Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Toen zongH7891 MozesH4872 en de kinderenH1121 IsraelsH3478 de HEEREH3068 ditH2063 liedH7892, en sprakenH559, zeggendeH559: Ik zal den HEEREH3068 zingenH7891; wantH3588 Hij is hogelijkH1342 verhevenH1342! Het paardH5483 en zijn ruiterH7392 heeft Hij in de zeeH3220 geworpenH7411.
Toen zong Mozes en de kinderen Israels de HEERE dit lied, en spraken, zeggende: Ik zal den HEERE zingen; want Hij is hogelijk verheven! Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen.
KJV
Then sang2
Moses3
and the children4
of Israel5
this song7
unto the LORD,9
and spake,10
saying,11
I will sing12
unto the LORD,13
for he hath triumphed15
gloriously:16
the horse17
and his rider18
hath he thrown19
into the sea.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
De HEEREH3050 is mijn KrachtH5797 en LiedH2176, en Hij is mij tot een HeilH3444 geweest; dezeH2088 is mijn God; daarom zal ik Hem een liefelijke woningH5115 maken; Hij is mijns vadersH1 God, dies zal ik Hem verheffenH7311!
De HEERE is mijn Kracht en Lied, en Hij is mij tot een Heil geweest; deze is mijn God; daarom zal ik Hem een liefelijke woning maken; Hij is mijns vaders God, dies zal ik Hem verheffen!
Ook in dit vers
GodH410
GodH430
KJV
The LORD3
is my strength1
and song,2
and he is become my salvation:6
he7
is my God,8
and I will prepare him an habitation;9
my father's11
God,10
and I will exalt
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
De HEEREH3068 is een krijgsmanH376; HEEREH3068 is Zijn NaamH8034!
De HEERE is een krijgsman; HEERE is Zijn Naam!
KJV
The LORD1
is a man2
of war:3
the LORD4
is his name.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Hij heeft FaraoH6547's wagenenH4818 en zijn heirH2428 in de zeeH3220 geworpenH3384; en de keureH4005 zijner hoofdliedenH7991 zijn verdronkenH2883 in de SchelfzeeH5488.
Hij heeft Farao's wagenen en zijn heir in de zee geworpen; en de keure zijner hoofdlieden zijn verdronken in de Schelfzee.
KJV
Pharaoh's2
chariots1
and his host3
hath he cast4
into the sea:5
his chosen6
captains7
also are drowned8
in the Red10
sea.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
De afgrondenH8415 hebben hen bedektH3680; zij zijn in de dieptenH4688 gezonkenH3381 als een steenH68.
De afgronden hebben hen bedekt; zij zijn in de diepten gezonken als een steen.
KJV
The depths1
have covered2
them: they sank3
into the bottom4
as5
a stone.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
O HEEREH3068! Uw rechterhandH3225 is verheerlijktH142 geworden in machtH3581; Uw rechterhandH3225, o HEEREH3068! heeft den vijandH341 verbrokenH7492!
O HEERE! Uw rechterhand is verheerlijkt geworden in macht; Uw rechterhand, o HEERE! heeft den vijand verbroken!
KJV
Thy right hand,1
O LORD,2
is become glorious3
in power:4
thy right hand,5
O LORD,6
hath dashed in pieces7
the enemy.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En door Uw grote hoogheidH1347 hebt Gij, die tegen U opstonden, omgeworpenH2040; Gij hebt Uw brandenden toornH2740 uitgezondenH7971, die hen verteerdH398 heeft als een stoppelH7179.
En door Uw grote hoogheid hebt Gij, die tegen U opstonden, omgeworpen; Gij hebt Uw brandenden toorn uitgezonden, die hen verteerd heeft als een stoppel.
Ook in dit vers
tegen opstondenH6965
KJV
And in the greatness1
of thine excellency2
thou hast overthrown3
them that rose up against4
thee: thou sentest forth5
thy wrath,6
which consumed7
them as stubble.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En door het geblaasH7307 van Uw neusH639 zijn de waterenH4325 opgehooptH6192 geworden; de stromenH5140 hebben overeind gestaanH5324, als een hoopH5067; de afgrondenH8415 zijn stof geworden in het hartH3820 der zeeH3220.
En door het geblaas van Uw neus zijn de wateren opgehoopt geworden; de stromen hebben overeind gestaan, als een hoop; de afgronden zijn stof geworden in het hart der zee.
Ook in dit vers
stijfH7087
KJV
And with the blast1
of thy nostrils2
the waters4
were gathered together,3
the floods8
stood upright5
as an heap,7
and the depths10
were congealed9
in the heart11
of the sea.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
De vijandH341 zeideH559: Ik zal vervolgenH7291, ik zal achterhalenH5381, ik zal den buitH7998 delenH2505, mijn zielH5315 zal van hen vervuldH4390 worden, ik zal mijn zwaardH2719 uittrekkenH7324, mijn handH3027 zal hen uitroeienH3423.
De vijand zeide: Ik zal vervolgen, ik zal achterhalen, ik zal den buit delen, mijn ziel zal van hen vervuld worden, ik zal mijn zwaard uittrekken, mijn hand zal hen uitroeien.
KJV
The enemy2
said,1
I will pursue,3
I will overtake,4
I will divide5
the spoil;6
my lust8
shall be satisfied7
upon them; I will draw9
my sword,10
my hand12
shall destroy
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Gij hebt met Uw windH7307 geblazenH5398; de zeeH3220 heeft hen gedektH3680, zij zonkenH6749 onder als loodH5777 in geweldigeH117 waterenH4325!
Gij hebt met Uw wind geblazen; de zee heeft hen gedekt, zij zonken onder als lood in geweldige wateren!
KJV
Thou didst blow1
with thy wind,2
the sea4
covered3
them: they sank5
as lead6
in the mighty8
waters.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
O HEEREH3068! wieH4310 is als Gij onder de godenH410? wieH4310 is als Gij, verheerlijktH142 in heiligheidH6944, vreselijkH3372 in lofzangenH8416, doende wonderH6382?
O HEERE! wie is als Gij onder de goden? wie is als Gij, verheerlijkt in heiligheid, vreselijk in lofzangen, doende wonder?
KJV
Who is like unto thee, O LORD,4
among the gods?3
who is like thee, glorious7
in holiness,8
fearful9
in praises,10
doing11
wonders?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Gij hebt Uw rechterhandH3225 uitgestrektH5186, de aardeH776 heeft hen verslondenH1104!
Gij hebt Uw rechterhand uitgestrekt, de aarde heeft hen verslonden!
KJV
Thou stretchedst out1
thy right hand,2
the earth4
swallowed
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Gij leiddetH5148 door Uw weldadigheidH2617 dit volkH5971, dat Gij verlostH1350 hebt; Gij voert hen zachtkens door Uw sterkteH5797 totH413 de liefelijke woningH5116 Uwer heiligheidH6944.
Gij leiddet door Uw weldadigheid dit volk, dat Gij verlost hebt; Gij voert hen zachtkens door Uw sterkte tot de liefelijke woning Uwer heiligheid.
Ook in dit vers
voert zachtkensH5095
KJV
Thou in thy mercy2
hast led forth1
the people3
which4
thou hast redeemed:5
thou hast guided6
them in thy strength7
unto thy holy10
habitation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
De volkenH5971 hebben het gehoordH8085, zij zullen sidderenH7264; weedomH2427 heeft de ingezetenenH3427 van PalestinaH6429 bevangenH270.
De volken hebben het gehoord, zij zullen sidderen; weedom heeft de ingezetenen van Palestina bevangen.
KJV
The people2
shall hear,1
and be afraid:3
sorrow4
shall take hold5
on the inhabitants6
of Palestina.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Dan zullen de vorstenH441 van EdomH123 verbaasdH926 wezen; bevingH7461 zal de machtigenH352 der MoabietenH4124 bevangenH270; alH3605 de ingezetenenH3427 van KanaanH3667 zullen versmeltenH4127!
Dan zullen de vorsten van Edom verbaasd wezen; beving zal de machtigen der Moabieten bevangen; al de ingezetenen van Kanaan zullen versmelten!
KJV
Then1
the dukes3
of Edom4
shall be amazed;2
the mighty men5
of Moab,6
trembling8
shall take hold7
upon them; all the inhabitants11
of Canaan12
shall melt away.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
VerschrikkingH367 en vreesH6343 zal opH5921 hen vallenH5307; door de grootheidH1419 van Uw armH2220 zullen zij verstommenH1826, als een steenH68, totdat Uw volkH5971, HEEREH3068! henen doorkomeH5674; totdatH5704 dit volkH5971 henen doorkomeH5674, dat Gij verworvenH7069 hebt.
Verschrikking en vrees zal op hen vallen; door de grootheid van Uw arm zullen zij verstommen, als een steen, totdat Uw volk, HEERE! henen doorkome; totdat dit volk henen doorkome, dat Gij verworven hebt.
KJV
Fear3
and dread4
shall fall1
upon them; by the greatness5
of thine arm6
they shall be as still7
as a stone;8
till thy people11
pass over,10
O LORD,12
till the people15
pass over,14
which16
thou hast purchased.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Die zult Gij inbrengenH935, en plantenH5193 hen op den bergH2022 Uwer erfenisH5159, ter plaatseH4349, welke Gij, o HEEREH136! gemaakt hebt tot Uw woningH3427, het heiligdomH4720, hetwelk Uw handenH3027 gestichtH3559 hebben, o HEEREH3068!
Die zult Gij inbrengen, en planten hen op den berg Uwer erfenis, ter plaatse, welke Gij, o HEERE! gemaakt hebt tot Uw woning, het heiligdom, hetwelk Uw handen gesticht hebben, o HEERE!
KJV
Thou shalt bring1
them in, and plant2
them in the mountain3
of thine inheritance,4
in the place,5
O LORD,8
which thou hast made7
for thee to dwell in,6
in the Sanctuary,9
O Lord,10
which thy hands12
have established.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
De HEEREH3068 zal in eeuwigheidH5769 en geduriglijkH5703 regerenH4427!
De HEERE zal in eeuwigheid en geduriglijk regeren!
KJV
The LORD1
shall reign2
for ever3
and ever.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
WantH3588 FaraoH6547's paardH5483, met zijn wagenH7393, met zijn ruitersH6571, zijn in de zeeH3220 gekomenH935, en de HEEREH3068 heeft de waterenH4325 der zeeH3220 overH5921 hen doen wederkerenH7725; maar de kinderenH1121 IsraelsH3478 zijn op het drogeH3004 in het middenH8432 van de zeeH3220 gegaanH1980.
Want Farao's paard, met zijn wagen, met zijn ruiters, zijn in de zee gekomen, en de HEERE heeft de wateren der zee over hen doen wederkeren; maar de kinderen Israels zijn op het droge in het midden van de zee gegaan.
KJV
For the horse3
of Pharaoh4
went in2
with his chariots5
and with his horsemen6
into the sea,7
and the LORD9
brought again8
the waters12
of the sea13
upon them; but the children14
of Israel15
went16
on dry17
land in the midst18
of the sea.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
En MirjamH4813, de profetesH5031, AaronsH175 zusterH269, namH3947 een trommelH8596 in haar handH3027; en alH3605 de vrouwenH802 gingenH3318 uit, haar naH310, met trommelenH8596 en met reienH4246.
En Mirjam, de profetes, Aarons zuster, nam een trommel in haar hand; en al de vrouwen gingen uit, haar na, met trommelen en met reien.
KJV
And Miriam2
the prophetess,3
the sister4
of Aaron,5
took1
a timbrel7
in her hand;8
and all the women11
went out9
after12
her with timbrels13
and with dances.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Toen antwoorddeH6030 MirjamH4813 hunlieden: ZingtH7891 den HEEREH3068; wantH3588 Hij is hogelijkH1342 verhevenH1342! Hij heeft het paardH5483 met zijn ruiterH7392 in de zeeH3220 gestortH7411!
Toen antwoordde Mirjam hunlieden: Zingt den HEERE; want Hij is hogelijk verheven! Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort!
KJV
And Miriam3
answered1
them, Sing4
ye to the LORD,5
for he hath triumphed7
gloriously;8
the horse9
and his rider10
hath he thrown11
into the sea.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Hierna deed MozesH4872 de IsraelietenH3478 voortreizenH5265 van de SchelfzeeH5488 af; en zij trokkenH3318 uit totH413 in de woestijnH4057 SurH7793, en zij gingenH3212 drieH7969 dagenH3117 in de woestijnH4057, en vondenH4672 geenH3808 waterH4325.
Hierna deed Mozes de Israelieten voortreizen van de Schelfzee af; en zij trokken uit tot in de woestijn Sur, en zij gingen drie dagen in de woestijn, en vonden geen water.
KJV
So Moses2
brought1
Israel4
from the Red6
sea,5
and they went out7
into the wilderness9
of Shur;10
and they went11
three12
days13
in the wilderness,14
and found16
no water.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Toen kwamenH935 zij te MaraH4785; doch zij kondenH3201 het waterH4325 van MaraH4785 nietH3808 drinkenH8354, wantH3588 het was bitterH4751; daaromH3651 werd derzelver naamH8034 genoemdH7121 MaraH4785.
Toen kwamen zij te Mara; doch zij konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter; daarom werd derzelver naam genoemd Mara.
KJV
And when they came1
to Marah,2
they could4
not drink5
of the waters6
of Marah,7
for they were bitter:9
therefore the name14
of it was called13
Marah.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Toen murmureerdeH3885 het volkH5971 tegenH5921 MozesH4872, zeggendeH559: WatH4100 zullen wij drinkenH8354?
Toen murmureerde het volk tegen Mozes, zeggende: Wat zullen wij drinken?
KJV
And the people2
murmured1
against Moses,4
saying,5
What shall we drink?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Hij dan riepH6817 totH413 den HEEREH3068; en de HEEREH3068 weesH3384 hem een houtH6086, dat wierpH7993 hij in dat waterH4325; toen werd het waterH4325 zoetH4985. AldaarH8033 steldeH7760 Hij het volk een inzettingH2706 en rechtH4941, en aldaarH8033 verzochtH5254 Hij hetzelve,
Hij dan riep tot den HEERE; en de HEERE wees hem een hout, dat wierp hij in dat water; toen werd het water zoet. Aldaar stelde Hij het volk een inzetting en recht, en aldaar verzocht Hij hetzelve,
KJV
And he cried1
unto the LORD;3
and the LORD5
shewed4
him a tree,6
which when he had cast7
into the waters,9
the waters11
were made sweet:10
there he made13
for them a statute15
and an ordinance,16
and there he proved
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
En zeideH559: Is het, dat gij met ernstH8085 naar de stemH6963 des HEERENH3068 uws GodsH430 horenH8085 zult, en doenH6213, wat rechtH3477 is in Zijn ogenH5869, en uw oren neigtH238 tot Zijn gebodenH4687, en houdtH8104 alH3605 Zijn inzettingenH2706; zoH518 zal Ik geenH3808 van de krankhedenH4245 op u leggenH7760, dieH834 Ik op EgyptelandH4714 gelegdH7760 heb; wantH3588 IkH589 ben de HEEREH3068, uw HeelmeesterH7495!
En zeide: Is het, dat gij met ernst naar de stem des HEEREN uws Gods horen zult, en doen, wat recht is in Zijn ogen, en uw oren neigt tot Zijn geboden, en houdt al Zijn inzettingen; zo zal Ik geen van de krankheden op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb; want Ik ben de HEERE, uw Heelmeester!
KJV
And said,1
If thou wilt diligently3
hearken4
to the voice5
of the LORD6
thy God,7
and wilt do10
that which is right8
in his sight,9
and wilt give ear11
to his commandments,12
and keep13
all his statutes,15
I will put19
none of these diseases17
upon thee, which I have brought22
upon the Egyptians:20
for I am the LORD26
that healeth
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Toen kwamenH935 zij te ElimH362, en daarH8033 waren twaalfH8147 waterfonteinenH5869, en zeventigH7657 palmbomenH8558; en zij legerdenH2583 zich aldaarH8033 aanH5921 de waterenH4325.
Toen kwamen zij te Elim, en daar waren twaalf waterfonteinen, en zeventig palmbomen; en zij legerden zich aldaar aan de wateren.
KJV
And they came1
to Elim,2
where were twelve4
wells6
of water,7
and threescore and ten8
palm trees:9
and they encamped10
there by the waters.
Hij is hogelijk verheven!
Hebreeuws, verhogende verhoogd.
Hertaald:
Hij is hogelijk verheven!
Hebreeuws: verhogende verhoogd.
Lied,
Dat is, de materie van mijn lied, of, die mij oorzaak gegeven heeft, om hem met lofzangen te prijzen.
Hertaald:
Lied,
Dat is: het onderwerp van mijn lied, of: Degene die mij aanleiding gegeven heeft om Hem met lofzangen te prijzen.
tot een Heil geweest;
Zie boven, Ex. 14:13.
Hertaald:
tot een Heil geweest;
Zie Ex. 14:13.
liefelijke woning maken;
Of slechts, een woning. Anders, ik zal hem verheerlijken.
Hertaald:
liefelijke woning maken;
Of eenvoudigweg: een woning. Anders: ik zal Hem verheerlijken.
HEERE is Zijn Naam!
Zie Gen. 2:4; Ex. 3:15, en Ex. 6:2.
Hertaald:
HEERE is Zijn Naam!
Zie Gen. 2:4; Ex. 3:15, en Ex. 6:2.
Schelfzee
Dat is, de Rode zee.
Hertaald:
Schelfzee
Dat is: de Rode Zee.
afgronden hebben hen bedekt;
Dat is, de hoge wateren, die als muren overeind stonden, zijn op hen gevallen; Ex. 14:22.
Hertaald:
afgronden hebben hen bedekt;
Dat is: de hoge wateren, die als muren overeind stonden, zijn op hen gevallen; Ex. 14:22.
door Uw grote hoogheid hebt Gij,
Hebreeuws, door de grootheid uwer hoogheid.
Hertaald:
door Uw grote hoogheid hebt Gij,
Hebreeuws: door de grootheid van Uw hoogheid.
die tegen U opstonden,
Dat is, die tegen uw volk opstonden; want al wat tegen Gods volk gedaan wordt, rekent God alsof het hemzelven gedaan ware. Zie Zach. 2:8; Matt. 25:45; Hand. 9:4.
Hertaald:
die tegen U opstonden,
Dat is: die tegen Uw volk opstonden; want alles wat tegen Gods volk gedaan wordt, rekent God Zich toe alsof het Hemzelf aangedaan was. Zie Zach. 2:8; Matt. 25:45; Hand. 9:4.
die hen verteerd heeft als een stoppel
Dit is een afgebroken reden, die volkomenlijk aldus wordt uitgesproken: die hen verslonden heeft, gelijk de stoppels door het vuur verslonden worden.
Hertaald:
die hen verteerd heeft als een stoppel
Dit is een afgebroken zin, die volledig zo luidt: Die hen verslonden heeft, zoals stoppels door het vuur verslonden worden.
door het geblaas van Uw neus
Dit is een omschrijving van den wind; zie Ex. 14:21.
Hertaald:
door het geblaas van Uw neus
Dit is een omschrijving van de wind; zie Ex. 14:21.
stof geworden
Of, gestold.
Hertaald:
stof geworden
Of: gestold.
in het hart der zee
Dat is, in de diepte, of, in het midden der zee, gelijk Ps. 18:16, en Ps. 46:3; Ezech. 28:2; vergelijk Deut. 4:11.
Hertaald:
in het hart der zee
Dat is: in de diepte, of: in het midden van de zee, zoals Ps. 18:16, en Ps. 46:3; Ezech. 28:2; vergelijk Deut. 4:11.
ik zal den buit delen,
Dit placht met vreugde te geschieden, Jes. 9:2. Faraö en de zijnen beloofden zichzelven de victorie, maar het mislukte hun.
Hertaald:
ik zal den buit delen,
Dit gebeurde gewoonlijk met vreugde, Jes. 9:2. Farao en de zijnen beloofden zichzelf de overwinning, maar het mislukte hun.
mijn ziel zal van hen vervuld worden,
Dat is, [gelijk sommigen hier overzetten] ik wil mijn moed aan hen koelen. Zie Job 16:10.
Hertaald:
mijn ziel zal van hen vervuld worden,
Dat is (zoals sommigen dit hier vertalen): ik wil mijn woede op hen koelen. Zie Job 16:10.
ik zal mijn zwaard uittrekken,
Hebreeuws, ik zal mijn zwaard ledig maken.
Hertaald:
ik zal mijn zwaard uittrekken,
Hebreeuws: ik zal mijn zwaard ledig maken.
uitroeien
Of, weder in [mijn] bezitting brengen, of, arm maken.
Hertaald:
uitroeien
Of: weer in mijn bezit brengen, of: arm maken.
verheerlijkt in heiligheid,
Dat is, die met uitnemende grote heiligheid is versierd.
Hertaald:
verheerlijkt in heiligheid,
Dat is: Die met een buitengewoon grote heiligheid is bekleed.
vreselijk in lofzangen,
Dat is, die met groten eerbied en kinderlijke vreze moet aangebeden, geëerd en geprezen worden.
Hertaald:
vreselijk in lofzangen,
Dat is: Die met grote eerbied en kinderlijke vrees aanbeden, geëerd en geprezen moet worden.
de aarde heeft hen verslonden!
Dat is, de bodem of grond der zee.
Hertaald:
de aarde heeft hen verslonden!
Dat is: de bodem, of grond, van de zee.
de liefelijke woning Uwer heiligheid
Versta, het land Kanaän, waar God zijn volk zou geven zijn heiligen godsdienst. Zie Ps. 78:52-54.
Hertaald:
de liefelijke woning Uwer heiligheid
Versta hieronder: het land Kanaän, waar God Zijn volk Zijn heilige godsdienst zou geven. Zie Ps. 78:52-54.
zij zullen sidderen;
Zie de vervulling, Num. 22:3, Num. 22:6; Joz. 2:10-11, en Joz. 5:1; Ps. 68:3.
Hertaald:
zij zullen sidderen;
Zie de vervulling in Num. 22:3, Num. 22:6; Joz. 2:10-11, en Joz. 5:1; Ps. 68:3.
op den berg Uwer erfenis,
Dat is, in het bergachtige land, gelijk Kanaän is; Deut. 11:11. Anderen verstaan hier den berg Moria, waarop naderhand de tempel gebouwd is.
Hertaald:
op den berg Uwer erfenis,
Dat is: in het bergachtige land, zoals Kanaän is; Deut. 11:11. Anderen verstaan hier de berg Moria, waarop later de tempel gebouwd is.
in eeuwigheid en geduriglijk regeren!
Dat is, hier en hiernamaals.
Hertaald:
in eeuwigheid en geduriglijk regeren!
Dat is: hier en hierna.
de wateren der zee over hen doen wederkeren;
Die straks tevoren als muren overeind gestaan hadden, Ex. 14:22.
Hertaald:
de wateren der zee over hen doen wederkeren;
Die kort daarvoor als muren overeind gestaan hadden, Ex. 14:22.
Aärons zuster,
Zij was ook wel Mozes' zuster, maar omdat zij in het afwezen van Mozes langen tijd bij Aäron gewoond had, zo wordt zij daarom Aärons zuster genoemd.
Hertaald:
Aärons zuster,
Zij was ook wel Mozes' zuster, maar omdat zij in de tijd dat Mozes weg was lange tijd bij Aäron gewoond had, wordt zij daarom Aärons zuster genoemd.
met reien
Anders, met fluiten, of, pijpen.
Hertaald:
met reien
Anders: met fluiten, of: pijpen.
antwoordde
De mannen zongen voor, gelijk boven vs.1; de vrouwen zongen dit na.
Hertaald:
antwoordde
De mannen zongen voor, zoals in vers 1; de vrouwen zongen dit na.
Mirjam
Met andere vrouwen.
Hertaald:
Mirjam
Met andere vrouwen.
hunlieden
Te weten, den mannen.
Hertaald:
hunlieden
Namelijk: de mannen.
Hij is hogelijk verheven!
Hebreeuws, verhogende verhoogd.
Hertaald:
Hij is hogelijk verheven!
Hebreeuws: verhogende verhoogd.
Sur,
De naam van een woestijn, tussen Egypte en Arabië. Zie Gen. 16:7.
Hertaald:
Sur,
De naam van een woestijn, tussen Egypte en Arabië. Zie Gen. 16:7.
Mara;
Toen Mozes met de Israëlieten aan deze plaats kwam, heette zij nog niet Mara, dat is, bitterheid; maar zij werd straks daarna zo genoemd, gelijk blijkt in vs.23.
Hertaald:
Mara;
Toen Mozes met de Israëlieten op deze plaats aankwam, heette zij nog niet Mara, dat is: bitterheid; maar zij werd kort daarna zo genoemd, zoals blijkt uit dit vers.
murmureerde het volk tegen Mozes,
Murmureren is kwalijk van God, zijn woord en werken in zijn hart gevoelen, en met de tong onwaardiglijk daarvan spreken.
Hertaald:
murmureerde het volk tegen Mozes,
Morren is: kwaad denken over God, Zijn woord en werken, in het hart, en daar met de tong oneerbiedig over spreken.
toen werd het water zoet
Dit water is zoet geworden tot den dienst en het gebruik der Israëlieten, voor een tijdlang, maar het is niet altijd zo gebleven, gelijk blijkt uit Plin. lib.6, natur. hist. c.29, die te zijner tijd melding maakt van deze bittere wateren. Zie 2 Kon. 2:21.
Hertaald:
toen werd het water zoet
Dit water werd zoet gemaakt voor de dienst en het gebruik van de Israëlieten, voor een bepaalde tijd, maar het is niet blijvend zo gebleven, zoals blijkt uit Plinius, Naturalis Historia, boek 6, hoofdstuk 29, die in zijn tijd melding maakt van deze bittere wateren. Zie 2 Kon. 2:21.
Hij
Te weten, God.
Hertaald:
Hij
Namelijk: God.
het volk een inzetting en recht,
Te weten, het volk van Israël.
Hertaald:
het volk een inzetting en recht,
Namelijk: het volk van Israël.
met ernst naar de stem des HEEREN uws Gods horen zult,
Hebreeuws, horende zult horen.
Hertaald:
met ernst naar de stem des HEEREN uws Gods horen zult,
Hebreeuws: horende zult horen.
Ik ben de HEERE, uw Heelmeester!
God de Heere wil zeggen: Ik ben het, die u aan de ziel en aan het lichaam helen, en voor alle ellenden bewaren kan, tegenwoordige en toekomende.
Hertaald:
Ik ben de HEERE, uw Heelmeester!
God de HEERE wil zeggen: Ik ben het Die u naar ziel en lichaam kan genezen, en u voor alle ellende, huidige en toekomstige, kan bewaren. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Het kind van een Levitisch echtpaar (later genoemd Amram en Jochebed, Ex. 6:20), dat na drie maanden verborgen te zijn geweest in een biezen kistje op de Nijl gelegd werd en door de dochter van Farao gevonden en opgevoed werd; zij gaf hem deze naam 'want ik heb hem uit het water getrokken' (Ex. 2:10). Later, na de doodslag op een Egyptenaar, vluchtte hij naar Midian; van daaruit riep de HEERE hem bij de brandende braambos om Zijn volk uit Egypte te leiden (Ex. 3). Hij is de grote leidsman en wetgever van Israël, en een van de duidelijkste voorafbeeldingen van Christus als Middelaar. De zuster van Mozes en Aäron, waarschijnlijk dezelfde die als meisje bij de Nijl waakte over het biezen kistje met haar broertje Mozes (Ex. 2:4-8), al wordt zij daar nog niet met name genoemd. Hier, na de doortocht door de Rode Zee, treedt zij voor het eerst met naam op als 'de profetes', en gaat zij de vrouwen van Israël voor met tamboerijn, reidans en gezang (Ex. 15:20-21). Later zou zij, samen met Aäron, tegen Mozes morren en daarvoor tijdelijk met melaatsheid gestraft worden (Num. 12). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Ligging: De woestijn die zich ten oosten van de Golf van Suez uitstrekte, tussen de zee en Egypte, op de weg naar Assyrië; in Numeri 33:8 ook "de woestijn van Etham" genoemd. Geschiedenis: Na de doortocht door de Schelfzee trok Israël de woestijn Sur in en reisde er drie dagen zonder water te vinden (Ex. 15:22). Bijbelse betekenis: Het begin van de beproevende woestijnreis, direct na het grote verlossingswonder — een les dat verlossing niet meteen het einde van de beproeving betekent, maar het begin van een weg van vertrouwen. Ex. 15:22; Num. 33:8 Ligging: De eerste pleisterplaats van Israël na de doortocht door de Schelfzee, aan het einde van de driedaagse tocht door de woestijn Sur; vermoedelijk te identificeren met Ain Chawara, een bronwater met een chalkachtige, brakke smaak. Geschiedenis: Hier vond Israël water, maar het was bitter en ondrinkbaar, zodat het volk tegen Mozes murmureerde; op des HEEREN aanwijzing wierp Mozes een stuk hout in het water, waarna het zoet werd. Hier gaf de HEERE Israël ook een eerste inzetting en recht, en beproefde hen (Ex. 15:23-26). Bijbelse betekenis: Het eerste murmureren van het pas verloste volk — een vroeg voorbeeld van hoe snel dankbaarheid in ongeloof kan omslaan, en van hoe de HEERE, ondanks dat ongeloof, toch voorziet en tegelijk beproeft en onderwijst. Ex. 15:23-26; Num. 33:8-9 Ligging: De tweede pleisterplaats na de Schelfzeedoortocht, met twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen; vermoedelijk het huidige Wadi Gharandel, ongeveer zes kilometer van Mara. Geschiedenis: Na de bittere ervaring bij Mara kwam Israël hier aan bij overvloedig water en schaduwrijke palmen, en legerde zich er een tijd bij de wateren (Ex. 15:27; Num. 33:9). Bijbelse betekenis: Een tastbaar contrast met Mara: na de beproeving van het bittere water volgt de verkwikking van twaalf bronnen — evenveel als de stammen van Israël — en zeventig palmen, een beeld van de HEERE'S rijke voorziening na de beproeving. Ex. 15:27; 16:1; Num. 33:9-10 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen functie De zee ligt achter hen en de Egyptenaars liggen aan de oever. Tot op deze bladzijde heeft niemand in de Bijbel gezongen: er is gebeden, geklaagd, gezegend en gevloekt, maar er is nog geen lied geweest. Het eerste lied begint hier, op de verkeerde kant van een zee die weer dicht is. Het eerste lied van de Schrift wordt gezongen op de oever van een doorgang, en het laatste lied van de Schrift is ditzelfde lied, met één naam eraan toegevoegd. Mozes begint met het feit: “Ik zal den HEERE zingen; want Hij is hogelijk verheven! Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen.” De kanttekening merkt bij dat verheven op dat het Hebreeuws een verdubbeling gebruikt, verhogende verhoogd — het lied begint dus al met een woord dat zichzelf niet groot genoeg vindt. Dan komt de regel waar het lied op rust: “De HEERE is mijn Kracht en Lied, en Hij is mij tot een Heil geweest.” Bij dat middelste woord tekent de kanttekening iets aan dat gemakkelijk voorbijgaat: Lied betekent hier de stof van mijn lied, Degene Die mij oorzaak gegeven heeft om Hem te prijzen. God is dus niet alleen Degene voor Wie gezongen wordt; Hij is datgene waarover er iets te zingen valt. Wie Hem wegneemt, houdt geen lied over, alleen een melodie. Deze drie woorden — Kracht, Lied, Heil — blijven niet bij de Rode Zee liggen. Jesaja legt ze eeuwen later in de mond van een volk dat uit een tweede en veel langere gevangenschap terugkomt: “want de Heere HEERE is mijn Sterkte en mijn Psalm, en Hij is mij tot Heil geworden.” Het lied van de zee is dus niet één keer gezongen en toen opgeborgen. Het is een vorm geworden waarin verloste mensen leren spreken. En het lied kijkt verder dan de zangers kunnen zien. Zij staan in het zand van een woestijn waar zij nog geen stap in gezet hebben. En zij zingen over de liefelijke woning Uwer heiligheid, over een planting op een berg, en tenslotte over een regering zonder einde: “De HEERE zal in eeuwigheid en geduriglijk regeren!” De kanttekening vat dat laatste kort samen met: hier en hiernamaals. Daar komt het lied uiteindelijk ook uit. Johannes ziet aan een zee van glas een schare staan die zingt, en hij noteert nauwkeurig wát zij zingen: “het gezang van Mozes, den dienstknecht Gods, en het gezang des Lams”. Niet twee liederen, maar één, met twee namen. Beide keren staat er water; beide keren is het gericht voorbijgegaan; beide keren gaat het lied niet over de zangers maar over Hem. Alleen zingt Israël nog over een paard en zijn ruiter, terwijl daar gezongen wordt: “Groot en wonderlijk zijn Uw werken, Heere, Gij almachtige God”. Hetzelfde lied, verder gekomen. In het Nieuwe Testament: Jesaja 12:2; Openbaring 15:3-4; 1 Korinthe 10:1-2 Hoever dit reikt: Wat vaststaat is dat Openbaring dit lied bij name noemt en het samenvoegt met het gezang van het Lam, en dat Jesaja de kernregel overneemt voor een latere verlossing. Dat elk beeld uit het lied — de wagenen, Palestina, Edom — een eigen tegenhanger in het Nieuwe Testament zou hebben, staat niet vast en wordt hier niet beweerd.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Wanneer wij de geschiedenis van de mensheid lezen, behoren wij daarin de vinger van God te zien, de zilveren draad van Zijn verbondstrouw door de geschiedenis heen te volgen en op te merken hoe de HEERE het paard en zijn ruiter in de zee werpt wanneer zij tegen Hem of tegen Zijn volk optrekken. Gij leiddet door Uw weldadigheid dit volk, dat Gij verlost hebt; Gij voert hen zachtkens door Uw sterkte tot de liefelijke woning Uwer heiligheid. Exodus 15:13 God is in… Toen zong Mozes en de kinderen Israels de HEERE dit lied, en spraken, zeggende: Ik zal de HEERE zingen; want Hij is hogelijk verheven! Het paard en zijn… De HEERE is mijn Kracht en Lied, en Hij is mij tot een Heil geweest; Deze is mijn God; daarom zal ik Hem een liefelijke woning maken; Hij… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Exodus 15
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Het eerste lied van de Bijbel — 15:1-18
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
God is liefde
De sterke arm des Heeren
Een lied met een rijke betekenis


Exodus 15
Exodus 15:1. KruisverwijzingenOpenbaring 15:3→Psalmen 106:12→Exodus 15:21→Jesaja 51:10→Psalmen 107:21→Richteren 5:1→Psalmen 107:15→Psalmen 107:8→
— Toen zong Mozes en de kinderen Israels de HEERE dit lied, en spraken, zeggende: Ik zal den HEERE zingen; want Hij is hogelijk verheven! Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen.
Dit is het eerste loflied tot de HEERE dat in de Heilige Schrift is opgetekend. Uit de vele verwijzingen naar dit lied in de Schrift blijkt duidelijk dat het een diepe geestelijke betekenis heeft. Het leert ons niet alleen God te loven om de letterlijke ondergang van Egypte, maar ook om de ondergang van alle machten van het kwaad en de uiteindelijke verlossing van alle uitverkorenen. Het is Gods bedoeling dat vanaf de dagen van Mozes tot aan het uur waarop de vlammen de werken van de mensen zullen verteren en de hemelen zelf van hitte zullen vergaan, dit overal het lied van Zijn uitverkoren volk zal zijn: “Ik zal den HEERE zingen, want Hij is hogelijk verheven.”
Het lied is geheel aan God gewijd. Het is een gezegende lofprijzing wanneer het eigen ik met de Egyptenaren op de bodem van de zee ligt, wanneer alles wat in ons prijzenswaardig is, wordt toegeschreven aan de genade van God en de HEERE daarvoor wordt verheerlijkt. Alles tot eer van Jezus, en niets dan Jezus! Wij bederven onze lofzang wanneer wij onze gedachten op mensen richten. Laten wij de mensen vergeten, de aarde vergeten, de tijd vergeten, onszelf vergeten, dit sterfelijke leven vergeten en alleen aan onze God denken.
Let erop dat het lied spreekt over wat God heeft gedaan: “het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen.” Er wordt niets gezegd over de daden van Mozes en Aäron, noch over de hoogmoed van de farao of de listen van Jannes en Jambres. Nee, alles is gewijd aan het handelen van de HEERE. Laten wij alle genade die wij ontvangen aan onze God toeschrijven, want Hij heeft al onze werken in ons gewerkt. Hij heeft ons uitverkoren, Hij heeft ons verlost, Hij heeft ons geroepen, Hij heeft ons levend gemaakt, Hij heeft ons bewaard, Hij heeft ons geheiligd en Hij zal ons volmaken in Christus Jezus. Alle eer komt de HEERE toe. Wanneer wij de geschiedenis van de mensheid lezen, behoren wij daarin de vinger van God te zien, de zilveren draad van Zijn verbondstrouw door de geschiedenis heen te volgen en op te merken hoe de HEERE het paard en zijn ruiter in de zee werpt wanneer zij tegen Hem of tegen Zijn volk optrekken.
Let erop dat zij zongen, luid en vol overwinning. Men zou gedacht hebben dat zij de volgende veertig jaar waren blijven zingen. Het was zo’n geweldige overwinning, zo’n machtige verlossing, Gods arm was zo duidelijk voor hun ogen geopenbaard, dat men zou verwachten dat hun gejuich ten minste een leven lang zou voortduren. Maar het duurde slechts korte tijd. Toch, wat een lied was het dat zij zongen! “Ik zal den HEERE zingen, want Hij is hogelijk verheven; het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen.” Wat een overwinningslied is dat voor zielen die door het grote verzoenende offer van Christus verlost zijn van zonde, dood en hel! O, wanneer wij voor het eerst beseffen dat wij door het dierbare bloed van Christus zijn verlost, dan hebben wij werkelijk het verlangen om voortdurend te zingen. Onze zonden zijn weggewassen en wij menen dat wij zullen blijven zingen totdat wij ons voegen bij het lied van de verheerlijkten in de hemel. Zo zou het ook moeten zijn. Maar helaas, de ervaring leert ons dat het niet zo is.
Exodus 15:2.KruisverwijzingenJesaja 12:2→Jesaja 25:1→Psalmen 59:17→Psalmen 118:14→Psalmen 18:46→Psalmen 99:5→Psalmen 145:1→Exodus 3:15→
— De HEERE is mijn Kracht en Lied, en Hij is mij tot een Heil geweest; deze is mijn God; daarom zal ik Hem een liefelijke woning maken; Hij is mijns vaders God, dies zal ik Hem verheffen!
Dankbaarheid zet het hart ertoe aan iets voor God te willen doen. Het verlangt ernaar Hem een woning te bereiden. Maar welke woning zouden wij kunnen bereiden voor Hem Die zelfs door de hemel der hemelen niet kan worden omvat? Alles wat wij ooit kunnen doen, is te gering tegenover de grootheid van Zijn genade en heerlijkheid. “Gij hebt wel gedaan, dat het in uw hart geweest is”, zei de HEERE tegen David, hoewel hij geen woning voor God mocht bouwen. Het is goed dat ook vandaag in ons hart het verlangen leeft om iets, hoe klein ook, tot eer van God te doen. Zoals een oude puritein zegt: wij geven als liefdesteken een beschadigd muntstuk of een bloem die spoedig verwelkt. Niet de waarde ervan maakt het tot een liefdesteken, maar het is een uitdrukking van wat ons hart voelt en zou doen als het daartoe in staat was. Zo is het ook met de HEERE en de dienst die Zijn volk Hem wil bewijzen. Hij neemt onze geringe gaven aan en maakt er iets groots van.
Exodus 15:3–5. KruisverwijzingenPsalmen 24:8→Nehemia 9:11→Psalmen 83:18→Openbaring 19:11→Exodus 3:15→Exodus 14:28→Exodus 15:10→Exodus 14:14→
— De HEERE is een krijgsman; HEERE is Zijn Naam! Hij heeft Farao's wagenen en zijn heir in de zee geworpen; en de keure zijner hoofdlieden zijn verdronken in de Schelfzee. De afgronden hebben hen bedekt; zij zijn in de diepten gezonken als een steen.
Zo is het ook gegaan met alle machten die zich tegen ons hebben verzet. Waar zijn onze zonden gebleven? Heeft de HEERE ze niet in de diepten van de zee geworpen? Jazeker, geloofd zij Zijn Naam tot in eeuwigheid! Evenals Israël aan de overzijde van de Rode Zee loven wij de HEERE, omdat wij verlost zijn uit de hand van de onderdrukker en de farao ons niet langer als slaven vasthoudt. Alleen aan de HEERE komt de eer toe voor onze verlossing.
Exodus 15:6–8. KruisverwijzingenPsalmen 118:15→Psalmen 78:13→Jesaja 51:9→Jesaja 5:24→Exodus 14:21→Job 4:9→Openbaring 2:27→Psalmen 2:9→
— O HEERE! Uw rechterhand is verheerlijkt geworden in macht; Uw rechterhand, o HEERE! heeft den vijand verbroken! En door Uw grote hoogheid hebt Gij, die tegen U opstonden, omgeworpen; Gij hebt Uw brandenden toorn uitgezonden, die hen verteerd heeft als een stoppel. En door het geblaas van Uw neus zijn de wateren opgehoopt geworden; de stromen hebben overeind gestaan, als een hoop; de afgronden zijn stof geworden in het hart der zee.
Wat is er onmogelijk voor God? Het vloeibare wordt vast; de natuur zelf verandert wanneer de God van de natuur Zijn macht openbaart. Vertrouw op God, en Hij zal ook voor u wonderen doen, zoals Hij die voor Zijn volk Israël heeft gedaan.
Exodus 15:9. KruisverwijzingenJesaja 53:12→Richteren 5:30→Lukas 11:22→Exodus 14:5→Genesis 49:27→Habakuk 3:14→Exodus 14:8→Jesaja 10:8→
— De vijand zeide: Ik zal vervolgen, ik zal achterhalen, ik zal den buit delen, mijn ziel zal van hen vervuld worden, ik zal mijn zwaard uittrekken, mijn hand zal hen uitroeien.
Hoe woeden en tieren de machten van de duisternis! Wat een rumoer maken zij! Wat spreken zij grote woorden! Wat koesteren zij wrede plannen tegen Gods volk! Zie daarentegen hoe rustig en onbeweeglijk de HEERE blijft te midden van al hun razernij.
Exodus 15:10. KruisverwijzingenJesaja 11:15→Exodus 14:21→Exodus 15:5→Exodus 14:27→Psalmen 135:7→Psalmen 147:18→Amos 4:13→Genesis 8:1→
— Gij hebt met Uw wind geblazen; de zee heeft hen gedekt, zij zonken onder als lood in geweldige wateren!
Zij bestonden uit niets anders dan lawaai, grootspraak en opschepperij. Maar let op de verheven majesteit van God en hoe gemakkelijk Hij Zich van Zijn tegenstanders ontdeed: “Gij bliest met uw adem, de zee overdekte hen; als lood zonken zij in geweldige wateren.”
God hoeft slechts Zijn adem te gebruiken, en zij zijn verdwenen, samen met al hun grootspraak. Eén woord uit Gods mond kan al onze twijfels en angsten wegnemen. De adem van Zijn Geest kan al onze vijanden doen zinken en ons hart vervullen met een lied van vreugde over onze grote verlossing.
Exodus 15:11–13. KruisverwijzingenOpenbaring 4:8→Jesaja 6:3→1 Samuël 2:2→1 Koningen 8:23→Psalmen 77:14→Psalmen 86:8→Deuteronomium 3:24→2 Samuël 7:22→
— O HEERE! wie is als Gij onder de goden? wie is als Gij, verheerlijkt in heiligheid, vreselijk in lofzangen, doende wonder? Gij hebt Uw rechterhand uitgestrekt, de aarde heeft hen verslonden! Gij leiddet door Uw weldadigheid dit volk, dat Gij verlost hebt; Gij voert hen zachtkens door Uw sterkte tot de liefelijke woning Uwer heiligheid.
Het lied krijgt nu een profetisch karakter. Ware vreugde wordt profetisch, tenminste wanneer de vreugde van de aarde is aangeraakt door de gloeiende kool van het hemelse altaar. Wij beginnen God te prijzen “voor alle genade die wij nog niet hebben gesmaakt”, zoals Israël hier doet. Zij loven de HEERE omdat Hij Zijn volk door de woestijn zal leiden en hen naar Zijn heilige woning zal brengen, terwijl zij nog maar pas aan het begin van hun reis staan.
Exodus 15:14–15. KruisverwijzingenJozua 5:1→Jozua 2:11→Jozua 9:24→Deuteronomium 2:25→Numeri 14:14→Jozua 2:9→Genesis 36:40→Numeri 22:5→
— De volken hebben het gehoord, zij zullen sidderen; weedom heeft de ingezetenen van Palestina bevangen. Dan zullen de vorsten van Edom verbaasd wezen; beving zal de machtigen der Moabieten bevangen; al de ingezetenen van Kanaan zullen versmelten!
Dat wil zeggen: de heidense volken die destijds het land Palestina bewoonden. “Zij zullen sidderen; weedom heeft de ingezetenen van Palestina bevangen.”
Wanneer zij horen welke grote dingen de HEERE voor Zijn volk heeft gedaan, zullen zij beseffen dat de dag van hun ondergang is aangebroken. Wie kan standhouden tegenover zo’n machtige God? Toch zijn er ook in onze tijd mensen wier hart nog harder en onverzettelijker is dan dat van de vorsten van Edom en de machtige mannen van Moab. Zij horen over Gods oordelen over de goddelozen en over het verschrikkelijke einde van de onbekeerden, en toch durven zij de HEERE te trotseren en in hun boze wegen voort te gaan.
Exodus 15:15. KruisverwijzingenJozua 5:1→Jozua 2:9→Jozua 2:11→Genesis 36:40→Deuteronomium 2:4→Numeri 22:3→Nahum 2:10→Numeri 20:14→
— Dan zullen de vorsten van Edom verbaasd wezen; beving zal de machtigen der Moabieten bevangen; al de ingezetenen van Kanaan zullen versmelten!
Deze grote daad van God zou in heel Palestina worden verteld en telkens opnieuw worden doorgegeven. De inwoners zouden beseffen dat hun einde nabij was, want wie kon standhouden tegenover de machtige God van Israël?
Exodus 15:16.KruisverwijzingenPsalmen 74:2→Deuteronomium 2:25→Jozua 2:9→1 Samuël 25:37→1 Petrus 2:9→Jeremia 31:11→Titus 2:14→Deuteronomium 11:25→
— Verschrikking en vrees zal op hen vallen; door de grootheid van Uw arm zullen zij verstommen, als een steen, totdat Uw volk, HEERE! henen doorkome; totdat dit volk henen doorkome, dat Gij verworven hebt.
“Verschrikking en vrees zal op hen vallen; door de grootheid van Uw arm zullen zij verstommen als een steen; totdat Uw volk, HEERE, henen doorkome, totdat dit volk henen doorkome, dat Gij verworven hebt.” Het bleef inderdaad stil! Gedurende de veertig jaar dat de Israëlieten in de woestijn waren, werden zij nauwelijks aangevallen. En als dat al gebeurde, was het niet door de inwoners van Kanaän, maar door de rondtrekkende Amalekieten, die de achterhoede aanvielen. Het is opmerkelijk dat na de ondergang bij de Rode Zee geen leger uit Egypte optrok om Gods volk lastig te vallen, en evenmin kwam er iemand uit Kanaän om hun de weg te versperren. Wanneer God slaat, vervult Hij Zijn tegenstanders met vrees voor iedere volgende strijd.
Exodus 15:16–18. KruisverwijzingenPsalmen 74:2→Psalmen 44:2→Psalmen 10:16→Psalmen 29:10→Deuteronomium 2:25→Jozua 2:9→1 Samuël 25:37→Psalmen 80:8→
— Verschrikking en vrees zal op hen vallen; door de grootheid van Uw arm zullen zij verstommen, als een steen, totdat Uw volk, HEERE! henen doorkome; totdat dit volk henen doorkome, dat Gij verworven hebt. Die zult Gij inbrengen, en planten hen op den berg Uwer erfenis, ter plaatse, welke Gij, o HEERE! gemaakt hebt tot Uw woning, het heiligdom, hetwelk Uw handen gesticht hebben, o HEERE! De HEERE zal in eeuwigheid en geduriglijk regeren!
Wat moet die laatste toon machtig hebben geklonken uit de honderdduizenden mannenstemmen! Ook de vrouwen zullen hem met onuitsprekelijke vreugde hebben meegezongen, terwijl zij op hun tamboerijnen sloegen en voor de HEERE dansten.
Exodus 15:17–21.Kruisverwijzingen1 Samuël 18:6→Richteren 11:34→Psalmen 44:2→Psalmen 10:16→Psalmen 29:10→Numeri 26:59→Psalmen 150:4→Exodus 15:1→
— Die zult Gij inbrengen, en planten hen op den berg Uwer erfenis, ter plaatse, welke Gij, o HEERE! gemaakt hebt tot Uw woning, het heiligdom, hetwelk Uw handen gesticht hebben, o HEERE! De HEERE zal in eeuwigheid en geduriglijk regeren! Want Farao's paard, met zijn wagen, met zijn ruiters, zijn in de zee gekomen, en de HEERE heeft de wateren der zee over hen doen wederkeren; maar de kinderen Israels zijn op het droge in het midden van de zee gegaan. En Mirjam, de profetes, Aarons zuster, nam een trommel in haar hand; en al de vrouwen gingen uit, haar na, met trommelen en met reien. Toen antwoordde Mirjam hunlieden: Zingt den HEERE; want Hij is hogelijk verheven! Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort!
Zij zongen als in een oratorium. Mirjam zong de solo en alle vrouwen vielen in met het jubelende koor. En terecht verheugden zij zich over de grote verlossing die de HEERE voor hen had gewerkt.
Exodus 15:19–22. Kruisverwijzingen1 Samuël 18:6→Richteren 11:34→Numeri 26:59→Psalmen 150:4→Exodus 15:1→Exodus 14:28→Psalmen 149:3→Exodus 2:4→
— Want Farao's paard, met zijn wagen, met zijn ruiters, zijn in de zee gekomen, en de HEERE heeft de wateren der zee over hen doen wederkeren; maar de kinderen Israels zijn op het droge in het midden van de zee gegaan. En Mirjam, de profetes, Aarons zuster, nam een trommel in haar hand; en al de vrouwen gingen uit, haar na, met trommelen en met reien. Toen antwoordde Mirjam hunlieden: Zingt den HEERE; want Hij is hogelijk verheven! Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort! Hierna deed Mozes de Israelieten voortreizen van de Schelfzee af; en zij trokken uit tot in de woestijn Sur, en zij gingen drie dagen in de woestijn, en vonden geen water.
Aanvankelijk waren zij bevreesd voor te veel water, voor de golven van de zee. Nu werden zij bang omdat er te weinig water was. Zouden hun lofzangen al na drie dagen verstommen? Ja, inderdaad. Aan het einde van de derde dag kwamen zij bij waterbronnen, maar het water was brak en bitter.
Exodus 15:23–24. KruisverwijzingenNumeri 33:8→Ruth 1:20→Exodus 16:2→Exodus 14:11→Judas 1:16→Numeri 17:10→Numeri 16:11→1 Korinthe 10:10→
— Toen kwamen zij te Mara; doch zij konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter; daarom werd derzelver naam genoemd Mara. Toen murmureerde het volk tegen Mozes, zeggende: Wat zullen wij drinken?
Ach, wat waren deze zangers spoedig van toon veranderd! Waar waren nu de tamboerijnen? “En het volk murmureerde.”
Exodus 15:24–27. KruisverwijzingenDeuteronomium 7:15→Psalmen 103:3→Psalmen 147:3→Exodus 23:25→Exodus 16:2→Richteren 3:4→Deuteronomium 8:2→Exodus 14:10→
— Toen murmureerde het volk tegen Mozes, zeggende: Wat zullen wij drinken? Hij dan riep tot den HEERE; en de HEERE wees hem een hout, dat wierp hij in dat water; toen werd het water zoet. Aldaar stelde Hij het volk een inzetting en recht, en aldaar verzocht Hij hetzelve, En zeide: Is het, dat gij met ernst naar de stem des HEEREN uws Gods horen zult, en doen, wat recht is in Zijn ogen, en uw oren neigt tot Zijn geboden, en houdt al Zijn inzettingen; zo zal Ik geen van de krankheden op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb; want Ik ben de HEERE, uw Heelmeester! Toen kwamen zij te Elim, en daar waren twaalf waterfonteinen, en zeventig palmbomen; en zij legerden zich aldaar aan de wateren.
Zij bleven waarschijnlijk maar enkele uren in Mara.
Exodus 15:27. KruisverwijzingenNumeri 33:9→Ezechiël 47:12→Openbaring 22:2→Openbaring 7:17→Jesaja 12:3→
— Toen kwamen zij te Elim, en daar waren twaalf waterfonteinen, en zeventig palmbomen; en zij legerden zich aldaar aan de wateren.
Elim moet door God Zelf voor Israël zijn voorbereid. Twaalf waterbronnen — evenveel als het aantal stammen. Zeventig palmbomen — evenveel als het aantal oudsten. Het verbaast mij niet dat Mozes deze aantallen nauwkeurig vermeldde. Het moet opmerkelijk zijn geweest dat de bronnen en de palmbomen al gereedstonden, lang voordat zij daar aankwamen. Het is veelzeggend dat alles was voorbereid overeenkomstig het aantal van de kinderen van Israël. Maar ook al het overige wordt volgens dezelfde regel bestuurd. Toen de HEERE de volken verdeelde, stelde Hij hun grenzen vast met het oog op het aantal van de kinderen van Israël. Volgens diezelfde maatstaf bouwt Hij nog steeds Zijn Kerk. Heel Zijn voorzienig bestuur wordt bepaald door Zijn gedachten over Zijn eigen volk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
LOFZANG VAN MOZES, BITTER WATER ZOET GEMAAKT.
I. Exodus 15 vers 1-21
Het geloof, gesterkt door de ondervonden wonderen van Gods hulp, stort zich in een triomflied van dankbaarheid uit, dat op de plaats zelf uit het hart van Mozes, vol heilige, dichterlijke geestdrift, als uit een frisse bron ontsprong. Door hem aan het volk voorgezegd, wordt het door een koor van mannen gezongen, waarop Mirjam antwoordt, verenigd met een koor van vrouwen, begeleid door trommels en in reien. Het lied, gemakkelijk te verstaan, prijst de grote dingen, die God in de afgelopen nacht gedaan heeft, om Zijn gericht over Zijn tegenstanders te houden, en Zijn volk te verlossen; vervolgens ziet de zanger met vrolijk vertrouwen in de nabije toekomst van Israël, zelfs in de tijd van de eeuwigheid (vrgl.Psalm. 114).
1. Toen, 1) op de morgen na die roemrijke redding, zong Mozes, en onder zijn leiding, de kinderen van Israël de HEERE dit lied, en spraken, zeggende: a) Ik zal de HEERE zingen, 2) want b) Hij is hoog verheven! 3) Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen. 4)
a) Psalm. 106:12 b) Jesaja. 57:15
1) Dit lied nu brengt Mozes niet slechts voor tot getuigenis van zijn dankbaarheid, maar ook tot bevestiging van de geschiedenis. Want hij geeft de Israëlieten niet in de mond, wat zij gezongen hebben, omtrent een onbekende zaak, maar hij plaatst hen als openbare getuigen voor het voetlicht, opdat alle geslachten zouden weten, dat niets tot dusverre geschreven is, hetwelk niet als uit één mond zes maal honderdduizend man verklaarde en tegelijk met hen hun vrouwen en kinderen. Daarom gaat Mozes hen, volgens zijn roeping en plicht, voor, maar door het mede instemmen van het volk, is de goedkeuring erop gevolgd, die meer gewicht in de schaal legt, dan alle tegenspraak.
Dit lied bestaat uit twee grote delen; in het eerste wordt de Redder bezongen (vs.1-10), en in het tweede het geredde volk (vs.11-18)
2) Wie verlost is, is verheugd, is dankbaar, is in een opgewekte stemming, en wil zingen, en zingt werkelijk, is het niet met de lippen, dan toch in het hart. Mocht dit slechts meer in ons gevonden worden! De kinderen van Israël nu zongen de Heer. Hij was het voorwerp van hun lied, Zijn daden het onderwerp. Trouwens de liederen van het Schrift zijn van die van de ongewijde oudheid juist daardoor onderscheiden, dat de eersten alleen God en Zijn daden, en de laatsten de mens en zijn daden bezingen.
Wat dunkt u, mijn ziel! wat is meer, verlost te zijn van de slavernij van Egypte of van die van de duivel; de ticheloven ontkomen te zijn of de hel; op reis te zijn naar Kanaän onder Mozes of naar de hemel onder begeleiding van Gods zoon? Oh, waarom is mijn wandelen geen huppelen, mijn spreken geen zingen! Zing, zing dan, mijn ziel! de Heer, en gij tienduizenden herhaalt dat lied, want de Heer heeft mijn ziel gered!.
3) Niet eigen kracht en moed zal Mozes er in verheerlijken, maar hij zal de Heere een lied zingen. Hij en Hij alleen is het waardig voorwerp van zijn lofgezangen. Waar de heiden alleen een oog heeft voor de roemrijke daden van de mens, daar zal hij de Heere verheerlijken, die het begin en de oorsprong en voleinder van alles is. In de grondtekst staat eigenlijk: “Zeer verheven is de Heere.” De LXX vertaalt: Laat ons de Heere zingen, want Hij heeft zich heerlijk verheerlijkt. Het is de heilige zanger erom te doen, de verhevenheid van Jehova op het breedst uit te meten.
4) Wel blijkt hieruit duidelijk, hoe Mozes ook de strafoefenende gerechtigheid van God over zijn vijanden verheerlijkt. Hij kent niets van dat weke, dat bij velen gevonden wordt, die eigenlijk de Heere een verwijt ervan maken, dat Hij de zondaar straft.
Het flauw gevoel van Gods onkreukbare heiligheid en van de diepe strafwaardigheid van de zonde heeft bij velen het gevolg, dat zij dit lied niet mee willen zingen, maar, in plaats van bij de ondergang van farao en zijn heer te zingen: “Aldus zal God al Zijn vijanden oordelen!” zouden zij de tiran en zijn helpers graag gespaard hebben gezien. Doch de gelovige zegt: Waar God die én liefde én de volkomen rechtvaardigheid is, niet spaart, daar mag ik niet willen sparen, of ik stel mijn liefde boven de liefde van God, en dat zij verre! Ik mag wenen over degenen, die verloren gaan, gelijk de Heere weende over Jeruzalem, maar ik moet Gods oordelen, over hen goedkeuren, gelijk de Heere het deed ten opzichte van Jeruzalem.” Ook de zaligen in de hemel zongen van Gods oordelen over Zijn vijanden.
2. a) De HEERE is mijn kracht 1) en mijn lied; 2) en Hij is mij tot een heil geweest; deze is mijn 3) God, daarom zal ik hem een liefelijke woning maken; 4) Hij is mijn vaders God, 5) daarom zal ik Hem verheffen!
a) Psalm. 18:2; 118:14 Jesaja. 12:2
1) Niet door eigen kracht was Israël door de Schelfzee gegaan. Gelukzalig is de mens, wiens sterkte in Jehovah is, in wiens hart de gebaande wegen zijn (Psalm. 84:6)
2) Hiermee belijden zij, dat zij voor zich van God genoeg versterking hebben verkregen, en zij voegen erbij, dat Zijn genade een hun waardige stof is voor hun lof. De slotsom is, dat zij in God sterk zijn geweest, doch dat zij niet in eigen kracht de vijanden hebben overwonnen, en dat het daarom onrecht zou zijn, om iemand anders dan God alleen te roemen. Men moet eruit opmerken, dat zij de hulp van God verbinden met zijn lof, omdat van al Zijn weldaden dit het doel is, dat wij Hem de eer toebrengen van het door ons ontvangen heil.
Eigenlijk “Mijn sterkte” en “lied.”.
3) “Mijn God” en “mijn vaders God.” Zo noemt Mozes de Heere, om daarmee te betuigen, dat de Heere ver boven alle goden moet geacht worden, dat alle andere goden niets zijn. Hiermee doet dus Mozes en geheel Israël belijdenis van de enige en waarachtige God.
4) Onze Statenvertalers hebben vertaald: Ik zal Hem een liefelijke woning maken. Beter is de vertaling: Ik zal Hem verheerlijken. Zo vertalen de LXX, de Vulgata.
5) Altijd verbindt de gelovige zijn heden met het verleden van zijn vaderen, tot een geestelijke eenheid.
3. 1) De HEERE is een krijgsman: a) HEERE is Zijn naam. 2)
a) Hos.12:6
1) Wilt gij weten hoe Zijn geduchte Naam luidt: Jehova is Zijn Naam. Die hoogheerlijke Naam heeft Hij zelf uitgesproken, maar veel meer nog in doorluchtige krijgsdaden betoond. “De Heere is een krijgsman, een oorlogsheld, een God van legerscharen en Jehova, Jehova Zebaôth is Zijn heilige Naam.” Hoort slechts wat Hij deed. Zijn daad is waardig nimmermeer vergeten te worden. “Hij heeft Farao’s strijdwagens en zijn gehele legermacht in de zee geworpen.” Zijn Macht is onuitsprekelijk groot, want hoe geducht die legermacht was, hoe fier en moedig de hoofdlieden: “Hij heeft de keur van de hoofdlieden doen verdrinken in de Schelfzee.” Daarin blinkt Zijn heilige Gerechtigheid uit. Want nu dekt hen de afgrond en zwaar als steen zonken zij in diepte.
2) Niet alleen dat de Heere zich als een krijgsman had geopenbaard, door farao en zijn heer te vernietigen, maar gelijk Zijn Naam, Zijn Wezen uitdrukt, zo ligt ook in de Naam alles besloten, wat lieflijk en heerlijk is voor Zijn volk, om het te verlossen van alle macht van de vijand. Daarom is Immanuël ook in Zijn lijden een krijgsman, omdat Hij wel als het Lam ter slachtbank wordt geleid, maar ook als de Leeuw uit Juda’s stam heeft overwonnen.
4. Hij heeft farao’s wagens en zijn leger in de zee geworpen, 1) geslingerd; en de keur van zijn hoofdlieden zijn verdronken, gedompeld in de Schelfzee!
1) Eigenlijk geslingerd. Hiermee geeft de Schrijver niet alleen aan, dat het voor de Heere een geringe moeite was, om Farao met zijn zware leger te doen omkomen, maar ook, dat Hij hen zo in de diepte van de zee heeft bedolven, dat er voor hen geen mogelijkheid was om door zwemmen zich te redden. Dit wordt nog nader aangeduid door het volgende vers.
5. a) De afgronden van de zee hebben hen bedekt; zij zijn in de diepten gezonken als een steen.
a) Nehemiah. 9:11
6. 1) a) O HEERE! Uw rechterhand 2) is verheerlijkt in macht; Uw rechterhand, 3) o HEERE! heeft de vijand verbroken! 4)
a) Psalm. 118:15,16
1) Bij vs.6 begint een tweede onderdeel, dat eindigt met vs.10, waarin de Heere verheerlijkt wordt als degene, die de vijand van Gods volk verdelgt, juist wanneer hij meende, dat volk geheel in zijn macht te hebben.
2) God heeft Zijn hand slechts uit te strekken, en de zege is bevochten. Doch juist, omdat God zo snel redt, redt Hij ook zo laat. Verstaat gij dit? Als God begint te redden, dan is de redding ook geschied, daarom stelt God de redding zolang uit, opdat de druk en de benauwdheid haar werking doet; want de geneesheer laat geen trekkende pleister op het lichaamsdeel leggen, opdat het geen pijn doe, maar opdat het wel pijn doet, en trekt; trekt de pleister niet, dan is het niet goed. Zo is het ook hier; doch is de tijd van verlossing daar, dan geschiedt zij in een ogenblik. Zie het aan de vrouw, die twaalf jaar lang de vloed van bloed gehad, en alle middelen beproefd, en al haar geld uitgegeven had. Niet zodra komt haar in de gedachte, het kleed van de Heiland aan te raken, of zij doet het, en het is gedaan met haar kwaal, volkomen gedaan.
3) Tot tweemaal toe schrijft Mozes aan de rechterhand van God toe, wat geschied is, opdat men noch aan een toeval, noch aan mensenwerk zulk een groot wonder zou toeschrijven.
4) Dit slaat niet alleen op Farao, maar in het algemeen op alle vijanden van God. Voor Gods rechterhand, d.i. voor Zijn grote macht en heerschappij, moet tenslotte iedere vijand bukken en zich gewonnen geven.
Gods vijanden zijn onze vijanden. Wij moeten, wij mogen geen andere vijanden hebben. Met onze vijanden moeten wij ons verzoenen, maar Gods vijanden moeten wij haten. “Zou ik niet haten, die U haten, en verdriet hebben in hen, die tegen U opstaan?” vraagt David, en hij antwoordt: “Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij,” (Psalm. 139:21,22). Doch wij moeten ze haten, gelijk God ze haat; met lankmoedigheid, en met de onophoudelijke toeroep: “Laat u met God verzoenen, en al waren u zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij zo rood als karmozijn, zij zullen worden als witte kool” Jesaja 1:8). Doch, wanneer zij niet anders willen dan goddeloos zijn, en, zo als faraö en zijn mannen, optrekken, om Gods volk uit te roeien of te martelen, ja dan mogen, moeten en kunnen wij ons verheugen, als God ze daarin verhindert en hen veroordeelt.
7. a) En door Uw grote hoogheid 1) hebt Gij, die tegen u 2) opstonden, omvergeworpen, 3) Gij hebt uw brandende toorn, 4) als een engel van verderf uitgezonden, die hen verteerd heeft, zoals een verterend vuur een stoppel verbrandt.
a) Exodus. 14:24 Jesaja. 5:24; 47:14 Nah.1:10
1) In het Hebreeuws Berov geoneka, eigenlijk in de volheid van Uw hoogheid.
2) “Tegen U”: van Farao wordt hier gezegd tegen God op te staan. Het was, omdat hij Gods volk vervolgde. De vijanden van de Kerk zijn de vijanden van God. Daarom zegt de Heere ook: “Die u aanraakt, raakt Zijn oogappel aan.” (Zacheria 2:8b)
3) Het woord in de grondtekst, wordt gebruikt bij het omverwerpen van gebouwen, en daarom ook van het vernietigen van hen, die het werk van God tegenwerken. Zie Psalm. 28:5
4) Eigenlijk uw gloed. Door de gloed van Gods aangezicht is Farao verteerd als een stoppel. Hoogstwaarschijnlijk doelt Mozes hier op het zich omwenden van de Heere in de vuurkolom.
8. a) En door het geblaas van uw neus, 1) want die stormwind was het snuiven van Uw toorn, zijn de wateren opgehoopt geworden, de stromen hebben overeinde gestaan als een hoop, zij waren opeen gehoopt tot muren tot onze bescherming; de afgronden zijn stijf geworden in het hart van de zee, 2) zodat uw volk door de diepten een vaste weg heeft gevonden.
a) Jesaja. 63:12,13 Hab.3:10 Psalm. 18:16; 78:13 Jesaja. 44:3
1) Eigenlijk door de adem van uw neus. De LXX, door de geest van uw toorn. Hier wordt gedoeld op de oostenwind, welke de Heere tevoorschijn riep, waardoor de wateren tot twee hopen stonden. De laatste woorden van het vorige vers en het eerste gedeelte van dit vers, behoren als het ware onafscheidelijk bij elkaar. Door het eerste zowel als door het laatste wordt toch uitgedrukt, hoe de Heere geheel alleen, door een enkele blik en door een enkele openbaring van Zijn toorn, farao en zijn knechten heeft vernietigd. Geen mens heeft Hem geholpen. Hij heeft zich als de volstrekt Almachtige geopenbaard. Ook in Psalm. 18:16 wordt dit beeld gebruikt.
2) Beter: de golven zijn stijf geworden in het hart van de zee. Wel beduidt het woord in de grondtekst soms afgrond, maar in de regel zoals hier (Psalm. 33:7; 78:13) en elders golven.
8. a) En door het geblaas van uw neus, 1) want die stormwind was het snuiven van Uw toorn, zijn de wateren opgehoopt geworden, de stromen hebben overeinde gestaan als een hoop, zij waren opeen gehoopt tot muren tot onze bescherming; de afgronden zijn stijf geworden in het hart van de zee, 2) zodat uw volk door de diepten een vaste weg heeft gevonden.
a) Jesaja. 63:12,13 Hab.3:10 Psalm. 18:16; 78:13 Jesaja. 44:3
1) Eigenlijk door de adem van uw neus. De LXX, door de geest van uw toorn. Hier wordt gedoeld op de oostenwind, welke de Heere tevoorschijn riep, waardoor de wateren tot twee hopen stonden. De laatste woorden van het vorige vers en het eerste gedeelte van dit vers, behoren als het ware onafscheidelijk bij elkaar. Door het eerste zowel als door het laatste wordt toch uitgedrukt, hoe de Heere geheel alleen, door een enkele blik en door een enkele openbaring van Zijn toorn, farao en zijn knechten heeft vernietigd. Geen mens heeft Hem geholpen. Hij heeft zich als de volstrekt Almachtige geopenbaard. Ook in Psalm. 18:16 wordt dit beeld gebruikt.
2) Beter: de golven zijn stijf geworden in het hart van de zee. Wel beduidt het woord in de grondtekst soms afgrond, maar in de regel zoals hier (Psalm. 33:7; 78:13) en elders golven.
9. De vijand verstomde niet voor Uw wonderen, want Gij had hem het hart verstokt; hij zei in zijn overmoed: a) Ik zal vervolgen, ik zal achterhalen, ik zal de buit delen; mijn ziel zal van hen vervuld worden; 1) ik zal mijnzwaard uittrekken; mijn hand zal hen uitroeien. 2)
a) Exodus. 14:23
1) Beter: mijn ziel (of gemoed) zal zich aan hen stillen: (nl. om de straf aan hen te voltrekken), of mijn gemoed zal zich aan hen koelen. In arren moede sprekende wordt hier de vijand voorgesteld. Alles zal in een oogwenk aflopen: het vervolgen, het achterhalen, het zijn wraak aan hen koelen, het zwaard uittrekken en het hen uitroeien.
2) In het Hebreeuws Thorischeemo, eigenlijk zal hun goederen in bezit nemen, d.i.: zal hen uit de bezittingen verdrijven, zal hen vernietigen; zo ook Numeri. 14:12. De gehele ondergang had men besloten, zodat er van Israël als volk niets zou overblijven. Als iemand macht of kracht heeft, en de vrees voor God niet in zijn binnenste woont, die roemt. Zo roemden de Egyptenaren, zo roemt nog heden ten dage ieder mens, die niet uit genade geleerd heeft, dat eigen roem bij de Heere een gruwel is.
Wie macht of kracht heeft, en God niet vreest, die roemt. Zo roemden de Egyptenaren, zo roemt nog heden ieder mens, die niet geleerd heeft, dat eigen roem een afschuw is voor God.
10. Gij die in de hemel zit, hebt gelachen met die dwaze overmoed; a) Gij hebt met uw wind 1) ten tweede maal geblazen (hoofdstuk 14:27); de zee heeft hen bedekt! zij zonken onder als lood 2) in geweldige wateren, in wateren, die in hun machtig bruisen de heerlijkheid van hun Schepper roemden.
a) Psalm. 74:13; 106:11
1) De wind wordt in het bijzonder van de Heere genoemd. 1e. Omdat deze doorgaans in de Godgewijde bladen voorkomt als een zonderling bewijs van de grootheid van Gods macht. 2e. Omdat Hij die als een bijzonder middel gebruikt, om iets uit te voeren; zoals deze ook hier geschikt was, en ook gediend had, om een grote zaak te bevorderen en uit te voeren. 3e. In het bijzonder worden zeer zware winden, winden, die de Heere ongemeen en enigszins als wonderdadig verwekt, winden van God genoemd. Zo wordt van een geweldige wind gesproken als van een wind van de Heere (Hos.13:5). Ook wordt de wind van de Heere, zoals Hij die gebruiken wil tot Zijn bijzonder voornemen, ook wel Zijn schelden genoemd.
2) Hiermee wordt aangeduid, dat het wegzinken plotseling en volkomen plaats had. Gelijk lood terstond naar de diepte gaat, zonder nog heen en weer te dwarrelen zoals steen of glas. Het woord “geweldige” duidt volgens de grondtekst aan, dat die wateren, in hun bruisen, de heerlijkheid van God verkondigden.
11. 1) O HEERE! wie is als Gij 2) onder degenen, die goden 3) genoemd worden (hoofdstuk 18:11 Jesaja. 10:6? Gij alleen zijt God! wie is als Gij, verheerlijkt in heiligheid; 4) Uw heiligheid heeft zich in die ondergang van farao verheerlijkt, Gij zijt vreselijk in lofzangen, 5) groot is Uw roem, het voorwerp van liederen in hemel en op aarde. Gij zijt God, a) doende wonder.
a) Psalm. 72:18
1) Bij vs.11 begint het 2de hoofddeel van dit lied, en van dit 2de hoofddeel, het eerste onderdeel.
2) De gewijde dichter geeft met die uitroep te kennen: 1e. De beweging van zijn gemoed en zijn diepe verwondering, als kan hij geen woorden vinden, om de roem van zijn Goddelijke weldoener, die verheven is boven alle lof en prijs, naar waarde vermelden. 2e. Daardoor geeft hij te kennen, hoe volkomen overtuigd hij is, dat God een onbegrijpelijke en onvergetelijke heerlijkheid en majesteit bezit.
3) “Goden,” niet machtigen, zoals het woord ook kan vertaald worden. In de ondergang van farao en zijn leger heeft Jehova, de Heere, getoond, dat Hij de enige God is, die wonderen doen kan.
4) In heiligheid heeft God zich verheerlijkt, toen Hij zijn strafeisende gerechtigheid aan farao oefende. Heiligheid is die deugd of eigenschap van God, waardoor Hij Zijn onkreukbare liefde toont, welke Hij heeft voor al Zijn volmaaktheden, en uit kracht waarvan, Hij niets kan dulden, dat Hem ongelijk is.
5) Een verheven uitdrukking, waardoor de dichter wil zeggen, dat de Heere zo vreselijk is en zich openbaart in Zijn woorden en daden, dat de mens als het ware met vrezen en beven Zijn lof moet bezingen; zulk een heilige vrees moet hebben voor de Heere, dat hij met het diepst ontzag vervuld moet zijn, als hij de Naam des Heeren looft.
12. Gij hebt uw rechterhand uitgestrekt, de aarde heeft hen verslonden, 1) gelijk een wild dier verslindt dat in de geopende afgrond van de zee zijn muil open doet.
1) Met deze woorden verwijdt zich de blik van de zanger tot alle wonderdaden van de Heere, welke in iedere wonderdaad, aan de Egyptenaren betoond, besloten liggen. De woorden zien niet meer op de vernietiging van farao en zijn leger. Wat Egypte ervaren heeft, dat zullen alle vijanden van de Heere en van Zijn volk wedervaren.
13. Gij leidde 1) door uw weldadigheid en Gij zult het zeker verder leiden (zie “Ge 4.24” en zie “Ge 48.22), dit volk, dat Gij verlost hebt; Gij voert hen zachtjes door Uw sterkte tot de liefelijke woning van Uw heiligheid 2) naar het land Kanaän, waar Gij Uw tent zult opslaan, om daar te blijven wonen.
1) Mozes vermaant daarom het volk, dat het met sterk en opgewekt verlangen zich moet haasten naar het hun beloofde land, omdat God zijn volk niet midden in de loop in de steek zou laten, en om die reden verheerlijkt hij op bijzondere wijze de verlossing, alsof hij wilde zeggen, dat niet zonder doel het volk uit de tegenwoordige ellende was gerukt, maar dat God, die begonnen was, ook voortdurend hun leidsman zou zijn.
2) “Tot de lieflijke woning van uw heerlijkheid” of, tot uw heilige woning. Ongetwijfeld hebben wij daaronder te verstaan het land Kanaän. Het land, dat door de openbaring aan Abraham, Israël en Jakob, een heilige plaats was, en dat straks door het heilig volk van God zou bewoond worden, waarin de Heere God zijn woning zou hebben. Zo ook belooft God (Jeremia. 50:19): “Ik zal Israël terugbrengen tot zijn woning en hij zal weiden”, waarmee Hij duidelijk Kanaän op het oog heeft.
Maar God verlost niet enkel van iets, maar ook tot iets. Na ons verlost te hebben, leidt Hij ons tot de zaligheid. Eerst worden wij door Hem uit de dienstbaarheid van Egypte uitgeleid op één dag, dan in vreemdelingschap de woestijn vele jaren lang doorgeleid, en eindelijk ingeleid in het burgerschap van dat Kanaän, waarvan de druiventrossen zo zwaar waren, dat zij tussen twee mannen moesten gedragen worden. Zó volgt na de verlossing van Christus, de leiding van de Heilige Geest, en Hij leidt ons door dit leven wel zacht, maar toch krachtig genoeg, om te weten, dat Hij het is, die ons leidt, totdat Hij ons leidt in de heerlijkheid.
14. a) De volken hebben 1) het gehoord, zij zullen sidderen; smart heeft de ingezetenen van Palestina 2) bevangen, die reeds eenmaal met een inval in hun gebied bedreigd werden (zie “Ex 1.7).
a) Numeri. 22:3 Deuteronomium. 2:25 Jozua. 10:11
1) Deze lofprijzing staat in verband met de naam, die van zijn kracht uitgaat, omdat het niet mogelijk was, dat de Israëlieten, door zoveel vijandige volkstammen heen zou breken, om naar het land Kanaän te komen, tenzij God, daarin als het ware zijn macht van uit de hemel openbarende, voor hen zou strijden. Daarom opdat geen zeer grote moeilijkheden het volk zouden afschrikken, kondigt Mozes aan, dat, hoe vele en hoe sterke vijanden zich ook tegen hen zouden trachten te stellen, van Gods wege allen schrik zou ingeboezemd worden, zodat hen, verward en ontsteld, geen krachten ten dienste zouden staan om tegenstand te bieden.
Hier wordt als reeds geschied voorgesteld, wat nog moest plaats hebben. In de zin van: Volken zullen het horen, of: Volken horen het.
2) Hebreeuws: “de bewoners van Pelesh”, de Pelisjthim, de Filistijnen, de bewoners van de zuidwestelijke zeekust van Palestina.
15. Die verschrikking zal van volk gaan; want de meest nabijwonende Filistijnen zullen de wonderen van God verhalen, en a) dan zullen de vorsten van Edom verbaasd wezen, die aan de andere zijde wonen (Numeri. 20:18 vv.); beving zal de machtigen van de Moabieten bevangen (Numeri. 22:1 vv.)): al de ingezetenen van Kanaän zullen versmelten 1) (Jozua 2:9 vv.; 9:9).
a) Deuteronomium. 2:4
1) Gelijk was voor het vuur smelt, alzo zullen zij versmelten voor het vuur van Gods aangezicht.
16. a) Verschrikking en vrees zal op hen vallen; 1) door de grootheid van Uw arm zullen zij verstommen als een steen! totdat Uw volk, HEERE! daarheen doorkomt; totdat dit 2) volk door hun landen heen, doorkomt, dat Gij U van nu af tot Uw eigendom verworven hebt.
a) Deuteronomium. 2:25; 11:25
1) Hiermee wil de dichter de kleinmoedige harten van de Israëlieten met goede hoop bezielen. Hij wil hun diep inprenten, dat de Heere, gelijk Hij hen uitgered heeft, er nu ook voor zorgen zal, dat Israël in Kanaän komt. Hij zal niet aflaten van het werk van Zijn kinderen. Zo ook op geestelijk gebied, ten opzichte van alle Zijn gelovigen.
2) Dit volk werd zo-even Uw volk genoemd. Daarmee wordt nogmaals duidelijk gezegd, dat de Heere een bijzonder recht had op dat volk.
17. De kinderen van Israël, die zult Gij brengen naar het hun toegedachte land, en planten1) hen op de berg 2) van Uw erfenis, op Moria, op de plaats, die Gij, o HEERE! gemaakt hebt tot Uw woning, door hetgeen daar eenmaal geschied is (Genesis 22); met dat heiligdom, het middelpunt van Israël, hebt Gij ons volksleven daar gevestigd en vastgemaakt; dit is het heiligdom, dat Uw handen gesticht hebben, o HEERE! 3) opdat Israël rondom dit middelpunt in het land woont.
1) “Gij zult ze planten,” welke zinnebeeldige spreekwijze te kennen geeft, dat ze in een goed land zouden gebracht worden; dat zij daar een bestendige woonplaats zouden hebben; dat ze daar vruchtbaar zouden zijn; dat ze alles, wat tot groei en bloei nodig is, zouden verzorgd worden, zoals men gewoon is, omtrent bomen en planten te doen. Voornamelijk doet ons deze spreekwijze denken aan een geestelijke planting, de weldaden van de genade namelijk, die God Zijn uitverkorenen schenkt, en in welke zin de gelovigen genoemd worden, spruiten van Zijn planting.
Hiermee wordt niet alleen gedoeld op het wonen van Israël in Kanaän, maar voornamelijk op het planten in het huis van God, het doen groeien en bloeien in het heiligdom des Heeren. Daarom zegt ook de dichter van Psalm. 92:14: “Die in het huis van de Heere geplant zijn, die zal gegeven worden te groeien in de voorhoven van onze God.” Israël was bestemd een heilig volk te zijn. En dit zou het alleen kunnen blijven en worden, als het in de gemeenschap met God werd ingezet en bij die gemeenschap gehouden.
2) De berg, hier bedoeld, is de berg, waarop Abraham Izak heeft geofferd, waarop David het offer bracht, waarop Salomo de tempel bouwde, Moria. Hier treedt Mozes dus in de volle glorie van zijn profetisch ambt op. Hij voorziet en voorspelt, wat eeuwen daarna zou geschieden. Heerlijk beeld, Israël als een planting van God op de berg van Gods erfenis, d.i. van Gods erfdeel, ingezet. Dat is het hoogste doel van Jehova’s koningschap over Israël.
3) Ook hier wordt profetisch aangegeven, alsof het reeds bestond. Voor de profeet bestaat er geen tijd. Hij ziet alles wat komen zal als reeds gekomen.
18. De HEERE zal in eeuwigheid en gedurig regeren. 1)
1) Jehova zal zich een koninklijke zetel stichten, over ons, Zijn volk, waarover Hij, als over een uitverkoren volk uit alle de volkeren van de wereld regeert. Aan Zijn rijk zal geen einde zijn; en deze wonderen, de bewijzen van Zijn heerschappij, zullen niet de enige blijven; gedurig zal Hij nieuwe reddende wonderen voor Zijn volk doen.
“De ziel van ons lied is de zalige vreugde over de nu gevestigde gemeenschap tussen Jehova en Israël; terwijl Jehova het volk van Israël van de koning farao verlost heeft, heeft Hij het zichzelf ten eigendom verworven. Deze gemeenschap wordt voorgesteld door de begeleiding van de wonderbare kolom; maar gelijk het pas aangevangen begin voortzetting nodig heeft, zo moet ook deze gemeenschap door een vast en blijvend teken afgebeeld worden. De kolom is een reisgezel, maar Israël zal van rondtrekken tot wonen, uit de vreemdelingschap in het Vaderland komen; daarom moet de zuil van Jehova tot een vaste woning worden, zodat Jehova in het land van Zijn volk een blijvend, een eeuwige plaats verkrijgt.
De lofzang, die Mozes hier in naam van het gehele volk vervaardigde, is het bruidslied van Israël (Jeremia. 2:2 vv.). Jehova heeft Zijn uitverkorene bruid aan de handen van haar verdrukkers ontrukt, en wil haar nu tot het bruiloftsaltaar bij de Sinaï leiden; achter zich heeft het volk in verse herinnering de verlossing uit de dienstbaarheid, voor zich in sterk verlangen de aanstaande verbintenis; nu openbaart het zijn blijdschap in een gezang, tot lof van God.
19. 1) Want farao’s paard, met zijn wagen, met zijn ruiters, zijn in de zee gekomen, en de HEERE heeft de wateren van de zee over hen doen terugkeren; maar de kinderen van Israël zijn op het droge in het midden van de zee gegaan.
1) Met vs.19 begint de 2de onderafdeling van het tweede hoofddoel, begint daarom met “want” als terugslag op hetgeen in vs.1 vv. is gezegd.
20. En Mirjam, de profetes, Aärons zuster, 1) nam, als Mozes in heilige verrukking dit lied vervaardigd en het volk voorgezongen had, a) een trommel in haar hand; en al de vrouwen door haar voorbeeld opgewekt, deden evenzo; zij gingen uit, haar na, naar de plaats, die de mannen aan de oever van de zee hadden ingenomen, met trommels, 2) waarop zij sloegen, en met reien, 3) verblijd de Heere dankende.
a) 1 Samuel. 18:6
1) Doch ofschoon Mozes haar met de erenaam van profetes noemt, bedoelt hij daarom niet, dat haar het ambt om in het openbaar te onderwijzen was gegeven, maar omdat zij voor anderen de leidsvrouw en leermeesteres was geweest.
Mirjam (Grieks Marjam = Maria) heet hier “zuster” niet van Mozes, maar “van Aäron,” hoewel wij haar reeds (hoofdstuk 2:4 vv.) als de verzorgster van Mozes in zijn kindertijd hebben leren kennen. Zij heet zo, omdat Aäron de oudste broeder was (hoofdstuk 7:7); tevens wordt daardoor aangeduid, dat zij in de gemeente wel met Aäron, maar niet met Mozes, de opperste leidsman van het volk en de middelaar van het Oude Verbond, op gelijke trap stond. Een profetes was zij, niet omdat enige ambtelijke waardigheid door haar bekleed werd, maar omdat haar de gave van de Heilige Geest verleend was, de gave van de profetie, niet tot voorspelling, maar om door woorden van de Geest en krachtige redenen op anderen te werken. (Numeri. 11:25 vv.).
2) De Pauk of handtrommel (Tambourin, Aduffa) is een hoepel van hout of metaal, ongeveer een hand breed, welke met een vel is overtrokken. Hierop werd door de vrouwen met de vingers geslagen bij openlijke optochten of bij reien, om de maat aan te geven. Dit muziekinstrument behoort bijzonder in Egypte thuis, en is nog heden in heel het oosten wijd verbreid; tot vermeerdering van het geruis zijn aan de rand van de hoepel dikwijls ronde dunne plaatjes van metaal vastgemaakt.
3) De reien of dansen, gelijk die door vrouwenkoren tot opluistering van nationale feesten, bijzonder van overwinningsfeesten en godsdienstplechtigheden werden uitgevoerd, bestonden in cirkelvormige bewegingen zonder regel met levendige gebaren. Nog heden zijn er in Egypte, wanneer de Nijl begint te wassen, dergelijke heilige optochten van vrouwen met gezang en dans.
Meermalen wordt in het Oude Testament over schone, regelmatige bewegingen van het lichaam, als uitdrukking van heilige geestvervoering gesproken (Richteren. 21:21; 2Sam.5:14 vv.; 1Sam.18:6; Jer.31:4). De dans als middel tot en openbaring van ijdelheid en wellust is zonde, niet wanneer blijdschap in God doet opspringen van vreugde.
21. Toen antwoordde Mirjam, op een vrije wijze herhalende, wat het mannenkoor zo-even onder de leiding van Mozes tot eer van de Heere lofprijzende verkondigd had, en zong hun toe, onder dans en met muziek: Zingt de HEERE, want Hij is hoog verheven! Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort. 1) (vs.1)
1) Door dit deelnemen van de vrouwen werd het eerste lied van Israël tot een gezang van de gemeente. De grondtonen daarvan klinken niet slechts door alle lofzangen van het Oude Testament Jesaja 12); maar het lied van Mozes, de knecht van God, zal ook nog ten dage van de voleinding van het rijk van God, door de overwinnaars, die de zege behouden over het dier en zijn beeld, tegelijk met het loflied van het Lam gezongen worden aan de kristallen zee. (Openb.15:3).
In het Pascha moest de slachting van het Lam van God, in de doorgang door de Rode Zee de doop, in de mannaregen en het water uit de rotssteen, het brood en de wijn van het Avondmaal, in de koperen slang de verhoging van de Zoon des mensen aan het kruis, in het lied van Mozes na de doortocht van de Rode Zee het lied van het Lam na de ingang in het eeuwige Kanaän worden voorbereid, voorafgebeeld en vooraf bezongen.
Op dichterlijke wijze wordt farao hier voorgesteld, als zittende op zijn ros, om daarmee aan te geven, dat hij het hoofd was van het tegen God vijandelijke leger.
Is het koninkrijk Gods blijdschap, waarom vrezen veel christenen dan voor de beurtgezangen en rijen, voor de trommels en luiten, voor de feesten, waar man en vrouw tezamen de Heer loven? Nee! wij zijn in het Nieuwe Verbond niet kariger met vreugde bedeeld dan in het Oude.
II. Exodus 15 vers 22-27
Mozes laat hierop het volk van de Schelfzee opbreken, en leidt het in de woestijn Sur. Op een tocht van drie dagen vindt Israël geen water; nu het vervolgens te Mara komt, kan het het water wegens zijn bitterheid niet drinken en mort tegen Mozes. Deze wendt zich tot de Heere, die hem een hout wijst, door het gebruik waarvan het water zoet wordt. Vervolgens reist Israël naar Elim, en legert zich daar bij twaalf waterfonteinen onder de zeventig palmbomen.
22. Hierna deed Mozes de Israëlieten voortreizen van de Schelfzee af, waar zij na hun doortrekken bij Ayun Musa ongeveer twee dagen gelegerd gebleven waren, en zich van de nodige wintervoorraad voorzien hadden; en zij trokken uittot in de woestijn Sur, 1) (een fort), of Etham (grenzende aan de zee) (Numeri. 33:8), die van het noordeinde van de golf in zuidelijke richting zich uitstrekt tot het voorgebergte Hamman Faron; en zij gingen drie dagen in de woestijn, van de 23ste tot de 25ste Abib, onder een brandend hete hemel, over een oneffen met kei- en vuurstenen bedekte grond, en zij vonden geen water voor zich en hun talrijke kuddes.
1) Van nu aan begon het volk Israël zijn langdurige tocht door de woestijn, die naar het land van de belofte moest voeren. Het noordelijk deel van de Rode Zee is in twee zeearmen gesplitst, de Heroönpolitische en de Elanitische golf, of, gelijk die thans genoemd worden, de golf van Suez en van Akabah. Beide golven omsluiten een schiereiland, dat met het kustland aan de Middellandse zee en de landstreek ten zuiden van Palestina tezamengenomen, de naam draagt van steenachtig Arabië (Arabia Petrea). Het zuidelijk gedeelte van dit land is vol kalk van zandsteenbergen. Het middendeel, als het ware de kern van het gewest, is een granietgebergte, thans Tur, maar in de Schrift Horeb geheten. De woestijn begint daar, waar de overstromingen van de Nijl het land niet meer bereiken, reeds drie dagreizen vóór men aan het strand van de Rode Zee komt. Zij is niet overal zandig, soms treft men hele vlakten aan met keisteentjes overdekt. Op enkele plaatsen worden bronnen gevonden, die weinig, dikwijls zoutachtig water opleveren; waar beter, ruimer en gezonder watergevende bronnen zijn, vindt men grasvelden met palmen, tuingronden, kleine dorpen zelfs, elders ziet men acacia’s en tamarisken. Thans wordt dit schiereiland door vier of zesduizend Arabieren bewoond. Noordelijk van Sinaï, waar zandsteenbergen de granietrotsen vervangen, worden de hoogten geringer, de bergtoppen meer afgrond, de dalen vriendelijker; nog meer noordelijk strekt zich een onvruchtbare zandvlakte uit, die langs een bergrug, bijna overal van gelijke hoogte, van Suez naar Akabah voortloopt. Aan de andere zijde van deze bergrug, El-Tich geheten, ligt de gehele eenzame woestijn, die zich onder diezelfde naam tot aan de Middellandse zee uitstrekt. Hier zijn bronnen uiterst zeldzaam; heinde en ver zijn bomen noch struiken te zien; tussen Sinaï en Gaza is geen enkel dorp. Zeker was deze tocht van Israël door de woestijn voor zijn vorming van het hoogste belang. De Heere lokte en leide hen in de woestijn, om vriendelijk met hen te spreken (Hoz.2:14); daar werd Israël als een vriendelijke jonge maagd Zijn lieve bruid (Jeremia. 2:2). Op geen andere wijze waren zij zo geheel los te maken geweest van de strikken van het heidendom en van de goddeloosheid.
Tevoren (hoofdstuk 14:10 vv.) zagen zij enkel water en geen land, nu zagen zij alleen dor land en geen water; daarom vervielen zij tot grote treurigheid en tot ongeduld. Dat zijn de gewichtigste beproevingen, die God aan ons geloof voorlegt, wanneer Hij ons zo snel van de grootste vreugde van het geloof (hoofdstuk 15:1 vv.) in de grootste treurigheid, uit de zoetste rust in de hoogste onrust laat komen, dan kost het moeite om zijn God getrouw te blijven.
23. a) Toen kwamen zij eindelijk aan een, op een kleine heuvel gelegen bron, die overvloedig water aanbood, te Mara (bitterheid), gelijk men die plaats noemde; doch zij konden het water van Mara niet drinken, want het wat bitter: daarom werd deze Mara genoemd. 1)
a) Numeri. 33:8 Ruth 1:20
1) Heden is die bron, Howare geheten, verzand en geeft slechts weinig water; dit is echter nog heden zo bitter en zoutachtig, dat mensen en kamelen alleen in de grootste nood daarvan drinken
Van Ayun Musa, de plaats, waar het lied van Mozes gezongen werd, op de weg naar Sinaï, wordt eerst te Mara water gevonden, op een afstand dus van ongeveer 33 Engelse mijl. Dit water wordt nog door de Bedoeïenen voor het slechtste water in de gehele omtrek gehouden. De Arabieren noemen het water Howaraton, hetgeen verderf, ondergang betekent, omdat de wateren verderfelijk waren.
24. Toen mopperde het volk tegen Mozes, dat hij hen op zo’n weg geleid had, zeggende: Wat zullen wij drinken? 1)
1) Daar zij nog niet geleerd hadden op God te vertrouwen, nemen zij niet de toevlucht tot Zijn hulp, behalve, dat zij Hem in de persoon van zijn knecht, gebiedend bevelen, hun wensen ter wille te zijn. Want deze vraag: Wat zullen wij drinken, betekent hetzelfde, alsof zij hadden gezegd: Doe met God de zaak af, opdat Hij ons drinken verschaffe. Rechtstreeks spreken zij God niet aan, wiens hulp zij voelen nodig te hebben, omdat ongeloof altijd trots maakt.
Waar zij tegen Mozes mopperden, deden zij het eigenlijk tegen de Heere, die in de wolk- en vuurkolom hun deze weg gewezen had.
25. Hij dan, Mozes, riep tot de HEERE; en de HEERE wees hem een hout, 1) dat wierp hij in dat water; toen werd het water zoet. Aldaar, te Mara, waar de reeks van zijn zegenende en opvoedende wonderen begon, stelde Hij het volk de kinderen van Israël, een instelling, 2) hoe Hij hen verder wilde leiden en regeren, namelijk wonderbaar en genadig, en een recht, dat zij in alle noden zich tot de Goddelijke Helper zouden wenden, en aldaar verzocht Hij hetzelfde. 3)
1) In het Hebreeuws Ets, dat in de eerste plaats boom betekent, maar vervolgens ook hout. Over de betekenis van het bezigen van dit hout wordt verschillend gedacht. Calvijn zegt, dat hij meer tot de mening overhelt, dat er in dit hout wel een natuurlijke verborgen kracht is geweest, maar dat toch ook de smaak van het water door een wonder is verbeterd. Anderen zijn van mening, dat het hout beslist zulk een kracht heeft gehad. Hiertegen strijdt echter, dat de Bedoeïenen, de bewoners van de woestijn, geen hout kennen, dat de bitterheid vermag weg te nemen, en bovenal wordt het hier uitdrukkelijk gezegd, dat God, de Heere, hem een hout aanwees, om het in het water te werpen. In het hout op zichzelf lag volstrekt geen genezende kracht, maar in het hout door het geloof in het water geworpen. Gelijk in het water van de Jordaan voor Naäman op zichzelf geen genezende kracht lag, maar alleen, wanneer hij het woord van de profeet, d.i. het woord van God geloofde zo ook hier. De Heere wil hiermee zeggen, dat Hij in geheel enige zin de Heelmeester is van Israël, zowel om het aardse water, dat bitter was, zoet te maken, als om het te genezen van alle zielekwalen. In Egypte had de Heere het zoete water van de Nijl ondrinkbaar gemaakt, hier maakt Hij voor Zijn volk het bittere water zoet.
2) Nadat God Zijn volk door gebrek aan water had beproefd, liet Hij hen tegelijk door Zijn woord vermanen, om in het vervolg meer gewillig en gehoorzaam zich aan Zijn heerschappij te onderwerpen.
O.i. gaat men te ver, als men meent, dat hier werkelijk statuten en instellingen aan het volk zijn geschonken. Gelijk de Heere tot Abraham kwam, na de geschiedenis met Hagar, om hem te vermanen oprecht voor Hem te wandelen, alzo komt de Heere hier ook tot zijn volk, om het te bepalen bij hun dure roeping, om de Heere te gehoorzamen, en om hen erop te wijzen, dat de Heere met hen zal handelen in een weg van wonderbare bewaring en van wonderbare uitredding.
3) Men zou deze woorden alzo kunnen verstaan, dat God de Israëlieten, eer zij van Mara verder trokken, voorstelde, zich nauwkeurig te onderzoeken, of zij, nu zij zich van het juk van de Egyptische dienstbaarheid verlost zagen, geneigd waren, om Hem te dienen, en zich te enemale op Zijn voorzienigheid te verlaten, dan of zij anders gezind waren, waarna de Heere op hun belofte van gehoorzaamheid, door de mond van Mozes hen voorschreef, hetgeen in het volgende vers gemeld wordt.
Verzoeken moet hier opgevat worden in de zin van op de proef stellen. De Heere stelde hen op de proef, niet alleen door het water te Mara, dat Hij op hun op de weg deed ontmoeten, welke Hij hen had aangewezen, maar ook door hetgeen Hij tot hen sprak, omtrent het onderhouden van Zijn geboden.
26. En Jehova gaf hun de belofte van Zijn bewaring en zei: 1) Is het, dat gij met ernst naar de stem van de HEERE, uw God, luisteren zult, en doen, wat recht is in Zijn ogen, en uw oren neigt tot Zijn geboden, en houdt al Zijn instellingen; zo zal Ik geen van de ziekten of plagen op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb (Exodus. 7:14-12:29). Zó zal het geschieden: want Ik ben de HEERE, uw heelmeester, 2) die alle ziekten ophef en alle plagen wegneem (hoofdstuk 23:25 Deuteronomium. 7:15).
1) Mozes verklaart nu, hoedanig dit statuut of edict geweest is, hetwelk God had gesteld. Want hij handelt hier niet over de gehele wet, welke straks op de berg Sinaï zou gegeven worden, maar over de vermaning, welke gediend had, om de boosheid van het volk te kastijden. De hoofdsom nu is, dat indien de Israëliet God onderdanig en gehoorzaam zouden zijn, Hij zelf op Zijn beurt hun een weldoener zou wezen. En het is tevens een stilzwijgend verwijt, opdat zij zouden weten, dat zij door hun zonde, zich de moeilijkheden hadden op de hals gehaald, welke hun waren wedervaren. De Egyptenaren houdt Hij hen als een voorbeeld voor, wier verzet zij hadden gezien, hetgeen God door grote en zware straffen gewroken had. Wat Hij daarop laat volgen: Ik ben de Heere, uw geneesmeester, doet Hij tot bevestiging, alsof Hij wil zeggen: dat de Israëlieten van dezelfde plagen, welke de Egyptenaren getroffen hadden, waren verschoond, en dat zij, om geen andere oorzaak ongedeerd waren gebleven, dan omdat God hun geneesmeester was geweest.
2) Het bittere water is de wet, of de kennis van de zonde; de boom des levens is het lieve Evangelie, het Woord van Gods genade, barmhartigheid en goedheid. Wanneer het Evangelie het hart aanraakt, waarin de wet treurigheid, schrik en droefheid teweeg brengt, dan smaakt het, en daardoor volgt zoetheid en lust tot de wet.
Jezus is de steen der wijzen, die gezondheid en leven geeft. Jezus verlost van alle pijn; leg Hem op het hart, zo wijken alle smarten. Door Christus wordt de bittere wet zoet, en hebben wij een vermaak in de wet van God naar de inwendige mens.
Dit verhaal doet ons zien, dat God dit volk tot geen ander einde uit Egypte had gevoerd, onder zo veel tekenen en wonderen, dan opdat Hij het aan Hem zou onderwerpen, als hun Heere en God, waartoe zij in of liever door Mozes, d.i. door de dienst van Mozes, zoals Augustinus leert, gedoopt waren in de wolk en in de zee 1 Corinthiers. 10:2), en waartoe Hij hen hier hun verplichting tot het gehoorzamen van Zijn woord, indachtig maakt, als hun Koning, Wetgever en Priester, hen brengende onder de band van het Verbond, welke voorwaarde aan het geloof, werkzaam door de liefde, en de belofte een genadige bewaring voor alle verordende oordelen.
27. Toen 1) kwamen zij, omstreeks de 29ste Abib, de laatste dag van de maand, in het ongeveer een mijl brede rivierdal Elim 2) (prieël van palmbomen); en daar waren twaalf waterfonteinen, en zeventig palmbomen; het scheendus een plaats te zijn, bepaald door Israël tot een rustplaats bereid. Aan ieder van de twaalf stammen bood het een bron van verkwikking voor mensen en vee, en voor de tent van ieder van de zeventig oudsten (hoofdstuk 24:9) de schaduw van een boom; en zij legerden zich aldaar aan de wateren, die, hoewel enigszinszoutachtig, toch verreweg de beste waren van hun hele tocht.
1) “Toen,” nl. nadat zij drie dagen te Mara verblijf hadden gehouden, en een reis van drie uur hadden gemaakt.
2) Het tegenwoordige Wady-Gharendel, tien en een halve mijl ten zuidoosten van Suez. “In de regentijd vindt men hier een aanmerkelijke stroom; thans (in september) was deze uitgedroogd, doch wij vonden daar tamelijk goed water; wij moesten het evenwel een of twee voet onder het zand zoeken, omdat het in aangeven tijd niet geregend had. Omdat er hier geen gebrek aan water is, ziet men hier ook vele bomen, die voor hem, die van Caïro komt, een schoon gezicht opleveren.”
Deze liefelijke Oase, die, als een kleinood afgesloten ligt tussen muren van kalksteenrotsen, moest in tegenstelling tot Mara op Israël de indruk maken, dat de Heere Zijn volk ook in onvruchtbare woestijnen op groene vruchtbare streken en bij frisse wateren leiden kan (Psalm. 23); daar hebben zij een bepaalde tijd rust gehad, misschien van 1-7 van de volgende maand.
De Heere schenkt ons aan deze zijde reeds nu en dan uren van verkwikking, waarin wij iets van die rust smaken, die nog overblijft voor het volk van God, uren, waarin elk gevoel in onze borst jubelt: “mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker.” Het wordt ons in deze zaligste uren van ons leven vergund, met vrije ogen in te zien in de heerlijkheid van onze Heer; van de geheimen van het hemelrijk is als het ware de sluier weggenomen; het hart van onze trouwe God ligt voor ons, en wij lezen daarin als in een open boek. De dierbaarheid van de verlossing grijpt onze ziel aan; alle treurigheid is verdwenen; van alle schuld zijn wij vrij; wij liggen aan de borst van onze Heiland; Zijn vrede doorwaait ons; Zijn licht doorstraalt ons; Zijn kracht doordringt ons; onze ziel heeft haar feestkleed aangetrokken; ons hart vlamt in liefdesvuur; onze gedachten denken slechts aan Hem, aan Hem, in wiens bloed wij ons ontzondigd voelen; door Wiens gehoorzaamheid wij ons gerechtvaardigd en reeds volmaakt weten. Wij zijn in Elim, maar wij zijn nooit lang daarin; wij worden slechts soms in het Elim op deze aarde geleid, opdat wij naar dat aan de andere zijde van het graf leren verlangen.
En toch vormen deze twee legerplaatsen duidelijk een bewuste en bedoelde tegenstelling. Het is reeds zeer juist opgemerkt, dat Mara en Elim tot elkaar in verhouding staan als de geloofsbeproeving en haar vrucht, als de zondige toestand van het Verbondsvolk en de genaderijke ontferming van de Verbondsgod. Mara is uitdrukking van de woestijn, in zoverre dit oord van beproeving, verzoeking en opleidende tucht is; Elim daarentegen in zoverre deze woestijn tevens de plaats van de leiding van de goddelijke genade en van de sluiting van het verbond is. Elim is een rustoord, dat voor Israël niet slechts juist geschikt was, maar ook in de voorzienige leiding van de Heere, met dat doel bepaald was aangewezen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel