-er) up, (be) lofty, ([idiom] a-) loud, mount up, offer (up), [phrase] presumptuously, (be) promote(-ion), proud, set up, tall(-er), take (away, off, up), breed worms4מֹשֶׁ֛הH4872Mozes, Mozes', mozesMoses5יָד֖וֹH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves6וְגָבַ֣רH1396overhand, geweldig, machtigexceed, confirm, be great, be mighty, prevail, put to more (strength), strengthen, be stronger, be valiant7יִשְׂרָאֵ֑לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael8וְכַאֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection9יָנִ֛יחַH5117rust, rusten, rust gegevencease, be confederate, lay, let down, (be) quiet, remain, (cause to, be at, give, have, make to) rest, set down. Compare H3241 (יָנִים)10יָד֖וֹH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves11וְגָבַ֥רH1396overhand, geweldig, machtigexceed, confirm, be great, be mighty, prevail, put to more (strength), strengthen, be stronger, be valiant12עֲמָלֵֽקH6002Amalek, Amalekieten, watAmalekAmalek
12Doch de handen van Mozes werden zwaar; daarom namen zij een steen, en legden dien onder hem, dat hij daarop zat; en Aaron en Hur onderstutten zijn handen, de een op deze, en ander op de andere zijde; alzo waren zijn handen gewis, totdat de zon onderging.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12Doch de handenH3027 van MozesH4872 werden zwaarH3515; daarom namenH3947 zij een steenH68, en legdenH7760 dien onderH8478 hem, dat hij daarop zat; en AaronH175 en HurH2354onderstuttenH8551 zijn handenH3027, de een op dezeH2088, en anderH259 op de andere zijde; alzo warenH1961 zijn handenH3027gewisH530, totdatH5704 de zonH8121ondergingH935.Doch de handen van Mozes werden zwaar; daarom namen zij een steen, en legden dien onder hem, dat hij daarop zat; en Aaron en Hur onderstutten zijn handen, de een op deze, en ander op de andere zijde; alzo waren zijn handen gewis, totdat de zon onderging.
KJVBut Moses'2hands1were heavy;3and they took4a stone,5and put6it under him, and he sat8thereon; and Aaron10and Hur11stayed up12his hands,13the one on the one side,15and the other on the other side;17and his hands19were steady20until the going down22of the sun.
1וִידֵ֤יH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves2מֹשֶׁה֙H4872Mozes, Mozes', mozesMoses3כְּבֵדִ֔יםH3515zwaar, zware, zwaren(so) great, grievous, hard(-ened), (too) heavy(-ier), laden, much, slow, sore, thick4וַיִּקְחוּH3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win5אֶ֛בֶןH68stenen, steen, gesteente[phrase] carbuncle, [phrase] mason, [phrase] plummet, (chalk-, hail-, head-, sling-) stone(-ny), (divers) weight(-s)6וַיָּשִׂ֥ימוּH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work7תַחְתָּ֖יוH8478onder, plaats, vooras, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with8וַיֵּ֣שֶׁבH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry9עָלֶ֑יהָH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with10וְאַהֲרֹ֨ןH175Aaron, Aarons, AaronietenAaron11וְח֜וּרH2354HurHur12תָּֽמְכ֣וּH8551houdt, vast, onderhoudt(take, up-) hold (up), maintain, retain, stay (up)13בְיָדָ֗יוH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves14מִזֶּ֤הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)15אֶחָד֙H259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,16וּמִזֶּ֣הH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)17אֶחָ֔דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,18וַיְהִ֥יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use19יָדָ֛יוH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves20אֱמוּנָ֖הH530waarheid, getrouwheid, ambtfaith(-ful, -ly, -ness, (man)), set office, stability, steady, truly, truth, verily21עַדH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet22בֹּ֥אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way23הַשָּֽׁמֶשׁH8121zon, Zon, glasvensters[phrase] east side(-ward), sun (rising), [phrase] west(-ward), window. See also H1053 (בֵּית שֶׁמֶשׁ)
13Alzo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte, door de scherpte des zwaards.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13Alzo dat JozuaH3091AmalekH6002 en zijn volkH5971krenkteH2522, door de scherpteH6310 des zwaardsH2719.Alzo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte, door de scherpte des zwaards.
KJVAnd Joshua2discomfited1Amalek4and his people6with the edge7of the sword.
1וַיַּחֲלֹ֧שׁH2522krenkte, krenktet, verzwaktdiscomfit, waste away, weaken2יְהוֹשֻׁ֛עַH3091Jozua, JosuaJehoshua, Jehoshuah, Joshua. Compare H1954 (הוֹשֵׁעַ), H3442 (יֵשׁוּעַ)3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4עֲמָלֵ֥קH6002Amalek, Amalekieten, watAmalekAmalek5וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6עַמּ֖וֹH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people7לְפִיH6310mond, monds, scherpteaccord(-ing as, -ing to), after, appointment, assent, collar, command(-ment), [idiom] eat, edge, end, entry, [phrase] file, hole, [idiom] in, mind, mouth, part, portion, [idiom] (should) say(-ing), sentence, skirt, sound, speech, [idiom] spoken, talk, tenor, [idiom] to, [phrase] two-edged, wish, word8חָֽרֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool
14Toen zeide de HEERE tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en leg het in de oren van Jozua, dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder den hemel.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14Toen zeideH559 de HEEREH3068totH413MozesH4872: SchrijfH3789ditH2063 ter gedachtenis in een boekH5612, en legH7760 het in de orenH241 van JozuaH3091, dat Ik de gedachtenis van AmalekH6002geheelH4229uitdelgenH4229 zal van onderH8478 den hemelH8064.Toen zeide de HEERE tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en leg het in de oren van Jozua, dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder den hemel.
Ook in dit vers
gedachtenisH2143
gedachtenisH2146
KJVAnd the LORD2said1unto Moses,4Write5this for a memorial7in a book,8and rehearse9it in the ears10of Joshua:11for I will utterly13put out14the remembrance16of Amalek17from under heaven.
1וַיֹּ֨אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2יְהוָ֜הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4מֹשֶׁ֗הH4872Mozes, Mozes', mozesMoses5כְּתֹ֨בH3789geschreven, schreef, beschrevendescribe, record, prescribe, subscribe, write(-ing, -ten)6זֹ֤אתH2063dit, deze, dathereby (-in, -with), it, likewise, the one (other, same), she, so (much), such (deed), that, therefore, these, this (thing), thus7זִכָּרוֹן֙H2146gedachtenis, gedachtenissen, gedenktekenmemorial, record8בַּסֵּ֔פֶרH5612boek, brieven, wetboekbill, book, evidence, [idiom] learn(-ed) (-ing), letter, register, scroll9וְשִׂ֖יםH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work10בְּאָזְנֵ֣יH241oren, oor, Oren[phrase] advertise, audience, [phrase] displease, ear, hearing, [phrase] show11יְהוֹשֻׁ֑עַH3091Jozua, JosuaJehoshua, Jehoshuah, Joshua. Compare H1954 (הוֹשֵׁעַ), H3442 (יֵשׁוּעַ)12כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet13מָחֹ֤הH4229uitgedelgd, delg, verdelgenabolish, blot out, destroy, full of marrow, put out, reach unto, [idiom] utterly, wipe (away, out)14אֶמְחֶה֙H4229uitgedelgd, delg, verdelgenabolish, blot out, destroy, full of marrow, put out, reach unto, [idiom] utterly, wipe (away, out)15אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)16זֵ֣כֶרH2143gedachtenis, gedenknaammemorial, memory, remembrance, scent17עֲמָלֵ֔קH6002Amalek, Amalekieten, watAmalekAmalek18מִתַּ֖חַתH8478onder, plaats, vooras, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with19הַשָּׁמָֽיִםH8064hemel, hemels, hemelenair, [idiom] astrologer, heaven(-s)
15En Mozes bouwde een altaar; en hij noemde deszelfs naam: De HEERE is mijn Banier!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15En MozesH4872bouwdeH1129 een altaarH4196; en hij noemdeH7121 deszelfs naamH8034: De HEERE is mijn BanierH5251!En Mozes bouwde een altaar; en hij noemde deszelfs naam: De HEERE is mijn Banier!
KJVAnd Moses2built1an altar,3and called4the name5of it Jehovahnissi:
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
16En hij zeide: Dewijl de hand op den troon des HEEREN is, zo zal de oorlog des HEEREN tegen Amalek zijn, van geslacht tot geslacht!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16En hij zeideH559: DewijlH3588 de handH3027opH5921 den troonH3676 des HEERENH3050 is, zo zal de oorlogH4421 des HEERENH3068 tegen AmalekH6002 zijn, van geslachtH1755 tot geslachtH1755!En hij zeide: Dewijl de hand op den troon des HEEREN is, zo zal de oorlog des HEEREN tegen Amalek zijn, van geslacht tot geslacht!
KJVFor he said,1Because the LORD6hath sworn3that the LORD8will have war7with Amalek9from generation10to generation.
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Exodus 17:1— Daarna toog de ganse vergadering van de kinderen Israels, naar hun dagreizen, uit de woestijn Sin, op het bevel des HEEREN, en zij legerden zich te Rafidim. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken.Exodus 19:2→Exodus 16:1→Exodus 17:8→Numeri 33:12→
Exodus 17:2— Toen twistte het volk met Mozes, en zeide: Geeft gijlieden ons water, dat wij drinken! Mozes dan zeide tot hen: Wat twist gij met mij? Waarom verzoekt gij den HEERE?Deuteronomium 6:16→Psalmen 78:41→Jesaja 7:12→1 Korinthe 10:9→Mattheüs 4:7→Psalmen 78:18→Hebreeën 3:9→Psalmen 95:9→
Exodus 17:3— Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, zo murmureerde het volk tegen Mozes, en het zeide: Waartoe hebt gij ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat gij mij, en mijn kinderen, en mijn vee, van dorst deed sterven?Exodus 16:2→Exodus 15:24→
Exodus 17:4— Zo riep Mozes tot den HEERE, zeggende: Wat zal ik dit volk doen? Er feilt niet veel aan, of zij zullen mij stenigen.Numeri 14:10→1 Samuël 30:6→Johannes 8:59→Johannes 10:31→Handelingen 14:19→Exodus 15:25→Numeri 11:11→Handelingen 7:50→
Exodus 17:5— Toen zeide de HEERE tot Mozes: Ga heen voor het aangezicht des volks, en neem met u uit de oudsten van Israel; en neem uw staf in uw hand, waarmede gij de rivier sloegt, en ga heen.Exodus 7:19→Handelingen 20:23→Ezechiël 2:6→Numeri 20:8→
Exodus 17:6— Zie, Ik zal aldaar voor uw aangezicht op den rotssteen in Horeb staan; en gij zult op den rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed alzo voor de ogen der oudsten van Israel.1 Korinthe 10:4→Psalmen 114:8→Psalmen 105:41→Nehemia 9:15→Openbaring 22:17→Johannes 7:37→Numeri 20:9→Deuteronomium 8:15→
Exodus 17:7— En hij noemde den naam dier plaats Massa en Meriba, om de twist der kinderen Israels, en omdat zij den HEERE verzocht hadden, zeggende: Is de HEERE in het midden van ons, of niet?Psalmen 81:7→Numeri 20:13→Psalmen 95:8→Deuteronomium 9:22→Hebreeën 3:8→Exodus 17:2→Numeri 20:24→Handelingen 7:37→
Exodus 17:8— Toen kwam Amalek en streed tegen Israel in Rafidim.1 Samuël 15:2→1 Samuël 30:1→Genesis 36:12→Numeri 24:20→Deuteronomium 25:17→Psalmen 83:7→Genesis 36:16→
Exodus 17:9— Mozes dan zeide tot Jozua: Kies ons mannen, en trek uit, strijd tegen Amalek; morgen zal ik op de hoogte des heuvels staan, en de staf Gods zal in mijn hand zijn.Exodus 24:13→Exodus 4:20→Exodus 4:2→Deuteronomium 32:44→Exodus 17:13→Numeri 13:16→Hebreeën 4:8→Numeri 11:28→
Exodus 17:10— Jozua nu deed, als Mozes hem gezegd had, strijdende tegen Amalek; doch Mozes, Aaron en Hur klommen op de hoogte des heuvels.Exodus 24:14→Jozua 11:15→Exodus 17:12→Johannes 2:5→Mattheüs 28:20→Exodus 31:2→Johannes 15:14→
Exodus 17:11— En het geschiedde, terwijl Mozes zijn hand ophief, zo was Israel de sterkste; maar terwijl hij zijn hand nederliet, zo was Amalek de sterkste.1 Timotheüs 2:8→Jakobus 5:16→Psalmen 56:9→Lukas 18:1→
Exodus 17:12— Doch de handen van Mozes werden zwaar; daarom namen zij een steen, en legden dien onder hem, dat hij daarop zat; en Aaron en Hur onderstutten zijn handen, de een op deze, en ander op de andere zijde; alzo waren zijn handen gewis, totdat de zon onderging.Jesaja 35:3→1 Thessalonicenzen 5:25→Kolossenzen 4:2→Filippenzen 1:19→2 Korinthe 1:11→Hebreeën 12:12→Jakobus 1:6→Mattheüs 26:40→
Exodus 17:13— Alzo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte, door de scherpte des zwaards.Jozua 10:42→Jozua 10:32→Jozua 10:37→Jozua 10:28→Jozua 11:12→
Exodus 17:14— Toen zeide de HEERE tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en leg het in de oren van Jozua, dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder den hemel.1 Samuël 30:17→Exodus 34:27→2 Samuël 8:12→1 Samuël 30:1→Numeri 24:20→Exodus 12:14→Exodus 13:9→Hagai 2:2→
Exodus 17:15— En Mozes bouwde een altaar; en hij noemde deszelfs naam: De HEERE is mijn Banier!Genesis 22:14→Psalmen 60:4→Richteren 6:24→Genesis 33:20→
Exodus 17:16— En hij zeide: Dewijl de hand op den troon des HEEREN is, zo zal de oorlog des HEEREN tegen Amalek zijn, van geslacht tot geslacht!Psalmen 21:8→Handelingen 7:49→Jesaja 66:1→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Exodus 17 vers 1— Daarna toog de ganse vergadering van de kinderen Israels, naar hun dagreizen, uit de woestijn Sin, op het bevel des HEEREN, en zij legerden zich te Rafidim. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken.
hun dagreizen,
Hun dagreizen waren dezen: van Sira tot Dofka, van Dofka tot Alus, van Alus tot Rafidim, Num. 33:12-14. Mozes verhaalt in dit hfdst. niet al de reizen, noch rustplaatsen des volks, maar die alleen, waarin wat zonderlings geschied is.
Hertaald:hun dagreizen,
Hun dagreizen waren: van Sira naar Dofka, van Dofka naar Alus, van Alus naar Rafidim, Num. 33:12-14. Mozes vermeldt in dit hoofdstuk niet alle reizen en rustplaatsen van het volk, maar alleen die waarin iets bijzonders gebeurde.
op het bevel des HEEREN,
Hebreeuws, op, of, naar den mond.
Hertaald:op het bevel des HEEREN,
Hebreeuws: op, of naar de mond.
Rafidim.
Rafidim is een plaats in de woestijn bij den berg Horeb. Dit was de elfde legerplaats.
Hertaald:Rafidim.
Rafidim is een plaats in de woestijn bij de berg Horeb. Dit was de elfde legerplaats.
Exodus 17 vers 2— Toen twistte het volk met Mozes, en zeide: Geeft gijlieden ons water, dat wij drinken! Mozes dan zeide tot hen: Wat twist gij met mij? Waarom verzoekt gij den HEERE?
gijlieden ons water,
Te weten, gij Mozes en Aäron.
Hertaald:gijlieden ons water,
Namelijk: u, Mozes en Aäron.
verzoekt gij den HEERE?
Te weten, door uw ongelovigheid, want zij twijfelden of ook de HEERE bij hen was, vs.7, hetwelk zij wilden, dat Hij door mirakelen zou doen blijken. Dit is God verzoeken; Ps. 78:18; Matt. 16:1.
Hertaald:verzoekt gij den HEERE?
Namelijk: door uw ongeloof, want zij twijfelden of de HEERE wel bij hen was, vers 7, en wilden dat Hij dit door wonderen zou bewijzen. Dit is God verzoeken; Ps. 78:18; Matt. 16:1.
Exodus 17 vers 3— Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, zo murmureerde het volk tegen Mozes, en het zeide: Waartoe hebt gij ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat gij mij, en mijn kinderen, en mijn vee, van dorst deed sterven?
het volk tegen Mozes,
Niet al het volk, maar enige boze mensen.
Hertaald:het volk tegen Mozes,
Niet het hele volk, maar enkele kwaadwillige mensen.
Exodus 17 vers 4— Zo riep Mozes tot den HEERE, zeggende: Wat zal ik dit volk doen? Er feilt niet veel aan, of zij zullen mij stenigen.
feilt niet veel aan,
Hebreeuws, nog een weinigje, en zij zullen mij stenigen. Met dergelijke woorden bedreigden zij Mozes ook, Num. 14:10.
Hertaald:feilt niet veel aan,
Hebreeuws: nog een klein beetje, en zij zullen mij stenigen. Met soortgelijke woorden bedreigden zij Mozes ook in Num. 14:10.
Exodus 17 vers 5— Toen zeide de HEERE tot Mozes: Ga heen voor het aangezicht des volks, en neem met u uit de oudsten van Israel; en neem uw staf in uw hand, waarmede gij de rivier sloegt, en ga heen.
Ga heen voor het aangezicht des volks,
Te weten, naar den berg Horeb.
Hertaald:Ga heen voor het aangezicht des volks,
Namelijk: naar de berg Horeb.
uit de oudsten van Israël;
Opdat zij getuigen mogen zijn van hetgeen er geschieden zal.
Hertaald:uit de oudsten van Israël;
Opdat zij getuige zouden zijn van wat er gebeuren zou.
waarmede gij de rivier sloegt,
Dat is, waarmede gij Aäron geboden hebt te slaan.
Hertaald:waarmede gij de rivier sloegt,
Dat is: waarmee u Aäron bevolen hebt te slaan.
Exodus 17 vers 7— En hij noemde den naam dier plaats Massa en Meriba, om de twist der kinderen Israels, en omdat zij den HEERE verzocht hadden, zeggende: Is de HEERE in het midden van ons, of niet?
Massa
Dat is, verzoeking.
Hertaald:Massa
Dat is: verzoeking.
Meriba,
Dat is, twist. Zie van een ander Meriba, Num. 20:13.
Hertaald:Meriba,
Dat is: twist. Zie voor een ander Meriba Num. 20:13.
Exodus 17 vers 8— Toen kwam Amalek en streed tegen Israel in Rafidim.
Amalek
Dat is, de Amalekieten, de nakomelingen van Ezau, den broeder van Jakob, Gen. 36:15-16. Hetgeen hier verhaald wordt, is geschied toen Mozes met de Israëlieten op den weg naar Horeb trok. Zie Deut. 25:17-18.
Hertaald:Amalek
Dat is: de Amalekieten, de nakomelingen van Ezau, de broer van Jakob, Gen. 36:15-16. Wat hier verteld wordt, gebeurde toen Mozes met de Israëlieten onderweg was naar Horeb. Zie Deut. 25:17-18.
tegen Israël in Rafidim.
Dat is, tegen de Israëlieten.
Hertaald:tegen Israël in Rafidim.
Dat is: tegen de Israëlieten.
Exodus 17 vers 9— Mozes dan zeide tot Jozua: Kies ons mannen, en trek uit, strijd tegen Amalek; morgen zal ik op de hoogte des heuvels staan, en de staf Gods zal in mijn hand zijn.
hoogte des heuvels staan,
Hebreeuws, hoofd.
Hertaald:hoogte des heuvels staan,
Hebreeuws: hoofd.
de staf Gods zal in mijn hand zijn
Dat is, de staf, waarmede God grote wonderen gedaan heeft.
Hertaald:de staf Gods zal in mijn hand zijn
Dat is: de staf waarmee God grote wonderen gedaan heeft.
Exodus 17 vers 10— Jozua nu deed, als Mozes hem gezegd had, strijdende tegen Amalek; doch Mozes, Aaron en Hur klommen op de hoogte des heuvels.
Hur
Deze Hur is te onderscheiden van Hur, die de vader was van Bezaleël, en de zoon van Kaleb, 1 Kron. 2:19.
Hertaald:Hur
Deze Hur moet onderscheiden worden van de Hur die de vader van Bezaleël en de zoon van Kaleb was, 1 Kron. 2:19.
Exodus 17 vers 12— Doch de handen van Mozes werden zwaar; daarom namen zij een steen, en legden dien onder hem, dat hij daarop zat; en Aaron en Hur onderstutten zijn handen, de een op deze, en ander op de andere zijde; alzo waren zijn handen gewis, totdat de zon onderging.
de een op deze, en de ander op de andere zijde;
Hebreeuws, van hier een, en van daar een.
Hertaald:de een op deze, en de ander op de andere zijde;
Hebreeuws: van hier één, en van daar één.
Exodus 17 vers 13— Alzo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte, door de scherpte des zwaards.
Amalek en zijn volk
Het schijnt, dat men hier door Amalek moet verstaan den koning of overste, en door zijn volk het leger. Anderen verstaan door Amalek de Amalekieten, en door zijn volk de natiën, die hem te hulp gekomen waren.
Hertaald:Amalek en zijn volk
Het lijkt erop dat men hier onder Amalek de koning of vorst moet verstaan, en onder zijn volk het leger. Anderen verstaan onder Amalek de Amalekieten, en onder zijn volk de volken die hem te hulp gekomen waren.
krenkte,
Of, verzwakte, verbrak.
Hertaald:krenkte,
Of: verzwakte, versloeg.
scherpte des zwaards
Hebreeuws, mond.
Hertaald:scherpte des zwaards
Hebreeuws: mond.
Exodus 17 vers 14— Toen zeide de HEERE tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en leg het in de oren van Jozua, dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder den hemel.
in een boek,
Te weten, waarin gij de historiën der Israëlieten zult beschrijven.
Hertaald:in een boek,
Namelijk: waarin u de geschiedenis van de Israëlieten zult beschrijven.
en leg het in de oren van Jozua,
Dat is, scherp het Jozua uw navolger en druk hem het wel in.
Hertaald:en leg het in de oren van Jozua,
Dat is: prent het je opvolger Jozua goed in.
geheel uitdelgen zal
Hebreeuws, uitdelgende zal uitdelgen.
Hertaald:geheel uitdelgen zal
Hebreeuws: uitroeiend zal Ik uitroeien.
van onder den hemel
Dat is, overal, zover zich de hemel uitstrekt.
Hertaald:van onder den hemel
Dat is: overal, zover de hemel zich uitstrekt.
Exodus 17 vers 15— En Mozes bouwde een altaar; en hij noemde deszelfs naam: De HEERE is mijn Banier!
De HEERE is mijn Banier!
Hebreeuws, Jehova Nissi. Aldus heeft Mozes dit altaar genoemd ter gedachtenis van de victorie over Amalek.
Hertaald:De HEERE is mijn Banier!
Hebreeuws: Jehova Nissi. Zo heeft Mozes dit altaar genoemd ter herinnering aan de overwinning op Amalek.
Exodus 17 vers 16— En hij zeide: Dewijl de hand op den troon des HEEREN is, zo zal de oorlog des HEEREN tegen Amalek zijn, van geslacht tot geslacht!
de hand op den troon des HEEREN is,
Versta, de hand Gods, dat is, zijn macht, die Hij van den hemel [als zijnde zijn troon] uitstrekt tot bescherming van zijn volk, en demping van zijn vijanden. Men kan ook door den troon verstaan de kerk Gods. Sommigen leggen het uit van Gods eedzweren. Anders, dewijl de hand [Amaleks] tegen den troon des Heeren is; dat is, tegen hem en zijn volk geweest is. De plaats is wat duister.
Hertaald:de hand op den troon des HEEREN is,
Versta hieronder: de hand van God, dat wil zeggen: Zijn macht, die Hij vanuit de hemel [als Zijn troon] uitstrekt om Zijn volk te beschermen en Zijn vijanden te bedwingen. Men kan onder de troon ook de kerk van God verstaan. Sommigen leggen het uit als Gods eedzwering. Ook mogelijk: omdat de hand [van Amalek] tegen de troon van de HEERE was, dat wil zeggen: tegen Hem en Zijn volk gericht was. Deze plaats is enigszins onduidelijk.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Mozes — getrokken, uitgetrokken
Het kind van een Levitisch echtpaar (later genoemd Amram en Jochebed, Ex. 6:20), dat na drie maanden verborgen te zijn geweest in een biezen kistje op de Nijl gelegd werd en door de dochter van Farao gevonden en opgevoed werd; zij gaf hem deze naam 'want ik heb hem uit het water getrokken' (Ex. 2:10). Later, na de doodslag op een Egyptenaar, vluchtte hij naar Midian; van daaruit riep de HEERE hem bij de brandende braambos om Zijn volk uit Egypte te leiden (Ex. 3). Hij is de grote leidsman en wetgever van Israël, en een van de duidelijkste voorafbeeldingen van Christus als Middelaar.
Aäron — bergbewoner, of: verlichter
De oudere broer van Mozes, drie jaar vóór hem geboren uit Amram en Jochebed (Ex. 6:20). Toen Mozes zich niet welbespraakt genoeg achtte, stelde de HEERE Aäron aan om voor hem tot het volk en tot Farao te spreken, 'hij zal u tot een mond zijn' (Ex. 4:14-16). Later zou hij de eerste hogepriester van Israël worden.
Jozua — de HEERE is hulp (oorspronkelijk: Hosea, 'hulp')
Hier voor het eerst genoemd als de man die Mozes aanstelde om tegen Amalek te strijden bij Rafidim, terwijl Mozes op de heuvel met de staf Gods zijn handen ophief in gebed (Ex. 17:9-13). Hij was Mozes' persoonlijke dienaar en zou later, als zijn opvolger, Israël het beloofde land binnenleiden. Zijn naam werd later veranderd van Hoséa ('hulp') in Jozua ('de HEERE is hulp'), zie Num. 13:16.
Hur — vrijheid, of: blankheid
Samen met Aäron ondersteunde hij de handen van Mozes op de heuvel tijdens de strijd tegen Amalek, totdat de zon onderging (Ex. 17:10, 12). Later, toen Mozes de berg Sinaï opklom, liet hij Aäron en Hur als leiders bij het volk achter (Ex. 24:14). Volgens de overlevering was hij de man van Mirjam en de grootvader van Bezaleël, de kunstenaar van de tabernakel (Ex. 31:2).
Bijbelse PlaatsenPlaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Horeb (Sinai) — Horeb: waarschijnlijk "woestenij, dorre plaats"; Sinai: onzeker, mogelijk verwant aan een wortel die "schijnen, blinken" betekent
Ligging: "De berg Gods", op het Sinaïtisch schiereiland; van oudsher, al sinds de vierde eeuw na Christus, geïdentificeerd met Djebel Moesa ("berg van Mozes", ruim 2.200 meter hoog), gelegen in het granietmassief van et-Toer, met de vlakte er-Rachah aan de voet ervan als natuurlijk legerkamp, en met een rijke, voor de Sinaïwoestijn ongewoon overvloedige watervoorziening uit verscheidene bronnen en beken.
Geschiedenis: Hierheen bracht Mozes de kudden van zijn schoonvader Jethro, toen de HEERE hem in een brandende doornstruik verscheen die niet verteerd werd, hem tot zijn zending riep en Zijn Naam bekendmaakte: "Ik ben Die Ik ben" (Ex. 3). Dezelfde berg zou later, onder de naam Sinai, de plaats zijn waar de HEERE Zijn volk de Wet gaf (Ex. 19-20); Horeb en Sinai worden in de Schrift door elkaar gebruikt voor dezelfde berg (Horeb overwegend in Deuteronomium, Sinai overwegend in de overige boeken van de Pentateuch). Ook Elia zocht hier later, in tijd van vervolging, zijn toevlucht en ontving er de openbaring van de zachte stilte (1 Kon. 19).
Bijbelse betekenis: De berg van Gods openbaring bij uitstek in het Oude Testament — waar Hij Zich eerst aan Mozes bekendmaakte als de eeuwig Zijnde, en later aan geheel Israël als de Wetgever van het verbond.
Recente inzichten: Over de exacte identificatie van de berg bestaat, ondanks de eeuwenoude en breed aanvaarde traditie rond Djebel Moesa, onder geleerden geen volledige eenstemmigheid; enkele alternatieve locaties zijn voorgesteld (zoals Djebel Serbal, verder naar het westen), maar deze stuiten volgens ISBE op ernstige praktische bezwaren (te weinig water en weidegrond voor de grote menigte van Israël) en worden niet algemeen aanvaard.
Rafidim — Hebreeuws voor "rustplaatsen" of "steunpunten"
Ligging: Gelegen tussen de woestijn Sin en de woestijn Sinai; vermoedelijk het huidige Wadi Feiran, het vruchtbaarste deel van het schiereiland, rijk aan water en met een palmbosje dat zich mijlenver door het dal uitstrekt.
Geschiedenis: Hier vond het volk geen water en morde het opnieuw tegen Mozes; op Gods bevel sloeg Mozes met zijn staf op de rots in Horeb, waaruit water te voorschijn kwam (Ex. 17:1-7; zie verder bij Massa en Meriba). Hier ook streed Israël, onder aanvoering van Jozua, voor het eerst tegen de Amalekieten, terwijl Mozes met opgeheven handen — ondersteund door Aäron en Hur — op de heuvel toezag (Ex. 17:8-16).
Bijbelse betekenis: De plaats van zowel wonderlijke voorziening (water uit de rots) als de eerste gewapende strijd van het pas verloste volk — een les dat de weg naar het beloofde land niet alleen door voorziening, maar ook door strijd zou gaan, met de opgeheven handen van voorbede als sleutel tot de overwinning.
Ex. 17:1-16; 19:2; Num. 33:14-15
Massa en Meriba — Massa: Hebreeuws voor "verzoeking, beproeving"; Meriba: "twist, aanmerking" — de dubbele naam die Mozes aan de plaats gaf, "om de twisting der kinderen Israëls, en omdat zij den HEERE verzocht hadden" (Ex. 17:7)
Ligging: De naam voor de specifieke plek bij Rafidim waar de rots geslagen werd; niet een afzonderlijke locatie, maar dezelfde plaats onder een andere naam.
Geschiedenis: Hier morde het volk zo hevig over het gebrek aan water dat zij gereed stonden Mozes te stenigen; op des HEEREN bevel sloeg Mozes de rots in Horeb met zijn staf, waarna er water uitkwam voor het hele volk (Ex. 17:1-7). Deze geschiedenis wordt later herhaaldelijk als waarschuwend voorbeeld aangehaald (Ps. 95:8-9; Hebr. 3:8-9) — te onderscheiden van een vergelijkbare, latere geschiedenis bij Kades, veertig jaar later, waar Mozes eveneens zondigde door de rots te slaan in plaats van tot haar te spreken (Num. 20).
Bijbelse betekenis: Een van de meest aangehaalde voorbeelden in de Schrift van Israëls hardnekkig ongeloof, en tegelijk van Gods geduldige voorziening zelfs temidden van dat ongeloof — een blijvende waarschuwing om het hart niet te verharden, "gelijk het geschiedde in de verbittering, ten dage der verzoeking, in de woestijn" (Hebr. 3:8).
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Rots (in de woestijn)
Toen het volk in de woestijn Rafidim gebrek aan water had en tegen Mozes murmureerde, gebood de HEERE hem met zijn staf op de rots bij Horeb te slaan; er kwam water uit, genoeg voor het hele volk (Ex. 17:1-7). Later, in Numeri 20, moest Mozes tot een andere rots spreken in plaats van slaan — en werd zelf gestraft omdat hij ook toen sloeg.
Bijbelse betekenis: Het water uit een dorre, harde rots, op Gods bevel tevoorschijn gekomen, is een sprekend beeld van Gods onverwachte, overvloedige voorziening te midden van de dorheid en het gemor van Zijn volk. Dat water kwam niet als beloning voor hun geloof, maar ondanks hun ongeloof.
Typologie: Paulus schrijft over deze geschiedenis: "zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus" (1 Kor. 10:4) — de eenmaal geslagen Rots (vgl. Christus eenmaal gekruisigd) geeft levend water aan wie erop terugziet, zoals Hij Zelf zei: "Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke" (Joh. 7:37).
Christus in dit hoofdstukHeenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De verlossing en de losserniveau 1Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toefunctie
Water uit de geslagen rots — 17:1-7
Opnieuw in de woestijn, opnieuw een tekort. Het volk twist met Mozes en verzoekt de HEERE met de vraag of Hij wel in hun midden is.
God gaat op de rots staan, de rots wordt geslagen, en er komt water waar het volk van drinkt.
Het opvallende staat in het bevel: Ik zal aldaar voor uw aangezicht op den rotssteen in Horeb staan, en gij zult op den rotssteen slaan. De slag treft de plaats waar God staat, en daaruit komt het water waarvan het morrende volk drinkt. Paulus schrijft dat de vaderen allen dezelfde geestelijke drank dronken, want zij dronken uit de geestelijke steenrots die volgde, en die steenrots was Christus. Dat is geen latere vondst maar de uitleg van een apostel. Het is bovendien veelzeggend dat Mozes later, wanneer God zegt dat hij tot de rots spreken moet, er alsnog op slaat — en dat hem dat het land kost; de rots hoefde maar eenmaal geslagen te worden.
Exodus 17:6 — Ik zal op den rotssteen staan; sla erop, en er zal water uitgaan.
Numeri 20:11 — Later slaat Mozes de rots tweemaal, en dat kost hem het land.
Psalm 78:15 — De psalm bezingt het water uit de steenrots.
1 Korinthe 10:4 — Die steenrots was Christus.
Johannes 7:37 — Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.
In het Nieuwe Testament: 1 Korinthe 10:4; Johannes 7:37-38; Johannes 19:34; Numeri 20:8-12
De opgeheven handen op de heuvel — 17:8-13
De eerste vijand na de uittocht. Israël is nauwelijks een volk en heeft geen leger van betekenis; Amalek valt de achterhoede aan.
Terwijl Jozua beneden strijdt, staat Mozes boven met opgeheven handen, en de uitkomst hangt aan die handen.
Zolang Mozes zijn hand ophief was Israël de sterkste, en zodra hij haar liet zakken werd Amalek de sterkste. Aäron en Hur ondersteunen zijn handen tot de zon ondergaat. De geschiedenis laat zien dat de overwinning beneden hangt aan de voorbede boven — een gedachte die door de Schrift heen versterkt wordt, want de hogepriester draagt de namen van het volk op zijn hart en Christus leeft altijd om voor hen te bidden. Toch moet dit voorzichtig gelezen worden: Mozes is hier geen priester, en de tekst legt de verbinding niet zelf.
Exodus 17:11 — Zolang Mozes zijn hand ophief, was Israël de sterkste.
Exodus 17:12 — Aäron en Hur ondersteunen zijn handen tot de zon onderging.
Romeinen 8:34 — Christus is aan Gods rechterhand en bidt voor ons.
Hebreeën 7:25 — Hij leeft altijd om voor hen te bidden.
1 Johannes 2:1 — Wij hebben een Voorspraak bij den Vader.
In het Nieuwe Testament: Hebreeën 7:25; Romeinen 8:34; 1 Johannes 2:1
Hoever dit reikt: Uitdrukkelijk niveau 4. Dat de opgeheven handen op de voorbede zien, is een oude en passende toepassing, maar de Schrift zegt het hier niet en Mozes bekleedde op dat moment geen priesterlijk ambt.
Wat betekenen de niveaus?
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe
niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen
niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding
niveau 4 Mogelijke toepassing, niet de zekere betekenis van de tekst
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt.
Exodus 17:8.Kruisverwijzingen1 Samuël 15:2→1 Samuël 30:1→Genesis 36:12→Numeri 24:20→Deuteronomium 25:17→Psalmen 83:7→Genesis 36:16→ — Toen kwam Amalek en streed tegen Israel in Rafidim. Enerzijds was deze aanval op Israël de grote zonde van Amalek, waardoor dit volk was bestemd om uitgeroeid te worden (vers 14). Anderzijds was deze aanval ook een gevolg van de zonde van Israël. Het is veelzeggend dat dit gebeurde na de twist bij Massa en Meriba. Hieruit leren wij dat vervolging over ons kan komen door toedoen van goddeloze mensen, die handelen vanuit hun eigen verdorvenheid. Tegelijkertijd kan zij ook een gevolg zijn van onze eigen zonde. Omdat wij hebben gezondigd, wordt het hun toegestaan, ja zelfs opgedragen, ons leed te berokkenen.
Wanneer wij Gods waarheid proberen te begrijpen, lopen wij groot gevaar eenzijdig te worden. De meeste waarheden van Gods Woord hebben twee kanten, en het is goed beide te leren zien. Bijna iedere leer in de Heilige Schrift wordt in evenwicht gehouden door een andere leer. Veel van de meningsverschillen onder Gods volk zijn ontstaan doordat men één aspect van de waarheid te sterk heeft benadrukt en het andere vrijwel geheel heeft verwaarloosd. Sommigen zien bijvoorbeeld de soevereiniteit van God en raken zo in beslag genomen door die verheven waarheid, dat zij de verantwoordelijkheid van de mens ontkennen. Zij houden vast aan de leer die zij kennen en bestrijden de leer die zij niet kennen.
Anderen zien de algemene nodiging van het Evangelie en sporen met een ruim hart alle mensen aan zich tot God te bekeren en te leven. Maar zij hebben geen oog voor het bijzondere karakter van Christus’ verlossingswerk en verstaan daarom Gods eeuwige voornemen niet om Zijn uitverkoren volk te zaligen. Wie zich door slechts een halve waarheid laat leiden, is als iemand die met één schoen aan door de woestijn trekt. Hij wordt kreupel aan één voet en hinkt daardoor zijn hele weg. Het maakt niet uit welke voet kreupel is; zodra één voet zo is aangetast, loopt de hele mens mank.
DE KINDEREN VAN ISRAEL WORDEN UIT EEN ROTS GEDRENKT EN OVERWINNEN AMALEK.
I. Exodus 17 vers 1-7
Te Rafidim, waar de kinderen van Israël, na enige dagreizen van de woestijn Sin af, gekomen zijn, ontbreekt water. Het volk twist met Mozes en werpt hem opnieuw voor, dat hij het alleen daarom uit Egypte gevoerd heeft, om het in de woestijn te laten omkomen; de Heere roept Mozes met enige oudsten op een berg, laat hem daar op een rots slaan, en deze geeft overvloedig water. (Massa en Meriba).
1. Daarna, na een oponthoud van 5 of 6 dagen, toog de gehele vergadering van de kinderen van Israël, naar hun dagreizen, uit de woestijn Sin, in het noordwestelijkgedeelte waarvan zij (hoofdstuk 16:1) geweest waren, op het bevel van de HEERE, zoals Hij hen leidde door de wolkkolom. Volgens deze leiding wendde zij zich eerst zuidoostelijk naar Dofka, het tegenwoordige Wady-Seih, vervolgens zuidoostelijk naar Alus (Numeri. 33:12 vv.) aan de mond van de Wady Akir, en zij legerden zich na deze tocht, op welke niets bijzonder voorviel, te Rafidim, 1)in het dal es-Scheikh. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken.
1) De enige, voor het gehele volk begaanbare, weg uit de zandvlakte er-Ramleh naar Horeb of Sinaï gaat door het grote dal es-Scheikh, hetwelk door de meeste geleerden voor de legerplaats Rafidim gehouden wordt. Het heeft zijn naam van het grafteken van een heilig verklaarde Arabische sjeik, dat zich in het zuidoostelijk deel daarvan bevindt; het strekt zich in een uitgebreidheid van ongeveer tien uur om de Plataeus van Orfan en Fureia uit, die het noordelijke voorgebergte van de Horeb uitmaken; in het midden is het tegenwoordig rijkelijk van water voorzien, en op zijn vele weilanden met een menigte van Tarfabomen bezet, waardoor het de plaats is, waar tegenwoordig het meeste manna gevonden wordt. Het punt, waar Israël geen water vond, is waarschijnlijk te zoeken, waar het dal zich van de zuidoostelijke richting naar het zuiden begint te wenden. Niet verre van daar tonen de Bedoeïenen een rotsblok, dat vijf voet hoog is, en een voortreffelijke natuurlijke stoel vormt. Deze wordt door de Mokad Seida Musa (zetel van onze meester Mozes) genoemd, en is zeer waarschijnlijk de standplaats van Mozes geweest, gedurende de strijd tegen Amalek (vs.8 vv.). Van hier reikt het oog over de beide zijden van het dal. Enigszins oostelijk van daar ligt Bir Musa (Mozes-bron)
2. Toen twistte, 1) het volk met Mozes, en zei: Geeft gij, gij en uw broeder Aäron, ons water, dat wij drinken! Gij behoort voor alles te zorgen; Mozes dan zei tot hen: Wat twist gij met mij. Waarom verzoekt2) gij nu van uw zijde uw HEERE.
1) Hier ontdekt zich hun goddeloosheid tegen God, omdat zij, na Hem de rug toegekeerd en verlaten te hebben, met Mozes oorlog beginnen te voeren; tevens ook hun slechtheid en onmenselijkheid, omdat zij, zo vele weldaden niet gedenkende, op heftige wijze tegen Mozes opstaan. Zij wisten toch, dat geen bronnen of rivieren door een sterfelijk mens konden tevoorschijn geroepen worden. Waarom twisten zij dan met hem, en roepen zij God niet onmiddellijk aan, in wiens hand de wateren, evenals de overige elementen, zijn? Indien er althans bij hen een greintje geloof was geweest, zouden zij zich tot Hem in het gebed gewend hebben.
In het Hebreeuws Wajareb, “twistte,” in de zin van, met heftige gebaren tegen iemand spreken, waaruit een vijandige stemming openbaar wordt. Hieruit leert men de geaardheid van het volk kennen. Nauwelijks zijn zij toch te Rafidim aangekomen, nauwelijks is er gebrek aan water, of bijna dreigt men Mozes te stenigen, en zet zich aldus in vijandige houding tegenover God, hun Heer en Leidsman.
2) Verzoeken, in de zin van, ongelovig twijfelen aan de hulp van de Heere. Waarin dat verzoeken bestond, wordt in vs.3 nader aangeduid, waaruit duidelijk die ongelovige twijfeling spreekt.
3. Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, en ondanks de vriendelijke toespraak en ernstige vermaning van Mozes, alleen aan de dorst dacht en vervulling van die behoefte wilde, zo mopperde het volk nog meer tegen Mozes, en het zei, weer evenals toen het aan brood gebrek had (hoofdstuk 16:2,3): Waartoe hebt gij ons uit Egypte doen optrekken, opdat gij mij, en mijn kinderen, en mijn vee, van dorst deed sterven; 1) en daarbij gaven zij tekenen alsof zij hem wilden doden (vs.4).
1) De bron van het gehele kwaad was ongeloof, omdat zij noch de rechtmatige lof aan de macht van God toedeelden, noch in waarheid geloofden aan Zijn belofte. Want Hij had de zorg over hen op zich genomen, en beloofd, dat hun nooit iets zou ontbreken. Waarom geloven zij dan niet, toen de zaak aldus geschapen stond, dat Hij hun nabij zou zijn, tenzij dat zij zowel van Zijn Macht als van Zijn Trouw geringe gedachte hadden?.
Wederom spartelt de buik. De goede Mozes heeft een moeilijk, verdrietelijk ambt gehad, dat hij zulk een onwillig, hardnekkig, halsstarrig volk heeft moeten regeren; hij heeft het gevoeld, dat hij bijna ieder uur in groot levensgevaar stond, want hij heeft altijd moeten vrezen, dat zij zouden komen en hem doden. Maar zo gaat het de Christenen; zij moeten voor weldaden, schande, schade, nadeel en ondankbaarheid inoogsten.
Wij zouden het natuurlijk vinden, wanneer Mozes zijn staf had neergelegd, wanneer hij weer naar Horeb gegaan was, om daar de meer stille en gehoorzame kudde te weiden, wanneer hij deze verkeerde, dolle mensen hun eigen wegen had laten gaan. Maar hij ging niet, en, mocht hij dikwijls ook zijn leven moe zijn, zijn liefde werd niet koud, zijn geduld werd niet uitgeput, zijn ijver verflauwde niet. Dit arme volk was hem toch door zijn Heere aan het hart gelegd en op de ziel gebonden, en al was het ook zulk een liefde niet waard, zo droeg hij het toch, gedachtig aan de liefde van zijn Heer, die besloten had het te verlossen.
4. Zo riep Mozes, gelijk altijd, wanneer hij aangevochten werd (hoofdstuk 5:22; 14:15; 15:25; 16:4) tot de HEERE, zeggende: Wat zal Ik dit volk doen? 1) Er scheelt niet veel, of zij zullen mij stenigen! Zij staan op het punt, om dit te doen. (Numeri. 14:10).
1) In de benauwdheid van zijn hart roept Mozes tot de Heere, vraagt Hem om raad, bindt Hem niet aan deze of gene weg, maar geeft zich geheel aan Hem over, stelt zich met vertrouwen in Zijn handen. Hoogstwaarschijnlijk was Mozes op dat ogenblik buiten de legerplaats het volk ontvlucht. Dit is toch op te maken uit het volgende vers, waar de Heere Mozes gebiedt, om weer naar het leger te gaan.
5. Toen zei de HEERE tot Mozes: Vrees niet en ontwijk niet, maar ga onverschrokken, zonder enige siddering of ontroering, heen voor het aangezicht 1) van het volkdoor het leger, en neem met u uit de oudsten 2) van Israël, opdat zij getuigen zijn van hetgeen geschieden zal; en neem uw staf3) in uw hand, a) waarmee gij de rivier, de Nijl, voor farao sloeg, en de overige tekenen voor Israël deed, en ga heen naar de plaats in het gebergte, waarheen u de wolkkolom zal voorgaan.
a) Exodus. 7:20
1) “Voor het aangezicht,” d.i. voor de ogen van het volk. De Heere wil zijn knecht voor de ogen van het gehele volk verheerlijken, in tegenwoordigheid van de oudsten als getuigen van hetgeen geschieden zou.
2) De oudsten zijn hier de hoofden van de vaderlijke huizen.
3) De staf was het teken van zijn goddelijke zending. Als vluchteling was hij voor God verschenen, omdat Israël hem dreigde te stenigen. Hiermee stelt God hem weer volkomen in het ambt.
6. a) Zie, Ik zal aldaar voor uw aangezicht op de rotssteen in Horeb staan; 1)en gij zult, in vertrouwen op Mijn almacht, die Ik zo dikwijls aan uw staf verbonden heb, en die in de wolkkolom, het teken van Mijn tegenwoordigheid, u werkzaam nabij is, op de rotsteen van het voorgebergte van Horeb slaan, zo zal er water als uit een rijk vloeiende bron, uitgaan, opdat het volk drinkt. 2) Mozes nu deed alzo voor de ogen van de oudsten van Israël. Hij sloeg met zijn staf de rots, waarop de wolkkolom zich plaatste, en toen er nu werkelijk water uitvloeide, liet hij het volk door de oudsten tot de, door de Heere zo wonderbaar geopende, rotsbron leiden.
a) Numeri. 20:9 Psalm. 78:15; 114:8; 1 Kor.10:4.
1) Dat God hem aankondigt, dat Hij op de rots zal staan, dient om bij hem de twijfel weg te nemen, opdat Mozes, ten opzichte van de uitkomst, niet in angst of twijfel zou verkeren, omdat anders het slaan op de rotssteen zonder gevolg en nutteloos zou zijn. Daarom wordt Mozes tot vertrouwen aangespoord, omdat God, wie hij, in gehoorzaam geloof, als zijn leidsman volgt, door Zijn hand zijn kracht zou tentoon spreiden, opdat niets vruchteloos of zonder gevolg zou geschieden.
God, de Heere, zou Mozes tot een Helper zijn. Hij zou het water uit de rotssteen doen stromen, maar voor de ogen van de oudsten zou Mozes ook hier weer het instrument in de hand van de Heere zijn. De Heere zou in de wolkkolom zich stellen voor Mozes aangezicht, en ten aanschouwe van de oudsten, opdat het duidelijk zichtbaar werd, dat door Gods wonderkracht, het water uit de rotssteen tevoorschijn kwam.
2) Evenals de heerlijkheid des Heeren in de woestijn Sin, wegens de weerspannigheid van het volk, niet in het leger verscheen (hoofdstuk 16:10), zo wordt ook nu de hulp buiten het leger door de onmiddellijke tegenwoordigheid van Jehova bewerkt; niet het gehele volk zal getuige van het wonder zijn, tot straf voor zijn lasterend ongeloof, wel echter zullen enige uitverkoren oudsten met hun ogen zien, dat de Heere onder Israël is, en ook de natuur van de harde, dorre rots kan veranderen, dat Hij water geeft in stromen. De oudsten zullen het hierna aan het ongelovige volk betuigen, dat de rots vantevoren geen water heeft gehad, en Mozes geen spiegelgevecht geleverd heeft; waarvan bijv. Tacitus (Hist. 5:3) en vele andere van de nieuwe uitleggers hem beschuldigen. Vergelijk de wezenlijk van deze verschillende gebeurtenis. (Numeri. 20:1-13).
De steenrots was Christus niet in substantie, maar in betekenis.
Niet alleen ontsprong er uit de steenrots een overvloed van water zoveel als nodig was, om de dorst van de Israëlieten te lessen, maar de vloeden volgden hen, waarheen zij ook in de woestijn reisden. Alzo brengt ook de overvloed van de genade, die in Christus is, teweeg, dat onze beker overvloeiende is, en dat het goede en de weldadigheid ons volgen al de dagen van ons leven (Psalm. 23:5,6)
De woestijn heeft zijn afwatering naar de Dode Zee. De stroom kan dus door de bergkloven heen vloeien tot in de woestijn Paran.
God opent fonteinen tot lessing van de dorst, waar de gelovigen, het geestelijk Israël, het niet verwachten. Gelijk Israël door het water uit de rotssteen gelaafd werd, zo zal de Heere al Zijn gelovigen laven uit de volheid van de genade, die in Christus, de geestelijke rotssteen, is.
7. En hij noemde de naam van die plaats, bij het wegtrekken van daar (hoofdstuk 19:2) Massa (verzoeking) en Meriba 1) (twist) om de twist van de kinderen van Israël met Mozes (vs.2), en omdat zij de HEERE verzocht hadden, zeggende: Is de HEERE in het midden van ons, of niet? Wij zullen het niet eerder geloven, dat Hij nog onder ons is, dan Hij het metterdaad bewezen en ons water gegeven heeft.
1) Ieder heeft hier en daar zijn Massa en Meriba, waar hij tegen de wegen van de Heere opgestaan is, over Zijn leidingen gemopperd, tegen Zijn woord zich verzet, Zijn genade veracht, Zijn geduld en Zijn lankmoedigheid verzocht, waar hij in ongeloof gevraagd heeft: “Is de Heere bij mij of niet?” Mocht echter ook ieder de geestelijke rots met haar altijd vloeiende water kennen, waarvan de apostel Paulus 1 Corinthiers. 10:4) spreekt, en daaruit de zegen drinken voor alle schade aan zijn ziel.
Massa betekent verzoeking, en Meriba terging. De eerste naam gaf Mozes aan die plaats, omdat Israël door haar zonde God verzocht had, en de tweede, om de bittere twist van het volk tegen hem en de Heere. Hoogstwaarschijnlijk heeft de Heere Mozes bevolen die plaats aldus te noemen, om Israël voortdurend aan zijn zonde te herinneren, dat het met de vuur- en wolkkolom in zijn midden, d.i. met de Engel van het Verbond, ja, met de Heere zelf, nog durfde vragen: Is de Heere in het midden van ons of niet, omdat dit geen kleingeloof, maar ongeloof van hart was.
De vraag: “Is de Heer bij mij of niet?” ik erken het, komt dikwijls in het hart op, als wij het Egypte van de zonde hebben verlaten en onlangs onze eerste lofzang, de lofzang van de bevrijding zongen; doch het is evenals Israëls vraag een opstaan tegen God, waartegen te strijden is. Israëls voorbeeld is niet, opdat wij het zouden navolgen, maar opdat wij, door hen geleerd, zouden waken tegen het ongeloof. Men acht die vraag dikwijls voor een kenmerk van ware bekering; alsof ongeloof een bewijs van geloof, twijfel een teken van waarheid kon zijn. Men brengt dikwijls zelf die jeugdige zielen van Elim naar Massa en Meriba, en dwingt ze die vraag af; maar hoe goed men het ook meent, er wordt een duivels werk verricht. Oh, zo de Heer niet zo getrouw was, om ondanks dat twisten met Hem en dat verdenken van Zijn liefde, al is het met de tekens van Zijn afkeuring, bij Zijn volk te blijven, hoe zou door ons eigen ongeloof en door het onverstand van mensen de ziel in de afgrond worden gestoten! Christus is de fontein van het levende water, die altijd overvloedig geeft. Kleingelovigen richt niet het oog op uzelf, maar op Hem! Sluit het niet voor de eeuwige stroom, om met gesloten ogen bij hem te klagen: “Er is geen water;” met de engel van het verbond in het midden te vragen: “Is de Heer bij mij of niet?” Nee, al dorst uw ziel een ogenblik, blijft geloven en vertrouwt op de liefde van uw Heiland, die u wel beproeft, maar nooit verlaat!
II. Exodus 17 vers 8-16
Nog te Rafidim wordt Israël door een stam van de Amalekieten verraderlijk aangevallen; Mozes zendt Jozua met een uitgelezen schaar van krijgslieden tegen hen af; hij zelf begeeft zich met Aäron en Hur op de top van een nabij de strijdplaats gelegen heuvel, om daar de staf van God als een banier in de hoogte te houden en met uitgestrekte handen aan zijn volk de overwinning van Godswege te verzekeren. Na vernietiging van de Amalekieten richt hij een altaar op, en bepaalt hij de strijd van de Heere tegen Amalek voor alle volgende tijden.
8. Toen het water uit de door Mozes geslagen rots vloeide, en het volk door de oudsten daarheen geleid werd, om zijn dorst te stillen (vs.6) kwam Amalek, 1) een legerbende van uit het geslacht van Edom afstammende, in steenachtig Arabië wonende Amalekieten (zie “Ge 36.12), en streed 2) tegen Israël in Rafadim, door de achterhoede van Israël, die achter het hoofdleger trok, en, moe van de tocht en afgemat van dorst (Deuteronomium. 25:17 vv.) nog een eind verder noordwestelijk zich bevond, aan te grijpen.
1) God stelt deze vijanden het eerst tegenover Israël, nadat Hij hen, van de Egyptenaren bevrijd, enige tijd van verademing en rust had geschonken. Het meest om deze twee redenen, wilde Hij het toen met een oorlog bezoeken, óf om hen te straffen voor het jongste misdrijf, óf om daarmee hun nietsdoen te doen ophouden, opdat dit geen lokaas om te zondigen zou zijn. Want gelijk onder de soldaten dikwijls uit gebrek aan werkzaamheden een opstand voortkomt, zo ook hier, hoe meer God dit volk spaarde en zacht behandelde, des te meer nam zijn overmoed toe. Niet te verwonderen daarom, indien zij door een oorlog worden opgewekt, juist wanneer zij de gelegenheid zouden waarnemen, om, wegens hun kalme toestand, eens oprecht vrolijk te zijn. Sommigen gissen, dat de Amalekieten met dat doel naar de wapens hebben gegrepen, vooreerst, om daarmee de achteruitzetting van hun vader te wreken; vervolgens, omdat de nijd hun verteerde, en zij niet wilden, dat Jakobs nakomelingen de erfenis zouden verkrijgen, waaruit Ezau geworpen was, wiens kleinzoon Amalek, de vader van deze volkstam was. En gewis, het is waarschijnlijk, dat de herinnering aan het onrecht, hun vader aangedaan, nog voortgeduurd heeft, en dat zij door de duivel zijn aangehitst, om de belofte van God, waardoor het eerstgeboorterecht van Ezau op Jakob was overgegaan, te verijdelen en haar doel te doen missen. Deze reden om oorlog te voeren kan wel bij hun aanwezig zijn geweest, maar God had nog iets anders op het oog, om, nl. het volk, na hun onbeschaamdheid overmeesterd te hebben, Hem meer gehoorzaam te maken. En wellicht heeft Hij, na Mozes als aanvoerder hun onttrokken te hebben, Jozua aangesteld, om daarmee enig teken van Zijn misnoegen te geven. Want ofschoon Hij hun op volstrekt niet verborgen wijze hulp verschaft heeft, nu zij de overwinning behaald hebben door Zijn genade en op het gebed van Mozes, zo heeft Hij hen toch door de afwezigheid van Mozes een les willen geven, omtrent hun jongste belediging.
Te Rafidim viel Amalek, de afstammeling van Ezau (Genesis 36:16), de eersteling van de heidenen (Numeri. 24:20), op verraderlijke wijze in de achterhoede van het ontmoedigde volk. Het is kennelijk zijn bedoeling geweest, Israël de doortocht naar Kanaän te betwisten, en zo mogelijk te verdelgen. (Deuteronomium. 25:17 vv.)
In de zomer, wanneer het gras in de vlakten verdroogd is, trekken de Bedoeïenen naar de hoger getegen streken, waar de weiden langer fris blijven; op deze wijze moet verklaard worden, hoe de kinderen van Israël hier met de Amalekieten, die eigenlijk de meer noordelijke delen van het Sinaïtische Schiereiland in bezit hadden, in aanraking kwamen. Deze wilden nu aan niemand de doortocht door de van hen gebruikte weiden betwistten; maar hun aanval heeft nog een diepere grond. In hen ontwaakt de oude haat van Ezau, hun stamvader, tegen Jakob weer, zij willen niet dat Israël de beloofde erfenis inneme; zij willen het volk van God, ware het mogelijk, zijn zegen ontnemen (Genesis 27:28 vv.), en treden het op de weg tot zijn groot doel op een meer sluipmoordenaarsachtige dan eerlijke krijgsmanwijze tegemoet. Dat doen zij, hoewel de grote daden, die de Heere aan Israël in Egypte gedaan heeft, ook hun bekend zijn geworden; hun vijandschap is diensvolgens tevens een vijandschap tegen de Heere, en wel de eerste aanval, die een, hoewel oorspronkelijk met het uitverkoren geslacht verwant, doch daarna tot de grote menigte van de overige volkeren, die hun eigen weg gaan, teruggetreden, en alzo heidens geworden volk onderneemt, om tegen het rijk van God te strijden, ten einde het te vernietigen. Daarom worden zij (Numeri. 24:20) in de spreuk van Bileam “de eersteling onder de heidenen” genoemd.
Zo zijn de eerste en grootste vijanden van het waar, geestelijk leven gewoonlijk degenen, die wij zouden menen, dat enigszins in betrekking tot ons stonden, de burgerlijk brave mensen, de bloot humanistische filantropen, en nog meer de dode rechtzinnigen.
2) Gelijk Amalek Israël bevocht, toen Mozes de rotssteen in Horeb geslagen had, zodat zij water gaf, zo hebben ook de ongehoorzame Joden, wanneer Christus, de geestelijke Steenrots, was geslagen en gestorven, en het Evangelie van Zijn opstanding met dezelfde toegebrachte genade werd verkondigd, hun broeders bestreden, die in Hem geloofden.
Ongetwijfeld draagt de strijd tussen Amalek en Israël een typisch karakter. Amalek streed tegen Israël als het volk van God, het volk van het Verbond, en dat niet op een ridderlijke, maar op een laaghartige en verraderlijke manier. Vandaar, dat, als straks Israël een koning ontvangt, het diens roeping wordt, om Amalek geheel uit te roeien.
9. Mozes, dan zei tot Hosea, de 53 jaar oude zoon van Nun, uit de stam van Efraïm (Numeri. 13:9) die hij door de inspraak van de Heilige Geest voor een strijdbare held erkende, voor een werktuig van God, dat tot grote dingen geroepen was, en wiens naam Hosea (hulp) hij nu in de nog meer betekenisvolle Jozua (de Heere is helper) veranderde: Kies ons mannen, die gij voor bijzonder krijgshaftig houdt en trek uit met hen, en strijd tegen Amalek; morgen, wanneer gij met uw voorbereidingen voor een beslissende slag gereed zult zijn, zal ik gedurende die tijd op de hoogte van de heuvel, 1) Mokad Seidna Musa (zie “Ex 17.1) staan, en de staf van God (hoofdstuk 4:20) zal in mijn hand zijn, 2) als de banier, waaronder gij strijden zult.
1) De grondtekst geeft duidelijk aan, dat die heuvel bij Israël bekend was. Toen Israël aan de Rode Zee de aanval van Egypte moest doorstaan, moest het niet zelf strijden, maar de strijd van de geweldige arm van Jehova stilzwijgend aanzien (hoofdstuk 14:14). De Egyptenaren waren hun meesters, tegen welke zij niet hadden te strijden als oproerigen, maar waarvan God hen verloste; nu moesten zij in de strijd trekken, want zij waren een vrij, zelfstandig volk geworden. Jozua, die Mozes daardoor, dat hij hem een nieuwe naam geeft, tot zijn dienaar aanneemt (Numeri. 11:28) ontvangt bevel, aan het hoofd van een uitgelezen schaar tegen Amalek te strijden; maar de strijd in mensen handen gelegd is onzeker, alleen in de hand des Heeren rust de beslissende overwinning. Tot getuigenis hiervan vlecht Mozes de naam Jehova (zie Ge 17.16) in die van Hosea, zodat nu in en met de aanvoerder van Israël de Heere zelf werkzaam is. Maar nog heeft het in de strijd uittrekkend volk de Heere niet bij zich; tussen hen en de Heere is veeleer door het gedurig morren en verzoeken (vs.2 vv.) een scheiding gekomen, zodat de wolkkolom zich weer van het leger teruggetrokken heeft). Alleen tussen Mozes en de Heere is de betrekking nog ongeschonden; Mozes werpt daarom zijn staf, waaraan God Zijn macht verbonden heeft, als een banier op, om als voorbiddend middelaar deze onder aanhoudend gebed hoog naar boven te houden, opdat Israëls zonde de eeuwige krachten, zonder welke de overwinning onmogelijk is, en die in de staf nabij het volk zijn, niet terughoudt.
2) Niet om zich te bergen voor de strijd is hij weggegaan, maar omdat God hem een ander ambt had bevolen. En hieruit blijkt, dat door de staf van God te voeren, hij zowel als leidsman en als standaarddrager een gelukkige uitkomst van de strijd heeft beloofd; want deze staf alleen was meer waard, dan dat hij met duizend vaandels voorgaande, hen tot in de strijd had gevoerd.
Twee zaken stelde Mozes in het werk, om op de vijand van Gods volk de zege te behalen, nl. strijden en bidden. Terwijl Jozua de vijanden zou aangrijpen, nam Mozes op zich, zijn pogingen te ondersteunen door de strijd van het gebed, waartoe hij dan ook met zijn wonderstaf op de kruin van Horeb zou staan.
Zeer waarschijnlijk doelt de profeet Jesaja in vers 59:19 hierop als hij zegt: “Wanneer de vijand zal komen als een stroom, zal de Geest des Heeren de banier oprichten tegenn hen,” op deze geschiedenis van Mozes.
10. Jozua nu deed, zo als Mozes hem gezegd had; hij verzamelde een uitgelezen schaar van krijgsknechten rondom zich, en trok de volgende dag uit, strijdende tegen Amalek; doch Mozes en tot zijn ondersteuning Aäron; en zijn zwager Hur 1) (spelonk) klommen op de hoogte van de heuvel.
1) Hur, de zoon van Kaleb, de zoon van Hesron, de kleinzoon van Juda, was de grootvader van Bezaleël, de werkmeester van de tent der samenkomst (hoofdstuk 31:2; 1 Kronieken 2:18-20), en volgens een Joodse overlevering de echtgenoot van Mirjam, de zuster van Mozes (hoofdstuk 15:21); ook, volgens hoofdstuk 14:14, nam hij, naast Aäron, een aanzienlijke plaats onder het volk in.
11. En het geschiedde, terwijl Mozes zijn hand met de staf van God ophief, zo was Israël de sterkste; maar terwijl hij zijn hand van vermoedheid liet zakken, dan was Amalek de sterkste.
De strijd werd met afwisselend geluk gestreden; nadat de kinderen van Israël eerst de overhand gehad hadden, moesten zij daarna voor hun vijanden wijken, en konden zij niet eerder weer tegen hen stand houden, dan Mozes op de top van de heuvel weer in staat was, zijn handen op te heffen. Deze afwisseling herhaalde zich verscheidene malen.
Hierdoor moest én Mozes én Israël leren, dat, als straks de overwinning behaald werd, het niet was om hen, maar enkel en alleen uit vrije genade van God.
12. Doch de handen van Mozes werden zwaar; hij kon, hoe hij zich inspande, deze niet meer onafgebroken opheffen; hij moest ze laten zinken, daarom namen zij, zijn begeleiders, (vs.10), wie het nu eerst inde gedachte kwam, wat zij tot zijn ondersteuning moesten doen, een steen, en legden die onder hem, dat hij daarop zat, en niet door langer staan geheel zou uitgeput worden; en Aäron en Hur onderstutten zijn handen, terwijl zij zich naast hem plaatsten, de een aan deze, de rechter-, de ander aan de andere, de linkerzijde, en alzo ieder een van zijn handen vasthield; alzo waren zijn handen zeker; zij waren ondersteund en konden zich in de hoogte houden, totdat de zon onderging, 1) en er was geen afwisseling van krijgsgeluk meer.
1) Daar in de Amalekieten de heidenwereld de strijd tegen het volk van God opende, en in hen, de prototype (het oorspronkelijke beeld) van de aan God vijandige machten, het uit de dienstbaarheid verloste volk des Heeren tegemoet trad, om het komen in de beloofde erfenis te bestrijden, zo had de strijd, die Israël met deze vijand streed, een betekenis als voorbeeld voor de gehele toekomst van Israël. Deze strijd kan het met het zwaard alléén niet overwinnend ten einde brengen, maar alleen door de uit de hoogte toestromende krachten van
God, die het door gebed, onder aanwending van de verleende genademiddelen, zich toeëigenen moet. Zulk een middel heeft Mozes in de staf, door welke hem, als door een kanaal, krachten van almacht aangevoerd worden, en hij wendt ze tot zijn strijdend volk, terwijl hij de handen met de staf biddend tot God opheft, tot hij afgemat is en met het zinken van de handen en van de staf ook het afstromen van de Godskrachten uit de hoogte ophoudt, zodat zijn armen gesteund moeten worden, om tot gehele overwinning van de vijanden opgericht te blijven. Hieruit moest Israël leren, dat het in de strijd met de aan God vijandige machten slechts door onophoudelijk opheffen van zijn handen in gebed de kracht van de overwinning ontvangen zou.
Intussen is ook hier een mooi beeld, hoe regeerders en predikers voor God in het gebed moeten liggen, in tijden van oorlog en in andere nood, daar zij de strijd dan door hun generaals kunnen voeren, gelijk Mozes hier daartoe Jozua verordend heeft; en deze beide (de regeerders en predikers) moeten dan ook hun tot steun zijn, en hen in alle moeilijke gevallen voor God bijstaan, evenals zij zelf zich voor Hem verootmoedigen en hun heerserstaf met gelovige handen tot de Heere moeten opheffen, dat Hij hun de last in genade helpt dragen, en tot al hun arbeid wijsheid en kracht verlenen wil
Zo heeft de Heere er ook in de gemeenten sommigen gegeven die biddend en in dezelfde gemeente wederom anderen die met middelen strijden. Terwijl Mozes bad, streed Jozua; maar ook Jozua wist te bidden en ook Mozes wist als het nodig was te strijden. Nu werd op last van de Heere de arbeid gelijk verdeeld. Want hetzij men worstelt in het gebed, hetzij men strijd met het zwaard, het is voor het geloof een en hetzelfde; daar het toch dezelfde God is, die op beide de gezegende uitkomst moet geven. Zij, die thuis blijven bidden, werken niet minder ijverig aan de goede uitslag mee dan zij die naar buiten uittrokken om te strijden. Daar is verband tussen het gebed van de zwakke en de strijd van de sterke gelovigen.
Mozes heeft door de volstandige opheffig van zijn handen de Kerk een leerzaam voorbeeld nagelaten, om tegen alle bezwaren, die het gebed en het geloof hinderlijk zijn, gewisse en bestendige hulpmiddelen te zoeken, waardoor de trage handen en slappe knieën hemelwaarts worden geheven en vastgemaakt.
Wij hebben hier ook in Mozes een voorbeeld van het veelbetekenende: De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.
Zonder twijfel hief Mozes zijn handen biddend op; dit is echter niet de hoofdzaak in deze geschiedenis; niet het gebed op zichzelf schenkt de overwinning; maar het biddend en gelovig verheffen van de staf van God, als van een Gods-banier, waaronder Israël strijdt. Daarvan hangt Israëls zege over Amalek af. Wij hebben ook een strijd tegen vlees, wereld en duivel. Wie in de geestelijke strijd van zijn ziel alleen van het gebed de zege verwacht, zal de overwinning niet vinden; deze is beloofd op het biddend en gelovig verheffen van de kruisbanier. Veel, alles hing hier af van hetgeen deed. Wat een gewichtig werk is de prediker van het Evangelie opgedragen, en iedere christen, daar des Heeren deugden verkondigen moet en voor zijn Heiland strijden. Zakken uw handen vermoeid neer, broeders, gij geeft het erfdeel van God de vijand over! Het kruis hoog verheven, biddend verheven, gelovig verheven, en de satan zal wijken; want dat kruis van de redding verdraagt hij niet! Verkondigt onder de Heidenen, en doet horen, en werpt een banier op (Jeremia. 50:2), en hij zal van vrees doorgaan naar zijn rotssteen, en zijn vorsten zullen voor de banier verschrikken, spreekt de Heere, die te Zion vuur en te Jeruzalemeen oven heeft Jesaja 31:9). Het kruis van Christus biddend opgeheven, en er zullen zielen worden bekeerd, of God, die het beloofd heeft, zou moeten kunnen liegen. Waar geen zegen is, daar is het het menselijke, het gebed, of iets anders, dat hoger dan de banier, bij u staat. o Heere! geef ons kracht, opdat wij dat kruis, dat kruis alleen verheffen, en, waar wij moe van worden, omdat de arbeid veel is, schik Gij ons daar een Aäron en Hur toe, opdat Israël overwint!.
13. Alzo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte 1) door de scherpte van het zwaard. 2)
1) In het Hebreeuws Wajachalasch. Dit werkwoord betekent wel overwinnen, maar ook verzwakken, zwak maken. Zo ook in het Syrisch. Amalek geheel vernietigen zou niet het werk zijn van Jozua. Wel zou deze de oorlogen van de Heere strijden, maar het vernietigen van de Amalekiet, de erfvijand van Gods volk, was bestemd voor de koningen, in het bijzonder voor David. Ook daarin ligt een typische zin en betekenis. Verzwakken kan Gods dienstknecht de vijanden, maar hen geheel overwinnen, dat zal Hij eenmaal doen, Wiens naam is Koning der Koningen en Heer der Heeren. Onder Amalek en zijn volk hebben wij te verstaan, Amalek en zijn bondgenoten.
2) “Door de scherpte van het zwaard”, eigenlijk door de mond van het zwaard, is een uitdrukking, die dikwijls dient, om daarmee te kennen te geven, dat het zonder uitzondering geschiedt.
14. Toen, aan de avond van die dag van de overwinning, zei de HEERE tot Mozes: Schrijf dit, wat heden geschied is, ter gedachtenis in een 1) boek, gelijk gij zodanig een tot aantekening van de grote daden, waardoor Ik Mij aan uverheerlijkt heb, reeds begonnen zijt, en leg het in de oren van Jozua, 2) a) dat Ik de gedachtenis van Amalek, ter vergelding, dat hij met zijn aanval op u de strijd van de wereld tegen Mijn rijk geopend heeft, geheel uitdelgen zal van onder de hemel! 3)
a) Numeri. 24:20; 1 Samuel. 15:2,3 Deuteronomium. 25:17,18,19
1) Beter, in het boek. Hier wordt voor de eerste maal er melding van gemaakt, dat de Heere iets beveelt op te tekenen. Het doel is tweeledig. Later zou de Heere Israël bevelen, om Ezau geen kwaad te doen (Deuteronomium. 2:4), en nu behoorde Amalek ook tot de nakomelingen van Ezau. Israël moest dus weten en blijven weten, dat Amalek van die bewaring was uitgesloten. Vervolgens, opdat Amalek altijd als de erfvijand van Israël zou aangemerkt worden, welke door Israël niet mocht worden gespaard.
2) “Leg het in de oren van Jozua,” wil zeggen, doe het Jozua in het bijzonder horen. Jozua was de opvolger van Mozes. Hij vooral zou de strijd tegen alle vijanden van Israël te voeren hebben. Daarom moest hij uitdrukkelijk horen, wat de Heere te zeggen had, en voor het overige volk moest het in het boek geschreven worden tot herinnering voor alle geslachten.
3) Dit is geschied onder David. Door hem is Amalek als volk vernietigd, zodat er slechts 400 man zijn overgebleven. (1 Samuel 30:17).
15. En Mozes bouwde, waarschijnlijk op de dag na de slag en zonder twijfel op dezelfde heuvel, waarop hij gedurende de strijd gezeten had, een altaar, 1) om de Heere voor Zijn hulp te danken; en hij noemde deze: Jehova Nissi, dat is: de HEERE is mijn banier. 2)
1) Ongetwijfeld om door een plechtig offer getuigenis te geven van zijn dankbaarheid, en niet alleen van hem zelf, maar ook van het gehele volk, hetgeen de naam zelf van het altaar aanduidt. Want hij wil God niet een standbeeld oprichten, of een altaar met de naam van God versieren, maar hij toont, dat hij dit doel zich voor ogen heeft gesteld, dat de trotse Israëlieten zich in hun voorspoed niet op hun eigen krachten zouden beroemen, maar alleen God de eer van zijn Naam zouden geven.
2) Een banier werd gebruikt bij het leger als veldteken, waarom men zich schaarde. De echte banierdrager verdedigde dan ook altijd het veldteken ten koste van zijn leven, omdat in de banier de eer van het leger gelegen was. Zo zegt Mozes hier van Jehova, dat Hij is zijn teken, met Wie hij zal optrekken, en bij Wie hij zich veilig en zeker waant. Sommigen zijn van mening, dat de vertaling moet zijn, en hij noemde deze (het altaar van) Jehova, mijn banier. Hoe het echter ook zij, Mozes heeft hier willen zeggen, dat de Heere en Hij alleen de Beschermer en Leidsman van zijn volk is, onder wiens bescherming zij veilig zijn, en door wie zij tegen alle vijanden zullen beschermd en verdedigd worden.
16. Nadat Mozes door deze naam de eer des Heeren had uitgesproken, stelde hij tevens op grond van het goddelijk raadsbesluit voor alle volgende eeuwen de strijd tegen Amalek vast, en hij zei: omdat de hand van Amalek op de troon van de HEERE is, 1) zo zal de oorlog van de HEERE tegen Amalek zijn van geslacht op geslacht; de strijd, die Hij heden door onze hand begonnen heeft, heeft Hij niet opgegeven, Hij zal die voortzetten van kind tot kind, totdat Amaleks naam verdelgd is van onder de hemel. Daarom willen wij altijd aan deze strijd denken; een nalaten van die strijd zou een nalaten zijn van onze heilige roeping, om het rijk van God te steunen tegen alle vijandelijke machten van de wereld. (1 Samuel 15:2) 2)
1) Ik twijfel niet, dat, wat gezegd is, omtrent het vernietigen en uitroeien van Amalek, hierdoor bevestigd wordt, dat omdat Hij de Almachtige is, Hij dus ook met dat goddeloze volk de strijd zal voeren. Daarom wordt Zijn hand gezegd op de troon van God te zijn, omdat Hij niet werkeloos in de hemel zetelt, maar Zijn heerschappij oefent in het besturen van de wereld, alsof Hij gezegd zou hebben: God, die machtig heerst, en die door Zijn hand en door Zijn kracht alles tempert en matigt, in stand houdt en vernietigt, zolang Hij op Zijn troon regeert en bekleed is met de hoogste en de te vrezen macht, Hij zal ook niet afhouden, de Amalekieten met Zijn rechtvaardige straffen te achtervolgen.
Het valt niet te loochenen, dat deze plaats zeer moeilijk is, maar toch hebben wij o.i. het woord “hand” hier te houden voor de hand van God. En dan weten we, dat door “hand” Zijn kracht en macht wordt voorgesteld. De bedoeling kan dan niet anders zijn, dat, zolang de hand op de troon van de Heere is, d.i. zolang de Heere regeert, ook er strijd zal zijn tegen de Amalekieten. M.a.w. hier wordt op deze wijze de volkomen vernietiging van de Amalekieten vastgesteld en Israël aangezegd, dat het van geslacht tot geslacht met Amalek had te strijden. Sommigen lezen in plaats van Mk (Troon), Mn (Banier). De bedoeling zou dan zijn: Zolang de hand aan de banier zal zijn, en die banier niet wordt losgelaten, zal er strijd met Amalek zijn. Wij houden ons echter aan het eerste.
2) Van Bir Musa of Massa en Meriba (vs.7 en zie Ex 17.1) zetten de Israëlieten, wellicht op de tweede dag na de slag, hun tocht door het Sjeikdal verder voort, en kwamen na een mars van negen uur op de plaats aan, waar zelfs aan de brede uit het noordoosten komende Wady es-Scheikh de nog bredere van het zuidwesten naar het noordwesten zich uitstrekkende hoge vlakte er-Rabah aansluit. Deze raakt aan het zuideinde onmiddellijk aan het (zie Ex 3.1) beschreven, uit de drie gebergten Dschebel ed Deir, Dschebel Musa en Dschebel el Homs bestaande Horebgebergte. Hier legerde zich Mozes werkelijk met het volk, gelijk hij ook in hoofdstuk 18:5 zegt, aan de berg van God, waarop hem tevoren de engel des Heeren verschenen was; want hij bevond zich aan de ingang van het Jethrodal, dat Dschebel el Deir van Horeb scheidt.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Exodus 17
Exodus 17:8.Kruisverwijzingen1 Samuël 15:2→1 Samuël 30:1→Genesis 36:12→Numeri 24:20→Deuteronomium 25:17→Psalmen 83:7→Genesis 36:16→
— Toen kwam Amalek en streed tegen Israel in Rafidim.
Enerzijds was deze aanval op Israël de grote zonde van Amalek, waardoor dit volk was bestemd om uitgeroeid te worden (vers 14). Anderzijds was deze aanval ook een gevolg van de zonde van Israël. Het is veelzeggend dat dit gebeurde na de twist bij Massa en Meriba. Hieruit leren wij dat vervolging over ons kan komen door toedoen van goddeloze mensen, die handelen vanuit hun eigen verdorvenheid. Tegelijkertijd kan zij ook een gevolg zijn van onze eigen zonde. Omdat wij hebben gezondigd, wordt het hun toegestaan, ja zelfs opgedragen, ons leed te berokkenen.
Wanneer wij Gods waarheid proberen te begrijpen, lopen wij groot gevaar eenzijdig te worden. De meeste waarheden van Gods Woord hebben twee kanten, en het is goed beide te leren zien. Bijna iedere leer in de Heilige Schrift wordt in evenwicht gehouden door een andere leer. Veel van de meningsverschillen onder Gods volk zijn ontstaan doordat men één aspect van de waarheid te sterk heeft benadrukt en het andere vrijwel geheel heeft verwaarloosd. Sommigen zien bijvoorbeeld de soevereiniteit van God en raken zo in beslag genomen door die verheven waarheid, dat zij de verantwoordelijkheid van de mens ontkennen. Zij houden vast aan de leer die zij kennen en bestrijden de leer die zij niet kennen.
Anderen zien de algemene nodiging van het Evangelie en sporen met een ruim hart alle mensen aan zich tot God te bekeren en te leven. Maar zij hebben geen oog voor het bijzondere karakter van Christus’ verlossingswerk en verstaan daarom Gods eeuwige voornemen niet om Zijn uitverkoren volk te zaligen. Wie zich door slechts een halve waarheid laat leiden, is als iemand die met één schoen aan door de woestijn trekt. Hij wordt kreupel aan één voet en hinkt daardoor zijn hele weg. Het maakt niet uit welke voet kreupel is; zodra één voet zo is aangetast, loopt de hele mens mank.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
DE KINDEREN VAN ISRAEL WORDEN UIT EEN ROTS GEDRENKT EN OVERWINNEN AMALEK.
I. Exodus 17 vers 1-7
Te Rafidim, waar de kinderen van Israël, na enige dagreizen van de woestijn Sin af, gekomen zijn, ontbreekt water. Het volk twist met Mozes en werpt hem opnieuw voor, dat hij het alleen daarom uit Egypte gevoerd heeft, om het in de woestijn te laten omkomen; de Heere roept Mozes met enige oudsten op een berg, laat hem daar op een rots slaan, en deze geeft overvloedig water. (Massa en Meriba).
1. Daarna, na een oponthoud van 5 of 6 dagen, toog de gehele vergadering van de kinderen van Israël, naar hun dagreizen, uit de woestijn Sin, in het noordwestelijkgedeelte waarvan zij (hoofdstuk 16:1) geweest waren, op het bevel van de HEERE, zoals Hij hen leidde door de wolkkolom. Volgens deze leiding wendde zij zich eerst zuidoostelijk naar Dofka, het tegenwoordige Wady-Seih, vervolgens zuidoostelijk naar Alus (Numeri. 33:12 vv.) aan de mond van de Wady Akir, en zij legerden zich na deze tocht, op welke niets bijzonder voorviel, te Rafidim, 1)in het dal es-Scheikh. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken.
1) De enige, voor het gehele volk begaanbare, weg uit de zandvlakte er-Ramleh naar Horeb of Sinaï gaat door het grote dal es-Scheikh, hetwelk door de meeste geleerden voor de legerplaats Rafidim gehouden wordt. Het heeft zijn naam van het grafteken van een heilig verklaarde Arabische sjeik, dat zich in het zuidoostelijk deel daarvan bevindt; het strekt zich in een uitgebreidheid van ongeveer tien uur om de Plataeus van Orfan en Fureia uit, die het noordelijke voorgebergte van de Horeb uitmaken; in het midden is het tegenwoordig rijkelijk van water voorzien, en op zijn vele weilanden met een menigte van Tarfabomen bezet, waardoor het de plaats is, waar tegenwoordig het meeste manna gevonden wordt. Het punt, waar Israël geen water vond, is waarschijnlijk te zoeken, waar het dal zich van de zuidoostelijke richting naar het zuiden begint te wenden. Niet verre van daar tonen de Bedoeïenen een rotsblok, dat vijf voet hoog is, en een voortreffelijke natuurlijke stoel vormt. Deze wordt door de Mokad Seida Musa (zetel van onze meester Mozes) genoemd, en is zeer waarschijnlijk de standplaats van Mozes geweest, gedurende de strijd tegen Amalek (vs.8 vv.). Van hier reikt het oog over de beide zijden van het dal. Enigszins oostelijk van daar ligt Bir Musa (Mozes-bron)
2. Toen twistte, 1) het volk met Mozes, en zei: Geeft gij, gij en uw broeder Aäron, ons water, dat wij drinken! Gij behoort voor alles te zorgen; Mozes dan zei tot hen: Wat twist gij met mij. Waarom verzoekt2) gij nu van uw zijde uw HEERE.
1) Hier ontdekt zich hun goddeloosheid tegen God, omdat zij, na Hem de rug toegekeerd en verlaten te hebben, met Mozes oorlog beginnen te voeren; tevens ook hun slechtheid en onmenselijkheid, omdat zij, zo vele weldaden niet gedenkende, op heftige wijze tegen Mozes opstaan. Zij wisten toch, dat geen bronnen of rivieren door een sterfelijk mens konden tevoorschijn geroepen worden. Waarom twisten zij dan met hem, en roepen zij God niet onmiddellijk aan, in wiens hand de wateren, evenals de overige elementen, zijn? Indien er althans bij hen een greintje geloof was geweest, zouden zij zich tot Hem in het gebed gewend hebben.
In het Hebreeuws Wajareb, “twistte,” in de zin van, met heftige gebaren tegen iemand spreken, waaruit een vijandige stemming openbaar wordt. Hieruit leert men de geaardheid van het volk kennen. Nauwelijks zijn zij toch te Rafidim aangekomen, nauwelijks is er gebrek aan water, of bijna dreigt men Mozes te stenigen, en zet zich aldus in vijandige houding tegenover God, hun Heer en Leidsman.
2) Verzoeken, in de zin van, ongelovig twijfelen aan de hulp van de Heere. Waarin dat verzoeken bestond, wordt in vs.3 nader aangeduid, waaruit duidelijk die ongelovige twijfeling spreekt.
3. Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, en ondanks de vriendelijke toespraak en ernstige vermaning van Mozes, alleen aan de dorst dacht en vervulling van die behoefte wilde, zo mopperde het volk nog meer tegen Mozes, en het zei, weer evenals toen het aan brood gebrek had (hoofdstuk 16:2,3): Waartoe hebt gij ons uit Egypte doen optrekken, opdat gij mij, en mijn kinderen, en mijn vee, van dorst deed sterven; 1) en daarbij gaven zij tekenen alsof zij hem wilden doden (vs.4).
1) De bron van het gehele kwaad was ongeloof, omdat zij noch de rechtmatige lof aan de macht van God toedeelden, noch in waarheid geloofden aan Zijn belofte. Want Hij had de zorg over hen op zich genomen, en beloofd, dat hun nooit iets zou ontbreken. Waarom geloven zij dan niet, toen de zaak aldus geschapen stond, dat Hij hun nabij zou zijn, tenzij dat zij zowel van Zijn Macht als van Zijn Trouw geringe gedachte hadden?.
Wederom spartelt de buik. De goede Mozes heeft een moeilijk, verdrietelijk ambt gehad, dat hij zulk een onwillig, hardnekkig, halsstarrig volk heeft moeten regeren; hij heeft het gevoeld, dat hij bijna ieder uur in groot levensgevaar stond, want hij heeft altijd moeten vrezen, dat zij zouden komen en hem doden. Maar zo gaat het de Christenen; zij moeten voor weldaden, schande, schade, nadeel en ondankbaarheid inoogsten.
Wij zouden het natuurlijk vinden, wanneer Mozes zijn staf had neergelegd, wanneer hij weer naar Horeb gegaan was, om daar de meer stille en gehoorzame kudde te weiden, wanneer hij deze verkeerde, dolle mensen hun eigen wegen had laten gaan. Maar hij ging niet, en, mocht hij dikwijls ook zijn leven moe zijn, zijn liefde werd niet koud, zijn geduld werd niet uitgeput, zijn ijver verflauwde niet. Dit arme volk was hem toch door zijn Heere aan het hart gelegd en op de ziel gebonden, en al was het ook zulk een liefde niet waard, zo droeg hij het toch, gedachtig aan de liefde van zijn Heer, die besloten had het te verlossen.
4. Zo riep Mozes, gelijk altijd, wanneer hij aangevochten werd (hoofdstuk 5:22; 14:15; 15:25; 16:4) tot de HEERE, zeggende: Wat zal Ik dit volk doen? 1) Er scheelt niet veel, of zij zullen mij stenigen! Zij staan op het punt, om dit te doen. (Numeri. 14:10).
1) In de benauwdheid van zijn hart roept Mozes tot de Heere, vraagt Hem om raad, bindt Hem niet aan deze of gene weg, maar geeft zich geheel aan Hem over, stelt zich met vertrouwen in Zijn handen. Hoogstwaarschijnlijk was Mozes op dat ogenblik buiten de legerplaats het volk ontvlucht. Dit is toch op te maken uit het volgende vers, waar de Heere Mozes gebiedt, om weer naar het leger te gaan.
5. Toen zei de HEERE tot Mozes: Vrees niet en ontwijk niet, maar ga onverschrokken, zonder enige siddering of ontroering, heen voor het aangezicht 1) van het volkdoor het leger, en neem met u uit de oudsten 2) van Israël, opdat zij getuigen zijn van hetgeen geschieden zal; en neem uw staf3) in uw hand, a) waarmee gij de rivier, de Nijl, voor farao sloeg, en de overige tekenen voor Israël deed, en ga heen naar de plaats in het gebergte, waarheen u de wolkkolom zal voorgaan.
a) Exodus. 7:20
1) “Voor het aangezicht,” d.i. voor de ogen van het volk. De Heere wil zijn knecht voor de ogen van het gehele volk verheerlijken, in tegenwoordigheid van de oudsten als getuigen van hetgeen geschieden zou.
2) De oudsten zijn hier de hoofden van de vaderlijke huizen.
3) De staf was het teken van zijn goddelijke zending. Als vluchteling was hij voor God verschenen, omdat Israël hem dreigde te stenigen. Hiermee stelt God hem weer volkomen in het ambt.
6. a) Zie, Ik zal aldaar voor uw aangezicht op de rotssteen in Horeb staan; 1)en gij zult, in vertrouwen op Mijn almacht, die Ik zo dikwijls aan uw staf verbonden heb, en die in de wolkkolom, het teken van Mijn tegenwoordigheid, u werkzaam nabij is, op de rotsteen van het voorgebergte van Horeb slaan, zo zal er water als uit een rijk vloeiende bron, uitgaan, opdat het volk drinkt. 2) Mozes nu deed alzo voor de ogen van de oudsten van Israël. Hij sloeg met zijn staf de rots, waarop de wolkkolom zich plaatste, en toen er nu werkelijk water uitvloeide, liet hij het volk door de oudsten tot de, door de Heere zo wonderbaar geopende, rotsbron leiden.
a) Numeri. 20:9 Psalm. 78:15; 114:8; 1 Kor.10:4.
1) Dat God hem aankondigt, dat Hij op de rots zal staan, dient om bij hem de twijfel weg te nemen, opdat Mozes, ten opzichte van de uitkomst, niet in angst of twijfel zou verkeren, omdat anders het slaan op de rotssteen zonder gevolg en nutteloos zou zijn. Daarom wordt Mozes tot vertrouwen aangespoord, omdat God, wie hij, in gehoorzaam geloof, als zijn leidsman volgt, door Zijn hand zijn kracht zou tentoon spreiden, opdat niets vruchteloos of zonder gevolg zou geschieden.
God, de Heere, zou Mozes tot een Helper zijn. Hij zou het water uit de rotssteen doen stromen, maar voor de ogen van de oudsten zou Mozes ook hier weer het instrument in de hand van de Heere zijn. De Heere zou in de wolkkolom zich stellen voor Mozes aangezicht, en ten aanschouwe van de oudsten, opdat het duidelijk zichtbaar werd, dat door Gods wonderkracht, het water uit de rotssteen tevoorschijn kwam.
2) Evenals de heerlijkheid des Heeren in de woestijn Sin, wegens de weerspannigheid van het volk, niet in het leger verscheen (hoofdstuk 16:10), zo wordt ook nu de hulp buiten het leger door de onmiddellijke tegenwoordigheid van Jehova bewerkt; niet het gehele volk zal getuige van het wonder zijn, tot straf voor zijn lasterend ongeloof, wel echter zullen enige uitverkoren oudsten met hun ogen zien, dat de Heere onder Israël is, en ook de natuur van de harde, dorre rots kan veranderen, dat Hij water geeft in stromen. De oudsten zullen het hierna aan het ongelovige volk betuigen, dat de rots vantevoren geen water heeft gehad, en Mozes geen spiegelgevecht geleverd heeft; waarvan bijv. Tacitus (Hist. 5:3) en vele andere van de nieuwe uitleggers hem beschuldigen. Vergelijk de wezenlijk van deze verschillende gebeurtenis. (Numeri. 20:1-13).
De steenrots was Christus niet in substantie, maar in betekenis.
Niet alleen ontsprong er uit de steenrots een overvloed van water zoveel als nodig was, om de dorst van de Israëlieten te lessen, maar de vloeden volgden hen, waarheen zij ook in de woestijn reisden. Alzo brengt ook de overvloed van de genade, die in Christus is, teweeg, dat onze beker overvloeiende is, en dat het goede en de weldadigheid ons volgen al de dagen van ons leven (Psalm. 23:5,6)
De woestijn heeft zijn afwatering naar de Dode Zee. De stroom kan dus door de bergkloven heen vloeien tot in de woestijn Paran.
God opent fonteinen tot lessing van de dorst, waar de gelovigen, het geestelijk Israël, het niet verwachten. Gelijk Israël door het water uit de rotssteen gelaafd werd, zo zal de Heere al Zijn gelovigen laven uit de volheid van de genade, die in Christus, de geestelijke rotssteen, is.
7. En hij noemde de naam van die plaats, bij het wegtrekken van daar (hoofdstuk 19:2) Massa (verzoeking) en Meriba 1) (twist) om de twist van de kinderen van Israël met Mozes (vs.2), en omdat zij de HEERE verzocht hadden, zeggende: Is de HEERE in het midden van ons, of niet? Wij zullen het niet eerder geloven, dat Hij nog onder ons is, dan Hij het metterdaad bewezen en ons water gegeven heeft.
1) Ieder heeft hier en daar zijn Massa en Meriba, waar hij tegen de wegen van de Heere opgestaan is, over Zijn leidingen gemopperd, tegen Zijn woord zich verzet, Zijn genade veracht, Zijn geduld en Zijn lankmoedigheid verzocht, waar hij in ongeloof gevraagd heeft: “Is de Heere bij mij of niet?” Mocht echter ook ieder de geestelijke rots met haar altijd vloeiende water kennen, waarvan de apostel Paulus 1 Corinthiers. 10:4) spreekt, en daaruit de zegen drinken voor alle schade aan zijn ziel.
Massa betekent verzoeking, en Meriba terging. De eerste naam gaf Mozes aan die plaats, omdat Israël door haar zonde God verzocht had, en de tweede, om de bittere twist van het volk tegen hem en de Heere. Hoogstwaarschijnlijk heeft de Heere Mozes bevolen die plaats aldus te noemen, om Israël voortdurend aan zijn zonde te herinneren, dat het met de vuur- en wolkkolom in zijn midden, d.i. met de Engel van het Verbond, ja, met de Heere zelf, nog durfde vragen: Is de Heere in het midden van ons of niet, omdat dit geen kleingeloof, maar ongeloof van hart was.
De vraag: “Is de Heer bij mij of niet?” ik erken het, komt dikwijls in het hart op, als wij het Egypte van de zonde hebben verlaten en onlangs onze eerste lofzang, de lofzang van de bevrijding zongen; doch het is evenals Israëls vraag een opstaan tegen God, waartegen te strijden is. Israëls voorbeeld is niet, opdat wij het zouden navolgen, maar opdat wij, door hen geleerd, zouden waken tegen het ongeloof. Men acht die vraag dikwijls voor een kenmerk van ware bekering; alsof ongeloof een bewijs van geloof, twijfel een teken van waarheid kon zijn. Men brengt dikwijls zelf die jeugdige zielen van Elim naar Massa en Meriba, en dwingt ze die vraag af; maar hoe goed men het ook meent, er wordt een duivels werk verricht. Oh, zo de Heer niet zo getrouw was, om ondanks dat twisten met Hem en dat verdenken van Zijn liefde, al is het met de tekens van Zijn afkeuring, bij Zijn volk te blijven, hoe zou door ons eigen ongeloof en door het onverstand van mensen de ziel in de afgrond worden gestoten! Christus is de fontein van het levende water, die altijd overvloedig geeft. Kleingelovigen richt niet het oog op uzelf, maar op Hem! Sluit het niet voor de eeuwige stroom, om met gesloten ogen bij hem te klagen: “Er is geen water;” met de engel van het verbond in het midden te vragen: “Is de Heer bij mij of niet?” Nee, al dorst uw ziel een ogenblik, blijft geloven en vertrouwt op de liefde van uw Heiland, die u wel beproeft, maar nooit verlaat!
II. Exodus 17 vers 8-16
Nog te Rafidim wordt Israël door een stam van de Amalekieten verraderlijk aangevallen; Mozes zendt Jozua met een uitgelezen schaar van krijgslieden tegen hen af; hij zelf begeeft zich met Aäron en Hur op de top van een nabij de strijdplaats gelegen heuvel, om daar de staf van God als een banier in de hoogte te houden en met uitgestrekte handen aan zijn volk de overwinning van Godswege te verzekeren. Na vernietiging van de Amalekieten richt hij een altaar op, en bepaalt hij de strijd van de Heere tegen Amalek voor alle volgende tijden.
8. Toen het water uit de door Mozes geslagen rots vloeide, en het volk door de oudsten daarheen geleid werd, om zijn dorst te stillen (vs.6) kwam Amalek, 1) een legerbende van uit het geslacht van Edom afstammende, in steenachtig Arabië wonende Amalekieten (zie “Ge 36.12), en streed 2) tegen Israël in Rafadim, door de achterhoede van Israël, die achter het hoofdleger trok, en, moe van de tocht en afgemat van dorst (Deuteronomium. 25:17 vv.) nog een eind verder noordwestelijk zich bevond, aan te grijpen.
1) God stelt deze vijanden het eerst tegenover Israël, nadat Hij hen, van de Egyptenaren bevrijd, enige tijd van verademing en rust had geschonken. Het meest om deze twee redenen, wilde Hij het toen met een oorlog bezoeken, óf om hen te straffen voor het jongste misdrijf, óf om daarmee hun nietsdoen te doen ophouden, opdat dit geen lokaas om te zondigen zou zijn. Want gelijk onder de soldaten dikwijls uit gebrek aan werkzaamheden een opstand voortkomt, zo ook hier, hoe meer God dit volk spaarde en zacht behandelde, des te meer nam zijn overmoed toe. Niet te verwonderen daarom, indien zij door een oorlog worden opgewekt, juist wanneer zij de gelegenheid zouden waarnemen, om, wegens hun kalme toestand, eens oprecht vrolijk te zijn. Sommigen gissen, dat de Amalekieten met dat doel naar de wapens hebben gegrepen, vooreerst, om daarmee de achteruitzetting van hun vader te wreken; vervolgens, omdat de nijd hun verteerde, en zij niet wilden, dat Jakobs nakomelingen de erfenis zouden verkrijgen, waaruit Ezau geworpen was, wiens kleinzoon Amalek, de vader van deze volkstam was. En gewis, het is waarschijnlijk, dat de herinnering aan het onrecht, hun vader aangedaan, nog voortgeduurd heeft, en dat zij door de duivel zijn aangehitst, om de belofte van God, waardoor het eerstgeboorterecht van Ezau op Jakob was overgegaan, te verijdelen en haar doel te doen missen. Deze reden om oorlog te voeren kan wel bij hun aanwezig zijn geweest, maar God had nog iets anders op het oog, om, nl. het volk, na hun onbeschaamdheid overmeesterd te hebben, Hem meer gehoorzaam te maken. En wellicht heeft Hij, na Mozes als aanvoerder hun onttrokken te hebben, Jozua aangesteld, om daarmee enig teken van Zijn misnoegen te geven. Want ofschoon Hij hun op volstrekt niet verborgen wijze hulp verschaft heeft, nu zij de overwinning behaald hebben door Zijn genade en op het gebed van Mozes, zo heeft Hij hen toch door de afwezigheid van Mozes een les willen geven, omtrent hun jongste belediging.
Te Rafidim viel Amalek, de afstammeling van Ezau (Genesis 36:16), de eersteling van de heidenen (Numeri. 24:20), op verraderlijke wijze in de achterhoede van het ontmoedigde volk. Het is kennelijk zijn bedoeling geweest, Israël de doortocht naar Kanaän te betwisten, en zo mogelijk te verdelgen. (Deuteronomium. 25:17 vv.)
In de zomer, wanneer het gras in de vlakten verdroogd is, trekken de Bedoeïenen naar de hoger getegen streken, waar de weiden langer fris blijven; op deze wijze moet verklaard worden, hoe de kinderen van Israël hier met de Amalekieten, die eigenlijk de meer noordelijke delen van het Sinaïtische Schiereiland in bezit hadden, in aanraking kwamen. Deze wilden nu aan niemand de doortocht door de van hen gebruikte weiden betwistten; maar hun aanval heeft nog een diepere grond. In hen ontwaakt de oude haat van Ezau, hun stamvader, tegen Jakob weer, zij willen niet dat Israël de beloofde erfenis inneme; zij willen het volk van God, ware het mogelijk, zijn zegen ontnemen (Genesis 27:28 vv.), en treden het op de weg tot zijn groot doel op een meer sluipmoordenaarsachtige dan eerlijke krijgsmanwijze tegemoet. Dat doen zij, hoewel de grote daden, die de Heere aan Israël in Egypte gedaan heeft, ook hun bekend zijn geworden; hun vijandschap is diensvolgens tevens een vijandschap tegen de Heere, en wel de eerste aanval, die een, hoewel oorspronkelijk met het uitverkoren geslacht verwant, doch daarna tot de grote menigte van de overige volkeren, die hun eigen weg gaan, teruggetreden, en alzo heidens geworden volk onderneemt, om tegen het rijk van God te strijden, ten einde het te vernietigen. Daarom worden zij (Numeri. 24:20) in de spreuk van Bileam “de eersteling onder de heidenen” genoemd.
Zo zijn de eerste en grootste vijanden van het waar, geestelijk leven gewoonlijk degenen, die wij zouden menen, dat enigszins in betrekking tot ons stonden, de burgerlijk brave mensen, de bloot humanistische filantropen, en nog meer de dode rechtzinnigen.
2) Gelijk Amalek Israël bevocht, toen Mozes de rotssteen in Horeb geslagen had, zodat zij water gaf, zo hebben ook de ongehoorzame Joden, wanneer Christus, de geestelijke Steenrots, was geslagen en gestorven, en het Evangelie van Zijn opstanding met dezelfde toegebrachte genade werd verkondigd, hun broeders bestreden, die in Hem geloofden.
Ongetwijfeld draagt de strijd tussen Amalek en Israël een typisch karakter. Amalek streed tegen Israël als het volk van God, het volk van het Verbond, en dat niet op een ridderlijke, maar op een laaghartige en verraderlijke manier. Vandaar, dat, als straks Israël een koning ontvangt, het diens roeping wordt, om Amalek geheel uit te roeien.
9. Mozes, dan zei tot Hosea, de 53 jaar oude zoon van Nun, uit de stam van Efraïm (Numeri. 13:9) die hij door de inspraak van de Heilige Geest voor een strijdbare held erkende, voor een werktuig van God, dat tot grote dingen geroepen was, en wiens naam Hosea (hulp) hij nu in de nog meer betekenisvolle Jozua (de Heere is helper) veranderde: Kies ons mannen, die gij voor bijzonder krijgshaftig houdt en trek uit met hen, en strijd tegen Amalek; morgen, wanneer gij met uw voorbereidingen voor een beslissende slag gereed zult zijn, zal ik gedurende die tijd op de hoogte van de heuvel, 1) Mokad Seidna Musa (zie “Ex 17.1) staan, en de staf van God (hoofdstuk 4:20) zal in mijn hand zijn, 2) als de banier, waaronder gij strijden zult.
1) De grondtekst geeft duidelijk aan, dat die heuvel bij Israël bekend was. Toen Israël aan de Rode Zee de aanval van Egypte moest doorstaan, moest het niet zelf strijden, maar de strijd van de geweldige arm van Jehova stilzwijgend aanzien (hoofdstuk 14:14). De Egyptenaren waren hun meesters, tegen welke zij niet hadden te strijden als oproerigen, maar waarvan God hen verloste; nu moesten zij in de strijd trekken, want zij waren een vrij, zelfstandig volk geworden. Jozua, die Mozes daardoor, dat hij hem een nieuwe naam geeft, tot zijn dienaar aanneemt (Numeri. 11:28) ontvangt bevel, aan het hoofd van een uitgelezen schaar tegen Amalek te strijden; maar de strijd in mensen handen gelegd is onzeker, alleen in de hand des Heeren rust de beslissende overwinning. Tot getuigenis hiervan vlecht Mozes de naam Jehova (zie Ge 17.16) in die van Hosea, zodat nu in en met de aanvoerder van Israël de Heere zelf werkzaam is. Maar nog heeft het in de strijd uittrekkend volk de Heere niet bij zich; tussen hen en de Heere is veeleer door het gedurig morren en verzoeken (vs.2 vv.) een scheiding gekomen, zodat de wolkkolom zich weer van het leger teruggetrokken heeft). Alleen tussen Mozes en de Heere is de betrekking nog ongeschonden; Mozes werpt daarom zijn staf, waaraan God Zijn macht verbonden heeft, als een banier op, om als voorbiddend middelaar deze onder aanhoudend gebed hoog naar boven te houden, opdat Israëls zonde de eeuwige krachten, zonder welke de overwinning onmogelijk is, en die in de staf nabij het volk zijn, niet terughoudt.
2) Niet om zich te bergen voor de strijd is hij weggegaan, maar omdat God hem een ander ambt had bevolen. En hieruit blijkt, dat door de staf van God te voeren, hij zowel als leidsman en als standaarddrager een gelukkige uitkomst van de strijd heeft beloofd; want deze staf alleen was meer waard, dan dat hij met duizend vaandels voorgaande, hen tot in de strijd had gevoerd.
Twee zaken stelde Mozes in het werk, om op de vijand van Gods volk de zege te behalen, nl. strijden en bidden. Terwijl Jozua de vijanden zou aangrijpen, nam Mozes op zich, zijn pogingen te ondersteunen door de strijd van het gebed, waartoe hij dan ook met zijn wonderstaf op de kruin van Horeb zou staan.
Zeer waarschijnlijk doelt de profeet Jesaja in vers 59:19 hierop als hij zegt: “Wanneer de vijand zal komen als een stroom, zal de Geest des Heeren de banier oprichten tegenn hen,” op deze geschiedenis van Mozes.
10. Jozua nu deed, zo als Mozes hem gezegd had; hij verzamelde een uitgelezen schaar van krijgsknechten rondom zich, en trok de volgende dag uit, strijdende tegen Amalek; doch Mozes en tot zijn ondersteuning Aäron; en zijn zwager Hur 1) (spelonk) klommen op de hoogte van de heuvel.
1) Hur, de zoon van Kaleb, de zoon van Hesron, de kleinzoon van Juda, was de grootvader van Bezaleël, de werkmeester van de tent der samenkomst (hoofdstuk 31:2; 1 Kronieken 2:18-20), en volgens een Joodse overlevering de echtgenoot van Mirjam, de zuster van Mozes (hoofdstuk 15:21); ook, volgens hoofdstuk 14:14, nam hij, naast Aäron, een aanzienlijke plaats onder het volk in.
11. En het geschiedde, terwijl Mozes zijn hand met de staf van God ophief, zo was Israël de sterkste; maar terwijl hij zijn hand van vermoedheid liet zakken, dan was Amalek de sterkste.
De strijd werd met afwisselend geluk gestreden; nadat de kinderen van Israël eerst de overhand gehad hadden, moesten zij daarna voor hun vijanden wijken, en konden zij niet eerder weer tegen hen stand houden, dan Mozes op de top van de heuvel weer in staat was, zijn handen op te heffen. Deze afwisseling herhaalde zich verscheidene malen.
Hierdoor moest én Mozes én Israël leren, dat, als straks de overwinning behaald werd, het niet was om hen, maar enkel en alleen uit vrije genade van God.
12. Doch de handen van Mozes werden zwaar; hij kon, hoe hij zich inspande, deze niet meer onafgebroken opheffen; hij moest ze laten zinken, daarom namen zij, zijn begeleiders, (vs.10), wie het nu eerst inde gedachte kwam, wat zij tot zijn ondersteuning moesten doen, een steen, en legden die onder hem, dat hij daarop zat, en niet door langer staan geheel zou uitgeput worden; en Aäron en Hur onderstutten zijn handen, terwijl zij zich naast hem plaatsten, de een aan deze, de rechter-, de ander aan de andere, de linkerzijde, en alzo ieder een van zijn handen vasthield; alzo waren zijn handen zeker; zij waren ondersteund en konden zich in de hoogte houden, totdat de zon onderging, 1) en er was geen afwisseling van krijgsgeluk meer.
1) Daar in de Amalekieten de heidenwereld de strijd tegen het volk van God opende, en in hen, de prototype (het oorspronkelijke beeld) van de aan God vijandige machten, het uit de dienstbaarheid verloste volk des Heeren tegemoet trad, om het komen in de beloofde erfenis te bestrijden, zo had de strijd, die Israël met deze vijand streed, een betekenis als voorbeeld voor de gehele toekomst van Israël. Deze strijd kan het met het zwaard alléén niet overwinnend ten einde brengen, maar alleen door de uit de hoogte toestromende krachten van
God, die het door gebed, onder aanwending van de verleende genademiddelen, zich toeëigenen moet. Zulk een middel heeft Mozes in de staf, door welke hem, als door een kanaal, krachten van almacht aangevoerd worden, en hij wendt ze tot zijn strijdend volk, terwijl hij de handen met de staf biddend tot God opheft, tot hij afgemat is en met het zinken van de handen en van de staf ook het afstromen van de Godskrachten uit de hoogte ophoudt, zodat zijn armen gesteund moeten worden, om tot gehele overwinning van de vijanden opgericht te blijven. Hieruit moest Israël leren, dat het in de strijd met de aan God vijandige machten slechts door onophoudelijk opheffen van zijn handen in gebed de kracht van de overwinning ontvangen zou.
Intussen is ook hier een mooi beeld, hoe regeerders en predikers voor God in het gebed moeten liggen, in tijden van oorlog en in andere nood, daar zij de strijd dan door hun generaals kunnen voeren, gelijk Mozes hier daartoe Jozua verordend heeft; en deze beide (de regeerders en predikers) moeten dan ook hun tot steun zijn, en hen in alle moeilijke gevallen voor God bijstaan, evenals zij zelf zich voor Hem verootmoedigen en hun heerserstaf met gelovige handen tot de Heere moeten opheffen, dat Hij hun de last in genade helpt dragen, en tot al hun arbeid wijsheid en kracht verlenen wil
Zo heeft de Heere er ook in de gemeenten sommigen gegeven die biddend en in dezelfde gemeente wederom anderen die met middelen strijden. Terwijl Mozes bad, streed Jozua; maar ook Jozua wist te bidden en ook Mozes wist als het nodig was te strijden. Nu werd op last van de Heere de arbeid gelijk verdeeld. Want hetzij men worstelt in het gebed, hetzij men strijd met het zwaard, het is voor het geloof een en hetzelfde; daar het toch dezelfde God is, die op beide de gezegende uitkomst moet geven. Zij, die thuis blijven bidden, werken niet minder ijverig aan de goede uitslag mee dan zij die naar buiten uittrokken om te strijden. Daar is verband tussen het gebed van de zwakke en de strijd van de sterke gelovigen.
Mozes heeft door de volstandige opheffig van zijn handen de Kerk een leerzaam voorbeeld nagelaten, om tegen alle bezwaren, die het gebed en het geloof hinderlijk zijn, gewisse en bestendige hulpmiddelen te zoeken, waardoor de trage handen en slappe knieën hemelwaarts worden geheven en vastgemaakt.
Wij hebben hier ook in Mozes een voorbeeld van het veelbetekenende: De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.
Zonder twijfel hief Mozes zijn handen biddend op; dit is echter niet de hoofdzaak in deze geschiedenis; niet het gebed op zichzelf schenkt de overwinning; maar het biddend en gelovig verheffen van de staf van God, als van een Gods-banier, waaronder Israël strijdt. Daarvan hangt Israëls zege over Amalek af. Wij hebben ook een strijd tegen vlees, wereld en duivel. Wie in de geestelijke strijd van zijn ziel alleen van het gebed de zege verwacht, zal de overwinning niet vinden; deze is beloofd op het biddend en gelovig verheffen van de kruisbanier. Veel, alles hing hier af van hetgeen deed. Wat een gewichtig werk is de prediker van het Evangelie opgedragen, en iedere christen, daar des Heeren deugden verkondigen moet en voor zijn Heiland strijden. Zakken uw handen vermoeid neer, broeders, gij geeft het erfdeel van God de vijand over! Het kruis hoog verheven, biddend verheven, gelovig verheven, en de satan zal wijken; want dat kruis van de redding verdraagt hij niet! Verkondigt onder de Heidenen, en doet horen, en werpt een banier op (Jeremia. 50:2), en hij zal van vrees doorgaan naar zijn rotssteen, en zijn vorsten zullen voor de banier verschrikken, spreekt de Heere, die te Zion vuur en te Jeruzalemeen oven heeft Jesaja 31:9). Het kruis van Christus biddend opgeheven, en er zullen zielen worden bekeerd, of God, die het beloofd heeft, zou moeten kunnen liegen. Waar geen zegen is, daar is het het menselijke, het gebed, of iets anders, dat hoger dan de banier, bij u staat. o Heere! geef ons kracht, opdat wij dat kruis, dat kruis alleen verheffen, en, waar wij moe van worden, omdat de arbeid veel is, schik Gij ons daar een Aäron en Hur toe, opdat Israël overwint!.
13. Alzo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte 1) door de scherpte van het zwaard. 2)
1) In het Hebreeuws Wajachalasch. Dit werkwoord betekent wel overwinnen, maar ook verzwakken, zwak maken. Zo ook in het Syrisch. Amalek geheel vernietigen zou niet het werk zijn van Jozua. Wel zou deze de oorlogen van de Heere strijden, maar het vernietigen van de Amalekiet, de erfvijand van Gods volk, was bestemd voor de koningen, in het bijzonder voor David. Ook daarin ligt een typische zin en betekenis. Verzwakken kan Gods dienstknecht de vijanden, maar hen geheel overwinnen, dat zal Hij eenmaal doen, Wiens naam is Koning der Koningen en Heer der Heeren. Onder Amalek en zijn volk hebben wij te verstaan, Amalek en zijn bondgenoten.
2) “Door de scherpte van het zwaard”, eigenlijk door de mond van het zwaard, is een uitdrukking, die dikwijls dient, om daarmee te kennen te geven, dat het zonder uitzondering geschiedt.
14. Toen, aan de avond van die dag van de overwinning, zei de HEERE tot Mozes: Schrijf dit, wat heden geschied is, ter gedachtenis in een 1) boek, gelijk gij zodanig een tot aantekening van de grote daden, waardoor Ik Mij aan uverheerlijkt heb, reeds begonnen zijt, en leg het in de oren van Jozua, 2) a) dat Ik de gedachtenis van Amalek, ter vergelding, dat hij met zijn aanval op u de strijd van de wereld tegen Mijn rijk geopend heeft, geheel uitdelgen zal van onder de hemel! 3)
a) Numeri. 24:20; 1 Samuel. 15:2,3 Deuteronomium. 25:17,18,19
1) Beter, in het boek. Hier wordt voor de eerste maal er melding van gemaakt, dat de Heere iets beveelt op te tekenen. Het doel is tweeledig. Later zou de Heere Israël bevelen, om Ezau geen kwaad te doen (Deuteronomium. 2:4), en nu behoorde Amalek ook tot de nakomelingen van Ezau. Israël moest dus weten en blijven weten, dat Amalek van die bewaring was uitgesloten. Vervolgens, opdat Amalek altijd als de erfvijand van Israël zou aangemerkt worden, welke door Israël niet mocht worden gespaard.
2) “Leg het in de oren van Jozua,” wil zeggen, doe het Jozua in het bijzonder horen. Jozua was de opvolger van Mozes. Hij vooral zou de strijd tegen alle vijanden van Israël te voeren hebben. Daarom moest hij uitdrukkelijk horen, wat de Heere te zeggen had, en voor het overige volk moest het in het boek geschreven worden tot herinnering voor alle geslachten.
3) Dit is geschied onder David. Door hem is Amalek als volk vernietigd, zodat er slechts 400 man zijn overgebleven. (1 Samuel 30:17).
15. En Mozes bouwde, waarschijnlijk op de dag na de slag en zonder twijfel op dezelfde heuvel, waarop hij gedurende de strijd gezeten had, een altaar, 1) om de Heere voor Zijn hulp te danken; en hij noemde deze: Jehova Nissi, dat is: de HEERE is mijn banier. 2)
1) Ongetwijfeld om door een plechtig offer getuigenis te geven van zijn dankbaarheid, en niet alleen van hem zelf, maar ook van het gehele volk, hetgeen de naam zelf van het altaar aanduidt. Want hij wil God niet een standbeeld oprichten, of een altaar met de naam van God versieren, maar hij toont, dat hij dit doel zich voor ogen heeft gesteld, dat de trotse Israëlieten zich in hun voorspoed niet op hun eigen krachten zouden beroemen, maar alleen God de eer van zijn Naam zouden geven.
2) Een banier werd gebruikt bij het leger als veldteken, waarom men zich schaarde. De echte banierdrager verdedigde dan ook altijd het veldteken ten koste van zijn leven, omdat in de banier de eer van het leger gelegen was. Zo zegt Mozes hier van Jehova, dat Hij is zijn teken, met Wie hij zal optrekken, en bij Wie hij zich veilig en zeker waant. Sommigen zijn van mening, dat de vertaling moet zijn, en hij noemde deze (het altaar van) Jehova, mijn banier. Hoe het echter ook zij, Mozes heeft hier willen zeggen, dat de Heere en Hij alleen de Beschermer en Leidsman van zijn volk is, onder wiens bescherming zij veilig zijn, en door wie zij tegen alle vijanden zullen beschermd en verdedigd worden.
16. Nadat Mozes door deze naam de eer des Heeren had uitgesproken, stelde hij tevens op grond van het goddelijk raadsbesluit voor alle volgende eeuwen de strijd tegen Amalek vast, en hij zei: omdat de hand van Amalek op de troon van de HEERE is, 1) zo zal de oorlog van de HEERE tegen Amalek zijn van geslacht op geslacht; de strijd, die Hij heden door onze hand begonnen heeft, heeft Hij niet opgegeven, Hij zal die voortzetten van kind tot kind, totdat Amaleks naam verdelgd is van onder de hemel. Daarom willen wij altijd aan deze strijd denken; een nalaten van die strijd zou een nalaten zijn van onze heilige roeping, om het rijk van God te steunen tegen alle vijandelijke machten van de wereld. (1 Samuel 15:2) 2)
1) Ik twijfel niet, dat, wat gezegd is, omtrent het vernietigen en uitroeien van Amalek, hierdoor bevestigd wordt, dat omdat Hij de Almachtige is, Hij dus ook met dat goddeloze volk de strijd zal voeren. Daarom wordt Zijn hand gezegd op de troon van God te zijn, omdat Hij niet werkeloos in de hemel zetelt, maar Zijn heerschappij oefent in het besturen van de wereld, alsof Hij gezegd zou hebben: God, die machtig heerst, en die door Zijn hand en door Zijn kracht alles tempert en matigt, in stand houdt en vernietigt, zolang Hij op Zijn troon regeert en bekleed is met de hoogste en de te vrezen macht, Hij zal ook niet afhouden, de Amalekieten met Zijn rechtvaardige straffen te achtervolgen.
Het valt niet te loochenen, dat deze plaats zeer moeilijk is, maar toch hebben wij o.i. het woord “hand” hier te houden voor de hand van God. En dan weten we, dat door “hand” Zijn kracht en macht wordt voorgesteld. De bedoeling kan dan niet anders zijn, dat, zolang de hand op de troon van de Heere is, d.i. zolang de Heere regeert, ook er strijd zal zijn tegen de Amalekieten. M.a.w. hier wordt op deze wijze de volkomen vernietiging van de Amalekieten vastgesteld en Israël aangezegd, dat het van geslacht tot geslacht met Amalek had te strijden. Sommigen lezen in plaats van Mk (Troon), Mn (Banier). De bedoeling zou dan zijn: Zolang de hand aan de banier zal zijn, en die banier niet wordt losgelaten, zal er strijd met Amalek zijn. Wij houden ons echter aan het eerste.
2) Van Bir Musa of Massa en Meriba (vs.7 en zie Ex 17.1) zetten de Israëlieten, wellicht op de tweede dag na de slag, hun tocht door het Sjeikdal verder voort, en kwamen na een mars van negen uur op de plaats aan, waar zelfs aan de brede uit het noordoosten komende Wady es-Scheikh de nog bredere van het zuidwesten naar het noordwesten zich uitstrekkende hoge vlakte er-Rabah aansluit. Deze raakt aan het zuideinde onmiddellijk aan het (zie Ex 3.1) beschreven, uit de drie gebergten Dschebel ed Deir, Dschebel Musa en Dschebel el Homs bestaande Horebgebergte. Hier legerde zich Mozes werkelijk met het volk, gelijk hij ook in hoofdstuk 18:5 zegt, aan de berg van God, waarop hem tevoren de engel des Heeren verschenen was; want hij bevond zich aan de ingang van het Jethrodal, dat Dschebel el Deir van Horeb scheidt.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel