Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
In het derdeH7969 jaarH8141 des koninkrijksH4438 van den koningH4428 BelsazarH1112, verscheenH7200 mij een gezichtH2377, mij DanielH1840, naH310 hetgeen mij in het eersteH8462 verschenenH7200 was.
In het derde jaar des koninkrijks van den koning Belsazar, verscheen mij een gezicht, mij Daniel, na hetgeen mij in het eerste verschenen was.
KJV
In the third2
year1
of the reign3
of king5
Belshazzar4
a vision6
appeared7
unto me, even unto me Daniel,10
after11
that which appeared12
unto me at the first.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En ik zagH7200 een gezichtH2377, (het geschieddeH1961 nu, toen ik het zagH7200, dat ikH589 in den burgH1002 SusanH7800 was, welkeH834 in het landschapH4082 ElamH5867 is) ik zag dan in een gezichtH2377, dat ikH589 aanH5921 den vloedH180 UlaiH195 was.
En ik zag een gezicht, (het geschiedde nu, toen ik het zag, dat ik in den burg Susan was, welke in het landschap Elam is) ik zag dan in een gezicht, dat ik aan den vloed Ulai was.
KJV
And I saw1
in a vision;2
and it came to pass, when I saw,4
that I was at Shushan6
in the palace,7
which is in the province10
of Elam;9
and I saw11
in a vision,12
and I was by the river16
of Ulai.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En ik hiefH5375 mijn ogenH5869 op, en ik zagH7200, en zietH2009, eenH259 ramH352 stondH5975 voorH6440 dien vloedH180, die had twee hoornenH7161, en die twee hoornenH7161 waren hoogH1364, en de eenH259 was hogerH1364 danH4480 de andere, en de hoogsteH1364 kwam in het laatsteH314 op.
En ik hief mijn ogen op, en ik zag, en ziet, een ram stond voor dien vloed, die had twee hoornen, en die twee hoornen waren hoog, en de een was hoger dan de andere, en de hoogste kwam in het laatste op.
KJV
Then I lifted up1
mine eyes,2
and saw,3
and, behold, there stood7
before8
the river9
a6
ram5
which had two horns:11
and the two horns12
were high;13
but one14
was higher15
than the other,17
and the higher18
came up19
last.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Ik zagH7200, dat de ramH352 met de hoornen tegen het westenH3220 stietH5055, en tegen het noordenH6828, en tegen het zuidenH5045, en geen dierenH2416 konden voor zijn aangezichtH6440 bestaanH5975, en er was niemandH369, die uit zijn handH3027 verlosteH5337; maar hij deedH6213 naar zijn welgevallenH7522, en hij maakte zich grootH1431.
Ik zag, dat de ram met de hoornen tegen het westen stiet, en tegen het noorden, en tegen het zuiden, en geen dieren konden voor zijn aangezicht bestaan, en er was niemand, die uit zijn hand verloste; maar hij deed naar zijn welgevallen, en hij maakte zich groot.
KJV
I saw1
the ram3
pushing4
westward,5
and northward,6
and southward;7
so that no beasts9
might stand11
before12
him, neither was there any that could deliver14
out of his hand;15
but he did16
according to his will,17
and became great.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Toen ikH589 dit overlegdeH995, zietH2009, er kwamH935 een geitenbokH5795 vanH4480 het westenH4628 overH5921 den gansen aardbodemH6440, en roerdeH5060 de aardeH776 nietH369 aan; en die bokH6842 had een aanzienlijkenH2380 hoornH7161 tussenH996 zijnH1961 ogenH5869.
Toen ik dit overlegde, ziet, er kwam een geitenbok van het westen over den gansen aardbodem, en roerde de aarde niet aan; en die bok had een aanzienlijken hoorn tussen zijn ogen.
KJV
And as I was considering,3
behold, an he6
goat5
came7
from the west9
on the face11
of the whole earth,13
and touched15
not the ground:16
and the goat17
had a notable19
horn18
between his eyes.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En hij kwamH935 tot den ramH352, die de twee hoornenH7161 had, dienH834 ik had zienH7200 staanH5975 voorH6440 den vloedH180; en hij liepH7323 op hem aan in de grimmigheidH2534 zijner krachtH3581.
En hij kwam tot den ram, die de twee hoornen had, dien ik had zien staan voor den vloed; en hij liep op hem aan in de grimmigheid zijner kracht.
KJV
And he came1
to the ram3
that had4
two horns,5
which I had seen7
standing8
before9
the river,10
and ran11
unto him in the fury13
of his power.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En ik zagH7200 hem, nakendeH5060 aan den ramH352, en hij verbitterdeH4843 zich tegenH413 hem, en hij stietH5221 den ramH352, en hij brakH7665 zijn beideH8147 hoornenH7161; en in den ramH352 wasH1961 geenH3808 krachtH3581, om voor zijn aangezichtH6440 te bestaanH5975; en hij wierpH7993 hem ter aardeH776, en hij vertradH7429 hem, en er was niemand, die den ramH352 uit zijn handH3027 verlosteH5337.
En ik zag hem, nakende aan den ram, en hij verbitterde zich tegen hem, en hij stiet den ram, en hij brak zijn beide hoornen; en in den ram was geen kracht, om voor zijn aangezicht te bestaan; en hij wierp hem ter aarde, en hij vertrad hem, en er was niemand, die den ram uit zijn hand verloste.
KJV
And I saw1
him come2
close unto3
the ram,4
and he was moved with choler5
against him, and smote7
the ram,9
and brake10
his two12
horns:13
and there was no power16
in the ram17
to stand18
before19
him, but he cast him down20
to the ground,21
and stamped22
upon him: and there was none that could deliver25
the ram26
out of his hand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En de geitenbokH6842 maakte zich uitermateH1431 groot; maar toen hij sterkH6105 geworden was, brakH7665 die grote hoornH7161, en er kwamen op aanH5704 deszelfs plaatsH8478 vierH702 aanzienlijkeH2380, naar de vierH702 windenH7307 des hemelsH8064.
En de geitenbok maakte zich uitermate groot; maar toen hij sterk geworden was, brak die grote hoorn, en er kwamen op aan deszelfs plaats vier aanzienlijke, naar de vier winden des hemels.
KJV
Therefore the he1
goat2
waxed very5
great:3
and when he was strong,6
the great9
horn8
was broken;7
and for it came up10
four12
notable ones11
toward the four14
winds15
of heaven.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En uit eenH259 van die kwam voortH3318 eenH259 kleineH4704 hoornH7161, welke uitnemendH3499 grootH1431 werd, tegenH413 het zuidenH5045, en tegenH413 het oostenH4217, en tegenH413 het sierlijkeH6643 land.
En uit een van die kwam voort een kleine hoorn, welke uitnemend groot werd, tegen het zuiden, en tegen het oosten, en tegen het sierlijke land.
KJV
And out of one2
of them came forth4
a little7
horn,5
which waxed exceeding9
great,8
toward the south,11
and toward the east,13
and toward the pleasant
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
En hij werd grootH1431 tot aan het heirH6635 des hemelsH8064; en hij wierpH5307 er sommigen vanH4480 dat heirH6635, namelijk vanH4480 de sterrenH3556, ter aardeH776 nederH5307, en hij vertradH7429 ze.
En hij werd groot tot aan het heir des hemels; en hij wierp er sommigen van dat heir, namelijk van de sterren, ter aarde neder, en hij vertrad ze.
KJV
And it waxed great,1
even to the host3
of heaven;4
and it cast down5
some of the host8
and of the stars10
to the ground,6
and stamped
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Ja, hij maakte zich grootH1431 tot aan den VorstH8269 diens heirsH6635, en vanH4480 Denzelven werd weggenomenH7311 het gedurigH8548 offer, en de woningH4349 Zijns heiligdomsH4720 werd nedergeworpenH7993.
Ja, hij maakte zich groot tot aan den Vorst diens heirs, en van Denzelven werd weggenomen het gedurig offer, en de woning Zijns heiligdoms werd nedergeworpen.
KJV
Yea, he magnified4
himself even to the prince2
of the host,3
and by him the daily7
sacrifice was taken away,6
and the place9
of his sanctuary10
was cast down.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
En het heirH6635 werd in den afvalH6588 overgegevenH5414 tegenH5921 het gedurigH8548 offer; en hij wierpH7993 de waarheidH571 ter aardeH776; en deedH6213 het, en het gelukteH6743 wel.
En het heir werd in den afval overgegeven tegen het gedurig offer; en hij wierp de waarheid ter aarde; en deed het, en het gelukte wel.
KJV
And an host1
was given2
him against the daily4
sacrifice by reason of transgression,5
and it cast down6
the truth7
to the ground;8
and it practised,9
and prospered.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Daarna hoordeH8085 ik eenH259 heiligeH6918 sprekenH1696; en de heiligeH6918 zeideH559 tot den onbenoemdeH6422, die daar sprakH1696: TotH5704 hoelang zal dat gezichtH2377 van het gedurigH8548 offer en van den verwoestendenH8074 afvalH6588 zijn, dat zo het heiligdomH6944 als het heirH6635 ter vertredingH4823 zal overgegevenH5414 worden?
Daarna hoorde ik een heilige spreken; en de heilige zeide tot den onbenoemde, die daar sprak: Tot hoelang zal dat gezicht van het gedurig offer en van den verwoestenden afval zijn, dat zo het heiligdom als het heir ter vertreding zal overgegeven worden?
KJV
Then I heard1
one2
saint3
speaking,4
and another6
saint7
said5
unto that certain8
saint which spake,9
How long shall be the vision12
concerning the daily13
sacrifice, and the transgression14
of desolation,15
to give16
both the sanctuary17
and the host18
to be trodden under foot?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
En hij zeideH559 tot mij: Tot twee duizendH505 en driehonderdH7969 avondenH6153 en morgensH1242; dan zal het heiligdomH6944 gerechtvaardigdH6663 worden.
En hij zeide tot mij: Tot twee duizend en driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden.
KJV
And he said1
unto me, Unto two thousand6
and three7
hundred8
days;4
then shall the sanctuary10
be cleansed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
En het geschieddeH1961, toen ik dat gezichtH2377 zagH7200, ikH589 DanielH1840, zo zochtH1245 ik het verstandH998 deszelven, en zietH2009, er stondH5975 voor mij als de gedaanteH4758 eens mansH1397.
En het geschiedde, toen ik dat gezicht zag, ik Daniel, zo zocht ik het verstand deszelven, en ziet, er stond voor mij als de gedaante eens mans.
KJV
And it came to pass, when I, even I Daniel,4
had seen2
the vision,6
and sought7
for the meaning,8
then, behold, there stood10
before me as the appearance12
of a man.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En ik hoordeH8085 tussenH996 UlaiH195 eens mensenH120 stemH6963, die riepH7121 en zeideH559: GabrielH1403! geef dezenH1975 het gezichtH4758 te verstaanH995.
En ik hoorde tussen Ulai eens mensen stem, die riep en zeide: Gabriel! geef dezen het gezicht te verstaan.
KJV
And I heard1
a man's3
voice2
between the banks of Ulai,5
which called,6
and said,7
Gabriel,8
make this10
man to understand9
the vision.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En hij kwamH935 nevens waar ik stondH5977; en als hij kwamH935, verschrikteH1204 ik, en vielH5307 opH5921 mijn aangezichtH6440. Toen zeideH559 hij totH413 mij: VerstaH995, gij mensenkindH1121! wantH3588 dit gezichtH2377 zal zijn tot den tijdH6256 van het eindeH7093.
En hij kwam nevens waar ik stond; en als hij kwam, verschrikte ik, en viel op mijn aangezicht. Toen zeide hij tot mij: Versta, gij mensenkind! want dit gezicht zal zijn tot den tijd van het einde.
KJV
So he came1
near2
where I stood:
and when he came,4
I was afraid,5
and fell6
upon my face:8
but he said9
unto me, Understand,11
O son12
of man:13
for at the time15
of the end16
shall be the vision.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Als hij nu metH5973 mij sprakH1696, viel ik in een diepen slaapH7290 opH5921 mijn aangezichtH6440 ter aardeH776; toen roerdeH5060 hij mij aan, en hij steldeH5975 mij op mijn standplaatsH5977.
Als hij nu met mij sprak, viel ik in een diepen slaap op mijn aangezicht ter aarde; toen roerde hij mij aan, en hij stelde mij op mijn standplaats.
KJV
Now as he was speaking1
with me, I was in a deep sleep3
on my face5
toward the ground:6
but he touched7
me, and set9
me upright.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
En hij zeideH559: ZieH2005, ik zal u te kennenH3045 geven, watH834 er geschiedenH1961 zal ten einde dezer gramschapH2195; wantH3588 ter bestemder tijdH4150 zal het einde zijn.
En hij zeide: Zie, ik zal u te kennen geven, wat er geschieden zal ten einde dezer gramschap; want ter bestemder tijd zal het einde zijn.
Ook in dit vers
eindeH319
eindeH7093
KJV
And he said,1
Behold, I will make thee know3
what shall be in the last end7
of the indignation:8
for at the time appointed10
the end
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
De ramH352 met de twee hoornenH7161, dienH834 gij gezienH7200 hebt, zijn de koningenH4428 der MedenH4074 en der PerzenH6539.
De ram met de twee hoornen, dien gij gezien hebt, zijn de koningen der Meden en der Perzen.
KJV
The ram1
which thou sawest3
having4
two horns5
are the kings6
of Media7
and Persia.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Die harigeH8163 bokH6842 nu, is de koningH4428 van GriekenlandH3120; en de groteH1419 hoornH7161, welkeH834 tussenH996 zijn ogenH5869 is, is de eersteH7223 koningH4428.
Die harige bok nu, is de koning van Griekenland; en de grote hoorn, welke tussen zijn ogen is, is de eerste koning.
KJV
And the rough2
goat1
is the king3
of Grecia:4
and the great6
horn5
that is between his eyes9
is the first12
king.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Dat er nu vierH702 aan zijn plaatsH8478 stondenH5975, toen hij verbrokenH7665 was; vierH702 koninkrijkenH4438 zullen uit dat volkH1471 ontstaanH5975, doch nietH3808 met zijn krachtH3581.
Dat er nu vier aan zijn plaats stonden, toen hij verbroken was; vier koninkrijken zullen uit dat volk ontstaan, doch niet met zijn kracht.
KJV
Now that being broken,1
whereas four3
stood up2
for it, four5
kingdoms6
shall stand up8
out of the nation,7
but not in his power.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Doch op het laatsteH319 huns koninkrijksH4438, als het de afvalligenH6586 op het hoogste gebrachtH8552 zullen hebben, zo zal er een koningH4428 staanH5975, stijfH5794 van aangezichtH6440, en raadselenH2420 verstaandeH995;
Doch op het laatste huns koninkrijks, als het de afvalligen op het hoogste gebracht zullen hebben, zo zal er een koning staan, stijf van aangezicht, en raadselen verstaande;
KJV
And in the latter time1
of their kingdom,2
when the transgressors4
are come to the full,3
a king6
of fierce7
countenance,8
and understanding9
dark sentences,10
shall stand up.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
En zijn krachtH3581 zal sterkH6105 worden, doch nietH3808 door zijn krachtH3581; en hij zal het wonderlijkH6381 verdervenH7843, en zal gelukH6743 hebben, en zal het doenH6213; en hij zal de sterkenH6099, mitsgaders het heiligeH6918 volkH5971 verdervenH7843:
En zijn kracht zal sterk worden, doch niet door zijn kracht; en hij zal het wonderlijk verderven, en zal geluk hebben, en zal het doen; en hij zal de sterken, mitsgaders het heilige volk verderven:
KJV
And his power2
shall be mighty,1
but not by his own power:4
and he shall destroy6
wonderfully,5
and shall prosper,7
and practise,8
and shall destroy9
the mighty10
and the holy12
people.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
En door zijn kloekheidH7922 zo zal hij de bedriegerijH4820 doen gedijenH6743 in zijn handH3027; en hij zal zich in zijn hartH3824 verheffenH1431; en in stille rustH7962 zal hij er velenH7227 verdervenH7843, en zal staanH5975 tegenH5921 den VorstH8269 der vorstenH8269, doch hij zal zonder handH3027 verbrokenH7665 worden.
En door zijn kloekheid zo zal hij de bedriegerij doen gedijen in zijn hand; en hij zal zich in zijn hart verheffen; en in stille rust zal hij er velen verderven, en zal staan tegen den Vorst der vorsten, doch hij zal zonder hand verbroken worden.
KJV
And through his policy2
also he shall cause craft4
to prosper3
in his hand;5
and he shall magnify7
himself in his heart,6
and by peace8
shall destroy9
many:10
he shall also stand up14
against the Prince12
of princes;13
but he shall be broken17
without15
hand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
HetH1931 gezicht nu van avondH6153 en morgenH1242, dat er gezegdH559 is, is de waarheidH571; en gijH859, sluitH5640 dit gezicht toe, wantH3588 er zijn nog veleH7227 dagenH3117 toe.
Het gezicht nu van avond en morgen, dat er gezegd is, is de waarheid; en gij, sluit dit gezicht toe, want er zijn nog vele dagen toe.
Ook in dit vers
gezichtH2377
gezichtH4758
KJV
And the vision1
of the evening2
and the morning3
which was told5
is true:6
wherefore shut thou up9
the vision;10
for it shall be for many13
days.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Toen werd ikH589, DanielH1840, zwakH1961, en was enige dagenH3117 krankH2470; daarna stondH6965 ik op, en deedH6213 des koningsH4428 werkH4399; en ik was ontzetH8074 overH5921 dit gezichtH4758; maar niemandH369 merkteH995 het.
Toen werd ik, Daniel, zwak, en was enige dagen krank; daarna stond ik op, en deed des konings werk; en ik was ontzet over dit gezicht; maar niemand merkte het.
KJV
And I Daniel2
fainted,3
and was sick4
certain days;5
afterward I rose up,6
and did7
the king's10
business;9
and I was astonished11
at the vision,13
but none understood
verscheen
Dat is, werd van mij gezien.
Hertaald:
verscheen
Dat is: werd door mij gezien.
mij een gezicht,
Hebreeuws, aan mij.
Hertaald:
mij een gezicht,
Hebreeuws: aan mij.
in het eerste verschenen was
Het gezicht, hetwelk Dan 7 beschreven staat, is het eerste hetwelk Daniël is geopenbaard geweest, namelijk, in het eerste jaar van Belsazar. Dat is geweest drie jaren vóór den ondergang van de Babylonische monarchie, naar sommiger rekening, die menen dat Belsazar maar vijf jaren geregeerd heeft; maar anderen zijn van gevoelen dat dit geschied is veertig jaren vóór het einde der Babylonische monarchie, rekenende dat Belsazar zeventien jaren geregeerd heeft. JosEf. lib.10, Antiq. cap.13.
Hertaald:
in het eerste verschenen was
Het gezicht dat in Dan. 7 beschreven staat, is het eerste dat aan Daniël geopenbaard is, namelijk in het eerste jaar van Belsazar. Dat is volgens sommigen drie jaar vóór de ondergang van de Babylonische monarchie geweest; zij menen dat Belsazar maar vijf jaar geregeerd heeft. Maar anderen menen dat dit veertig jaar vóór het einde van de Babylonische monarchie gebeurd is, ervan uitgaande dat Belsazar zeventien jaar geregeerd heeft. Josefus, Oudheden, boek 10, hoofdstuk 13.
in een gezicht,
Dit verstaan enigen alzo, dat Daniël te dien tijde in een gezicht, maar niet met zijn lichaam, in Perzië te Susan aan de rivier Ulai was, doch lichamelijk te Babel in Chaldea, waar hij aan des konings hof zijn ambt waarnam, vs.27. Alzo bleef wel Ezechiël met het lichaam in Babel, maar werd in gezichten in het land van Israël gevoerd, Ezech. 8:3 , en Ezech. 40:2 . Het gevoelen van anderen, zie boven Dan. 6:9 .
Hertaald:
in een gezicht,
Sommigen verstaan dit zo dat Daniël in die tijd in een gezicht — maar niet met zijn lichaam — in Perzië te Susan aan de rivier de Ulai was, terwijl hij lichamelijk in Babel in Chaldea was, waar hij aan het hof van de koning zijn ambt waarnam (vers 27). Zo bleef ook Ezechiël met zijn lichaam in Babel, maar werd hij in gezichten naar het land van Israël gevoerd, Ezech. 8:3 en Ezech. 40:2. Over de mening van anderen, zie Dan. 6:9.
in den burg Susan
Hier plachten de koningen van Perzië hun hof te houden. Zie Neh. 1:1 , en Est. 1:2 .
Hertaald:
in den burg Susan
Hier plachten de koningen van Perzië hof te houden. Zie Neh. 1:1 en Est. 1:2.
was,
Dat is: mij docht dat ik te Susan was; of, ik was te Susan in een visioen.
Hertaald:
was,
Dat is: het scheen mij toe dat ik in Susan was; of: ik was in een visioen in Susan.
Elam is
Onder Elam wordt Perzië verstaan. Zie de aantekening Gen. 10:22 ; Jes. 21:2 .
Hertaald:
Elam is
Onder Elam wordt Perzië verstaan. Zie de aantekening bij Gen. 10:22; Jes. 21:2.
Ulai was
Eene rivier, voorbij de stad Susan lopende, in de Latijnse historiën genaamd Euleus.
Hertaald:
Ulai was
Een rivier die langs de stad Susan stroomde, in de Latijnse geschiedschrijvers Euleus genoemd.
mijn ogen op,
Versta, in gezicht.
Hertaald:
mijn ogen op,
Versta: in het gezicht.
een ram stond
Hierdoor werd beduid het rijk der Meden en Perzen, vs.20, hetwelk Dan 7 door den beer is afgebeeld geweest.
Hertaald:
een ram stond
Hiermee werd het rijk van de Meden en Perzen aangeduid (vers 20), dat in Dan. 7 door de beer afgebeeld is.
voor dien vloed,
Dat is, aan den oever der rivier Ulai.
Hertaald:
voor dien vloed,
Dat is: aan de oever van de rivier de Ulai.
twee hoornen,
Dit betekent de koninkrijken der Meden en Perzen, die ineengesmolten zijn, en het waren machtige koninkrijken in Azië, doch nog machtiger toen zij Babylonië overwonnen hebben.
Hertaald:
twee hoornen,
Dit duidt de koninkrijken van de Meden en Perzen aan, die samengesmolten zijn. Het waren machtige koninkrijken in Azië, en nog machtiger toen zij Babylonië overwonnen hadden.
die twee hoornen waren hoog,
Dit betekent de grote macht der Perzen en Meden.
Hertaald:
die twee hoornen waren hoog,
Dit duidt de grote macht van de Perzen en Meden aan.
de hoogste kwam
Te weten het Perzische, hetwelk groter en machtiger werd dan het rijk der Meden.
Hertaald:
de hoogste kwam
Namelijk het Perzische, dat groter en machtiger werd dan het rijk van de Meden.
laatste op
Het rijk der Meden was wel het oudste en het voortreffelijkste in het eerst, maar naderhand is het Perzische rijk veel machtiger geworden onder de regering van Kores, toen hij geworden was koning van Perzië, Medië, Babylonië, enz.
Hertaald:
laatste op
Het rijk van de Meden was weliswaar het oudste en aanvankelijk het voornaamste, maar later is het Perzische rijk veel machtiger geworden onder de regering van Kores, toen hij koning van Perzië, Medië, Babylonië enzovoort geworden was.
de ram met de hoornen
Te weten de ram met de twee horens, betekenende de Meden en Perzen, die allerlei volken op aarde bekrijgden en onder hun gebied brachten.
Hertaald:
de ram met de hoornen
Namelijk de ram met de twee horens, die de Meden en Perzen aanduidt, die allerlei volken op aarde bevochten en onder hun gezag brachten.
tegen het westen stiet,
Hebreeuws, tegen de zee. Zie Gen. 12:8 . Dit betekende dat de Meden en Perzen de volken, in dat gewest gelegen, onder hunne heerschappij brengen zouden, gelijk Babylonië, Syrië, Cappadocië, Klein-Azië en Griekenland. Van gelijke hebben zij gedaan in de andere gedeelten der wereld. Dit is het wat Dan. 7:5 , wordt te kennen gegeven door de drie ribben, die de beer in zijn muil had tussen zijne tanden. Zie de aantekening aldaar.
Hertaald:
tegen het westen stiet,
Hebreeuws: naar de zee. Zie Gen. 12:8. Dit betekende dat de Meden en Perzen de volken in dat gebied onder hun heerschappij zouden brengen, zoals Babylonië, Syrië, Kappadocië, Klein-Azië en Griekenland. Hetzelfde hebben zij in de andere delen van de wereld gedaan. Dit is wat in Dan. 7:5 te kennen gegeven wordt door de drie ribben die de beer tussen zijn tanden had. Zie de aantekening daar.
geen dieren
Dat is, geen koninkrijken of volken.
Hertaald:
geen dieren
Dat is: geen koninkrijken of volken.
uit zijn hand verloste;
Dat is, uit zijn geweld.
Hertaald:
uit zijn hand verloste;
Dat is: uit zijn macht.
hij deed naar zijn welgevallen,
De zin is: Het ging den Perzen naar hun wens. Versta dit niet alleen van den koning Cyrus gesproken te zijn, maar ook van zijne opvolgers. De koning van Perzië is in die tijden geweest de grootste en machtigste koning op aarde.
Hertaald:
hij deed naar zijn welgevallen,
De betekenis is: het ging de Perzen naar wens. Versta dit niet alleen als gezegd van koning Kores, maar ook van zijn opvolgers. De koning van Perzië is in die tijd de grootste en machtigste koning op aarde geweest.
hij maakte zich groot
Of, hij deed grote dingen. Zie de aantekening Ps. 35:26 . Alzo onder vs.8. Versta hetgeen in vs.4 en elders van den voorspoed en grote overwinningen der Perzen gesproken wordt alzo, dat zij nochtans ook dikwijls neerlagen gehad hebben, als inzonderheid Xerxes in Griekenland en elders, maar evenwel hebben hunne vijanden eindelijk den nek onder hen moeten buigen.
Hertaald:
hij maakte zich groot
Of: hij deed grote dingen. Zie de aantekening bij Ps. 35:26. Zo ook vers 8. Versta wat in vers 4 en elders over de voorspoed en de grote overwinningen van de Perzen gezegd wordt zo, dat zij toch ook vaak nederlagen geleden hebben, vooral Xerxes in Griekenland en elders; maar hun vijanden hebben zich ten slotte toch aan hen moeten onderwerpen.
een geitenbok
Hebreeuws, een bok der geiten; dat is, een jonge bok. Hierdoor wordt beduid het rijk der Grieken of Macedoniërs, onder vs.21, welker generaal was Alexander de Grote, die nog maar een en twintig jaren oud was toen hij Darius den koning der Perzen heeft aangetast; het rijk van Macedonië was ook nergens naar in grootheid, sterkte en vermogen, met het Perzische rijk te vergelijken.
Hertaald:
een geitenbok
Hebreeuws: een bok van de geiten; dat is: een jonge bok. Hiermee wordt het rijk van de Grieken of Macedoniërs aangeduid (vers 21), wiens veldheer Alexander de Grote was, die nog maar eenentwintig jaar oud was toen hij Darius, de koning van de Perzen, aanviel. Ook was het rijk van Macedonië in grootte, sterkte en vermogen in geen enkel opzicht met het Perzische rijk te vergelijken.
van het westen
Dat is, uit Griekenland, liggende westwaarts van Azië.
Hertaald:
van het westen
Dat is: uit Griekenland, dat ten westen van Azië ligt.
over den gansen aardbodem,
Dat is, hij nam gans Azië in, alsook dat ganse land waar Daniël was, toen hij dit gezicht had. Aldus plegen de heilige schrijvers te spreken van het land waarin zij zijn, of in hetwelk geschiedt hetgeen zij verhalen. Alzo Marc. 15:33 , en elders.
Hertaald:
over den gansen aardbodem,
Dat is: hij nam heel Azië in, en ook het hele land waarin Daniël was toen hij dit gezicht had. Zo plegen de heilige schrijvers te spreken over het land waarin zij zich bevinden, of waarin gebeurt wat zij vertellen. Zo ook Mark. 15:33 en elders.
roerde de aarde niet aan;
Dat is, hij kwam met zijn leger zo snellijk aan, alsof hij gevlogen had, alsof hij de aarde met zijne voeten niet had aangeroerd. Hij heeft in zes jaren tijds onder zijne heerschappij gebracht, Illyrië, Tracië, geheel Griekenland, de Perzen, Meden, Babyloniërs, Egyptenaars, Tyriërs en vele andere volken, te lang hier te verhalen.
Hertaald:
roerde de aarde niet aan;
Dat is: hij kwam met zijn leger zo snel aan alsof hij vloog, alsof hij de aarde met zijn voeten niet aanraakte. Hij heeft in zes jaar tijd Illyrië, Thracië, heel Griekenland, de Perzen, Meden, Babyloniërs, Egyptenaren, Tyriërs en veel andere volken onder zijn heerschappij gebracht — te veel om hier op te noemen.
een aanzienlijken hoorn
Hebreeuws, een hoorn des gezichts; dat is een grote hoorn, die licht te zien was. Dit was Alexander de Grote, die der Grieken veldoverste was. Hij wordt vs.8 genoemd een grote hoorn. Hij heeft zo grote victoriën bevochten, als ooit een koning gedaan heeft. Hij is het, die eerst de monarchie der Grieken gesticht heeft.
Hertaald:
een aanzienlijken hoorn
Hebreeuws: een hoorn van het gezicht; dat is: een grote hoorn die goed te zien was. Dit was Alexander de Grote, de veldheer van de Grieken. Hij wordt in vers 8 een grote hoorn genoemd. Hij heeft zulke grote overwinningen behaald als ooit een koning behaald heeft. Hij is degene die als eerste de monarchie van de Grieken gesticht heeft.
tussen zijn ogen
Niet boven op het hoofd, gelijk andere bokken, maar tussen zijne ogen, gelijk de eenhoorn, om meerder geweld te kunnen doen en om te gewisser te kunnen treffen waar hij op mikte.
Hertaald:
tussen zijn ogen
Niet boven op het hoofd zoals andere bokken, maar tussen zijn ogen, zoals de eenhoorn, om meer geweld te kunnen uitoefenen en om zekerder te kunnen treffen waarop hij mikte.
die de twee hoornen had,
Hebreeuws, den heer der twee horens. Zie de aantekening Gen. 14:13 .
Hertaald:
die de twee hoornen had,
Hebreeuws: de heer van de twee horens. Zie de aantekening bij Gen. 14:13.
hij liep op hem aan
Hij liep op hem aan, of tegen, of tot hem aan. De zin is, dat Alexander de Grote de Perzen en Meden dapperlijk den krijg heeft aangedaan, en hen zo aangetast heeft dat hij hun ganse rijk en macht benomen heeft.
Hertaald:
hij liep op hem aan
Hij liep op hem aan, of tegen hem in, of tot hem toe. De betekenis is dat Alexander de Grote de Perzen en Meden dapper de oorlog aangedaan heeft en hen zo aangevallen heeft dat hij hun hele rijk en macht ontnomen heeft.
in de grimmigheid zijner kracht
De toorn is de wetsteen der kracht.
Hertaald:
in de grimmigheid zijner kracht
De toorn is de wetsteen van de kracht.
ik zag hem,
Hier laat de Heere zijnen profeet zien de victoriën van Alexander den Grote, die bijna geheel het Oosten onder zijn gebied gebracht heeft, nadat hij Darius overwonnen had.
Hertaald:
ik zag hem,
Hier laat de HEERE Zijn profeet de overwinningen van Alexander de Grote zien, die vrijwel het hele Oosten onder zijn gezag gebracht heeft nadat hij Darius overwonnen had.
nakende aan den ram,
Dat is, tot dicht aan den ram. Het rijk van Darius was wijd van Macedonië gelegen, en het had veel sterke voorschansen en vele steden, die onwinbaar schenen te zijn. Zodat het scheen onmogelijk te wezen, dat de bok aan den ram zou kunnen komen, die met zulke sterkten en vastigheden omsingeld was.
Hertaald:
nakende aan den ram,
Dat is: tot dicht bij de ram. Het rijk van Darius lag ver van Macedonië en had veel sterke voorposten en veel steden die onneembaar leken. Het leek dus onmogelijk dat de bok bij de ram zou kunnen komen, die door zulke sterkten en vestingen omringd was.
hij verbitterde zich tegen hem,
Versta dit van de moedige aanslagen van Alexander den Grote.
Hertaald:
hij verbitterde zich tegen hem,
Versta dit van de moedige ondernemingen van Alexander de Grote.
stiet den ram,
Hebreeuws, sloeg. Hij heeft Darius in twee grote veldslagen overwonnen, nadat eerst de macht der Perzen wel dapper in Klein-Azië verzwakt was.
Hertaald:
stiet den ram,
Hebreeuws: sloeg. Hij heeft Darius in twee grote veldslagen overwonnen, nadat de macht van de Perzen eerst in Klein-Azië flink verzwakt was.
hij brak zijn beide hoornen;
Dat is, hij benam den Perzen en Meden al hunne macht.
Hertaald:
hij brak zijn beide hoornen;
Dat is: hij ontnam de Perzen en Meden al hun macht.
in den ram was geen kracht,
Darius heeft wel een machtig leger op de been gebracht, zijne soldaten blinkende van goud, zilver en kostelijk gesteente, maar dit alles was maar een sierlijke pronk en pracht, geen bestendige macht om geweld te doen.
Hertaald:
in den ram was geen kracht,
Darius had wel een machtig leger op de been gebracht, met soldaten die blonken van goud, zilver en kostbaar gesteente; maar dat alles was slechts sierlijke pronk en praal, geen duurzame macht om geweld uit te oefenen.
hij wierp hem ter aarde,
Darius is van zijn eigen volk omgebracht, maar Alexander heeft al de heerlijkheid en koninklijke waardigheid der Perzen als onder zijne voeten vertreden.
Hertaald:
hij wierp hem ter aarde,
Darius is door zijn eigen volk omgebracht, maar Alexander heeft alle heerlijkheid en koninklijke waardigheid van de Perzen als het ware onder zijn voeten vertrapt.
hand verloste
Dat is, macht, geweld.
Hertaald:
hand verloste
Dat is: macht, geweld.
de geitenbok
Het rijk der Grieken, onder het beleid van Alexander, is, door de overwinning der Perzische monarchie, groot en machtig geworden.
Hertaald:
de geitenbok
Het rijk van de Grieken is onder het beleid van Alexander door de overwinning op de Perzische monarchie groot en machtig geworden.
toen hij sterk geworden was,
Of, zo haast als hij sterk geworden was, of toen hij op het sterkste was, hebbende geheel het Oosten onder zijne heerschappij gebracht.
Hertaald:
toen hij sterk geworden was,
Of: zodra hij sterk geworden was, of: toen hij op zijn sterkst was en het hele Oosten onder zijn heerschappij gebracht had.
brak die grote hoorn,
Of, werd die grote hoorn [het rijk van Alexander den Grote beduidende] gebroken, vs.22. Hij is gestorven aan een hete koorts, of door dronkenschap, of, zo anderen schrijven, vergeven zijnde, in het 32e of 33e jaar van zijn leven, nadat hij omtrent zeven jaren lang als monarch geregeerd had. Doch met hem heeft zijn monarchie geen einde genomen, maar zij is in vieren verdeeld geworden onder zijne veldoversten, hetwelk door de vier aanzienlijke horens wordt te kennen gegeven. Zie onder vs.22.
Hertaald:
brak die grote hoorn,
Of: werd die grote hoorn — die het rijk van Alexander de Grote aanduidt — gebroken, vers 22. Hij is gestorven aan een hevige koorts, of door dronkenschap, of — zoals anderen schrijven — doordat hij vergiftigd is, in het tweeëndertigste of drieëndertigste jaar van zijn leven, nadat hij ongeveer zeven jaar als monarch geregeerd had. Maar zijn monarchie heeft met hem geen einde genomen; zij is in vieren verdeeld onder zijn veldheren, wat door de vier aanzienlijke horens te kennen gegeven wordt. Zie vers 22.
naar de vier winden des hemels
Dat is, tegen de vier gewesten der wereld, te weten Macedonië tegen het westen, Klein-Azië tegen het noorden, Syrië tegen het oosten, Egypte tegen het zuiden. Zijnde deze koninkrijken elk met hunne aanhangselen, afdelingen van de monarchie van Alexander den Grote.
Hertaald:
naar de vier winden des hemels
Dat is: naar de vier windstreken van de wereld, namelijk Macedonië naar het westen, Klein-Azië naar het noorden, Syrië naar het oosten en Egypte naar het zuiden. Deze koninkrijken zijn met hun bijbehorende gebieden de delen van de monarchie van Alexander de Grote.
uit een van die
Te weten uit Seleucus Nicanor, den koning in Syrië.
Hertaald:
uit een van die
Namelijk uit Seleucus Nicator, de koning van Syrië.
een kleine hoorn,
Te weten Antiochus Epifanes, vanwege zijne wreedheid genoemd Epimanes, dat is, de dolle. Zie van dezen breder boven Dan. 7:8 . Hij wordt Dan. 11:21 , genoemd de verachte, omdat hij de jongste onder zijne broeders was, en er geen waarschijnlijkheid was, dat hij immermeer tot het rijk zou komen, want zijn oudste broeder leefde nog, en die had zonen. Doch Antiochus Epifanes te Rome in gijzeling gehouden zijnde, en aldaar vernomen hebbende zijns broeders dood, is hij heimelijk van Rome ontkomen, en hij heeft zijns broeders zonen verdreven, en zelfs het rijk van Syrië ingenomen.
Hertaald:
een kleine hoorn,
Namelijk Antiochus Epifanes, vanwege zijn wreedheid Epimanes genoemd, dat is: de razende. Zie over hem uitvoeriger Dan. 7:8. In Dan. 11:21 wordt hij de verachte genoemd, omdat hij de jongste van zijn broers was en het niet waarschijnlijk was dat hij ooit aan het bewind zou komen — want zijn oudste broer leefde nog en die had zonen. Maar toen Antiochus Epifanes als gijzelaar in Rome verbleef en daar het bericht van de dood van zijn broer vernam, is hij heimelijk uit Rome ontkomen, heeft hij de zonen van zijn broer verdreven en heeft hij zelf het rijk van Syrië ingenomen.
tegen het zuiden, en tegen het oosten,
Hij overwon Ptolomeus, den koning van Egypte, in het zuiden, en den koning van Armenië in het oosten, en een deel van Perzië; 1 Mach.3:31, en ook het Joodse land.
Hertaald:
tegen het zuiden, en tegen het oosten,
Hij overwon Ptolemeüs, de koning van Egypte, in het zuiden, en de koning van Armenië in het oosten, en een deel van Perzië (1 Makk. 3:31), en ook het Joodse land.
het sierlijke land
Aldus wordt het Joodse land genoemd. Zie 2 Sam. 1:19 ; Ps. 48:3 , en Jer. 3:19 ; Ezech. 20:6 , Ezech. 20:15 ; Dan. 11:16 . Anderen houden het Hebreeuwse woord Zebi in den tekst, betekenende sieraad, heerlijkheid, gelijk Ezech. 20:6 , en Dan. 11:16 . Het Joodse land wordt genoemd het heerlijke land, of het land des sieraads, niet zozeer vanwege de voortreffelijkheid en schoonheid der landouw, als ten aanzien van de onwaardeerlijke heerlijkheid van de kerk Gods in het Joodse land.
Hertaald:
het sierlijke land
Zo wordt het Joodse land genoemd. Zie 2 Sam. 1:19; Ps. 48:3 en Jer. 3:19; Ezech. 20:6, Ezech. 20:15; Dan. 11:16. Anderen houden het Hebreeuwse woord tsevi in de tekst aan, dat sieraad of heerlijkheid betekent, zoals Ezech. 20:6 en Dan. 11:16. Het Joodse land wordt het heerlijke land of het land van het sieraad genoemd, niet zozeer vanwege de voortreffelijkheid en schoonheid van het landschap, als wel met het oog op de onwaardeerlijke heerlijkheid van Gods kerk in het Joodse land.
tot aan het heir des hemels;
Of, tegen des hemels heir; dat is, hij kwam zo wijd, dat hij zelfs het volk Gods aantastte, hetwelk hier genoemd wordt het heir des hemels, omdat de namen der kinderen Gods in den hemel geschreven staan. Luc. 10:20 , en hun burgerschap in den hemel is, Fil. 3:20 . Onder vs.24 wordt Gods kerk [hetwelk toen de Joden waren] genoemd het volk der heiligen, of het heilige volk, en vs.7, 18, de heiligen der hoogten.
Hertaald:
tot aan het heir des hemels;
Of: tegen het heir van de hemel; dat is: hij kwam zo ver dat hij zelfs Gods volk aantastte, dat hier het heir van de hemel genoemd wordt omdat de namen van Gods kinderen in de hemel geschreven staan (Luk. 10:20) en hun burgerschap in de hemel is (Filipp. 3:20). In vers 24 wordt Gods kerk — dat waren toen de Joden — het volk van de heiligen of het heilige volk genoemd, en in Dan. 7:18 en 7:22 de heiligen van de hoge plaatsen.
en hij wierp er sommigen van dat heir,
Ter aarde werpen, is hier te zeggen, doden.
Hertaald:
en hij wierp er sommigen van dat heir,
Ter aarde werpen betekent hier: doden.
van de sterren,
Dat is, van degenen, die onder de regenten, zo in den kerkelijken als maatschappelijken stand uitmuntten, en in hunne bedieningen in getrouwheid als de sterren aan den hemel uitgemunt hebben.
Hertaald:
van de sterren,
Dat is: van hen die onder de bestuurders uitblonken, zowel in de kerkelijke als in de burgerlijke stand, en die in hun ambten in trouw uitgeblonken hebben als de sterren aan de hemel.
vertrad ze
Alsof hij zeide: Het zal hem niet genoeg zijn, dat hij die schoonschijnende sterren zal doden, maar hij zal hen nog daarenboven vertreden als het slijk der straten.
Hertaald:
vertrad ze
Alsof hij zei: het zal hem niet genoeg zijn die schoon schijnende sterren te doden, maar hij zal hen bovendien vertrappen als het slijk van de straten.
hij maakte zich groot
Of, het vergrootte zich. Anders: het wilde zich verheffen.
Hertaald:
hij maakte zich groot
Of: het vergrootte zich. Anders: het wilde zich verheffen.
tot aan
Of, tegen, en alzo vs.12.
Hertaald:
tot aan
Of: tegen; zo ook vers 12.
den Vorst diens heirs,
Dat is, tegen God den Heere die genoemd werd een vorst der vorsten, vs.25, en die het Hoofd zijner heilige kerk is.
Hertaald:
den Vorst diens heirs,
Dat is: tegen God de HEERE, Die in vers 25 een Vorst van de vorsten genoemd wordt en Die het Hoofd van Zijn heilige kerk is.
van Denzelven
Van dienzelven, te weten hoorn, dat is, door Antiochus Epifanes, werd het offer weggenomen, alzo dat het volk Gods werd verboden te offeren. Zie 1 Mach.1:1:47.
Hertaald:
van Denzelven
Door diezelfde hoorn, dat is: door Antiochus Epifanes, werd het offer weggenomen, zodat het Gods volk verboden werd te offeren. Zie 1 Makk. 1:47.
het gedurig offer,
Zie Ex. 29:38 , enz.; Num. 28:3 , en door het offer kan hier verstaan worden de ganse Godsdienst.
Hertaald:
het gedurig offer,
Zie Ex. 29:38, enzovoort; Num. 28:3. Onder het offer kan hier de hele godsdienst verstaan worden.
de woning Zijns heiligdoms
Hier wordt voorzegd dat Antiochus den tempel zou beroven, verbreken en verbranden, als willende God den Heere beroven van de enige plaats in de ganse wereld, die Hij had uitverkoren tot zijn uiterlijken godsdienst.
Hertaald:
de woning Zijns heiligdoms
Hier wordt voorzegd dat Antiochus de tempel zou beroven, afbreken en verbranden, alsof hij God de HEERE wilde beroven van de enige plaats in de hele wereld die Hij voor Zijn uiterlijke godsdienst uitverkoren had.
het heir
Dat is velen van Gods volk werden rechtvaardig overgegeven in den afval, alzo dat zij den gansen godsdienst verzaakten en tot de heidense afgoderij vervielen, door aandrijving van Antiochus. Zie 1 Mach.1:12, enz., en 1 Mach.2:15. Anders: En het heir werd [hem] overgegeven om der overtreding wil tegen het gedurig offer. Het heir, [te weten het heir des Heeren, of des hemels, gelijk vs.10, hem, ] te weten Antiochus, om de overtreding begaan tegen den godsdienst. Anders: het heir werd hem gegeven tegen het dagelijks offer [dat is, tegen den godsdienst], om der verderving wil; dat is, een heirkracht werd hem gegeven om Gods wraak uit te voeren aan de overtreders van den godsdienst.
Hertaald:
het heir
Dat is: velen van Gods volk werden rechtvaardig overgegeven aan de afval, zodat zij de hele godsdienst verzaakten en tot de heidense afgoderij vervielen, aangespoord door Antiochus. Zie 1 Makk. 1:12, enzovoort, en 1 Makk. 2:15. Anders: en het heir werd hem overgegeven vanwege de overtreding tegen het gedurige offer — het heir, namelijk het heir van de HEERE of van de hemel zoals vers 10, aan hem, namelijk Antiochus, vanwege de overtreding die tegen de godsdienst begaan was. Anders: het heir werd hem gegeven tegen het dagelijkse offer, dat is: tegen de godsdienst, vanwege het verderf; dat is: er werd hem een krijgsmacht gegeven om Gods wraak te voltrekken aan de overtreders van de godsdienst.
hij wierp
Te weten hoorn, of [hij] te weten Antiochus.
Hertaald:
hij wierp
Namelijk die hoorn, of: hij, namelijk Antiochus.
de waarheid ter aarde;
Dat is, de ware godsdienst en goddelijke leer der wet.
Hertaald:
de waarheid ter aarde;
Dat is: de ware godsdienst en de goddelijke leer van de wet.
deed het,
Aldus voorzegt de profeet dat Antiochus Epifanes of Epimanes zijn boze gedachten en goddeloze voornemens, naar zijn welgevallen, een tijdlang zou uitrichten. Zie JosEf. lib.10; Antiq. Judaic. cap.14.
Hertaald:
deed het,
Zo voorzegt de profeet dat Antiochus Epifanes of Epimanes zijn boze gedachten en goddeloze voornemens een tijdlang naar zijn welgevallen zou kunnen uitvoeren. Zie Josefus, Oudheden, boek 10, hoofdstuk 14.
een heilige spreken;
Te weten een heiligen engel, die van dit gezicht met een anderen engel sprak tot onderwijzing van Daniël; want de engelen wensen in te zien de verborgenheden Gods, 1 Petr. 1:12 .
Hertaald:
een heilige spreken;
Namelijk een heilige engel, die met een andere engel over dit gezicht sprak tot onderwijzing van Daniël; want de engelen begeren een blik te slaan in Gods verborgenheden, 1 Petr. 1:12.
de heilige zeide
Diezelfde engel.
Hertaald:
de heilige zeide
Diezelfde engel.
tot den onbenoemde,
Te weten tot den Heere Christus, den Zoon Gods, die aldaar in de gedaante van een man verscheen; anderen: tot dengene, die verborgen dingen vertellen kan, Joh. 1:18 ; anderen: tot den wonderbaarlijken teller, en die duiden dit ook op Christus, die alles weet. Anderen houden het Hebreeuwse woord Palmoni in den tekst, hetwelk naar hunne mening ene verkorting is van deze twee woorden Peloni Almoni, waarvan zie de aantekening Ruth 4:1 ; 1 Sam. 21:4 , en 2 Kon. 6:2 .
Hertaald:
tot den onbenoemde,
Namelijk tot de Heere Christus, de Zoon van God, Die daar in de gedaante van een man verscheen. Anderen: tot Degene Die verborgen dingen kan vertellen, Joh. 1:18. Weer anderen: tot de wonderbaarlijke Teller, en ook zij betrekken dit op Christus, Die alles weet. Anderen houden het Hebreeuwse woord palmoni in de tekst aan, dat naar hun mening een samentrekking is van de twee woorden peloni almoni; zie daarover de aantekening bij Ruth 4:1; 1 Sam. 21:4 en 2 Kon. 6:2.
dat gezicht
Dat is, hetgeen door dit gezicht beduid wordt.
Hertaald:
dat gezicht
Dat is: wat door dit gezicht aangeduid wordt.
van het gedurig offer
Of, van het gedurige offer; dat is, aangaande het gedurige offer.
Hertaald:
van het gedurig offer
Of: van het gedurige offer; dat is: aangaande het gedurige offer.
en van den verwoestenden afval zijn,
Anders: veroorzakende verwoestenden afval, of, en de verwoestende overtreding; want het was om der zonden wil dat Antiochus, de verwoester, over het land kwam. Of, hoe lang zal de overtreding verwoesten?
Hertaald:
en van den verwoestenden afval zijn,
Anders: die verwoestende afval veroorzaakt, of: en de verwoestende overtreding; want het was vanwege de zonden dat Antiochus, de verwoester, over het land kwam. Of: hoe lang zal de overtreding verwoesten?
dat zo het heiligdom als het heir
De zin is: Hoe lang zal de godsdienst en alle godzaligheid aldus vertreden worden onder dezen wreden tiran Antiochus? Want heir betekent hier Gods volk, gelijk boven vs.10, en Dan. 11:12 , en heiligdom [Hebreeuws, heiligheid ] den tempel, en alzo vs.14.
Hertaald:
dat zo het heiligdom als het heir
De betekenis is: hoe lang zullen de godsdienst en alle godzaligheid zo vertrapt worden onder deze wrede tiran Antiochus? Want heir betekent hier Gods volk, zoals vers 10 en Dan. 11:12, en heiligdom (Hebreeuws: heiligheid) de tempel; zo ook vers 14.
hij zeide
Niet de vragende engel, maar de ongenoemde, te weten Christus, waarvan vs.13 gesproken is.
Hertaald:
hij zeide
Niet de vragende engel, maar de ongenoemde, namelijk Christus, over Wie in vers 13 gesproken is.
tot mij
Niet tot den engel die daar vraagde, want hij vraagde niet zozeer om zijnentwil, als om Daniëls en der kerk wil. Zie 1 Petr. 1:12 .
Hertaald:
tot mij
Niet tot de engel die daar vroeg; want die vroeg niet zozeer om zijnentwil als wel om Daniël en de kerk. Zie 1 Petr. 1:12.
Tot twee duizend en driehonderd
Dat zijn, zes jaren, drie maanden en achttien dagen, want in het lopende jaar 143 van het rijk der Seleuciden, is de verwoesting of afval van den waren godsdienst begonnen, 1 Mach.1:21, en in het jaar 149 als Antiochus stierf, [1 Mach.6:16] is zij opgehouden. Anderen rekenen deze jaren aldus: In het jaar 142 den zesden dag van de zesde maand, toen de hogepriester Onias [anders Menelaus genoemd] zijn dienst Antiochus aanbood [JosEf. Antiq.lib.12, cap.6], toen begon de verwoesting, en in het 148ste jaar, den vijf en twintigsten dag van de negende maand, reinigde Judad Maechabeus den tempel, 1 Mach.4:52. Dit zijn juist zes jaren, drie maanden en achttien dagen.
Hertaald:
Tot twee duizend en driehonderd
Dat is zes jaar, drie maanden en achttien dagen. Want in het lopende jaar 143 van het rijk van de Seleuciden is de verwoesting of de afval van de ware godsdienst begonnen (1 Makk. 1:21), en in het jaar 149, toen Antiochus stierf (1 Makk. 6:16), is zij opgehouden. Anderen berekenen deze jaren zo: in het jaar 142, op de zesde dag van de zesde maand, toen de hogepriester Onias — ook wel Menelaüs genoemd — zijn diensten aan Antiochus aanbood (Josefus, Oudheden, boek 12, hoofdstuk 6), begon de verwoesting; en in het jaar 148, op de vijfentwintigste dag van de negende maand, reinigde Judas de Makkabeeër de tempel (1 Makk. 4:52). Dat is precies zes jaar, drie maanden en achttien dagen.
avonden en morgens;
Dat is, dagen, want uit avond en morgen bestaat de gewone dag.
Hertaald:
avonden en morgens;
Dat is: dagen, want de gewone dag bestaat uit avond en morgen.
gerechtvaardigd worden
Dat is, van God voor rechtvaardig verklaard en gehouden worden; dat is, erkend en aangenomen voor zijn huis, hetwelk Hij tevoren door zijn rechtvaardig oordeel had verstoten en laten ontheiligen; of zal gerechtvaardigd worden; dat is, zal van het onrecht en afgodisch misbruik bevrijd en in zijn wettelijk en rechtmatig gebruik hersteld worden.
Hertaald:
gerechtvaardigd worden
Dat is: door God voor rechtvaardig verklaard en gehouden worden, dat is: erkend en aangenomen als Zijn huis, dat Hij tevoren door Zijn rechtvaardig oordeel verstoten en laten ontheiligen had. Of: zal gerechtvaardigd worden, dat is: zal van het onrecht en het afgodische misbruik bevrijd en in zijn wettige en rechtmatige gebruik hersteld worden.
zag, ik Daniël,
Of, gezien had.
Hertaald:
zag, ik Daniël,
Of: gezien had.
zo zocht ik het te verstaan
Het was Daniël niet geheel onbekend, maar hij verstond nog niet genoegzaam waartoe dit hem en de ganse gemeente der gelovigen dienstig was.
Hertaald:
zo zocht ik het te verstaan
Het was Daniël niet geheel onbekend, maar hij begreep nog niet goed genoeg waartoe dit hem en de hele gemeente van de gelovigen van dienst was.
voor mij
Voor mij, of over mij, of als tegenover mij, gelijk Gen. 2:18 .
Hertaald:
voor mij
Voor mij, of boven mij, of als het ware tegenover mij, zoals Gen. 2:18.
als de gedaante eens mans
Sommigen verstaan dit van den engel Gabriël, die in het volgende bevel ontvangt van den Heere Christus. Anderen menen dat het de Heere Christus zelf geweest is, die zich in de gedaante van een man geopenbaard en den engel Gabriël bevel gegeven heeft.
Hertaald:
als de gedaante eens mans
Sommigen verstaan dit van de engel Gabriël, die in het volgende vers bevel ontvangt van de Heere Christus. Anderen menen dat het de Heere Christus Zelf geweest is, Die Zich in de gedaante van een man geopenbaard en de engel Gabriël bevel gegeven heeft.
tussen Ulai
Of, te Ulai, of in het midden van Ulai; dat is, tussen de beide oevers der rivier Ulai.
Hertaald:
tussen Ulai
Of: bij de Ulai, of: in het midden van de Ulai; dat is: tussen de beide oevers van de rivier de Ulai.
eens mensen stem,
Of, een menselijke stem. Dit was de stem van Christus, die over den engel te gebieden had.
Hertaald:
eens mensen stem,
Of: een menselijke stem. Dit was de stem van Christus, Die over de engel te gebieden had.
Gabriël
Gabriël is de naam van een heiligen engel, en wordt van sommigen uitgelegd: een man Gods; van anderen, de kracht van den sterken God. Zie ook onder Dan. 9:21 , en Luc. 1:26 .
Hertaald:
Gabriël
Gabriël is de naam van een heilige engel; door sommigen uitgelegd als een man van God, door anderen als de kracht van de sterke God. Zie ook Dan. 9:21 en Luk. 1:26.
hij kwam nevens waar ik stond;
Te weten de engel Gabriël.
Hertaald:
hij kwam nevens waar ik stond;
Namelijk de engel Gabriël.
ik viel op mijn aangezicht
Zie de aantekening Ezech. 1:28 .
Hertaald:
ik viel op mijn aangezicht
Zie de aantekening bij Ezech. 1:28.
gij mensenkind
Alleen worden Daniël en Ezechiël [zijnde in goddelijke gezichten] aldus genoemd. Zie Ezech. 2:1 . Anders: gij zoon van Adam.
Hertaald:
gij mensenkind
Alleen Daniël en Ezechiël worden zo genoemd, wanneer zij goddelijke gezichten hebben. Zie Ezech. 2:1. Anders: u, zoon van Adam.
zijn tot den tijd van het einde
Dat is, zal vervuld worden te dien tijde, als de Messias, [die in de laatste dagen is geopenbaard geworden, 1 Petr. 1:20 ,] en het einde der wet, Rom. 10:4 , zullen gekomen zijn. Of, gelijk sommigen: Dit gezicht heeft nog een verder verstand dan enkel op Antiochus Epifanes, waardoor ook wordt gemeend nog een andere grote vijand van Gods kerk aan het einde der wereld. Anders: zal zijn ter bepaalder, of precieser, of precieselijk bestemden tijd; waarvan de zin zou zijn, dit is geen ijdele bespiegeling, maar het gezicht zal zijne kracht hebben en ten tijde van God bestemd voltrokken worden.
Hertaald:
zijn tot den tijd van het einde
Dat is: zal vervuld worden in de tijd waarin de Messias — Die in de laatste dagen geopenbaard is (1 Petr. 1:20) en Die het einde van de wet is (Rom. 10:4) — gekomen zal zijn. Volgens sommigen heeft dit gezicht een verdere strekking dan alleen Antiochus Epifanes, waarbij ook aan een andere grote vijand van Gods kerk aan het einde van de wereld gedacht wordt. Anders: zal zijn op de vastgestelde tijd; dan zou de betekenis zijn: dit is geen ijdele bespiegeling, maar het gezicht zal zijn kracht hebben en op de door God bepaalde tijd voltrokken worden.
toen roerde hij mij aan,
Te weten om mij te wekken en te versterken. Vergelijk 1 Kon. 19:5 , 1 Kon. 19:7 . Anders: zo naderde hij tot mij, of, zo kwam hij tot mij.
Hertaald:
toen roerde hij mij aan,
Namelijk om mij te wekken en te versterken. Vergelijk 1 Kon. 19:5, 1 Kon. 19:7. Anders: zo naderde hij tot mij, of: zo kwam hij tot mij.
en hij stelde mij op mijn standplaats
Of, hij richtte mij op, dat ik stond.
Hertaald:
en hij stelde mij op mijn standplaats
Of: hij richtte mij op, zodat ik stond.
hij zeide
Te weten de engel Gabriël.
Hertaald:
hij zeide
Namelijk de engel Gabriël.
dezer gramschap;
Dat is, der ellende en des jammers, welke God over de Joden gebracht heeft, of brengen zal, door hunne zonden tot toorn verwekt zijnde.
Hertaald:
dezer gramschap;
Dat is: van de ellende en de jammer die God over de Joden gebracht heeft of brengen zal, omdat Hij door hun zonden tot toorn verwekt was.
ter bestemder tijd zal het einde zijn
Dat is, de volvoering zal geschieden ter bestemder tijd. Anders: ter bestemder tijd zal [de straf] een einde nemen.
Hertaald:
ter bestemder tijd zal het einde zijn
Dat is: de voltrekking zal op de vastgestelde tijd gebeuren. Anders: op de vastgestelde tijd zal de straf een einde nemen.
met de twee hoornen,
Hebreeuws, de heer der twee horens. Zie Gen. 14:13 .
Hertaald:
met de twee hoornen,
Hebreeuws: de heer van de twee horens. Zie Gen. 14:13.
zijn de koningen der Meden en der Perzen
Of, de koningen der Perzen en Meden zijn de ram, dat is, zij worden betekend of afgebeeld door dien ram, gelijk boven Dan. 2:38 , alzo ook vs.21. De zin is: Het zal geschieden, dat het gehele koninkrijk der Babyloniërs van de Meden en Perzen zal ingenomen worden.
Hertaald:
zijn de koningen der Meden en der Perzen
Of: de koningen van de Perzen en Meden zijn de ram, dat is: zij worden door die ram aangeduid of afgebeeld, zoals Dan. 2:38; zo ook vers 21. De betekenis is: het zal gebeuren dat het hele koninkrijk van de Babyloniërs door de Meden en Perzen ingenomen zal worden.
harige bok nu,
Of, ruigen, ruw van huis, Gen. 27:11 . Dat is, die vreeslijke, of schrikkelijke bok.
Hertaald:
harige bok nu,
Of: ruige, ruw van huid, Gen. 27:11. Dat is: die schrikwekkende bok.
is de koning van Griekenland;
Dat is, betekent het koninkrijk van Javan, dat is van Griekenland, versta daaronder ook Macedonië. Zie Gen. 10:2 .
Hertaald:
is de koning van Griekenland;
Dat is: hij duidt het koninkrijk van Javan aan, dat is: van Griekenland; versta daaronder ook Macedonië. Zie Gen. 10:2.
de eerste koning
Te weten Alexander de Grote, en versta dit alzo, dat hij de eerste koning der Grieken zou zijn, die de Perzen en Meden met krijg overwinnen zou. Hieruit besluiten sommigen dat het derde koninkrijk, boven Dan 2 en Dan 7 , niet kan geduid worden alleen op de regering van Alexander den Grote, maar ook op zijne opvolgers, de Lagiden en de Seleuciden. Hierop kan de verstandige lezer letten.
Hertaald:
de eerste koning
Namelijk Alexander de Grote. Versta dit zo dat hij de eerste koning van de Grieken zou zijn die de Perzen en Meden in de oorlog zou overwinnen. Hieruit besluiten sommigen dat het derde koninkrijk uit Dan. 2 en Dan. 7 niet alleen op de regering van Alexander de Grote betrokken kan worden, maar ook op zijn opvolgers, de Lagiden en de Seleuciden. De verstandige lezer kan daarop letten.
vier aan zijn plaats stonden,
Te weten horens, dat is koninkrijken, welke waren Egypte, Syrië, Macedonië, Klein-Azië.
Hertaald:
vier aan zijn plaats stonden,
Namelijk horens, dat is: koninkrijken, namelijk Egypte, Syrië, Macedonië en Klein-Azië.
toen hij verbroken was;
Dat is, als Alexander de Grote zal gestorven zijn. Zie boven vs.8.
Hertaald:
toen hij verbroken was;
Dat is: wanneer Alexander de Grote gestorven zal zijn. Zie hierboven vers 8.
uit dat volk ontstaan,
Te weten uit de Grieken. Dat is niet te verstaan van het geslacht of de kinderen van Alexander en Hercules, mitsgaders hunne moeders en zijn ganse geslacht, omgekomen; en zijn koninkrijk is verscheurd, en vier koningen van andere stammen hebben zijne rijken onder zich gedeeld.
Hertaald:
uit dat volk ontstaan,
Namelijk uit de Grieken. Dat moet niet verstaan worden van het geslacht of de kinderen van Alexander; want Hercules en de andere kinderen van Alexander zijn met hun moeders en zijn hele geslacht omgekomen, en zijn koninkrijk is verscheurd, en vier koningen uit andere stammen hebben zijn rijken onder elkaar verdeeld.
niet met zijn kracht
Dat is, niet zo machtig als Alexander de Grote, met wien zij niet zijn te vergelijken.
Hertaald:
niet met zijn kracht
Dat is: niet zo machtig als Alexander de Grote, met wie zij niet te vergelijken zijn.
op het laatste huns koninkrijks,
Hebreeuws, in den voortgang, of in het gevolg van hun koninkrijk. Zie boven Dan. 2:28 . Te weten als hun koninkrijk zal beginnen af te nemen door de groeiende en dagelijks aanwassende hoge macht der Romeinen. Anderen verstaan hier door het laatste van hun koninkrijk, hunne heerschappij over de Joden in het Joodse land, want hunne regering in Syrië heeft nog lang geduurd. Maar Antiochus Epifanes is de laatste geweest, die over Judea geheerst heeft.
Hertaald:
op het laatste huns koninkrijks,
Hebreeuws: in de voortgang of in het vervolg van hun koninkrijk. Zie Dan. 2:28. Namelijk wanneer hun koninkrijk zal beginnen af te nemen door de groeiende en dagelijks toenemende macht van de Romeinen. Anderen verstaan hier onder het laatste van hun koninkrijk hun heerschappij over de Joden in het Joodse land, want hun regering in Syrië heeft nog lang geduurd; maar Antiochus Epifanes is de laatste geweest die over Judea geheerst heeft.
op het hoogste gebracht zullen hebben,
Dat is, de maat hunner zonden zullen volbracht hebben, dat is, als vele Joden van den waren godsdienst zullen afgeweken zijn, waarvan te lezen is 1 Mach.1:12, enz., en 1 Mach.2:15. Hebreeuws, als het de afvalligen volkomen zullen gemaakt hebben. Van deze afvalligen zie boven vs.12.
Hertaald:
op het hoogste gebracht zullen hebben,
Dat is: wanneer zij de maat van hun zonden vol gemaakt zullen hebben, dat is: wanneer veel Joden van de ware godsdienst afgeweken zullen zijn, waarover te lezen is in 1 Makk. 1:12, enzovoort, en 1 Makk. 2:15. Hebreeuws: wanneer de afvalligen het volkomen gemaakt zullen hebben. Over deze afvalligen, zie hierboven vers 12.
een koning
Versta dit van Antiochus Epifanes, die het rijk met list heeft ingenomen. Zie onder Dan. 11:21 .
Hertaald:
een koning
Versta dit van Antiochus Epifanes, die het rijk met list ingenomen heeft. Zie Dan. 11:21.
opstaan,
Dat is, regeren.
Hertaald:
opstaan,
Dat is: regeren.
stijf van aangezicht,
Zie de aantekening Deut. 28:50 .
Hertaald:
stijf van aangezicht,
Zie de aantekening bij Deut. 28:50.
raadselen verstaande;
Zie de aantekening Ps. 78:2 . Antiochus Epifanes is geweest een man zonder schaamte of eer, durvende doen wat hem in den zin kwam, een loze boef, haast duistere dingen kunnende vatten en kunnende zelfs verborgen bedriegerij zeer behendiglijk bedenken.
Hertaald:
raadselen verstaande;
Zie de aantekening bij Ps. 78:2. Antiochus Epifanes was een man zonder schaamte of eer, die durfde te doen wat hem inviel: een sluwe booswicht, die duistere zaken snel doorzag en die zelfs verborgen bedrog zeer behendig wist te bedenken.
zijn kracht zal sterk worden,
Te weten Antiochus Epifanes.
Hertaald:
zijn kracht zal sterk worden,
Namelijk van Antiochus Epifanes.
niet door zijn kracht;
Maar door toelating van God, willende de zonden van zijn volk door hem, als een roede, tehuis zoeken. Zie boven vs.12. Anderen verstaan dit alzo, dat hij het doen zou niet door kracht, maar door arglistigheid, bedrog, verraderij en moorderij. Zie vs.25. Hij heeft, gelijk sommigen schrijven, de ombrenging van zijn vader en ook van zijn eigen broers in een oproer weten te bestellen, en hij heeft het rijk van zijn broeder Seleucus afhandig gemaakt en voor zichzelven genomen. Hoe hij door hulp en bedrog der Joodse hogepriesters en den afval veler Joden het Joodse land overheerd heeft, zie het eerste boek der Machabeën en Josefus.
Hertaald:
niet door zijn kracht;
Maar door toelating van God, Die de zonden van Zijn volk door hem als door een roede wilde bezoeken. Zie hierboven vers 12. Anderen verstaan dit zo dat hij het niet door kracht zou doen, maar door arglistigheid, bedrog, verraad en moord. Zie vers 25. Volgens sommigen heeft hij de moord op zijn vader en ook op zijn eigen broers in een oproer weten te laten uitvoeren, en heeft hij het rijk van zijn broer Seleucus afhandig gemaakt en zich toegeëigend. Hoe hij door hulp en bedrog van de Joodse hogepriesters en door de afval van veel Joden het Joodse land overheerst heeft, zie het eerste boek van de Makkabeeën en Josefus.
wonderlijk verderven,
Hebreeuws, hij zal wonderheden verderven. Antiochus Epifanes heeft allerwege groot verderf gedaan, maar inzonderheid in het Joodse land en aan den tempel te Jeruzalem. Zie 1 Mach.1:22.
Hertaald:
wonderlijk verderven,
Hebreeuws: hij zal wonderen verderven. Antiochus Epifanes heeft overal grote verwoesting aangericht, maar vooral in het Joodse land en aan de tempel in Jeruzalem. Zie 1 Makk. 1:22.
zal geluk hebben,
Te weten in het uitrichten zijner boze aanslagen.
Hertaald:
zal geluk hebben,
Namelijk in het uitvoeren van zijn boze plannen.
sterken,
Sommigen verstaan hier door de sterkte de Egyptenaars. Zie 1 Mach.1:20. Maar anderen verstaan hierdoor de godvruchtigen onder de Joden, die vs.10 genoemd zijn, des hemels heir; anderen, niet alleen de Egyptenaars, of Joden, maar ook naburige natiën, die hij bekrijgen zou.
Hertaald:
sterken,
Sommigen verstaan hier onder de sterken de Egyptenaren. Zie 1 Makk. 1:20. Maar anderen verstaan hieronder de godvruchtigen onder de Joden, die in vers 10 het heir van de hemel genoemd zijn; weer anderen niet alleen de Egyptenaren of Joden, maar ook naburige volken die hij zou bestrijden.
het heilige volk verderven
Dat is, de Joden. Zie 1 Mach.1:25. Hebreeuws, het volk der heiligheid.
Hertaald:
het heilige volk verderven
Dat is: de Joden. Zie 1 Makk. 1:25. Hebreeuws: het volk van de heiligheid.
door zijn
Of, na, of, vermits, of boven.
Hertaald:
door zijn
Of: naar, of: vanwege, of: boven.
kloekheid
Het Hebreeuwse woord betekent verstand, of verstandigheid, vernuft, naarstigheid, gauwigheid en kloekbeleid.
Hertaald:
kloekheid
Het Hebreeuwse woord betekent verstand of verstandigheid, vernuft, ijver, scherpzinnigheid en beleid.
zo zal hij de bedriegerij
Dat is, door zijne arglistigheid zal hij er velen bedriegen, te weten die van Azië, Syrië en Egypte, die hij met geschenken en gaven heeft aan de hand gekregen en gehouden.
Hertaald:
zo zal hij de bedriegerij
Dat is: door zijn arglistigheid zal hij velen bedriegen, namelijk die van Azië, Syrië en Egypte, die hij met geschenken en gaven aan zijn kant gekregen en gehouden heeft.
doen gedijen
Of, gelukken.
Hertaald:
doen gedijen
Of: doen gelukken.
in zijn hand;
Of, onder zijne hand.
Hertaald:
in zijn hand;
Of: onder zijn hand.
verheffen;
Hebreeuws, grootmaken. De zin is: Nadat hij vele grote zaken gelukkig en naar zijnen wens zal hebben uitgericht, zo zal zijn hart derhalve zich verhovaardigen.
Hertaald:
verheffen;
Hebreeuws: grootmaken. De betekenis is: nadat hij veel grote zaken voorspoedig en naar zijn wens zal hebben uitgevoerd, zal zijn hart zich daarom verhovaardigen.
in stille rust
Dat is, terwijl de mensen zonder enig achterdenken van kwaad zullen zijn, en menen dat alle dingen stil en wel zijn, zo zal hij daarop loeren en hij zal er velen onvoorziens overvallen. Anders: door gerustigheid, dat is, makende bedriegelijken vrede, om dezen en dien alzo te bedriegen. Zie 1 Mach.1:31.
Hertaald:
in stille rust
Dat is: terwijl de mensen geen kwaad vermoeden en menen dat alles rustig en in orde is, zal hij daarop loeren en velen onverwacht overvallen. Anders: door gerustheid, dat is: door een bedrieglijke vrede te sluiten om deze en gene zo te bedriegen. Zie 1 Makk. 1:31.
tegen den Vorst der vorsten,
Dat is, tegen den God Israëls. Zie boven vs.11.
Hertaald:
tegen den Vorst der vorsten,
Dat is: tegen de God van Israël. Zie hierboven vers 11.
zonder hand verbroken worden
Maar door een verschrikkelijke krankheid, komende van God den Heere. Zie 1 Mach.6:8, enz., en 2 Mach.9:5, enz.
Hertaald:
zonder hand verbroken worden
Maar door een verschrikkelijke ziekte, die van God de HEERE kwam. Zie 1 Makk. 6:8, enzovoort, en 2 Makk. 9:5, enzovoort.
Het gezicht nu van avond en morgen,
Zie boven vs.14.
Hertaald:
Het gezicht nu van avond en morgen,
Zie hierboven vers 14.
sluit dit gezicht toe,
Dat is, verberg het, verzegel het, houd het geheim, te weten, dat het niet ruchtbaar worde onder de ongelovigen en vijanden van Gods kerk; zulke honden en zwijnen zouden daardoor meer verbitterd en razender gemaakt worden. Vergelijk Jes. 8:16 ; Openb. 10:4 . Maar het wordt Daniël niet verboden den godzaligen Joden dit te openbaren tot hun troost, gelijk Dan. 12:4 . Doch alles met overleg.
Hertaald:
sluit dit gezicht toe,
Dat is: verberg het, verzegel het, houd het geheim, namelijk zodat het niet bekend wordt onder de ongelovigen en de vijanden van Gods kerk; zulke honden en zwijnen zouden daardoor alleen maar verbitterder en razender gemaakt worden. Vergelijk Jes. 8:16; Openb. 10:4. Maar het wordt Daniël niet verboden dit aan de godvruchtige Joden te openbaren tot hun troost, zoals Dan. 12:4 — maar wel steeds met beleid.
daar zijn nog vele dagen
Te weten eer deze profetie vervuld zal worden. Daar zijn over de drie honderd jaren verlopen van den dood van Belsazar, of het begin van de monarchie der Perzen over Babel [toen Daniël dit profeteerde] tot den dood van Antiochus Epifanes.
Hertaald:
daar zijn nog vele dagen
Namelijk voordat deze profetie vervuld zal worden. Er zijn ruim driehonderd jaar verlopen tussen de dood van Belsazar, of het begin van de monarchie van de Perzen over Babel — toen Daniël dit profeteerde — en de dood van Antiochus Epifanes.
toe
Tot hiertoe is verklaard het eerste deel van het achtste hfdst., namelijk, de profetie van het rijk der Perzen en Meden, van Alexander de Groote en dergenen, die hem in het rijk gevolgd zijn.
Hertaald:
toe
Tot hier is het eerste deel van het achtste hoofdstuk verklaard, namelijk de profetie over het rijk van de Perzen en Meden, over Alexander de Grote en over hen die hem in het rijk opgevolgd zijn.
zwak,
Of, ik werd krank gemaakt, enz.
Hertaald:
zwak,
Of: ik werd ziek gemaakt, enzovoort.
was enige dagen krank;
Te weten van schrik en verbaasdheid.
Hertaald:
was enige dagen krank;
Namelijk van schrik en verbijstering.
werk;
Dat is, ik bediende het ambt, hetwelk mij de koning had opgelegd. Zie boven de aantekening vs.2.
Hertaald:
werk;
Dat is: ik bediende het ambt dat de koning mij opgedragen had. Zie hierboven de aantekening bij vers 2.
over dit gezicht;
Of, vanwege dit gezicht, hetwelk Daniël zo verschrikt had, dat het uit zijn zin niet kon gaan.
Hertaald:
over dit gezicht;
Of: vanwege dit gezicht, dat Daniël zo verschrikt had dat het hem niet uit de gedachten kon gaan.
niemand merkte het
De zin is: Al was ik hierover zozeer ontsteld, nochtans bedwong ik mij zo, dat niemand uit mijn gelaat mijne verslagenheid of verbaasdheid kon merken; of, dat niemand merkte waarvan ik krank geworden was, of dat ik zulk een gezicht gehad had, achtervolgens het bevel, hetwelk God hem gegeven had, vs.26.
Hertaald:
niemand merkte het
De betekenis is: hoezeer ik hierover ook ontsteld was, toch beheerste ik mij zo dat niemand aan mijn gezicht mijn verslagenheid of verbijstering kon merken; of: dat niemand merkte waardoor ik ziek geworden was, of dat ik zo'n gezicht gehad had — overeenkomstig het bevel dat God hem gegeven had, vers 26. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Koning van Babel, zoon (of kleinzoon) van Nebukadnezar. Tijdens een grote maaltijd, waarbij hij uit de heilige tempelvaten dronk en de afgoden prees, verscheen een hand die het oordeel "Mene, Mene, Tekel, Ufarsin" op de muur schreef; Daniël verklaarde dat zijn koninkrijk geteld, gewogen en te licht bevonden was, en verdeeld zou worden. In diezelfde nacht werd Belsazar gedood en ging het rijk over op de Meden en Perzen (Dan. 5). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas "Een ram stond voor dien vloed, die had twee hoornen, en die twee hoornen waren hoog, en de een was hoger dan de andere" (Dan. 8:3). Hij stoot naar west, noord en zuid, "en geen dieren konden voor zijn aangezicht bestaan" (Dan. 8:4). Dan komt er een geitenbok van het westen, "en roerde de aarde niet aan", met één opvallende horen (Dan. 8:5). Hij verslaat de ram volledig: "hij stiet den ram, en hij brak zijn beide hoornen" (Dan. 8:7). In hetzelfde vers staat het einde ervan: "en hij wierp hem ter aarde, en hij vertrad hem, en er was niemand, die den ram uit zijn hand verloste." Op het toppunt van zijn kracht breekt de grote horen van de bok, en op zijn plaats komen er vier (Dan. 8:8). Bijbelse betekenis: Merk op de snelheid van dit gezicht. De geitenbok raakt de aarde niet aan; hij komt zo snel dat het lijkt of hij vliegt. Macht die zo snel komt, blijkt in het vervolg ook zo snel te breken: juist op het hoogtepunt sneuvelt de grote horen. Let vervolgens op wat er ná die breuk gebeurt. In plaats van één macht komen er vier, verdeeld naar de vier windstreken; een rijk dat uiteenvalt, wordt niet kleiner in aantal heersers maar wel in eenheid. Let ten slotte op wat het register hier wél en niet doet. Anders dan bij Dan. 7 is dit gezicht van zichzelf al concreter in zijn beelden; het register beschrijft wat er staat zonder namen en jaartallen toe te voegen. Typologie: Wat in beide gezichten telkens weerkeert, is dat de grootste macht ineens breekt; dat is dezelfde les die aan Nebukadnezar geleerd werd (reeds behandeld bij Dan. 4:29-37). Dan. 8:3-8; Dan. 4:29-37 Uit een van de vier horens komt een kleine op, "welke uitnemend groot werd, tegen het zuiden, en tegen het oosten, en tegen het sierlijke land" (Dan. 8:9). Hij reikt tot aan de hemel: "hij werd groot tot aan het heir des hemels; en hij wierp er sommigen van dat heir, namelijk van de sterren, ter aarde neder" (Dan. 8:10), en zelfs tot aan de Vorst van dat heir: "van Denzelven werd weggenomen het gedurig offer, en de woning Zijns heiligdoms werd nedergeworpen" (Dan. 8:11). Dan volgt een gesprek tussen twee heiligen: "Tot hoelang zal dat gezicht van het gedurig offer en van den verwoestenden afval zijn?" (Dan. 8:13). Het antwoord luidt: "Tot twee duizend en driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden" (Dan. 8:14). Bijbelse betekenis: Merk op hoe ver deze macht gaat: niet alleen tegen mensen, maar tegen het offer en het heiligdom zelf, en de tekst noemt dat een opstand tegen de Vorst des heirs. Let vervolgens op de vraag die de heilige stelt: tot hoelang. Dat is dezelfde vraag die telkens in de Schrift van vervolgden gesteld wordt, en het antwoord komt hier in een getal van dagen. Over wat dat getal betekent en op welk tijdstip het uitkomt, lopen de uitleggingen sterk uiteen, ook binnen de eigen traditie; het register vult daarom geen jaartal in en spreekt zich niet uit over de vervulling. Dezelfde terughoudendheid als bij "een tijd, en tijden, en een gedeelte eens tijds" in het vorige hoofdstuk (reeds behandeld bij Dan. 7:25). Let ten slotte op het woord waarmee het antwoord eindigt: gerechtvaardigd. Wat nu vertrapt wordt, komt aan het einde van de termijn weer tot zijn recht. Typologie: De vraag tot hoelang keert terug bij de zielen onder het altaar: "Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen?" (Op. 6:10). Het antwoord daar is hetzelfde als hier: er wordt hun een tijd gegeven, en die tijd is vastgesteld. Dan. 8:9-14; Dan. 7:25; Op. 6:10 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het koninkrijk niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding uitwerking Daniël ziet een ram met twee hoornen en een geitenbok die uit het westen komt zonder de aarde aan te raken. De uitlegging wordt hem gegeven: het zijn de koningen van Medië en Perzië en de koning van Griekenland. Uit de brokstukken van dat rijk komt ten slotte een kleine hoorn op. De laatste tegenstander in dit gezicht richt zich uiteindelijk niet tegen mensen maar tegen Iemand Die de Vorst der vorsten heet. De beschrijving van die kleine hoorn is stap voor stap een opklimming, en zij eindigt hoger dan men verwacht. Eerst wordt hij groot naar het zuiden en het oosten. Dan wordt hij groot tot aan het heir des hemels. Dan neemt hij het gedurig offer weg en werpt hij de woning van het heiligdom neer. En ten slotte staat er: hij zal zich in zijn hart verheffen, en hij zal staan tegen de Vorst der vorsten. Dat woord vorst betekent hier niet de zoon van een koning, iemand met een titel maar zonder macht. Het duidt een heerser aan, een hoofd, iemand met het gezag om te besturen. En de uitdrukking Vorst der vorsten is een overtreffende trap: de meest gezaghebbende Heerser die er bestaat. Hetzelfde soort woord staat in Jesaja bij de naam Vredevorst — ook daar gaat het niet om een kroonprins in afwachting maar om Degene Die het vrederijk werkelijk bestuurt. En dan komt het slot van de zin, en het is in zijn beknoptheid ontnuchterend: “doch hij zal zonder hand verbroken worden.” Er komt geen leger aan te pas en geen tegenaanval. Wat zich tegen deze Vorst opricht, wordt gebroken zonder dat er een mensenhand aan te pas komt. Daarmee ligt de lijn open naar een eerder gezicht van Daniël. Daar werd een steen zonder handen afgehouwen, die het beeld verbrijzelde en zelf een grote berg werd die de hele aarde vervulde. Twee keer hetzelfde: het beslissende gebeurt zonder mensenhand. Er staat in dit hoofdstuk nog iets dat troost geeft in een gezicht dat verder weinig troostrijks heeft. Op de vraag hoelang het duren zal, komt een antwoord met een getal erin: tot tweeduizend driehonderd avonden en morgens, dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden. Over de uitleg van dat getal lopen de meningen ver uiteen, en die vraag hoeft hier niet beslist te worden. Wat vaststaat is de vorm van het antwoord: er ís een grens, en die is geteld. En daarmee raakt dit hoofdstuk waar de hele Schrift op uitkomt. Paulus tekent dezelfde figuur in bijna dezelfde bewoordingen — hij verheft zich boven al wat God genaamd wordt — en hij zegt er in één zin bij hoe het afloopt: die de Heere verdoen zal door de Geest Zijns monds. Ook daar geen leger. Alleen een adem. Daniël houdt er trouwens iets aan over. Het hoofdstuk sluit met de mededeling dat hij enige dagen krank was, en dat hij verbaasd bleef over het gezicht en het niemand kon uitleggen. In het Nieuwe Testament: 2 Thessalonicenzen 2:3-8; Daniël 2:34-35; Openbaring 17:14; Openbaring 19:16; Jesaja 9:5 Hoever dit reikt: Het Nieuwe Testament haalt Daniël 8 niet aan, al lijkt Paulus in 2 Thessalonicenzen 2 dezelfde figuur te beschrijven. Dat de uitdrukking Vorst der vorsten op God ziet, volgt uit het gebruik van dat woord in de Schrift. Dat zij hier op Christus toegepast mag worden, is een gevolgtrekking langs de weg van de andere plaatsen waar Hij Vorst genoemd wordt. Over het getal in vers 14 lopen de verklaringen sterk uiteen, en die vraag wordt hier bewust opengelaten.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Daniël 8
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Hij zal staan tegen den Vorst der vorsten — 8:9-14, 23-27
Wat betekenen de niveaus?


Daniël 8
Daniël 8:19.KruisverwijzingenDaniël 8:15→Habakuk 2:3→Daniël 11:35→Daniël 8:23→Openbaring 17:17→Openbaring 10:7→Daniël 9:26→Daniël 11:27→
— En hij zeide: Zie, ik zal u te kennen geven, wat er geschieden zal ten einde dezer gramschap; want ter bestemder tijd zal het einde zijn.
“En hij zeide: Zie, ik zal u te kennen geven, wat er geschieden zal ten einde dezer gramschap; want ter bestemder tijd zal het einde zijn.”
De menselijke natuur verlangt er angstvallig naar iets van de toekomst te weten. Stel dat ons vanavond gezegd werd dat wij de sluier van onze eigen geschiedenis konden oplichten en de loop van ons leven voor de komende jaren vooruit konden zien. Dan vrees ik dat weinigen van ons zo’n gelegenheid zouden laten lopen.
Deze angstvallige begeerte om de toekomst te kennen heeft mannen en vrouwen in alle eeuwen tot de gemakkelijke prooi van berekenende bedriegers gemaakt. Dat gold van de onwetendheid van de ongeletterde Egyptenaar tot de handigheid van de hedendaagse beroepslieden. Overal waar die geest de mensen ertoe brengt zich met lichte lectuur te vermaken, brengt hij hen er ook toe de Bijbel te lezen om de toekomst te voorspellen. En dan grijpen zij naar elk verzinsel waarmee zij hopen een glimp van de ontrolde boekrol op te vangen.
Maar laat u overtuigen: op een enkele grote trek na, een enkele grootse omtrek die God geopenbaard heeft, is de toekomst volstrekt voor mensenogen gesloten. En wat de bijzonderheden betreft die uw leven of het mijne aangaan, is het volslagen onmogelijk dat wij daarmee ooit bekend worden. Wij zullen ze vroeg genoeg weten door de langzame ontvouwing van de ervaring, maar het is ijdel en schadelijk te proberen ze te kennen voordat zij gebeuren.
Ons zal niets overkomen dat God niet vooruitgezien heeft. Geen onverwachte gebeurtenis zal Zijn plannen verstoren. Er zal zich geen nood voordoen waarin Hij niet voorzien heeft. Er zal geen gevaar opkomen waartegen Hij niet gewaakt heeft. Geen opmerkelijke behoefte zal Hem overvallen. Hij ziet het einde van het begin af, en de dingen die niet zijn alsof zij waren.
Voor Gods oog is er geen verleden en geen toekomst; Hij vervult Zijn eigen eeuwige heden. Hij staat op een plaats vanwaar Hij op het geheel kan neerzien en het verleden, het tegenwoordige en de toekomst met één blik overziet. Heel de toekomst is door Hem vooruitgezien en door Hem vastgesteld.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-12.KruisverwijzingenDaniël 8:21→Daniël 7:2→Nehemia 1:1→Esther 1:2→Openbaring 7:1→Jesaja 14:13→Openbaring 12:4→Genesis 14:1→
— In het derde jaar des koninkrijks van den koning Belsazar, verscheen mij een gezicht, mij Daniel, na hetgeen mij in het eerste verschenen was. En ik zag een gezicht, (het geschiedde nu, toen ik het zag, dat ik in den burg Susan was, welke in het landschap Elam is) ik zag dan in een gezicht, dat ik aan den vloed Ulai was. En ik hief mijn ogen op, en ik zag, en ziet, een ram stond voor dien vloed, die had twee hoornen, en die twee hoornen waren hoog, en de een was hoger dan de andere, en de hoogste kwam in het laatste op. Ik zag, dat de ram met de hoornen tegen het westen stiet, en tegen het noorden, en tegen het zuiden, en geen dieren konden voor zijn aangezicht bestaan, en er was niemand, die uit zijn hand verloste; maar hij deed naar zijn welgevallen, en hij maakte zich groot. Toen ik dit overlegde, ziet, er kwam een geitenbok van het westen over den gansen aardbodem, en roerde de aarde niet aan; en die bok had een aanzienlijken hoorn tussen zijn ogen. En hij kwam tot den ram, die de twee hoornen had, dien ik had zien staan voor den vloed; en hij liep op hem aan in de grimmigheid zijner kracht. En ik zag hem, nakende aan den ram, en hij verbitterde zich tegen hem, en hij stiet den ram, en hij brak zijn beide hoornen; en in den ram was geen kracht, om voor zijn aangezicht te bestaan; en hij wierp hem ter aarde, en hij vertrad hem, en er was niemand, die den ram uit zijn hand verloste. En de geitenbok maakte zich uitermate groot; maar toen hij sterk geworden was, brak die grote hoorn, en er kwamen op aan deszelfs plaats vier aanzienlijke, naar de vier winden des hemels. En uit een van die kwam voort een kleine hoorn, welke uitnemend groot werd, tegen het zuiden, en tegen het oosten, en tegen het sierlijke land. En hij werd groot tot aan het heir des hemels; en hij wierp er sommigen van dat heir, namelijk van de sterren, ter aarde neder, en hij vertrad ze.
Even als de Christus ene meer nabij zijnde of eerste toekomst heeft, zo ook de Antichrist, deze heeft die in zijn voorbeeld, den Syrischen koning Antiochus Epifanes. Over de geschiedenissen van het volk Gods, gedurende de eerste 500 jaren van de ballingschap tot op Christus, die een voorspel zijn van de laatste ontvouwingen van het Godsrijk in den tijd van de uitbreiding der Christelijke kerk onder de heidenen tot op de tweede toekomst van Christus, ontvangt de Profeet, nadat hem in het vorige gezicht het inwendig, religieus karakter der vier wereldmachten ontvouwd is, nadere openbaring in een gezicht, dat hij twee jaren later heeft. Onder de gedaante van enen ram verschijnt eerst aan Daniël de Perzische monarchie, daarna onder het zinnebeeld van een geitebok de Grieksch-Macedonische wereldmacht. De grote betekenis van die laatste voor het volk van God wordt in ‘t bijzonder op den voorgrond gesteld. Vervolgens ontvangt de Profeet ene onderwijzing omtrent de lijdens- en louteringsperiode der gelovigen, waarbij als werktuig in des Heeren hand Antiochus Epifanes ene zo belangrijke plaats zou innemen. Niet zo dadelijk op den tijd der ballingschap-dit is de kern en het middelpunt van deze openbaring in haren zamenhang met de vorige-volgt het rijk, dat in eeuwigheid niet zal kunnen vernietigd worden; integendeel moet er nog eerst ene zeer gevaarvolle, donkere periode doorlopen worden, die echter noodzakelijk is tot verwezenlijking van het plan, dat God ter zaligmaking heeft, ene periode, welke overeenkomt met die, welke het Messiaanse rijk voorafgaat en als type daarvan moet beschouwd worden. Ook hier zal de koninklijke tiran alles op het spel zetten, om den naam van God uit de wereld te bannen, ook hier zal de tempel des Heeren ontwijd worden, en het bloed der heiligen, die hunnen Heere getrouw zijn gebleven, zal in stromen vloeien.
In het derde jaar des koninkrijks van den koning Belsazar(in het jaar 557 v. Chr. (zie 2 Kon. 25:27) verscheen mij een gezicht, mij Daniël, na hetgeen mij in het eerste jaar van dezen koning (Hoofdst. 7:1 vv.) verschenen was, niet alleen in tijd, waarop het ontvangen werd, maar ook wat den inhoud aangaat verschilde.
En ik zag een gezicht; het geschiedde nu, toen ik het zag, dat ik niet lichamelijk, want ik bevond mij te Babel, maar in den geest in den burg Susan was, welke in het landschap Elam is, dus in het middelpunt van de Perzische monarchie, wier laatste lot mij zou voorzegd worden; ik zag dan in een gezicht, dat ik, zo dacht mij, aan den vloed Ulai of Eulëus was. Het Babylonische wereldrijk was reeds aan het afnemen, nu zal Daniël het lot der volgende Monarchie vernemen, en hij verneemt het zeer gepast bij de toekomstige hoofdstad daarvan, in Susan. Hij zag dit gezicht aan de Ulai, waar werkelijk later de ram en de geitebok met een legermacht op elkaar stieten.
En ik hief, gedreven door den Geest, die mij een beeld der profetie voor mijne ogen wilde plaatsen, mijne ogen op, en ik zag, en ziet er was een ram in zijn pels en wol, en met zijne tot stoten geneigde horens, een sprekend beeld van het rijke Perzische rijk, dat gereed is tot het aanvallen van alle volken, welks koning, wanneer hij aan het hoofd van zijn leger verscheen, ook werkelijk in plaats van een diadeem een kop van een ram droeg. Deze ram stond voor dien vloed, die had twee hoornen, gelijk dan ook dat rijk een dubbel, een Medo-Perzisch was (2 Kron. 36:20), en die twee hoornen waren hoog, en de ene was hoger dan de andere, en de hoogste, het zinnebeeld der Perzische macht, kwam in het laatste op (Ezra 1:4) steeg meer in de hoogte.
Ik zag, dat de ram met de twee hoornen tegen het westen, tegen Babylonië, Syrië en Klein-Azië stiet, en tegen het noorden, Scythië en Armenië, en tegen het zuiden, Egypte, Libië, Ethopië, Arabië en Indië, en gene dieren konden voor zijn aangezicht bestaan, en er was niemand, die uit zijne hand verloste, want alle deze landen werden, het een na het ander de Perzische wereldmonarchie ingelijfd; maar hij deed naar zijn welgevallen (vgl. Herod. VII:31), en hij maakte zich groot, zodat het rijk ten laatste 127 provincies telde, maar zich nu ook op zijne grootte sterk verhief (Esth. 1:1 vv.).
Toen ik dit overleidde 1), in de beschouwing van het raadselachtige en veelbetekenende beeld verdiept was, ziet, er kwam een geitebok, als zinnebeeld der Grieksch-Macedonische krijgsmacht (vs. 21) van het westen, over den gansen aardbodem met lichten voet en snel ijlende, en hij roerde de aarde niet aan, het scheen meer te vliegen (Hoofdst. 7:6) dan te lopen; en die bok had een aanzienlijken hoorn tussen zijne ogen, welke Alexander, den Grote, den aanvoerder dier krijgsmacht, betekende.
Of, toen ik hierop acht gaf.
En hij kwam tot den ram, die de twee hoornen had, dien ik had zien staan voor den vloed (vs. 3 vv.); en hij liep op hem aan in de grimmigheid zijner kracht (denk hier aan het treffen tussen het Griekse en het Perzische leger bij den Granicus en bij Issus).
En ik zag hem, nakende aan den ram, (denk aan den slag bij Gaugamela) en hij verbitterde zich tegen hem, en hij stiet den ram, en hij brak zijne beide hoornen; en in den ram was gene kracht, om voor zijn aangezicht te bestaan, en hij wierp hem ter aarde, en hij vertrad hem (denk aan den ondergang van den Perzischen koning Darius Codomannus in 331 v. Chr.); en er was niemand, die den ram uit zijne hand verloste, het gehele Perzische rijk werd Alexander den Grote, ten buit.
En de geitebok, vroeger nog jeugdig en zwak, maakte zich uitermate groot, want het Grieksch-Macedonische rijk breidde zijne heerschappij tot aan Indië uit; maar toen hij sterk geworden was, brak die grote hoorn, daar Alexander in het jaar 323 v. Chr. stierf, en er kwamen op aan deszelfs plaats vier aanzienlijke horens, zinnebeelden van de vier koninkrijken, die uit Alexanders monarchie voortkwamen naar de vier winden des hemels, het Macedonische naar het Westen, het Thracische naar het Noorden, het Tyrische naar het Oosten, en het Egyptische naar het Zuiden.
En uit enen van die vier aanzienlijke horens, namelijk uit het door Seleucus Nikator gestichte Grieksch-Syrische rijk (Hoofdst. 11:5) kwam voort, bij wijze van een tand aan een werkelijken hoorn, een kleine hoorn, 1) Antiochus Epifanes, die in 1 Makk. 1:11 een zondige spruit genoemd wordt, welke uitnemend groot werddoor gelukkig gevoerde oorlogen tegen het zuiden, tegen Egypte (Hoofdst. 11:21 vv.) en tegen het oosten, Perzië, Armenië en Elymaïs (1 (Makk. 3:31, 37; 6:1 vv.), en tegen het sierlijke land, tegen Palestina (Hoofdst, 11:16. Jer. 3:19. Ezech. 20:6).
De Profeet zag enen kleinen hoorn, hetwelk een grote vervolger van de Kerk en van het volk van God is geworden, en dit was de voornaamste zaak, die er in de openbaring van dit gezicht aan hem bedoeld wordt, gelijk naderhand Hoofdst. 11:30. Deze uitdrukking is zeer menigvuldig bij de Profeten der ballingschap, en in hunnen mond tevens bijzonder karakteristiek. Zij gaven daardoor hun verlangen te kennen naar den dierbaren grond, waar hun God onder hen woonde en werkte, en wilden tevens bij hun hoorders en lezers hetzelfde gevoel in het hart doen ontwaken en onderhouden, in ‘t bijzonder ook bij Messiaanse beloften, door welker vervulling in Kanaän dit het toppunt van schoonheid en sierlijkheid bereikte. Een kleine hoorn wordt hij genoemd, omdat hij wat zijn opkomst betreft, van geringen aanvang was. Als gevangene, als gijzelaar had Antiochus Epifanes enigen tijd te Rome doorgebracht.
En hij, die kleine hoorn, werd groot tot aan het heir des hemels, daar het zelfs waagde aan Israël, het volk van God, de hand te slaan; en hij wierp er sommigen van dat heir namelijk van de sterren, van de belijders van den waren God, ter aarde neer, en hij vertrad ze; hij pleegde de schandelijkste wreedheden tegen hen, om Israël geheel van zijnen godsdienst te doen afvallen (1 Makk. 1:25, 30 vv. 2:28; 5:2, 9 vv.). De Hebreeuwse Theokratie is geen rijk van deze wereld, het stelde tegenover den zichtbaren hemel enen bovenzinnelijken; hare burgers zijn de sterren daarvan. Israël was, hoe het ook was, het volk der heiligen. het volk van God, omdat het Gods openbaring en God onder zich had wonen, geheel afgezien van den trap van heiliging bij de bijzondere leden.
Ja hij, deze kleine hoorn, maakte zich groot tot aan den Vorst diens heirs, 1) hij beproefde zelfs zich aan den Heere der Kerk, aan den Heere Zebaoth onmiddellijk te vergrijpen, en van denzelven werd weggenomen het gedurig offer in den tempel te Jeruzalem, en de woning Zijns heiligdoms werd nedergeworpen.
Tegen den vorst van dat heir of tegen Jehova maakte die hoorn zich groot, wijl Antiochus, na een tweeden veldtocht tegen Egypte ondernomen te hebben, en door een gezant uit Rome van de inneming van Alexandrië teruggehouden te zijn, in verstoordheid daarover, bij zijn terugkeer, op nieuw tegen de Joden woedde, den Joodsen godsdienst verbood, het beeld van den Olympischen Zeus op het altaar Gods liet plaatsen, het offer, dat overeenkomstig de Mozaïsche instelling alle dagen gebracht moest worden, afschafte en het heiligdom der Joden verwoestte. (J. M. GÄRTNER). “De Vorst diens heirs” is niet, de Hogepriester, zoals sommige uitleggers menen, o. a. Henry en Grotius, maar God zelf, de Koning van zijn volk. Dit zich groot maken tegen den Heere God, wordt nader aangeduid door hetgeen volgt. Antiochus Epifanes ontheiligde den tempel en verbood den Heere het morgen- en het avondoffer te brengen.
En het heir werd, gelijk een heilige nader verklaarde (vs. 13), in den afval om Israëls zonde te straffen en het daarvan te reinigen, overgegeven tegen het gedurig offer, om dit af te schaffen en den heidensen afgodendienst daarvoor in de plaats te stellen (1 (Makk. 1:57 vv.), en hij wierp de waarheid 1) ter aarde, daar hij de boeken van Gods wet liet verscheuren en verbranden, en hij deed het, en het gelukte wel.
Velen namen den heidensen godsdienst gaarne aan en hadden zich reeds vroeger naar de heidense zeden geschikt en den voorvaderlijken godsdienst veracht; toen nu de vervolging uitbrak, gingen zij niet alleen vrijwillig tot het heidendom over, maar werden ook de aanbrengers hunner eigene landslieden en de verraders der gelovigen. Aldus wierp Antiochus de waarheid ter aarde, zonder dat zich bij den aanvang iemand tegen hem verzette. Hieronder moet verstaan worden de wet en wat in de wet den volke is geboden: De geopenbaarde, door God geopenbaarde waarheid. Dit is geschied, toen de Syrische koning het volk dwong om zijn eredienst in te ruilen voor de heidense gebruiken en offeranden. 13. Vs. 13-27. Bij het gezicht, dat den Profeet ten dele werd, zijn hemelse machten werkzaam, om hem dit te verklaren. Hij verneemt, dat, even als den Antichrist (Hoofdst 7:25 vv. die zijn voorbeeld is, de almachtige hand van God bereiken zal, en het vonnis onverwacht aan hem zal worden ten uitvoer gelegd, dat hem slechts een bepaald getal van dagen, gelijk in den raad van God besloten is, macht gelaten is. Maar alle deze openbaringen, die Daniël hier ontvangt, zijn van het begin tot het einde met grote ontroeringen zijner ziel verbonden, en de uitputting, die daarvan voor hem achterblijft, berokkent hem zelf ene ziekte van verscheidene dagen.
Daarna hoorde ik enen heilige spreken, enen van de heilige engelen Gods, die in Zijne geheimen met betrekking tot Zijn werk om de mensen te redden een zo levendig belang stellen (Efeze. 3:10. 1 Petr. 1:12 en de heilige, een andere engel zei tot den onbenoemde, 1) tot den eerste, die daar sprak wat in vs. 12 is meegedeeld: Tot hoelang zal dat gezicht van het gedurig offer, dat toch zal worden afgeschaft, en van den verwoestenden afval zijn, van Israëls zonde, die zoveel ellende teweegbrengt, dat zo het heiligdom als het heir het volk van Israël (vs. 10)ter vertreding zal overgegeven worden?
In het Hebr. Waëschmeah échaad kadoosj wedabbeer wajomer échaad kadoosj lapalmoni hamdabbeer. Beter: Daarna hoorde ik een heilige spreken, en een andere heilige sprak tot hem, die zo even sprak. Wat de ene heilige of Engel sprak wordt niet vermeld, maar terwijl deze sprak, valt een ander hem in de rede, met de vraag, tot hoe lang die ellende zal duren, een vraag die gedaan wordt, opdat Daniël het antwoord zou vernemen. Sommigen zijn van oordeel dat onder den “ongenoemde” verstaan moet worden de Christus, maar o. i. ten onrechte, dewijl er dan niet zou staan een zeker heilige, maar wel degelijk de Engel des Verbonds. De beide Engelen zijn hier boodschappers Gods, door God onderwezen van de toekomende dingen, om deze op hun beurt weer aan Daniël te openbaren. Over den Zone Gods wordt later in vs. 16 gesproken.
En hij, de eerste heilige, zei tot mij, en beantwoordde daardoor tevens den eersten heilige, die hem gevraagd had 1): Tot twee duizend en drie honderd avonden en morgens, (Gen. 1:5); dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden 2) door herstelling van den waren godsdienst terug ontvangen, wat het rechtmatig toekomt 2).
Hier hebben wij iets van het gesprek der heiligen, waarvan in Hoofdst. 9:14 vermeld is, en het is wel aan het geloof geoorloofd, zich hier van het werkelijk verkeer der zalige geesten onder elkaar iets voor te stellen, daar den enen dit, den anderen dat door den Heere in ‘t bijzonder geopenbaard is, en zij de vreugde hebben, elkaar wederkerig Gods openbaringen en raadsbesluiten mede te delen. Van dien aard zijn toch ook de zaligste gesprekken der kinderen Gods op aarde. Terwijl Daniël, door het gezicht als nedergedonderd, in verwondering verzonken was, kwam God door de hulp van enen Engel aan zijne zwakheid te gemoet. Zonder twijfel zou hij zelf omtrent het gezicht gevraagd hebben, gelijk wij later (vs. 15) zijne begeerte vernemen; maar hier wilde God hem voorkomen, omdat Hij den heiligen man zo door schrik overweldigd zag, dat hij niet durfde vragen. Daardoor geeft God geen gering bewijs van Zijne vaderlijke goedheid en tederheid.
Deze 2300 kunnen zeker, gelijk Luther gedaan heeft, voor eigenlijke dagen gehouden worden, en de juiste vervulling der voorzeggingen zou in de geschiedenissen der Makkabeën kunnen worden aangewezen, waarvoor een geheel aantal berekeningen is; men moet echter daarbij óf den tijd van het begin aanmerkelijk vervroegen, óf den tijd van het einde der hier bedoelde geschiedenis veel later stellen. Daarom is zeker de voorkeur te geven aan die uitlegging, welke de woorden van den grondtekst zo verstaat; twee duizend en drie honderd avond- en morgen-, namelijk offers. Daar iedere dag zijn avond en morgen heeft, en er 2300 wegvallen, zo zouden het 1150 dagen zijn; inderdaad is het ook die dagelijkse morgen- en avonddienst, over welken hier gesproken wordt.
En het geschiedde, toen ik dat gezicht zag, ik Daniël, zo zocht ik het verstand deszelven, zo begeerde ik het te mogen begrijpen, gelijk ik dan ook in mijn hart om nadere inlichtingen bad, en ziet, er stond voor mij als de gedaante eens mans.
En ik hoorde, zonder toch een werkelijken persoon te zien, tussen Ulai, van de plaats tussen die beide oevers van de rivier, aan wier westzijde ik mij bevond, eens mensen stem, die eigenlijk niet van een mens maar de stem van den Zone Gods was, die riep en zei: Gabriël! geef deze het gezicht te verstaan.
Luk. 1:26. Eerst verschijnt een Engel zonder eigen naam als een man; hij wordt vervolgens als man Gods (= Gabriël aangesproken, en spoedig is die uitdrukking reeds als een blijvende eigennaam van dezen Engel gebruikt (Hoofdst. 9:21). Zo zijn de Engelen-namen ontstaan, alleen om de behoefte der mensen te hulp te komen, waar het er om te doen is, enen bepaalden bode van anderen, die zijns gelijken zijn, op menselijke wijze te onderscheiden. De Heilige Schrift is echter om goede redenen zeer spaarzaam met zulke eigennamen van Engelen, en in de kanonieke zijn er slechts twee, Gabriël en Michaël, genaamd.
En hij, de Engel Gabriël kwam nevens waar ik stond, plaatste zich dicht bij mij, en als hij kwam, verschrikte ik; en ik vielin diepe ontroering mijner ziel op mijn aangezicht. Toen zei hij tot mij: Versta, gij mensenkind! 1) want dit gezicht zal, wat zijne vervulling betreft, zijn tot den tijd van het einde der straffen en der louteringen van het volk door de Gode vijandige macht der wereld, welke de komst van den Messias zal voorafgaan.
Zowel Ezechiël alsook Daniël en Zacharia worden, daar zij zich dikwijls te midden van Engelen zien, opdat zij zich niet in trotsheid verheffen en zich Engelenwaarde of natuur toeschrijven aan hun vergankelijkheid herinnerd en mensenkinderen genoemd, opdat zij weten dat zij mensen zijn. Hoewel Daniël een zeer voorzichtig en kloekmoedig man was, en gemeenzaam was met gezichten van den Almachtige, evenwel brengt de nadering van een buitengewoon gezant, van dien Engel hem dezen schrik aan. Hij viel op zijn aangezicht, niet om den Engel te aanbidden, maar omdat hij den helderen, schitterenden glans zijner heiligheid niet langer dragen kon. Ja ter aarde gevallen zijnde, viel hij in een diepen slaap. Dit kwam niet voort uit minachting van dit gezicht of uit onverschilligheid omtrent hetzelve, maar het was een uitwerking van zijn zwakheid, dat zijn geest werd neergedrukt door den overvloed der openbaringen.
Als hij, de Engel, nu met mij sprak, viel ik, overweldigd door den sterken indruk, die beide, de verschijning en de woorden van den Engel, op mij gemaakt hadden, en uit wier mond ik nu ontzettende zaken meende te zullen horen, in enen diepen slaap op mijn aangezicht ter aarde; toen roerde hij mij aan, en hij stelde mij op mijne standplaats, hij richtte mij overeind (Matth. 17:6 vv.).
En hij zei: Zie ik, de Engel Gabriël, zal u te kennen geven, wat er geschieden zal ten einde na den laatsten tijd dezer gramschap, die later, dan de tegenwoordige, die nu nog Op Israël drukt, komen zal, niet lang vóór de dagen van den Messias. Die laatste toorn is echter zo onverdraaglijk niet, als hij schijnt, want ter bestemder tijd zal het einde zijn 1) hij zal spoedig voorbijgaan.
Aan den Profeet wordt het hier duidelijk te verstaan gegeven, dat niet altijd de verdrukking zal duren, dat in den Raad Gods het einde reeds is bepaald, en dat de uitkomst heerlijk zal openbaren, de Barmhartigheid en de Goedertierenheid Gods, zowel als Zijn Almacht in de uitredding van Zijn volk.
De ram met de twee hoornen, dien gij gezien hebt (vs. 3), zijn de koningen der Meden en der Perzen.
Die harige bok nu, die in zijnen toorn geweldig op den ram aanrende, (vs. 6) is de koning van Griekenland, en de grote hoorn, welke tussen zijne ogen is (vs. 5), is de eerste koning van dit Griekse rijk, Alexander, de Grote. Josefus verhaalt, dat Alexander tijdens zijne overwinning van Azië, ontevreden was op de Joden, omdat zij hem niet geholpen hadden, en op Jeruzalem aantrok met het doel om het te verwoesten. Jaddua, de toenmalige Hogepriester (Neh. 12:11), was door God in enen droom gewaarschuwd, dat hij, als Alexander naderde, hem met de andere priesters en een gedeelte van het volk zou tegemoet gaan. De overwinnaar trok nader, en ziende den Hogepriester, viel hij neer en verhaalde hij zijnen legerhoofden, dat hij, voordat hij den tocht begon, in enen droom een man gezien had, op dezelfde wijze gekleed, en dat die hem verzekerd had, dat voorspoed op zijnen tocht zou hebben. Jaddua voerde Alexander naar den tempel en toonde hem dit gedeelte van het Boek van Daniël, waarop de koning de Joodse natie onder zijne bescherming nam. .
Dat er nu vier aan zijne plaats stonden, toen hij verbroken was (vs. 8), vier koninkrijken zullen uit dat volk ontstaan, doch niet met zijne kracht.
Doch op het laatste huns koninkrijks, als het de afvalligenin het Joodse land op het hoogste zullen gebracht hebben, zo zal er een koning staan, met name Antiochus, de edele, of Epifanes stijf van aangezicht, onbeschaamd en raadselen verstaande, listig en ondoorgrondelijk in zijne handelwijze.
En zijne kracht zal sterk worden, doch niet door zijne kracht, maar door Gods bestuur; en hij zal het wonderlijk verderven, zodat het met het Joodse land en bijzonder met Jeruzalem jammerlijk zal gesteld zijn, en hij zal geluk hebben, en zal het ten minste voor een groot deel doen, wat hij zich heeft voorgenomen. En hij zal de sterken, andere koningen, mitsgaders het heilige volk het volk Gods verderven.
En door zijne kloekheid zal hij de bedriegerij, die hij tegen het heilige volk voorneemt, doen gedijen in zijne hand; en hij zal zich in zijn hart verheffen, en in stille rust 1), terwijl hij zich houdt alsof hij niets kwaads in den zin had zal hij er velen verderven, en zal staan tegen den vorst der vorsten, tegen den Heere Zebaoth (1 (Sam. 1:3), doch hij zal zonder hand, zonder menselijk toedoen, alleen door Gods leiding en gericht, verbroken worden 2).
In het Hebr. Oebesjalwah jasjchit rabbim. Beter: onvoorziens zal hij velen verderven, d. i. letterlijk: midden in de zorgeloosheid, zo dat men het niet verwacht. Van dien machtigen koning wordt gezegd in vs. 24 dat hij het niet zal doen door zijne kracht, d. w. z. dat hij het van God beschikte voorwerp is, om zijn volk te tuchtigen. Ook de vijand doet niets, tenzij hem daartoe van Godswege de kracht is gegeven.
Antiochus Epifanes had het plan, dat bij hem tot ene soort van idee fixe geworden was, om in zijn gehele rijk, waartoe ook Palestina behoorde, den dienst van Zeus Olympius in te voeren; en daar hij zich zelven met dezen God identificeerde, wilde hij daardoor zijne eigene aanbidding algemeen maken. Alle andere godsdiensten zocht hij met fanatischen, dikwijls aan waanzin grenzenden ijver uit te roeien. Zo schafte hij ook den godsdienst te Jeruzalem af, en voerde daardoor den afgodendienst in. Deze onderneming was des te gevaarlijker, daar hem in Israël zelf een heidensgezinde richting, ene helleniserende partij tegemoet kwam. Van Antiochus Epifanes dreigden dus het heilige volk en den geopenbaarden godsdienst zelfs het bestaan van een Godsrijk op aarde de allergrootste gevaren. Van alles wat Israël tot de komst van Christus van de macht der wereld zou lijden, is niets te vergelijken bij hetgeen Antiochus Epifanes het volk deed ondervinden. Alle vroegere wereldrijken, aan welke Israël cijnsbaar was, hadden het hun godsdienstige vrijheid doen behouden, ja hen daarin zelfs beschermd en geëerd. Zo Nebukadnezar (Dan. 4:31 vv.), Darius de Meder (Dan. 6:27), Cyrus (Ezra 1:2 vv.), Artaxerxes Longimanus (Ezra 7:12 vv. Neh. 2:7 vv.). Zo volgens Josefus, ook Alexander de Grote. Op Antiochus moest dus door de profetie bijzonder worden gewezen, opdat het volk op zijn verleidingsvermogen en zijne aanvallen gewapend ware. En dat deze waarschuwingen niet vruchteloos zijn gebleven, toont ons de roemrijke opstand der Makkabeërs, die in zo verre zij rein en recht was, als ene eerste vrucht van deze profetie mag genoemd worden. Antiochus met zijnen zich zelven vergodenden, dweepzieken hoogmoed, en zijne vijandschap tegen God en godsdienst, is het zeer eigenaardig voorbeeld van den Antichrist. In dien éénen trek, dat Epifanes als voorafbeelding van den laatsten vijand verschijnt, ligt voor het volk Gods de volkomenste onderwijzing over dezen, en de nadrukkelijke waarschuwing op de grootheid van het te wachten gevaar en de listigheid des vijands maar van de tegenovergestelde zijde-de onuitsprekelijke troost, dat hij het snel over hem losbrekende oordeel niet zal ontgaan. En even als Israël de in Hoofdst. 8 beschrevene Antichrist eerst recht leerde onderscheiden in zijne verschijning, zo zijn wij, die slechts den laatsten vijand te verwachten hebben, verplicht en geroepen, ons zijn beeld uit de beschrijving van Antiochus duidelijker en aanschouwelijker voor te stellen en er ons te wapenen. De Apostel gaat ons hierin voor in Thess. 2:4, waar hij den mens der zonde met kleuren schildert aan Daniël ontleend.
Het gezicht nu van avond en morgen, dat er gezegd is(vs. 14), is de waarheid en gij, sluit dit gezicht toe 1), verberg het, opdat het niet aan ieder bekend worde, dat het voor heden nog niet nodig is, want er zijn nog vele dagen toe, eerst na 387 jaren zal het de tijd der vervulling zijn.
Laat het niet openlijk bekend worden aan de Chaldeën, opdat de Perzen niet misnoegd worden op de Joden, omdat door hetzelve de val van hun rijk voorzegd wordt; welk misnoegen ontijdig zou zijn, overmits het bevel van hun vrijlating van den koning van Perzië verwacht wordt.
Toen werd ik, Daniël, zwak, ten gevolge der buitengewone inspanning, die ik bij het begin dezer openbaring had gehad, en was enige dagen ziek. Daarna stond ik op, en deed des konings werk, daar ik ook onder Belsazar een koninklijk ambt, hoewel van meer ondergeschikten aard had, en ik was ontzet over dit gezicht, maar niemand merkte het 2), ik verbergde het, dat ik dit gezicht had gehad, hoewel het mijne gedachten voortdurend bezig hield, daar ik het gebod in vs. 26 wilde gehoorzaam zijn.
Zolang wij in deze wereld leven moeten wij in dezelve het een of andere werk hebben. En dezulken, welke God met zijn weldaden en zegeningen verwaardigd heeft, moeten evenwel niet denken, dat het werk voor hen te gering is. Ook moet het aangename van de verkering met God ons niet afhouden van het waarnemen van ons bijzonder beroep, maar wij zijn verplicht altoos in hetzelve te blijven bij God. Dezulken inzonderheid, aan welke het bestuur van het algemeen is aanbevolen, hebben wel toe te zien, dat zij zich getrouwelijk en in gemoede kwijten van hun plicht.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel