Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
DariusH1868, de MederH4077 nu, ontvingH6902 het koninkrijkH4437, omtrent tweeH8648 en zestigH8361 jarenH8140 oudH1247 zijnde.
Darius, de Meder nu, ontving het koninkrijk, omtrent twee en zestig jaren oud zijnde.
KJV
It pleased
Darius1
to set
over
the kingdom4
an hundred
and twenty
princes,
which should be
over the whole
kingdom;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En het dacht DariusH1868 goed, dat hij over het koninkrijk steldeH6966 honderdH3969 en twintigH6243 stadhoudersH324, die over het ganse koninkrijk zijn zouden;
En het dacht Darius goed, dat hij over het koninkrijk stelde honderd en twintig stadhouders, die over het ganse koninkrijk zijn zouden;
Ook in dit vers
koninkrijkH4437
dachtH8232
leedH1934
koninkrijkH4437
KJV
And over
these
three
presidents;
of whom
Daniel
was first:
that
the princes7
might11
give
accounts
unto them, and the king
should have
no
damage.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En over dezelve drieH8532 vorstenH5632, van dewelke DanielH1841 de eersteH2298 zou zijn, denwelken die stadhoudersH324 zelfsH1934 zouden rekenschapH2941 geven, opdat de koningH4430 geen schadeH5142 leed.
En over dezelve drie vorsten, van dewelke Daniel de eerste zou zijn, denwelken die stadhouders zelfs zouden rekenschap geven, opdat de koning geen schade leed.
Ook in dit vers
zelfsH1934
KJV
Then
this
Daniel6
was10
preferred
above
the presidents3
and princes,11
because
an excellent
spirit
was in him; and the king16
thought
to set
him over
the whole
realm.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Toen overtrofH1934 deze DanielH1841 die vorstenH5632 en die stadhoudersH324, daarom dat een voortreffelijkeH3493 geestH7308 in hem was; en de koningH4430 dachtH6246 hem te stellenH6966 over het gehele koninkrijkH4437.
Toen overtrof deze Daniel die vorsten en die stadhouders, daarom dat een voortreffelijke geest in hem was; en de koning dacht hem te stellen over het gehele koninkrijk.
Ook in dit vers
dezenH1836
KJV
Then1
the presidents7
and princes8
sought4
to find
occasion
against Daniel2
concerning
the kingdom;20
but9
they could
find
none
occasion
nor
fault;
forasmuch10
as he was faithful,
neither
was there any19
error
or fault
found
in him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Toen zochten de vorstenH5632 en de stadhoudersH324 gelegenheidH5931 te vindenH7912, tegen DanielH1841 vanwege het koninkrijkH4437; maar zij kondenH3202 geen gelegenheid noch misdaadH7844 vindenH7912, dewijl hij getrouwH540 was, en geen vergrijpingH7960 noch misdaadH7844 in hem gevonden werd.
Toen zochten de vorsten en de stadhouders gelegenheid te vinden, tegen Daniel vanwege het koninkrijk; maar zij konden geen gelegenheid noch misdaad vinden, dewijl hij getrouw was, en geen vergrijping noch misdaad in hem gevonden werd.
Ook in dit vers
gelegenheidH5931
gevondenH7912
KJV
Then1
said
these
men,
We shall not14
find7
any11
occasion6
against27
this
Daniel,8
except
we find16
it against him concerning the law
of his God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Toen zeidenH560 die mannenH1400: Wij zullen tegen dezenH1836 DanielH1841 geen gelegenheidH5931 vinden, tenzij wij tegen hem iets vinden in te wetH1882 zijns GodsH426.
Toen zeiden die mannen: Wij zullen tegen dezen Daniel geen gelegenheid vinden, tenzij wij tegen hem iets vinden in te wet zijns Gods.
Ook in dit vers
vindenH7912
vindenH7912
tenzijH3861
KJV
Then1
these
presidents
and princes
assembled together
to the king,
and said4
thus
unto him,14
King
Darius,
live
for ever.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Zo kwamen deze vorstenH5632 en de stadhoudersH324 met hopenH7284 tot den koningH4430, en zeidenH560 aldusH3652 tot hem: O koningH4430 DariusH1868, leefH2418 in eeuwigheidH5957!
Zo kwamen deze vorsten en de stadhouders met hopen tot den koning, en zeiden aldus tot hem: O koning Darius, leef in eeuwigheid!
KJV
All
the presidents2
of the kingdom,
the governors,
and the princes,3
the counsellors,
and the captains,
have consulted together
to establish
a royal7
statute,
and to make a firm
decree,
that whosoever shall ask
a petition
of
any
God
or man
for
thirty
days,
save
of thee,
O king,12
he shall be cast
into the den
of lions.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Al de vorstenH5632 des rijksH4437, de overhedenH5460 en stadhoudersH324, de raadsheren en landvoogdenH6347 hebben zich beraadslaagdH3272 een koninklijke ordonnantieH7010 te stellenH6966, en een sterkH8631 gebodH633 te maken, dat al wie in dertigH8533 dagenH3118 een verzoekH1159 zal doen van enigenH3606 godH426 of mensH606, behalve van u, o koningH4430! die zal in den kuilH1358 der leeuwenH744 geworpenH7412 worden.
Al de vorsten des rijks, de overheden en stadhouders, de raadsheren en landvoogden hebben zich beraadslaagd een koninklijke ordonnantie te stellen, en een sterk gebod te maken, dat al wie in dertig dagen een verzoek zal doen van enigen god of mens, behalve van u, o koning! die zal in den kuil der leeuwen geworpen worden.
Ook in dit vers
biddendeH1156
koningH4430
raadsherenH1907
enigenH3606
KJV
Now,
O king,11
establish9
the decree,13
and sign
the writing,
that it be not
changed,
according to the law
of the Medes
and Persians,
which altereth
not.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Nu, o koningH4430! gij zult een gebodH633 bevestigenH6966, en een schriftH3792 tekenenH7560, dat niet veranderdH8133 worde, naar de wetH1882 der MedenH4076 en der PerzenH6540, die niet mag wederroepenH5709 worden.
Nu, o koning! gij zult een gebod bevestigen, en een schrift tekenen, dat niet veranderd worde, naar de wet der Meden en der Perzen, die niet mag wederroepen worden.
KJV
Wherefore
king2
Darius
signed5
the writing6
and the decree.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Daarom tekendeH7560 de koningH4430 DariusH1868 dat schriftH3792 en gebodH633.
Daarom tekende de koning Darius dat schrift en gebod.
Ook in dit vers
dezenH1836
ganselijkH3606
KJV
Now when Daniel
knew
that the writing7
was signed,6
he went
into his house;
and his windows
being open
in his chamber
toward
Jerusalem,
he kneeled
upon
his knees
three
times
a day,
and prayed,
and gave thanks
before
his God,
as2
he did
aforetime.3
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Toen nu DanielH1841 verstondH3046, dat dit schriftH3792 getekendH7560 was, ging hij in zijn huisH1005 (hij nu had in zijn opperzaal open venstersH3551 tegen JeruzalemH3390 aan), en hij knielde drieH8532 tijden 's daagsH3118 op zijn knieenH1291, en hij badH6739, en deed belijdenisH3029 voor zijn GodH426, ganselijkH3606 gelijk hij voor dezenH1836 gedaan had.
Toen nu Daniel verstond, dat dit schrift getekend was, ging hij in zijn huis (hij nu had in zijn opperzaal open vensters tegen Jeruzalem aan), en hij knielde drie tijden 's daags op zijn knieen, en hij bad, en deed belijdenis voor zijn God, ganselijk gelijk hij voor dezen gedaan had.
Ook in dit vers
) knieldeH1289
tijdenH2166
bemoeideH1934
KJV
Then
these
men
assembled,
and found
Daniel1
praying
and making supplication
before24
his God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Toen kwamen die mannenH1400 met hopenH7284, en zij vondenH7912 DanielH1841 biddendeH1156 en smekendeH2604 voor zijn GodH426.
Toen kwamen die mannen met hopen, en zij vonden Daniel biddende en smekende voor zijn God.
KJV
Then1
they came near,
and spake
before9
the king
concerning
the king's
decree;
Hast thou not
signed
a decree,
that every
man
that shall ask7
a petition of
any
God10
or man
within
thirty
days,
save
of thee,
O king,
shall be cast
into the den
of lions?
The king
answered
and said,
The thing
is true,
according to the law
of the Medes
and Persians,
which altereth
not.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Toen kwamen zij naderH7127, en sprakenH560 voor den koningH4430 van het gebodH633 des konings: Hebt gij niet een gebod getekendH7560, dat alle manH606, die in dertigH8533 dagenH3118 van enigenH3606 godH426 of mensH606 iets verzoekenH1156 zou, behalve van u, o koningH4430! in den kuilH1358 der leeuwenH744 zou geworpenH7412 worden? De koning antwoorddeH6032 en zeide: Het is een vasteH3330 redeH4406, naar de wetH1882 der MedenH4076 en PerzenH6540, die niet mag wederroepenH5709 worden.
Toen kwamen zij nader, en spraken voor den koning van het gebod des konings: Hebt gij niet een gebod getekend, dat alle man, die in dertig dagen van enigen god of mens iets verzoeken zou, behalve van u, o koning! in den kuil der leeuwen zou geworpen worden? De koning antwoordde en zeide: Het is een vaste rede, naar de wet der Meden en Perzen, die niet mag wederroepen worden.
Ook in dit vers
sprakenH560
gebodH633
enigenH3606
koningH4430
koningH4430
KJV
Then1
answered30
they and said3
before4
the king,5
That Daniel,
which is of17
the children
of the captivity
of Judah,
regardeth
not9
thee,6
O king,8
nor the decree7
that thou hast signed,11
but maketh16
his petition
three
times
a day.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Toen antwoorddenH6032 zij, en zeidenH560 voor den koningH4430: DanielH1841, een van de gevankelijkH1123 weggevoerden uit JudaH3061 heeft, o koning! op u geen achtH2942 gesteldH7761, noch op het gebodH633 dat gij getekendH7560 hebt; maar hij bidtH1156 op drieH8532 tijden 's daagsH3118 zijn gebedH1159.
Toen antwoordden zij, en zeiden voor den koning: Daniel, een van de gevankelijk weggevoerden uit Juda heeft, o koning! op u geen acht gesteld, noch op het gebod dat gij getekend hebt; maar hij bidt op drie tijden 's daags zijn gebed.
Ook in dit vers
koningH4430
tijdenH2166
KJV
Then1
the king,5
when he heard
these words,
was sore
displeased
with himself, and set15
his heart
on16
Daniel7
to deliver
him: and he laboured
till
the going down
of the sun
to deliver
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Toen de koningH4430 deze redeH4406 hoordeH8086, was hij zeer bedroefdH888 bij zichzelven, en hij steldeH7761 het hartH1079 op DanielH1841 om hem te verlossen; ja, tot den ondergangH4606 der zonH8122 toe bemoeideH1934 hij zich, om hem te reddenH5338.
Toen de koning deze rede hoorde, was hij zeer bedroefd bij zichzelven, en hij stelde het hart op Daniel om hem te verlossen; ja, tot den ondergang der zon toe bemoeide hij zich, om hem te redden.
Ook in dit vers
verlossenH7804
KJV
Then1
these
men
assembled
unto8
the king,2
and said
unto the king,
Know,
O king,
that the law
of the Medes
and Persians
is, That no
decree
nor statute
which the king
establisheth
may be changed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Toen kwamen die mannenH1400 met hopenH7284 tot den koningH4430, en zij zeidenH560 tot den koningH4430: Weet, o koning! dat der MedenH4076 en der PerzenH6540 wetH1882 is, dat geen gebodH633 noch ordonnantieH7010, die de koning verordendH6966 heeft, mag veranderd worden.
Toen kwamen die mannen met hopen tot den koning, en zij zeiden tot den koning: Weet, o koning! dat der Meden en der Perzen wet is, dat geen gebod noch ordonnantie, die de koning verordend heeft, mag veranderd worden.
Ook in dit vers
koningH4430
koningH4430
mag veranderdH8133
KJV
Then1
the king6
commanded,7
and they brought
Daniel,
and cast
him into the den
of lions.
Now the king8
spake
and said
unto Daniel,
Thy God
whom thou
servest
continually,
he will deliver
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Toen bevalH560 de koningH4430, en zij brachtenH858 DanielH1841 voor, en wierpenH7412 hem in den kuilH1358 der leeuwenH744; en de koning antwoorddeH6032 en zeideH560 tot Daniel: Uw GodH426, Dien gij geduriglijkH8411 eertH6399, Die verlosseH7804 u!
Toen beval de koning, en zij brachten Daniel voor, en wierpen hem in den kuil der leeuwen; en de koning antwoordde en zeide tot Daniel: Uw God, Dien gij geduriglijk eert, Die verlosse u!
Ook in dit vers
koningH4430
DanielH1841
KJV
And a
stone
was brought,4
and laid
upon
the mouth
of the den;7
and the king2
sealed
it with his own signet,
and with the signet
of his lords;
that the purpose
might not
be changed
concerning Daniel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
En er werd een steenH69 gebrachtH858, en op den mondH6433 des kuilsH1358 gelegdH7761: en de koningH4430 verzegeldeH2857 denzelven met zijn ring, en met den ring zijner geweldigenH7261, opdat de wilH6640 aangaande DanielH1841 niet zou veranderdH8133 worden.
En er werd een steen gebracht, en op den mond des kuils gelegd: en de koning verzegelde denzelven met zijn ring, en met den ring zijner geweldigen, opdat de wil aangaande Daniel niet zou veranderd worden.
Ook in dit vers
ringH5824
ringH5824
lietH3809
verreH5922
KJV
Then
the king9
went
to his palace,
and passed the night
fasting:
neither14
were instruments
of musick brought
before
him: and his sleep
went
from him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Toen ging de koningH4430 naar zijn paleisH1965, en overnachtteH956 nuchterenH2908, en liet geen vreugdespelH1761 voor zich brengenH5954; en zijn slaapH8139 weekH5075 verre van hem.
Toen ging de koning naar zijn paleis, en overnachtte nuchteren, en liet geen vreugdespel voor zich brengen; en zijn slaap week verre van hem.
KJV
Then1
the king3
arose
very early
in the morning,
and went2
in haste
unto the den
of lions.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Toen stondH6966 de koningH4430 in den vroegen morgenstondH8238 met het lichtH5053 op, en hij ging met haastH927 henen tot den kuilH1358 der leeuwenH744.
Toen stond de koning in den vroegen morgenstond met het licht op, en hij ging met haast henen tot den kuil der leeuwen.
KJV
And when he came
to the den,7
he cried
with a lamentable
voice
unto Daniel:
and the king2
spake
and said
to Daniel,
O Daniel,
servant
of the living
God,
is thy God,
whom thou servest
continually,
able
to deliver
thee from
the lions?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Als hij nu tot den kuilH1358 genaderdH7127 was, riepH2200 hij tot DanielH1841 met een droeveH6088 stemH7032; de koningH4430 antwoorddeH6032 en zeideH560 tot Daniel: O Daniel, gij knechtH5649 des levendenH2417 Gods! heeft ook uw God, Dien gij geduriglijkH8411 eertH6399, u van de leeuwenH744 kunnen verlossenH7804?
Als hij nu tot den kuil genaderd was, riep hij tot Daniel met een droeve stem; de koning antwoordde en zeide tot Daniel: O Daniel, gij knecht des levenden Gods! heeft ook uw God, Dien gij geduriglijk eert, u van de leeuwen kunnen verlossen?
Ook in dit vers
GodH426
GodsH426
DanielH1841
DanielH1841
KJV
Then
said
Daniel3
unto
the king,8
O king,
live
for ever.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Toen sprakH4449 DanielH1841 tot den koningH4430: O koning, leefH2418 in eeuwigheidH5957!
Toen sprak Daniel tot den koning: O koning, leef in eeuwigheid!
Ook in dit vers
koningH4430
KJV
My God
hath sent
his angel,
and hath shut
the lions'
mouths,
that they have not
hurt
me: forasmuch as
before
him innocency
was found
in me; and also
before
thee, O king,4
have I done
no
hurt.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Mijn GodH426 heeft Zijn engelH4398 gezondenH7972, en Hij heeft den muilH6433 der leeuwenH744 toegeslotenH5463, dat zij mij niet beschadigdH2255 hebben, omdat voor Hem onschuldH2136 in mij gevondenH7912 is; ook heb ik, o koningH4430! tegen u geen misdaadH2248 gedaan.
Mijn God heeft Zijn engel gezonden, en Hij heeft den muil der leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben, omdat voor Hem onschuld in mij gevonden is; ook heb ik, o koning! tegen u geen misdaad gedaan.
KJV
Then
was the king18
exceeding
glad
for him,
and commanded
that they should take
Daniel
up
out of
the den.
So Daniel
was taken up
out of
the den,
and no7
manner9
of hurt
was found14
upon him, because he believed
in his God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Toen werd de koningH4430 bij zichzelven zeer vrolijkH2868, en zeideH560, dat men DanielH1841 uit den kuilH1358 trekkenH5267 zou. Toen Daniel uit den kuilH1358 opgetrokkenH5267 was, zo werd er geen schadeH2257 aan hem gevondenH7912, dewijl hij in zijn GodH426 geloofdH540 had.
Toen werd de koning bij zichzelven zeer vrolijk, en zeide, dat men Daniel uit den kuil trekken zou. Toen Daniel uit den kuil opgetrokken was, zo werd er geen schade aan hem gevonden, dewijl hij in zijn God geloofd had.
Ook in dit vers
DanielH1841
KJV
And the king2
commanded,7
and they brought
those
men
which had accused
Daniel,6
and they cast
them into the den10
of lions,
them,
their children,
and their wives;
and the lions
had the mastery
of them, and brake
all15
their bones
in pieces
or ever17
they came
at the bottom
of the den.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Toen bevalH560 de koningH4430, en zij brachtenH858 die mannenH1400 voor, die DanielH1841 overluidH7170 beschuldigdH399 hadden, en zij wierpenH7412 in den kuil der leeuwen hen, hun kinderenH1123, en hun vrouwenH5389; en zij kwamen niet op den grondH773 des kuils, of de leeuwen heersten over hen, zij vermorzeldenH1855 ook al hun beenderenH1635.
Toen beval de koning, en zij brachten die mannen voor, die Daniel overluid beschuldigd hadden, en zij wierpen in den kuil der leeuwen hen, hun kinderen, en hun vrouwen; en zij kwamen niet op den grond des kuils, of de leeuwen heersten over hen, zij vermorzelden ook al hun beenderen.
Ook in dit vers
leeuwenH744
kuilH1358
kuilH1358
leeuwenH744
heerstenH5705
KJV
Then
king2
Darius
wrote
unto all26
people,
nations,
and languages,
that dwell
in all
the earth;
Peace
be multiplied
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Toen schreefH3790 de koningH4430 DariusH1868 aan alle volkenH5972, natienH524 en tongenH3961, die op de ganse aardeH772 woondenH1753: Uw vredeH8001 worde vermenigvuldigdH7680!
Toen schreef de koning Darius aan alle volken, natien en tongen, die op de ganse aarde woonden: Uw vrede worde vermenigvuldigd!
KJV
I
make
a decree,
That in every5
dominion
of my kingdom
men tremble
and fear
before
the God
of Daniel:
for he is the living
God,
and stedfast
for ever,
and his kingdom
that which shall not
be destroyed,
and his dominion
shall be even unto
the end.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Van mij is een bevelH2942 gegeven, dat men in de ganse heerschappij mijns koninkrijks beveH1934 en siddereH1763 voor het aangezicht van den GodH426 van DanielH1841; want Hij is de levendeH2417 GodH426, en bestendigH7011 in eeuwighedenH5957, en Zijn koninkrijk is niet verderfelijkH2255, en Zijn heerschappij is tot het eindeH5491 toe.
Van mij is een bevel gegeven, dat men in de ganse heerschappij mijns koninkrijks beve en siddere voor het aangezicht van den God van Daniel; want Hij is de levende God, en bestendig in eeuwigheden, en Zijn koninkrijk is niet verderfelijk, en Zijn heerschappij is tot het einde toe.
Ook in dit vers
koninkrijkH4437
koninkrijksH4437
aangezichtH6925
gegevenH7761
heerschappijH7985
heerschappijH7985
KJV
He delivereth
and rescueth,
and he worketh
signs
and wonders
in heaven
and in earth,
who hath delivered
Daniel16
from1
the power
of the lions.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Hij verlost en redtH5338, en Hij doet tekenenH852 en wonderenH8540 in den hemelH8065 en op de aardeH772; Die heeft DanielH1841 uit het geweldH3028 der leeuwenH744 verlost.
Hij verlost en redt, en Hij doet tekenen en wonderen in den hemel en op de aarde; Die heeft Daniel uit het geweld der leeuwen verlost.
Ook in dit vers
verlostH7804
verlostH7804
KJV
So this
Daniel10
prospered
in the reign
of Darius,
and in the reign
of Cyrus
the Persian.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Deze DanielH1841 nu had voorspoedH6744 in het koninkrijkH4437 van DariusH1868, en in het koninkrijkH4437 van KoresH3567, den PerziaanH6543.
Deze Daniel nu had voorspoed in het koninkrijk van Darius, en in het koninkrijk van Kores, den Perziaan.
het dacht Darius goed,
Zie Dan. 4:2 .
Hertaald:
het dacht Darius goed,
Zie Dan. 4:2.
die over het ganse koninkrijk zijn zouden;
Te weten om het wel en bekwamelijk te regeren, een ieder in zijne provincie, waarin hij van den koning zou gesteld worden.
Hertaald:
die over het ganse koninkrijk zijn zouden;
Namelijk om het goed en doelmatig te regeren, ieder in de provincie waarover hij door de koning aangesteld zou worden.
vorsten,
Of, oppervorsten, of overvorsten, presidenten.
Hertaald:
vorsten,
Of: oppervorsten, of hoofdvorsten, presidenten.
de eerste zou zijn,
Dat is, de voornaamste, gelijk blijkt vs.4. Anders, waar Daniël een van was.
Hertaald:
de eerste zou zijn,
Dat is: de voornaamste, zoals blijkt uit vers 4. Anders: van wie Daniël er één was.
Toen overtrof deze Daniël die vorsten en die stadhouders,
Chaldeeuws, toen was Daniël overtreffende over de presidenten en de vorsten, Daniël overtreft hen allen in wijsheid, voorzichtigheid, rechtvaardigheid, matigheid en andere deugden.
Hertaald:
Toen overtrof deze Daniël die vorsten en die stadhouders,
Chaldeeuws: toen overtrof Daniël de presidenten en de vorsten. Daniël overtrof hen allen in wijsheid, voorzichtigheid, rechtvaardigheid, matigheid en andere deugden.
de koning dacht
Het schijnt dat Darius, nu oud zijnde en aanmerkende die voortreffelijke gaven met welke Daniël boven alle andere vorsten begaafd was, meende hem stadhouder te maken over het koninkrijk van Babel. Hieruit is gesproten de haat der vorsten tegen Daniël.
Hertaald:
de koning dacht
Het lijkt erop dat Darius, die nu oud was en de voortreffelijke gaven opmerkte waarmee Daniël boven alle andere vorsten begiftigd was, van plan was hem stadhouder over het koninkrijk van Babel te maken. Daaruit is de haat van de vorsten tegen Daniël voortgekomen.
Toen zochten de vorsten en de stadhouders
Uit nijdigheid, die ene moeder is van doodslag.
Hertaald:
Toen zochten de vorsten en de stadhouders
Uit afgunst, die een moeder van doodslag is.
gelegenheid te vinden,
Of, oorzaak, of aanleiding.
Hertaald:
gelegenheid te vinden,
Of: oorzaak, of aanleiding.
vanwege het koninkrijk;
Chaldeeuws, van de zijde des koninkrijks; dat is, in de bediening, die hem van den koning was opgelegd; zij letten naarstiglijk op al zijn handel en wandel, of hij zijn ambt wel en getrouwelijk bediende, of dat hij zich ergens in vergreep. Maar dit was tevergeefs, zij konden in hem niets vinden, gelijk straks gezegd wordt.
Hertaald:
vanwege het koninkrijk;
Chaldeeuws: van de zijde van het koninkrijk; dat is: in het ambt dat de koning hem opgedragen had. Zij letten nauwlettend op zijn hele doen en laten, of hij zijn ambt goed en trouw bediende of dat hij zich ergens aan vergreep. Maar dat was tevergeefs: zij konden niets in hem vinden, zoals meteen daarna gezegd wordt.
misdaad vinden,
Of, misslag, of corruptie.
Hertaald:
misdaad vinden,
Of: misslag, of corruptie.
vergrijping
Of, dwaling, fout.
Hertaald:
vergrijping
Of: dwaling, fout.
geen gelegenheid vinden,
Zo oprecht, vlijtig, voorzichtig en getrouw gedroeg zich Daniël in die hoge bediening, dat zijne vijanden zelfs den moed verloren gaven, om iets te kunnen uitvinden, dat enigen schijn van misdaad hebben zou.
Hertaald:
geen gelegenheid vinden,
Zo oprecht, ijverig, voorzichtig en trouw gedroeg Daniël zich in dat hoge ambt, dat zelfs zijn vijanden de moed opgaven om iets te vinden dat ook maar de schijn van een misdaad zou hebben.
in de wet zijns Gods
In den godsdienst, die hem in de wet des Heeren voorgeschreven is.
Hertaald:
in de wet zijns Gods
In de godsdienst die hem in de wet van de HEERE voorgeschreven is.
Zo kwamen deze vorsten en de stadhouders
Te weten als zij meenden middel gevonden te hebben om Daniël te betrappen in zijn godsdienst.
Hertaald:
Zo kwamen deze vorsten en de stadhouders
Namelijk toen zij meenden een middel gevonden te hebben om Daniël in zijn godsdienst te betrappen.
met hopen tot den koning,
Anders: met gedruis. En alzo hier onder vs.12, 16; zie de aantekening Ps. 2:1 .
Hertaald:
met hopen tot den koning,
Anders: met tumult. Zo ook hierna in vers 12 en 16; zie de aantekening bij Ps. 2:1.
de overheden en stadhouders,
Of, magistraten.
Hertaald:
de overheden en stadhouders,
Of: magistraten.
een verzoek doen zal
Chaldeeuws, ene begeerte begeren zal, of verzoek verzoeken zal.
Hertaald:
een verzoek doen zal
Chaldeeuws: een verzoek verzoeken zal, of een begeerte begeren zal.
van enigen god of mens,
De groten aan het hof van Darius zijn met zulk een nijdigheid tegen Daniël ingenomen, dat zij alle godzaligheid en godsdienst overhoop werpen, opdat zij Daniël van kant zouden mogen helpen, want dit is eigenlijk met dit plakkaat hun oogmerk geweest. Zij verbieden dengenen, die in nood waren, God aan te roepen; zij verbieden ook den kranken hulp bij de medicijnmeester te zoeken, hetwelk ten enenmale tegen de natuur was; nochtans heeft de koning dit getekend, vs.10, enz.
Hertaald:
van enigen god of mens,
De groten aan het hof van Darius waren zo vervuld van afgunst tegen Daniël, dat zij alle godzaligheid en godsdienst overhoop gooiden om Daniël uit de weg te kunnen ruimen — want dat was eigenlijk hun bedoeling met dit besluit. Zij verbieden hun die in nood waren God aan te roepen, en zij verbieden zelfs de zieken hulp bij de arts te zoeken, wat volkomen tegen de natuur inging; en toch heeft de koning dit ondertekend, vers 10, enzovoort.
dat niet veranderd worde,
Of, opdat het niet veranderd worde.
Hertaald:
dat niet veranderd worde,
Of: opdat het niet veranderd wordt.
naar de wet
Of, volgens het recht der Meden, enz. Vergelijk Est. 1:19 , en Est. 8:8 .
Hertaald:
naar de wet
Of: volgens het recht van de Meden, enzovoort. Vergelijk Est. 1:19 en Est. 8:8.
der Meden en der Perzen,
Die beide volken worden hier bij elkander gevoegd, omdat zij te dien tijde gelijkelijk van Cyrus en Darius werden geregeerd, naar sommiger gevoelen. Anderen houden het daarvoor, dat dit geschied is te Susan, ene provincie van Perzië, Dan. 8:2 ; [hoewel toenmaals den Chaldeën onderworpen] alwaar het recht der Meden en Perzen werd onderhouden.
Hertaald:
der Meden en der Perzen,
Deze twee volken worden hier samengenomen omdat zij in die tijd volgens sommigen gezamenlijk door Kores en Darius geregeerd werden. Anderen menen dat dit gebeurd is in Susan, een provincie van Perzië (Dan. 8:2) — hoewel die toen aan de Chaldeeën onderworpen was — waar het recht van de Meden en Perzen gehandhaafd werd.
niet mag wederroepen worden
Chaldeeuws, die niet passeert, of voorbijgaat; dat is, die niet veranderd wordt; alzo onder vs.13. Vergelijk deze manier van spreken met Matt. 24:35 , en met Marc. 13:31 .
Hertaald:
niet mag wederroepen worden
Chaldeeuws: die niet voorbijgaat; dat is: die niet veranderd wordt; zo ook vers 13. Vergelijk deze manier van spreken met Matth. 24:35 en Mark. 13:31.
Daarom
Of, ten dezen aanzien, of in alle manier. De zin is: de koning maakte gene zwarigheid dit plakkaat te ondertekenen, menende het te zijn een bewijs dat zij hem zo gehoorzaam waren, dat zij liever al hunne goden verloochenen en verzaken wilden dan hem te vertoornen.
Hertaald:
Daarom
Of: met het oog daarop, of: in alle opzichten. De betekenis is: de koning maakte er geen bezwaar tegen dit besluit te ondertekenen, omdat hij meende dat het een bewijs was dat zij hem zo gehoorzaam waren dat zij liever al hun goden zouden verloochenen dan hem te vertoornen.
opperzaal
Of, eetzaal, of zomerhuis.
Hertaald:
opperzaal
Of: eetzaal, of zomerhuis.
tegen Jeruzalem aan),
Dit doet Daniël, achtervolgens hetgeen er staat 1 Kon. 8:44 ; zie de aantekening aldaar, en Ps. 5:8 , met de aantekening.
Hertaald:
tegen Jeruzalem aan),
Dit doet Daniël overeenkomstig wat staat in 1 Kon. 8:44; zie de aantekening daar, en Ps. 5:8 met de aantekening.
drie tijden 's daags
Te weten des morgens eer hij enige zaken bij de hand nam; des middags toen hij inkwam om te eten; en des avonds eer hij te bed ging. Zie de aantekening Ps. 55:18 . Liever wilde Daniël sterven dan deze zijn gewoonlijken godsdienst nalaten.
Hertaald:
drie tijden 's daags
Namelijk 's morgens voordat hij enige zaken ter hand nam, 's middags wanneer hij binnenkwam om te eten, en 's avonds voordat hij naar bed ging. Zie de aantekening bij Ps. 55:18. Daniël wilde liever sterven dan deze gewoonte in zijn godsdienst nalaten.
deed belijdenis voor zijn God,
Of, loofde, dankte.
Hertaald:
deed belijdenis voor zijn God,
Of: loofde, dankte.
ganselijk
Of, in alle manieren, alleszins.
Hertaald:
ganselijk
Of: in alle opzichten, geheel en al.
met hopen,
Of, met gedruis; gelijk vs.7. Vergelijk Ps. 10:8-9 .
Hertaald:
met hopen,
Of: met tumult, zoals vers 7. Vergelijk Ps. 10:8-9.
voor zijn God
Dat is, openlijk, voor het aanschijn van God.
Hertaald:
voor zijn God
Dat is: openlijk, voor Gods aangezicht.
Het is een vaste rede,
De zaak is waar, het is een zekere en vaste zaak. Zij hadden den koning verstrikt eer hij wist of merkte dat het hun om Daniël te doen was.
Hertaald:
Het is een vaste rede,
De zaak is waar, het is een zekere en vaste zaak. Zij hadden de koning verstrikt voordat hij wist of merkte dat het hun om Daniël te doen was.
Daniël,
Zie de arglistigheid van deze boeven: hadden zij eerst laten blijken dat het hun om Daniël te doen was, zo zouden zij in gevaar en vrees gestaan hebben dat de koning hen niet zou gehoord hebben, maar nu openbaren zij zichzelven.
Hertaald:
Daniël,
Zie de sluwheid van deze booswichten: als zij eerst hadden laten blijken dat het hun om Daniël te doen was, zouden zij het gevaar gelopen hebben dat de koning niet naar hen geluisterd had; maar nu komen zij pas voor de dag.
een van de gevankelijk weggevoerden uit Juda
Dit voegen zij hierbij om Daniël vanwege zijn land en staat [zijnde een gevangen Jood] bij den koning hatelijk te maken, alsof zij zeiden: Dat een Babyloniër, Perziaan, of Meder dus ongehoorzaam ware, hij zou een zware straf verdienen: hoeveel meer een gevangen Jood.
Hertaald:
een van de gevankelijk weggevoerden uit Juda
Dit voegen zij eraan toe om Daniël vanwege zijn afkomst en positie — als een gevangen Jood — bij de koning gehaat te maken, alsof zij zeiden: als een Babyloniër, Pers of Meder zo ongehoorzaam was, zou hij een zware straf verdienen; hoeveel te meer dan een gevangen Jood.
heeft, o koning
Alsof zij zeiden: Hij heeft uwe majesteit klein, ja van gene waarde geacht, en hij heeft uwe wet niet gehoorzaamd; staat u dat te lijden, heer koning?
Hertaald:
heeft, o koning
Alsof zij zeiden: hij heeft uw majesteit gering, ja waardeloos geacht en heeft uw wet niet gehoorzaamd; kunt u dat dulden, heer koning?
op drie tijden 's daags zijn gebed
Te weten gelijk hij gewoon was te doen eer dit plakkaat afgekondigd was. Zie boven vs.11.
Hertaald:
op drie tijden 's daags zijn gebed
Namelijk zoals hij gewoon was te doen voordat dit besluit afgekondigd was. Zie hierboven vers 11.
was hij zeer bedroefd bij zichzelven,
Chaldeeuws eigenlijk, hij was zeer kwaad, of, was het zeer kwaad bij hem; dat is, hij werd zeer bedroefd, en hij was zeer moeilijk in zichzelven. Nu verstond hij eerst waartoe zijn plakkaat strekte, namelijk om Daniël van kant te helpen.
Hertaald:
was hij zeer bedroefd bij zichzelven,
Chaldeeuws eigenlijk: hij was zeer boos, of: het was zeer kwaad bij hem; dat is: hij werd zeer bedroefd en was zeer verontrust in zichzelf. Nu pas begreep hij waar zijn besluit toe diende: om Daniël uit de weg te ruimen.
bemoeide hij zich,
Of, was hij arbeidende, of bekommerd, of bezig.
Hertaald:
bemoeide hij zich,
Of: was hij in de weer, of bekommerd, of bezig.
Toen kwamen die mannen
Te weten toen zij zagen dat de koning wankelde en zijn best deed om Daniël uit hunne handen te verlossen en voor het werpen in den kuil der leeuwen te bevrijden.
Hertaald:
Toen kwamen die mannen
Namelijk toen zij zagen dat de koning weifelde en zijn best deed om Daniël uit hun handen te verlossen en te behoeden voor het werpen in de leeuwenkuil.
met hopen tot den koning,
Dus sterk kwamen zij, op hun verzoek des te groter aanzien en vermogen bij den koning hebben zou.
Hertaald:
met hopen tot den koning,
Zij kwamen in zo groten getale, opdat hun verzoek des te meer aanzien en gewicht bij de koning zou hebben.
Weet, o koning
Dit spreken zij als dreigende, want de koning wist wel wat der Meden en der Perzen wetten medebrachten, alsook wat er in zijne plakkaten stond.
Hertaald:
Weet, o koning
Dit zeggen zij bij wijze van dreiging, want de koning wist wel wat de wetten van de Meden en Perzen inhielden, en ook wat er in zijn eigen besluiten stond.
wet is,
Het was hun niet te doen om het recht of de wet der Perzen staande te houden, maar om Daniël van kant te helpen. Ook was dit een goddeloos recht of wet, want een besluit niet te willen veranderen als de rede zulks vereist, is tirannie; of, den koning en zijnen raad zulke volkomen wijsheid en bestendige rechtvaardigheid toe te schrijven, dat zij in het maken van wetten of besluiten van de gerechtigheid niet konden afwijken of missen, is hen tot goden maken.
Hertaald:
wet is,
Het was hun niet te doen om het recht of de wet van de Perzen te handhaven, maar om Daniël uit de weg te ruimen. Bovendien was dit een goddeloos recht of goddeloze wet. Want een besluit niet willen veranderen wanneer de rede dat vereist, is tirannie; en de koning en zijn raad zo'n volmaakte wijsheid en onwrikbare rechtvaardigheid toeschrijven dat zij bij het maken van wetten of besluiten niet van de gerechtigheid zouden kunnen afwijken, is hen tot goden maken.
Uw God, Dien gij geduriglijk eert,
Hier wenst Darius dat God zijn getrouwen dienaar Daniël wilde verlossen, bevindende dat hij [alhoewel hij tevoren geordineerd had, dat men van niemand iets dan van hem zou verzoeken] niet machtig was Daniël te helpen. Te gelijk geeft hier Darius genoegzaam te kennen dat het hem van harte leed was, dat hij Daniël moest laten werpen in den kuil der leeuwen, maar dat hij het niet kon verhinderen, zijnde daartoe gedwongen van de vorsten des rijks.
Hertaald:
Uw God, Dien gij geduriglijk eert,
Hier wenst Darius dat God Zijn trouwe dienaar Daniël zou willen verlossen, nu hij ondervindt dat hij zelf — hoewel hij tevoren bepaald had dat men van niemand anders dan van hem iets zou vragen — niet bij machte is Daniël te helpen. Tegelijk geeft Darius hier duidelijk te kennen dat het hem van harte speet dat hij Daniël in de leeuwenkuil moest laten werpen, maar dat hij het niet kon verhinderen omdat de vorsten van het rijk hem daartoe dwongen.
Die verlosse u
Of, die zal u verlossen.
Hertaald:
Die verlosse u
Of: Die zal u verlossen.
een steen gebracht,
In den tekst staat opzettelijk uitgedrukt dat het een, of een enige steen was, te weten een grote steen, om den mond, deur, of ingang van den kuil dich en vast toe te stoppen, opdat Daniël elk middel, van daaruit te kunnen komen, zou benomen wezen; want Daniël was vanwege zijne profetieën en uitleggingen der dromen, in groot vertrouwen, en door de bediening zijner grote ambten, bij een iegelijk in groot aanzien. Het schijnt dat die booswichten straks gemerkt hebben, dat de leeuwen zich van Daniël hebben onthouden, daarom hebben zij dezen groten steen en het zegel des konings, en hun aller zegel, daarop gezet.
Hertaald:
een steen gebracht,
In de tekst staat nadrukkelijk dat het één, of een enkele steen was, namelijk een grote steen, om de mond, deur of ingang van de kuil dicht en vast af te sluiten, opdat Daniël elk middel om eruit te komen ontnomen zou zijn. Want Daniël genoot vanwege zijn profetieën en droomuitleggingen groot vertrouwen en stond door de uitoefening van zijn hoge ambten bij iedereen in groot aanzien. Het lijkt erop dat die booswichten meteen gemerkt hebben dat de leeuwen zich van Daniël onthielden, en dat zij daarom deze grote steen en het zegel van de koning en van henzelf allen daarop gelegd hebben.
de koning verzegelde denzelven met zijn ring,
Dit is alzo, door Gods wonderbaarlijken raad geschied, opdat de verlossing van Daniël des te openbaarder zou blijken.
Hertaald:
de koning verzegelde denzelven met zijn ring,
Dit is zo gebeurd door Gods wonderlijke raad, opdat de verlossing van Daniël des te duidelijker zou blijken.
opdat de wil aangaande Daniël
Of, opdat er niets, of geen ding zou veranderd worden, aangaande Daniël. Want zij vertrouwden den koning niet, dewijl hij alrede zoveel moeite had aangewend om Daniël te verlossen.
Hertaald:
opdat de wil aangaande Daniël
Of: opdat er niets veranderd zou worden aangaande Daniël. Want zij vertrouwden de koning niet, aangezien hij al zoveel moeite gedaan had om Daniël te redden.
geen vreugdespel voor zich brengen;
Of, geen vermakelijk spel, of muziekspel, of muziekinstrumenten. Anders: hij liet geen tafel, of spijs, voor zich brengen. De zin is, hij onthield zich van alle dingen, die vermakelijk waren en die hem de droefheid hadden kunnen benemen of verlichten; zulk een zorg en bekommernis had hij over Daniël.
Hertaald:
geen vreugdespel voor zich brengen;
Of: geen vermakelijk spel, of muziekspel, of muziekinstrumenten. Anders: hij liet geen tafel of spijs voor zich brengen. De betekenis is: hij onthield zich van alles wat vermakelijk was en wat zijn droefheid had kunnen wegnemen of verlichten; zo bezorgd was hij over Daniël.
zijn slaap week verre van hem
Dat is, hij kon ook geenszins slapen, zo bekommerd was hij, omdat men hem zo had bedrogen en gedwongen Daniël in den kuil der leeuwen te werpen. Zie wat de conscientie in de mensen kan werken! zie Rom. 2:14-15 .
Hertaald:
zijn slaap week verre van hem
Dat is: hij kon ook helemaal niet slapen, zo bekommerd was hij, omdat men hem zo bedrogen en gedwongen had Daniël in de leeuwenkuil te werpen. Zie wat het geweten in de mens kan uitwerken; zie Rom. 2:14-15.
met haast henen
Anders: met beroering. Zie boven de aantekening Dan. 2:25 .
Hertaald:
met haast henen
Anders: met ontroering. Zie hierboven de aantekening bij Dan. 2:25.
antwoordde en zeide tot Daniël
Dat is, sprak, alzo doorgaans.
Hertaald:
antwoordde en zeide tot Daniël
Dat is: sprak; zo doorgaans.
des levenden Gods
Zie de aantekening Jer. 10:10 .
Hertaald:
des levenden Gods
Zie de aantekening bij Jer. 10:10.
heeft ook uw God,
Aan deze twijfeling blijkt genoegzaam dat de koning Darius tot den waren God nog niet bekeerd is geweest; want die waarlijk aan God geloven, twijfelen in het minst aan zijne almacht niet.
Hertaald:
heeft ook uw God,
Uit deze twijfel blijkt duidelijk genoeg dat koning Darius nog niet tot de ware God bekeerd was; want wie werkelijk in God gelooft, twijfelt niet in het minst aan Zijn almacht.
leef in eeuwigheid
Anders: de koning leve in eeuwigheid; dat is, God verlene den koning een lang leven.
Hertaald:
leef in eeuwigheid
Anders: de koning leve in eeuwigheid; dat is: God geve de koning een lang leven.
dat zij mij niet beschadigd hebben,
Aangaande de geestelijke bewaring, vergelijk Ps. 91:13 , en 1 Petr. 5:7 .
Hertaald:
dat zij mij niet beschadigd hebben,
Wat de geestelijke bewaring betreft, vergelijk Ps. 91:13 en 1 Petr. 5:7.
onschuld in mij gevonden is;
Of, oprechtheid, of zuiverheid. Hoewel de Heere door de godzaligheid der vromen bewogen wordt hun wel te doen, aangezien Hij zelf zich door een genadige belofte daartoe als verbonden heeft, en dat de rechtvaardigheid vereist dat Hij zijn genadige belofte volbrengt, 1 Tim. 4:8 ; 2 Thess. 1:5 , 2 Thess. 1:7 ; Hebr. 6:10 ; nochtans volgt daaruit geenszins dat de godzaligheid der mensen zulks verdient. Want door een genadige belofte ergens toe verbonden te zijn, en door verdienste daartoe eigenlijk verbonden te zijn, kunnen tezamen niet bestaan. Zie Rom. 11:6 . Zodat Daniël hier zijne gerechtigheid niet roemt, maar hij geeft te kennen dat hem God verlost heeft, om te doen blijken dat die godsdienst hem behaagde, die hij [ook met verlies van zijn leven] wilde behouden.
Hertaald:
onschuld in mij gevonden is;
Of: oprechtheid, of zuiverheid. Hoewel de HEERE door de godzaligheid van de vromen bewogen wordt hun goed te doen — aangezien Hij Zich daartoe door een genadige belofte als het ware verbonden heeft, en de rechtvaardigheid vereist dat Hij Zijn genadige belofte vervult (1 Tim. 4:8; 2 Thess. 1:5, 2 Thess. 1:7; Hebr. 6:10) — volgt daaruit volstrekt niet dat de godzaligheid van de mensen dat verdient. Want ergens toe verbonden zijn door een genadige belofte en er door verdienste toe verplicht zijn, kunnen niet naast elkaar bestaan. Zie Rom. 11:6. Daniël roemt hier dus niet op zijn eigen gerechtigheid, maar hij geeft te kennen dat God hem verlost heeft om te laten blijken dat de godsdienst Hem behaagde die Daniël — zelfs met verlies van zijn leven — wilde behouden.
geen misdaad gedaan
Chaldeeuws, gene verderving. Anders: en ook voor u, o koning, heb ik geen leed gedaan, of geen schade, dat de koning òf door mijne onvoorzichtigheid, òf door mijne ongetrouwheid, ergens enige schade zou geleden hebben. Daniël heeft wel het goddeloze plakkaat van den koning overtreden, maar dat heeft hij niet gedaan uit kleinachting van den koning, maar omdat hij den oppersten Koning eerst en vooral moest gehoorzamen. Men moet God vrezen, en den koning eren; 1 Petr. 2:17 .
Hertaald:
geen misdaad gedaan
Chaldeeuws: geen verderf. Anders: en ook tegen u, o koning, heb ik geen kwaad gedaan of schade toegebracht — dat de koning door mijn onvoorzichtigheid of mijn ontrouw ergens schade zou hebben geleden. Daniël heeft weliswaar het goddeloze besluit van de koning overtreden, maar dat deed hij niet uit geringschatting van de koning, maar omdat hij de hoogste Koning eerst en vooral moest gehoorzamen. Men moet God vrezen en de koning eren; 1 Petr. 2:17.
bij zichzelven
Of, over zichzelven, of daarover.
Hertaald:
bij zichzelven
Of: over zichzelf, of daarover.
zeer vrolijk,
Chaldeeuws, zeer goed. Zie de aantekening Richt. 16:25 .
Hertaald:
zeer vrolijk,
Chaldeeuws: zeer goed. Zie de aantekening bij Richt. 16:25.
trekken zou
Vermoedelijk is Daniël met koorden daaruit getrokken, gelijk met Jeremia geschied is, Jer 38 .
Hertaald:
trekken zou
Vermoedelijk is Daniël er met touwen uitgetrokken, zoals bij Jeremia gebeurd is, Jer. 38.
geen schade aan hem gevonden,
Of, verzering, kwetsing, leed.
Hertaald:
geen schade aan hem gevonden,
Of: verwonding, kwetsing, letsel.
dewijl hij in zijn God geloofd had
Dat is, dewijl hij op zijnen God vertrouwd had. Daniël zal wel niet geweten hebben dat hem God door zulk een wonder zou verlossen, maar hij heeft geloofd en vertrouwd dat God hem niet verlaten zou. Zie Fil. 1:21 . Wat het geloof in den almachtigen God vermag, zie ook Hebr. 11:7 , tot het einde van het hoofdstuk.
Hertaald:
dewijl hij in zijn God geloofd had
Dat is: omdat hij op zijn God vertrouwd had. Daniël zal wel niet geweten hebben dat God hem door zo'n wonder zou verlossen, maar hij heeft geloofd en vertrouwd dat God hem niet zou verlaten. Zie Filipp. 1:21. Wat het geloof in de almachtige God vermag, zie ook Hebr. 11:7 tot het einde van dat hoofdstuk.
overluid beschuldigd hadden,
Zie boven Dan. 3:8 .
Hertaald:
overluid beschuldigd hadden,
Zie hierboven Dan. 3:8.
zij wierpen in den kuil der leeuwen hen,
Alzo vallen zij in den put, dien zij voor Daniël gegraven hadden. Zie Est. 7:10 , wat Haman wedervaren is. Zie ook Ps. 7:16-17 , en Ps. 9:16-17 ; Spr. 26:27 , en Pred. 10:8 .
Hertaald:
zij wierpen in den kuil der leeuwen hen,
Zo vallen zij in de kuil die zij voor Daniël gegraven hadden. Zie Est. 7:10, wat Haman overkomen is. Zie ook Ps. 7:16-17 en Ps. 9:16-17; Spr. 26:27 en Pred. 10:8.
kinderen, en hun vrouwen;
Chaldeeuws, zonen. Onder den naam van zonen worden dikwijls in de Heilige Schrift ook de dochters begrepen.
Hertaald:
kinderen, en hun vrouwen;
Chaldeeuws: zonen. Onder de naam zonen worden in de Heilige Schrift vaak ook de dochters begrepen.
zij kwamen niet op den grond des kuils,
Dat is, eer zij op het onderste van den kuil, of op den vloer of bodem des kuils gekomen waren. Zie gelijke straf van God Dan. 3:22 . Zie ook Am. 5:19 .
Hertaald:
zij kwamen niet op den grond des kuils,
Dat is: voordat zij op de bodem van de kuil gekomen waren. Zie een soortgelijke straf van God in Dan. 3:22. Zie ook Amos 5:19.
heersten over hen,
Of, hadden de overhand over hen, of overweldigden hen, of waren meesters over hen.
Hertaald:
heersten over hen,
Of: hadden de overhand over hen, of overweldigden hen, of waren hun meester.
vermorzelden ook al hun beenderen
Of, vermaalden.
Hertaald:
vermorzelden ook al hun beenderen
Of: vermaalden.
alle volken, natiën en tongen,
Te weten staande onder zijn gebied, gelijk vs.27 uitgedrukt wordt; zie Dan. 2:39 , en Dan. 4:1 .
Hertaald:
alle volken, natiën en tongen,
Namelijk die onder zijn gezag stonden, zoals in vers 27 uitgedrukt wordt; zie Dan. 2:39 en Dan. 4:1.
van den God van Daniël;
De ware God [die aller gelovigen God is] wordt genoemd de God van Daniël, gelijk Hij genoemd wordt de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob, omdat Daniël Hem ijverig heeft geëerd en gediend.
Hertaald:
van den God van Daniël;
De ware God, Die de God van alle gelovigen is, wordt hier de God van Daniël genoemd, zoals Hij ook de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob genoemd wordt, omdat Daniël Hem ijverig geëerd en gediend heeft.
de levende God,
Zie boven vs.21.
Hertaald:
de levende God,
Zie hierboven vers 21.
Zijn koninkrijk is niet verderfelijk,
Zie Ps. 93:2 , en Dan. 4:3 .
Hertaald:
Zijn koninkrijk is niet verderfelijk,
Zie Ps. 93:2 en Dan. 4:3.
is tot het einde toe
Of, duurt. Hiermede wordt God onderscheiden van alle schepselen of creaturen, die altegaar vergankelijk of verderflijk zijn.
Hertaald:
is tot het einde toe
Of: duurt. Hiermee wordt God onderscheiden van alle schepselen, die stuk voor stuk vergankelijk zijn.
het geweld der leeuwen
Chaldeeuws, de hand; dat is uit de macht, uit het geweld der leeuwen. Alzo staat er Gen. 9:5 :van de hand aller gedierten; en Job 5:20 :van de hand des zwaards. Zie dergelijke voorbeelden meer in de aantekening aldaar.
Hertaald:
het geweld der leeuwen
Chaldeeuws: de hand; dat is: uit de macht, uit het geweld van de leeuwen. Zo staat er in Gen. 9:5: van de hand van alle gedierte, en in Job 5:20: van de hand van het zwaard. Zie daar de aantekening voor meer soortgelijke voorbeelden.
verlost
Al de voorgaande treffelijke eer, die Darius den waren God geeft, is geen bewijs dat hij dien voor den enigen waren God heeft aangenomen, anders zou hij alle valse godsdiensten hebben afgeschaft; maar het is alleen een eerlijke belijdenis van den waren God, waartoe hij gedrongen werd door de grote wonderheden, die hij voor zijne ogen zag, zonder dat hij nochtans de afgoden heeft verlaten.
Hertaald:
verlost
Al de voorafgaande voortreffelijke eer die Darius de ware God geeft, is geen bewijs dat hij Hem als de enige ware God aangenomen heeft; anders zou hij alle valse godsdiensten afgeschaft hebben. Het is alleen een eervolle belijdenis van de ware God, waartoe hij gedrongen werd door de grote wonderen die hij voor zijn ogen zag — zonder dat hij de afgoden verlaten heeft.
had voorspoed
Dewijl de godzaligheid de belofte heeft, niet alleen van het toekomende, maar ook van het tegenwoordige leven, 1 Tim. 4:8 , naardat God in zijn onfeilbare wijsheid oordeelt zijnen kinderen goed te wezen.
Hertaald:
had voorspoed
Aangezien de godzaligheid de belofte heeft, niet alleen van het toekomende maar ook van het tegenwoordige leven (1 Tim. 4:8), naar wat God in Zijn onfeilbare wijsheid goed acht voor Zijn kinderen.
in het koninkrijk van Kores,
Zie Dan. 1:21 .
Hertaald:
in het koninkrijk van Kores,
Zie Dan. 1:21.
*
De gehele 37ste Ps. past wel op de historie van dit zesde hfdst.
Hertaald:
*
De hele Psalm 37 past goed bij de geschiedenis van dit zesde hoofdstuk. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas De Meder, die het koninkrijk van de Chaldeen ontving na Belsazars dood, tweeënzestig jaar oud. Hij stelde Daniël aan tot een van de drie hoogste vorsten, maar werd door jaloerse ambtgenoten misleid tot een verbod op gebed, waardoor Daniël in de leeuwenkuil geworpen werd; toen Daniël ongedeerd bleek, liet Darius zijn belagers zelf in de kuil werpen en eerde hij de God van Daniël in het gehele rijk (Dan. 6). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Daniël wordt boven de andere vorsten gesteld, "daarom dat een voortreffelijke geest in hem was" (Dan. 6:4). Zijn tegenstanders zoeken een aanklacht, "maar zij konden geen gelegenheid noch misdaad vinden, dewijl hij getrouw was" (Dan. 6:5). Hun conclusie is de kern van dit gedeelte: "Wij zullen tegen dezen Daniel geen gelegenheid vinden, tenzij wij tegen hem iets vinden in te wet zijns Gods" (Dan. 6:6). Zij laten daarop de koning een verbod op alle gebed behalve aan hemzelf ondertekenen, "naar de wet der Meden en der Perzen, die niet mag wederroepen worden" (Dan. 6:9). Bijbelse betekenis: Merk op wat hier over Daniël gezegd wordt door zijn vijanden zelf. Zij zoeken jarenlang naar een misstap in zijn ambt en vinden er geen. Dat een tegenstander niets tegen iemand kan inbrengen dan zijn geloof, is zelf al een getuigenis. Let vervolgens op de wet die zij hem opleggen. Zij richten die niet tegen zijn bestuur maar tegen zijn gebed; zij kennen hem goed genoeg om te weten waar hij niet zal wijken. Let ten slotte op de onherroepelijkheid van de wet der Meden en Perzen. Zij bouwen een val die ook de koning zelf niet meer kan ontmantelen, en daarmee wordt hun eigen middel hun grootste risico, zoals het volgende hoofdstuk laat zien. Typologie: Petrus wordt in dezelfde positie gebracht en geeft hetzelfde antwoord: "Oordeelt gij, of het recht is voor God, ulieden meer te horen dan God. Want wij kunnen niet laten te spreken, hetgeen wij gezien en gehoord hebben" (Hand. 4:19-20). Dan. 6:1-9; Hand. 4:19-20 "Toen nu Daniel verstond, dat dit schrift getekend was, ging hij in zijn huis (hij nu had in zijn opperzaal open vensters tegen Jeruzalem aan), en hij knielde drie tijden 's daags op zijn knieen, en hij bad, en deed belijdenis voor zijn God, ganselijk gelijk hij voor dezen gedaan had" (Dan. 6:11). Bijbelse betekenis: Merk op wat hij niet doet. Hij verbergt zich niet, hij bidt niet zachter en hij verandert de richting van zijn vensters niet. Er staat uitdrukkelijk bij dat hij het deed zoals hij het altijd al deed. De wet verandert, zijn gewoonte niet. Let vervolgens op het detail van de open vensters naar Jeruzalem. De stad lag in puin en hij zou er zijn leven lang niet terugkeren. Toch bidt hij in die richting, als een teken dat zijn hart daar bleef; Salomo's gebed bij de tempelinwijding kon hem alleen nog als richting dienen. Let ten slotte op het getal drie. Diezelfde regelmaat staat elders in de Schrift. Driemaal daags klaagt de psalmdichter en Hij hoort zijn stem (Ps. 55:18); zevenmaal daags looft een andere psalm God (Ps. 119:164). Het is een vast ritme van gebed, niet als wet maar als gewoonte. Typologie: Toen Hizkia ziek was, keerde hij zijn aangezicht naar de wand en bad (Jes. 38:2), en zijn gebed werd verhoord. Vaste gewoonten van gebed hebben in de Schrift een lange geschiedenis, en zij houden stand juist wanneer zij onder druk komen. Dan. 6:10-11; Ps. 55:18; Ps. 119:164; Jes. 38:2-5 Tegen zijn wil moet de koning het bevel uitvoeren: "Toen beval de koning, en zij brachten Daniel voor, en wierpen hem in den kuil der leeuwen; en de koning antwoordde en zeide tot Daniel: Uw God, Dien gij geduriglijk eert, Die verlosse u!" (Dan. 6:17). De koning brengt de nacht slapeloos door (Dan. 6:19) en gaat in alle vroegte terug. Daniël antwoordt: "Mijn God heeft Zijn engel gezonden, en Hij heeft den muil der leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben, omdat voor Hem onschuld in mij gevonden is" (Dan. 6:23). Het hoofdstuk sluit met een brief van de koning aan alle volken: "Hij verlost en redt, en Hij doet tekenen en wonderen in den hemel en op de aarde" (Dan. 6:28). Bijbelse betekenis: Merk op wie in dit hoofdstuk het meest lijdt. Niet alleen Daniël in de kuil, maar ook de koning, die de hele nacht wakker ligt en zich verwijten maakt over een wet die hij zelf getekend heeft. Wie kwaad in gang zet, blijft er zelf niet buiten. Let vervolgens op de reden die Daniël geeft voor zijn redding: onschuld voor Hem gevonden. Niet zijn eigen verdienste staat voorop, maar wat God van hem vond. Let ten slotte op de uitkomst voor de koning. Hij wordt niet bekeerd op de manier van een profeet die preekt, maar door wat hij ziet; zijn brief aan alle volken is de tegenhanger van die van Nebukadnezar in het vorige boek (reeds behandeld bij Dan. 4:1-2,34-37). Typologie: Petrus wordt uit de gevangenis gered terwijl de gemeente voor hem bidt (Hand. 12:5-7), en ook daar is het een engel die de verlossing brengt. Wat een leeuwenkuil en een gevangenis gemeen hebben, is dat de mens er niets tegen vermag en God er alles vermag. Dan. 6:16-28; Dan. 4:1-2,34-37; Hand. 12:5-7 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding uitwerking Daniël is oud en staat aan het hoofd van het rijksbestuur. Zijn ambtgenoten zoeken een aanklacht en vinden er geen, en zij concluderen dat zij hem alleen kunnen pakken op de wet van zijn God. Zij laten de koning een besluit tekenen dat naar Perzisch recht niet meer kan worden ingetrokken. Een onschuldig veroordeelde gaat de kuil in, er komt een verzegelde steen op, en in de vroege morgen blijkt hij te leven. De val is met zorg gezet. Wie dertig dagen lang iets vraagt van een god of mens buiten de koning om, gaat de leeuwenkuil in. Daniël hoort het besluit en doet vervolgens precies wat hij altijd deed: hij ging in zijn huis en bad driemaal daags, met de vensters open naar Jeruzalem. Er staat uitdrukkelijk bij dat hij dit deed *gelijk hij van tevoren gedaan had*. Hij verandert niets, en hij verstopt zich niet. De koning ontdekt te laat dat hij zijn eigen vriend heeft veroordeeld, en hij spant zich tot zonsondergang in om hem te redden. Maar de wet van Meden en Perzen kan niet worden herroepen — de koning is gevangen in zijn eigen besluit. Wat hij bij het afscheid zegt is opmerkelijk uit de mond van een heiden: uw God, Dien gij geduriglijk eert, Die verlosse u. En dan volgt een detail dat men niet gauw vergeet: “En er werd een steen gebracht, en op den mond des kuils gelegd: en de koning verzegelde denzelven met zijn ring, en met den ring zijner geweldigen.” Een steen, en een zegel erop, opdat er niets aan veranderd kon worden. Die nacht eet de koning niet en slaapt hij niet. En dan: “Toen stond de koning in den vroegen morgenstond met het licht op, en hij ging met haast henen tot den kuil der leeuwen.” Hij roept met droeve stem, en er antwoordt een levende. Daniël legt zelf uit wat er gebeurd is, en hij noemt twee dingen: God heeft Zijn engel gezonden en de muil der leeuwen toegesloten, en de reden dat het gebeurde is dat er onschuld in hem gevonden is. Of dat de Engel des HEEREN was, staat er niet bij, en men doet er goed aan dat open te laten. Wel is het werk dat hier gedaan wordt precies wat die Engel elders doet: leiden en verdedigen. Wie deze geschiedenis leest met het Evangelie in het achterhoofd, ziet de omtrekken vanzelf. Een man tegen wie geen aanklacht te vinden was, wordt op grond van godsdienst veroordeeld door een gezagsdrager die hem eigenlijk wil vrijlaten en die daar de macht niet toe heeft. Er komt een steen voor de opening en een zegel erop. In de vroege morgen komt men er in haast heen, en men vindt hem levend. Maar de vergelijking moet niet verder getrokken worden dan zij draagt, en het verschil is groter dan de gelijkenis. Daniël werd bewaard vóór de dood; Christus is er doorheen gegaan. Daniël werd gered omdat er onschuld in hem gevonden was; Christus werd overgegeven hoewel er onschuld in Hem gevonden was. En de leeuwen die Daniël niet aanraakten, verscheurden even later zijn aanklagers — terwijl bij het kruis juist de schuldigen vrijuit gingen. In het Nieuwe Testament: Hebreeën 11:33; Mattheüs 27:60-66; Mattheüs 28:1-6; 1 Petrus 5:8; Lukas 23:14-22 Hoever dit reikt: Het Nieuwe Testament noemt Daniël 6 in Hebreeën 11, waar staat dat gelovigen door het geloof de muilen der leeuwen hebben toegestopt; van een afbeelding van Christus is daar geen sprake. Wat hier gelegd wordt is dan ook geen typologie maar een reeks overeenkomsten, en de post noemt zelf de verschillen die zwaarder wegen dan de gelijkenis. Over de engel in vers 23 zegt de tekst alleen dat God hem zond; of het de Engel des HEEREN is, staat er niet.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Wanneer wij onze plicht kennen, zijn de eerste gedachten de beste. Is de zaak kennelijk goed, denk er dan geen tweede maal over na, maar ga heen en doe ze. © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Daniël 6
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De steen op de mond van de kuil — 6:6-24
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten


Daniël 6
Daniël 6:2-4.KruisverwijzingenDaniël 5:12→Filippenzen 2:15→1 Petrus 3:16→1 Petrus 2:12→Daniël 5:29→Daniël 2:48→Daniël 5:16→Ezra 4:22→
— En het dacht Darius goed, dat hij over het koninkrijk stelde honderd en twintig stadhouders, die over het ganse koninkrijk zijn zouden; En over dezelve drie vorsten, van dewelke Daniel de eerste zou zijn, denwelken die stadhouders zelfs zouden rekenschap geven, opdat de koning geen schade leed. Toen overtrof deze Daniel die vorsten en die stadhouders, daarom dat een voortreffelijke geest in hem was; en de koning dacht hem te stellen over het gehele koninkrijk.
Koningen zijn nooit tevreden. Het rijk van Darius groeide voortdurend, en een hoofdstuk of twee verder lezen wij dat hij honderdzevenentwintig landschappen had. Er komt geen einde aan de begerigheid van de mens — en wat wint hij er ten slotte mee? Eén paar handen kan maar het werk van één mens doen. Hij wint alleen meer moeiten, en nu moet hij de zorgen van zijn rijk nog over anderen verdelen ook.
Hoe goed is het dan voor iemand wanneer hij aan een rechtschapen, eerlijke en hartelijke helper geholpen wordt! Dat was het deel van Darius. En hoe voordelig kan het ook voor het volk van God zijn wanneer een man als Daniël op de hoge plaatsen van het land gezet wordt! Ongetwijfeld werd hij niet alleen om zijnentwil verhoogd, maar ook om als een koperen schild en bolwerk voor het volk van God in dat vreemde land te zijn. Nu zouden er geen afpersingen meer tegen het Joodse volk gepleegd worden, want zij hadden een vriend aan het hof. Geloofd zij God, ook wij hebben een Vriend aan het hof: Eén Die onze zaak op Zich neemt en voor ons spreekt tot de Koning der koningen.
Daniël 6:5.KruisverwijzingenHandelingen 24:13→Handelingen 24:20→1 Samuël 24:17→Esther 3:8→Johannes 19:6→
— Toen zochten de vorsten en de stadhouders gelegenheid te vinden, tegen Daniel vanwege het koninkrijk; maar zij konden geen gelegenheid noch misdaad vinden, dewijl hij getrouw was, en geen vergrijping noch misdaad in hem gevonden werd.
Wie kan staande blijven voor de nijd? Hoge plaatsen bieden zeer ongemakkelijke zetels. Ook al verhoogt God een mens, mensen zullen proberen hem omlaag te halen. Maar het is werkelijk een eerbaar mens die zijn vijanden in verlegenheid brengt voordat zij ook maar iets tegen hem kunnen vinden.
Daniël 6:5-8.KruisverwijzingenHandelingen 24:13→Daniël 2:4→Esther 1:19→Daniël 6:15→Nehemia 2:3→Daniël 6:21→Daniël 3:6→Daniël 3:2→
— Toen zochten de vorsten en de stadhouders gelegenheid te vinden, tegen Daniel vanwege het koninkrijk; maar zij konden geen gelegenheid noch misdaad vinden, dewijl hij getrouw was, en geen vergrijping noch misdaad in hem gevonden werd. Toen zeiden die mannen: Wij zullen tegen dezen Daniel geen gelegenheid vinden, tenzij wij tegen hem iets vinden in te wet zijns Gods. Zo kwamen deze vorsten en de stadhouders met hopen tot den koning, en zeiden aldus tot hem: O koning Darius, leef in eeuwigheid! Al de vorsten des rijks, de overheden en stadhouders, de raadsheren en landvoogden hebben zich beraadslaagd een koninklijke ordonnantie te stellen, en een sterk gebod te maken, dat al wie in dertig dagen een verzoek zal doen van enigen god of mens, behalve van u, o koning! die zal in den kuil der leeuwen geworpen worden.
Wij weten niet met welke vernuftige redenen zij de koning tot dit besluit bewogen hebben, maar wij kunnen het ons wel voorstellen. Hij had juist Chaldea veroverd. Zij zullen dus gezegd hebben: het zal een uitstekende proef zijn op de gehoorzaamheid van uw nieuwe onderdanen wanneer u hen op het punt van hun godsdienst raakt. Beproef of zij zich dertig dagen lang van het aanroepen van hun goden onthouden.
Misschien ook dit: Darius had een medebestuurder op de troon, de jongere Cyrus, die veel geliefder was dan hij. Zij kunnen hem opgehitst hebben door te suggereren dat Cyrus veel te ijdel was. Stond hij niemand toe zelfs tot Cyrus een verzoek te richten, dan zou blijken wie werkelijk aan Darius trouw was. En het zou meteen de gezindheid van Cyrus beproeven. Ik kan niet zeggen hoe zij het gedaan hebben, maar op de een of andere manier wisten zij de dwaze oude man tot hun opzet te bewegen.
Daniël 6:9.KruisverwijzingenPsalmen 146:3→Psalmen 118:9→Jesaja 2:22→Spreuken 6:2→Psalmen 62:9→
— Nu, o koning! gij zult een gebod bevestigen, en een schrift tekenen, dat niet veranderd worde, naar de wet der Meden en der Perzen, die niet mag wederroepen worden.
De Babyloniërs vertrouwden hun koning een volstrekte macht toe; hij kon dus willen wat hij wilde. De Perzen geloofden dat hun koningen een volmaakte wijsheid bezaten, en daarom lieten zij nooit toe dat een wet veranderd werd. Dat zou immers veronderstellen dat de koning die haar gemaakt had zich vergist had, en dat kon onmogelijk voorkomen.
Een hedendaagse reiziger vertelt een vermakelijk voorval. Enkele jaren geleden zei een van de latere Perzische koningen dat hij zijn tent in de vlakte niet zou verlaten voordat de sneeuw van bepaalde bergen verdwenen was. Het werd een zeer late zomer en de sneeuw smolt maar niet, en zijne majesteit moest in zijn tent blijven terwijl zijn troepen in een laag moerasgebied aan koortsen bezweken. Ten slotte moesten er mannen gezocht worden om de sneeuw van de bergtoppen te vegen, opdat hij verder kon trekken.
Het is ongemakkelijk voor mensen om voor God te spelen; zij kunnen het niet zonder ernstige moeite en gevaar over zichzelf te brengen. Zo verging het Darius hier. Ik houd nooit van mensen die, wanneer zij een overhaast woord gesproken hebben, zeggen dat zij het niet veranderen kunnen. Onbezonnen geloften kunnen beter gebroken dan gehouden worden. U had niet het recht te zeggen dat u die zaak doen zou. En nog veel minder hebt u het recht haar te dóen omdat u gezegd hebt dat u het doen zou. De wet van de Meden en de Perzen kon echter niet veranderd worden.
Daniël 6:10-11.KruisverwijzingenHandelingen 5:29→Psalmen 95:6→Psalmen 55:17→Psalmen 37:32→Psalmen 5:7→1 Koningen 8:44→Filippenzen 4:6→Psalmen 34:1→
— Daarom tekende de koning Darius dat schrift en gebod. Toen nu Daniel verstond, dat dit schrift getekend was, ging hij in zijn huis (hij nu had in zijn opperzaal open vensters tegen Jeruzalem aan), en hij knielde drie tijden 's daags op zijn knieen, en hij bad, en deed belijdenis voor zijn God, ganselijk gelijk hij voor dezen gedaan had.
Dat is goed: hoe minder wij met mensen te doen hebben en hoe meer met God, hoe beter. Hij ging niet naar de koning om te klagen, maar hij ging zijn huis binnen om het zijn God te vertellen.
Daniël 6:11.KruisverwijzingenPsalmen 37:32→Daniël 6:6→Psalmen 10:9→
— Toen nu Daniel verstond, dat dit schrift getekend was, ging hij in zijn huis (hij nu had in zijn opperzaal open vensters tegen Jeruzalem aan), en hij knielde drie tijden 's daags op zijn knieen, en hij bad, en deed belijdenis voor zijn God, ganselijk gelijk hij voor dezen gedaan had.
Jeruzalem was die zeer geliefde stad, hoewel zij nu in puin lag. Het was dapper gedaan. Iemand in een geringere stand had zijn godsdienstoefening zonder zonde in het verborgen kunnen houden, maar Daniël niet. Hij is een man die anderen vertegenwoordigt; hij mag de lafaard niet spelen. Het is zijn plicht om des te opzettelijker en des te openlijker te zijn in alles wat hij doet. Want als men hem ook maar een klein beetje ziet wegkruipen, verliezen alle heiligen de moed.
Daniël was altijd een man van gebed. Was hij groot voor het volk, dan was dat omdat hij groot was voor zijn God. Hij wist hoe hij de goddelijke sterkte moest aangrijpen, en zo werd hij sterk. Hij wist hoe hij de goddelijke wijsheid moest bestuderen, en zo werd hij wijs.
Er staat dat hij naar zijn huis ging om te bidden. Hij was een groot man, de hoogste in het land, en hij had dus grote openbare plichten. Waarschijnlijk zat hij een groot deel van de dag als rechter, en zijn leven ging op in de verschillende staatsambten waarin hij de gunsten van de koning uitdeelde. Maar hij bad niet in zijn ambtsvertrek — behalve natuurlijk dat zijn hart de hele dag door in aanbidding tot zijn God opklom. Het was zijn gewoonte om naar zijn huis te gaan om te bidden. Daaruit blijkt dat hij van het gebed een zaak van gewicht maakte. En omdat het hem noch gelegen kwam noch aangenaam was om te midden van afgodendienaars te bidden, had hij in zijn eigen huis een kamer voor het gebed afgezonderd.
Toen de koning zei dat hij niet mocht bidden, beraadde Daniël zich geen ogenblik. Hij ging naar zijn huis en bad in de morgen. Hij ging naar zijn huis en bad op de middag. En hij trok zich in zijn huis terug en bad bij het vallen van de avond. Hij veranderde niets aan zijn gewoonte. De tijd was dezelfde, de houding was dezelfde, en het geopende venster was hetzelfde. Er was geen enkele voorzorg om te verbergen dat hij ging bidden, en geen enkele uitvlucht terwijl hij bad. Zijn geloof was standvastig, zijn gemoed onbewogen, zijn gedrag eenvoudig en ongekunsteld.
Laten wij zijn zoals Daniël. Wij leven onder vreemdelingen en buitenlanders, goddeloos in al hun gedachten en gewoonten. God geve ons toch de genade om de inzettingen en geboden van de HEERE begeerlijker te achten dan rijkdom of eer. Zo zullen wij God eren en Christus verheerlijken, op een manier waartoe niets anders dan vastberadenheid van karakter ons brengen kan. God geve ons allen Christus tot Zaligmaker, en dat wij tot Zijn lof leven!
Daniël 6:12-14.KruisverwijzingenDaniël 6:8→Markus 6:26→Daniël 3:12→Daniël 2:25→Esther 1:19→Daniël 3:8→Esther 3:8→Daniël 5:13→
— Toen kwamen die mannen met hopen, en zij vonden Daniel biddende en smekende voor zijn God. Toen kwamen zij nader, en spraken voor den koning van het gebod des konings: Hebt gij niet een gebod getekend, dat alle man, die in dertig dagen van enigen god of mens iets verzoeken zou, behalve van u, o koning! in den kuil der leeuwen zou geworpen worden? De koning antwoordde en zeide: Het is een vaste rede, naar de wet der Meden en Perzen, die niet mag wederroepen worden. Toen antwoordden zij, en zeiden voor den koning: Daniel, een van de gevankelijk weggevoerden uit Juda heeft, o koning! op u geen acht gesteld, noch op het gebod dat gij getekend hebt; maar hij bidt op drie tijden 's daags zijn gebed.
Wat een onbeschaamdheid! Maar zij noemden Jezus Christus ook “deze”. Waarom? Daniël was de eerste van de vorsten, de eerste minister van de koning, en toch zeggen zij: “Daniel, een van de gevankelijk weggevoerden uit Juda”. Kwade harten hebben in de regel kwade monden, en wat kunt u anders verwachten dan kwade woorden uit kwade monden?
Daniël 6:14.KruisverwijzingenMarkus 6:26→Johannes 19:7→2 Samuël 3:28→Mattheüs 27:17→Daniël 3:13→Lukas 23:13→
— Toen antwoordden zij, en zeiden voor den koning: Daniel, een van de gevankelijk weggevoerden uit Juda heeft, o koning! op u geen acht gesteld, noch op het gebod dat gij getekend hebt; maar hij bidt op drie tijden 's daags zijn gebed.
Die balling, die slaaf, die lijfeigene — zo lijken zij het te stellen, en zij vergaten dat hij door zijn hoge ambt hun meester was.
Daniël 6:15.KruisverwijzingenEsther 8:8→Daniël 6:12→Psalmen 94:20→Daniël 6:8→
— Toen de koning deze rede hoorde, was hij zeer bedroefd bij zichzelven, en hij stelde het hart op Daniel om hem te verlossen; ja, tot den ondergang der zon toe bemoeide hij zich, om hem te redden.
Er was nog een beetje geweten over. Calvijn mag de man in het geheel niet. Hij vraagt: met welk recht tekende hij haastig een besluit dat de besten in zijn rijk het leven kon kosten? En zijn berouw lijkt geen berouw over de dáád te zijn, maar alleen over de gevolgen.
Hier was een groot koning, die zich voor een god uitgaf, en toch kan hij zijn eigen zin niet doen. Die beroemde pottenbakker was een waar christen. Toen hij voor de koning gebracht werd, zei die tegen hem: tenzij u van gedachten verandert, zal ik gedwongen zijn u te laten verbranden. Ach, zei Bernard de Palissy, u bent een koning en u zegt: ik zal gedwongen zijn. En ik ben een arme pottenbakker, maar niemand kan mij die woorden laten gebruiken; ik zal tot niets gedwongen worden dat tegen mijn geweten ingaat.
Och, de heilige dapperheid van mensen die zalig gemaakt zijn! Toen Bonner een van de martelaren voor zich had, zei hij: ik zal u wel overtuigen; een brandende takkenbos zal u overtuigen. Uw takkenbos kan mij niet schelen, zei de man, en een wagenvracht evenmin; ik kan beter staan en branden dan u uw mijter kunt dragen. Zo zijn de heiligen van God sterk en kunnen zij de tegenstander door de goddelijke genade tarten.
Daniël 6:16.KruisverwijzingenPsalmen 37:39→Job 5:19→Daniël 3:28→Daniël 3:17→Daniël 6:20→Jesaja 43:2→Psalmen 118:8→Psalmen 91:14→
— Toen kwamen die mannen met hopen tot den koning, en zij zeiden tot den koning: Weet, o koning! dat der Meden en der Perzen wet is, dat geen gebod noch ordonnantie, die de koning verordend heeft, mag veranderd worden.
Hier ligt de reden van zijn verlossing: niet zijn onschuld, maar zijn geloof. Paulus zegt ons dat het het geloof was dat “de muilen der leeuwen toegestopt” heeft.
Daniël 6:17-25.KruisverwijzingenHebreeën 11:33→2 Timotheüs 4:17→Daniël 2:1→Esther 6:1→Daniël 3:17→Psalmen 91:11→Daniël 3:28→Daniël 4:1→
— Toen beval de koning, en zij brachten Daniel voor, en wierpen hem in den kuil der leeuwen; en de koning antwoordde en zeide tot Daniel: Uw God, Dien gij geduriglijk eert, Die verlosse u! En er werd een steen gebracht, en op den mond des kuils gelegd: en de koning verzegelde denzelven met zijn ring, en met den ring zijner geweldigen, opdat de wil aangaande Daniel niet zou veranderd worden. Toen ging de koning naar zijn paleis, en overnachtte nuchteren, en liet geen vreugdespel voor zich brengen; en zijn slaap week verre van hem. Toen stond de koning in den vroegen morgenstond met het licht op, en hij ging met haast henen tot den kuil der leeuwen. Als hij nu tot den kuil genaderd was, riep hij tot Daniel met een droeve stem; de koning antwoordde en zeide tot Daniel: O Daniel, gij knecht des levenden Gods! heeft ook uw God, Dien gij geduriglijk eert, u van de leeuwen kunnen verlossen? Toen sprak Daniel tot den koning: O koning, leef in eeuwigheid! Mijn God heeft Zijn engel gezonden, en Hij heeft den muil der leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben, omdat voor Hem onschuld in mij gevonden is; ook heb ik, o koning! tegen u geen misdaad gedaan. Toen werd de koning bij zichzelven zeer vrolijk, en zeide, dat men Daniel uit den kuil trekken zou. Toen Daniel uit den kuil opgetrokken was, zo werd er geen schade aan hem gevonden, dewijl hij in zijn God geloofd had. Toen beval de koning, en zij brachten die mannen voor, die Daniel overluid beschuldigd hadden, en zij wierpen in den kuil der leeuwen hen, hun kinderen, en hun vrouwen; en zij kwamen niet op den grond des kuils, of de leeuwen heersten over hen, zij vermorzelden ook al hun beenderen.
Dat de vrouwen en de kinderen mee in de kuil geworpen werden, was een stuk onrecht — al kunnen wij dat niet zeggen van het werpen van de mannen zelf.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
VI. Vs. 1-28KruisverwijzingenDaniël 5:12→Filippenzen 2:15→1 Petrus 3:16→1 Petrus 2:12→Handelingen 24:13→Daniël 2:4→Esther 1:19→Daniël 6:15→
— Darius, de Meder nu, ontving het koninkrijk, omtrent twee en zestig jaren oud zijnde. En het dacht Darius goed, dat hij over het koninkrijk stelde honderd en twintig stadhouders, die over het ganse koninkrijk zijn zouden; En over dezelve drie vorsten, van dewelke Daniel de eerste zou zijn, denwelken die stadhouders zelfs zouden rekenschap geven, opdat de koning geen schade leed. Toen overtrof deze Daniel die vorsten en die stadhouders, daarom dat een voortreffelijke geest in hem was; en de koning dacht hem te stellen over het gehele koninkrijk. Toen zochten de vorsten en de stadhouders gelegenheid te vinden, tegen Daniel vanwege het koninkrijk; maar zij konden geen gelegenheid noch misdaad vinden, dewijl hij getrouw was, en geen vergrijping noch misdaad in hem gevonden werd. Toen zeiden die mannen: Wij zullen tegen dezen Daniel geen gelegenheid vinden, tenzij wij tegen hem iets vinden in te wet zijns Gods. Zo kwamen deze vorsten en de stadhouders met hopen tot den koning, en zeiden aldus tot hem: O koning Darius, leef in eeuwigheid! Al de vorsten des rijks, de overheden en stadhouders, de raadsheren en landvoogden hebben zich beraadslaagd een koninklijke ordonnantie te stellen, en een sterk gebod te maken, dat al wie in dertig dagen een verzoek zal doen van enigen god of mens, behalve van u, o koning! die zal in den kuil der leeuwen geworpen worden. Nu, o koning! gij zult een gebod bevestigen, en een schrift tekenen, dat niet veranderd worde, naar de wet der Meden en der Perzen, die niet mag wederroepen worden. Daarom tekende de koning Darius dat schrift en gebod.
, Even als de geschiedenis in Hoofdst. 5 zeer na verwant is aan die in Hoofdst. 4, zo is nu weer het voor ons liggende Hoofdstuk 6, wat zijn inhoud aangaat, verwant aan Hoofdstuk 3. In beide verhalen komen leden van het Godsrijk voor, door de wereldmacht onderdrukt en vervolgd en toch tegenover hen behouden en voor een ogenblik haar overwinnende, met dit onderscheid, dat het in Hoofdst. 3 te doen is om de erkenning van de wereldmacht in hare grootheid en heerlijkheid, en hier om verloochening van God en van de geloofsgemeenschap met Hem, Toen namelijk Darius, de Mediër het Babylonische rijk had ingenomen en nu tot betere regeling der inkomsten 120 Satrapen in het land stelde, over welke weer drie opperstadhouders werden gesteld bemerkte hij spoedig dat onder deze drie Daniël de bekwaamste en vertrouwbaarste was, zodat hij er over dacht hem tot den tweeden naast zich, of tot Grootvizier te maken (Gen. 41:33, 43). Daardoor wekte hij den nijd op der overige hoofdambtenaren tegen dezen zijnen gunsteling, en deze zochten nu naar ene gelegenheid om hem te doen vallen, Op een misslag in ‘s konings dienst konden zij hem bij zijne trouw en nauwgezetheid niet betrappen, alzo bleef hun niets over, dan hem van de zijde van den godsdienst een strik te leggen. Zij verkrijgen vervolgens van Darius een in den Vorm van ene onherroepelijke wet uitgevaardigd edikt, hetwelk voor den tijd van dertig dagen elk gebed tot enig God of mens behalve tot den koning op straf des doods verbiedt. Toen Daniël, gelijk zij listig berekend hadden, op zijne gewone wijze voortging tot zijnen God te bidden, dringen zij er bij den koning op aan, hoe gaarne die hem ook had gered, dat hij de straf doe voltrekken, en hem in den kuil der leeuwen late werpen. De Heere houdt echter door Zijnen Engel den leeuwen den muil toe, zodat zij Zijnen trouwen knecht niet kunnen aantasten. Darius, die den volgenden morgen vroeg zelf naar den kuil komt, daar ene schemering van hoop voor den hem zo dierbaar geworden man zijn verontrust gemoed verhelderd, vindt zijne hoop vervuld, Laat den zo wonderbaar bij het leven bewaarde uit den kuil ophalen, en zijne tegenstanders en aanklagers met vrouw en kind daarin storten; in een nieuw edikt beveelt hij aan alle volken van zijn rijk den God van Israël te eren, en hij verheft Daniël tot hoge waardigheden, in welke hij ook onder Cyrus, den Pers, blijft.
Darius, de Meder, nu, met zijnen gewonen naam Cyraxares II (2 Kron. 36:20) genoemd, ontving het koninkrijk, omtrent twee en dertig jaren oud zijnde (vgl. Hoofdst. 9:1). Van Nabonnedus, een uit de Babyloniërs, dien volgens de boven (vs. 2 1) medegedeelde berichten van Berosus, de zamengezworenen op den troon plaatsen, verhaalt deze berichtgever: “Onder hem werd de muur van Babylon nog beter opgebouwd; toen echter zijne regering in het 17dejaar was, kwam Cyrus uit Perzië met ene grote macht, en greep, nadat hij het overige van Azië onder zijne macht gebracht had, ook Babel aan. Nabonnedus trok hem te gemoet bezweek in den slag, vluchtte met een klein geleide en werd in Borsippus ingesloten. Cyrus, nadat hij Babel veroverd en de werken geslecht had, trok tegen Borsippus op en belegerde Nabonnedus, deze moest zich overgeven, maar Cyrus behandelde hem goed; hij verwijderde hem wel van Babel, maar wees hem toch in Karmanië ene eervolle woonplaats aan, waar hij ook later gestorven is. Dit bericht van Berosus moeten wij uit de Cyropaedie van Xenophon nader aanvullen, zowel ten opzichte van Cyrus als van Nabonnedus, in wiens persoon twee heersers van dien naam (vader en zoon, de eerste een goed man de tweede daarentegen een boos mens) tot één persoon verenigd zijn (ook Herodotus spreekt van Labynetus I en Labynetus II, hoewel de Babylonische geschiedenis door hem zeer verward wordt voorgesteld): “De Medische koning Astyages (regeerde 593-558 voor Chr. zie 2 Kon. 22:2), zoon van Cyraxares I, gaf zijne dochter Mandane aan den Perzischen koning Kambyses, die onder Medisch opperbestuur stond, ter vrouw. Deze baarde hem (ongeveer in het jaar 574 v. C.) Cyrus, Nadat deze zich van zijn 12e tot 16e levensjaar aan het Medische hof had opgehouden, en pas weer in het ouderlijk huis teruggekeerd was, stierf Astyages en volgde hem zijn zoon Cyraxares II, broeder van Mandane en oom van Cyrus op. Nu sloot verder de Lydische koning Kroesus met den koning der Assyriërs, (onder dezen koning is zonder twijfel Nabonnedus I te verstaan), een verbond tot onderwerping van Meden en Perzen. Over het verenigde leger der laatsten kreeg Cyrus het opperbevel. Toen nu een zegerijken slag, in welken Nabonnedus I het leven verloor, Cyraxares verder aan den oorlog geen deel meer wilde nemen, zette Cyrus, met toestemming van zijnen oom, den strijd tegen Nabonnedus II, den zoon en opvolger van den vorigen Nabonnedus, zo gelukkig voort, dat hij het leger des verbondene vijanden vernietigde. Cyraxares, die zich intussen aan zwelgerij had overgegeven, geraakte in toorn tegen zijn neef, en kwam met hem in tweespalt; deze liet zich echter niet terughouden; om zijne overwinnaarsloopbaan verder voort te zetten, hij wist door enen zekeren Gobryas heimelijke verbintenissen met Babylon aan te knopen, en drong Nabonnedus tot in zijne hoofdstad terug. Nu zond Cyrus ene boodschap aan Cyraxares, dat hij kon komen, om het veroverde in bezit te nemen en den oorlog te besluiten. Deze verscheen ook werkelijk in het leger, waar hij zich van de macht van zijnen neef overtuigde, van hem overvloedig middelen uit den gemaakten buit ontving, om zijn overdadig leven voort te zetten, en bij de oorlogsberaadslagingen den voorrang als koning te hebben. Nadat intussen de Babylonische koning de verbintenis met Croesus vernieuwd had, liet Cyrus zijnen oom met het derde deel van het leger ter bewaking van het land achter; hij zelf wendde zich tegen Croesus, veroverde diens hoofdstad Sardus, en nam Croesus gevangen. Toen vervolgens ook Vóór-Azië onderworpen was, ging hij tot de belegering van Babel over en nam hij de stad in den nacht, gedurende een gastmaal, in (2 Kron. 36:20), de koning werd gedood (het is moeilijk te beslissen, of dit bericht van Xenophon boven dat van Berosus moet gesteld worden, of omgekeerd, in elk geval ontbreekt voor de gewone opvatting van vs. 30 (zie Hoofdst. 5:30), waarbij men aan het doden van Nabonnedus door Cyrus denkt, een genoegzaam bewezen feit der geschiedenis, vgl. Jes. 14:19 2). Het leger behandelde van nu aan Cyrus reeds als koning, en deze begon zich ook reeds in Babylon koninklijk in te richten; evenwel liet hij aan Cyraxares zijne eer, plaatste zich voor hem, die bij de laatste ondernemingen niet tegenwoordig geweest was in Medië, bracht hem rijke geschenken, en toonde hem aan, dat in Babylon een huis en paleis voor hem bestemd was, om daarin te wonen, wanneer hij daarheen kwam. Cyraxares nu gaf hem zijne dochter ter vrouw en aan haar geheel Medië als gift, daar hij geen zoon had; het kwam ook tot de bruiloft (nadat Cyrus nog te voren bij zijnen vader in Perzië geweest was) en later tot het in bezit nemen van het verenigde Medisch-Perzische rijk; Cyrus is echter gestorven bij een tweede oponthoud in Perzië, in het zevende jaar zijner regering, ” Het grootste gedeelte der uitleggers van Daniël, dat onder Belsazar, den zoon van Nebukadnezar, Evil-Merodach, verstaat, die door zijnen zwager Neriglissar vermoord werd, neemt tussen de gebeurtenissen in vs. 30 van het vorige hoofdstuk en het onze, een tussentijd van ongeveer 20 jaren aan. Terwijl het daar als in het jaar 560 geschied gehouden werd, zouden wij hier aan het jaar 538 moeten denken, in hetwelk Cyrus Babylon innam en het rijk zijnen oom Cyraxares ter besturing overgaf. Wij van onze zijde daarentegen, die onder Belsazar, den kleinzoon van Nebukadnezar, Laborosoarchod verstaan, dien de Babylonische groten ombrachten. twijfelen geen ogenblik, of de in ons hoofdstuk medegedeelde geschiedenis valt nog in den tijd, onmiddellijk na het vermoorden van Belsazar, toen Darius, de Meder zijn recht als opperbestuurder over Babylon deed gelden en de des betreffende schikkingen maakte, dus nog in het jaar 556 vóór Christus. Cyraxares II komt daar voor, geheel overeenkomstig zijn van elders bekend karakter. Even als hij later Cyrus liet handelen en besturen, terwijl hij zelf in zinnelijk genot zwelgde, zo laat hij ook hier zich door de groten, van zijn rijk tot het uitgeven van een edict bewegen, zonder dat hij duidelijk weet welke de beweegredenen daartoe zijn; hij laat zich tot de uitvoering daarvan dringen, hoe smartelijk hem ook de toepassing op Daniël zij. Wij plaatsen ons dus in onze opvattingen, tegenover het grootste gedeelte der uitleggers, die, over de aanleiding tot het gezicht in Hoofdst. 9 gene bevredigende verklaring kunnen geven, en plaatsen dat gezicht in het jaar 555 vóór Christus, dus onmiddellijk na Daniëls verlossing uit den leeuwekuil, en de opening van ene nieuwe, gelukkige loopbaan voor hem, ook in het Medo-Perzische wereldrijk (Hoofdst. 6:23 Ondanks al zijn voorspoed, is het den man Gods toch niet wel bij den zetel van de macht der wereld, en zijne persoonlijke verlossing van den druk en van de vervolgingszucht dezer wereldmacht, doet hem het verlangen naar de verlossing van zijn volk uit de dienstbaarheid van Babel niet vergeten. Hoe nu juist het jaar 556 vóór Christus, dat schijnt te zijn, waarmee de Babylonische dienstbaarheid moest eindigen, hoewel de toestanden nog in het geheel niet aan Israëls verlossing deden denken, hebben wij bij 2 Kon. 25:27 2 reeds uit elkaar gezet. Toen spoedig na dit gezicht, Darius, de Meder zich weer uit Babylon terugtrok en aan den Babyloniër Nabonnedus, als zijnen vazal, de regering van dat rijk overliet, kwam voor Daniël ook van buiten af de oplossing, dat de 70 jaren van de Babylonische dienstbaarheid nog niet ten einde waren, hoewel de Chaldeeuwse Dynastie reeds was bezweken; er bestond nu toch weer ene Babylonische heerschappij onder dezen zelfden Nabonnedus. De nieuwe tijd was intussen in dezen aanvang reeds begrepen, in zo verre om den wille der Medische opperheerschappij, het Medisch-Perzische rijk reeds begonnen was, en daaruit volgens de openbaringen in Hoofdst. 7:5, eerst een Perzisch-Medisch moest ontstaan, waarop ook het woord Upharsin in vs. 25 van het vorige hoofdstuk doelde (Perez vs. 28), en waarop tevens de voorzeggingen van Jesaja vertroostend wezen. De gehele tijd, van 556-536 vóór Christus, is diensvolgens ene periode van overgang, doch van zeker bepaalden duur: het nieuwe was reeds aanwezig, doch werd nog onder het oude verborgen, gelijk dit zo dikwijls in de geschiedenis van het Godsrijk het geval is. en voor de ruines van Babel
En het dacht Darius goed, toen hij bij het te niet gaan der dynastie van Nebukadnezar zijne rechten op de opperheerschappij van Medië weer had doen gelden, dat hij over het koninkrijk stelde honderd en twintig stadhouders, die over het ganse koninkrijk zijn zouden;
En over dezelve drie vorsten, van welke Daniël de eerste zijn zou (een zijn zou); denwelken die stadhouders zelfs zouden rekenschap geven, opdat de koning gene schade leed; die stadhouders waren over alles gezet, zelfs de rekening nam de koning niet zelf op, hij liet ook dit door hen geschieden, en zo waren zij er toe gesteld, dat alles goed zou bestuurd worden, en die koning in zijne inkomsten gene schade zou lijden.
Toen overtrof Daniël die vorsten en die stadhouders, daarom dat een voortreflijker Geest in hem was (Hoofdst. 5:12), en de koning dacht hem, als den naaste na zich, als eersten minister (2 (Kron. 28:7. Esth. 10:3) te stellen over het gehele koninkrijk. 1)
De Profeet verhaalt nu, dat er plotseling een beproeving is ontstaan, welke zowel hem als het uitverkorene volk het gemoed in beroering kon brengen. Want ofschoon Daniël alleen werd verwezen naar den kuil der leeuwen, zoals wij later zullen zien, toch zou, indien hij niet bevrijd ware geworden, de toestand van het volk harder en wreder zijn geweest. Wij weten nu dat goddeloze mensen lichtvaardig met de ellendigen en onschuldigen durven spotten, wanneer zij zien dat iets dergelijks aan hun tegenstanders te beurt valt. Indien dus Daniël was verscheurd door de leeuwen, zouden allen zonder enigen twijfel tegen de Joden zijn opgestaan. God heeft dus niet alleen het geloof en het geduld van Zijn knecht willen oefenen, maar ook alle Joden door dezelfde beproeving beproefd, dewijl zij zagen dat zij in den persoon van één persoon, het ergste zouden hebben te duchten, indien God niet snel hulp had verschaft, zoals Hij heeft gedaan.
Toen zochten de beide andere vorsten en de honderd en twintig stadhouders gelegenheid te vinden tegen Daniël van wege het koninkrijk, zij zochten in politiek opzicht iets te vinden, om hem te doen vallen, maar zij konden gene gelegenheid noch misdaad vinden van de zijde van zijn gedrag als rijksbeambte, dewijl hij getrouw was, en gene vergrijping noch misdaad in hem gevonden werd.
Toen zeiden die mannen bij hun onderlinge beraadslagingen (Ps. 94:21) tegen elkaar: Wij zullen tegen dezen Daniël gene gelegenheid vinden, tenzij wij tegen hem iets vinden in de wet zijns Gods 1) in zijnen bijzonderen godsdienst, door welken hij nog het gemakkelijkst in een conflict met de wetten van den Staat kan gewikkeld worden.
Zij erkennen dus daarmee dat Daniël geheel boven hun blaam verheven is, dat zij niets op zijn handel en wandel kunnen aanmerken. Zij weten ook geen aanmerking te maken op zijn godsdienst, alleen hopen zij daaruit aanleiding te kunnen vinden, om hem uit zijn hogen post te stoten.
Zo kwamen, nadat zij ook middelen en wegen bedacht hadden om zulk een conflict te weeg te brengen, deze vorsten en de stadhouders met hopen, in ene grote menigte, tot den koning, hem met stormachtige voorstellen overredende tot hetgeen zij bedacht hadden en zij zeiden aldus tot hem: O koning Darius, leef in eeuwigheid (Hoofdst. 2:4; 3:9; 5:10)!
Al de vorsten des rijks, de overheden en stadhouders, de raadsheren en landvoogden (Hoofdst. 3:2) hebben zich beraadslaagd, om uwe erkenning als rechtmatig bestuurder van het rijk in het gehele land te bevestigen, ene koninklijke ordonnantie te stellen, en een sterk gebod te maken, dat al wie dertig dagen een verzoek doen zal van enigen god of mens, behalve van u, o koning! of ten minste in uwen naam, die zal in den kuil der leeuwen geworpen worden.
Volgens ene algemene beschouwing, is de beheerser de zoon, de vertegenwoordiger, de levende manifestatie (verschijning of openbaring) der volksgoden, de wereldbeheerser, dus de manifestatie van alle goden der aan hem onderworpene volken. Daarom hebben alle heidense wereldbeheersers van de hun onderworpene heidenvolken verlangd, dat hun op de bij ieder volk gebruikelijke wijze geofferd werd en godsdienstige aanbidding gegeven. Ook de Romeinse keizers eisten eveneens aanbidding en godsdienstige verering van hun beelden. Dit is het nu ook, wat hier verlangd wordt: alle de aan het Medo-Perzische rijk onderworpene volken moesten niet hun vaderlandse goden en diensten opgeven, maar alleen met der daad erkennen, dat de Medische wereldbeheerser Darius ook de zoon en vertegenwoordiger van hun vaderlandse goden is. Tot dat doel moeten zij de goden van hun landen slechts dertig dagen in hem, in deze manifestatie van hem, in Darius aanroepen. Dat konden al de heiden-volken, zodra zij zich als aan Darius onderworpen erkenden, zonder enig gewetensbezwaar doen, want terwijl zij op hun gewone wijze den Medischen koning als den zoon hunner goden dienden, dienden zij hun goden in hem. Alleen de Joden waren niet in dien toestand, om den koning als ene manifestatie van Jehova te kunnen aanzien; voor hen sloot de wet werkelijk een godsdienstdwang in zich, en deze faktische godsdienstdwang, die voor de Joden in die wet lag, werd nog daardoor gescherpt, dat daarom alles op het gebed gesteld was. Alles had ook op het offer kunnen gesteld worden, het had kunnen geëist worden, dat in dertig dagen niemand anders dan met het oog op den koning mocht offeren; dat zou de Joden niet in verlegenheid hebben gebracht, daar zij (in de ballingschap te Babel) niet offerden, terwijl zij door het bevel, het gebed tot den koning alleen te richten, in den toestand werden gebracht, om of niet te bidden, of het verbod te overtreden, dus om of God of den koning ongehoorzaam te worden.
Even als de in Hoofdst. 2:5 en 3:6 vermelde doodstraffen, het in stukken houwen en het verbranden in den vurigen oven bij de Chaldeën gewoon waren, zo komt bij de Medo-Perzen het werpen in den leeuwekuil voor. Zulke leeuwenkuilen nu waren onder den bloten hemel vierhoekig in de aarde aangebracht, en van boven met een muur van anderhalve el hoog omgeven, over welken men in den kuil kon nederzien (vs. 20 vv.); in dezen ringmuur bevond zich de deur, die met een groten platten steen moest gesloten worden (vs. 17), door welke de leeuwen in den kuil gebracht werden en ook de oppassers tot deze kwamen. Een beschot verdeelde den kuil in twee afdelingen, in ene van welke de leeuwen gewoonlijk gehuisvest waren; opdat nu de oppassers deze konden reinigen en verder in behoorlijken staat konden bewaren, wierpen zij van boven af stukken vlees in de andere afdeling, boven openden eveneens van boven af de tussen beide afdelingen aangebrachte verbindingsdeur, totdat de leeuwen in de andere afdeling waren gegaan, waarop zij de deur weer sloten en nu zonder gevaar in de eerste afdeling konden afdalen, om na hun bezigheden verricht te hebben, de dieren op dezelfde wijze weer naar den anderen kant te lokken. Zij komen dus met bedrog en leugen tot den koning, als echte veinsaards. Zij vleien den koning, maar delen hem ook mee, dat zij in hun vergadering als één man tot dit besluit zijn gekomen. Dit was reeds in zoverre niet waar, dat zij Daniël zelven hadden buiten gesloten en dat besluit hadden genomen, zonder hem tot die vergadering te hebben uitgenodigd.
Nu, o koning! gij zult een gebod bevestigen en een schrift tekenen, en het daardoor tot een in alle vormen wettig uitgevaardigd edikt maken, dat niet veranderd worde, naar de wet der Meden en der Perzen, die niet mag wederroepen worden 1).
Vergelijk Esther 1:19 Zo zegt ons Diodorus Siculus van Darius, den laatsten koning van Perzië, dat hij Cahridemus pardon wilde verlenen, nadat hij ter dood veroordeeld was, maar de wet, die tegen hem gepasseerd was, niet kon veranderen. Men ziet het onderscheid van schrijfwijze tussen deze plaats en Esth. 1:19. Hier zijn die woorden, de wet der Meden en Perzen, ten opzichte van den koning, die een Mediër was, daar is geschreven de wet der Perzen en Meden, omdat de koning van dien tijd een Pers was.
Daarom, omdat zijne rijksgroten, wier bedoelingen hij niet bemerkte, hem daartoe aandrongen, tekende de koning Darius dat schrift en gebod, 1) en liet het van het koninklijk zegel voorzien.
Vooreerst is wel degelijk op te merken, dat een koning niet het een of ander edict afkondige of tot wet verheffe, zonder ernstige en rijpe overweging. Vervolgens in de tweede plaats, dat de koningen zich moeten wachten om niet door list of listige streken te worden verleid, zoals dikwijls pleegt te geschieden. In de koningen derhalve en in hun edicten moet men hun standvastigheid roemen en proeven, zo maar voorzichtigheid en billijkheid voorafgaan.
Toen nu Daniël verstond, vernam, dat dit schrift getekend was, ging hij, zonder zich in het minst van de uitoefening der godzaligheid, gelijk hij tot hiertoe, gewoon was, te laten afhouden, in zijn huis (hij nu had in zijn opperzaal, waarheen men ging als men alleen wilde zijn (Deut. 22:8), opene vensters in zuidwestelijke richting tegen Jeruzalem aan, naar de zijde der stad, die hoewel een puinhoop, het heiligdom van zijnen God was (1 Kon. 8:48)), en hij knielde drie tijden ‘s daags op zijne knieën (Ps. 55:10, Hand. 2:15; 10:9; 3:1 hij bad en deed belijdenis voor zijnen God, ganselijk gelijk hij vóór dezen gedaan had 1).
Daniël weet wel, dat men het op zijnen ondergang heeft toegelegd, maar hij vlucht niet, hij trekt niet terug, noch zoekt des konings aangezicht-hij gaat in zijn huis naar boven, om driemalen daags zijn gebed te verrichten. Hoe rijk ook begenadigd, wandelt hij toch niet op de hoogten van het zogenaamd bidden zonder ophouden, dat in het binnenste volbracht, het uitwendige gebed en het vasthouden aan bijzondere tijden, overvloedig zou kunnen maken. Mogen anderen dit of ook de verhinderingen van het aardse beroep, voor hun geweten als reden van verontschuldiging opgeven, waarom zij ten laatste in het geheel niet meer bidden-voor Daniël is de inwendige behoefte des harten aan God juist onder het gewicht van de bezigheden en verstrooiingen der wereld, die hem van alle zijden omgeven, ene vermaning, om gedurig weer tot zich zelven te komen voor ‘s Heeren aangezicht, en aan de levende bron zijn geestelijk leven te verfrissen. Gedachtig, dat hij een arm, zwak mens is, en vlees en bloed zo licht worden verzocht, vergeet hij zulk afzonderen bij bepaalde tijden van gebed niet, en houdt hij de laatste van voor zo ver het zijn ambt toelaat, wanneer hij te huis is, ook voor de bezoekers die niet verbergende. En hoe zien wij hem in deze afzondering, hoe hoger God hem in de wereld geplaatst heeft, en met hoeveel glans van in- uitwendigen gaven, Hij hem omgeven heeft, des te dieper zich buigen voor zijnen God; Hij valt biddende op zijne knieën neer. O denk niet, dat het enkel de afstand is van het eindige schepsel van den Oneindige, welke hem zo nederbuigt; het is voor alles ook de tegenstelling van eigene zondigheid en de heiligheid des Heeren. Het alles doordringende licht van de geestelijke zon heeft ook hem, gelijk Sulamith (Hoogl. 1:5 vv.), zwart gebrand. Wat geeft hem echter desniettemin de vreugde, om zich steeds weer te plaatsen in het licht van Gods aangezicht? Wat maakt hem dit naderen tot den Heere, in plaats van ene zaak van tegenzin, zo liefelijk, dat met de stem van het roepen uit de diepte, in zijne bidkamer, de stemmen van lof en dank steeds zich verenigen? O, dat is het geheim zijner vroomheid: zijn geloof aan de verzoening brengt dat te weeg, aan de genade in het dierbaar bloed des Lams. De opene vensters aan zijne bidkamer wijzen daarop, daar zij aan het westen, naar Jeruzalem zien. Houd die vensters voor geen wonderlijken inval, niet voor ene patriottische fantasie; daar waait levenslicht door deze hem te gemoet. Christus en Zijn offer, nu nog slechts in Oud-testamentisch schaduwbeeld te zien, is de kern en de ster van zijne Theologie. O, dat zij het wilden leren, die het zo veel nader konden hebben! Waarom ligt het biddend geloof van sommigen zo dikwijls in het stof, dat zij, gelijk iemand gezegd heeft, tot het gebed komen, als een misdadiger, die voor zijnen rechter wordt gevoerd, of die er van wegsluipen als een dief, die vreest gevangen te worden? Waarom schrikt anderen de gedachte: “gij zijt onwaardig, u hoort God niet, ” geheel van het bidden af? Omdat zij in hun bidkamers gene opene vensters naar Jeruzalem hebben. Daniël bad en dankte niet zo, dat hij een gedeelte van zijnen dienst afsneed, om den tijd van gevaar korter te maken; hij volbracht die geheel, zonder iets na te laten of te verminderen. In één woord, de plicht van het gebed rust op de algenoegzaamheid van God, als een almachtig Schepper en Verlosser, en onze behoeften als zondige schepselen. Naar Christus moeten wij de ogen wenden. Daniël zag bij zijn bidden naar Jeruzalem; de Christen, biddende in de nieuwe wereld, moet zien naar de nieuwe, geestelijke stad van den levenden God, waar de Heere God en het Lam de tempel zijn, waarvan de grondslagen zijn op de eeuwige heuvelen, die niet kunnen bewogen worden, maar voor eeuwig vaststaan. Laat hem herwaarts zien, derwaarts bidden in dit land der vreemdelingschap. Van het driemaal bidden op gezette tijden des daags, vinden we reeds sporen in Ps. 55:18. Het was derhalve niet iets nieuws, noch trotsering van den vijand, gelijk sommigen menen, maar het vasthouden aan de gewoonte der vaderen, het uiting geven van zijn godvruchtig gemoed. Daniël bracht het woord hier in beoefening, wat eeuwen daarna werd uitgesproken, dat men God meer moet gehoorzamen dan de mensen. Hij wist wat hem wachtte, indien hij volhield, maar hij wist ook dat hij met een machtigen God te doen had, die hem uit de leeuwemuil kon verlossen. Ieder gelovige heeft in meerdere of mindere mate zijn Moria. Welnu hier vindt Daniël zijn “berg der beproeving”.
Toen, al aanstonds aan het begin dier dertig dagen, kwamen die mannen, die het op Daniëls verderf toelegden (vs. 4 vv,), en hem sedert het uitvaardigen van het edikt beloerden, of hij ook nu nog naar zijne gewoonte zou doen, met hopen, 1) in zijne kamer binnenstormen, en zij vonden Daniël biddende en smekende voor zijnen God.
In het Chald. wvgrh (Hargischoe). Beter. binnenstormen, in den zin van, met grote beweging binnenkomen, alsof zij Daniël op iets vreeslijks betrapten. Het is duidelijk dat niet al die ruim honderd landvoogden bedoeld worden, maar het geheel wordt hier voor een gedeelte genomen. Al de landvoogden, die op dit ogenblik in de hoofdstad des rijks en in de omgeving zich bevonden.
Toen kwamen zij nader, zij begaven zich aanstonds naar het koninklijk paleis, en spraken voor den koning van het gebod des konings: Hebt gij niet een gebod getekend, dat alle man, die in dertig dagen van enigen god of mens iets verzoeken zou, behalve van u, o koning! in den kuil der leeuwen zou geworpen worden (Gen. 3:1)? De koning antwoordde en zei: Het is ene vaste rede, het is onveranderlijk zo, naar de wet der Meden en Perzen, die niet mag wederroepen worden. (vs. 7 vv.).
Toen antwoordden zij, en zeiden voor den koning: Daniël, een van de gevankelijk weggevoerden uit Juda 1) (Hoofdst. 5:13), heeft, o koning! op u geen acht gesteld, noch op het gebod, dat gij getekend hebt, maar hij bidt op drie tijden ‘s daags zijn gebed tot zijnen God.
Met opzet noemen zij niet het ambt van Daniël, maar spreken over hem als den balling, als den Jood, die zijn Joodsen godsdienst stelt boven de bevelen des konings, opdat de koning te gereder zijn koninklijke goedkeuring gave op het edict, wat hij heeft uitgevaardigd. Hadden zij hem genoemd bij zijn ambtsnaam, dan vreesden zij dat de koning nog zwarigheid zou maken. Voor een Joodsen balling behoefde geen gratie gebruikt te worden.
Toen de koning deze rede hoorde, was hij zeer bedroefd bij zichzelven, dat juist deze man, die hem om zijne bekwaamheid en getrouwheid in zijn beroep zo dierbaar was geworden, de ontzettende straf moest ondergaan, en hij stelde het hart op Daniël om hem te verlossen; ja tot den ondergang der zon bemoeide hij zich gaf hij zich moeite om hem te redden 1) zonder enigen uitweg te zien.
Darius heeft hier iets van de Pilatus gestalte, hoewel Pilatus nog minder te verontschuldigen is. Hij vreest het volk, vreest voor zijne hovelingen en mist daarom den moed om Daniël aan hun handen te ontrukken.
Toen kwamen die mannen met hopen tot den koning (toen drongen die mannen bij den koning aan): zij bestormden hem met hun voorstellingen, en zij zeiden tot den koning: Weet, o koning! dat der Meden en der Perzen wet is, dat geen gebod noch ordonnantie, die de koning verordend heeft, mag veranderd worden, en dus ook in dit geval Daniël moet worden gestraft.
Toen beval de koning, en zij brachten Daniël voor, ende dienaren, die dat bevel moesten volvoeren, wierpen hem in den kuil der leeuwen, en de koning antwoordde en zei tot Daniël: Uw God, dien gij geduriglijk eert, die verlosse u! ik ben er niet toe in staat, hoezeer ik het ook wil. Met dit woord treedt de geschiedenis in een geheel nieuw stadium: de koning appelleert op een oordeel Gods. Niet alsof hij een wonder tot redding van Daniël bepaald verwacht had, maar de gedachte aan de mogelijkheid van zodanig iets vervult hem bij de herinnering aan hetgeen hem omtrent het gezicht van Belsazar en de drie mannen in den vurigen oven bekend was geworden, en hij grijpt deze gedachte aan, om het voor zichzelven als een teken te stellen, en Daniëls lot tevens tot ene vraag te stellen of God God is. Voor de oren van Babel, dat in zijne vorsten en geweldigen tegenwoordig is, wordt de eer van Jehova aan de redding van Daniël, Zijnen knecht, uit den muil der leeuwen verbonden. En hoe weet God Zijn volk ter rechter uur te verkwikken zelfs door den meest vreemden mond! Welk ene lafenis voor Daniël dat woord van den koning! Het klinkt bijna als ene profetische spreuk in zijne ziel, die zich reeds overgegeven heeft om te sterven, als ene belofte: “Gij zult niet sterven maar leven en de werken des Heeren vertellen (Ps. 118:17), Paaslicht schittert hem door het duistere van den kuil, in welken hij moet nederdalen, tegen, en wanneer hij nu geheel geweten had, wat wij weten, op dezen zelfden weg zal het met den groten Paasvorst gaan, wien gij, o Daniël, tot een voorbeeld zijt gesteld! O wonder der Goddelijke wijsheid op aarde, hoeveel juister en zaliger nog, dan zij het weten is de weg der vromen, al is het ook dat die volgens menselijk verstand in een hopelozen nacht uitloopt. Dit was niet een erkenning van Israëls God als den enige waren God, evenmin een belijden van Zijn macht. maar het uitspreken van de hoop, dat Daniël voor hem nog behouden bleef. Tegen zijn eigen wil geeft hij Daniël aan den moedwil zijner vijanden over, maar voedt nog een kleine hoop, dat hij uit der leeuwen muil zal worden verlost. Wij lezen niet dat Daniël hem hope geeft, dat deze van zijn geloof belijdenis doet, opdat straks het wonder der verlossing en de blijdschap daarover bij den koning te groter zou zijn.
En er werd een steen gebracht, en op den mond aan den deur des kuils gelegd, en de koning verzegelde denzelven met zijnen ring, en met den ring zijner geweldigen, opdat de wil aangaande Daniël niet zou veranderd worden, zodat noch de koning, noch een van Daniëls vrienden iets tot zijne redding zou kunnen doen, noch de geweldigen tot zijn verderf, maar hij geheel in de macht der leeuwen aan de ene zijde en in die van God aan de andere zijde zou zijn (Matth. 27:60 en 66). Noch de hand van enen Ebed-Melech, den Moor, die den profeet Jeremia uit den kuil hielp, noch de hand van enen moordenaar, die den leeuwentand zal helpen, mag het oordeel Gods voorkomen, tot welke schouwplaats de stomme groeve gewijd is. Er is geen twijfel aan of het plaatsen van den steen was door Gods Voorzienigheid verordend, opdat het wonder van Daniëls bevrijding duidelijker mocht worden. De koning geloofde of hoopte ten minste, dat God Daniël van de leeuwen zou bevrijden, en beval de verzegeling van den kuil, opdat zijne vijanden hem niet met stenen of pijlen zouden kunnen doden. Het doel der groten was, dat de koning zijn vonnis niet veranderde, en van den koning, dat Daniël niet zou blootgesteld zijn aan enige andere soort van dood.
Toen ging de koning naar zijn paleis en overnachtte nuchteren zonder den avondmaaltijd te nemen, en liet geen vreugdespel 1) voor zich brengen, en zijn slaap week verre van hem 2) van wege de grote bezorgdheid zijns harten.
In het Chal. lenh-al Nwxdw (Wedachawan la-haneëel). Beter: en hij dulde niet, dat bijwijven tot hem gebracht werden. Hij bleef dus den nacht vastende, wakende, en eenzaam doorbrengende, om daarmee zijn leed te kennen te geven, en om daarmee duidelijk te kennen te geven, hoe dierbaar hem Daniël was.
Er is nog iets anders dan het lot van Daniël, dat Darius ziel in dezen strijd trekt; zie, het is het oordeel Gods, dat hij over hem heeft ingeroepen; het is de vraag of God God is, O, niet als voor kortswijl heeft hij die vraag opgeworpen, als een wetenschappelijk probleem, welks oplossing ook tot lateren tijd kon worden uitgesteld; niet in een oud boek heeft hij in ledigen tijd, zo als gij, ene geschiedenis van enen zekeren Daniël gelezen, die hem treft en in spanning houdt; neen, hij staat midden in de geschiedenis als een medehandelend persoon, ach, met een reeds aanklagend geweten, in ene geschiedenis, welker einde wij weten, maar dat voor hem nog geheel verborgen is. Nog nooit is iemand, die daar is nedergeworpen, waar de leeuwen hun krachtige leden uitstrekken, waar zij hun maaltijden houden, waar hun jongen met de beenderen der reeds verscheurde misdadigers spelen, weer levend van daar gekomen. Zal Daniël er uitkomen? Ach, de koning verschrikt onophoudelijk over het woord, dat als afscheidsgroet aan Daniël uit zijn mond is gegaan. En toch ook weer wil de vraag hem niet verlaten; de vraag of God God is, die aan Daniëls lot is vastgeknoopt beweegt zich in zijn hart heen en weer; de tong van de weegschaal gaat nu eens ter rechter dan eens ter linkerhand; tussen ja en neen, tussen hopen en vrezen geslingerd, keert zich de koning op zijn leger om en kan den gehelen nacht den slaap niet vinden.
Toen ging de koning naar zijn paleis en overnachtte nuchteren zonder den avondmaaltijd te nemen, en liet geen vreugdespel 1) voor zich brengen, en zijn slaap week verre van hem 2) van wege de grote bezorgdheid zijns harten.
In het Chal. lenh-al Nwxdw (Wedachawan la-haneëel). Beter: en hij dulde niet, dat bijwijven tot hem gebracht werden. Hij bleef dus den nacht vastende, wakende, en eenzaam doorbrengende, om daarmee zijn leed te kennen te geven, en om daarmee duidelijk te kennen te geven, hoe dierbaar hem Daniël was.
Er is nog iets anders dan het lot van Daniël, dat Darius ziel in dezen strijd trekt; zie, het is het oordeel Gods, dat hij over hem heeft ingeroepen; het is de vraag of God God is, O, niet als voor kortswijl heeft hij die vraag opgeworpen, als een wetenschappelijk probleem, welks oplossing ook tot lateren tijd kon worden uitgesteld; niet in een oud boek heeft hij in ledigen tijd, zo als gij, ene geschiedenis van enen zekeren Daniël gelezen, die hem treft en in spanning houdt; neen, hij staat midden in de geschiedenis als een medehandelend persoon, ach, met een reeds aanklagend geweten, in ene geschiedenis, welker einde wij weten, maar dat voor hem nog geheel verborgen is. Nog nooit is iemand, die daar is nedergeworpen, waar de leeuwen hun krachtige leden uitstrekken, waar zij hun maaltijden houden, waar hun jongen met de beenderen der reeds verscheurde misdadigers spelen, weer levend van daar gekomen. Zal Daniël er uitkomen? Ach, de koning verschrikt onophoudelijk over het woord, dat als afscheidsgroet aan Daniël uit zijn mond is gegaan. En toch ook weer wil de vraag hem niet verlaten; de vraag of God God is, die aan Daniëls lot is vastgeknoopt beweegt zich in zijn hart heen en weer; de tong van de weegschaal gaat nu eens ter rechter dan eens ter linkerhand; tussen ja en neen, tussen hopen en vrezen geslingerd, keert zich de koning op zijn leger om en kan den gehelen nacht den slaap niet vinden.
Toen stond de koning in den vroegen morgenstond met hetaanbreken van het daglicht op, en hij ging met haast henen tot den kuil der leeuwen,
Als hij nu tot den kuil genaderd was, riep hij tot Daniël met ene droeve stem; de koning antwoordde en zei tot Daniël: O Daniël, gij knecht des levenden Gods! heeft ook uw God, dien gij geduriglijk eert (vs. 16), u van de leeuwen kunnen verlossen. 1)
Israëls God predikt Darius als den levenden God. Maar indien iemand is de levende God, dan sluit hij alle goden van eigen inbeelding uit, nl. welke de mensen zich volgens hun eigen verstand hebben uitgedacht. Het is noodzakelijk, dat er één Godheid is en dit principe geldt ook bij den gewonen mens. Hoe ook later iemand verviel in zijn eigen dromen, toch beleden allen dit, dat er niet meerdere goden zijn. Zij verdelen God wel, maar zij kunnen niet ontkennen, of hij is een enig God. Darius dus, wanneer Hij deze vermelding geeft aan Israëls God, bekent, dat alle goden slechts verdichtsels zijn, maar dit vat hij niet, dat de profane mensen wel dit principe vasthouden, maar daarna in hun overleggingen dwalen. Deze plaats bewijst niet overtuigend, zoals het sommigen toeschijnt, dat de koning Darius tot bekering is gekomen, zodat hij de zuivere vroomheid heeft omhelsd. Want altijd heeft hij zijne afgoden vereerd, maar hij meent, dat dit genoeg is, dat hij de hoogste Godheid toekent aan Israëls God. Zijn gang is geen gang van zekerheid der overwinning, geen Paasgang, en toch is er geloof in, gelijk ook in het gaan van die vrouwen op den Paasmorgen tot het graf van Christus geloof was, hoewel een geheel bedekt geloof, dat alleen nog in de liefde het bewijs gaf, dat het leefde, terwijl het voor het verstand, wanneer de dwaasheid er van aangetoond wordt, met gene gronden kan worden bewezen. Ja, nog meer! Darius hoopt zelfs op een Paasteken; zonder deze hoop, hoe zwak ook, een hopen tegen hoop, zou het gewis daarbij gebleven zijn. Maar neen! hij komt tot het graf, zijne schreden niet vertragende, maar bespoedigende, daar is de deur, de steen er voor, het zegel ongeschonden. Zwijgen rondom, en zwijgen in den bedekten kuil! O, het is verwonderlijk, dat hij den moed heeft, dit zwijgen af te breken, dat deze heiden met enen man kan spreken, die, wanneer God niet leeft, zonder enigen twijfel dood is, al had hij ook honderd levens gehad.
Toen sprak Daniël tot den koning. O koning, leef in eeuwigheid (vs. 6)! Daniël doet den koning gene verwijten maar ontmoet hem met goede wensen. Des Engels tegenwoordigheid maakte den leeuwekuil tot een paleis. .
Mijn God heeft Zijnen Engel gezonden (Hoofdst. 3:28. Hand. 12:7), en hij heeft den muil der leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben (Hebr. 11:32. 2 Tim. 4:17 omdat voor Hem onschuld in mij gevonden is; ook heb ik, o koning! tegen u gene misdaad gedaan.
Daniël doet hier belijdenis van zijn geloof in den levenden God, en geeft God alleen de ere van Zijn werk. God heeft, wil Daniël zeggen, uitspraak gedaan, en die uitspraak heeft mijn onschuld aan het licht gebracht, en deze is, dat ik tegen u gene misdaad heb gedaan, d. w. z. de overtreding van het edikt is geen miskenning geweest van den persoon des konings. De koning weet dat ook zeer wel, en had daarom reeds vóór dien tijd alle moeite gedaan om Daniël te redden.
Toen werd de koning bij zichzelven zeer vrolijk, en zei, dat men Daniël uit den kuil trekken zou, hij beval de aanwezige leeuwenwachters om hem met touwen uit den kuil op te halen. Toen Daniël uit den kuil opgetrokken was, nadat eerst de grootambtenaren des rijks waren geroepen en de zegels van den steen (vs. 17) waren weggenomen, zo werd er gene schade aan hem gevonden, dewijl hij in zijnen God geloofd had (Ps. 37:40).
Toen beval de koning, en zij brachten die mannen voor, die Daniël overluid beschuldigd, aangeklaagd hadden, en zij wierpen in den kuil der leeuwen hen, hun kinderen en hun vrouwen, gelijk het bij de Medisch-Perzischen de gewoonte was met de misdadigers ook hun betrekkingen ter dood te brengen; en zij kwamen niet op den grond des kuils, of dehongerige of bloeddorstige leeuwen, wien de Engel des Heeren tegen Daniël den muil had toegehouden (vs. 22), en die nu des te begeriger hunnen buit aangrepen, heersten over hen, zij vermorzelden ook al hun beenderen. In corpore (allen op eens), gelijk deze kinderen van den moord den koning tot het doden van Daniël gedwongen hadden, zijn zij nu door de hand des Heeren aangegrepen om den man in het oog te zien, dien zijn God uit het graf, waarin zij hem gesloten hadden, uitgevoerd en gerechtvaardigd had. En nog-in de gehele menigte niet een, die op zij aangezicht valt, om Gode de eer te geven; de geschiedenis zou het anders niet verzwijgen. Zij kunnen voor hun lichaam sidderen, niet voor hun ziel; in het gezicht van dat Paaswonder zouden zij in staat geweest zijn het te voren onmogelijk geachte nu in het rijk der geheel natuurlijke zaken te plaatsen, zelfs den koning in verdenking te brengen en misdadig te beschuldigen, dat hij vóór het instorten van Daniël in den kuil de leeuwen had laten overvoederen of vergiftigen. Welaan zij zullen het bewijs van het tegenovergestelde leveren. De deur staat open, door welke Daniël is ingegaan en weer uitgegaan; zij worden aangegrepen en met al hun gespuis naar beneden gestoten; nadat het jammergeschrei verstomd is en in den kuil nog slechts het verbreken van schedels en beenderen wordt gehoord, wordt het ingeroepen Godsoordeel gesloten.
Toen beval de koning, en zij brachten die mannen voor, die Daniël overluid beschuldigd, aangeklaagd hadden, en zij wierpen in den kuil der leeuwen hen, hun kinderen en hun vrouwen, gelijk het bij de Medisch-Perzischen de gewoonte was met de misdadigers ook hun betrekkingen ter dood te brengen; en zij kwamen niet op den grond des kuils, of dehongerige of bloeddorstige leeuwen, wien de Engel des Heeren tegen Daniël den muil had toegehouden (vs. 22), en die nu des te begeriger hunnen buit aangrepen, heersten over hen, zij vermorzelden ook al hun beenderen. In corpore (allen op eens), gelijk deze kinderen van den moord den koning tot het doden van Daniël gedwongen hadden, zijn zij nu door de hand des Heeren aangegrepen om den man in het oog te zien, dien zijn God uit het graf, waarin zij hem gesloten hadden, uitgevoerd en gerechtvaardigd had. En nog-in de gehele menigte niet een, die op zij aangezicht valt, om Gode de eer te geven; de geschiedenis zou het anders niet verzwijgen. Zij kunnen voor hun lichaam sidderen, niet voor hun ziel; in het gezicht van dat Paaswonder zouden zij in staat geweest zijn het te voren onmogelijk geachte nu in het rijk der geheel natuurlijke zaken te plaatsen, zelfs den koning in verdenking te brengen en misdadig te beschuldigen, dat hij vóór het instorten van Daniël in den kuil de leeuwen had laten overvoederen of vergiftigen. Welaan zij zullen het bewijs van het tegenovergestelde leveren. De deur staat open, door welke Daniël is ingegaan en weer uitgegaan; zij worden aangegrepen en met al hun gespuis naar beneden gestoten; nadat het jammergeschrei verstomd is en in den kuil nog slechts het verbreken van schedels en beenderen wordt gehoord, wordt het ingeroepen Godsoordeel gesloten.
Toen schreef de koning Darius aan alle volken, natiën en tongen, (vgl. Hoofdst. 2:31-4 :34), die op de ganse aarde woonden: Uw vrede worde vermenigvuldigd!
Toen schreef de koning Darius aan alle volken, natiën en tongen, (vgl. Hoofdst. 2:31-4 :34), die op de ganse aarde woonden: Uw vrede worde vermenigvuldigd!
Van mij is een bevel gegeven, dat men in de ganse heerschappij mijns koninkrijks beve en siddere voor het aangezicht van den God van Daniël; want Hij is de levende God, en bestendig in eeuwigheden, en a) Zijn koninkrijk is niet verderfelijk, en Zijne heerschappij is tot het einde toe. (Hoofdst. 2:44).
Dan. 4:3; 7:14, 27. Luk. 1:33.
Hij verlost en redt, gelijk in Daniëls redding gebleken is, en Hij doet tekenen en wonderen in den hemel en op de aarde; die heeftgedaan wat geen anderen god vermocht, Hij heeft Daniël uit het geweld der leeuwen verlost (Ps. 22:22). Welk ene geloofsversterking des konings edikt voor de gevangenen uit Juda moest zijn, heeft gene verdere aanwijzing nodig; maar het woord heeft ook betrekking op de heidenen. Babel heeft waarlijk gene reden om te klagen; het is ene zeer bijzondere, zeer uitnemende gunst, dat het nog eens mag horen van den levenden God onder zulke opwekkende tekenen Zijner genade. Als een straal van het eeuwige licht schittert het in zijnen nacht, doorbrekende door de zwarte wolken van het gericht, die reeds over zijne hoofden zijn zamengetrokken. De ogen moesten zich daarvan niet afkeren, maar begerig het licht inzuigen. Wie weet het ook, of het nog niet voor menigeen een middel tot zijne redding was, die te voren, tot Juda’s gevangenen spottende zei (Ps. 137:3): Zingt ons een van de liederen Zions, of het niet menigeen het hart heeft gebroken, om met hulp en geschenken de wederkerenden naar Zion: “Vaartwel en gedenkt onzer” (Ezra 1:4 en 6) na te roepen, of niet op het spoor van dit licht nog de wijzen wandelen, die 5-600 jaren later in Jeruzalem naar den geboren koning der Joden vragen (Matth. 2:1 vv). Maar over het algemeen zal het edikt met zijne lezers in Babel zijn gegaan, gelijk het nog tegenwoordig met zijne lezers in Christen-landen gaat, men verwondert zich en vergeet het weer, men leest het en let er niet op; Babel wil zich niet laten genezen; wat zou het naar het rijk van enen God vragen, wiens volk als een handvol gevangenen aan Babels waterbeken weent: “Ik zal koningin zijn in eeuwigheid” (Jes. 47:7)? Daarom moet tot vallen in het stof der verwoesting; de door gene bekering afgekeerde in zovele voorzeggingen letterlijk te voren verkondigde gerichten (Jes. 13:1 vv. 21:1 vv. 47:1 vv. volgen elkaar op. Daar, waar eens Babel in zijne trotse pracht zich verhief, waar de hoofdstad des lands met hare reusachtige tempel en paleizen en hare koperen poorten voor de eeuwigheid scheen gegrondvest te zijn, weergalmende van den klank der harpen en pauken en van het levend gewemel der mensen, daar treedt nu de voet van den wandelaar op een onafzienbare, naakte, verbrande, met puinhopen bezaaide vlakte, waar zelfs geen Bedouïn het waagt zijne tent op te slaan, omdat die schrik van den nacht daar woont en de koningen der woestijn, de leeuwen, die Daniël verschoonden, in plaats van den verworpen koning van Zion het rijk hebben ingenomen.
Deze Daniël nu had voorspoed in het koninkrijk van Darius, den Meder daar deze hem zeker wel tot de hem toegedachte (vs. 3) plaats der ere verhief, en ook na ene tussenregering der beide Nabonnedussen gedurende de ongeveer 17 jaren (2 Kon. 25:27), in het koninkrijk van Kores, den Perziaan, onder wien hij dezelfde plaats als onder Darius weer innam, en die hij ten gunste van zijn volk gebruikte (2 Kron. 36:23). Er moge ene gevaarlijke en dwaze angstvalligheid zijn, een verkeerd en stijfhoofdig strijden voor beuzelingen, die de zaak van waarheid en godsvrucht moet benadelen. Maar wij moeten waken dat het niet ons grondbeginsel wordt alle dingen naar alle mensen te schikken. Wij mogen klagen over sommige ernstige mensen als al te nauwgezet, maar verhardt ons toegeven niet menigen zondaar in zijne kwade praktijken? Indien wij standvastig en onbewegelijk zijn in onze verhoudingen tot God, zullen wij zulke ondersteuningen der genade ontvangen, dat onze belijdenis zal bevestigd en versierd worden, wij zullen verkwikt worden met de sterke vertroostingen des H. Geestes en nader en nader komen aan het geluk der zaligen. Op het bij Hoofdst. 1:20 besprokene Apocrieve boek: “de historie van Susanna” volgt verder een toevoegsel, als 14de hoofdstuk van Daniël, het boek “van Bel en den draak” hetwelk hier zou kunnen gelezen worden.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel