Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
De koningH4430 BelsazarH1113 maakte een groten maaltijdH3900 voor zijn duizendH506 geweldigenH7261, en hij dronkH8355 wijnH2562 voor die duizendH506.
De koning Belsazar maakte een groten maaltijd voor zijn duizend geweldigen, en hij dronk wijn voor die duizend.
KJV
Belshazzar1
the king2
made3
a great5
feast4
to a thousand7
of his lords,6
and drank11
wine10
before8
the thousand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Als BelsazarH1113 den wijnH2562 geproefdH2942 had, zeideH560 hij, dat men de goudenH1722 en zilverenH3702 vatenH3984 voorbrengenH858 zou, die zijn vaderH2 NebukadnezarH5020 uit den tempelH1965, die te JeruzalemH3390 geweest was, weggevoerdH5312 had; opdat de koningH4430 en zijn geweldigenH7261, zijn vrouwenH7695 en zijn bijwijvenH3904 uit dezelve dronkenH8355.
Als Belsazar den wijn geproefd had, zeide hij, dat men de gouden en zilveren vaten voorbrengen zou, die zijn vader Nebukadnezar uit den tempel, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; opdat de koning en zijn geweldigen, zijn vrouwen en zijn bijwijven uit dezelve dronken.
KJV
Belshazzar,1
whiles he tasted
the wine,4
commanded2
to bring5
the golden7
and silver8
vessels6
which his father12
Nebuchadnezzar11
had taken10
out of13
the temple14
which was in Jerusalem;16
that the king,19
and his princes,20
his wives,21
and his concubines,22
might drink
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Toen brachtH858 men voor de goudenH1722 vatenH3984, die men uit den tempelH1965 van het huisH1005 GodsH426, die te JeruzalemH3390 geweest was, weggevoerdH5312 had; en de koningH4430 en zijn geweldigenH7261, zijn vrouwenH7695, en zijn bijwijvenH3904 dronkenH8355 daaruit.
Toen bracht men voor de gouden vaten, die men uit den tempel van het huis Gods, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; en de koning en zijn geweldigen, zijn vrouwen, en zijn bijwijven dronken daaruit.
KJV
Then1
they brought2
the golden4
vessels3
that were taken6
out of7
the temple8
of the house10
of God11
which was at Jerusalem;13
and the king,16
and his princes,17
his wives,18
and his concubines,19
drank
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Zij dronkenH8355 den wijnH2562, en prezenH7624 de goudenH1722, en de zilverenH3702, de koperenH5174, de ijzerenH6523, de houtenH636 en de stenenH69 godenH426.
Zij dronken den wijn, en prezen de gouden, en de zilveren, de koperen, de ijzeren, de houten en de stenen goden.
KJV
They drank1
wine,2
and praised3
the gods4
of gold,5
and of silver,6
of brass,7
of iron,8
of wood,9
and of stone.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Ter zelfder ureH8160 kwamen er vingerenH677 van eens mensenH606 handH3028 voortH5312, die schrevenH3790 tegenoverH6903 den kandelaarH5043, op de kalkH1528 van den wandH3797 van het koninklijkH4430 paleisH1965, en de koningH4430 zagH2370 het deelH6447 der handH3028, die daar schreefH3790.
Ter zelfder ure kwamen er vingeren van eens mensen hand voort, die schreven tegenover den kandelaar, op de kalk van den wand van het koninklijk paleis, en de koning zag het deel der hand, die daar schreef.
KJV
In the same hour2
came forth3
fingers4
of a man's7
hand,6
and wrote8
over against9
the candlestick10
upon11
the plaister12
of the wall14
of the king's17
palace:15
and the king18
saw19
the part20
of the hand21
that wrote.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Toen veranderdeH8133 zich de glansH2122 des koningsH4430, en zijn gedachtenH7476 verschriktenH927 hem; en de bandenH7001 zijner lendenenH2783 werden losH8271, en zijn knieenH755 stietenH5368 tegen elkander aan.
Toen veranderde zich de glans des konings, en zijn gedachten verschrikten hem; en de banden zijner lendenen werden los, en zijn knieen stieten tegen elkander aan.
KJV
Then1
the king's2
countenance3
was changed,4
and his thoughts5
troubled6
him, so that the joints7
of his loins8
were loosed,9
and his knees10
smote13
one11
against another.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Zodat de koningH4430 met krachtH2429 riepH7123 dat men de sterrekijkersH826, de ChaldeenH3779 en de waarzeggersH1505 inbrengenH5954 zou; en de koningH4430 antwoorddeH6032 en zeideH560 tot de wijzenH2445 van BabelH895: Alle manH606, die dit schriftH3792 lezenH7123, en deszelfs uitleggingH6591 mij te kennenH2324 zal geven, die zal met purperH711 gekleedH3848 worden, met een goudenH1722 ketenH2002 om zijn halsH6676, en hij zal de derdeH8523 heerserH7981 in dit koninkrijkH4437 zijn.
Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn.
KJV
The king2
cried1
aloud3
to bring4
in the astrologers,5
the Chaldeans,6
and the soothsayers.7
And the king9
spake,8
and said10
to the wise11
men of Babylon,12
Whosoever15
shall read17
this19
writing,18
and shew21
me the interpretation20
thereof, shall be clothed23
with scarlet,22
and have a chain24
of gold26
about27
his neck,28
and shall be the third29
ruler31
in the kingdom.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Toen kwamen al de wijzenH2445 des koningsH4430 in; maar zij kondenH3546 dit schriftH3792 niet lezenH7123, noch den koningH4430 deszelfs uitleggingH6591 bekendH3046 maken.
Toen kwamen al de wijzen des konings in; maar zij konden dit schrift niet lezen, noch den koning deszelfs uitlegging bekend maken.
KJV
Then1
came2
in all3
the king's5
wise4
men: but they could7
not6
read9
the writing,8
nor make known11
to the king12
the interpretation
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Toen verschrikteH927 de koningH4430 BelsazarH1113 zeer, en zijn glansH2122 werd aan hem veranderdH8133, en zijn geweldigenH7261 werden verbaasdH7672.
Toen verschrikte de koning Belsazar zeer, en zijn glans werd aan hem veranderd, en zijn geweldigen werden verbaasd.
KJV
Then1
was king2
Belshazzar3
greatly4
troubled,5
and his countenance6
was changed7
in him,8
and his lords9
were astonied.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Om deze woordenH4406 des koningsH4430 en zijner geweldigenH7261, ging de koninginH4433 in het huisH1005 des maaltijdsH4961. De koninginH4433 sprakH6032 en zeideH560: O koningH4430, leefH2418 in eeuwigheidH5957! laat u uw gedachtenH7476 niet verschrikkenH927, en uw glansH2122 niet veranderdH8133 worden.
Om deze woorden des konings en zijner geweldigen, ging de koningin in het huis des maaltijds. De koningin sprak en zeide: O koning, leef in eeuwigheid! laat u uw gedachten niet verschrikken, en uw glans niet veranderd worden.
KJV
Now the queen,1
by reason2
of the words3
of the king4
and his lords,5
came8
into the banquet7
house:6
and the queen10
spake9
and said,11
O king,12
live14
for ever:13
let not15
thy thoughts17
trouble16
thee, nor let thy countenance18
be changed:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Er is een manH1400 in uw koninkrijkH4437, in wien de geestH7308 der heiligeH6922 godenH426 is, want in de dagenH3118 uws vadersH2 is bij hem gevondenH7912 lichtH5094, en verstandH7924, en wijsheidH2452, gelijk de wijsheidH2452 der godenH426 is; daarom steldeH6966 hem de koningH4430 NebukadnezarH5020, uw vaderH2, tot een oversteH7229 der tovenaarsH2749, der sterrekijkersH826, der ChaldeenH3779, en der waarzeggersH1505, uw vaderH2, o koningH4430!
Er is een man in uw koninkrijk, in wien de geest der heilige goden is, want in de dagen uws vaders is bij hem gevonden licht, en verstand, en wijsheid, gelijk de wijsheid der goden is; daarom stelde hem de koning Nebukadnezar, uw vader, tot een overste der tovenaars, der sterrekijkers, der Chaldeen, en der waarzeggers, uw vader, o koning!
KJV
There is1
a man2
in thy kingdom,3
in whom is the spirit5
of the holy7
gods;6
and in the days9
of thy father10
light11
and understanding12
and wisdom,13
like the wisdom14
of the gods,15
was found16
in him; whom the king18
Nebuchadnezzar19
thy father,20
the king,28
I say, thy father,27
made26
master21
of the magicians,22
astrologers,23
Chaldeans,24
and soothsayers;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Omdat een voortreffelijkeH3493 geestH7308, en wetenschapH4486, en verstandH7924 van een, die dromenH2493 uitlegtH6590, en der aanwijzingH263 van raadselenH280, en van een, die knopenH7001 ontbindtH8271, gevondenH7912 werd in hem, in DanielH1841, dien de koningH4430 den naamH8036 van BeltsazarH1096 gaf; laat nu DanielH1841 geroepenH7123 worden, die zal de uitleggingH6591 te kennenH2324 geven.
Omdat een voortreffelijke geest, en wetenschap, en verstand van een, die dromen uitlegt, en der aanwijzing van raadselen, en van een, die knopen ontbindt, gevonden werd in hem, in Daniel, dien de koning den naam van Beltsazar gaf; laat nu Daniel geroepen worden, die zal de uitlegging te kennen geven.
KJV
Forasmuch as2
an excellent5
spirit,4
and knowledge,6
and understanding,7
interpreting8
of dreams,9
and shewing10
of hard sentences,11
and dissolving12
of doubts,13
were found14
in the same Daniel,16
whom the king18
named19
Belteshazzar:21
now22
let Daniel23
be called,24
and he will shew26
the interpretation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Toen werd DanielH1841 voor den koningH4430 ingebrachtH5954. De koningH4430 antwoorddeH6032 en zeideH560 tot DanielH1841: Zijt gij die DanielH1841, een uit de gevankelijkH1123 weggevoerden van JudaH3061, die de koningH4430, mijn vaderH2, uit JudaH3061 gebrachtH858 heeft?
Toen werd Daniel voor den koning ingebracht. De koning antwoordde en zeide tot Daniel: Zijt gij die Daniel, een uit de gevankelijk weggevoerden van Juda, die de koning, mijn vader, uit Juda gebracht heeft?
KJV
Then1
was Daniel2
brought in3
before4
the king.5
And the king7
spake6
and said8
unto Daniel,9
Art thou10
that Daniel,12
which art of14
the children15
of the captivity16
of Judah,18
whom the king21
my father22
brought20
out of23
Jewry?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Ik heb toch van u gehoordH8086, dat de geestH7308 der godenH426 in u is, en dat er lichtH5094, en verstandH7924, en voortreffelijkeH3493 wijsheidH2452 in u gevondenH7912 wordt.
Ik heb toch van u gehoord, dat de geest der goden in u is, en dat er licht, en verstand, en voortreffelijke wijsheid in u gevonden wordt.
KJV
I have even heard1
of thee, that the spirit4
of the gods5
is in thee,2
and that light7
and understanding8
and excellent10
wisdom9
is found
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Nu, zo zijn voor mij ingebrachtH5954 de wijzenH2445 en de sterrekijkersH826, om dit schriftH3792 te lezenH7123, en deszelfs uitleggingH6591 mij bekendH3046 te maken; maar zij kunnen de uitleggingH6591 dezer woordenH4406 niet te kennenH2324 geven.
Nu, zo zijn voor mij ingebracht de wijzen en de sterrekijkers, om dit schrift te lezen, en deszelfs uitlegging mij bekend te maken; maar zij kunnen de uitlegging dezer woorden niet te kennen geven.
KJV
And now1
the wise4
men, the astrologers,5
have been brought2
in before3
me, that they should read9
this8
writing,7
and make known11
unto me the interpretation10
thereof: but they could13
not12
shew16
the interpretation14
of the thing:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Doch van u heb ik gehoordH8086, dat gij uitleggingenH6591 kuntH3202 geven, en knopenH7001 ontbindenH8271; nu, indien gij dit schriftH3792 zult kunnen lezenH7123, en deszelfs uitleggingH6591 mij bekendH3046 maken, gij zult met purperH711 bekleedH3848 worden, met een goudenH1722 ketenH2002 om uw halsH6676, en gij zult de derdeH8531 heerserH7981 in dit koninkrijkH4437 zijn.
Doch van u heb ik gehoord, dat gij uitleggingen kunt geven, en knopen ontbinden; nu, indien gij dit schrift zult kunnen lezen, en deszelfs uitlegging mij bekend maken, gij zult met purper bekleed worden, met een gouden keten om uw hals, en gij zult de derde heerser in dit koninkrijk zijn.
KJV
And I1
have heard2
of thee,3
that thou canst5
make7
interpretations,6
and dissolve9
doubts:8
now10
if11
thou canst12
read14
the writing,13
and make known16
to me the interpretation15
thereof, thou shalt be clothed18
with scarlet,17
and have a chain19
of gold21
about22
thy neck,23
and shalt be the third24
ruler26
in the kingdom.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Toen antwoorddeH6032 DanielH1841, en zeideH560 voor den koningH4430: Heb uw gavenH4978 voor uzelven, en geefH3052 uw vereringenH5023 aan een anderH321; ik zal nochtans het schriftH3792 voor den koningH4430 lezenH7123, en de uitleggingH6591 zal ik hem bekendH3046 maken.
Toen antwoordde Daniel, en zeide voor den koning: Heb uw gaven voor uzelven, en geef uw vereringen aan een ander; ik zal nochtans het schrift voor den koning lezen, en de uitlegging zal ik hem bekend maken.
KJV
Then1
Daniel3
answered2
and said4
before5
the king,6
Let thy gifts7
be9
to thyself, and give12
thy rewards10
to another;11
yet13
I will read15
the writing14
unto the king,16
and make known18
to him the interpretation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Wat u aangaat, o koningH4430! de allerhoogsteH5943 GodH426 heeft uw vaderH2 NebukadnezarH5020 het koninkrijkH4437, en grootheidH7238, en eerH3367, en heerlijkheidH1923 gegevenH3052;
Wat u aangaat, o koning! de allerhoogste God heeft uw vader Nebukadnezar het koninkrijk, en grootheid, en eer, en heerlijkheid gegeven;
KJV
O thou1
king,2
the most high4
God3
gave9
Nebuchadnezzar10
thy father11
a kingdom,5
and majesty,6
and glory,7
and honour:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
En vanwege de grootheidH7238, die Hij hem gegevenH3052 had, beefdenH1934 en sidderdenH1763 alle volkenH5972, natienH524 en tongenH3961 voor hem; dien hij wildeH1934, dooddeH1934 hij, en dien hij wildeH1934, behield hij in het leven, en dien hij wildeH1934, verhoogdeH1934 hij, en dien hij wildeH1934, vernederdeH1934 hij.
En vanwege de grootheid, die Hij hem gegeven had, beefden en sidderden alle volken, natien en tongen voor hem; dien hij wilde, doodde hij, en dien hij wilde, behield hij in het leven, en dien hij wilde, verhoogde hij, en dien hij wilde, vernederde hij.
Ook in dit vers
behield levenH1934
KJV
And for1
the majesty2
that he gave4
him, all6
people,7
nations,8
and languages,9
trembled10
and feared12
before13
him:14
whom he would16
he slew;18
and whom he would21
he kept alive;23
and whom he would26
he set up;28
and whom he would31
he put down.33
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Maar toen zich zijn hartH3825 verhiefH7313, en zijn geestH7308 verstijfdH8631 werd ter hovaardijH2103, werd hij van den troonH3764 zijns koninkrijksH4437 afgestotenH5182, en men namH5709 de eerH3367 van hem weg.
Maar toen zich zijn hart verhief, en zijn geest verstijfd werd ter hovaardij, werd hij van den troon zijns koninkrijks afgestoten, en men nam de eer van hem weg.
KJV
But when his heart3
was lifted up,2
and his mind4
hardened5
in pride,6
he was deposed7
from8
his kingly10
throne,9
and they took12
his glory11
from him:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
En hij werd van de kinderenH1123 der mensenH606 verstotenH2957, en zijn hartH3825 werd den beestenH2423 gelijk gemaakt, en zijn woningH4070 was bij de woudezelenH6167; men gaf hem grasH6211 te smakenH2939 gelijk den ossenH8450; en zijn lichaamH1655 werd van den dauwH2920 des hemelsH8065 natH6647 gemaakt, totdat hij bekendeH3046, dat GodH426, de AllerhoogsteH5943, HeerserH7990 is over de koninkrijkenH4437 der mensenH606, en over dezelve steltH6966, wien Hij wilH6634.
En hij werd van de kinderen der mensen verstoten, en zijn hart werd den beesten gelijk gemaakt, en zijn woning was bij de woudezelen; men gaf hem gras te smaken gelijk den ossen; en zijn lichaam werd van den dauw des hemels nat gemaakt, totdat hij bekende, dat God, de Allerhoogste, Heerser is over de koninkrijken der mensen, en over dezelve stelt, wien Hij wil.
Ook in dit vers
wegH4481
KJV
And he was driven4
from1
the sons2
of men;3
and his heart5
was made8
like6
the beasts,7
and his dwelling11
was with the wild asses:10
they fed14
him with grass12
like oxen,13
and his body17
was wet18
with the dew15
of heaven;16
till19
he knew21
that the most high25
God24
ruled23
in the kingdom26
of men,27
and that he appointeth31
over32
it whomsoever28
he will.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
En gij, BelsazarH1113, zijn zoonH1247! hebt uw hartH3825 niet vernederdH8214, alhoewelH6903 gij dit allesH3606 wel gewetenH3046 hebt.
En gij, Belsazar, zijn zoon! hebt uw hart niet vernederd, alhoewel gij dit alles wel geweten hebt.
KJV
And thou1
his son,2
O Belshazzar,3
hast not4
humbled5
thine heart,6
though8
thou knewest12
all7
this;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Maar gij hebt u verhevenH7313 tegen den HeereH4756 des hemelsH8065, en men heeft de vatenH3984 van Zijn huisH1005 voor u gebrachtH858, en gij, en uw geweldigenH7261, uw vrouwenH7695, en uw bijwijvenH3904 hebben wijnH2562 uit dezelve gedronkenH8355, en de godenH426 van zilverH3702 en goudH1722, koperH5174, ijzerH6523, houtH636 en steenH69, die niet zienH2370, noch horenH8086, noch wetenH3046, hebt gij geprezenH7624; maar dien GodH426, in Wiens handH3028 uw ademH5396 is, en bij Wien al uw padenH735 zijn, hebt gij niet verheerlijktH1922.
Maar gij hebt u verheven tegen den Heere des hemels, en men heeft de vaten van Zijn huis voor u gebracht, en gij, en uw geweldigen, uw vrouwen, en uw bijwijven hebben wijn uit dezelve gedronken, en de goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch weten, hebt gij geprezen; maar dien God, in Wiens hand uw adem is, en bij Wien al uw paden zijn, hebt gij niet verheerlijkt.
KJV
But hast lifted up4
thyself against1
the Lord2
of heaven;3
and they have brought8
the vessels5
of his house7
before9
thee, and thou,10
and thy lords,11
thy wives,12
and thy concubines,13
have drunk15
wine14
in them; and thou hast praised31
the gods17
of silver,18
and gold,19
of brass,20
iron,21
wood,22
and stone,23
which see26
not,25
nor27
hear,28
nor29
know:30
and the God32
in whose hand35
thy breath34
is, and whose are all36
thy ways,37
hast thou not39
glorified:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Toen is dat deelH6447 der handH3028 van Hem gezondenH7972, en dit schriftH3792 getekendH7560 geworden.
Toen is dat deel der hand van Hem gezonden, en dit schrift getekend geworden.
KJV
Then1
was the part5
of the hand7
sent4
from2
him;3
and this9
writing8
was written.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Dit nu is het schriftH3792, dat daar getekendH7560 is: MENEH4484, MENEH4484, TEKELH8625, UPHARSINH6537.
Dit nu is het schrift, dat daar getekend is: MENE, MENE, TEKEL, UPHARSIN.
KJV
And this1
is the writing2
that was written,4
MENE,5
MENE,6
TEKEL,7
UPHARSIN.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Dit is de uitleggingH6591 dezer woordenH4406: MENEH4484; GodH426 heeft uw koninkrijkH4437 geteldH4483, en Hij heeft het voleindH8000.
Dit is de uitlegging dezer woorden: MENE; God heeft uw koninkrijk geteld, en Hij heeft het voleind.
KJV
This1
is the interpretation2
of the thing:3
MENE;4
God6
hath numbered5
thy kingdom,7
and finished
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
TEKELH8625; gij zijt in weegschalenH3977 gewogenH8625; en gij zijt te lichtH2627 gevondenH7912.
TEKEL; gij zijt in weegschalen gewogen; en gij zijt te licht gevonden.
KJV
TEKEL;1
Thou art weighed2
in the balances,3
and art found4
wanting.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
PERESH6537; uw koninkrijkH4437 is verdeeldH6537, en het is den MedenH4076 en den PerzenH6540 gegevenH3052.
PERES; uw koninkrijk is verdeeld, en het is den Meden en den Perzen gegeven.
KJV
PERES;1
Thy kingdom3
is divided,2
and given4
to the Medes5
and Persians.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Toen bevalH560 BelsazarH1113, en zij bekleeddenH3848 DanielH1841 met purperH711, met een goudenH1722 ketenH2002 om zijn halsH6676, en zij riepen overluidH3745 van hem, dat hij de derdeH8531 heerserH7990 in dat koninkrijkH4437 was.
Toen beval Belsazar, en zij bekleedden Daniel met purper, met een gouden keten om zijn hals, en zij riepen overluid van hem, dat hij de derde heerser in dat koninkrijk was.
KJV
Then1
commanded2
Belshazzar,3
and they clothed4
Daniel5
with scarlet,6
and put a chain7
of gold9
about10
his neck,11
and made a proclamation12
concerning13
him, that he should be15
the third17
ruler16
in the kingdom.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
In dienzelfden nachtH3916, werd BelsazarH1113, der ChaldeenH3779 koningH4430, gedoodH6992.
In dienzelfden nacht, werd Belsazar, der Chaldeen koning, gedood.
KJV
In that night2
was Belshazzar4
the king5
of the Chaldeans6
slain.
Belsazar
Te weten kleinzoon van Nebukadnezar den Grote, den zoon van Evilmerodach. Van dien tijd af te rekenen dat de Joden in de Babylonische gevangenschap gebracht zijn tot het einde van de Babylonische monarchie, hebben deze drie koningen te Babel geregeerd: Nebukadnezar de Grote, Evilmerodach zijn zoon, en Belsazar, de zoon van Evilmerodach; zie en vergelijk hiermede 2 Kon. 25:27 ; Jer. 27:5-7 . Doch anderen stellen na dezen Belsazar enen Nabonides, die van Daniël zou genoemd zijn Darius de Meder, onder Dan. 6:1 , en het koninkrijk ontvangen hebben, door vrijwillige verkiezing der Babyloniërs, enz.; waarvan de verstandige lezer kan oordelen en letten op Jer. 27:7 , enz.; idem onder vs.28, en Dan. 6:1 , Dan. 6:29 , en Dan. 8:3 , Dan. 8:20 , en Dan. 9:1 , en Dan. 10:1 , en Dan. 11:1-2 .
Hertaald:
Belsazar
Namelijk de kleinzoon van Nebukadnezar de Grote, de zoon van Evilmerodach. Vanaf het moment dat de Joden in de Babylonische gevangenschap gebracht zijn tot het einde van de Babylonische monarchie hebben deze drie koningen in Babel geregeerd: Nebukadnezar de Grote, zijn zoon Evilmerodach en Belsazar, de zoon van Evilmerodach; zie en vergelijk hiermee 2 Kon. 25:27; Jer. 27:5-7. Maar anderen plaatsen na deze Belsazar nog een zekere Nabonides, die door Daniël Darius de Meder genoemd zou zijn (Dan. 6:1) en die het koninkrijk door vrijwillige verkiezing van de Babyloniërs ontvangen zou hebben. De verstandige lezer kan daarover oordelen en lette daarbij op Jer. 27:7, enzovoort, en ook op vers 28 hierna, Dan. 6:1, Dan. 6:29, Dan. 8:3, Dan. 8:20, Dan. 9:1, Dan. 10:1 en Dan. 11:1-2.
maakte
Sommigen houden het daarvoor, dat deze maaltijd gehouden is gedurende de belegering der stad Babel door de Perzen, om te betonen dat hij den vijand, die toen voor Babel lag, weinig of niet achtte.
Hertaald:
maakte
Sommigen menen dat deze maaltijd gehouden is tijdens de belegering van de stad Babel door de Perzen, om te tonen dat hij de vijand die toen voor Babel lag weinig of niet achtte.
een groten maaltijd
Chaldeeuws, maakte veel, of grote spijs, of brood, gelijk Pred. 10:19 .
Hertaald:
een groten maaltijd
Chaldeeuws: maakte veel of grote spijs, of brood, zoals Pred. 10:19.
duizend geweldigen,
Dat is, al de vorsten, prinsen, groten, voortreffelijken en voornaamste heren en officieren van zijn rijk, die velen in getal waren.
Hertaald:
duizend geweldigen,
Dat is: al de vorsten, prinsen, groten, voortreffelijken en voornaamste heren en ambtsdragers van zijn rijk, die groot in aantal waren.
voor die duizend
Dat is, in tegenwoordigheid derzelven; vergelijk Est. 1:3 .
Hertaald:
voor die duizend
Dat is: in hun tegenwoordigheid; vergelijk Est. 1:3.
den wijn geproefd had,
Dat is, toen hij vrolijk geworden was van den wijn. Chaldeeuws, in den proef, of smaak van den wijn.
Hertaald:
den wijn geproefd had,
Dat is: toen hij vrolijk geworden was van de wijn. Chaldeeuws: in het proeven of de smaak van de wijn.
dat men de gouden en zilveren vaten voorbrengen zou,
Dit bestraft Daniël onder vs.23. Het schijnt wel dat Nebukadnezar die geroofde vaten had doen opsluiten in zijne schatkamers, zonder dezelve te bezigen. Men leest ook nergens dat Evilmerodach dezelve gebruikt heeft; maar Belsazar doet dit, als God bespottende.
Hertaald:
dat men de gouden en zilveren vaten voorbrengen zou,
Daniël bestraft dit in vers 23. Het lijkt erop dat Nebukadnezar die geroofde vaten in zijn schatkamers had laten opbergen zonder ze te gebruiken. Men leest ook nergens dat Evilmerodach ze gebruikt heeft; maar Belsazar doet dat, als om God te bespotten.
zijn vader Nebukadnezar uit den tempel,
Dat is, zijn grootvader, en zo in het volgende. De Oosterse volken noemen al de voorouders vaders; gelijk zij ook zonen noemen de neven of nakomelingen.
Hertaald:
zijn vader Nebukadnezar uit den tempel,
Dat is: zijn grootvader, en zo ook in het vervolg. De oosterse volken noemen alle voorouders vaders, zoals zij ook hun neven of nakomelingen zonen noemen.
vrouwen en zijn bijwijven
Of, bedgenoten. Eenigen menen dat het Chaldeeuwse woord betekent koninklijke of vorstelijke vrouwen.
Hertaald:
vrouwen en zijn bijwijven
Of: bedgenoten. Sommigen menen dat het Chaldeeuwse woord koninklijke of vorstelijke vrouwen aanduidt.
uit dezelve dronken
Chaldeeuws, in dezelve dronken; te weten den wijn, die in dezelve geschonken was, alzo vs.3.
Hertaald:
uit dezelve dronken
Chaldeeuws: dronken daarin, namelijk de wijn die daarin geschonken was; zo ook vers 3.
de gouden vaten,
Het kan wel zijn dat er ook zilveren vaten gebracht zijn, maar dat de profeet hier alleen de schoonste en kostelijkste noemt.
Hertaald:
de gouden vaten,
Het kan wel zijn dat er ook zilveren vaten gebracht zijn, maar dat de profeet hier alleen de mooiste en kostbaarste noemt.
die men uit den tempel van het huis Gods,
Aldus pocht deze koning, en is moedig op den kerkroof van zijn vader.
Hertaald:
die men uit den tempel van het huis Gods,
Zo pocht deze koning en gaat hij prat op de tempelroof van zijn vader.
weggevoerd had;
Zie de historie 2Ki 24 en 2Ki 25 .
Hertaald:
weggevoerd had;
Zie de geschiedenis in 2 Kon. 24 en 2 Kon. 25.
Zij dronken den wijn,
Hier wordt aangewezen dat de overdaad in wijn deze afgodendienaars heeft verwekt om den waren God te vergeten, ja te lasteren, en hun valse goden te loven en te prijzen voor den roof uit het huis Gods, dien zij misbruikten.
Hertaald:
Zij dronken den wijn,
Hier wordt aangewezen dat de overdaad in wijn deze afgodendienaars ertoe gebracht heeft de ware God te vergeten, ja te lasteren, en hun valse goden te loven en te prijzen voor de roof uit Gods huis die zij misbruikten.
de gouden,
Nooit zijn enige afgodendienaars onder de heidenen zo verblind geweest, dat zij gemeend hebben dat het wezen Gods uit goud, zilver, enz., was bestaande, maar zij hebben in de gedaante der beelden hunne goden geëerd en aangebeden.
Hertaald:
de gouden,
Nooit zijn enige afgodendienaars onder de heidenen zo verblind geweest dat zij meenden dat Gods wezen uit goud, zilver enzovoort bestond; maar zij hebben hun goden in de gedaante van de beelden geëerd en aangebeden.
vingeren van eens mensen hand
Niet een gehele hand, maar vingers, of wat meer van de hand, vs.24; het waren de vingeren Gods, die genoemd worden vingeren van eens mensen hand, omdat zij in de ogen des konings waren als vingers van een mens, die genoegzaam waren om den koning en allen die dezelve zagen verschrikt en verbaasd te maken.
Hertaald:
vingeren van eens mensen hand
Niet een hele hand, maar vingers, of iets meer van de hand, vers 24. Het waren de vingers van God, die vingers van een mensenhand genoemd worden omdat zij er in de ogen van de koning uitzagen als de vingers van een mens — genoeg om de koning en allen die ze zagen te verschrikken en te verbijsteren.
voort,
Te weten uit den muur, of uit den hemel wonderbaarlijk.
Hertaald:
voort,
Namelijk op wonderbaarlijke wijze uit de muur, of uit de hemel.
den kandelaar,
Die vermoedelijk gehangen heeft in het midden der zaal of eetkamer, waar deze grote maaltijd gehouden werd, hetwelk te geloven is, dat geduurd zou hebben tot diep in den nacht, had God het niet verstoord.
Hertaald:
den kandelaar,
Die vermoedelijk in het midden van de zaal of eetkamer hing waar deze grote maaltijd gehouden werd. Het is aannemelijk dat die tot diep in de nacht geduurd zou hebben als God hem niet verstoord had.
op de kalk van den wand
Dat is, op den gewitten, gekalkten, of gepleisterden wand.
Hertaald:
op de kalk van den wand
Dat is: op de gewitte, gekalkte of gepleisterde wand.
de koning zag het deel der hand,
Dit dient tot bevestiging van dit wonder. Had alleen iemand van de aanwezende personen dit gezien, die het den koning had te kennen gegeven, zo mocht hij aan de zekerheid van dit wonder getwijfeld hebben, denkende dat iemand heimelijk, of met kunst, dit aan den wand geschreven had; maar toen hij zelf de vingers zag gaan, zo had hij geen reden om te twijfelen; maar hij werd in zijn eigen conscientie overtuigd dat het een teken uit den hemel was, God hem verschrikkende, dien hij tevoren gehoond had, vs.2.
Hertaald:
de koning zag het deel der hand,
Dit dient tot bevestiging van dit wonder. Als alleen een van de aanwezigen dit gezien had en het de koning verteld had, dan had hij aan de zekerheid van dit wonder kunnen twijfelen en kunnen denken dat iemand dit heimelijk of met een truc op de wand geschreven had. Maar toen hij zelf de vingers zag schrijven, had hij geen reden tot twijfel; in zijn eigen geweten werd hij ervan overtuigd dat het een teken uit de hemel was, waarmee God — Die hij tevoren gehoond had — hem verschrikte, vers 2.
de glans des konings,
Chaldeeuws, de glansen. Hetwelk men kan verstaan van zijn gehele glans. Vergelijk Dan. 4:36 , alzo ook hieronder vs.9, 10. De zin is dat al de vreugde schielijk in droefenis veranderde. De koning wist nog niet wat dit schrift beduidde, goed of kwaad. Maar zijn eigen conscientie heeft hem betuigd dat het de dreigende hand des Heeren was, vanwege zijn goddeloos leven, handel en wandel.
Hertaald:
de glans des konings,
Chaldeeuws: de glansen. Dat kan men verstaan van zijn hele uitstraling. Vergelijk Dan. 4:36, en zo ook hierna vers 9 en 10. De betekenis is dat alle vreugde plotseling in droefheid veranderde. De koning wist nog niet wat dit schrift betekende, goed of kwaad; maar zijn eigen geweten getuigde hem dat het de dreigende hand van de HEERE was, vanwege zijn goddeloze leven en handel en wandel.
werden los,
Dat is, zijne kracht bezweek, òf werden losgemaakt, òf werden gelost; dat is, gelijk anderen, men moest hem ontgorden, gelijk men hen doet die bezwijmen, of in flauwte en onmacht vallen.
Hertaald:
werden los,
Dat is: zijn kracht bezweek; óf: werden losgemaakt, óf: werden ontgord — dat is, zoals anderen lezen: men moest hem losgespen, zoals men doet bij mensen die flauwvallen of bezwijmen.
tegen elkander aan
Chaldeeuws, deze aan dien; dat is, de een aan den ander, te weten uit schrik en vrees.
Hertaald:
tegen elkander aan
Chaldeeuws: deze aan die; dat is: de een tegen de ander, namelijk van schrik en angst.
met kracht riep
Of, met macht; dat is, overluid, dat het alle man bescheidenlijk hoorde. Het betaamde wel de waardigheid van den koninklijken persoon niet aan de tafel luide te roepen, maar hiermede wordt aangewezen de bangheid en schrik, die den koning omvangen had.
Hertaald:
met kracht riep
Of: met macht; dat is: luid, zodat iedereen het duidelijk hoorde. Het paste niet bij de waardigheid van een koninklijk persoon om aan tafel luid te roepen, maar hiermee wordt de angst en schrik aangewezen die de koning bevangen had.
de sterrekijkers,
Versta onder deze drie soorten ook die allen, die genoemd staan Dan. 1:20 , en Dan. 2:2 , Dan. 2:27 , zie aldaar. Daniël was in vergetenheid gesteld, onaangezien hij enige jaren hier tevoren aan den grootvader van dezen koning zijn droom had uitgelegd, Dan 2 .
Hertaald:
de sterrekijkers,
Versta onder deze drie groepen ook allen die genoemd worden in Dan. 1:20 en Dan. 2:2, Dan. 2:27; zie daar. Daniël was in vergetelheid geraakt, hoewel hij enkele jaren tevoren de droom van de grootvader van deze koning had uitgelegd, Dan. 2.
antwoordde
Dat is, ving aan te spreken, gelijk elders meer.
Hertaald:
antwoordde
Dat is: begon te spreken, zoals ook elders.
purper gekleed worden,
Dit is zoveel te zeggen, als dat de koning dien, die dit schrift kon lezen en uitleggen, zou rekenen of stellen onder het getal zijner vorsten en der groten van zijn rijk; want eertijds droegen de vorsten en de statelijksten aan de hoven der koningen zodanige klederen, zij en geen andere personen.
Hertaald:
purper gekleed worden,
Dit betekent zoveel als dat de koning degene die dit schrift kon lezen en uitleggen zou rekenen onder zijn vorsten en de groten van zijn rijk; want vroeger droegen de vorsten en de aanzienlijksten aan de hoven van de koningen zulke kleren, en zij alleen.
keten om zijn hals,
Anders: gouden halsbanden, of gouden ketens, want de Chaldeeuwse tekst wordt verscheidenlijk gelezen.
Hertaald:
keten om zijn hals,
Anders: gouden halsbanden, of gouden kettingen, want de Chaldeeuwse tekst wordt verschillend gelezen.
hij zal de derde heerser
Anders: hij zal over het derde deel van het koninkrijk heersen; alzo onder Dan. 6:2 , en in vs.16, 29.
Hertaald:
hij zal de derde heerser
Anders: hij zal over het derde deel van het koninkrijk heersen; zo ook Dan. 6:2, en vers 16 en 29.
in dit koninkrijk zijn
Te weten in het koninkrijk van Babel.
Hertaald:
in dit koninkrijk zijn
Namelijk in het koninkrijk van Babel.
zij konden dit schrift niet lezen,
God heeft hun ogen en verstand verblind, want het was in het Chaldeeuws, dat is in hunne moedertaal geschreven, gelijk blijkt vs.25, enz. Vergelijk hiermede Jes. 29:10 , en 2 Kor. 3:14 . Al hadden zij dit schrift kunnen lezen, ja al hadden zij het duizend maal gelezen en herlezen, zo zouden zij den zin daarvan niet verstaan hebben.
Hertaald:
zij konden dit schrift niet lezen,
God heeft hun ogen en verstand verblind, want het was in het Chaldeeuws geschreven, dat is: in hun moedertaal, zoals blijkt uit vers 25, enzovoort. Vergelijk hiermee Jes. 29:10 en 2 Kor. 3:14. Al hadden zij dit schrift kunnen lezen, ja al hadden zij het duizend keer gelezen en herlezen, dan zouden zij de betekenis ervan toch niet begrepen hebben.
zijn glans werd aan hem veranderd,
Zie boven vs.6.
Hertaald:
zijn glans werd aan hem veranderd,
Zie hierboven vers 6.
zijn geweldigen werden verbaasd
Omdat deze mede schuld hadden aan verscheidene zonden van den koning, daarom moesten zij ook de straf mede dragen. Ook heeft God de Heere gewild dat hun dit mede aan het hart zou treffen, opdat door hen dit wonder in alle koninkrijken en landen zou verkondigd worden.
Hertaald:
zijn geweldigen werden verbaasd
Omdat zij medeschuldig waren aan verscheidene zonden van de koning, moesten zij ook mede de straf dragen. Ook heeft God de HEERE gewild dat dit ook hun aan het hart zou gaan, opdat dit wonder door hen in alle koninkrijken en landen bekend zou worden.
Om deze woorden des konings
Dat is, toen zij gehoord had de woorden van den koning en der vorsten, en hetgeen wat daar geschied was.
Hertaald:
Om deze woorden des konings
Dat is: toen zij de woorden van de koning en de vorsten gehoord had en vernomen had wat daar gebeurd was.
de koningin in het huis des maaltijds
Niet van de huisvrouw van den koning Belsazar [want vs.2 staat, dat zijne vrouwen mede op den maaltijd gekomen waren], daarom moest men dit verstaan van de nagelaten weduwe van den koning Nebukadnezar, de grootmoeder van Belsazar, of zijne moeder.
Hertaald:
de koningin in het huis des maaltijds
Niet de vrouw van koning Belsazar, want in vers 2 staat dat zijn vrouwen ook aan de maaltijd gekomen waren; daarom moet men dit verstaan van de weduwe van koning Nebukadnezar, de grootmoeder van Belsazar, of van zijn moeder.
O Koning,
Anders: de koning leve in eeuwigheid. Chaldeeuws, in eeuwigheden. Van deze manier van groeten, zie boven Dan. 2:4 , en Dan. 3:9 .
Hertaald:
O Koning,
Anders: de koning leve in eeuwigheid. Chaldeeuws: in eeuwigheden. Over deze manier van groeten, zie Dan. 2:4 en Dan. 3:9.
uws vaders
Dat is, uw grootvader. Zie boven vs.2.
Hertaald:
uws vaders
Dat is: uw grootvader. Zie hierboven vers 2.
licht, en verstand, en wijsheid,
Of, verlichting; dat is wijsheid, kennis, wetenschap om verborgen dingen te openbaren.
Hertaald:
licht, en verstand, en wijsheid,
Of: verlichting; dat is: wijsheid, kennis en wetenschap om verborgen dingen te openbaren.
gelijk de wijsheid der goden is;
Dat is, meer dan menselijke wijsheid, zodanige namelijk, die met de wijsheid der goden te vergelijken is.
Hertaald:
gelijk de wijsheid der goden is;
Dat is: meer dan menselijke wijsheid, namelijk een wijsheid die met die van de goden te vergelijken is.
stelde hem de koning Nebukadnezar,
Zie boven Dan. 2:48 .
Hertaald:
stelde hem de koning Nebukadnezar,
Zie Dan. 2:48.
een overste der tovenaars,
Zie boven Dan. 4:9 .
Hertaald:
een overste der tovenaars,
Zie Dan. 4:9.
uw vader, o koning
Dit diende tot vermeerdering van Daniëls gezag, want Nebukadnezar is geacht geweest te zijn een wijs en zeer verstandig man.
Hertaald:
uw vader, o koning
Dit diende om Daniëls gezag te versterken, want Nebukadnezar gold als een wijs en zeer verstandig man.
die knopen ontbindt,
Dat is, die ingewikkelde en verwarde dingen ontknoopt, of die zware en moeilijke kwestiën, die met banden der donkerheid als vast toegeknoopt zijn, kan beantwoorden en uitleggen; zie Dan. 4:9 . Sommigen zetten het begin van vs.12 aldus over: Omdat een voortreffelijke geest, met wetenschap en verstand, die [te weten geest] dromen en aanwijzing [of, voorstelling ] van raadselen uitlegt, en die knopen ontbindt, enz., of, dromen uitleggende en raadselen aanwijzende, enz.
Hertaald:
die knopen ontbindt,
Dat is: die ingewikkelde en verwarde dingen ontknoopt, of die zware en moeilijke vragen — die als met banden van duisternis vastgeknoopt zijn — kan beantwoorden en uitleggen; zie Dan. 4:9. Sommigen vertalen het begin van vers 12 zo: omdat een voortreffelijke geest, met kennis en verstand, die dromen en de aanwijzing (of voorstelling) van raadsels uitlegt en die knopen ontbindt, enzovoort; of: dromen uitleggend en raadsels aanwijzend, enzovoort.
gaf;
Chaldeeuws, stelde.
Hertaald:
gaf;
Chaldeeuws: stelde.
antwoordde
Dat is, hief aan te spreken, en alzo elders meer.
Hertaald:
antwoordde
Dat is: begon te spreken; zo ook elders.
Zijt gij die Daniël,
Dit vraagt de koning met verwondering. Hij kent Daniël niet, die nochtans van zijn grootvader gesteld was tot een heerser over de ganse provincie van Babel, Dan. 2:48 . Maar daarna schijnt hij van Belsazar teruggesteld en vergeten te zijn, zodat deze koning hem niet kent. Het kan wel wezen dat enige staatzuchtigen hem uit alle bedieningen te stoten gearbeid hebben, en dat hij niet veel tegenweer gedaan heeft om daarin te blijven, wetende hoe besmettelijk der koningen hoven zijn.
Hertaald:
Zijt gij die Daniël,
Dit vraagt de koning verwonderd. Hij kent Daniël niet, terwijl die toch door zijn grootvader tot heerser over de hele provincie Babel aangesteld was (Dan. 2:48). Maar daarna lijkt hij door Belsazar teruggezet en vergeten te zijn, zodat deze koning hem niet kent. Het kan best zijn dat enkele eerzuchtigen zich ingespannen hebben hem uit al zijn ambten te stoten, en dat hij zich er niet sterk tegen verzet heeft, omdat hij wist hoe besmettelijk de hoven van koningen zijn.
mijn vader,
Dat is, mijn grootvader Nebukadnezar.
Hertaald:
mijn vader,
Dat is: mijn grootvader Nebukadnezar.
Ik heb toch van u gehoord,
Hij had wel wat van Daniël horen spreken, maar tot nog toe had hij het niet geacht, maar nu in den nood wordt Daniël gezocht om raad en troost te geven.
Hertaald:
Ik heb toch van u gehoord,
Hij had wel het een en ander over Daniël horen spreken, maar tot dan toe had hij daar niet op gelet; nu echter, in de nood, wordt Daniël gezocht om raad en troost te geven.
zij kunnen de uitlegging
Te weten de wijzen en sterrenkijkers. Ook konden de koning en zijne vorsten het niet lezen. Zie wijders boven vs.8; maar Daniël heeft het gelezen door het ingeven van God, die gewild heeft dat Daniël, dien men als vergeten had, nu hierdoor wederom in kennis zou komen.
Hertaald:
zij kunnen de uitlegging
Namelijk de wijzen en sterrenwichelaars. Ook de koning en zijn vorsten konden het niet lezen. Zie verder hierboven vers 8. Maar Daniël heeft het gelezen door de ingeving van God, Die gewild heeft dat Daniël, die men als vergeten was, hierdoor weer bekend zou worden.
dezer woorden niet te kennen geven
Chaldeeuws, van dat woord. Alzo onder vs.26.
Hertaald:
dezer woorden niet te kennen geven
Chaldeeuws: van dat woord. Zo ook vers 26.
geven,
Chaldeeuws, uitleggen.
Hertaald:
geven,
Chaldeeuws: uitleggen.
zult met purper bekleed worden,
De koning belooft grote dingen, weinig wetende hoe nabij zijn ondergang was, en tot hem mocht gesproken worden, als tot dien dwaas: dezen nacht zal uwe ziel van u genomen worden, Luc. 12:20 .
Hertaald:
zult met purper bekleed worden,
De koning belooft grote dingen, terwijl hij nauwelijks weet hoe nabij zijn ondergang is; tot hem had gezegd kunnen worden wat tot die dwaas gezegd werd: deze nacht zal uw ziel van u afgeëist worden, Luk. 12:20.
Heb uw gaven voor uzelven,
Aldus spreekt Daniël, opdat hij niet schijne uit staat of geldgierigheid te profeteren; hoogheden, rijkdommen en andere vergankelijke dingen, waarnaar de wereldse mensen gemeenlijk zozeer dorsten, konden dezen heiligen man niet zeer vermaken. Zie een gelijk voorbeeld in Elisa, 2 Kon. 5:16 .
Hertaald:
Heb uw gaven voor uzelven,
Zo spreekt Daniël, opdat het niet zou lijken alsof hij uit eerzucht of geldzucht profeteerde. Hoogheid, rijkdom en andere vergankelijke dingen, waar wereldse mensen gewoonlijk zo naar dorsten, konden deze heilige man weinig bekoren. Zie een soortgelijk voorbeeld bij Elisa, 2 Kon. 5:16.
Wat u aangaat,
Eer Daniël het schrift leest en uitlegt, zo geeft hij den koning te kennen waarom God hem dit teken van de schrijvende vingers vertoond had, namelijk om hem zijne ondankbaarheid en zijn godlasterlijke kerkroverij indachtig te maken.
Hertaald:
Wat u aangaat,
Voordat Daniël het schrift leest en uitlegt, geeft hij de koning te kennen waarom God hem dit teken van de schrijvende vingers getoond had: namelijk om hem te herinneren aan zijn ondankbaarheid en zijn godslasterlijke tempelroof.
uw vader Nebukadnezar
Dat is, grootvader, want Evilmerodach was Belsazars vader.
Hertaald:
uw vader Nebukadnezar
Dat is: grootvader, want Evilmerodach was de vader van Belsazar.
grootheid,
Of, zo men nu spreekt, heerlijkheid.
Hertaald:
grootheid,
Of: heerlijkheid, zoals men tegenwoordig zegt.
eer,
Of, heerlijkheid en sierlijkheid.
Hertaald:
eer,
Of: heerlijkheid en luister.
voor hem;
Chaldeeuws, van voor hem.
Hertaald:
voor hem;
Chaldeeuws: van voor hem.
toen zich zijn hart verhief,
Of, toen zijn hart verheven werd.
Hertaald:
toen zich zijn hart verhief,
Of: toen zijn hart verheven werd.
werd hij van den troon zijns koninkrijks afgestoten,
Zie Job 12:18 . Daniël herhaalt hier die gedenkwaardige geschiedenis, om den koning indachtig te maken zijne traagheid en vergeetzaamheid in het gedenken van dat grote wonderwerk, hetwelk de Heere an Nebukadnezar, zijn grootvader, bewezen had.
Hertaald:
werd hij van den troon zijns koninkrijks afgestoten,
Zie Job 12:18. Daniël herhaalt hier die gedenkwaardige geschiedenis om de koning te wijzen op zijn traagheid en vergeetachtigheid in het gedenken van dat grote wonderwerk dat de HEERE aan Nebukadnezar, zijn grootvader, bewezen had.
hij werd van de kinderen der mensen verstoten,
Zie Dan. 4:25 .
Hertaald:
hij werd van de kinderen der mensen verstoten,
Zie Dan. 4:25.
zijn hart
Anders: hij stelde zijn hart met de beesten; dat is, hij is een tijdlang zonder kennis en zonder verstand geweest; verstaande dat Hij, te weten de Heere, des konings hart dat der beesten heeft gelijk gemaakt.
Hertaald:
zijn hart
Anders: hij stelde zijn hart gelijk aan dat van de dieren; dat is: hij is een tijdlang zonder kennis en verstand geweest — waarbij begrepen wordt dat Hij, namelijk de HEERE, het hart van de koning aan dat van de dieren gelijk gemaakt heeft.
zijn woning
Hij die tevoren zijn hof gehouden had in de beroemdste stad en in het schoonste paleis der wereld, moet nu met de beesten verkeren.
Hertaald:
zijn woning
Hij die tevoren hof gehouden had in de beroemdste stad en het mooiste paleis van de wereld, moet nu bij de dieren verkeren.
men gaf hem gras te smaken
De zin is dat hij gras at.
Hertaald:
men gaf hem gras te smaken
De betekenis is dat hij gras at.
zoon
Dat is kleinzoon. Het schijnt dat Evilmerodach, de vader van Belsazar, een vromer heer geweest is en dat hij het wonderwerk, aan Nebukadnezar geschied, wel ter harte heeft genomen. Vergelijk 2 Kon. 25:27-28 .
Hertaald:
zoon
Dat is: kleinzoon. Het lijkt erop dat Evilmerodach, de vader van Belsazar, een vromer heer geweest is en dat hij het wonderwerk dat aan Nebukadnezar gebeurd was wel ter harte genomen heeft. Vergelijk 2 Kon. 25:27-28.
alhoewel gij dit alles wel geweten hebt
En derhalve hetgeen hem wedervaren is, wel had behoren ter harte te nemen.
Hertaald:
alhoewel gij dit alles wel geweten hebt
En dat hij daarom wat hem overkomen was wel ter harte had behoren te nemen.
Zijn huis voor u gebracht,
Dat is, van zijn tempel.
Hertaald:
Zijn huis voor u gebracht,
Dat is: uit Zijn tempel.
die niet zien,
Vergelijk Ps. 115:5 , enz. en Ps. 135:15 , enz.
Hertaald:
die niet zien,
Vergelijk Ps. 115:5, enzovoort, en Ps. 135:15, enzovoort.
noch weten,
Of, noch verstaan.
Hertaald:
noch weten,
Of: en niet verstaan.
in Wiens hand
Dat is, die u het leven heeft gegeven, en zolang laat behouden als het hem belieft.
Hertaald:
in Wiens hand
Dat is: Die u het leven gegeven heeft en het u zo lang laat behouden als het Hem behaagt.
uw adem is,
Of, uwe ziel; dat is uw leven.
Hertaald:
uw adem is,
Of: uw ziel; dat is: uw leven.
al uw paden zijn,
Dat is, al uw voornemen, al uwe werken en daden, zonder wien gij niets kunt uitrichten.
Hertaald:
al uw paden zijn,
Dat is: al uw voornemens, al uw werken en daden, zonder Wie u niets kunt uitrichten.
Toen is dat deel der hand
Te weten toen nu uwe hovaardij tegen God op het hoogste gekomen was en uwe trotsheid tegen de mensen onverdragelijk geworden was, en gij nu de maat uwer zonden tot boven toe hadt vervuld.
Hertaald:
Toen is dat deel der hand
Namelijk toen uw hoogmoed tegen God op zijn hoogst gekomen was, uw trots tegen de mensen ondraaglijk geworden was en u de maat van uw zonden tot de rand toe gevuld had.
van Hem gezonden,
Chaldeeuws, van voor hem; te weten van God, het is geen gespook, maar de hand Gods.
Hertaald:
van Hem gezonden,
Chaldeeuws: van voor Hem, namelijk van God; het is geen spookverschijning, maar de hand van God.
MENÉ, MENÉ, TEKÉL, UPHARSÍN
Dat is, Hij heeft geteld, Hij heeft geteld; Hij heeft opgewogen, en zij verdelen het. Anders: hij is geteld, hij is geteld; hij is opgewogen, en zij verdelen te weten hem; dat is hij wordt verdeeld, of hij is verdeeld. Anders: telt, telt, weegt op, en zij verdelen. Het woord Mene staat er tweemaal, tot meerdere vastigheid en verzekering van de dreigementen Gods.
Hertaald:
MENÉ, MENÉ, TEKÉL, UPHARSÍN
Dat is: Hij heeft geteld, Hij heeft geteld; Hij heeft gewogen, en zij verdelen het. Anders: hij is geteld, hij is geteld; hij is gewogen, en zij verdelen — namelijk hem, dat is: hij wordt verdeeld, of hij is verdeeld. Anders: telt, telt, weegt, en zij verdelen. Het woord mene staat er tweemaal, tot meerdere vastheid en bevestiging van Gods bedreigingen.
Hij heeft het voleind
Te weten alzo, dat nu de dagen van uw koninkrijk voorzeker een einde nemen. En nu is de dag verschenen in welken gij rekenschap van uw doen en laten zult moeten geven. Anders, en Hij heeft het overgegeven, te weten uw koninkrijk, aan de Perzen en Meden.
Hertaald:
Hij heeft het voleind
Namelijk zo dat de dagen van uw koninkrijk nu zeker een einde nemen. En nu is de dag gekomen waarop u rekenschap zult moeten geven van uw doen en laten. Anders: en Hij heeft het overgegeven, namelijk uw koninkrijk, aan de Perzen en Meden.
TEKÉL;
Tekel, is maar te zeggen: Hij heeft opgewogen, de andere woorden voegt er de profeet bij, tot bredere verklaring van het woord Tekel. De zin is: Gelijk de geldhandelaars hunne schalen en gewichten hebben, om te beproeven of het geld zijn behoorlijk gewicht heeft; alzo heeft ook God u gewogen in zijn goddelijke weegschaal, en gij zijt te licht bevonden. Aangaande deze gelijkenis, zie Ps. 62:10 .
Hertaald:
TEKÉL;
Tekel betekent alleen: Hij heeft gewogen; de andere woorden voegt de profeet eraan toe ter nadere verklaring van het woord tekel. De betekenis is: zoals de geldhandelaars hun weegschalen en gewichten hebben om te toetsen of het geld het vereiste gewicht heeft, zo heeft ook God u in Zijn goddelijke weegschaal gewogen, en bent u te licht bevonden. Over deze vergelijking, zie Ps. 62:10.
gij zijt te licht gevonden
Dat is, gij zijt bevonden te zijn als een penning, die te licht is en derhalve niet ontvangbaar. Anders: gij zijt gebrekkelijk bevonden, te weten in uw volle gewicht; dat is, gij hebt u niet gedragen naar eis van uw koninklijk ambt en waardigheid.
Hertaald:
gij zijt te licht gevonden
Dat is: u bent bevonden te zijn als een munt die te licht is en daarom niet aangenomen wordt. Anders: u bent gebrekkig bevonden, namelijk in uw volle gewicht; dat is: u hebt zich niet gedragen naar de eis van uw koninklijk ambt en waardigheid.
PERÉS;
Aan den wand stond Ufarsin, dat is, en zij verdelen het; zij, te weten de Meden en Perzen, als dienaren van God in deze verdeling. Maar hier stelt de profeet Peres, dat is, Hij verdeelt: Hij, te weten God. En de zin is: Het koninkrijk is van u genomen, en aan anderen gegeven, te weten den Meden en den Perzen.
Hertaald:
PERÉS;
Op de wand stond ufarsin, dat is: en zij verdelen het; zij, namelijk de Meden en Perzen, als dienaars van God bij deze verdeling. Maar hier zet de profeet peres, dat is: Hij verdeelt — Hij, namelijk God. En de betekenis is: het koninkrijk is van u genomen en aan anderen gegeven, namelijk aan de Meden en de Perzen.
en zij bekleedden Daniël met purper,
De koning heeft aldus willen betonen en doen blijken, niet alleen dat hij zijne belofte wilde houden, vs.16, maar ook betonen dat hij onverschrokken was.
Hertaald:
en zij bekleedden Daniël met purper,
De koning heeft daarmee niet alleen willen tonen dat hij zijn belofte wilde houden (vers 16), maar ook dat hij onverschrokken was.
van hem,
Of, over, voor hem.
Hertaald:
van hem,
Of: over, voor hem.
dat hij de derde heerser in dat koninkrijk was
Het is vermoedelijk dat wel Daniël ongaarne dezen zwaren last op zich genomen heeft, nochtans heeft hij het gedaan, om door dat middel zijn ellendige landslieden te mogen behulpzaam zijn, in de aanstaande verandering der monarchie.
Hertaald:
dat hij de derde heerser in dat koninkrijk was
Het is aannemelijk dat Daniël deze zware last niet graag op zich genomen heeft, maar hij heeft het toch gedaan om daardoor zijn ellendige landgenoten van dienst te kunnen zijn bij de aanstaande verandering van de monarchie.
In dienzelfden nacht,
Vergelijk Ps. 37:9 , Ps. 37:10 , Ps. 37:35 , enz.; Jes. 21:9 , en Jes. 47:11 ; Jer. 25:12 , enz., en Jer. 51:39 .
Hertaald:
In dienzelfden nacht,
Vergelijk Ps. 37:9, Ps. 37:10, Ps. 37:35, enzovoort; Jes. 21:9 en Jes. 47:11; Jer. 25:12, enzovoort, en Jer. 51:39.
gedood
Te weten van Gobrya en Gadata, of van de soldaten van Cyrus, van deze twee heren daartoe aangevoerd zijnde, toen Babel werd ingenomen. Vergelijk Jes. 21:5 ; Jer. 51:39 . Doch anderen menen dat hij gedood is door ene heimelijke verbintenis van zijne groten, van wie een, alhier Darius genaamd, koning gemaakt is, en dat bij denzelfden tijd Babylon van Cyrus is ingenomen geweest. Zie boven vs.1.
Hertaald:
gedood
Namelijk door Gobryas en Gadatas, of door de soldaten van Kores die door deze twee heren aangevoerd werden, toen Babel ingenomen werd. Vergelijk Jes. 21:5; Jer. 51:39. Maar anderen menen dat hij gedood is door een heimelijke samenzwering van zijn groten, van wie er een — hier Darius genoemd — tot koning gemaakt is, en dat Babylon omstreeks diezelfde tijd door Kores ingenomen is. Zie hierboven vers 1.
Darius,
Chaldeeuws, Dariaves; hij wordt de Meder genoemd, om hem te onderscheiden van Darius den Perzer, van wien zie Ezra 4:5 , Ezr 424 .
Hertaald:
Darius,
Chaldeeuws: Darjawes. Hij wordt de Meder genoemd om hem te onderscheiden van Darius de Pers, over wie zie Ezra 4:5 en Ezra 4:24.
ontving het koninkrijk,
Of, nam in, nam aan, kreeg, te weten naar veler gevoelen, van de hand van Cyrus, want toen Cyrus, met hulp van Darius zijn schoonvader, het rijk van Babylon had ingenomen, zo heeft hij het Darius overgegeven, en hij is naar Perzië getrokken om zijne zaken aldaar verder te verrichten en in orde te stellen. Doch toen Darius omtrent een jaar over het rijk van Babel geregeerd had, heeft Cyrus de regering van het Babylonische rijk weder tot zich genomen. Doch van het gevoelen van anderen zie boven Dan. 5:1 , Dan. 5:30 .
Hertaald:
ontving het koninkrijk,
Of: nam in, nam aan, kreeg; naar de mening van velen uit de hand van Kores. Want toen Kores met hulp van zijn schoonvader Darius het rijk van Babylon ingenomen had, heeft hij het aan Darius overgedragen en is hij naar Perzië getrokken om zijn zaken daar verder te regelen. Maar toen Darius ongeveer een jaar over het rijk van Babel geregeerd had, heeft Kores het bestuur van het Babylonische rijk weer aan zich getrokken. Over de mening van anderen, zie hierboven Dan. 5:1 en Dan. 5:30.
omtrent twee en zestig jaren oud zijnde
Chaldeeuws, een zoon van omtrent twee en zestig jaren.
Hertaald:
omtrent twee en zestig jaren oud zijnde
Chaldeeuws: een zoon van ongeveer tweeënzestig jaar. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Koning van Babel, zoon (of kleinzoon) van Nebukadnezar. Tijdens een grote maaltijd, waarbij hij uit de heilige tempelvaten dronk en de afgoden prees, verscheen een hand die het oordeel "Mene, Mene, Tekel, Ufarsin" op de muur schreef; Daniël verklaarde dat zijn koninkrijk geteld, gewogen en te licht bevonden was, en verdeeld zou worden. In diezelfde nacht werd Belsazar gedood en ging het rijk over op de Meden en Perzen (Dan. 5). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Het boek begint met een belegering: "In het derde jaar des koninkrijks van Jojakim, den koning van Juda, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, te Jeruzalem, en belegerde haar" (Dan. 1:1). Het vers erna zegt hoe het afliep, en met welk werkwoord: "En de HEERE gaf Jojakim, den koning van Juda, in zijn hand, en een deel der vaten van het huis Gods" (Dan. 1:2). In datzelfde vers staat waar die vaten terechtkwamen: in het huis van de god van Nebukadnezar, in zijn schathuis. De terugkeer van dat gerei is later behandeld (reeds behandeld bij Ezra 1:7-11). Bijbelse betekenis: Merk op wie in Dan. 1:2 het onderwerp van de zin is. Niet Nebukadnezar maar de HEERE: Hij gaf. Wat van buiten af de nederlaag van Israëls God leek, wordt hier Zijn eigen daad genoemd; dat is dezelfde lijn die in de profeten telkens getrokken wordt (reeds behandeld bij Jes. 10:5). Let vervolgens op de plaats waar de vaten neergezet worden. In een afgodstempel, als bewijsstuk van een overwinning; naar de gewoonte van die tijd hoorde daarbij de gedachte dat de ene god de andere verslagen had. Het boek begint dus met een misverstand dat het verder zal weerleggen. Let ten slotte op wat er met die vaten nog komen gaat. Zij duiken in dit boek opnieuw op, wanneer een latere koning eruit drinkt (Dan. 5:2-4); wat als buit werd weggezet, wordt daar het middel van zijn ondergang. Typologie: De Heere Jezus zegt tegen de stadhouder die over Zijn leven meende te beschikken: "Gij zoudt geen macht hebben tegen Mij, indien het u niet van boven gegeven ware" (Joh. 19:11). Dat woord staat ook boven de eerste bladzijde van dit boek. Dan. 1:1-2; Dan. 5:2-4; Ezra 1:7-11; Jes. 10:5; Joh. 19:11 "De koning Belsazar maakte een groten maaltijd voor zijn duizend geweldigen, en hij dronk wijn voor die duizend" (Dan. 5:1). Wat er dan gebeurt, is de zaak van dit hoofdstuk: "zeide hij, dat men de gouden en zilveren vaten voorbrengen zou, die zijn vader Nebukadnezar uit den tempel, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had" (Dan. 5:2). Waar die vaten vandaan kwamen, staat al aan het begin van het boek (reeds behandeld bij Dan. 1:2). Er wordt uit gedronken, "en prezen de gouden, en de zilveren, de koperen, de ijzeren, de houten en de stenen goden" (Dan. 5:4). Bijbelse betekenis: Merk op de omweg die deze vaten gemaakt hebben. Zij zijn een leven lang buit geweest, veilig in een schathuis, tot er een nacht komt waarin zij als drinkgerei voor afgoden gebruikt worden. Wat weggezet was als bewijs van overwinning, wordt hier gebruikt om die overwinning te vieren. Let vervolgens op wat er precies gebeurt: heilig gerei en heidense goden komen in één handeling samen. Let ten slotte op de tijd. Belsazar wist van zijn vaders vernedering (Dan. 5:22, zie het volgende artikel); hij deed het toch, en dezelfde nacht wordt hem het schrift getoond. Typologie: Paulus schrijft dat van de uitdelers gevraagd wordt dat zij getrouw bevonden worden (1 Kor. 4:2). Wat aan God gewijd is, blijft van Hem, ook wanneer het jaren buiten Zijn dienst gebruikt wordt. Dan. 5:1-4; Dan. 1:2; Dan. 5:22 "Ter zelfder ure kwamen er vingeren van eens mensen hand voort, die schreven tegenover den kandelaar, op de kalk van den wand van het koninklijk paleis" (Dan. 5:5). Geen van de wijzen van Babel kan het lezen (Dan. 5:8). Daniël wordt gehaald, en voordat hij leest, herinnert hij de koning aan zijn vader: "toen zich zijn hart verhief, en zijn geest verstijfd werd ter hovaardij, werd hij van den troon zijns koninkrijks afgestoten" (Dan. 5:20), en hij zegt tot Belsazar: "gij, Belsazar, zijn zoon! hebt uw hart niet vernederd, alhoewel gij dit alles wel geweten hebt" (Dan. 5:22). Dan pas leest hij: "MENE, MENE, TEKEL, UPHARSIN" (Dan. 5:25), en legt het uit, woord voor woord: geteld, gewogen, verdeeld (Dan. 5:26-28). Bijbelse betekenis: Merk op waarom niemand het lezen kon. Het waren gewone woorden, maar zonder de sleutel bleven zij duister; de uitlegging kwam niet uit geleerdheid maar uit openbaring, zoals eerder bij de droom (reeds behandeld bij Dan. 2:30). Let vervolgens op wat Daniël doet vóór hij de boodschap brengt. Hij herinnert de koning aan wat hij zelf wist en niet toepaste; het oordeel wordt niet uit het niets aangekondigd, maar knoopt aan bij wat Belsazar al gehoord had. Let ten slotte op TEKEL: "gij zijt in weegschalen gewogen; en gij zijt te licht gevonden" (Dan. 5:27). Dat een leven gewogen wordt, staat ook in de wet van Israël: de HEERE eist een rechte weegschaal (reeds behandeld bij Ezech. 45:10), en hier wordt een heel koningschap op diezelfde weegschaal gelegd en te licht bevonden. Typologie: In het laatste boek worden de doden geoordeeld naar wat in de boeken geschreven staat (Op. 20:12). Wat hier op een wand geschreven wordt, is een klein beeld van dat grote gericht. Dan. 5:5-9,20,22,25-28; Dan. 2:30; Ezech. 45:10; Op. 20:12 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De Amerikaanse presbyteriaanse evangelist A.T. Pierson, kreeg de verantwoordelijkheid om in de herfst en winter van 1891–1892 te prediken in de Metropolitan Tabernacle, terwijl C.H. Spurgeon herstelde van… Zijn gedachten verschrikten hem. Dan. 5:6 Voor veel mensen is denken een ongewone bezigheid. Toch is het het kenmerk van de mens, dat hij kan denken. Geen wonder,… Tekel: Gij zijt in weegschalen gewogen, en gij zijt te licht gevonden. Daniël 5:27 Verder lezen: Psalm 62 In deze weegschaal moet ik gewogen worden. God zal mij… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" U bent gewogen in de weegschaal en u bent te licht bevonden. Daniël 5 vers 27 Het is goed om jezelf… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Daniël 5
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
Gebed en Eenvoud
Dan. 5:6 - Een man verschrikt door zijn gedachten
De weegschalen van het oordeel
Gewogen in de weegschaal en te licht bevonden


Daniël 5
Daniël 5:27.KruisverwijzingenPsalmen 62:9→Job 31:6→Ezechiël 22:18→Mattheüs 22:11→Jeremia 6:30→1 Korinthe 3:13→
— TEKEL; gij zijt in weegschalen gewogen; en gij zijt te licht gevonden.
“TEKEL; gij zijt in weegschalen gewogen; en gij zijt te licht gevonden.”
Er is een weegtijd voor koningen en keizers en voor alle vorsten van de aarde. Sommigen van hen hebben zich verheven tot een plaats waar zij aan geen mens verantwoording lijken te hoeven afleggen. Ontkomen zij op aarde aan de weegschaal, dan moeten zij toch zeker geoordeeld worden voor de rechterstoel van God.
Ook voor volken is er een weegtijd. Heel de geschiedenis van Gods handelen met de mensheid bewijst het. Een volk mag voortgaan in goddeloosheid, zijn onderdrukkingen vermenigvuldigen en overvloedig zijn in bloedvergieten, dwingelandij en oorlog. Maar er nadert een uur van vergelding, wanneer het de maat van zijn ongerechtigheid vol gemaakt zal hebben.
Er kan geen eeuwige verdoemenis zijn voor volken áls volken. De ondergang van mensen zal ten slotte die van afzonderlijke personen zijn, en voor de rechterstoel van God moet ieder mens voor zichzelf geoordeeld worden.
Wij moeten onszelf wegen; wij moeten ons eigen hart in de weegschaal leggen. Wij mogen ons niet laten bedriegen. Wij moeten de blinddoek van onze ogen trekken, opdat onze blindheid weggenomen wordt en wij een rechtvaardig oordeel over onszelf vellen kunnen. Wij moeten onszelf niet alleen zien zoals anderen ons zien, maar zoals Gód ons ziet. Want dat is per slot van rekening onze werkelijke staat.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
V. Vs. 1-31.KruisverwijzingenDaniël 5:29→Daniël 5:16→Daniël 5:6→Esther 1:3→Daniël 1:2→Habakuk 2:19→Ezechiël 7:17→Daniël 7:28→
— De koning Belsazar maakte een groten maaltijd voor zijn duizend geweldigen, en hij dronk wijn voor die duizend. Als Belsazar den wijn geproefd had, zeide hij, dat men de gouden en zilveren vaten voorbrengen zou, die zijn vader Nebukadnezar uit den tempel, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; opdat de koning en zijn geweldigen, zijn vrouwen en zijn bijwijven uit dezelve dronken. Toen bracht men voor de gouden vaten, die men uit den tempel van het huis Gods, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; en de koning en zijn geweldigen, zijn vrouwen, en zijn bijwijven dronken daaruit. Zij dronken den wijn, en prezen de gouden, en de zilveren, de koperen, de ijzeren, de houten en de stenen goden. Ter zelfder ure kwamen er vingeren van eens mensen hand voort, die schreven tegenover den kandelaar, op de kalk van den wand van het koninklijk paleis, en de koning zag het deel der hand, die daar schreef. Toen veranderde zich de glans des konings, en zijn gedachten verschrikten hem; en de banden zijner lendenen werden los, en zijn knieen stieten tegen elkander aan. Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn. Toen kwamen al de wijzen des konings in; maar zij konden dit schrift niet lezen, noch den koning deszelfs uitlegging bekend maken. Toen verschrikte de koning Belsazar zeer, en zijn glans werd aan hem veranderd, en zijn geweldigen werden verbaasd. Om deze woorden des konings en zijner geweldigen, ging de koningin in het huis des maaltijds. De koningin sprak en zeide: O koning, leef in eeuwigheid! laat u uw gedachten niet verschrikken, en uw glans niet veranderd worden.
Uit de slechts korte regering van Nebukadnezar’s zoon, Evil-Merodach en de op dezen volgende heerschappij van Neriglissar, den zwager van den laatsten, wordt ons verder gene gebeurtenis uit het leven van Daniël meegedeeld (vgl. echter de beide gezichten in Hoofdst. 7 en 8), Aanstonds worden wij nu verplaatst op den laatsten dag der 31 jarige regering van Nebukadnezar’s kleinzoon Laborosoarchod (met een anderen naam Belsazar geheten). Met dezen zou volgens Gods voornemen (Jer. 27:7) de heerschappij der Chaldeën in Babylon te niet gaan. Deze ondergang komt in de voor ons liggende geschiedenis voor als een rechtvaardig vonnis van God over enen bekleder der wereldmacht, die zich in misdadigen overmoed niet alleen op zijne koninklijke hoogheid verheft, maar zelfs doorgaat tot ontwijding van ‘s Heeren heiligdommen en tot lastering van zijnen hoog-heiligen Naam. Terwijl in het vorige hoofdstuk Nebukadnezars zelfverheffing slechts met ene zware straf bedreigd wordt, opdat hij zich bekere, en hij die ook werkelijk ondervindt. is die van Belsazar in haar gehele bestaan zo ongeneeslijk slecht, dat hij zonder enig uitstel aan het verderf wordt prijs gegeven. Deze Belsazar namelijk geeft zonder dat daartoe ene bepaalde aanleiding bestaat, aan de geweldigen van zijn rijk een groot gastmaal en hoont, in dronken overmoed voor de aanwezige gasten en in gemeenschap met hen, den God van Israël. Nu verschijnen vingeren aan den muur der eetzaal, die zijn vonnis ter neer schrijven, Dit schrift kunnen de Chaldeeuwse wijzen niet lezen of ontcijferen; Daniël, die daarbij geroepen wordt, verklaart het schrift, en wat hij verkondigt, dat wordt nog in denzelfden nacht vervuld. Belsazar vindt zijnen dood, en de heerschappij der Chaldeën moet voor die der Meden wijken.
De koning Belsazar 1), die, wanneer men gelijk Daniël doet, de plaatsvervangende regering van zijn vader Neriglissar mederekent, van 560-556 vóór Chr. regeerde, maakte, nadat hij negen maanden te voren tot zelfstandige regering gekomen was, een groten maaltijd voor zijne duizend geweldigen, en hij dronk wijn voor die duizend 2).
De naam bevat de beide bestanddelen van den naam, dien Daniël aan het Babylonische hof verkregen had (Hoofdst. 1:7), maar zonder de T (Hebr.) waardoor hij zich van den anderen onderscheidt. Het is de vraag, welke Babylonische koning hier bedoeld is. Wij volgen bij onze voorstelling der geschiedenis van het Babylonische in 2 Kon. 25:27 het bericht van Berosus in een fragment bij Josefus, dat aldus luidt: “Op Nebukadnezar volgde zijn zoon Evil-Merodach; hij regeerde slecht en werd door den echtgenoot zijner zuster, door Neriglissar gedood, nadat hij twee jaren geregeerd had. Na hem regeerde deze Neriglissar vier jaren; diens zoon Laborosoarchod regeerde daarna nog een knaap zijnde, negen maanden, en werd, daar hij vele bewijzen van een slecht karakter gaf, door de vrienden vermoord. Zijne tegenstanders droegen nu volgens een gemeenschappelijk besluit de regering op aan Nabonnedus, een uit de Babyloniërs, die mede tot de zaamgezworenen behoorde. Er is ene andere mening, dat Nebukadnezars zoon en naaste opvolger Evil-Merodach, deze Belsazar zou zijn, van wien Daniël hier en in Hoofdst. 7:1 en 8:1 spreekt; deze vinden wij reeds in Baruch 1:1 vv. zij berust op verschuiving van tijden en omstandigheden in den geest der latere Joodse schrijvers, en is ook in den laatsten tijd verdedigd. Wij kunnen haar niet aannemen, en wel reeds om reden, dat men op ene zeer gedwongene wijze het 34ste vers van ons hoofdstuk van den inhoud van het 30ste vers moet losrukken, en als iets moet beschouwen, dat ongeveer 22 jaren later geschied is. Wij sluiten ons aan die uitleggers aan, die aan Nebukadnezars kleinzoon, Laborosoarchod, denken, die wel niet de zoon van zijnen zoon, maar van zijne dochter is; dit nietig verschil komt bij de plaats Jer. 27:7 gewis niet in aanmerking, dewijl het daar slechts te doen is om het begrip van enen kleinzoon, onverschillig of hij dit is door manlijke of door vrouwelijke afstamming (vgl. 2 Kron. 30:20).
De maaltijd was dus voorbij en het drinken zou beginnen; de koning maakte volgens de Oosterse gewoonte daarmee een begin tegenover zijne gasten, terwijl hij aan ene bijzondere tafel op ene hoge plaats, waarschijnlijk aan den enen muur (1 Sam. 20:25) zat. Het aanleggen van zulk een gastmaal komt overeen met den lust der Babyloniërs in zwelgerij, op welken ook in Jes. 14:11; 47:1. Jer. 51:39 gedoeld wordt; het had echter hier zijne bijzondere aanleiding daarin, dat Belsazar, nadat hij voor weinige maanden de regering zelfstandig begonnen had, zijn huwelijksfeest met de vrouwen en bijwijven, die hij voor zijnen harem had uitgekozen, hield, daarmee tevens een prachtig feest ter viering van het begin zijner regering verbond. De duizend geweldigen, die hij als gasten genodigd had, zijn, gelijk het schijnt, nieuwe gunstelingen, die hij zich koos in de plaats van die, welke zijn vader had. De laatsten maakten uit gekrenkte eergierigheid ene zamenzwering tegen hem, en ontnamen hem, gelijk wij uit vs. 30 vernemen, nog in den op dezen dag volgenden nacht troon en leven; zij verhieven uit hun midden Nabonnedus tot de heerschappij. Spoedig nadat hij den ondergang van de Chaldeeuwse dynastie vernomen had, deed de Medische koning Cyraxares II de rechten zijns rijks op de regering over Babylonië gelden, die gedurende de regering van Nebukadnezar en zijne opvolgers gerust hadden (2 Kon. 22:2); hij vertoefde een tijd lang te Babel, totdat hij vervolgens Nabonnedus als zijn vazal erkende en zich weer in zijn rijk terugtrok. In den tijd, toen hij te Babel was, valt de geschiedenis van het zesde hoofdstuk, van Daniëls gebeden, de profetie der 70 weken in Hoofdst. 9; de Profeet gaat de regering van Nabonnedus als een vazal geheel voorbij; ook de Medische heerschappij van Darius heeft bij hem slechts het karakter van overgang; het rijk is voor hem nu reeds als dat der Meders en Perzen (Hoofdst. 6:8, 12, 15), en komt tot zijn eigenlijk doel, de heerschappij der Perzen (op deze doelt volgens vs. 28 van ons hoofdstuk ook het Upharsin (vs. 25), met het begin der regering van Cyrus (Hoofdst. 6:28) . Op deze prachtigen maaltijd nu versmaadde hij de Voorzienigheid Gods, en daagde derzelver oordelen uit. De stad was thans belegerd, er was een machtig vijand voor hare poorten, zijn leven en koninkrijk was in gevaar. In alle deze was de hand des HEEREN tegen hem uitgestrekt, en daarom werd hij geroepen tot treuren en tot wenen en om zich met een zak te omgorden. De stemme des HEEREN riep in de stad, gelijk Jona in Ninevé: noch veertig dagen en minder, dan zal Babel verwoest worden. Hij had daarom, evenals de koning van Ninevé, een vasten behoren uit te roepen, maar hij, als iemand die zich voorgenomen had zich tegen God te verzetten, roept een feest uit, alsof hij den Almachtige durfde uittarten en zeggen: ik vrees niet, om te tonen, hoe weinig hij bevreesd was, om zich wegens gebrek aan voorraad over te geven, maakte hij zijne verkwisting overdadig.
Als Belsazar, nadat het feest reeds tot in de nachtelijke duisternis voortduurde, den wijn geproefd had, door den wijn bekoord was d. i. begon dronken te worden, zei hij in den overmoed des wijns (Spr. 20:1), dat men de gouden en zilveren vaten voortbrengen zou; die zijn grootvader Nebukadnezar uit den tempel, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had
(Hoofdst. 1:2. (Jer. 52:17 vv.), opdat de koning en zijne geweldigen, zijne vrouwen en zijne bijwijven uit dezelve dronken. 2)
Hiermede maakt Babels koning zich rijp voor den ondergang, dewijl hij hiermee zich op buitengewone wijze den toorn Gods op den hals haalt. Deze vaten waren voor heilig gebruik bestemd, voor Zijne heilige personen, in den tempel, en nu maakt een heidens koning, er een onheilig gebruik van, om daarmee den God van Israël te tarten, in zijn overmoed. Het is dan ook daarom, dat hij het licht van den volgenden morgen niet meer zal zien.
In Babylonië nemen ook (anders dan bij de Macedoniërs, Grieken en Romeinen, wier zeden het niet veroorloofden) de vrouwen aan de gastmalen en drinkgelagen deel.
Toen bracht men voort de gouden vaten, die men uit den tempel van het huis Gods, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had, en de koning en zijne geweldigen, zijne vrouwen en zijne bijwijven dronken daaruit.
Zij dronken den wijn, en prezen de gouden en de zilveren, de koperen, de ijzeren, de houten en de stenen goden. Was reeds de wegvoering der tempelvaten naar Babel en hun plaatsing in den tempel van Bel volgens de mening der Babyloniërs ene overweldiging van den God, wien zij waren gewijd, door de heidense goden, nu moest der Joden God nog dieper vernederd en de roem der Babylonische goden als onwederstaanbare overwinnaars op het hoogst geprezen worden. Daarom wendde men de vaten van Zijn heiligdom aan de ene zijde aan tot profaan gebruik bij een drinkgelag, aan de andere zijde bracht men ook onder het zingen van liederen ter ere van die goden aan de laatsten libatieën uit de vaten. Dit was des te meer een misdadig honen van Jehova, daar gene toornige stemming tegen de Joden daartoe aanleiding gaf, integendeel de God van Israël reeds meermalen door tekenen en wonderen den Babylonischen koning de erkenning Zijner Almacht had afgeperst, en door Zijnen knecht Daniël het Babylonische rijk gezegend had (vgl. Hoofdst. 2-4). De overigens boze zoon van Nebukadnezar, Evil-Merodach, was zijne regering begonnen met ene daad van genade jegens den gevangenen koning der Joden, Jojachin, (2 Kon. 25:27 vv.), en zelfs onder Neriglissar, den moordenaar van zijnen zwager, schijnt men eerbied voor den God van Israël behouden te hebben en Zijn volk met ene zekere verschoning te hebben behandeld. Daar openbaart zich nu de nog zo kort geleden tot zelfstandige heerschappij gekomen Laborosoarchod aanstonds bij dit eerste feest, dat hij aan het land geeft, hoe hij ten opzichte van Israëls God staat. Let men er op, hoe in de “gouden, zilveren, koperen, ijzeren, ” enz. goden ons nauwkeurig dezelfde stoffen genoemd worden, onder welke in Hoofdst. 2:32 vv. de verschillende rijken der aardse wereldmacht worden afgebeeld, zo kan men wel zeggen: in hem beproeft reeds de wereldmacht tot antichristelijke lastering van den Naam Gods voort te gaan, en deze moet, omdat zij als het ware nog te vroeg komt, dadelijk in de kiem verstikt worden. Nog op den dag van zijn feest gaat, gelijk wij in vs. 30 lezen, Laborosoarchod en met hem de Chaldeeuwse dynastie tot in de laatste spruiten te niet. God laat echter niet eenvoudig, zonder enige tussenkomst van Hem zelven Belsazar door moordenaarshand vallen, gelijk vroeger Evil-Merodach gevallen was, maar het moet voor alle Chaldeën duidelijk worden, dat Zijne hand hier heeft ingegrepen. Deze is de betekenis, welke de volgende geschiedenis heeft.
Terzelver ure, toen het drinken en het prijzen der afgoden ten toppunt was gestegen, kwamen er plotseling vingeren van eens mensen hand voort, die schreven tegenover den kandelaar, de lampenkroon, die boven ‘s konings hoofd hing, op den kalk van den wand van het koninklijk paleis 1), en de koning zag het deel der hand), die daar schreef, juist tegenover zich, hoewel hij het schrift niet kon lezen, veel minder den inhoud der woorden kon verklaren
.
Hier begint Daniël te verhalen, dat de rollen verwisseld werden, dewijl op hetzelfde ogenblik de koning erkende dat hem iets treurigs en droevigs te wachten stond. Hij begreep niet terstond wat het was. God toonde hem slechts enige tekenen, als een onheilspellend voorteken, zoals de profanen toen zeiden. God gaf hem een voorspel op die wijze, waar Hij zag dat de koning zo verhit was door een onzinnige begeerte met zijne aanzienlijken. Er verscheen, zegt de Profeet een hand als van een mens, Hij noemt die hand als van een mens wegens den vorm of de gelijkenis. Want het was niet de hand van een mens, maar dewijl hij den vorm er van had, daarom wordt die aldus genoemd. En de Schrift gebruikt ook dikwijls deze uitdrukking, voornamelijk wanneer zij spreekt van uiterlijke tekenen. God nu heeft door Zijne macht zelf geschreven. Hij toont den koning Belsazar een figuur, alsof de een of andere mens op den wand schreef. “God schreef zelf in de kracht Zijner almacht, die geen middel nodig heeft, een beeld, alsof enig mens aan den wand schreef. ” Het verschijnen van vingers, die schreven en toch geen persoon achter zich hadden, tot wien zij behoorden, moest aanstonds de gedachte doen ontstaan aan een bovennatuurlijk persoon, die het schrift teweeg bracht, en den koning uit zijne bedwelming wakker schrikken. De vingers waren duidelijk genoeg te zien, want zij vertoonden zich tegenover den kandelaar aan die tafel, aan welke de koning zat, en zij schreven op den wand tegenover hem, die door dien kandelaar verlicht werd. “De wand was niet van marmer, maar van gebakken steen, die overpleisterd was. De houten of ivoren bekleedsels der koninklijke wanden reikten slechts tot de halve hoogte van den muur. ” Zulke aangepleisterde kamers worden ook in de paleizen te Nimrod en Khorsabad gevonden (2 Kon. 15:20).
D. i. alleen de hand met de vingers, doch zonder arm, die anders menigmaal mede door het woord “hand”‘ wordt aangeduid.
Alleen door bovennatuurlijke verlichting wordt het Daniël later mogelijk het schrift te lezen en te verklaren, en slechts, omdat de koning geloofde, dat hij in het bezit van zulk ene verlichting was, werd hij tot dit doel er bij geroepen; het moet daarom geheel ongewoon geweest zijn en zonder Goddelijke verlichting niet te ontcijferen. Toch waren de woorden zelf, die door de tekenen waren uitgedrukt (vs. 25), gewoon en op zich zelf verstaanbaar; zij droegen slechts het raadselachtig karakter van een orakel, en alzo was er van deze zijde ene Goddelijke verlichting tot hun verklaring nodig.
Toen veranderde zich de glans des konings, zodat hij bleek als een lijk uitzag, en zijne gedachten verschrikten hem, en de banden zijner lenden werden los, en zijne knieën stieten tegen elkaar aan, want zijn geweten ontwaakte en gaf hem aanstonds een voorgevoel dat hem straf wachtte.
Zodat de koning met kracht 1) riep, dat men de sterrekijkers, de Chaldeën en de waarzeggers (Hoofdst. 2:2; 4:3) inbrengen zou; en de koning antwoordde en zei tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en zijne uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper bekleed worden, met ene gouden keten om zijnen hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn. 2) Juist dat met kracht roepen toont een bovenmate vrees van den koning. Hij moest dadelijk weten, wat die zonderlinge hand op den wand heeft geschreven. Zijn ziel is diep geschokt, zijn hart is bovenmate beroerd. Hij gevoelt dat die hand iets onheilspellends heeft ter neergeschreven, hoewel hij nog hoopt dat hij zich zelven bedrogen heeft.
Bekleding met purper was een teken der installering of inleiding tot het ambt van een hoofdambtenaar (Esther 8:13); de gouden keten aan den hals behoorde tot de dracht der voornaamsten en werd ten teken van koninklijke genade verleend; het “de derde heerser zijn in het koninkrijk”, is te verstaan in den zin, dat hij als derde met twee anderen (Jes. 19:24) de hoogste macht in handen zou hebben; er is dan aan een driemanschap te denken van hoogste rijksambtenaren, waarin de uitlegger van het geschrift zou worden opgenomen (Hoofdst. 6:2).
Toen kwamen al de wijzen des konings in, maar zij konden dit schrift niet lezen, noch den koning zijne uitlegging bekend maken. Men verschilt in de opgave der redenen, waarom de Babylonische wijzen het schrift niet konden lezen. Sommigen menen dat het een geheimzinnig cijfer of karakterschrift (Steganographie) geweest is; anderen dat het Alphabeth was omgekeerd (Ath basch). Doch het is veel eenvoudiger te verklaren; in het oosten is een soort van sierlijk schrift bekend, Diwani geheten, waarin de letters op ene kunstige wijze door elkaar gevlochten en als geslingerd worden, zodat men in dit schrift kundig moet zijn, om het te kunnen lezen, maar ook wanneer men het door een kundige voorgelezen is, terstond zien kon, dat het gelezene er werkelijk staat De Rabbijnen zeggen, dat het gene Chaldeeuwse letters waren, ofschoon de woorden Chaldeeuws waren, maar oude Hebreeuwse, Kanaänietische, Fenicische en Samaritaanse letters. Anderen hebben verondersteld, dat de Magiërs dit schrift niet konden lezen, vanwege de verwarring, waarin hun geest gebracht was. .
Toen verschrikte de koning Belsazar zeer, nog meer dan vroeger; daar het onoplosbare van het raadsel hem des te dieper deed gevoelen, dat hij als een machteloos mens tegenover den arm van den Almachtigen God stond, die reeds tegen hem opgeheven was, en zijn glans werd aan hem veranderd en zijne geweldigen werden eveneens verbaasd 1).
In de woorden van den grondtekst: “geraakten in verwarring” ligt niet alleen het begrip van ontzetting, maar ook van een warren door elkaar. Niemand bleef meer op zijne plaats; alles kwam in oproer, er vormden zich groepen en radeloos liep men heen en weer. De hier bij den koning verzamelde geweldigen werden, gelijk het schijnt door hetzelfde lot als hij getroffen, zij werden tegelijk met hem omgebracht door de zaamgezworenen tegen Belsazars leven (vs.
, welke gebruik maakten van de in de eetzaal ontstane verwarring.
Om deze woorden des konings en zijne geweldigen, ging de koningin-moeder 1) (2 (Kon. 25:27), die in hare afgezonderde kamer van het voorgevallene in de eetzaal vernomen had, in het huis des maaltijds, om de ontstelden uit hun verlegenheid te helpen. De koningin sprak en zei: O koning, leef in eeuwigheid (Hoofdst. 2:4)! laat u uwe gedachten niet verschrikken, noch uw glans niet veranderd worden, alsof het onmogelijk ware, de betekenis van het schrift te verklaren.
Onder koningin verstaan de uitleggers met recht, de moeder van den regerenden koning, de weduwe zijns vaders Nebukadnezar, dewijl de gemalinnen van den koning aan het drinkgelag deel namen en de “koningin” met een zo achting afgedwongen waardigheid voor den koning optrad, zoals het slechts de moeder doen kon. Keil is van mening, dat onder Belsazar Evil-Merodach moet worden verstaan. In elk geval is het de weduwe van Nebukadnezar geweest, die hier sprak tot haar kleinzoon, dewijl zij van Daniël sprak, zoals Nebukadnezar over hem gesproken had.
Er is, gelijk ik mij uit den tijd der regering van Nebukadnezar herinner, een man in uw koninkrijk, in wien de geest der heilige goden is (Hoofdst. 4:5), want in de dagen uws vaders, van Nebukadnezar, is bij hem gevonden licht, en verstand, en wijsheid, gelijk de wijsheid der goden is (1 (Kon. 3:28); daarom stelde hem de koning Nebukadnezar uw vader tot een overste der tovenaars, der sterrekijkers, der Chaldeën en der waarzeggers, uw vader 1), o koning (Hoofdst. 2:48).
Vgl. over het gebruik van het woord “vader” in den zin “grootvader”, Gen. 28:13. Bij de verovering van den troon was Daniël uit zijn ambt ontzet en leefde nu ver van den troon. Dat hij echter bij dezen koning een niet onbekend persoon was, blijkt uit vs. 13. Deze koning had echter vergeten, wat Daniël voor Nebukadnezar was geweest, en spreekt hem dus aan als een der gevankelijk weggevoerden uit Juda.
Omdat een voortreflijke Geest, en wetenschap, en verstand van enen, die dromen uitlegt, en der aanwijzing van raadselen, en van enen, die knopen ontbindt, die verborgene zaken weet te openbaren, gevonden werd in hem, in Daniël, dien de koning den naam van Beltsazar gaf. Laat nu Daniël geroepen worden, die zal de uitlegging te kennen geven 1). Reeds bij het begin der regering van Evil-Merodach, of zeker van Neriglissar, had Daniël zijne plaats als hoofd der Magiërs verloren en een ander ambt ontvangen (Hoofdst. 8:27). Eerst nadat de koningin-moeder hem als een man gekarakteriseerd heeft, die ook zeker dat raadsel kan oplossen, noemt zij zijnen naam. Over den invloed, dien ene koningin-moeder in de Oosterse konings-harem pleegde uit te oefenen, zie 1 Kon. 15:10 .
Toen werd Daniël voor den koning ingebracht. De koning antwoordde en zei tot Daniël: Zijt gij die Daniël, een uit de gevankelijk weggevoerden van Juda, die de koning, mijn vader, uit Juda gebracht heeft?
Ik heb toch van u gehoord, dat de Geest der Goden in u is, en dat er licht en verstand en voortreflijke wijsheid in u gevonden wordt.
Nu, zo zijn voor mij ingebracht de wijzen en de sterrekijkers, om dit schrift op den wand te lezen en deszelfs uitlegging mij bekend te maken, maar zij kunnen de uitlegging dezer woorden niet te kennen geven, noch zelfs het schrift lezen.
Doch van u heb ik gehoord, dat gij uitleggingen kunt geven, en knopen ontbinden, nu, indien gij, gelijk ik reeds den wijzen en Chaldeën beloofde, die dit konden (vs. 7) dit schrift zult kunnen lezen, en deszelfs uitlegging mij bekend maken, gij zult met purper bekleed worden, met ene gouden keten om uwen hals, en gij zult de derde heerser in dit koninkrijk zijn.
Toen antwoordde Daniël, en zei voor den koning: Heb uwe gaven voor uzelven 1), en geef uwe vereringen aan een ander. ik zal nochthans, ook zonder op de mij aangebodene onderscheiding en ereplaats aanspraak te maken, het schrift voor den koning lezen, en de uitlegging zal ik hem bekend maken.
Daniël begint zijne rede, zonder de gewone begroetingsformule (Hoofdst. 2:4), en zonder een woord van deelneming, gelijk hij dat eens tot Nebukadnezar gesproken had (Hoofdst. 4:16), want hij weet, dat Belsazars uren geteld zijn, en Gods gericht nabij is. Dit is ook de reden, waarom hij dadelijk van den beginne af de hem gedane aanbiedingen afwijst; hij wilde van den verachter zijns Gods niets aannemen, hij was ook niet zozeer gezonden om hem te dienen, als wel om Gods onherroepelijk vonnis hem nog in het laatste uur te openbaren. Hij sprak als een boodschapper van den Allerhoogste tot Belsazar als een veroordeeld misdadiger, wiens vonnis dadelijk zou worden uitgevoerd. . Hier verwerpt Daniël in de eerste plaats de hem aangeboden geschenken. Wij lezen niet dat hij dit vroeger ook heeft gedaan. Ja hij schijnt aangenomen te hebben, wat hem door den koning Nebukadnezar was gegeven. Men vraagt naar de reden van dit verschil. En dan is het niet waarschijnlijk, dat de Profeet verschillend van hart, of van plan, of van gemoed is geweest. Wat is dan de reden dat, waar hij te voren had toegestaan, dat hij door den koning Nebukadnezar werd versierd, hij nu de hem aangeboden eer verwerpt? Vervolgens is er nog een andere kwestie. Want aan het einde van dit hoofdstuk zullen wij zien, dat hij bekleed is met purper, en vervolgens dat door een heraut het edict is afgekondigd, dat hij de derde in de regering zou zijn. De Profeet schijnt dus of zich vergeten te hebben, toen hij het purper aannam, hetwelk hij grootmoedig veracht had, of er is een andere reden, waarom hij nu zo sprak en vervolgens niet geweigerd heeft met de koninklijke eretekens versierd te worden. Wat nu de eerste kwestie betreft, ik twijfel niet, of hij heeft te scherper met den goddelozen en wanhopigen koning Belsazar gesproken. Dewijl toch in den koning Nebukadnezar nog enige vroomheid heerste en hij voor hem nog enige hoop had, heeft hij met hem zacht gehandeld. Maar wat den koning Belsazar betreft, het was onmogelijk dat hij hem te hard behandelde, dewijl hij tot het uiterste gedreven was. Ik twijfel niet, dat dit een oorzaak was van het verschil, dewijl de Profeet standvastig voortschreed op zijn loopbaan, maar hij moest overeenkomstig zijn ambt onderscheid maken tussen verschillende personen en dewijl de hardnekkigheid en het driest verzet tegen bij den koning Belsazar groot was, daarom toont hij dat deze hem minder weegt dan zijn grootvader. Waarbij nog komt dat de tijd der onderwerping weldra zou eindigen, met inachtneming waarvan hij te voren de Chaldeeuwse monarchie had geëerd. Wat nu betreft de weigering, welke uit zijn antwoord blijkt, en de daad waarvan straks sprake is, het moet ons niet ongerijmd toeschijnen, omdat de Profeet in den beginne getuigenis heeft willen afleggen, dat de geschenken des konings hem niets konden schelen, ja, dat hij ze veeleer afsloeg, en echter niet al te heftig op zijn stuk stond, dewijl men geloofd zou hebben, dat hij dit slechts deed om het gevaar te ontvluchten.
Wat u aangaat, o koning! de allerhoogste God heeft in vroegeren tijd uwen vader Nebukadnezar, den stichter van het Babylonische wereldrijk, het koninkrijk, en grootheid, en eer en heerlijkheid gegeven (Hoofdst. 2:37 vv. 4:19).
En van wege de grootheid, die Hij hem gegeven had, beefden en sidderden alle volken, natiën en tongen voor hem; dien hij wilde, doodde hij, en dien hij wilde, behield hij in het leven, en dien hij wilde, verhoogde hij, en dien hij wilde vernederde hij.
Maar toen zich zijn hart verhief, en zijn geest verstijfd werd, zich verstokte ter hovaardij, werd hij van den troon zijns koninkrijks afgestoten, en men nam de eer van hem weg.
En hij werd van de kinderen der mensen verstoten, en zijn hart werd den beesten gelijk gemaakt, en zijne woning was bij de woudezelen; men gaf hem gras te smaken gelijk den ossen, en zijn lichaam werd van den dauw des hemels nat gemaakt, totdat hij bekende, dat God, de Allerhoogste, Heerser is over de koninkrijken der mensen, en over dezelve stelt, wien Hij wil(Hoofdst. 2:31-4 :34).
En gij, Belsazar! zijn zoon in het tweede lid! hebt uw hart niet vernederd, alhoewel gij dit alles wel geweten hebt. 1)
Het is grote zonde tegen God, wanneer ons hart niet vernederd is voor Hem, om Hem te gehoorzamen, beide in Zijne geboden en in de wegen van Zijn Voorzienigheid, wanneer het niet vernederd is door boetvaardigheid, gehoorzaamheid en lijdzaamheid.
Maar gij hebt u verheven tegen den Heere des hemels, 1) en men heeft de vaten van Zijn huis voor u gebracht, en gij en uwe geweldigen, uwe vrouwen en uwe bijwijven hebben wijn uit dezelve gedronken, en de goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, die niet zien noch horen, noch weten (Ps. 115:4 vv.), hebt gij geprezen; maar dien God, in wiens hand uw adem is, en bij wien al uwe paden zijn, hebt gij niet verheerlijkt, maar hem integendeel op ‘t schandelijkst onteerd 2).
Daniël verklaart hier dat het drinken uit de vaten des Heeren een oorlogsverklaring was aan den Heere God. De koning had God als het ware uitgedaagd, en nu zou God hem tonen, dat niemand, die zich tegen Hem verzet heeft, vrede heeft gehad.
Daniël houdt den koning zijne zware schuld voor ogen, vóór hij het vonnis uitspreekt; hij spreekt daar als Profeet en als gezant van God. Hier zien wij het grote doel van het wonderbare Schrift, dat den koning verschrikt had, want zou hij met zijne geweldigen, zich dit hebben laten zeggen, wanneer God niet te voren hun harten verpletterd had.
Toen is dat deel der hand (vs. 5 2) van Hem gezonden, en dit schrift, daar aan den wand, getekend geworden.
Dit nu is het schrift 1) dat daar getekend is: MENÉ, MENÉ, TEKÉL, UPHARSIN; geteld, geteld, gewogen, verdeeld.
Deze vier woorden legt Daniël uit, welke aan den wand waren ingeschreven. De koning had of van angst deze niet kunnen lezen, of dewijl God alle zijne zinnen in de war had gebracht en hij als het ware zijne ogen bad verloren, En het zelfde is ook te zeggen van de Magiërs en de sterrekijkers. Zij hadden het toch kunnen lezen, tenzij zij van Gods zijde waren verblind. In de eerste plaats leest Daniël die vier woorden voor: Mené, Mené, Tekel, Upharsin. Dan geeft hij de uitlegging er bij, Tweemaal wordt het eerste woord herhaald: Mené. Sommigen leraren alzo: omdat de jaren des levens des konings waren geteld en vervolgens de tijd van het rijk geteld was, maar deze beschouwing schijnt mij niet vast te zijn. Ik voor mij meen, dat het tweemaal is geschreven om het te bevestigen, alsof de Profeet zeggen wilde dat het geheel reeds vervuld was. Opdat derhalve Belsazar zou verstaan, dat het met zijn leven en zijn rijk gedaan was, bevestigt God, dat het geheel vervuld was, alsof Hij zeggen wilde, dat er zelfs geen spanne tijds bij de voorgeschreven termijn kon gevoegd worden. Nu volgt de uitlegging van het woord Tekel. Tekel, zegt hij, dewijl gij in de weegschaal gewogen zijt en te licht bevonden. Hier toont Daniël dat God zo naar de maat te werk gaat met Zijne oordelen, alsof Hij in Zijn hand een weegschaal houdt. De gelijkenis is van de gewoonte der mensen genomen. Wij weten welke het gebruik is van de weegschaal, namelijk om zeker van de verdeling te zijn. Zo ook wordt hier van God gezegd, dat Hij naar maat en gewicht handelt, dewijl Hij in niets in het wilde handelt, maar die maatregel gebruikt opdat men nooit meer of minder zou krijgen, zoals men in het algemeen zegt. Om deze reden zegt Daniël, dat God Belsazar in de weegschaal heeft gewogen, omdat God nl. niet zich heeft gehaast in het straffen van hem, maar naar Zijne gewoonte en eeuwigdurende regelen, op rechtvaardige wijze straf over hem brengt, dewijl hij nl. te licht is bevonden, dat is, omdat het gebleken is, dat hij als het ware geen gewicht had; alsof Hij zeggen wil: Gij meendet dat men u moest sparen om uwe waardigheid. Want dewijl allen u eren, meendet ge die eer waardig te zijn. Gij bedriegt u, zegt Hij, anders is het oordeel Gods. God gebruikt niet een gemene weegschaal, maar heeft zelf Zijn eigen. Eindelijk voegt hij er bij: Upharsin. Ik betwijfel niet, of God heeft met dit woord de oplossing van zijn rijk aangeduid, die aanstaande was.
Dit is de uitlegging dezer woorden: MENE God heeft uw koninkrijk geteld, en Hij heeft het voleind, de duur daarvan is bij dagen bepaald, en het getal van deze is nu ten einde.
TEKEL: gij zijt in weegschalen gewogen, en gij zijt te licht bevonden. Indien zulk een woord van den hogen, onfeilbaren en waarachtigen God ontzettend is voor des mensen ingebeelden eigenwaan, waardoor men gewoonlijk met zich zelven ingenomen is, zich zelven beter dunkt dan men waarlijk voor God is en aan zich zelven genoeg, heeft; indien zulk een woord nog veel ontzettender wordt, wanneer het in de oren klinkt te midden van de verdartelingen des levens, gelijk het bij Babels koning was; indien bovenal dat woord ontzettend luidt, wanneer men tot de beslissende ure des stervens genaderd is, en men voor den Heilige en Rechtvaardige verschijnen moet, worden wij dan door deze gedachten niet ten ernstigste geroepen, om tot ons zelven in te keren en ons zelven af te vragen: Als de Heere mij op de weegschalen der gerechtigheid weegt, zal ik dan ook te licht bevonden worden? Is dit niet gewis en zeker, en zal niet het opschrift van al onze daden ongetwijfeld zijn: “licht gewicht!” zo lang de zoenverdiensten van Christus Jezus niet de onze zijn, en het hart niet door den H. Geest is vernieuwd? Moeten wij ons dan aan Belsazars voorbeeld niet spiegelen, die in dienzelfden nacht in zijn paleis gedood werd, dewijl Cyrus het water van den Eufraat, welke de stad bespoelde, had weten af te leiden, sommige krijgsknechten door de waterleidingen waren binnengeslopen en de poorten geopend hadden, en alzo Babel met zijn vorst overweldigd en ten onder gebracht? Geve de goede God, dat onze zielen er indruk van hebben mogen, en dat niemand, dit lezende, den zondaarsdood immer alzo sterven moge.
PERES: uw koninkrijk, dat gij achterlaat, is verdeeld, en het is den Meden en den Perzen gegeven, zodat het van een Chaldeeuws tot een Medo-Perzisch rijk wordt. In elk der drie woorden ligt een dubbelen zin, die bij de verklaring wordt genoemd. Het eerste woord: mene, dat vooreerst een parallelismus, om twee leden van een vers, en voor elke twee woorden te hebben, en aan de andere zijde om den tweeërlei zin van elk woord dadelijk aan te wijzen, verdubbeld wordt en zoveel als geteld betekent, omvat den tweevoudigen zin, dat de dagen van het koninkrijk van Belsazar 1) geteld, of wat den duur betreft, bepaald, en 2) zo geteld en bepaald zijn, dat het getal daarvan ten einde loopt. Het tweede woord: tekel kan zowel van takal = wegen, ” als van tahal =” licht zijn” worden afgeleid: “gij zijt in weegschalen gewogen, maar te licht bevonden. ” Het derde woord: upharsin eindelijk, dat “verdelende” betekent (Gen. 10:25; 38:29), is in zoverre van dubbelen zin, dat het in klank overeenkomt met den volksnaam der Perzen. Het eerste woord heeft betrekking op Belsazars regering-waarvan God de dagen geteld heeft en nabij het einde gebracht; het tweede op zijn persoon-God heeft gewogen en te licht bevonden; het derde op het rijk, dat hij zal achterlaten en het lot daarvan-het wordt verdeeld, en wel zo, dat het den Meders en Perzen wordt gegeven, terwijl eerst gene, daarna deze de opperheerschappij daarover zullen hebben, nadat zij het in gemeenschap met elkaar veroverd hebben. Welk ene kortheid! Hoe majestueus is dat Schrift van God, na de lange waarschuwingen en bedreigingen, die Hij door Zijne profeten liet voorafgaan. De hand is het beeld der uitvoerende macht. Gods hand schrijft hier het vonnis: door Zijn Schrift kondigt Hij het oordeel aan. O, lazen ook wij de Schrift, als door Gods eigen hand tegenover ons aan den muur geschreven. Hier ligt een innerlijk bewijs voor de echtheid van ons Boek, dewijl eerst Babel kwam aan de Meden onder Darius en daarna aan de Perzen.
Toen beval Belsazar, overweldigd door den indruk, dien het woord van den Profeet had gemaakt, en zoekende den toorn van dien God te verzoenen; en zij bekleedden Daniël met purper, met ene gouden keten om zijnen hals, gelijk hij beloofd had, en zij riepen overluid van hem, dat hij de derde heerser in dat koninkrijk was 1) (vs. 7).
Daniël weigert nu niet, dewijl hij getoond had, dat hij niet bevreesd was voor den toorn den konings, alhoewel hij hem een schrikkelijk vonnis moest aankondigen Het nu te weigeren zou een bewijs van verzet tegen de door God gestelde machten geweest zijn, dewijl, al had God den koning verworpen, hij tot op dit ogenblik nog Daniëls souverein was. Het was dus niet een beloning, maar een eer voor den dienstknecht Gods.
In dienzelven nacht werd Belsazar, der Chaldeën koning, door degenen, die tegen hem hadden zamengezworen in het jaar 556 vóór Chr. gedood. Men spreekt in de poëzie van een treffend, indrukmakend slot; doch wat staat gelijk met dit slot? Daniël zegt niet hoe het geschiedde, dit zou een niet geïnspireerd schrijver gedaan hebben, die als zodanig altijd nodig heeft zich te rechtvaardigen, die nooit zeker is, die altijd denkt dat men hem zal mistrouwen en dus altijd met bewijzen komt. Doch aan zo iets denken de heilige schrijvers niet. Daar alles volkomen zekerheid voor hen is, bewijzen zij niet, maar zeggen zij eenvoudig: zo is het! Daarom achtte ook Daniël het onnodig de verdere bijzonderheden van dien gedenkwaardigen nacht en de wijze der vervulling van Gods voorspelling te beschrijven. En eigenlijk ware dit ook beneden de waardigheid der Schrift: hare profetie is hier voldoende, is bij haar zo goed als de vervulling. Nochthans meldt zij met een enkel woord des konings dood, en laat nu het bericht van de wijze hoe Babel viel, en Belsazar gedood werd, aan de ongewijde geschiedschrijvers over, en deze (Herodotus en Xenophon) verhalen ons dan ook, dat Cyrus, de Eufraat afgeleid hebbende, met zijne krijgsheiren, de stad Babel bij nacht over de bedding der rivier indrong en overrompelde, en dat toen twee overlopers, met name Gadata en Gabryus, door de Perzen geholpen, de wacht voor het koninklijk paleis aanvielen en nederstieten, en vervolgens doordrongen tot in het vertrek des konings, dien zij vonden, staande met het zwaard in de hand; doch schoon hij zich nog verdedigde, spoedig werd hij en die bij hem waren, gedood. Welk een ommekeer in éénen nacht! Straks nog in brooddronkenheid aan den maaltijd en nu reeds nederliggende onder de verslagenen. En welke is de geestelijke toepassing voor ons? Slechts een enkel woord hiervan. De Heiland komt op tweeërlei wijze: als een dief in den nacht, en dan heet het: “geteld, gewogen, te licht bevonden, veroordeeld!” En Hij komt als de Bruidegom, die Zijne bruid afhaalt, Hoe willen wij nu, dat Hij tot ons komt? Nog is het tijd te kiezen. Zullen wij niet de goede keuze doen? .
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel