Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
In het eersteH2298 jaarH8140 van BelsazarH1113, den koningH4430 van BabelH895, zagH2370 DanielH1841 een droomH2493, en gezichtenH2376 zijns hoofdsH7217, op zijn legerH4903; toen schreefH3790 hij dien droomH2493, en hij zeideH560 de hoofdsomH7217 der zakenH4406.
In het eerste jaar van Belsazar, den koning van Babel, zag Daniel een droom, en gezichten zijns hoofds, op zijn leger; toen schreef hij dien droom, en hij zeide de hoofdsom der zaken.
KJV
In the first2
year1
of Belshazzar3
king4
of Babylon5
Daniel6
had8
a dream7
and visions9
of his head10
upon11
his bed:12
then13
he wrote15
the dream,14
and told18
the sum16
of the matters.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
DanielH1841 antwoorddeH6032 en zeideH560: Ik zagH2370 in mijn gezichtH2376 bij nachtH3916, en ziet, de vierH703 windenH7308 des hemelsH8065 braken voortH1519 op de grote zeeH3221.
Daniel antwoordde en zeide: Ik zag in mijn gezicht bij nacht, en ziet, de vier winden des hemels braken voort op de grote zee.
KJV
Daniel2
spake1
and said,3
I saw4
in my vision6
by7
night,8
and, behold,9
the four10
winds11
of the heaven12
strove13
upon the great15
sea.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En er klommenH5559 vierH703 grote dierenH2423 op uit de zeeH3221, het ene van het andere verscheidenH8133.
En er klommen vier grote dieren op uit de zee, het ene van het andere verscheiden.
KJV
And four1
great3
beasts2
came up4
from5
the sea,6
diverse7
one8
from9
another.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Het eersteH6933 was als een leeuwH744, en het had arendsvleugelenH5403; ik zagH1934 toe, totdat zijn vleugelenH1611 uitgepluktH4804 waren, en het werd van de aardeH772 opgehevenH5191, en op de voetenH7271 gesteldH6966, als een mensH606, en aan hetzelve werd eens mensenH606 hartH3825 gegevenH3052.
Het eerste was als een leeuw, en het had arendsvleugelen; ik zag toe, totdat zijn vleugelen uitgeplukt waren, en het werd van de aarde opgeheven, en op de voeten gesteld, als een mens, en aan hetzelve werd eens mensen hart gegeven.
KJV
The first1
was like a lion,2
and had eagle's5
wings:3
I beheld8
till9
the wings12
thereof were plucked,11
and it was lifted up13
from14
the earth,15
and made stand19
upon16
the feet17
as a man,18
and a man's21
heart20
was given
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Daarna, ziet, het andere dier, het tweedeH8578, was gelijk een beerH1678, en steldeH6966 zich aan de ene zijde, en het had drieH8532 ribbenH5967 in zijn muilH6433 tussen zijn tandenH8128; en men zeideH560 aldusH3652 tot hetzelve: StaH6966 op, eetH399 veelH7690 vleesH1321.
Daarna, ziet, het andere dier, het tweede, was gelijk een beer, en stelde zich aan de ene zijde, en het had drie ribben in zijn muil tussen zijn tanden; en men zeide aldus tot hetzelve: Sta op, eet veel vlees.
KJV
And behold1
another3
beast,2
a second,4
like5
to a bear,6
and it raised up9
itself on one8
side,7
and it had three10
ribs11
in the mouth12
of it between13
the teeth14
of it: and they said16
thus15
unto it, Arise,18
devour19
much21
flesh.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Daarna zagH1934 ik, en ziet, er was een anderH317 dier, gelijk een luipaardH5245, en het had vierH703 vleugelsH1611 eens vogelsH5776 op zijn rugH1355; ook had hetzelve dier vierH703 hoofdenH7217, en aan hetzelve werd de heerschappijH7985 gegevenH3052.
Daarna zag ik, en ziet, er was een ander dier, gelijk een luipaard, en het had vier vleugels eens vogels op zijn rug; ook had hetzelve dier vier hoofden, en aan hetzelve werd de heerschappij gegeven.
KJV
After1
this2
I beheld,4
and lo5
another,6
like a leopard,7
which had upon13
the back14
of it four10
wings9
of a fowl;12
the beast17
had also four15
heads;16
and dominion18
was given
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Daarna zagH1934 ik in de nachtgezichtenH3916, en ziet, het vierdeH7244 dier was schrikkelijkH1763 en gruwelijkH574, en zeer sterkH8624; en het had grote ijzerenH6523 tandenH8128, het atH399, en verbrijzeldeH1855, en vertradH7512 het overigeH7606 met zijn voetenH7271; en het was verscheidenH8133 van al de dierenH2423, die voor hetzelve geweest waren; en het had tienH6236 hoornenH7162.
Daarna zag ik in de nachtgezichten, en ziet, het vierde dier was schrikkelijk en gruwelijk, en zeer sterk; en het had grote ijzeren tanden, het at, en verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten; en het was verscheiden van al de dieren, die voor hetzelve geweest waren; en het had tien hoornen.
KJV
After1
this2
I saw4
in the night6
visions,5
and behold7
a fourth9
beast,8
dreadful10
and terrible,11
and strong12
exceedingly;13
and it had great18
iron16
teeth:14
it devoured19
and brake in pieces,20
and stamped23
the residue21
with the feet22
of it: and it24
was diverse25
from26
all27
the beasts28
that were before30
it; and it had ten32
horns.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Ik nam achtH1934 op de hoornenH7162, en ziet, een andere kleineH2192 hoornH7162 kwam op tussen dezelve, en drieH8532 uit de vorigeH6933 hoornenH7162 werden uitgeruktH6132 voor denzelven; en ziet, in dienzelven hoornH7162 waren ogenH5870 als mensenogenH5870, en een mondH6433, grote dingen sprekendeH4449.
Ik nam acht op de hoornen, en ziet, een andere kleine hoorn kwam op tussen dezelve, en drie uit de vorige hoornen werden uitgerukt voor denzelven; en ziet, in dienzelven hoorn waren ogen als mensenogen, en een mond, grote dingen sprekende.
KJV
I considered2
the horns,3
and, behold,4
there came up8
among9
them another6
little7
horn,5
before16
whom there were three10
of11
the first13
horns12
plucked up by the roots:14
and, behold,17
in this22
horn21
were eyes18
like the eyes19
of man,20
and a mouth23
speaking24
great things.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Dit zagH1934 ik, totdat er tronenH3764 gezetH7412 werden, en de OudeH6268 van dagenH3118 Zich zetteH3488, Wiens kleedH3831 witH2358 was als de sneeuwH8517, en het haar Zijns hoofdsH7217 als zuivereH5343 wolH6015; Zijn troonH3764 was vuurvonkenH5135, deszelfs raderenH1535 een brandendH1815 vuurH5135.
Dit zag ik, totdat er tronen gezet werden, en de Oude van dagen Zich zette, Wiens kleed wit was als de sneeuw, en het haar Zijns hoofds als zuivere wol; Zijn troon was vuurvonken, deszelfs raderen een brandend vuur.
KJV
I beheld2
till3
the thrones5
were cast down,6
and the Ancient7
of days8
did sit,9
whose garment10
was white12
as snow,11
and the hair13
of his head14
like the pure16
wool:15
his throne17
was like the fiery20
flame,18
and his wheels21
as burning23
fire.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Een vurigeH5135 rivierH5103 vloeideH5047, en ging van voor Hem uit, duizendmaalH506 duizendenH506 diendenH8120 Hem, en tien duizendmaalH7240 tien duizendenH7240 stondenH6966 voor Hem; het gerichtH1780 zetteH3488 zich, en de boekenH5609 werden geopendH6606.
Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend.
KJV
A fiery3
stream1
issued4
and came forth5
from6
before7
him: thousand8
thousands9
ministered10
unto him, and ten thousand11
times ten thousand12
stood14
before13
him: the judgment15
was set,16
and the books17
were opened.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Toen zagH1934 ik toe vanwege de stemH7032 der grote woordenH4406, welke die hoornH7162 sprakH4449; ik zagH1934 toe, totdat het dier gedoodH6992, en zijn lichaamH1655 verdaanH7 werd, en overgegevenH3052 om van het vuurH785 verbrandH3346 te worden.
Toen zag ik toe vanwege de stem der grote woorden, welke die hoorn sprak; ik zag toe, totdat het dier gedood, en zijn lichaam verdaan werd, en overgegeven om van het vuur verbrand te worden.
KJV
I beheld2
then3
because4
of the voice5
of the great7
words6
which the horn9
spake:10
I beheld12
even till13
the beast16
was slain,15
and his body18
destroyed,17
and given19
to the burning20
flame.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Aangaande ook de overigeH7606 dierenH2423, men namH5709 hun heerschappijH7985 wegH5709, want verlengingH3052 van het levenH2417 was hun gegevenH3052 tot tijdH2166 en stondeH5732 toe.
Aangaande ook de overige dieren, men nam hun heerschappij weg, want verlenging van het leven was hun gegeven tot tijd en stonde toe.
KJV
As concerning the rest1
of the beasts,2
they had their dominion4
taken away:3
yet their lives6
were prolonged7
for9
a season10
and time.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Verder zagH1934 ik in de nachtgezichtenH3916, en ziet, er kwam Een met de wolkenH6050 des hemelsH8065, als eens mensenH606 zoonH1247, en Hij kwam tot den OudeH6268 van dagenH3118, en zij deden Hem voor Denzelven naderenH7127.
Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken des hemels, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot den Oude van dagen, en zij deden Hem voor Denzelven naderen.
KJV
I saw2
in the night4
visions,3
and, behold,5
one like the Son9
of man10
came11
with6
the clouds7
of heaven,8
and came16
to13
the Ancient14
of days,15
and they brought him near18
before
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
En Hem werd gegevenH3052 heerschappijH7985, en eerH3367, en het KoninkrijkH4437, dat Hem alle volkenH5972, natienH524 en tongenH3961 erenH6399 zouden; Zijn heerschappijH7985 is een eeuwigeH5957 heerschappijH7985, die niet vergaanH5709 zal, en Zijn KoninkrijkH4437 zal niet verdorvenH2255 worden.
En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natien en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden.
KJV
And there was given2
him dominion,3
and glory,4
and a kingdom,5
that all6
people,7
nations,8
and languages,9
should serve11
him: his dominion12
is an everlasting14
dominion,13
which shall not16
pass away,17
and his kingdom18
that which shall not20
be destroyed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Mij, DanielH1841 werd mijn geestH7308 doorstokenH3735 in het middenH1459 van het lichaamH5085, en de gezichtenH2376 mijns hoofdsH7217 verschriktenH927 mij.
Mij, Daniel werd mijn geest doorstoken in het midden van het lichaam, en de gezichten mijns hoofds verschrikten mij.
KJV
I3
Daniel4
was grieved1
in my spirit2
in the midst5
of my body,6
and the visions7
of my head8
troubled
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Ik naderdeH7127 tot een dergenen, die daar stondenH6966, en verzochtH1156 van hem de zekerheidH3330 over dit allesH3606; en hij zeideH560 ze mij, en gaf mij de uitleggingH6591 dezer zakenH4406 te kennenH3046.
Ik naderde tot een dergenen, die daar stonden, en verzocht van hem de zekerheid over dit alles; en hij zeide ze mij, en gaf mij de uitlegging dezer zaken te kennen.
KJV
I came near1
unto2
one3
of4
them that stood by,5
and asked7
him8
the truth6
of all10
this.11
So he told12
me, and made me know16
the interpretation14
of the things.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Deze grote dierenH2423, die vierH703 zijn, zijn vierH703 koningenH4430, die uit de aardeH772 opstaanH6966 zullen.
Deze grote dieren, die vier zijn, zijn vier koningen, die uit de aarde opstaan zullen.
KJV
These1
great3
beasts,2
which5
are four,6
are four7
kings,8
which shall arise9
out of10
the earth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Maar de heiligenH6922 der hogeH5946 plaatsen zullen dat KoninkrijkH4437 ontvangenH6902, en zij zullen het RijkH4437 bezittenH2631 tot in der eeuwigheidH5957, ja, tot in eeuwigheidH5957 der eeuwighedenH5957.
Maar de heiligen der hoge plaatsen zullen dat Koninkrijk ontvangen, en zij zullen het Rijk bezitten tot in der eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid der eeuwigheden.
KJV
But the saints3
of the most High4
shall take1
the kingdom,2
and possess5
the kingdom6
for7
ever,8
even for9
ever10
and ever.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Toen wensteH6634 ik naar de waarheidH3321 van het vierdeH7244 dier, hetwelk verscheidenH8133 was van alH3605 de andere, zeer gruwelijkH1763, welks tandenH8128 van ijzerH6523 waren, en zijn klauwenH2953 van koperH5174; het atH399, het verbrijzeldeH1855, en vertradH7512 het overigeH7606 met zijn voetenH7271.
Toen wenste ik naar de waarheid van het vierde dier, hetwelk verscheiden was van al de andere, zeer gruwelijk, welks tanden van ijzer waren, en zijn klauwen van koper; het at, het verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten.
KJV
Then1
I would2
know the truth3
of4
the fourth6
beast,5
which was8
diverse9
from10
all
the others, exceeding13
dreadful,12
whose teeth14
were of iron,16
and his nails17
of brass;19
which devoured,20
brake in pieces,21
and stamped24
the residue22
with his feet;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
En aangaande de tienH6236 hoornenH7162 die op zijn hoofdH7217 waren, en den anderen, die opkwamH5559, en voor denwelken drieH8532 afgevallenH5308 waren, namelijk dien hoornH7162, die ogenH5870 had, en een mondH6433, die grote dingen sprakH4449, en wiens aanzienH2376 groterH7229 was, dan van zijn metgezellenH2273.
En aangaande de tien hoornen die op zijn hoofd waren, en den anderen, die opkwam, en voor denwelken drie afgevallen waren, namelijk dien hoorn, die ogen had, en een mond, die grote dingen sprak, en wiens aanzien groter was, dan van zijn metgezellen.
KJV
And of1
the ten3
horns2
that were in his head,5
and of the other6
which came up,8
and before10
whom three12
fell;9
even of that horn13
that14
had eyes,15
and a mouth17
that spake18
very great things,19
whose look20
was more22
stout21
than
his fellows.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Ik had gezien, dat diezelve hoornH7162 krijgH7129 voerdeH5648 tegen de heiligenH6922, en dat hij die overmochtH3202,
Ik had gezien, dat diezelve hoorn krijg voerde tegen de heiligen, en dat hij die overmocht,
KJV
I beheld,2
and the same4
horn3
made5
war6
with7
the saints,8
and prevailed
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Totdat de OudeH6268 van dagenH3118 kwam, en het gerichtH1780 gegevenH3052 werd aan de heiligenH6922 der hogeH5946 plaatsen, en dat de bestemde tijdH2166 kwam, dat de heiligenH6922 het RijkH4437 bezatenH2631.
Totdat de Oude van dagen kwam, en het gericht gegeven werd aan de heiligen der hoge plaatsen, en dat de bestemde tijd kwam, dat de heiligen het Rijk bezaten.
KJV
Until1
the Ancient4
of days5
came,3
and judgment6
was given7
to the saints8
of the most High;9
and the time10
came11
that the saints14
possessed13
the kingdom.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Hij zeideH560 aldusH3652: Het vierdeH7244 dier zal het vierdeH7244 rijkH4437 op aardeH772 zijn, dat verscheidenH8133 zal zijn van al die rijkenH4437, en het zal de ganse aardeH772 opetenH399, en het zal dezelve vertredenH1759, en het zal ze verbrijzelenH1855.
Hij zeide aldus: Het vierde dier zal het vierde rijk op aarde zijn, dat verscheiden zal zijn van al die rijken, en het zal de ganse aarde opeten, en het zal dezelve vertreden, en het zal ze verbrijzelen.
KJV
Thus1
he said,2
The fourth4
beast3
shall be7
the fourth6
kingdom5
upon earth,8
which shall be diverse10
from11
all12
kingdoms,13
and shall devour14
the whole15
earth,16
and shall tread it down,17
and break it in pieces.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Belangende nu de tienH6236 hoornenH7162: uit dat koninkrijkH4437 zullen tienH6236 koningenH4430 opstaanH6966, en een anderH321 zal na hen opstaanH6966; en dat zal verscheidenH8133 zijn van de vorigenH6933, en het zal drieH8532 koningenH4430 vernederenH8214.
Belangende nu de tien hoornen: uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan, en een ander zal na hen opstaan; en dat zal verscheiden zijn van de vorigen, en het zal drie koningen vernederen.
KJV
And the ten2
horns1
out of3
this kingdom4
are ten5
kings6
that shall arise:7
and another8
shall rise9
after10
them; and he shall be diverse12
from13
the first,14
and he shall subdue17
three15
kings.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
En het zal woordenH4406 sprekenH4449 tegen den AllerhoogsteH5943, en het zal de heiligenH6922 der hogeH5946 plaatsen verstorenH1080, en het zal menenH5452 de tijden en de wetH1882 te veranderenH8133, en zij zullen in deszelfs handH3028 overgegevenH3052 worden tot een tijdH5732, en tijden, en een gedeelteH6387 eens tijdsH5732.
En het zal woorden spreken tegen den Allerhoogste, en het zal de heiligen der hoge plaatsen verstoren, en het zal menen de tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in deszelfs hand overgegeven worden tot een tijd, en tijden, en een gedeelte eens tijds.
Ook in dit vers
tijdenH2166
tijdenH5732
KJV
And he shall speak4
great words1
against2
the most High,3
and shall wear out7
the saints5
of the most High,6
and think8
to change9
times10
and laws:11
and they shall be given12
into his hand13
until14
a time15
and times16
and the dividing17
of time.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Daarna zal het gerichtH1780 zittenH3488, en men zal zijn heerschappijH7985 wegnemenH5709, hem verdelgendeH8046 en verdoendeH7, tot het eindeH5491 toe.
Daarna zal het gericht zitten, en men zal zijn heerschappij wegnemen, hem verdelgende en verdoende, tot het einde toe.
KJV
But the judgment1
shall sit,2
and they shall take away4
his dominion,3
to consume5
and to destroy6
it unto7
the end.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Maar het rijkH4437, en de heerschappijH7985, en de grootheidH7238 der koninkrijkenH4437 onder den gansenH3606 hemelH8065, zal gegevenH3052 worden den volkeH5972 der heiligenH6922 der hogeH5946 plaatsen, welks RijkH4437 een eeuwigH5957 RijkH4437 zijn zal; en alle heerschappijenH7985 zullen Hem erenH6399 en gehoorzamenH8086.
Maar het rijk, en de heerschappij, en de grootheid der koninkrijken onder den gansen hemel, zal gegeven worden den volke der heiligen der hoge plaatsen, welks Rijk een eeuwig Rijk zijn zal; en alle heerschappijen zullen Hem eren en gehoorzamen.
KJV
And the kingdom1
and dominion,2
and the greatness3
of the kingdom5
under6
the whole7
heaven,8
shall be given9
to the people10
of the saints11
of the most High,12
whose kingdom13
is an everlasting15
kingdom,14
and all16
dominions17
shall serve19
and obey
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Tot hiertoe is het eindeH5491 dezer redeH4406. Wat mij DanielH1841 aangaat, mijn gedachtenH7476 verschrikkenH927 mij zeer, en mijn glansH2122 veranderdeH8133 aan mij; doch ik bewaardeH5202 dat woordH4406 in mijn hartH3821.
Tot hiertoe is het einde dezer rede. Wat mij Daniel aangaat, mijn gedachten verschrikken mij zeer, en mijn glans veranderde aan mij; doch ik bewaarde dat woord in mijn hart.
KJV
Hitherto1
is the end3
of the matter.5
As for me6
Daniel,7
my cogitations9
much8
troubled10
me, and my countenance11
changed12
in me:13
but I kept16
the matter14
in my heart.
het eerste jaar van Belsazar,
In dit hfdst. wordt voorgesteld dezelfde profetie van de vier monarchieën [doch met een ander gezicht] die in Dan 2 voorgedragen is.
Hertaald:
het eerste jaar van Belsazar,
In dit hoofdstuk wordt dezelfde profetie van de vier monarchieën voorgesteld die in Dan. 2 is voorgedragen, maar dan in een ander gezicht.
zag Daniël een droom,
Tot hiertoe zijn verhaald de gezichten, die de koningen van Babel gehad hebben, welke Daniël heeft uitgelegd; nu volgen de gezichten, die Daniël zelf gehad heeft.
Hertaald:
zag Daniël een droom,
Tot hier zijn de gezichten verteld die de koningen van Babel gehad hebben en die Daniël heeft uitgelegd; nu volgen de gezichten die Daniël zelf gehad heeft.
schreef hij dien droom,
Opdat hij nimmermeer in vergeting komen zou, want dit werd Daniël niet voor zichzelven geopenbaard, maar tot stichting en onderwijzing der ganse gemeente.
Hertaald:
schreef hij dien droom,
Opdat het nooit vergeten zou worden; want dit werd Daniël niet voor zichzelf geopenbaard, maar tot stichting en onderwijzing van de hele gemeente.
hij zeide
Welverstaande, eerst tot de Joden, doch tot dienst van de kerk, zo van het Oude als van het Nieuwe Testament.
Hertaald:
hij zeide
Uiteraard eerst tot de Joden, maar tot dienst van de kerk, zowel van het Oude als van het Nieuwe Testament.
de hoofdsom
Chaldeeuws, het hoofd.
Hertaald:
de hoofdsom
Chaldeeuws: het hoofd.
der zaken
Of, der woorden, te weten die hij in dat gezicht gezien of gehoord had.
Hertaald:
der zaken
Of: van de woorden, namelijk die hij in dat gezicht gezien of gehoord had.
de vier winden des hemels braken voort
Een voorbeeld van krijg en oorlog, dat namelijk het ene koninkrijk tegen het andere zou opstaan, het ene zoekende het andere te onderdrukken en te verdelgen, hetwelk alles niet bij geval geschiedt, maar gelijk God de Heere zulks in zijn raad besloten en verordineerd had.
Hertaald:
de vier winden des hemels braken voort
Een voorafbeelding van krijg en oorlog: dat het ene koninkrijk tegen het andere zou opstaan en het ene het andere zou proberen te onderdrukken en te verdelgen. Dat gebeurt niet bij toeval, maar zoals God de HEERE het in Zijn raad besloten en verordend had.
op de grote zee
Dat is, op de aarde, in deze wereld. De zin is dat de wereld zijn zal als een onstuimige zee, die met verscheidene winden [tegen elkander aanstotende] zou beroerd worden, alsof al de wolken en winden tezamen tegen elkander aanliepen, alles in roer stellende. Zie Openb. 17:1 , Openb. 17:15 .
Hertaald:
op de grote zee
Dat is: op de aarde, in deze wereld. De betekenis is dat de wereld zal zijn als een onstuimige zee die door verschillende winden — die tegen elkaar in botsen — in beroering gebracht wordt, alsof alle wolken en winden tegelijk tegen elkaar aanstormen en alles in rep en roer zetten. Zie Openb. 17:1, Openb. 17:15.
vier grote dieren op
De vier monarchieën worden betekend door de grote dieren, vs.17, gelijk ook door het grote beeld, Dan 2 . De grote koninkrijken of monarchieën worden bij felle beesten vergeleken, omdat gemeenlijk grote rijken grote wreedheid aanrichten, met moorden, branden, roven en andere wreedheden en ongeregeldheden. Vergelijk Jes. 5:29 .
Hertaald:
vier grote dieren op
De vier monarchieën worden aangeduid door de grote dieren (vers 17), zoals ook door het grote beeld in Dan. 2. De grote koninkrijken of monarchieën worden met woeste dieren vergeleken, omdat grote rijken gewoonlijk grote wreedheid bedrijven met moorden, branden, roven en andere gewelddaden en wanordelijkheden. Vergelijk Jes. 5:29.
uit de zee,
Dat is uit de aarde, in de wereld, die groot, wijd en breed is, en nimmermeer stil, maar altijd woelende, gelijk de onstuimige zee. Daar geschiedt nimmermeer verandering van rijken en landen, dan met grote beroerten en bloedstortingen.
Hertaald:
uit de zee,
Dat is: uit de aarde, in de wereld, die groot, wijd en breed is en nooit stil maar altijd in beweging, zoals de onstuimige zee. Er vindt nooit een verandering van rijken en landen plaats zonder grote beroeringen en bloedvergieten.
het ene van het andere
Chaldeeuws, die van die.
Hertaald:
het ene van het andere
Chaldeeuws: die van die.
verscheiden
Te weten in de manier van regering en andere dingen meer, gelijk dit ook is afgebeeld geworden door de verscheidene soorten van metalen in de beeltenis, die Nebukadnezar is vertoond geworden, Dan 2 .
Hertaald:
verscheiden
Namelijk in de wijze van regeren en in andere dingen, zoals dat ook afgebeeld is door de verschillende soorten metaal in het beeld dat aan Nebukadnezar getoond werd, Dan. 2.
als een leeuw,
Hierdoor wordt de moed, dapperheid en roofgierigheid der Babylonische monarchie afgebeeld, inzonderheid van Nebukadnezar den Grote, die Dan 2 bij een gouden hoofd, en Dan 4 bij een groten boom vergeleken wordt. Zie deze gelijkenis ook Jes. 5:29 , en Jer. 4:7 . Vergelijk ook Nah. 2:11-12 .
Hertaald:
als een leeuw,
Hiermee worden de moed, dapperheid en roofzucht van de Babylonische monarchie afgebeeld, en vooral die van Nebukadnezar de Grote, die in Dan. 2 met een gouden hoofd en in Dan. 4 met een grote boom vergeleken wordt. Zie deze vergelijking ook in Jes. 5:29 en Jer. 4:7. Vergelijk ook Nah. 2:11-12.
het had arendsvleugelen;
Hiermede werd afgebeeld Nebukadnezars snelheid in den krijg. Zie Jes. 5:26 ; Jer. 4:13 , en Jer. 48:40 ; Ezech. 17:3 ; Hab. 1:8 .
Hertaald:
het had arendsvleugelen;
Hiermee werd de snelheid van Nebukadnezar in de oorlog afgebeeld. Zie Jes. 5:26; Jer. 4:13 en Jer. 48:40; Ezech. 17:3; Hab. 1:8.
zijn vleugelen uitgeplukt waren,
Dat is, landen en steden, de macht en heerlijkheid des rijks, door de Meden en Perzen hem afgenomen werden, gelijk Jer. 50:21 voorzegd was. Anderen verstaan door de vleugels den moed en de dapperheid der Babyloniërs, die alle andere natiën in moed en dapperheid plachten te overtreffen.
Hertaald:
zijn vleugelen uitgeplukt waren,
Dat is: dat landen en steden, de macht en heerlijkheid van het rijk, hem door de Meden en Perzen ontnomen werden, zoals in Jer. 50:21 voorzegd was. Anderen verstaan onder de vleugels de moed en dapperheid van de Babyloniërs, die alle andere volken daarin plachten te overtreffen.
het werd van de aarde opgeheven,
Dat is, zijne macht, heerschappij en gebied [waardoor het zich boven alle andere mensen verhief] werd hem benomen. Want de Assyriërs en Chaldeën zijn niet ten enenmale uit de aarde uitgeroeid. Anders: met welke het van de aarde opgeheven werd.
Hertaald:
het werd van de aarde opgeheven,
Dat is: zijn macht, heerschappij en gezag, waardoor het zich boven alle andere mensen verhief, werd hem ontnomen. Want de Assyriërs en Chaldeeën zijn niet volkomen van de aarde uitgeroeid. Anders: waarmee het van de aarde opgeheven werd.
op de voeten gesteld,
Dat is, de Chaldeën, die tevoren als met arendsvleugelen hoog in de lucht vlogen en alle andere natiën verachtten, moesten daarna als andere gemene lieden op de aarde gaan, ja anderen dienen, niet meer zijnde als leeuwen, maar als andere bijzondere personen, van hunne macht beroofd zijnde.
Hertaald:
op de voeten gesteld,
Dat is: de Chaldeeën, die tevoren als met arendsvleugels hoog in de lucht vlogen en alle andere volken verachtten, moesten daarna als gewone mensen over de aarde gaan, ja anderen dienen; zij waren geen leeuwen meer maar gewone personen, van hun macht beroofd.
als een mens,
Dat is, als andere mensen, die geen heerschappij noch gebied over land en lieden hadden.
Hertaald:
als een mens,
Dat is: als andere mensen, die geen heerschappij of gezag over land en volk hadden.
aan hetzelve
Te weten dier, dat is, den Chaldeën en Babyloniërs, als zij nu bloot en zonder vederen waren.
Hertaald:
aan hetzelve
Namelijk aan dat dier, dat is: aan de Chaldeeën en Babyloniërs, toen zij kaal en zonder veren waren.
eens mensen hart
Dat is een versaagd hart, als van een arm verslagen menschenhart, inplaats van een onversaagd leeuwenhart. Xenophon getuigt dat Cores den Babyloniërs de wapenen heeft doen afleggen, het land doen bouwen, belasting doen betalen en de Perzen doen eren en gehoorzamen, gelijk hunne heren, en derzelve garnizoenen hunne soldijen betalen. Vergelijk Jer. 51:30 .
Hertaald:
eens mensen hart
Dat is: een moedeloos hart, als van een arme verslagen mens, in plaats van een onversaagd leeuwenhart. Xenofon getuigt dat Kores de Babyloniërs de wapens heeft laten afleggen, het land heeft laten bebouwen, belasting heeft laten betalen en hen de Perzen als hun heren heeft laten eren en gehoorzamen, en de soldij van hun garnizoenen heeft laten betalen. Vergelijk Jer. 51:30.
gegeven
Te weten van God.
Hertaald:
gegeven
Namelijk door God.
het andere dier,
Dat is, een ander dier dan het Chaldeeuwse bij een leeuw vergeleken, vs.14, namelijk de monarchie der Perzen, die straks de Chaldeeuwse monarchie gevolgd is; bij zilver vergeleken, Dan. 2:32 .
Hertaald:
het andere dier,
Dat is: een ander dier dan het Chaldeeuwse dat met een leeuw vergeleken werd (vers 4), namelijk de monarchie van de Perzen, die meteen op de Chaldeeuwse monarchie gevolgd is; in Dan. 2:32 met zilver vergeleken.
een beer,
Hiermede wordt het rijk der Perzen afgebeeld, omdat zij wreed, woest, wild, gruwzaam en verschrikkelijk waren, gelijk de wilde woudberen, niet van zulken hogen en edelen aard als de leeuw, vs.4. Zie boven Dan. 2:39 . Doch de Heere heeft hunne wreedheid bedwongen, ten aanzien van zijn volk.
Hertaald:
een beer,
Hiermee wordt het rijk van de Perzen afgebeeld, omdat zij wreed, woest, wild, gruwelijk en schrikwekkend waren, zoals de wilde woudberen, en niet van zo'n hoge en edele aard als de leeuw (vers 4). Zie Dan. 2:39. Maar de HEERE heeft hun wreedheid ten aanzien van Zijn volk in toom gehouden.
stelde zich aan de ene zijde,
Dat is, het Perzische rijk heeft eerst aan de ene zijde der wereld begonnen, te weten in het oosten, zijnde klein in het eerst, besloten tussen zijn bergen, een natie die niet zeer groot geacht was. Evenwel slokte hij het eerst de Meden in, daarna ook de Babyloniërs, en maakte er eene heerschappij van. Anders: hetwelk ene heerschappij heeft opgericht.
Hertaald:
stelde zich aan de ene zijde,
Dat is: het Perzische rijk is eerst aan de ene kant van de wereld begonnen, namelijk in het oosten. In het begin was het klein, ingesloten tussen zijn bergen, een volk dat niet erg groot geacht werd. Toch slokte het eerst de Meden op en daarna ook de Babyloniërs, en maakte het daar één heerschappij van. Anders: dat een heerschappij heeft opgericht.
drie ribben in zijn muil tussen zijn tanden;
Dat is, naar de uitlegging van enigen, drie grote tanden, als ribben. Sommigen verstaan door deze drie ribben die volken, die van de Perzen aan het westen, noorden en zuiden, zijn ondergebracht, Dan. 8:4 ; ja die zij als verscheurd en verslonden hebben door hun grote krijgsmacht. Sommigen menen dat door deze drie ribben betekend worden de overgrote wreedheid van dit dier, namelijk der Perzische monarchie.
Hertaald:
drie ribben in zijn muil tussen zijn tanden;
Dat is volgens sommigen: drie grote tanden, als ribben. Sommigen verstaan onder deze drie ribben de volken die door de Perzen in het westen, noorden en zuiden onderworpen zijn (Dan. 8:4), ja die zij als het ware verscheurd en verslonden hebben door hun grote krijgsmacht. Anderen menen dat met deze drie ribben de overgrote wreedheid van dit dier aangeduid wordt, namelijk van de Perzische monarchie.
men zeide aldus tot hetzelve
De zin is dat God de Perzen, door zijn heimelijken raad daartoe verwekt en gedreven heeft, dat zij vele volken door krijgsmacht dwingen en ten onderbrengen zouden. Vergelijk Jes. 21:2 . Chaldeeuws, en zij zeiden, te weten de engelen, door het bevel van God.
Hertaald:
men zeide aldus tot hetzelve
De betekenis is dat God de Perzen door Zijn verborgen raad ertoe opgewekt en gedreven heeft dat zij veel volken met krijgsmacht zouden onderwerpen. Vergelijk Jes. 21:2. Chaldeeuws: en zij zeiden, namelijk de engelen, op Gods bevel.
eet veel vlees
Hiermede wordt aangewezen de grote wreedheid en bloeddorstigheid der Perzen, hetwelk Thomyris, de koningin van Scytië, den koning Cyrus verweten heeft, toen zij hem in een veldslag overwonnen en zijn hoofd afgehouwen en in een kuip vol mensenbloed gestoken hebbende, overluid riep: Verzadig u nu met bloed, daar gij zozeer naar gedorst hebt. Justin. lib.3, en Oros. lib.2.
Hertaald:
eet veel vlees
Hiermee wordt de grote wreedheid en bloeddorstigheid van de Perzen aangewezen. Thomyris, de koningin van Scythië, heeft koning Kores dat verweten: nadat zij hem in een veldslag overwonnen had, liet zij zijn afgehouwen hoofd in een vat vol mensenbloed steken en riep zij luid: verzadig u nu met bloed, waarnaar u zo gedorst hebt. Justinus, boek 3, en Orosius, boek 2.
zag ik,
Dit is, mij werd in een gezicht gewezen.
Hertaald:
zag ik,
Dat is: mij werd in een gezicht getoond.
een ander dier,
Namelijk de monarchie van Alexander den Grote, of het Macedonischer, of het Griekse rijk of monarchie.
Hertaald:
een ander dier,
Namelijk de monarchie van Alexander de Grote, ofwel het Macedonische of Griekse rijk.
een luipaard,
De pardus of pardel is listig en snel, Jer. 5:6 ; Hos. 13:7 ; Hab. 1:8 . Alzo waren de aanslagen van den koning Alexander den Grote listig, en hij was snel en moedig in het innemen van landen en steden.
Hertaald:
een luipaard,
De panter is listig en snel, Jer. 5:6; Hos. 13:7; Hab. 1:8. Zo waren ook de plannen van koning Alexander de Grote listig, en hij was snel en moedig in het innemen van landen en steden.
vier vleugels eens vogels op zijn rug;
Hiermede wordt ook te kennen gegeven de snelle voorgang van Alexander den Grote. Vergelijk Dan. 8:5 . Doch sommigen verstaan door de vier vleugelen op den rug de vier vorsten, die na den dood van Alexander zijne rijken onder zich verdeeld hebben, Dan. 8:8 .
Hertaald:
vier vleugels eens vogels op zijn rug;
Hiermee wordt ook de snelle opmars van Alexander de Grote te kennen gegeven. Vergelijk Dan. 8:5. Maar sommigen verstaan onder de vier vleugels op de rug de vier vorsten die na de dood van Alexander zijn rijken onder elkaar verdeeld hebben, Dan. 8:8.
vier hoofden,
Deze vier hoofden betekenen ook de verdeling der monarchie van Alexander, onder vier voorname heren of hoofden van zijn leger, die, nadat zij lang met elkander om de heerschappijen gestreden hadden, zo hebben zij eindelijk dezelve onder zich verdeeld, alzo dat Seleucus voor zijn deel heeft gekregen Groot-Azië; Antigonus Klein-Azië; Cassander, [welke Antipater opgevolgd is] is geworden koning van Macedonië; Ptolemoeus, de zoon van Lagus, heeft Egypte tot zijn deel gekregen.
Hertaald:
vier hoofden,
Deze vier hoofden duiden eveneens de verdeling van de monarchie van Alexander aan onder vier voorname heren of aanvoerders van zijn leger. Nadat zij lang met elkaar om de heerschappij gestreden hadden, hebben zij die ten slotte onder elkaar verdeeld: Seleucus kreeg Groot-Azië, Antigonus Klein-Azië, Cassander — die Antipater opgevolgd is — werd koning van Macedonië, en Ptolemeüs, de zoon van Lagus, kreeg Egypte als zijn deel.
hetzelve werd de heerschappij gegeven
Te weten Alexander de Grote werd van God de heerschappij gegeven, alzo dat hij met kleine legers zeer grote overwonnen heeft.
Hertaald:
hetzelve werd de heerschappij gegeven
Namelijk aan Alexander de Grote werd door God de heerschappij gegeven, zodat hij met kleine legers zeer grote overwonnen heeft.
het vierde dier
Eenigen verstaan hier door het vierde dier de monarchie der Romeinen, en passen daarop al hetgeen in dit hfdst. van het vierde dier gezegd wordt. Maar anderen duiden het op het rijk der Seleuciden en Lagiden, die de rijken van Alexander den Grote onder zich verdeeld en lange jaren ingehouden hebben, zij en hunne nakomelingen, die de Joden zeer jammerlijk geplaagd hebben, gelijk in de historie der Machabeën te lezen is.
Hertaald:
het vierde dier
Sommigen verstaan onder dit vierde dier de monarchie van de Romeinen en betrekken daarop alles wat in dit hoofdstuk over het vierde dier gezegd wordt. Maar anderen betrekken het op het rijk van de Seleuciden en Lagiden, die de rijken van Alexander de Grote onder elkaar verdeeld en jarenlang in bezit gehouden hebben — zij en hun nakomelingen, die de Joden zeer jammerlijk geplaagd hebben, zoals in de geschiedenis van de Makkabeeën te lezen is.
was schrikkelijk en gruwelijk,
Doordien het alle omliggende natiën groten schrik en bangheid, schade en verderf heeft aangebracht, hetwelk waarachtig is zo van de Romeinen als van de Seleuciden inzonderheid Antiochus Epifanes.
Hertaald:
was schrikkelijk en gruwelijk,
Doordat het alle omliggende volken grote schrik en angst, schade en verderf gebracht heeft; dat geldt zowel van de Romeinen als van de Seleuciden, en vooral van Antiochus Epifanes.
grote ijzeren tanden,
Dat is, grote veldlegers en machtige oversten, mitsgaders allerlei krijgsinstrumenten en gereedschap. Zie boven Dan. 2:40 , daar wordt het genoemd hard als ijzer.
Hertaald:
grote ijzeren tanden,
Dat is: grote veldlegers en machtige aanvoerders, en ook allerlei oorlogstuig en uitrusting. Zie Dan. 2:40, waar het hard als ijzer genoemd wordt.
vertrad
De zin is: Die het niet ten enenmale verscheurde, die beschadigde het ten hoogste, en bracht hen onder zijne voeten en maakte hen dienstbaar.
Hertaald:
vertrad
De betekenis is: wat het niet volkomen verscheurde, beschadigde het ten zeerste, en het bracht hen onder zijn voeten en maakte hen dienstbaar.
het was verscheiden van al de dieren,
Het kon vanwege zijne wreedheid en grootheid, noch met de vorige, noch met enig ander dier vergeleken worden, daarom geeft het de profeet hier geen naam. Die dit op het Romeinse rijk duiden, verstaan het woord verscheiden, van de verscheidene wijzen op welke het Romeinse rijk werd geregeerd, eerst door koningen, daarna door consuls, daarna door tienmannen, daarna wederom door consuls; ten laatste door cesars of keizers.
Hertaald:
het was verscheiden van al de dieren,
Vanwege zijn wreedheid en grootheid kon het niet met de vorige of met enig ander dier vergeleken worden; daarom geeft de profeet het hier geen naam. Zij die dit op het Romeinse rijk betrekken, verstaan het woord verschillend van de verschillende wijzen waarop het Romeinse rijk geregeerd werd: eerst door koningen, daarna door consuls, daarna door tienmannen, daarna weer door consuls en ten slotte door caesars of keizers.
tien hoornen
Sommigen, die dit van het Romeinse rijk verstaan, nemen tien voor velen, gelijk Gen. 31:41 . Anderen verstaan precies tien koningen, of rijken, of provinciën, omdat het Romeinse rijk verscheidene koningen gehad, en ook verscheidene koninkrijken onder zich gebracht heeft; of, gelijk sommigen, omdat het Romeinse rijk daarna in verscheidene bijzondere koninkrijken is verdeeld. Anderen duiden het op de Seleuciden, en noemen tien koningen [nochtans eensdeel uit de Lagiden, anderdeels uit de Seleuciden ] die elkander gevolgd zijn en de Joodse kerk zeer geplaagd hebben. Zij worden met recht bij horens vergeleken, omdat gelijk de gehoornde beesten andere beesten of mensen met hunne hoornen aanlopen, stoten en kwetsen, alzo hebben ook die koningen vele mensen, inzonderheid Gods kerk, veel leed gedaan.
Hertaald:
tien hoornen
Sommigen die dit van het Romeinse rijk verstaan, vatten tien op als velen, zoals Gen. 31:41. Anderen verstaan precies tien koningen, rijken of provincies, omdat het Romeinse rijk verscheidene koningen gehad en verscheidene koninkrijken onderworpen heeft; of, volgens weer anderen, omdat het Romeinse rijk daarna in verschillende afzonderlijke koninkrijken verdeeld is. Anderen betrekken het op de Seleuciden en noemen tien koningen — deels uit de Lagiden, deels uit de Seleuciden — die elkaar opgevolgd zijn en de Joodse kerk zeer geplaagd hebben. Zij worden terecht met horens vergeleken, want zoals gehoornde dieren andere dieren of mensen met hun horens aanvallen, stoten en verwonden, zo hebben ook die koningen veel mensen, en vooral Gods kerk, veel leed aangedaan.
Ik nam acht op de hoornen,
Alzo betaamt het ons ook op deze profetieën wel te letten, opdat wij ze mogen verstaan. Vergelijk Matt. 24:15 .
Hertaald:
Ik nam acht op de hoornen,
Zo past het ons ook goed op deze profetieën te letten, opdat wij ze mogen verstaan. Vergelijk Matth. 24:15.
een andere kleine hoorn kwam op tussen dezelve,
Anders: de laatste hoorn die klein was. Velen verstaan door dezen kleinen hoorn den Roomsen Antichrist, die, bij de scheuring van het Romeinse rijk van kleine beginselen is opgekomen, en zulks alles gedaan heeft, gelijk hier en vs.24,25 voorzegd wordt. Anderen verstaan Antiochus Epifanes, die de geringste onder die hoornen, dat is koningen was. Zie onder Dan. 11:21 . Eenigen verstaan den Turk, enz.
Hertaald:
een andere kleine hoorn kwam op tussen dezelve,
Anders: de laatste hoorn, die klein was. Velen verstaan onder deze kleine hoorn de Roomse antichrist, die bij de scheuring van het Romeinse rijk uit kleine beginselen opgekomen is en alles gedaan heeft wat hier en in vers 24 en 25 voorzegd wordt. Anderen verstaan Antiochus Epifanes, die de geringste onder die horens, dat is: koningen was. Zie Dan. 11:21. Sommigen verstaan de Turk, enzovoort.
in dienzelven hoorn waren ogen als mensenogen,
Versta dit alzo dat degenen, die door dezen hoorn beduid wordt, zich, zoveel den uitwendigen schijn belangt, zeer beleefdelijk heeft weten aan te stellen, maar dat hij inderdaad een geveinsde boef was.
Hertaald:
in dienzelven hoorn waren ogen als mensenogen,
Versta dit zo dat degene die door deze hoorn aangeduid wordt zich, wat de uiterlijke schijn betreft, zeer beleefd wist voor te doen, maar in werkelijkheid een geveinsde booswicht was.
een mond,
Lasterlijke en smadelijke redenen tegen God en zijn heilige kerk. Zie onder vs.25.
Hertaald:
een mond,
Lasterlijke en smadelijke woorden tegen God en Zijn heilige kerk. Zie vers 25.
totdat er tronen gezet werden,
Dat is, totdat de tijd gekomen was, dat God gericht over die tirannen gehouden, hen gestraft en zijn volk van hunne tirannie verlost heeft. Anders: totdat zij [te weten de engelen] de tronen [te weten van de koningen der aarde] hebben henengeworpen. Anderen nemen het in dezen zin: Totdat die koningen hunne tronen, of koninklijke stoelen, verlatende, voor God weken, toen God nakende was ten gericht, totdat Hij zijn troon boven alle andere zou oprichten.
Hertaald:
totdat er tronen gezet werden,
Dat is: totdat de tijd gekomen was dat God gericht over die tirannen zou houden, hen zou straffen en Zijn volk van hun tirannie zou verlossen. Anders: totdat zij, namelijk de engelen, de tronen — namelijk van de koningen van de aarde — omvergeworpen hebben. Anderen vatten het zo op: totdat die koningen hun tronen of koninklijke zetels verlieten en voor God weken, toen God kwam om gericht te houden, totdat Hij Zijn troon boven alle andere zou oprichten.
de Oude van dagen Zich zette,
Dit is ene omschrijving van den eeuwigen waren God, die vóór alle eeuwigheid geweest is, nu is, en in alle eeuwigheid zijn zal; alzo ook vs.13, 22.
Hertaald:
de Oude van dagen Zich zette,
Dit is een omschrijving van de eeuwige ware God, Die vóór alle eeuwigheid geweest is, nu is en in alle eeuwigheid zijn zal; zo ook vers 13 en 22.
wit was als de sneeuw,
Koningen en vorsten droegen eertijds witte klederen; zie Gen. 41:42 , en Est. 8:15 . Zodat het hier betekent de majesteit van God.
Hertaald:
wit was als de sneeuw,
Koningen en vorsten droegen vroeger witte kleren; zie Gen. 41:42 en Est. 8:15. Hier duidt het dus de majesteit van God aan.
als zuivere wol;
Afbeeldende de reinheid Gods. Vergelijk Ps. 51:6 ; Rom. 3:4 .
Hertaald:
als zuivere wol;
Dat beeldt de reinheid van God af. Vergelijk Ps. 51:6; Rom. 3:4.
Zijn troon
Eigenlijk te spreken heeft God noch troon, noch stoel, en wordt Hij met geen raderen voortgetrokken; maar het heeft Hem belieft zich zijnen profeten in verscheidene gedaanten te vertonen, om hun enig bewijs zijner tegenwoordigheid te geven.
Hertaald:
Zijn troon
Strikt genomen heeft God troon noch zetel, en wordt Hij niet door raderen voortgetrokken; maar het heeft Hem behaagd Zich aan Zijn profeten in verschillende gedaanten te vertonen, om hun enig bewijs van Zijn tegenwoordigheid te geven.
vuurvonken,
Of, vuurspranken, afbeeldende den toorn en het strenge gericht van God. Want gelijk het vuur alles verslindt, alzo is ook God een verterend vuur voor de goddelozen.
Hertaald:
vuurvonken,
Of: vuurspranken, waarmee de toorn en het strenge gericht van God afgebeeld worden. Want zoals het vuur alles verteert, zo is God ook een verterend vuur voor de goddelozen.
Een vurige rivier vloeide,
Of, ene rivier van vuur. Dit betekent de grootheid en strengheid der oordelen Gods, om alle vijanden snellijk en met geweld te overrompelen en te verteren. Gelijk niemand den loop der rivier kan afstoppen of ophouden, maar men moet ze haren gang laten gaan; alzo is er geen creatuur zo machtig, die de oordelen Gods kan ophouden of verhinderen. Vergelijk Ps. 50:3 , en Ps. 97:3 .
Hertaald:
Een vurige rivier vloeide,
Of: een rivier van vuur. Dit duidt de grootheid en strengheid van Gods oordelen aan, om alle vijanden snel en met geweld te overrompelen en te verteren. Zoals niemand de loop van een rivier kan tegenhouden of stuiten maar die zijn gang moet laten gaan, zo is er geen schepsel machtig genoeg om Gods oordelen tegen te houden of te verhinderen. Vergelijk Ps. 50:3 en Ps. 97:3.
van voor Hem uit,
Of, van zijne tegenwoordigheid; te weten van de tegenwoordigheid van den Rechter, die op den troon zat.
Hertaald:
van voor Hem uit,
Of: van Zijn tegenwoordigheid, namelijk van de tegenwoordigheid van de Rechter Die op de troon zat.
duizendmaal duizenden dienden Hem,
Vergelijk 2 Kon. 6:17 ; Ps. 34:8 , en Ps. 68:18 ; Matt. 26:53 ; Hebr. 12:22 ; Openb. 5:11 ; een zeker getal wordt gezet voor een ontelbaar groot getal.
Hertaald:
duizendmaal duizenden dienden Hem,
Vergelijk 2 Kon. 6:17; Ps. 34:8 en Ps. 68:18; Matth. 26:53; Hebr. 12:22; Openb. 5:11. Een bepaald getal wordt hier gebruikt voor een ontelbaar groot getal.
tien duizendmaal tien duizenden
Dit getal is honderdmaal groter dan het vorige. Het getal der engelen is voor ons ontelbaar. Zie Hebr. 12:22 .
Hertaald:
tien duizendmaal tien duizenden
Dit getal is honderdmaal groter dan het vorige. Het aantal engelen is voor ons ontelbaar. Zie Hebr. 12:22.
stonden voor Hem;
Passende op zijn dienst. Zie Ps. 103:20 .
Hertaald:
stonden voor Hem;
Terwijl zij op Zijn dienst letten. Zie Ps. 103:20.
het gericht zette zich,
Dat is, de Rechter, te weten die heilige engelen. Zie Dan. 4:17 . Versta ook, de gelovigen met hun Hoofd Christus. Zie onder vs.22; Ps. 50:6 .
Hertaald:
het gericht zette zich,
Dat is: de Rechter, namelijk die heilige engelen. Zie Dan. 4:17. Versta daaronder ook de gelovigen met hun Hoofd Christus. Zie vers 22; Ps. 50:6.
de boeken werden geopend
Dat is, alles werd nauw onderzocht, wat tot beschuldiging en ontschuldiging kon bijgebracht worden; opdat men daaruit nam wat die vervolgers aan het volk Gods begaan hadden, om daaruit een vonnis te scheppen, menselijkerwijze gesproken. Zie Ps. 139:16 ; Openb. 20:12 . Eenigen verstaan hier door de boeken eens ieders conscientie.
Hertaald:
de boeken werden geopend
Dat is: alles werd nauwkeurig onderzocht wat tot beschuldiging en tot verontschuldiging kon worden aangevoerd, opdat men daaruit zou opmaken wat die vervolgers Gods volk aangedaan hadden, om daaruit — op menselijke wijze gesproken — een vonnis te vormen. Zie Ps. 139:16; Openb. 20:12. Sommigen verstaan hier onder de boeken ieders geweten.
Toen zag ik toe
Dat is, mijne gedachten waren nog denkende op dat gezicht, dat mij vertoond was.
Hertaald:
Toen zag ik toe
Dat is: mijn gedachten waren nog bezig met dat gezicht dat mij getoond was.
vanwege de stem der grote woorden,
Dat is, vanwege de gruwelijke godslasteringen en smaadwoorden, die hij tegen God en de kerk uitspreken zou.
Hertaald:
vanwege de stem der grote woorden,
Dat is: vanwege de gruwelijke godslasteringen en smaadwoorden die hij tegen God en de kerk zou uitspreken.
totdat het dier gedood,
Dat is, totdat de macht dezer koningen, mitsgaders hun rijk teniet gebracht was.
Hertaald:
totdat het dier gedood,
Dat is: totdat de macht van deze koningen en hun rijk tenietgedaan was.
zijn lichaam verdaan werd,
Dat is, totdat het koninkrijk dezer koningen geen koninkrijk meer was.
Hertaald:
zijn lichaam verdaan werd,
Dat is: totdat het koninkrijk van deze koningen geen koninkrijk meer was.
om van het vuur verbrand te worden
Chaldeeuws, tot de verbranding van het vuur.
Hertaald:
om van het vuur verbrand te worden
Chaldeeuws: tot de verbranding van het vuur.
Aangaande ook de overige dieren,
Daar is vs.11 gesproken van den ondergang van het vierde rijk; in dit vs. spreekt de profeet van den ondergang van het overblijfsel der andere rijken.
Hertaald:
Aangaande ook de overige dieren,
In vers 11 is gesproken over de ondergang van het vierde rijk; in dit vers spreekt de profeet over de ondergang van wat er van de andere rijken over was.
men nam hun heerschappij weg,
Dat is, de overblijfsels der voorverhaalde drie rijken zijn met dit vierde rijk ook vervallen.
Hertaald:
men nam hun heerschappij weg,
Dat is: de overblijfselen van de drie eerder genoemde rijken zijn samen met dit vierde rijk ten val gekomen.
want verlenging van het leven
Dit is de reden, waarom die rijken niet eerder zijn tenondergegaan dan met het vierde rijk.
Hertaald:
want verlenging van het leven
Dit is de reden waarom die rijken niet eerder ten onder zijn gegaan dan samen met het vierde rijk.
gegeven
Te weten van God.
Hertaald:
gegeven
Namelijk door God.
tot tijd en stonde toe
Zie boven Dan. 2:21 .
Hertaald:
tot tijd en stonde toe
Zie Dan. 2:21.
zag ik in de nachtgezichten,
Met deze herhaling geeft Daniël te kennen, dat hij nauw gelet heeft op hetgeen hem God openbaarde.
Hertaald:
zag ik in de nachtgezichten,
Met deze herhaling geeft Daniël te kennen dat hij nauwkeurig gelet heeft op wat God hem openbaarde.
daar kwam Een met de wolken des hemels,
Om, nadat Hij op aarde de verborgenheid onzer zaligheid zou verricht hebben, ten hemel opgenomen te worden tot zijnen Vader, en aan zijne rechterhand te zitten, te regeren en te oordelen de levenden en de doden.
Hertaald:
daar kwam Een met de wolken des hemels,
Om, nadat Hij op aarde de verborgenheid van onze zaligheid volbracht zou hebben, in de hemel tot Zijn Vader opgenomen te worden en aan Zijn rechterhand te zitten, te regeren en de levenden en de doden te oordelen.
als eens mensen zoon,
Hierdoor werd de Messias of Christus afgebeeld, gelijk Openb. 1:13 , die in het vlees verschijnen zou, maar nog niet verschenen was. Zie Gal. 4:4 . En merk, dat hier in den Chaldeeuwsen tekst een woord staat, hetwelk betekent een broos en krank mens, betekenende dat Christus de menselijke natuur met al hare krankheden zou aannemen, de zonde uitgenomen.
Hertaald:
als eens mensen zoon,
Hiermee werd de Messias of Christus afgebeeld, zoals Openb. 1:13, Die in het vlees zou verschijnen maar nog niet verschenen was. Zie Gal. 4:4. Let erop dat hier in de Chaldeeuwse tekst een woord staat dat een broos en zwak mens aanduidt, waarmee te kennen gegeven wordt dat Christus de menselijke natuur met al haar zwakheden zou aannemen, de zonde uitgezonderd.
Hij kwam tot den Oude van dagen,
Of, daarna kwam Hij. De zin is dat Christus, volbracht hebbende het werk onzer verlossing, tot zijn hemelsen Vader ten hemel is opgevaren. Vergelijk hiermede Joh. 16:16 , Joh. 16:28 , en Hand. 1:9 .
Hertaald:
Hij kwam tot den Oude van dagen,
Of: daarna kwam Hij. De betekenis is dat Christus, na het werk van onze verlossing volbracht te hebben, tot Zijn hemelse Vader opgevaren is. Vergelijk hiermee Joh. 16:16, Joh. 16:28 en Hand. 1:9.
zij deden Hem voor Denzelven naderen
Te weten de heilige engelen Gods. Te weten om te zitten ter rechterhand zijns Vaders, en van Hem te ontvangen eer, heerlijkheid en heerschappij over alles wat genaamd mag worden, gelijk vs.14, gezegd wordt. Zie ook Hand. 2:34 , Hand. 2:36 ; Ef. 1:20 ; Fil. 2:9 .
Hertaald:
zij deden Hem voor Denzelven naderen
Namelijk de heilige engelen van God; om te zitten aan de rechterhand van Zijn Vader en van Hem eer, heerlijkheid en heerschappij te ontvangen over alles wat genoemd kan worden, zoals in vers 14 gezegd wordt. Zie ook Hand. 2:34, Hand. 2:36; Ef. 1:20; Filipp. 2:9.
Hem werd gegeven heerschappij,
Te weten Christus, als Middelaar, is van den Vader gegeven, enz. Vergelijk dit met Matt. 28:18 ; Hand. 2:33-34 , Hand. 2:36 ; Hebr. 1:3-4 .
Hertaald:
Hem werd gegeven heerschappij,
Namelijk aan Christus als Middelaar is door de Vader gegeven, enzovoort. Vergelijk dit met Matth. 28:18; Hand. 2:33-34, Hand. 2:36; Hebr. 1:3-4.
het Koninkrijk,
Niet een werelds koninkrijk om lichamelijk op aarde te regeren; maar een geestelijk koninkrijk, opdat Hij heerse in het midden zijner vijanden, zo door de krachtige predikatie van het Evangelie in de harten der uitverkorenen, als door het bedwingen der verworpenen, die de uitverkorenen, Christus belijdende, vervolgen. Vergelijk Psa 110 .
Hertaald:
het Koninkrijk,
Niet een werelds koninkrijk om lichamelijk op aarde te regeren, maar een geestelijk koninkrijk, opdat Hij zou heersen te midden van Zijn vijanden — zowel door de krachtige prediking van het Evangelie in de harten van de uitverkorenen als door het bedwingen van de verworpenen, die de uitverkorenen vervolgen omdat zij Christus belijden. Vergelijk Ps. 110.
alle volken, natiën en tongen eren zouden;
Niet allen hoofd voor hoofd, maar uit alle volken, natiën en tongen der ganse wereld, een grote menigte; en aangaande zijne vijanden, zal Hij verheerlijkt worden door derzelver rechtvaardige straf. Ten dezen aanzien komt Christus met recht toe, ja Christus alleen en geen schepselen, de titel van Koning der koningen en Heere der heren. Vergelijk Ps. 2:8 ; Ef. 1:21-22 ; Fil. 2:9-11 ; Openb. 19:16 .
Hertaald:
alle volken, natiën en tongen eren zouden;
Niet allen hoofd voor hoofd, maar uit alle volken, naties en talen van de hele wereld een grote menigte. En wat Zijn vijanden betreft: Hij zal verheerlijkt worden door hun rechtvaardige straf. In dit opzicht komt aan Christus met recht — ja aan Christus alleen en aan geen schepsel — de titel toe van Koning der koningen en Heere der heren. Vergelijk Ps. 2:8; Ef. 1:21-22; Filipp. 2:9-11; Openb. 19:16.
die niet vergaan zal,
Of, die niet weggenomen zal worden.
Hertaald:
die niet vergaan zal,
Of: dat niet weggenomen zal worden.
zal niet verdorven worden
Want, ofschoon het hier op aarde wordt bestreden en bevochten van zijne vijanden, zo zal en kan het niet uitgeroeid worden, maar het zal altijd blijven.
Hertaald:
zal niet verdorven worden
Want ook al wordt het hier op aarde door Zijn vijanden bestreden en aangevochten, het zal en kan niet uitgeroeid worden, maar het zal altijd blijven.
Mij, Daniël
Of, mij Daniël aangaande, mijn geest werd, enz.
Hertaald:
Mij, Daniël
Of: wat mij, Daniël, betreft: mijn geest werd, enzovoort.
doorstoken
Of, doorboord, doorgraven alsof mijn geest ware doorschoten geweest; namelijk, dewijl ik niet wist wat dit gezicht beduidde. Anders: beroerd, ontsteld.
Hertaald:
doorstoken
Of: doorboord, doorgraven, alsof mijn geest doorschoten was; namelijk omdat ik niet wist wat dit gezicht betekende. Anders: beroerd, ontsteld.
van het lichaam,
Chaldeeuws, der schede: omdat de ziel van den mens in zijn lichaam bedekt en verborgen is, gelijk een zwaard in de schede.
Hertaald:
van het lichaam,
Chaldeeuws: van de schede, omdat de ziel van de mens in zijn lichaam bedekt en verborgen is, zoals een zwaard in de schede.
naderde tot een dergenen,
Te weten tot een van de engelen, van wie vele duizenden waren, die voor den Heere stonden om op zijn dienst te passen, boven vs.10.
Hertaald:
naderde tot een dergenen,
Namelijk tot een van de engelen, van wie er vele duizenden voor de HEERE stonden om Hem te dienen, vers 10.
de zekerheid over dit alles;
Of, de gewisheid, dat is, de rechte mening, het ware bericht.
Hertaald:
de zekerheid over dit alles;
Of: de zekerheid, dat is: de juiste betekenis, de ware verklaring.
gaf mij de uitlegging
Dit belooft Christus allen die Hem bidden, Matt. 7:7-8 .
Hertaald:
gaf mij de uitlegging
Dat belooft Christus aan allen die Hem bidden, Matth. 7:7-8.
zaken te kennen
Chaldeeuws, dezer woorden; dat is, der dingen mij in die gezichten vertoond.
Hertaald:
zaken te kennen
Chaldeeuws: van deze woorden; dat is: van de dingen die mij in die gezichten getoond waren.
zijn
Dat is, betekenen of zijn voorbeelden.
Hertaald:
zijn
Dat is: betekenen, of zijn afbeeldingen van.
vier koningen,
Dat is, vier koninkrijken of monarchieën. Zie boven vs.3.
Hertaald:
vier koningen,
Dat is: vier koninkrijken of monarchieën. Zie hierboven vers 3.
uit de aarde
vs.3 zegt hij, uit de zee. Zie de aantekening aldaar.
Hertaald:
uit de aarde
In vers 3 zegt hij: uit de zee. Zie de aantekening daar.
opstaan zullen
Het ene, namelijk de monarchie der Chaldeën, was wel alrede opgestaan, zodat de profeet zegt dat zij opstaan zouden, ten aanzien van de overblijvende drie koninkrijken.
Hertaald:
opstaan zullen
Het ene, namelijk de monarchie van de Chaldeeën, was al opgestaan; de profeet zegt dus dat zij opstaan zullen met het oog op de overige drie koninkrijken.
der hoge plaatsen
Dat is, die van God verordineerd zijn tot inneming en bezitting der hogere plaatsen, dat is, der hemelen, die zij ter bestemder tijd zullen innemen en bezitten. Zodat dit is ene beschrijving der kerk, welke is ene vergadering der heiligen, tot de hoogten of tot de hoge plaats, dat is, ten eeuwigen leven behorende. Anders: de heiligen des Allerhoogsten zullen, enz. Vergelijk Openb. 1:6 , en Openb. 5:10 .
Hertaald:
der hoge plaatsen
Dat is: zij die door God bestemd zijn om de hoge plaatsen — dat is: de hemelen — in te nemen en te bezitten, wat zij op de vastgestelde tijd zullen doen. Dit is dus een beschrijving van de kerk, die een vergadering van heiligen is die tot de hoogten of de hoge plaats, dat is: tot het eeuwige leven behoort. Anders: de heiligen van de Allerhoogste zullen, enzovoort. Vergelijk Openb. 1:6 en Openb. 5:10.
dat Koninkrijk ontvangen,
Te weten dat eeuwige rijk. vs.14, het heilige en geestelijke koninkrijk van Christus op aarde, zal zo haast niet ophouden, of straks zal dat eeuwig, heerlijk en hemels koninkrijk van Christus daarop volgen boven in den hemel.
Hertaald:
dat Koninkrijk ontvangen,
Namelijk dat eeuwige rijk uit vers 14. Het heilige en geestelijke koninkrijk van Christus op aarde zal niet eerder ophouden of dat eeuwige, heerlijke en hemelse koninkrijk van Christus zal daar meteen op volgen, boven in de hemel.
Toen wenste ik
Dat is, toen was ik begerig om de waarheid te weten van het vierde dier, dat is aangaande het vier dier.
Hertaald:
Toen wenste ik
Dat is: toen verlangde ik de waarheid te weten over het vierde dier.
van al de andere,
Te weten van de andere drie, gelijk vs.23; zie breder tot verklaring over dit 19e vs.de aantekening boven vs.7.
Hertaald:
van al de andere,
Namelijk van de andere drie, zoals vers 23; zie voor een uitvoeriger verklaring van dit vers 19 de aantekening bij vers 7.
aangaande de tien hoornen
Versta hierbij: begeerde ik de waarheid te weten.
Hertaald:
aangaande de tien hoornen
Vul hierbij aan: verlangde ik de waarheid te weten.
aanzien
Of, gestalte.
Hertaald:
aanzien
Of: gestalte.
groter was,
Hiermede wordt te kennen gegeven dat de Roomse Antichrist, of, gelijk anderen, Antiochus Epifanes, de andere koningen in macht en hoogheid overtreffen zou, alhoewel hun beginsel slecht geweest is, als onwettelijk tot het rijk komende, waarom hij een kleine hoorn genoemd wordt, vs.8.
Hertaald:
groter was,
Hiermee wordt te kennen gegeven dat de Roomse antichrist — of, volgens anderen, Antiochus Epifanes — de andere koningen in macht en hoogheid zou overtreffen, hoewel zijn begin gering geweest is doordat hij onwettig aan het bewind kwam; daarom wordt hij een kleine hoorn genoemd, vers 8.
dan van zijn metgezellen
Dat is, dan der andere hoornen, dat is koningen.
Hertaald:
dan van zijn metgezellen
Dat is: dan de andere horens, dat is: koningen.
Ik had gezien,
In dit 21ste, en in het volgende vs. (22), geeft Daniël reden, waarom hij zo begerig was om te weten de gelegenheid van dit dier en van zijn doen, namelijk omdat de kerk van dien tijd af wredelijk zou geplaagd worden, totdat de kerk Gods van hare vijanden zou gered worden.
Hertaald:
Ik had gezien,
In dit vers 21 en in vers 22 geeft Daniël de reden waarom hij zo verlangde te weten hoe het met dit dier gesteld was. Die reden is dat de kerk vanaf die tijd wreed geplaagd zou worden, totdat Gods kerk van haar vijanden gered zou worden.
krijg voerde
Chaldeeuws, krijg maakte.
Hertaald:
krijg voerde
Chaldeeuws: krijg maakte.
tegen de heiligen,
Dat is, tegen het volk Gods.
Hertaald:
tegen de heiligen,
Dat is: tegen Gods volk.
die overmocht,
Welke zware vervolgingen en ellenden de kerk geleden heeft en nog lijdt van den Roomsen Antichrist, is bekend; van gelijke heeft Antiochus Epifanes en andere Aziatische koningen, van welken anderen dit verstaan, gedaan aan de Joodse kerk of hen. Gods volk werd in het Joodse land, alsook die schone kerken in Azië en in Afrika, zo tenonder gebracht, dat het zich liet aanzien of het met de kerk Gods ten enenmale gedaan was, en dat er geen hoop meer was dat zij het hoofd weder zou opheffen; doch dit duurde maar een korten tijd.
Hertaald:
die overmocht,
Welke zware vervolgingen en ellenden de kerk van de Roomse antichrist geleden heeft en nog lijdt, is bekend. Hetzelfde hebben Antiochus Epifanes en andere Aziatische koningen — op wie anderen dit betrekken — de Joodse kerk aangedaan. Gods volk werd in het Joodse land, evenals die mooie kerken in Azië en Afrika, zo onderdrukt dat het ernaar uitzag alsof het volkomen met Gods kerk gedaan was en er geen hoop meer was dat zij het hoofd weer zou opheffen; maar dat duurde slechts korte tijd.
Oude van dagen
Zie boven vs.9.
Hertaald:
Oude van dagen
Zie hierboven vers 9.
kwam,
Om zijne kerk zijne hulp te betonen. Dit is voornamelijk geschied na de predikatie van het Evangelie, als de kerk heeft begonnen het hoofd boven te krijgen, na vele verschrikkelijke vervolgingen.
Hertaald:
kwam,
Om Zijn kerk Zijn hulp te betonen. Dat is vooral gebeurd na de prediking van het Evangelie, toen de kerk na veel verschrikkelijke vervolgingen het hoofd weer begon op te heffen.
het gericht gegeven werd
Te weten in Christus hun Hoofd, ten welken aanzien de heiligen gezegd worden te zijn richters der wereld, goedvindende en prijzende het gericht van Christus. Zie Matt. 19:28 ; 1 Kor. 6:2-3 .
Hertaald:
het gericht gegeven werd
Namelijk in Christus, hun Hoofd; in dat opzicht wordt van de heiligen gezegd dat zij rechters van de wereld zijn, doordat zij het gericht van Christus goedkeuren en prijzen. Zie Matth. 19:28; 1 Kor. 6:2-3.
de heiligen der hoge plaatsen,
Zie boven vs.18.
Hertaald:
de heiligen der hoge plaatsen,
Zie hierboven vers 18.
het Rijk bezaten
Dat is, dat zij een naam in de wereld gekregen hadden, doordien het rijk van Christus in zijne heiligen is vermaard geworden.
Hertaald:
het Rijk bezaten
Dat is: dat zij een naam in de wereld gekregen hadden, doordat het rijk van Christus in Zijn heiligen vermaard geworden is.
Hij zeide aldus
Te weten de engel, dien ik gebeden had dat hij mij die gezichten wilde verklaren, vs.16.
Hertaald:
Hij zeide aldus
Namelijk de engel, die ik gevraagd had of hij mij die gezichten wilde verklaren, vers 16.
het vierde rijk op aarde zijn,
Zie boven vs.7.
Hertaald:
het vierde rijk op aarde zijn,
Zie hierboven vers 7.
dat verscheiden zal zijn van al die rijken,
Zie boven vs.7.
Hertaald:
dat verscheiden zal zijn van al die rijken,
Zie hierboven vers 7.
de ganse aarde opeten,
Dat is, het voornaamste deel der koninkrijken, verstaande dit van het Romeinse rijk. Anders: het ganse land; te weten het ganse Joodse land, duidende dit op de Seleuciden. Vergelijk vs.21, 25, en versta hier door het land, of de aarde, de inwoners, die verslonden en als opgegeten zouden worden.
Hertaald:
de ganse aarde opeten,
Dat is: het voornaamste deel van de koninkrijken, wanneer men dit van het Romeinse rijk verstaat. Anders: het hele land, namelijk het hele Joodse land, wanneer men dit op de Seleuciden betrekt. Vergelijk vers 21 en 25, en versta hier onder het land of de aarde de inwoners, die verslonden en als het ware opgegeten zouden worden.
vertreden,
Of, dorsen.
Hertaald:
vertreden,
Of: dorsen.
uit dat koninkrijk
Zie vs.7.
Hertaald:
uit dat koninkrijk
Zie vers 7.
een ander
Te weten de Roomse Antichrist, of, gelijk anderen, Antiochus Epifanes, de laatste van die tien.
Hertaald:
een ander
Namelijk de Roomse antichrist, of volgens anderen Antiochus Epifanes, de laatste van die tien.
na hen opstaan;
Te weten na die koningen of hoornen.
Hertaald:
na hen opstaan;
Namelijk na die koningen of horens.
die zal verschillend zijn van de vorigen,
Te weten hoorn, of die, te weten koning, en alzo in het volgende.
Hertaald:
die zal verschillend zijn van de vorigen,
Namelijk die hoorn, of: hij, namelijk die koning; zo ook in het vervolg.
drie koningen vernederen
Zie boven vs.8.
Hertaald:
drie koningen vernederen
Zie hierboven vers 8.
hij zal
Te weten die hoorn, of hij zal, te weten de Antichrist, of, gelijk anderen, Antiochus Epifanes, die niet alleen God zouden lasteren, maar ook wrede vervolgers van Gods volk zijn. Zie Dan 11 .
Hertaald:
hij zal
Namelijk die hoorn; of: hij, namelijk de antichrist, of volgens anderen Antiochus Epifanes — die niet alleen God zouden lasteren maar ook wrede vervolgers van Gods volk zouden zijn. Zie Dan. 11.
heiligen der hoge plaatsen
Gelijk boven vs.18, 22.
Hertaald:
heiligen der hoge plaatsen
Zoals hierboven vers 18 en 22.
verstoren,
Of, verslijten, of afslijten, dat is, doen verouderen en vergaan, gelij klederen, die door ouderdom verslijten.
Hertaald:
verstoren,
Of: verslijten, afslijten; dat is: doen verouderen en vergaan, zoals kleren die door ouderdom verslijten.
hij zal menen
Of, hij zal onderstaan te veranderen, of het zal denken te veranderen. De zin is: Het zal zo vermetel zijn, dat het voornemen zal, of hopen en vertrouwen zal, de tijden te veranderen, enz.
Hertaald:
hij zal menen
Of: hij zal ondernemen te veranderen, of: het zal denken te veranderen. De betekenis is: het zal zo vermetel zijn dat het zich zal voornemen, of zal hopen en erop vertrouwen, de tijden te veranderen, enzovoort.
tijden
Eenigen verstaan hier door de tijden den sabbat en de andere feestdagen der Joden, als pinksteren, het feest der tabernakelen en der nieuwe maanden, enz. Zie 1 Mach.1:49; anderen, de rekening der jaren, die door het Romeinse rijk zou veranderd worden. Hetwelk geschied is eerst door Julius Cesar, daarna door den paus Gregorius den dertiende, om alzo zijne macht over de ganse Christenheid te betonen.
Hertaald:
tijden
Sommigen verstaan hier onder de tijden de sabbat en de andere feestdagen van de Joden, zoals het pinksterfeest, het loofhuttenfeest en de nieuwe maanden, enzovoort; zie 1 Makk. 1:49. Anderen verstaan de jaartelling, die door het Romeinse rijk veranderd zou worden — wat eerst door Julius Caesar en daarna door paus Gregorius XIII gebeurd is, om zo zijn macht over de hele christenheid te tonen.
de wet te veranderen,
Al de wetten en ceremoniën van Mozes af te stoten, den gansen godsdienst af te schaffen, om de heidense afgoderij in te voeren, zo men dit verstaat van Antiochus; of versta Gods wetten in het algemeen, zo men dit duidt op den Antichrist.
Hertaald:
de wet te veranderen,
Alle wetten en ceremoniën van Mozes afschaffen en de hele godsdienst opheffen om de heidense afgoderij in te voeren, wanneer men dit van Antiochus verstaat; of versta Gods wetten in het algemeen, wanneer men dit op de antichrist betrekt.
zij zullen in zijne hand overgegeven worden
Te weten de heiligen, opdat hij hen dode. Of, de tijden en de wet, om die te veranderen naar zijn goeddunken.
Hertaald:
zij zullen in zijne hand overgegeven worden
Namelijk de heiligen, opdat hij hen zou doden. Of: de tijden en de wet, om die naar zijn goeddunken te veranderen.
tot een tijd, en tijden,
Eenigen verstaan hierdoor een jaar, twee jaren en een half jaar; anderen, den tijd van drie jaren en tien dagen; sommigen duizend tweehonderd zestig jaren; anderen, door een tijd, vierhonderd negentig jaren, te rekenen van de wederopbouwing tot de verwoesting van den tempel. Door tijden, een duizend vierhonderd drie en dertig jaren, van de verwoesting van den tempel tot de ontdekking van den Antichrist; door een halven tijd, honderd een en negentig jaren, van den tijd der ontdekking van de Antichrist tot zijn uitroeiing toe. Anderen hebben andere berekeningen. Vergelijk Dan. 12:7 , en Openb. 12:14 .
Hertaald:
tot een tijd, en tijden,
Sommigen verstaan hieronder een jaar, twee jaar en een half jaar; anderen een tijd van drie jaar en tien dagen; sommigen twaalfhonderdzestig jaar. Weer anderen verstaan onder een tijd vierhonderdnegentig jaar, gerekend van de herbouw tot de verwoesting van de tempel; onder tijden veertienhonderddrieëndertig jaar, van de verwoesting van de tempel tot de ontdekking van de antichrist; en onder een halve tijd honderdeenennegentig jaar, van de ontdekking van de antichrist tot zijn uitroeiing. Anderen hebben weer andere berekeningen. Vergelijk Dan. 12:7 en Openb. 12:14.
een gedeelte eens tijds
Hiervoor staat tot verklaring Dan. 12:7
Hertaald:
een gedeelte eens tijds
Hiervóór staat ter verklaring Dan. 12:7.
het gericht zitten,
Zie boven vs.9,10, 22.
Hertaald:
het gericht zitten,
Zie hierboven vers 9, 10 en 22.
zijn heerschappij wegnemen,
Of, zij zullen hem, of hun, te weten de Romeinen, of, gelijk anderen, de Seleuciden, de heerschappij benemen, te weten die, welke God tot uitvoerders van zijn oordeel zal stellen.
Hertaald:
zijn heerschappij wegnemen,
Of: zij zullen hun de heerschappij ontnemen, namelijk de Romeinen of, volgens anderen, de Seleuciden — zij die God tot uitvoerders van Zijn oordeel zal aanstellen.
hem verdelgende en verdoende,
Dat is, hij zal met zijn aanhang van het rijk afgestoten en verdreven worden. Anders: alzo dat zij, te weten de heerschappij, weggenomen worde.
Hertaald:
hem verdelgende en verdoende,
Dat is: hij zal met zijn aanhang van het rijk gestoten en verdreven worden. Anders: zodat zij, namelijk de heerschappij, weggenomen wordt.
tot het einde toe
Dat is, zijn rijk en zijn aanhang zal eindelijk geheel uitgeroeid en gans teniet gebracht worden, en nimmermeer weder opstaan.
Hertaald:
tot het einde toe
Dat is: zijn rijk en zijn aanhang zullen ten slotte geheel uitgeroeid en volkomen tenietgedaan worden en nooit meer opstaan.
Maar het rijk, en de heerschappij,
Dat wordt hier gesteld tot troost der godzaligen, om hun indachtig te maken hoe het in de wereld toegaat, dat God altijd voor zijne kerk zorgdraagt, den zijnen eindelijk een zalige uitkomst gevende. Want te spreken van den toestand der monarchieën kon den godzaligen weinig troost aanbrengen, ten ware dat zij ook tegelijk wisten dat God zorg voor hen droeg. Zie Jes. 35:3-4 .
Hertaald:
Maar het rijk, en de heerschappij,
Dit wordt hier gezegd tot troost van de godvruchtigen, om hun in herinnering te brengen hoe het in de wereld toegaat: dat God altijd voor Zijn kerk zorgt en de Zijnen ten slotte een zalige uitkomst geeft. Want spreken over de toestand van de monarchieën zou de godvruchtigen weinig troost bieden als zij niet tegelijk wisten dat God voor hen zorgt. Zie Jes. 35:3-4.
onder den gansen hemel,
Dat is, in de ganse wereld, nadat het Evangelie allen creaturen zou gepredikt worden, Marc. 16:15 .
Hertaald:
onder den gansen hemel,
Dat is: in de hele wereld, nadat het Evangelie aan alle schepselen gepredikt zou worden, Mark. 16:15.
zal gegeven worden
Het rijk van Christus, opgericht door de predikatie van het heilige Evangelie, zal den godzaligen gegeven of medegedeeld worden, namelijk als Christus in de harten der godzaligen bij alle natiën regeren zal. Dit rijk komt wel eigenlijk Christus toe, maar den gelovigen door genadige mededeling; zie 1 Kor. 1:9 .
Hertaald:
zal gegeven worden
Het rijk van Christus, opgericht door de prediking van het heilig Evangelie, zal aan de godvruchtigen gegeven of meegedeeld worden, namelijk wanneer Christus bij alle volken in de harten van de godvruchtigen zal regeren. Dit rijk komt in eigenlijke zin Christus toe, maar het wordt de gelovigen uit genade meegedeeld; zie 1 Kor. 1:9.
aan het volk der heiligen der hoge plaatsen,
Zie boven vs.18.
Hertaald:
aan het volk der heiligen der hoge plaatsen,
Zie hierboven vers 18.
een eeuwig Rijk zijn zal;
Het zal geen einde hebben, maar het zal eeuwig duren.
Hertaald:
een eeuwig Rijk zijn zal;
Het zal geen einde hebben, maar eeuwig duren.
alle heerschappijen
Dat is, enigen van allerlei heren en heerlijkheden, die Hij daartoe verkiezen zal. Alzo staat er alle voor allerlei; 1 Tim. 2:4 , en elders meer.
Hertaald:
alle heerschappijen
Dat is: enkelen uit allerlei heren en heerlijkheden, die Hij daartoe zal uitkiezen. Zo staat er alle voor allerlei, 1 Tim. 2:4 en ook elders.
Hem eren en gehoorzamen
Te weten den Heere Christus.
Hertaald:
Hem eren en gehoorzamen
Namelijk de Heere Christus.
Tot hiertoe is het einde dezer rede
Dat is, hier in het einde dezer woorden, dit is hetgeen mij de engel heeft geopenbaard van den stand der kerk.
Hertaald:
Tot hiertoe is het einde dezer rede
Dat is: hier, aan het einde van deze woorden, staat wat de engel mij over de toestand van de kerk geopenbaard heeft.
mijn gedachten verschrikken mij zeer,
Dat is, ik was zeer beroerd in mijzelven, namelijk overdenkende de zware vervolgingen, die de kerk Gods waren over het hoofd hangende.
Hertaald:
mijn gedachten verschrikken mij zeer,
Dat is: ik was zeer verontrust in mijzelf, namelijk toen ik de zware vervolgingen overdacht die Gods kerk boven het hoofd hingen.
mijn glans veranderde aan mij;
Chaldeeuws, mijne glanzen; te weten al die glans of het schoon gelaat van mijn aangezicht. De zin is: Ik werd bleek en ontsteld in mijn aangezicht. Zie boven Dan. 5:6 .
Hertaald:
mijn glans veranderde aan mij;
Chaldeeuws: mijn glansen, namelijk alle glans of de mooie uitdrukking van mijn gezicht. De betekenis is: ik werd bleek en ontsteld in mijn gezicht. Zie Dan. 5:6.
ik bewaarde dat woord
Te weten om hetzelve aan de kerk Gods getrouwelijk mede te delen.
Hertaald:
ik bewaarde dat woord
Namelijk om dat trouw aan Gods kerk mee te delen.
in mijn hart
Tot hiertoe, te weten van vs.4, heeft Daniël Chaldeeuws gesproken, omdat de boven verhaalde profetieën de Chaldeën of Babyloniërs ook waren aangaande. Maar van hier af tot het einde van dit boek toe, spreekt hij wederom Hebreeuws, dewijl het den Heiligen Geest alzo beliefd heeft.
Hertaald:
in mijn hart
Tot hier, namelijk vanaf Dan. 2:4, heeft Daniël Chaldeeuws gesproken, omdat de hierboven verhaalde profetieën ook de Chaldeeën of Babyloniërs aangingen. Maar vanaf hier tot het einde van dit boek spreekt hij weer in de Hebreeuwse taal, omdat het de Heilige Geest zo behaagd heeft. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Koning van Babel, zoon (of kleinzoon) van Nebukadnezar. Tijdens een grote maaltijd, waarbij hij uit de heilige tempelvaten dronk en de afgoden prees, verscheen een hand die het oordeel "Mene, Mene, Tekel, Ufarsin" op de muur schreef; Daniël verklaarde dat zijn koninkrijk geteld, gewogen en te licht bevonden was, en verdeeld zou worden. In diezelfde nacht werd Belsazar gedood en ging het rijk over op de Meden en Perzen (Dan. 5). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas "Ik zag in mijn gezicht bij nacht, en ziet, de vier winden des hemels braken voort op de grote zee" (Dan. 7:2). Er klimmen vier dieren op: een als een leeuw met arendsvleugels (Dan. 7:4), een als een beer (Dan. 7:5), een als een luipaard met vier hoofden (Dan. 7:6), en een vierde, "schrikkelijk en gruwelijk, en zeer sterk", met ijzeren tanden en tien horens (Dan. 7:7). Tussen die horens komt een kleine op, "en ziet, in dienzelven hoorn waren ogen als mensenogen, en een mond, grote dingen sprekende" (Dan. 7:8). De uitlegger zegt kort wat het is: "Deze grote dieren, die vier zijn, zijn vier koningen, die uit de aarde opstaan zullen" (Dan. 7:17), en van het vierde: "het vierde dier zal het vierde rijk op aarde zijn, dat verscheiden zal zijn van al die rijken" (Dan. 7:23). Bijbelse betekenis: Merk op wat de tekst zelf invult. Dat het vier koningen of rijken zijn, staat er; welke rijken dat precies zijn, staat er niet, en de uitleggingen daarover lopen ver uiteen, ook binnen de eigen traditie. Het register vult dat daarom niet in en doet geen uitspraak over het tijdstip, dezelfde terughoudendheid als bij het beeld van Dan. 2 (reeds behandeld bij Dan. 2:39-42) en bij Gog en Magog (reeds behandeld bij Ezech. 38:16). Let vervolgens op de opbouw van het gezicht: elk dier is wreder dan het vorige, en het laatste heeft geen dier meer als gelijkenis, alsof geen dier het kon weergeven. Let ten slotte op de kleine hoorn. Hij komt niet van buiten maar groeit tussen de andere op, en drie horens worden voor hem uitgerukt; macht die van binnenuit opkomt, is in de Schrift vaker het gevaarlijkst. Typologie: Wat dit gezicht tegenover stelt, is behandeld in het volgende artikel. Dan. 7:2,4-8,17,23; Dan. 2:39-42; Ezech. 38:16 Tegenover de dieren wordt een troonzaal geopend: "de Oude van dagen Zich zette, Wiens kleed wit was als de sneeuw, en het haar Zijns hoofds als zuivere wol; Zijn troon was vuurvonken" (Dan. 7:9). Duizendmaal duizenden dienen Hem, "het gericht zette zich, en de boeken werden geopend" (Dan. 7:10). Dan komt er Eén: "Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken des hemels, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot den Oude van dagen, en zij deden Hem voor Denzelven naderen" (Dan. 7:13). Wat Hem gegeven wordt, staat in het vers erna: "heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natien en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal" (Dan. 7:14). Bijbelse betekenis: Eerst wat de tekst zegt en niet meer. Er staat: als eens mensen zoon, niet Zoon des mensen als vaste titel; het is de gedaante waarin Hij verschijnt. Merk op de tegenstelling met de dieren. Zij komen op uit de zee, van beneden; Hij komt met de wolken, van boven. Zij grijpen macht; Hem wordt macht gegeven, en dat woord staat er nadrukkelijk bij. Let vervolgens op de witheid van het kleed en het haar van de Oude van dagen: het is dezelfde beeldtaal die het laatste boek van Christus Zelf gebruikt (reeds behandeld bij Op. 1:13-14). Let ten slotte op wat er met dit Koninkrijk gebeurt in de rest van het hoofdstuk: het wordt aan de heiligen der hoge plaatsen gegeven (Dan. 7:18,27); ook daarover doet het register geen uitspraak over de tijd. Typologie: Voor de hogepriester zegt de Heere Jezus Zelf dat Hij deze woorden vervult: "Van nu aan zult gij zien den Zoon des mensen, zittende ter rechter hand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels" (Matt. 26:64). En Johannes ziet Hem in het laatste boek in dezelfde gedaante als de Oude van dagen hier: "Zijn hoofd en haar was wit, gelijk als witte wol, gelijk sneeuw" (Op. 1:14). Dan. 7:9-10,13-14,18,27; Op. 1:13-14; Matt. 26:64 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het koninkrijk niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Daniël ziet vier dieren uit de zee opkomen, het een nog schrikwekkender dan het ander. Dan verandert het toneel: er worden tronen gezet, de Oude van dagen zet Zich neer, en het gericht begint. Er komt Iemand met de wolken des hemels, als eens mensen zoon, en Hem wordt een heerschappij gegeven die niet vergaat. Alles komt hier van beneden, behalve Eén. De vier dieren stijgen op uit de zee. Maar deze komt met de wolken des hemels — en wolken zijn in de Schrift het voertuig van God zelf: boven de tabernakel, op de Sinaï, in de tempel. Hij ziet eruit als een mens. De kanttekening wijst erop dat in de Chaldeeuwse tekst een woord staat dat een broos en zwak mens aanduidt, en dat daarmee te kennen gegeven wordt dat Christus de menselijke natuur zou aannemen. En bij Zijn naderen tot de Oude van dagen: om, nadat Hij op aarde de verborgenheid van onze zaligheid volbracht zou hebben, in de hemel tot Zijn Vader opgenomen te worden en aan Zijn rechterhand te zitten. Wat Hem gegeven wordt is niet weinig: heerschappij, eer, en het Koninkrijk, opdat alle volken, natiën en tongen Hem eren zouden. Dat is aanbidding, en in het Oude Testament komt die alleen God toe. De uitdrukking Zoon des mensen wordt de naam die Christus het vaakst voor Zichzelf gebruikt — en men leest die te licht als men er alleen nederigheid in hoort. Wanneer de hogepriester Hem bezweert te zeggen of Hij de Christus is, antwoordt Hij met dit hoofdstuk: van nu aan zult gij zien den Zoon des mensen, zittende ter rechterhand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels. De hogepriester scheurt zijn klederen. Hij begreep precies wat er gezegd werd. In het Nieuwe Testament: Mattheüs 26:63-65; Markus 14:62; Handelingen 7:56; Openbaring 1:7, 13
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Daniël 7
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Als eens mensen zoon, met de wolken — 7:9-14
Wat betekenen de niveaus?


Daniël 7
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Op het boek der geschiedenis (zie Inl. bij Hoofdst. 1) volgt nu het boek der gezichten. Het eerste Hoofdstuk gelijk het in den grondtekst eveneens in het Chaldeeuws is geschreven, staat wat zijn inhoud aangaat in wezenlijk verband tot het droombeeld van Nebukadnezar in Hoofdst. 2. Het voleindigt het algemeen historisch overzicht over de gehele ontwikkeling van de machten der wereld, voordat het volgende Hoofdstuk de ontvouwing dier wereldmachten in hare verhouding tot Israël of tot het rijk Gods in ‘t algemeen nog in ‘t bijzonder voorstelt en voor dit doel ook de taal van het volk Gods, het Hebreeuwse in plaats van de taal der wereldmacht, de Chaldeeuwse gebruikt wordt.
Vs. 1Ä14. Was in Hoofdst. 2 van den toenmaligen wereldbeheerser de uitwendige politieke geschiedenis der wereldmacht in algemene trekken door een droomgezicht geopenbaard, waarvoor hij, naar zijn toestand, alleen en ook vooral ontvankelijk was, zo worden nu den Profeet zelven in dit zijn eerste gezicht nog nadere openbaringen gegeven, overeenkomstig zijn toestand en zijn begrip, omtrent het inwendig godsdienstig karakter der wereldmachten. Daniël ziet in het eerste jaar van den koning Belsazar, onder wien het eerste wereldrijk nog in zijn geheel bestond, doch met wien het een einde zou nemen (Hoofdst. 5:30 vv.), ene bewogene zee voor zich, uit welke vier dieren opstijgen, het een na het andere, van verschillenden aard en met onderscheidene karakteristieke kentekenen. Het laatste is het meest van de vorige onderscheiden en zonder een vertegenwoordiger in de werkelijkheid der dierenwereld. Vervolgens begint een plechtig godsgericht over het laatste dier, het wordt gedood, en de heerschappij overgegeven aan ene hemelse gedaante, die den troon des Allerhoogsten nadert.
In het eerste jaar van Belsazar, den koning van Babel, toen deze nog onder voogdij van zijnen vader Neriglissar stond. d. i. in het jaar 560 v. Chr. (zie. 2 Kon 25:27), zag Daniël enen droom, en gezichten zijn hoofds (Hoofdst. 4:5) terwijl op zijn leger lag en sliep, toen schreef hij dien droom, zodra hij dien had gehad, daar hij wist, dat deze hem niet voor hem alleen, maar voor de gemeente ten deel was geworden, en hij zei de hoofdsom der zaken, gelijk die in ‘t volgende beschreven is, nauwkeurig de hoofdtrekken wedergevende, zonder iets voorbij te gaan Wij hebben reeds bij Hoofdst. 1:7 er op gewezen, dat even als de Apostel Johannes de Nieuw-Testamentische, zo de profeet Daniël de Oud-Testamentische Apokalypticus is. Ene apokalypse (Gr. apokaluqiv Openb. 1:1) is, gelijk reeds de naam te kennen geeft ene openbaring in bijzonderen of in den hoogsten zin des woords, waarbij het omhulsel van de onzichtbare wereld voor den geest van den ziener wordt weggetrokken (apo-kaluptein). Zij komt steeds slechts daar voor, waar de profetie, wanneer zij voor een langen tijd zal verstommen, nog eens al hare kracht verzamelt, om voor de gemeente des Heeren voor de tijden zonder openbaring nog een licht te ontsteken, dat schijnt op ene duistere plaats, en haar op hare reis door deze tijden ene geleidende ster mede op den weg te geven. Overeenkomstig deze hare bestemming, om een licht te laten opgaan over de verhouding van wereld en het Godsrijk voor de tijden, waarin het licht der onmiddellijke openbaring ontbreekt, moeten apokalypsen aan de ene zijde meer universeel zijn in overzicht dan de gewone profetie, daar zij tevens compendiën of goddelijke zamenvattingen van de gehele vroegere profetie worden, en van het middelpunt van het geheel aan alles in ‘t bijzonder zijne ware plaats in de gezamenlijke ontwikkeling aanwijzen. Aan de andere zijde moet zij in de schildering der details meer speciaal zijn, daar zij meer wereld geschiedkundige en meer eschatologische (wat op de laatste dingen betrekking heeft) bijzonderheden geven dan de gewone profetie. Daaruit wordt ook verklaard dat de getallen en de daarin uitgedrukte chronologische bepaling met bepaalde betekenis voor den dag treden. Het een zowel als het ander wordt nu daardoor bereikt, dat bij den Apokalypticus de menselijke bemiddeling bijna geheel voor de Goddelijke ontdekking of mededeling terugtreedt, gelijk het woord “openbaring” uitsluitend de Goddelijke werkzaamheid op den voorgrond stelt, terwijl het woord profetie de subjectieve profetische geestverrukking op den voorgrond plaatst (1 Kor. 14:6). De Profeet staat in verbintenis met de buitenwereld; hij heeft het in de eerste plaats met het geslacht van zijnen tijd te doen, waarop hij onmiddellijk moet werken, en spreekt tot vorst en volk woorden, die, de Geest van God, welke zijnen geest krachtig doordringt, hem geeft uit te spreken. De Apokalypticus daarentegen spreekt hoofdzakelijk voor de toekomstige geslachten, voor welke hij tot een profetisch licht dient, en is aan den zamenhang der tegenwoordige gemeente ontrukt (Daniël aan het Babylonische hof, Johannes op Patmos). Terwijl nu de Profeet in den Geest spreekt (1 Kor. 12:3), is de Apokalypticus met zijn gehelen persoon in den Geest (Openb. 1:10), De werkzaamheid van ziel en lichaam, waardoor de mens met de buitenwereld in verbinding staat, is bij hem geheel op den achtergrond getreden (2 Kor. 12:2 vv.), en slechts de Geest, waardoor wij met God en de onzichtbare wereld in zamenhang staan, is in den Apokalyptischen toestand werkzaam of liever ontvangende. Als het ware alleen gelaten met God, die Zich openbaart, geplaatst buiten de betrekkingen van het geestelijke leven, ontrukt aan de wereld en in den hemel verplaatst, door den Geest Gods als overstroomd, verneemt de Apokalypticus, wat hem van Boven ontvouwd wordt, daar hetgeen de onzichtbare wereld bedekt voor zijnen geest is weggetrokken; de hemel voor hem is opengedaan en hij gezichten Gods ziet. De subjectieve, psychologische vorm, waarin zijne openbaringen hem ten deel worden, zijn de droom en het visioen, in deze ontvouwt zich ene gehele geschiedenis voor zijn inwendig oog; de ekstase of verrukking kan ook in wakende toestand plaats hebben; en alleen treedt daarbij het aardse bewustzijn op den achtergrond, woord en begrip verdwijnen, en de menselijke geest is geheel en al in de goddelijke dingen als weggezonken. Wat nu het voorwerp van den droom en van het zien aangaat, waardoor de waarheden der openbaring worden voorgesteld, zodat zij door de inwendige zintuigen kunnen worden waargenomen, zo bestaat dit in plastische, symbolische gedaanten; in deze wordt het toekomstige belichaamd op gelijke wijze, als in een natuurlijken droom, deze beelden zijn echter, gelijk van zelf spreekt, gene voortbrengselen van eigene fantasie als bij den droom; maar zij worden gewerkt door de Goddelijke openbaring, die zich werkelijk aan den gezichtskring der mensen aansluit. Even als dus de subjectieve vorm der Apokalypse de droom en het visioen is, zo is haar objectieve vorm de symboliek; bij de Profetie daarentegen heeft de Geest van God, die het menselijk openbaringswerktuig bezielt, Zijne onmiddellijke uitdrukking in het woord. Daarbij is toch op te merken, dat deze nieuwe wijze van profetie, de Apokalypse, niet als een Deus ex machina in de rij der manieren van openbaring treedt, maar door de vroegere Profeten gebaand en voorbereid, eerst nu hare volledige vorming verkrijgt en er dus naar den aard der zaak velerlei overgangen en leden tussen profetie en apokalypse bestaan.
Daniël antwoordde en zei, alzo was de inhoud van het gezicht: Ik lag in mijn gezicht bij nacht, als stond ik aan den oever der onmetelijke wereldzee, en ziet, de vier winden des hemels braken voort op de grote zee, 1) om in hare diepten door te woelen en van daar naar boven op te halen.
De grote zee is hier niet zoals elders de Middellandse zee, maar meer in het algemeen de Oceaan. En deze Oceaan is beeld van de zee der volkeren, waaruit de vier dieren, de vier grote wereldmachten, opkwamen.
En er klommen vier grote dieren, ten gevolge van die winden, welke de watergolven als in geboorte-weeën brachten, op uit de zee, het ene na het andere en van het andere verscheiden, onderscheiden, Werd er reeds bij vs. 1 op gewezen, hoe in de profetie de Geest Gods, die het menselijk openbaringsorgaan bezielt, Zijne onmiddellijke uitdrukking in woorden geeft, in de apokalypse daarentegen het woord terugtreedt (om de in 2 Kor. 12:4 opgegevene reden), en wat gezien wordt in plastische, symbolische gedaanten belichaamd wordt, zo moeten wij dezen vorm van openbaring, de symboliek, enigszins nader beschouwen. De symboliek heeft de meeste verwantschap met de paraboliek, of het leren in gelijkenissen, gelijk wij dit bij Christus vinden. Beide wijzen van mededeling maken het mindere tot een zinnebeeld van het hogere, het natuurlijke tot een middel om het geestelijke voor te stellen, en rusten op de veronderstelling, dat de natuur op den lageren trap eveneens ene openbaring van God, van Zijne gedachten en bedoelingen is, als het hemelrijk op den hogeren trap. Beide wijzen van mededeling hebben echter ook het dubbele doel, om aan de ene zijde de Goddelijke waarheid te ontdekken voor zoverre het mogelijk is voor mensen, die naar het heil dorsten en er voor ontvankelijk zijn, aan de andere zijde het te bedekken zo verre het voor de zondige en profane mensen nodig is. Wat de parabolische spreekwijze aangaat, heeft de Heere dit dubbel doel aangewezen in de woorden, Matth. 13:11-15; en even als de parabels, zijn nu ook symbolen heilige raadsels, welke de opmerkzaamheid opwekken, en dien, die opmerken en leren wil, de hemelse geheimen moeten openbaren, zonder daarvan de nieuwsgierigheid te bevredigen, en zonder de menselijke verhouding tot de geschiedenis te verstoren. De mens moet weten en toch ook weer niet weten, wat in de toekomst is, opdat de zaak duidelijk genoeg zij voor dien, die haar met geheiligd inzicht nadert, en tevens verborgen genoeg, om de vrijheid der menselijke handelingen niet te beperken; want “waar bleef de verantwoordelijkheid der mensen, waar alle levendige beweging van hen, waar zelfs moed, hoop en geluk, wanneer de onveranderlijke raadsbesluiten van den Eeuwige in onbedekte trekken ons voor ogen gesteld waren? Men zou tegenover ene ijzeren noodzakelijkheid staan, die op ons de ontmoedigendste, verlammende werking moest uitoefenen, welke werkelijk soms bij mensen gezien wordt, die aan ene voor hen bestemde waarzegging geloven. ” Gelijk dit doel van den symbolischen openbaringsvorm ook het doel vervult, dat het aanrakingspunten genoeg aanbiedt om het tegenwoordige te verstaan met zijne verschijnselen, en troost genoeg in den strijd van het naderbij zijnde of meer verwijderde einde, kan men aan de Makkabeën onder Antiochus Epifanes zien, wier zegenrijke verheffing een vrucht van Daniëls voorzeggingen was; dat kan ook ieder in den tegenwoordigen tijd der kerk aan zich zelven ervaren, die bij ene rechte gezindheid des harten voor de kerk het tot juiste opvatting tot beide Apokalypsen bezit. Bij de zo even verklaarde verwantschap tussen paraboliek en symboliek mag echter het onderscheid tussen beide niet voorbijgezien worden. De paraboliek vinden wij hoofdzakelijk bij den Heere Christus Jezus als de werkelijk Hem eigenaardige leervorm. De gelijkenissen zijn als het ware ene afbeelding van Hem zelven; want gelijk in Hem de Godheid vlees werd, zo kleedt Hij de geheimen van het koninkrijk der hemelen in de gebeurtenissen van het menselijke en natuurleven in, als wilde Zijne macht ter openbaring zich daarin nederleggen. Daarentegen is de symboliek het eigenaardig gebied, waarop zich voornamelijk de man der Apokalypse beweegt, want deze ziet van onderen naar boven, en het is niet zozeer het doel, het geestelijke in het natuurlijke uit te drukken, als integendeel het omkleedsel van het eeuwige, dat door het aardse en natuurlijke heenschijnt, te bevatten, zich boven hetgeen niet met het eeuwige en toekomstige overeenkomt, door bijzondere bijvoegingen en zeldzame samenstellingen te verheffen en de heerlijkheid van hetgeen men uit den lateren tijd gezien heeft, in beelden, die niemand kan tekenen, voor het gevoel nader te brengen; Zien wij nu in de symboliek van het hier voor ons liggende visioen, zo wordt ook elders het gewoel der volken met de zee vergeleken (Jes. 17:12. Jer. 46:7 vv. Openb 13:4; 17:13). wanneer nu de vier winden des hemels tegen de grote zee losbarsten, dan drukt dit de gedachte uit, dat niet van zelf, maar door hemelse machten of goddelijke krachten, die van alle zijden en naar alle richtingen op haar werken, de volken- of heidenwereld zich in beweging stelt. Het produkt of wat deze beweging veroorzaakt, zijn de wereldmachten of rijken, van welke verder zal gesproken worden en die onder de vier dieren symbolisch worden voorgesteld. In de Schrift heeft alles zijn vaste betekenis. Als gij eenmaal weet, wat de uitdrukkingen betekenen, dan kunt gij ze veelvuldig toepassen en vele anders geslotene deuren gaan u open. Het gaat hiermede als met het leren lezen; als men eenmaal de letters van het alfabet kent, dan kan men alles lezen. De zee is in de Schrift het beeld der wereld. Niets is bewegelijker dan beide. De zee is kalm; hoe lang? daar steekt de storm op, en de zee is in de heftigste beweging. Zo is het ook in de wereld. Ja, zo is het ook in ons hart, dat ook tot de wereld behoort. Ene kleinigheid kan het ontstemmen en in beroering brengen. Een wolkje als eens mans hand stijgt op uit de zee, en de gehele hemel wordt weldra zwart van wolken. Neen, er kon geen eigenaardiger beeld gekozen worden; wat toch is woeliger, bedrieglijker en gevaarlijker dan de zee en de wereld? Men kan soms op de zee gaan spelevaren, maar men wordt op den rug van zijn vijand gedragen. Een ogenblik, en hij werpt ons van zich af in de diepte. Laat de zeeman tot ons zeggen, hoe onstuimig en wild de zee kan zijn, als de orkaan haar zweept, en hoe zij schepen en mensen kan verslinden! In de Openbaring van Johannes, aan het einde, zien wij daarom eerst ene kristallen zee, als het beeld der volkomenste kalmte, en daarna wordt er gezegd, dat er gene zee meer zijn zal, maar enkel rivieren (stromen) en fonteinen-Daniël zag op de grote zee, de wereldzee, de vier winden losbreken; zij stortten zich tegelijk op haar uit en zetten haar in geweldige beweging. Hiermede wordt de omvang en invloed aangewezen der gebeurtenissen, die voorspeld worden: het zouden wereldgebeurtenissen zijn van den meest uitgestrekten omvang en gevolgen, gene kleine plaatselijke voorvallen. Nochthans braken de vier winden als uit hun schuilhoeken voort, zich werpende op de zee. Immers alle oproer en omwenteling in de wereld wordt veroorzaakt door de ene of andere beweging, die de stilte afbreekt en den eersten stoot aan ene doorlopende beweging geeft. De wind moge voortkomen uit welken hoek hij wil, altijd moet hij uitschieten, zal hij de zee in beweging: zetten. Die vier dieren zijn de koninkrijken, die zich uit de beroering der volken met geweld hebben verheven. Is het niet opmerkelijk, dat meest al de volken zich door een dier laten vertegenwoordigen? Zo hebben wij den leeuw. de Engelsen den luipaard, Frankrijk den arend tot blazoen. Die koninkrijken komen op uit de wereld. Het koninkrijk van Christus is niet van, is niet uit de wereld, maar uit den hemel. Zij namen hunnen oorsprong uit oorlogen en beroerten, welke eindigen door den veroveraar te stellen tot een groten monarch over degenen, welke hij ten onder heeft gebracht. Het tweede hoofdstuk van Daniël kenschetste de macht, waarmee de vier rijken zouden bekleed zijn; het zevende beschrijft het gebruik, dat zij daarvan zouden maken; het schaduwt den geest hunner heerschappij af en geeft ook de oorzaak op van hunnen val. Vier wilde dieren! Een zinnebeeld van ene bewonderenswaardige juistheid! want de rijken, die zij voorstelden, Chaldea, Perzië, Griekenland en Rome moesten van de hun geschonkene macht hetzelfde gebruik maken als een wild dier van zijne kracht. Wee het volk Gods onder hun heerschappij! (E. GUERS). Deze vier dieren zijn de aardse, onreine, misvormde tegenbeelden der vier Cherubijnen, die op hun vleugelen den troon Gods dragen (Ex. 1:5 vv.). Zij stijgen op uit de rusteloos onstuimige wateren. Gene bewakende het levende, reinigende vuur van Gods altaar.
Het eerste dier was als een leeuw, en het had arendsvleugelen, want het was geroepen om koninklijk over de aarde te heersen, en hoog en gerust in zijne overwinningen over haar heen te vliegen; Ik zag toe, totdat na ene poos zijne vleugelen uitgeplukt waren, en het nu niet meer machtig was om zich op te heffen, maar op den grond heenkroop, en het werd van de aarde opgeheven, en op de voeten gesteld, als een mens, en aan hetzelve werd eens mensen hart gegeven 1).
In het tweede Hoofdstuk waren de beelden aan levenloze metalen ontleend, maar in Hoofdst. 7 zijn het levenademende wezens; het eerste beeld behoefde slechts een uitwendige vorm te zijn, het tweede moest meer dan vorm, moest leven zijn. Daar Nebukadnezar slechts de uitwendige dingen ziet, wordt aan hem de wereldlijke macht en hare heerlijkheid als een prachtig mensenbeeld getoond, en het Godsrijk in zijne nederigheid slechts als een steen; hem schijnt dus de wereldlijke macht veel heerlijker toe. Bij Daniël is juist het omgekeerde het geval, daar hij meer op het inwendige ziet, en erkent, dat de wereldrijken bij al hun zelfverheffing, macht en losmaking van God ene natuur bezitten beneden de menselijke en door hun Gode vijandige gezindheid een dierlijk en beestachtig bestaan hebben, ten gevolge waarvan de wezenlijke mensenwaarde alleen in het Godsrijk aan het licht komt. Door de keur der beelden wordt de verhevenheid van het Godsrijk boven de koninkrijken der aarde in het licht gesteld, want wat natuurlijke krachten betreft, gaan de dieren den mens verre te boven; tegenover hen is de mens zwak, maar hij bezit wezenlijke en geestelijke kracht. Het mag hier niet onopgemerkt blijven, dat ook het metalen beeld van Nebukadnezar ene menselijke gedaante heeft, dat wil doen zien, wat de mensheid in hare eigene macht door de ontwikkeling van hare natuurlijke krachten vermag-zij brengt het daarmee werkelijke tot ene uitwendige, formele humaniteit, welke voor den tijd der wereldhistorie hare waarde en betekenis heeft. Aan de menselijke ontwikkeling met al haren voortgang op het gebied van beschaving wordt gegeven, wat haar toekomt. Maar aan het Goddelijke woord betaamt het, ook de perken, het ongenoegzame, ja het verderf in die ontwikkeling aan den dag te brengen, hetwelk daarin bestaat, dat in haar de macht der zonde niet gebroken is, maar zich aanstonds mede ontwikkelt. Hoe glinsterend daarom Nebukadnezars mensenbeeld is, zo ziet het er toch slechts uitwendig als een mens uit, volgens zijn inwendig wezen echter is naar Daniëls gezicht de van God losgerukte mensheid tot wilde, verstandeloze dierlijkheid verzonken, aan de verstandeloze natuurmacht vervallen, en slechts in het rijk van God bereikt de mens werkelijk zijn wezen en zijne bestemming, slechts van boven af kan de levende volkomene Mensenzoon komen. Het eerste dier geleek aan enen leeuw met adelaarsvleugelen; dit komt overeen met de voorstelling van het eerste rijk door een gouden hoofd in Hoofdst. 2; want wat het goud was onder de metalen en het hoofd onder de leden, dat zijn leeuwen en adelaren onder de dieren. Na ene poos echter ziet Daniël met dit dier ene verandering plaats hebben; de vleugels worden hem uitgerukt, de kracht tot vliegen wordt hem dus ontnomen, zodat hij niet meer zegerijk over de aarde kan vliegen en als heerser daarover zweven; vervolgens wordt het van de aarde opgeheven en als een mens op zijne voeten gesteld en hem wordt een menselijk hart gegeven. Hierin wordt gedoeld op de in Hoofdst. 4 medegedeelde ervaring van Nebukadnezar; daardoor, dat hij ten gevolge van zijnen hoogmoed in waanzin verviel, zodat hij tot de laagte van een dier nederzonk, werd ook zijn rijk in zijne vlucht over de aarde gestremd; deze zijne waanzinnigheid was voor zijn rijk het uitrukken der vleugels. Dat Nebukadnezar, toen hij den Allerhoogste de ere gaf, weer tot zijn verstand kwam en nu eerst tot een waar menselijk wezen werd, daardoor werd in hem ook zijn wereldrijk veredeld, hoewel een blijvende invloed dier veredeling bij de in Hoofdst. 5 verhaalde gebeurtenis niet meer is op te merken. De verandering van den leeuw in een mens moet op iets anders dan op beschaving zien. Zij is niets anders dan de kennis en erkentenis des éénigen waren Gods, welke door de verbannen Joden, voornamelijk ook voor Daniël en zijne drie vrienden bevorderd werd, en vooral de (uitwendige) bekering van Nebukadnezar. Hier ziet men wat den mens tot mens maakt. De vreze des Heeren is het beginsel der wijsheid, beschaving en echte menselijkheid, welke zich in vreze Gods uitdrukken, maken het hoofdonderscheid uit tussen mens en dier, Nebukadnezar heeft zelfs na zijne deemoediging heerlijke woorden tot lof van God gesproken, welke vele Christelijke koningen hem mogen benijden (Dan. 4:31-34). (J. M. GÄRTNER).
Daarna, ziet, het andere dier, het tweede, was gelijk een beer, en stelde zich aan de ene zijde, hief zich naar de ene zijde in de hoogte, terwijl het naar de andere zijde zich ter rust neigde, en het had drie ribben, of grote stukken vlees van den opgejaagden roof, in zijnen muil tussen zijne tanden; en men zei aldus tot hetzelve: Sta op, eet veel vlees. De beer is wild, sterk; het dier, dat het naast aan den leeuw komt, maar toch de leeuw zelf niet is, niet de koning der dieren. Alzo geeft ons vers aan dit dier dezelfde plaats, die Hoofdst. 2 aan zijn tweede rijk door de stof van zilver geeft. Ook ontbreekt aan dit dier de adelaarvlucht van het eerste en de vogelvlucht van het derde (vs. 6), en het heet niet van hem, als van het vierde (vs. 23), dat het de ganse aarde zal opeten. Het heeft integendeel ene meer trage natuur, de minder bewegelijke aard van den beer. Zo vinden wij hier weer, dat wij reeds in Hoofdst. 2 vonden, dat aan het tweede rijk de oecumeniciteit (heerschappij over de aarde) niet zo uitdrukkelijk en onbegrensd als den anderen beloofd wordt. Evenzo was reeds in Hoofdst. 2 door de beide armen aangewezen, dat de tweede monarchie van den beginne af een verdeeld rijk zou zijn, daar het noch een Perzisch, noch een Medisch, maar een Medo-Perzisch was. In Hoofdst. 8 zullen wij dit nog duidelijker in de twee hoornen van den ram vinden uitgedrukt, en dewijl daar verder gezegd wordt, dat de ene hoorn later dan de andere wies en dan hoger, wordt er tevens bijgevoegd, hoe van de beide, in het Medo-Perzische rijk verbondene delen de ene zich later tot heerschappij over de andere zou verheffen. Wat nu in Hoofdst. 2 onduidelijker door de beide hoornen wordt voorgesteld, wordt in ons hoofdstuk door het verheffen der ene zijde aangeduid. De Medo-Perzische beer heeft als zodanig twee zijden; de ene, de Medische zijde, bevindt zich na de pogingen om het wereldrijk op te richten, in rustenden toestand, maar de andere, de Perzische zijde, verheft zich, en wordt alzo niet alleen hoger dan de eerste, maar ook tot nieuwen roof toerust. Wat eindelijk de drie ribben aangaat, die het dier als roof tussen de tanden houdt, zo verenigen wij ons met die uitleggers, die dit van de drie door Medo-Perzië onderworpene rijken: Babylon, Lydië en Egypte verklaren. Naar drie zijden heen zou alzo dit rijk zijne veroveringen maken maar ook de vierde rib, Javan (di. Griekenland) in den muil te krijgen, zal hem niet gelukken (vgl. Hoofdst. 8:4, 21) Het moet zich daarom tevreden stellen met het daarbij behorende vlees en zich vergenoegen met het vet der reeds overwonnene volken te eten, of met andere woorden, met van zijne veroveringen, al gaan ze niet over de gehele aarde, te genieten, zonder op verdere veroveringen uit te gaan. Dit is de zin van het woord: “Sta op en eet veel vlees. ” Cyrus voerde zware en bloedige oorlogen, zodat toen hij in den strijd tegen het rijk der Amazonen was gevallen, men het hoofd hem afhieuw en in het bloed doopte met de woorden: “verzadig u thans aan bloed” (of “drink u nu zat, barbaar!) Is het niet als hoorden wij de woorden van den Profeet herhaald: “eet veel vlees” “drink veel bloed?” .
Daarna zag ik, en ziet er was een ander dier, gelijk een luipaard (leopard, leeuw-paard, of panter (Jes. 11:6. Jer. 13:23. Hab. 1:8) een sterk, wreed, listig dier, met ene gevlekte huid, en het had vier vleugels eens vogels op zijnen rug; ook had hetzelve dier vier hoofden, en aan hetzelve werd de heerschappij gegeven over alle landen (Hoofdst. 2:39). Men zal moeten bekennen, dat de luipaard, dit wilde en verscheurende dier, welks meest opmerkelijke eigenschappen de snelheid en gemaklijkheid zijner bewegingen en de bonte vlekken zijner huid zijn, zowel door zijn uiterlijk als door zijn karakter, zeer geschikt is om een symbool van het rijk van Alexander te zijn, dat zijn aanvang verkreeg door de voorbeeldeloos snelle veroveringen van dezen demonischen geest en in zijn bestaan de bonte vermenging van den Oostersen en Westersen aard vertoont. Ook de verdere beschrijving van de luipaard past het best op het rijk van Alexander. De 4 vleugels willen slechts op de verbazende snelheid wijzen, met welke zich dit rijk naar alle hemelstreken uitbreidde; het is toch bijna een wonder, hoe binnen 13 jaren het kleine Macedonië de wereld veroverde. De vier hoofden van het dier doelen echter op iets anders. Het hoofd is het besturende gedeelte, de beheerser des lichaams een dier met vier hoofden heeft niet meer éénen wil, enen viervoudigen wil te volgen is echter onmogelijk. Zo doelen de vier hoofden van het dier op de vier rijken, in welke Alexanders monarchie na enige slingeringen uit elkaar viel; 1) het noordelijke van Lysimachus, dat uit Thracië en Bithynië,
het westelijke van Kassander, dat uit Macedonië en Griekenland, 3) het oostelijke van Seleukus, dat uit Syrië, Babylonië en de oosterse landen tot aan Indië, en 4) het zuidelijke van Ptolemeus, dat uit Egypte, Palestina en Arabia Petrea bestond. Alexander was verbazend snel in zijne marsen en veroveringen, en strekte die zo ver uit, dat er ten laatste niets meer voor hem te veroveren viel, en hij op dertigjarigen leeftijd zich beklaagde, dat er maar ééne wereld te veroveren was! En dit alles deed hij met een klein leger even als Napoleon; doch hoe lang duren de overwinningen van deze wereldoverwinnaars? Alexander stierf reeds in zijn twee en dertigste jaar, en zo duurde de éénhoofdige regering niet lang, en toen hij stierf, was er niemand, die zijn rijk kon voortzetten; daarom werd het verdeeld onder zijne vier veldheren. Ook Napoleon I, al ware hij keizer gebleven, had geen opvolger uit eigen bloede, geen man, die in staat zou geweest zijn, zijn werk op zich te nemen. Trouwens het gebeurde zelden dat iemand, die niet op den troon is geboren bij zijn sterven een zoon nalaat, om den last zijner kroon te dragen.
Daarna zag ik in de nacht-gezichten, van welke nu het gewichtigste en belangrijkste gedeelte begon, en ziet, het vierde dier, dat zich aan mijn oog vertoonde, was schrikkelijk en gruwelijk, en zeer sterk, en het had grote ijzeren tanden en koperen klauwen (vs. 19), het at, en verbrijzelde, en vertrad het overige, dat het niet opeten kon, met zijne voeten in vernielingswoede; en het was verscheiden van al de dieren, die vóór hetzelve geweest waren, zodat men in de gehele dierenwereld geen vertegenwoordiger kon vinden, met welks naam het kon gekarakteriseerd worden; en het had tien hoornen.
Ik nam acht op de hoornen, en ziet, een andere kleine hoorn 1) kwam op tussen dezelve, en drie uit de vorige hoornen werden uitgerukt voor denzelven; en ziet in dienzelven hoorn waren, om te kennen te geven, dat het bij dit koningschap hoofdzakelijk om den persoon des heersers, namelijk om den mens der zonde of het kind des verderfs (2 (Thess. 2:3) te doen was, ogen als mensen-oogen, en een mond, grote dingen sprekende(Hoofdst. 11:36).
Van het vierde rijk wordt bijzonder melding gemaakt. Eerst in de vreeslijke gedaante van het laatste dier zal de wereldheerschappij en hare Gode-vijandige natuur geheel uitkomen. Hebben wij niet reeds door de achtereenvolgende vermindering van gehalte der metalen (Hoofdst. 2) hare afnemende inwendige waardij duidelijk genoeg aangetoond gezien? De profetie, die de eerste monarchieën slechts aanstipt, legt bijzonderen nadruk op de vierde wereldheerschappij, en haast zich, om dezelfde oorzaak, meer tot beschrijving van haar laatste tijdperk. In het 2e hoofdstuk was volgens het karakter dezer profetie voornamelijk sprake geweest van de nationale en staatkundige ontwikkeling dezer vierde monarchie, waarin duidelijk twee onderscheiden zijn, namelijk dat van ijzer, en dat van ijzer vermengd met modderig leem. De laatste gestalte dezer monarchie was voor Daniël nog geen punt van bijzondere opmerkzaamheid geworden, en werd voorlopig slechts door de tien tenen aangewezen. Daarentegen vinden wij in het 7de hoofdstuk, waarin het godsdienstige en niet het staatkundige wordt behandeld, den overgang, die in Hoofdst. 2 onderscheiden werd door ijzer en leem, niet bijzonder genoemd; slechts worden in de tien hoornen de tien tenen van hoofdstuk 2 voorgesteld en dit om aan te tonen, dat in het midden van hen een elfde hoorn zichtbaar werd, een koning, in wien de hoogste verbittering en haat zich verenigt tegen God, tegen Gods volk en tegen den godsdienst. In deze profetie vinden wij het eerst melding gemaakt van den Antichrist bij de ontwikkeling der Goddelijke openbaring, nu er voor de eerste maal sprake is van een overzicht der gehele ontwikkeling van de Gode vijandige wereld tot het einde toe. Als hoofdkenmerken van dezen elfden hoorn zijn vs. 8 en 20 opgenomen “ogen als mensenogen (symbool van verstandigheid) en een mond grote dingen sprekende tegen den allerhoogsten God. ” Dit alles herinnert ons aan Gen. 3:5, waar de slang aan de vrouw belooft, dat hare ogen zullen geopend worden, en zij als God zijn zal, indien zij zich tegen Gods bevel verzet en het overtreedt. Wat toen door satans list begon, wordt hier bij den elfden hoorn voleindigd gezien: uitwendige beschaving, maar hart en gezindheid in den vermetelsten opstand tegen den levenden God en eindelijk-zelfvergoding. Het Romeinse wereldruk was het machtigste en verschriklijkste, welks gruwzaamheid, wildheid en roofzucht geen dier in Gods schepping in staat was af te beelden. Rome schepte er ene vreugde in, en achtte in zijne blindheid het voor zijne roeping, alle volken te vertrappen, hun taal en zeden te ontnemen, hun beste dingen uit te roeien en hun daarvoor den Romeinsen moordgeest in te planten. Hoe gruwelijk hebben zij Carthago vertreden; hoe wreedaardig bij gelegenheid hunner triomfantelijke intochten over de overwonnen en vertrapte volken gejuicht. De woorden: “En het was verscheiden van al de dieren, die vóór dit geweest waren, en het had tien horens” zien op het Nieuwe Romeinse of Pauselijke wereldrijk, hetwelk de tien staten, welke door de volksverhuizing uit het West Romeinse rijk zijn ontstaan, met zich tot ene nieuwe wereldheerschappij wist te verbinden. Gelijk de vier hoofden van het derde wereldrijk op de verdeling daarvan in vier koninkrijken doelen, zo wijzen de 10 horens op den overgang van het Romeinse rijk in het Tien-koningschap, hetwelk met het Pausdom het beest uit de zee in de Openbaring uitmaakt. Het Pausdom is dit van de oude wereldrijken zo onderscheiden wereldrijk. Want het oud-heidense Rome verschilde van de drie andere rijken slechts door zijne ruwheid en niet door zijn zamenstel. Een rijk met een man aan het hoofd, die gene geharnaste krijgsknechten met wapenen en adelaren, maar weerloze zendboden met boeken, rozenkransen, crucifixen en aflaten uitzendt, om de wereld te veroveren, zulk een rijk onderscheidt zich geheel van de vier oude wereldrijken. Daniël wijst slechts in het voorbijgaan op het pausdom en vermeldt slechts zijne wereldlijke zijde, namelijk het Tien-Koningschap, de tien tenen van het monarchieën beeld, dewijl deze uit het vierde dier zijn ontstaan. De Hiërarchie komt in de Openbaring te voorschijn. Met het achtste vers staan wij aan den drempel des Antichristendoms. De tien horens beduiden het Tien-Koningschap van Europa, ten tijde van het pausdom, en wederom deze staten ten tijde van het beest uit den afgrond, hetwelk eerst als volksheerschappij optreedt, daarna in de onbepaalde heerschappij van den Antichrist overgaat. Pausdom en volksheerschappij worden door Daniël zeer vluchtig voorgesteld, dewijl deze met zijn volk niet te doen hebben en bovendien in de Openbaring uitvoerig over gehandeld wordt. Nauwkeurig schildert hij dan den Antichrist, met wien de Joden van nabij in aanraking zullen komen. Volgens Openb. 17:12-13 staan al de tien hoornen, en niet slechts drie daarvan op de zijde van den Antichrist. Daar evenwel de Heilige Geest zich niet tegenspreekt of vergist, schijnen deze tien hoornen of koningen, welke ook hetzelfde betekenen als koninkrijken (Openb. 17:9 op de drie hoofdnatiën van Europa, op Romeinen, Germanen en Slaven te wijzen, welke in ruimeren zin als de drie horens opgevat, insgelijks de Europese Statenfamilie voorstellen, en onder den heerschersstaf van den Antichrist zullen staan. Aan dien kleinen hoorn, aan den Antichrist, bemerkt Daniël ogen als mensenogen, het zinnebeeld van schranderheid, en een mond, welke grote dingen, grove lasteringen tegen God spreekt. De ogen wijzen op ene nabootsing der zeven ogen van het Lam, en zijne lasterlijke woorden op den eredienst, welken hij na de afschaffing des Christendoms zal stichten, wanneer hij door duivelse wonderen den liefhebbers der zonde zal willen bewijzen, dat hij God is (2 Thess. 2). (J. M. GÄRTNER). Onzes inziens wordt hier aangeduid de ontwikkeling van de anti-christelijke wereldmacht, zoals deze vanaf de vestiging van de Romeinse heerschappij zich zou openbaren, totdat zij hare voleindiging heeft gevonden in den mens der zonde, waarvan de Apostel Paulus in 2 Thess. 2:3, 4 spreekt. Die zich al de eeuwen door geopenbaard heeft in de vervolging van Christus en Zijne Kerk, hetzij in de eerste eeuwen door de Heidense machten, hetzij in de Middeleeuwen door de Roomse macht, hetzij in de volgende eeuwen, die reeds vervlogen zijn, en die nog moeten volgen door de macht, die zich tegen God en Zijn gezalfden Koning stelt, en haar eindvoltooiing zal hebben in den mens der zonde.
Dit zag ik, en ik beschouwde ene poos vol ontzetting wat de tusschengetredene hoorn te weegbracht, die tegen de heiligen streed, en de overwinning over hen behaalde (vs. 21), en dat zij het waagde tijd en wet te veranderen (vs. 24), totdat er tronen gezet werden tot het houden ener gerechtelijke zitting, en de Oude van dagen 1), die bij het te houden gericht Zelf het voorzitterschap wilde bekleden, Zich zette op den voor Hem bestemden zetel, de Oude van dagen, wiens kleed wit was als de a) sneeuw, en het haar Zijns hoofds als zuivere b) wol; Zijn troon was vuurvonken, deszelfs raderen) een brandend vuur. 1)
(Mark. 9:3. Ps. 104:2. b) Openb. 1:14.
Liever “de Onvergankelijke van dagen. “
Men denke aan een door raderen beweegbaar gestoelte, of ook aan Ezechiëls wagentroon. (Ez. 1:13 vv.). Nu verhaalt Daniël dat hem getoond is een ander beeld, nl. dat van God, zittende op Zijn troon, om het oordeel te houden. Wij zullen naderhand van Christus zien, maar nu slechts zegt Daniël dat God hem verschenen is in den persoon van een Rechter. Dit is de reden geweest waarom vele uitleggers de Godsspraak hebben laten slaan op de tweede komst van Christus, wat echter weinig vast is, zoals ik later op zijn plaats zal uiteenzetten. Maar vooreerst is het hier wel der moeite waard te overwegen, waarom hij zegt dat de “Oude van dagen”, dat is God Zelf, die de Eeuwige is, op den troon des gerichts Zich gezet heeft. Dit schijnt toch ongerijmd, dewijl het Gods eigendom is de wereld te besturen. Doch wij weten dat dit niet kan geschieden, tenzij door een recht oordeel. Volgt derhalve, dat God door de schepping der wereld, een eeuwige Rechter is geweest, maar wie enigszins in de Schrift geoefend zijn, weten dat dit zeer goed sluit, indien het maar tot onze zinnen doordringt. Indien nu de macht Gods ons niet erg duidelijk voorkomt, laten wij dan niet menen dat zij of is opgelost of onderbroken. Vandaar de spreekwijze, die wij nu en dan ontmoeten: “Tot hoelang zwijgt Gij, Heere! Hoelang zult Gij rusten? God beklimt den troon, dewijl wij als het ware niet erkennen dat Hij Rechter is, tenzij Hij het door de zaak zelf en proefondervindelijk Zich als zodanig openbaart. Dit is de reden waarom Daniël zegt dat God zelf is gezeten. Deze vorm van spreken is zeer geschikt geweest om de komst van Christus te tekenen. Want toen heeft God het meest uitgeblonken met het hoogste gezag, zoals Paulus uit de Psalmen citeert: “Gij zijt opgevaren in de hoogte” (Efeze 4:8). Want waar hij spreekt van de eerste komst van Christus, daar moet dit niet teruggebracht worden tot de drie en dertig jaren, in welke Hij op de wereld heeft verkeerd, maar dat omvat de verovering en verspreiding van het Evangelie, wanneer Zijn rijk is begonnen. Naar waarheid verhaalt Daniël alzo dat God gezeten is, waar gehandeld wordt over de eerste komst van Christus, dewijl in den Persoon van Christus de Majesteit Gods heeft geschitterd, om welke reden Hij ook genoemd wordt, het beeld des onzienlijken Gods, en het teken van Zijn roem of zelfstandigheid, d. i. van den Persoon des Vaders.
Ene vurige rivier, een stroom vuurs vloeide en ging van voor Hem, den Onvergankelijke van dagen, uit, nevens Wien de andere leden der rechtbank hun plaatsen innamen; a) duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizend maal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich nam een aanvang, en de b) boeken werden geopend, welke de akten bevatten, over welke het gericht zou gehouden worden.
(Openb. 4:5; 5:11. b) Openb. 20:12. Nooit is er heerlijker beschrijving van het gericht gegeven. Wij hebben hier echter niet de beschrijving van het laatste oordeel, maar van den val van het tegenwoordig statenstelsel: vergelijk Openb. 11:15, het oordeel over de aardse machten der volken met de Christus regering er bij. De ongeschapene en eeuwige God is in helder stralende heerlijkheid en majesteit op zijnen Cherubswagen (Ez. 1) ten gerichte gezeten, stromen lichts en vuurs, zinnebeelden Zijns blakenden toorns tegen Zijne vijanden, welke Zijn rijk op aarde door het Antichristendom hebben verdrongen, gaan van Zijn troon uit; de menigte der hemelse heirscharen met Michaël aan het hoofd, staan gereed Zijne bevelen met bliksemsnelheid ten uitvoer te brengen; de hemelse gerichtsoorkonden, in welke de wandaden der booswichten staan opgetekend, worden geopend, en het vonnis wordt onmiddellijk voltrokken.
Toen zag ik toe van wege de stem der grote woorden, welke die hoorn sprak, want ik kon verwachten, dat deze niet ongestraft zouden blijven, maar een vreselijk oordeel over den hoorn zouden ten gevolge hebben; Ik zag toe, totdat het dier gedood, en zijn lichaam verdaan werd, en overgegeven om van het vuur verbrand te worden (Jes. 66:24. Openb. 19:20; 20:10).
Aangaande ook de overige dieren, men nam hun heerschappij weg, want verlenging van het leven was hun gegeven tot tijd en stonde toe, hoewel zij reeds vroeger geslagen waren, werd nu in den persoon van den drager hunner heerschappij hun vonnis voltrokken ter eeuwige verdoemenis. Dat deze verschijning des Heeren en van Zijne gerichtszitting niet ene werkelijke afbeelding van God is, maar slechts een zinnebeeld van die heerlijkheid, die geen lichamelijk oog kan zien en die dus slechts in den Geest te bevatten is, spreekt van zelf, maar de zinnelijke voorstelling dient om het geestelijke bevattelijk te maken, terwijl de lezer aanstonds de gelijkenis in het bedoelde overzet. Dit is de aard van de Apocalyptische wijze van voorstelling; ene voorstelling van zulke Apocalyptische gezichten met kleuren en penseel is niet wenselijk, daar zulke afbeeldingen den tederen geestelijken adem der zinnebeelden door te grove verzinnelijking bederven. Het woord is tederder en geestelijker dan penseel of bijtel. Hier is voor het eerst van den Antichrist sprake, dien het Nieuwe Testament nader beschrijft vooral in de volgende plaatsen: 2 Thess. 2:2 vv. Joh. 2:18, 22. Openb. 19 en 20. Er zijn dikwijls koningen en koninkrijken geweest, die een voorspel en voorafschaduwing van het rijk van den Antichrist schenen te zijn. Vooral Antiochus moet als zodanig genoemd worden, de hoorn, die uit het derde rijk opkwam (Dan. 8:9-14; 23-25. 11:21 vv. voor het Godsvolk des Ouden Testaments dezelfde was, die de koning uit het vierde rijk voor de Godsgemeente des Nieuwen Testaments zal zijn. De ganse leer der Schrift aangaande den Antichrist moet ons, kinderen van den laatsten tijd, opmerkzaam doen zijn op de tekenen der tijden, opdat wij nuchteren en wakende in het wezen van den mens der zonde niet verstrikt worden. Daarop moeten wij te meer letten, naarmate ons in vs. 26 en vooral in het Nieuwe Testament geopenbaard is, dat alle macht, die zich tegen Christus verheft, te niet gedaan zal worden, maar de heiligen met den Mensenzoon zullen delen in Zijne heerschappij. Zij wachten totdat de stem zal weerklinken: “Al de koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren, en van Zijnen Christus” (Openb. 11:15), dan verheffen ook zij hun stemmen (Openb. 5), en zingen het Lam een nieuw lied, zeggende: “Gij hebt ons Gode gemaakt tot koningen en priesters, en wij zullen als koningen heersen op de aarde. ” En de ouderlingen en de tienduizend maal tienduizenden der Engelen juichen als zij: “Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en dankzegging. Amen! . Met de verschijning van Christus en de verbreiding van het Evangelie is gekomen de tijd van verbreking van de heidense machten, die zich stelden tegen de komst van het Godsrijk. Wat hier dan ook in vs. 11 en 12 gezegd wordt is de uitvoering in beginsel, en de overwinning van de eerste heidense machten, is de profetie van de eindelijke overwinning van den Christus Gods, over alle Zijne vijanden, over den Antichrist, wanneer Hem het lied der overwinning zal worden toegezongen.
Verder zag ik in de nachtgezichten ook nog het slot van het zo even voltrokken gericht, en ziet, er kwam een met de wolken des hemels, door deze omgeven en als het ware gedragen, van den hemel af, als eens mensen zoon, een hemels, een Goddelijk wezen in mensengedaante en aard, en hij kwam tot den Oude van dagen, en zij deden hem voor Denzelven naderen (Matth. 10:23; 16:27; 24:30; 26:64).
En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het koninkrijk, dat Hem, nadat nu alle wereldmacht voor altijd vernietigd en de tijd tot heerschappij van het rijk Gods alleen gekomen was, alle volken, natiën en tongen eren a) zouden; Zijne heerschappij, zo liet zich ene stem horen, is ene eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn koninkrijk zal niet verdorven worden.
Dan. 2:44. Luk. 1:33. Het is in overeenstemming met den uitgebreid profetischen gezichtskring van Daniël, dat hij den Messias niet ziet als Davidszoon, maar in ‘t algemeen als mensenzoon, niet meer als bloot Israëlietisch koning, maar als wereldbeheerser; de profetische gezichtskring heeft hier die zelfde uitgestrektheid als in het prot-evangelie (Gen. 3:15) (vóór-evangelie, eerste evangelie). Daar staat gelijk hier hij Daniël, de gehele mensheid als in één oogstveld (Matth. 13:1). Zo als voorheen in het beeld van den Antichrist de laatst voltooide gestalte lag opgesloten van het zondenbeginsel, ons in Gen. 3 getoond (zie vs. 7), zo wordt in den mensenzoon het aldaar genoemde “zaad der vrouwe” verwezenlijkt; en was nu beloofd, dat dit zaad het in de slang zich openbarende zondebeginsel den kop vermorzelen zou, zo treedt nu hier de mensenzoon als overwinnaar op over de Gode vijandige, aardse heerschappijen, lichamelijk als dier Voorgesteld. Slangenzaad en vrouwenzaad, de beesten en de mensenzoon staan letterlijk tegenover elkaar. De Openbaring van Johannes verenigt de onderscheidene tijdperken, in welke zij het beest, (waardoor zij de vier dieren van Daniël voorstelt) als een afbeeldsel voorstelt van den groten draak, de oude slang, den duivel en Satanas, die de gehele wereld verleidt, geheel in overeenstemming met de Johanneïsche hoofdgedachte omtrent den duivel als de Overste dezer wereld (Openb. 13:1 vv. 12:3, 9. Joh. 12:31; 14:30 vgl. Luk. 4:5 vv.). Achter het beest, dat van beneden uit de zee opkomt en zich oplost in den Antichrist, staat alzo de duivel, gelijk in het beeld van den menschen-zoon, de Christus of Messias, die van uit de hemelen is, God Zich vinden laat. In de slang nam de duivel ene dierengestalte aan; in den mensenzoon openbaart Zich de Heere God in menselijke gestalte. Sedert de mensheid de slang volgde, en hare lokstem gehoor heeft gegeven, heeft zij het dierlijke in zich toegelaten, en is alzo vernederd, verdierlijkt. Nu moest de Heere mens worden, opdat de mens zou ophouden beest te zijn; doch wie nu evenwel tot dit dierlijk leven lust toont, of er zich aan verslaaft, die wordt door den Zoon des mensen geoordeeld, juist omdat Hij Zoon des mensen is (Joh. 5:27). Toen Daniël dit schreef, werd de ware godsdienst slechts in ééne taal verkondigd; in het Hebreeuws, en een weinig in het Chaldeeuws. Hoe kon nu een mens zich met enige mogelijkheid voorstellen, dat alle volken, natiën en tongen enen Joodsen Messias zouden huldigen? Neen, niet een mens, maar de Heilige Geest kon dit weten en zeggen, en Hij zei het door den mond van enen mens, van Zijnen Profeet. In de Openbaring van Johannes vinden wij die volken, natiën en tongen terug. 15.
II. Vs. 15-28.KruisverwijzingenOpenbaring 20:4→Daniël 7:20→Openbaring 7:13→Daniël 7:27→Psalmen 149:5→Openbaring 2:26→Jesaja 60:12→Daniël 7:7→
— Mij, Daniel werd mijn geest doorstoken in het midden van het lichaam, en de gezichten mijns hoofds verschrikten mij. Ik naderde tot een dergenen, die daar stonden, en verzocht van hem de zekerheid over dit alles; en hij zeide ze mij, en gaf mij de uitlegging dezer zaken te kennen. Deze grote dieren, die vier zijn, zijn vier koningen, die uit de aarde opstaan zullen. Maar de heiligen der hoge plaatsen zullen dat Koninkrijk ontvangen, en zij zullen het Rijk bezitten tot in der eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid der eeuwigheden. Toen wenste ik naar de waarheid van het vierde dier, hetwelk verscheiden was van al de andere, zeer gruwelijk, welks tanden van ijzer waren, en zijn klauwen van koper; het at, het verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten. En aangaande de tien hoornen die op zijn hoofd waren, en den anderen, die opkwam, en voor denwelken drie afgevallen waren, namelijk dien hoorn, die ogen had, en een mond, die grote dingen sprak, en wiens aanzien groter was, dan van zijn metgezellen. Ik had gezien, dat diezelve hoorn krijg voerde tegen de heiligen, en dat hij die overmocht, Totdat de Oude van dagen kwam, en het gericht gegeven werd aan de heiligen der hoge plaatsen, en dat de bestemde tijd kwam, dat de heiligen het Rijk bezaten. Hij zeide aldus: Het vierde dier zal het vierde rijk op aarde zijn, dat verscheiden zal zijn van al die rijken, en het zal de ganse aarde opeten, en het zal dezelve vertreden, en het zal ze verbrijzelen. Belangende nu de tien hoornen: uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan, en een ander zal na hen opstaan; en dat zal verscheiden zijn van de vorigen, en het zal drie koningen vernederen.
Diep ontroerd over hetgeen het gezicht hem te aanschouwen gegeven heeft, wendt zich de Profeet tot een van de Engelen, die bij de hemelse raadsvergadering tegenwoordig waren, en vraagt om verklaring van hetgeen hij gezien had. Nu verneemt hij als oplossing dat hem onder dat beeld is voorgesteld de geschiedkundige ontwikkeling der wereldmacht naar hare 4 fasen tot aan de eindelijke vernietiging daarvan en de oprichting van het rijk Gods in heerlijkheid. Als hij nog nadere verklaring verlangt omtrent het laatste dier en het gericht, dat daarover gekomen is, wordt ook hierin zijn verlangen vervuld. Hij verneemt, hoe zich uit het vierde wereldrijk 10 koninkrijken zullen ontwikkelen, en nadat zij er zijn, zal er een ander tussen komen, waarin de afval van God haar toppunt bereikt, en waarmee ook na een bepaald afgemeten tijd de wereldmacht voor altijd wordt vernietigd, om voor het eeuwigdurende rijk Gods plaats te maken. Met ene opmerking over den indruk, dien deze Goddelijke openbaring op het gemoed van den Profeet gemaakt heeft, sluit hij zijne mededeling.
Mij Daniël werd mijn geest doorstoken in het midden van het lichaam; onzeker omtrent de betekenis dier gezichten werd mijn geest ontroerd, en de gezichten mijns hoofds verschrikten mij.
Ik naderde daarom tot enen dergenen, die daar stonden; ik wendde mij tot een der Engelen, die Gods troon omgeven (vs. 10), en verzocht van hem de zekerheid over dit alles, en hij zei ze mij, en gaf mij de uitlegging dezer zaken te kennen.
Deze grote dieren, die vier zijn, zo zei hij: zijn vier koningen, die uit de aarde opstaan zullen, koningen als hoofden van vier onderscheidene dynastieën of elkaar opvolgende koninkrijken.
Maar het ware en eeuwige koninkrijk zal door alle deze geschiedkundige ontwikkelingen toch niet tot stand komen, de heiligen der hoge plaatsen zullen in en met des mensen Zoon, dien zij als koning dienen, dat koninkrijk ontvangen, en zij zullen het rijk bezitten tot in der eeuwigheid, ja tot in eeuwigheid der eeuwigheden (Luk. 22:29 vv.).
Toen wenste ik naar de waarheid van het vierde dier(vs. 7), hetwelk verscheiden was van al de andere, zeer gruwelijk, wiens tanden van ijzer waren, en zijne klauwen van koper, het at, het verbrijzelde, en vertrad het overige met zijne voeten.
En aangaande de tien hoornen, die op zijn hoofd waren, en den anderen, den elfden hoorn (vs. 8), die opkwam, en voor denwelken drie afgevallen waren, te niet gingen, namelijk dien hoorn, die ogen had en enen mond, die grote dingen sprak, en wiens aanzien groter was, dan van zijne metgezellen, van de drie, die vóór hem waren uitgerukt.
Ik had gezien, om hier nog iets aan te voeren, wat reeds in vs. 9 vermeld is, dat diezelve hoorn krijg voerde tegen de heiligen, en dat hij die overmocht (Openb. 11:7).
Totdat de Oude van dagen kwam, en het gericht gegeven werd aan de heiligen 1) der hoge plaatsen, en dat de bestemde tijd kwam, dat de heiligen het rijk bezaten (vs. 9-14).
Christus en Zijn volk zijn één. De heiligen, die met Christus medegezet zijn in den hemel, zullen ook met Christus regeren en rechten.
Hij zei aldus: Het vierde dier zal het vierde rijk op aarde zijn, het Romeinse (Hoofdst. 2:40 vv.), dat verscheiden zal zijn van al die rijken; en het zal de ganse aarde opeten, en het zal ze vertreden, en het zal ze verbrijzelen.
Belangende nu de tien hoornen of koninkrijken; uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan, in Hoofdst. 2:41 vv. afgebeeld door tien tenen, in welke de voeten van Nebukadnezars rijk uitliepen, en een ander zal na hen na het in tien koninkrijken verdeeld statensysteem, waarin het vierde rijk overgaat, opstaan, en dat zal verscheiden zijn van de vorigen, en het zal drie koningen vernederen, aan zich onderwerpen (Openb. 17).
En het zal woorden spreken tegen den Allerhoogste, door welke hij zich zelven god maakt (2 Thess. 2:4), en het zal de heiligen der hoge plaatsen door allerlei verdrukking en geweld verstoren, en het zal menen de tijden en de wet te veranderen, daar het beproeven zal in de plaats van de van God afstammende grondstellingen der menselijke levensorde, zijn eigen willekeur te stellen (Openb. 13:6 vv.). En zij, de heiligen, die door die maatregelen natuurlijk het meest worden getroffen, omdat zij zich aan de Goddelijke grondstellingen vasthouden, zullen in zijne hand overgegeven worden tot enen tijd en tijden (twee tijden), en een gedeelte eens tijds, en een halve tijd (Hoofdst. 11:7. Openb. 12:14). Hoe krachtiger in de eerste helft van ons vers de schildering van de verdrukking was, die voor het verbondsvolk uit het anti-theokratische principe voortkwam, des te meer is de uitdrukking in de tweede helft bestemd om dezen tijd van lijden als enen bepaalden, enen beperkten tijd, in tegenstelling tegen het eeuwige, oneindige rijk der heerlijkheid te plaatsen: wat Jehova over Zijn volk laat komen, is nauwkeurig en volgens het doel begrensd. Het laat zich aanzien, alsof de tyrannie van den Antichrist al langer en langer zal duren, eerst één tijd, dan de dubbele tijd, dan de viervoudige (dat ware reeds een zevental) maar neen; zo ver mag het niet komen; plotseling wordt er een einde aan gemaakt, midden in het zevental, zodat in plaats van den viervoudigen tijd, een halve tijd intreedt. De eigenaardige verdeling der 3 1/2 tijden zó, dat de tijdperken eerst bij verdubbeling stijgen, om vervolgens plotseling af te vallen, toont, dat de macht van den hoorn en zijn druk op Gods volk eerst spoedig zullen toenemen, om dan door een gerechtelijk tussen beide treden een plotseling einde te nemen. In dit halveren der zeven wordt een toestand aangewezen, waarin de gemeente onder den druk door de wereldmacht onder toelating van God vertreden is, de openlijke eredienst heeft opgehouden, de profetie nog wel getuigt maar verborgen en snel voorbijgaande (Openb. 11:3, 7 vv. 1 Kon. 17:3; 18:4), dus een tijd van beproeving en van wachten (Gen. 7:10; 8:10, 12; 29:18. 6:3 vv. 1 Sam. 10:8. 1 Kon. 18:43. 1Sa 1Ki Job. 5:19), die echter om der uitverkorenen wil afgebroken en verkort wordt (Matth. 25:22). Tijd is een op zich zelf onbepaalde uitdrukking, door welke ene langere of kortere periode kan bedoeld zijn. Dat het jaren zijn, blijkt uit ons hoofdstuk nog niet, en het is ons niet geoorloofd uit Hoofdst. 12:7 een besluit te trekken; wel geeft ons de Openbaring van Johannes het recht daartoe, wanneer zij in Openb. 11:2 vv. 13:3, de 3 1/2 tijden op 42 maanden of 1260 dagen bepaalt. Hier wordt gezinspeeld op den tijd van 3 1/2 jaren, toen die ontzaglijke hongersnood en onvruchtbaarheid onder Achab was, toen de hemel al dien tijd geen regen gaf, toen Elia de getuige der waarheid, welke zich ijverig tegen den afgodendienst des volks verzette, door de raven en de weduwe te Zarfath gevoed werd, en dus de ware kerk als in de woestijn verborgen was (1 Kon. 17). Dezen wereldbeheersenden koning, den Apollyon en Abaddon der Openbaring (Hoofdst 9), schildert ons Daniël nu nader als Antichrist. Hij zal, geheel door de macht des duivels bezeten, vreeslijke letterwoorden tegen God en Zijn Gezalfde uitspreken; de Christelijke godsdienst aan de afschuw der beneden het nulpunt gezonken mensheid prijs geven, het Christendom geheel en al afschaffen, ieder, die hem niet aanbidt, met den dood straffen, en zichzelve, door demonische krachten, wonderen en goochelarijen in de ogen der kinderen dezer wereld, die sinds lang als vijanden der waarheid voor onbevangen onderzoek ongeschikt zijn geworden (Rom. 1:23) als god voordoen (2 Thess. 2). Juist de oprichting van enen nieuwen godsdienst in de plaats van den Christelijken, is de verandering der tijden en van de wet. Hij zal een nieuwen wereldloop van volksgeluk door ene nieuwe ordening der dingen willen daarstellen, en de herinnering aan alles, wat vroeger wet en godsdienst was, trachten uit te wisselen. Wij hebben de verklaringen laten staan van hen, die deze woorden in verband brengen met de Openbaring van Johannes, maar wij verenigen ons hier met Calvijn, wanneer hij zegt, dat dit volstrekt niet vast is, en zijn eveneens van oordeel, dat hier in het algemeen voorspeld wordt, dat eindelijk aan de rampen, na den door God vastgestelden tijd, een einde zal komen.
Daarna zal het gericht zitten, en men zal zijne heerschappij wegnemen, hem verdelgende en verdoende, tot het einde toe.
Maar het rijk, en de heerschappij, en de grootheid der koninkrijken onder den gansen hemel zal gegeven worden den volke der heiligen der hoge plaatsen, dat onder den Mensenzoon staat (vs. 13), welks rijk een eeuwig rijk zijn zal, zodat het voor geen ander meer behoeft plaats te maken, en alle heerschappijen zullen Hem eren en gehoorzamenmet vreugdevolle onderwerping, zodat de door de winden bewogen woedende zee (vs. 2) nu tot ene spiegelgladde lieflijke vlakte wordt. Wat God oorspronkelijk met de mensheid voor had, wordt nu vervuld, nadat Hij, niettegenstaande de woelingen van het rijk der duisternis, door het verlossingswerk Zijns Zoons, ene boven alle schildering verhevene majestueus heerlijke schare van overwinnaars en priester-koningen, als eerstelingen uit de mensen verzameld heeft, welke, als overwinnaars door het bloed van Christus, hunnen groten Godmenselijken Voorganger en Medestrijder, door den Vader om Zijns wil en ter genadige vergoeding van allen uitgestanen jammer in deze wereld, boven de niet gevallen Engelenwereld en alle hemelen verheven worden. (Openb. 4; 7:9-17. Efeze. 1:17-23).
Tot hiertoe is het einde dezer rede, der woorden van den Engel en van het gezicht. Wat mij Daniël aangaat, mijne gedachten verschrikten mij zeer van wege de schrikgedaanten, die het gezicht mij had voorgesteld, en mijn glans veranderde aan mij, zodat men de inwendige ontroering nog lang uitwendig opmerkte, doch ik bewaarde dat woord, het gezicht met de ontvangene verklaring, in mijn hart, ik deelde het niet aan de mij omringende vreemdelingen mede, die naar de reden mijner ontroering vraagden, ik overdacht het echter ernstig, omdat alles mijn volk aanging. Omtrent deze verklaring en mening (dat namelijk onder de vier koninkrijken de Babylonische, Medo-Perzische, Macedonische en Romeinse monarchie moeten verstaan worden) is het de gehele wereld eens, en het werk en de Historieën bewijzen het ook krachtig, ” zo schrijft Luther. Het is de gewone uitlegging gebleven tot op den tijd van het Deïsmus en Rationalismus, aan het einde van de vorige en het begin van deze eeuw. Men stelde dat het Boek van Daniël niet werkelijk van dezen Profeet, maar van enen Makkabesen Jood onder Antiochus Epifanes was. De Romeinse heerschappij lag buiten den gezichtskring van den schrijver, en men zocht nu de vier rijken op andere wijze te verklaren. De gelovige Theologie van den laatsten tijd is op weinige uitzonderingen na, weer tot de oude opvatting teruggekeerd, en ook wij kunnen deze onvoorwaardelijk als de alleen ware beschouwen. Voor ons, die reeds een groot gedeelte der profetie als reeds vervuld achter ons hebben, heeft het meeste gewicht de kleine hoorn (vs. 7 vv. en 20 vv.) of de Antichrist van het Nieuwe Testament, van wien in 2 Thess. 2 en Openb. 14:19 verder zal gesproken worden. De zegeningen van Christus komst bestaan niet alleen daarin, dat Hij de gelovigen die op de aarde leven van alle zonden en zorgen verlost, van de zwakheden en beproevingen van hunnen tegenwoordigen toestand, maar daarin, dat Hij allen bijeenvergadert en het gehele huisgezin Gods verenigt, in de heerlijkheid van hun verrezene lichamen, om te zamen te wonen met hun Zaligmaker in het hemelse Jeruzalem. Alzo treedt hier een veel heerlijker toestand in, dan bij den dood. Want alleen de geest van den gelovige gaat naar het paradijs, maar, als Christus komt, verrijzen al de lichamen der heiligen en de gehele kerk van Christus is bijeenvergaderd. Deze heerlijkheid zal spoedig aanwezig zijn. Gelovigen! richt dan uwe hoofden op en verheugt u in de hope der onsterfelijkheid. Tot recht verstand van het Messiaans gedeelte dezer openbaring, dat boven al het andere opmerkzaamheid trekt, mogen de volgende opmerkingen leiden. Wat vooreerst de vraag betreft, of de gestalte van den Mensenzoon, tegenover die der verscheurende dieren tevens ene zijdelingse aanwijzing van den zachten, vriendelijken aard dezes rijks, tegenover de dwingelandij van aardse overweldigers heten mag? Wij zijn niet ongeneigd het te gissen, schoon men erkennen moet, dat Daniël zelf tot deze verklaring gene rechtstreekse aanleiding geeft. Maar zeker verdient het vooral onze opmerking, dat hij den koning van dit rijk als een mensen zoon op de wolken des hemels verschijnen ziet. Zo is dan, naast Zijne waardigheid, ook Zijne afkomst geheel onderscheiden van andere vorsten, en, ofschoon in gedaante gevonden als eens mensen, bezit Hij tevens hogeren rang. Gewis, Hij verdient den naam van wereldbeheerser te dragen, terwijl de machtigste monarchen er slechts ten dele in slaagden, om wereldbedwingers te zijn! Ten andere treft ons hier het universele ener Messiasverwachting, die den aanstaanden heilsaanbrenger, niet enkel in betrekking tot één enkele kleine natie, maar tot geheel het Goddelijk wereldplan plaatst, zo als het door de beroemdste volken zal volvoerd worden. Het is als heeft Daniël onder hoger leiding zich weer verheven tot het standpunt van het Paradijs-Evangelie, en den triomf van het rijk des lichts over dat duisternis, daar aangeduid, met brede trekken geschetst. Of, mogen wij ons ene andere vergelijking veroorloven, die slechts ter zijner ere kan uitlopen, op groter schaal ziet hij voor zich, wat Bileam vele eeuwen vroeger als in één punt des tijds had gezien; ene vorstelijke macht, die de kinderen des oproers verstoort, om zelf met overgankelijken luister te schitteren, (Num. 24:19). De komst van den Messias is hier in den volsten zin des woords het grote keerpunt in den loop der wereldgeschiedenis! Maar van waar, ten derde, dat het denkbeeld van een lijdenden Messias hier zo ten enenmale terugtreedt? Op die vraag is het antwoord niet moeilijk. Het zou billijke bevreemding verwekken, wanneer een zo belangrijk bestanddeel der Messiasverwachting, als wij bij Jesaja 53 ontmoeten, bij een zo hoog verlicht profeet als Daniël, ten enenmale gemist werd. Dat hij intussen ook een lijdende Messias verwacht, zal bij de beschouwing van het negende Hoofdstuk ons blijken. Hier echter wordt daarvan, zelfs niet eenmaal in het voorbijgaan, gesproken, omdat dit lijden slechts de weg was tot heerlijkheid, hier met stoute kleuren getekend. Niet de weg, maar het einddoel; niet de strijd, maar de triomf van den Messias; niet zo zeer het woeden van de macht der wereld tegen Hem, als wel zijne overmacht alles, wat Hem weerstaat, wordt hier aan Daniël geopenbaard van den hemel. Maar het leidt ons van zelf tot ene vierde herinnering. Bij het afhouwen van den steen uit den berg, en het komen van den Mensenzoon op de wolken des hemels, hebben wij niet gelijk, vele uitleggers willen, aan de eerste grondvesting, maar aan de luistervolle eind-openbaring der Christus-regering te denken, zo als die over allen tegenstand zegeviert. Het eindpunt van Nebukadnezar’s en Daniëls nachtgezicht is niet het jaar der geboorte, zelfs niet de ure der hemelverheffing, maar de dag der tweede toekomst des Heeren, wanneer Hij, na door lijden in heerlijkheid te zijn ingaan, persoonlijk weer verschijnt om over alle Zijne haters te zegepralen. Ofschoon toch het komen van den Zoon des mensen een doorlopend komen mag heten, doet de Schrift ons tevens ene eindopenbaring verwachten, waarbij de Zoon des mensen op aarde als Koning heersen en als Rechter vonnissen zal. Op die ure, ook nog heden ten dage in den donkeren schoot der toekomst verborgen, wijst ons Daniël heen met dit woord. Dat zag reeds Luther in, toen hij opmerkte, dat het vierde dier moest blijven tot den jongsten dag. In de Apokalypse zullen wij het andermaal aantreffen, en over veel wat ons in de voorstelling, bepaaldelijk van den “kleinen hoorn, ” bij Daniël duister bleef, een verrassend licht zien verrijzen. Eindelijk mag hier allerminst voorbijgezien worden, dat er, ja, ene persoonlijke heerschappij van den Messias beloofd wordt, maar niet van den Messias alleen. Ongetwijfeld dwaalden die uitleggers, die beweerden, dat hier door “den Zoon des mensen” niet de Messias, maar het Israëlietische volk werd bedoeld, dat op Gods tijd over al zijne bestrijders kon zegevieren. Hoe zou, om gene andere bezwaren te noemen, dit volk kunnen gezegd worden: “op de wolken des hemels” te komen? Neen, het is een vorstelijk persoon, die hier aangeduid werd, even zeker als het vroeger de persoon van Nebukadnezar was, die als “het gouden hoofd” werd beschreven. Maar, even als daar koning en rijk onafscheidelijk één waren, zo is ook hier in het hoofd tegelijk het lichaam begrepen. Het is dit punt, dat bij de inlichting, die Daniël ontvangt, ter zijner geruststelling aangaande het lot van Israël, inzonderheid op den voorgrond geplaatst wordt. De heiligen der hoge plaatsen zullen het koninkrijk ontvangen en bezitten tot in eeuwigheid der eeuwigheden (zie Hoofdst. 7:18, 22 en 27). Laat het waar zijn dat de vorm der uitdrukking aan Chaldeeuwse denkbeelden nopens het verblijf van voortreflijke geesten, in ene bovenaardse luchtstreek ontleend is, altijd wordt toch hier den Profeet, namens Jehova zelven, de stellige belofte gegeven, dat een Hem geheiligd volk met macht en heerschappij zal bekleed worden, delende alzo in den luister van dien Zoon des mensen, op wiens hoofd de kroon des hemels gezet is. Zo behaalt deze een triomf, dien Hij zelf, maar niet alleen voor Zich zelven geniet. Aan het volk der heiligen, Zijn volk, wordt “het rijk en de heerschappij de grootheid der koninkrijken onder den gansen hemel” gegeven.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel